Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 14 juli 2011

De vaste commissie voor Financiën1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

Blz.

   

• Algemeen

2

• Van deskundig naar geschikt

3

• Samenwerking AFM en DNB

4

• Introductie geschiktheidstoets commissarissen

4

• Consultatie AFM / DNB

4

• Overgangsrecht

4

• Overig

4

• Artikelsgewijze toelichting

4

○ Artikel I, onderdeel B (artikel 1:47c)

4

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetvoorstel. Deze leden vragen de regering om een nadere toelichting op de samenwerking tussen DNB en AFM.

De leden van de PvdA-fractie en de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.

Van deskundig naar geschikt

De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering voorstelt om het zwaartepunt van de geschiktheid- en betrouwbaarheidstoets te verleggen van de vergunningverlenende toezichthouder naar de toezichthouder die van oordeel is dat de geschiktheid of betrouwbaarheid niet (langer) buiten twijfel staat. Deze leden hebben hierover enkele vragen. Kan de regering nader toelichten hoe dit voorstel zich verhoudt tot het Twin Peaks-model? Wanneer het uitgangspunt dat begrippen niet deelbaar zijn door de regering wordt toegepast, acht de regering het waarschijnlijk dat het Twin Peaks-model op andere beleidsterreinen ook moet worden aangepast? De regering geeft aan dat aan een oordeel van de toezichthouders een brede belangenafweging en een zorgvuldige procedure vooraf zal gaan. Hoe ziet deze procedure er uit en hoe wijkt deze af van de huidige zorgvuldige procedures? En hoe wordt op dit punt de samenwerking met de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten vormgegeven?

De leden van de PvdA-fractie vragen welke misdrijven in alle gevallen zullen leiden tot een negatief oordeel over de betrouwbaarheid. Na hoeveel jaar treedt verjaring op met betrekking tot het directe effect op de betrouwbaarheidstoets?

Is het juist dat de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoets ook achteraf, na benoeming, kan plaatsvinden? Hoe wordt vastgesteld of sprake is van (echt) nieuwe informatie, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de CDA-fractie zijn verheugd te lezen dat met het voorstel geen andere of strengere invulling wordt beoogd dan door de EU-richtlijnen is voorgeschreven. In de EU-richtlijnen wordt namelijk gesproken over open normen. Volgens het voorstel wordt dit nu aan de toezichthouders overgelaten. De Raad van State heeft echter aangegeven dat het niet zeker is dat de richtlijn deze invulling wel toestaat. Kan de regering dit nog eens nader toelichten?

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of er geen praktische problemen kleven aan het hanteren van open normen. Mogen beide toezichthouders (DNB en AFM) een verschillende invulling geven aan deze normen? In hoeverre kan hun invulling van deze open normen worden gecontroleerd? Zou er geen richtlijn moeten komen bij de vaststelling in hoeverre er sprake is van een goede invulling van de open normen? In hoeverre is dit overwogen?

De leden van de SP-fractie willen graag weten of alle eisen die door de Wet op het financieel toezicht (Wft) werden gesteld door middel van de deskundigheidseis ook in de wet worden vastgelegd voor de geschiktheidseis. Zijn er ook eisen die eerst in de wet waren vastgelegd die nu niet zijn opgenomen, mogelijk in verband met de keuze voor open normen? Welke extra eisen brengt «geschiktheid» met zich mee ten opzichte van de eis van «deskundig? In de memorie van toelichting lezen de leden van de SP-fractie het voorbeeld dat iemand wel over kennis beschikt maar zich niet professioneel gedraagt omdat hij slecht bereikbaar is. Is dat een reden om wel aan de deskundigheidstoets te voldoen, maar niet aan de geschiktheidstoets? Het andere voorbeeld dat wordt genoemd is dat iemand onvoldoende beschikbare tijd heeft vanwege veel nevenfuncties. Hoe wordt dat vastgesteld? Wordt daarmee gewoon bedoeld dat men zich aan het maximum quotum voor nevenfuncties moet houden of gaat dit verder? De leden van de SP-fractie vragen de regering daar concreet op in te gaan.

De leden van de SP-fractie vragen wat de regering ermee bedoelt dat de individuele kennis en vaardigheden van de getoetste persoon altijd worden bezien in samenhang met de kennis en vaardigheden van de andere «zittende» leden van het betrokken beleidbepalende of toezichthoudende orgaan? Wordt daarmee bedoeld dat het al of niet geschikt vinden van de persoon mede afhangt van de overige leden? Ook ten aanzien van trustkantoren wordt bij de beoordeling of een beoogde beleidsbepaler of commissaris geschikt is, gekeken naar de samenstelling van het bestuurs- of toezichthoudend orgaan van belang, zo lezen de leden van de SP-fractie. Hoe beïnvloedt die samenstelling de criteria voor geschiktheid van een individuele persoon?

