Kamerstuk 32793-455

Verslag van een algemeen overleg

Suïcidepreventie

Gepubliceerd: 20 november 2019
Indiener(s): Post , Helma Lodders (VVD)
Onderwerpen: organisatie en beleid zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32793-455.html
ID: 32793-455

Nr. 455 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 november 2019

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 17 oktober 2019 overleg gevoerd met de heer Blokhuis, Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, over:

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 15 juni 2017 inzake jaarrapportage vermindering suïcidaliteit en voortgang Landelijke agenda suïcidepreventie (Kamerstuk 32 793, nr. 270);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 13 oktober 2017 inzake rapportage van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting naar de geconstateerde praktijkvariatie tussen ggz-instellingen met betrekking tot het (individueel) melden van suïcide(pogingen) (Kamerstuk 25 424, nr. 376);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 17 juli 2018 inzake jaarlijkse rapportage vermindering suïcidaliteit en voortgang Landelijke agenda suïcidepreventie (Kamerstuk 32 793, nr. 323);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 september 2018 inzake maatregelen stoffen bij suïcide (Kamerstuk 32 793, nr. 325);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 24 september 2018 inzake eerste duiding toename suïcides onder jongeren (Kamerstuk 32 793, nr. 328);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 21 december 2018 inzake tussenrapportage suïcides onder jongeren (Kamerstuk 32 793, nr. 342);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 16 mei 2019 inzake voortgang Depressiepreventie (Kamerstuk 32 793, nr. 387);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 25 juni 2019 inzake jaarlijkse rapportage inzake vermindering suïcidaliteit en voortgang Landelijke agenda suïcidepreventie (Kamerstuk 32 793, nr. 394);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 26 juni 2019 inzake code «signalering risico's op suïcide met behulp van chemische stoffen» (Kamerstuk 32 793, nr. 396);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 juli 2019 inzake vervolgbrief voortgang Landelijke agenda suïcidepreventie (Kamerstuk 32 793, nr. 405);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 14 oktober 2019 inzake voortgangsrapportage Onderzoek suïcides en jeugd (Kamerstuk 32 793, nr. 451);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 16 oktober 2019 inzake standpunt telefoonnummer 1-1-3 (Kamerstuk 32 793, nr. 452).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De griffier van de commissie, Post

Voorzitter: Van der Staaij

Griffier: Clemens

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Agema, Diertens, Hijink, Van Kooten-Arissen, Kuik, Kuiken, Renkema, Van der Staaij, Voordewind en Wörsdörfer,

en de heer Blokhuis, Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Aanvang 10.03 uur.

De voorzitter:

Dames en heren, de Staatssecretaris is wat vertraagd, doordat hij vastzit in het verkeer. Dus we verplaatsen het begintijdstip van dit AO en hopen om 10.20 uur te beginnen.

De vergadering wordt van 10.03 uur tot 10.21 uur geschorst.

De voorzitter:

Dames en heren. Hierbij open ik het algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport met de Staatssecretaris van Volksgezondheid over suïcidepreventie. We zijn met een flink aantal woordvoerders en we hebben maar beperkt tijd. Omdat we wat later beginnen, kunnen we ook iets langer doorgaan. Althans, de meeste leden kunnen langer doorgaan, evenals de Staatssecretaris; een aantal leden zal wel op de afgesproken tijd van 12.00 uur de zaal moeten verlaten. We zullen dus om 12.20 uur afsluiten. Het feit dat we kort de tijd en veel woordvoerders hebben, betekent dat we in de eerste termijn met de leden één interruptie hebben afgesproken en twee interrupties met de Staatssecretaris in zijn eerste termijn. De spreektijd is drie minuten.

Voor alle mensen die meeluisteren zeg ik er gelijk bij dat dit eigenlijk te kort is om recht te doen aan alle emoties die bij dit onderwerp aan de orde zijn. Daarmee hoop ik dat er ook begrip zal zijn als, gelet op de korte spreektijden, het overleg misschien een wat zakelijker karakter krijgt dan eigenlijk bij het onderwerp zou passen. Daar voelen we ons allemaal wat ongemakkelijk bij, maar we hebben het nu eenmaal te doen met deze tijd.

Dan geef ik nu als eerste het woord aan de heer Voordewind van de ChristenUnie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Het is goed dat we dit punt als Kamer bespreken en het apart uit de ggz-discussie lichten. Daar is alle aanleiding toe: doodsoorzaak nummer één onder de 35 jaar is suïcide. Er zijn 1.829 suïcides per jaar. Als je het even snel uitrekent, zijn dat er dus drie per dag.

Voorzitter. Ik wil beginnen met een eerbetoon aan Jan Mokkenstorm, die de drijvende kracht achter 113Online is geweest. De Staatssecretaris heeft hem een paar keer gesproken. We moesten helaas 8 juli afscheid van hem nemen. De Staatssecretaris mocht bij zijn begrafenis zijn. Ik heb zeer veel waardering voor al het werk. Voor de mensen die hem niet kennen: ik heb hier zijn overlijdenskaart. Die laat ik toch nog maar even zien. Veel dank voor al het werk dat hij gedurende dertien tot veertien jaar heeft gedaan voor 113. Dat geldt natuurlijk ook voor alle medewerkers van 113.

Voorzitter. Ik ga naar het onderwerp zelf. Ik begin maar met het trieste nieuws dat we vanmorgen hebben moeten horen: dat er toch weer iemand is overleden die geprobeerd heeft 113 te bellen. Ik heb het zelf net ook nog even gedaan en je krijgt inderdaad een bandje met «deze lijn is niet beschikbaar». We hebben eerder een soortgelijk geval in Groningen gehad. Ik dank de Staatssecretaris voor zijn brief van vanmorgen, waarin hij in ieder geval adequaat reageert op dit nieuws. Maar wat kunnen we nu doen om snel, vandaag of morgen, met de providers een bandje achter dat nummer te krijgen dat verwijst naar het goede telefoonnummer, namelijk 0900–0113? Ik vraag de Staatssecretaris daar geen weken de tijd voor te nemen. Ik hoop echt dat het in een of twee dagen zal kunnen. Ik heb misschien nog een suggestie. Is het mogelijk om, totdat we voor het eind van het jaar hopelijk dat 113-nummer bereikbaar hebben, een doorverbinding naar het goede nummer 0900–0113 te maken? Is dat misschien technisch mogelijk?

Voorzitter. De Staatssecretaris zegt dat hij ons aan het eind van het jaar weer een update gaat geven, maar ik wil hem toch echt vragen om een inzetverplichting aan te gaan om het voor het einde van het jaar voor elkaar te krijgen. Ik weet dat hij zelf zeer gedreven is en ik weet ook dat er technische problemen zijn, maar ik wil hem graag vragen om een inspanningsverplichting om dat te doen. Tot zover met betrekking tot het telefoonnummer.

Voorzitter. We hebben dinsdag een petitie ontvangen van de Ivonne van de Ven Stichting. Dank daarvoor. Er staan bijna 9.000 namen onder. Wetenschappers, artsen, verpleegkundigen en psychiaters hebben de petitie ondertekend om suïcidepreventie in het curriculum van de opleidingen te krijgen. Wat kan de Staatssecretaris daaraan doen? Wil hij met de beroepsgroepen kijken hoe dit punt met voorrang opgepakt kan worden, zodat mensen deze informatie al in de opleiding meekrijgen?

Voorzitter. Dan de ziekenhuizen. Het onderzoek naar de spoedeisende hulp hebben we gekregen. Welke lessons learned kunnen we hier nu uit halen? Nog niet alle ziekenhuizen worden bereikt. Hoe kunnen we meer ziekenhuizen laten meedoen? De huisartsen volgen de gatekeepertraining. Hoeveel huisartsen hebben deze inmiddels gevolgd? Ik lees dat het er nog maar tientallen zijn. Hoeveel e-learnings over suïcidepreventie zijn er al gevolgd?

Voorzitter. Misschien nog één ding over de handreiking voor de media en de tien tips die zijn gegeven. Ik strijd er al jarenlang voor om die in de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek te krijgen. Wil de Staatssecretaris toch nog eens met de Raad voor de Journalistiek praten, om een en ander in de Leidraad zelf te krijgen? Want we weten dat uit de manier van berichtgeving herhalingen kunnen voortkomen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Voordewind. Dan is het woord aan mevrouw Diertens van de D66-fractie.

Mevrouw Diertens (D66):

Dank u wel, voorzitter. Na het familiedrama in Winschoten hebben meerdere Kamerleden, onder wie ikzelf, vragen gesteld over beschikbaarheid van nummer 113 voor zelfmoordpreventie. Nu is het nummer 0900–0113; mijn collega noemde het al. Ik wil graag mijn medeleven uitspreken met de familie, vrienden en andere betrokkenen. Ik ben blij dat de Staatssecretaris voortvarend te werk gaat in zijn doelstelling om 113 beschikbaar te stellen, waarbij secuur omgegaan wordt met mogelijke verwarring met het nummer 112. Graag worden wij op de hoogte gehouden van verdere vorderingen. D66 hecht hier erg veel belang aan.

Er zijn groepen waarbij suïcide relatief vaker voorkomt. Dat is onder andere het geval bij mensen met schulden of een uitkering, bij scholieren en bij lhbti-jongeren. De Minister zet in op preventie in de sociaaleconomische sector door het trainen van gatekeepers bij drie deurwaarderskantoren en het UWV. De gemeente Amsterdam laat zien dat de preventie beter kan door meer betrokken partijen te activeren. Maar ook op middelbare scholen kan het beter. Uit eigen ervaring weet ik dat jongeren die een vriend, vriendin of medescholier verliezen, achterblijven met het gevoel van «hadden wij dan niets kunnen doen?» Jawel, jongeren kunnen wel iets doen. Door suïcide bespreekbaar te maken, kunnen we deze nieuwe generatie bewustmaken van de problemen met suïcide en depressie, waardoor er meer suïcides kunnen worden voorkomen.

Voorzitter. Het is mogelijk meer scholen en organisaties in de sociaaleconomische sector te motiveren voor gatekeepertrainingen. Ik wil de Minister vragen of hij zich daarvoor hard wil maken. Ook wil ik de Minister, of beter gezegd de Staatssecretaris – dank voor de correctie – vragen om tijdens de regeerperiode open te blijven staan voor de input en aanbevelingen voor de landelijke agenda en hiertoe in gesprek te gaan met de specialisten in het veld, zoals 113 Zelfmoordpreventie.

Voorzitter. Hulp na een suïcidepoging staat in Nederland nog in de kinderschoenen, terwijl nazorg essentieel is voor het voorkomen van nieuwe pogingen tot suïcide, die wel een dodelijke afloop kunnen hebben. Het Haagse programma SuNa, Suïcidepoging Nazorg, is een mooi voorbeeld van hoe het wel kan. Na een opname worden betrokkenen begeleid, wordt zorg verleend waar nodig en wordt erop toegezien dat mensen waar nodig binnen de zorg blijven. Helaas zie ik nog geen aansturing op het verbeteren van de nazorg op landelijk niveau. Ik wil de Staatssecretaris dan ook vragen hoe hij ervoor wil zorgen dat mensen die een suïcidepoging hebben gedaan, zorg krijgen en binnen de zorg blijven als dat nodig is.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Diertens. Dan is nu het woord aan de heer Renkema van de GroenLinksfractie.

De heer Renkema (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. We spreken vandaag inderdaad over een beladen en emotioneel onderwerp. Het is ook een thema waarover in het algemeen niet gemakkelijk wordt gesproken. De voorzitter zei dat we er hier misschien wat zakelijk mee zullen omgaan, maar ik wilde toch starten met een persoonlijk verhaal. Het afgelopen jaar hebben in mijn omgeving twee mensen een einde aan hun leven gemaakt. Ik was bij de uitvaart van een jonge vrouw van 23 jaar, die het leven niet meer aankon en zonder dat iemand het zag aankomen zichzelf van het leven beroofde. Een vrouw met een partner, een baan en een huis. Het andere geval in mijn kennissenkring was een vrouw van mijn leeftijd. Ze stond op de wachtlijst voor zeer gespecialiseerde zorg, maar ze kon de pijn niet meer aan. Zij pleegde suïcide ín de ggz, even nadat ze van een HIC-afdeling – dat betekent «high intensive care» – naar een afdeling met minder toezicht ging. In beide gevallen was er bij de nabestaanden ongeloof en ontreddering. Er is peilloos verdriet, maar vooral ook de vraag: had dit anders kunnen gaan, hadden we dit kunnen voorkomen? Die vraag leidt opnieuw tot twijfels en schuldgevoelens bij mensen.

Wat mij betreft verdient de Staatssecretaris complimenten voor de campagne om depressies bespreekbaar te maken en zeker ook voor – en dat is in dit geval relevant – de campagne rond de seksuele geaardheid van jongeren. Maar bewustwording is niet genoeg. Als de ambitie is dat we het aantal suïcides drastisch willen terugbrengen, dan moeten we ervoor zorgen dat onze geestelijke gezondheidszorg bereikbaar is voor iedereen die hulp nodig heeft. Wat mij betreft zijn er twee zaken noodzakelijk. Allereerst moeten er meer ggz-psychologen worden opgeleid om de wachtlijsten te doen krimpen. Bovendien moet er meer aandacht voor suïcide en depressie komen in de opleidingen van alle zorgprofessionals.

Het eerste punt. Op dit moment wachten bijna 40.000 patiënten op gespecialiseerde ggz. Het is geen uitzondering dat mensen twintig weken moeten wachten op hun behandeling. Ze hebben dringend hulp nodig van een psycholoog of psychiater, maar krijgen de boodschap dat ze nog weken of soms maanden moeten wachten. En hoe complexer het probleem, hoe langer de wachttijd. Ik heb nergens cijfers kunnen vinden van hoeveel mensen zich in die periode van het leven beroven, maar ik ben bang voor het antwoord. Daarom vraag ik de Staatssecretaris of hij het met mij eens is dat het opleiden van meer ggz-psychologen een prioriteit is. Wil hij daarvoor formeel de middelen beschikbaar stellen?

