Kamerstuk 32793-98

Verslag van een algemeen overleg

Preventiebeleid

Gepubliceerd: 11 juli 2013
Indiener(s): Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD)
Onderwerpen: organisatie en beleid zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32793-98.html
ID: 32793-98

Nr. 98 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 juli 2013

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 30 mei 2013 overleg gevoerd met Minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport overpreventiebeleid

(De volledige agenda is aan het einde van het verslag opgenomen).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Neppérus

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Teunissen

Voorzitter: Neppérus

Griffier: Clemens

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Neppérus, Dijkstra, Bruins Slot, Wolbert, Voortman, Rutte, Dik-Faber, Ouwehand en Leijten,

en Minister Schippers en Staatssecretaris Van Rijn, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun Ministerie

Aanvang 10 uur

De voorzitter: Ik heet iedereen van harte welkom bij dit algemeen overleg over preventiebeleid. Ik zie dat er zeven leden aanwezig zijn. Dat betekent dat wij de klok in de gaten zullen houden. De woordvoerders krijgen ieder, zoals in de convocatie staat, een spreektijd van vijf minuten met maximaal twee interrupties, in tweeën.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66): Voorzitter. Nederland leeft steeds ongezonder. Het aantal chronisch zieken neemt toe. In twintig jaar tijd verdubbelde het aantal Nederlanders met obesitas en het aantal rokers stijgt. Naast gezondheidsschade – die vind ik het belangrijkst – leidt dit tot economische schade. Daarom hebben D66 en het CDA gevraagd om een nationaal preventieprogramma. Preventie moet weer een prominente plek in onze samenleving krijgen. Ik ben blij dat het kabinet ons voorstel heeft omarmd en dat er een Nationaal Programma Preventie (NPP), een preventieagenda, ligt. Daar is een ruime vertegenwoordiging uit het veld, waarmee mevrouw Bruins Slot van de CDA-fractie en ik afgelopen vrijdag spraken, het mee eens. Deze veldpartijen vinden echter, net als ik, de invulling van het plan nog te mager. Daarom zal ik vandaag, samen met de CDA-fractie, verbetervoorstellen doen. Ik concentreer mij daarbij vooral op het raamwerk van het plan.

Voor een succesvol preventieplan is een stip op de horizon noodzakelijk. Ik mis ambitie en een langetermijnvisie. Laten wij nu eens tien jaar vooruitkijken. Een mooi voorbeeld is Finland. Daar leidde een focus op hart- en vaatziekten in 35 jaar tijd tot 85% minder sterfte door hartfalen. Daarom is mijn vraag of het kabinet een visie wil formuleren met afrekenbare gezondheidsdoelen en een nulmeting. Ik wil daarbij ook expliciet aandacht vragen voor één van de grootste problemen, namelijk tabak. Wil het kabinet daar een apart hoofdstuk aan wijden of er in elk geval apart aandacht aan besteden?

Het ontbreekt dit plan ook aan een financiële bijsluiter. Het lijkt alsof dit kabinet niet wil investeren in preventie. Zonder middelen gaat het mislukken. Wil het kabinet een financiële bijlage naar de Kamer sturen? D66 regelde bij het Lenteakkoord 100 miljoen extra voor preventie. Wat is er met dit geld gebeurd? Ik ontvang graag een verantwoording.

D66 is groot voorstander van publiek-private samenwerking (pps), waarbij overheid en bedrijfsleven samen werken aan een gezonder Nederland. Samen met het CDA stel ik voor om een fonds op te richten waaruit wij het preventieplan financieren. Mevrouw Bruins Slot zal dat straks verder toelichten. D66 pleit, in navolging van het Verenigd Koninkrijk, voor een «responsibility deal», waar publieke en private partijen zich vrijwillig verbinden aan concrete projecten. Is het kabinet bereid om met het veld om tafel te gaan om hieraan een impuls te geven? Een mooi voorbeeld in Nederland is JOGG, Jongeren Op Gezond Gewicht. De afspraak is dat in 2015 in 75 gemeenten zo'n JOGG-programma zal zijn vormgegeven. Het zijn er op dit moment 30. Ik hoor graag van de Staatssecretaris of wij die 75 gaan halen en wat zijn eigen bijdrage zal worden.

Een preventieplan met ambitie gaat verder dan VWS. Daar moeten ook andere Ministeries bij betrokken worden. Willen de bewindslieden over alle Ministeries heen breed inventariseren waar de kansen voor preventie liggen? Om het Nationaal Programma Preventie tot een succes te maken, zouden wij eigenlijk, net als bij de aanpak van jeugdwerkloosheid, een nationale ambassadeur preventie moeten aanstellen. Ik hoor daar graag een reactie van het kabinet op. Met het oog op de decentralisatie wil ik extra aandacht vragen voor de seksuele gezondheid van jongeren en de rol van de Gemeentelijke Geneeskundige Diensten (GGD's) daarin. Wil het kabinet bij de uitwerking van het preventieplan aangeven dat GGD's en gemeenten hiervoor voldoende middelen moeten houden?

Ik zoom even in op één onderwerp. Nederlanders eten te veel zout, vet en suiker. Dat is slecht voor de gezondheid. Het bedrijfsleven is verantwoordelijk voor een gezonde samenstelling van ons eten, maar de overheid moet aanjagen en ingrijpen als de markt faalt. Sectorbrede afspraken over brood en groenteconserven hebben tot dusver geleid tot een zoutreductie van 3%. De vleeswarensector heeft beloofd te volgen. Er is een convenant, wat veelbelovend is. Sectorbrede afspraken over bijvoorbeeld soepen, sauzen, kazen en chips blijven echter achter. Wil de Minister stimuleren dat deze sectoren concrete reductieafspraken maken? Mijn fractie vindt de huidige reductie van zout te mager en wil daarom harde doelen waarop in 2014 wetgeving volgt als verbeteringen uitblijven. Is de Minister bereid om nu echt door te zetten? Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) monitort nu alleen de reductie van zout en vet. Ik vraag de Minister om daar ook suiker aan toe te voegen.

Ik zie de voorzitter naar haar microfoon grijpen, dus ik zal afsluiten. Wij leven in een tijd waarin wij de stijgende zorgkosten moeten beteugelen. Pijnlijke maatregelen zijn daarbij onvermijdelijk. De discussie over zorgkosten mag wat mij betreft niet uitmonden in een wedstrijdje boekhouden. Investeren in preventie levert uiteindelijk meer op. Een gezonde samenleving is gelukkiger en in staat tot meer participatie. Ik vraag het kabinet daarom die investering serieus te nemen.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Voorzitter. Een goede gezondheid is allereerst ieders eigen verantwoordelijkheid. Daarbij geldt: jong geleerd, is oud gedaan. Ouders hebben een belangrijke rol bij het aanleren van gezond gedrag aan hun kinderen. De volksgezondheid zou er in Nederland veel beter voorstaan als mensen minder zouden roken en minder overgewicht zouden hebben en daarbij voldoende zouden bewegen. Het is eigenlijk bizar dat in een welvarend land als Nederland hoger opgeleiden gemiddeld zeven jaar langer leven dan laagopgeleiden, waarbij lager opgeleiden ook nog eens twintig jaar langer ernstige gezondheidsproblemen hebben.

Preventie is dus geen luxe, maar broodnodig. Vorig jaar hebben Pia Dijkstra en ik daarom een motie ingediend met het verzoek om te komen tot een nationaal preventieprogramma. Beide bewindspersonen hebben een prima plan van aanpak aangeleverd, maar er moet echt nog een tandje bij. Het gaat er nu om, zoals mevrouw Dijkstra al zei, om van een projectencarrousel – ik zeg het even kort door de bocht – naar structurele activiteiten en maatregelen te komen. Die stap kan in het plan gemaakt worden. Daar hebben wij afgelopen vrijdag met een groot aantal organisaties, uit de gezondheidssector en andere sectoren, over overlegd. Ik zou graag een reactie van de bewindspersonen hebben op enkele punten. Het is een soort herhaling van wat de fractie van D66 al heeft gezegd, maar in iets andere bewoordingen.

Het eerste punt is om vooral kwantitatieve doelstellingen te formuleren. Ik noem maar eens een dwarsstraat: waarom zouden wij in 2025 er niet naar streven om het aantal hart- en vaatziekten met 10% te verminderen?

Het tweede is om wat betreft de duur van het Nationaal Programma Preventie een stip op de horizon te zetten, om uit te gaan van 2025. Het is een unieke kans voor deze bewindspersonen om over hun graf heen te regeren. Op goede dingen moet je immers het kabinet af en toe weten te stimuleren. Hierop wil ik dat van harte doen.

Het derde punt betreft een nationaal ambassadeur preventie. Kijk ook nog eens goed naar de doelgroepen. Jongeren worden nu vooral heel veel genoemd. Er moet echter ook naar ouderen worden gekeken en naar mensen met een lagere sociaaleconomische status.

Het vierde punt is dat ervoor moet worden gezorgd dat alle Ministeries goed betrokken zijn. Zoek naar oplossingen en maatregelen breed over de Ministeries heen. Kijk bijvoorbeeld naar een inventarisatie van de regelgeving. Waarom staan die liften altijd in het zicht en niet de trap? Dat is heel simpel.

Het vijfde punt is het geld. Het is belangrijk om in elk geval een impuls aan het veld te geven, om te zeggen: wij als kabinet nemen dit zo serieus dat wij ondanks de zware financiële problemen die wij hebben geld vrijmaken in een preventiefonds. Wat mooi is, is dat de Minister een structurele meevaller heeft van 18 miljoen op het gebied van kaakchirurgie. Wij hadden een maatregel in het Lenteakkoord die 20 miljoen zou moeten opleveren en die levert 38 miljoen op. Mijn voorstel aan het kabinet, samen met D66, is om die 18 miljoen in een preventiefonds onder te brengen en anderen uit te nodigen om deel te nemen.

Mijn laatste punt, het zesde, is dat wij moeten kijken of wij tot een «responsibility deal» kunnen komen. Het convenant Jongeren Op Gezond Gewicht is daar een mooi voorbeeld van. Het is een geweldig Brits initiatief waarbij wijken, werkgevers en allerlei andere mensen zich kunnen inschrijven in een register en daarbij aangeven wat zij zelf willen bereiken. Dat heeft zich verspreid naar allerlei dorpen en wijken, die met elkaar afspraken hebben gemaakt om de leefomgeving gezonder te maken. Als wij die zes punten kunnen uitwerken, kunnen wij dit plan nog beter maken dan het nu al is.

Ik heb nog een aantal afzonderlijke punten. Het eerste betreft het zwangerschapslogo op alcoholhoudende dranken. Het afgelopen jaar heeft het CDA, bij monde van mijn collega Sabine Uitslag, hier diverse malen voor gepleit. Elk jaar worden weer 500 kinderen geboren met het Foetaal Alcohol Syndroom doordat de moeder tijdens de zwangerschap alcohol heeft gedronken. Wij waren blij dat de Minister vorige keer zei met de branche in gesprek te gaan en zo nodig over te gaan tot wettelijke maatregelen. Sindsdien is het echter weer hartstikke stil geworden. Kan de Minister aangeven hoe het hiermee staat? Is de branche bereid om via zelfregulering iets te doen en tot een logo te komen, of moeten wij tot wetgeving overgaan?

Een ander punt is dat de Consumentenbond en zelfs de branche op dit moment de noodklok luiden over kidsmarketing. Bedrijven negeren massaal de afspraken over reclames gericht op kinderen tussen 7 en 12 jaar. Wij weten allemaal dat kinderen op die leeftijd in de kwetsbaarste fase zitten. Op de websites en in de sociale media is het helemaal wildwest. Alles mag. Dat is een onwenselijke situatie en het ondermijnt het gezag van de ouders. Zijn de Minister en de Staatssecretaris bereid om een laatste waarschuwing te geven aan de voedingsmiddelenindustrie en anders gewoon over te gaan tot regelgeving? Ik ben altijd voor zelfregulering, maar dit loopt echt de spuigaten uit.

Ik zie de voorzitter kijken. Ik stel nog een korte vraag, want verwacht dat mevrouw Wolbert hier verder op ingaat. Hoe staat het nu met het convenant met de Nationale Hoorstichting? Heel veel jongeren hebben permanente gehoorschade, een discodip. Ik heb zelfs een discodip. Wij moeten echt voorkomen dat het gehoor van mensen kapotgaat. Wat moeten wij doen om dat tegen te gaan?

Mevrouw Wolbert (PvdA): Voorzitter. De PvdA-fractie vindt de eerste schets van wat in het najaar een Nationaal Programma Preventie gaat worden veelbelovend. De bewindspersonen stellen dat de vrijblijvendheid eraf moet. Er moeten meetbare doelen worden gesteld. Er moet worden gekozen voor een gezonde aanpak in wijken, op scholen en op het werk. Voor de aanpak is samenwerking met andere overheden, met andere Ministeries, met andere maatschappelijke spelers en met bedrijven en ondernemers nodig. De PvdA-fractie is erg positief over het feit dat in het Nationaal Programma Preventie de initiatieven worden gebundeld en dat de bewindslieden het in publiek-private samenwerking verder willen brengen. Minder losse projecten en meer focus en langjarige afspraken, zo zeggen de bewindspersonen.

Op belangrijke onderwerpen kunnen wij in deze kabinetsperiode meters maken. De PvdA-fractie wil daar nu alvast de ingrediënten voor noemen, zodat de zaken in het najaar in het uitgewerkte plan herkenbaar terug kunnen komen. Het gaat ons om de volgende punten. Wat betreft het tegengaan van welvaartsziekten en het bevorderen van een gezonde leefstijl, vraagt de PvdA-fractie zich af hoe de bewindspersonen laten merken dat op dit punt de vrijblijvendheid er inderdaad af is. Hoe gaan wij merken dat wij op koers liggen? Wat is de ambitie? Welke mogelijkheden zien de bewindspersonen om een bewezen effectieve aanpak over het hele land uit te rollen en niet alleen in de grote steden? Hoe wordt bijvoorbeeld JOGG versterkt en verstevigd? Wat gebeurt er na 2014 met de financiering van JOGG?

Een volgend punt is het terugdringen van de sociaaleconomische gezondheidsverschillen. Het kabinet wil ervoor zorgen dat die verschillen niet nog groter worden dan zij nu al zijn. Dat is goed, want nu overlijdt iemand met een lage opleiding gemiddeld zeven jaar eerder dan iemand met een hoge opleiding. Doelgroepenbeleid en focussen op vmbo en mbo zijn noodzakelijk volgens de bewindspersonen. Hoe ziet het kabinet precies haar eigen taak op dit terrein? Kan dit punt in de nota die in het najaar verschijnt stevig worden uitgewerkt?

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Mevrouw Wolbert zei dat de doelstelling van het kabinet is dat de verschillen niet nog groter worden. Ik neem aan dat zij ook het standpunt van GroenLinks deelt dat de ambitie wel wat meer mag zijn. Ik heb het CDA en D66 al horen pleiten voor meetbare doelstellingen. Ik zou zeggen dat de doelstelling op dit punt toch moet zijn dat het verschil wel wat kleiner wordt.

Mevrouw Wolbert (PvdA): Sociaaldemocraten pleiten al sinds jaar en dag voor het verkleinen van verschillen, waaronder gezondheidsverschillen. Dat is geen nieuws. Het is echter een van de moeilijkste dingen om aan te pakken, omdat het op alle leefdomeinen een langjarige inzet vraagt. Het is niet voor niets dat ik vraag om hierover een apart onderdeel in het plan op te nemen. Als je hierop meters maakt, gaan alle andere onderdelen van het preventieplan bijna als vanzelf mee.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Wij zijn het er dus over eens dat de sociaaleconomische gezondheidsverschillen kleiner moeten worden.

Mevrouw Leijten (SP): De sociaaleconomische gezondheidsverschillen moeten inderdaad kleiner worden. Een belangrijk element bij het verkleinen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen is een goede toegang tot de gezondheidszorg. Kunnen wij van de PvdA voorstellen verwachten om het basispakket niet te verkleinen en het eigen risico af te schaffen?

Mevrouw Wolbert (PvdA): Van de PvdA mag worden verwacht dat zij bezuinigingsmaatregelen en ingrepen op zo'n manier vormgeeft dat juist de mensen die het meest kwetsbaar zijn in onze samenleving het meest worden gespaard. Daar mag mevrouw Leijten de PvdA aan houden.

Mevrouw Leijten (SP): Bij de behandeling van voorstellen uit hetzelfde regeerakkoord, waarin, zoals gezegd, geen geld is uitgetrokken voor preventie, zullen wij de PvdA er zeker aan herinneren dat het verkleinen van het basispakket en opwerpen van hogere drempels voor de toegang tot de gezondheidszorg sociaaleconomische gezondheidsverschillen vergroten.

Mevrouw Wolbert (PvdA): Ik kom nu op het zout. Er is al even over zoutreductie gesproken. Over de noodzaak tot zoutreductie hoeven wij het niet meer te hebben. De vraag is niet meer of er normen gesteld moeten worden, maar hoe en door wie. Ook hier zijn wij de vrijblijvendheid voorbij. Gaat de Minister in het najaar haar belofte waarmaken dat zij gaat optreden als er te weinig gebeurt? Welke zoutstrategie gaat zij uitwerken? Wat ons betreft mag zij hierbij scherp aan de wind zeilen.

Ik wil graag dat er meer wordt gedaan aan het tegengaan van gehoorschade. Zoals gezegd heeft 38% van de jeugd volgens de Nationale Hoorstichting een verslechterd gehoor. Daarom moet er een strakke norm van 100 decibel worden gesteld, moet er een decibelmeter hangen op plaatsen waar hard geluid is en moet het gebruik van goede oordoppen gestimuleerd worden. Hoe denkt de Staatssecretaris hierover? Wat zou hij hieraan willen doen?

Het eerste nationale preventieplan op het onderdeel leefstijl is een plan zonder budget. Dat is een schrale gedachte. Veel kan bekostigd worden uit wat er nu al is en door de focus van allen te bundelen, maar best practices ontstaan niet vanzelf. Bovendien gaan vaak de kosten voor de baten uit. Wat vindt de staatsecretaris van de wens van de zorgverzekeraars om een fonds te maken met de gemeenten? Kan op dit punt het voorbeeld van het Deltaplan Dementie niet worden gevolgd, waar de overheid financiert en het bedrijfsleven en maatschappelijke partijen aansluiten? Waar liggen belemmeringen als de zorgverzekeraars zelf hierop willen inzetten? Ik hoor graag een reactie.

De PvdA vraagt zich af of de Wet publieke gezondheid (Wpg) en het werkveld van de GGD op het gebied van leefstijl niet meer kansen bieden dan wij nu benutten. Gemeenten moeten op postcodeniveau weten hoe het ervoor staat met de gezondheid van hun bewoners, maar daar moeten zij ook plannen aan verbinden. Gericht doelgroepenbeleid zien wij daarin te weinig. Hoe denken de bewindspersonen hierover? Zou de weetplicht van gemeenten niet beter moeten worden uitgewerkt in het plan? Kunnen GGD's niet beter worden voorgesorteerd om tot een gezonde samenleving te komen?

Er is gisteren een hoorzitting geweest over de handhaving van het tabaksbeleid, met name wat betreft de leeftijd. De PvdA is onder de indruk van het samenwerkingsverband onder de vlag van de Long Alliantie Nederland en vraagt zich af of de Staatssecretaris iets kan betekenen voor de samenwerkende organisaties. Kan hij ze op weg helpen? Is de Staatssecretaris het met de PvdA eens dat sigaretten dodelijk zijn en dat je een product dat zo schadelijk is niet moet verkopen op plekken waar wij bijvoorbeeld ook onze groenten en ons fruit kopen? Is hij het met ons eens dat terugdringing van het aantal tabaksverkooppunten de handhaving van de leeftijdsverhoging straks kan vereenvoudigen?