Samenwerking AFM en DNB

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de communicatie tussen toezichthouders DNB en AFM verbeterd zal worden. Zal deze gekenmerkt blijven worden door uitwisseling van formeel getoonzette brieven, of zijn ook onderlinge gesprekken mogelijk?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de rol van DNB en AFM bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de geschiktheid verandert. De doorslaggevende stem komt volgens het voorstel niet meer te liggen bij de vergunninggevende toezichthouder (DNB), maar bij het eventuele negatieve oordeel van ongeacht welke toezichthouder. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat kritiek op de samenwerking tussen DNB en AFM bij dergelijke toetsen terecht is. Dit is bij het uitvoeren van de betrouwbaarheidstoets in het recente verleden een aantal keer niet goed gegaan (in het geval van oude bestuurders van DSB). In een eerdere fase is wel gemeld dat het nieuwe uitgangspunt zou worden dat de lead-toezichthouder verantwoordelijk is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon (zie schriftelijk overleg2). Dit voorstel hebben de leden van de CDA-fractie echter niet terug kunnen vinden in de memorie van toelichting. Waarom is dit nu achterwege gelaten? Wel is de kern van het eerdere voorstel gehandhaafd. Namelijk dat, in het uiterste geval, indien de toezichthouders niet tot een gelijkluidend oordeel kunnen komen zowel voor wat betreft de betrouwbaarheid als de geschiktheid, het negatieve oordeel doorslaggevend zal zijn. Dit betekent een fundamentele verandering ten opzichte van de huidige praktijk. De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre dit wetsvoorstel nu leidt tot verbetering van de samenwerking tussen de toezichthouders (die overigens in ruimschoots de meeste gevallen al goed is, zo blijkt uit de stukken). Zou het niet veeleer zo kunnen zijn dat de samenwerking juist verder verslechtert?

De leden van de SP-fractie zijn verheugd over de bepaling in het wetsvoorstel dat bij geen van beide toezichthouders twijfel mag bestaan over de betrouwbaarheid. Deze leden hebben daar al eerder voor gepleit.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad van State nogal negatief is over de bindende aanbeveling. De Raad spreekt in dit verband zelfs over incidentenwetgeving. Zou de regering nog eens helder willen aangeven wat de fundamentele noodzaak is voor de aanpassing van de wet (op deze wijze)?

De leden van de SP-fractie lezen in de toelichting dat in de lagere regelgeving zoveel mogelijk een eenduidige uitleg wordt gegeven bij de invulling van de betrouwbaarheidseis, zodat er weinig interpretatieverschillen kunnen ontstaan. Waarom kan dat dan niet in de wet worden vastgelegd? Wat is het grootste bezwaar daartegen? Dezelfde vraag hebben de leden van de SP-fractie ten aanzien van de misdrijven die tot een negatief betrouwbaarheidsoordeel leiden. Waarom wil de regering die alleen aanwijzen per algemene maatregel van bestuur? Waarop is de beslissing gebaseerd om misdrijven met een vonnis van minimaal 8 jaar geleden niet mee te tellen?

Introductie geschiktheidstoets commissarissen

De leden van de PvdA-fractie vragen of de geschiktheidseisen voor commissarissen dezelfde zullen zijn als die voor de dagelijkse beleidsbepalers. Zo nee, welke verschillen zijn er te verwachten? Waarom worden deze eisen vastgelegd op het niveau van beleidsregels en niet op het niveau van een algemene maatregel van bestuur?

De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in het voorstel om een geschiktheidstoets te introduceren voor de leden van de RvC. Voortvloeiend uit de Code Banken is er ook sprake van permanente educatie van leden van de RvC. Deze leden vragen hoe deze voorschriften in de Code Banken zich verhouden tot het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre er, ondanks het bestaan van de open normen, toch voor wordt gezorgd dat de toets op geschiktheid voor de bestuurders en de RvC zoveel mogelijk consistent zijn. Op welke wijze wordt daar rekening mee gehouden?

De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering wil voorkomen dat de geschiktheidstoets voor commissarissen geen hoog symbolisch gehalte krijgt. In de memorie van toelichting staat dat er zal worden gevraagd naar toelichtingen op competenties en verklaringen van referenten. Die zullen raden van de commissarissen vast wel hebben klaarliggen, maar gaan de toezichthouders ook verder dan kijken of het papierwerk en de referenties in orde zijn, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Consultatie AFM / DNB

De leden van de PvdA-fractie vragen of de toezichtskosten nu wel of niet substantieel zullen toenemen, zoals AFM en DNB stellen.

Overgangsrecht

De leden van de PvdA-fractie vragen welke relevante feiten of omstandigheden kunnen leiden tot een snellere herbeoordeling dan de overgangsregeling voorschrijft.

Overig

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de rol van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS) er precies uit gaat zien als het gaat om het toezicht op de financiële instellingen op de BES-eilanden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel B (artikel 1:47c)

De leden van de SP-fractie lezen dat er voor is gekozen om de wettelijke verankering over de bepaling van de geschiktheid niet te laten gelden voor andere financiële instellingen dan banken en verzekeraars. Waarom is het bezwaarlijk om hetzelfde regime te laten gelden voor beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen? De regering geeft aan dat dit uiteraard niet wil zeggen dat er bij die financiële ondernemingen geen afstemming over de geschiktheid van een dagelijks beleidsbepaler of een commissaris behoeft plaats te vinden. Over wat voor afstemming heeft de regering het dan? In welke zin zijn de toezichthouders daarbij betrokken?

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Dezentjé Hamming-Bluemink

De adjunct-griffier van de commissie,

Giezen