Dan het tweede punt, de opleidingen. Suïcidepreventie zou een structureel onderdeel moeten zijn van de opleiding van alle zorgprofessionals. Dat geldt voor psychiaters en psychologen, maar ook voor andere hulpverleners in andere zorginstellingen, zoals ziekenhuizen en de eerste lijn. En wat mij betreft geldt dat overigens ook voor het onderwijs. Het belang van het beter opleiden van hulpverleners blijkt ook uit wetenschappelijk onderzoek. Is de Staatssecretaris het met mij eens dat de onderwijsinstellingen hier kansen laten liggen? Zo ja, hoe denkt hij de aandacht voor depressie en suïcide te kunnen verbeteren binnen de opleidingen?

Tot slot. We hebben de brief pas gisteravond heel laat gekregen, maar wat betreft de vragen rondom 113 sluit ik me aan bij de vragen die de heer Voordewind van de ChristenUnie zojuist heeft gesteld.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Renkema. Dan is nu het woord aan de heer Hijink van de SP-fractie.

De heer Hijink (SP):

Dank, voorzitter. Ik denk niet dat ik beter dan de heer Renkema met zijn persoonlijke inleiding kan benadrukken hoe belangrijk dit onderwerp is en hoe intens het iedereen heel persoonlijk kan raken.

De heer Voordewind zei het al. In 2018 maakten 1.829 mensen een einde aan hun eigen leven. Dat zijn 1.829 persoonlijke drama's, maar ook 1.829 gezinnen, families en nabestaanden van wie het leven instort. Er gebeurt natuurlijk al heel veel als het gaat om suïcidepreventie, maar toch blijkt dat er nog weinig samenhang is. Dat hoor je ook van anderen. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is hoe we ervoor zorgen dat succesvolle ervaringen en werkwijzen om suïcide te voorkomen, beter gedeeld gaan worden. Hoe komen wij tot concrete afspraken en hoe zorgen wij dat er meer samenhang komt in alle al bestaande initiatieven in de zorg en in het onderwijs, maar ook elders? Is de Staatssecretaris bereid om voorop te gaan om zo'n aanpak samen te stellen? Als hij dat wil – en ik hoop dat hij dat wil – hoe gaat hij dat dan doen?

Ik sluit me ook aan bij de vragen die de heer Renkema en anderen hebben gesteld over de opleidingen.

Voorzitter. Een van de belangrijkste partijen waarnaar ik ook kijk, is de jeugdzorg. Ik heb het er hier al eerder over gehad met deze Staatssecretaris, maar ook met Minister De Jonge. Van de 81 jongeren die in 2017 suïcide pleegden, had een kwart een jeugdhulpachtergrond. De inspectie concludeerde dat in veel gevallen passende zorg ontbrak. Ik vind dat heel heftig, want je mag verwachten dat er juist voor deze groep extra kennis en extra aandacht is, juist om suïcide te voorkomen. Ik wil de Staatssecretaris vragen hoe het daar nu mee gaat. We hebben te maken met een sector die zwaar onder druk staat: een hoge werkdruk, personeelstekorten en onrust. Is de situatie in de jeugdzorg niet veel te nijpend, los van de aandacht voor dit onderwerp in deze sector en in opleidingen? Moeten we er niet breder naar kijken? Wat doet de Staatssecretaris samen met zijn collega De Jonge om dit te verbeteren?

Voorzitter. We zijn het hier allemaal eens over het belangrijke werk dat 113 Zelfmoordpreventie doet. Ze moeten in staat worden gesteld om dat werk goed te kunnen doen en ze moeten dus ook goed bereikbaar zijn. Ik sluit me aan bij de vragen die daarover gesteld zijn. We hebben er zelf ook naar gevraagd na het vreselijke voorval in Winschoten. Ik ben blij dat de Staatssecretaris aan de slag gaat. Ik ben het ook eens met de mensen van wie het wel iets sneller mag. Het lijkt me dat het geen twee weken hoeft te duren om een nummer door te schakelen naar een ander nummer.

Ik heb nog een andere vraag op dat punt. Niet iedereen die hulp nodig heeft, neemt contact op met 113. Er zijn ook mensen die online op een andere manier een noodkreet uiten en die we helaas niet of te laat bereiken. Eerder heeft op de website van RTL een mooi stuk gestaan over een wetenschapper die in Purmerend woont. Hij heeft voor China een algoritme ontwikkeld waarmee hij het internet afspeurt op zoek naar mensen die anoniem zo'n noodkreet uiten. Die mensen worden opgespoord en door vrijwilligers of professionals geholpen. Ik wil de Staatssecretaris vragen of hij in Nederland ook zo'n proef wil starten. Wil hij daarbij samenwerken met 113 Zelfmoordpreventie? Ziet hij iets in een experiment op dit vlak?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Hijink. Dan is het woord aan de heer Wörsdörfer van de VVD-fractie.

De heer Wörsdörfer (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb vreselijk te doen met iemand die kiest voor deze stap en die zo'n stap zet. En ik heb ook vreselijk te doen met familie en bekenden die in ontreddering achterblijven en zich vaak afvragen: wat is er gebeurd en had ik iets kunnen doen? Aan de vragen die gesteld zijn over 113, zie je dat we op dit punt politiek niet echt verdeeld zijn. Ik sluit me aan bij de hierover gestelde vragen. Dank aan de Staatssecretaris voor de brief die we gisteren kregen.

Toch is het natuurlijk goed om het over suïcide te hebben, want het is een taboe. Dat merk je op alle fronten. Mensen durven er niet over te spreken. Juist daarom is het goed om te proberen het bespreekbaar te maken: als je worstelt en als je hulp zoekt, is dat stoer; als je worstelt, worstel dan niet alleen, maar probeer contact te krijgen met mensen die je daarbij kunnen helpen.

Ik kreeg een filmpje onder ogen dat is uitgezonden op de BBC. Ik weet niet of u het kent. Het was een rustige setting in volgens mij een sportkantine met Engelse sportsterren en ook met de kroonprins, althans de zoon van de kroonprins. Daar werd echt ingetogen en heel kwetsbaar over het onderwerp gesproken. Ik vond het supermooi. Ik zou willen vragen om in alle acties die gevoerd worden en in alle stappen die gezet worden, de bespreekbaarheid en dit soort uit de box denken mee te nemen. De voorbeelden die de heer Hijink net noemde, vond ik ook mooi.

Signalen uiten is één ding, maar dan kom je op het punt dat die ook herkend moeten worden. Ik sluit me aan bij de vragen die daar al over gesteld zijn. Het zou goed zijn als professionals in hun opleidingen zo veel mogelijk kunnen leren over dit onderwerp. 113 Zelfmoordpreventie is actief op dit punt en ik zou verwachten dat die daarbij ook een grote rol spelen. Eigenlijk is de vraag natuurlijk op welke wijze we ervoor kunnen zorgen dat dit echt ingebed wordt in de opleidingen. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat dit zo snel mogelijk zijn beslag krijgt?

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Wörsdörfer. Dan gaan we nu naar mevrouw Kuik van de CDA-fractie.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank, voorzitter. Als iemand in de put zit of depressieve gevoelens heeft, dan hopen we zo dat ze die gevoelens willen delen, zodat er ook hulp geboden kan worden. Maar het wordt nog als een behoorlijke drempel ervaren, door degene zelf, maar ook door familie en vrienden, om depressieve gevoelens bespreekbaar te maken. Hoe vaak zien we dagelijks niet het perfecte plaatje? Denk aan de blijde wereld van Instagram: prachtige mensen, huwelijken, feestjes met vrienden, succesmomenten. Maar de dag van ontslag, scheiding en de eenzame dagen zie je meestal niet. Zo krijg je het beeld alsof het leven alleen maar prachtig zou moeten zijn, maar dalen en falen horen er natuurlijk ook bij.

«Hey! Het is oké», de campagne om te praten als je je niet happy voelt, is natuurlijk heel belangrijk om depressies bespreekbaar te maken. Ook zijn er regionale campagnes ingezet. Succesvol was de GGD-Friesland met een reclamespot in het Fries om het alarmnummer 113 Zelfmoordpreventie onder de aandacht te brengen. Die GGD heeft ook een oproep gedaan die ik me goed kan voorstellen, namelijk om hulpvragen ook in het Fries te kunnen beantwoorden. Mensen moeten vaak al een stap zetten om hulp te zoeken. Ik kan me voorstellen dat je dan in de taal van je hart wilt spreken en dat dat ook helpt in het vertrouwelijke gesprek tussen de hulpvrager en de hulpverlener. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is dan ook of hij met het CDA vindt dat het wenselijk is dat een Fries bij zo'n gevoelig onderwerp als zelfdoding in zijn of haar eigen taal geholpen kan worden. Bij 112 is dat ook al aangepast. Op welke manier is dat gegaan? Zou de Staatssecretaris willen kijken naar de mogelijkheden voor het Fries bij de hulplijn voor zelfmoordpreventie?

Het is goed dat het kabinet het nummer 113 beschikbaar wil maken en dat op korte termijn wil regelen. Daarover zijn al vragen gesteld en daar sluit ik me bij aan.

In de landelijke agenda zijn in 2017 stappen gezet in de verschillende domeinen. De ene stap was groter dan de andere. Die agenda loopt nu tot 2020. Het CDA vindt het goed dat er na 2020 wordt doorgepakt met een programma Next Level, waarbij in alle domeinen doelen en acties worden gesteld. Als er bijvoorbeeld een suïcideprotocol is voor deurwaarders, hoe wordt dan geborgd dat dit ook daadwerkelijk in praktijk wordt gebracht en wordt gebruikt?

We zien ook goede analyses, bijvoorbeeld bij het project STORM. Daarbij zijn 5.000 leerlingen in Oss gescreend op depressies. De docenten zijn getraind en er zijn hulpinterventies gedaan en netwerken gebouwd. Het monitoren zelf had al direct effect. Hoe wordt dit project ook verder in het land verbreid? Bij onderwijs denk ik ook aan hoe jongeren kunnen leren met uitdagingen in het leven om te gaan.

Voorzitter. Voor depressiepreventie is vanaf 2017 een doelstelling gesteld, namelijk 30% minder mensen met een depressie. Zijn hier al indicatoren voor gesteld?

Voorzitter, tot zover. Ik moet afronden.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kuik. Dan is het woord aan mevrouw Van Kooten-Arissen.

Mevrouw Van Kooten-Arissen (vKA):

Voorzitter, dank u wel. Ik zet even mijn wekkertje, zodat ik niet over mijn tijd heen ga. Er zijn weinig onderwerpen waarover het moeilijker praten is dan de dood. Daarom kan dit suïcidedebat ook nooit de werkelijke lading dekken die dit onderwerp verdient. Ik wil graag beginnen met het uitspreken van mijn medeleven aan nabestaanden wier dierbaren tot zo'n verdrietig besluit zijn gekomen.

Voorzitter. Na berichten over zelfdoding in de media zie ik steeds vaker dat er wordt afgesloten met een verwijzing naar het nummer waarover al eerder gesproken is, namelijk 113. Dat moet dus 0900–0113 zijn. Het ging er ook al even over op Radio 1. We hoorden de Staatssecretaris praten over zijn inzet om het nummer naar 113 te wijzigen. Ik onderschrijf dat van harte. Maar er zijn blijkbaar ook nog steeds hulpverleners die het verkeerde nummer geven. Het lijkt me heel erg belangrijk om erop in te zetten dat iedereen weet wat het goede nummer is. Zoals al eerder gezegd: deze zomer was er iemand die het nummer probeerde te bellen, maar geen gehoor kreeg, iemand die hulp zocht, maar die niet vond. Dat moet echt voorkomen worden.

Ik hoorde de Staatssecretaris ook zeggen dat mensen zich niet moeten vergissen in het nummer. Dus ze moeten niet 112 bellen terwijl ze 113 willen bellen, als dat nummer in de toekomst in werking wordt gesteld. Hoe wil de Staatssecretaris dit grote probleem oplossen? Het lijkt me inderdaad niet de bedoeling dat het nummer 112 wordt geblokkeerd door mensen die een langer gesprek willen voeren en echt hulp nodig hebben en door mensen die vragen hebben over het levenseinde of worstelen met hun leven. Waarom verwacht de Staatssecretaris dat dit wellicht een probleem gaat worden?

Het begint bij het signaleren van risicogroepen. Als er naar risicogroepen wordt gekeken, worden jongeren, jonge vrouwen, maar ook pas bevallen moeders, huisartspatiënten, werknemers met een stressvol beroep, chronisch zieken en mantelzorgers genoemd. Wie blijven er over? Wie is er niet gevoelig en behoort niet tot een risicogroep? Wat gaat er fout als de hele samenleving zo ongeveer slachtoffer kan zijn of kan worden van een depressie? Hoe wil de Staatssecretaris daar meer op gaan inzetten?

Ik sluit mij graag aan bij de oproep van de Ivonne van de Ven Stichting, die oproept tot het opleiden van zorgverleners in het onderkennen... Ik zie de voorzitter wijzen dat ik moet afronden. Dat onderkennen is een heel belangrijk onderdeel in de opleiding voor zorgverleners. Ik hoop dat de Staatssecretaris daar ook werk van gaat maken. Ik wil hem vragen hoe hij daaraan gevolg gaat geven.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van Kooten. Dan gaan we naar mevrouw Agema van de PVV-fractie.

Mevrouw Agema (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Het blijkt schokkend als je bedenkt dat in de hele wereld jaarlijks meer mensen sterven door zelfdoding dan door oorlog, malaria of borstkanker. Onder jongeren tussen de 15 en 29 jaar is zelfdoding de tweede doodsoorzaak na een verkeersongeluk. Zero suïcide is een geweldig streven, maar het is tegelijkertijd, naar ik vrees, een onmogelijke opgave. Het zal nooit helemaal voorkomen kunnen worden dat mensen een einde aan hun leven maken. Voor mensen die niet suïcidaal zijn, valt het niet te bevatten wat mensen beweegt om tot suïcide over te gaan. Allemaal denken we: hadden we iets kunnen doen om het te voorkomen? Maar we moeten ook beducht zijn op maakbaarheidsgedachten. Wat we wel kunnen doen en wat ontzettend belangrijk is, is als samenleving alert blijven op signalen en op trends, en zorg beschikbaar hebben als die nodig is. Ik denk ook dat het belangrijk is om meer cijfers te achterhalen.