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Na maanden uitstel waren de verwachtingen van het Nationaal Programma Preventie bij mij hooggespannen. Het plan bevat heel goede elementen. Zo spreken de gebundelde aanpak op verschillende niveaus, zoals wijk, werk en school, en het uitgangspunt dat iedereen een steentje kan bijdragen mij zeer aan. Toch is er verbetering mogelijk. Wat GroenLinks betreft moet preventie groener, socialer en meer op maat. Zij geeft hiervoor graag een aanzet.

Mensen die in een groene omgeving wonen, voelen zich niet alleen gezonder, maar zijn het ook daadwerkelijk. Zij bezoeken minder vaak een huisarts, hebben minder last van depressie, diabetes en longaandoeningen en herstellen sneller van stress. Deze positieve effecten zijn bovendien het grootst voor vrouwen, ouderen en mensen met een laag inkomen. Dat is goed nieuws, aangezien bij hen juist de grootste gezondheidswinst valt te behalen. Verschillende fracties hebben al gesproken over sociaaleconomische verschillen waar het gaat om gezondheid. Onderzoek van KPMG laat bovendien zien dat 10% meer groen in de woonomgeving een kostenbesparing van 400 miljoen oplevert. Gemeenten hebben genoeg mooie groene plannen, maar voeren deze vaak niet uit omdat gebouwen een grotere economische waarde zouden hebben. Ik vraag de Minister om de aanleg van groen in steden te stimuleren door een norm op te stellen. De PvdD heeft hier al eerder voor gepleit. Graag een reactie hierop.

Kinderen bewegen te weinig. Dat leidt onder meer tot overgewicht en, zoals uit recent onderzoek blijkt, tot meer sportblessures. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat kinderen meer bewegen in een groene omgeving. Daarom moeten wij het weer leuk en interessant maken om buiten te spelen. Dat kan door in heel Nederland schoolpleinen te vergroenen en door te zorgen voor meer groen in de leefomgeving. In het Lenteakkoord is daarvoor 5 miljoen uitgetrokken. Dat is natuurlijk mooi als eerste stap, maar het is niet genoeg. Ik hoor graag van de Minister wat voor plannen zij heeft om in heel Nederland schoolpleinen te vergroenen en of zij ook ideeën heeft over hoe zij dat bedrag van 5 miljoen kan verhogen.

Het is natuurlijk zonde als onze inspanningen hier teniet worden gedaan door beleid van andere Ministeries. Daarom hebben wij een health check nodig om de effecten van bestaand en toekomstig beleid op de gezondheidszorg te toetsen. Dit kan door de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) aan te passen door gezondheidseffecten een centralere plaats te geven en het gezondheidsbegrip te herdefiniëren. Dit verbeterde instrument kunnen wij vervolgens inzetten op alle beleidsterreinen. Dat is nodig. Als de Minister van Infrastructuur en Milieu besluit om ergens de maximumsnelheid te verhogen, heeft dat uiteindelijk ook effect op de zorgrekening van de Minister van Volksgezondheid. De Ministeries zijn zich er nog te weinig van bewust wat voor effect hun beleid kan hebben op de gezondheid. Wij willen graag dat dit veel duidelijker wordt en daarom dat het wordt meegenomen in de maatschappelijke kosten-batenanalyse.

Een gezonde leefstijl is niet vanzelfsprekend. Die moet worden aangeleerd en daar kunnen wij niet vroeg genoeg mee beginnen. Daarom heeft mijn oud-collega Vendrik in 2009 de regering verzocht om in 2015 100% gezonde schoolkantines te realiseren. Hoewel meer kinderen toegang krijgen tot gezond eten op school, is er nog een grote slag te maken. Welke maatregelen gaat het kabinet nemen om ervoor te zorgen dat wij onze doelstelling halen? Een ander punt daarbij is JOGG. Verschillende fracties hebben daar al aandacht aan besteed. Er is een motie van mevrouw Wiegman-Van Meppelen Scheppink waarin staat dat 15% van de gemeenten JOGG-gemeenten moeten worden. Het kabinet ondersteunt die doelstelling. Ik begreep dat de Staatssecretaris op het congres van JOGG heeft gezegd dat hij vindt dat er eigenlijk een landelijk dekkende aanpak moet komen. Dat wordt hier bevestigd. Ik hoor graag wanneer hij dat bereikt wil hebben. Wij hebben al de ambitie van 15%. Wanneer komen wij dan tot die 100%?

Bedrijfsartsen zijn cruciaal omdat zij ervoor zorgen dat mensen in goede gezondheid kunnen werken. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft vorige week toegezegd naar het oplopende tekort aan bedrijfsartsen te kijken. Hij heeft ook gezegd dat hij wil nadenken over een opleidingsfonds. Gaat de Minister van VWS ervoor zorgen dat er meer aandacht komt voor arbeidsgeneeskunde in het curriculum, dat de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts wordt gewaarborgd en dat alle werknemers, zowel mensen met een vast contract als zzp'ers en flexkrachten, toegang hebben tot de bedrijfsarts?

Goede zorg kan niet zonder maatwerk. Pilots in de wijkverpleging hebben aangetoond dat cliënten minder zorg afnemen van professionele instellingen als de zorg in goed overleg tot stand komt. De hoeveelheid zorg valt zelfs lager uit dan in gevallen zonder eigen regie. Is het kabinet bereid om te onderzoeken of deze initiatieven een vaste plek in ons preventiebeleid kunnen krijgen?

Om goede zorg te verlenen, is verder goede communicatie essentieel. Toch hebben voorgaande kabinetten bezuinigd op medische tolken. Dat was een onverstandig besluit dat de gezondheid van mensen op het spel zet en zelfs tot duurdere behandelingen kan leiden. Bij de behandeling van de begroting van VWS hebben de fracties van de PvdA en GroenLinks daar aandacht voor gevraagd.

De voorzitter: U hebt nog twintig seconden, mevrouw Voortman.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Als ik nu de signalen hoor van de KNMG, schrik ik van de effecten. Artsen gaan defensiever handelen, er wordt sneller doorverwezen en er wordt langer behandeld. De Minister liet eerder in een schriftelijke reactie weten dat zij geen noodzaak ziet om hier iets aan te doen. Ik hoor graag van haar dat zij toch besluit om die medische tolken weer in te zetten. Anders overweeg ik hierop, ik neem aan samen met de PvdA, een motie in te dienen.

Ik sluit mij aan bij wat D66 over zout heeft gezegd. Het is echt tijd voor bindende afspraken.

De heer Rutte (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie is zeer te spreken over de voorgestelde maatregelen van het kabinet. In het Nationaal Programma Preventie wordt gekozen voor focus op samenwerking tussen de overheid en allerlei maatschappelijke partners om preventie gezamenlijk op de agenda te zetten en op te pakken. Dat is precies wat moet gebeuren: niet betuttelen, wel samenwerken en verbinden. De beste garanties voor een gezond leven blijken volgens onderzoek een goede opleiding en een goede baan te zijn. De VVD heeft daarom vorig jaar al actief opgeroepen om het thema «werken en leren is gezond» kernonderdeel te maken van het nationale gezondheidsbeleid. Wij moeten komen tot een gezonde economie met werkkansen voor zo veel mogelijk mensen en een maatschappij waarin het onderwijs op orde is en schooluitval wordt voorkomen. Het is goed dat het kabinet dit heeft opgepakt en dit een prominente plek heeft gegeven in de agenda voor het nationale preventieplan.

Zoals gezegd, is werken gezond. Daarom is het ook goed dat er steeds meer initiatieven komen om medewerkers gezond aan het werk te houden, zoals het samenwerkingsverband Fit for Work, dat een focus heeft op het vitaal houden van werkenden met aandoeningen aan het bewegingsapparaat. De VVD-fractie wil in dit kader graag opnieuw aandacht vragen voor werk en mantelzorg, aangezien steeds meer werkenden een mantelzorgtaak hebben. Na de transitie in de langdurige zorg zullen nog meer mensen een mantelzorgtaak krijgen. De VVD-fractie is blij dat de Staatssecretaris in een eerder overleg heeft toegezegd met een uitgebreide mantelzorgvisie te komen waarin de combinatie van werk en mantelzorg een prominente plek zal krijgen. Wij zien daarnaar uit.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Dat is goed om te horen van de VVD. Steunt de VVD-fractie dan ook het initiatiefwetsvoorstel van mijn collega Van Hijum, ondersteund door GroenLinks, om werknemers meer mogelijkheden te bieden om vrij te krijgen om werk en zorg beter met elkaar te kunnen combineren? De heer Rutte beaamt eigenlijk nu de doelstelling van het initiatiefwetsvoorstel dat bij SZW ligt. Ik vind dit echt heel goed nieuws.

De heer Rutte (VVD): Waar het gaat om werk en mantelzorg is het ontzettend belangrijk dat werkgevers zich ervan bewust zijn dat er heel veel werkende mantelzorgers in hun organisatie zijn. De werkende mantelzorgers moeten in gesprek met hun werkgever wegen vinden om de arbeid flexibel in te vullen. Dat hoeft niet direct te leiden tot wetgeving met een verplicht aantal verlofuren, want aan verplichte uren heeft een mantelzorger vaak niets. Die pleit vooral voor enige flexibiliteit en die kan worden gerealiseerd in een goed gesprek tussen werkgever en werknemer.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Inderdaad. In dat wetsvoorstel staat niet dat mensen een verplicht aantal verlofuren krijgen, maar dat werknemer en werkgever in goed overleg met elkaar tot die flexibiliteit komen. Sommige werkgevers hebben daar wat meer druk bij nodig dan andere. Zeker met de eisen die de Staatssecretaris op het gebied van langdurige zorg aan mensen gaat stellen, is het fundamenteel om dat wetsvoorstel te steunen om ervoor te zorgen dat mensen uiteindelijk zorg en werk kunnen combineren. Als dat niet gebeurt, gaan een heleboel mensen uiteindelijk in een heel nare situatie terechtkomen. Wat de heer Rutte zegt, is het principe van dit wetsvoorstel. Mijn vraag is of dit betekent dat er nu ook steun is van de VVD-fractie voor dit initiatiefwetsvoorstel van CDA en GroenLinks.

De heer Rutte (VVD): De VVD is er groot voorstander van dat werkgever en werknemer met elkaar in gesprek gaan over flexibiliteit die noodzakelijk is als er sprake is van mantelzorg. Dat kan nu al en dat gebeurt ook. Stichting Werk&Mantelzorg doet dit. Die heeft bijvoorbeeld een heel bedrijventerrein mantelzorgvriendelijk gemaakt en daar is geen enkele wetgeving voor nodig geweest. Essentieel is dat die gesprekken plaatsvinden en dat er sprake is van maatwerk om dit mogelijk te maken voor zowel de medewerker als de werkgever.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Het voorbeeld in Emmen is heel goed. Laten wij echter wel wezen: dat geldt helaas niet in alle werksituaties. Er zijn ook situaties waarin dat veel moeilijker is. Wat de initiatiefwet van het CDA en GroenLinks beoogt, is dat je meer een level playing field creëert en dat je de werknemer een sterkere positie geeft. Als de VVD zegt werk en mantelzorg belangrijk te vinden, kan zij toch niet anders dan onze initiatiefwet van harte omarmen?

De heer Rutte (VVD): Het is niet zo dat als je iets belangrijk vindt, je per definitie wetsvoorstellen moet steunen of dat de wetgever het moet regelen. Ik heb net aangetoond dat het ook in de huidige situatie uitstekend mogelijk is dat de werkgever en de werknemer in gesprek raken over mantelzorg. Een verstandige werkgever zal dat ook doen om uitval van zijn medewerker te voorkomen. Daar is geen enkele nieuwe wetgeving voor nodig. Er is wel voor nodig dat werkgevers en werknemers zich hiervan bewust zijn en dat die gesprekken gaan plaatsvinden, bijvoorbeeld met ondersteuning van de Stichting Werk&Mantelzorg.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Het is toch wel weer een beetje jammer dat het eigenlijk vooral een praatje voor de bühne is, tegen mensen zeggen dat zij maar meer met elkaar overleggen. De VVD heeft de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de kaders goed zijn. Als het gaat om het in stelling brengen van werknemers met minder verstandige werkgevers, geeft de VVD niet thuis.

De heer Rutte (VVD): Ik snap dat het in de filosofie van GroenLinks past dat je pas iets hebt gedaan als de overheid zich ermee bemoeit heeft, want anders zou dat initiatiefwetsvoorstel niet zijn gemaakt. Het gaat mij erom dat in alle gesprekken die plaatsvinden, ook waar de Minister en de Staatssecretaris met werkgevers om de tafel zitten, dit thema keer op keer wordt geagendeerd, opdat deze gesprekken gaan plaatsvinden. Al het instrumentarium daarvoor is al aanwezig. Daar is geen enkele wetswijziging voor nodig, maar er moeten wel stappen worden gezet.

Er is bepaald geen gebrek aan initiatieven en activiteiten op het gebied van leefstijl en preventie. Momenteel is er sprake van een enorme diversiteit aan initiatieven, met name op het gebied van het verbeteren van de leefstijl en het gewicht van kinderen. Dat is hartstikke goed. Vele gemeenten, van groot tot klein, van Amsterdam tot Druten, nemen hierin het voortouw. Diversiteit is ontzettend goed, daar waar het zorgt voor een goede aansluiting bij de lokale maatschappelijke omstandigheden en samenwerkingsmogelijkheden. Het is echter zonde als keer op keer het wiel opnieuw uitgevonden moet worden. De VVD vindt dat partijen meer moeten focussen op het uitwisselen van best practices, zoals het initiatief JOGG. Is de Staatssecretaris het met de VVD eens dat de GGD en de VNG logische partijen zijn om deze rol op te pakken of ziet hij nog andere, wellicht betere manieren om te komen tot een effectieve uitwisselen van best practices?

Succesvolle preventie vraagt om een zeer uitgebreid netwerk van maatschappelijke partners. Daar horen nadrukkelijk ook de eerstelijnszorgverleners bij. De preventieve rol van de huisarts is onomstreden. Andere eerstelijnszorgaanbieders, zoals tandartsen en fysiotherapeuten, hebben zich gemeld met het aanbod om een signalerende en verwijzende rol te vervullen. Wat is de visie van de bewindspersonen op dit aanbod? Is het inderdaad een mooie kans om preventie een stap verder te helpen of is dit eigenlijk geen wenselijke ontwikkeling?

Een aantal partijen heeft net gepleit voor ambitie op het gebied van zoutreductie. De VVD is het hiermee eens en ziet hier heel grote kansen voor de topsector Agri&Food om te innoveren op smaak en zoutreductie; niet op smaakreductie, maar zoutreductie met behoud van smaak. Zijn de bewindslieden dat met de VVD eens en, zo ja, op welke manieren gaan zij zich ervoor inzetten dat zoutreductie in voedsel wordt omgezet in een grote innovatieve kans?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Op welke moment besluit de VVD – misschien is dat wel nooit – dat het ook goed is om de markt aan banden te leggen? Ik hoorde de heer Rutte net snerend spreken over «betuttelen». Ik zou wel willen weten welk woord hij heeft voor de marketingstrategieën van de voedselindustrie, die nogal ver gaan in het bewerken en verleiden van mensen in de supermarkt en daarbuiten.

De heer Rutte (VVD): Ik weet dat de Partij voor de Dieren helemaal niets heeft met ondernemerschap en markt en het liefst heeft dat de overheid ervoor zorgt dat wij allen in een groenig paradijs wonen. Wij kijken daar toch anders naar. Wij vinden dat juist het bedrijfsleven de grote motor is voor innovatie en welvaart in ons land. Zeker, ook het bedrijfsleven zal zichzelf af en toe moeten corrigeren. Dat geldt ook ten aanzien van kindermarketing. De Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) heeft daarvoor een voorstel gedaan, een heel goed voorstel. Ik zou graag zien dat dit resultaat gaat opleveren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik kan de VVD wel even helpen. Als je het zorgen voor een gezonde leefomgeving waarin mensen een reële kans krijgen om gezond te leven betutteling noemt, vind ik dat je ook zo reëel moet zijn over de enorme kracht die daartegenover staat van de marketingindustrie in de levensmiddelensector. Dan moet je eerlijk zeggen: manipuleren kun je leren. Als je ziet welke bedragen erin omgaan en tot welk niveau er wordt uitgezocht hoe je op welke knoppen kunt drukken om mensen ongezonde dingen te laten kopen, is wat de VVD daar tegenover zet om mensen die reële kansen en dus vrijheid te bieden om in gezondheid te leven wel erg magertjes. De VVD is dus helemaal geen partij voor vrijheid, maar een partij die mensen overlevert aan de manipulaties van de markt.

De heer Rutte (VVD): Ik ben persoonlijk zeer onder de indruk van de maatschappelijke allianties die worden gesloten, mede door het bedrijfsleven, om overgewicht bij jongeren terug te dringen. De JOGG-aanpak is daarvan een prachtig voorbeeld. Ik denk dat die aanpak alleen al laat zien dat de opmerkingen van mevrouw Ouwehand geen hout snijden.

Mevrouw Leijten (SP): Gisteren hadden wij een hoorzitting over het handhaven van de minimumleeftijd voor het kopen van tabak en de verhoging daarvan. Wat daar heel duidelijk werd, is dat de levensmiddelenindustrie het liefst de schuld legt bij de jongeren die het kopen. Die moeten bestraft kunnen worden. De industrie heeft echter zelf geen baat bij het niet verkopen van, in dit geval, tabak aan jongeren. Zij lijken te denken: als ik het niet doe, doet mijn concurrent het wel en snijd ik mezelf in de vingers. Vindt de VVD-fractie niet dat op zo'n moment de overheid wel aan zet is om kaders te stellen?

De heer Rutte (VVD): Het gebeurt niet zo heel vaak, maar ik ben het voor een heel groot deel eens met mevrouw Leijten. Waar het gaat om tabak, heeft de overheid een grote verantwoordelijkheid wat betreft handhaving. De grenzen en de regels die wij hebben rondom tabak, zoals de leeftijdsgrenzen, moeten worden gehandhaafd.

Mevrouw Leijten (SP): Dat is echt een winstpunt. Twee jaar geleden dacht de VVD daar echt heel anders over. Stoppen met roken was betutteling, net als het voorlichten van mensen. Dat waren de letterlijke woorden van de Minister. Dit is dus winst. Ik zou de heer Rutte dan ook willen adviseren om serieus te kijken naar andere situaties. Mevrouw Ouwehand had het over de reclame. Reclames zijn erop gericht jongeren zoete drankjes te laten drinken. Er zijn sportkantines waar niet eens water te koop is. Ik hoop echt dat de heer Rutte openstaat voor het beschermen van vooral onze jeugd tegen dit soort schadelijke invloeden en dat wij daar waar de markt het niet oplost de VVD wel degelijk aan onze zijde zullen vinden om dit met regulering aan te pakken. Wij moeten concurrentievervalsing uitschakelen, want het geldt voor iedereen. Ik hoop dat de VVD dat dan steunt.

De heer Rutte (VVD): Het zou de SP sieren als zij bij de feiten zou blijven. Er staat bijvoorbeeld in de Volkskrant van vandaag een stukje waarin de heer Van Gerven, collega van mevrouw Leijten, de agressie tegen handhavers in cafés in verband met het rookverbod wijt aan de Minister. Het rookverbod, met alle regels en vrijheden daarbij, is gesteund door haar eigen partij. Het klopt gewoon feitelijk niet, zoals het absoluut ook feitelijk niet klopt dat ik iets nieuws heb gezegd over handhaving van de regelgeving rond tabak. De VVD staat altijd voor handhaving van regels. Als er regels zijn met leeftijdsgrenzen voor het kopen van tabak, zullen die effectief en grondig gehandhaafd moeten worden. Dat is niets nieuws.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Voorzitter. Ik zet even mijn stopwatch aan, zodat ik mijn tijd goed in de gaten kan houden. Vijf minuten is ten slotte heel kort. Het mag duidelijk zijn dat de noodzaak voor een Nationaal Programma Preventie heel groot is. Ik heb wel de toezegging nodig dat het NPP een stuk concreter wordt dan de brief die wij erover hebben ontvangen. Zonder concrete maatregelen komen wij er echter niet. Wij zijn wat preventie betreft het stadium van mooie woorden en vrijblijvendheid wel voorbij. Wat betreft tabak zit er een interessant wetstraject aan te komen. Wij zullen daar nog veelvuldig over spreken. Wat betreft alcohol hebben wij dit net achter de rug. Er is echter veel meer nodig.

De ChristenUnie strijdt al jaren voor het project JOGG omdat wij zien dat de resultaten goed zijn. Middels publiek-private samenwerking worden er verbindingen gemaakt die nodig zijn voor het behalen van resultaat. JOGG maakt deel uit van het Convenant Gezond Gewicht, dat loopt tot 2015. Het streven is dat er dan 75 JOGG-gemeenten zijn. Met het Lenteakkoord zijn er extra middelen vrijgemaakt. Desondanks zal het een hele toer zijn om die doelstelling te halen. De stip op de horizon moet natuurlijk 408 JOGG-gemeenten zijn. Ik deel de ambitie die de Staatssecretaris heeft uitgesproken tijdens het congres. Wat kan hij vanuit zijn positie doen om gemeenten en bedrijven te binden aan JOGG?

Een volgend punt is voeding. Er loopt een onderzoek naar aangrijpingspunten voor het gezonder maken van producten in de horeca en de catering. De brancheorganisaties gebruiken de resultaten voor het stimuleren van een gezonder productaanbod. Zijn de resultaten van dit onderzoek al bekend? Hoe wordt ervoor gezorgd dat maatregelen niet vrijblijvend zijn? Het Vinkje helpt consumenten om een gezonde keuze te maken. Behoeven de criteria geen aanpassing? Er wordt bijvoorbeeld steevast gekozen voor maximaal 13% verzadigde vetten in producten, terwijl de Gezondheidsraad adviseert maximaal 10% van de dagelijkse benodigde energie in de vorm van verzadigde vetten te consumeren. Wordt er voldoende rekening gehouden met een stapeling van geconsumeerde producten? Consumenten hebben immers weinig aan informatie op het etiket als zij niet verder kijken dan alleen het Vinkje en niet ook kijken naar hun totale consumptiepatroon. De hele dag tellen is niet realistisch. Is het verkeerslichtensysteem uit het Verenigd Koninkrijk niet veel efficiënter?

Het valt op dat sectorbrede afspraken over producten en productcategorieën tot de beste resultaten leiden. Er zijn stappen gezet in een aantal categorieën, namelijk groenteconserven, brood en vlees. Dat zijn drie productgroepen en dat staat in schril contrast tot de 80 productgroepen die in het Verenigd Koninkrijk zijn aangewezen. De Minister overlegt over volgende categorieën producten. Wanneer krijgen wij daar meer duidelijkheid over? De Minister staat voorgesorteerd voor wetgeving, maar wil daartoe nog niet overgaan. Je ziet echter dat afspraken in de sector pas tot stand komen als er wetgeving is of druk vanuit de overheid. Ik verwijs hierbij naar brood en vlees. Is de Minister bereid om nu wetgeving voor te bereiden voor een breed assortiment productgroepen zodat die direct kan worden ingevoerd als de resultaten achterblijven? Ik denk hierbij aan 2014. De Minister gaat in gesprek met de sectoren die een grote rol spelen bij de consumptie van verzadigd vet. In gesprek gaan is veel te summier. Welke afspraken wil zij met de sector maken? Hoe verhoudt een zoutreductie van 9% in 2015 zich tot het advies van de Gezondheidsraad om maximaal 6 gram zout per dag te consumeren?

De Schijf van Vijf is volgens mij nog niet genoemd. Omdat voeding zo belangrijk is, vraag ik de Staatssecretaris te kijken welke mogelijkheden er zijn om de Schijf van Vijf te moderniseren.

Nederland scoort ongunstig waar het gaat om de frequentie en de duur van borstvoeding. Ik daag de bewindspersonen uit om ook aandacht aan borstvoeding te schenken binnen het preventieprogramma.

Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat ouders beter geen energiedrankjes meer voor hun kinderen kunnen kopen. Beter is het drinken van water. Hoe wordt het drinken van water gestimuleerd? Mevrouw Leijten zei al dat in sommige sportkantines wel energiedrankjes worden verkocht, maar geen flesjes water.

Vorig jaar stelde mijn fractie vragen over de toenemende schade aan het gehoor bij jongeren. Ik maak mij hier zorgen over. Ik weet dat er in samenwerking met het RIVM onderzoek wordt gedaan naar het aantal jongeren met vermijdbare gehoorschade. Deze gegevens moeten meegenomen worden in het Nationaal Programma Preventie. Er moet op dit gebied een beleidsagenda komen. Ik overweeg een motie op dit punt.

Ik kom nu op de rol van zorgverzekeraars. Twee jaar geleden diende mijn fractie een motie in over het realiseren van preventiekostengroepen. De Minister zei toen dat preventie op een andere manier gerealiseerd moet worden en ontraadde de motie. Wij zijn nu twee jaar verder en ik zie nog niet hoe de zorgverzekeraars een prikkel hebben om gezondheidswinst te realiseren voor hun klanten. Wil de Minister nu wel de mogelijkheid van preventiekostengroepen serieus bekijken?

De voorzitter: U hebt nog twintig seconden, mevrouw Dik.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Ik zie het op mijn stopwatch. Mijn laatste punt betreft de avondvierdaagse. Mijn dochter maakt nu afspraken over wie welke snoepjes meeneemt op welke avond. Bij ons in Veenendaal start de avondvierdaagse volgende week. Ik hoor deze geluiden heel veel en kan niet anders dan concluderen dat de avondvierdaagse geen gezondheidsevenement meer is, maar gewoon een snoepfestijn is geworden. Ik zou ouders, ook in mijn rol als moeder, willen oproepen om niet alleen een snoepje mee te geven, hartstikke prima, maar er ook iets gezonds bij te doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Preventieve gezondheidszorg drukt de zorgkosten als geheel en dat spreekt de Minister uiteraard aan. Wij hebben een brief gekregen met een agenda voor een Nationaal Programma Preventie. Dat is mooi, maar ik maak me er nog wel grote zorgen over want er spreekt grote vrijblijvendheid uit. Ik lees dat het kabinet voor zichzelf vooral een agenderende en aanjagende taak ziet. Het is dus vrijblijvendheid troef. Ik wil met name de Minister aanspreken op haar eigen brandende hart voor vrijheid. Ik vind dat aan haar de opgave is om onder ogen te zien dat het nogal meevalt met de vrijheid waarin mensen keuzes kunnen maken voor een gezond leefpatroon en dat het haar taak is om ervoor te zorgen dat die vrijheid maximaal is zodat mensen niet worden overgeleverd aan de steeds verdergaande manipulaties van de goed geoliede marketingmachine van de levensmiddelenindustrie.

Het kan niet zo zijn – ik vind de Minister een charmante vrouw en de Staatssecretaris een charmante heer – dat je met uitspraken als «ik wil graag verleiden» het idee hebt dat je ook maar in de buurt komt van de verleidingsmachine die de voedingsmiddelenindustrie nu eenmaal heeft. Ik kan mij vergissen, maar volgens mij is er niet zo veel budget op het Ministerie. Daar worden volgens mij ook niet zo veel onderzoeken gedaan die tot op het niveau van MRI-scans gaan om te kijken wat er in de hersenen van mensen gebeurt, zodat men weet hoe men ze zover kan krijgen dat zij maar blijven kopen wat eigenlijk niet goed voor ze is. Het zou een leuke strategie zijn als wij op gelijke voet zouden spelen, maar dat is niet het geval. Andere woordvoerders hebben ook al gezegd dat de tijd van vrijblijvendheid voorbij is. Er moet vooral voor worden gezorgd dat de vrijheid waarin mensen zelf kunnen kiezen voor een gezond leefpatroon een reële vrijheid is en geen illusie.

Ik sluit mij graag aan bij de opmerkingen die bijvoorbeeld door de collega van de ChristenUnie zijn gemaakt en de verschillende onderwerpen die langs zijn gelopen. Ik heb een aantal aanvullende punten. De Minister schrijft in haar brief dat de ambitie centraal staat dat iedereen een goede kwaliteit van leven heeft, optimaal participeert en erop kan vertrouwen dat risico´s van buiten minimaal zijn. Dat zou mooi zijn, maar die risico´s zijn natuurlijk verre van minimaal. Eerder deze week heeft mijn fractie aangedrongen op eerlijke en zichtbare voorlichting over de risico´s die bepaalde producten, zoals vlees dat besmet is met ESBL´s, met zich kunnen meebrengen voor de gezondheid. Ik doe dat nogmaals. Burgers hebben recht op eerlijke voorlichting over een gezond leefpatroon. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat gevaarlijke producten in de schappen worden gelegd en dat de Minister daar alleen maar tegenoverstelt dat je het vlees een beetje door moet bakken. Er zijn grote risico´s mee gemoeid, zoals zij zelf ook weet. Ik zou dus graag zien dat zij zich verantwoordelijker voelt voor de kwaliteit van producten die door mensen worden gekocht. Wij weten immers dat het in de keuken behoorlijk mis kan gaan. Wij weten ook dat Nederlanders gemiddeld twee keer zo veel vlees eten als de richtlijnen voorschrijven, met alle gezondheidsrisico´s van dien. Wat stelt de Minister daar tegenover?

Eerlijke voorlichting over een gezond leefpatroon houdt ook in dat kinderen leren wat gezond eten is en leren om daarin goede keuzes te maken. Zij hebben daarin bescherming nodig. Kinderen hebben nog geen volledig ontwikkeld afwegingskader, dus het valt niet mee om weerstand te bieden aan koekjes die op hun ooghoogte staan met hun favoriete tekenfilmfiguurtje erop. Om te denken dat de bijbehorende moeder in de supermarkt ook altijd in staat is om die keuzes verstandig te maken, is een illusie. Ik zie graag een actieve rol van de bewindslieden. Geen snoepautomaten op scholen. Reclame gericht op kinderen voor producten die echt niet goed voor ze zijn, moet aan banden worden gelegd. Ik weet dat er op een groeiend aantal scholen stappen de goede kant op worden gezet, maar de overheid moet hier ook sturend in optreden zodat de scholen die er nu nog helemaal geen aandacht voor hebben er toch iets aan gaan doen en vooral de kinderen die erop zitten ook een goede positie wordt gegund. Gaat de Minister bijvoorbeeld ook in gesprek met restaurants om meer aandacht te vragen voor gezonde kindermenu's? Kinderen hebben eigenlijk alleen maar ongezonde keuzes: een frietje met een kroket of een pannenkoek. Je kent het wel. Gaat de Minister ook daarover in gesprek met restaurants in de verdere uitwerking van het programma?

Ik kom nu op het belangrijkste punt, namelijk de positieve werking van natuur op de gezondheid van mensen. Mijn fractie heeft een procedure georganiseerd en mensen uit het veld aan het woord gelaten over de positieve invloed van natuur op met name kinderen. Wij hoorden van de GGD dat dit een ontzettend rendabele investering is. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het stimuleren van speelnatuur en groene schoolpleinen? Is de Minister van plan om in het loket voor de Taskforce belemmeringen Sport en Bewegen in de Buurt ook speelnatuur en groene schoolpleinen een prominente rol te geven of er in elk geval ruimte voor te maken? Ik wil heel graag de toezegging dat bij de verdere uitwerking ook begrotingsvoorstellen worden gedaan. Er moet niet alleen aan gemeenten en scholen worden gevraagd om daarin te investeren omdat het zo handig is. De Minister moet ook met een budget over de brug komen om dit beleid daadwerkelijk te kunnen realiseren.

De heer Rutte (VVD): Ik wil even terug naar het begin van het betoog van mevrouw Ouwehand. Zij stelde dat mensen weerloos zijn tegenover de marketingmachine van grote organisaties. Ik ben zelf bij een heel mooi project geweest in de kleine gemeente Druten, waaraan scholen, het bedrijfsleven en sportverenigingen meededen. Het was een heel intensief traject. Het lijkt een beetje op JOGG, maar is net anders. Er werd uiteindelijk in schoolklassen gevraagd wat het resultaat was. De helft van de klas bleek geen fris meer te drinken, maar de hele dag door water te drinken. Hoe kan mevrouw Ouwehand dat verklaren als wij niet in staat zijn om de marketingmachine te doorbreken met dit soort trajecten?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb niet gezegd dat de mens weerloos is. Ik heb gewezen op de geraffineerde technieken, de budgetten en de programma's die lopen. Dat weet de heer Rutte waarschijnlijk heel goed, want hij kent het bedrijfsleven heel goed. Wij kunnen er ook van alles over leren. Die technieken worden gebruikt om het businessmodel zo goed mogelijk te maken. Daar zul je iets tegenover moeten zetten. Misschien kan de heer Rutte iedereen in Nederland persoonlijk meenemen in de ontwikkeling die nodig is om daar weerstand aan te bieden. Ik zie nog geen coherent beleid van het kabinet om ervoor te zorgen dat mensen ook in echte vrijheid kunnen kiezen voor een gezond leefpatroon. Ik bedoel alle mensen. Dat het met de heer Rutte goed zit geloof ik wel. Er zijn echter kwetsbare groepen en daar moeten wij onze aandacht op richten.

De heer Rutte (VVD): Ik constateer dat mevrouw Ouwehand heel graag in haar eigen gelijk blijft hangen. Ik geef een voorbeeld waaruit blijkt dat het in de praktijk niet al te ingewikkeld is om dit patroon daadwerkelijk te doorbreken en daar gaat zij niet op in. Dat is jammer.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan zou ik van de Rutte graag een stand van zaken ontvangen waaruit blijkt dat dit daadwerkelijk op alle plekken in Nederland gebeurt. Dat garandeert hij helemaal niet met zijn kabinet. Dat mag best de aanpak zijn, maar dan moet hij de Minister vragen om dat te doen en daar budget voor vrij te maken. Dat zie ik hem ook niet doen.

Mevrouw Leijten (SP): Voorzitter. Goede gezondheidszorg levert ons ontzettend veel op. Er zijn al collega's die hebben gezegd dat het economisch van belang is, maar het is ook van belang voor deelname aan de samenleving. Ik denk echt dat er geen ouder in Nederland is die denkt: ik ga mijn kind eens even lekker ongezond opvoeden zodat het op tienjarige leeftijd al morbide obesitas heeft en het kansen wordt ontnomen voor de toekomst. Ik geloof daar helemaal niets van.

De meest effectieve preventiemaatregelen werden genomen door de overheid: het aanleggen van riolering, de werkplek rookvrij maken, een verplichte autogordel, een vaccinatieprogramma, screening op borstkanker en andere ziekten, perinatale screening, consultatiebureaus en ga zo maar door. Ik ben erg blij dat de Minister niet meer de enige bewindspersoon is op preventie, want zij liet ons in 2010 horen dat preventie eigenlijk betutteling is en voorlichting al helemaal. Ik zou graag willen weten of zij daar nu afstand van neemt.

Het initiatief van de preventienota heeft de SP van harte gesteund. Wij hebben er lang op moeten wachten en helaas hebben wij eigenlijk nog geen preventienota. Wij hebben wat contouren en voornemens. En ja, voor de SP geldt ook dat het allemaal een beetje te vrijblijvend is. Ons voorstel is – ik ben blij dat ik de PvdA daar ook over hoorde – om de Wet publieke gezondheid uit te breiden. Ik zeg tegen de VVD dat er al lang wetgeving bestaat over gezondheidszorgtaken voor gemeenten, namelijk de Wpg. Als wij daar nu ook eens het verbeteren van de leefstijl of een wijkgerichte aanpak van overgewicht in verankeren, kunnen wij de mooie initiatieven die wij nu zien, maar die eigenlijk zeer vrijblijvend zijn en niet overal plaatsvinden, inzetten in heel het land. Dan is dat gewoon een taak van de gemeenten. Het staat in de wet. Zij zijn er ervaren in, want zij zijn al verantwoordelijk voor de consultatiebureaus en zij hebben een taak wat betreft preventie in de ouderenzorg. Volgens mij zou dat heel erg goed zijn. Ik vraag de Staatssecretaris of hij dat wil betrekken in de verdere uitwerking van het preventieplan. Ik vraag hem om daarbij een overzicht te geven van hoe het zit met capaciteit van de GGD's. Hebben zij die, kunnen zij die taak aan of moeten wij daar serieuze uitbreiding overwegen?

Het is al veel gegaan over «vroeg geleerd, is oud gedaan». Als iemand dat weet, is dat hét bedrijfsleven, de industrie. Vet, suiker, zout, roken en alcohol worden zeer agressief, zeer actief en zeer innovatief onder de aandacht van jongeren gebracht. Wij hadden een nationaal programma voor bewegen en sport. Scholen moesten ervoor zorgen dat kinderen meer zouden gaan bewegen, gesponsord door McDonalds. Heel slim natuurlijk. Vroeg al heel positieve gevoelens bij jongeren aanwakkeren over deze vetmakende bedrijfstak. Ik vraag in dit geval de Staatssecretaris – ik weet dat de Minister het allemaal betutteling vindt – om jongeren wat weerbaarder te maken en ze te beschermen tegen deze agressieve marketing. Geen reclames meer gericht op kinderen en hoge boetes als dat wel gebeurt. Sponsoring door ziekmakende industrieën – bedrijven die producten maken met veel vet, zout of suiker, zoals Red Bull en ga zo maar door – staan wij niet meer toe. Schoolkantines worden echt gezond. Niet meer roken op schoolpleinen. Het sporten op school wordt nu echt geregeld. Er ligt een motie-Zijlstra van 2009 over drie uur sport op school. Die moet nu gewoon worden uitgevoerd. Het Jeugdsportfonds zou moeten worden uitgebreid zodat arme kinderen ook fatsoenlijk op school kunnen sporten. De Jantje-Betonnorm moet nu gewoon worden geregeld. De zelfregulering wat betreft de Jantje-Betonnorm van 3% speelruimte in de buurt is al jaren kansloos. Is de Staatssecretaris bereid hier een wet voor te maken? Als laatste pleit ik ervoor om de schoolarts weer actiever terug te brengen op school.