Gisteren en vandaag waren en zijn er ontzettend veel boeren in en op het Binnenhof. In de voorbereiding van dit debat vond ik een heleboel artikelen die betrekking hebben op zelfmoord onder boeren. In de landen om ons heen wordt specifiek het beroep bijgehouden van iemand die suïcide pleegt. Dat gebeurt in ons land niet. In Duitsland plegen er jaarlijks tussen de 400 en 500 boeren zelfmoord. In Frankrijk is de kans op zelfdoding bij een boer zelfs 22% hoger dan bij een ander beroep. Nou zag ik in een van de stukken die ik op het internet vond, dat de organisatie Zorg om Boer en Tuinder pleit voor onderzoek. Ik wil de Staatssecretaris dan ook vragen om onderzoek te doen. Waarom zijn er bij deze beroepsgroep zulke uitschieters en wat zouden wij als samenleving in het kader van de maakbaarheid misschien kunnen doen?

Verder begrijp ik dat zo'n 40% van de mensen die een einde aan hun leven maken, onder behandeling zijn bij de ggz. Kan de Staatssecretaris dit punt wat meer toelichten? Als mensen uiteindelijk toch zelfmoord plegen, hoe komt dat dan? Is er te weinig beschikbaarheid van ggz? Zijn er te veel wachtlijsten? Of moeten we ons realiseren dat zorg dus niet altijd de oplossing biedt? Waar komt die 40% vandaan? Hoe is die te verklaren?

Alles lijkt er verder op gericht om in actie te komen zodra er suïcidale signalen worden opgevangen. Zonder het belang daarvan teniet te willen doen, is het op dat moment natuurlijk eigenlijk al te laat. We moeten mensen weerbaar maken bij tegenslagen, om te beginnen de jeugd. In België, in Kasterlee, lopen diverse acties, workshops en lezingen om de veerkracht en de weerbaarheid van burgers te bevorderen, met de nadruk op jongeren. Kunnen we dat hier ook organiseren?

We zijn heel blij met de verbreding van de Landelijke agenda suïcidepreventie naar schuldhulpverleners en uitkeringsinstanties. Maar moeten we die niet nog breder trekken, naar alle vormen van welzijn? Hoe staat het met de vervolgagenda van de Landelijke agenda suïcidepreventie? Kan de Staatssecretaris daar al iets over vertellen? De landelijke agenda loopt af in 2021 en we zouden er graag mee doorgaan. Verdieping en verbreding moeten we immers blijven stimuleren, en we willen de ingezette daling vasthouden.

Tot slot, over 113: ik sluit me aan bij de woorden van meneer Voordewind. Het moet toch mogelijk zijn om binnen een dag te regelen dat het nummer doorgeschakeld wordt? Dat lijkt me een kleine technische ingreep. Volgens mij zei u het zelf ook al, voorzitter. Dus ik sluit me aan bij de woorden die u nog gaat uitspreken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Agema. Dan is het woord aan mevrouw Kuiken van de PvdA-fractie, aan de andere kant van de tafel.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Je dierbare, je kind of je naaste verliezen is het meest droevige wat er is. De heer Renkema zei dat heel treffend. Maar zeker als het een zelfverkozen dood is, komen er ook nog eens schuldgevoelens om de hoek kijken. Ik denk dat we het hier in dit huis allemaal heel erg eens zijn. Kortheidshalve wil ik dan ook aansluiten bij alle vragen die hier tot nu toe zijn gesteld en ik probeer nog wat aanvullende vragen te stellen.

Voorzitter. In de eerste plaats zou ik willen pleiten voor een nationaal programma zelfmoordpreventie. Ik heb eigenlijk een beetje een hekel aan het woord «suïcide», omdat het net lijkt of het iets zachts is. Maar het is wat het is. Waarom denk ik dat zo'n programma nodig is? Omdat depressies niet discrimineren. Het kan iedereen overkomen. Man, vrouw, jong, oud, boer, beroepen van de Zuidas. We kennen allemaal voorbeelden uit onze eigen kring, waarvan we dachten: hoezo dan, en waarom dan? En ja, soms is het bijna te voorspellen dat er bij iemand een risicofactor is. Maar 60% van de mensen die zelfmoord plegen is niet in beeld bij zorginstanties. Dat laat dus ook wel zien dat een langjarig programma met veel onderzoeken nodig is. Graag een reactie van de Staatssecretaris.

Voorzitter. Een ander punt van zorg dat ik concreet wil inbrengen, is het volgende. In hoeverre vraagt het UWV of de bedrijfsarts naar depressies en zelfmoordneigingen op het moment dat mensen uitvallen met een burn-out of iets dergelijks? Dat soort zaken worden volgens mij niet of niet voldoende uitgevraagd, terwijl het een heel grote en belangrijke factor is. Welke niet voor de hand liggende beroepsgroepen kunnen we nog meer inzetten om te helpen als het gaat om zelfmoordpreventie? Welke schakels zouden we verder nog kunnen inzetten?

Voorzitter. Ik wil ook specifiek aandacht vragen voor de uitzendbranche en de flexbanen. Als iemand geen vastigheid heeft, maakt dat hem kwetsbaar en dat kan een grote trigger zijn voor zelfmoord. Worden er al afspraken gemaakt, bijvoorbeeld met grote uitzendketens? Want met een uitzendketen heb je natuurlijk een andere relatie dan met een vaste werkgever, en volgens mij ben je dan juist meer kwetsbaar. Wat kan de beroepsgroep met de uitleenbanen en de flexibele banen daarin betekenen?

Voorzitter. Over 113: als ik het goed heb begrepen, heeft KPN het vandaag al geregeld. Er is gebeld en er werd opgenomen. Dus als KPN het kan, geef ik grote complimenten. En dan moet het volgens mij heel snel geregeld kunnen worden. Graag krijg ik een reactie van de Staatssecretaris.

Over agrariërs is al een aantal vragen gesteld.

Voorzitter, tot slot. Er volgt nu een onderzoek naar de 40 van de 81 jongeren die zelfmoord hebben gepleegd. Als ik goed ben geïnformeerd, komt dat onderzoek in december. Ik wil graag van de Staatssecretaris weten of dat klopt en of wij dan de resultaten daarvan mogen krijgen, zodat we daar weer lessen uit kunnen trekken.

Voorzitter, eigenlijk heb ik nog meer vragen, maar gelet op de tijd moet ik het hierbij laten.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kuiken. De heer Voordewind heeft nog een interruptie voor mevrouw Kuiken.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik heb even een vraag. Ik hoorde mevrouw Kuiken zeggen dat er een landelijk akkoord of een preventieakkoord moet komen. We hebben er inmiddels twee gehad. De tweede loopt nu af. Misschien bedoelt ze een vervolg van de landelijke agenda? Dan begrijp ik wat ze bedoelt.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Fijn dat u mij een vraag stelt. De tijd is soms te beperkt, waardoor de nuance mist. Ik wil een vervolg: meerjarig en langjarig. Zero is wellicht iets te ambitieus, maar met een langjarige inzet kun je resultaten bereiken, net als we voor verkeersdoden hebben gedaan. Die oproep geven alle betrokken en actieve partijen ons mee. Dit komt niet uit mijn briljante koker; het is een oproep van de mensen zelf.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Omdat mijn spreektijd ook beperkt was, vraag ik mevrouw Kuiken of zij dat dan in 2020 wil. Want formeel loopt de agenda af in 2021. Wil zij dit vanaf 2020 tot 2025? Kunnen we dat aan de Staatssecretaris meegeven?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Uiteraard, dat geef ik graag mee aan de Staatssecretaris.

De voorzitter:

Dan vraag ik nu aan de heer Voordewind of hij het voorzitterschap even wil overnemen. Ik ben niet de vaste maar een invallende voorzitter, dus ik wil graag namens de SGP-fractie ook een bijdrage leveren.

Voorzitter: Voordewind

De voorzitter:

Dan speel ik de invallende invaller. Ik geef graag het woord aan de heer Van der Staaij namens de SGP.

De heer Van der Staaij (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Afgelopen dinsdag bood de Ivonne van de Ven Stichting ons de bundel Hoopvolle aanpakken, indringende verhalen aan. Het is altijd weer diep aangrijpend om de verhalen van hulpverleners en nabestaanden te lezen. Ik heb veel bewondering voor het feit dat veel nabestaanden zich willen inzetten om de hulpverlening te verbeteren en mee te denken over hoe we suïcide beter en vaker kunnen voorkomen. De stichting vroeg aandacht voor de opleidingen. Collega's hebben dit al verwoord. Ik hoor graag de reactie van de Staatssecretaris hierop. De stichting beklemtoonde ook het belang van samenwerking tussen hulpverleners en familie bij het behandelen en het voorkomen van suïcidaliteit. Graag ook op dat punt een reactie.

Ik vond het heel waardevol wat emeritus hoogleraar suïcidepreventie Ad Kerkhof naar voren bracht en wat in de media terechtkwam. Hij zei: realiseer je dat het geen vrije keus is, maar een wanhoopsdaad, en denk niet dat het toch wel zal gebeuren, want deze mensen zijn vaak heel goed te helpen. Dat onderstreept het grote belang van goede signalering en goede hulpverlening.

Voorzitter. Op het punt van de bereikbaarheid van de 113-hulplijn sluit ik mij aan bij de vragen die al gesteld zijn. Ook bij mij was er vanmorgen het gevoel dat het goed is dat er actie op gezet wordt door de Staatssecretaris. Daar heb ik waardering voor. Maar zou het de telecomproviders niet sieren als ze maatschappelijke gevoeligheid tonen? Kunnen zij niet zeggen dat ze gewoon in een dag regelen dat je bij het goede nummer, 0900–0113, terechtkomt als je 113 belt?

Dan heb ik nog een vraag over bepaalde chemische stoffen die gebruikt worden voor suïcide. In 2018 is ongeveer twintig keer geprobeerd om hiermee zelfmoord te plegen. Dat is zeer zorgelijk. Wij zijn blij dat het kabinet stappen heeft gezet om de risico's van het gebruik van dergelijke stoffen voor suïcide te signaleren. Er is met diverse partijen een code opgesteld. Wat is het vervolgtraject? Volgen er nog meer acties?

Ik had een laatste punt genoteerd, maar heb inmiddels al twee collega's erover gehoord, dus ik kan daar kortheidshalve naar verwijzen. Eind vorig jaar kwam het bericht van de NOS over toenemende zorgen over zelfmoord onder boeren. Ze verwezen naar onderzoek in omliggende landen waaruit blijkt dat suïcide onder boeren beduidend meer voorkomt dan gemiddeld. Ik sluit me graag aan bij de vragen die mevrouw Agema en mevrouw Kuiken daarover hebben gesteld.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik u als voorzitter het woord weer terug.

Voorzitter: Van der Staaij

De voorzitter:

Dank u wel. We schorsen nu voor vijf minuten, tot ongeveer 11.00 uur. We hopen dan met de beantwoording van de Staatssecretaris in eerste termijn verder te gaan.

De vergadering wordt van 10.56 uur tot 11.02 uur geschorst.

De voorzitter:

Wij vervolgen ons overleg. Het woord is aan de Staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen van de Kamer. Ik herinner de leden er nog even aan dat we maximaal twee interrupties in tweeën hebben afgesproken. Het woord is aan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter, dank. Dank ook voor de respectvolle manier waarop de Kamer dit onderwerp geagendeerd en behandeld heeft. Er is veel herkenbaars gezegd over de tragiek en over wat er gebeurt rond zelfdoding, suïcide. «Suïcide» kan als term inderdaad een beetje vreemd overkomen. Misschien moeten we het gewoon «zelfmoord» noemen. Alles wat eromheen hangt en wat iemand en de omgeving moeten doorstaan en ondergaan, is verschrikkelijk. Zeker als dat in relatie wordt gebracht met het niet kunnen bereiken van het nummer 113, al weten we niet zeker of daarmee een causaal verband is. Maar dat iemand een nummer belt en dan geen hulp krijgt, is verschrikkelijk. Ik kom daar zo op terug.

Om te beginnen haak ik aan bij de mooie woorden van de heer Voordewind die hij zei als eerbetoon aan Jan Mokkenstorm. Hij is degene geweest die dit thema in Nederland zo nadrukkelijk op de agenda heeft gezet en die prachtige organisatie, die nu 113 Zelfmoordpreventie heet, in de benen heeft geholpen. Hij gaf daar zeer bevlogen leiding aan en heeft de ambitie geformuleerd dat we naar zero suïcide moeten. Dat klink als een absurd hoge ambitie, maar het zegt iets over het denken. We hebben lange tijd in Nederland gedacht dat we ons er maar bij moesten neerleggen dat het gebeurt. Mevrouw Agema heeft een punt: er is geen maakbare samenleving. Maar als we een ambitie formuleren, streven we naar nul. Als we hier hardop met elkaar uitspreken dat het toch niet goed gaat komen, vind ik dat een soort nederlaag. Dus laten we alstublieft die ambitie houden. En alle hens aan dek om er zo vroeg mogelijk bij te zijn, zodat we kunnen voorkomen dat mensen zelfmoord plegen.

Dat betekent niet dat de hulp in preventieve sfeer pas begint als mensen in contact komen met de organisatie 113 Zelfmoordpreventie. Die hulp is al veel eerder, merkten sommige woordvoerders terecht op. Het gaat om een totale aanpak voor het betrekken van schuldhulpverlening en om het weerbaar maken van mensen. Dus daar begint het al. En als mensen met hele basale vragen zitten, is het toch fantastisch dat er een organisatie is als 113 Zelfmoordpreventie, die zijn bestaansrecht dubbel en dwars heeft bewezen. Dit heeft ertoe geleid dat in het regeerakkoord extra middelen zijn vrijgemaakt om aandacht aan dit belangrijke thema te geven. Het gaat om 15 miljoen in deze kabinetsperiode, waarvan een groot deel naar die organisatie gaat. Die doet daar heel veel mee, zoals de digitale en telefonische hulpverlening, maar de organisatie zet ook supranetwerken op, helpt opleidingen met organiseren et cetera. Wat mij betreft is het een hele goede impuls.