In ons land ga je met een lager inkomen zeven jaar eerder dood. Wat betreft gezond ervaren levensjaren is er een verschil van twintig jaar. Dat betekent dus dat iemand met een lage opleiding vanaf 49 jaar zichzelf minder gezond ervaart en minder gezond is en dat dit bij iemand met een hoge opleiding pas bij 69 jaar het geval is. Begin jaren negentig was het verschil wat betreft sterfte vier jaar en ervaren gezondheid twaalf jaar. Het verschil is dus gigantisch gegroeid in de afgelopen twintig jaar. Ik zou van deze Staatssecretaris van PvdA-huize – dat de VVD daar niets aan doet, weten we – een offensieve agenda willen hebben om de gezondheidsverschillen te verkleinen. De argumenten zijn al genoemd door GroenLinks. Wij weten dat in een samenleving waarin de verschillen tussen arm en rijk kleiner zijn, de bevolking harder werkt en ook gelukkiger is. Het is gewoon in ons aller belang, maar het is ook een moreel principe. Ik zou graag aandacht vragen voor het volgende: cruciaal voor het verkleinen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen is toegang tot de gezondheidszorg. Ik maak mij ernstige zorgen over dit kabinet, dat het basispakket gaat verkleinen en dat veel meer eigen betalingen op het bord van mensen legt. Ik zou graag willen dat het kabinet heroverweegt of het dit wil doen, omdat dit de sociaaleconomische gezondheidsverschillen niet verkleint, maar vergroot.

De voorzitter: Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van de eerste termijn van de Kamer.

Schorsing van 11.00 uur tot 11.10 uur.

De voorzitter: Iedere woordvoerder mag in de eerste termijn van de regering maximaal twee keer interrumperen. Het woord is eerst aan de Minister van VWS.

Minister Schippers: Voorzitter. Ik dank de leden hartelijk voor hun inbreng in de eerste termijn. Wij hebben een schets gemaakt van een Nationaal Programma Preventie (NPP). Hoe zou zo'n programma eruit moeten zien? Wij hebben dit dus eigenlijk in een heel vroegtijdig stadium naar de Kamer gestuurd. Het verzoek is immers van de Kamer gekomen. Het zou daarom jammer zijn als wij met een plan zouden komen dat al helemaal zou zijn dichtgetimmerd, en als de Kamer geen enkele invloed meer zou kunnen hebben. Wij hebben het vandaag dus over een schets. Wij hebben al gezegd dat het plan zelf in november zal komen. Dit is de eerste aanzet, een schets. Er zal dus een concretiseringsslag volgen. Een aantal woordvoerders heeft daar om gevraagd. Zo'n concretiseringsslag zal zeker plaatsvinden. Daaraan zullen langjarige en concrete ambities worden gekoppeld; mevrouw Dijkstra en mevrouw Bruins Slot hadden het daarover. Wij proberen met deze plannen in ieder geval de belangrijke plek in beeld te brengen die preventie heeft in het beleid.

Er vinden eigenlijk op allerlei niveaus ontzettend veel activiteiten op dit vlak plaats. We proberen met dit plan om, als eerste stap, al die activiteiten aan elkaar te verbinden. We proberen focus aan te brengen. We proberen ervoor te zorgen dat wat er nu gebeurt, geen losse druppels meer zijn op allerlei verschillende gebieden. We proberen om, in de woorden van mevrouw Wolbert, van die druppels een golf te maken. Doordat we deze dingen met elkaar verbinden en door een focus aan te brengen, willen we de resultaten verbeteren van alle inspanningen die we ons nu al getroosten. Dit vormt een enorme omslag in het beleid. De losse dingen die gebeuren op de verschillende departementen, in individuele groepen, bij gemeenten, bij bedrijven en bij professionals, proberen wij nu met elkaar te verbinden zodat ze elkaar versterken. Dat is een heel belangrijk doel van het nationaal programma.

Er is gevraagd of er andere departementen bij betrokken worden. Natuurlijk worden die erbij betrokken. Deze schets is een schets van het kabinet, dus andere departementen kijken mee en brengen actief informatie in. Men zegt: zouden we er dit of dat ook niet aan kunnen koppelen? Dit is dus echt een veel breder programma dan alleen een programma van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het is ook een veel breder programma dan alleen een programma van de overheid. Het is een programma van alle partijen die momenteel actief zijn op dit terrein. Met elkaar willen zij van de druppels een golf maken.

Ik ben van mening dat iedereen verantwoordelijkheid draagt op dit terrein. Wij moeten niet zeggen: als het belangrijk is, moet er een wet van worden gemaakt. Nee, het is van het grootste belang dat een kind in de opvoeding meekrijgt wat gezond is en wat ongezond is. Ouders moeten zorgen dat hun kinderen in hun jeugd gezond leven. Daarvoor is het belangrijk dat hen op het consultatiebureau dingen over gezondheid worden geleerd die zij misschien niet weten. Enerzijds heeft het individu invloed op het eigen leven. Het kan zelf bepalen wat het doet en wat het laat. Anderzijds zijn er zaken waarop het individu juist heel weinig invloed heeft. Ook het verbinden van die zaken is van groot belang.

De Staatssecretaris en ik hebben dit onderwerp verdeeld. Er zullen een aantal onderwerpen zijn die op de rand liggen. Ik hoop niet dat er dingen daardoor tussen wal en schip vallen bij de beantwoording. Dat is in ieder geval niet de bedoeling.

De inbreng van D66 en die van het CDA kenden veel overlap. Beide woordvoerders spraken over de responsibility deal. Hoe kunnen we de publiek-private samenwerking (pps), met name op het terrein van voedsel, veel meer body geven? Ik noem bijvoorbeeld de reductie van het gebruik van zout. Ik kom daarmee eigenlijk al op de afspraken die we hebben gemaakt over zoutreductie en de reductie van het gebruik van «slechte» vetten. Die afspraken maken we met de industrie. Woordvoerders hebben gevraagd of we aan deze afspraken ook de reductie van het gebruik van suiker kunnen toevoegen. In de hoofdlijnenbrief over het Nationaal Programma Preventie heb ik geschreven dat ik het programma zal uitbreiden met reductie van het gebruik van suiker. Het antwoord op de vraag is dus ja.

Wat is er eigenlijk op dit terrein gebeurd en is het voldoende? Ik moet zeggen dat er echt sprake is van een verhoogde inspanning van bedrijven. Dat is terecht, want het probleem is urgent. Daarop hebben wij het bedrijfsleven gewezen. Ik heb het bedrijfsleven brieven gestuurd waarin ik schrijf dat we de vrijblijvendheid voorbij zijn. Wij willen echt een reductie van zout en slechte vetten in de productie. Met name de sectoren brood, vlees en kaas hebben dit actief opgepakt. In de broodsector zijn twee flinke stappen bij het reduceren gezet. Bij elkaar gaat het om een reductie van 25%. De vleeswarenbranche heeft recent afspraken voor reductie in de vleeswaren gepresenteerd. Dit zijn heel sterke afspraken. Alle supermarkten zullen namelijk de verlaagde gehaltes via hun inkoopspecificaties ook aan de import opleggen. Dat maakt de afspraken veel steviger. Het is dus niet alleen maar een soort intentie. Dit wordt daadwerkelijk ook door de supermarkten opgepakt. Ook in de zuivelbranche zijn flinke stappen gezet doordat men bij de meest gegeten kaas in Nederland, de Goudse kaas, is gekomen tot zo'n 15% zoutreductie. Voor conserven, groenten en peulvruchten gelden al vanaf 2011 collectieve afspraken over maximale zoutgehaltes.

Bovendien is er het Vinkje, dus een productverbetering door een logo. Tegen mevrouw Dik zeg ik: het Vinkje is niet statisch. De norm kan worden aangescherpt als iedereen een bepaalde norm heeft bereikt. Dat is het grote voordeel van het Vinkje. Er worden dus steeds hogere eisen aan producten gesteld. Het aantal producten met een Vinkje blijft stijgen. Op dit moment zijn het er 7.000. 130 bedrijven zijn aangesloten bij het systeem. Ik vind het heel belangrijk dat nog veel meer bedrijven zich aansluiten. Als wij willen dat er voor de consument eindelijk meer duidelijkheid komt, moeten wij namelijk niet steeds met een ander logo gaan werken, door van een stoplichtensysteem naar een systeem met een Vinkje naar weer een ander systeem over te schakelen. Als wij vinden dat er voor de consument eindelijk meer duidelijkheid moet komen, is er een systeem nodig dat innoverend is. Het systeem met het Vinkje is innoverend. Het systeem dat nodig is, moet ook een systeem zijn waar iedereen aan meedoet. Ik vind dat meer bedrijven aan dit systeem moeten meedoen.

Wat hebben we bereikt en welke stappen zijn gezet? Ik vind dat er beweging is; op sommige terreinen is er zelfs heel veel beweging. Ik vind echter ook dat er nog een schepje bovenop kan. Daarom heb ik overlegd, onder andere met de supermarktbranche en de industrie. Ik heb gezegd dat ik waardeer wat er gebeurt, maar dat ik het beleid toch wil aanscherpen. Ik zal daarom een platform inrichten. Het woord «platform» vind ik een rot woord, dus ik zal eens nadenken over een ander woord. Met het platform kom ik ook bij de responsibility deal van mevrouw Dijkstra. Ik wil een platform inrichten waarbij ook de sectoren zelf kunnen zeggen wat de normen zullen zijn. Een en ander moet dus worden geconcretiseerd. Aan het platform moet een website worden gekoppeld waarop duidelijk staat bij welke producten de norm is bereikt en hoe snel het gaat.

Erg belangrijk is dat er beter en meer gedifferentieerd wordt gemonitord. Wij moeten dus kunnen zien dat bijvoorbeeld bij de conserven alle fabrikanten op één na meedoen. Duidelijk moet daarbij zijn welke fabrikant niet meedoet. Aan het platform wil ik ook de topsector Agri&Food koppelen, zeg ik tegen de heer Rutte. Het is immers van groot belang dat ook de industrie deze stap zet. Het probleem van te veel zout, suiker en ongezonde vetten in producten is namelijk niet alleen in Nederland een probleem, maar in de hele westerse, geïndustrialiseerde wereld. Nederland verkeert in een economische recessie, maar de Nederlandse voedselindustrie doet het nog steeds heel goed. Als die Nederlandse voedselindustrie oplossingen vindt voor deze problemen, is dat niet alleen voor Nederland van groot belang, maar ook op internationaal niveau. Daarbij kunnen bovendien onze bedrijven daadwerkelijk voordeel hebben. Er is immers niet alleen voordeel doordat er een gezondheidswinst wordt geboekt, maar ook doordat de afzet van Nederlandse bedrijven in andere landen groeit. Daarvoor is het belangrijk om vervangers en betere conserveringsmethoden te vinden, en methoden om de smaak op peil te houden. Ik wil dus eigenlijk de zaak versnellen met een platform. Ik wil daarbij afspraken maken over concrete ambities en ik wil een concreet tijdpad opstellen. Er moeten ook afspraken worden gemaakt over een goede monitoring en er moet een goede koppeling komen met de topsector Agri&Food.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Volgens mij is het een groot misverstand dat zout moet worden toegevoegd om de smaak te verbeteren. Ik hoorde zojuist de heer Rutte zeggen dat dat nodig is, en nu zegt ook de Minister het. Een goede kok maakt heel weinig gebruik van zout en laat de inherente smaak van de ingrediënten naar voren komen. Zout verdoezelt namelijk de smaak van bijvoorbeeld tomaten. Dat wil ik toch even genoemd hebben.

Ik kom tot mijn vraag. Ik ben blij om te horen dat het Vinkje geen statisch systeem is. De criteria die voor het Vinkje gelden, worden dus geüpdatet. Ik zie echter dat ook tussendoortjes een Vinkje krijgen, terwijl iedereen weet dat het eten van tussendoortjes niet altijd even verstandig is. Worden met dit Vinkje tussendoortjes «gezond» gemaakt terwijl ze eigenlijk helemaal niet gezond zijn? Volgens mij gaat het Vinkje ook voorbij aan de totale consumptie van consumenten en van kinderen. Het eten van een product kan op zichzelf gezond zijn, maar als mensen de hele dag een bepaalde stof daaruit te veel binnenkrijgen, is dat ongezond. Het Vinkje geeft onvoldoende inzicht in de stapeling van consumptie. Ik vraag ook daarvoor aandacht van de Minister.

Minister Schippers: Als er een Vinkje op bijvoorbeeld snoep staat, betekent dat niet dat het een gezond product is, maar dat het in de eigen categorie het beste is wat betreft vetten, zout et cetera. Zo werkt het systeem met het Vinkje. Uiteraard bepalen mensen zelf wat ze in hun mond steken. Daarop hebben wij op zich weinig invloed. Je kunt echter mensen die op de bank chips willen eten, wel laten zien bij welke chips er is gewerkt aan reductie van zout of van ongezonde vetten. Het Vinkje moet eigenlijk een heel simpel logo zijn. Mensen moeten aan de hand daarvan vrij snel kunnen beoordelen welke keuze zij moeten maken. Ik vind dat heel belangrijk. Het systeem met het Vinkje zit best ingenieus in elkaar. Er zit namelijk een lerend effect in, omdat de normen steeds worden aangescherpt. Ik vind het daarom belangrijk, ik vind dat we ermee moeten doorgaan en ik vind het belangrijk dat veel bedrijven eraan meedoen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Volgens mij slaat de Minister de spijker op de kop. Binnen een groep producten geeft het Vinkje aan wat de meest gezonde keuze is. Consumenten zien echter een zak chips met een Vinkje erop in de winkel liggen en denken dan dat die chips gezond is. Dat is een groot misverstand. Ik vraag de Minister om daarvoor aandacht te hebben.

Minister Schippers: Voor het beleid vind ik het echt schadelijk als wij steeds overstappen naar weer een ander systeem. Elk systeem heeft nadelen. Het systeem dat mevrouw Dik nu voorstelt, heeft ook nadelen. Dat zou namelijk een vrij complex systeem zijn, terwijl het Vinkje een heel simpel systeem is. Wij hebben nu een keuze gemaakt. Ik vind dat wij daaraan langer moeten vasthouden, zodat het systeem als het ware kan inburgeren.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66): De Minister wijst op de afspraken die de industrie, het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) en andere partijen maken. Zij heeft het ook over een betere monitoring. Wie gaat er monitoren? Een jaar geleden hebben we hier ook over dit onderwerp gesproken. Toen heeft de Minister vrij hard gezegd: als de maatregelen niet voldoende opleveren, ga ik toch echt mijn eigen maatregelen nemen. In feite hoor ik haar nu opnieuw zeggen dat ze een beroep gaat doen op de betrokken partijen. Ze zegt: het gaat de goede kant uit, maar het is nog niet voldoende. Vorig jaar zei ze echter: als het niet voldoende is, ga ik mijn eigen maatregelen nemen.

Minister Schippers: Ja. Daarom ben ik begonnen met een opsomming van wat er is gebeurd. Je kunt dus niet zeggen dat er niets is gebeurd. Je kunt zeggen dat men in actie is gekomen, maar ook dat er categorieën zijn waar men in actie moet komen, bijvoorbeeld in de categorie soepen en sauzen. Binnen het platform zal de druk bij deze categorieën zeker worden opgevoerd. Je kunt echter niet zeggen dat er in het afgelopen jaar niets is gebeurd. Over de volle breedte is er sprake van een daling van de hoeveelheid zout in producten. Echter, de meting is op dit moment zo globaal dat de partijen die het heel goed doen en die echt hard werken aan reductie, daarvan onvoldoende voordeel hebben. De goeden lijden eigenlijk onder de kwaden. Sommige partijen zijn heel hard bezig met reductie, en dat is niet niks, want het gaat daarbij over receptuur van voedsel. Je kunt zeggen dat minder zout in je eten veel lekkerder is, maar heel veel mensen zullen het daar niet mee eens zijn. Juist daarom wordt er over het algemeen veel te veel zout in producten gestopt. Doordat er zo globaal wordt gemeten, blijft onzichtbaar wat de goede partijen reduceren, doordat de kwade partijen niet reduceren. Ik wil dus dat de metingen, die door het RIVM en de NVWA worden gedaan, veel preciezer worden, zodat we kunnen zien welke partijen het goed doen en welke niet.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66): Ik zeg niet dat er niets is gedaan, maar ik zeg dat er niet voldoende is gedaan. In feite zegt de Minister dat zelf ook. Anders zou ze er geen schepje bovenop willen doen. Wat betekent het als zij zegt dat zij er meer bovenop wil gaan zitten? Wat gaat zij doen als er ook aan het einde van dit jaar nog niet echt duidelijk sprake is van verbeteringen? Gaat zij dan met regelgeving aan de slag?

Minister Schippers: Ik vind dat men een goede richting is ingeslagen en ik vind dat positief. Ik zie dat de industrie zich hiervoor inzet. Soms is die inzet zelfs heel fors. Daarover ben ik tevreden. Ik kan dus niet zeggen dat er aan mijn oproep geen gehoor is gegeven. Er gebeurt dus veel, maar ik vind ook dat dit een urgent probleem is. Dat moeten wij vormgeven door nog een extra stap te zetten, bijvoorbeeld door te komen tot zo'n platform. Ik kan dus niet zeggen dat mijn oproep van vorig jaar geen effect heeft gehad. Het zou gewoon onjuist zijn als ik dat zou zeggen. Mijn oproep heeft wel degelijk effect gehad.

Ik zeg er direct bij dat bij bijvoorbeeld brood vrij goed normen te stellen zijn. Brood wordt immers nauwelijks geëxporteerd. Er wordt in Nederland echter ook heel veel voedsel geïmporteerd. Over het algemeen worden wetten over voedsel daarom vastgelegd op Europees niveau. Dat is nogal complex. Ik wil graag dat wij binnen Nederland, juist met de eigen Nederlandse industrie, afspraken maken over aanscherping van de normen. Ik wil dat wij dat in pps-verband met elkaar afspreken. Ik vind het belangrijk dat wij op die manier oplossingen vinden voor bijvoorbeeld smaakverlies, waarvan volgens velen sprake is, en voor andere complexe zaken waarbij zout een rol speelt. Ik vind dus de richting die is ingeslagen juist wél goed en hoopgevend. Ik vind dat wij dit door moeten zetten, maar ik wil er wel een schepje bovenop doen.

Mevrouw Wolbert (PvdA): Iedereen kan merken dat het zoutgehalte in de voeding afneemt. De Minister zegt dat je het zoutgehalte niet zomaar kunt terugbrengen, omdat dit complex zou zijn en tot smaakverlies zou leiden. Ik heb het een en ander gehoord over het Australische model. In Australië wordt bij elk cluster bekeken waar men het laagste zoutgehalte realiseert. Stel, we hebben het over de cluster «pizza's». In Australië bekijkt men gewoon welke pizza het laagste zoutgehalte heeft en toch goed verkoopt. Men constateert dan dus dat het wel kan en dat er mensen zijn die zo'n pizza lekker vinden. Laten we per productgroep een goedverkopend product met een laag zoutgehalte als norm gebruiken. Is de Minister bereid om binnen het platform dat wordt gevormd, dit Australische model eens goed te bekijken?

Minister Schippers: Ja, dat is een voorbeeld van de manier waarbij zo'n platform een goede rol kan spelen. We moeten goede voorbeelden uit het buitenland bekijken. De responsibility deal is niet heel veel anders dan wat wij doen. Alleen de zichtbaarheid is anders. We moeten dus aan die zichtbaarheid iets doen. We haken daarbij aan bij voorbeelden uit het buitenland die blijken te werken. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Australische model. Het systeem met het Vinkje is overigens ook niet in Nederland uitgevonden. Daarmee zijn ook eerst positieve ervaringen in andere landen opgedaan. Laten wij bekijken hoe wij ook van deze druppels een golf kunnen maken en hoe wij in zo'n platform al dan niet dit type versterkende ideeën kunnen overnemen.