Voorzitter. Zoals ik al zei, het is een aangrijpend thema. Ik kom straks te spreken over het telefoonnummer – dat is een actueel onderwerp dat er vanmorgen enorm uitspringt – maar er zijn natuurlijk veel meer dingen. Woordvoerders hebben de noodzaak aan de orde gesteld dat zorgverleners over de goede kennis beschikken. Daar wil ik graag op ingaan. Het gaat erom mensen een handelingsperspectief te bieden. Maar eerst wil ik nog even stilstaan bij de slachtofferkant en bij de nabestaanden. Het is verschrikkelijk als je iemand in je omgeving verliest, maar het is misschien nog erger als dat als gevolg van een zelfdoding gebeurt. Dat brengt gevoelens van machteloosheid en schuldgevoel met zich mee. Het is heel sterk – de heer Van der Staaij zei dat ook – dat de Ivonne van der Ven Stichting dan zegt: wij hebben dit moeten doorstaan, maar we gaan onze krachten bundelen en bijvoorbeeld pleiten voor betere opleidingen, om te voorkomen dat het vaker moet gebeuren.

Voorzitter. Ik heb de monitor, de jaarlijkse rapportage, van de zomer naar de Kamer gestuurd. Daaruit blijkt dat in 2018 1.829 mensen zelfmoord hebben gepleegd. Dat zijn nog steeds getallen waardoor de schrik je om het hart slaat. Er is een lichte daling – laten we alle zegeningen tellen – ten opzichte van eerdere jaren en ook ten opzichte van de plotselinge piek bij de jeugd in 2017. We zaten steeds op 50. Dat zijn er natuurlijk 50 te veel, want dat betekent dat elke week een jongere ermee stopt en zelfmoord pleegt. Maar in 2017 was er opeens een piek van 81. Daar schrok iedereen zich natuurlijk een hoedje van. Het aantal zat vorig jaar weer op 50. Het lijkt dus een eenmalige piek, maar we zijn volop bezig om in beeld te brengen hoe die verklaard kan worden. Dat doen we niet alleen door kwantitatief onderzoek – in welke provincie gebeurde dat en zaten die mensen in zorg? – maar vooral ook door kwalitatief onderzoek.

Dit is gelijk een reactie op een vraag van mevrouw Kuiken. Dit onderzoek loopt. Het is een moeilijk onderzoek. Ik heb dat proberen aan te geven in de brief die ik daarover onlangs heb gestuurd. Het is een moeilijk onderzoek, omdat mensen het heel lastig vinden om erover te praten. Als we mensen bereiken vinden we dat heel fijn. We willen op basis van die informatie in beeld brengen waar dingen fout zijn gelopen, ook bij mensen die in zorg zaten. Mevrouw Agema loopt nu weg, maar dit is het antwoord op haar vraag over de relatie tussen het wel of niet in zorg zijn van mensen en zelfdoding. Wij hopen door dit kwalitatieve onderzoek beter in beeld te krijgen hoe het komt dat mensen die wel in zorg zijn toch die stap zetten en waar het dan misgaat. Dat onderzoek leveren we inderdaad dit najaar op. Volgens mij heb ik de Kamer beloofd het naar de Kamer te sturen. Ik beloof dat nu ook mondeling. Dan hoort iedereen dat. Dit is een belofte. De Kamer krijgt de stukken en die geven allicht aanleiding om daar verder met elkaar over te spreken.

Voorzitter. Ik ga in op de vragen die gesteld zijn. Dank voor die vragen. Ik heb ze in vijf punten, vijf thema's, opgedeeld. Het 113-nummer en de organisatie 113 Zelfmoordpreventie wil ik als eerste blok behandelen. Daarna behandel ik de landelijke suïcidepreventie of het landelijke programma, zoals mevrouw Kuiken het noemt. Dan kom ik bij de opleidingen en de samenhang met de petitie die vorige week is aangeboden, waar de Kamer ook kennis van heeft genomen. Dan kom ik bij jongeren en suïcide. Sorry, bij het blokje over de landelijke agenda zitten ook vragen die daarover gaan en die niet per se onder die noemer vallen. Dan worden het vier blokjes. Dus geen vijf, maar vier blokjes. Dat is wat overzichtelijker. Ik probeer het in tempo te doen, maar wil wel rechtdoen aan het thema.

Ten eerste het telefoonnummer. Dat is een aandachttrekkend punt en het is goed om daar gelijk zo veel mogelijk helderheid over te bieden. Ik heb hierover gisteren een brief naar de Kamer gestuurd. Ik hoop dat u daar kennis van heeft kunnen nemen. Daar staat de beantwoording in op een aantal Kamervragen. Die vragen geven aan hoeveel fracties zich zorgen maken over deze materie. Ik heb net, toen ik de zaal uitliep, 113 gebeld met een niet nader aan te duiden provider. Die begint met V en eindigt op odafone. Wat krijg ik dan te horen? «Dit nummer is niet beschikbaar.» En dan nog een keer in het Engels. Daar moet je het mee doen. Er zijn een paar oplossingsrichtingen denkbaar. Wij hebben daar natuurlijk gesprekken over gevoerd met de Stichting 113 Zelfmoordpreventie.

Voorafgaand wil ik nog iets anders zeggen. Er zijn nu twee afschuwelijke situaties bekend geworden in de berichtgeving. Vanmorgen stond er een bericht in de Volkskrant en eerder was er de situatie van de jonge vrouw uit Winschoten. Wij hebben daarover contact gezocht met 113 Zelfmoordpreventie. Daar hebben we veel contact mee. Uit dat contact bleek dat ons geen andere situaties bekend zijn. Dat maakt het probleem niet kleiner, want het is afschuwelijk. Elke situatie waarin dit gebeurt, is afschuwelijk. Maar het betekent ook dat wij niet al jarenlang weten dat mensen tevergeefs dat nummer bellen. We hebben echt niet in beeld dat dat gebeurt. Toch blijkt het te gebeuren. Er zijn nu twee gevallen met een afschuwelijke afloop. We weten niet of er een direct verband is. Maar het is een feit dat die mensen het nummer niet konden bereiken.

Dit heeft ons tot actie aangezet. Die actie heeft twee sporen. We hebben het 0900–0113-nummer. 113 bellen wordt soms zelfs gedaan op advies van de huisarts of de psychiater, want die weten het kennelijk ook niet. Als je googelt op «hulp bij zelfmoord» of «hulp bij suïcidale gedachten», vind je echt de hits met het goede nummer, maar kennelijk is dat niet overal bekend. Als mensen in nood 's nachts 113 bellen, moet direct duidelijk zijn dat dat nummer niet beschikbaar is, maar ook wat het perspectief is. Dat is het verhaal over een goede doorverwijzing en een goed antwoord op een bandje.

Ik ben het met de Kamerleden eens. Ik dacht ook: hoe moeilijk kan het zijn? Waarom wordt dit niet in een dag geregeld? Feit is dat de primaire verantwoordelijkheid bij het Ministerie van Economische Zaken ligt. Ook mijn collega, mevrouw Keijzer, ziet hier de urgentie van. Zij zegt dat zij haar uiterste best gaat doen om dit zo snel mogelijk te regelen. Maar we hebben nogal wat providers en die moeten allemaal mee. Kennelijk is de eerste over de brug. Wat mij betreft volgen de andere heel snel. Ik heb in de brief aangegeven dat dat tussen nu en twee weken moet zijn. Dat vind ik goed in het kader van verwachtingsmanagement. Tussen nu en twee weken is bereikt dat mensen die, in de hoop dat ze hulp krijgen, onverhoopt het foute nummer bellen, goed worden doorverwezen. Misschien is zelfs een doorschakelfaciliteit mogelijk. Dat willen we ook met de providers bespreken. Ik denk dat het de Kamer er vooral om te doen is dat er adequate hulp wordt geboden. Dit is de kortermijnoplossing. Er is ook geen langetermijnoplossing nodig, want die andere providers moeten direct volgen.

Dan is er het 113-nummer. Daar heb ik een brief over gestuurd. In die vorm heb ik de vragen van de Kamer beantwoord. Ik zet mij er volop voor in dat dit nummer zo snel mogelijk gerealiseerd is. Ik schets wel het reële beeld. Ik ben er erg voor dat het dat simpele nummer wordt, maar er zijn wel wat complicaties. Die komen vooral van de kant van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. 112 is het noodnummer voor situaties waarin er sirenes, zwaailichten en toeters en bellen aan te pas komen. Die zijn altijd acuut en spoedeisend. Wij weten dat de hulpvragers die telefonisch en niet online 113 Zelfmoordpreventie zoeken en bellen, veelal vragen hebben die een gesprek met zich meebrengen. Het is zelfs zo dat de hulpverlenersgesprekken gemiddeld een halfuur tot drie kwartier duren. Dat blijkt uit informatie van 113 Zelfmoordpreventie. Als dat zo is, wil je dat niet vermengen met 112. Ook daar geldt natuurlijk elke seconde. We moeten in de gaten houden dat er geen mensenlevens verloren gaan als mensen die 113 zouden moeten bellen toch 112 bellen, of andersom. Ik moet in beeld brengen hoe de nummers zich tot elkaar verhouden. Ik span mij er dus voor in om dat nummer zo snel mogelijk te realiseren. Ook de Staatssecretaris van Economische Zaken, die over de nummertoedeling gaat, is volop bereid mee te denken. Maar de belangrijkste hobbel is hoe we zorgen voor een optimale connectie tussen 112 en 113.

Ik zeg daarbij: als onverhoopt blijkt dat wij met z'n allen mensenlevens op het spel zetten door een 113-nummer te realiseren, omdat wij zo veel van stal moeten halen om 112 en 113 uit elkaar te houden, dan koppel ik dat gelijk terug. Ik kan me niet voorstellen dat het zo is, maar stel dat. Ik heb wel in mijn brief proberen aan te geven dat ik het gelijk zal melden als zo'n hobbel zich voordoet. Voor het overige zal ik zo snel mogelijk stappen zetten om het te realiseren.

Als tussenstap is trouwens ook het 0800-nummer beschikbaar. Dat is een gratis nummer – dat is 0800–0113 – waarvan heeft 113 Zelfmoordpreventie gezegd dat het beschikbaar is. 113 Zelfmoordpreventie zegt: laten we nou in een keer de goede stap maken en dat is 113. Daar ben ik het mee eens. Niettemin – dat staat ook in de brief – houden we dat nummer wel gereserveerd voor het onwaarschijnlijke geval dat Europa 113 voor iets anders wil reserveren. Dat kan misschien in de toekomst en dan moet je een terugvaloptie hebben.

Ik zie dat de heer Hijink een vraag wil stellen.

De heer Hijink (SP):

Ik wilde vragen of het punt over 113 is afgerond. Het lijkt me het makkelijkst dat ik mijn vraag stel nadat u alles over 113 heeft gezegd.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voor wat betreft het nummer ben ik klaar.

De voorzitter:

Prima. Dan is voor een interruptie het woord aan de heer Hijink.

De heer Hijink (SP):

Ik heb de indruk dat de Staatssecretaris nog een hoop hobbels ziet, ondanks dat ik zie dat hij hetzelfde doel nastreeft. Als ik hoor dat in het buitenland 113 wordt gebruikt als een nummer voor niet-spoedeisende politiehulp en we ook 114 op een eigen manier hebben ingericht, zie ik niet zo goed waarom dit zo ingewikkeld zou moeten zijn, zeker niet als het om doorschakelen gaat. Ik zie niet helemaal het risico van 112 of 113. Het is toch een ander nummer. We hebben ook gewoon 114 gedaan, terwijl we al 112 hebben. Ik vind dat niet het beste argument als het gaat om de twijfels of de hobbels die de Staatssecretaris ziet.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik wil graag net zo oplossingsgericht denken als de heer Hijink doet. Ik heb ook niet veel hobbels genoemd. Ik heb gezegd dat de spannende relatie tussen die twee nummers de belangrijkste hobbel is die ik zie. Dat krijg ik mee van de collega's van Justitie en Veiligheid. Even wat beeldender: als er wordt doorgeschakeld naar een uitgebreid keuzemenu, kan dat te veel vertraging opleveren en dan gaan de seconden verloren bij 112. We moeten ook niet uitsluiten dat mensen die 113 willen bellen voor een gesprek, 112 gaan bellen en daarmee dat nummer belasten. Wij willen uitzoeken hoe reëel dat risico is. Wij willen ook in beeld hebben hoe het gaat als mensen 113 bellen. Zijn we voldoende geëquipeerd bij 113, als blijkt dat er toch spoed aan de orde is en er moet worden doorgeschakeld naar 112? Dat klinkt allemaal als problemen zoeken, maar dat is echt niet zo. Bij beide nummers geldt dat het om mensenlevens gaat. We willen bij beide optimaal helpen, maar we willen ook geen nummer gaan lanceren terwijl de dienstverlening niet optimaal is. Dan moeten wij over en aantal maanden of over een jaar weer zeggen: jongens, jongens, dit heeft geleid tot ongelukken via de route van 112. Dat probeer ik te zeggen. Ik hoop dat de Kamer ziet dat deze reële overweging niet is bedoeld als vertragingsfactor. We moeten reëel in beeld brengen hoeveel menskracht nodig is en welke technische ingrepen aan de orde zijn.