Mevrouw Wolbert (PvdA): Ja, maar in Australië stelt men wel dat men gaat ingrijpen als na twee of drie jaar de gestelde norm niet door de rest van de sector wordt gehaald. Het is fantastisch om partijen een wortel voor te houden, maar ook de stok is nodig.

Verder ben ik op bezoek geweest in het Verenigd Koninkrijk. De kritiek op de responsibility deal daar is nu juist, dat een en ander wel heel vrijblijvend wordt overgelaten aan de ondernemers. Er wordt daarbij juist gewezen op de noodzaak van overheidsingrijpen. De overheid moet af en toe de stok hanteren als het te lang duurt. Ja, het is inderdaad zo dat heel veel mensen meedoen. Zij doen mee, juist omdat een en ander zo vrijblijvend is. 't Gaat echter wel erg traag. Af en toe hoort men zeggen: stelde de overheid maar iets steviger normen.

Minister Schippers: Het hangt er maar zeer van af wie je hierover spreekt. Op Europees niveau vergaderen wij hierover natuurlijk vaak. Op Europees niveau is het draagvlak voor het invoeren van normen bijzonder laag. Toch hebben we één interne markt en voedsel passeert heel gemakkelijk de grenzen tussen lidstaten. Binnen Europa zullen we dus niet heel snel veel resultaten bereiken. Het gaat mij erom dat er een beweging op gang is gekomen op het vlak van zout en van slechte vetten. We willen het gebruik van suiker hieraan koppelen. Deze beweging gaat de goede kant op. We willen dit versnellen. Laten we de krachten bundelen om dat te bereiken. Laten we dat doen met een platform.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik kom nog even terug op de vraag van mevrouw Dik over het Vinkje. Mijn vraag gaat ook over andere aanduidingen over gezonde keuzes. Heeft de Minister enig idee wat het effect van dit instrument is op de consumptie? Ik hoor haar steeds zeggen dat de industrie stappen zet. Ik neem aan dat het stappen zetten niet haar doel is. Ik mag hopen dat haar doel is om het voedsel dat daadwerkelijk wordt geconsumeerd, gezonder te maken. Heeft de Minister enig idee hoe dat werkt?

Minister Schippers: Ja. In het systeem van het Vinkje worden de normen steeds verder aangescherpt. Dus worden de normen steeds strenger voor de producten die het Vinkje voeren. Producenten die vooroplopen, mogen het Vinkje op de verpakking zetten. Als zij daarna echter een tijdje niets doen, hun producten niet innoveren en de zout- of vetgehaltes niet verlagen, zijn zij op een gegeven moment het recht weer kwijt om het Vinkje op de verpakking te plaatsen. Het idee achter het systeem met het Vinkje is dus, dat de normen steeds naar beneden worden bijgesteld.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ja, en ik vroeg dus wat het effect is van het vinkjessysteem op de consumptie. Impliciet gaat de Minister ervan uit dat het systeem leidt tot consumptie van betere producten. We hebben gezien wat er is gebeurd met de lightproducten. Mensen dachten: ik kan me scheeldrinken aan Coca-Cola light. Dat effect kan ook bij het vinkjessysteem een rol spelen. Monitort de Minister wat het systeem daadwerkelijk doet met de consumptie en, zo ja, wie zet ze op dat onderzoek en wie betaalt het?

Minister Schippers: Ja, dat monitoren wij. Wij peilen de voedselconsumptie. Het vinkjessysteem is niet door het Ministerie ontwikkeld, maar door deskundigen uit het veld. Dit is een systeem waarbij de normen steeds scherper worden. Er is juist voor dit systeem gekozen, omdat dat element erin zit. De producten zullen dus steeds minder van de ongewenste stoffen bevatten, waardoor de consumptie van die stoffen zal afnemen, tenzij men natuurlijk thuis weer extra zout toevoegt. Ik vind het in ieder geval belangrijk dat mensen die in Nederland gezond eten, niet aan het einde van de dag toch te veel zout hebben binnengekregen. Dat moeten we voorkomen en dat is de ambitie. Ik denk dat we daarmee op de goede weg zijn.

Mevrouw Leijten (SP): Ongeveer twee weken geleden kwam de industrie met het bericht dat men nu toch echt de hoeveelheid zout zou gaan verminderen. Dat was natuurlijk een cosmetische truc. Er was immers een debat over preventie in aantocht en de Minister had een succesje nodig. Dat is een mooi een-tweetje geweest.

Wanneer houdt de zelfregulering op? Die vraag is al vaker gesteld. Verschillende partijen hebben gevraagd om wetgeving die direct kan worden ingezet als de resultaten onvoldoende zijn. Daarmee kunnen wij de druk maximaal opvoeren, ook als je zo vast gelooft in zelfregulering als de Minister. Ik hoor haar echter alleen maar spreken over een platform waarin men gezellig met elkaar thee gaat drinken. Volgens mij mag het wel wat steviger.

Minister Schippers: Tegen de enorme argwaan van de SP kan ik niet op. Volgens de SP is er altijd wel sprake van een complot of een verborgen plan. Volgens de SP loop ik aan de leiband van alles wat slecht is. Daartegen zijn argumenten niet opgewassen.

Ik kan het wel hebben over de feiten. Feit is dat aan brood, in twee stappen, nu echt flink minder zout wordt toegevoegd, namelijk 25%. Feiten over kaas heb ik zojuist al genoemd. Ik heb zojuist ook gewezen op de afrekenbare plannen met vleeswaren. Men zegt niet: we hebben een doelstelling en misschien kunnen we over twee jaar zeggen dat we de doelstelling niet hebben gehaald, want de inkoop wordt er ook bij betrokken. Er gebeurt dus wel degelijk iets. Ik heb ook al gewezen op de forse stappen die bij de conserven zijn gezet. Volgens mij gaat het dus de goede kant op. Zijn wij er tevreden over? Nee, eigenlijk niet, want ik vind dat hele onderdelen te veel buiten schot blijven, bijvoorbeeld de sector soepen en sauzen. Ik wil dit dus verbreden en wat massiever maken. Dat doe ik eigenlijk in het verlengde van iets wat nu al een positieve werking heeft, namelijk door een en ander te bundelen in een platform.

Mevrouw Leijten (SP): De Minister kan mij verwijten dat ik altijd denk dat er sprake is van een complot, maar tegelijk geeft ze gewoon geen antwoord op mijn vraag. Ik stel vast dat 10% echt te weinig is. De Minister heeft twee jaar geleden in een debat over preventiebeleid gezegd: het moet nu over zijn met het teveel aan zout. Ik doe een beroep op de industrie, zei zij, en als dat te weinig resultaat heeft, zal ik terugvallen op wetgeving. Daarover ging mijn vraag. Ik vind het prima als er een platform komt en ik vind het ook prima als men met elkaar thee gaat drinken. Waar is echter de stok achter de deur? De Partij van de Arbeid heeft ernaar gevraagd, D66 heeft ernaar gevraagd, de ChristenUnie heeft ernaar gevraagd en mijn fractie vraagt er nu naar. De Minister ziet op dit punt een Kamermeerderheid tegenover zich staan en zij moet gewoon de vragen beantwoorden. Gaat zij wetgeving voorbereiden en, zo nee, wanneer is het moment aangebroken waarop zij dat wel gaat doen? Deze vraag heb ik in de eerste termijn al gesteld. Woordvoerders van vele andere fracties hebben dat ook gedaan. Voorzitter, ik hoop dat u ervoor zorgt dat de Minister deze vraag zal beantwoorden.

Minister Schippers: Ik geef wel een antwoord, maar mevrouw Leijten wenst alleen het antwoord te horen dat zij voor mij heeft voorgedrukt. Ik ga echter over mijn eigen antwoorden. Het antwoord is dat er wel degelijk iets gebeurt. Dat is door onze instanties objectief vastgesteld. Er zitten echter hiaten in wat er gebeurt. Bij conserven wordt door sommige bedrijven bijvoorbeeld wel 30% reductie tot stand gebracht, maar omdat één bedrijf niet meedoet, zie je die forse reductie in de totale meetresultaten niet terug. Daarom wil ik dat er veel preciezer wordt gemeten en dat zichtbaar wordt gemaakt welke bedrijven niet meedoen. Dat is immers van belang. De goede bedrijven moeten niet onder de kwade lijden. Mevrouw Leijten zegt dat er niets gebeurt, maar ik stel dus dat er wel degelijk van alles gebeurt. We gaan de goede kant op. Zeker bij bepaalde sectoren wordt bovendien tempo gemaakt. Ik zou echter graag meer tempo willen zien en de activiteiten willen verbreden. Daarom doe ik het voorstel om een platform op te richten.

Mevrouw Leijten (SP): Ik heb niet gezegd dat er niets gebeurt, maar ik heb gezegd dat het te langzaam gaat en dat de Minister dat erkent. Mijn vraag is simpel. Wanneer breekt voor de Minister het moment aan om met wetgeving te komen? Ik heb dit echt al zes keer gevraagd.

De voorzitter: Ja, maar de Minister gaat over haar eigen antwoorden. Zij doet nog één poging.

Minister Schippers: Ik ben nog niet toe aan wetgeving op dit punt. Ik heb gezegd en geschreven aan de sector dat er een wet komt als er onvoldoende gebeurt. De sector kan aantonen dat er behoorlijke stappen worden gezet op verschillende terreinen. Ik heb tegen de sector gezegd dat ik vind dat er op sommige terreinen sprake is van goede progressie, maar dat er op andere terreinen sprake is van minder progressie. Ik wil dat de inspanningen verbreden en zichtbaar worden voor iedereen. Daarom wil ik een platform oprichten. Daarbij wil ik ook de goede voorbeelden meenemen die in andere landen voorkomen. Dat heb ik afgesproken.

Mevrouw Dijkstra heeft gevraagd wat er is gebeurd met de 100 miljoen van het Lenteakkoord. Dat hebben we uiteraard al met de Kamer gewisseld. Sterker nog, alle bij het Lenteakkoord betrokken partijen hebben gezamenlijk besloten waar dat geld aan zou worden besteed. Er is 44 miljoen uitgetrokken om dieetadvisering terug te brengen in het zorgverzekeringspakket. Er gaat verder 26 miljoen naar het tegengaan van obesitas bij kinderen. 20 miljoen gaat naar het in het zorgverzekeringspakket terugbrengen van de programma's voor het stoppen met roken. Ten slotte gaat 10 miljoen naar palliatieve zorg. Bij elkaar opgeteld komt een en ander uit op 100 miljoen. Er is door de betrokken partijen niet besloten om met de 100 miljoen iets anders te doen, namelijk een fonds oprichten. Er is echt besloten om dat geld gericht in te zetten. Mevrouw Dijkstra of mevrouw Bruins Slot verwees naar een meevaller op de begroting. Tegenover die meevaller staan altijd weer tegenvallers. De eerste twee jaar zijn wij per jaar 1 miljard tekortgekomen op de begroting van Volksgezondheid. Nu houden wij voor het eerst 100 miljoen over. Het gaat daarbij dus om een onderbesteding. Onderbesteding bij VWS is heel bijzonder. Wij zijn er dan ook heel trots op. Het zal de woordvoerders echter niet zijn ontgaan dat meer in het algemeen de financiën van de Nederlandse overheid een tekort te zien geven. Het is zelfs urgent nodig om maatregelen te nemen. We hebben in deze tijden niet zomaar ergens geld voor. Als er ergens iets overblijft, wordt dat gebruikt voor de tekorten elders. Mijn inzet is daarom, al het geld dat wij voor preventie besteden, alle losse projecten met elkaar te verbinden en de losse druppels tot een golf te maken. Op die manier kunnen we ervoor zorgen dat het geld dat op dit moment aan preventie wordt besteed, een grotere impact heeft dan het nu heeft. Ik wil op die manier proberen dit forser op gang te krijgen. Ik wil dat op die manier doen, in plaats van hierin meer geld te storten, geld dat we niet hebben.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Geld is schaars en we moeten de gezondheidszorg betaalbaar houden. In het Lenteakkoord zijn een aantal maatregelen op het vlak van preventie aangekondigd. Op die maatregelen zijn de partijen die bij het Lenteakkoord betrokken zijn geweest, nog steeds trots. Met de komst van het nieuwe kabinet is er een nieuwe ambitie gedeeld om preventie hoog op de agenda te krijgen. Dat is gebeurd op verzoek van D66 en het CDA. We willen inderdaad van individuele druppels komen tot een golf, dus tot een structurele borging. Dat is een behoorlijke klus. Er is een breed palet aan organisaties. Die stellen dat dit een behoorlijk klus is, maar dat ze die klus wel kunnen klaren. Ze zeggen daarbij echter een springplank nodig te hebben. Die springplank kan gevonden worden in de vorm van een preventiefonds van 18 miljoen. Laten we zo'n fonds als uitdaging neerzetten om ook andere partijen te kunnen verleiden om geld in dat fonds te storten. Her en der zal men bereid zijn om dat te doen. Op die manier is het goed besteed geld waarmee we uiteindelijk de gezondheidszorg kunnen verbeteren. Doordat we mensen gezonder houden, kunnen we diezelfde gezondheidszorg ook betaalbaar houden.

Minister Schippers: In november komt de agenda. Dan wordt een en ander geconcretiseerd. Tegen mevrouw Dijkstra zeg ik dat er ook een financiële bijsluiter bij komt, waaruit zal blijken hoe we de zaken gefinancierd krijgen. Als je doelstellingen hebt, hoort de financiële basis er uiteraard bij. Mevrouw Bruins Slot zegt nu dat zij geld wil investeren en in een fonds wil storten. Hoe wil zij dat financieren? Waarop moeten wij dan bezuinigen? Ik heb geen geld op de plank liggen ergens op het Ministerie. Als zij voorstelt om geld aan bijvoorbeeld een preventiefonds uit te geven, moet ze ook zeggen waar ik het geld daarvoor moet weghalen. Elders in de gezondheidszorg zal dan dus minder geld worden uitgegeven.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Aan deze interpretatie van de Minister zitten wat haken en ogen. Er is dit jaar sprake van een structurele meevaller op de begroting van VWS. De Minister gaat er in haar antwoord eigenlijk vanuit dat zij dit jaar alweer een tekort heeft op de begroting. Dat zou betekenen dat zij van tevoren al denkt dat er een tekort zal zijn. Tijdens de behandeling van de begroting heeft zij echter gezegd: deze begroting is voor het jaar 2013. Dit is een structurele meevaller. Dat betekent dat er niets tegenover staat. Ik constateer dat de Minister weinig bereidwillig is om dit geld hiervoor in te zetten. Toch doe ik een beroep op haar om dit wel te doen. Als zij daartoe niet bereid is, zal ik hierover een motie indienen. Als je dit echt kracht wilt bijzetten, moet je ook boter bij de vis doen. Dit kan niet alleen maar bij woorden blijven.

Minister Schippers: Mevrouw Bruins Slot zegt dat het bij woorden blijft. Daar ben ik het echt niet mee eens. Wij zullen in de financiële bijsluiter zichtbaar maken dat, als je alles bij elkaar optelt, er ontzettend veel geld naar preventie gaat. Het is mogelijk dat mevrouw Bruins Slot vindt dat er meer geld naar preventie moet. In de begrotingsstukken staat de raming van wat er in één jaar zal worden uitgegeven. Daarna volgen de voorjaarsnota en de najaarsnota. Daar kan al worden bekeken hoeveel er is uitgegeven. Er is nu ergens een meevaller, maar er zijn ook grote tegenvallers. Dat blijkt duidelijk uit de Voorjaarsnota van dit jaar. Aan die tegenvallers wordt het geld besteed dat door de meevallers is overgehouden. Zo werkt het systeem. Wij zorgen er steeds voor dat de tegenvallers worden gedekt door de meevallers. Als ik ergens geld tekortkom, moet ik of de Staatssecretaris elders geld zoeken om dat gat te dichten. We hebben niet gewoon geld over. Als mevrouw Bruins Slot dus een bepaald bedrag in een fonds wil storten, zal ze moeten zeggen dat dit geld bijvoorbeeld moet worden weggehaald bij de huisartsenzorg of de fysiotherapie. Het moet wel ergens vandaan komen. Er ligt geen geld op het departement.

Mevrouw Wolbert heeft gevraagd hoe het enthousiasme tot een golf wordt. Wij zullen een aantal langjarige ambities opnemen die inderdaad veel verder gaan en doorlopen tot 2025 en zelfs tot 2030. Wij bekijken op dit moment hoe wij die ambities precies moeten formuleren. Dit moet immers ambitieus, maar ook realistisch zijn. We gaan ook specifieke outputdoelstellingen voor de duur van het NPP met onze partners afspreken, bijvoorbeeld over het aantal scholen dat in 2016 het vignet Gezonde School moet hebben. Hoeveel bedrijven doen er mee in een nieuw actieplan over gezonde bedrijven? De doelstellingen zullen dus gaan over zulke afspraken die we met elkaar maken.

Preventie- en leefstijlbeleid, maar ook de GGD'en, vallen eigenlijk onder de gemeenten. Gemeenten spelen een heel belangrijke rol in het preventiebeleid. Het is dus heel belangrijk om ook de gemeenten hierbij te betrekken. Zij zijn heel belangrijk bij ons streven om van de druppels een golf te maken.

Terreinen die van cruciaal belang zijn, zoals zorg, wijk, werk en school, worden met elkaar verbonden en worden op dezelfde punten aangepakt. In de nu voorliggende schets staat eigenlijk al enigszins hoe we dat willen aanpakken en met elkaar willen verbinden. Dit zal verder worden uitgewerkt in het plan dat in november komt.

Er is gesproken over de health checks. Er bestaat uiteraard in Nederland een aantal toetsen. Er is de financiële toets. Immers, als je extra geld uitgeeft, moet altijd duidelijk worden hoe dat wordt gedekt. Verder is er het beleid rond de regeldruk. Als je een wet maakt, moet je altijd duidelijk maken wat de administratieve lasten zijn die daaruit voortvloeien. Als ik het goed begrijp, wil mevrouw Voortman er nog een algemene toets aan koppelen, namelijk een health check. Dit kan echter ook worden opgenomen in een maatschappelijke kosten-batenanalyse. Door VWS wordt het gezondheidsbelang steeds op meerdere interdepartementale beleidsterreinen ingebracht. Een voorbeeld is de Nationale Aanpak Milieu en Gezondheid. Daarbij trekken we samen op met onder meer het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Onderwijs. Verder wijs ik op de samenwerking met het Ministerie van Onderwijs op het terrein van sport en bewegen. Met het Ministerie van Economische Zaken en met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu werken wij samen om de link tussen de fysieke leefomgeving en gezondheid te verbeteren. Bovendien wil ik niet onvermeld laten mijn inspanningen voor de inbreng van het belang van gezondheid in het proces van de Omgevingswet. Binnen het project De gezonde wijk, dat we samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken uitvoeren, hebben diverse gemeenten inmiddels ervaringen opgedaan met een centrale plaats voor gezondheid in maatschappelijke kosten-batenanalyses. Over de praktijkervaringen staat meer te lezen in het e-boek Gezonde wijk in praktijk. Wij treden dus al actief op waar volgens ons gezondheidseffecten van regelgeving heel belangrijk zijn. In de Ministerraad, maar eigenlijk ook al in eerdere raden en in de voorbereiding zijn wij actief betrokken waar volgens ons wetgeving aan de orde is waar gezondheidsaspecten aan vastzitten.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): De Minister zegt terecht dat er op allerlei manieren wordt samengewerkt tussen de Ministeries. Het gaat mij echter meer om het volgende. Ik noemde het voorbeeld van een snelweg die in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu wordt aangelegd. Bij zulke zaken moeten de gezondheidseffecten meer worden meegenomen. Daarom pleit ik ervoor om in de maatschappelijke kosten-batenanalyses de gezondheidseffecten een meer centrale plaats te geven dan zij nu hebben.

Minister Schippers: Dat is onderdeel van de Omgevingswet. De gezondheidseffecten en bijvoorbeeld de milieueffecten worden daarin in de analyses meegenomen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): We komen daarbij al snel uit bij de discussie of het voldoende is. Daarover zullen wij van mening verschillen. Hier laat ik het bij. Ik zal bekijken of ik hierover een motie wil indienen.

Minister Schippers: Mevrouw Voortman heeft ook gesproken over de rol van bedrijfsartsen. Moet er meer aandacht komen voor arbeidsgeneeskunde in het curriculum? Is de onafhankelijkheid gewaarborgd? Hebben alleen werkenden toegang tot de bedrijfsarts? Een goede aansluiting tussen de bedrijfsartsenzorg en de reguliere zorg is van essentieel belang. Ik ben het met mevrouw Voortman eens als zij zegt dat die aansluiting niet optimaal is. Er zijn daar knelpunten. Samen met de Minister van Sociale Zaken bekijken we hoe we die knelpunten kunnen aanpakken. Daarbij kijken we ook naar de inrichting van het stelsel van arbeidsgerelateerde zorg. Nog voor de zomer zullen we de SER om advies vragen over een aantal scenario's voor de aanpassing van het stelsel. Ondertussen laat ik het Kwaliteitsinstituut een module ontwikkelen over arbeid in de zorgstandaarden. Ik ben het met mevrouw Voortman eens als zij zegt dat de factor arbeid beter op het netvlies moet komen bij de behandeling door medisch specialisten, huisartsen en andere leveranciers van reguliere zorg. Hiermee zij wij al echt heel intensief bezig. Ik weet dat dit de bijzondere belangstelling heeft van mevrouw Voortman, want zij vraagt vaak naar de voortgang op dit vlak. Ik deel haar zorgen hierover. Ik ben dan ook heel benieuwd wat de SER ons zal adviseren.

Ik kom op de vraag van mevrouw Voortman over wijkverpleegkundigenzorg. Ik neem hierbij ook de vraag mee van de heer Rutte over de fysiotherapeuten en de huisartsen. Juist in dit actieplan is aandacht voor de vraag hoe het is gesteld met de aandacht voor preventie in de reguliere gezondheidszorg. Is de dokter die iemand bij zich krijgt met overgewicht, alleen gericht op de bestrijding van de symptomen? Of zegt hij zijn patiënt ook: u moet echt afvallen? Krijgt de patiënt cholesterolverlagers en maagzuurremmers zonder dat de 30 kilo overgewicht ter sprake komt? Of wordt de patiënt gewezen op een traject om het overgewicht kwijt te raken? Zulke zaken zijn op allerlei terreinen mogelijk en wij besteden daar echt veel aandacht aan. Ik noem als ander voorbeeld de verloskundigenzorg. Op dat vlak zijn wij, ook in samenspraak met de Kamer, heel actief geweest met een betere voorbereiding van vrouwen die zwanger willen worden. Zij krijgen leefstijladviezen.

Preventie is dus absoluut een integraal onderdeel van het takenpakket. Dit komt in deze nota tot uiting en moet verder worden uitgewerkt in de versie die in november zal verschijnen. In die versie zullen we zeker terugkomen op de vraag hoe in de reguliere zorg expliciet aandacht aan preventie kan worden besteed. Dit komt nu in de reguliere zorg misschien weleens wat minder dan gewenst aan de orde.

De heer Rutte (VVD): Ik ben blij met dit antwoord. Als iemand met overgewicht bij de dokter komt, moeten niet alleen de symptomen worden bestreden, maar moet misschien ook over preventie worden gesproken. Dat is logisch. Ik heb echter ook de tandarts ter sprake gebracht. Een tandarts kan bijvoorbeeld constateren dat iemand wellicht diabetes heeft. Vindt de Minister dat ook de tandarts hierbij een rol heeft? Doelt zij daarop in het antwoord dat zij zojuist heeft gegeven?

Minister Schippers: Ik ben vergeten in te gaan op de rol van tandartsen. Ik heb niet zo lang geleden een overleg gevoerd met de tandartsen en ik heb hun voorstellen over preventie gehoord. Die voorstellen zijn echt van belang. Een tandarts kan namelijk veel zien. Tandartsen kijken bovendien bij heel veel mensen een of twee keer per jaar in de mond. Zij kunnen signalen zien die wijzen op bepaalde gezondheidsproblemen. De tandartsen willen daarvoor graag een netwerk waarin zij kunnen doorverwijzen naar bijvoorbeeld de huisarts. Ik vind dit goede plannen. Deze plannen worden op dit moment ontwikkeld. Als ze zijn afgerond, zal ik ze goed bestuderen. Ik zie daar echt heel veel in. We willen meer samenwerken, we willen informatie delen en we willen risico's signaleren. Deze plannen zullen daarbij in de zorg enorm veel kunnen betekenen. Ik ben het dus op dit punt eens met de heer Rutte.

Er is gevraagd of ik bereid ben om een vergoeding voor tolken in te voeren. Begin deze week heb ik de Kamer hierover een brief gestuurd. Daarin wordt geïnventariseerd hoe de huidige praktijk van de tolkfunctie zich heeft ontwikkeld. Er zijn geen gegevens waaruit blijkt dat de kwaliteit van zorg aantoonbaar negatief wordt beïnvloed door het feit dat de inzet van tolken niet meer centraal wordt vergoed. De inspectie heeft geen signalen of meldingen ontvangen over incidenten die betrekking hebben op taalproblemen in de zorg. Hoewel uit de inventarisatie blijkt dat het niet altijd gemakkelijk is voor partijen, wordt de relevante zorg toch geleverd. Ik zie daarom geen redenen om het beleid ten aanzien van de vergoeding van tolken te veranderen. Het uitgangspunt blijft dat mensen er zelf verantwoordelijk voor zijn om in de Nederlandse taal te kunnen communiceren. Als zij niet in staat zijn om die verantwoordelijkheid te nemen, zijn er voldoende vangnetten en alternatieven om eventuele taalbarrières te slechten.

Mevrouw Dik-Faber van de ChristenUnie heeft vragen gesteld over de Schijf van Vijf. Zij vraagt of die schijf niet moet worden geëvalueerd en eventueel moet worden aangepast. Op basis van de Richtlijnen goede voeding is de Schijf van Vijf vastgesteld. De Gezondheidsraad evalueert die richtlijnen de komende jaren tot 2015. Op basis van de resultaten daarvan worden er eventueel aanpassingen in de Schijf van Vijf doorgevoerd. Het Voedingscentrum vertaalt namelijk de wetenschappelijke richtlijnen voor de consumenten in begrijpelijke informatie. Dat is een heel belangrijke taak van het Voedingscentrum.

Er is gesproken over borstvoeding. Men heeft gevraagd wat het beleid van VWS op dit vlak is. Dat beleid richt zich met name op het uitgangspunt dat het de eigen keuze van de aanstaande ouders is om al dan niet borstvoeding te geven. Daarover wordt wel goede voorlichting aan de aanstaande moeders en aan de zorgverleners gegeven. Daarin komt aan de orde wat de voordelen zijn van borstvoeding. Er wordt gezorgd voor goed vindbare en betrouwbare voorlichting voor aanstaande moeders en voor zorgverleners.

De woordvoerster van de Partij voor de Dieren vindt het NPP te vrijblijvend. Zij vindt dat de vrijheid niet de vrijheid is die er volgens velen is. Hoe kunnen wij daarmee omgaan? Het beleid is eigenlijk al jaren gericht op het weerbaar maken van mensen tegen verleidingen. Mensen komen de hele dag verleidingen tegen. Iedereen die weleens heeft geprobeerd om af te vallen, weet hoe moeilijk het is om bijvoorbeeld een bepaalde leefstijl te veranderen. Het is dus echt heel belangrijk om de weerbaarheid van mensen te vergroten. Mevrouw Ouwehand heeft het ook over vrijblijvendheid. Dit is een eerste schets. Dit wordt aangevuld en wordt meer concreet gemaakt. Als je iets algemeens concretiseert, wordt het al minder vrijblijvend. Ik ben het met mevrouw Ouwehand eens dat dit programma een concretiseringsslag nodig heeft. Daarop komen wij in november terug. Daarbij is het heel belangrijk dat zaken realiseerbaar zijn, maar tegelijk een ambitieniveau hebben dat hoog genoeg is.

Wij hebben eerder al gesproken over eerlijke voorlichting, namelijk tijdens het vragenuur. Ik ben een groot voorstander van eerlijke voorlichting. Daarbij is een belangrijke taak weggelegd voor de overheid. Zij moet eerlijk voorlichten. Daarbij moet echter gezegd worden dat er in de sectoren en in de wetenschap vaak heel verschillend wordt gedacht over de waarheid en over de vraag welke kennis moet worden overgebracht. Daarbij komt ook nog het volgende probleem waar wij altijd op stuiten bij het voeren van etiketten. Wij schieten ons doel voorbij als mensen bij de producten die zij kopen lange bijsluiters vinden. Het is bijvoorbeeld altijd van belang dat voor de informatie op een etiket een lettertype wordt gebruikt dat nog leesbaar is. Het is inmiddels ook voor mij moeilijk om in de supermarkt nog zonder bril te kunnen lezen wat er op de etiketten staat. De gemiddelde Nederlander moet de informatie uiteraard kunnen lezen. Als die te moeilijk is, leest men ze niet. Het is dus heel belangrijk om precies te bepalen welke informatie op een etiket komt te staan. Die informatie moet onomstreden zijn. Verder is belangrijk wat die informatie meldt en hoe bepalend een en ander is bij de keuze die mensen maken. In het vragenuur heb ik al gezegd dat we bij kip al extra informatie op het etiket zetten. Ik heb verder gezegd dat ik overweeg om dat ook bij de andere vleessoorten te gaan doen. Ik heb ten slotte gezegd dat ik daarvoor eerst nog eens goed naar de resultaten wil kijken van het onderzoek dat is gedaan. Ik ben het er echter mee eens dat mensen pas goed kunnen kiezen als ze goed zijn geïnformeerd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil dit koppelen aan de verkooptechnieken, in dit geval de verkooptechnieken van de vleesindustrie, maar je kunt hierbij bijvoorbeeld ook de verkopers van sinaasappelsap noemen. Er wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar de werking van informatie op etiketten. Daarin investeert de levensmiddelenindustrie heel veel geld. Dat onderzoek gaat zelfs over bijvoorbeeld de vraag hoe je ogen bewegen en of je op grond daarvan het logo groter of kleiner moet maken. De Minister zegt dat ze iets wil doen met de etikettering. Dat juich ik toe. Maar hoe doe je dat het beste, zodat mensen daadwerkelijk worden geïnformeerd? Die effecten moeten op eenzelfde manier worden onderzocht en dat onderzoek moet worden betaald door de sector die het product wil verkopen. Is de Minister dat met mij eens?

Minister Schippers: Veel regels over etikettering komen uit Europa. Dat is niet gek, want er is één Europese markt. De etiketten op producten die in België worden gemaakt, moeten ook in Nederland voldoen. Daarom is het het meest logisch om regels over etikettering op Europees niveau te maken. Verder is er natuurlijk in Nederland de Warenwet. Daarin staan regels over veilig voedsel en eerlijke informatie. Alle producten moeten aan de Warenwet voldoen. Als wij vinden dat dingen moeten worden aangescherpt, zullen wij dat in de Warenwet moeten opnemen. De wetgeving rond veiligheid van voedsel is gebaseerd op de Warenwet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik hoor de Minister en woordvoerders van veel partijen vaak zeggen dat mensen er zelf voor moeten zorgen dat ze goed zijn geïnformeerd. De Minister is het met mij eens als ik zeg dat mensen goed moeten worden voorgelicht. Dan moeten mensen wel worden voorgelicht op het niveau waarbij de voorlichting daadwerkelijk werkt. We moeten niet in Den Haag blijven zeggen: als informatie op de producten staat, is het vervolgens de verantwoordelijkheid van de consument om op grond van die informatie de keuze te maken. Immers, de levensmiddelenindustrie maakt wél gebruik van de inzichten over hoe informatie werkt voor mensen in de supermarkt. De verpakkingen zijn erop gericht om mensen het product te laten kopen. Als daarop in saaie lettertjes staat wat precies de nadelen van het product zouden kunnen zijn, zal dat geen tegenwicht bieden ten opzichte van de pogingen op het etiket om mensen het product te laten kopen. Dat kan ik met mijn klompen aanvoelen. Per saldo zullen mensen dus niet goed geïnformeerd zijn op de plek waar zij het product kopen.

Minister Schippers: Hierover worden wel degelijk dingen afgesproken. Op frisdranken staat bijvoorbeeld vrij groot en vrij helder hoeveel calorieën erin zitten. Dat is voorgeschreven. Er worden eisen gesteld aan de verplichte informatie op het etiket. Er zijn eisen over bijvoorbeeld de lettergrootte. Het Vinkje is ook belangrijk. Aan de hand daarvan kun je in een oogopslag zien met welk type product je te maken hebt. Er is echter ook veel breder sprake van voorlichting. Het Voedingscentrum zorgt voor gerichte informatie op radio en tv en heeft een website. De overheid geeft dus wel degelijk veel informatie over gezonde keuzen. Er worden ook eisen aan de informatie op etiketten gesteld. Die informatie staat er niet alleen maar in kleine lettertjes op, want wij werken steeds meer met logo's en met heel simpele figuurtjes. Mensen kunnen daardoor in een oogopslag zien wat er aan de hand is.

De voorzitter: Voor zijn eerste termijn is nu het woord aan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Rijn: Voorzitter. Ik hoef niet te herhalen dat preventie van belang is. Over het belang van preventie wordt niet alleen in de Kamer gediscussieerd, maar ook met maatschappelijke partijen. Die discussie is van toenemend belang. Dat komt volgens mij doordat het besef groeit dat met preventie kan worden voorkomen dat dure zorg moet worden verleend. Bovendien is het voor mensen zelf van groot belang dat wordt voorkomen dat ze ziek worden. Ook het voorkomen van complicaties krijgt veel meer aandacht. Preventie biedt ook kansen om sociaaleconomische gezondheidsverschillen te verkleinen. Enkele woordvoerders hebben daarop gewezen en ik zal daarop straks even terugkomen.

We hebben gekozen voor een agenda omdat het volgens mij heel belangrijk is om met elkaar na te denken over de vraag in welke fase het preventiebeleid van belang is, zeker als het daarbij gaat over gezond gedrag. Mevrouw Leijten zei terecht dat een aantal basiszaken in Nederland vrij goed geregeld zijn, bijvoorbeeld rond voedselveiligheid, hygiëne, infrastructuur, rioleringen enzovoorts. Op die terreinen zijn overigens voortdurend verbeteringen nodig. Bij preventiebeleid moeten we wellicht inmiddels vaker gaan spreken over de vraag wat nu precies gezond gedrag is en hoe we ervoor zorgen dat mensen voor dat gedrag kiezen. Dat is gewoonweg een taaiere materie. We moeten ook nadenken over de vraag wat de verantwoordelijkheid is van de overheid, wat de verantwoordelijkheid is van maatschappelijke organisaties en wat de verantwoordelijkheid is van de mensen zelf. Maatschappelijke organisaties moeten helpen bij het bevorderen van gezond gedrag.

Het debat gaat dus niet zozeer over de vraag of we allerlei nieuwe dingen moeten verzinnen, maar over de vraag hoe we het preventiebeleid in een volgende fase kunnen brengen, zodat het juist op het wat taaiere gebied van gezond gedrag meer effect heeft.

Een van de punten die we daarbij hebben gehanteerd, is het streven naar meer samenhang en samenwerking. Dat kan namelijk een belangrijke impuls zijn voor de volgende beleidsfase. Om de heer Rutte te parafraseren: meer samenhang en meer samenwerking, maar wel met behoud van smaak.

Tijdens onze gesprekken met de betrokkenen over de volgende fase van het preventiebeleid komt een aantal punten steeds terug. Het eerste is dat de huidige prioriteiten in het preventiebeleid, zoals ontwikkeld in de vorige periode, prima zijn: diabetes, alcohol, roken, overgewicht, depressie en bewegen. Dat zijn zaken waarvoor geldt dat een groot aantal projecten loopt. Er is niet veel aanleiding om die prioriteiten opnieuw te definiëren, maar wel om ze in een andere context te plaatsen. Verder is belangrijk dat bedacht wordt dat preventiebeleid, zeker als het gaat om het bevorderen van gezond gedrag, een zaak van lange adem en stug volhouden is. We moeten niet iedere keer opnieuw het wiel uit gaan vinden. Veranderingen gaan langzaam, de tijd tussen beleidsactie en resultaat is gewoon lang, dus laten we ervoor zorgen dat we gestaag toewerken naar het bereiken van de stip op de horizon. Het gebeurt niet vaak dat politici worden opgeroepen om over hun graf heen te regeren, maar ik heb die oproep goed begrepen. Het lijkt een goed idee om in het plan dat we gaan maken die ambitie te formuleren. We moeten dat niet alleen vanachter de Haagse vergadertafels doen, maar juist in samenwerking met maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven, om te zien of we dat gezamenlijk kunnen doen. Daarvoor is het misschien af en toe nodig om compromissen te sluiten over de haalbaarheid van die doelstellingen, maar dan brengen we ze wel dichterbij. Juist als het gaat om het bevorderen van gezond gedrag is het goed dat we niet alleen inzetten op verboden en geboden, maar vooral ook op het leggen van contacten met sociale partners. Dat zou wel eens effectiever kunnen zijn. Het voedt ook het gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid dat al bestaat bij veel maatschappelijke organisaties. Dat maakt het bijvoorbeeld mogelijk voor gemeenten om een integraler beleid te voeren. We hebben nu een veelheid aan projecten waarvan we moeten leren wat de resultaten daarvan zijn. Die moeten we verbinden met onze lange-termijnambities.

Door het ingezette beleid is er in het verleden al heel veel gebeurd. In 2013 zijn 484 basisscholen begonnen met de versterking van hun gezondheidsbeleid. Door de impuls die de Minister vorig jaar heeft gegeven, zijn nu in 377 gemeenten ruim 2700 functionarissen werkzaam om de weerbaarheid van jongeren te vergroten. Er worden nu 250 mkb-werkgevers begeleid in het werken aan gezondheid in hun organisatie, in het kader van het Actieplan Gezond Bedrijf. In steeds meer gemeenten komen watertaps, zodat je niet per se dure suikerhoudende drankjes hoeft te kopen. Is dat veel? Dat hangt van je perspectief af. Is het genoeg? Nee, het is nog niet genoeg, maar het illustreert wel dat in het denken over preventiebeleid iets aan het veranderen is. Naast de verantwoordelijkheid van de overheid, die op een enkel punt moet worden versterkt, is er een groeiend besef dat het niet alleen maar een zaak van de overheid is, maar dat ook andere partijen daarin een heel wezenlijke rol spelen.