De heer Hijink (SP):

Mij verbaast het gewoon dat dit blijkbaar geen punt van discussie is als het gaat om 114, de dierenpolitie. Oh, dat is 144. Nou ja, ze lijken allemaal op elkaar. En het is blijkbaar ook geen punt van discussie in het buitenland waar dit nummer wordt gebruikt voor niet-spoedeisende hulp van politie.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dat is ook gelijk het antwoord. Als we zouden zeggen «we doen 143 voor hulp aan mensen met vragen rond suïcidaliteit» is dat wat anders dan een 11-nummer. Over alle 11-nummers wil Europa iets zeggen. 112 en 113 liggen dicht bij elkaar, ook als mensen om drie uur 's nachts in nood en paniek zijn. Ik wil de Kamer meegeven dat ik er alles aan doe wat in mijn vermogen ligt om dit zo snel mogelijk te realiseren, hoewel ik een resultaatverplichting om het voor kerst te regelen niet kan waarmaken. Als onverhoopt blijkt dat er toch een onoverkomelijk probleem is met 112, dan koppel ik dat direct terug. Neemt u van mij aan dat ook de collega's bij Economische Zaken en bij Justitie en Veiligheid de neus de goede kant op hebben staan.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De Staatssecretaris geeft de urgentie aan. Dat is te prijzen. Hij zegt: we gaan met de providers kijken of we er een bandje op kunnen zetten. Ik hoor dan het nummer 0900–0113, maar tegelijkertijd hoor ik weer het 0800-nummer dat schijnbaar ook in gebruik is, 0800–0113. Waarom wordt dan niet het gratis nummer op het bandje genoemd, zodat mensen in ieder geval gratis kunnen bellen? Dan als tweede een vraag over de doorschakeling. Als je in één keer een link kan leggen, verlies je geen tijd en hoef je niet alsnog weer naar een ander telefoonnummer te bellen. Waarom is dat geen simpelere oplossing?

Staatssecretaris Blokhuis:

Dat 0800-nummer wilde ik voor de volledigheid wel even noemen, omdat dat beschikbaar is. Ik hoop dat dat alleen in deze zaal wordt gehoord, want anders wordt de verwarring heel groot. Het nummer bestaat en is ook toegekend aan 113 Zelfmoordpreventie; het is alleen niet in gebruik genomen. Dat is geen onwil van die uitstekende organisatie. Die organisatie zegt alleen: laten we de boel niet ingewikkelder maken. Wij willen een gratis nummer, maar laat dat gratis nummer alsjeblieft 113 zijn. Dat moet ook een noodnummer zijn dat je gewoon vanaf je mobiel kan bellen. Het 0800-nummer is wel aan de organisatie gegeven en ik wil het als back-up voor de organisatie beschikbaar houden, zodat niet een of andere slimme organisatie zegt «doe mij dat nummer maar, want dat is een interessant nummer». Het moet voor hulp bij vragen rond suïcide beschikbaar blijven. Overigens is het niet per se gekoppeld aan deze organisatie, maar aan een organisatie die aan de standaardeisen voldoet. Dat kan ook een andere organisatie zijn, want we zijn niet getrouwd met 113 Zelfmoordpreventie, al vinden we dat een prima organisatie. Dus, het 0800-nummer is beschikbaar, maar laten we het alsjeblieft even vergeten.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dat snap ik, maar het duurt mogelijk nog een paar maanden voordat we duidelijkheid hebben over 113. Is het dan niet verstandig dat 113 Zelfmoordpreventie samen met de Staatssecretaris aan iedereen duidelijk gaat maken dat 0900–0113 beschikbaar is, zodat mensen niet alsnog steeds proberen om 113 te bellen? Ik begrijp dat het lastig is, maar hoe kunnen we de mensen in de tussentijd helpen? De Staatssecretaris zegt dat hij zijn uiterste best gaat doen. In de brief lees ik dat hij de Kamer weer gaat informeren voor het einde van het jaar. Commit hij zich nu aan een inspanningsverplichting om duidelijkheid te krijgen over 113, en het liefst een inschakeling ervan, voor het einde van het jaar?

Staatssecretaris Blokhuis:

Dat is precies de goede term. Het is een inspanningsverplichting, want ik kan geen ijzer met handen breken. Ik ben ook afhankelijk van de inzet van andere ministeries daarbij. Wij doen ons uiterste best. Ik wil bij wijze van spreken geen seconde verloren laten gaan, maar we moeten niet iets beloven wat we niet kunnen waarmaken. Ik hoop dat ik de Kamer voor de kerst kan berichten dat het nummer op 1 januari in de lucht gaat, maar het kan maar zo zijn dat het wat later wordt. In het allerslechtste geval zien we overwegende bezwaren, maar dan bent u de eerste die dat hoort. Vandaar mijn toezegging in de brief om de Kamer over de tussenstand te berichten.

Voorzitter. Ik vind het ook heel goed dat het 0900-nummer intussen goed gepromoot blijft worden. Dat doen we op alle mogelijke manieren. Het staat ook op de website van 113 Zelfmoordpreventie en het moet ook bij de hulpverleners bekend zijn. We zullen daar een extra inzet op zetten en dan werkt het alle kanten tegelijk op. Want als mensen in de tussentijd toch onverhoopt 113 bellen, krijgen ze als het goed is tussen nu en twee weken het goede bandje te horen. Er zijn al providers goed bezig. Andere providers moeten kennelijk nog een bandje inspreken en dat is misschien een hele klus voor sommigen.

Mevrouw Van Kooten-Arissen (vKA):

Ik heb een vraag over de zichtbaarheid van het nummer. Bij heel veel artikelen in media wordt het 113-zelfmoordpreventienummer onder het bericht gezet. De Staatssecretaris noemde al even in zijn inleiding dat in het jaar 2017 er opeens een hele gekke piek was in het aantal zelfmoorden. In de media werd de link gelegd met een Netflixserie, maar Netflix laat niet aan het einde dat nummer zien. Kan er vanuit de overheid een beroep op platforms als Netflix worden gedaan om aan het einde van series die over zelfmoord gaan ook melding te maken van 113?

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik vind dat een goede suggestie. We hebben al wel contacten met media die dat tegenwoordig heel consequent doen. Ik wil in antwoord op mevrouw Van Kooten-Arissen kijken of we dat kunnen doen en of we daar afspraken over kunnen maken. Het is geen belofte dat het gebeurt, maar ik beloof wel dat we daarover contact zullen zoeken. Het liefst zou ik willen dat Netflix die rotzooi niet heeft, maar daar ga ik niet over.

De voorzitter:

De Kamer wordt over uw bevindingen geïnformeerd, neem ik aan.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ja.

De voorzitter:

Dan vervolgt de Staatssecretaris zijn betoog.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. Dan de landelijke agenda, m'n tweede blok.

De voorzitter:

De heer Hijink heeft toch nog z'n tweede interruptie.

De heer Hijink (SP):

Ik weet niet of mijn andere vraag over 113 nog komt. Die gaat over het opsporen van anonieme signalen, bijvoorbeeld via een algoritme. Komt die nog terug of moet ik die nu stellen?

Staatssecretaris Blokhuis:

Die zat nog in het mapje. Ik had beloofd dat bij het onderwerp 113 ook de 113 Zelfmoordpreventie zou worden opgenomen. Niet iedereen die hulp nodig heeft, belt 113. De heer Hijink heeft inderdaad gevraagd of ik in Nederland wil experimenteren met het opsporen van mensen via bijvoorbeeld een algoritme. Opsporen klinkt alsof het strafrechtelijke feiten zijn die men wil begaan. De vraag is volstrekt helder. Je kan door bepaald zoekgedrag van mensen achterhalen dat zij kennelijk suïcidale plannen hebben. Heb ik dat verkeerd begrepen?

De heer Hijink (SP):

Het moet niet griezelig worden. Ik wil niet dat we gaan inbreken in de privégegevens van mensen. Maar sommige mensen posten online in het openbaar berichten zoals «help mij», «ik neem afscheid» en andere noodkreten, of dat nu op Facebook is of op een ander platform. Die berichten worden nu niet opgepakt, maar er kan met algoritmen worden gewerkt om dat soort berichten te vinden. Het gaat mij erom dat wij gaan kijken hoe we die mensen kunnen ondersteunen, samen met vrijwilligers en 113 Zelfmoordpreventie. Het gaat erom dat we die berichten vinden en daarop inspringen.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dank voor het verhelderen van de vraag. Het ging inderdaad niet om zoekgedrag, maar juist meer om uitingen. Het antwoord is dat de Stichting 113 Zelfmoordpreventie contact heeft met de Chinese onderzoeker en dat de techniek ook in Nederland bestaat, maar nog niet wordt toegepast. Het gesprek is er en het lijkt logisch dat 113 Zelfmoordpreventie vanuit het bestaansrecht van de organisatie hier werk van gaat maken. Ik heb beloofd dat ik de Kamer over verschillende dingen ga informeren. Ik wil de Kamer ook hier nader over informeren als er meer over bekend is.

De voorzitter:

Dank. Dan kunt u uw betoog vervolgen.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik weet niet of ik dat onder dit kopje moet doen, maar de heer Hijink heeft ook gevraagd hoe we ervoor gaan zorgen dat bestaande initiatieven meer samenhang krijgen, bijvoorbeeld wat betreft zorg en onderwijs. Ik kan de samenhang verbeteren door begin volgend jaar verder in gesprek te gaan met 113 Zelfmoordpreventie, maar ook met mijn collega's, de bewindspersonen van Sociale Zaken en Onderwijs. Ik beloof de Kamer dat ik de samenhang tussen verschillende beleidsterreinen zal bevorderen.

Voorzitter. Dan kom ik toch bij de landelijke agenda. Verschillende woordvoerders hebben er terecht op gewezen dat die tot 2021 loopt. Misschien dat we eerst wat over dat netwerk kunnen zeggen. Het netwerk groeit heel snel. Dit voorjaar waren er nog tien, maar inmiddels zijn er twintig ziekenhuizen aangesloten, vooral vertegenwoordigers van afdelingen spoedeisende hulp en intensivecareafdelingen. Het voorbeeld wat op dit moment al onderling is verspreid, is de mobiele medisch-psychische unit als werkmodel om binnen het ziekenhuis mensen met psychiatrische problematiek en/of suïcidaliteit goed te begeleiden. Er is nog een goed voorbeeld: het casemanagementmodel van de GGD in Amsterdam, waarin een verpleegkundige mensen begeleidt na afloop van de behandeling op de afdeling spoedeisende hulp na een suïcidepoging. Daarnaast gaan de ziekenhuizen uit het netwerk vanaf nu de gatekeeperstraining van 113 volgen. Dat is ook in antwoord op de vraag van een aantal leden. We weten dat die gatekeeperstraining door veel mensen wordt gevolgd; ook binnen ziekenhuizen vindt die meer grond. Er wordt ook gewerkt aan mogelijk aanvullende trainingen. 113 Zelfmoordpreventie benadert op dit moment nog steeds nieuwe ziekenhuizen met de vraag om aan te sluiten.

Dan een vraag van mevrouw Agema: komt er een vervolg op die agenda? Volgens mij vroegen ook anderen dat.

De voorzitter:

Er is een interruptie van mevrouw Diertens.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik heb een vraag naar aanleiding van die GGD die betrokken is. We hebben laatst een rondetafel gehad. Daarbij ging het ook over de rol van de GGD, met een meldpunt in Noord-Holland waar mensen zelf terechtkunnen. Is er een samenwerking tussen dit soort goede initiatieven en 113 Zelfmoordpreventie, dat deze diensten aanbiedt? Ik denk dat er heel veel overlap in de problematiek is. Het zou erg jammer zijn als we niet van elkaars ervaringen kunnen leren.

Staatssecretaris Blokhuis:

Die afstemming is heel belangrijk. We hebben de ontwikkeling van dat Supranet, waarbij in de regio wordt samengewerkt, vaak onder leiding van de GGD's. In Noord-Holland Noord hebben ze dan kennelijk deze aanpak, die allicht in een behoefte voorziet. De aansluiting met bestaande initiatieven is heel belangrijk, zodat we bij wijze van spreken niet vijf keer hetzelfde aanbod hebben. We hebben ook nog de Luisterlijn, Stichting Korrelatie en dergelijke. Ieder heeft zijn eigen specialisme. Het is fijn dat er zo veel aanbod is, maar het op elkaar afstemmen is wel een aandachtspunt. Ik beloof mevrouw Diertens, en daarmee de Kamer, dat ik die afstemming en dus ook efficiënt werken hoog op de agenda houd.

Mevrouw Agema en anderen vroegen of er een vervolg op de agenda komt. We gaan begin volgend jaar in gesprek met 113 Zelfmoordpreventie en andere betrokken organisaties om te kijken hoe we dat verder oppakken. Ik hoor de Kamer hier nadrukkelijk de wens uitspreken: de agenda van nu loopt tot 2021, dus dan moet je eigenlijk in 2020 wel heel goed voorgesorteerd zijn op de periode daarna. Daarover gaan we dus volop in gesprek. Wat mij betreft biedt dat een heel goed handvat om met elkaar het gesprek te voeren over hoe we dat verder doen. Ik hoor mevrouw Agema en anderen zeggen dat we het dan ook voor langere tijd goed moeten borgen. Het moet goed ingebed zijn. Het moet dus niet alleen een structurele aanpak zijn die breder is dan nu, maar die aanpak moet ook lopen over een langere periode dan nu, want het was nu maar voor drie jaar.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter, ik heb een punt van orde. Wanneer krijgen we daarvan een terugkoppeling? Dat lijkt me relevant.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik gaf in mijn antwoord aan dat ik daarover begin volgend jaar in gesprek ga met 113 Zelfmoordpreventie. Daar hebben wij voortdurend contact mee, maar dan gaat het specifiek over de doorontwikkeling van de landelijke agenda. Wanneer kunnen we dat terugkoppelen? Voor de zomer? In ieder geval kan ik u laten weten waar in het proces we dan zitten. Als we echt iets willen dat al vóór 2021 en verder van toepassing moet zijn, denk ik dat we u daarover voor de zomer ook inhoudelijk kunnen informeren.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Het is misschien goed om ons te realiseren dat de huidige tweede agenda tot 2020 loopt. Dat houdt in dat een nieuwe agenda in 2020 en niet in 2021 gemaakt moet worden. Kan de Minister zeggen dat die agenda er in 2020 komt?

Staatssecretaris Blokhuis:

Ja, dat heb ik net toegezegd.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Nee, u heeft gezegd dat u ons voor het zomerreces gaat informeren. Maar als er een plan voor de komende vijf jaar komt, dan hoop ik ook dat de benodigde financiën daarbij gepland worden, want we zien dat het budget van 4 naar 2 miljoen gaat.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dan begint het best wel spannend te worden, maar volgens mij is het draagvlak voor de ontwikkeling waarin we nu zitten zo breed dat we daarover het gesprek open moeten voeren. Ik denk dat het goed is dat ik niet alleen een inhoudelijke agenda presenteer, maar dat ik daarbij ook een voorzet geef voor de benodigde middelen die we daaraan moeten koppelen. Dan wordt het wel even spannend of we er in aanloop naar de verkiezingen met elkaar al een klap op geven, of dat we liever even afwachten. Ik hoop eerlijk gezegd het eerste. Ik hoop dat we er met elkaar het belang van inzien om eerder zaken te doen.

De voorzitter:

De heer Voordewind, nog één vervolgvraag.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Als we dat willen doen, omdat de verkiezingen er inderdaad aankomen, dan zouden we het bij de voorjaarsnota moeten doen. Dan zien we eind juni als een soort deadline om plannen te hebben, en is er tegelijkertijd een voorschot op de meer structurele financiering. Ik geef het de Staatssecretaris maar even mee.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik vind dat een goed voorstel. De ervaring leert trouwens dat ik dan al in februari bij de Minister van Financiën langs moet gaan. Maar ik hoor hier een heleboel support, dus het zal vast goed komen.

Mevrouw Diertens (D66):

Dit geldt voor de opvolging van die landelijke agenda, maar misschien past het ook bij nazorg en jongeren. Wat gaan we in gang zetten met en voor de jongeren? Ik zou die vraag toch wel heel sterk willen benadrukken en ik hoop dat de Staatssecretaris daarop kan reageren. Het gaat hier nu heel veel over de opleiding van zorgprofessionals, over onderzoek en over kennisdeling en dergelijke. Maar ik merk dat er onder jongeren die dit hebben meegemaakt erg veel behoefte is aan antwoorden op de vragen hoe zij kunnen signaleren en hoe zij hiermee om kunnen gaan. Ik zou willen dat ook daarvoor aandacht komt.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik denk dat dit een uitgelezen thema is om mee te nemen in het vervolg op de landelijke agenda. Volgens mij staat het nu niet zo prominent als aparte poot in de agenda, dus ik denk dat het inderdaad een heel belangrijk aandachtspunt is. Wij hebben natuurlijk wel de campagne «Hey! Het is oké», maar dat is een campagne om depressie in de breedte onder de aandacht te brengen. Ik zeg toe dat ik dit element meeneem. Er zitten hier mensen van 113 Zelfmoordpreventie in de zaal en zij horen dit ook; dan hebben we gelijk de agenda al geformuleerd.

De voorzitter:

De Staatssecretaris vervolgt.

Staatssecretaris Blokhuis:

Volgens mij moet ik een tandje sneller gaan praten om de Tweede Kamer nog een tweede termijn te gunnen.

De voorzitter:

Dat is een heel goed idee.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik wilde zonet beginnen met een antwoord in de richting van de voorzitter, de heer Van der Staaij, rond Supranet en de samenwerking met hulpverleners en familie bij het behandelen en voorkomen van suïcides. Dit is een heel belangrijk aandachtspunt in de aanpak van Supranet, waarbij heel breed wordt gekeken naar het onderwijs, huisartsen, GGD's – kortom, alle betrokken organisaties – en zeker ook families en naasten. Wat mij betreft is er dus een voluit, ruimhartig ja tegen het betrekken van familie daarbij. Bij de uitrol van Supranet is dit een heel belangrijk aandachtspunt. Ik verwijs naar de documentaire Doodzonde, die ook de voorzitter volgens mij noemde.

Voorzitter. Er zijn vragen gesteld over de gatekeeperstrainingen die een rol hebben in de brede aanpak. Bijvoorbeeld: hoeveel huisartsen hebben die gevolgd? Er zijn 762 mensen getraind, en ongeveer een derde daarvan is huisarts. We hebben een veelvoud aan huisartsen, een «veelveelvoud» zelfs, dus er is nog heel veel werk te doen. Wat mij betreft is er nog heel veel effort nodig om veel bredere groepen te bereiken. Ook dit is wat mij betreft een onderdeel van de agenda die we met elkaar hebben af te handelen. Trouwens, in het noorden van het land zijn veel huisartsenpraktijken inmiddels al getraind. En als je het hebt over gatekeeperstrainingen in relatie tot boeren – dat onderwerp komt hierna – weet ik dat bijvoorbeeld ook medewerkers van FrieslandCampina trainingen krijgen. Zij kunnen bijvoorbeeld aan de hand van signalen op boerenerven zien of er reden is tot zorg.

Overigens is er ook een gratis e-learning ontwikkeld waar veel belangstelling voor bestaat. Dat is iets anders dan de gatekeeperstraining. Op alle mogelijke manieren worden dus mensen geschoold. 113 Zelfmoordpreventie zal samen met de koepel van huisartsen, het NHG, deze e-learning onder de aandacht brengen, om vooral in te zetten op gespreksvaardigheden: hoe breng je het thema überhaupt in een gesprek aan de orde?

Voorzitter. Dan de doelgroep boeren. Mevrouw Agema pleit ervoor te onderzoeken waarom het bij deze groep zoveel voorkomt. Uit cijfers van het CBS blijkt nu dat er gemiddeld jaarlijks 25 of 26 suïcides in de agrarische sector plaatsvinden. Dat zijn er 25 of 26 te veel, zeg ik dan. Het is belangrijk dat we die gatekeeperstrainingen sowieso blijven promoten, ook met het oog op deze doelgroep. Zoals ik net aangaf is FrieslandCampina hierin ook actief. Ik zal ook dit met 113 Zelfmoordpreventie bespreken, evenals de vraag hoe we specifiek naar beroepsgroepen onderzoek kunnen doen, want daar werd ook in den brede naar gevraagd. Ik vind dit wel een spannende vraag in relatie tot privacy-technische aangelegenheden, maar ik kan me voorstellen dat het heel relevante informatie met zich mee kan brengen.

De voorzitter:

Mevrouw Agema heeft nog een interruptie.

Mevrouw Agema (PVV):

Ik meen een toezegging te horen, voorzitter. Ik zou het even wat preciezer willen formuleren. Dat onderzoek naar beroepsgroepen wordt in de landen om ons heen allang gedaan, maar dan heb je natuurlijk alleen maar kale informatie. Het gaat mij erom dat er in dat onderzoek informatie opgevraagd of betrokken wordt waar we uiteindelijk wat aan hebben, zoals beweegredenen. Ik weet niet wat je kunt onderzoeken, maar je moet er iets aan hebben. Je gaat geen onderzoek doen om het onderzoek te doen. Je moet er uiteindelijk iets mee kunnen.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dat is een terechte opmerking. Aan kale informatie hebben we niets. Er moet een duiding bij zitten en er moet handelingsperspectief achter vandaan komen. Dat is precies het gesprek dat we hierover willen voeren met 113 Zelfmoordpreventie. Ik zal dat gesprek voeren. Ik weet niet in welke termijnen we allemaal dingen moeten terugkoppelen, maar wat mij betreft is het logisch om ook dit een plek te geven in die meerjarenagenda waarover ik de Kamer voor de zomer van volgend jaar zal informeren. Wat mij betreft is dat een toezegging.

De voorzitter:

Ja, zeker. Het wordt hier geregistreerd als een toezegging.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. Mevrouw Kuiken heeft gevraagd in hoeverre het UWV naar depressie vraagt als mensen uitvallen en wie we hierbij verder nog kunnen inzetten. 113 Zelfmoordpreventie heeft regelmatig contact met de UWV's voor de gatekeeperstraining. Die training wordt dus ook daar aangeboden. Dit kan nog wel verstevigd worden, want daar werken veel mensen. Ik hoop begin volgend jaar het gesprek te hebben met mijn collega-bewindspersonen van Onderwijs en van Sociale Zaken. Dan zal ik dit thema specifiek onder de aandacht brengen. Wij zien allen het belang dat dit ook bij het UWV voor het voetlicht wordt gebracht.

Voorzitter. Mevrouw Diertens geeft aan dat mensen met schulden en mensen uit de lhbti-doelgroep vaker zelfmoord plegen en vraagt of ik mij hard wil maken voor extra gatekeeperstrainingen. In het licht van de vorige antwoorden zal het niet verbazen dat ik dat zeker zal doen. Zij weet dat ik mij sterk maak om juist deze doelgroepen te ondersteunen. In antwoord op deze vraag zeg ik dus van harte ja.

Registreren naar beroep is net behandeld. Dat ga ik in bespreking brengen met 113 Zelfmoordpreventie.

Mevrouw Kuik heeft gevraagd hoe we borgen dat deurwaarders het suïcideprotocol gebruiken. 113 Zelfmoordpreventie is daarover nog met de sector in gesprek. Dat moet leiden tot een protocol. Wat mij betreft mag daar best wat druk op, dus ik wil graag doorgeven aan 113 Zelfmoordpreventie dat er ook vanuit de Kamer die roep om druk is, omdat ook dat een belangrijke signaleringsgroep is.

Voorzitter. De heer Voordewind heeft gevraagd naar de betrokkenheid van de media. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat zij op een verantwoorde manier met dit onderwerp omgaan? Er is een gedragscode, c.q. de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek. 113 Zelfmoordpreventie monitort alle online berichtgeving over suïcide, evenals alle radio en televisie-items. Het oordeel van de organisatie is dat in toenemende mate journalisten goed doorverwijzen naar 113 Zelfmoordpreventie. Zij zoeken zelf contact en vragen ook advies. 113 Zelfmoordpreventie zelf bezoekt regelmatig redacties van dagbladen. Die connectie is dus behoorlijk stevig. Ik citeer: «Er worden regelmatig artikelen offline gehaald of er wordt informatie aangepast na contact met ons. Er lijkt sprake te zijn van meer bewustzijn en de journalistiek heeft een positieve houding richting 113 Zelfmoordpreventie.»

Voorzitter. Mevrouw Van Kooten-Arissen heeft gevraagd waarom we met risicogroepen werken. U heeft niet gezegd dat de hele samenleving onderhand een risicogroep is, maar gevraagd of die wel zo in groepen te knippen is. Voor het onder de aandacht brengen van depressie hebben de campagnes wel zes prioritaire doelgroepen; volgens mij zijn die overigens met volledige instemming van de Kamer benoemd. We zijn er nu mee bezig om die doelgroepen via gerichte campagnes te benaderen. Met de publiciteitscampagne «Hey! Het is oké» probeer ik Nederland-breed het taboe te doorbreken om over psychische aandoeningen te spreken. Daarmee raak je dus in feite alle Nederlanders.

Voorzitter. Mevrouw Kuiken heeft gevraagd wat ik doe met de kwetsbaarheid van uitzendkrachten. Zij zijn niet door ons benoemd als een specifieke risicogroep, maar dit is wel een terecht aandachtspunt. Jonge vrouwen kunnen trouwens ook een risicogroep zijn, en er kunnen andere risicogroepen zijn die onder de campagne «Hey! Het is oké» vallen. De inzet op risicogroepen willen we eigenlijk voortzetten zoals we het nu doen. Ik zie geen aanleiding om in te gaan op specifiek de doelgroep van uitzendkrachten. Als u bijvoorbeeld zegt dat we dat in relatie tot de contacten met het UWV en het gatekeepersverhaal kunnen doen, dan kunnen we het daar wel plaatsen.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter, dank voor deze kans om het nog een beetje toe te lichten. Kijk, ik wil dat er aandacht voor is bij bedrijfsartsen en bij het UWV. Er wordt te weinig doorgevraagd, bijvoorbeeld naar het verleden van mensen. Het gaat soms ook om seksueel misbruik. Maar als er geen natuurlijke werkrelatie is, wat het geval is als mensen veel uitgeleend worden, wie is er dan primair verantwoordelijk voor het welzijn van deze mensen? De uitzendbranche heeft dan wel degelijk een relatie met deze mensen. Ik zou dus de uitzendbranche nadrukkelijk willen betrekken in mijn oproep aan de bedrijfsartsen en het UWV. Niet zozeer als een hele nieuwe partner, maar vanwege het gegeven dat uitzendkrachten een specifieke groep vormen die niet automatisch een werkgever-werknemersrelatie hebben.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dat lijkt me een terechte oproep. Ik wil die ter harte nemen en bespreken met 113 Zelfmoordpreventie. Gisteren hebben we overigens in het nieuws kunnen vernemen dat het aantal mensen dat via een uitzendbureau aan het werk komt niet afneemt, ondanks de economische hoogconjunctuur. Deze doelgroep blijft dus groot.

Voorzitter. Mevrouw Diertens heeft gevraagd hoe de nazorg geregeld is. Dat is toch wel een heel terecht punt, want daar valt nog wel het nodige te verbeteren. Sowieso geldt dat op de spoedeisendehulpafdelingen van ziekenhuizen, want mensen komen daar binnen en dan is de vraag welk vervolg je gaat organiseren. Voor nazorg ligt de nadruk dus wel bij de ziekenhuizen en de spoedeisende hulp. Zoals ik net al noemde is er een toenemend aantal ziekenhuizen aangesloten bij onze brede aanpak. Dat aantal ziekenhuizen groeit snel, maar dat is maar één categorie. Supranet wordt heel breed uitgerold, zoals ik aan de Kamer heb gemeld. Ik vind het logisch dat je onder de vlag van de ontwikkeling daarvan bijvoorbeeld ook de sociale teams van de gemeenten in stelling brengt. Juist ook als mensen gewoon weer rustig thuis wonen, zou men een oogje in het zeil moeten houden en moeten kijken of mensen zich redden.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik krijg de indruk dat er na één poging vaak nog meerdere pogingen zijn, maar ik weet niet in hoeverre daar cijfers over zijn. Het is maar net hoe je definieert wat preventie is. Ook daarna moet iemand niet zozeer in de gaten worden gehouden, maar moet de omgeving zich bewust zijn van de angst dat het nog een keer gebeurt. Ik vind het heel erg belangrijk dat daar aandacht voor is.

Staatssecretaris Blokhuis:

In reactie op de vraag van de heer Van der Staaij over betrokkenheid van de directe omgeving als familie en bekenden, ben ik zonet al ingegaan op dat ook zij wat mij betreft betrokken moeten worden bij de Supranet-ontwikkeling.

Voorzitter, ik kom bij het blokje opleidingen. Er zijn vragen gesteld over de petitie die vorige week is aangeboden. Ik heb grote waardering voor de inzet van de initiatiefnemers om dit onderwerp goed voor het voetlicht te krijgen. Zij tonen die inzet al jarenlang en het is geen gemakkelijke opgave. Ik steun het initiatief van harte. Ik heb bij de initiatiefnemers proberen aan te geven waar mijn verantwoordelijkheid begint en ophoudt, en waar die bij anderen ligt. Ik wil het onderwerp op de agenda zetten in al mijn overleggen met de koepels, en zij gaan vervolgens zelf over de inhoud van hun opleidingen. Zo zijn de verantwoordelijkheden verdeeld. De kwaliteit en de inhoud van opleidingen wordt door de branches en de beroepsbeoefenaren zelf voorgesteld. Ik maak weleens de vergelijking met chirurgische ingrepen: ik ga ook niet tegen hartchirurgen zeggen hoe zij een hartoperatie moeten doen. De inhoud ligt dus bij de beroepsgroepen. Maar ik beloof graag aan de Kamer wat ik ook aan de initiatiefnemers en petitie-indieners heb beloofd. Dat is dat ik de komende tijd dit onderwerp graag in alle overleggen met de koepels goed voor het voetlicht wil brengen, met nadrukkelijk de vraag of zij het alsjeblieft willen onderbrengen in het curriculum van de opleidingen. Diezelfde vraag zal ik ook neerleggen bij mijn collega's van Onderwijs, omdat zij voor een belangrijk deel over de initiële opleidingen gaan. Beide dingen heb ik beloofd aan de indieners van de petitie, en ik herhaal ze hier graag.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik weet hoe de verhoudingen liggen als het gaat om onderwijs en andere sectoren: de initiële opleidingen liggen natuurlijk bij de Minister van Onderwijs, en nascholing hoort vooral bij de branche zelf. Tegelijkertijd is in die petitie heel nadrukkelijk naar voren gekomen dat het onderwerp eigenlijk nauwelijks voorkomt; dit onderwerp krijgt eigenlijk geen plek. Het gaat hier om opleidingen van hulpverleners, psychologen, psychiaters, verpleegkundigen en huisartsen. Mevrouw Kuiken heeft er vandaag nog even bedrijfsartsen aan toegevoegd. Ik vind het eigenlijk ook niet raar dat het onderwerp nauwelijks voorkomt, want het is een ontzettend ingewikkeld onderwerp. Je kunt het als kennisonderwerp nog wel een plek geven in een curriculum, maar het gaat hier ook over vaardigheden – wat voor soort gesprek moet je voeren? – en zelfs over houding: durf je dat gesprek aan te gaan? Dit zijn ook voor hulpverleners geen thema's die gemakkelijk uit zichzelf in zo'n curriculum terechtkomen. Ik begrijp de positie van de Staatssecretaris, die aangeeft dat hij dit op de agenda zet in zijn gesprekken met de koepels, maar ik vind dat toch ook een heel vrijblijvende houding ten aanzien van dit thema. Graag hoor ik daarop nog een reactie.

Staatssecretaris Blokhuis:

Het is absoluut niet vrijblijvend bedoeld. Ik zie het echt als mijn morele plicht om dit goed voor het voetlicht te brengen en dit goed met de koepels te bespreken, met het nadrukkelijke verzoek om er aandacht aan te besteden. Als ik het vervolgens zou gaan voorschrijven, beland ik in een positie die ik op grond van de wet helemaal niet heb. Ik wil dus echt duidelijk zijn over mijn verantwoordelijkheid en ik kan niet verder gaan dan dit toe te zeggen. Ik vind dat trouwens al heel wat en ik wil het met verve doen, net zoals ik dat aan mijn collega's van Onderwijs zal vragen voor hun contacten met hun koepels.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik vraag niet om het voor te schrijven. Ik heb het programma van Argos beluisterd. De journalist had eens even rondgebeld bij een aantal universiteiten. 113 Zelfmoordpreventie heeft overigens ook zelf een inventarisatie gedaan onder een aantal hbo-instellingen en universiteiten. Daaruit blijkt eigenlijk dat wat er gebeurt heel verbrokkeld is. Zou de Staatssecretaris ook zelf een brede inventarisatie willen doen? Volgens mij hoeft hij daarvoor niet naar de Minister van Onderwijs te stappen. Als we nu constateren dat het onderwerp eigenlijk niet aan bod komt, laten we dan onderzoek doen naar hoe het er nu uitziet in de breedte van die opleidingen, inclusief die van de bedrijfsartsen. Als je zo'n onderzoek inzet, heb je een nulmeting op tafel. Als wij dan over twee of drie jaar weer hierover spreken, kan er een ander gesprek met het onderwijs gevoerd worden dan nu het geval is.

Staatssecretaris Blokhuis:

Volgens mij heb ik tot nu toe in dit algemeen overleg toegezegd dat ik al heel veel dingen in beeld wil brengen, maar dit vind ik echt overvragen. Het is geen onwil. Volgens mij was de aanleiding voor de petitie juist dat de indieners zelf na onderzoek constateerden dat er te weinig aandacht voor is, en die mensen zitten heel goed in dit veld. Dat is dus al een nulmeting: het gebeurt te weinig. Overigens gebeurt het wel, want in aanloop naar dit algemeen overleg heb ik eens aan mijn huisarts gevraagd: heb jij er in jouw opleiding aandacht voor gehad?. Mijn huisarts zei: «Volop! Ik heb wél geleerd die vragen te stellen.» Het gebeurt dus wel, maar kennelijk veel te weinig. De indieners van de petitie zeggen dat het nauwelijks gebeurt en dat is voor mij de nulmeting. Ik spreek de branche daarop aan.

Voorzitter, ik wil naar het volgende blokje: jongeren en suïcide. Mevrouw Kuik van het CDA en mevrouw Agema van de PVV vroegen hoe het met het project STORM staat en of dat verder in het land wordt uitgebreid. Hoe wordt het thema jongeren goed belicht? Ik vind het project STORM een heel goed initiatief. Volgens mij vindt mevrouw Kuik dat ook. Ik vind het vooral belangrijk dat scholen zelf het belang hiervan inzien en hieraan belang hechten, en dat er dus draagvlak voor is en er vanuit een intrinsieke motivatie aandacht aan wordt besteed. Ik neem het onderwerp mee in het verdere gesprek met de bewindslieden van Onderwijs en, voor zover relevant, ook Sociale Zaken. Wat mij betreft is er volop aandacht voor.

Mevrouw Kuik (CDA):

Het project STORM is natuurlijk ingezet vanuit suïcidepreventie en niet vanuit onderwijs. Zij geven aan dat ze de successen van het project zien en vragen of ze het ook in andere regio's kunnen inzetten. Het lijkt mij dat dat onder de Staatssecretaris valt, en niet onder Onderwijs.

Staatssecretaris Blokhuis:

Point taken. Ik neem dat op me als mijn verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd wil ik het ook verbreden, want mijn collega van Onderwijs heeft natuurlijk heel veel contacten met het primair en het voortgezet onderwijs over bijvoorbeeld dit soort programma's. Dus eigenlijk is mijn geste juist dat we het samen willen doen.

Voorzitter. De heer Hijink heeft gevraagd hoe het in de jeugdzorg gaat. Ook anderen hebben naar de jeugdzorg verwezen. Wat gaan we samen met Minister De Jonge doen om de situatie te verbeteren? Minister De Jonge zit volgens mij in Japan, dus ik kan nu helemaal losgaan – nee, ik moet hier op mijn woorden letten, omdat het zijn portefeuille raakt. Het heeft wel zijn volledige aandacht, want ten gevolge van de enorm schokkende cijfers van 2017, namelijk een groei van 50 naar meer dan 80, was het bij ons alle hens aan dek. We hebben onderzoekers om de tafel gezet met de vraag om in beeld te brengen waar dit aan lag, ook in relatie tot het aanbod van de jeugdzorg, want die veel bredere vraag zit er natuurlijk ook achter. Wij laten het dus breder in beeld brengen. Ik pak mijn verantwoordelijkheid specifiek waar het gaat om de situaties waarin suïcide plaatsvindt, al dan niet in de jeugdzorg, en wat je daar direct aan kunt doen. De bredere vraag hoe het in de jeugdzorg is, ligt echter primair op het bordje van mijn collega De Jonge. Zoals u weet is aan de gemeenten over drie jaar een bedrag van meer dan 1 miljard toegekend om daarin extra te investeren. Daarover voert u apart het debat met hem, volgens mij ook in het kader van de begrotingsbehandeling. Daar zou ik het liefst naar willen verwijzen.

Ik heb volgens mij nog één blokje. Of ben ik klaar? O, ik ben klaar.

De voorzitter:

Er zijn nog...

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik hoef niet per se een tweede termijn, als ik gewoon nog één vraag mag stellen.

De voorzitter:

Even kijken. Ik zie dat er nog antwoorden moeten komen. We beginnen met de tweede termijn van de kant van de Kamer. Er is twee minuten spreektijd. Dan is allereerst het woord aan de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de Staatssecretaris dat hij een en ander zo gedreven oppakt. Ik zie uit naar de resultaten. Hij heeft onder andere gezegd dat hij extra inzet zal plegen als het gaat om de voorlichting over het telefoonnummer 0900–0113. We kunnen dat nummer hier niet te vaak zeggen. Kan hij terugkoppelen wat hij precies aan voorlichting gaat doen? Kan hij de Kamer informeren als het met de providers gelukt is om het bandje achter 113 te zetten? Dan weten wij dat ook.

Het tweede punt was de media. Het klopt dat er meer gebeurt, maar de Leidraad is nog steeds niet aangepast. Ik probeer al tien jaar het gesprek aan te gaan, maar de Leidraad voor de journalistiek is nog steeds niet aangepast. Het zou toch ook voor de nieuwe journalisten helder zijn als ze weten hoe ze hiermee moeten omgaan.

Het derde punt is de Levenseindeklinieken. We hebben gisteren een documentaire gezien over drie dames, waaronder een depressieve dame, Ilse, die niet was uitbehandeld en toch een procedure in de Levenseindekliniek kon krijgen. Moet een laatste behandelend psychiater een verklaring geven voor een uitbehandeling? Want dat was in dit geval niet het geval.

Ik wacht met spoed, of met zeer grote interesse, de nieuwe landelijke agenda af.

Dank u wel.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Diertens.

Mevrouw Diertens (D66):

Ik dank de staatsecretaris voor zijn toezeggingen, met name voor de toezegging dat jongeren in de landelijke agenda worden meegenomen en dat we daar aandacht aan gaan besteden, met name ook voor de gatekeeperstraining onder scholieren en lhbti-jongeren. Het scheelt een motie dat die toezegging werkelijk gedaan is, dus in die zin is dat fijn.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Renkema.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik ben blij dat het kwalitatieve onderzoek wordt uitgevoerd waarover is gesproken. Gaat dat onderzoek alleen over de suïcide onder jongeren, die toen een piek had, of is het breder? In hoeverre worden de gesloten jeugdzorg en de ggz daar goed bij betrokken? Want 40% van de mensen die suïcide pleegt, is in zorg.

Ik mis nog een reactie op mijn vragen over de inzet van gz-psychologen. Ik heb in mijn bijdrage nadrukkelijk een relatie gelegd tussen de wachtlijstenproblematiek en het aantal suïcides in de ggz. Ik heb daar geen reactie op gekregen.

Ik wil meteen van de gelegenheid gebruikmaken om een VAO aan te vragen.

De voorzitter:

De heer Hijink heeft geen behoefte aan een tweede termijn. De heer Wörsdörfer.

De heer Wörsdörfer (VVD):

Dank u wel, voorzitter. We hebben eigenlijk met name gesproken over hoe we de hulpverleners zo goed mogelijk kunnen equiperen om hun werk te doen. Ik ben heel blij dat de Staatssecretaris zegt dat hij met zijn collega's gaat spreken, zodat niet alleen hij maar ook anderen met allerlei koepels in gesprek gaan om ervoor te zorgen dat er zo veel mogelijk aandacht en opleiding komt voor zelfmoordpreventie.

Ik noemde zojuist dat filmpje op de BBC en dat noem ik niet voor niks. We moeten namelijk niet vergeten dat we moeten proberen om de mensen die ergens mee worstelen, dat te laten bespreken. Ik hoop dat dat in het vervolg in het landelijk actieprogramma nadrukkelijk wordt meegenomen. Ik denk dat dat goed is. Ik ben blij dat het actieprogramma begin volgend jaar een slinger krijgt. Je kunt zoeken naar de mensen, maar het zou het allermooist zijn als de mensen zelf begrijpen dat het helemaal niet erg is om in gesprek te gaan over de strubbelingen die zij hebben.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Kuik.

Mevrouw Kuik (CDA):

Voorzitter, dank. Als je als Fries hulp zoekt en niet in je taal beantwoord kunt worden, werpt dat een extra drempel op. De Staatssecretaris heeft nog geen antwoord gegeven op de vraag of hij wil kijken naar de mogelijkheden voor juist die groep.

Het is mooi dat de landelijke agenda wordt doorgezet. Ik had het over Next Level en over het neerzetten van doelstellingen. Wat betreft zo'n suïcideprotocol voor deurwaarders: de Staatssecretaris heeft het over «druk zetten». Maar het is ook mooi als we een ambitie neerzetten over wat dat dan moet zijn. Moet dat een verdubbeling zijn? Dan kunnen we ergens naartoe werken en de resultaten controleren.

Het is mooi dat het project STORM ook bij de Staatssecretaris goed onder de aandacht is en dat hij ermee aan de slag wil om het verder te brengen. De vraag is wel wanneer we daar dan op terugkomen, want ook het Ministerie van Onderwijs gaat hiermee aan de slag. Kan de Staatssecretaris concreter aangeven wanneer wij de resultaten hiervan kunnen zien?

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Van Kooten-Arissen.

Mevrouw Van Kooten-Arissen (vKA):

Voorzitter, dank u wel. Ik wil de Staatssecretaris bedanken voor zijn beantwoording en al zijn waardevolle inspanningen op dit onderwerp. Ik ben heel erg blij met de toezegging dat hij met Netflix en andere, soortgelijke diensten in gesprek wil gaan om het nummer in beeld te brengen na series die over zelfmoord gaan.

Ik heb eventjes op het Twitteraccount van @113preventie gekeken. Dat heeft slechts 3.633 volgers. De staatssecretarissen, de ministers en de Kamerleden hebben een heel groot bereik op Twitter. Wil de Staatssecretaris een beroep doen op de Kamer om het nummer op social media te plaatsen en dat te retweeten, zodat het nummer meer volgers krijgt?

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Agema.

Mevrouw Agema (PVV):

Dank u wel, voorzitter. 40% van de mensen die zelfmoord plegen is onder behandeling bij de ggz. Ik had gevraagd of de Staatssecretaris daar meer duidelijkheid over kan geven, en of daar duiding aan te geven is. Dat vind ik wel belangrijk. Als je door het boekje bladert dat aan ons is uitgereikt en naar de persoonlijke verhalen kijkt, zie je dat er vaak sprake was van zorg, of dat er geen mogelijkheid meer was tot opname, terwijl patiënten of familie dat wel graag hadden gewenst. Je ziet eigenlijk dat er een hoop mis is. Als de Staatssecretaris uitgaat van zero suïcide, moet je wel boter bij de vis doen. Dan moet je ook inzicht hebben in of de ggz voldoende beschikbaar is en niet te vaak tekortschiet als het gaat om wachtlijsten, en of er voldoende intramurale bedden zijn. Als je A zegt en die ambitie hebt, moet je ook B zeggen. Daar zou ik graag meer van willen weten.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is tot slot het woord aan mevrouw Kuiken.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Ik vind dit een fijn debat, omdat het heel eensgezind is en we het heel erg eens zijn. Ik voel bij de Staatssecretaris dat hij dit een enorm belangrijk onderwerp vindt. We kunnen op basis van dit debat volgens mij weer een aantal stappen zetten, onder andere met het programma.

Ik heb nog één concrete vraag over iets dat mij enigszins puzzelt. Als je kankerpatiënt bent, krijg je, ook al ben je genezen verklaard, vaak nog elk jaar, of elke twee jaar of vijf jaar, een check-up bij wie je dan ook maar onder behandeling was. Waarom doen we dat niet voor mensen die een zelfmoordpoging hebben gedaan, een chronische depressie hebben of een flinke depressie hebben gehad? Is het niet verstandig om te zeggen: ik wil je bij wijze van spreken één keer in het jaar terugzien bij je psycholoog, bij je psychiater of bij degene bij wie je onder behandeling was? Zo'n mental health check is volgens heel gezond en past in deze samenleving. Graag een reactie van de Minister.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kuiken. We zijn hiermee aan het einde van de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik constateer dat de Staatssecretaris gelijk kan antwoorden. Het woord is aan de Staatssecretaris voor de beantwoording in tweede termijn.

Staatssecretaris Blokhuis:

Voorzitter. De heer Voordewind vroeg hoe het met de voorlichting zit.

De voorzitter:

Ik heb overigens nog even een dienstmededeling. Een aantal collega's had de oorspronkelijke eindtijd van 12.00 uur in de agenda staan en had geen uitloopruimte meer. Omdat we iets later zijn gestart, willen we ook iets langer doorgaan. De leden die de zaal moesten verlaten zijn geëxcuseerd.

Staatssecretaris Blokhuis:

De heer Voordewind vroeg terecht hoe het met de voorlichting zit en of ik duidelijkheid wil scheppen over hoe die wordt vormgegeven. We zijn ook daarover in gesprek met 113 Zelfmoordpreventie. Ik beloof de Kamer dat ik over twee, drie weken de Kamer een brief stuur over hoe we het vormgeven, over hoe de communicatie loopt, over de voorlichting in relatie tot het bandje en over andere stappen die we zetten. Dat is gelijk een antwoord op de vraag van mevrouw Van Kooten-Arissen over de social media. Die kunnen we daar denk ik ook wel in meenemen. Misschien is dat een procesantwoord, maar daarin zullen stappen te zetten zijn.

Voorzitter. De heer Voordewind zegt dat de Leidraad bij de Raad voor de Journalistiek nog steeds niet is aangepast. Ik gaf in mijn eerste termijn aan dat we daarover met 113 Zelfmoordpreventie in gesprek zijn, maar het is wel aan de Raad voor Journalistiek zelf om die Leidraad aan te passen. Ik wil beloven er nog een keer op te duwen en het belang daarvan te onderschrijven via 113. Maar zij moeten hem zelf aanpassen, want die Leidraad is van henzelf. Ik hoop dat de heer Voordewind die governance nog steeds onderschrijft.

Voorzitter. De heer Renkema vroeg of het kwalitatieve onderzoek zich alleen tot jongeren beperkt. Het antwoord daarop is heel simpel: ja. Dat hebben we ook aan de Kamer bericht. Het gaat over die piek naar 81 jongeren. Afschuwelijk. We willen vooral inzichtelijk hebben hoe dat komt, dus daar richt dat kwalitatieve onderzoek zich met name op.

De heer Renkema vroeg hoe het zit met de opleidingen rond gz-psychologen. We leiden nu al op volgens de maximale raming van het capaciteitsorgaan. Daarnaast loopt de regionale wachttijdenaanpak, waarbij we via regionale taskforces proberen om de wachtlijsten naar beneden te krijgen. Er is dit jaar op basis van het hoofdlijnenakkoord 20 miljoen extra beschikbaar om de beroepsgroepen in te zetten die nodig zijn. Daar zou de sector ook uit kunnen putten.

Voorzitter. De heer Wörsdörfer – ik moet uw naam wel goed zeggen; mooi, ik moet vaker in debat met u – zei dat mensen in gesprek moeten durven gaan en dat het taboe van het gesprek af moet. Dat probeer ik juist te organiseren door zo'n campagne als «Hey! Het is oké». Het maakt depressie bespreekbaar. Ik wil van de taboes af van de ggz-gerelateerde vragen en dat gaat heel breed. Dus inderdaad alsjeblieft het taboe eraf, en ik hoop dat we allen daaraan bijdragen.

Mevrouw Kuik volhardt in haar poging om het Fries ook bij zelfmoordpreventie een stevige plek te laten krijgen. Maar als u het niet erg vindt: er zijn een heleboel dingen te doen. Het eerste is dat nummer, 113, en de gesprekken met 113 Zelfmoordpreventie over hoe we in de toekomst allerlei dingen gaan inrichten. Ik vind sowieso dat ook mensen in Friesland het Nederlands moeten kunnen verstaan. Volgens mij leren ze dat ook op school. Dat is het eerste uitgangspunt. Dat ze het zelf doen is oké, maar de vraag of we daarnaast vanuit Den Haag extra publieke middelen moeten inzetten, zou ik niet een-twee-drie met ja willen beantwoorden. Ik beloof ook hier – dat doe ik straks ook nog bij een aantal dingen – dat ik dit aspect wil betrekken bij de langer lopende nieuwe agenda die we met elkaar gaan formuleren.

Mevrouw Kuik (CDA):

Als je in nood zit, is het soms al een drempel om hulp te vragen. Er zijn genoeg mensen die Fries spreken, wat de taal vanuit hun hart is. Dat kan zeker in zo'n vertrouwelijk gesprek van waarde zijn. Bij 112 is daar ook aandacht voor geweest. Het is bij 112 gedaan. Kunnen we daarom ook bij 113, waarbij het om gevoelige gesprekken gaat, naar de mogelijkheden kijken? Er wordt met een heel team gewerkt. Kan daar een mouw aan gepast worden?

Staatssecretaris Blokhuis:

Mevrouw Kuik zou aan mijn antwoord van zojuist de conclusie kunnen verbinden dat ik een probleem bagatelliseer. Dat wil ik niet. Ik zie het probleem en ik zie ook dat mensen hun gevoelens het beste in hun eigen taal kunnen verwoorden. Dat geldt overigens niet alleen voor Friezen. Ik beloof dat ik dit specifieke punt zal overleggen met 113 Zelfmoordpreventie, om te bespreken of zij die expertise kunnen gaan inzetten.

Voorzitter. Mevrouw Kuik vroeg of de tussendoelen rond depressiepreventie er al zijn en wat de indicatoren zijn. De tussendoelen en de bijbehorende indicatoren worden op dit moment ontwikkeld. Bij de volgende voortgangsrapportage rond die campagne zal ik u hierover nader informeren. Dat is in april 2020.

Mevrouw Kuik vroeg wanneer we de resultaten van STORM zien. We zullen dit meenemen in ons overleg met het Ministerie van Onderwijs begin volgend jaar. Ook hier kom ik graag in het voorjaar op terug.

Ik kom op de jaarlijkse check-up. Ik heb daarnet al aangekondigd dat er verschillende vragen zijn die meer in de breedte kunnen worden gezet. Dit valt eigenlijk onder het thema «nazorg». Wat mij betreft is dit een thema dat ik bij de ontwikkeling van de nieuwe agenda bespreek met 113 Zelfmoordpreventie en andere relevante actoren. Ik vind het een hele logische vraag. Ik denk niet dat mevrouw Kuiken het bedoelt als een plicht – gij zult – maar misschien wel; ik weet het niet.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik zou het fijn vinden als u dit als een concrete suggestie kunt meenemen in de nazorgaanpak. Ik vind het onlogisch dat we dit soort nazorgtrajecten wel laten terugkomen bij de fysieke gezondheidszorg, maar dat we het niet regelen als het gaat over je mentale gezondheid, als er iets zo evidents is gebeurd. Ik ben niet zo'n expert, maar ik ken inmiddels genoeg mensen die zeggen dat ze eigenlijk chronisch depressief zijn. Dat wil niet zeggen dat ze elk moment van plan zijn om hele drastische stappen te nemen, maar ik denk dan wel: is er nog iemand die naar ze omkijkt? Vaak is dan het antwoord: nee, ik ben eigenlijk uitbehandeld. Maar wanneer komen ze dan weer in beeld? Waarschijnlijk pas als ze weer op hun diepste punt zitten. Als je iets daartussenin kunt regelen, lijkt mij dat heel relevant, zeg ik als niet de grootste expert hier in huis.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dat schept een band. Ik hoor de vraag heel goed. Mevrouw Kuiken trok in haar termijn zelf ook de vergelijking met mensen die kanker hebben gehad en daarvan genezen zijn. Die doen ook jaarlijks of vijfjaarlijks een check-up. Dat heeft te maken met richtlijnen die de beroepsgroep heeft over wanneer je mensen laat terugkomen. Of vijfjaarlijks dan het beste is, of jaarlijks of tweejaarlijks: laten we het gesprek daarover hebben. Los daarvan wil ik dit onder de aandacht brengen. Ik beloof – dat heb ik ook gezegd – dat ik ook daarover met 113 Zelfmoordpreventie in gesprek ga. Wat is de geëigende route om dit type nazorg te borgen? Dat is één. En twee: we mogen toch ook hopen dat mensen die depressief zijn hun huisarts of andere reguliere routes in de ggz weten te vinden. Maar dat is vast niet wat mevrouw Kuiken bedoelt, want die route bestaat nu al. U wilt dat meer borgen en dat begrijp ik goed.

De voorzitter:

Dan is er nog één vraag van de heer Voordewind die openstaat, over de Levenseindekliniek.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dit is voor mij best wel glad ijs, want dit raakt de portefeuille van collega Hugo de Jonge. Ik heb net aan de Kamer beloofd dat ik over twee of drie weken informatie geef over de manier waarop we met voorlichting omgaan. Stemt u ermee in dat ik ook op dit aspect schriftelijk antwoord geef?

De voorzitter:

Dat is goed. Dan wordt dit aspect ook meegenomen. Daarmee komen we aan het einde van dit algemeen overleg, waarin heel veel toezeggingen zijn gedaan. Het waren er zelfs zo veel dat het voor de griffier op een gegeven moment niet meer bij te houden was. We hebben er wel op gelet dat het allemaal duidelijk geformuleerd is en ook met een duidelijke tijdsaanduiding. In het verslag is dus terug te vinden wat de toezeggingen precies geweest zijn. We zullen de Staatssecretaris graag daaraan houden.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ervan uitgaand dat het goed in het verslag staat.

De voorzitter:

Ervan uitgaande dat het goed in het verslag staat, maar anders letten uw medewerkers daar wel op.

Er is een VAO aangevraagd, met als eerste spreker de heer Renkema. Ik wil de Staatssecretaris, zijn medewerkers en de Kamerleden hartelijk bedanken voor hun inbreng en de mensen op de publieke tribune voor hun aanwezigheid.

Omdat het vandaag heel vaak over die hulplijn is gegaan, hecht ik eraan om voor de mensen die dit volgen af te sluiten met nog één keer duidelijk te zeggen: heeft u hulp nodig, dan kunt u contact opnemen met Stichting 113 Zelfmoordpreventie via 0900-0113. Dat nummer is 24 uur per dag bereikbaar. U kunt ook kijken op de website www.113.nl.

Sluiting 12.10 uur.