Ik zei net dat er niet veel mis is met de prioriteiten. Daar loopt het punt van de gehoorschade doorheen. Gehoorschade als gevolg van hard geluid is inderdaad een groeiend maatschappelijk probleem. Diverse onderzoeken van de Nationale Hoorstichting geven dat al aan. Gehoorschade is permanent en in veel gevallen niet meer te genezen. Op het ogenblik onderzoeken we hoeveel mensen gehoorschade hebben door te harde muziek, waarbij het vooral gaat om kinderen en jongeren, en door lawaai op het werk. Het RIVM voert dit onderzoek in opdracht van VWS en SZW uit. Voor zover mogelijk laat ik de maatschappelijke kosten en de zorgkosten daarvan berekenen. Er gebeurt al het nodige op het terrein van de gehoorschade. Er zijn gehoorschadepreventieprogramma's van ZonMw, en de Nationale Hoorstichting geeft voorlichting aan jongeren. Er zijn laagdrempelige oortesten. De muzieksector werkt aan een systeem van meer zelfregulering, maar dat loopt inderdaad nog niet zo lekker. De merkwaardige situatie doet zich voor dat mensen die daar werken en de mensen die muziek maken oordoppen dragen, terwijl de bezoekers dat ook in toenemende mate doen. Ik heb het idee dat er een eenvoudiger oplossing denkbaar is. Ik vind het belangrijk om hierop verder actie te ondernemen. Ook dit punt wil ik een plek geven in het Nationaal Programma Preventie. Ik zal daarover met de betrokken partijen om de tafel gaan zitten. Ik kan me voorstellen dat dit onderwerp zich leent voor een responsibility-aanpak. Als dat niet leidt tot voldoende resultaten, dan zullen we de mogelijkheden van wetgeving verder moeten onderzoeken.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Ik vind het goed om te horen dat de Staatssecretaris het probleem van de gehoorschade onderkent. Het beperkt de loopbaanmogelijkheden van jongeren. Een heleboel jongeren kunnen tegenwoordig niet bij Defensie of de politie aan het werk, omdat hun gehoor al te slecht is. Ik had geluk als militair: ik zat nog net aan de goeie kant. Een discodip wil zeggen dat je te veel harde geluiden hebt gehad. Wanneer komt het RIVM met dat onderzoek? Kan de Staatssecretaris inschatten of de resultaten van dat onderzoek nopen tot wet- en regelgeving? Wat de afgelopen jaren is gebeurd, is eigenlijk al een responsibility-aanpak. Er is al een heel traject ingezet. Volgens mij is dat nog niet succesvol genoeg.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik hoor net dat het RIVM dit najaar met dat onderzoek komt. Het lijkt mij goed om dat onderzoek naar de Kamer te sturen, zodat zij kan meekijken naar de resultaten en kan meegeven welke conclusies daaraan moeten worden verbonden. In de tussentijd wil ik het overleg met de muzieksector starten om te zien wat er al kan gebeuren, zodat we in het najaar een goede afweging kunnen maken: zelfregulering en convenanten, of aanvullende maatregelen?

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Een prima toezegging. Het is inderdaad van de zotte dat de mensen die in de muziekindustrie werken, oorpluggen in hebben. Zelf ging ik laatst naar een concert met oorpluggen in, en heel veel mensen om mij heen ook. Dat is een onwenselijke situatie. Het CDA is bijna zo ver om te zeggen: laten we er maar regelgeving op zetten.

Staatssecretaris Van Rijn: We zullen kijken hoe we hier aan de juiste knoppen kunnen draaien.

Samenhang is van belang om nieuwe impulsen aan het preventiebeleid te geven. Ik geef het voorbeeld van gezond gedrag voor kinderen, waar de afgelopen periode veel is gebeurd. Ik denk dat het heel belangrijk is om voorlichting op scholen over gezond gedrag te combineren met een rookvrij schoolplein, een gezond aanbod in de schoolkantine en goede sportmogelijkheden in de buurt, zodat er geen sprake is van eenmalige acties die snel ophouden, maar van een samenhangend geheel waarin een effectieve bijdrage en meer structurele veranderingen in de richting van gezond gedrag kunnen worden geboden. Die samenhang biedt ook kansen door een en ander te koppelen aan de voorgenomen decentralisatie van de langdurige zorg en het jeugdbeleid. De heer Rutte wees al op functie en rol van de wijkverpleegkundige, waarin belangrijke signalen van preventie naar voren kunnen komen. Een plan en één regievoerder zouden op het gebied van jeugdbeleid acties in gang kunnen zetten om erger te voorkomen.

Bij rol, plaats en taak van de GGD'en zie je heel goede voorbeelden, maar niet altijd. Enerzijds gaat het dan over de uitvoering van de klassieke taken, maar anderzijds gaat het om de uitvoering van taken ter bevordering van gezond gedrag van kinderen. Dat wordt heel verschillend ingevuld. Ik heb hier bij me het plan van de gemeente Amsterdam voor gezond gewicht, waarin een heel aardige analyse staat van de situatie in Amsterdam. Bij het jeugdbeleid hebben we gediscussieerd over wat het basistakenpakket van de JGZ daarbij is, maar misschien moeten we dat wel verbreden. De suggesties die gedaan zijn op dit punt, ook als het gaat om de betekenis ervoor voor de Wet publieke gezondheidszorg, wil ik graag meenemen. Ik kom graag met nadere voorstellen op dat punt. Maar laat me even bekijken of ik dat in het kader van het NPP doe, of apart.

Mevrouw Wolbert (PvdA): Ik ben erg blij met deze toezegging. Het is ongelooflijk belangrijk dat rijksoverheid en lokale overheden samen optrekken. Wat we landelijk inzetten, zoals een preventieconsult van 14-jarigen, waarvoor in het Lenteakkoord extra geld is gevraagd, verdampt als het in gemeenten moet worden ingezet. Dan gaan de betrokken overheidslagen elkaar bestrijden in plaats van versterken. Ik ben blij met het nadenken over de herpositionering en de uitbreiding van de mogelijkheden van GGD'en, maar wel graag in overleg met lokale overheden.

Staatssecretaris Van Rijn: Dat kán alleen maar in nauw overleg met de lokale overheden. Ook hier zullen we een goede balans moeten vinden tussen beleidsvrijheid van gemeenten en het takenpakket van de GGD'en. We willen dat niveau borgen. Dat heeft successen gebracht bij de klassieke taken, en het moet successen gaan brengen voor het bredere preventiebeleid op het gebied van de gezondheidszorg.

Mevrouw Wolbert (PvdA): De Raad voor de Volksgezondheid heeft nog niet zo lang geleden een advies gegeven waarin staat dat GGD'en een rol zouden moeten spelen in de weetplicht van gemeenten. Op postcodeniveau weten hoe het staat met de gezondheid is één, maar het koppelen van concrete plannen daaraan – daarvoor doe je het – is twee. Is de Staatssecretaris van plan om dat onderdeel van het takenpakket van de GGD'en er goed uit te lichten?

Staatssecretaris Van Rijn: Daar moeten we inderdaad naar kijken. Dit is eigenlijk een vraag naar wat een gemeente standaard zou moeten weten van de gezondheidstoestand in een gemeente. Dat is precies de reden waarom ik het Amsterdamse voorbeeld noemde: daar wordt nogal fors ingezet op de vraag wat men weet van de gezondheidstoestand van ouderen en jeugd. Op basis daarvan kan specifiek beleid worden geformuleerd. Het lijkt me goed dat we nadrukkelijk aandacht gaan besteden aan de informatiekant, gekoppeld aan de GGD'en.

Mevrouw Leijten (SP): Amsterdam zit, als het gaat om morbide obesitas bij kinderen, met een gigantisch probleem. In sommige buurten is het echt extreem. Je ziet daar dat publieke regie van een gemeente nodig is. Vanuit de Wpg is dat ook een gemeentelijke taak. Ik vind het goed dat de Staatssecretaris gaat kijken naar de positie van de GGD'en in het kader van de Wpg, maar ik wil wel met hem afspreken dat de resultaten daarvan in het najaar bij ons zijn. Want als bijvoorbeeld tot de conclusie wordt gekomen dat er geld bij moet bij de GGD'en, dan wil ik daarover een afweging kunnen maken bij de begroting. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat wij de resultaten gewoon bij de begroting kunnen bespreken, zodat we per 2014/2015 maatregelen kunnen nemen?

Staatssecretaris Van Rijn: Als we iets in gang zetten, wordt daar altijd meteen een termijn aan verbonden, terwijl we het proces natuurlijk meerjarig moeten bekijken, zeker als het gaat om de Wpg. Ik zal mijn uiterste best doen om dat nog dit najaar voor elkaar te krijgen, maar dit vereist wel echt overleg met de GGD'en en de gemeenten, en nadere analyses van de Wpg. Dat wil ik heel zorgvuldig doen. Volgens mij is het al a hell of a job om dit nog voor het einde van het jaar voor elkaar te krijgen. Ik zal de Kamer zo snel mogelijk op de hoogte brengen. Lukt het niet voor de begroting, dan zal het wel rond de begroting zijn. Er komen altijd weer nieuwe begrotingen, dus laten we dit vooral zorgvuldig doen.

Mevrouw Leijten (SP): Ik vind snelheid zo belangrijk, omdat de Wpg hét instrument is waarmee we preventie op de agenda kunnen zetten. Ik vind het goed dat er een NPP komt, maar dan is het ook heel logisch om het instrument dat we daarvoor kunnen inzetten zo scherp mogelijk te slijpen. Vandaar een duw in de rug van de Staatssecretaris en van alle andere partijen om hier voor de begroting uit te komen.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik word opgeroepen om over mijn graf heen te regeren, en nu krijg ik ook nog een duw in de rug. Ik weet niet of dat allemaal gaat werken! Maar ik ga mijn best doen.

In onze brief wordt aangegeven dat de sociaaleconomische gezondheidsverschillen voor ons een belangrijk aandachtspunt zijn. Deskundigen wijzen erop dat het om meer punten gaat dan alleen opleiding en inkomen. Op de door mij eerder genoemde prioriteiten kunnen we de grootste gezondheidswinst boeken. Enerzijds moet je de juiste prioriteiten stellen – ik heb al aangegeven dat we volgens mij de goede prioriteiten te pakken hebben – en anderzijds moeten we aandacht hebben voor de peer group pressure waarmee heel veel jongeren te maken krijgen. Klassieke voorlichting op dit punt helpt helemaal niet zo goed; we moeten nadenken over andere ambassadeurs, zoals voetbalhelden. Dan moeten we waarschijnlijk wel weer een paar voetbalhelden van verschillende clubs nomineren! Voorlichting op met name scholen voor speciaal onderwijs is een ander belangrijk punt. De voorlichting in wijken en buurten moet gericht worden op die groepen waar de meeste gezondheidswinst te behalen is. Dus: veel aandacht voor sociaaleconomische gezondheidsverschillen en breder kijken dan alleen naar opleiding en inkomen. We zullen daaraan in het NPP een aparte paragraaf wijden.

Tegen mevrouw Dijkstra: samen met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties zullen we een stip op de horizon gaan zetten. Als het NPP er ligt, kunnen we beoordelen of dat de juiste stip op de horizon is. Maar we zullen onze ambities gaan definiëren. Daar hoort wel een nuance bij: er zijn zoveel factoren van invloed op dit beleid dat het lastig is om te zeggen: als een bepaald doel niet wordt bereikt, ligt dat aan het beleid. Het mooiste voorbeeld is JOGG, dat heel goed loopt en gestaag groeit, en waarvan mijn ambitie is dat alle gemeenten in Nederland daaraan meedoen. Daarbij ben je afhankelijk van tal van factoren, zoals het lokale beleid. Als mijn ambitie om JOGG in alle gemeenten in te laten voeren niet direct wordt bereikt, ligt dat dus niet alleen aan het beleid van het Rijk. We zullen dus een goede balans moeten zoeken tussen het formuleren van onze ambities, en de wetenschap dat we afhankelijk zijn van heel veel factoren, zeker als het gaat om gezond gedrag, de inzet van maatschappelijke organisaties en het lokale beleid. Het is dus niet zo afrekenbaar als: actie 1 geeft resultaat 2.

Komt er in het NPP aparte aandacht voor roken? Ja, dat zullen we zeker doen, hoewel ik me ervan bewust ben dat we de komende periode nog regelmatig over het roken zullen spreken. Ook hier wil ik een pleidooi houden voor het voeren van consistent beleid. Er zijn een paar belangrijke stappen gezet op het gebied van rookvrije horeca en roken onder de 18 jaar, en we moeten blijven nadenken over de vraag of er nog meer instrumenten zijn, maar altijd speelt daarbij de handhavingsdiscussie een rol. Als ik zie dat de controleurs van de NVWA soms met gevaar voor eigen lijf die controles moeten uitvoeren, dan pleit ik ervoor om de voorstellen aan de ene kant en de handhavingsinstrumenten aan de andere kant een beetje in balans te houden. Het zou al heel mooi zijn als we de maatregelen die we nu hebben vastgesteld met gezwinde spoed invoeren, dat we ervoor zorgen dat die maatregelen redelijk kunnen worden gehandhaafd, en dat we onze mensen van de NVWA kunnen beschermen om hun werk te kunnen doen. Laten we een beetje oppassen met het verzinnen van allerlei nieuwe maatregelen die weer allerlei nieuwe handhavingsvragen oproepen en die afleiden van het stug doorwerken volgens een consistente lijn. Dat is het lange antwoord. Het korte antwoord is: ja, daaraan zullen we in het NPP aandacht geven.

Mevrouw Dijkstra vroeg of we daarbij alle Ministeries zullen betrekken. Dat hebben we in de aanloop naar het NPP al gedaan en dat zullen we zeker bij de invulling van het NPP blijven doen.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66): De Staatssecretaris heeft gezegd dat een departementsbrede aanpak de aandacht heeft. Ik vroeg hem om in kaart te brengen waar de preventiemogelijkheden op de verschillende Ministeries precies liggen. Ik heb nog geen reacties gekregen op mijn voorstel voor een ambassadeur voor het NPP.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik aarzel een beetje om nu al te zeggen: laten we een ambassadeur benoemen. Als dat kan helpen, moeten we vooral doen. Maar zullen we eerst eens aandacht gaan besteden aan de inhoud van het NPP, zodat we weten wat de ambities zijn, wat in overleg met partijen de beste aanpak daarvoor is en welke interventies er nog gepleegd zouden moeten worden? Ik zou zeggen: inhoud eerst, en de organisatie daarna.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66): Daarvoor is nou juist de schets bedoeld waarover we vandaag spreken, een schets die nog nader moet worden ingevuld. Ik kan me voorstellen dat een ambassadeur, die ook door het CDA wordt bepleit, daarbij in een vroegtijdig stadium een rol krijgt, ook om de samenleving te laten zien hoe ongelooflijk serieus je dit neemt.

Staatssecretaris Van Rijn: Onderdeel van de nieuwe aanpak is dat we met maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven gaan bekijken hoe we beter kunnen samenwerken, en we gaan ook nog eens kijken wat dat betekent voor school, werk, buurt en gemeente. Er zijn heel veel verschillende doelgroepen op heel veel verschillende terreinen. Misschien hebben we niet één ambassadeur nodig, maar verschillende soorten ambassadeurs, als dat werkt. Ik zou graag dit idee nog even willen vasthouden en nog niet willen besluiten tot het benoemen van één ambassadeur, die zegt hoe belangrijk het is. We vinden het met z'n allen belangrijk. Daar komt een plan voor, en vervolgens moeten we kijken welke interventies nodig zijn. Maar nogmaals: we hebben heel veel verschillende doelgroepen, dus ik zou het echt te vroeg vinden om te zeggen dat één ambassadeur gaat werken.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Ik wil even terugkomen op de JOGG-gemeenten. Ik ben heel blij dat de Staatssecretaris de ambitie van 408 JOGG-gemeenten onderschrijft; dat zou fantastisch zijn. Wat kan hij concreet doen om bedrijven te binden aan JOGG?

Staatssecretaris Van Rijn: Ik zet me er persoonlijk voor in om de kennis en kunde die we opdoen in de 25 gemeenten die nu meedoen, wordt verspreid over alle gemeenten. We organiseren in dat kader congressen, die heel goed bezocht worden. Het team dat hiermee bezig is, zorgt er niet alleen voor dat de ideeën per gemeente worden versterkt, maar zorgt er ook voor dat kennis en kunde op dat punt worden verspreid. Daar gaan we krachtig mee door. Ik denk dat dat een goede aanpak is.

Mevrouw Bruins Slot vroeg hoe het staat met het zwangerschapslogo. De sector heeft aangegeven hier positief tegenover te staan. In juni zal de sector op ons verzoek rapport uitbrengen. Dat rapport wachten we met spanning af.

Mevrouw Bruins Slot vroeg of er geen laatste waarschuwing – ik parafraseer haar even – moet worden uitgedeeld voor reclame bedoeld voor kinderen. Moet regelgeving worden overwogen? Ook ik ben voorstander van zelfregulering, maar met haar ben ik kritisch of dat goed gaat. Zelfregulering vraagt om stappen, maar die hebben nog onvoldoende effect. Dit jaar zal de industrie wat mij betreft moeten afspreken dat er geen reclame meer wordt gemaakt voor de doelgroep van 7 tot 12 jaar, tenzij de producten voldoen aan de voedingskundige criteria. Ik verwacht overigens dat dit signaal voldoende zal zijn om een en ander te realiseren.

Mevrouw Wolbert vroeg of er voldoende mogelijkheden zijn voor de JOGG-aanpak. Ik wijs erop dat in het Lenteakkoord middelen zijn uitgetrokken voor verbreding van de JOGG-aanpak. Ik krijg signalen dat er voldoende middelen zijn om dit verder uit te rollen. Ik denk dat we nu in de fase zitten waarin gebruik wordt gemaakt van de resultaten die in de JOGG-gemeenten al zijn bereikt en die kennis en kunde te verspreiden over de andere gemeenten, zodat die kunnen worden opgepakt. Ik heb goede hoop dat daarmee een versnelling optreedt in de uitbreiding van de JOGG-aanpak naar andere gemeenten. Vandaar mijn ambitie.

De Long Alliantie Nederland is heel voortvarend en betrokken bezig om ervoor te zorgen dat dit onderwerp breder op de agenda komt te staan. Er ligt een verzoek van de Long Alliantie Nederland voor extra middelen in de orde van grootte van € 100.000 per jaar, voor een periode van vijf jaar. Ik zal eens kijken of daar mogelijkheden voor zijn; ik sta er op zich welwillend tegenover.

Verder is gevraagd of ik nog andere instrumenten overweeg om het roken te ontmoedigen. Het antwoord is: voortdurend. Maar ik wil wel een balans zoeken tussen de maatregelen die op stapel staan en de handhaving die we daarvoor moeten plegen, alvorens we nog weer nieuwe maatregelen erbij gaan verzinnen. Maar wees ervan overtuigd dat het mij gaat om het bereiken van de gestelde doelen. We hebben nu een aantal stappen gezet die geïmplementeerd moeten worden, waarbij we afhankelijk van het bereiken van het doel voortdurend moeten kijken of het beleid moet worden bijgesteld, of dat de zaken moeten worden aangescherpt. We zullen daar de komende periode uitgebreid over komen te spreken.

Mevrouw Voortman stelde een aantal vragen over groene schoolpleinen. Nog dit jaar zal ik inzetten op een stimuleringsregeling voor scholen om aanspraak te maken op financiering ter verwezenlijking van gezondere schoolpleinen. Dat komt uit het Lenteakkoord. Ik ben het met haar eens dat scholen groener, beweegvriendelijker maar ook, zeg ik erbij, rookvrij moeten zijn. De uitwerking van die regeling vindt momenteel plaats; ze zal deel uitmaken van het NPP.

Over 100% gezonde schoolkantines in 2015: de ontwikkelingen zijn positief. Op 400 scholen wordt gewerkt aan het Gezonde Schoolkantine Programma. 2015 is overigens wel dichtbij. Ik verwacht dat het aantal deelnemende scholen in 2013 groeit naar 750 locaties. Via het Handvest «Gezonder voedingsaanbod op scholen» committeren ook voedingsproducenten en cateraars zich hieraan. Inmiddels wordt 90% van de cateraars in het voortgezet onderwijs gedekt. We zijn substantiële stappen aan het zetten. We zullen de verdere activiteiten opnemen in het NPP.

De heer Rutte wees op mijn toezegging om het belang van het combineren van werk en mantelzorg onder de aandacht te brengen. De overheid als werkgever heeft hierbij een voorbeeldfunctie. In navolging van wat hierover staat in het sociaal akkoord moeten we echt met werkgevers en werknemers aan de slag om te zorgen dat werk en mantelzorg hoog op de agenda komen. Overigens blijf ik met VNO-NCW in gesprek over wat werkgevers op dit punt kunnen betekenen.

Ik heb al gewezen op het toenemende aantal watertaps in gemeenten. Misschien kan daar tijdens de Vierdaagse gebruik van worden gemaakt, zeg ik tegen mevrouw Dik-Faber.

Het extra contactmoment, waarnaar mevrouw Leijten vroeg, komt in het basistakenpakket van de GGD'en op het gebied van de jeugdgezondheidszorg te staan.

De voorzitter: Er is nog tijd voor een korte tweede termijn, te beginnen met mevrouw Leijten, die zo deze vergadering moet verlaten.

Mevrouw Leijten (SP): Voorzitter. Ik vind het heel jammer dat ik geen antwoord heb gekregen op mijn vraag over het subsidiëren van evenementen door firma's die aanzetten tot een positief gevoel over slechte producten. Verder vind ik het jammer dat er niet is ingegaan op de motie-Zijlstra over drie uur sporten op school. Voor het verkleinen van de sociaaleconomische gezondheidsverschillen zijn een regierol en ambitie bij de overheid noodzakelijk. Daar is echter niet op ingegaan: het gaat om zelfregulering en er moeten afspraken worden gemaakt. Natuurlijk is dat goed, maar uiteindelijk moet je wel durven zeggen: wij zijn hier de baas en wij stellen hier de normen. Wij vinden het onaanvaardbaar dat mensen met een laag inkomen zeven jaar eerder dood gaan en zich twintig jaar eerder ongezond voelen. Ik had verwacht dat het kabinet hiertegen een offensief zou starten en ik vind het jammer dat dit er niet komt. Ik zal de uitwerking van het plan hier zeker op beoordelen. Ik laat het aanvragen van een VAO over aan de andere partijen, maar ik zal zeker een motie indienen.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66): Voorzitter. Ik ben blij te horen dat het kabinet het initiatief van D66 en het CDA voor een preventieplan zo omarmt en er zijn best voor wil doen er iets van te maken. Goed dat er een toezegging is dat er wel een focus komt en dat er ambitie is, die hier overigens nog niet in staan. Maar tegelijkertijd ben ik ook teleurgesteld. Afgelopen vrijdag hebben we met alle betrokken partijen gesproken, en ik kreeg daar ongelooflijk veel energie van. Maar van dit overleg word ik alleen maar moe. Hoe komt dat? We zijn kennelijk niet in staat om die energie en die ambitie te vertalen in concrete zaken. De bewindslieden zeggen dat ze met heel veel zaken bezig zijn, maar ik zou veel liever nu al inzetten op een heel duidelijke focus, waarover ik graag nog iets hoor van de bewindslieden. Ik hoor niets over afrekenbare doelen. Dan wordt gezegd: ja, dan moet je ze ook halen. Ja, maar dat is natuurlijk precies wat je wilt. Je stelt een doel dat je wilt halen. Als dat niet lukt, dan is dat jammer, maar dan heb je wel een heel goede inspanning verricht, die je ook kunt meten. Dat is voor mij belangrijk. Ik wil een VAO aanvragen.

Mevrouw Bruins Slot: Voorzitter. Ik heb vroeger altijd geleerd dat je zoet en zuur hebt. Het zoet is dat er op voorstel van D66 en CDA een aanzet ligt voor een NPP en dat de bewindslieden ervoor gaan zorgen dat er een structurele borging komt. Ik deel de mening van mijn collega van D66 dat die ambitie nog onvoldoende doorklinkt in de woorden van de bewindslieden. De energie die zeker in het veld aanwezig is, moet worden verzilverd. Dit is een unieke kans voor de bewindslieden om spreekwoordelijk over hun eigen graf heen te regeren.

Ik wil niet in een fittie met de Staatssecretaris terechtkomen over het geld dat beschikbaar is voor dit plan. Ik zal nog eens aangeven waarom de structurele meevaller van 18 miljoen op de kaakchirurgie hiervoor moet worden ingezet. We moeten overgaan van een heleboel goede initiatieven naar structurele borging van dit beleid. Daarvoor heb je synergie en samenwerking nodig, niet alleen tussen departementen, maar ook met het veld. Er is geld nodig om dat goed te organiseren en om andere partijen uit te nodigen daar geld bij te leggen. Daarvoor is dat startkapitaal, dat springplankgeld bedoeld. Ik geef dat nogmaals in overweging aan de beide bewindspersonen. Ik zal hierover een motie indienen.

Mevrouw Wolbert (PvdA): Voorzitter. Wat gehoorschade betreft, geef ik de Staatssecretaris mee om niet opnieuw naar convenanten te kijken. De Nationale Hoorstichting geeft aan dat die de afgelopen acht jaar te weinig hebben opgeleverd. Dus even een tandje bijzetten. Ik geef de Staatssecretaris mee eens te kijken naar de mogelijkheden in het vergunningenbeleid van de gemeenten. Dan zal hij wel normen moeten stellen, zodat de gemeenten weten waar ze aan moeten voldoen. Dat lijkt me de kortste klap.

In tegenstelling tot de SP heb ik de bewindslieden wel horen zeggen dat er een aparte paragraaf komt over de sociaaleconomische gezondheidsverschillen. Daar ben ik ontzettend blij mee. In het najaar gaan we bekijken of de onderliggende ambitie scherp genoeg is. Dank.

Dank voor de woorden over de Long Alliantie Nederland. Uit de hoorzitting kwam naar voren dat beperking van het aantal verkooppunten goed zou zijn. Dat maakt de handhaving makkelijker.

Ik heb begrepen dat er een financiële paragraaf in het NPP komt. Daar ben ik blij mee. Wel ga ik ervan uit dat het daarbij gaat om het onderdeel leefstijl. Ik geef de bewindslieden mee daarbij de maatschappelijke organisaties te betrekken, en daarbij vooral de zorgverzekeraars niet te vergeten.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. De Minister geeft aan dat bij haar niets bekend is van problemen met medische tolken. Ik heb zelf gewezen op de problemen die de KNMG en Pharos hebben genoemd: er wordt eerder doorverwezen en er wordt misschien ook langer behandeld voordat de problemen duidelijk zijn. Op 26 april heeft Staatssecretaris Teeven de Kamer laten weten dat huisartsen bij hem hebben aangegeven dat er een probleem is dat per 1 januari de inschakeling van tolken niet meer wordt vergoed. Er zijn dus wel degelijk verschillende signalen. Ik overweeg om hierover een motie in te dienen en ik neem aan dat die motie zal worden gesteund door de fracties die dat eerder ook hebben gedaan.

Ons voorstel om de MKBA een grotere rol in het geheel te geven, vloeit voort uit een aanbeveling op dat punt van het RIVM. Kan de Minister daarop, eventueel schriftelijk, reageren?

Ten slotte vraag ik om een reactie op het onderzoek van KPMG in opdracht van EZ over groen in de steden. 10% meer groen leidt tot een besparing van 400 miljoen.

De heer Rutte (VVD): Voorzitter. De VVD is erg tevreden met de voorliggende agenda voor een NPP. Er is ruim voldoende ambitie. Juist het zoeken naar samenwerking met alle betrokken is wat moet gebeuren. Heel gelukkig ben ik met de toezegging van de Minister om te gaan praten met het Kennisplatform over zout, suiker en vet, en de verbinding met de innovatiekansen voor het bedrijfsleven. Ik ben heel blij dat het kabinet erkent dat werken en leren essentieel zijn als het gaat om de sociaaleconomische gezondheidsverschillen. Ik krijg dat graag nog eens bevestigd door de Staatssecretaris.

Wat tabak betreft, steun ik de Staatssecretaris om eerst maar eens te doen wat hij zich heeft voorgenomen. Dat is al spannend genoeg. We moeten niet over elkaar heen rollen in het bedenken van nieuwe maatregelen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor de toezegging dat ze ervoor gaan zorgen dat JOGG wordt uitgerold naar, wie weet, alle 408 gemeenten. Verder dank ik de bewindslieden voor de toezeggingen op het gebied van de strijd tegen gehoorschade. Over borstvoeding heeft de Minister gezegd dat dat veel aandacht krijgt van haar Ministerie. Ik vraag daarom nogmaals of het niet belangrijk is om dat punt op te nemen in het NPP. Over het gehalte zout, vet en suiker in voeding heb ik ontzettend veel vragen gesteld – wat zijn de doelstellingen, wanneer krijgen we duidelijkheid, hoe lopen de onderzoeken – maar daar is niet op ingegaan. De Minister ziet op dit punt wel een verhoogde inspanning van bedrijven, en er gaat een platform van start. Prima, maar het is te weinig en niet snel genoeg. We moeten nu stappen gaan zetten in de richting van wetgeving. De rol van de zorgverzekeraars op het gebied van preventie wordt onvoldoende gestimuleerd. Ik verwijs naar mijn motie over preventiekostengroepen. Die motie is destijds afgewezen. Hoe kijkt de Minister daar nu naar?

Mevrouw Ouwehand (Partij voor de Dieren): Voorzitter. Ik herhaal mijn oproep aan de bewindslieden om werk te maken van echte vrijheid: de vrijheid om een gezond leven te leiden zonder dat de markt carte blanche krijgt om aan alle knoppen te draaien die ze met behulp van veel geld en slimme technieken hebben weten te vinden. Daardoor kunnen mensen onmogelijk in vrijheid kiezen voor een gezonde leefwijze. Ik spreek met name de Minister daarop aan.

Ik heb een aantal vragen gesteld over groen in de woonomgeving, waarbij ik vooral benieuwd ben naar de stand van zaken. Het gaat niet alleen om groene schoolpleinen, maar ook om speelnatuur in de omgeving van woongebieden, en om groen in de steden in zijn algemeenheid. Ik hoor graag de stand van zaken. Werkt de Staatssecretaris met pilots en volgt hij de effecten daarvan? Er zijn verontrustende geluiden. Om de gaten op hun begrotingen te dichten, verkopen gemeenten nu zelfs snippergroen. Als we alleen maar gaan stimuleren en de ogen sluiten voor die effecten, dan schieten we nog niets op. Ik wil graag dat de Staatssecretaris daar bovenop zit, pilots laat uitvoeren en ons daarover informeert, zodat die groene leefomgeving wel wordt gerealiseerd.

Minister Schippers: Voorzitter. In reactie op de vraag van mevrouw Leijten over subsidie voor bedrijven die evenementen organiseren waar hun ongezonde producten worden gepromoot: dat heet pps. Wij vragen juist aan bedrijven om mee te helpen bij het keren van ongewenste ontwikkelingen. Als ze daar dan in meehelpen, dan kun je zeggen: ze verkopen zelf ongezonde producten. Maar ja, dat is nou juist wat we ze gevraagd hebben.

Over de drie uur sport op school ben ik in overleg met het Ministerie van Onderwijs; ik kom daarop terug.

Op ambities en normen zal in de november-brief worden ingegaan. Mevrouw Dijkstra toont zich wat teleurgesteld, want ze mist de concretisering in doelen. Dat is nou precies het dilemma: of je stuurt een plan dat al helemaal af is, en dan hoop je dat de Kamer daarmee tevreden is, of je doet dat in een vroeg stadium, maar dan heeft dat plan natuurlijk nog allerlei witte vlekken. We hebben gekozen voor het laatste, juist omdat het initiatief van de Kamer, te weten van de fracties van D66 en CDA, kwam. Ik ben het met mevrouw Dijkstra eens dat dit een half product is, maar dat is de consequentie van de gekozen methode: het vroeg informeren van de Kamer.

Tegen mevrouw Bruins Slot: ik ben heel benieuwd hoe die 18 miljoen euro wordt gedekt. Dat bedrag heb ik namelijk zoals gezegd niet liggen. Het wordt gebruikt om andere tegenvallers te dekken. Er komt een financiële paragraaf bij het NPP. Ik wil er wel op wijzen dat we al enorme bedragen uitgeven aan preventie. 97 miljoen voor gezondheidsbescherming, waaronder crisisbeheersing NVWA, 450 miljoen ziektepreventie, waaronder bevolkingsonderzoek, jeugdgezondheidszorg en rijksvaccinatieprogramma, 52 miljoen gezondheidsbevordering, waaronder JOGG, letselpreventie en tegengaan gebruik van schadelijke middelen, 86 miljoen voor passend sport- en beweegaanbod, waaronder buurtsportcoaches, veiligheid en sportklimaat, 52 miljoen ondersteuningsprogramma's. Enfin, er wordt al veel geïnvesteerd in preventie. Natuurlijk buigen we dat zo mogelijk om richting het NPP.

De sociaaleconomische gezondheidsverschillen zullen een prominente plaats krijgen in het NPP.

In antwoord op de vraag of we maatschappelijke organisaties betrekken bij een en ander: op onderdelen zit dat er al in. De buurtsportcoach is een financieel gedeelde actie. Overal waar dat kan zullen we aangeven wat we daarvan verwachten en wat onze inzet is.

Staatssecretaris Teeven kan een opmerking maken over tolken en gedetineerden, maar daar moet wel bij vermeld worden dat de tolken daar nog steeds worden vergoed. Misschien moet hij de regeling nog eens nalezen. De informatie die ik begin deze week daarover heb gegeven, heb ik op verzoek van de Kamer gevraagd bij de instellingen die dit voor mij volgen.

Ik zal, zoals mevrouw Voortman heeft gevraagd, schriftelijk reageren op het advies van het RIVM.

In reactie op mevrouw Dik-Faber: de eerste resultaten van het onderzoek in de horeca komen na de zomer. Daarna volgen er seriegewijs aanvullende resultaten, omdat er steeds nieuwe partijen bijkomen. Er zijn allerlei acties, zoals het aanbrengen van een logo op producten, maar ook Zoutwatminderkunnen, een website van Horeca Nederland.

De rol van de zorgverzekeraars bij de preventie is zo belangrijk dat ze zelfs in het regeerakkoord worden genoemd. Dat wordt in het NPP meegenomen.

De normering en de meting komen aan de orde bij de oprichting van het platform. Ik zal de Kamer tegen die tijd nader informeren over de gemaakte afspraken.

Tegen mevrouw Ouwehand: vrijheid is een belangrijke motivatie voor mijn politiek handelen. Daar hoort verantwoordelijkheid overigens ook bij.

Staatssecretaris Van Rijn: Voorzitter. Ook ik heb gemerkt dat er in het veld op preventiegebied enorm veel ambitie is, die we moeten verzilveren in het NPP. Laten we elkaar geen vermoeidheid aanpraten. Dat verzilveren is mogelijk, doordat we goede prioriteiten hebben en doordat we gaan samenwerken en verbinden. Waar nodig versterken we bestaand beleid, waarbij ik het voorbeeld van de GGD'en heb genoemd. Die ambitie in het veld zal worden gespiegeld in onze ambitie met het NPP.

Mevrouw Wolbert vroeg in het kader van de bestrijding van gehoorschade of ik de gedachten ten aanzien van het vergunningenbeleid bij gemeenten wil meenemen. Dat wil ik graag doen. Zij wees ook nog op andere instrumenten ten aanzien van het rookbeleid. Misschien zit ik enigszins tussen mevrouw Wolbert en de heer Rutte in. De eerste zei dat we nog andere dingen kunnen doen, de tweede vindt dat we nu eerst moeten uitvoeren wat is afgesproken. Het doel is: minder roken. We hebben nu een aantal instrumenten op de rol staan die we moeten invoeren. Natuurlijk houden we de instrumentenkist op orde. De komende periode zullen we regelmatig met elkaar spreken over de vraag of het doel wordt bereikt met de goede instrumenten. Als daarvoor bijstelling nodig is, gaan we dat uiteraard doen.

Groen in de wijk: we zitten daar samen met EZ bovenop. Er zijn wat onderzoeken gedaan. De gemaakte rekensom is interessant. In het NPP zal uitdrukkelijk aandacht worden besteed aan groen in de steden.

Mag ik concluderen dat we met steun in de rug over ons graf heen regeren? Als we daarmee een volgende fase in het preventiebeleid kunnen bewerkstelligen, zijn we met z'n allen heel tevreden.

De voorzitter: Er zal een VAO worden aangevraagd, met als eerste spreker mevrouw Dijkstra.

Sluiting: 13.00 uur.

Volledige Agenda:

1. Reactie op het advies van de Gezondheidsraad «Voor dik en dun»

Kamerstuk 31899-18 – Brief regering d.d. 10-03-2011

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

2. Adviesvraag kwaliteit van health checks

Kamerstuk 32793-57 – Brief regering d.d. 19-06-2012

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

3. Inspectierapport «Spreekuren seksuele gezondheid verantwoord uitgevoerd door de GGD, maar op onderdelen is verbetering nodig»

Kamerstuk 29220-18 – Brief regering d.d. 15-05-2012

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

4. Papegaaienziekte (psittacose)

Kamerstuk 22894-298 – Brief regering d.d. 04-05-2011

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

5. Gezondheidsraadadvies Vitamine D

Kamerstuk 32793-64 – Brief regering d.d. 25-10-2012

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers (VVD)

6. Rapport «Preventieve gezondheidszorg voor ouderen, een inventarisatie van de implementatie van artikel 5a door gemeenten»

Kamerstuk 32793-62 – Brief regering d.d. 08-10-2012

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers (VVD)

7. Aanbieding IGZ-rapport Staat van de Gezondheidszorg 2012 Preventie in de curatieve en langdurige zorg: noodzaak voor kwetsbare groepen.

Kamerstuk 33400-XVI-22 – Brief regering d.d. 29-11-2012

8. Leeftijdsgrens voor de verstrekking van tabak

Kamerstuk 32011-20 – Brief regering d.d. 23-11-2012

Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

9. Voortgang verlaging zout en verzadigd vet in levensmiddelen

Kamerstuk 31532-95 – Brief regering d.d. 18-02-2013

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

10. Voortgang Convenant Gezond Gewicht 2012 en reactie op de motie van het lid Vendrik over gezonde schoolkantines en van het lid Wiegman-van Meppelen Scheppink c.s. over de EPODE-aanpak

Kamerstuk 31899-22 – Brief regering d.d. 18-03-2013

Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

11. Agenda voor een Nationaal Programma Preventie

Kamerstuk 32793-70 – Brief regering d.d. 12-04-2013

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

12. Beleidsdoorlichting letselpreventie 2008–2012

Kamerstuk 32772-2 – Brief regering d.d. 14-05-2013

Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

13. Stand van zaken in de voorbereiding op het bevolkingsonderzoek naar darmkanker

Kamerstuk 32793-71 – Brief regering d.d. 26-04-2013

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

14. Voorlichting op school over middelengebruik: meer ouderbetrokkenheid en -voorlichting op maat

Kamerstuk 33400-VIII-137 – Brief regering d.d. 18-04-2013

Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn