Kamerstuk 32710-XV-1

Jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV)

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2010

Gepubliceerd: 18 mei 2011
Indiener(s): Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32710-XV-1.html
ID: 32710-XV-1

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (XV)

Aangeboden 18 mei 2011

Gerealiseerde uitgaven 2010 (€ 29 136,6 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde uitgaven 2010 (€ 29 136,6 mln) naar artikel 				  (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten 2010 (€ 1 143,3 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten 2010 (€ 1 143,3 mln) naar 				  artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premiegefinancierde uitgaven 2010 (€ 49 721,7 mln) naar artikel en regeling (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premiegefinancierde uitgaven 2010 (€ 49 				  721,7 mln) naar artikel en regeling (bedragen x € 1 mln)

INHOUDSOPGAVE

  

Blz.

   

A.

ALGEMEEN

5

   

1.

Aanbieding en dechargeverlening

5

2.

Leeswijzer

9

   

B.

BELEIDSVERSLAG

11

   

3.

Beleidsprioriteiten

11

4.

Beleidsartikelen

22

 

Artikel 41 Inkomensbeleid

22

 

Artikel 42 Arbeidsparticipatie

28

 

Artikel 43 Arbeidsverhoudingen

37

 

Artikel 44 Gezond en veilig werken

48

 

Artikel 45 Pensioenbeleid

54

 

Artikel 46 Inkomensbescherming met activering

62

 

Artikel 47 Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie

87

 

Artikel 48 Sociale werkvoorziening

101

 

Artikel 49 Overige inkomensbescherming

105

 

Artikel 50 Tegemoetkoming specifieke kosten

112

 

Artikel 51 Rijksbijdragen aan sociale fondsen

117

5.

Niet-beleidsartikelen

120

 

Artikel 97 Aflopende regelingen

120

 

Artikel 98 Algemeen

121

 

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

129

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

130

   

C.

JAARREKENING

133

   

7.

Verantwoordingsstaat

133

8.

Saldibalans

134

9.

Topinkomens

141

10.

Baten-lastendiensten

142

   

D.

BIJLAGEN

158

   
 

Bijlage 1: Toezichtsrelaties

158

 

Bijlage 2: ZBO’s en RWT’s

166

 

Bijlage 3: Inhuur externen

170

 

Bijlage 4: Subsidies

171

 

Bijlage 5: SZA-kader en sociale fondsen

173

 

Bijlage 6: Lijst van gebruikte afkortingen

180

 

Bijlage 7: Trefwoordenregister

183

ONDERDEEL A ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik het departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) over het jaar 2010 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid decharge te verlenen over het in het jaar 2010 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2010;

  • b. het voorstel van de slotwet over 2010 dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over 2010 met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2010 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2010, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2010 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

2.1 Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag van SZW bestaat uit vier onderdelen: Algemeen, Beleidsverslag, Jaarrekening en Bijlagen.

Algemeen

Het onderdeel Algemeen omvat het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Beleidsverslag

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen:

  • 1. De paragraaf beleidsprioriteiten bevat een uiteenzetting op hoofdlijnen van de bereikte resultaten. De afgelopen jaren werd in de paragraaf beleidsprioriteiten de voortgang gemeld van de kabinetsdoelstellingen van het Kabinet Balkenende IV. Met de val van dit kabinet en het aantreden van het huidige kabinet in 2010 wordt nu op hoofdlijnen informatie verschaft over de afloop van het kabinetsprogramma Balkenende IV.

  • 2. De beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van SZW zijn behaald. Tevens is hier de financiële toelichting te vinden op opmerkelijke verschillen tussen realisatie en begroting.

  • 3. De niet-beleidsartikelen verantwoorden de financiële afwikkeling van afgesloten regelingen, de apparaatsuitgaven die niet aan de beleidsartikelen zijn toe te rekenen, onvoorziene uitgaven en loon- en prijsbijstellingen.

  • 4. De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie over de bedrijfsvoering.

Jaarrekening

De jaarrekening is opgebouwd uit de verantwoordingsstaat van het ministerie van SZW, de saldibalans, de bij deze onderdelen behorende financiële toelichtingen en het onderdeel topinkomens. Als laatste bevat de jaarrekening de paragraaf inzake baten-lastendiensten van het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI).

Bijlagen

Het jaarverslag bevat zeven bijlagen, te weten de bijlagen «Toezichtrelaties», «ZBO’s en RWT’s», «Inhuur externen», «Subsidies», «SZA-kader en sociale fondsen», «Lijst van gebruikte afkortingen» en «Trefwoordenregister».

2.2 Specifieke aandachtspunten

Accountantsverklaring en accountantscontrole

De financiële informatie is opgenomen in de jaarrekening en valt onder de reikwijdte van de accountantsverklaring. Dit geldt ook voor de financiële toelichting bij de budgettaire tabellen die in het beleidsverslag staan. De niet-financiële informatie valt niet onder de reikwijdte van de accountantsverklaring, maar is wel onderdeel van de accountantscontrole.

De premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven vallen evenmin onder de reikwijdte van de accountantsverklaring maar wel onder de accountantscontrole. De zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) leggen verantwoording af over de rechtmatigheid van de premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven. Over de rechtmatigheid van die uitgaven wordt gerapporteerd in bijlage 2 (ZBO’s en RWT’s) van het jaarverslag.

ESF-middelen

De programma-uitgaven voor ESF en EQUAL afkomstig van de Europese Commissie staan buiten begrotingsverband en zijn dus niet in de verantwoordingsstaat terug te vinden. De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het ESF-programma via jaarlijkse voortgangsrapportages.

Gegevens oude jaren

In de jaarverantwoording worden ook gegevens gepresenteerd over oude jaren. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze gegevens kunnen afwijken van gegevens die in vorige jaarverantwoordingen werden gepresenteerd.

Groeiparagraaf

De aanbeveling van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2009 om de relatie tussen kosten, inspanningen en resultaten van re-integratie in begroting en jaarverslag beter te beschrijven, is uitgewerkt in het jaarverslag 2010 door het toevoegen van een aantal extra tabellen in artikel 47 «Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie». In deze tabellen worden per kalenderjaar de uitgaven beschreven van de verschillende cohorten van trajecten voor WW-ers en cliënten met een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Overkomst regelingen als gevolg van het Regeerakkoord

De beleidsterreinen «kindregelingen» en «kinderopvang» vallen sinds oktober 2010, als gevolg van de in het kader van het Regeerakkoord doorgevoerde departementale herindelingen, onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van SZW. Het beleidsterrein kindregelingen (AKW, WKB, TOG-kopje) is overgekomen van Jeugd en Gezin. Het beleidsterrein kinderopvang (KOT) is overgekomen van het Ministerie van OCW.

De beleidsherverkavelingen op grond van het Regeerakkoord hebben nog geen inhoudelijke gevolgen gehad voor de departementale begrotingen 2010. Vandaar dat de verantwoording over de beleidsterreinen kindregelingen en kinderopvang over 2010 nog plaatsvindt in de jaarverslagen van respectievelijk J&G en OCW.

ONDERDEEL B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

3.1 Inleiding

Verkiezingen in tijden van economische crisis

Het jaar 2010 bracht een aantal belangrijke veranderingen met zich mee. In de eerste plaats herstelde de economie zich van een moeilijke periode waarbij zelfs weer sprake is van een gematigde groei. De val van het vorige kabinet en de daarop volgende verkiezingen in juni hebben geleid tot het aantreden van het kabinet Rutte. Ongeveer acht maanden lang was het vorige kabinet demissionair. Niettemin is kordaat gehandeld door crisismaatregelen voort te zetten die in 2009 in gang waren gezet.

De economie heeft zich in 2010 snel hersteld, mede dankzij een flexibele arbeidsmarkt en de getroffen crisismaatregelen, zoals de deeltijd-WW. Hierbij zijn in de loop van het jaar de crisismaatregelen steeds meer gericht op het ondersteunen van het herstel via de inzet op mobiliteit en inzetbaarheid in plaats van op het voorkomen van werkloosheid.

Als gevolg van de recessie is de arbeidsparticipatie vanaf 2009 niet verder toegenomen. Dit tijdelijke effect wordt veroorzaakt doordat mensen zich vanwege de conjuncturele situatie tijdelijk terugtrekken van de arbeidsmarkt. Het is de verwachting dat in de komende jaren de participatiegraad weer zal stijgen.

3.2 De economische situatie in 2010

Een voorzichtig aantrekkende economie in 2010...

Het Centraal Planbureau (CPB) voorspelde in zijn macro-economische verkenning in september 2009 een nulgroei voor het bbp in 2010. Deze voorspelling werd gedaan in een jaar dat een naoorlogse recordkrimp plaatsvond. De groei in 2007 was nog 3,9% van het bbp. In twee stappen bereikte de groei vervolgens een dieptepunt. In 2008 daalde de groei naar een nog positieve 1,9% om in 2009 om te slaan in een negatieve 3,9% bbp. Hoewel de mogelijkheid dat de recessie een «w»-vorm zou aannemen het economische debat in 2010 overheerste, en de vrees voor een dubbele dip tot het einde van het jaar aanhield, blijkt nu dat 2010 reeds het jaar van herstel was. Het CBS verwacht in zijn voorlopige realisatie voor 2010 een bbp-groei van 1,8%.

Figuur 3.1: CPB ramingen verwachte economische groei voor 2010 (bbp)

Figuur 3.1: CPB ramingen verwachte economische groei voor 					 2010 (bbp)

De Nederlandse economie is sterk afhankelijk van ontwikkelingen in de rest van de wereld. De groei van de uitvoer bepaalt een groot deel van de groei van de Nederlandse economie. Nadat de wereldhandel in 2009 inzakte, klom deze in 2010 eveneens uit het dal. Zowel de invoer als de uitvoer trokken aan en voor deze beide kengetallen verwacht het CBS een groei van circa 12% ten opzichte van 2009.

In eigen land stegen de consumptieve bestedingen van kwartaal op kwartaal ondanks een dip in het consumentenvertrouwen in het tweede kwartaal en aan het einde van het jaar. De stemming onder ondernemers is flink verbeterd gedurende het jaar. Diezelfde ondernemers zijn echter nog voorzichtig met investeren. De voorraden namen in de eerste helft van het jaar nog toe, maar over het geheel van 2010 zijn ze lager dan in 2009.

De economie heeft in 2010 onder druk gestaan door de grote onzekerheid op de financiële markten. De onbekendheid over hoe om te gaan met de situatie in Griekenland en de twijfel over het besmettingsgevaar naar andere probleemlanden zetten de euro onder druk en schaadden het consumenten- en producentenvertrouwen. Als positief bijverschijnsel heeft de druk op de euro de Nederlandse concurrentiepositie verbeterd. Nu Ierland een beroep heeft moeten doen op het Europese Noodfonds en verscheidene andere landen in de gevarenzone treden, zal de onzekerheid voorlopig voortduren.

Figuur 3.2: Ontwikkeling economische groei, kwartaal op kwartaal mutaties (bbp)

Figuur 3.2: Ontwikkeling economische groei, kwartaal op 					 kwartaal mutaties (bbp)

...met een opvallend snel herstel van de arbeidsmarkt...

In 2010 heeft de arbeidsmarkt na het crisisjaar 2009 de weg omhoog weer gevonden. De seizoensgecorrigeerde werkloosheid bereikte met 5,8% in februari 2010 het hoogste niveau sinds het begin van de crisis. Daarna is de werkloosheid elke maand gedaald en kwam uit op 5,1% in december 2010. Daarmee heeft het herstel van de arbeidsmarkt zich tijdens deze recessie veel sneller voorgedaan dan in voorgaande recessies. De verklaring voor de gematigde werkloosheidsontwikkeling in 2009 en 2010 moet vooral gezocht worden in het door werkgevers vasthouden van mensen waarvoor tijdelijk geen werk is met het oog op verwachte tekorten in de komende jaren vanwege de vergrijzing (labour hoarding) en het relatief grote aantal zelfstandigen die zonder werkloos te worden het aantal gewerkte uren terugbrengen. De werkloosheid in aantal personen (en gecorrigeerd voor seizoensinvloeden) is opgelopen van 315 duizend in januari 2009 tot 452 duizend in februari 2010, waarna het weer is gedaald tot 401 duizend in december 2010 zoals te zien is in figuur 3.3.

Figuur 3.3: Ontwikkeling werkloosheid in 2009 en 2010 (aantal personen x 1 000)

Figuur 3.3: Ontwikkeling werkloosheid in 2009 en 2010 					 (aantal personen x 1 000)

De werkgelegenheid in arbeidsjaren bereikte in het eerste kwartaal van 2010 het laagste niveau sinds de crisis met 5,8 miljoen jaren. Daarna is de werkgelegenheid gestegen naar 5,9 miljoen jaren in het vierde kwartaal 2010. Ook het aantal openstaande vacatures daalde begin 2010 naar het laagste niveau. Sindsdien is het aantal openstaande vacatures licht gestegen naar 129,8 duizend in het vierde kwartaal 2010.

...maar een dalende koopkrachtontwikkeling.

In 2009 was de statische koopkrachtontwikkeling ondanks de economische crisis nog positief. Hierbij moet wel aangetekend worden dat mensen die hun baan hebben verloren in inkomen hebben moeten inleveren (dynamische koopkrachtontwikkeling). In de mediane koopkrachtontwikkeling voor 2010 werd de economische crisis zichtbaar en deze komt volgens het CPB uit op – 0,4%. Dit komt goed overeen met de initiële raming. De voornaamste oorzaak van de negatieve koopkrachtontwikkeling is dat in 2010 de contractloonstijging van 1% is achtergebleven bij de inflatie van 1¼%. In vergelijking met 2008 en 2009 waar de contractloonstijging in de marktsector hoger was dan de inflatie is de contractloonstijging in 2010 gematigd te noemen wat goed is voor de concurrentiepositie van de Nederlandse economie.

Figuur 3.4: Ontwikkeling seizoensgecorrigeerde werkloosheid, inflatie en CAO loonstijging

Figuur 3.4: Ontwikkeling seizoensgecorrigeerde 					 werkloosheid, inflatie en CAO loonstijging

In tabel 3.1 zijn voor de meest relevante kerngegevens de prognoses van de begroting (MEV 2010) vergeleken met de realisatie (CEP 2011).

Tabel 3.1 Kerngegevens 2010: verwachting versus realisatie

 

MEV 2010

CEP 2011

Economische groei (BBP, %)

0

1,7

Particuliere consumptie (%)

– ¾

0,4

Bruto investeringen bedrijven (exclusief woningen)

– 9½

– 1,6

Uitvoer van goederen en diensten (%)

3

12,7

Contractloon marktsector (%)

1,0

Consumentenprijsindex (%)

1

1,3

Koopkracht, mediaan, alle huishoudens (%)

– ¼

– 0,4

Werkgelegenheid in arbeidsjaren (%)

– 5¼

– 1,8

Werkloosheid (% van de beroepsbevolking)

8

5,4

Werkloosheid (in dzd personen)

615

426

Arbeidsproductiviteit marktsector (%)

3,5

EMU-saldo (% BBP)

– 6,2

– 5,2

Bron: CPB

3.3. Beleidsprioriteiten

Ontwikkelingen sociale zekerheid

In de loop van 2009 is het aantal WW-uitkeringen als gevolg van de economische crisis sterk gestegen. Vanaf maart 2010 is het aantal WW-uitkeringen weer gaan dalen. In het laatste kwartaal van 2010 is er echter weer sprake van een stijging van het aantal uitkeringen.

Na een jarenlange daling begon het aantal WWB-uitkeringen (personen jonger dan 65 jaar) in 2009 weer te stijgen. De WWB reageert met vertraging en minder sterk op de economische crisis, aangezien werknemers eerst in de WW terechtkomen en een deel van de werknemers direct vanuit de WW weer een baan vindt.

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling weer van het aantal WW- en WWB-uitkeringen (voor personen jonger dan 65 jaar) in de periode 2009–2010. De aantallen WWB-uitkeringen zijn inclusief de uitkeringen in het kader van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) die met ingang van 1 oktober 2009 in werking is getreden.

Tabel 3.2: Ontwikkeling aantal WW- en WWB-uitkeringen excl. deeltijd-WW (aantal uitkeringen x 1 000)
 

Stand

2009 (kwartaalmutaties)

Stand

2010 (kwartaalmutaties)

Stand

 

dec. 2008

1e kw

2e kw

3e kw

4e kw

dec. 2009

1e kw

2e kw

3e kw

4e kw

dec. 2010

WW

171

27

22

21

28

270

12

– 20

– 7

10

264

WWB

259

4

7

5

6

281

11

8

2

5

307

Bron: CBS, Statline

In onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van de verschillende typen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vanaf eind 2008 tot en met eind 2010 getoond. Het gerealiseerde aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ultimo 2010 is voor vrijwel alle uitkeringstypen licht hoger dan werd verwacht in de begroting 2010 (met uitzondering van de WAZ).

Tabel 3.3: Ontwikkeling van het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (aantal uitkeringen x 1 000)
 

Realisatie

december 2008

Realisatie

december 2009

Raming

begroting 2010

Realisatie

december 2010

WAO

558

521

481

486

WAZ

39

34

31

30

Wajong

179

193

201

205

WGA

46

63

78

82

IVA

14

20

25

28

Totaal

835

831

816

831

Bron: UWV, Jaarverslag

Op 1 januari 2010 is de nieuwe Wajong in werking getreden. De Wajong biedt ondersteuning en een inkomenswaarborg aan mensen die al voordat zij de arbeidsmarkt betreden (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn geraakt. In de nieuwe Wajong staat voorop wat een jongere wel kan, in plaats van wat hij niet kan. Niet de uitkering maar de ondersteuning naar en bij arbeid is cruciaal. Het belangrijkste doel is om jongeren met een beperking te ondersteunen bij het vinden en behouden van een baan. Dit bevordert de emancipatie en integratie in de samenleving van deze jongeren. De gewijzigde Wajong is nog te kort van kracht om al resultaten te kunnen zien in de uitstroombevorderende werking ervan. Ook het effect van de nieuwe regeling op de instroom is nog moeilijk te doorgronden, omdat nog bijna de helft van de instroom bestond uit mensen die in de «oude» regeling instroomden.

Crisismaatregelen

Ook 2010 stond nog volop in het teken van het stimuleren van de economie. De deeltijd-WW, die heeft bijgedragen aan het beperken van de stijging van de werkloosheid, is in 2010 verlengd en loopt af per 1 juli 2011. In december 2010 ontvingen nog circa 8 500 werknemers deeltijd-WW. In totaal hebben gedurende de hele looptijd van de deeltijd-WW tot en met december 2010 ruim 75 duizend werknemers gebruik gemaakt van de regeling. In dezelfde periode vroegen ruim 7 duizend bedrijven deeltijd-WW aan voor hun werknemers. Aanvragers kwamen vooral uit de sectoren metaal, bouw en zakelijke dienstverlening.

In onderstaande grafiek wordt de ontwikkeling van de deeltijd-WW (in aantal personen x 1 000) weergegeven in de periode april 2009–december 2010.

Figuur 3.5: Ontwikkeling deeltijd-WW (aantal personen x 1 000)

Figuur 3.5: Ontwikkeling deeltijd-WW (aantal personen x 					 1 000)

Vanaf 1 maart 2009 zijn mobiliteitscentra opgericht als tijdelijke publiek-private samenwerkingsverbanden met het doel werklozen en met ontslag bedreigde werknemers zo snel mogelijk naar ander werk te begeleiden. De mobiliteitscentra hebben gezorgd voor het ontstaan van verbindingen en samenwerkingsafspraken tussen alle publieke en private partijen in de regio die zich bezighouden met werk, inkomen en scholing. In samenwerking met andere actoren op het gebied van werk en scholing hebben de mobiliteitscentra tot en met december 2010 bijna 23 800 mensen die met ontslag werden bedreigd, vanuit hun baan aan een andere baan geholpen. Daarnaast hebben via de mobiliteitscentra ruim 193 000 mensen binnen 3 maanden na hun ontslag ander werk gevonden. De taken van de mobiliteitscentra zijn per 1 januari 2011 geïntegreerd in de reguliere dienstverlening van de Werkpleinen.

In juni 2009 zijn de scholingsmaatregelen bij dreigend ontslag, te weten de scholingsbonus, ervaringscertificaten (EVC) en ervaringsprofielen (EVP), in werking getreden als onderdeel van de crisismaatregelen. Het gebruik van de regelingen is beperkt gebleven ten opzichte van de verwachtingen. De regelingen liepen af per 31 december 2010.

Deze verschillende crisismaatregelen op het terrein van SZW hebben bijgedragen aan het voorzichtige herstel van de arbeidsmarkt in 2010. Vanaf 2011 moet de economie het weer grotendeels op eigen kracht doen.

De economische crisis heeft geleid tot een toeloop van de schuldhulpverlening. Om dit op te vangen hebben gemeenten in de jaren 2009–2011 in totaal hiervoor € 134 miljoen extra ontvangen. Er zijn maatregelen getroffen zoals extra aandacht voor preventie door goede voorlichting en actieve verwijzing naar schuldhulpverlening op de Werkpleinen, het opvangen van het extra beroep en het verbeteren van de effectiviteit van de schuldhulpverlening.

Overheidsfinanciën

De uitgaven op het terrein van SZW waren in 2010 aanzienlijk lager dan begroot. Dit werd met name veroorzaakt door een neerwaartse bijstelling van de werkloosheidsuitgaven. Hoewel er sprake was van een sterke stijging, bleek de werkloosheid niet zo hoog op te lopen als eerder werd verwacht waardoor de uitgaven aan bijstand en WW fors meevielen. Conform afspraak uit het aanvullend beleidsakkoord van het vorige kabinet werd het uitgavenkader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt voor deze meevaller gecorrigeerd.

Aan de andere kant is aan de arbeidsongeschiktheidsregelingen het afgelopen jaar meer uitgegeven dan geraamd bij de begroting. Ook de uitgaven aan de ZW zijn in 2010 gestegen ten opzichte van de begroting. Zowel de gemiddelde uitkering als het volume bleken hoger. Oorzaak van de hogere gemiddelde uitkering was dat de relatief dure groep zieke werklozen een groter aandeel in het ZW-volume voor haar rekening nam dan eerder was verwacht. De volumestijging werd voornamelijk veroorzaakt doordat de groep einde-dienstverbanders steeg.

Door de vergrijzing en de economische crisis staan de overheidsfinanciën er niet gunstig voor. Het EMU-tekort en de staatsschuld zijn zover opgelopen dat dit op termijn onhoudbaar is als er niets wordt gedaan. Het saneren van de overheidsfinanciën is een harde noodzaak om te voorkomen dat de lasten doorschuiven naar toekomstige generaties. Het vorige kabinet heeft in de SZW-begroting voor 2010 en 2011 een aantal bezuinigingsmaatregelen getroffen:

  • De indicatiestelling voor de Tegemoetkoming Onderhoudskosten Gehandicapten (TOG) is aangescherpt en de normstelling voor de bepaling van de hoogte van de kinderalimentatie is door de rechterlijke macht aangepast. Het traject rond het vangnetpakket ZW, dat in 2011 zou leiden tot besparingen, heeft meer tijd genomen. De behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is aangehouden naar aanleiding van brieven van FNV en de LCR, waarin zij (principiële) bezwaren hebben geuit tegen onderdelen uit dit wetsvoorstel. De minister heeft hierop een reactie gestuurd aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2010/2011, 32 464, nr. 11).

  • In de begroting 2010 werden twee maatregelen op het terrein van de AOW-partnertoeslag aangekondigd. Het betrof in de eerste plaats een voorstel voor de introductie van een leeftijdsgrens voor de partner. De toenmalige staatssecretaris heeft dit voorstel in februari 2010 bij brief aan de Kamer ingetrokken (Kamerstukken II, 2009/2010, 29 389, nr. 25). In de tweede plaats ging het om een voorstel voor een generieke korting op de toeslag. Deze is in december 2010 door de Eerste Kamer aangehouden, onder de toezegging van de minister dat deze met een alternatieve vormgeving zou komen. Hierover heeft de Kamer inmiddels een brief ontvangen (Kamerstukken I, 2010/2011, 32 430, G). Het voornemen is om het inkomen waarboven de toeslag vervalt te verhogen en ter compensatie de toeslag extra te verlagen ten opzichte van het oorspronkelijke voornemen. Een nieuw voorstel van wet (novelle) zal aan het parlement worden aangeboden.

  • De tegemoetkomingen voor AOW-ers, Anw-ers en arbeidsongeschikten zijn niet geïndexeerd in 2010 en worden, zoals in de begroting 2010 al was opgenomen, ook in 2011 niet geïndexeerd. De AOW-tegemoetkoming is daarnaast met € 26 per jaar verlaagd.

  • De bekostiging van het UWV is afgetopt op het budget van 2010 en de re-integratiebudgetten van UWV en gemeenten zijn evenredig gereduceerd. Ten slotte zijn er nog enkele technische maatregelen genomen, zonder rechtstreekse gevolgen voor burgers en bedrijven.

Het huidige kabinet heeft zich ook een ambitieuze bezuinigingsdoelstelling gesteld voor de komende periode. In het regeerakkoord zijn bezuinigingsmaatregelen afgesproken voor een bedrag van € 18 miljard in 2015. Het kabinet neemt hiermee zijn verantwoordelijkheid en realiseert zich tegelijkertijd dat het geen gemakkelijke opgave is, maar wel één die noodzakelijk is. De meeste maatregelen uit het regeerakkoord worden in de loop van 2011 uitgewerkt.

Nu de komende jaren de nodige bezuinigingen worden doorgevoerd zal de koopkracht onder druk komen te staan. Zodoende zal de economische crisis de komende jaren nog de nodige pijn geven.

Pensioenen

De economische ontwikkeling en de crisis in het Euro-gebied hebben daarnaast geleid tot een daling van de rente en lage beurskoersen. Dit is er mede de oorzaak van dat in 2010 de dekkingsgraad van de pensioenfondsen gedaald is tot onder het vereiste niveau van 105%. Vanwege de uitzonderlijke economische situatie is destijds – onder voorwaarden – de termijn voor de kortetermijnherstelplannen verlengd van 3 naar 5 jaar om te voorkomen dat pensioenfondsen zeer ingrijpende maatregelen zouden moeten nemen. Ultimo 2010 is de dekkingsgraad door het economisch herstel en beleid van pensioenfondsen weer boven dit niveau gekomen. Dit neemt echter niet weg dat op korte termijn een start moet worden gemaakt met het toekomstbestendig maken van het tweedepijlerpensioen als gevolg van de vergrijzing van de beroepsbevolking in combinatie met een stijgende levensverwachting. Het overleg hierover met sociale partners is nog gaande.

Figuur 3.6: Dekkingsgraad pensioenfondsen

Figuur 3.6: Dekkingsgraad pensioenfondsen

Eén inspectie voor SZW

In 2010 is voortvarend verder gewerkt aan de vorming van één inspectie voor SZW, waarin de Arbeidsinspectie, de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) worden samengevoegd. Een dergelijke ontwikkeling is ook bij andere rijksinspecties te zien en past in het streven van het kabinet Rutte te komen tot één rijksinspectie. Met de samenvoeging komt het hele repertoire aan toezichtinterventies – van preventie tot strafrechtelijke handhaving – onder één dak.

De visie voor de inspectie is in 2010 uitgewerkt. De inspectie brengt op grond van risicoanalyses op het gehele terrein van SZW de grootste risico’s in kaart en zet haar mensen en middelen in daar waar het meeste maatschappelijk effect kan worden bereikt. Daarnaast versterkt de inspectie de oog- en oorfunctie voor de minister en de samenleving, zet de inspectie in op actief samenwerken met andere inspectiediensten en op selectief inspecteren met een minimale toezichtlast voor bedrijven en instellingen. De visie is vertaald in een hoofdstructuur voor de inspectie die in 2011 nader wordt uitgewerkt.

Transitie BES

Het jaar 2010 was een bijzonder jaar voor de verhoudingen binnen het Koninkrijk. Per 10 oktober 2010 zijn de Nederlandse Antillen opgehouden te bestaan en maken Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) als openbare lichamen (bijzondere gemeenten) deel uit van het Nederlandse staatsbestel. Vanaf deze datum voert de SZW-unit van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN), onder directe verantwoordelijkheid van de minister, een aantal SZW-taken uit op de BES (verstrekken uitkeringen, inspecties, afgifte tewerkstellingsvergunningen).

Doelstellingen Kabinet Balkenende IV

De afgelopen jaren werd het beleidsverslag opgebouwd aan de hand van de kabinetsdoelstellingen van het Kabinet Balkenende IV. Met de val van dit kabinet en het aantreden van het huidige kabinet komt deze indeling te vervallen. Het begrotingsjaar 2010 kende het grootste deel van het jaar een demissionair kabinet. Alleen de eerste zeven weken regeerde het vorige kabinet missionair. Concreet betekent dit dat de initiatieven die waren aangekondigd in de beleidsagenda 2010 niet volledig tot uitvoering zijn gebracht. De afspraak om de begroting en het jaarverslag aan elkaar te spiegelen blijft echter overeind. Om toch op hoofdlijnen informatie te verschaffen over de afloop van het vorige kabinetsprogramma dient onderstaande tabel.

Tabel 3.4: Kabinetsdoelen Balkenende IV

Nummer en omschrijving kabinetsdoelstelling

Beleidsartikel/OD

Financieel belang: realisatie 2010

Behaalde eindresultaat 2010

Doelstelling 33: Verhogen arbeidsparticipatie tot 80% in 2016

Artikel 42

Artikel 46

Artikel 47

731 mln

In 2007 was de participatie-graad 74%. Deze nam toe tot 76% in 2008. De realisatie van de doelstelling is vanaf 2009 beïnvloed door de recessie en is sindsdien niet verder toegenomen. Het is de verwachting dat de participatiegraad in de komende jaren weer licht zal stijgen.

    

Doelstelling 34: 200 000 mensen extra aan de slag

Artikel 46

Artikel 47

22 mln

Als gevolg van de economische crisis is het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering sterk gestegen. Ten opzichte van 2007 is het uitkeringsvolume in 2010 met ongeveer 65 000 gestegen. Dit maakte het bereiken van de 200 000 doelstelling niet meer mogelijk.

    

Doelstelling 43: Meer ruimte voor gemeenten voor gericht armoedebeleid

Artikel 46, OD 5

113 mln

De in het beleidsprogramma en Bestuurlijk Akkoord afgesproken maatregelen zijn uitgevoerd.

    

Doelstelling 44: Tot een minimum beperken van de wachtlijsten voor schuldhulpverlening in 2011

Artikel 46, OD 5

113 mln

De afgesproken maatregelen zijn uitgevoerd en hebben geleid tot een reductie van de wachttijden in de schuldhulpverlening.

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1 op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

4. BELEIDSARTIKELEN

41 Inkomensbeleid

Artikel

Zorgdragen voor een evenwichtige en activerende inkomensontwikkeling

Algemene doelstelling

Motivering

Om een evenwichtige inkomensontwikkeling te bereiken en tegelijkertijd financiële prikkels voor werkaanvaarding in stand te houden en te verbeteren.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De inkomensontwikkeling is voor de meeste getoonde voorbeeldhuishoudens iets negatiever dan oorspronkelijk is geraamd in de begroting 2010. De financiële prikkel voor werkaanvaarding is ogenschijnlijk verslechterd in vergelijking met de raming in de begroting 2010. Dit wordt echter veroorzaakt door andere aannamen in de berekeningssystematiek. Op het moment dat uitgegaan wordt van de oorspronkelijke veronderstellingen komen raming en realisatie van de armoedeval praktisch overeen.

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

  • de financieel-economische situatie en daarmee de mogelijkheden om negatieve effecten te compenseren;

  • algemene factoren zoals loon- en prijsontwikkeling.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte prestatie-indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden. Verwezen wordt naar de indicatoren voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 41.1 Begrotingsuitgaven Artikel 41 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2006

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting

2010

verschil

2010

Verplichtingen

633

673

971

1 722

1 173

1 855

– 682

Uitgaven

633

673

857

1 359

1 371

1 945

– 574

        

Programma uitgaven

0

0

169

352

321

862

– 541

        

Operationele Doelstelling 2

       

Overig

0

0

157

312

281

817

– 536

Subsidies

0

0

12

40

40

45

– 5

        

Apparaatsuitgaven

633

673

688

1 007

1 050

1 083

– 33

Personeel en materieel

633

673

688

1 007

1 050

1 083

– 33

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

De onderuitputting bij «overig» onder operationele doelstelling 2 (€ 536 000) is ontstaan door een algemene reservering die lopende het jaar grotendeels ten behoeve van andere budgetten en artikelen is herschikt.

1 Het bereiken van een zo evenwichtig mogelijk over de verschillende inkomensgroepen gespreide inkomensontwikkeling

Operationele doelstelling

Motivering

Om te komen tot een evenwichtige inkomensverdeling en bescherming van de inkomenspositie van groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens.

Doelbereiking

De inkomensontwikkeling is voor de meeste getoonde voorbeeldhuishoudens iets negatiever dan oorspronkelijk is geraamd in de begroting 2010.

Instrumenten en activiteiten

In de begroting voor 2010 zijn de beleidsmaatregelen voor 2010 opgenomen. Na publicatie van de begroting is de gemiddelde zorgpremie € 18 hoger uitgevallen dan bij de begroting is aangenomen. De hoogte van de zorgtoeslag is hierop aangepast.

Doelgroepen

De verschillende inkomensgroepen met bijzondere aandacht voor groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens.

  • De inkomensontwikkeling van burgers wordt gevolgd door middel van standaard koopkrachtcijfers zoals gepresenteerd in tabel 41.2. Deze cijfers laten voor een aantal standaardhuishoudens de inkomensontwikkeling zien als gevolg van de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling en als gevolg van generieke maatregelen, zoals aanpassingen in belastingen, (ziektekosten-)premies en kinderbijslag.

  • De standaardgroepen zijn er in 2010 tussen de ¼% en de 1¼% op achteruit gegaan. Dit is tussen 0 en ½ procentpunt negatiever dan verwacht bij het opstellen van de begroting.

  • Deze verslechtering is de optelsom van een aantal macro-economische ontwikkelingen, waardoor lonen en prijzen zich iets anders hebben ontwikkeld dan verwacht. Zo is de loonontwikkeling met 1% een ½ procentpunt lager dan verwacht bij de begroting, is de inflatie met 1¼% een ¼ procentpunt hoger uitgekomen en is de pensioenpremie niet ½ procentpunt, maar ¼ procentpunt gestegen. Daarnaast is de gemiddelde zorgpremie niet met € 21 gestegen zoals verwacht bij de begroting maar met € 39. De hoogte van de zorgtoeslag is hierop aangepast. Voor ouderen speelt daarnaast nog dat de indexatie van aanvullende pensioenen is uitgekomen op ¼%, terwijl bij het opstellen van de begroting werd gedacht dat pensioenen niet geïndexeerd zouden worden.

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 41.2 Indicatoren operationele doelstelling 1: Koopkrachteffecten

Actieven

Realisatie 2010

Raming 2010

Alleenverdiener met kinderen

  

modaal*

– 1¼

– 1

2 x modaal*

– 1¼

– ¾

   

Tweeverdieners

  

modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1

– ½

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1

– ½

modaal + modaal zonder kinderen

– ¾

– ¼

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– 1

– ½

   

Alleenstaande

  

minimumloon

– ½

– ¼

modaal

– ¾

– ¼

2 x modaal

– 1

– ½

   

Alleenstaande ouder

  

minimumloon

– ¼

– ¼

modaal

– 1

– ½

Inactieven

Realisatie 2010

Raming 2010

Sociale minima

  

paar met kinderen

– ½

– ¼

alleenstaande

– ¼

– ¼

alleenstaande ouder

– ½

– ¼

   

AOW (alleenstaand)

  

(alleen) AOW

– ¼

– ¼

AOW + € 10 000

– ½

– ½

   

AOW (paar)

  

(alleen) AOW

– ½

– ¼

AOW + € 10 000

– ½

– ½

Bron: berekening SZW

* De koopkracht van deze huishoudens wordt beïnvloed door de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. Voor een alleenverdiener met een modaal inkomen is het inkomenseffect – 0,5% en voor een alleenverdiener met een tweemaal modaal inkomen – 0,3%

2 In stand houden en verbeteren van financiële prikkels voor werkaanvaarding

Operationele doelstelling

Motivering

Bijdragen aan een activerend inkomensbeleid.

Doelbereiking

Bij diverse groepen is ogenschijnlijk sprake van een achteruitgang van de armoedeval ten opzichte van de oorspronkelijke raming. Dit wordt echter veroorzaakt door andere aannamen in de berekeningssystematiek en omtrent de huren waarvoor huurtoeslag wordt ontvangen. Daarnaast is nieuwe informatie verwerkt over de gemiddelde uurprijs in de kinderopvang. Daarom is zowel de werkelijke realisatie weergegeven, als de realisatie onder de in de begroting van SZW gehanteerde veronderstellingen op het punt van huurprijs en kinderopvangkosten.

Op het moment dat uitgegaan wordt van de oorspronkelijke veronderstellingen op het punt van huurprijzen en kinderopvangkosten, komen raming en realisatie van de armoedeval praktisch overeen.

Instrumenten en activiteiten

Zie de instrumenten die genoemd worden onder doelstelling 1.

Doelgroepen

Huishoudens die door een hogere arbeidsparticipatie hun inkomen kunnen verbeteren.

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 41.3 presenteert indicatoren voor de ontwikkeling van de werkloosheidsval, de herintredersval en de deeltijdval. De werkloosheidsval geeft de inkomensvooruitgang aan bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. De herintredersval is de inkomensvooruitgang bij het aanvaarden van werk door de niet-werkende partner. De deeltijdval wordt gemeten als de inkomensvooruitgang bij één dag extra werken door de minstverdienende partner.

Bij diverse groepen is ogenschijnlijk sprake van een achteruitgang van de armoedeval. In de berekening van de realisaties is uitgegaan van hogere huurprijzen en kosten van kinderopvang, aansluitend bij recente informatie op dit punt. Door de veronderstelde hogere huurprijzen, hebben huurtoeslagontvangers recht op hogere huurtoeslag. Op het moment dat zij door (meer) te gaan werken te maken hebben met afbouw van huurtoeslag, is er een groter bedrag aan huurtoeslag dat wordt afgebouwd. De veronderstelde hogere uurprijzen voor kinderopvang zorgen ervoor dat ouders die (meer) gaan werken, meer geld kwijt zijn aan kinderopvang. Op het moment dat uitgegaan wordt van de oorspronkelijke veronderstellingen op het punt van huurprijzen en kinderopvangkosten, komen raming en realisatie van de armoedeval praktisch overeen.

Tabel 41.3 Indicatoren operationele doelstelling 2
  

Realisatie 2010 (nieuwe aannamen huur+KO)

Realisatie 2010 (oude aannamen huur+KO)

Raming 2010

Verschil raming en realisatie (nieuwe aannamen)*

Werkloosheidsval

    

(inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk in plaats van bijstand)**

    
     

Aanvaarden werk op minimumloonniveau

    
 

Alleenverdiener met kinderen

2%

2%

2%

0%

 

Alleenstaande

13%

14%

14%

– 1%

 

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

– 4%

– 2%

– 2%

– 2%

Aanvaarden werk op 120% minimumloonniveau

    
 

Alleenverdiener met kinderen

5%

6%

6%

– 1%

 

Alleenstaande

20%

24%

24%

– 4%

 

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

8%

10%

10%

– 2%

      

Herintredersval

    

(inkomensvooruitgang bij 2½ dag werken door niet-werkende partner)***

    
      

Hoofd minimumloon, partner minimumloonniveau

12%

15%

15%

– 3%

Hoofd 120% minimumloon, partner 120% minimumloonniveau

17%

22%

22%

– 5%

      

Deeltijdval minstverdienende partner

    

(inkomensvooruitgang bij 1 dag extra werken)***

    
      

Hoofd minimumloon

    
 

partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau)

5%

7%

7%

– 2%

 

partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau)

7%

8%

8%

– 1%

Hoofd modaal

    
 

partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau)

6%

6%

6%

0%

 

partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau)

7%

7%

7%

0%

 

partner gaat van 2 naar 3 dagen werk

(120% minimumloonniveau)

8%

8%

8%

0%

 

partner gaat van 3 naar 4 dagen werk

(120% minimumloonniveau)

8%

8%

8%

0%

 

partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (modaal niveau)

12%

12%

13%

0%

 

partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (modaal niveau)

8%

8%

8%

0%

Bron: berekening SZW

* Vanwege afronding zijn de waarden niet altijd gelijk aan het verschil in de eerste en derde kolom.

** Er wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld.

*** Er wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 41.4 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

geen

   

Beleidsdoorlichting

Artikel 41

AD

A. 2010

B. 2011

 

Effecten onderzoek ex post

geen

   

Overig evaluatieonderzoek

geen

   

Toelichting

De beleidsdoorlichting heeft betrekking op de uitwerking van inkomensbeleid op de ontwikkeling van de koopkracht en de armoedeval.

Artikel

42 Arbeidsparticipatie

Artikel

Zorgdragen voor een toename van de arbeidsparticipatie

Algemene doelstelling

Motivering

Om te bevorderen dat het aandeel werkenden in de beroepsbevolking (verder) toeneemt, creëert SZW via wet- en regelgeving en overleg met sociale partners voorwaarden om verhoging van de arbeidsparticipatie te stimuleren.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2009 lag de bruto arbeidsparticipatie op 76%. Ook in 2010 is de bruto participatie uitgekomen op 76%. Als gevolg van de crisis worden sommige mensen ontmoedigd zich aan te bieden op de arbeidsmarkt. Naar verwachting zal de participatiegraad in 2011 en 2012 weer stijgen.

Externe factoren

Om de gevolgen van de economische crisis voor de arbeidsparticipatie zo goed mogelijk op te vangen, heeft het kabinet besloten om de deeltijd-WW langer open te stellen in 2010 en geleidelijk af te bouwen. Overige arbeidsmarktmaatregelen uit het aanvullend beleidsakkoord sloegen ook neer in 2010. Het betreft scholingsmaatregelen (zoals de omscholingsbonus, extra middelen voor EVC (Ervaringscertificaat) en EVP (Ervaringsprofiel)-trajecten) en de aanpak jeugdwerkloosheid (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten).

Bruto arbeidsparticipatie

Realisatie meetbare gegevens

Onder bruto arbeidsparticipatie wordt verstaan het aantal mensen met een baan of direct beschikbaar voor een baan van minimaal 12 uur per week als percentage van de bevolking van 20–64 jaar. Anders dan bij de netto arbeidsparticipatie (zie tabel 42.8) worden bij de bruto arbeidsparticipatie de werklozen meegeteld.

In het beleidsprogramma van het Kabinet Balkenende IV was het streven geformuleerd om in 2016 een bruto arbeidsparticipatie van 80% te bereiken. In de periode 2007 tot 2011 zou een belangrijke stap in die richting moeten worden gezet. Voor de tussenliggende jaren zijn geen streefwaarden afgesproken.

De realisatie van de doelstelling is ook in 2010 nog beïnvloed door de recessie. Dit tijdelijk effect ontstaat doordat mensen zich door het afnemend aantal vacatures terugtrekken van de arbeidsmarkt of er voor kiezen langer op school te blijven. De participatiebevorderende beleidsmaatregelen blijven echter onverminderd van kracht. Het is de verwachting dat na de recessie de participatiegraad weer zal stijgen.

200 000 mensen extra aan de slag

Het Kabinet Balkenende IV had als doelstelling om 200 000 mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen. Het ging om de volumedaling van werkloosheids-, arbeidsongeschiktheid- en bijstandsuitkeringen in 2011 ten opzichte van 2007. Als gevolg van de economische crisis is het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering sterk gestegen. Het is daardoor zeker dat de 200 000 doelstelling niet wordt gehaald.

Tabel 42.1 Indicatoren algemene doelstelling
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streven 2011

Bruto arbeidsparticipatie 20–64 jaar (%)

76

76

76

Volume uitkeringen bijstand, ww en ao (in uitkeringjaren x 1 000)

1 118

1 173

1 248

983

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 42.2 Begrotingsuitgaven Artikel 42 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting

2010

Verschil

2010

Verplichtingen

40 452

24 802

28 997

31 664

37 156

178 354

– 141 198

Uitgaven

38 625

26 487

26 625

33 310

38 089

178 678

– 140 589

        

Programma uitgaven

15 222

9 334

7 296

12 822

17 231

157 347

– 140 116

        

Operationele Doelstelling 2

       

Scholing en EVC

0

0

0

220

1 837

66 000

– 64 163

Operationele Doelstelling 3

       

Stimulering Arbeidsparticipatie

11 713

6 367

7 296

5 954

5 931

11 323

– 5 392

Jeugdwerkloosheid

0

0

0

5 117

7 375

80 000

– 72 625

Overig

3 509

2 967

0

1 531

2 088

24

2 064

        

Apparaatsuitgaven

23 403

17 153

19 329

20 488

20 858

21 331

– 473

Personeel en materieel

23 403

17 153

19 329

20 488

20 858

21 331

– 473

        

Ontvangsten

25 464

19 431

28 100

20 624

17 444

20 285

– 2 841

Scholing en Ervaringscertificaten (EVC)

Toelichting

De uitgaven aan de crisismaatregelen EVC en scholing zijn sterk achtergebleven bij de verwachting. Deze twee regelingen uit het crisispakket zijn inmiddels geëindigd.

Stimulering arbeidsparticipatie

Experimenten en initiatieven die bijdragen aan arbeidsparticipatie kunnen financieel ondersteund worden. In 2010 werd hier circa € 6 mln aan besteed, onder andere aan het experiment «van werk naar werk», subsidie aan de stichting Blik op werk voor het project Workability Index en de Tijdelijke subsidieregeling raakvlak onderwijs en arbeidsmarkt. Hiermee is € 5,4 mln minder uitgegeven dan was begroot.

Jeugdwerkloosheid

Voor de uitvoering van het actieplan Jeugdwerkloosheid is het gemeentefonds met € 70 mln verhoogd onder gelijktijdige verlaging van de SZW-begroting en is dit bedrag als decentralisatie-uitkering aan 30 regiogemeenten betaald om hiermee regioconvenanten uit te voeren (zie voortgangsrapportage Jeugdwerkloosheid Kamerstukken II, 2010/2011, 29 544, nr. 275).

Ook is budget ingezet voor voorlichtingsactiviteiten. Deze worden hieronder verantwoord bij «overig».

Overig

Met deze middelen zijn vooral voorlichtingsactiviteiten uitgevoerd in het kader van het Actieplan Jeugdwerkloosheid en daarnaast zijn er onderzoeken verricht op het gebied van arbeidsparticipatie.

Ontvangsten

De boeteopbrengsten zijn lager uitgevallen dan begroot, omdat de opgelegde boetes minder snel werden voldaan.

Tabel 42.3 Fiscale uitgaven artikel 42 (lopende prijzen x € 1 mln)

Artikelonderdeel

2006

2007

2008

2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Operationele doelstelling 2

       

Afdrachtvermindering onderwijs

196

242

291

348

372

369

3

        

Operationele doelstelling 3

       

Arbeidskorting voor ouderen

190

196

206

239

262

246

16

Doorwerkbonus

   

265

260

254

6

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

 

10

13

2

2

14

– 12

Bron: Ministerie van Financiën, Belastingdienst (betreffen voorlopige realisatiecijfers over 2009 en 2010)

Toelichting

De fiscale uitgaven aan de arbeidskorting voor ouderen en aan de doorwerkbonus zijn hoger dan begroot. Dit weerspiegelt de al jaren toenemende arbeidsparticipatie van ouderen. In de grafiek bij OD 3 wordt dit over een langere periode zichtbaar gemaakt. Als gevolg van de economische crisis hebben minder arbeidsongeschikten gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met behulp van de startersaftrek een eigen bedrijf te beginnen.

1 Beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten

Operationele doelstelling

Motivering

Om ervoor te zorgen dat onze economie innovatief, concurrerend en ondernemend blijft en ook bij toenemende internationale concurrentie de welvaart kan waarborgen is een beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten van belang. De arbeidskosten per eenheid product in de industrie in vergelijking met die van de concurrenten in het eurogebied geven hiervan een indicatie.

Doelbereiking

De daling van de arbeidskosten is in Nederland groter dan in andere euro-landen. Dit heeft tot gevolg dat de relatieve positie van Nederland als het gaat om arbeidskosten per eenheid product in de industrie is verbeterd. De belangrijkste verklaring hiervoor is de gunstige ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit.

  • Belastingen en premiedruk;

  • Administratieve lasten arbeid: In het coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV was voor de periode 2007–2011 een rijksbrede administratieve lastenverlichting van netto 25% voor het bedrijfsleven afgesproken. SZW streefde ernaar om in dezelfde periode ook tot netto 25% aan vermindering van administratieve lasten te komen.

Instrumenten en activiteiten

Doelgroepen

Burgers en bedrijven.

Arbeidskosten

Realisatie meetbare gegevens

De relatieve ontwikkeling van de arbeidskosten verbetert indien de arbeidskosten per eenheid product van de Nederlandse industrie minder stijgen of meer dalen dan die van de euroconcurrenten (euroconcurrenten zijn alle landen binnen de Europese Unie die de Euro als munteenheid hanteren). De ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de industrie wordt in belangrijke mate bepaald door de contractlonen die de sociale partners in vrije loononderhandelingen overeenkomen.

In 2010 is de arbeidsproductiviteit, na een flinke terugval in 2009, weer fors gestegen. Hoewel de lonen in Nederland stegen, zijn de lonen bij de euroconcurrenten sterker gestegen. Het sterke herstel van de productie in 2010 heeft voor een forse daling van de arbeidskosten per eenheid product gezorgd.

Wig

De gemiddelde wig op het inkomen uit arbeid (d.w.z. het verschil tussen de loonkosten en het netto loon als percentage van de loonkosten) is een goede indicator van de lastendruk zoals werkgevers en werknemers die ervaren. De veranderingen in het stelsel van belastingen en premies komen daarin goed traceerbaar tot uitdrukking. Het CPB gebruikt de indicator bij het opstellen van de loonramingen. De wig op het arbeidsinkomen is in 2010 toegenomen tot 42,7% als gevolg van de stijging van de ziektekostenpremies.

Administratieve lasten

In het coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV was voor de periode 2007 tot 2011 een nieuwe rijksbrede administratieve lastenverlichting van netto 25% voor het bedrijfsleven afgesproken. Over de invulling van de taakstelling en de realisering ervan werd periodiek gerapporteerd in de rijksbrede voortgangsrapportages regeldruk bedrijven en burgers. Als gevolg van de val van het kabinet Balkenende IV is op 27 april 2010 de eindrapportage naar de Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2009/2010, 29 515, nr. 318). In deze rapportage is onder andere vermeld dat de realisatie van de cumulatieve lastenreductie van SZW-beleid tot het moment van de eindrapportage 13% is en dat deze naar verwachting verder op zal lopen tot een cumulatieve reductie van netto 20% in 2011.

Tabel 42.4 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Ontwikkeling arbeidskosten per eenheid product in de industrie t.o.v. euroconcurenten1

0,7

– 0,9

– 2,1

– 0,5

Omvang van wig inclusief werkgeverslasten (%)1

42,6

42,0

42,7

Door SZW gerealiseerde reductie van administratieve lasten voor bedrijven ten opzichte van 1 maart 2007 (% cumulatief)2

2,1

2,0

n.b.

Bronnen:

1 CPB, Centraal Economisch Plan

2 Ministerie van Financiën, Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Arbeidskosten

De ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product wordt in belangrijke mate bepaald door de contractlonen die de sociale partners in vrije loononderhandelingen overeenkomen.

Ter aanvulling op de genoemde indicator in tabel 42.4 worden in tabel 42.5 de afzonderlijke waarden weergegeven van de ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de industrie in Nederland en die bij de euroconcurrenten.

Tabel 42.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Ontwikkeling arbeidskosten per eenheid product in de industrie (%):

   

1. Nederland

6,3

7,9

– 7,8

2. Euroconcurrenten

5,6

8,8

– 5,7

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan

2 Stijging van het aandeel werkenden en werklozen in de beroepsbevolking met een startkwalificatie

Operationele doelstelling

Motivering

Om duurzame arbeidsparticipatie te bevorderen. Het minimale niveau voor duurzame arbeidsparticipatie is het startkwalificatieniveau (MBO-2 of havo-vwo).

Doelbereiking

Het kabinet onderneemt meerdere initiatieven om te zorgen dat een groter deel van de beroepsbevolking een startkwalificatie heeft. Het beleid om voortijdig schoolverlaten te voorkomen speelt daarbij een belangrijke rol. Voor jongeren die toch uitvallen, stimuleert het kabinet samenwerking tussen het onderwijsveld, gemeenten, werkgevers en jeugdzorg.

Daarnaast zet het kabinet in op duale trajecten en EVC-trajecten (Erkenning van Verworven Competenties) voor volwassen werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie. Dit gebeurt door middel van regionale samenwerkingsverbanden en de leerwerkloketten. Door middel van een EVC-traject kunnen werkenden hun werkervaring verzilveren en, na een eventuele verkorte opleiding, alsnog een startkwalificatie halen. Werkzoekenden kunnen via scholing aan een baan worden geholpen, waarmee duurzame arbeidsdeelname wordt nagestreefd.

  • Door een aantal maatregelen en activiteiten is een bijdrage geleverd aan een leven lang leren van onder meer laagopgeleiden.

    Ingezet is op een regionale infrastructuur bestaande uit samenwerkingsverbanden tussen onderwijs, ondernemers en lokale overheid. Via deze ruim 40 regionale samenwerkingsverbanden zijn meer dan 90 000 leerwerktrajecten gerealiseerd, waarvan zo’n 12 000 trajecten voor werkende jongeren zonder startkwalificatie.

  • Met structurele basisfinanciering hebben de regionale samenwerkingsverbanden 44 zogenoemde leerwerkloketten gerealiseerd in de werkpleinen. Hier kunnen werknemers, werkgevers en werkzoekenden terecht voor informatie, advies en begeleiding bij scholing en Erkenning van Verworven Competenties.

  • De crisismaatregelen scholing zijn per 31 december 2010 geëindigd. Het gebruik van de scholingsmaatregelen is beperkt gebleven. Dit kwam onder andere door onbekendheid met de voorwaarden van de maatregelen. Hierin is extra geïnvesteerd door zowel SZW als door de uitvoerder van de regelingen (UWV Werkbedrijf). Ook zijn de voorwaarden die in de praktijk als knellend werden ervaren verruimd.

Instrumenten en activiteiten

De activiteiten werden gestimuleerd en gefaciliteerd door de projectdirectie Leren en Werken, een gezamenlijke directie van de ministeries van OCW en SZW. De middelen van de projectdirectie zijn opgenomen in de begroting van het ministerie van OCW, met uitzondering van de middelen voor de Tijdelijke subsidieregeling omscholing werknemers bij dreigende werkloosheid en de aanvullende middelen voor Ervaringscertificaten en Ervaringsprofielen bij dreigend ontslag. De projectdirectie is 31 december 2010 opgeheven.

Doelgroepen

Werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie.

Realisatie meetbare gegevens

Het percentage geeft aan welk deel van de beroepsbevolking (25–65 jaar) een startkwalificatie heeft. Het oorspronkelijk streven was dat in 2010 meer dan 80% van de beroepsbevolking een startkwalificatie zou bezitten. Door een veranderde (nauwkeuriger) meetmethode van het CBS komt het realisatiepercentage structureel 1% lager uit, zodat dezelfde doelstelling voor 2010 hiervoor moet worden aangepast naar 79%.

Een startkwalificatie kan worden behaald door een combinatie van leren en werken. Het is als gevolg van de economische crisis moeilijk om naast het leren ook te kunnen werken (bedrijfsscholing of een beroeps begeleidend leertraject ) en zo een startkwalificatie te behalen. Dit heeft ertoe geleid dat de streefwaarde niet is gerealiseerd.

Tabel 42.6 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Aandeel (%) in de beroepsbevolking (25–65 jaar) met startkwalificatie

77,4

77,7

78,0

> 79

Bron: CBS, EBB Kernprogramma

De uitgaven aan de crisismaatregelen EVC en scholing zijn zeer sterk achtergebleven bij de verwachting. Hoewel de voorwaarden waaronder van de regelingen gebruik kon worden gemaakt in 2010 zijn versoepeld, heeft dit ten opzichte van 2009 weliswaar geleid tot een toename van het aantal aanvragen, maar niet tot die aantallen waarop was gerekend. Van belang daarbij was dat door het onverwacht snelle herstel van de arbeidsmarkt de doelgroep van de maatregel, de met werkloosheid bedreigden, fors kleiner was dan waar bij het opstellen van de begroting rekening mee was gehouden.

Tabel 42.7 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Aantal opgestelde EVC’en EVP’s bij dreigend ontslag

89

1 823

Aantal verstrekte omscholingsbonussen bij dreigend ontslag

113

256

Bron: UWV, Jaarverslag

3 Wegnemen van factoren die de arbeidsparticipatie van specifieke groepen belemmeren

Operationele doelstelling

Motivering

Om te voorkomen dat de arbeidsparticipatie van specifieke groepen achterblijft (in aanvulling op en ter versterking van het algemene arbeidsmarktbeleid).

Netto arbeidsparticipatie ouderen en vrouwen

Doelbereiking

Ondanks de crisis is de netto arbeidsparticipatie van ouderen toegenomen en van vrouwen gelijkgebleven ten opzichte van 2009 (terwijl de netto arbeidsparticipatie in totaal met 0,7 procentpunt is afgenomen). De netto arbeidsparticipatie van 55-plussers is met 0,8 procentpunt gestegen.

Hierbij past de kanttekening dat de arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen nog steeds lager is dan gemiddeld. Daarom is het van belang in te blijven zetten op een stijging van de arbeidsparticipatie en op een structurele verbetering van de arbeidsmarktpositie van vrouwen en ouderen.

Netto arbeidsparticipatie etnische minderheden

Etnische minderheden zijn net als jongeren relatief vaak werkzaam op basis van flexibele contracten. Door de economische crisis zijn juist in de sectoren waar deze groep het vaakst werkt (bouw en industrie) de hardste klappen gevallen. De netto arbeidsparticipatie van etnische minderheden is daardoor opnieuw afgenomen en wel met 2,4%-punt.

Percentage werkloze jongeren

Mede dankzij het actieplan Jeugdwerkloosheid is er een einde gekomen aan de stijging van de jeugdwerkloosheid. Geholpen door de aantrekkende economie zorgen de inspanningen van het UWV en de gemeenten er voor dat de jeugdwerkloosheid inmiddels begint af te nemen.

Percentage door AI bezochte bedrijven waarbij overtreding van de WAV is vastgesteld

Het percentage bezochte bedrijven met overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is de afgelopen jaren vrij stabiel gebleven.

Instrumenten en activiteiten gericht op jongeren:

Instrumenten en activiteiten

  • Op 27 april 2010 is de Tijdelijke subsidieregeling raakvlak onderwijs en arbeidsmarkt (amendement Van Hijum, Kamerstukken II, 2007/2008, 31 200 XV, nr. 22), opengesteld voor het derde uitvoeringsjaar. SZW heeft uit een totaal van 112 subsidieaanvragen, 15 innovatieve projectvoorstellen geselecteerd voor het uitvoeringsjaar 2010–2011. Met dit aantal is het volledige subsidiebedrag van € 700 000 gemoeid.

  • De resultaten van de uitvoering van banenplannen voor werkloze ongekwalificeerde jongeren door de vier grote steden (G4) zijn per brief van 13 april 2010 (Kamerstukken II, 2009/2010, 29 544, nr. 245) aan de Tweede Kamer gemeld.

  • Vanaf medio 2009 is het Actieplan Jeugdwerkloosheid in uitvoering genomen. De 30 arbeidsmarktregio’s rapporteren elke vier maanden over het aantal plaatsingen van jongeren op werk, leerwerkbaan of stage. Tussen september 2009 en september 2010 hebben zij ruim 100 000 jongeren geplaatst. Ook is de regionale samenwerking verbeterd. In 2010 heeft SZW als coördinerend ministerie voor de uitvoering van het Actieplan drie maal over de resultaten van het Actieplan aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

  • Evenals in 2009, is in 2010 een mediacampagne gehouden om jongeren te motiveren voor een baan of vervolgopleiding. Voorts zijn de arbeidsmarktregio’s voor hun inzet voor jongeren doorlopend ondersteund door middel van voorlichtingsactiviteiten, digitale nieuwsbrief en website.

Instrumenten en activiteiten gericht op ouderen:

  • Ter bevordering van de arbeidsparticipatie gold ook in 2010 voor ouderen die aan het begin van het kalenderjaar 57 jaar of ouder zijn een extra inkomens- en leeftijdsafhankelijke arbeidskorting. Ouderen die bij het begin van het kalenderjaar 62 jaar of ouder zijn en blijven werken, ontvangen ter stimulering van de arbeidsparticipatie de doorwerkbonus.

  • Voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar en ouder en voor het in dienst houden van werknemers in de leeftijd van 62 jaar en ouder kon ook in 2010 gebruik gemaakt worden van de premiekorting oudere werknemers.

Instrumenten en activiteiten gericht op etnische minderheden:

  • Landelijk netwerk Diversiteitmanagement ter bevordering van etnische diversiteit in organisaties en bedrijven met een focus op MKB-sectoren. Naast vele adviestrajecten heeft het landelijk netwerk Diversiteitsmanagement brancheorganisaties ondersteund bij het opstellen van een strategische diversiteitsagenda.

  • Ontwikkelen van vaardigheden en competenties onder allochtone jongeren op (v)mbo niveau ter voorbereiding op de arbeidsmarkt. Hiertoe zijn in het kader van het project K!X promotieteams 30 multiculturele teams met jongeren opgezet.

  • Er is een handreiking soft skills allochtone jongeren ontwikkeld. Deze is aangeboden aan gemeenten. Via workshops zijn de diverse methodieken onder de aandacht gebracht.

  • Ouderen;

  • Jongeren;

  • Arbeidsbelemmerden;

  • Etnische minderheden;

  • (Allochtone) vrouwen.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

De in tabel 42.8 gepresenteerde participatiecijfers betreffen de netto arbeidsparticipatie. Dit is het aandeel van mensen met een baan van minimaal 12 uur per week in de genoemde specifieke bevolkingsgroep. Anders dan bij de bruto arbeidsparticipatie worden de werklozen bij de netto arbeidsparticipatie niet meegeteld. Het percentage werkloze jongeren is het aandeel van jongeren in de totale werkloosheidcijfers. Het percentage door de arbeidsinspectie (AI) bezochte bedrijven waarbij overtreding van de Wet Arbeid Vreemdelingen is vastgesteld, is het percentage bedrijven dat zich niet houdt aan de regels van deze wet. De toelichtingen op de kengetallen zijn opgenomen onder het kopje «doelbereiking» van deze operationele doelstelling.

Het Kabinet Balkenende IV achtte de uitsplitsing van participatiedoelstellingen naar specifieke groepen geen zinvolle benadering, omdat niet op doelgroepen werd gestuurd. Het vorige kabinet hanteerde als doelstelling om tot 80% arbeidsparticipatie te komen in 2016, ongeacht de specifieke groep (deze indicator wordt weergegeven bij de algemene doelstelling). Om de ontwikkelingen van de netto arbeidsparticipatie van de specifieke groepen wel te kunnen blijven volgen in de begroting, is er voor gekozen om ze als kengetal op te nemen.

Tabel 42.8 Kengetallen operationele doelstelling 3
 

Realisatie

2008

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Netto-arbeidsparticipatie 15–64 jaar1

68,2

67,8

67,1

Netto-arbeidsparticipatie van etnische minderheden1

56,9

55,2

52,8

Netto arbeidsparticipatie ouderen (55–65 jaar) (%)1

46,3

47,9

48,7

Netto-arbeidsparticipatie vrouwen (%) 1

59,2

59,7

59,7

Percentage werkloze niet-schoolgaande jongeren (18–26 jaar) wet WIJ2

5,3

8,0

8,7

Percentage werkloze niet-schoolgaande jongeren (15–22 jaar)2

8,4

12,9

12,3

Percentage door AI bezochte bedrijven waarbij overtreding WAV is vastgesteld 3

17

17

18

Bronnen:

1 CBS, Statline

2 CBS, EBB Kernprogramma

3 SZW/Arbeidsinspectie, Jaarverslag

Grafiek netto arbeidsparticipatie specifieke groepen

Grafiek netto arbeidsparticipatie specifieke 						groepen

Een deel van de kengetallen (netto arbeidsparticipatie) is over een langere periode zichtbaar gemaakt in bovenstaande grafiek. Voor een toelichting op de grafiek wordt verwezen naar de toelichting bij doelbereiking.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 42.9 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

   

Beleidsdoorlichting

Geen

   

Effecten onderzoek ex post

Geen

   

Overig evaluatieonderzoek

Geen

   

Artikel

43 Arbeidsverhoudingen

Artikel

Zorgdragen voor een flexibel instrumentarium voor moderne arbeidsverhoudingen en voorwaarden

Algemene doelstelling

Motivering

Om bij te dragen aan evenwichtige arbeidsverhoudingen, waarbij werknemers een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming wordt geboden dat in overeenstemming is met de maatschappelijke ontwikkelingen en dat sociale partners voldoende ruimte biedt voor eigen verantwoordelijkheid.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het instrumentarium op het terrein van arbeidsverhoudingen biedt, dankzij de voortdurende aanpassing daarvan aan actuele ontwikkelingen, functionerende kaders voor de totstandkoming op de verschillende niveaus van moderne arbeidsrelaties tussen (organisaties van) werkgevers en werknemers. Tevens zorgt het instrumentarium voor een niveau van rechtsbescherming dat een adequaat evenwicht vormt tussen de belangen van werkgevers en werknemers en bijdraagt aan de arbeidsparticipatie van zowel degenen die reeds op de arbeidsmarkt participeren als voor degenen die de arbeidsmarkt willen betreden.

Externe factoren

De effectiviteit van het stelsel wordt enerzijds bepaald door de wijze waarop het instrumentarium wordt toegepast door de direct betrokken partijen van werkgevers en werknemers, anderzijds door algemene ontwikkelingen, waaronder de economische situatie, die hun weerslag hebben op de arbeidsmarkt.

Realisatie meetbare gegevens

Artikel 43 kent geen indicatoren op het niveau van de algemene doelstelling, deels omdat het beoogde effect van het beleid niet kan worden gekwantificeerd, deels omdat het beleidseffect niet kan worden geïsoleerd van andere factoren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 43.1 Begrotingsuitgaven Artikel 43 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

10 258

13 214

21 567

21 326

20 133

25 218

– 5 085

Uitgaven

9 953

12 972

20 500

21 675

20 470

26 025

– 5 555

        

Programma uitgaven

2 642

1 909

4 174

4 907

3 806

8 281

– 4 475

        

Algemene Doelstelling

       

Handhaving

0

0

283

487

176

644

– 468

Overig

0

0

816

751

1 924

4 684

– 2 760

Operationele Doelstelling 1

       

Subsidies

242

316

427

291

307

521

– 214

Overig

0

0

168

26

85

209

– 124

Operationele Doelstelling 2

       

Voorlichting

0

0

320

0

0

0

0

Operationele Doelstelling 3

       

Overig

1 676

27

1 078

2 876

904

1 447

– 543

Operationele Doelstelling 4

       

Subsidies

724

1 566

818

251

207

573

– 366

Overig

0

0

264

225

203

203

0

        

Apparaatsuitgaven

7 311

11 063

16 326

16 768

16 664

17 744

– 1 080

Personeel en materieel

7 311

11 063

16 326

16 768

16 664

17 744

– 1 080

        

Ontvangsten

0

998

711

760

694

2 528

– 1 834

Toelichting

Er heeft een herschikking plaatsgevonden van de budgetten van de algemene doelstelling en overige budgetten naar handhaving en voorlichting. Daarnaast zijn middelen ingezet voor het stimuleren van arbeidsparticipatie. Ook na overheveling is er sprake van onderuitputting op de algemene doelstelling en de overige budgetten.

Het budget onder ontvangsten Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is vanwege een amendement met € 1,3 mln verhoogd. De uitvoering van het amendement is afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader onderzoek (brief minister van SZW, Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123, nr. 15). De extra ontvangsten zijn hierdoor niet gerealiseerd. Daarnaast zijn de boete-opbrengsten WML in het algemeen iets minder dan was geraamd. Hierdoor zijn de ontvangsten in 2010 in totaal € 1,8 mln lager dan begroot.

Tabel 43.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 43 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2006

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting 2010

verschil 2010

Uitgaven

800 000

891 000

1 000 000

1 122 000

1 112 000

1 124 186

– 12 186

        

Programma uitgaven

800 000

891 000

1 000 000

1 122 000

1 112 000

1 124 186

– 12 186

Operationele Doelstelling 3

       

Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlof uitkeringslasten

788 000

875 000

985 000

1 093 000

1 086 000

1 082 608

3 392

Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlof uitvoeringskosten

12 000

16 000

15 000

29 000

26 000

12 089

13 911

        

Nominaal

0

0

0

0

0

29 489

– 29 489

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Bron: SZW-berekeningen op basis van jaarverslag UWV

Uitkeringslasten zwangerschaps- en bevallingsverlof

Toelichting

De lasten van de zwangerschaps- en bevallingsverlof uitkeringen zijn € 3,4 mln hoger dan opgenomen in de begroting 2010. Het aantal uitkeringen is ten opzichte van 2009 licht gedaald. De gemiddelde uitkering was iets hoger dan bij de begroting 2010 werd geraamd.

Uitvoeringskosten zwangerschaps- en bevallingsverlof

Binnen UWV heeft in 2009 een herijking van uitvoeringskosten plaatsgevonden. De uitvoeringskosten voor de uitkeringen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof komen hierdoor vanaf 2009 hoger uit. In 2011 wordt deze budgettair neutrale herijking ook doorgevoerd in de SZW-begroting.

Tabel 43.3 Fiscale uitgaven Artikel 43 (x € 1 mln)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Belastinguitgaven

422

372

376

415

408

427

– 19

        

Operationele doelstelling 3

       

Levensloopregeling

410

355

349

353

341

337

4

Ouderschapsverlofkorting

12

17

28

62

67

90

– 23

Bron: Minister van Financiën, Belastingdienst, voorlopige cijfers

Toelichting

De fiscale uitgaven aan de levensloopregeling die hier worden gepresenteerd bestaan hoofdzakelijk uit een saldo van twee effecten: de inkomensderving door inleg in de levensloopregeling en de extra inkomsten vanwege opname van het levenslooptegoed. Naar verwachting blijft de komende jaren de inkomensderving door inleg in de levensloopregeling stabiel, terwijl de extra inkomsten vanwege opname van het levenslooptegoed zullen toenemen.

1 Het bevorderen van stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen

Operationele doelstelling

  • Om stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen te bevorderen wordt het recht op onderhandeling door sociale partners gewaarborgd en collectieve arbeidsvoorwaardenvorming geregeld.

  • Om het grondwettelijke recht op medezeggenschap door werknemers te regelen, te waarborgen en te bevorderen.

  • Om een adequate overlegstructuur tussen het kabinet en sociale partners in stand te houden ten behoeve van onderlinge beleidsafstemming, coördinatie op sociaal en sociaaleconomisch terrein en om zoveel mogelijk draagvlak te verkrijgen voor het kabinetsbeleid.

Motivering

Doelbereiking

Sociale partners hebben in 2010 wederom blijk gegeven veel belang te hechten aan het stelsel van stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen. In totaal zijn er 188 cao’s afgesloten voor 6,4 miljoen werknemers.

  • Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO), Wet op het Algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (AVV) en Wet op de loonvorming;

  • Uitvoeren van de ministeriële taken op grond van de wet CAO en de wet AVV, waaronder:

    • het registreren van cao’s en bevestigen van de ontvangst van de melding van het sluiten, wijzigen of opzeggen van cao’s;

    • het verrichten van cao-onderzoek en rapporteren van belangrijke cao-ontwikkelingen, onder andere aan het parlement en sociale partners;

    • het voorbereiden van besluiten van algemeenverbindendverklaring (AVV) van (bepalingen van) cao’s en het behandelen van tegen verzoeken tot AVV ingediende bedenkingen en dispensatieverzoeken aan de hand van het Toetsingskader AVV.

  • Wet op de bedrijfsorganisatie (WBO);

  • Voorbereiding AMVB draagvlakonderzoek PBO;

  • Wet op de ondernemingsraden (WOR), Wet op de Europese ondernemingsraden (WEOR) en Wet rol werknemers Europese vennootschap;

  • Uitwerking wetsvoorstel wijziging Wet op de ondernemingsraden (WOR) naar aanleiding van het Kabinetstandpunt Medezeggenschap (Kamerstukken II, 2009/2010, 29 818, nr. 32), zal medio 2011 aan de Tweede Kamer worden aangeboden;

  • Implementatie van de nieuwe richtlijn Europese ondernemingsraad (EOR);

  • Stimuleren van de kwaliteit van de medezeggenschap;

  • Overleg tussen werkgevers- en werknemersorganisaties en de overheid;

  • Het volgen van de naleving van de code-Tabaksblat door topbestuurders;

  • Uitvoering subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen, waarbij jaarlijks op basis van 50-procentsmedefinanciering circa 10 subsidies worden verleend aan innovatieve en concrete projecten die bijdragen aan daadwerkelijke veranderingen op het terrein van de arbeidsverhoudingen.

Instrumenten en activiteiten

  • Sociale partners (werkgevers en werknemers) en hun organisaties;

  • Ondernemingsraden en Europese ondernemingsraden;

  • (Hoofd)product- en (hoofd)bedrijfschappen en de SER.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Output en outcome zijn moeilijk objectief meetbaar. De verantwoordelijkheid voor het aangeboden instrumentarium ligt bij de sociale partners. Het overleg met sociale partners kent telkens wisselende onderwerpen. Er zijn daarom geen indicatoren geformuleerd. De gehanteerde kengetallen geven inzicht in het gebruik van de instrumenten, maar zeggen niets over de doelmatigheid en doeltreffendheid.

Het aantal afgesloten cao’s varieert door de jaren heen. Een reden hiervoor is dat het tijd kost voordat partijen een akkoord hebben bereikt over een nieuwe cao. Over het percentage ondernemingsraadplichtige ondernemingen met een OR komen in 2011 nieuwe gegevens beschikbaar.

Tabel 43.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

cao/avv

    

Aantal bedrijfstak-cao’s

198

192

190

188

Aantal direct gebonden werknemers

4 449 500

4 644 500

4 699 500

4 954 200

Aantal door avv gebonden werknemers

770 500

676 000

855 500

843 800

Aantal ondernemingen-cao’s

517

524

558

521

Aantal gebonden werknemers

588 000

543 000

594 500

574 100

Totaal aantal cao’s

715

716

748

709

Totaal aantal werknemers onder cao’s

5 808 000

5 863 500

6 149 500

6 372 100

Bron: SZW, voorjaarsrapportage cao-afspraken

Tabel 43.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2002

Realisatie 2005

Realisatie 2008

Medezeggenschap

   

Percentage OR-plichtige ondernemingen met OR

71

76

70

Bron: RvB (2002 en 2005) en Regioplan (2008), Onderzoek naleving WOR

2 Zorgdragen voor een goede balans tussen rechten en plichten van werkgevers en werknemers voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst

Operationele doelstelling

Motivering

Om de bescherming van werknemers te waarborgen, in evenwicht met de belangen van de onderneming en met inachtneming van de eigen rol en verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers.

Doelbereiking

De wettelijke normering van de diverse aspecten van de arbeidsrelatie biedt, mede als gevolg van regelmatige aanpassingen aan zich wijzigende omstandigheden, op hoofdlijnen een adequate bescherming van de belangen van de werknemer binnen de randvoorwaarden die de arbeidsorganisatie daaraan stelt, die ook voldoet aan de internationaal overeengekomen minimum-standaards.

  • Het arbeidsovereenkomstenrecht, inclusief het ontslagrecht;

  • Het Buitengewoon Besluit arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en de daarop gebaseerde regels betreffende ontslag en werktijdverkorting;

  • De Wet melding collectief ontslag (WMCO);

  • De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) en daarop gebaseerde regels betreffende bestuurlijke handhaving van de WML;

  • Het Besluit minimumjeugdloonregeling;

  • Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • Voorlichting.

Instrumenten

  • Ter verhoging van de effectiviteit van de handhaving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zijn de beleidsregels van deze wet aangepast. Ook is in 2010 een aanvang gemaakt met een wetswijziging die is gericht op de opname in de wet van de bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen, i.c. administratieve bescheiden ter controle van de loonbetalingen, door de toezichthouder (Arbeidsinspectie). Dit wetsvoorstel is in januari 2011 door de Eerste Kamer aanvaard en is in februari 2011 in werking getreden.

  • In 2010 is gewerkt aan een concept wetsvoorstel met enige arbeidsrechtelijke aanpassingen voor het wegnemen van belemmeringen voor doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd. In 2011 zullen deze voorbereidingen worden voortgezet.

  • In oktober 2010 heeft de SER een advies uitgebracht over de positie van zelfstandig ondernemers zonder personeel (zzp’ers). De kabinetsreactie op dit advies zal in het voorjaar van 2011 verschijnen.

  • In het kader van arbeidsgerelateerde arbeidsuitbuiting is een aantal activiteiten uitgevoerd. Er is een bewustwordingcampagne gehouden met als doelgroep burgers en werkgevers en werknemers in de risicogroepen. Er is in 14 talen een informatiekaart «arbeid en uitbuiting» beschikbaar gekomen. Bonded Labour in the Netherlands heeft een kwalitatief onderzoek naar overige arbeidsuitbuiting uitgevoerd in het kader van het project «Signaleren en informeren van moeilijk bereikbare slachtoffers». Dat heeft geleid tot de inzet van cultural mediators ten behoeve van slachtoffers van overige arbeidsuitbuiting en tot informatie uitwisseling met SZW en steun bij het opleidingen van inspecteurs van de AI als het gaat om de bejegening van slachtoffers van overige arbeidsuitbuiting. Ook is meegewerkt aan de totstandkoming van de instructiefilm «Gruwelijk gedwongen» die bedoeld is om inspecteurs, politie en gemeenten bewust te maken van mensenhandel/arbeidsuitbuiting waarbij zij een belangrijke rol kunnen vervullen als het gaat om de bestrijding ervan.

Activiteiten

  • Werknemers (waaronder arbeidsmigranten), werkgevers en hun vertegenwoordigers;

  • Zelfstandigen.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Operationele doelstelling 2 kent geen kwantitatieve streefwaarden. De doelstelling van het beleid is te komen tot een transparante regelgeving waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de bescherming van de werknemers en de vereisten van de onderneming. Voor dit evenwicht is geen objectieve indicator te geven.

Het aantal ontslagverzoeken in 2010 is veel lager uitgevallen (40 530) dan was geraamd (120 000). Bij de raming 2010 is uitgegaan van de prognose van het Centraal Plan Bureau (CPB), die aangaf dat het werkloosheidspercentage in Nederland zou oplopen tot 8% in 2010. De realisatie is daar ver onder gebleven, te weten 5,5%.

Het aantal toegekende WTV-aanvragen varieert door de jaren. Dit is afhankelijk van het aantal calamiteiten en de duur van de verminderde bedrijvigheid als gevolg van de calamiteit.

Het aantal opgelegde boetes WML stijgt sinds invoering van de mogelijkheid tot opleggen van boetes voor overtredingen van de WML in 2007. De stijging van het aantal opgelegde boetes komt voort uit de opstart van het nieuwe boeteregime, de wijzigingen in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en het daarop inregelen van het handhavingsbeleid.

Tabel 43.6 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Ontslagen1

   

Aantal ontslagaanvragen UWV

28 357

60 064

40 530

Waarvan via collectieve aanvraag (in %)

17

18

12

Aantal ontbindingsverzoeken rechtbanken

23 556

29 854

22 243

Totaal aantal aanvragen en verzoeken

51 913

89 918

62 773

    

Aanvragen WTV (werktijdverkorting)2

   

Aantal aanvragen

243

142

171

Aantal toegewezen

83

82

109

    

Handhaving WML3

   

Aantal controles

10 381

9 723

9 987

Aantal opgelegde boetes

26

58

127

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag

2 SZW, Onderzoeksrapport werktijdverkorting

3 SZW/Arbeidsinspectie, Jaarverslag

3 Bevorderen van het combineren van arbeid en zorg

Operationele doelstelling

Motivering

Om werknemers in staat te stellen de arbeidsduur (tijdelijk) aan te passen in verband met zorgtaken.

Doelbereiking

Het arbeid-en-zorginstrumentarium ondersteunt de hoge graad van met name arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland. Hierdoor is de beleidsopgave verschoven naar verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen in uren. De levensloopregeling heeft in de praktijk een beperkte betekenis voor de combinatie van arbeid en zorg.

  • Wet arbeid en zorg;

  • Wet aanpassing arbeidsduur;

  • Levensloopregeling; De levensloopregeling en het spaarloon worden geïntegreerd tot een regeling die ondersteunt in zorgtaken, in het volgen van scholing, het opzetten van eigen bedrijf, demotie of deeltijdpensioen. De regeling kan niet worden gebruikt voor vervroegd uitreden. Deze regeling wordt de vitaliteitsregeling genoemd.

  • De Taskforce DeeltijdPlus heeft in 2010 zijn werkzaamheden afgerond met de presentatie van een eindverslag. Het kabinet heeft hierop gereageerd bij brief aan de Kamer op 3 september 2010 (Kamerstukken II, 2010/2011, 29 544, nr. 260).

  • Op 7 juli 2010 is Richtlijn 2010/41/EU vastgesteld betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen («Zelfstandigenrichtlijn»). Deze herziening heeft onder andere tot doel voor zelfstandig werkende vrouwen een recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering te waarborgen. De Wet arbeid en zorg voorziet sinds medio 2008 reeds in een dergelijke regeling.

  • De door de Commissie beoogde wijziging van de Richtlijn zwangerschapsverlof heeft, mede door de amenderingen door het Europees Parlement, waaronder een verlenging van het zwangerschapsverlof tot 20 weken en de introductie van een betaald vaderverlof van 2 weken, nog niet tot afrondende besluitvorming kunnen komen.

  • Naar aanleiding van de motie- van Hijum (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XV, nr. 20) heeft het kabinet een onderzoek laten uitvoeren naar de potentiële kosten en baten van een verlenging van het zwangerschap- en bevallingsverlof van 16 weken naar 18 of 20 weken. Het rapport is op 14 juli 2010 aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XV, nr. 65).

Instrumenten en activiteiten

  • (potentiële) werknemers;

  • zelfstandigen (in verband met zwangerschaps- en bevallingsuitkering);

  • werkgevers.

Doelgroepen

Discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof

Indicatoren

De discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof wordt gemeten als het aandeel werknemers (m/v) dat behoefte heeft aan verlof, maar dit (nog) niet gebruikt, op het totaal aantal werknemers (m/v) met behoefte aan verlof. De volgende vormen van verlof zijn meegenomen in de meting van de indicator: ouderschapsverlof, kortdurend zorgverlof en langdurend zorgverlof. De module Arbeid en zorg van de Enquête Beroepsbevolking wordt eenmaal per twee jaar uitgevoerd. De eerstvolgende meting vindt plaats in 2011.

In overleg met SCP en CBS wordt bezien op welke wijze samenhangende informatie kan worden verzameld over het gebruik van de verschillende instrumenten voor de combinatie van arbeid en zorg, waaronder flexibele arbeidspatronen. Daarbij wordt ook de opzet van de huidige module Arbeid en zorg betrokken.

Bij de huidige prestatie-indicator wordt de behoefte aan verlof als gegeven genomen, ongeacht andere instrumenten die werknemers kunnen benutten voor de combinatie van arbeid en zorg, zoals flexibele arbeidspatronen. In de begroting 2011 is daarom vermeld dat zal worden bezien of een indicator kan worden geformuleerd die hierop aansluit.

Tabel 43.7 Indicatoren operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof (%)

44

Bron: CBS, EBB module – arbeid en zorg

In 2010 is het aantal uitkeringen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof ten opzichte van 2009 met bijna 2 000 afgenomen. Deze afname hangt samen met een kleine afname van het aantal geboorten in 2010. Het aantal ontvangers van ouderschapsverlofkorting is in 2010 verder toegenomen. Dit is naar verwachting een na-ijleffect van de verlenging van het ouderschapsverlof naar 26 weken per 1 januari 2009.

Tabel 43.8 Kengetallen operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering (x 1 000)

   

– aantal toekenningen werknemers1

135

139

137

– aantal toekenningen zelfstandigen1

4,2

7,5

7,4

Adoptieverlof (x 1 000)

   

– aantal toekenningen werknemers1

1,2

1,2

1,3

Ouderschapsverlof (x 1 000)

   

– Aantal werknemers met ouderschapsverlof (betaald en onbetaald)2

67

124

– Aantal ontvangers ouderschapsverlofkorting4

22

78

82

Levensloopregeling (x 1 000)

   

– aantal actieve deelnemers 3

270

237

229

Bronnen:

1 UWV, jaarverslag

2 CBS, EBB module – arbeid en zorg. De eerst volgende meting vindt plaats in 2011.

3 CBS, EBB module – levensloop, 2010 voorlopig cijfer

4 Ministerie van Financiën, Belastingdienst

4 Bevorderen van gelijke kansen op de arbeidsmarkt en toegang tot de arbeidsmarkt door bescherming te bieden tegen ongelijke behandeling bij arbeid en beroep

Operationele doelstelling

Motivering

Om werknemers en werkzoekenden bescherming te bieden tegen ongelijke behandeling en te waarborgen dat een ieder gelijke kansen heeft op het terrein van arbeid.

Doelbereiking

In cao’s is geen sprake meer van direct onderscheid naar geslacht en bij werving en selectie is dat aanmerkelijk afgenomen. De gelijke behandeling van allochtonen, ouderen en arbeidsgehandicapten vergt nog de nodige aandacht.

  • Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid;

  • Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;

  • Wet verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur;

  • Wet gelijke behandeling van tijdelijke en vaste werknemers;

  • Commissie gelijke behandeling;

  • Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen;

  • Subsidie aan Expertisecentrum LEEFtijd voor de uitvoering van de projecten Werk voor alle leeftijden, meerjarentraject 2008–2010 en Vacatures voor alle leeftijden;

  • De landelijke discriminatiemonitor niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt is in 2010 gepubliceerd (incl. SCP onderzoek «liever Mark dan Mohammed»);

  • Voortzetting van de website gelijkloon.nl en het netwerk gelijke beloning, waarin naast SZW o.a. BZK, OCW, Stichting de Loonwijzer, de Commissie gelijke behandeling en sociale partners participeren;

  • Op 6 december 2010 zijn de Raadsconclusies verschenen over de vergroting van de inzet en intensivering van de maatregelen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten, en herziening van de uitvoering van het Actieprogramma van Peking.

Instrumenten en activiteiten

  • Werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers;

  • Relevante belangenorganisaties en organisaties van professionals;

  • Werkzoekenden.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Gegevens over beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen worden vanaf 2008 ontleend aan CBS-cijfers. Daaraan voorafgaand waren deze gebaseerd op onderzoeken uitgevoerd door de Arbeidsinspectie. Door andere gegevensbronnen en methodiek zijn deze cijfers onderling niet vergelijkbaar.

In november 2010 heeft het CBS in de publicatie van het jaar 2008 «Gelijk loon voor gelijk werk?» een uitgebreide analyse van deze gegevens gepresenteerd en een toelichting gegeven op de verschillen met de voorheen door de Arbeidsinspectie verstrekte gegevens. In het voorjaar van 2011 zal naar aanleiding van deze CBS-publicatie een tiende voortgangsrapportage gelijke beloning met gegevens over 2008 aan de Kamer worden aangeboden. Over 2010 zijn geen gegevens beschikbaar.

Tabel 43.9 Indicatoren operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2006

Realisatie 2008

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Gecorrigeerde beloningsverschillen (%)

    

Verschil man-vrouw bedrijfsleven

– 6,5

– 9

≤ 6

Verschil man-vrouw overheid

– 2,6

– 7

≤ 3

     

Ongecorrigeerde beloningsverschillen (%)

    

Verschil man-vrouw bedrijfsleven

– 23

– 22

≤ 19,5

Verschil man-vrouw overheid

–14

–15

≤ 12,5

Bron: CBS, Gelijk loon voor gelijk werk

Tabel 43.10 Kengetallen operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Commissie gelijke behandeling: Aantal oordelen op terrein van arbeid1

Totaal aantal

117

96

142

waarvan op grond van (%):

   

– geslacht

15

14

17

– leeftijd

38

41

26

– handicap

9

9

15

– overig

38

35

42

    

Commissie klachtenbehandeling: aanstellingskeuringen 2

Totaal aantal

38

47

31

waarvan:

   

– Klachten

5

9

5

– Vragen

33

38

26

Bronnen:

1 Commissie Gelijke Behandeling, Jaarverslag

2 Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen, Jaarverslag

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 43.11 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Een betere afstemming tussen de Wet op de medische keuringen en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte

OD4

A. 2010

B. 2010

 
 

Tijdelijke stimuleringsregeling leeftijdsbewust beleid

OD 4

A. 2009

B. 2010

 
 

Discriminatiemonitor 2010 (incl. publicatie «Liever Mark dan Mohammed»)

OD 4

A. 2009

B. 2010

 

Beleidsdoorlichting

    

Effecten onderzoek ex post

    

Overig evaluatieonderzoek

    

Toelichting

In de loop van 2011 wordt het evaluatieonderzoek over een betere afstemming tussen de Wet op de medische keuringen en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap op chronische ziekte, aan de Tweede Kamer aangeboden.

Op 1 juli 2010 zijn de SCP rapporten «Monitor Rassendiscriminatie 2009» en «Discriminatiemonitor niet-westerse migranten op de arbeidsmarkt 2010» aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2009/2010, 30 950, nr. 18).

Op 10 november 2010 is de Eindevaluatie tijdelijke subsidieregeling stimuleren leeftijdsbewust beleid periode 2004–2010 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2009/2010, 29 544, nr. 268).

Artikel

44 Gezond en veilig werken

Artikel

Bevorderen van gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

Algemene doelstelling

Motivering

Om de veiligheid en gezondheid van werknemers te beschermen en arbeidsuitval te voorkomen is een goed arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid noodzakelijk. Dit is van belang voor het beperken van het beroep op de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) en de gezondheidszorg en voor het in stand houden van de arbeidsproductiviteit.

Veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en arbeidstijden dragen daarnaast bij aan het inperken van (bedrijfs-)risico’s met ingrijpende effecten op de samenleving, bijvoorbeeld bij bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

De daadwerkelijke uitvoering van goed arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid is de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. SZW stimuleert het arbobeleid van bedrijven en ziet erop toe dat de Arbeidsomstandighedenwet en Arbeidstijdenwet worden nageleefd.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2010 was het verzuimpercentage 4,4%. Uit de Nationale Enquête Arbeidomstandigheden (NEA) kwam naar voren dat 90% van de werknemers positief is over de eigen gezondheid. Organisaties met een laag verzuimpercentage hebben (ook) in 2010 aandacht voor preventie en verzuim. In 2010 heeft in het Nederlandse bedrijfsleven 1 incident plaatsgevonden met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

Externe factoren

Werkgevers en werknemers zetten zich in voor het opstellen van arbocatalogi om daarmee in bedrijven maatwerk mogelijk te maken. In de arbocatalogus is door werkgevers en werknemers uitgeschreven hoe aan de wettelijke doelvoorschriften kan worden voldaan. Tot eind 2010 zijn in 146 sectoren 196 (deel-) arbocatalogi tot stand gekomen die positief getoetst zijn door de Arbeidsinspectie.

Realisatie meetbare gegevens

De kans op een ongeval met verzuim tot gevolg voor een werknemer is sinds 2005 niet significant veranderd.

Tabel 44.1 Indicatoren algemene doelstelling
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Percentage ziekteverzuim1

4,3

4,3

4,4

4,3

Percentage arbeidsongevallen onder werknemers met verzuim tot gevolg2

3,4

3,1

3,2

3,3

Percentage werknemers dat verdere aanpassingen aan de werkplek of aan de werkzaamheden noodzakelijk acht in verband met zijn of haar gezondheid2

22,2

19,5

18,5

22,0

Bronnen:

1 CBS, Kwartaalenquête ziekteverzuim

2 TNO/CBS, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden

Tabel 44.2 Kengetal algemene doelstelling
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen

0

3

1

Bron: SZW/Arbeidsinspectie, Jaarverslag

Toelichting

Dit betreft de aan de EU te melden ongevallen met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 44.3 Begrotingsuitgaven Artikel 44 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

85 572

72 842

59 970

59 006

62 765

67 410

– 4 645

Uitgaven

93 755

84 463

61 072

58 288

59 246

67 410

– 8 164

        

Programma uitgaven

42 932

33 059

19 728

19 503

19 331

27 728

– 8 397

        

Operationele Doelstelling 1

       

Arboconvenanten

13 453

9 092

0

0

0

0

0

Handhaving

675

529

325

317

269

300

– 31

Overig

7 016

6 034

4 725

6 822

8 961

4 442

4 519

Subsidies

21 788

17 404

14 678

12 364

10 101

22 986

– 12 885

        

Apparaatsuitgaven

50 823

51 404

41 344

38 785

39 915

39 682

233

Personeel en materieel

50 823

51 404

41 344

38 785

39 915

39 682

233

        

Ontvangsten

3 886

5 251

8 207

11 978

8 445

6 432

2 013

Toelichting

De overschrijding van het budget overig en de onderschrijding van het budget subsidies is het gevolg van de ontwikkeling dat meer gebruik wordt gemaakt van opdrachtverlening en minder van het subsidie-instrument. Vanwege deze ontwikkeling is € 3 mln overgeboekt van subsidies naar overig. Voorts is € 2,1 mln overgeboekt naar overig voor opdrachtverlening in het kader van het Actieplan Arbeidsveiligheid. Vanuit het budget subsidies is tevens € 4,4 mln overgeboekt naar OCW voor de aanvullende Rijksbijdrage TNO. Tot slot zijn er mutaties ten laste van het subsidiebudget geweest voor kennisontwikkeling- en borging. Uiteindelijk is € 0,8 mln van het budget subsidies niet tot besteding gekomen.

Ontvangsten

De ontvangsten bestuurlijke boete Arbo zijn verhoogd met circa € 2,9 mln tot € 8,0 mln. De ontvangsten bestuurlijke boete ATW zijn verlaagd met circa € 0,24 mln tot circa € 0,06 mln. De ontvangstentaakstelling betreft in totaal dus circa € 8,06 mln waarvan in 2010 circa € 8,45 mln is gerealiseerd.

1 Bevorderen dat werkgevers en werknemers in bedrijven, branches en sectoren een effectief en efficiënt arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid voeren

Operationele doelstelling

Motivering

Om te bereiken dat werkgevers en werknemers in bedrijven een effectief en efficiënt arbeidsomstandigheden- en arbeidstijdenbeleid voeren, richt de overheidsinzet zich op het stimuleren en bevorderen dat werkgevers en werknemers de eigen verantwoordelijkheid hiervoor nemen. Met de in 2007 herziene Arbeidsomstandighedenwet hebben werkgevers en werknemers immers de ruimte om, binnen de wettelijke begrenzing, arbeidsomstandighedenbeleid af te stemmen op de eigen onderneming. Ook is met de herziening de administratieve lastendruk voor ondernemingen verminderd. Dit verhoogt het draagvlak voor het arbeidsomstandighedenbeleid binnen de onderneming en maakt het meer kostenefficiënt en effectiever. Met een adequate arbeidsomstandigheden- en verzuimaanpak winnen ondernemingen ook aan arbeidsproductiviteit.

De verantwoordelijkheid voor de vormgeving van het arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid ligt bij de sociale partners. Vandaar de overheidsinzet op het stimuleren en bevorderen van deze eigen verantwoordelijkheid. De Arbeidstijdenwet legt eveneens een grote verantwoordelijkheid bij sociale partners. Door middel van het handhavingsbeleid van SZW wordt de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet bevorderd.

Doelbereiking

In 2010 hebben de Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet inzake de risico-inventarisatie en -evaluatie (ri&e) aanvaard. Voornaamste doel van de wetswijziging is het verhogen van de naleving van de ri&e bij met name kleine bedrijven. In de wetswijziging is vastgelegd dat voor bedrijven met ten hoogste 25 werknemers de verplichte toets van de ri&e door een arbodeskundige vervalt, als gebruik gemaakt wordt van een door het tripartiete Steunpunt ri&e-instrumenten aangemeld ri&e-instrument. Daarnaast is de verplichting voor werkgevers dat zij hun werknemers de mogelijkheid bieden dat deze hun ri&e kunnen inzien, weer expliciet in de Arbeidsomstandighedenwet opgenomen. Inwerkingtreding van het wetsvoorstel is voorzien op 1 april 2011.

De totstandkoming van arbocatalogi is de verantwoordelijkheid van sociale partners. De Commissie Begeleiding Arbocatalogi (CBA) van de Stichting van de Arbeid heeft dit proces vanaf 2007 gestimuleerd. SZW geeft de CBA subsidie voor de werkzaamheden. Ook in 2010 werd subsidie gegeven voor de bevordering van zowel de totstandkoming van meer arbocatalogi als het opnemen van meer arbeidsrisico’s in de bestaande arbocatalogi en tevens de implementatie van de arbocatalogi in de sectoren. De Arbeidsinspectie toetst de arbocatalogi marginaal. Op 1 januari 2011 waren er 196 (deel-)arbocatalogi in 146 sectoren tot stand gekomen. In het kader van de evaluatie van de Arbowet bekijkt SZW op dit moment eveneens het instrument arbocatalogi. De evaluatie Arbowet wordt voor 1 januari 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Instrumenten en activiteiten

De tijdelijke subsidieregeling «Stimulering Totstandkoming Arbocatalogi (STA)» is gestopt per 1 januari 2010, de aanvragen werden grotendeels behandeld in 2010. In totaal zijn er 134 branches die een subsidie toegewezen kregen.

De tijdelijke «Subsidieregeling implementatie arbocatalogi» gold van 1 juni tot 15 oktober 2010. Branches die reeds in het kader van de «regeling STA» subsidie ontvingen konden € 10 000 ontvangen voor de implementatie. Voor branches met een nieuwe catalogus was € 20 000 beschikbaar. Deze laatste branches hadden geen subsidie ontvangen in het kader van «regeling STA». Dit betreft 7 branches van de in totaal 86 branches.

Communicatie, voorlichting en instrumentatie:

  • Medefinanciering, met andere departementen, van de Helpdesks REACH (Registratie, Evaluatie en Autorisaties van Chemische stoffen) en GHS (Globally Harmonised System, indelings- en etiketteringsvoorschriften van stoffen). De helpdesks ondersteunen het bedrijfsleven bij het voldoen aan deze EU-verplichtingen voor het op de markt brengen van gevaarlijke stoffen.

  • Financiering van de verdere ontwikkeling van het digitale instrument Stoffenmanager in verband met wijziging van de Europese regelgeving voor stoffen en vanwege de ontwikkelingen op het beleidsonderwerp nanotechnologie. Met Stoffenmanager kan de werkgever voldoen aan de arboregelgeving ten aanzien van de gevaren van stoffen.

Het Actieplan Arbeidsveiligheid (2010–2012), gericht op het voorkomen van ongevallen door de inzet van gedrags- en cultuurinterventies op de werkvloer, is met een conferentie met sociale partners op sectorniveau officieel van start gegaan.

Er zijn met subsidie ondersteunde samenwerkingsafspraken over ongevalsreductie gemaakt met de sociale partners van de vijf prioritaire sectoren (Bouw, Horeca, Industrie, Transport en Landbouw). Bovendien is de subsidieregeling Veilig Werken door Gedragsverandering voor MKB-bedrijven in werking getreden.

Doelgroepen

Werkgevers, werknemers, arboprofessionals (preventiemedewerker, bedrijfsarts, veiligheidskundige etc.).

Naleving zorgplicht Arbowet

Realisatie meetbare gegevens

Naleving van de Arbowet wordt aangeduid door een percentage dat aangeeft in hoeverre de in de wet genoemde systeemelementen aanwezig zijn. Dit percentage is opgebouwd uit de percentages voor de volgende vier deelverplichtingen: de risico-inventarisatie en -evaluatie (ri&e), de arbodienstverlening, de preventiemedewerker en de bedrijfshulpverlening (BHV). Het percentage is een gemiddelde van deze vier elementen en geeft aan in welke mate de zorgplicht van de Arbowet in het algemeen wordt nageleefd. Het percentage wordt zowel voor bedrijven als voor werknemers berekend (zie tabel 44.4). Grote bedrijven beschikken vaker dan kleine bedrijven over de genoemde systeemelementen, waardoor het percentage werknemers hoger uitvalt dan het percentage bedrijven.

Percentage werknemers dat onder de werking van een arbocatalogus valt

Het percentage werknemers dat onder de werking van een arbocatalogus valt is in 2010 uitgekomen op 51% en ligt daarmee onder de streefwaarde van 60%. De arbocatalogus is geen verplicht instrument en sociale partners beslissen samen of zij willen overgaan tot het opstellen van een arbocatalogus. De staatssecretaris van SZW heeft in februari 2011 de sociale partners opgeroepen tot een gezamenlijk plan van aanpak, om het proces van uitbreiding van het aantal arbocatalogi een nieuwe impuls te geven.

In 2010 zijn 13 catalogi tot stand gekomen. Merendeels betreft het deelcatalogi, aanvullend aan de reeds bestaande catalogi met andere risico-onderwerpen. De nieuw opgestelde catalogi betreffen met name kleine branches.

Tabel 44.4 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Naleving zorgplicht Arbowet1

    

– percentage bedrijven

59

59

58

59

– percentage werknemers

88

88

88

88

Percentage bedrijven dat bij hercontrole voldoet aan de Arbowet2

98

98

98

>95

Percentage werknemers dat onder de werking van een arbocatalogus valt2

16,5

49

51

60

Bronnen:

1 SZW administratie

2 SZW/Arbeidsinspectie, Jaarverslag

Tabel 44.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Aantal actieve inspecties door de Arbeidsinspectie

20 012

21 386

18 541

Bron: SZW/Arbeidsinspectie, Jaarverslag

In 2010 zijn op het terrein van arbeidsomstandigheden 18 541 actieve inspectietrajecten afgerond. Dit komt overeen met de raming 2010 in de begroting 2011. Actieve inspecties zijn inspecties op eigen initiatief van de Arbeidsinspectie en zijn doorgaans niet bij het bedrijf aangekondigd. Een inspectietraject kan meerdere inspectiebezoeken bij één bedrijf betreffen (meerdere locaties) en vervolgbezoeken.

Ten opzichte van 2009 is het aantal actieve inspecties gedaald. Dit komt door een andere werkwijze. Inspecteurs worden in het kader van de sectorbenadering vanaf 2010 gemiddeld voor 7% van hun tijd ingezet voor andere taken dan handhavende inspecties, bijvoorbeeld preventieve activiteiten als het geven van voorlichting aan groepen bedrijven. Met deze verschuiving heeft de Arbeidsinspectie invulling gegeven aan het handhavingsprogramma van SZW om in het kader van bevordering van de naleving en het verminderen van overtredingen meer aan «compliance-assistance» te doen en selectiever en effectiever instrumenten in te zetten. Deze nieuwe inspanningen komen uit de bestaande inspectiecapaciteit, die daardoor afneemt.

Tabel 44.6 Onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

   

Beleidsdoorlichting

Arbeidsomstandigheden

AD

A. 2009

 
   

B. 2011

 

Effecten onderzoek ex post

Geen

   

Overig (evaluatie)onderzoek

Arbeidsomstandighedenwet

AD

A. 2009

B. 2011

 
 

Arbeidstijdenwet

AD

A. 2010

 
   

B. 2012

 

Toelichting

Uit oogpunt van efficiency wordt de beleidsdoorlichting gecombineerd met de verplichte (wets-)evaluatie Arbowet. Deze wordt eind 2011 naar de Tweede Kamer gestuurd. De focus van de evaluatie Arbeidstijdenwet betreft de effecten van de wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke wet, ondermeer op nacht- en zondagarbeid.

Artikel

45 Pensioenbeleid

Artikel

Bevorderen en beschermen van arbeidspensioenen

Algemene doelstelling

Motivering

Om werkgevers en werknemers te stimuleren afspraken te maken voor aanvullend pensioen en een waarborg te scheppen dat een pensioentoezegging van de werkgever aan zijn werknemers na pensionering gestand wordt gedaan.

Pensioenstelsel 2010

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2010 zijn verschillende aspecten van het pensioenstelsel aan de orde gekomen:

  • de duurzaamheid van het pensioenstelsel in het licht van het rapport van de commissie Goudswaard;

  • de «governance» van pensioenfondsen in het licht van het rapport van de commissie Frijns;

  • de evaluatie van het financieel toetsingskader (FTK);

  • de rendementscriteria in het licht van het rapport van de commissie Don;

  • aanpassing van de parameters voor pensioenfondsen.

De discussie over deze aspecten heeft geleid tot de brief van 7 april 2010 inzake de evaluatie van het financieel toetsingskader (Kamerstukken II, 2009/2010, 30 413, nr. 142) en het Pensioenakkoord van 4 juni gesloten in de Stichting van de Arbeid (Kamerstukken II, 2009/2010, 30 413, nr. 145). Deze discussies en voorstellen zijn direct of indirect relevant voor de situatie waarin pensioenfondsen zich thans bevinden als gevolg van de situatie op de financiële markten.

Vanwege de uitzonderlijke economische situatie is – onder voorwaarden – de termijn voor kortetermijnherstelplannen tijdelijk verlengd van drie naar vijf jaar om te voorkomen dat pensioenfondsen zeer ingrijpende maatregelen zouden moeten nemen (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten).

Pensioenakkoord

Het Pensioenakkoord bevat voorstellen voor de toekomstbestendigheid van de AOW in de eerste pijler en afspraken over noodzakelijke aanpassingen van de arbeidspensioenen in de tweede pijler. Het akkoord vormt daarmee een belangrijk uitgangspunt voor de gesprekken tussen het kabinet en sociale partners over de toekomstige inrichting van de tweede pijler.

Sociale partners op centraal niveau willen begin 2011 met het kabinet tot een akkoord komen over de noodzakelijke aanpassing van het FTK en de Pensioenwet.

Witte vlek

De zogenaamde «witte vlek» betreft het aantal werknemers dat geen pensioen opbouwt in de tweede pijler. Op 22 februari 2011 is het CBS rapport Witte vlek op pensioengebied 2008 en 2009 toegezonden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2010/2011, 32 043, nr. 29).

Internationale pensioenontwikkelingen

Externe factoren

Regelgeving uit Europa kan grote gevolgen hebben voor de kosten van Nederlandse pensioenregelingen.

In 2010 is vanuit de Europese Commissie het startsein gegeven voor een openbaar debat in heel Europa over de wijze waarop adequate, houdbare en zekere pensioenen kunnen worden gegarandeerd en hoe de EU de lidstaten daarbij kan helpen (Groenboek). Nederland heeft in de reactie er uitdrukkelijk op gewezen dat de primaire doelstelling is de houdbaarheid, zekerheid en betaalbaarheid van de pensioenen en dat de lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor hun pensioenvoorziening. Een krachtige handhaving van het Stabiliteits- en Groeipact speelt hierbij een centrale rol. Tegen deze achtergrond wijst Nederland met name de in relatie tot Solvency II gesuggereerde uitbreiding van de buffereisen voor pensioenen af. Ook een hernieuwde discussie over de meeneembaarheid van pensioenrechten acht Nederland weinig zinvol.

De International Accounting Standards Board (IASB) heeft voorstellen gedaan om de verslaggevingregels voor pensioenen voor beursgenoteerde ondernemingen aan te passen. Echter, de voorstellen houden onvoldoende rekening met Nederlandse pensioenregelingen, waarin de verplichtingen niet volledig worden gedragen door een werkgever, maar door een onafhankelijk pensioenfonds (Kamerstukken II, 2009/2010, 30 413, nr. 150)

Macro-economische ontwikkelingen

De gemiddelde dekkingsgraad van pensioenfondsen is eind 2010 uitgekomen op 107%. Daarmee is de financiële positie van de sector nog steeds zorgelijk. Toch is de situatie de laatste maanden wel verbeterd. In augustus daalde de gemiddelde dekkingsgraad met 8 procentpunten. In de maanden erna werd deze daling voor de sector als geheel goed gemaakt. De trendmatige daling van de rente is een van de oorzaken van de financiële problemen waarin veel fondsen verkeren. Pensioenfondsen staan ook onder druk door de stijgende levensverwachting.

Transparant beheer en bestuur van pensioenfondsen

Zoals geschetst in het rapport van de commissie Frijns legt de toenemende complexiteit, die samenhangt met het aanpassen van de pensioencontracten, een aanzienlijke druk op de governance van pensioenfondsbesturen en de noodzaak tot integrale aanpassing op het punt van deskundigheid, toezicht, vertegenwoordiging en stroomlijning van de vele medezeggenschapsorganen met overlappende bevoegdheden. Vanwege de heterogeniteit van pensioenfondsen (omvang, achtergrond aangeslotenen, mate van vergrijzing, dekkingsgraad, pensioenregelingen in uitvoer en governance) is er niet één model dat hierop van toepassing is.

Realisatie meetbare gegevens

Artikel 45 kent geen indicatoren op het niveau van de algemene doelstelling, deels omdat het beoogde effect van het beleid niet kan worden gekwantificeerd, deels omdat het beleidseffect niet kan worden geïsoleerd van andere factoren. Indicatoren en kengetallen over het pensioenbeleid zijn opgenomen onder de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 45.1 Begrotingsuitgaven Artikel 45 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

61 808

58 547

2 623

1 943

2 456

2 609

– 153

Uitgaven

34 008

86 347

2 431

2 011

2 498

2 609

– 111

        

Programma uitgaven

32 500

85 000

943

437

727

910

– 183

        

Operationele Doelstelling 1

       

Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening

32 500

85 000

0

0

0

0

0

Uitvoeringskosten Toezicht

0

0

0

0

0

500

– 500

Overig

0

0

15

138

655

250

405

Operationele Doelstelling 2

       

Subsidies

0

0

928

299

72

160

– 88

        

Apparaatsuitgaven

1 508

1 347

1 488

1 574

1 771

1 699

72

Personeel en materieel

1 508

1 347

1 488

1 574

1 771

1 699

72

        

Ontvangsten

0

0

13 661

11

79

0

79

Uitvoeringskosten toezicht

Toelichting

De uitvoeringskosten toezicht hebben betrekking op de kosten van de toezichthouders DNB en AFM die verband houden met de voorbereiding van wet- en regelgeving op het gebied van pensioenen. De minister van Financiën draagt zorg voor de betaling aan AFM en DNB van de overheidsbijdrage in de toezichtkosten. Het bedrag op de begroting van SZW is daarom overgeboekt naar het overeenkomstige beleidsbudget van het ministerie van Financiën. Vanuit SZW heeft geen directe betaling aan AFM en DNB plaatsgevonden. De gerealiseerde kasuitgaven op dit artikelonderdeel staan daarom op 0.

Overig

Onder de post overig staan de uitgaven voor onderzoeksbudget (€ 180 000) en de incidentele kosten (€ 475 000) die de SVB in 2010 heeft moeten maken voor het pensioenregister. Voor onderzoeksbudget was € 250 000 begroot, de kosten voor de SVB waren niet begroot.

1 Vergroten van de houdbaarheid en het bereik van het stelsel van aanvullende pensioenen

Operationele doelstelling

Motivering

Om zoveel mogelijk werknemers in de gelegenheid te stellen op collectieve en solidaire wijze een aanvulling op de AOW te verkrijgen om na pensionering hun levensstandaard zo goed mogelijk te kunnen handhaven.

Doelbereiking

Het Regeerakkoord benadrukt het belang van een toekomstbestendig pensioenstelsel. De rapporten van de commissies Goudswaard en Frijns, maar ook de evaluatie van het financieel toetsingskader (FTK) benadrukken dat een aanpassing van pensioenregelingen en het FTK onontbeerlijk zijn om het pensioenstelsel toekomstbestendig te maken. In de brief van 7 april 2010 (Kamerstukken II, 2009/2010, 30 413, nr. 142) schetste het vorige kabinet al welke aanpassingen nodig zijn om de sterke kanten van het aanvullend pensioenstelsel te kunnen behouden. In de brief van 1 december 2010 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken en de planning van de pensioenhervorming.

  • Op grond van het Pensioenakkoord is op verzoek van sociale partners het Besluit financieel toetsingskader in verband met het vaststellen van de parameters voor fondsen aangepast. Om te voorkomen dat pensioencontracten kort achter elkaar aangepast moeten worden, heeft het kabinet besloten om de nieuwe parameters te laten ingaan op 1 januari 2012, behalve voor pensioenfondsen die na 1 januari 2011 een nieuw herstelplan moeten indienen; voor deze fondsen gelden de nieuwe, lagere parameters al vanaf 1 januari 2011 (Kamerstukken II, 2009/2010, 30 413, nrs. 143, 144, 145, 148).

  • Ter voorkoming dat een substantieel aantal pensioenfondsen hun premies in 2011 ingrijpend zouden moeten verhogen om de dekkingsgraad weer boven de 105% te brengen, is de tijdelijke maatregel ingevoerd dat in 2011 dit herstel niet via premiestijging hoeft te worden gefinancierd. Dit mede vanwege de wettelijke eis van evenwichtige belangenbehartiging voor alle betrokkenen in een pensioenfonds. Daarnaast worden verdere premiestijgingen schadelijk geacht voor het economisch herstel, de werkgelegenheid en de concurrentiepositie van de Nederlandse economie. Vanaf 2012 moeten pensioenpremies weer bijdragen aan het herstel van de dekkingsgraad.

  • Op 3 september 2010 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de derde fase van een Algemene Pensioeninstelling (API) en de samenhang ervan met de governance en de toepassing van het financieel toetsingskader. In het voorjaar van 2011 zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de API (Kamerstukken II, 2009/2010, 31 891, nr. 13).

  • Op 21 december 2010 is de Eerste Kamer akkoord gegaan met de Wet introductie premiepensioeninstellingen (Kamerstukken I, 2009/2010, 31 891, A).

  • Op 27 april 2010 heeft de Eerste Kamer het eindverslag uitgebracht op het wetsvoorstel uitbreiding van de werkingssfeer voor ondernemingspensioenfondsen (Multi opf) vastgesteld (Kamerstukken I, 2009/2010, 32 141, D).

  • Op 29 november 2010 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek naar waardeoverdracht. Het onderzoek is uitgevoerd tegen de achtergrond van ontwikkelingen op pensioengebied, zoals de overgang van eind- naar middelloonregelingen en de omzetting van nabestaandenpensioen van opbouw- naar risicobasis. De resultaten zullen de input vormen voor een meer fundamentele discussie over waardeoverdracht samen met de Stichting van de Arbeid en het pensioenveld.

Instrumenten en activiteiten

  • Werkgevers

  • Werknemers

  • Pensioenuitvoerders

Doelgroepen

Aantal werknemers dat geen aanvullend pensioen opbouwt

Realisatie meetbare gegevens

Als indicator voor het bereik van het pensioenstelsel wordt het percentage werknemers gepresenteerd, dat geen aanvullend pensioen opbouwt. Sinds 2007 wordt gebruik gemaakt van een nieuwe onderzoeksmethode, waardoor de meetwaarde niet meer aansluit op de daarvoor gepresenteerde gegevens. Over de omvang van de witte vlek op pensioengebied in 2007 is gerapporteerd dat 9 van de 10 werknemers pensioen opbouwen (Kamerstukken II, 2007/2008, 30 413, nr. 104). Het CBS onderzoek naar de omvang van de witte vlek over de jaren 2008 en 2009 is in februari 2011 verschenen en resultaten wijken niet af van het beeld in 2007. De resultaten over de omvang van de witte vlek in 2010 zijn nog niet beschikbaar. Zoals aangegeven in de brief van 21 december 2009 zal gegeven de beperkte omvang van de witte vlek de frequentie van de rapportage daarna eens per vier jaar zijn. Het wordt wenselijk geacht dat aanvullend onderzoek wordt verricht naar de oorzaken van de witte vlek.

Aangezien op dit moment geen informatie beschikbaar is op grond waarvan sociale partners of de overheid de omvang van de witte vlek kunnen beperken, is het niet realistisch om een streefwaarde aan te geven.

Tabel 45.2 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

% werknemers dat geen aanvullend pensioen opbouwt

10

10

Bron: CBS, Witte vlek op pensioengebied 2008 en 2009, februari 2011

Aantal fondsen met een reservetekort

Er is sprake van een reservetekort als een fonds een dekkingsgraad van onder de 130% heeft. In augustus daalde de gemiddelde dekkingsgraad van de pensioensector met 8 procentpunten. In de maanden daarna is voor de sector als geheel deze daling weer goedgemaakt. Eind 2010 is de gemiddelde dekkingsgraad 107%. De financiële positie van pensioenfondsen hangt voor een belangrijk deel samen met de trendmatige daling van de rente, naast het effect van de sterftetrend.

Het aantal fondsen met een dekkingsgraad onder de 105% nam gestaag toe van 123 in het eerste kwartaal tot 169 eind 2010. Eind 2010 hadden 327 fondsen een reservetekort (een dekkingsgraad van onder 130%) (DNB Statistieken). De vooruitzichten op een snel economisch herstel zijn nog altijd onzeker. Dat maakt ook het herstel van de financiële positie van pensioenfondsen onzeker (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 043, nr. 2).

In 2010 is SZW samen met DNB een onderzoek gestart naar alternatieve risicovrije rentes, waarbij diverse opties worden bezien op hun effecten voor de dekkingsgraad. De resultaten van dit onderzoek zullen worden meegewogen in een pakket maatregelen, dat nodig is om tot een toekomstbestendig pensioenstelsel te komen.

Aantal actieve deelnemers met mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting

Een pensioenuitvoerder kan voor de deelnemer, die gewezen deelnemer wordt, een vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling uitvoeren als de vrijwillige voortzetting maximaal drie jaar vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking voortduurt. Het beeld wijkt niet af van de voorgaande jaren.

Type pensioenregeling

Als gevolg van de demografische ontwikkelingen en de daarmee gepaard gaande kosten voor de uitvoering van pensioenregelingen, worden de pensioenrisico’s op diverse manieren verdeeld tussen werkgever en werknemer. Het resultaat valt af te lezen uit het percentage middelloonregelingen en het aantal deelnemers met een beschikbare premieregeling. Het beeld in 2010 wijkt niet af van het jaar daarvoor.

Tabel 45.3 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Aantal fondsen met een reservetekort

aantal fondsen (absoluut)

384

339

327

aantal deelnemers betrokken bij deze fondsen (absoluut)

5 517 905

5 393 813

5 440 441

    

Aandeel actieve deelnemers met mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting (%)

 

bij vrijwillig ontslag

89

87

86

bij zorgverlof

91

91

90

bij ouderschapsverlof

92

93

91

bij sabbatical leave

91

89

89

bij educatief verlof

88

89

87

    

Aandeel actieve deelnemers (%) per type regeling

   

uitkeringsovereenkomst op basis van eindloon

1

1

1

uitkeringsovereenkomst op basis van middelloon

89

90

90

premieovereenkomst

5

5

5

overig

5

4

4

Bron: DNB, Statistieken

2 Verbeteren van de betrokkenheid van deelnemers bij hun pensioenvoorziening

Operationele doelstelling

Motivering

Om deelnemers te stimuleren kennis te nemen van hun pensioenregelingen en hun verantwoordelijkheid voor aanvullend pensioen te nemen.

Doelbereiking

In 2010 hebben deelnemers en gepensioneerden zich gerealiseerd dat hun pensioen minder zeker is dan zij dachten. Veel deelnemers waren niet op de hoogte van de mogelijkheid dat hun pensioen gekort zou kunnen worden. Het niet communiceren over beleggingsrisico’s heeft bij deelnemers geleid tot niet reële verwachtingen over de hardheid van hun pensioentoezegging.

Informatiebepalingen Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en Pension Fund Governance (goed pensioenfondsbestuur)

Instrumenten en activiteiten

  • Op 16 december 2010 is het wetsvoorstel in verband met de inrichting en het beheer van het pensioenregister door de Tweede Kamer aanvaard (Kamerstukken II, 2010/2011, 32 533). Op 25 januari 2011 is het wetsvoorstel door de Eerste Kamer aangenomen (Kamerstukken I, 2010/2011, 32 533, nr. B). Sinds 6 januari 2011 kunnen mensen op mijnpensioenoverzicht.nl hun pensioenaanspraken inzien.

  • De pension fund governance en medezeggenschap bij pensioenfondsen is een van de hoofdlijnen van de aanpak gericht op de toekomstbestendigheid van het aanvullend stelsel van pensioenen.

  • Op 27 september 2010 is de Eerste Kamer geïnformeerd over de resultaten van de internetconsultatie over het voorontwerp van de wet in verband met de aanpassing van het bestuursmodel voor pensioenfondsen. Het voorontwerp maakt deel uit van een integrale aanpassing van de governance en medezeggenschapsproblematiek. Het is de bedoeling om uiteindelijk met drie modellen te komen, waaruit pensioenfondsbesturen een eigen model kunnen kiezen. De planning is om een integraal wetsvoorstel governance voor de zomer van 2011 bij de Tweede Kamer in te dienen (Kamerstukken I, 2010/2011, 31 537, B en D).

  • Met steun van de overheid heeft Pensioenkijker.nl extra aandacht besteed aan het partnerpensioen en het pensioen bij echtscheiding. In het najaar heeft een aantal weken een pensioenboodschap op de achterruit van bussen in belangrijke forenzensteden gestaan. Daarna hingen er posters in de bussen over het partnerpensioen; deze campagne werd ondersteund door radiocommercials.

Doelgroepen

(Gewezen) deelnemers, (gewezen) partners en gepensioneerden.

Realisatie meetbare gegevens

De kennis van de pensioenregeling wordt gemeten als het percentage werkenden in de leeftijd van 20–65 jaar dat aangeeft inzicht te hebben in de hoogte van het eigen aanvullend pensioen. Mensen, die zicht hebben op de hoogte, de kosten en de aard van hun pensioen zijn aan te merken als pensioenbewust. Uit de monitor blijkt dat het pensioenbewustzijn – na een kleine stijging in 2009 ten opzichte van 2008 van 57% naar 59% – in 2010 is gedaald van 59% naar 58%. Het is slechts een zeer geringe daling, waaraan niet al te veel conclusies kunnen worden verbonden. Het cijfer is wel lager dan de streefwaarde voor 2010. De aandacht voor pensioencommunicatie blijft daarom noodzakelijk.

Tabel 45.4 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Inzicht in hoogte aanvullend pensioen (%)

57

59

58

62

Bron: Research voor Beleid, Kennis van ouderdomspensioenen

Het beeld voor 2010 laat zien dat de verwachtingen ten aanzien van de hoogte van het eigen aanvullend pensioen neerwaarts zijn bijgesteld. Deze ontwikkeling hangt mogelijk samen met de berichtgeving in de media over de toekomstbestendigheid van het pensioenstelsel vanwege de sterke afhankelijkheid van de financiële markten en de gevolgen van de vergrijzing. De cijfers met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor het regelen van een ouderdomspensioen laten slechts een geringe verschuiving zien.

Tabel 45.5 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

De verantwoordelijkheid voor het regelen van een ouderdomspensioen ligt (%):

 

– bij mijzelf

47

45

45

– bij mijn werkgever

26

28

29

– bij de overheid

20

21

19

– overig/weet niet

7

6

7

Verwachtingen van werkenden met inzicht in de hoogte van het eigen aanvullend pensioen

   

Verwacht goed te kunnen rondkomen

48

41

40

Verwacht redelijk te kunnen rondkomen

39

40

39

Verwacht nauwelijks tot niet te kunnen rondkomen

11

13

11

Weet niet

2

6

10

Bron: Research voor Beleid, Kennis van ouderdomspensioenen

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 45.6 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

   

Beleidsdoorlichting

    

Effecten onderzoek ex post

Inzicht in de praktijk van waardeoverdracht

OD 2

A. 2009

B. 2010

Kamerstukken II, 2010/2011, 32 043, nr. 21

 

Medezeggenschap bij verzekerde regelingen

OD2

A. 2009

B. 2010

Kamerstukken II, 2009/2010, 28 294, nr. 41

 

Witte vlekken

OD1

A. 2010

B. 2011

Kamerstukken II, 2010/2011, 32 043, nr. 29

 

Meerwaarde herverzekerde pensioenfondsen

OD 1

A. 2010

B. 2010

Kamerstukken II, 2010/2011, 28 294, nr. 42

     

Overig evaluatieonderzoek

    

Toelichting

Het onderzoek «De praktijk van waardeoverdracht» is in september 2010 afgerond en in november aangeboden aan de Tweede Kamer. Het onderzoek is uitgevoerd tegen de achtergrond van ontwikkelingen op pensioengebied, zoals de overgang van eind- naar middelloonregelingen en de omzetting van nabestaandenpensioen van opbouw- naar risicobasis. De resultaten van het onderzoek zullen worden betrokken bij de fundamentele discussie over waardeoverdracht in de tweede helft van 2011.

Op 19 augustus 2010 is het onderzoek «Medezeggenschap pensioengerechtigden bij rechtstreeks verzekerde regelingen» aangeboden aan de Tweede Kamer. Daarbij is vooral gekeken naar de praktijk van het «hoorrecht», omdat er vanuit de praktijk signalen kwamen dat het hoorrecht onvoldoende functioneerde. De resultaten worden meegenomen in het bredere traject van de herziening van de governance en medezeggenschap.

Het CBS onderzoek naar de omvang, aard en samenstelling van de witte vlek op pensioengebied 2008 en 2009 is op 22 februari 2011 toegezonden aan de Tweede Kamer. De resultaten laten een in vergelijking met 2007 stabiel niveau van de witte vlek zien (10%).

Door de financiële crisis is de kredietkwaliteit van de verzekeraars gedaald. Dit heeft ertoe geleid dat de kapitaalseisen voor herverzekerde pensioenfondsen zijn toegenomen. Daardoor is er bij veel van deze herverzekerde pensioenfondsen een tekort ontstaan. De resultaten van het onderzoek naar de meerwaarde van herverzekerde pensioenfondsen zijn op 17 september 2010 aangeboden aan de Tweede Kamer.

Artikel

46 Inkomensbescherming met activering

Artikel

Zorgdragen voor adequate bescherming met activerende voorwaarden tegen financiële risico’s bij inkomensverlies

Algemene doelstelling

Motivering

Om personen te beschermen tegen de financiële risico’s als gevolg van ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Daarbij wordt hen een inspanningsverplichting opgelegd om betaalde arbeid te verkrijgen, danwel maatschappelijk te participeren en worden aan werkgevers, andere private partijen of gemeenten prikkels gegeven die aan preventie en activering bijdragen.

SZW creëert de voorwaarden voor het verlenen van de uitkeringen en zorgt voor de uitvoering door het laten verstrekken van uitkeringen door UWV, gemeenten of private partijen. SZW verstrekt hiertoe de financiële middelen of richt het regelgevend kader in zodat private arrangementen mogelijk en rechtszeker zijn.

Doelbereiking en maatschappelijk effect

De economie heeft in 2010 herstel getoond. De flexibele arbeidsmarkt en de getroffen crisismaatregelen, zoals de deeltijd-WW, hebben hieraan een bijdrage geleverd. Hierbij zijn in de loop van het jaar de crisismaatregelen steeds meer gericht op mobiliteit en inzetbaarheid, in plaats van het voorkomen van werkloosheid (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten).

Het gebruik van de in 2010 verlengde deeltijd-WW is verder gedaald.

Vanaf maart 2010 is – na een eerdere sterke stijging als gevolg van de crisis – het aantal WW-uitkeringen weer gaan dalen. In de laatste maanden van 2010 is er echter weer sprake van een stijging van het aantal uitkeringen.

De WWB reageert met vertraging en minder sterk op de economische crisis, aangezien werknemers eerst in de WW terechtkomen en een deel van de werknemers vanuit de WW weer een baan vindt.

Externe factoren

De economische conjunctuur is een belangrijke factor in de volumeontwikkeling en daarmee het budgettaire beslag van een aantal wetten binnen deze algemene doelstelling. Daar waar dat van toepassing is wordt daar bij de operationele doelstelling op ingegaan.

Het behalen van de algemene doelstelling is mogelijk gemaakt door:

  • Een effectieve uitvoering van de wetten door UWV, gemeenten en private partijen;

  • Een over het geheel genomen gelijk gebleven niveau van naleven van de verplichtingen van de wet- en regelgeving door de uitkeringsgerechtigden, werkgevers en betrokken private partijen;

  • De inspanning gericht op het verkrijgen van betaald werk van de uitkeringsgerechtigden, die onder meer heeft geleid tot meer werkhervatting van WW-gerichtigen, mede door het meer richten van de inzet op mobiliteit en inzetbaarheid.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte prestatie-indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden. Verwezen wordt naar de realisatiecijfers voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 46.1 Begrotingsuitgaven Artikel 46 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

6 255 236

5 947 764

6 442 443

7 510 742

7 139 531

7 291 620

– 152 089

Uitgaven

6 437 928

6 270 136

6 436 837

6 767 571

7 066 636

7 291 598

– 224 962

        

Programma uitgaven

6 427 894

6 260 279

6 427 209

6 759 259

7 057 515

7 282 841

– 225 326

        

Operationele Doelstelling 1

       

IOW uitkeringslasten

0

0

0

0

1 741

7 159

– 5 418

IOW uitvoeringskosten

0

0

0

0

1 566

0

1 566

Operationele Doelstelling 3

       

Wajong Uitkeringslasten

1 756 247

1 928 009

2 153 830

2 425 710

2 642 160

2 567 379

74 781

Wajong Uitvoeringskosten

57 298

56 377

83 979

102 527

125 194

95 033

30 161

Operationele Doelstelling 4

       

BIA Uitkeringslasten

4 875

5 007

4 179

3 887

3 597

3 623

– 26

BIA Uitvoeringskosten

229

271

281

220

287

135

152

Tri uitkeringslasten

17 961

31 719

20 464

7 444

693

504

189

Tri Uitvoeringskosten

3 170

6 266

4 054

500

212

212

0

Operationele Doelstelling 5

       

WWB

4 190 093

3 943 592

3 855 307

3 863 053

4 056 157

3 993 937

62 220

Bijstand Buitenland

1 941

2 198

2 760

2 787

2 500

2 600

– 100

Bijstand Zelfstandigen

88 896

87 305

117 364

120 905

118 077

98 734

19 343

IOAW

173 306

112 199

103 733

133 013

4 845

270 918

– 266 073

IOAZ

39 487

31 625

34 164

30 683

2 730

38 130

– 35 400

WWIK Uitkeringslasten

40 823

26 148

22 698

20 582

3 590

23 576

– 19 986

WWIK Uitvoeringskosten

5 507

5 309

4 734

4 964

2 678

5 031

– 2 353

Vazalo

0

0

39

142

70

2 650

– 2 580

Wet Investeren in Jongeren

0

0

0

0

0

99 763

– 99 763

Handhaving

17 515

7 695

7 827

7 892

7 334

7 790

– 456

Overig

30 546

16 559

11 796

34 950

84 084

65 667

18 417

        

Apparaatsuitgaven

10 034

9 857

9 628

8 312

9 121

8 757

364

Personeel en materieel

10 034

9 857

9 628

8 312

9 121

8 757

364

        

Ontvangsten

101 012

98 317

59 864

57 268

48 236

150

48 086

IOW

Toelichting

De IOW is een inkomensvoorziening voor oudere werklozen. Werknemers van 60 jaar of ouder die tussen 1 oktober 2006 en 1 juli 2011 werkloos worden en die langer dan 3 maanden recht hebben op een WW-uitkering, komen na afloop van de WW-uitkering in aanmerking voor een IOW-uitkering. De uitkeringslasten bedroegen in 2010 slechts een kwart van wat was begroot voor 2010, als gevolg van een fors lagere deelname aan de IOW dan verwacht.

Bij het opstellen van de begroting voor 2010 waren de uitvoeringskosten IOW nog niet apart inzichtelijk gemaakt. De hoge uitvoeringskosten die in 2010 gemaakt zijn betreffen voornamelijk eenmalige implementatiekosten.

Wajong

De Wajong vormt de inkomensvoorziening voor jonggehandicapten. De uitkeringslasten Wajong stijgen jaarlijks. Een belangrijke oorzaak hiervoor is dat de voorloper van de Wajong is opgestart in 1976. Hierdoor is het bestand Wajonggerechtigden nog relatief jong en ligt de uitstroom vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd op een laag niveau. De instroom in de regeling is hierdoor hoger dan de uitstroom.

Per 1 januari 2010 is de nieuwe wet Wajong in werking getreden waarin meer nadruk ligt op het vinden en behouden van arbeid. In 2010 bestond de instroom echter nog voor bijna de helft uit mensen die onder de «oude» regeling vallen. Dit zijn meestal mensen die in 2009 al de aanvraag hebben gedaan, maar pas in 2010 de 18-jarige leeftijd bereikten of geïndiceerd werden. In de raming voor 2010 was rekening gehouden met een lagere instroom in de Wajong in verband met de gewijzigde wetgeving. Doordat een aanzienlijk gedeelte van de instroom nog onder de «oude» regeling valt, is de instroom hoger uitgevallen dan geraamd. Het effect hiervan op de totale uitkeringslasten is echter zeer beperkt. Daarnaast is de gewijzigde regeling nog te kort van kracht om al invloed te zien in de uitstroombevorderende werking ervan.

De uitkeringslasten Wajong zijn bijna € 75 mln hoger dan begroot. Dit komt mede door een eenmalige kasschuif van 2011 naar 2010 (€ 43 mln) en voor het overige gedeelte door de gebruikelijke indexering van de uitkering. De uitvoeringskosten zijn hoger dan begroot door de toename van het Wajongbestand en door extra activiteiten in het kader van de nieuwe Wajong, waarbij met name het recht op arbeidsondersteuning centraal staat. Om deze redenen heeft UWV de toerekeningsregels voor het totaalbudget aangepast, waarbij meer geld is toegerekend aan de Wajong en minder aan andere regelingen, zoals WAO en WAZ.

BIA (Beperking Inkomensgevolgen Arbeidsongeschiktheidscriteria)

Deze tijdelijke wet voorziet sinds 1996 in een uitkering om inkomensgevolgen als gevolg van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen te beperken. Omdat er in principe geen nieuwe instroom meer plaatsvindt, zullen het volume en de uitkeringslasten blijven dalen.

Tri (Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten)

De Tri vervalt met ingang van 1 januari 2011. Met ingang van 2011 is de financiële afwikkeling van de Tri overgeheveld naar artikel 97 (Aflopende regelingen).

WWB (Wet werk en bijstand)

Het Inkomensdeel WWB is voor de periode 2008–2011 gebaseerd op de afspraken in het Bestuurlijk Akkoord tussen Rijk en gemeenten. Belangrijk element in deze afspraken is dat het macrobudget in beginsel is vastgezet op de middellange termijnraming van het CPB. Aanpassingen voor conjunctuur vinden slechts plaats indien de afgesproken bandbreedte van 12 500 uitkeringen wordt overschreden. Het macrobudget wordt jaarlijks aangepast voor loon-/prijsbijstellingen en voor effecten van rijksbeleid. Er vindt op basis van de afspraken geen correctie plaats voor gemeentelijke realisaties.

Per 1 januari 2010 zijn de kleine inkomensregelingen gebundeld met het inkomensdeel van de WWB. In de begroting 2010 waren de afzonderlijke budgetten opgenomen. In het jaarverslag zijn de uit het gebundelde budget gerealiseerde uitgaven onder de WWB zichtbaar gemaakt. Vanwege deze bundeling zijn aan het WWB-budget de middelen voor de uitkeringslasten WIJ, IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz (alleen de middelen voor levensonderhoud ten behoeve van startende ondernemers) toegevoegd (€ 456 mln). De overige middelen Bbz betreffen levensonderhoud voor gevestigde ondernemers en kapitaalverstrekkingen en deze worden als specifieke uitkering aan de gemeenten verstrekt. Het budget is tevens opgehoogd als gevolg van een met CPB afgestemde technische correctie op de ingeboekte effecten van rijksbeleid (€ 103 mln), de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 54 mln) en de verlate inwerkingtreding van de wet partneralimentatie (€ 2 mln).

Een neerwaartse bijstelling van de werkloosheidsraming van het CPB heeft geleid tot een neerwaartse aanpassing van het macrobudget WWB/WIJ (-/- € 428 mln). Ook de kleine bijstandsregelingen zijn aangepast vanwege de minder ongunstige ontwikkeling van de werkloosheid dan eerder verwacht (-/- € 98 mln). De middelen die aan gemeenten zijn uitgekeerd in het kader van de incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen (IAU en MAU) zijn conform afspraak in mindering gebracht op het inkomensdeel WWB (-/- € 27 mln). Per saldo zijn de uitgaven WWB € 62 mln hoger dan begroot.

Uit voorlopige opgaven van gemeenten (zoals weergegeven in hun «Beelden van uitvoering 2010») blijkt dat het saldo van baten en lasten over 2010 landelijk € 4,4 mld bedraagt. Daarmee hebben gemeenten gezamenlijk een tekort van € 350 mln over 2010. Dit is vooral het gevolg van de hierboven genoemde afspraken uit het Bestuurlijk Akkoord tussen Rijk en gemeenten.

Bijstand Buitenland

Ten behoeve van bijstandsverlening aan Nederlanders in het buitenland was er de regeling Bijstand buitenland. Deze regeling verviel in 1996 met de invoering van de Algemene bijstandswet, waardoor er sinds 1996 geen nieuwe gevallen tot deze regeling zijn toegelaten. Voor de nog bestaande gevallen geldt de – sinds 2009 door de SVB uitgevoerde – regeling nog steeds. De uitgaven in 2010 zijn nagenoeg gelijk aan wat was begroot.

Bijstand zelfstandigen (Bbz)

Ondernemers kunnen onder bepaalde voorwaarden voor financiële bijstand een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Gemeenten kunnen aan startende en gevestigde zelfstandigen bijstand verlenen ten behoeve van het levensonderhoud, en/of kredietten behoeve van bedrijfskapitaal. De uitgaven Bbz zijn € 19 mln hoger uitgevallen dan begroot. Vanwege de bundeling van de kleine inkomensregelingen is een deel van het budget gebundeld met het inkomensdeel van de WWB en een deel overgeboekt naar het participatiebudget (-/- € 35 mln). De overige middelen Bbz betreffen levensonderhoud voor gevestigde ondernemers en bedrijfskapitaal. Deze middelen worden als specifieke uitkering aan de gemeenten verstrekt. Daarnaast is er aan de bevordering van het ondernemerschap minder geld uitgegeven dan beschikbaar was (-/- € 2 mln), en werden er ten behoeve van microkredieten middelen overgeheveld naar het Ministerie van EZ (-/- € 3 mln).

Daar tegenover staan budgetverhogingen vanwege overlopende verplichtingen in het kader van de borgstellingsregeling (€ 2 mln), de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 1 mln) en de verwerking van uit gemeentelijke jaarrekeningen afkomstige uitvoeringsgegevens (€ 47 mln). Uit deze gegevens bleek een hogere gerealiseerde prijs dan waarmee is geraamd. Bij laatstgenoemde verwerking is er bij de hieruit resulterende betalingen over 2009 van uitgegaan dat deze gedeeltelijk in 2010 en gedeeltelijk in 2011 zouden worden uitgekeerd. De gerealiseerde nabetalingen zijn voor een groter deel in 2010 uitgekeerd dan was aangenomen (€ 9 mln).

Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW en IOAZ zijn inkomensregelingen die zowel oudere langdurige werklozen als oudere zelfstandigen die wegens omstandigheden hun beroep of bedrijf moeten beëindigen, een inkomensgarantie op het niveau van het sociaal minimum bieden.

De uitgaven IOAW en IOAZ zijn in 2010 respectievelijk € 266 mln en € 35 mln lager dan begroot. Dat komt doordat de budgetten voor de IOAW (-/- € 271 mln) en IOAZ (-/- € 38 mln) met ingang van 1 januari 2010 zijn gebundeld met het inkomensdeel WWB. Daarmee zijn de budgetten voor de uitkeringslasten 100% gebudgetteerd. Tot en met 2009 konden gemeenten deze uitgaven voor 75% declareren. Verrekening met eerder aan gemeenten verstrekte voorschotten voor het declaratiedeel 2009 leidde bij een aantal gemeenten tot nabetalingen voor de IOAW (€ 5 mln) en IOAZ (€ 2 mln) in 2010.

WWIK (Wet werk en inkomen kunstenaars)

De WWIK geeft kunstenaars recht op een aanvulling van hun inkomen als zij met hun werk te weinig verdienen om in hun (totale) levensonderhoud te voorzien. De begrote uitgaven betreffen de uitkeringslasten en uitvoeringskosten van de WWIK die door 20 uitvoerende centrumgemeenten en de stichting Cultuur en Ondernemen wordt uitgevoerd.

De gerealiseerde uitkeringslasten WWIK zijn € 20 mln lager dan begroot. Dat komt doordat het budget voor de uitkeringslasten sinds 2010 is gebundeld met het inkomensdeel WWB (-/- € 24 mln). Daarmee is vanaf dat moment het budget voor de uitkeringslasten 100% gebudgetteerd. Tot en met 2009 konden gemeenten deze uitgaven voor 100% declareren. Verrekening met eerder aan gemeenten verstrekte voorschotten leidde bij een aantal gemeenten tot nabetalingen over 2009 (€ 4 mln).

De uitvoeringskosten WWIK zijn eveneens lager dan begroot, namelijk € 2 mln. De middelen voor de gemeenten worden sinds de bundeling van de kleine inkomensregelingen via een decentralisatieuitkering aan gemeenten verstrekt. Hiertoe zijn middelen overgeheveld naar het Gemeentefonds (-/- € 3 mln). Op basis van de definitieve gemeentelijke uitvoeringsgegevens is het budget opgehoogd (€ 1 mln).

Experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB (Vazalo)

Het experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB is op 1 januari 2009 van start gegaan en loopt tot en met 2011. Er namen in 2010 16 gemeenten aan deel. De kosten in 2010 bedroegen € 2,6 mln. Dit geld is als tegemoetkoming in de kosten als gevolg van deelname aan het experiment beschikbaar gesteld en overgeheveld naar het gemeentefonds. Het bedrag op de begroting van SZW is daarom overgeboekt naar het overeenkomstige budget van het ministerie van BZK. Daarom zijn deze uitgaven niet terug te zien in de budgettaire tabel.

Werkleerrecht WIJ (Wet investeren in jongeren)

Op grond van de WIJ kunnen jongeren van 16 tot 27 jaar die niet werken of leren de gemeente om een werkleeraanbod vragen. De gemeente is verplicht de jongere die hierom vraagt een werkleeraanbod te doen. Als een jongere van 18 tot 27 (bijvoorbeeld vanwege een lichamelijke of psychische beperking) niet in staat is een werkleeraanbod uit te voeren, of uitvoering ervan te weinig inkomen genereert, dan komt een jongere in aanmerking voor een inkomensvoorziening WIJ.

De uitgaven voor de inkomensvoorziening WIJ zijn niet afzonderlijk zichtbaar, omdat door de bundeling van de WIJ met het inkomensdeel WWB de middelen voor de inkomensvoorziening WIJ zijn overgeheveld naar het inkomensdeel WWB (-/- € 94 mln). Dat bedrag is minder dan het in de begroting 2010 genoemde budget (€ 100 mln). Dat komt doordat voorafgaand aan de eerder genoemde bundeling het budget neerwaarts is bijgesteld voor de door het CPB neerwaarts bijgestelde werkloosheidsraming (-/- € 5 mln).

Bijstand overig

De overige bijstandsuitgaven hebben hoofdzakelijk betrekking op de uitgaven van de Toetsingscommissie WWB, de uitgaven aan het onderhoud en de doorontwikkeling van de WWB en de middelen ten behoeve van de gemeentelijke schuldhulpverlening. In 2010 is € 18 mln meer uitgegeven dan begroot. Dat komt doordat het budget is opgehoogd ten behoeve van de incidentele en meerjarige uitkeringen (IAU en MAU) aan gemeenten (€ 27 mln). Daarnaast is aan het onderhoud en de doorontwikkeling van de WWB minder uitgegeven dan begroot (-/- € 3 mln). Bovendien is het budget voor de gemeentelijke schuldhulpverlening neerwaarts bijgesteld (-/- € 5 mln).

Tabel 46.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 46 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2006

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting 2010

verschil 2010

Uitgaven

15 379 900

14 391 090

14 062 154

16 269 030

17 021 276

17 838 356

– 817 080

        

Programma uitgaven

15 379 900

14 391 090

14 062 154

16 269 030

17 021 276

17 838 356

– 817 080

Operationele Doelstelling 1

       

WW uitkeringslasten

3 769 000

2 832 000

2 470 965

4 374 000

4 996 618

5 818 146

– 821 528

WW uitvoeringskosten

521 342

468 880

377 870

515 790

400 665

593 562

– 192 897

Operationele Doelstelling 2

       

WAO uitkeringslasten

8 180 000

8 037 261

8 042 000

7 883 187

7 465 814

7 252 804

213 010

WAO uitvoeringskosten

477 550

441 380

375 770

272 450

202 225

254 118

– 51 893

IVA uitkeringslasten

29 000

128 000

208 000

330 000

474 202

438 921

35 281

IVA uitvoeringskosten

63 000

46 000

44 995

41 392

49 596

55 751

– 6 155

WGA uitkeringslasten

122 000

316 129

562 194

807 444

1 124 932

1 078 939

45 993

WGA uitvoeringskosten

200 000

163 520

206 985

147 177

173 789

141 023

32 766

ZW uitkeringslasten

1 252 000

1 181 800

1 061 995

1 222 000

1 511 604

1 238 399

273 205

ZW uitvoeringskosten

297 008

353 120

300 380

302 590

285 825

262 622

23 203

WAZ uitkeringslasten

444 000

393 000

378 000

358 000

323 006

326 284

– 3 278

WAZ uitvoeringskosten

25 000

30 000

33 000

15 000

13 000

25 344

– 12 344

        

Nominaal

0

0

0

0

0

352 443

– 352 443

        

Ontvangsten

519 000

164 530

144 000

170 253

203 000

198 224

4 776

Bron: SZW-berekeningen op basis van jaarverslag UWV

WW (Werkloosheidswet)

Werknemers die geheel of gedeeltelijk werkloos worden, kunnen het verlies aan inkomen voor een bepaalde periode opvangen met een WW-uitkering. Als gevolg van de economische crisis zijn de uitkeringslasten van 2009 op 2010 toegenomen.

Net als de werkloosheid is echter ook het WW-volume minder sterk opgelopen dan waar bij het opstellen van de begroting voor 2010 van uit werd gegaan. Daarom zijn er meevallers opgetreden bij zowel de WW-uitkeringslasten als de uitvoeringskosten. Bij de uitvoeringskosten leidde dit er toe dat deze zelfs lager zijn uitgekomen dan in 2009.

In maart 2010 heeft het kabinet Balkenende IV besloten de mogelijkheid tot instroom in de deeltijd-WW beperkt te verlengen voor bedrijven die niet eerder gebruik hebben gemaakt van bijzondere werktijdverkorting of deeltijd-WW. De regeling eindigt – ongeacht het moment van instroom – uiterlijk op 1 juli 2011. In 2010 is het aantal werknemers dat gebruik maakte van de regeling geleidelijk afgenomen van bijna 40 duizend in januari naar minder dan 10 duizend in december (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten). Het gebruik van de regeling lag daarmee lager dan verwacht, zodat ook de deeltijd-WW voor een meevaller in de WW-lasten zorgde van netto circa € 85 mln.

Daar tegenover staat dat de strenge winterperiode begin 2010 zorgde voor circa € 100 mln extra uitgaven aan WW-uitkeringen uit hoofde van «onwerkbaar weer».

WAO

WAO-gerechtigden zijn personen die vóór 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden. Door de invoering van de Wet WIA dalen de uitkeringslasten WAO, omdat geen nieuwe WAO-uitkeringen meer worden verstrekt, uitgezonderd herlevingen op basis van oud recht. De WAO kent zodoende vrijwel alleen nog uitstroom.

De uitkeringslasten WAO en de uitvoeringskosten WAO laten daarom een daling zien. De daling van de uitkeringslasten is in 2010 minder snel verlopen dan geraamd. Dit komt vooral doordat het aantal WAO’ers dat als gevolg van herstel zijn uitkering verliest, lager ligt dan geraamd. De daling van de uitvoeringskosten verloopt juist sneller dan gedacht, omdat de dure aanvragen niet meer onder de WAO maar onder de WIA vallen. UWV heeft daarom minder aan de WAO en meer aan de WIA toegerekend.

WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

In de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) staat werk voorop, ligt het accent op wat mensen kunnen en is er tegelijkertijd inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer aan de slag kunnen komen. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes: de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA).

De jaarlijkse instroom in de WIA is substantieel lager dan de jaarlijkse instroom in de vroegere WAO. Bij de invoering van de WIA werd daarmee al rekening gehouden. De raming toentertijd was dat de jaarlijkse instroom in de WIA beperkt zou blijven tot ongeveer 42 000 personen. De feitelijke instroom in de WIA was in de afgelopen jaren zelfs nog lager. Wel is er sprake van een stijgende instroom. Deze is gestegen van ongeveer 20 000 mensen in 2006 naar ongeveer 35 000 personen in 2010. Deze stijging wordt deels verklaard door de toenemende omvang van de verzekerdenpopulatie en de veranderde samenstelling daarvan (te weten relatief meer ouderen, meer vrouwen en sectorale verschuivingen). In 2009 en 2010 is de stijging echter groter dan op grond van deze factoren mag worden verwacht. Er is inmiddels een diepgaand onderzoek gestart naar mogelijke oorzaken.

IVA (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten

De IVA verzorgt een loonvervangende uitkering voor werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. De uitkeringslasten IVA zijn gestegen omdat deze uitkeringsregeling zich in de opbouwfase bevindt. De lasten komen hoger uit dan voor 2010 was begroot. Dit is vooral het gevolg van een grotere doorstroom vanuit de WGA.

WGA (Werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten)

De WGA verzorgt een aanvulling op het met arbeid verdiende inkomen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, of een minimumuitkering als zij niet werken of minder werken dan 50% van hun resterende verdiencapaciteit. De uitkeringslasten en uitvoeringskosten WGA zijn gestegen omdat deze uitkeringsregeling zich in de opbouwfase bevindt. De lasten komen hoger uit dan voor 2010 was begroot. Het instroomniveau laat in de afgelopen jaren een stabiele stijging zien. Zoals reeds aangegeven wordt naar de mogelijke oorzaken een onderzoek verricht.

ZW (Ziektewet)

De ziektewet (ZW) verzekert het ziekterisico voor bepaalde groepen werknemers. Het gaat daarbij om werknemers, die geen werkgever meer hebben of waarvan de werkgever niet verplicht is tot loondoorbetaling. Mede als gevolg van de economische crisis zijn de uitkeringslasten en uitvoeringskosten hoger uitgevallen dan begroot. Vooral de vangnetgroep einde-dienstverbanders is meer toegenomen dan in de begroting 2010 geraamd. Hiernaast is sprake van een hoger dan verwachte gemiddelde uitkering, door een groter aandeel van de relatief dure groep zieke werklozen.

WAZ (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

De toegang voor zelfstandige ondernemers tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. De uitkeringslasten en de uitvoeringskosten van de WAZ laten zodoende een dalende trend zien.

1 Zorgdragen dat werknemers bij werkloosheid een tijdelijk loonvervangend inkomen ontvangen én tot werkhervatting worden gestimuleerd

Operationele doelstelling

Motivering

Om de tijdelijke inkomensbescherming van werknemers bij werkloosheid te waarborgen en hen te activeren tot werkhervatting.

Doelbereiking

Het jaar 2010 kenmerkt zich door voorzichtig herstel op de arbeidsmarkt en dalende werkloosheid (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten). Vanaf maart 2010 is het aantal WW-uitkeringen gaan dalen. Vanaf november 2010 is er echter weer sprake van een lichte stijging van het aantal WW-uitkeringen. Per saldo, mede doordat het herstel op de arbeidsmarkt zich pas in de loop van 2010 heeft voorgedaan, is het volume van de ontslagwerkloosheid in 2010 ten opzichte van 2009 toegenomen.

Het herstel op de arbeidsmarkt uit zich ook in het steeds dalende gebruik van de deeltijd-WW in de loop van 2010. Omdat sommige sectoren te maken hebben met langlopende opdrachten (zoals de bouw en scheepsbouw) en die pas later zijn geraakt door de economische crisis, is de aangepaste deeltijd-WW verlengd tot 1 juli 2011. Alleen de bedrijven die de regeling nog niet hadden gebruikt kwamen in aanmerking.

  • Werkloosheidswet (WW)

  • Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

Instrumenten en activiteiten

  • Verzekerden (werknemers)

  • WW-gerechtigden

  • IOW-gerechtigden

  • Premiebetalers (werkgevers)

Doelgroepen

Instroomkans WW 55+

Realisatie meetbare gegevens

Het kabinet wil de arbeidsparticipatie van ouderen verhogen, onder meer door het gebruik van de WW door deze groep terug te dringen. De eerste indicator geeft de verhouding weer van de instroom van mensen van 55 jaar en ouder in de WW ten opzichte van de gemiddelde instroom voor de totale populatie.

Als gevolg van de crisis is de algehele instroomkans in de WW voor alle groepen toegenomen. Doordat de instroomkans van ouderen echter relatief conjunctuuronafhankelijk is, is deze minder gestegen dan die van andere groepen. Hierdoor is de relatieve instroomkans van mensen van 55 jaar en ouder zowel in 2009 als in 2010 kleiner dan 1.

Werkhervatting binnen 12 maanden

Deze indicator geeft weer hoeveel WW-gerechtigden binnen een jaar na aanvang van hun uitkering, vanwege werkhervatting zijn uitgestroomd. Dit gegeven wordt apart vermeld voor de WW-gerechtigden die bij instroom in de WW 55 jaar of ouder waren.

De indicatoren bieden een aanwijzing voor de activerende werking van de WW. Gegevens hierover komen met een jaar vertraging beschikbaar. Voor 2010 zijn dus nog geen gegevens bekend. De realisaties voor 2009 laten zien dat de werkhervatting binnen 12 maanden is gestegen ten opzichte van 2008. De verklaring van de stijging – ondanks de economische crisis – is het selectie-effect aan de instroomkant van de WW: werknemers met een relatief kleine afstand tot de arbeidsmarkt stroomden in en stroomden zoals verwacht relatief snel weer uit.

Tabel 46.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Instroomkans in de WW van de leeftijdscategorie 55 en ouder t.o.v. de gemiddelde instroomkans

1,03

0,85

0,86

1

Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden (%)

40

45

n.b.

46

Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden die bij instroom 55 jaar of ouder waren (%)

27

31

n.b.

30

Bron: UWV, Jaarverslag

Volume ontslagwerkloosheid

In 2010 is het WW-bestand afgenomen als gevolg van het economisch herstel. Doordat het herstel zich pas in de loop van 2010 heeft voorgedaan, is het gemiddelde volume van de ontslagwerkloosheid in 2010 ten opzichte van 2009 wel toegenomen tot 234 000 uitkeringsjaren. Het aantal nieuwe uitkeringen in 2010 bedroeg 415 000. De uitstroom lag iets hoger dan de instroom en bedroeg 421 000.

Grafiek volume WW naar leeftijd

Grafiek volume WW naar leeftijd

De ontwikkeling van het WW-bestand verschilt per leeftijdsgroep. Uit de bovenstaande figuur blijkt dat de leeftijdsgroep 25–45 jaar het sterkst reageert op de conjunctuur. Het volume van deze groep nam ten tijde van de economische crisis het meest toe, maar laat ook de grootste daling zien naar aanleiding van het economisch herstel.

Gemiddelde WW-duur

De gemiddelde WW-duur bij uitstroom was de afgelopen jaren tamelijk constant en lag op een periode van iets minder dan een jaar. Door de conjuncturele neergang is de gemiddelde WW-duur bij uitstroom afgenomen, omdat de instroom in de WW als gevolg van de economische crisis uit mensen met relatief goede arbeidsmarktkansen en relatief veel jongeren bestond. Dit gold ook voor 2010, waarin de gemiddelde WW-duur 34 weken bedroeg.

IOW

De eerste werklozen zijn per 1 december 2009 ingestroomd in de IOW. De laatste IOW-uitkeringen eindigen in 2016. Omdat instroom in de IOW in 2010 pas voor het eerst het gehele jaar mogelijk is, is het volume door de geleidelijke opbouw van het bestand toegenomen. In 2010 liep het bestand op tot ca. 400 IOW-gerechtigden.

Handhaving

Het aantal geconstateerde overtredingen is in 2010 wederom fors toegenomen. Het gaat hier voornamelijk om witte fraude. Deze stijging hangt samen met een snellere signalering bij het UWV, wat tot een betere en vooral ook snellere opsporing van witte fraude heeft geleid.

Tabel 46.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Volume ontslagwerkloosheid (x 1 000 uitkeringsjaren)1

148

197

234

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1000)1

240

428

415

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1000)1

262

328

421

Gemiddelde WW duur bij uitstroom (weken)1

49

37

34

Aantal lopende uitkeringen (volume) IOW (x 1000)1

  

0,4

Handhaving

   

Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid (%)2

91

90

90

Kennis van de verplichtingen1

91

92

3

Aantal overtredingen WW (x1000)1

14

18

22

Totaal fraudebedrag (x € mln)1

18,4

26,1

29,7

% afdoening1

99

99

100

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag

2 SZW-berekeningen op basis van UWV- en CBS-informatie

3 Komt niet beschikbaar dit jaar

2 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening voor arbeidsongeschikte en zieke werknemers

Operationele doelstelling

Motivering

Om werknemers te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Doelbereiking

De doelstelling dat 50% van WGA’ers met resterende verdiencapaciteit werkt, is in 2010 precies bereikt.

Eind van het eerste kwartaal 2011 is de evaluatie van de WIA aangeboden aan het parlement. Bij de WIA-evaluatie is ook een beleidsdoorlichting opgenomen met betrekking tot OD 2 van artikel 46.

  • Loondoorbetaling bij ziekte;

  • Ziektewet (ZW);

  • Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), bestaande uit de IVA- en WGA-regeling;

  • Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO): deze wet kent geen nieuwe instroom meer;

  • Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ): ook deze wet kent geen nieuwe instroom meer;

  • Financiële prikkels voor zieke en arbeidsongeschikte werknemers om aan het werk te blijven, dan wel het werk te hervatten;

  • Financiële prikkels voor werkgevers om zieke of arbeidsongeschikte werknemers in dienst te houden of nemen.

Instrumenten en activiteiten

  • Werknemers;

  • Zelfstandigen die voor 1 augustus 2005 arbeidsongeschikt zijn geworden;

  • Werkgevers.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

De evaluatie WGA geeft aan dat niet is aangetoond dat het publieke dan wel het private domein beter presteert wat betreft beperking van langdurig verzuim en WGA-risico en wat betreft bevordering van werkhervatting. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting bij doelbereik.

Grafiek saldo in- en uitstroom arbeidsongeschiktheidsregelingen

Grafiek saldo in- en uitstroom 						arbeidsongeschiktheidsregelingen

In de bovenstaande grafiek is de dynamiek in de arbeidsongeschiktheidsregelingen te zien. De staven geven het saldo van de in- en uitstroom in het desbetreffende jaar weer. Het WIA-bestand neemt in de loop van de jaren toe. Zowel het aantal IVA’ers als WGA’ers is de afgelopen jaren gestegen. Maar doordat het WAO-bestand daalt, neemt de hoeveelheid mensen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen per saldo af. Afgelopen jaar was geen uitzondering: in 2010 zetten deze trends zich voort.

Uit tabel 46.5 blijkt dat de doelstelling dat 50% van de WGA’ers met resterende verdiencapaciteit werkt, in 2010 precies bereikt is.

Tabel 46.5 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit

51%

51%

50%

≥ 50%

Bron: UWV, Jaarverslag

Kengetallen WAO/WIA

De totale omvang van het bestand WAO en WIA is in 2010 verder gedaald. De daling is echter minder groot dan in eerdere jaren. Dit is het gevolg van een iets lagere WAO-uitstroom en een verder stijgende WIA-instroom.

Omdat de WAO een aflopende regeling is daalt het aantal uitkeringen. De laatste WAO’er zal echter pas na 2030 zijn uitgestroomd. Het toekennen van nieuwe WAO-uitkeringen is beperkt tot de herlevingen op basis van oud recht. Daar staat een veel groter aantal uitstromende WAO’ers tegenover, met name als gevolg van pensionering. De omvang van de uitstroom is in 2010 iets lager dan werd geraamd.

De WIA-instroom is in 2010 verder gestegen naar een niveau van ongeveer 36 000 personen. Deels kan deze stijging verklaard worden uit een toenemend aantal hernieuwde aanvragen (35-minners) en de ontwikkeling van het verzekerdenbestand (meer ouderen, meer vrouwen). Andere factoren die van invloed kunnen zijn op deze stijging zijn bijvoorbeeld het effect van de economische crisis, de striktheid van de keuringen en de naleving van de Wet verbetering Poortwachter. Er is een diepgaand onderzoek gestart.

Kengetallen WAZ (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

Bij de WAZ blijft er enige instroom bestaan doordat er sprake is van herleving van uitkeringen, bijvoorbeeld wanneer een persoon na een periode van herstel wederom met dezelfde klachten uitvalt. Het bereiken van de 65-jarige leeftijd is de voornaamste reden waarom de WAZ uitkeringen aflopen. De ontwikkeling van het aantal uitkeringsgerechtigden verloopt volgens verwachting.

Kengetallen ZW

Het economisch herstel is nog niet terug te zien in het ZW-bestand, omdat het bestand met een vertraging reageert op de economische situatie. Het ZW-volume is in 2010 opgelopen tot 98,4 duizend uitkeringsjaren. Deze toename komt vooral door een stijging van het aantal einde-dienstverbanders en WW-gerechtigden als gevolg van de economische crisis.

Handhaving

De cijfers met betrekking tot fraude en naleving zijn de afgelopen drie jaar betrekkelijk stabiel geweest. Alleen het aantal geconstateerde overtredingen en het geconstateerde fraudebedrag vertonen een lichte daling.

Tabel 46.6 Kengetallen operationele doelstelling 2
  

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

WAO + IVA + WGA

Bestand in uitkeringen (ultimo, x1 000)

617,6

604,1

596,4

waarvan WAO

558,1

521,2

486,3

waarvan IVA

13,9

20,1

28,2

waarvan WGA

45,6

62,8

81,9

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,5

8,4

8,3

Instroom in uitkeringen (x1 000)

33,5

35,3

39,9

waarvan WAO

8,2

6,0

4,3

waarvan IVA

5,1

5,6

7,3

waarvan WGA

20,2

23,8

28,4

Instroomkans

0,46

0,52

0,55

Uitstroom in uitkeringen (x1 000)

50,3

48,9

48,2

waarvan WAO

46,1

42,9

39,7

waarvan IVA

1,2

1,6

2,1

waarvan WGA

3,0

4,4

6,4

Doorstroom van WGA naar IVA

1,5

2,3

3

Uitstroomkans WAO + WIA

7,9

7,8

8,0

Uitstroomkans WGA naar werk UWV

51

47

48

Uitstroomkans WGA naar werk eigenrisicodragers

57

57

60

Aandeel werkende WAO/IVA/WGA’ers

22

20

21

Aandeel instroom WIA uit ZW

44

46

50

     

Handhaving

   

Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid1

96

97

96

Kennis van verplichtingen WAO (%)

85

87

2

Kennis van verplichtingen WGA (%)

85

81

2

Aantal overtredingen WAO/WIA (x 1000)

5

5

3

Totaal schadebedrag (x € 1 mln)

7,7

9,2

6,4

Afdoeningspercentage inlichtingenplicht (%)

93,4

99,2

99,4

  

WAZ

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000)

38,7

34,2

30,4

Instroom in uitkeringen (x 1 000)

0,6

0,3

0,2

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

4,9

4,7

4,0

  

ZW

Bestand in uitkeringen (gemiddeld, x 1 000)

80,8

85,7

98,4

Instroom in uitkeringen (x 1 000)

327

293

281

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

445

378

370

 

Handhaving

Aantal overtredingen (x 1000)

8

4

2,8

Totaal schadebedrag (x € 1 mln)

2 ,1

1,9

1,7

Afdoeningspercentage inlichtingenplicht

95,7

99,2

99,8

Bron: UWV, Jaarverslag, behalve:

1 SZW-berekeningen op basis van UWV- en CBS-informatie

2 Komen niet beschikbaar dit jaar

3 Zorgdragen voor arbeidsondersteuning en inkomensvoorziening voor jonggehandicapten

Operationele doelstelling

Motivering

Om de arbeidsparticipatie van jonggehandicapten te bevorderen alsmede jonggehandicapten te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid.

In 2010 is de nieuwe wet Wajong in werking getreden, die verschilt van de Wajong van voor 2010 (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten). De aangepaste wet Wajong is, veel sterker dan voorheen, primair bedoeld om jongeren met een arbeidshandicap die perspectief hebben op het verrichten van arbeid, maximaal te ondersteunen bij het vinden en behouden van arbeid. In plaats van diens arbeidsongeschiktheid staat het perspectief op arbeid dat de jongere heeft centraal. Hiertoe strekt de in de Wajong vervatte werkregeling jonggehandicapten. Voor elke jonggehandicapte met arbeidsperspectief wordt met de jonggehandicapte (en eventueel diens ouders) een individueel participatieplan opgesteld, waarin onder andere staat wat de beste manier is om een baan te vinden, welke ondersteuning daarbij beschikbaar is en welke rechten en plichten de jongere heeft. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kan hij of zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. Voor de jonggehandicapte die als gevolg van zijn ziekte volledig en duurzaam niet (meer) in staat is om te werken, staat inkomensbescherming voorop.

  • Het aantal Wajong-gerechtigden dat in 2010 nog in de oude Wajong-regeling is ingestroomd bedraagt 8 000. Het aantal Wajong-gerechtigden dat in 2010 in de sinds 1 januari 2010 gewijzigde wet Wajong is ingestroomd bedraagt 9 800. In totaal is het aantal nieuwe Wajong-gerechtigden van 17 600 in 2009 licht toegenomen tot 17 800 in 2010.

  • Van de groep Wajong-gerechtigden die is ingestroomd in de nieuwe Wajong, is het aantal dat is uitgestroomd naar werk in 2010, zoals in de begroting 2010 in het vooruitzicht is gesteld, beperkt.

  • Het is te vroeg om cijfers over de beoogde uitstroombevorderende werking van de wet te duiden, vanwege de kleine absolute aantallen die hierbij aan de orde zijn.

Doelbereiking

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

  • Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong);

  • De tegemoetkoming voor Wajonggerechtigden volgend uit de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten;

  • Bijdrage uitvoeringskosten UWV.

SZW-activiteiten:

  • In stand houden en onderhouden van een toekomstbestendige en activerende wettelijke voorziening voor jonggehandicapten (Wet Wijziging van de Wajong) (Kamerstukken II, 2008/2009, 31 780);

  • Toezien op een doelmatige en rechtmatige wetsuitvoering;

  • Voorlichting;

  • Bijdrage aan de uitvoeringskosten van het UWV;

  • Actieve en vraaggerichte werkgeversbenadering;

  • Programma cultuuromslag Wajong.

UWV-activiteiten:

  • Claimbeoordeling;

  • Opstellen en bewaken van een participatieplan voor jonggehandicapten die perspectief hebben op de arbeidsmarkt;

  • Inrichting Werkpleinen;

  • Actieve en vraaggerichte werkgeversbenadering;

  • Verstrekken van uitkeringen.

Doelgroepen

Jonggehandicapten die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn geworden, geen arbeidsverleden hebben en daardoor niet volledig zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien, en jongeren die tijdens hun studie arbeidsongeschikt worden.

Indicatoren

Realisatie meetbare gegevens

  • Het «gerealiseerde percentage nieuwe Wajong-instromers met arbeidsmarktperspectief voor wie tijdig – binnen 14 weken – een participatieplan is opgesteld» – de Wajong prestatie-indicator – komt in 2010 uit op 66%.

  • Een belangrijk nieuw element in de nieuwe Wajong is het participatieplan, dat het UWV samen met de cliënt opstelt. De streefwaarde van 100% tijdigheid is in 2010 niet gehaald. Dit hangt samen met het feit dat het UWV in het laatste kwartaal van 2009 veel extra aanvragen voor Wajong-ondersteuning heeft ontvangen, vermoedelijk in anticipatie op de wetswijziging van 1 januari 2010. Hierdoor, en ook vanwege aanloopproblemen die in de regel met de invoering van een nieuwe wet gepaard gaan, lag vooral begin 2010 de realisatie onder de streefwaarde. In de loop van het jaar zijn de aanloopproblemen overwonnen en is dit percentage toegenomen.

    Wat betreft de aanloopproblemen en maatregelen kan het volgende worden opgemerkt. UWV is aanvankelijk geconfronteerd met veel aanvragen aan het eind van 2009 en grote werkvoorraden. Daarnaast vergt de implementatie van nieuwe wetgeving enige tijd. Voorts is in de loop van 2010 de re-integratietaak binnen UWV overgegaan naar het werkbedrijf. Dit samenstel van factoren heeft aanvankelijk voor aanloopproblemen gezorgd. In verband hiermee zijn door UWV ook passende maatregelen getroffen. Deze waren primair gericht op reductie van de werkvoorraden en vervolgens op het voldoen aan de beslistermijnen. Inmiddels zijn de werkvoorraden teruggedrongen en stijgt het percentage dat binnen de beslistermijnen is afgewikkeld stapsgewijs. De verwachting is dat de tijdigheid in 2011 verder zal stijgen. De minister zal UWV verzoeken in tussentijdse verantwoordingsrapportages aandacht te besteden aan de tijdigheid.

Kengetallen

  • Het aantal Wajong-gerechtigden dat in 2010 nog in de oude Wajong-regeling (van voor 2010) is ingestroomd, bedraagt 8 000.

  • Het aantal Wajong-gerechtigden dat in 2010 in de sinds 1 januari 2010 gewijzigde wet Wajong is ingestroomd, bedraagt 9 800.

  • Het totaal aantal nieuwe Wajong-gerechtigden is van 17 600 in 2009 dus licht toegenomen tot 17 800 in 2010.

  • Omdat het bestand Wajong-gerechtigden nog relatief jong is, ligt de uitstroom vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd op een laag niveau.

  • Het percentage nieuwe Wajong-gerechtigden dat duurzaam volledig arbeidsongeschikt is (13% van de instroom), is lager dan in de begroting voor 2010 was verwacht (40%).

  • Het is vanwege de kleine aantallen nog te vroeg om de cijfers over de beoogde uitstroombevorderende werking van de wet te duiden.

  • Het kabinet wil verdergaande stappen zetten, en zal de ambities die in het regeerakkoord op dit punt zijn geformuleerd, uitwerken in een nieuwe regeling die de WWB, Wajong en Wsw hervormt met het doel meer mensen te laten participeren, budgetten gerichter en effectiever in te zetten en daarmee kosten te besparen.

Tabel 46.7 Indicatoren operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streven 2010

Het percentage nieuwe Wajong-instromers met arbeidsmarktperspectief voor wie tijdig een participatieplan is opgesteld

66%

100%

Bron: UWV, jaarverslag

Tabel 46.8 Kengetallen operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Oude Wajong (tot 2010)

Bestand in uitkeringen (ultimo, x1000)

178,6

192,0

195,4

waarvan volledig arbeidsongeschikt (%)

98,1

98,1

98,1

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

1,7

1,8

1,9

Instroom in uitkeringen (x1 000)

16,1

17,6

8,0

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

4,3

4,3

4,5

Aandeel werkende Wajong’ers (%)

26,0

25

25

    

Nieuwe Wajong (vanaf 2010)

   

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000)

  

9,7

waarvan Werkregeling (%)1

  

58

 

waarvan participatieoordeel reguliere arbeid (%)

  

35

 

waarvan participatieoordeel beschutte arbeid (%)

  

3

 

waarvan participatieoordeel tijdelijk geen mogelijkheden (%)

  

24

waarvan Studieregeling (%)

  

29

waarvan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (%)

  

13

Instroom in uitkeringen (x 1 000)2

  

9,8

waarvan Werkregeling (%)1

  

61

 

waarvan participatieoordeel reguliere arbeid (%)

  

32

 

waarvan participatieoordeel beschutte arbeid (%)

  

3

 

waarvan participatieoordeel tijdelijk geen mogelijkheden (%)

  

23

waarvan Studieregeling (%)

  

26

waarvan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (%)

  

13

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

  

0,1

waarvan uitstroom wegens werk (%)

  

3

Aandeel werkende Wajong’ers binnen werkregeling (%)

  

214

waarvan werkzaam bij reguliere werkgever (%)

  

93

 

waarvan met inkomensondersteuning (%)

  

76

 

waarvan zonder inkomensondersteuning (%)

  

24

waarvan werkzaam bij beschut werk (%)

  

7

Bron: UWV, Jaarverslag

1  De onderstaande drie participatieoordelen tellen niet op tot 100%, omdat er ook nog een categorie «overig of nog niet bekend» is.

2 Deze instroomcijfers verschillen van de bestandscijfers hierboven doordat de uitstroom is meegenomen in de bestandscijfers.

3 Er zijn nog geen bruikbare gegevens over dit kengetal, omdat de gewijzigde wet nog te kort van kracht is.

4 Stand september 2010.

4 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening voor bepaalde herkeurde arbeidsongeschikten

Operationele doelstelling

Motivering

Om oudere herkeurde arbeidsongeschikten die op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk hebben verloren, een inkomen op minimumniveau te bieden en hen te motiveren te gaan werken.

Om herbeoordeelde arbeidsongeschikten die een lagere uitkering of geen uitkering meer ontvangen, meer gelegenheid te geven om nieuw werk te zoeken.

Doelbereiking

Ultimo 2016 zal het uitkeringsrecht op grond van de Wet BIA vervallen. De doelgroep BIA loopt terug tot 0 in 2016.

De TRI-regeling heeft een korte looptijd. De TRI is met ingang van 1 januari 2011 vervallen.

  • De tijdelijke Wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (BIA);

  • De tijdelijke Regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI);

  • Bijdrage uitvoeringskosten UWV.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • Toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV;

  • Onderhouden van de wet- en regelgeving;

  • Aanpassen tweemaal per jaar van het niveau van uitkeringen aan minimumloonontwikkeling.

Activiteiten UWV:

  • Beoordelen van recht op een uitkering;

  • Verstrekken van uitkeringen.

  • Personen die op 1 augustus 1993 al recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag 45 jaar of ouder waren (na afloop van WW-periode) (BIA);

  • Personen die op 31 december 1986 in de leeftijd van 35 jaar of ouder waren en zowel op die datum als ook op 31 juli 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen (na afloop van WW-periode) (BIA);

  • Herbeoordeelde arbeidsongeschikten, die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage hebben gekregen, die niet meer zijn gaan verdienen en die geen recht op WW hebben (TRI).

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

De BIA en de TRI zijn overgangsregelingen voor een steeds kleiner wordende groep uitkeringsgerechtigden. Gezien het geringe aantal gerechtigden, het geringe uitkeringsbedrag en de korte looptijd van de TRI-regeling zijn geen indicatoren geformuleerd.

Kengetallen BIA

Het bestand BIA is nagenoeg op hetzelfde niveau gebleven.

Kengetallen TRI

In 2010 zijn er nagenoeg geen nieuwe uitkeringen toegekend. De TRI-uitkering heeft een looptijd van maximaal 12 maanden. Vanaf medio 2011 zullen er geen TRI-uitkeringen meer zijn.

Tabel 46.9 Kengetallen operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Aantal uitkeringsjaren BIA (x 1 000)

0,5

0,4

0,4

Aantal uitkeringsjaren TRI (x 1 000)

2,9

0,9

0,1

Aantal nieuwe TRI-uitkeringen (x 1 000)

1,2

0,6

<0,1

Aantal beëindigde TRI-uitkeringen (x 1 000)

7,4

1,2

0,6

Gemiddelde duur TRI-uitkering in maanden

9,6

12,0

12,3

Bron: UWV, jaarverslag

5 Zorgdragen dat toereikende middelen worden verstrekt aan gemeenten voor inkomensaanvulling tot minimumniveau aan mensen die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud

Operationele doelstelling

Motivering

Om inkomensverlies tot onder het niveau van het sociaal minimum te voorkomen en om personen zo spoedig mogelijk zelfstandig in het eigen levensonderhoud te laten voorzien.

Om het gemeenten mogelijk te maken burgers financiële ondersteuning te bieden vanwege uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

Doelbereiking

De voortgaande daling van het aantal WWB-uitkeringen is vanaf 2009 – als gevolg van de economische crisis – tot stilstand gekomen. Sindsdien stijgt het aantal bijstandsuitkeringen.

Onderstaande beleidsmaatregelen hebben in 2010 hun beslag gekregen.

  • Per 1 januari 2010 is de uitvoering van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (bijstand voor 65-plussers) naar de SVB overgeheveld (zie verder begrotingsartikel 49).

  • Voorts zijn volwassen pleeg- en stiefkinderen binnen de WWB voor het begrip gezamenlijke huishouding gelijk gesteld aan volwassen eigen kinderen. Hierdoor kan een alleenstaande (ouder) die samenwoont met een volwassen pleeg- en/of stiefkind niet langer gezien worden als onderdeel van een gezamenlijke huishouding voor de WWB.

  • Per 1 januari 2010 is wettelijk geregeld dat alleenstaande ouders met een inwonend niet ten laste komend kind vanaf 18 jaar met alleen een inkomen ter hoogte van de studiefinanciering, recht hebben op een maximale gemeentelijke toeslag ad 20 % WML, respectievelijk dat in een dergelijk geval dient te worden afgezien van een verlaging van de gehuwdennorm.

  • Bij de wet van 29 april 2010 (Stb 2010, nr. 228) is de WIJ aangepast. Dit had tot doel een aantal bepalingen te verduidelijken en te verbeteren.

  • Per 1 januari 2010 zijn de WWIK, IOAW, IOAZ en een deel van het Bbz 2004 voor wat betreft de kosten voor levensonderhoud aan startende ondernemers, financieel gedecentraliseerd. Dit betekent dat bij deze uitkeringen een bundeling met de WWB en WIJ (100% budgettering) heeft plaatsgevonden voor wat betreft de financiering en verantwoording van gemeenten, waarbij ten aanzien van de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden de afzonderlijke materiewetten zijn blijven bestaan.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

  • De Wet werk en bijstand (WWB);

  • De Wet investeren in jongeren (WIJ);

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz);

  • Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK);

  • Inlichtingenbureau gemeenten;

  • Financiële middelen, onder meer ter voorkoming en bestrijding van problematische schulden;

  • Tijdelijke financiële middelen voor extra maatregelen schuldhulpverlening in verband met de economische crisis;

  • Middelen voor bijzondere bijstand via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds.

Activiteiten SZW:

  • Onderhouden van de wet- en regelgeving;

  • Ramen macrobudgetten en onderhouden verdelingssystematiek;

  • Toezien op een rechtmatige wetsuitvoering;

  • De evaluatie van de WWIK is op 18 februari 2010 aangeboden aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 327, nr. 1);

  • Experiment werken in deeltijd voor alleenstaande ouders in de bijstand met kinderen jonger dan 12 jaar;

  • Het bepalen van het wettelijk kader voor bijzondere bijstandsverlening;

  • Uitvoeren van de maatregelen van het Handhavingsprogramma 2007–2010.

Verder optimaliseren van het systeem en de werking van de WWB door:

  • IWI-onderzoek naar de decentralisatie van de langdurigheidstoeslag zoals die per 1 januari 2009 is ingevoerd;

  • Gevolgen van EU-beleid en ervaringen voor nationaal beleid en uitvoering te verwerken.

Activiteiten gemeenten:

  • Het desgevraagd doen van een werkleeraanbod;

  • Beoordelen van recht op een uitkering;

  • Verstrekken van uitkeringen;

  • Uitvoeren van de bijzondere bijstand; in het Bestuurlijk Akkoord met VNG is afgesproken dat de gemeenten terughoudend zijn met de verstrekking van leenbijstand en dat zij deze zoveel mogelijk zullen terugdringen;

  • Uitvoeren van de maatregelen van het Handhavingsprogramma 2007–2010.

Activiteiten SZW met betrekking tot schuldhulpverlening

  • De maatregelen die genoemd zijn in de kabinetsbrief van 15 september 2008, o.a. naar aanleiding van het onderzoek naar de effectiviteit van schuldhulpverlening («Schulden? De gemeente helpt!») zijn nader uitgewerkt en geïmplementeerd. De uitvoering wordt ondersteund bij de implementatie van de in de brief genoemde maatregelen.

  • Het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 291) is op 21 januari 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden.

  • In de loop van 2010 is een aantal brieven over schuldhulpverlening aan de Tweede Kamer gestuurd. Het betreft de volgende brieven; Kamerstukken II 2009/2010, 24 515, nr. 185, 189, 190, 192 en 195).

Armoedebeleid: Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting

2010 was het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Alle lidstaten van de Europese Unie hebben hier een eigen invulling aan gegeven. In Nederland is met name ingezet op het stimuleren van een goede samenwerking tussen gemeenten en maatschappelijke organisaties.

Hiertoe zijn meerdere acties ondernomen die alle in het verlengde liggen van het Nederlandse armoedebeleid. Het betrof onder meer de volgende evenementen en producten:

  • 1. De uitvoering van de Tijdelijke subsidieregeling Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, om maatschappelijke organisaties met behulp van de doelgroep van het armoedebeleid activiteiten in het kader van het Europees Jaar uit te laten voeren.

  • 2. Het organiseren van een start- en slotconferentie van het Europees Jaar. De startconferentie was tevens de start van de stedenestafette.

  • 3. De organisatie van een themaweek «Kinderen doen mee», gericht op de bevordering van participatie van kinderen uit arme gezinnen.

  • 4. Aanbieding aan de Tweede Kamer van het SCP onderzoek «Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden».

  • 5. Het doen van een voorstel aan de Tweede Kamer om de motie Spekman/Blanksma c.s. (Kamerstukken II, 2009/2010, 24 515, nr. 181) uit te voeren door een verordeningsplicht voor gemeenten in te stellen met betrekking tot het verlenen van categoriale bijzondere bijstand voor de kosten in verband met de maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen in arme gezinnen.

  • 6. Het mede financieren van de Social Inclusion Games.

  • 7. Evaluatie van de samenwerking tussen gemeenten en lokale voedselbanken en de evaluatie van de website Bereken uw Recht. De Tweede Kamer is op 20 september 2010 over de uitkomsten hiervan geïnformeerd.

  • 8. Organisatie van een themaweek waarvoor is aangesloten bij de Week van het geld.

  • Jongeren tot 27 jaar die geen werk hebben of een opleiding volgen;

  • Mensen van 27 tot 65 jaar die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud (bijstand als aanvulling op een onvolledige AOW-uitkering komt aan de orde in artikel 49);

  • Mensen met een langdurig minimuminkomen en/of grote afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Mensen in/met een risico op armoede;

  • Mensen met problematische schulden;

  • Alleenstaande ouders en hun kinderen;

  • Beroepsmatig actieve kunstenaars die niet over voldoende middelen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud;

  • Burgers met uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, zonder toereikende eigen middelen.

Doelgroepen

Volumereductie WWB

Realisatie meetbare gegevens

In het Bestuurlijk Akkoord «Participatie» hebben SZW en VNG afgesproken zich sterk te maken voor het realiseren van een vermindering van het aantal mensen dat een beroep doet op de WWB. In de begroting van 2010 is een concreet streefcijfer opgenomen dat in 2010 het aantal WWB-uitkeringen 30 000 uitkeringen/huishoudens lager is dan op grond van conjuncturele ontwikkeling verwacht mag worden. Voor 2010 is geen streefcijfer opgenomen.

Toereikendheid macrobudget WWB/WIJ

Uitgangspunt is dat het macrobudget toereikend wordt vastgesteld, met inachtneming van de afspraken uit het Bestuurlijk Akkoord voor de periode 2008–2011.

Aantal huishoudens met problematische schulden

De doelstelling om het aantal huishoudens met problematische schulden in 2011 met de helft terug te dringen is, gegeven de gevolgen van de economische crisis, naar het oordeel van het kabinet niet haalbaar.

Over 2010 zijn geen gegevens beschikbaar. De vervolgmeting zal in 2012 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Het kabinet heeft voor de periode 2009–2011 € 130 mln beschikbaar gesteld voor schuldhulpverlening in verband met de gevolgen van de economische crisis. Verder ligt het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening in de Tweede Kamer. Vooruitlopend op de implementatie van deze wet is er een ondersteuningsprogramma voor gemeenten gestart gericht op de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening.

Aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert

Over 2010 zijn geen gegevens beschikbaar. De vervolgmeting die door het SCP wordt uitgevoerd, komt in september 2011 uit.

Bijzondere bijstand

De bevoegdheden op het terrein van de bijzondere bijstand zijn integraal bij gemeenten belegd. Er zijn daarom geen indicatoren over bijzondere bijstand opgenomen.

Tabel 46.10 Indicatoren operationele doelstelling 5
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Volumereductie WWB1

9 000

5 000

– 4 000

Toereikendheid macrobudget WWB/WIJ2

toereikend

toereikend

toereikend

toereikend

Aantal huishoudens met problematische schulden3

693 000

Vervolgmeting komt in 2012

Vervolgmeting komt in 2012

Aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert4

66 000

Vervolgmeting komt in 2011

Vervolgmeting komt in 2011

Bronnen:

1  SZW, Financiële administratie

2  CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek

3  EIM, Onderzoek huishoudens in de rode cijfers

4  SCP, Onderzoek kinderen, armoede en sociale uitsluiting

Volume ontwikkelingen WWB

Grafiek volume WWB naar leeftijd

Grafiek volume WWB naar leeftijd

De bovenstaande grafiek toont het volume WWB’ers, opgesplitst naar leeftijdscategorie. In 2010 steeg het aantal WWB-uitkeringen. De stijging is beperkt bij de groepen die het grootste gedeelte van de WWB-populatie bevolken – mensen tussen de 35 en 65 jaar. De dynamiek is groter bij de mensen tussen de 15 en 35 jaar.

Volume ontwikkelingen AIO

Het volume AIO is in 2010 toegenomen met 2 duizend uitkeringen.

Volume ontwikkelingen WIJ

Als kengetallen voor het werkleerrecht worden de aantallen inkomensvoorzieningen opgenomen. Het jaargemiddelde laat zien dat er ca 22 duizend inkomensvoorzieningen in het kader van de WIJ verstrekt zijn. Dit is hoger dan geraamd. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de verwachte aantallen inkomensvoorzieningen WIJ zijn gebaseerd op de verhouding tussen het aantal personen in de bijstand onder en boven de 27 jaar, zoals deze was voor de invoering van de WIJ. Als gevolg van de economische teruggang is deze verhouding mogelijk tijdelijk veranderd, omdat werkloosheid onder jongeren zich dan anders ontwikkelt dan onder ouderen. Gezien de recente start van de WIJ is het echter te vroeg om op dit moment de hogere realisatie volledig te duiden.

Volume ontwikkelingen IOAW, IOAZ, BBZ, WWIK

In 2010 is een groter beroep gedaan op de IOAW: het gebruik steeg met 2 duizend uitkeringen. Het aantal IOAZ-uitkeringen bleef stabiel. De Bbz-regeling is in 2010 vaker gebruikt: gemiddeld werden er 4 duizend uitkeringen verstrekt. Het aantal uitkeringen WWIK is met circa 500 gestegen.

Bijzondere bijstand

De uitgaven aan bijzondere bijstand zijn in 2010 met € 60 mln afgenomen tot € 240 mln.

Tabel 46.11 Kengetallen operationele doelstelling 5
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Volume ontwikkelingen

   

Volume WWB thuiswonenden (excl. WIJ), periodiek < 65 jaar (x 1 000)1

267

269

275

Volume AIO thuiswonenden, periodiek = 65 jaar (x 1 000)1

32

35

37

Inkomensvoorzieningen WIJ(x 1 000)1

 

1

22

Aantal jongeren met een ink. voorz. WIJ dat geen werkleertraject volgt

  

n.n.b.

Volume IOAW (x 1 000)1

6

7

9

Volume IOAZ (x 1 000)1

2

1

1

Volume bijstand buitenland (x 1 000)2

< 0,5

< 0,5

< 0,5

Volume Bbz (x 1 000)1

3

3

4

Volume WWIK (x 1 000)1

2

2

3

Bijzondere bijstand (x 1 mln)1

230

300

240

    

Armoede en schuldhulpverlening

   

Bedrag leenbijstand t.o.v. totale bijzondere bijstand (%)1

12

13

n.n.b.

Aantal huishoudens met bijzondere bijstand t.o.v. aantal huishoudens met een laag inkomen (%)1

41

40

n.n.b.

Beperken wachtlijsten schuldhulpverlening3

  

Gemiddelde wachttijd 32 dagen

Handhaving

   

Nalevingsniveau van de opgaven van inkomsten (%)4

93

94

93

Nalevingsniveau melden samenwonen (%)4

99

99

99

Aantal geconstateerde fraudegevallen5, 7

10 690

10 140

10 700

Totaal fraudebedrag (€ mln)5, 7

66

55

50

Incassoratio %6

12

11

11

Bronnen:

1 CBS, Bijstandsuitkeringsstatistiek

2 SVB, Jaarverslag

3 Panteia, Wachttijden voor schuldhulpverlening bij gemeenten

4SZW-berekeningen op basis van CBS-informatie

5CBS, Bijstandsfraudestatistiek

6 CBS, Bijstandsdebiteurenstatistiek

7 De fraudebedragen en aantallen fraudegevallen zijn op dezelfde manier samengesteld als in de Integrale Rapportage Handhaving 2009. Deze reeksen wijken daardoor af van de eerdere wijze van presenteren in de begroting en het jaarverslag. Deze cijfers voor 2010 zijn nog voorlopig.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 46.12 Onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

    

Beleidsdoorlichting

Zie Effecten onderzoek ex post

   

Effecten onderzoek ex post

Evaluatie IOW

OD 1

A. 2010

B. 2011

 
 

Evaluatie deeltijd WW / WTV

OD 1

A. 2010

B. 2011

 
 

Onderzoek premiegroepen WW

OD 2

A. 2010

B. 2010

Kamerstukken II, 2010/2011, 30 370, nr. 35

 

Evaluatie WIA (tevens beleidsdoorlichting)

OD 2

A. 2010

B. 2011

 
 

Tijdelijke ondersteuning kunstenaars (wettelijke evaluatie WWIK)

OD 5

A. 2009

B. 2010

Kamerstukken II, 2009/2010, 32 327, nr. 1

 

Evaluatie Wij

OD 5

A. 2010

B. 2011

 

Overig evaluatieonderzoek

Evaluatie WGA

OD 2

A. 2009

B. 2010

Kamerstukken II, 2009/2010, 26 448, nr. 433

 

Effecten Bestuurlijk Akkoord met gemeenten

OD 5

A. 2010

B. 2011

 
 

Kinderen, armoede en sociale uitsluiting:

   
 

– Achtergronden

OD 5

A. 2008

B. 2010

Kamerstukken II, 2009/2010, 24 515, nr.186

 

– Langetermijneffect

OD 5

A. 2009

B. 2011

 
 

– Nameting aantal kinderen

OD 5

A. 2010

B. 2011

 
 

Duur wachttijden schuldhulpverlening

OD 5

A. 2010

B. 2011

Kamerstukken II, 2009/2010, 24 515, nr. 185

Kamerstukken II, 2010/2011, 24 515, nr. 192

 

Brede toegankelijkheid schuldhulpverlening

OD 5

A. 2010

B. 2011

Kamerstukken II, 2010/2011, 24 515, nr. 192

  • Evaluatie WIA: het kabinetsstandpunt is na overleg met sociale partners in maart 2011 samen met de evaluatie aangeboden aan de Tweede Kamer.

  • Effecten bestuurlijk akkoord met gemeenten: de evaluatie wordt afgerond in 2011.

  • Kinderen, armoede en sociale uitsluiting: het onderzoek naar het langetermijneffect loopt door tot in 2011.

  • Schuldhulpverlening: over wachttijden is tussentijds gerapporteerd in april 2010 en – gecombineerd met brede toegankelijkheid – in december 2010 (Monitor tijdelijke middelen schuldhulpverlening – tussenrapportage 2010).

  • De gecombineerde eindrapportage over wachttijden en brede toegankelijkheid volgt in 2011.

Toelichting

Artikel

47 Aan het Werk: Bemiddeling en Re-integratie

Artikel

Arbeidsinpassing in regulier werk voor uitkeringsgerechtigden en werklozen

Algemene doelstelling

Motivering

Om mensen met of zonder uitkering te laten deelnemen aan het verrichten van betaald werk en, waar dat nog niet mogelijk is, mensen tot andere vormen van maatschappelijke participatie te brengen. Dit is in het belang van de mensen zelf en draagt bij aan de sociale cohesie én het bevorderen van de arbeidsparticipatie. SZW schept de voorwaarden zodat het UWV en gemeenten personen met een sociale zekerheidsuitkering en niet-uitkeringsgerechtigden kunnen re-integreren in reguliere arbeid. Enerzijds aan de aanbodkant: onder andere via het wegnemen van (persoonlijke) barrières voor re-integratie en via het handhaven van de naleving van de sociale zekerheidsregelgeving waar die een relatie heeft met re-integratie(verplichtingen) van uitkeringsontvangers. Anderzijds aan de vraagkant: door het bedienen en beïnvloeden van de vraag van werkgevers en hen actief te benaderen.

Niet iedereen heeft re-integratieondersteuning nodig. Bemiddeling richt zich op personen die geen afstand tot regulier werk (meer) hebben. De inzet van re-integratieondersteuning richt zich erop dat, via het verkleinen van de afstand tot regulier werk, de kans op het verkrijgen van regulier werk wordt vergroot.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het belang van bemiddeling en selectieve re-integratie voor een sterke economie blijft groot. Tijdens de herstelfase van de economie, maar ook op langere termijn, is een afname van het aantal uitkeringsgerechtigden en een toename van de arbeidsparticipatie van groot belang voor een betaalbare sociale zekerheid en gezonde overheidsfinanciën.

Externe factoren

De arbeidsmarkt herstelde zich in 2010 licht. Het aantal werklozen nam in 2010 met 31 duizend af naar 401 duizend. Vooral het aantal jongere werklozen daalde (-/- 25 duizend); het aantal oudere werklozen steeg nog iets (8 duizend).

Realisatie meetbare gegevens

Ten aanzien van het realiseren van de algemene doelstelling worden in de begroting geen aparte indicatoren geformuleerd, omdat de uitstroom naar werk te zeer afhankelijk is van de conjunctuur.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 47.1 Begrotingsuitgaven Artikel 47 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

2 026 839

2 013 219

538 832

4 065 838

2 345 363

2 441 407

– 96 044

Uitgaven

2 084 281

2 034 149

2 095 153

2 228 175

2 485 611

2 443 407

42 204

        

Programma uitgaven

2 072 966

2 025 248

2 081 527

2 212 893

2 470 412

2 430 313

40 099

        

Operationele Doelstelling 1

       

Basisdienstverlening UWV

367 778

352 500

315 119

331 866

377 828

382 428

– 4 600

Bkwi

8 600

8 615

10 198

11 000

9 832

9 940

– 108

Ketensamenwerking

0

0

15 000

2 623

0

0

0

Operationele Doelstelling 2 en 3

       

Participatiebudget

(tot 2009 Flexibel Re-integratiebudget)

1 630 743

1 592 259

1 580 789

1 758 438

1 895 596

1 894 461

1 135

Stimuleringsregeling Id-banen

8 558

5 852

2 333

346

1 260

0

1 260

Risicovoorziening ESF 3

0

0

58 900

3 673

0

0

0

RWI/Svww

11 270

9 078

5 977

5 952

5 782

5 932

– 150

Re-integratie Wajong

31 258

43 219

81 353

71 093

155 061

120 844

34 217

Re-integratie Wajong Uitvoeringskosten

6 577

5 064

3 320

19 830

17 300

6 782

10 518

Handhaving

231

40

0

0

0

0

0

Subsidies

7 246

7 023

4 497

2 916

2 091

1 425

666

Beleidsondersteunende uitgaven

705

1 598

4 041

5 156

5 662

8 501

– 2 839

        

Apparaatsuitgaven

11 315

8 901

13 626

15 282

15 199

13 094

2 105

Personeel en materieel

3 136

3 569

4 344

3 993

4 855

4 741

114

Agentschap SZW

8 179

5 332

9 282

11 289

10 344

8 353

1 991

        

Ontvangsten

210 321

198 244

87 076

290 344

512 243

565 691

– 53 448

Basisdienstverlening UWV

Toelichting

De uitgaven voor de basisdienstverlening zijn in 2010 iets lager dan begroot. Dit houdt verband met de lagere uitgaven voor projecten, bijvoorbeeld voor scholing en schuldhulpverlening.

Participatiebudget

Een deel van door gemeenten ingesteld bezwaar en beroep op terugvorderingen over oudere jaren naar aanleiding van de (SISA) verantwoordingen heeft geleid tot nabetalingen. Hierdoor zijn de gerealiseerde uitgaven hoger dan begroot.

Stimuleringsregeling ID-banen

Deze regeling is afgelopen. Het betreft nabetalingen op laatste afrekeningen, waarmee geen rekening was gehouden in de begroting.

Rwi

Een in de begroting opgenomen bedrag van € 150 000 voor de stichting Blik op werk is niet via RWI maar als subsidie aan de stichting Blik op werk betaald.

Re-integratie Wajong

De realisatie is ruim € 34 mln hoger dan begroot. Abusievelijk is een deel van de uitgaven voor de werkvoorzieningen (€ 16,6 mln) bij re-integratie WAO/WIA/WAZ begroot in plaats van bij re-integratie Wajong (zie ook toelichting re-integratie WAO/WIA/WAZ bij tabel 47.2). Daarnaast is er vooral meer uitgegeven aan werkvoorzieningen zoals jobcoaches. Dit gaat daarbij per saldo om € 17,6 mln. Voor de inkoop van trajecten en diensten is UWV binnen het taakstellende budget voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten gebleven.

Re-integratie Wajong uitvoeringskosten

In de loop van 2010 bleek dat ruim € 10 mln meer inzet nodig was voor uitvoering van re-integratieactiviteiten Wajong, zoals intensivering van de werkgeversaanpak en de pilot stagejobcoach. De hogere uitvoeringskosten zijn in lijn met de hogere kosten van re-integratie Wajong.

Subsidies

In verband met uitloop van subsidies uit voorgaande jaren is de realisatie hoger dan begroot. Verder is hier de al eerder genoemde subsidie aan de stichting Blik op werk verantwoord.

Beleidsondersteunende uitgaven

De beleidsondersteunende activiteiten betreffen met name voorlichting (€ 2,8 mln), onderzoek (€ 0,9 mln) en overig (€ 2 mln). Het resterende budget is overgeheveld voor de uitvoeringskosten van ESF-regelingen (€ 2,4 mln) en subsidies (€ 0,4 mln).

Apparaatsuitgaven Agentschap SZW

De uitvoeringskosten van het agentschap zijn door meer en intensievere controleactiviteiten hoger uitgevallen dan begroot.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn ruim € 53,4 mln lager dan begroot. Dit is vooral het gevolg van een tegenvaller bij de zogenaamde meeneemregeling participatiebudget. De bij de gemeenten onbesteed gebleven participatiebudgetten bleken uiteindelijk lager te zijn dan geraamd, zodat de overschrijding van de meeneemregeling en daarmee de ontvangsten op de SZW-begroting eveneens kleiner waren dan begroot.

Tabel 47.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 47 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2006

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting 2010

verschil 2010

Uitgaven

623 058

521 136

499 000

579 514

559 252

520 989

38 263

        

Programma uitgaven

623 058

521 136

499 000

579 514

559 252

520 989

38 263

Operationele Doelstelling 2

       

Re-integratie WAZ/WAO/WIA

277 058

201 200

188 000

183 514

110 252

128 891

– 18 639

Re-integratie WW

159 000

142 000

118 000

151 000

218 000

147 778

70 222

Uitvoeringskosten re-integratie WAZ/WAO/WIA

106 000

79 936

95 000

71 000

33 000

89 943

– 56 943

Uitvoeringskosten re-integratie WW

81 000

98 000

98 000

174 000

198 000

145 527

52 473

        

Nominaal

0

0

0

0

0

8 850

– 8 850

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Bron: SZW-berekeningen op basis van jaarverslag UWV

Re-integratie WAZ/WAO/WIA

Toelichting

De realisatie is € 18,6 mln lager dan begroot. Dit wordt voor € 16,6 mln veroorzaakt doordat abusievelijk een deel van de uitgaven voor de werkvoorzieningen bij re-integratie WAO/WIA/WAZ is begroot in plaats van bij re-integratie Wajong (zie ook toelichting re-integratie Wajong bij tabel 47.1). Voor de inkoop van trajecten en diensten is UWV binnen het taakstellende budget voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten gebleven.

Uitvoeringskosten re-integratie WAZ/WAO/WIA

De realisatie is € 57 mln lager dan begroot. In verband met de crisis is een groot deel van de uitvoeringscapaciteit re-integratie WAZ/WAO/WIA in plaats daarvoor ingezet voor de re-integratie van werklozen. Zie ook: uitvoeringskosten re-integratie WW.

Re-integratie WW

De realisatie van de uitgaven zijn ca. € 70 mln hoger dan begroot. Dit is voor € 36 mln een gevolg van hogere uitgaven aan trajecten en € 53 mln is door UWV gereserveerd in het bestemmingsfonds re-integratie voor onder andere overlopende verplichtingen mede met het oog op de afloop van de re-integratiemiddelen in 2012. Daartegenover is € 19 mln minder uitgegeven aan loonkostensubsidies voor langdurig werklozen als gevolg van tegenvallend gebruik van dit instrument.

Uitvoeringskosten re-integratie WW

De realisatie is ca. € 52 mln hoger dan begroot. De uitvoeringskosten re-integratie WW zijn als gevolg van de bestrijding van de gevolgen van de crisis hoger uitgevallen dan begroot.

1 Ondersteuning bij het vinden van regulier werk aan die uitkeringsgerechtigden en werklozen die op eigen kracht werk kunnen vinden

Operationele doelstelling

Motivering

Om (langdurig) beroep op een uitkering te voorkomen en om te voorkomen dat een beroep wordt gedaan op re-integratieondersteuning. Een groot deel van de uitkeringsgerechtigden en werklozen komt op eigen kracht weer aan de slag. De basisdienstverlening van UWV WERKbedrijf is daarbij ondersteunend.

Doelbereiking

Zoals in tabel 47.4 is te zien heeft het UWV WERKbedrijf in 2010 meer vacatures vervuld dan in 2009. In tabel 47.5 is weergegeven hoeveel personen met een werkloosheidsuitkering of een inschrijving bij het UWV WERKbedrijf op eigen kracht of met gebruik van de basisdienstverlening van het UWV WERkbedrijf, werk in loondienst hebben gevonden. Van de bijna 150 duizend in een baan gestarte personen had 59% een WW-uitkering.

Instrumenten en activiteiten

Met behulp van diagnose-instrumenten bepalen UWV en gemeenten bij de intake wie ondersteuning nodig heeft en wat voor soort ondersteuning effectief is. De ondersteuning wordt geleverd via de Werkpleinen die in ontwikkeling zijn. De Werkpleinen bieden basisdienstverlening voor iedereen.

Regionale arbeidsmarktinformatie

De ontwikkeling van regionaal arbeidsmarktbeleid door overheid, ondernemers, en onderwijs – ook wel de «drie O’s» genoemd – vereist het gebruik van arbeidsmarktinformatie op regionaal niveau, in plaats van op landelijk niveau. Het UWV ontwikkelt daarom sinds maart 2009 regionale arbeidsmarktinformatie, als hulpmiddel voor de ontwikkeling van het regionale arbeidsmarktbeleid. De huidige regionale arbeidsmarktinformatie is gebaseerd op gegevens afkomstig uit de UWV-registraties (aantallen niet-werkende werkzoekenden, aantallen vacatures) aangevuld met CBS- en COLO-gegevens. De informatie is per regio beschikbaar gesteld op www.werk.nl.

De gegevensset wordt uitgebreid met het actuele vacatureaanbod op internet en met kwantitatieve en kwalitatieve gegevens uit het onderwijsdomein. Hiertoe hebben inmiddels de eerste leveringen van onderwijsgegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO, voormalige IB-groep en CFI) aan UWV plaatsgevonden. SZW laat onderzoeken in hoeverre het mogelijk is om op regionaal niveau de toekomstige vraag-aanbodrelatie per sector in beeld te brengen.

Leerwerkloketten

Voor de inbedding en ondersteuning van de 44 regionale leerwerkloketten in de integrale dienstverlening van de Werkpleinen is door SZW geld beschikbaar gesteld via het UWV WERKbedrijf. De leerwerkloketten hebben een businessplan ingediend om aanspraak te kunnen maken op dit geld. De Leerwerkloketten zijn operationeel. Dit betekent dat er dienstverlening is aan de diverse doelgroepen (werkgevers, werkzoekenden en werknemers). De Leerwerkloketten hebben in de tweede helft van 2010 vooral de dienstverlening aan werkgevers uitgebreid en versterkt in combinatie met de dienstverlening vanuit het Werkplein. In 2011 wordt op basis van een evaluatie en de in het Regeerakkoord opgenomen maatregelen besloten hoe verder gegaan wordt met de leerwerkloketten.

Werkpleinen

In 2010 is de geïntegreerde dienstverlening op de werkpleinen verder geïmplementeerd. Ultimo 2010 zijn er 4 werkpleinen waarbij de geïntegreerde dienstverlening nog niet goed is ingevoerd.

Van werk naar werk (mobiliteitscentra)

De mobiliteitscentra hebben gefungeerd van 1 maart 2009 tot en met december 2010. In samenwerking met andere actoren op het gebied van werk en scholing hebben de mobiliteitscentra:

  • 23 800 mensen die met ontslag werden bedreigd, vanuit hun baan aan een andere baan geholpen;

  • er voor gezorgd dat ruim 193 000 mensen na hun ontslag binnen 3 maanden ander werk hadden;

  • met ruim 1 600 bedrijven afspraken gemaakt over de dienstverlening in het kader van mobiliteit.

Projecten van de mobiliteitscentra waren vooral gericht op het MKB, maar ook grote bedrijven in de petrochemie en het bank- en verzekeringswezen en een grote drogisterijketen maakten gebruik van de dienstverlening. De kracht van de mobiliteitscentra zat, naast het opbouwen van goede samenwerking met de diverse partijen, in de begeleiding van werknemers nog voordat zij werkloos waren.

De werkwijze van de mobiliteitscentra is inmiddels ingebed in de reguliere werkwijze van het UWV en de kosten komen vanaf 1 januari 2011 ten laste van het reguliere uitvoeringsbudget.

  • Ingeschreven werkzoekenden die op eigen kracht aan de slag kunnen komen;

  • Werkgevers.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Het UWV WERKbedrijf biedt via internet en fysiek op de Werkpleinen basisdienstverlening aan. Werkzoekenden worden geholpen bij het op eigen kracht weer aan het werk komen. Werkgevers worden geholpen bij het vervullen van vacatures. De indicatoren in tabel 47.3 geven aan dat werkgevers en werkzoekenden tevreden zijn over de klantgerichtheid van de aangeboden dienstverlening.

Tabel 47.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Klantgerichtheid geïntegreerde dienstverlening werkgevers

Niet bekend

7,0

7,2

voldoende

Klantgerichtheid geïntegreerde dienstverlening werkzoekenden

6,5

6,8

6,8

voldoende

Bron: UWV, Jaarverslag

De kengetallen in tabel 47.4 beschrijven de omvang van de basisdienstverlening. In alle cijfers over 2010 is de invloed van de financiële crisis op de arbeidsmarkt nog duidelijk te zien. Minder vacatures en meer werklozen betekenden in 2010 minder kans op een baan voor werklozen, maar door het gematigde herstel kon het UWV meer vacatures vervullen dan in 2009. In tabel 47.5 is aangegeven hoeveel werkzoekenden aan het werk zijn gekomen, hetzij op eigen kracht, hetzij met een beroep op de basisdienstverlening.

Tabel 47.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie

2010

Aantal niet-werkende werkzoekenden per 1 januari (x 1 000)

417

508

Instroom niet-werkende werkzoekenden (x 1 000)

567

565

Bij WERKbedrijf geregistreerde vacatures per 1 januari (x 1 000)

44

40

Bij UWV Werkbedrijf ingediende vacatures (x 1 000)

239

268

Door UWV Werkbedrijf vervulde vacatures (x 1 000)

92

107

Idem als % van het aantal ingediende vacatures (x 1 000)

38%

40%

Bron: UWV, Jaarverslag en Nieuwsflits arbeidsmarkt

Tabel 47.5 Kengetallen operationele doelstelling 1 (aantallen x 1 000)
 

Totaal

WaJong WIA/WAZ

WAO

WWa

Bijstand

WIJ

Nug

In het eerste halfjaar van 2010 zonder re-integratie-ondersteuning in een baan gestarte voormalig werklozen

148

34

87

11

16

a In 2010 zijn de activiteiten van re-integratiecoaches van UWV anders geregistreerd. Hierdoor wordt voor UWV minder re-integratieondersteuning waargenomen dan bij vorige metingen.

Bron: CBS, Uitstroom naar Werk wel of niet voorafgegaan door re-integratieondersteuning

2 Ondersteuning bij het verkleinen van de afstand tot regulier werk aan die uitkeringsgerechtigden en werklozen die dat niet op eigen kracht kunnen

Operationele doelstelling

Motivering

Het re-integratiebeleid is gericht op uitstroom uit werkloosheid naar regulier werk van werkzoekenden met een grote afstand tot regulier werk. Het re-integratiebeleid zet niet in op personen die op eigen kracht regulier werk kunnen verkrijgen. Gemeenten en UWV hebben de verantwoordelijkheid en de middelen om via maatwerk een passende re-integratieondersteuning aan te bieden. Met (re-integratie)ondersteuning wordt bedoeld re-integratiediensten, ingekochte re-integratietrajecten, extra ondersteuning van de casemanager bij gemeenten en de werkcoach bij UWV. Deze ondersteuning dient vraaggericht en selectief te worden ingezet, zoals geformuleerd in het Plan van Aanpak re-integratie (Kamerstukken II, 2009/2010, 28 719, nr. 73).

Doelbereiking

Zoals in tabel 47.11 is te zien hebben in het eerste halfjaar van 2010 ruim 130 000 personen werk gevonden, nadat zij in het jaar daarvoor re-integratieondersteuning van UWV of gemeenten hebben gekregen.

Instrumenten en activiteiten

Voor personen met een afstand tot regulier werk wordt re-integratieondersteuning ingezet. Re-integratie richt zich op arbeidsinpassing in regulier werk, waarmee wordt bijgedragen aan vermindering van uitkeringsafhankelijkheid.

Met het tegelijkertijd met de begroting 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden Plan van Aanpak re-integratie heeft het kabinet inzicht gegeven in de wijze waarop het kabinet beoogt de inzet van re-integratiemiddelen meer vraaggericht en selectiever in te laten zetten.

Selectiviteit vraagt nadrukkelijk ook van gemeenten om beter zichtbaar te maken welke inzet van re-integratiemiddelen en –instrumenten zij plegen, mede opdat zij ook van elkaar kunnen leren. Het gaat dan over wat, voor wie, wanneer wordt ingezet en hoe het werkt. In het vergroten van de vraaggerichtheid spelen de Werkpleinen een belangrijke rol. Via de integrale dienstverlening aan zowel werkzoekenden als werkgevers zal dit gerealiseerd moeten worden.

UWV

In 2010 zijn met UWV afspraken gemaakt over een selectieve inzet van re-integratiemiddelen. Daarbij is afgesproken om bij de inzet van de re-integratiemiddelen voor WW-gerechtigden prioriteit te geven aan langdurig werklozen.

Gemeenten

Tijdens de parlementaire behandeling van de begroting 2010 van het Ministerie van SZW is aandacht gevraagd voor het belang dat gemeenten hun «zittende» bestand bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden periodiek doorlichten. Over dit onderwerp heeft bestuurlijk overleg met de VNG plaatsgevonden. Dit heeft ertoe geleid dat de VNG gemeenten heeft opgeroepen om het hele bestand periodiek door te lichten en aandacht te houden voor kwetsbare groepen.

Uit door het CBS samengestelde cijfers over de deelname aan re-integratietrajecten van WWB-uitkeringsgerechtigden blijkt dat de aandacht voor het zittende bestand ook zichtbaar is in de deelname aan re-integratietrajecten: de helft van de mensen die al langer dan 3 jaar een uitkering ontvangen, neemt deel aan een re-integratietraject.

Afstand tot de arbeidsmarkt

Bij de beoordeling van de gemeentelijke re-integratieondersteuning is van belang dat in de resultaten alle interventies meetellen, ongeacht of deze al gericht zijn op uitstroom naar regulier werk. Een deel van de gemeentelijke cliënten heeft immers een dermate grote afstand tot de arbeidsmarkt dat zij in eerste instantie bezig zijn met het verkleinen van die afstand. Pas daarna komt hun re-integratietraject in de fase dat uitstroom naar werk een rechtstreeks perspectief is.

Volgens de Divosa-monitor 2010 – Scherp aan de Wind (Divosa, 2010) bestaat naar verhouding het merendeel van de aangeboden dienstverlening uit activiteiten die gericht zijn op werk, en is een minderheid van de activiteiten gericht op activering (21 procent). De eerste resultaten van de Statistiek Re-integratie Gemeenten komen op een heel ander percentage uit. Van 90 procent van de op 30 juni 2010 lopende re-integratietrajecten hebben gemeenten de re-integratiepositie van de cliënt doorgegeven: bij tweederde van de trajecten is er sprake van een positie waarin activering nodig is er bij eenderde van de trajecten is er sprake van een re-integratiepositie waarbij een interventie gericht op de arbeidsinpassing zelf gevraagd wordt.

  • Bijstandsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Niet-uitkeringsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Anw-gerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • WW-gerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Gedeeltelijk arbeids(on)geschikten (WAZ, Wajong, WAO, WIA) met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Jongeren uit de doelgroep van de WIJ.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Het doel van de indicatoren is om inzicht te geven in de resultaten van re-integratieondersteuning gericht op regulier werk. De re-integratieondersteuning die niet rechtstreeks gericht is op uitstroom naar werk wordt in operationele doelstelling 3 beschreven. Op dit moment is het nog niet mogelijk om dit onderscheid cijfermatig te maken voor de indicatoren. Daarom wordt in tabel 47.6 nog alle re-integratieondersteuning (zowel gericht op regulier werk als op afstandverkleining) weergegeven.

Duidelijk is dat het lichte herstel van de werkgelegenheid in 2010 nog onvoldoende is om deze groep werklozen dezelfde kans op werk te geven als voor de recessie.

Tabel 47.6 Indicatoren operationele doelstelling 2 (%)
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie halfjaar 2010

Streefwaarde 2010

Uitstroom naar regulier werk binnen 24 maanden na start re-integratieondersteuning gericht op regulier werk

61

56

54

Uitstroom naar regulier werk na einde loonkostensubsidie

53

51

41

50

Bron: CBS, Uitstroom naar werk

Bij de uitwerking van de toezegging (Kamerstukken II, 2010/2011, 32 360-XV, nr. 5) om de relatie tussen kosten, inspanningen en resultaten van de re-integratie door UWV inzichtelijker te maken, is aansluiting gezocht bij de reguliere informatie over kosten die in begroting en jaarverslag zijn opgenomen (tabellen 47.1 en 47.2). Voor gemeenten is vergelijkbare informatie niet beschikbaar.

In tabellen 47.7 en 47.8 is weergegeven hoe de uitgaven in een kalenderjaar worden veroorzaakt door de kosten voor re-integratietrajecten en diensten die in dat kalenderjaar of eerder zijn gestart (een cohort). De kosten voor WW re-integratietrajecten en diensten die in 2007 zijn gestart bedragen bijvoorbeeld in 2007 en latere jaren respectievelijk € 51, € 48, € 6 en € 1 mln. Deze uitgaven zijn niet gecorrigeerd voor loon-prijsindexatie.

Het onderscheid tussen trajecten en diensten is belangrijk voor een oordeel over het resultaat. Hoewel re-integratiediensten plaatsing tot doel hebben, zijn zij daar niet rechtstreeks op gericht. Daarom wordt bij deze diensten niet geregistreerd of sprake is van een plaatsing, maar of de dienst al dan niet is geslaagd (bijvoorbeeld of een cursus of training is afgerond).

De definitie van plaatsing (uitstroom naar werk aaneensluitend aan het traject) wijkt af van de resultaatindicator die in tabel 47.6 wordt gebruikt. Bovendien beperkt de meting van de indicator zich tot een tijdvak van 24 maanden, vanwege de actualiteit. De looptijd van trajecten, en daarmee ook de daaruit voortvloeiende kosten en resultaten, hebben deze beperking niet.

Het grote aantal beëindigde trajecten in 2010 voor WW-ers is met name een gevolg van het grote aantal in 2009 gestarte trajecten. Bij de re-integratietrajecten is de minder goede arbeidsmarkt in 2009 en 2010 zichtbaar in een kleiner aandeel re-integratietrajecten dat is beëindigd met een plaatsing. Bij de re-integratiediensten heeft de arbeidsmarkt minder invloed, aangezien die al zijn geslaagd wanneer de afstand tot de arbeidsmarkt daadwerkelijk is verkleind omdat een belemmering is weggenomen.

Tabel 47.7 Re-integratie WW, uitgaven en trajecten en diensten ( x 1 000, uitgaven x € 1 mln)

Instroomjaar

Gestarte trajecten en diensten1 (x 1 000)

Uitgaven in kalenderjaar 2007 (€ mln)

Uitgaven in kalenderjaar 2008 (€ mln)

Uitgaven in kalenderjaar 2009 (€ mln)

Uitgaven in kalenderjaar 2010 (€ mln)

Nog lopende trajecten en diensten ultimo 2010 (x 1 000)

Voor 2007

 

76

13

1

0

0

2007

44

51

48

6

1

0

2008

44

 

52

32

4

2

2009

94

  

97

74

19

2010

47

   

73

24

Onbekend

 

15

5

14

9

 

Totaal

 

142

118

150

161

45

Bron: UVW, Jaarverslag

Tabel 47.8 Re-integratie WAO/WIA/WAZ/Wajong, uitgaven en trajecten en diensten (x 1 000, uitgaven x € 1 mln)

Instroomjaar

Gestarte trajecten en diensten1 (x 1 000)

Uitgaven in kalenderjaar 2007 (€ mln)

Uitgaven in kalenderjaar 2008 (€ mln)

Uitgaven in kalenderjaar 2009 (€ mln)

Uitgaven in kalenderjaar 2010 (€ mln)

Nog lopende trajecten en diensten ultimo 2010 (x 1 000)

Voor 2007

 

78

15

2

0

0

2007

36

56

54

8

2

1

2008

35

 

52

45

7

4

2009

39

  

63

38

14

2010

38

   

54

29

Onbekend

 

0

5

7

7

 

Totaal

 

134

125

125

110

48

Bron: UVW, Jaarverslag

In tabellen 47.9 en 47.10 is het resultaat van de in een kalenderjaar beëindigde re-integratietrajecten en -diensten weergegeven, dus niet per cohort. Het resultaat is immers sterk afhankelijk van de werkgelegenheidsontwikkeling en meer in het bijzonder de mogelijkheden die werkgevers in een bepaald kalenderjaar hebben om mensen aan te nemen. Bovendien worden er per cohort niet altijd dezelfde instrumenten in dezelfde mate ingezet. Een vergelijking tussen cohorten is daardoor weinigzeggend.

Tabel 47.9 Beëindigde re-integratietrajecten UWV (x 1 000)

Kalenderjaar

WW

Geplaatst

WW

Niet geplaatst

WW

Totaal

Arbeidsongeschikt Geplaatst

Arbeidsongeschikt

Niet geplaatst

Arbeidsongeschikt

Totaal

2007

18

18

36

11

18

29

2008

15

15

30

11

15

26

2009

8

13

21

7

15

22

2010

15

25

40

6

15

21

Bron: UVW, Jaarverslag

Tabel 47.10 Beëindigde re-integratiediensten UWV (x 1 000)

Kalenderjaar

WW

Geslaagd

WW

Niet geslaagd a

WW

Totaal

Arbeidsongeschikt Geslaagd

Arbeidsongeschikt

Niet geslaagd

ZW arborol interventies b

Arbeidsongeschikt

Totaal

2007

8

1

9

1

1

2

3

2008

21

2

23

4

3

5

11

2009

29

1

30

4

2

8

13

2010

35

9

44

5

4

21

30

a. De stijging van het aantal niet geslaagde diensten in 2010 wordt veroorzaakt door een toename (van ruim 1 000 naar 8 000) van het aantal diensten gericht op scholing – waarvan het slagingspercentage relatief laag is – én een daling van het slagingspercentage voor scholing – van 70% naar 60% – en kortdurende trainingen – van 92% naar 80%.

b. Deze interventies zijn aan een maximumbedrag (3 000 euro) gebonden en zeer divers van karakter, waarbij zowel gezondheidsherstel als re-integratie het doel kan zijn. Daardoor kunnen zij niet goed worden ingedeeld in een van de andere categorieën.

Bron: UVW, Jaarverslag

De kengetallen in tabel 47.11 geven per uitkeringssituatie inzicht in de mate waarin personen met re-integratieondersteuning aan het werk gaan. Tevens wordt inzicht gegeven in welke mate de arbeidsinpassing duurzaam is.

Het kengetal «Beëindigde loonkostensubsidie – waarvan nog werkzaam in reguliere arbeid» is komen te vervallen, omdat deze dubbelt met de indicator «uitstroom naar regulier werk na einde loonkosten subsidie» in tabel 47.6.

Tabel 47.11 Kengetallen operationele doelstelling 2 (aantallen x 1 000)
 

Totaal

WaJong

WIA/WAZ

WAO

WWa

Bijstand

WIJ

Nug/Anw

In eerste halfjaar 2010 in een baan gestarte voormalig werklozen (na voorliggende re-integratieondersteuning)1

132

14

85

26

6

Aandeel in 2009 in een baan gestarte voormalig werklozen dat na 6 maanden nog werkzaam was (na voorliggende re-integratieondersteuning)1

77%

74%

80%

73%

72%

Aantal gestarte loonkostensubsidies in eerste halfjaar 20102

6

nb

nb

6

0

Beëindigde loonkostensubsidie in eerste halfjaar 20102

6

nb

nb

5

0

Bronnen:

1 CBS, Uitstroom naar werk wel of niet voorafgegaan door re-integratieondersteuning

2 CBS, Statistiek re-integratie gemeenten

a In 2010 zijn de activiteiten van re-integratiecoaches van UWV anders geregistreerd. Hierdoor wordt voor UWV minder re-integratieondersteuning waargenomen dan bij vorige metingen.

3 Ondersteuning bij het verkleinen van de afstand tot regulier werk aan die uitkeringsgerechtigden en werklozen die dat niet op eigen kracht kunnen

Operationele doelstelling

Motivering

Uitstroom naar regulier werk is niet altijd direct haalbaar. Soms is de afstand tot regulier werk zo groot dat er eerst ondersteuning moet worden ingezet om de afstand tot regulier werk te verkleinen. Het directe doel is dan het zetten van een stap op de re-integratieladder, die veel gemeenten als hulpmiddel bij de uitvoering van het re-integratiebeleid gebruiken. Waar het in operationele doelstelling 2 ging om met behulp van re-integratievoorzieningen uit te stromen naar werk, wil operationele doelstelling 3 de tussenstappen die werkzoekenden daartoe moeten zetten in beeld brengen. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid en de middelen om via maatwerk een passende voorziening aan te bieden om de afstand tot regulier werk te verkleinen. Hiertoe zetten zij onder andere participatieplaatsen en sociale activering in.

Doelbereiking

De cijfermatige informatie uit de Statistiek re-integratie gemeenten over de re-integratiepositie die een indicatie geeft van de afstand tot regulier werk is pas sinds kort beschikbaar. Daarom kan nog niet vastgesteld worden in welke mate werkzoekenden wel hun afstand tot regulier werk hebben kunnen verkleinen, maar nog niet zijn uitgestroomd naar werk.

  • Verrichten van onderzoek en verspreiden van de resultaten hiervan;

    In het najaar van 2010 is Divosa een onderzoek gestart bij een tiental gemeenten die de participatieladder gebruiken. Dit onderzoek beoogt voor de jaren 2009 tot en met 2011 meer inzicht te geven in het verband tussen gemeentelijke inspanningen en de ontwikkeling van hun cliënten op de participatieladder.

  • Monitoren inspanningen gemeenten.

    Het CBS heeft de eerste voorlopige resultaten uit de Statistiek Re-integratie Gemeenten vrijgegeven voor de arbeidspositie van cliënten met een re-integratietraject. Van 90% van de op 30 juni 2010 lopende re-integratietrajecten hebben gemeenten de re-integratiepositie van de cliënt doorgegeven: bij tweederde van de trajecten vraagt de re-integratiepositie een interventie die gericht is op activering.

  • Vanuit de Statistiek Re-integratie gemeenten is ook bekend dat er medio 2010 5 500 participatieplaatsen waren.

Instrumenten en activiteiten

Doelgroepen

Werkzoekenden die eerst een stap op de re-integratieladder moeten maken, voordat zij naar regulier werk kunnen worden gere-integreerd.

Realisatie meetbare gegevens

Voor deze operationele doelstelling is geen indicator benoemd. Een reden daarvoor is de weerbarstigheid van de problematiek bij de doelgroep die vaak meerjarige ondersteuning nodig maakt, waarvan de resultaten soms niet of nauwelijks zichtbaar worden in het maken van een stap op de re-integratieladder. Ook kampt deze groep vaak met meerdere problemen die zich niet beperken tot het re-integratieterrein en die daardoor een brede inzet van instrumenten en ondersteuning vergen (bijvoorbeeld zorg).

De kengetallen zullen in de toekomst inzicht geven in de mate waarin instrumenten gericht op het maken van een stap op de re-integratieladder worden ingezet en in welke mate deze leiden tot het daadwerkelijk zetten van een stap in de richting van regulier werk.

In de begroting 2010 is een samenvattende tabel opgenomen. In het jaarverslag is deze achterwege gelaten. Relatief veel cijfers zijn (nog) niet beschikbaar. Bovendien is gebleken dat veel cijfers door registratieverschillen niet aan elkaar gerelateerd mogen worden. Gevolg is dat een samenvattende tabel geen meerwaarde biedt ten opzichte van de informatie die reeds is opgenomen in afzonderlijke tabellen in artikel 47.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 47.12 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Duurzaamheid re-integratie

 

Geen doorgang

 

Beleidsdoorlichting

    

Effecten onderzoek ex post

Kosten en effectiviteit re-integratie

 

A: 2010

B: 2010

Kamerstukken II, 2009/2010, 28 719, nr. 73

Overig (evaluatie)onderzoek

Evaluatie ESF

 

Onderzoek is gesplitst in zes deelonderzoeken

Kamerstukken II, 2009/2010, 26 642, nr. 115

Evaluatie ESF

Toelichting

In plaats van één grote midterm review van alle ESF-acties is besloten om tussentijdse evaluaties per actie te houden waarbij aangesloten wordt op de voortgang van de producten in de diverse ESF acties volgens het onderstaande schema.

Tabel 47.13 evaluatie ESF-acties
 

Start

Einde

Actie A is gericht op het helpen van mensen die lastig zelfstandig een baan kunnen vinden (ouderen, gedeeltelijk arbeidsgeschikten en niet-uitkeringsontvangers)

2010

2010

Actie B is gericht op re-integratie van gedetineerden

2010

2011

Actie C is gericht op het verbeteren van de aansluiting met de arbeidsmarkt voor leerlingen van het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs

2010

2011

Actie D is gericht op Scholing van werkenden

2010

2010

Actie E is gericht op sociale innovatie

2010

2011

Actie Jeugd is gericht op bestrijding jeugdwerkloosheid

2011

2012

Ten aanzien van acties A en D is halverwege het aantal deelnemers relatief laag. De verklaringen voor deze lage realisatie zijn met name van administratieve en communicatieve aard. Aanvragers geven aan moeite te hebben met de complexiteit, omvang en de wijze van controleren van de administratieve vereisten van ESF. Via onder meer vereenvoudiging van de regeling en extra begeleiding van het Agentschap bij de start van het project wordt gewerkt aan het verbeteren van de projectrealisaties.

Kosten en effectiviteit re-integratie

Naar aanleiding van de SZW-begrotingsbehandeling voor 2010 is een motie aangenomen van de heer Meeuwis (VVD) en mevrouw Koser Kaya (D66) die «de regering verzoekt onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de totale kosten van re-integratie voor Rijk en gemeenten, alsmede naar de effectiviteit van de besteding van deze middelen» (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XV, nr. 26). De resultaten van dat onderzoek zijn in juli 2010 aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2009/2010, 28 719, nr. 73). In die brief is tevens de voortgang gemeld van de stappen van het Plan van Aanpak Re-integratie en is gemeld dat in het voorjaar van 2011 een experiment netto effectiviteit re-integratie zal starten.

Overig

Naast de in begroting en jaarverslag genoemde onderzoeken, worden zeer regelmatig onderzoeken en evaluaties op het gebied van re-integratie opgeleverd, ook door decentrale partijen. Onder andere via de website www.interventiesnaarwerk.nl wil SZW hieraan een brede verspreiding geven.

48 Sociale werkvoorziening

Het faciliteren van de arbeidsparticipatie van personen met lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen, die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn

Algemene doelstelling

Motivering

Om arbeidsparticipatie voor personen uit de doelgroep door het aanbieden van aangepaste arbeid mogelijk te maken. Arbeid die past bij hun capaciteiten en mogelijkheden en tevens een bijdrage levert aan het behouden en bevorderen van hun arbeidsbekwaamheid.

Doelbereiking en maatschappelijk effect

Uit de realisatiecijfers van 2010 blijkt dat de problemen voortbestaan die aanleiding waren voor het instellen van de Commissie Fundamentele herbezinning Wsw, zoals lange wachtlijsten en het niet naar vermogen participeren van de doelgroep. Mede naar aanleiding van het advies van deze commissie heeft de regering besloten de Wsw mee te nemen in de hervormingen binnen de sociale zekerheid.

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

  • de mate waarin personen een beroep doen op de Wsw;

  • beschikbaarheid van aangepaste arbeid die bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van personen uit de doelgroep.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte indicatoren geformuleerd. Verwezen wordt naar de indicatoren bij de operationele doelstellingen die grotendeels overeenkomen met de algemene doelstelling.

Het kengetal in tabel 48.1 geeft aan in welke mate de algemene doelstelling wordt gerealiseerd.

Als het aantal personen dat een beroep doet op de Wsw toeneemt, in vergelijking tot de uitstroom uit het Wsw-werknemersbestand, zal dit resulteren in groeiende wachtlijsten. Daarmee ontstaat een daling van het aandeel van het aantal personen in het Wsw-werknemersbestand in verhouding tot de totale doelgroep. De realisatie 2010 laat overigens zien dat zowel het aantal Wsw-werknemers als het aantal Wsw’ers op de wachtlijst is gestegen. Deze en andere realisaties worden toegelicht bij tabel 48.4.

Tabel 48.1 Kengetal algemene doelstelling
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Aantal personen in Wsw werknemersbestand tegenover de totale doelgroep (%)

85

85

83*

Bron: Research voor Beleid, Wsw-monitor

* Voorlopig cijfer

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 48.2 Begrotingsuitgaven Artikel 48 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

2 300 849

2 417 603

2 511 991

2 578 336

2 377 143

2 515 440

– 138 297

Uitgaven

2 248 184

2 335 882

2 426 391

2 503 787

2 496 262

2 515 440

– 19 178

        

Programma uitgaven

2 247 081

2 334 551

2 425 209

2 502 838

2 495 192

2 514 365

– 19 173

        

Operationele Doelstelling 1

       

Wet Sociale Werkvoorziening

2 224 981

2 306 551

2 399 909

2 478 238

2 476 792

2 490 558

– 13 766

Uitvoeringskosten Wsw indicatiestelling

22 100

28 000

25 300

24 600

18 400

23 807

– 5 407

        

Apparaatsuitgaven

1 103

1 331

1 182

949

1 070

1 075

– 5

Personeel en materieel

1 103

1 331

1 182

949

1 070

1 075

– 5

        

Ontvangsten

473 895

473 108

488 720

509 690

528 372

510 100

18 272

Wet sociale werkvoorziening

Toelichting

De onderrealisatie van het Wsw-budget van € 13,8 mln kan als volgt worden verklaard:

  • Het budget voor de stimuleringsuitkering begeleid werken bedroeg in 2010 € 18 mln. Uit de verantwoordingsinformatie Wsw over 2009 met daarin de opgegeven gerealiseerde begeleid werkenplekken blijkt dat daarvan € 12 mln is uitgekeerd. Hierdoor is er dus € 6 mln minder uitgegeven dan begroot.

  • Van het budget dat in 2010 beschikbaar was voor de Wsw-pilotprojecten is € 6 mln overgeboekt naar het gemeentefonds. Via de decentralisatie-uitkering heeft BZK deze € 6 mln uitbetaald aan de deelnemende gemeenten. Verder heeft er bij het ministerie van SZW resterende budget voor de pilotprojecten onderrealisatie plaatsgevonden van ongeveer € 1,7 mln.

Uitvoeringskosten Wsw indicatiestelling

Verklaring voor de onderrealisatie bij de uitvoeringskosten indicatiestelling Wsw is het feit dat de geldigheidsduur voor (her)indicaties is versoepeld. Daardoor vonden in 2010 minder herindicaties plaats.

Ontvangsten

  • In 2010 is ca. € 10 mln terugontvangen als gevolg van de vaststelling van de Wsw-subsidie over het subsidiejaar 2008. De reden voor deze terugontvangsten is de onderrealisatie van Wsw-plaatsen.

  • Voor Wsw-werknemers met recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering draagt UWV de vrijvallende uitkeringen af aan SZW. In 2010 heeft UWV ca. € 518 mln aan anticumulatiebaten aan SZW afgedragen. Dit is € 8 mln meer dan begroot.

  • Het totaalbedrag aan overrealisatie komt hierdoor uit op € 18 mln.

1 Het realiseren van aangepaste arbeid voor personen met een Wsw-indicatie, waar mogelijk in een zo regulier mogelijke werkomgeving

Operationele doelstelling

Motivering

Om arbeidsgehandicapten die willen deelnemen aan het arbeidsproces de mogelijkheid van arbeidsparticipatie te bieden, wordt voor Wsw-geïndiceerden aangepaste arbeid gerealiseerd waar mogelijk in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving.

Doelbereiking

Zoals in tabel 48.4 is te zien wordt door een oplopende wachtlijst in mindere mate voldaan aan de doelstelling om voor Wsw-geïndiceerden aangepaste arbeid te realiseren. Daarentegen wordt door het aantal gerealiseerde detacheringen en begeleid werkplekken redelijk voldaan aan de doelstelling om aangepaste arbeid te realiseren in een zo regulier mogelijke omgeving.

Instrumenten en activiteiten

Zoals elk jaar is er subsidie verstrekt aan gemeenten voor het realiseren van Wsw-arbeidsplaatsen. Daarnaast zijn pilots Werken naar vermogen gestart:

  • Het creëren van werkplekken voor personen met een beperking bij reguliere werkgevers (pilot 1);

  • De omslag van bedrijven in de sociale werkvoorziening van productiegerichtheid naar gerichtheid op het ontwikkelen van arbeidsvaardigheden (pilot 2);

  • Betere dienstverlening op de werkpleinen (bemiddelen naar werk) voor mensen met een beperking (pilot 3);

  • Het toetsen van een nieuwe systematiek, waarbij het instrument loondispensatie centraal staat (pilot 4).

De eerste uitkomsten van de pilots worden verwacht in de loop van 2011. Deze uitkomsten zullen – waar mogelijk en relevant – worden meegenomen in de uitwerking van de Regeling Werken naar Vermogen.

Doelgroepen

Personen met een Wsw-indicatie (personen met lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen, die niet in staat zijn te re-integreren naar een reguliere arbeidsplaats en uitsluitend onder aangepaste omstandigheden regelmatige arbeid kunnen verrichten).

Realisatie meetbare gegevens

Het bereiken van de operationele doelstelling in 2010 wordt aan de hand van twee indicatoren weergegeven:

  • De eerste indicator toont de realisatie van Wsw-plaatsen in relatie tot het aantal waarvoor subsidie is toegekend (90 804 arbeidsjaren). Wsw-plaatsen worden uitgedrukt in arbeidsjaren, waarbij een arbeidsjaar overeen komt met 1 fte van een Wsw-werknemer ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie matig. Voor 1 fte van iemand ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie ernstig wordt 1,25 arbeidsjaar gerekend.

  • Uit tabel 48.3 blijkt dat het aantal Wsw-plaatsen waarvoor subsidie is verstrekt, iets meer dan volledig is gerealiseerd.

  • De tweede indicator geeft inzicht in het bereiken van de doelstelling van de Wsw, namelijk zoveel mogelijk werken in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving. De vorm begeleid werken is de meest reguliere vorm van werken voor de doelgroep. De stimuleringsuitkering begeleid werken beoogt een financiële prikkel te geven aan gemeenten om de doelstelling – zoveel mogelijk werken in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving – verder te stimuleren. In 2010 is het aandeel begeleid werken gelijk gebleven ten opzichte van 2009.

Tabel 48.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Realisatie van arbeidsplaatsen in relatie tot het aantal waarvoor subsidie is toegekend (%)

105

104

101*

100

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (jaargemiddelde in %)

4

5

5*

5

Bron: Research voor Beleid, Wsw-monitor

* Voorlopig cijfer

Kengetallen (zie ook toelichting doelbereiking):

  • Het werknemersbestand is in 2010 licht gestegen.

  • Het aantal personen op de wachtlijst is in 2010 wederom toegenomen.

  • De gemiddelde verblijfsduur op de wachtlijst is in 2010 toegenomen.

  • Het percentage detacheringen in 2010 is ten opzichte van 2009 gelijk gebleven.

Tabel 48.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Werknemersbestand (personen) (ultimostand)

102 168

102 173

102 959*

Wachtlijst (personen) (ultimostand)

17 753

18 710

21 664*

Gemiddelde verblijfsduur op de wachtlijst (maanden)

15,2

14,7

15,4*

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen

23

25

25*

Bron: Research voor Beleid, Wsw-monitor

* Voorlopig cijfer

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 48.5 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

   

Beleidsdoorlichting

Geen

   

Effecten onderzoek ex post

Geen

   

Overig evaluatieonderzoek

Geen

   

Artikel

49 Overige inkomensbescherming

Artikel

Zorgdragen voor adequate bescherming zonder activerende voorwaarden tegen de financiële risico’s bij inkomensverlies

Algemene doelstelling

Motivering

Om inkomensbescherming op minimumniveau te bieden. SZW creëert de voorwaarden voor de toekenning van een uitkering of toeslag en SVB en UWV zijn verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Mensen vanaf 65 jaar en nabestaanden ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) respectievelijk een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), gerelateerd aan het minimumloon.

Als een 65-plusser een AOW-uitkering ontvangt waarop een korting is toegepast in verband met niet-verzekerde jaren, kan deze een beroep doen op de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO, voormalig WWB 65+) ingeval het inkomen onder het sociaal minimum komt.

Zieke, arbeidsongeschikte en werkloze werknemers ontvangen een toeslag op grond van de Toeslagenwet tot het relevante sociaal minimum als de betrokkene daar met het gezinsinkomen onder blijft.

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling hangt van enkele externe factoren af:

  • Effectieve uitvoering van de wetten door de uitvoeringsorganisaties.

  • De mate van naleving van wet- en regelgeving door uitkeringsgerechtigden.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 49.1 Begrotingsuitgaven Artikel 49 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

372 308

335 281

367 111

386 214

638 552

635 735

2 817

Uitgaven

372 308

335 281

367 111

386 214

638 552

635 735

2 817

        

Programma uitgaven

371 593

334 516

366 255

385 403

636 710

634 023

2 687

        

Operationele Doelstelling 2

       

Uitkeringslasten AIO (WWB 65+)

0

0

0

0

205 231

210 368

– 5 137

Uitvoeringskosten AIO (WWB 65+)

0

0

0

2 500

12 585

15 400

– 2 815

        

Operationele Doelstelling 3

       

Toeslagenwet Uitkeringslasten

371 586

334 516

366 255

382 903

418 894

408 255

10 639

Toeslagenwet Uitvoeringskosten

7

0

0

0

0

0

0

        

Apparaatsuitgaven

715

765

856

811

1 842

1 712

130

Personeel en materieel

715

765

856

811

1 842

1 712

130

        

Ontvangsten

5 358

1 866

2 955

2 410

288

0

288

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO, voorheen WWB 65+)

Toelichting

De uitvoering van de algemene bijstand voor personen met een onvolledig AOW-pensioen is per 1 januari 2010 overgeheveld van de gemeenten naar de SVB. Met deze overheveling van de uitvoering is beoogd het niet-gebruik van de aanvullende bijstand onder ouderen terug te dringen.

AIO uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten van de regeling zijn binnen de begroting gebleven.

Toeslagenwet

De uitkeringslasten TW zijn in 2010 hoger dan geraamd. Dit komt voornamelijk door een toename van de gemiddelde daguitkering.

Tabel 49.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 49 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2006

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting 2010

verschil 2010

Uitgaven

25 945 038

27 084 400

28 297 062

30 094 970

31 029 216

31 008 178

21 038

        

Programma uitgaven

25 945 038

27 084 400

28 297 062

30 094 970

31 029 216

31 008 178

21 038

Operationele Doelstelling 1

       

ANW uitkeringslasten

1 321 785

1 264 523

1 203 536

1 147 398

1 064 744

1 058 832

5 912

ANW tegemoetkoming

15 319

21 399

21 560

22 671

20 953

20 988

– 35

ANW uitvoeringskosten

28 279

30 651

23 801

19 973

24 195

27 525

– 3 330

Operationele Doelstelling 2

       

AOW uitkeringslasten

24 168 966

25 198 000

26 446 126

27 580 144

28 617 668

28 211 514

406 154

AOW tegemoetkoming

299 341

438 606

483 094

1 217 152

1 177 722

1 148 643

29 079

AOW uitvoeringskosten

111 348

131 221

118 945

107 632

123 934

131 502

– 7 568

        

Nominaal

0

0

0

0

0

409 174

– 409 174

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Bron: SZW-berekeningen op basis van jaarverslag SVB

Algemene nabestaandenwet (Anw) uitkeringslasten

Toelichting

De uitkeringslasten laten een tegenvaller zien van ongeveer € 6 mln. Dit komt door een lager volume (€ 8 mln minder uitkeringslasten) en een stijging van de uitkeringslasten als gevolg van de indexering van de uitkering (€ 14 mln meer uitkeringslasten).

Anw uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten Anw zijn ten opzichte van de begroting lager uitgekomen, voornamelijk doordat kosten voor het project SVB10 zijn uitgesteld.

Algemene Ouderdomswet (AOW) uitkeringslasten en tegemoetkoming

De meeruitgaven bij de AOW uitkeringslasten komen voort uit de indexering van de uitkering. De uitgaven bij de AOW tegemoetkoming zijn ook hoger dan geraamd. In de begroting was rekening gehouden met een besparing op de tegemoetkoming door beperking van de export. Deze maatregel wordt echter pas in 2011 ingevoerd.

AOW uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten AOW zijn lager dan begroot, voornamelijk als gevolg van uitstel van kosten bij het project SVB10.

1 Zorgdragen dat een aanvulling tot inkomen op minimumniveau wordt verstrekt aan alleenstaande nabestaanden, wezen of halfwezen voor wie het niet mogelijk is om zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien.

Operationele doelstelling

Motivering

Om personen die geconfronteerd zijn met het overlijden van een partner of ouders en die vanwege leeftijd, de zorg voor een jong kind, of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) een eigen inkomen kunnen verwerven, te voorzien van een minimuminkomen.

Doelbereiking

Nabestaanden ontvangen een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering ter hoogte van 70% van het minimumloon. De nabestaande kan ook aanspraak maken op een halfwezenuikering van 20% van het minimumloon voor een halfwees van jonger dan 18 jaar die tot het huishouden behoort. Wezen kunnen aanspraak maken op een wezenuitkering. De wezenuitkering bedraagt een leeftijdsafhankelijk percentage van de nabestaandenuitkering. De halfwezen- en wezenuitkering zijn onafhankelijk van het inkomen. Naast de nabestaanden-, halfwezen-, of wezenuitkering ontvangen nabestaanden of wezen maandelijks een inkomensonafhankelijke tegemoetkoming. Deze tegemoetkoming bedroeg in 2010 € 16,78 per maand.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

  • Uitkeringen op grond van de Anw;

  • Bijdrage uitvoeringskosten aan de SVB.

Activiteiten SZW:

  • Onderhouden van beleid en wet- en regelgeving;

  • Aanpassen tweemaal per jaar van het niveau van uitkeringen aan minimumloonontwikkeling;

  • Aansturen van en toezicht houden op de SVB.

Activiteiten SVB:

  • Beoordelen van recht op een uitkering;

  • Verstrekken van uitkeringen;

  • Verwerken van mutatiemeldingen;

  • Handhaven van wet- en regelgeving.

Doelgroepen

Alleenstaande nabestaanden, verzorgers van halfwezen en wezen.

  • Het gebruik van prestatie-indicatoren heeft, naast het gebruik van kengetallen, geen toegevoegde waarde, omdat de Anw geen activerend karakter heeft. Er wordt dus niet gestuurd op in- en uitstroom.

  • De omvang van het Anw bestand neemt af zoals verwacht vanwege de aanpassing die in 1996 in de toetredingsvoorwaarden is aangebracht.

  • Voor de Anw zijn kengetallen ontwikkeld gericht op handhaving. De kengetallen geven ondermeer het niveau weer waarin gerechtigden de in de wet opgenomen informatieplicht ten aanzien van de leefsituatie en het inkomen naleven.

  • De SVB meet de bekendheid met regels voor samenwonen en inkomen door een telefonische enquête onder a-select gekozen klanten. Dit geeft een indicatief resultaat. Binnen een bandbreedte van circa 10% is er tussen twee jaren geen meetbaar verschil aan te duiden.

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 49.3 Kengetallen operationele doelstelling 1

Volume (x 1 000 uitkeringsjaren):

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Volume: Ingang recht voor 1 juli 19961

32

27

23

 

w.v. nabestaande + halfwezenuitkering

1

1

1

 

w.v. nabestaande uitkering

30

26

22

Volume: Ingang recht na 1 juli 19961

66

63

61

 

w.v. nabestaande + halfwezenuitkering

10

9

9

 

w.v. alleen nabestaandenuitkering

42

40

37

 

w.v. alleen halfwezenuitkering

14

14

14

Wezenuitkering1

1

1

1

Totaal volume uitkeringsjaren

99

92

85

Totaal aantal uitkeringsgerechtigden (x 1 000 personen)

119

111

102

    

Handhaving:

   

Nalevingsniveau melden samenwoning (%)2

98

98

99

Nalevingsniveau van opgave van inkomen uit arbeid (%)2

97

95

94

Bekendheid met regels samenwonen (%)1

85

92

85

Bekendheid met regels inkomen (%)1

93

95

94

Aantal onderzochte fraudesignalen1

961

1 117

967

Totaal schadebedrag fraude (x € 1 mln) 1

2,8

2,9

2,5

Incassoratio (%) 1

92

91

93

Bronnen:

1 SVB, Jaarverslag

2 SZW-berekeningen op basis van SVB-informatie

2 Zorgdragen dat een minimuminkomen wordt verstrekt aan personen van 65 jaar en ouder

Operationele doelstelling

Motivering

Om personen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt inkomensbescherming te bieden.

Doelbereiking

65-plussers ontvangen een uitkering gerelateerd aan het minimumloon (afhankelijk van leefsituatie 50%, 70% of 90%). Onder bepaalde voorwaarden wordt bij een (vanwege onvoldoende opbouw) gekort AOW-pensioen, aanvulling vanuit de algemene bijstand (AIO, voormalig WWB 65+) verstrekt. Naast de AOW-uitkering ontvangen rechthebbenden een maandelijkse inkomensonafhankelijke tegemoetkoming, die in 2010 bruto € 34,26 bedroeg.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

  • Ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW);

  • AOW-tegemoetkoming als aanvulling op de AOW;

  • AOW-toeslag ten behoeve van de partner jonger dan 65 jaar aan personen die een ouderdomspensioen op grond van de AOW ontvangen;

  • Aanvullende uitkering op grond van de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) indien een onvolledig AOW-pensioen wordt verstrekt in verband met niet-verzekerde jaren en indien geen toereikende middelen aanwezig zijn.

Activiteiten SZW:

  • Onderhouden van beleid en wet- en regelgeving;

  • Aanpassen tweemaal per jaar van het niveau van uitkeringen aan minimumloonontwikkeling;

  • Voorlichtingscampagne ten aanzien van de afschaffing van de AOW-partnertoeslag.

Activiteiten SVB:

  • Beoordelen van recht op een uitkering;

  • Verstrekken van uitkeringen;

  • Verwerken van mutatiemeldingen;

  • Handhaven van wet- en regelgeving;

  • Voorlichtingscampagne ten aanzien van de afschaffing van de AOW-partnertoeslag.

Doelgroepen

Personen van 65 jaar en ouder.

  • Het gebruik van prestatie-indicatoren heeft, naast het gebruik van kengetallen, geen toegevoegde waarde omdat de AOW en AIO geen activerend karakter hebben. Er wordt dus niet gestuurd op in- en uitstroom.

  • Het volume AOW-uitkeringen is, conform verwachtingen, in 2010 verder gestegen.

  • De bekendheid met het afschaffen van de partnertoeslag is het afgelopen jaar flink toegenomen, van 19% in 2009 naar 33% in 2010. Deze stijging hangt samen met het actieve voorlichtingsbeleid van SZW en SVB.

  • Op het terrein van handhaving vallen de relatief forse fluctuaties in de bekendheid met de regels ten aanzien van samenwonen en inkomen op. Daarbij dient aangetekend te worden dat deze kengetallen worden gebaseerd op een steekproef en zodoende een bandbreedte kennen. De mutaties van 2009 op 2010 vallen binnen deze bandbreedte en zijn zodoende niet significant.

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 49.4 Kengetallen operationele doelstelling 2

Variabelen zijn x 1 000 uitkeringsjaren, het volume is in aantal personen

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

70% uitkering (totaal)1

988

999

1 011

w.v. partner < 65 jaar1

3

2

1

50% uitkering (totaal)1

1 640

1 543

1 598

w.v. partner < 65 jaar1

386

246

254

Volume in aantal personen (x 1 000 personen)1

2 698

2 774

2 853

Volume aanvullende WWB > 65 jaar (x 1 000 personen)2

32

35

37

    

Korting op de AOW-uitkering in verband met niet-verzekerde jaren:

   

Personen met een onvolledige AOW (%)1

17

17

18

Gemiddeld kortingspercentage (%)1

49

49

48

Bekendheid afschaffen partnertoeslag (%)3

21

19

33

    

Handhaving:

   

Nalevingsniveau melden samenwoning (%)4

99

99

99

Bekendheid met regels samenwonen (%)4

80

82

75

Bekendheid met regels inkomen (%)1

81

74

79

Aantal onderzochte fraudesignalen1

3 338

3 794

3 918

Totaal schadebedrag fraude (x € 1 mln)1

2,4

0,7

0,4

Incassoratio (%)1

96

95

95

Bronnen:

1 SVB, Jaarverslag

2 CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek

3 Intomart Gfk, Onderzoeksrapport AOW-partnertoeslag

4 SZW-berekeningen op basis van SVB-informatie

3 Zorgdragen dat een aanvulling tot inkomen op minimumniveau wordt verstrekt aan zieke, arbeidsongeschikte en werkloze werknemers

Operationele doelstelling

Motivering

Personen die een uitkering op grond van de WW, ZW, WAO, Wet WIA, Wet Wajong, IOW, Wet arbeid en zorg, WAZ, WAMIL of loondoorbetaling in het tweede ziektejaar ontvangen, voorzien van een minimuminkomen.

Doelbereiking

Zieke, arbeidsongeschikte en werkloze werknemers ontvangen een toeslag op hun loondervingsuitkering of loondoorbetaling tot het minimumniveau als de betrokkene daar met zijn gezinsinkomen onder blijft.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

  • Toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW).

Activiteiten SZW:

  • Onderhouden van beleid en wet- en regelgeving;

  • Aanpassen tweemaal per jaar van het niveau van uitkeringen aan minimumloonontwikkeling;

  • Toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV.

Activiteiten UWV:

  • Beoordelen van recht op een uitkering;

  • Verstrekken van uitkeringen.

Wijziging in TW:

Met de Wet Wajong is geregeld dat met ingang van 1 januari 2010 geen recht op toeslag bestaat voor de Wajonggerechtigde die inkomensondersteuning ontvangt tijdens studie of scholing.

Doelgroepen

Personen die een loondervingsuitkering of loondoorbetaling ontvangen (volgens de definitie van de TW) en per dag een inkomen hebben dat lager is dan het relevante sociaal minimum.

  • Output en outcome zijn in beginsel wel meetbaar maar dit is in verhouding tot de uitgaven en/of administratieve lasten relatief kostbaar en tijdrovend. Er is daarom geen indicator opgenomen. Recht op een toeslag uit hoofde van de toeslagenwet is slechts aan de orde bovenop een ander uitkeringsrecht. Output en outcome wordt gemeten bij de regeling waar de TW op aanvult.

  • Het TW-volume wordt bepaald door volume-ontwikkelingen in de moederwetten. Het TW-volume is in 2010 toegenomen. De grootste invloed gaat hierbij uit van het aantal WW-uitkeringen, dat als gevolg van de economische crisis ook in 2010 is gestegen.

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 49.5 Kengetallen operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1 000 uitkeringsjaren)

168

175

182

Gemiddelde toeslag (x € 1)

2 177

2 132

2 302

    

Handhaving

   

Aantal geconstateerde overtredingen

2 931

3 214

3 941

Totaal schadebedrag (x € 1 mln)

6,8

8,4

9,3

Afdoeningspercentage

93,8

93,2

91,1

Bron: UWV, Jaarverslag

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 49.6 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

   

Beleidsdoorlichting

Beleidsdoorlichting artikel 49

AD

A. 2009

B. 2010

Kamerstukken II, 2009/2010, 30 982, nr. 6

Effecten onderzoek ex post

Geen

   

Overig evaluatieonderzoek

Geen

   

Toelichting

De beleidsdoorlichting artikel 49 is in 2010 naar de Tweede kamer verstuurd.

Artikel

50 Tegemoetkoming specifieke kosten

Artikel

Zorgdragen voor een tegemoetkoming in specifieke kosten alsmede maatschappelijke erkenning van het leed van asbestslachtoffers in werksituaties

Algemene doelstelling

Motivering

Om bepaalde personen een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor specifieke kosten of als maatschappelijke erkenning. SZW creëert de voorwaarden voor het toekennen van deze tegemoetkomingen en zorgt ervoor dat deze tegemoetkomingen door de SVB worden uitgekeerd.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Ouders en verzorgers met een thuiswonend ernstig gehandicapt kind van 3 tot 18 jaar hebben ook in 2010 een tegemoetkoming in de kosten ontvangen op grond van de regeling Tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG). De TOG is een blijk van waardering voor het thuis verzorgen van een gehandicapt kind met een AWBZ-indicatie van minstens 10 uur zorg per week.

Door middel van het verstrekken van een tegemoetkoming op grond van de TAS-regeling aan asbestslachtoffers, is ook in 2010 uiting gegeven aan de maatschappelijke betrokkenheid bij de slachtoffers. Het doel van de regeling is hiermee bereikt.

In voorbereiding op invoering van het wetsvoorstel Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (MKOB) heeft de SVB in 2010 reeds kosten gemaakt.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van de effectieve uitvoering van wet- en regelgeving door de SVB (Sociale Verzekeringsbank) en het IAS (Instituut Asbestslachtoffers).

Realisatie meetbare gegevens

Voor het recht op TOG is bepalend of een kind thuis woont en gehandicapt is. Deze voorwaarden worden op basis van GBA en medische indicatie getoetst. De aard van de regeling biedt geen aanknopingspunten voor een prestatie-indicator. De realisatie wordt voor het overige toegelicht bij de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 50.1 Begrotingsuitgaven Artikel 50 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

120 387

129 282

130 187

147 817

163 992

142 802

21 190

Uitgaven

120 387

129 316

130 187

147 817

163 992

142 802

21 190

        

Programma uitgaven

119 178

128 143

129 204

147 230

162 712

141 442

21 270

        

Operationele Doelstelling 1

       

TOG Uitkeringslasten

37 615

49 373

53 408

58 909

60 757

57 545

3 212

TOG Uitvoeringskosten

1 989

2 357

2 401

3 385

9 894

2 965

6 929

AKW Uitvoeringskosten

76 500

73 043

67 939

77 462

82 928

74 282

8 646

Kinderregelingen uitvoeringskosten

0

0

2 000

3 759

3 282

3 002

280

Operationele Doelstelling 2

       

TAS uitkeringslasten

2 398

2 525

2 448

2 836

3 520

2 735

785

TAS uitvoeringskosten

676

845

1 008

879

1 601

913

688

Operationele Doelstelling 3

       

MKOB Uitvoeringskosten

0

0

0

0

730

0

730

        

Apparaatsuitgaven

1 209

1 173

983

587

1 280

1 360

– 80

Personeel en materieel

1 209

1 173

983

587

1 280

1 360

– 80

        

Ontvangsten

16 214

6 018

12 695

828

13 734

13 000

734

Uitkeringslasten TOG

Toelichting

De uitkeringslasten van de TOG zijn hoger uitgekomen dan in 2009 en hoger dan verwacht. In 2010 is de indicatiestelling verscherpt. Het aantal (volledige) TOG-uitkeringen dat is uitbetaald in 2010 is ten opzichte van 2009 echter nog niet afgenomen. Doordat de indicatiestelling voor bestaande gerechtigden per 1 oktober 2010 is aangepast en de uitkering een kwartaal later wordt uitbetaald is het effect van deze maatregel in 2010 nog niet zichtbaar in de uitkeringslasten.

Uitvoeringskosten TOG

Dat de uitvoeringskosten TOG fors hoger zijn dan begroot, hangt samen met het in 2009 opnieuw bepalen van de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van de regelingen die de SVB uitvoert. Tevens heeft de nabetaling als gevolg van de eindafrekening 2009 bij de TOG in 2010 plaatsgevonden. Verder leidde de invoering van de gewijzigde indicatiestelling TOG eenmalig in 2010 tot extra uitvoeringskosten.

Uitvoeringskosten AKW

Door de nabetaling van de eindafrekening 2009 ad € 8,3 mln in 2010 zijn de uitvoeringskosten bij de AKW hoger uitgevallen dan begroot.

Uitvoeringskosten kinderregelingen

De uitvoeringskosten kinderregelingen zijn bijna gelijk aan de begrote uitvoeringskosten.

Uitkeringslasten TAS

Het aantal uitkeringen TAS is hoger uitgevallen dan verwacht. De regeling varieert van jaar tot jaar in omvang. Door de lange incubatieperiode van de ziekte maligne mesothelioom is het niet mogelijk een structurele trend vast te stellen.

Uitvoeringskosten TAS

De uitvoeringskosten TAS zijn hoger dan begroot door het in 2009 opnieuw bepalen van de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van de regelingen die de SVB uitvoert. Verder heeft de nabetaling bij de TAS over 2009 in 2010 plaatsgevonden.

Uitvoeringskosten MKOB

De uitvoeringskosten MKOB hebben betrekking op de kosten die zijn gemaakt in voorbereiding op de invoering van het wetsvoorstel Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen.

1 Zorgdragen dat een extra financiële tegemoetkoming in de kosten van thuiswonende gehandicapte kinderen wordt verstrekt aan ouders of verzorgers

Operationele doelstelling

Motivering

Om ouders of verzorgers van een thuiswonend gehandicapt kind meer financiële ruimte te bieden.

Doelbereiking

In 2010 zijn ruim 66 000 TOG-tegemoetkomingen verstrekt.

Instrumenten en activiteiten

Instrument:

  • Tegemoetkoming op grond van de TOG-regeling.

Activiteiten SZW:

  • Opstellen en onderhouden van beleid en regelgeving;

  • Bijdrage uitvoeringskosten aan de SVB.

Activiteiten SVB:

  • Beoordelen recht op TOG-tegemoetkomingen;

  • Verstrekken TOG-tegemoetkomingen;

  • Handhaven van wet- en regelgeving.

Doelgroepen

Ouders of verzorgers van gehandicapte kinderen van 3 tot 18 jaar.

Realisatie meetbare gegevens

Om het recht op TOG te bepalen wordt sinds 2010 gebruik gemaakt van een AWBZ-indicatie van minstens tien uur zorg per week. Voor nieuwe instroom geldt dit nieuwe criterium sinds 1 april 2010. Voor TOG-gerechtigden geldt het criterium sinds 1 oktober 2010. De nieuwe indicatiestelling in de TOG heeft nog niet tot een daling van het volume ten opzichte van 2009 geleid.

Tabel 50.2 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Volume

   

Aantal telkinderen TOG (x 1000)

56

62

66

Bron: SVB, Jaarverslag

2 Het zoveel mogelijk bij leven verstrekken van een eenmalige financiële tegemoetkoming in de immateriële schade aan werknemers, of huisgenoten van werknemers, met maligne mesothelioom door asbestblootstelling, die niet via de voormalige werkgever een schadevergoeding kunnen verkrijgen

Operationele doelstelling

Motivering

Om uiting te geven aan de maatschappelijke betrokkenheid bij het leed van asbestslachtoffers.

Doelbereiking

Door middel van het verstrekken van een tegemoetkoming op grond van de TAS-regeling aan asbestslachtoffers, wordt uiting gegeven aan de maatschappelijke betrokkenheid bij de slachtoffers en wordt het doel van de regeling bereikt.

  • Tegemoetkoming op grond van de TAS-regeling.

Instrumenten en activiteiten

  • (Ex-)werknemers met maligne mesothelioom, die veroorzaakt is door asbestblootstelling in het werk, die via de (voormalige) werkgever geen schadevergoeding kunnen krijgen.

  • Huisgenoten van werknemers die met asbest hebben gewerkt en die zelf maligne mesothelioom hebben gekregen.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Het aantal voorschotten is afhankelijk van het aantal goedgekeurde aanvragen voor schadevergoeding van (voormalige) werknemers met de ziekte maligne mesothelioom. De laatste jaren is er een lichte stijging van het aantal voorschotten waarneembaar. Door de lange incubatieperiode van maligne mesothelioom is het niet mogelijk een structurele trend vast te stellen.

Tabel 50.3 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Toekenningen voorschot

305

319

347

Toekenningen eenmalige uitkering

0

0

0

Aantal terugontvangen TAS voorschotten

185

150

171

Toekenningen bij leven t.o.v. totaal aantal toekenningen (%)

82

83

86

Bron: SVB, Jaarverslag

3 De mogelijkheid bieden om een koopkrachttegemoetkoming aan oudere belastingplichtigen toe te kennen ter compensatie van binnenlands koopkrachtsverlies als gevolg van beleidsmaatregelen

Operationele doelstelling

Motivering

Om oudere belastingplichtigen die koopkrachtvermindering ondervinden als gevolg van beleidsmaatregelen een compensatie te bieden.

Doelbereiking

Niet van toepassing. In 2010 was de wet nog niet van kracht.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

  • Beoogde wetgeving.

Activiteiten SZW:

  • Voorbereiding wetsvoorstel.

Activiteiten SVB:

  • Voorbereiding MKOB.

Doelgroepen

Oudere belastingplichtigen en in het buitenland woonachtige ouderen die na toepassing van verdragen ter voorkoming van dubbele belasting over ten minste 90% van hun wereldinkomen Nederlandse inkomsten- en loonbelasting moeten afdragen.

Realisatie meetbare gegevens

In 2010 was de wet nog niet van kracht. Derhalve bestaan voor dit jaar geen kengetallen.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 50.4 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

   

Beleidsdoorlichting

Geen

   

Effecten onderzoek ex post

Geen

   

Overig evaluatieonderzoek

Geen

   

Artikel

51 Rijksbijdragen aan sociale fondsen

Artikel

Borgen van voldoende dekking in sociale fondsen en spaarfonds AOW

Algemene doelstelling

  • Om tekorten in de fondsen van de volksverzekeringen te dekken;

  • Om tekorten in de fondsen van sociale verzekeringen te voorkomen indien premieheffing niet wenselijk of onmogelijk is;

  • Om er mede voor te zorgen dat er bij het Ouderdomsfonds vanaf 2020, ondanks de vergrijzing, geen tekorten optreden.

Motivering

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2010 is de dekking in de sociale fondsen en het spaarfonds AOW geborgd. De algemene doelstelling is gehaald.

Externe factoren

In dit artikel wordt de algemene doelstelling behaald door middel van in de wet vastgelegde instrumenten. Er zijn daarom geen externe factoren die van invloed zijn op het behalen van de doelstelling.

Realisatie meetbare gegevens

Output en outcome zijn niet te vatten in zinvolle indicatoren of kengetallen. Wanneer de budgettaire overheveling van begroting naar fondsen is geschied, is het beoogde effect gerealiseerd. De vermogenspositie van de fondsen is dan verbeterd in de mate die was beoogd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 51.1 Begrotingsuitgaven Artikel 51 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

10 404 301

12 022 106

10 135 147

14 561 020

15 978 908

13 787 858

2 191 050

Uitgaven

10 404 301

12 022 106

10 135 147

14 561 020

15 978 908

13 787 858

2 191 050

        

Programma uitgaven

10 403 417

12 021 256

10 134 356

14 560 353

15 978 291

13 787 196

2 191 095

        

Operationele Doelstelling 1

       

Rijksbijdrage in kosten heffingskortingen AOW (BIKK AOW)

2 612 600

2 921 800

2 995 300

3 086 400

3 090 200

3 072 200

18 000

Rijksbijdrage in kosten heffingskortingen Anw (BIKK Anw)

180 700

210 900

39 900

45 500

47 700

47 500

200

Rijksbijdrage Vermogenstekort Ouderdomsfonds

4 432 500

5 457 100

3 490 600

6 662 100

8 012 400

5 861 300

2 151 100

Premiebijdragen gemoedsbezwaarden

3 947

20

1

0

0

0

0

Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

4 004

500

955

286 459

281 130

280 360

770

Rijksbijdrage tegemoetkoming AOW-gerechtigden

295 183

437 119

482 086

1 213 152

1 170 082

1 148 643

21 439

Rijksbijdrage tegemoetkoming Anw-gerechtigden

15 668

21 557

21 652

22 401

20 685

20 988

– 303

Rijksbijdrage Spaarfonds AOW

2 858 815

2 972 260

3 085 705

3 199 151

3 312 596

3 312 596

0

Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen

0

0

18 157

45 190

43 498

43 609

– 111

        

Apparaatsuitgaven

884

850

791

667

617

662

– 45

Personeel en materieel

884

850

791

667

617

662

– 45

        

Ontvangsten

10 900

580

0

1 955

1 000

0

1 000

Rijksbijdragen in de kosten heffingskortingen AOW en Anw

Toelichting

De bijdragen in de kosten van heffingskortingen (BIKK) compenseren de fondsen voor de lagere premieopbrengst als gevolg van de in de Wet inkomstenbelasting 2001 ingevoerde heffingskortingen.

De kosten van de heffingskortingen die in 2010 aan het ouderdomsfonds en het nabestaandenfonds worden toegerekend, zijn respectievelijk € 18 mln en € 0,2 mln hoger vastgesteld dan bij de begroting geraamd werd. Dit is het gevolg van een grotere (budgettaire) omvang van de kortingen.

Rijksbijdrage Vermogenstekort Ouderdomsfonds

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden grotendeels gedekt door premie-inkomsten. De Rijksbijdrage Vermogenstekort Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het ouderdomsfonds aan te vullen zodat er een neutrale kaspositie voor het fonds bestaat. De rijksbijdrage is in 2010 vastgesteld op € 8,0 mld. Dit is aanmerkelijk hoger dan begroot (€ 5,9 mld). Dit wordt verklaard door het feit dat er in 2010 een extra afrekening van eerdere jaren heeft plaatsgevonden. In 2008 was een vertraging in de afrekening van de totale belasting- en premieopbrengst uit eerdere jaren opgetreden (vergelijk de lage rijksbijdrage in dat jaar). In 2010 is de vertraging gedeeltelijk ingelopen, wat heeft geleid tot een extra heffing ten laste van het ouderdomsfonds. Hierdoor was een hogere rijksbijdrage benodigd om het vermogenstekort te neutraliseren.

Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) kent sinds 2009 onder meer een jaarlijkse tegemoetkoming aan personen die ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn en een uitkering ontvangen van UWV (in plaats van de fiscale aftrek van buitengewone uitgaven). De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. De realisatie in 2010 komt nagenoeg overeen met de raming ten tijde van de begroting. De tegemoetkomingen voor Wajonggerechtigden worden verantwoord op artikel 46.

Rijksbijdragen tegemoetkomingen AOW- en Anw-gerechtigden

Deze rijksbijdragen zijn ter financiering van de in artikel 49 verantwoorde tegemoetkomingen voor AOW- en Anw-gerechtigden. De rijksbijdrage ter financiering van de AOW-tegemoetkoming is € 21,4 mln hoger vastgesteld dan bij begroting. In de begroting was rekening gehouden met een besparing op de tegemoetkoming door het beperken van de export van de tegemoetkoming. Deze maatregel wordt echter pas in 2011 ingevoerd.

Rijksbijdrage Spaarfonds AOW

Voor wat betreft een toelichting op de inkomsten en uitgaven uit het Spaarfonds AOW wordt verwezen naar het Jaarverslag Spaarfonds AOW 2010. Overigens heeft het kabinet in 2010 besloten tot opheffing van het Spaarfonds AOW.

Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen

Deze regeling voorziet sinds juni 2008 in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling. De regeling wordt gefinancierd uit een rijksbijdrage. De realisatie in 2010 komt nagenoeg overeen met de raming ten tijde van de begroting.

1 Het medebekostigen van de sociale verzekeringen uit de schatkist ter dekking of voorkoming van tekorten in de fondsen

Operationele doelstelling

  • Om tekorten in de fondsen van de volksverzekeringen te dekken of tekorten in de fondsen van sociale verzekeringen te voorkomen indien premieheffing niet wenselijk of onmogelijk is.

  • Om er mede voor te zorgen dat er bij het Ouderdomsfonds vanaf 2020, ondanks de vergrijzing, geen tekorten optreden.

Motivering

Doelbereiking

De doelstelling is behaald door middel van in de wet vastgelegde instrumenten.

Instrumenten en activiteiten

In de wet vastgelegde instrumenten:

  • Bijdrage in kosten van heffingskortingen (BIKK) voor de AOW en de Anw;

  • Rijksbijdrage Vermogenstekort Ouderdomsfonds;

  • Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten;

  • Rijksbijdrage tegemoetkoming AOW-ers en Anw-ers;

  • Rijksbijdrage Spaarfonds AOW;

  • Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen.

Doelgroepen

De sociale fondsen en het Spaarfonds AOW.

Realisatie meetbare gegevens

Dit begrotingsartikel ziet toe op de overheveling van middelen vanuit de schatkist naar enkele fondsen. Er is geen sprake van beleid.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 51.2 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

   

Beleidsdoorlichting

Geen

   

Effecten onderzoek ex post

Geen

   

Overig evaluatieonderzoek

Geen

   

Toelichting

Er is binnen dit begrotingsartikel geen aanleiding voor onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid.

5. NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel

97 Aflopende regelingen

Artikel

Voor de financiële afwikkeling en verantwoording van een aantal afgesloten regelingen is in de begroting een aparte voorziening getroffen. Het gaat hier uitsluitend om nadeclaraties of vergoedingen van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 97.1 Begrotingsuitgaven Artikel 97 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2006

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting 2010

verschil 2010

Verplichtingen

31 064

10 282

2 447

431

132

9

123

Uitgaven

31 181

8 854

2 678

1 033

433

191

242

        

Programma uitgaven

31 163

8 731

2 615

1 006

433

191

242

Operationele Doelstelling 1

       

Afgesloten Regelingen

30 946

8 431

2 384

774

75

0

75

Regeling Ex-Mijnwerkers

182

182

182

182

182

182

0

Ondersteuning vorming BVG’en

23

118

49

50

176

9

167

Overig afwikkeling SUWI

12

0

0

0

0

0

0

        

Apparaatsuitgaven

18

123

63

27

0

0

0

Personeel en materieel

18

18

18

27

0

0

0

Agentschap SZW

0

105

45

0

0

0

0

        

Ontvangsten

1 302

9 254

1 756

8 811

5 786

0

5 786

Financiële afwikkeling afgesloten regelingen

Toelichting

Een aantal wetten en regelingen is financieel afgewikkeld. Er vinden nog wel nabetalingen plaats. Het gaat dan uitsluitend om nadeclaraties of vergoedingen van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden. De uitgaven 2010 hebben betrekking op afrekeningen Regeling schoonmaakkosten Particulieren.

Regelingen ex-mijnwerkers

De Regeling vervroegde uittreding ex-mijnwerkers en de Silicoseregeling mijnwerkers zijn financieel afgewikkeld. Hier worden dan ook uitsluitend nabetalingen verantwoord. De uitgaven 2010 hebben betrekking op de Rijksbijdrage aan het Mijnwerkersfonds (€ 0,182 mln).

Ondersteuning vorming Bedrijfsverzamelgebouwen (BVG-en)

De tijdelijke stimuleringsregeling bedrijfsverzamelgebouwen bestaat uit twee subsidies, een startsubsidie en een vervolgsubsidie. De vaststelling van de startsubsidie en de verlening van de vervolgsubsidie zijn in 2004 afgerond. De vaststelling van de vervolgsubsidie, na opening van het bedrijfsverzamelgebouw, wordt tot en met het jaar 2011 voorzien. De regeling wordt uitgevoerd door het Agentschap SZW.

Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten 2010 hebben voor € 5,0 mln betrekking op afrekeningen van subsidieregelingen ESF 1994–1999. Het restant betreft restituties op een aantal van de overige afgesloten regelingen.

Artikel

98 Algemeen

Artikel

Op dit artikel worden de niet naar beleidsartikelen toe te rekenen posten Handhaving, Onderzoek en beleidsinformatie, Subsidies, Verzameluitkering SZW en Overig toegelicht. Verder worden de apparaatsuitgaven toegelicht die niet direct kunnen worden toegerekend aan één van de andere beleidsartikelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 98.1 Begrotingsuitgaven Artikel 98 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2006

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting 2010

verschil 2010

Verplichtingen

197 648

194 880

185 081

187 395

185 818

192 410

– 6 592

Uitgaven

189 094

187 634

183 895

188 357

184 544

192 440

– 7 896

        

Programma uitgaven

23 399

15 893

13 770

17 652

20 177

20 711

– 534

Operationele Doelstelling 1

       

Handhaving

7 722

2 124

1 941

1 299

1 405

3 707

– 2 302

Onderzoek & Beleidsinformatie

7 961

6 765

4 795

4 463

5 442

6 838

– 1 396

Subsidies

261

110

1

355

689

1 351

– 662

Verzameluitkering SZW

0

0

0

3 165

3 589

1 540

2 049

Overig

7 455

6 894

7 033

8 370

9 052

7 275

1 777

        

Apparaatsuitgaven

165 695

171 741

170 125

170 705

164 367

171 729

– 7 362

Automatisering

19 304

24 288

25 992

16 691

22 877

16 845

6 032

Huisvesting

28 570

31 222

29 616

30 894

37 229

31 157

6 072

Personeel en materieel

93 068

90 941

93 433

100 790

92 893

105 357

– 12 464

Bijdrage aan IWI

24 753

25 290

21 084

22 330

11 368

18 370

– 7 002

        

Ontvangsten

13 031

12 396

12 121

8 720

7 017

5 496

1 521

Programma-uitgaven artikel 98

Toelichting

De programma-uitgaven op dit artikel zijn Handhaving, Onderzoek en beleidsinformatie, Subsidies en Overig. Delen van deze beleidsuitgaven kunnen worden toegerekend naar beleidsartikelen en zullen daar worden verantwoord. Indien van toepassing zal voor het behoud van een totaaloverzicht per uitgavencategorie inzicht worden gegeven in de totale omvang van de budgetten.

Handhaving

Van het handhavingsbudget is gedurende de begrotingsuitvoering circa € 2 mln overgeboekt naar andere handhavingsbudgetten, apparaat, voorlichting en andere budgetten voor noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van het handhavingsprogramma. De resterende onderuitputting (circa € 0,3 mln) betreft afwijkingen op enkele handhavingsprojecten.

Onderzoek en beleidsinformatie

De uitgaven ten laste van het onderzoekbudget op artikel 98 zijn € 1,4 mln lager dan geraamd. Een aantal onderzoeken heeft vertraging opgelopen dan wel is niet uitgevooerd.

Subsidies

Op het subsidiebudget is vooral als gevolg van overboekingen naar de beleidsartikelen € 0,7 mln minder uitgegeven dan geraamd.

Verzameluitkering SZW

De gerealiseerde uitgaven aan de verzameluitkering SZW zijn € 2,1 mln hoger dan geraamd. De hogere uitgaven hebben betrekking op handhavingsmiddelen waarvan oorspronkelijk beoogd was deze door middel van een subsidie aan de gemeenten ter beschikking te stellen. Uiteindelijk is gekozen deze middelen onder te brengen in de Verzameluitkering SZW.

Overig/voorlichting

In de loop van het jaar is een aantal extra voorlichtingsactiviteiten (Wsw pilots, AOW partnertoeslag, inlenersaansprakelijkheid en de campagne «voorkom problemen, weet hoe het zit») ondernomen.

Apparaatuitgaven (exclusief IWI en AG SZW)

De apparaatuitgaven op artikel 98 bestaan uit personeel, materieel, huisvesting en automatisering. Totaal is € 0,4 mln meer uitgegeven dan oorspronkelijk geraamd. Wel heeft er een verschuiving plaatsgevonden tussen enerzijds personeel en materieel en anderzijds huisvesting en automatisering in verband met extra investeringen op het terrein van automatisering en een wijziging in de verantwoording van een aantal huisvesting gebonden budgetten.

Bijdrage aan IWI

De bijdrage is als gevolg van verrekeningen met het moederdepartement (invulling efficiencytaakstelling en de overgang van personeel van IWI naar het departement) lager dan geraamd.

Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten zijn € 1,5 mln hoger dan geraamd. Het betreft de som van een groot aantal diverse ontvangsten van relatief geringe omvang.

98.1 Apparaatsuitgaven

In tabel 98.2 wordt van de totale apparaat- en algemene programma-uitgaven een verdeling over alle artikelen gegeven. Het betreft zowel uitgaven die op artikel 98 worden verantwoord omdat zij niet aan beleidsartikelen kunnen worden toebedeeld, als uitgaven die in de beleidsartikelen worden verantwoord. Vervolgens worden enkele uitgavencategorieën toegelicht.

Tabel 98.2 Totaaloverzicht gerealiseerde apparaat- en algemene programma-uitgaven 2010 ( x € 1 000)
  

Apparaatsuitgaven

Programma-uitgaven

  

Personeel & Materieel

Overig*

Primair Proces

Onderzoek

Voorlichting

Subsidies

Handhaving

41

Inkomensbeleid

1 050

 

38

243

 

40

 

42

Arbeidsparticipatie

20 858

  

752

1 336

970

 

43

Arbeidsverhoudingen

16 664

 

1 424

424

263

515

175

44

Gezond en Veilig Werken

39 915

 

6 397

789

1 775

10 101

269

45

Pensioenbeleid

1 771

  

655

 

72

 

46

Inkomensbescherming met activering

9 121

  

704

105

 

7 334

47

Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie

4 855

  

857

2 762

2 090

 

48

Sociale werkvoorziening

1 069

      

49

Overige inkomensbescherming

1 842

      

50

Tegemoetkomingen specifieke kosten

1 280

      

51

Rijksbijdragen aan sociale fondsen

617

      

97

Aflopende regelingen

     

182

 

98

Algemeen

92 893

71 474

1 892

5 442

7 160

689

1 405

99

Nominaal en onvoorzien

       
 

Totaal gerealiseerde uitgaven 2010

191 935

71 474

9 751

9 866

13 401

14 659

9 183

 

Vastgestelde Begroting 2010

205 203

66 372

8 949

12 558

8 596

27 061

12 441

 

Verschil 2010

– 13 268

5 102

802

– 2 692

4 805

– 12 402

– 3 258

Bron: SZW administratie

* Dit betreft Huisvesting (€ 37 229), Automatisering (€ 22 877) en Bijdrage moederdepartement (€ 11 368).

Tabel 98.3 Formatie en bezettingsontwikkeling ( fte)
 

2006

2007

2008

2009

2010

Formatie totaal SZW ultimo

2 963

2 894

2 794

2 659

2 500

waarvan batenlastendiensten

355

352

325

311

267

      

Bezetting ultimo

2 922

2 758

2 582

2 470

2 398

Bezetting gemiddeld

2 955

2 825

2 670

2 526

2 434

      

Vacatures ultimo (aantal)

41

136

212

189

102

Bron: SZW-administratie

Toelichting

Aan het eind van 2010 bestond de formatie inclusief de baten-lastendiensten uit 2 500 formatieplaatsen (fte). Dat is 159 lager dan de formatie van 2009. De formatie is afgenomen als gevolg van de doorwerking van de taakstelling. De bezetting per 31 december 2010 bedroeg 2 398 fte. Ten opzichte van 31 december 2009 is de bezetting gedaald met 72 fte.

Tabel 98.4 Realisaties personeel materieel, huisvesting en automatisering (x € 1 mln)
 

2006

2007

2008

2009

2010

Personeel (excl IWI en AG SZW)

159

158

158,6

161,0

161,2

Materieel

37,2

31,8

31,8

33,8

30,7

Huisvesting

28,6

31,2

29,6

30,9

37,3

Automatisering

19,3

24,3

26,0

16,7

22,9

Bijdrage moederdepartement aan IWI

24,8

25,3

21,1

22,3

11,4

      

Gemiddelde realisatie per fte (x € 1 000)

     

Personeel

53,8

55,9

59,4

63,7

66,2

Materieel

12,6

11,3

11,9

13,4

12,6

Huisvesting

9,7

11,0

11,1

12,2

15,3

Automatisering

6,5

8,6

9,7

6,6

9,4

Bron: SZW-administratie

Toelichting

In 2010 is € 161,2 mln uitgegeven aan personeelskosten. Dit is inclusief € 2,8 mln aan post-actieven, € 4,2 mln aan inhuur van personeel ten laste van de personeelsbudgetten en € 1,5 mln aan flankerend beleid. De bedragen zijn exclusief de baten-lastendiensten IWI en Agentschap SZW.

98.2 Programma-uitgaven

Handhaving

In 2010 bedroeg het totale budget voor handhaving € 12,4 mln, verdeeld over de artikelen 43 Arbeidsverhoudingen, 44 Gezond en veilig werken, 46 Inkomensbescherming met activering en 98 Algemeen. De realisatie op het totale handhavingsbudget bedroeg uiteindelijk circa € 9,2 mln. Het verschil heeft twee oorzaken. Ten eerste is het beleidsbudget tussentijds verlaagd als gevolg van overboekingen naar apparaat, voorlichting en onderzoek voor noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van het handhavingsprogramma. Daarnaast was er sprake van onderuitputting omdat projecten vertraging hebben opgelopen dan wel niet zijn uitgevoerd.

Voorlichting

In de loop van het jaar is een aantal extra voorlichtingsactiviteiten (jeugdwerkloosheid, Taskforce deeltijd plus, arbo portaal, Wsw pilots, AOW-partnertoeslag, inlenersaansprakelijkheid en de campagne «voorkom problemen, weet hoe het zit») ondernomen.

De totale voorlichtingsuitgaven 2010 bedroegen € 13,4 mln. Naast de uitgaven bibliotheek, documentatie, etc. beloopt het totale bedrag dat aan voorlichtingscampagnes is uitgegeven circa € 12,8 mln. De onderverdeling over de beleidsterreinen is opgenomen in tabel 98.5

Tabel 98.5 Uitgaven voorlichtingscampagnes naar beleidsterrein (x € 1 000)
 

Realisatie 2010

Arbeidsparticipatie

1 336

Arbeidsverhoudingen

208

Arbeidsomstandigheden

1 775

Schuldhulpverlening

105

Re-integratie

2 762

Overig (dienstverlening aan huis, Wav en overig)

6 581

Bron: SZW-administratie

Publieksinformatie

In 2010 zijn de volgende aantallen vragen door de afdeling publieksinformatie afgehandeld:

  • 9 414 e-mails via vooral het Algemeen loket, de site van de arbeidsinspectie, diverse andere loketten en postbus 51;

  • 1 515 brieven van burgers;

  • 7 490 telefonische vragen op het gratis telefoonnummer 0800–9051.

Tabel 98.6 Verdeling van de gestelde vragen over de beleidsonderdelen SZW (%)
 

Realisatie 2010

Arbeidsmarkt

14%

Arbeidsomstandigheden

18%

Arbeidsverhoudingen

36%

Arbeidsongeschiktheid

7%

Werkloosheid

5%

Overig SV

6%

Werk en Bijstand

14%

Bron: SZW-administratie

Onderzoek en beleidsinformatie

Het totale onderzoeksbudget 2010 bedroeg € 12,6 mln. De gerealiseerde uitgaven 2010 zijn uitgekomen op € 9,9 mln. De gerealiseerde onderuitputting is ontstaan omdat projecten vertraging hebben opgelopen dan wel niet zijn uitgevoerd.

Subsidies

Een totaaloverzicht van alle SZW subsidiemiddelen is opgenomen in bijlage 4 Subsidies.

98.3 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (SIOD)

De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) is de bijzondere opsporingsdienst (BOD) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hij is opgericht om de strafrechtelijke handhaving van de wet- en regelgeving op het terrein van werk en inkomen op te pakken. De aanpak is repressief met een beoogd preventief effect. De SIOD spoort feitelijk fraude op over de volle breedte van het SZW-beleidsterrein, van georganiseerde uitkeringsfraude tot georganiseerde illegale tewerkstelling en uitbuiting en fraude met re-integratiesubsidies. Naast fraude op het terrein van het ministerie van SZW spoort de SIOD ook fraude op ten behoeve van andere departementen, bijvoorbeeld fraude met de APPA-regeling voor het ministerie van BZK en incidenteel op verzoek van het Functioneel Parket fraude met persoonsgebonden budgetten (ministerie van VWS). Daarnaast voert de SIOD incidenteel verkennende onderzoeken uit voor andere departementen.

De SIOD maakt onderdeel uit van de vorming van één inspectie voor SZW, waarin de Arbeidsinspectie, de SIOD en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) worden samengevoegd.

De SIOD heeft in 2010 40 opsporingsonderzoeken afgerond. Bij deze opsporingsonderzoeken waren 109 verdachte natuurlijke personen betrokken en 15 verdachte rechtspersonen.

De digitale recherche van de SIOD heeft in 2010 in totaal 73 onderzoeken of projecten van de SIOD en andere partijen ondersteund. 52 onderzoeken waren ten behoeve van de SIOD intern en 21 ten behoeve van externe partijen. Zo zijn er 12 onderzoeken van de Arbeidsinspectie ondersteund, 2 onderzoeken van sociale recherches van gemeenten, 2 van de Rijksrecherche, 1 onderzoek van de FIOD, 2 onderzoeken van de Algemene Inspectiedienst, 1 onderzoek van de Zorg Autoriteit en 1 onderzoek van de Inspectie Volksgezondheid.

De criminaliteitsanalisten van de SIOD hebben in 2010 voor de eigen recherche 80 analyses uitgevoerd. Daarnaast zijn 28 analyserapporten verstrekt aan de Interventieteams, en 1 aan een individuele gemeente, waardoor controles van de betrokken partijen effectiever worden. Tenslotte zijn diverse criminaliteitsbeeldanalyses uitgevoerd, er is een risicomodel arbeidsuitbuiting ontwikkeld en er is een onderzoek uitgevoerd naar de oorzaken van de fraudeduur in de bijstand.

Het informatieknooppunt SZW (IKP) veredelt en verdeelt (mogelijke) fraudemeldingen. In 2010 kwamen er 1900 fraudemeldingen binnen bij het IKP. De meeste IKP meldingen leiden tot signalen aan de uitvoeringsorganisaties in de keten van Werk en Inkomen.

De SIOD kan op verzoek van gemeenten alle strafrechtelijke onderzoeken verrichten binnen het domein van werk en inkomen. De SIOD heeft in 2010 31 opsporingsonderzoeken uitgevoerd voor de gemeente Arnhem en 9 voor het gemeentelijk samenwerkingsverband Drechtsteden.

Ook in 2010 is er naast een aantal uitkeringsfraude onderzoeken en een aantal onderzoeken op het terrein van georganiseerde illegale tewerkstelling ook een aantal bijzondere onderzoeken gedraaid, bijvoorbeeld een onderzoek naar psychiaters die mensen ten onrechte afkeurden en aan Persoons Gebonden Budgetten en uitkeringen hielpen, een omvangrijke fraudezaak met de kennismigrantenregeling waardoor mensen zich ten onrechte de Nederlandse nationaliteit eigen maakten, een zaak waarbij naast mensensmokkel en valsheid in geschrift, schijnhuwelijken plaatsvonden, waardoor Pakistaanse en Afghaanse mannen een langdurige verblijfsvergunning verkregen, diverse mensenhandel/arbeidsuitbuitingszaken, waaronder een grootschalig onderzoek naar uitbuiting in de tuinbouw. Bij deze uitbuitingszaken ging het zowel om Oost-Europese als om Aziatische werknemers.

98.4 Arbeidsinspectie (AI)

De Arbeidsinspectie maakt onderdeel uit van de vorming van één inspectie voor SZW, waarin de Arbeidsinspectie, de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) worden samengevoegd.

De Arbeidsinspectie ziet toe op naleving van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet), de Arbeidstijdenwet (ATW), de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV), de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) en het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO) en een aantal andere wetten en aspecten van sociale wet- en regelgeving. De Arbeidsinspectie draagt door dit toezicht bij aan veilige en gezonde arbeidsomstandigheden, het bestrijden van illegale tewerkstelling en het ontduiken van het wettelijke minimumloon. In de aanpak ligt de prioriteit bij het opsporen en wegnemen van ernstige overtredingen.

Een gedetailleerd verslag van activiteiten en uitkomsten van het toezicht door de Arbeidsinspectie wordt gegeven in het Jaarverslag Arbeidsinspectie 2010 dat gelijktijdig met het SZW-jaarverslag verschijnt; zie www.arbeidsinspectie.nl.

Resultaten ten opzichte van kengetallen en indicatoren in de begroting van 2010

Het kengetal in de begroting 2010 in verband met de toezichtsinspanning op het terrein van arbeidsomstandigheden en arbeidstijden is 20 000 actieve inspecties. In het definitieve jaarplan 2010 van de Arbeidsinspectie was dat verlaagd naar 18 500. In 2010 zijn er 18 541 actieve inspectietrajecten gerealiseerd op deze terreinen. In 61% van die trajecten is handhavend opgetreden. Actieve inspecties zijn inspecties op eigen initiatief van de Arbeidsinspectie en zijn doorgaans niet bij het bedrijf aangekondigd, ze kunnen meerdere inspectiebezoeken bij één bedrijf betreffen. In 2010 zijn totaal 2 111 ongevallen onderzocht en er zijn 1 189 ongevalsonderzoeken afgehandeld met hantering van een handhavingsinstrument. In 2010 zijn 1 263 klachten onderzocht, waarvan er 785 zijn afgehandeld met hantering van een handhavingsinstrument.

De indicator van effectiviteit van het interventiebeleid en van nalevingsbereidheid op het terrein van arbeidsomstandigheden in de begroting voor 2010 was dat bij een hercontrole minstens 95% moet voldoen aan de Arbowet. In 2010 voldeed bij hercontrole 98% van de onderzochte bedrijven aan de Arbowet.

De indicator op het terrein van naleving van het Besluit Risico’s Zware Ongevallen en de ARIE-regeling is in de begroting 2010 drie meldingen van majeure incidenten aan de EU; feitelijk was er in 2010 één melding van een dergelijk incident aan de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) voor doormelding aan de EU.

Bij het toezicht ter voorkoming van zware ongevallen bij bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen heeft de Arbeidsinspectie conform planning in totaal 508 trajecten uitgevoerd. Het betreft vooral systeeminspecties samen met gemeenten, provincies en waterschappen en de brandweer op de kwaliteit van de veiligheidsbeheerssystemen van risicovolle processen.

De indicator voor de omvang van de problematiek van illegale tewerkstelling in Nederland is het percentage bedrijven waarbij illegale tewerkstelling wordt vastgesteld ten opzichte van het aantal gecontroleerde bedrijven. Dat was in 2010 vergelijkbaar met eerdere jaren in 18% van de gecontroleerde bedrijven.

Verder bevat de begroting 2010 kengetallen voor de toezichtsinspanning op naleving van de WML; deze zijn respectievelijk 11 500 inspecties met de WML als meeneempunt bij WAV inspecties en 80 boetes. In het definitieve jaarplan 2010 van de Arbeidsinspectie is dit verlaagd naar 10 000 inspecties en 60 boetes. Feitelijk zijn in 2010 9 987 inspectietrajecten uitgevoerd waarbij ca. 12 100 werkgevers zijn gecontroleerd en werd tegen 127 bedrijven een boete opgemaakt wegens onderbetaling ten opzichte van de WML. Actieve inspecties van de Arbeidsinspectie op naleving van de Wav en de WML gebeuren gecombineerd. Daarnaast vinden inspecties plaats op basis van klachten over onderbetaling en meldingen van illegale tewerkstelling.

Boetes

De feitelijke inning van boetes bedroeg in 2010 € 25 975 en dat overschrijdt het begrote bedrag van de begroting inclusief de 1e suppletoire begroting en exclusief geschatte meeropbrengsten van het amendement 42 (Spekman) over extra inspecteurs – waarvan de uitvoering afhankelijk is gesteld van nader onderzoek – met 6,3 %. De boetes in verband met overtreding van de ATW overschrijden de verwachting van 2010 als gevolg van na-ijlende inkomsten op grond van het Arbeidstijdenbesluit Vervoer, een taak die aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat is overgedragen, maar waarvan in 2010 nog betalingen van vóór die taakoverdracht binnenkwamen.

Tabel 98.7 Boeteontvangsten Arbeidsinspectie (bedragen x € 1 000)

Boetes

Boetes opgelegd door de AI in 2010

Totaal ontvangsten SZW 2010, incl. rente

Inningspercentage t.o.v. opgelegde boetes in 20101

Begroting 2010,

incl. 1e en 2e suppletoire begroting, excl. amendement2

Overschot/tekort

t.o.v. begroting 2010

 

A

B

C=B/A

D

E=B-D

ARBO

8 123

8 314

102%

8 000

314

ATW

377

357

95%

61

296

WAV

32 142

16 980

53%

15 937

1 043

WML

2 104

324

15%

350

– 26

Bron: SZW/Arbeidsinspectie

1 Het inningspercentage is een indicatie. De inning slaat voor een deel terug op boetes uit voorgaande jaren, maar wordt afgezet tegen opgelegde boetes in 2010. Verder bevat de feitelijk inning ook rente-inkomsten. Dat verklaart ook waarom het percentage boven 100% kan uitkomen.

2 Buiten beschouwing zijn gelaten de meeropbrengsten als gevolg van amendement 42 (Spekman) over extra inspecteurs, waarvan de uitvoering afhankelijk is gesteld van nader onderzoek; zie brief Minister van SZW aan Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123, nr. 5).

Ontvangsten op grond van betalingsregelingen blijven in depot bij CJIB totdat volledige vordering is voldaan. Op 31 december 2010 is € 6,7 mln in depot, waarvan € 5,8 mln op grond van de WAV, 0,7 mln op grond van de ARBO-wet en € 0,2 mln op grond van de WML en ATW.

Artikel

99 Nominaal en onvoorzien

Artikel

Op dit artikel staan tijdelijk middelen voor onvoorziene uitgaven en de loon- en prijsbijstelling. De beschikbare middelen voor de loon- en prijsontwikkeling zijn gedurende het begrotingsjaar 2010 naar de in aanmerking komende artikelen overgeboekt.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 99.1 Begrotingsuitgaven Artikel 99 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2006

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting 2010

verschil 2010

Verplichtingen

0

0

0

0

0

1 432

– 1 432

Uitgaven

0

0

0

0

0

1 432

– 1 432

        

Programma uitgaven

0

0

0

0

0

1 432

– 1 432

Operationele Doelstelling 1

       

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

5 807

– 5 807

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

0

0

0

– 4 375

4 375

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Loonbijstelling

Toelichting

Op dit onderdeel wordt de loonbijstelling verwerkt in het kader van algemene salarismaatregelen, incidentele loonontwikkeling en overige specifieke maatregelen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en premies sociale zekerheid. Het artikel heeft het karakter van een «parkeerartikel» totdat de loonbijstelling toegedeeld kan worden aan de relevante beleidsartikelen.

Prijsbijstelling

Op dit onderdeel worden de uit de aanvullende post prijsbijstelling ontvangen bedragen geboekt tot toerekening plaatsvindt aan prijsgevoelige begrotingsartikelen.

Onvoorzien

De grondslag ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen.

6. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

In het jaar 2010 is ten aanzien van de kwaliteit van de (financiële) bedrijfsvoering de focus gelegd op het verder oplossen van de – mede door de Algemene Rekenkamer – gesignaleerde resterende onvolkomenheden op het gebied van de (financiële) bedrijfsvoering van het ministerie van SZW. De Algemene Rekenkamer had over het jaar 2009 nog bemerkingen bij de kwaliteit van het contractbeheer (inclusief Europese aanbestedingen), de financiële administratie en het subsidiebeheer van de directie Re-integratie en Participatie (R&P). De AR vond in het algemeen dat SZW bij alle drie onderwerpen een gebrek aan administratieve zorgvuldigheid toonde en de AR gaf aan het belangrijk te vinden dat een structurele oplossing werd gezocht om die zorgvuldigheid te verbeteren.

De administratieve onzorgvuldigheden kwamen tot uiting in de volgende zaken:

  • De registratie van contracten en de contractdossiers was niet volledig op orde.

  • Fouten in de Europese aanbestedingsprocedures, zoals het onrechtmatig verlengen van contracten.

  • De controlfunctie op de inkoopprocessen was nog onvoldoende ontwikkeld, er was geen inkoopinformatiesysteem en het management van raamcontracten was nog in ontwikkeling.

  • In 2009 waren sommige onderdelen van de financiële administratie niet altijd juist, volledig en actueel, zoals de administraties van voorschotten, vorderingen en verplichtingen.

  • De subsidies van de directie Re-integratie en Participatie (R&P) werden niet altijd tijdig verleend en vastgesteld en de subsidiedossiers waren niet op orde.

In mijn reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2009 gaf ik aan op deze punten al een aantal verbetermaatregelen te hebben genomen. Ik zegde toe in 2010 de resterende aandachtspunten te zullen oppakken. Voor dat doel werd onder meer een verbeterplan voor het contractbeheer in brede zin opgesteld en werden de structurele maatregelen uitgevoerd. Ook ter verbetering van de tijdigheid van de subsidieverleningen en -vaststellingen en de kwaliteit van de subsidiedossiers werden structurele maatregelen ingevoerd. Alle acties zijn in de loop van 2010 nagenoeg volledig afgerond. Naar mijn mening hebben zij tot de gewenste resultaten geleid. De gesignaleerde structurele tekortkomingen zijn per het einde van 2010 merendeels opgelost. Dat neemt niet weg dat, over het gehele jaar 2010 genomen, de kwaliteit van de verschillende processen op onderdelen nog te wensen heeft overgelaten.

Het verder op orde brengen van de genoemde aspecten heeft in het eerste halfjaar van 2010 veel tijd en inspanning gekost, en de resultaten zijn in de loop van het jaar tot stand gekomen en zichtbaar geworden. Per ultimo 2010 trek ik de conclusie dat de kwaliteit van deze aspecten van de bedrijfsvoering op orde is gebracht. In 2011 zal ik mij focussen op de consolidatie van de bereikte situatie en op het verder verinnerlijken van de geldende normen met betrekking tot de administratieve zorgvuldigheid.

De kwaliteit van het financieel beheer en de financiële administratie

In 2010 is de kwaliteit van de administratie van voorschotten, vorderingen en verplichtingen sterk verbeterd en is de administratieve zorgvuldigheid in de financiële processen verankerd. Tevens is in 2010 een stelsel van interne controlemaatregelen opgezet, waarmee wordt geborgd dat de aandacht voor de aangebrachte verbeteringen niet verslapt. Tenslotte is ook veel aandacht uitgegaan naar het sluitend krijgen van de saldibalans. De saldibalans 2010 is sluitend opgeleverd, waardoor het proces van totstandkoming van het jaarverslag aanzienlijk voorspoediger verliep dan in de voorgaande jaren. Aandachtpunt voor 2011 is de bouw van het systeem van de financiële administratie met het oog op de komende samenwerking op dat punt met de ministeries van Financiën en VWS.

Betaalgedrag

In 2010 is het betaalgedrag van SZW verder verbeterd. De tijdigheid van betalingen (binnen 30 dagen) vertoont een stijgende lijn ten opzichte van voorgaande jaren. Het tijdigheidpercentage van de facturen ligt over geheel 2010 op 90% op basis van ontvangstdatum en 80% op basis van factuurdatum. In het laatste kwartaal van 2010 werd op basis van de ontvangstdatum een percentage van 96% behaald (op basis van factuurdatum was dit 88%). De tijdigheid van betalen zal naar verwachting in 2011 verder stijgen als gevolg van recente maatregelen, waaronder direct, zonder prestatieverklaring vooraf, betalen van kleine facturen. Uit evaluatie blijkt dat dit tot een aanmerkelijke vermindering van de betaalproblemen heeft geleid. De daarmee gepaard gaande rechtmatigheidsrisico’s zijn als gevolg van het stelsel van interne controlemaatregelen beperkt en vind ik aanvaardbaar. Daarnaast heeft de verkorting van de sluiting van de administratie rond de jaarwisseling een positieve invloed.

In 2011 wordt de aandacht gericht op behoud van het aan het eind van 2010 bereikte resultaat en aanpak van nog resterende aandachtpunten.

De kwaliteit van het contractbeheer

Mede dankzij de centralisering van de inkoop is het aantal fouten op het gebied van het contractbeheer en Europese aanbestedingen verder gedaald. Nog steeds komen echter onregelmatigheden en/of onrechtmatigheden voor, bijvoorbeeld bij de verlenging van contracten. Het aantal onrechtmatigheden en het budgettaire beslag daarvan zijn echter beperkt (5 dossiers en ca. € 1,1 mln). Voor zover zich onrechtmatigheden ten aanzien van de naleving van de (Europese) aanbestedingsregels hebben voorgedaan berusten deze voor het overgrote deel op expliciete en zichtbaar gemaakte keuzen. Deze keuzes zijn ook in de diverse inkoopdossiers verwerkt.

De opzet van de controlrol over de inkoopprocessen en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die daarbij horen zijn in 2010 uitgewerkt en vastgesteld. In 2011 zal ik erop toezien, dat deze opzet leidt tot de beoogde effecten ervan.

In de tweede helft van 2010 zijn de inkoopprocessen opnieuw beschreven. Daarbij zijn risico’s herkend en beheersingsmaatregelen vastgesteld. Sedert het laatste kwartaal van 2010 worden maandelijkse AO/IC-rapportages opgesteld over de inkoopprocessen. Deze rapportages leveren een beeld op over de feitelijke toepassing van de vastgestelde beheersingsmaatregelen. Ook over dit onderwerp zal ik in 2011 toezien op de beoogde effecten ervan.

De kwaliteit van het subsidiebeheer

Als gevolg van de inspanningen van de afgelopen jaren is de kwaliteit van het subsidiebeheer sterk verbeterd. Ook bij de directie Re-integratie en Participatie (R&P) zijn in het afgelopen jaar organisatorische- en andere beheersmaatregelen doorgevoerd om meer grip te krijgen op de administratieve processen die de tijdigheid van subsidieverleningen en –vaststellingen en de kwaliteit van de dossiers moeten borgen. Deze maatregelen hebben hun vruchten afgeworpen. Wel blijf ik sturen op verdere verbetering van de tijdigheid van de vaststellingen, de volledigheid van de dossiervorming en correcte boeking van subsidieontvangsten. Gesteld kan worden dat het subsidiebeheer van SZW per ultimo 2010 grotendeels op orde is gekomen. Ik ben dan ook voornemens om het Subsidie Expertise Centrum van SZW, dat een belangrijke rol bij dit proces heeft gespeeld, per ultimo 2011 op te heffen. Daaraan verbind ik wel de voorwaarde dat op dat moment de verbeteringen zodanig in de organisatie zijn verankerd dat een centrale preventieve toets op de kwaliteit van de subsidieverleningen niet langer nodig zal zijn.

Materieelbeheer

De uitvoering van het materieelbeheer voor IT-middelen is per mei 2009 overgedragen aan de shared services organisatie SSO-ICT. De uitvoering van het materieelbeheer voor de inventarisgoederen van de Haagse SZW-panden is met ingang van april 2010 overgedragen aan 4FM. Over het gehele jaar 2010 was het materieelbeheer op orde.

Informatiebeveiliging

Er is in 2010 veel aandacht besteed aan de verbetering van de kwaliteit van de informatiebeveiliging. De directies die nog niet volledig voldeden aan de normen van de Baseline Informatiebeveiliging SZW hebben hun zaken op dit moment voldoende op orde. In 2011 zal nog een aantal slagen moeten worden gemaakt om de puntjes op de i te zetten.

Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Per 10 oktober 2010 is SZW verantwoordelijk geworden voor de uitvoering van de SZW-regelingen op de BES-eilanden. Ondanks het geringe financiële beslag behoeft de inrichting en uitvoering van de processen met betrekking tot de uitkeringen in 2011 veel aandacht, om een toereikend financieel beheer te borgen. De bouw van een applicatie voor de onderstand en het vastleggen van werkinstructies vormen daartoe de belangrijkste stappen.

Rechtmatigheid

In 2010 deden zich geen rechtmatigheidsproblemen voor, die uitgaan boven de tolerantiegrenzen.

Totstandkoming beleidsinformatie

Het is van belang dat de Kamer juiste en goede informatie ontvangt over de ontwikkeling van de indicatoren en kengetallen in de begroting en het jaarverslag. Daarom moet ook de niet-financiële informatie van goede kwaliteit zijn. In het jaarverslag zijn alle indicatoren en kengetallen voorzien van een eenduidige bronvermelding en voorts wordt in kwaliteitsdocumenten beschreven hoe de niet-financiële informatie tot stand is gekomen. Hiermee is de ordelijkheid, controleerbaarheid en deugdelijkheid van de informatie geborgd en is ook duidelijk waar nog verbeteringen mogelijk zijn.

ONDERDEEL C. JAARREKENING

7. VERANTWOORDINGSSTAAT

Tabel 7 Departementale verantwoordingsstaat 2010 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (x € 1 000)
  

(1)

(2)

(3)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

  

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

TOTAAL

         
   

27 287 570

1 123 682

 

29 136 612

1 143 334

 

1 849 042

19 652

 

Beleidsartikelen

         

41

Inkomensbeleid

1 855

1 945

0

1 173

1 371

0

– 682

– 574

0

42

Arbeidsparticipatie

178 354

178 678

20 285

37 156

38 089

17 444

– 141 198

– 140 589

– 2 841

43

Arbeidsverhoudingen

25 218

26 025

2 528

20 133

20 470

694

– 5 085

– 5 555

– 1 834

44

Gezond & Veilig Werken

67 410

67 410

6 432

62 765

59 246

8 445

– 4 645

– 8 164

2 013

45

Pensioenbeleid

2 609

2 609

0

2 456

2 498

79

– 153

– 111

79

46

Inkomensbescherming met activering

7 291 620

7 291 598

150

7 139 531

7 066 636

48 236

– 152 089

– 224 962

48 086

47

Aan het werk: Bemiddeling en

2 441 407

2 443 407

565 691

2 345 363

2 485 611

512 243

– 96 044

42 204

– 53 448

 

Re-integratie

         

48

Sociale werkvoorziening

2 515 440

2 515 440

510 100

2 377 143

2 496 262

528 372

– 138 297

– 19 178

18 272

49

Overige inkomensbescherming

635 735

635 735

0

638 552

638 552

288

2 817

2 817

288

50

Tegemoetkoming specifieke kosten

142 802

142 802

13 000

163 992

163 992

13 734

21 190

21 190

734

51

Rijksbijdragen aan sociale fondsen en spaarfonds AOW

13 787 858

13 787 858

0

15 978 908

15 978 908

1 000

2 191 050

2 191 050

1 000

           
 

Niet-beleidsartikelen

         

97

Aflopende regelingen

9

191

0

132

433

5 782

123

242

5 782

98

Algemeen

192 410

192 440

5 496

185 818

184 544

7 017

– 6 592

– 7 896

1 521

99

Nominaal en onvoorzien

1 432

1 432

0

0

0

0

– 1 432

– 1 432

0

8. SALDIBALANS

Saldibalans per 31 december 2010 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bedragen x € 1 000
 

DEBET

Ultimo 2010

Ultimo 2009

 

CREDIT

Ultimo 2010

Ultimo 2009

1

Uitgaven 2009

 

26 900 611

2

Ontvangsten 2009

 

913 399

1

Uitgaven 2010

29 136 605

 

2

Ontvangsten 2010

1 143 334

 

3

Liquide middelen

25

15

    
    

4

Rek.crt. Ministerie van Financiën

28 072 756

26 002 941

5

Uitgaven buiten

  

6

Ontvangsten buiten

  
 

begrotingsverband

89 214

27 681

 

begrotingsverband

9 754

11 967

 

Subtotaal (A)

29 225 844

26 928 307

 

Subtotaal (A)

29 225 844

26 928 307

7

Rechten

0

0

7

Tegenrekening rechten

0

0

8

Extra-comptabele vorderingen

83 915

90 107

8

Tegenrekening extra-comptabele vorderingen

83 915

90 107

9

Tegenrekening extra-comptabele schulden

0

0

9

Extra-comptabele schulden

0

0

10

Voorschotten

15 737 469

14 390 904

10

Tegenrekening voorschotten

15 737 469

14 390 904

11

Tegenrekening Garantieverplichtingen

5 564

3 509

11

Garantieverplichtingen

5 564

3 509

12

Tegenrekening openstaande verplichtingen

8 819 211

9 408 724

12

Openstaande verplichtingen

8 819 211

9 408 724

13

Deelnemingen

0

0

13

Tegenrekening deelnemingen

0

0

 

Subtotaal (B)

24 646 159

23 893 244

 

Subtotaal (B)

24 646 159

23 893 244

 

Totaal (A + B)

53 872 003

50 821 551

 

Totaal (A + B)

53 872 003

50 821 551

De subtotalen in de balans hebben tot doel het onderscheid aan te geven tussen het intra-comptabele gedeelte (A) en het extra-comptabele gedeelte (B). Het intra-comptabele gedeelte bevat de administratie van de financiële gegevens van transacties die in directe relatie staan met de kasstromen die via de rekening-courant met het ministerie van Financiën worden bijgehouden.

Het extra-comptabele gedeelte bevat de administratie van de overige rekeningen die met de sluitrekeningen in evenwicht worden gehouden.

Bij de subtotalen en totalen kunnen afrondingsverschillen optreden.

TOELICHTING BIJ DE SALDIBALANS

Alle bedragen zijn vermeld in € 1 000.

Ad 1/2 Uitgaven/ontvangsten 2010

De departementale verantwoordingsstaat over het jaar 2009 is bij kamerstuk 32 360 vastgesteld en is in 2010 in de rekening courant met het ministerie van Financiën afgewikkeld. In verband hiermee zijn deze uitgaven en ontvangsten ultimo 2010 niet meer in de saldibalans opgenomen. Het verschil tussen de realisaties ontstaat door verschillende afrondingsmethodieken. In de departementale verantwoordingstaat worden de uitgaven artikelen op € 1 000 naar boven afgerond, in de saldibalans wordt de rekenkundige methodiek gehanteerd.

UITGAVEN

Totaal

Doorbelast

Ultimo 2010

Ultimo 2009

Apparaatskosten

252 043

– 99 043

152 999

148 374

Beleidsuitgaven

28 884 562

99 043

28 983 605

26 752 237

Totaal hoofdstuk 15 van de rijksbegroting

29 136 605

0

29 136 605

26 900 611

VERPLICHTINGEN

Ultimo 2010

Ultimo 2009

Apparaatskosten

152 967

147 985

Beleidsuitgaven

28 800 148

29 405 463

Totaal hoofdstuk 15 van de rijksbegroting

28 953 116

29 553 448

ONTVANGSTEN

Ultimo 2010

Ultimo 2009

 

1 143 334

913 399

 

Uitgaven

Ontvangsten

Wet van 4 februari 2010, Stb. 78 (vastgestelde begroting)

27 287 570

1 123 682

Wet van 30 september 2010, Stb. 731 (1e suppletoire wet)

1 814 958

22 628

Wijziging van wet 30 november 2010, Kamerstuk 32 565 (2e suppletoire wet)

65 000

– 27 006

Totaal toegestaan bij wet

29 167 528

1 119 304

Slotwet

– 30 916

24 030

Realisatie volgens departementale rekening

29 136 612

1 143 334

Realisatie volgens de saldibalans

29 136 605

1 143 334

Ad 3 Liquide middelen (€ 25)

 

Openstaand ultimo 2010

Postbank concernblok

0

Min. van Financiën concernblok

0

Postbank 552 712

1

Totaal verschuldigde girale liquide middelen

1

Departementale kas

23

Kassen kasvoorschothouders

1

Totaal chartale liquide middelen

24

Totaal liquide middelen

25

Centraal en decentraal worden kassen aangehouden voor het doen van kleine materiële uitgaven. Het totaal saldo van de departementale kas sluit aan met het kasboek. De kasbeheerder heeft dit akkoord bevonden. Een kasvoorschothouder wordt bij beschikking aangewezen. Deze dient maandelijks een kasstaat in over de, in een verslagmaand, gedane uitgaven en/of ontvangsten. Er is een kasvoorschothouder aangesteld. De saldi met betrekking tot de concernblokrekeningen worden dagelijks afgeroomd.

Ad 4 Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding (€ 28 072 756)

Dit is de rekening-courant van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten opzichte van het ministerie van Financiën. Het ministerie van Financiën stelt de door SZW uit te geven begrotingsgelden beschikbaar. Nadat de Rekening aan de Tweede Kamer is aangeboden en de Algemene Rekenkamer geen bezwaren heeft, die goedkeuring in de weg staan, wordt tot verrekening overgegaan. Het saldo stemt overeen met het dagafschrift van 31 december 2010, de daarop gecorrigeerde overloopposten en de verrekende uitgaven en ontvangsten over het jaar 2010 van de Rijkshoofdboekhouding van het ministerie van Financiën.

Ad 5 Uitgaven buiten begrotingsverband (€ 89 214)

 

Openstaand ultimo 2010

Door te betalen Europees Sociaal Fonds-gelden

85 219

Intra compt Debiteuren

1 777

Apparaatskosten AGSZW

776

Apparaatskosten IWI

748

Directie Arbeidsverhoudingen

512

Diverse Personeel

104

Diversen

57

Afdracht pensioenpremie

21

Totaal uitgaven buiten begrotingsverband

89 214

Ad 6 Ontvangsten buiten begrotingsverband (€ 9 754)

 

Openstaand ultimo 2010

Afdracht loonheffing

3 309

Directie Internationale Zaken projecten

2 966

Met Derden te verrekenen

2 181

Afdracht sociale verzekeringspremies

963

Diversen

221

Ontvangsten WAO/WIA/Ziektewet

115

Totaal ontvangsten buiten begrotingsverband

9 754

Ad 7 Openstaande rechten (€ 0)

Geen.

Ad 8 Vorderingen inclusief CJIB/Agentschap SZW (€ 83 915)

Ministerie

Agentschap SZW

CJIB

Openstaand ultimo 2010

22 511

4 870

56 534

83 915

Ministerie

 

Openstaand ultimo 2010

t/m 2007

16 771

2008

1 642

2009

2 486

2010

1 613

 

22 511

Het openstaande bedrag bestaat voornamelijk uit vorderingen (€ 16 997) wegens door de Arbeidsinspectie opgelegde bestuurlijke boetes in 2006 of eerder. Bestuurlijke boetes die na 2006 worden opgelegd worden niet meer door SZW maar door het CJIB geïncasseerd. Ten aanzien van de in jaren 2006 en eerder opgelegde boetes zijn door SZW inningswerkzaamheden verricht. Ultimo 2010 stond nog voor € 7 592 aan bestuurlijke boetes uit bij het incassobureau.

Ultimo 2010 kan van de totale vorderingen een bedrag ter grootte van € 11 652 als oninbaar worden beschouwd, waarvan € 8 700 betrekking heeft op bestuurlijke boetes. De overige vorderingen van SZW worden beschouwd als direct opeisbaar.

CJIB

 

Openstaand ultimo 2010

t/m 2007

11 288

2008

9 457

2009

11 842

2010

23 947

 

56 534

Ad 9 Extra-comptabele schulden (€ 0)

Geen.

Ad 10 Voorschotten inclusief Agentschap SZW (€ 15 737 469)

Ministerie

Agentschap SZW

Openstaand ultimo 2010

15 608 690

128 779

15 737 469

Ministerie (€ 15 608 690)

In de onderstaande specificaties worden de openstaande voorschotten van het ministerie verantwoord naar ouderdom en artikel.

 

Saldo 1-1-2010

Verstrekt

Afgerekend

Openstaand ultimo 2010

t/m 2007

35 857

 

31 282

4 575

2008

2 698 447

 

2 679 380

19 067

2009

11 519 422

 

7 948 767

3 570 655

2010

 

12 162 562

148 170

12 014 392

 

14 253 726

12 162 562

10 807 599

15 608 690

Art

Omschrijving

Openstaand ultimo 2010

41

Inkomensbeleid

36

42

Arbeidsparticipatie

4 844

43

Arbeidsverhoudingen

2 477

44

Gezond en Veilig werken

14 594

45

Pensioenbeleid

1 214

46

Inkomensbescherming met activering

3 148 342

47

Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie

3 551 538

48

Sociale Werkvoorziening

4 351 590

49

Overige inkomensbescherming

631 787

50

Tegemoetkoming specifieke kosten

150 511

51

Rijksbijdragen aan sociale fondsen en spaarfonds AOW

323 374

95

Jeugd en Gezin

3 388 786

97

Aflopende regelingen

53

98

Algemeen

25 766

 

Rekeningen buiten begrotingsverband

13 779

Totaal

15 608 690

Agentschap SZW (€ 128 779)

In onderstaande tabel wordt het verloop van de voorschotten van het Agentschap SZW in 2010 weergegeven.

 

ESF/EQUAL

Subsidies Departement

Totaal 2010

Saldo 1 januari

128 929

8 248

137 177

Betaald

97 977

935

98 912

Subtotaal

226 906

9 183

236 089

    

Afgerekend

100 937

6 373

107 310

Saldo 31 december

125 969

2 810

128 779

Ad 11 Garantieverplichtingen (€ 5 564)

Garantieverplichtingen per 1 januari

3 509

Bij: Aangegane verplichtingen

2 285

Af: Tot betaling gekomen verplichtingen

0

Af: Intrekkingen, bijstellingen en terugbetalingen

230

Garantieverplichtingen per 31 december

5 564

In 2007 is de «tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering» van kracht geworden. Eind 2010 staat SZW voor een bedrag van € 9 097 borg aan kredietinstellingen en gemeentelijke kredietbanken die een kredietovereenkomst hebben verleend aan startende ondernemers. Het daadwerkelijke risico van uitbetaling als alle verplichtingen zouden worden opgeëist bedraagt € 5 564. De garantieverplichting voor een lening ten behoeve van Stichting Inlichtingenbureau bij het Ministerie van Financiën is in 2010 vervallen.

Ad 12 Openstaande verplichtingen (€ 8 819 211)

 

Ministerie

Agentschap SZW

Ministerie Jeugd&Gezin

Totaal 2010

Saldo 1 januari

8 856 014

549 369

3 341

9 408 724

Aangegane verplichtingen in het verslagjaar

28 953 116

321 075

5 234

29 279 425

Subtotaal (A)

37 809 130

870 444

8 575

38 688 149

Tot betaling gekomen in het verslagjaar

29 136 605

136 768

6 604

29 279 976

Negatieve bijstellingen van in eerdere begrotingsjaren

    

aangegane verplichtingen

379 248

209 682

31

588 961

Subtotaal (B)

29 515 853

346 449

6 635

29 868 938

Saldo 31 december (A – B)

8 293 277

523 994

1 940

8 819 211

Specificatie openstaande verplichtingen Ministerie naar artikel (€ 8 293 277)

Art

Omschrijving

Ultimo 2009

Negatieve Bijstellingen

Aangegaan 2010

Betaald 2010

Doorbelasting P&M

Betaald incl. doorbelasting

Openstaand 2010 e.v.

41

Inkomensbeleid

387

0

1 173

321

1 050

1 370

189

42

Arbeidsparticipatie

2 861

435

37 156

17 231

20 858

38 089

1 493

43

Arbeidsverhoudingen

1 182

20

20 133

3 805

16 664

20 469

826

44

Gezond en Veilig werken

7 200

1 490

62 765

19 331

39 915

59 246

9 230

45

Pensioenbeleid

143

6

2 455

727

1 771

2 498

94

46

Inkomensbescherming met activering

4 518 600

371 518

7 139 530

7 057 514

9 121

7 066 635

4 219 977

47

Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie

1 852 551

2 548

2 345 362

2 480 755

4 855

2 485 610

1 709 755

48

Sociale Werkvoorziening

2 461 338

478

2 377 143

2 495 192

1 069

2 496 261

2 341 742

49

Overige inkomensbescherming

0

0

638 551

636 709

1 842

638 551

0

50

Tegemoetkoming specifieke kosten

0

0

163 992

162 711

1 280

163 992

0

51

Rijksbijdragen aan sociale fondsen en spaarfonds AOW

0

0

15 978 907

15 978 290

617

15 978 907

0

97

Aflopende regelingen

1 097

200

131

432

0

432

596

98

Algemeen

10 655

2 554

185 817

283 587

– 99 043

184 544

9 375

99

Nominaal en onvoorzien

       
  

8 856 014

379 248

28 953 116

29 136 605

0

29 136 605

8 293 277

Specificatie openstaande verplichtingen Agentschap SZW (€ 523 994)

 

ESF ANTIEK

ESF 2

ESF 3

EQUAL

EGF

EJBA

Openstaand 2010

Saldo 1 januari

3

442 757

104 105

2 436

0

68

549 369

Aangegaan in verslagjaar

262

308 009

256

358

12 189

0

321 075

Subtotaal (A)

265

750 766

104 361

2 794

12 189

68

870 444

Tot betaling gekomen in verslagjaar

265

88 003

35 493

817

12 189

0

136 768

Negatieve bijstelling van in eerdere begrotingsjaren aangegane verplichtingen

 

138 834

68 868

1 977

0

3

209 682

Subtotaal (B)

265

226 836

104 361

2 794

12 189

3

346 449

Totaal (A – B)

0

523 930

0

0

0

64

523 994

Ad 13 Deelnemingen (€ 0)

Geen.

9. TOPINKOMENS

Op grond van artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (Stb. 2006, 95) dient elk departement in het departementaal jaarverslag een overzicht op te nemen van medewerkers die in het verslagjaar meer verdiend hebben dan het gemiddelde belastbare jaarloon van een minister. Dit gemiddelde belastbare jaarloon is voor 2010 vastgesteld op € 193 000 (Mededeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 februari 2011, nr. 2011-0000047145, DCB/CZW/WBI, in de Staatscourant van 16 februari 2011, nr. 2 988).

In 2010 heeft geen enkele medewerker van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een inkomen verdiend boven dit gemiddelde.

10. BATEN-LASTENDIENSTEN

10.1 Samenvattende verantwoordingsstaat baten-lastendiensten

Tabel 10.1 Samenvattende verantwoordingsstaat 2010 inzake baten-lastendiensten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) (x € 1000)
 

Begroting

Realisatie

Verschil

Agentschap SZW

   
    

Totale baten

16 960

19 068

2 108

Totale lasten

16 960

18 704

1 744

Saldo van baten en lasten

0

364

364

    

Totale kapitaalontvangsten

0

0

0

Totale kapitaaluitgaven

100

535

435

    

Inspectie Werk en Inkomen

   
    

Totale baten

18 410

13 097

– 5 313

Totale lasten

18 410

12 985

– 5 425

Saldo van baten en lasten

0

112

112

    

Totale kapitaalontvangsten

0

6

6

Totale kapitaaluitgaven

526

337

– 189

10.2 Toelichting Agentschap SZW

Het Agentschap SZW (AGSZW) volgt bij de opstelling van de financiële verantwoordingen de inrichtingseisen zoals die zijn opgenomen in de Comptabiliteitswet en daarmee samenhangende regelingen (in het bijzonder de Regeling baten-lastendiensten 2011). De waardering van de activa en passiva is tegen nominale waarden tenzij anders vermeld.

  • De materiële vaste activa zijn gewaardeerd op aanschafwaarde minus de desbetreffende afschrijvingen (lineair). De investeringen worden in drie jaar afgeschreven.

  • De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd op aanschafwaarde minus de desbetreffende afschrijvingen (lineair). De investeringen worden in drie jaar afgeschreven.

  • Investeringen die via de out of pocketkosten (rechtstreeks in rekening te brengen bij opdrachtgever = OOP) worden gefinancierd, worden volledig afgeschreven in het jaar van aanschaf/ontwikkeling.

  • De voorzieningen voor benoemde risico’s komen in overleg met eigenaar en directie FEZ tot stand.

  • Het eigen vermogen dat wordt aangehouden stoelt op de Regeling baten-lastendiensten 2011 (maximaal 5% van de gemiddelde omzet over de afgelopen drie boekjaren).

  • AGSZW beschikt – met instemming van het Ministerie van Financiën – tot en met 2011 over een geoormerkte bestemmingsreserve. Deze reserve is bedoeld voor het opvangen van de (benoemde) kosten voortvloeiend uit de transformatie van de organisatie.

  • AGSZW heeft geen voorziening(en) opgenomen voor vakantiedagen en jubileumuitkeringen vanwege een onevenredige beheerslast.

  • De omzet is gewaardeerd tegen opbrengstwaarde (aantal producten x productprijs en uren x tarief) en wordt als gerealiseerd beschouwd in de periode waarin de diensten zijn verricht en/of de producten zijn geleverd. AGSZW stuurt op volledige uitvoering van uitgebrachte offertes en/of afgesproken producten (kalenderjaar gebonden). Hierdoor is waardering van een post onderhanden werk niet of nauwelijks aan de orde. Het financiële belang van afwijkingen in de uitvoering is gering. In de jaarrekening is dan ook geen post onderhanden werk opgenomen.

  • Lasten en overige baten worden toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben.

Staat van baten en lasten Agentschap SZW

Tabel 10.2. Staat van baten en lasten Agentschap SZW 2010 (x € 1 000)
 

Begroting 2010

Realisatie 2010

Verschil 2010

Realisatie 2009

Baten

    

Opbrengst moederdepartement

13 800

13 285

– 515

12 026

Opbrengst overige departementen*

1 400

1 467

67

1 268

Opbrengst derden

Rentebaten

10

16

6

24

Vrijval voorzieningen

Baten out of pocket (OOP)**

1 400

4 066

2 666

4 369

Exploitatiebijdrage

890

Onttrekking aan bestemmingsreserve

350

234

– 116

452

Totaal baten

16 960

19 068

2 108

19 029

     

Lasten

    

Apparaatskosten

    

– personele kosten

12 700

11 898

– 802

14 344

– materiële kosten

4 000

6 169

2 169

4 186

Rentelasten

10

–10

Afschrijvingskosten

    

– immaterieel

200

594

394

125

– materieel

50

19

– 31

46

Overige lasten

    

– dotaties voorzieningen

24

24

23

– bijzondere lasten

Totaal lasten

16 960

18 704

1 744

18 724

     

Saldo van baten en lasten

364

364

305

* Inclusief Matra-projecten via Agentschap NL

** De out of pocketkosten (OOP) betreffen specifieke wensen van de opdrachtgevers waarvan de werkelijke kosten (facturen) afzonderlijk in rekening worden gebracht bij de opdrachtgevers. Dit resulteert bij het AGSZW in out of pocket baten.

Opbrengst Moederdepartement en Opbrengst overige departementen

In tabel 10.4 zijn per opdracht de bedragen van de in januari 2010 uitgebrachte offertes weergegeven. Ten tijde van het opstellen van de begroting 2010 was er nog onvoldoende zicht op de workload voortvloeiend uit de uitvoering van de opdrachten in 2010. Daarnaast hebben zich in de loop van 2010 fluctuaties in de uitvoering van de opdrachten voorgedaan. In 2010 is een aantal offertes tussentijds aangepast en tevens zijn er 3 nieuwe opdrachten aanvaard.

Door bovenstaande factoren wijkt de gerealiseerde omzet sterk af van de begroting.

Rentebaten

De rentebaten (dagrente) worden ontvangen over het saldo op de rekening-courant. De rentebaten zijn het gevolg van het mogen aanhouden van eerder genoemde bestemmingsreserve en het (tijdelijk) gebruik maken van een depositorekening.

Onttrekking aan bestemmingsreserve

Overeenkomstig de gemaakte afspraken met het Ministerie van Financiën over de besteding van de bestemmingsreserve is voor de gemaakte kosten 2010 een bedrag van € 234 000 ingezet. Deze kosten zijn niet gedekt door de tarieven van AGSZW. De bestemmingsreserve is ingezet voor employability, herplaatsingskosten en innovatieve ICT.

Personele kosten

De gerealiseerde personele kosten – inclusief de materiële component van de out of pocket kosten – zijn ten opzichte van de begroting aanzienlijk lager uitgevallen. Ten tijde van het opstellen van de begroting 2010 was er nog onvoldoende zicht op de workload en de daarvoor benodigde bezetting die uit de uitvoering van de opdrachten in 2010 zou voortvloeien. Ook was toen nog niet bekend dat een deel van de controles van de einddeclaraties van ESF-2 2007–2013 niet door medewerkers van het AGSZW zou worden uitgevoerd, maar zou worden uitbesteed. De totale loonkosten omvatten ambtelijk personeel (€ 9,6 mln), inhuur externen (€ 1,9 mln) en inzet externen OOP (€ 0,4 mln).

Materiële kosten

De materiële kosten omvatten huisvestings-, kantoor-, communicatie-, overige personeels-, ICT- en onderzoekskosten en zijn inclusief de materiële component van de out of pocketkosten. Een substantieel deel van de kosten heeft betrekking op afgenomen diensten van het moederministerie. De kosten hiervan zijn geregeld in dienstverleningsovereenkomsten.

De in 2010 gerealiseerde materiële kosten zijn veel hoger dan begroot. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat hierin een bedrag ad € 1,7 mln out of pocket kosten begrepen is die bij het opstellen van de begroting nog niet bekend was. Dit betreft kosten van uitbesteding werkzaamheden (zie toelichting bij out of pocket kosten en baten OOP).

Afschrijvingskosten, materieel en immaterieel

De afschrijvingskosten betreffen gedane investeringen in het ontwikkelen van software en aanschaffingen van hard- en software. In de immateriële afschrijvingskosten zijn begrepen de investeringen in de ontwikkeling van een nieuw case management system (DIANE). De investeringen in 2010 ad € 535 000 zijn volledig in 2010 afgeschreven en grotendeels (€ 476 000) als out of pocket kosten bij de opdrachtgever in rekening gebracht.

Out of pocketkosten en baten (OOP)

De gerealiseerde out of pocketkosten 2010 zijn € 2,666 mln hoger dan begroot. Dit wordt met name veroorzaakt doordat bij het opstellen van de begroting nog niet bekend was dat de controles van einddeclaraties en enkele interne management-taken met betrekking tot ESF-2 2007–2013 alsmede het projectmanagement van Arbeidsveiligheid zouden worden uitbesteed en als out of pocket kosten direct aan de opdrachtgever in rekening zouden worden gebracht. Tevens waren de investeringen in het nieuwe case management systeem DIANE niet begroot. Deze zijn volledig in 2010 afgeschreven en bij de opdrachtgever in rekening gebracht.

Onderstaand een specificatie van de out of pocket kosten die rechtstreeks aan de opdrachtgever in rekening zijn gebracht.

Tabel 10.3 Overzicht van de out of pocketkosten 2010 (x € 1 000)
 

Realisatie 2010

Baten

4 066

Baten out of pocket

4 066

  

Lasten

4 066

Uitbesteding

1 719

Materiële kosten

1 433

Inhuur externen

438

Afschrijvingskosten

476

Tabel 10.4 Uitgevoerde regelingen Agentschap SZW 2010 (x € 1 000) (op volgorde van omvang gerealiseerde omzet)
 

Begroot (1e suppletoire wet)

Realisaties

Omzet o.b.v. uitgebrachte offertes

Out of pocket-kosten1

Omzet

Out of pocket-kosten1

Opbrengst moederdepartement:

    

ESF 2007–2013

10 674

3 221

11 288

2 638

Europees Globaliserings Fonds (EGF)

392

211

3

ESF-3/Equal 2000–2006

318

191

225

192

ESF oud

28

11

32

11

Subtotaal Europese Regelingen

11 412

3 423

11 756

2 844

Arbeidsveiligheid

499

20

538

527

LeeftijdsBewust Beleid (LBB)

276

20

291

26

Eur.Jaar Bestrijding Armoede en Sociale Uitsluiting (EJBASU)

151

190

148

Gemeente Loket Telefoon (GLT)

205

2

175

Leer- Werktrajecten (LWT)

104

1

94

Arbocatalogi

36

20

82

Implementatie Getoetste Arbocatalogi (IGA)

76

BedrijfsVerzamelGebouwen (BVG)

48

41

Farbo

23

25

4

Regeling Schoonmaakdiensten Particulieren (RSP)

5

11

Bijstand Buitenland (BB)

4

4

ID-banen

3

25

2

Subtotaal Nationale Regelingen

1 354

88

1 529

705

Totaal opbrengst moederdepartement

12 766

3 511

13 285

3 549

Opbrengst overige departementen

    

Kinderopvang (SKO) – ministerie van OCW

626

21

599

65

Helpdesk Inburgering – ministerie van VROM

239

2

204

Inburgering op de werkvloer – ministerie van VROM

187

149

3

Wet Inburgering – ministerie van VROM

138

21

120

40

Wet Inburgering Nieuwkomers – ministerie van VROM

86

56

78

Inburgering allochtone vrouwen – ministerie van VROM

20

3

Pilot participatiebudget – ministerie van VROM

10

3

Voorbereiding regeling Adoptiekosten – ministerie van Justitie

341

51

46

Matraprojecten en overige projecten

259

263

325

Totaal opbrengst overige departementen

1 876

95

1 467

517

     

Totaal

14 642

3 606

14 752

4 066

1 De out of pocketkosten betreffen specifieke wensen van de opdrachtgevers waarvan de werkelijke kosten afzonderlijk in rekening worden gebracht bij de opdrachtgevers.

In 2010 zijn bij AGSZW 24 regelingen en meerdere Matra-projecten uitgevoerd:

  • 4 Europese Regelingen met opdrachtverlening vanuit SZW;

  • 12 Nationale Regelingen met opdrachtverlening vanuit SZW;

  • 8 Regelingen met opdrachtverlening van derden. Kinderopvang is een opdracht van het ministerie van OCW. De uitvoering van de Wet Inburgering en daarmee samenhangende opdrachten (helpdesk, nieuwkomers, werkvloer, allochtone vrouwen en participatiebudget) kent als opdrachtgever het ministerie van VROM. Tenslotte zijn voorbereidingen getroffen voor het uitvoeren van de regeling Adoptiekosten voor het ministerie van Justitie. Momenteel wordt nog aan de regeling gewerkt. Waarschijnlijk gaat de regeling in de loop van 2011 in;

  • Matra-projecten. Dit zijn projecten ter ondersteuning van nieuwe lidstaten van de EU. Tevens zijn projecten uitgevoerd in Marokko en Turkije.

De totale gerealiseerde omzet 2010 bedroeg afgerond € 14,8 mln. De omzet voor de out of pocket kosten bedroeg afgerond € 4,1 mln.

Balans Agentschap SZW

Tabel 10.5 Balans Agentschap SZW per 31 december 2010 (x € 1 000)
 

2010

2009

Activa

  

Immateriële vaste activa

3

62

Materiële vaste activa

2

21

Debiteuren

82

132

Nog te ontvangen / vooruitbetaald

661

1 314

Liquide middelen

8 289

3 965

Totaal activa

9 037

5 494

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

  

* exploitatiereserve

682

315

* bestemmingsreserve

1 298

1 532

* verplichte reserves

62

* onverdeeld resultaat

364

305

Leningen bij het MvF

Voorzieningen

33

43

Crediteuren

2 377

1 118

Nog te betalen / vooruitontvangen

4 283

2 119

Totaal passiva

9 037

5 494

Immateriële vaste activa

In 2010 is voor € 535 000 geïnvesteerd in DIANE, het nieuw case management systeem voor onder andere ESF-2 2007–2013. DIANE wordt zodanig opgebouwd dat nieuwe subsidieregelingen hierin zonder veel moeite kunnen worden opgenomen. De investeringen in 2010 zijn volledig afgeschreven en voor 89% (€ 476 000) als out of pocket kosten bij de opdrachtgever in rekening gebracht. De overige 11% van de investeringen in DIANE (€ 59 000) zijn ten laste van de bestemmingsreserve gebracht.

De gehanteerde verdeling van de investeringskosten is gebaseerd op het streefgetal van de verhouding tussen de omzet van Europese en nationale regelingen in 2015 (Rijksbegroting 2011 – meerjaren kengetallen).

Materiële vaste activa

In 2010 is niet geïnvesteerd. Materiële vaste activa worden grotendeels betrokken van het moederdepartement (opgesloten in afgenomen diensten) tegen jaarlijks afgesproken kosten (dienstverleningsovereenkomsten).

Debiteuren

De debiteuren betreffen de facturen aan opdrachtgevers van de door AGSZW uit te voeren/uitgevoerde (subsidie)regelingen. Daarnaast is er sprake van afwikkelingen van declaraties/facturen op personeelsgebied (IF-contracten) en overige.

Nog te ontvangen/vooruitbetaald

Deze post omvat hoofdzakelijk de nog definitief per regeling af te rekenen geleverde diensten en producten (omzet) 2010.

Liquide middelen

De liquide middelen worden aangehouden op de rekening courant van het Ministerie van Financiën. Het saldo sluit aan op de saldo-opgave van het ministerie van Financiën.

Eigen vermogen (Agentschapsvermogen)

Het eigen vermogen, inclusief het onverdeeld resultaat 2010, bedraagt € 1 046 000 (exclusief bestemmingsreserve). Deze stand is hoger dan de zogenaamde 5%-norm (maximaal eigen vermogen = 5% van de gemiddelde omzet van de laatste drie jaren). Het maximaal aan te houden eigen vermogen bedraagt ultimo 2010 conform de 5%-norm € 864 000 (2009: € 826 000). Bij de eerstvolgende suppletoire wet dient te worden aangegeven op welke wijze de overschrijding ad € 182 000 binnen het begrotingsjaar 2011 wordt hersteld (art. 19.2 Regeling baten-lastendiensten 2011).

De eigenaar van het AGSZW heeft begin februari 2011 besloten het eigen vermogen met in totaal € 375 000 af te romen. Hiermee wordt de overschrijding van de 5%-norm in het begrotingsjaar 2011 hersteld.

Tabel 10.6 Ontwikkeling eigen vermogen (x € 1 000)
 

2008

2009

2010

1. Eigen vermogen per 1 januari

4 063

2 361

2 214

2. Saldo van baten en lasten

– 816

305

364

3a. Uitkering aan moederdepartement

3b. Bijdrage moederdepartement ter

versterking van eigen vermogen

3c. Overige mutaties in eigen vermogen

(onttrekkingen bestemmingsreserve)

– 886

– 452

– 234

3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen

–886

– 452

– 234

4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)

2 361

2 214

2 344*

* Exploitatiereserve (incl. resultaat 2010) € 1 046 000 en Bestemmingsreserve € 1 298 000

Bestemmingsreserve

In 2007 heeft Financiën ingestemd met het vormen van een bestemmingsreserve van € 3,588 mln uit het eigen vermogen. Deze bestemmingsreserve is bedoeld om de kosten voortvloeiend uit de transformatie in het takenpakket van AGSZW gedurende de periode 2007 tot en met 2010 op te vangen. Begin februari 2011 is van Financiën – onder formeel voorbehoud van de voorjaarsbesluitvorming – goedkeuring verkregen om de looptijd van de bestemmingsreserve te verlengen tot en met 2011.

Op 1 januari 2010 bedroeg het saldo van deze reserve € 1,532 mln. In 2010 is per saldo € 234 000 mln aan de bestemmingsreserve onttrokken en ten gunste van de resultatenrekening gebracht.

Verplichte reserves

Tot en met 2009 is conform de Regeling baten-lastendiensten 2007 een verplichte reserve aangehouden voor de geactiveerde immateriële vaste activa. Met de wijziging van de Regeling per 1 januari 2010 is de verplichting tot het aanhouden van deze reserve vervallen. Het saldo per 1 januari 2010 van de verplichte reserve ad € 62 000 is in 2010 vrijgevallen ten gunste van de exploitatiereserve (dus niet ten gunste van het resultaat).

Lening bij het Ministerie van Financiën

AGSZW heeft geen leningen meer lopen.

Voorzieningen

De voorziening personeel betreft uitsluitend nog de afwikkeling van één (langlopende) nog niet afgeronde gerechtelijke procedure. In 2010 een betaling van € 30 000 gedaan. Tevens is de vordering op de betrokkene met € 4 000 afgewaardeerd. Ultimo 2010 is een dotatie van per saldo € 24 000 gedaan.

Tabel 10.7 Verloop en stand voorzieningen personeel (x € 1 000)
 

31 december 2010

31 december 2009

Stand begin boekjaar

43

20

Mutatie in boekjaar

–10

23

Stand per balansdatum

33

43

Crediteuren

De post Crediteuren betreft nog te betalen afgenomen diensten op het gebied van bedrijfsvoering en personele aangelegenheden. Van de crediteuren heeft een bedrag ad € 1,543 mln betrekking op facturen van het Ministerie van SZW.

Nog te betalen/vooruitontvangen

Deze post bevat onder andere de nog definitief per regeling af te rekenen geleverde diensten en producten 2010. Van de overige nog te betalen bedragen heeft in totaal € 1,602 mln betrekking op van het Ministerie van SZW nog in 2011 te ontvangen facturen. De aan SZW te betalen bedragen betreffen onder andere personele kosten, waaronder vakantiegeld (€ 306 000) en eindejaarsuitkering (€ 46 000).

Tenslotte is in deze post een rekening-courantverhouding met het Ministerie van SZW begrepen (afgerond € 4 000).

Kasstroomoverzicht Agentschap SZW

Tabel 10.8 Kasstroomoverzicht 2010 (x € 1 000)
  

Begroting 2010

Realisatie 2010

Verschil 2010

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2010

4 301

3 965

–336

     

2.

Totaal operationele kasstroom

250

4 859

4 609

     

3a.

Totaal investeringen (-/-)

– 100

– 535

– 435

3b.

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

3.

Totaal investeringskasstroom

– 100

– 535

– 435

     

4a.

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

4b.

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

4c.

Aflossingen op leningen (-/-)

4d.

Beroep op leenfaciliteit (+)

4.

Totaal financieringskasstroom

     

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2009 (=1+2+3+4)

4 451

8 289

3 838

 

(maximale roodstand € 0,5 mln. euro)

   

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in het werkkapitaal (mutaties in vlottende debetposten en kortlopende creditposten op de balans).

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom is het totaal van de investeringen en de boekwaarde van de desinvesteringen. Met investeringen worden uitgaven voor de aanschaf van vaste activa bedoeld. De investeringen in 2010 betreffen de ontwikkeling van DIANE.

Financieringskasstroom

De totale financieringskasstroom is het saldo van de posten eenmalige uitkering aan het moederdepartement, eenmalige storting door het moederdepartement, aflossingen op leningen en beroep op leenfaciliteit. Geen van deze onderdelen is in 2010 van toepassing geweest.

Doelmatigheid Agentschap SZW

Het streven naar grotere doelmatigheid is de hoofddoelstelling van elke baten-lastendienst. Voor het Agentschap SZW betekent dit het streven naar betere prestaties, bij optimaal gebruik van de ingezette middelen. In de begroting 2010 was het opnemen van doelmatigheidsindicatoren volgens het RBV format niet verplicht. In de begroting 2011 is wel een set kengetallen opgenomen die aansluit bij het in de RBV voorgeschreven format voor doelmatigheidsindicatoren. Vanaf het jaarverslag 2011 zullen deze doelmatigheidsindicatoren dan ook worden gevolgd.

Tabel 10.9 kengetallen in verband met verbetering van de doelmatigheid

Doelstelling

realisatie 2010

begroting 2010

realisatie 2009

realisatie 2008

realisatie 2007

1. Gem. tarief per medew. per dir. uur

€ 78,07

€ 89,50

€ 80,56

€ 75,70

€ 75,90

2. Verhouding directe /indirecte uren

76%:24%

73%:27%

74%:26%

74%:26%

76%:24%

3. Productiviteit (verh. dir./totale uren)

59%

57%

57%

57%

60%

4. Loonkosten per fte

€ 69 399

€ 74 302

€ 71 954

€ 69 433

€ 67 495

5. Materiële kosten per fte

€ 19 097

€ 22 152

€ 17 973

€ 17 584

€ 17 400

6. Omzet per fte

€ 89 328

€ 99 855

€ 83 280

€ 76 270

€ 81 193

7. Personeel (ambtelijk) in fte

149 fte

137 fte

133 fte

146 fte

147 fte

8. Resultaat

€ 364 000

€ 0

€ 305 000

– € 816 000

– € 269 000

9. Resultaat in % van totale baten

+ 1,9 %

0,0 %

+ 1,6 %

– 5,0 %

– 1,6 %

10.3 Toelichting Inspectie Werk en Inkomen

Algemeen

Voor haar financiële verantwoording volgt de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) de inrichtingseisen zoals die zijn opgenomen in de Regeling baten-lastendiensten 2011. De waarderingsgrondslagen zijn als volgt:

  • De materiële en immateriële vaste activa zijn gewaardeerd tegen aanschafwaarde onder aftrek van lineaire afschrijvingen. De afschrijvingstermijnen passen binnen de aangegeven bepalingen zoals opgenomen in artikel 17 van de Regeling baten-lastendiensten 2011.

  • De waardering van het onderhanden werk geschiedt tegen vervaardigingsprijs. Hiertoe wordt het aantal aan de producten bestede uren in 2010 vermenigvuldigd met het uurtarief.

  • De voorziene detacheringsopbrengsten in de voorzieningen voor reorganisatie zijn onder de vorderingen opgenomen.

  • IWI heeft geen voorziening opgenomen voor vakantiedagen en jubileumuitkeringen vanwege een onevenredige beheerslast.

  • Er is geen verdeling naar productgroepen opgenomen vanwege het onevenredige meerwerk in relatie tot het extra inzicht dat dit oplevert.

  • De overige balansposten worden gewaardeerd op de nominale waarde.

  • De baten en lasten worden zoveel mogelijk toegerekend aan de periode waarop deze betrekking hebben.

Per 1 maart 2010 zijn de taken op het gebied van arbeidsveiligheid aan de Arbeidsinspectie (AI) overgedragen. De overdracht van de uitvoering van de wettelijke taken van IWI naar de Auditdienst (AD) van SZW heeft op 1 mei 2010 plaatsgevonden.

De Inspecteur Generaal en de Secretaris Generaal maken jaarlijks afspraken over de te leveren producten en de prijs hiervan. IWI rapporteert periodiek over de voortgang van de werkzaamheden en de prognose van de opbrengst voor geleverde producten en het exploitatieresultaat 2010. In deze rapportages wordt tevens ingegaan op de beheersmaatregelen van benoemde risico’s.

Staat van baten en lasten Inspectie Werk en Inkomen

Tabel 10.10 Staat van baten en lasten IWI 2010 (x € 1 000)
 

Begroting 2010

Realisatie 2010

Verschil 2010

Realisatie 2009

Baten

    

Opbrengst moederdepartement

18 370

12 622

– 5 748

16 600

Opbrengst overige departementen

Opbrengst derden

Rentebaten

40

76

36

112

Vrijval voorzieningen

399

399

337

Exploitatiebijdrage

5 636

Totaal baten

18 410

13 097

– 5 313

22 685

     

Lasten

    

Apparaatskosten

    

– personele kosten

14 765

9 141

– 5 624

12 960

– materiële kosten

3 525

2 030

– 1 495

3 790

Rentelasten

10

12

2

28

Afschrijvingskosten

    

– materieel

35

46

11

52

– immaterieel

75

74

– 1

25

Overige lasten

    

– dotaties voorzieningen

1 682

1 682

5 828

– bijzondere lasten

Totaal lasten

18 410

12 985

– 5 425

22 683

     

Saldo van baten en lasten

0

112

112

2

De uitgaven en opbrengsten komen aanmerkelijk lager uit dan begroot. Dit komt doordat in de begroting 2010 nog geen rekening was gehouden met de gevolgen van de reorganisatie van IWI van begin 2010 en de daarmee samenhangende overdracht van taken aan andere onderdelen van het ministerie van SZW. Als gevolg hiervan is de formatie van IWI afgenomen van 174,6 fte tot de richtinggevende formatie van 83,7 fte na de reorganisatie van maart 2010.

Opbrengst departement

Op basis van de in 2010 geleverde producten uit de tarievennota’s 2007 tot en met 2010 is een opbrengst van € 12 622 000 gerealiseerd. Hierbij is de mutatie op het onderhanden werk verdisconteerd. Bij de bepaling van de opbrengst is rekening gehouden met de overdracht van taken van IWI naar de AI en AD. Zoals reeds aangegeven is de opbrengst departement SZW aanmerkelijk lager dan begroot omdat in de begroting 2010 nog geen rekening gehouden was met de gevolgen van de reorganisatie van IWI. Ultimo 2010 lopen er 18 projecten waarvoor in totaal een voorschot van € 2 900 000 is ontvangen. Dit bedrag is in de balans onder de vooruit ontvangen bedragen opgenomen.

Rentebaten

De rentebaten hebben uitsluitend betrekking op de tijdelijk uitgezette middelen op deposito’s bij het Ministerie van Financiën. Gezien de lage rentestanden op kortlopende deposito’s zijn de tijdelijk overtollige middelen op deposito’s met een looptijd van 3 maanden of 6 maanden uitgezet. Op de rekening courant is in 2010 in het geheel geen rentevergoeding ontvangen.

Vrijval voorzieningen

De vrijval voorzieningen betreft de vrijval uit de voorziening voor onderhanden werk voor € 311 000 als gevolg van het afronden van producten uit voorgaande tarievennota’s. Daarnaast valt er op basis van de herwaardering van de voorziening voor wachtgeldverplichtingen van voormalige medewerkers van het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) ultimo 2010 per saldo € 76 000 vrij uit de voorzieningen. Dit bedrag is opgebouwd uit een vrijval van € 88 000 en een rentedotatie van € 12 000. Zie ook de toelichting op de rentelasten.

Personele kosten

De personele lasten ad € 9 141 000 komen mede als gevolg van de reorganisatie van IWI begin 2010 € 5 624 000 lager uit dan de begroting 2010. In de begroting was nog rekening gehouden met een formatie van 174,6 fte. In de definitieve tarievennota is gerekend met een gemiddelde bezetting van 100,1 fte. De gemiddelde bezetting is uitgekomen op 92,4 fte. In de gemiddelde bezetting en de gerealiseerde salariskosten zijn de gedetacheerde medewerkers en de medewerkers met bijzondere taken niet meegenomen. De salariskosten van deze medewerkers zijn ten laste van de voorziening reorganisatie 2009 gebracht. Als gevolg van de reorganisatie is de richtinggevende formatie van IWI per 1 maart 2010 afgenomen tot 83,7 fte. De salariskosten komen hierdoor € 5 188 000 lager uit dan begroot.

In de begroting 2010 is € 300 000 opgenomen voor de inhuur op openstaande vacatures en de opvang van tijdelijke capaciteitstekorten. De uitgaven belopen € 385 000. De meerkosten worden gefinancierd uit de onderbesteding op salariskosten. De uitgaven aan externe deskundigen ad € 218 000 blijven ruim onder het in de begroting opgenomen bedrag van € 600 000.

De uitgaven voor overige personeelskosten (onder meer vergoedingen woon-werkverkeer, opleidingen, bedrijfsgeneeskundige verzorging, vergaderkosten en kosten salarisverwerking) belopen € 856 000 en blijven daarmee per saldo € 139 000 onder de begroting.

Materiële kosten

De materiële kosten (kosten voor automatisering/ICT, huisvestingskosten en overig bureaukosten) belopen € 2 030 000 en komen daarmee € 1 495 000 lager uit dan de begroting.

De kosten voor automatisering/ICT komen € 139 000 lager uit dan begroot. Dit komt door de lagere kosten voor de kantoorautomatisering als gevolg van de lagere bezetting en lagere kosten voor vaste telefonie.

De huisvestingskosten komen € 1 093 000 lager uit dan begroot. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de kosten van de 2e etage, die als gevolg van de reorganisatie overbodig is geworden, ten laste van de voorziening reorganisatie zijn gebracht. De huur van deze ruimte is per 1 januari 2011 beëindigd. Daarnaast is rekening gehouden met een correctie van de huur en facilitaire kosten van de per 1 september 2009 aan het Ministerie van BZK overgedragen kantoorruimte.

De bureaukosten komen € 263 000 lager uit dan begroot. De onderbesteding komt met name door de lagere bezetting en het wegvallen van de kosten van de chauffeursdienst.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op een dotatie aan de voorziening voor wachtgeldverplichtingen van voormalige Ctsv-medewerkers.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten materiële vaste activa betreffen voornamelijk kantoormeubilair. De afschrijvingskosten van de immateriële vaste activa betreffen het documentaire informatiesysteem.

Dotaties voorzieningen

De dotaties voorzieningen betreft in hoofdzaak een dotatie aan de voorziening voor onderhanden werk van € 1 023 000. Deze dotatie dient plaats te vinden omdat er twee projecten uit de tarievennota 2009 over de jaargrens naar 2011 lopen. Omdat voor deze projecten in 2010 weinig uren waren begroot dient er voor de meeruren een dotatie aan deze voorziening plaats te vinden.

Bij het herwaarderen van de voorziening reorganisatie 2009 is gebleken dat er een dotatie aan de voorziening dient plaats te vinden van € 552 000. Deze dotatie is nodig omdat de verwachting is dat de boventallige en gedetacheerde medewerkers minder gemakkelijk een andere baan vinden onder meer als gevolg van de reductietaakstellingen van het kabinet.

Daarnaast heeft er een dotatie van € 107 000 plaatsgevonden aan de voorziening reorganisatie 2007. De verwachting is dat voor de drie ten laste van deze voorziening komende medewerkers na afloop van hun detachering bij de facilitair beheerder van het Rijkskantoor niet direct een andere baan voorhanden is.

Balans Inspectie Werk en Inkomen

Tabel 10.11 Balans IWI per 31 december 2010 (x € 1 000)
 

2010

2009

Activa

  

Immateriële vaste activa

273

347

Materiële vaste activa

  

– grond en gebouwen

41

50

– installaties en inventarissen

90

125

– overige materiële vaste activa

9

Voorraden

Onderhanden werk

2 314

4 530

Debiteuren

1 657

3 062

Nog te ontvangen

82

73

Liquide middelen

12 453

15 194

Totaal activa

16 910

23 390

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

  

– exploitatiereserve

652

640

– verplichte reserves

347

– onverdeeld resultaat

112

2

Leningen bij het MvF

Voorzieningen

8 904

13 081

Crediteuren

1 679

102

Nog te betalen

1 131

2 028

Vooruit ontvangen bedragen

4 432

7 190

Totaal passiva

16 910

23 390

Onderhanden werk

De opgenomen post onderhanden werk ad € 2 314 000 betreft de 18 ultimo 2010 lopende projecten. Het saldo van de voorziening onderhanden werk is op deze post in mindering gebracht.

Debiteuren

Onder de debiteuren zijn onder meer opgenomen de vorderingen uit de detacheringsovereenkomsten van medewerkers die buiten IWI zijn gedetacheerd en waarvan de lasten zijn opgenomen onder de voorzieningen voor reorganisatie 2007 en 2009. De voorzieningen aan de passiefzijde van de balans zijn met deze bedragen verhoogd. Van de vorderingen heeft een bedrag van € 1 358 000 een looptijd van korter dan 1 jaar. Er zijn geen vorderingen met een looptijd van meer dan 5 jaar.

Van de vorderingen heeft € 560 000 betrekking op het kerndepartement.

Resultaatsverdeling en eigen vermogen

Tabel 10.12 Ontwikkeling eigen vermogen (x € 1 000)
 

2008

2009

2010

1. Eigen vermogen per 1 januari

2 957

1 513

989

2. Saldo van baten en lasten

344

2

112

3a. Uitkering aan moederdepartement

– 1 788

– 526

– 337

3b. Bijdrage moederdepartement ter

versterking van eigen vermogen

3c. Overige mutaties in eigen vermogen

3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen

4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)

1 513

989

764

Als gevolg van de uitkering aan het moederdepartement in 2010 ad € 337 000 en het positieve resultaat van € 112 000 daalt het eigen vermogen ultimo 2010 per saldo tot € 764 000 en blijft daarmee ruim onder het maximale eigen vermogen, wat begrensd is op 5% van de gemiddelde omzet van de afgelopen drie jaar. Het aldus berekende maximale eigen vermogen ultimo 2010 bedraagt € 830 000.

De eigenaar van IWI heeft besloten het eigen vermogen met in totaal € 375 000 af te romen. Hiermee komt het eigen vermogen van IWI in 2011 op € 389 000.

In het eigen vermogen in de balans per ultimo 2009 was een verplichte reserve begrepen voor de immateriële vaste activa. Op grond van de gewijzigde regeling baten-lastendiensten is deze reserve per 1 januari 2011 vrijgevallen. De vrijval heeft niet plaatsgevonden ten gunste van het resultaat, maar is gemuteerd binnen het eigen vermogen.

Voorzieningen

Tabel 10.13 Verloop en de stand van de voorzieningen (x € 1 000)
  

Stand 1-1-2010

Saldo uitgaven

Vrijval of dotatie

Mutatie vordering op derden

Stand 31-12-2010

1

Voorziening wachtgeldverplichting voormalige Ctsv’ers

2 521

– 760

– 76

1 685

2

Voorziening voor reorganisatie 2007

493

– 68

107

– 83

449

3

Voorziening voor reorganisatie 2009

10 067

– 2 729

552

– 1 120

6 770

       
 

Totaal voorzieningen

13 081

– 3 557

583

– 1 203

8 904

Onder de vorderingen zijn de te verwachten opbrengsten van de gedetacheerde medewerkers toegelicht. Van de voorziening heeft een bedrag van € 3 896 000 een looptijd van korter dan 1 jaar en € 64 000 van langer dan 5 jaar.

De voorziening onderhanden werk ad € 1 023 000 is gesaldeerd met de voorraad onderhanden werk in de balans opgenomen.

Crediteuren

Onder de crediteuren is onder meer opgenomen de aan het departement te betalen salariskosten over december 2010, de kosten van de ICT-dienstverlening en de kosten van salarisverwerking. Van de crediteuren heeft € 1 357 000 betrekking op het kerndepartement.

Nog te betalen kosten

De nog te betalen kosten bevat onder meer de ultimo 2010 opgebouwde vakantietoeslag en eindejaarsuitkering en de door te belasten kosten van de afdeling personeel en organisatie van het kerndepartement aan IWI. Van de nog te betalen kosten heeft € 639 000 betrekking op het kerndepartement.

Vooruit ontvangen bedragen

De vooruit ontvangen bedragen ad € 4 432 000 betreffen de van het kerndepartement ontvangen voorschotten op de ultimo 2010 lopende projecten uit de tarievennota 2009 voor € 974 000 en de tarievennota 2010 voor € 2 900 000. Deze projecten worden met het departement afgerekend na afronding van het project. Het te veel aan ontvangen voorschot ad € 558 000 zal in 2011 aan het departement worden terugbetaald.

Kasstroomoverzicht Inspectie Werk en Inkomen

Tabel 10.14 Kasstroomoverzicht IWI 2010 (x € 1 000)
  

Begroting 2010

Realisatie 2010

Verschil

2010

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2010

11 139

15 193

4 054

     

2.

Totaal operationele kasstroom

– 2 350

– 2 409

– 59

     

3a.

Totaal investeringen (-/-)

3b.

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

6

6

3.

Totaal investeringskasstroom

-

6

6

     

4a.

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

– 526

– 337

189

4b.

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

4c.

Aflossingen op leningen (-/-)

4d.

Beroep op leenfaciliteit (+)

4.

Totaal financieringskasstroom

– 526

– 337

189

     

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2010 (=1+2+3+4)

8 263

12 453

4 190

 

(maximale roodstand € 0,5 mln.)

   

De toename van het rekening-courant saldo ten opzichte van de begroting komt voornamelijk door de in 2009 ontvangen exploitatiebijdrage. Bij het opstellen van de begroting 2010 was hiermee geen rekening gehouden.

De desinvesteringen betreft de verkoop van de laatste dienstauto van IWI en enkele kasten.

De eenmalige uitkering aan het moederdepartement betreft de afrekening 2009 met het departement.

Doelmatigheid Inspectie Werk en Inkomen

Tabel 10.15 Overzicht doelmatigheidskengetallen en indicatoren IWI

Doelstelling

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Kostprijzen per product(groep)

Tarieven/uur (uit Tarievennota’s)

140,65

138,45

148,50

141,60

Tarieven/uur (prijsniveau 2010)

149,35

147,01

153,94

141,60

Ontwikkeling tarief (2007 = 100%)

100,0%

98,4%

103,1%

94,8%

Omzet per productgroep

     

Bezetting ultimo jaar

203,5

179,9

156,3

125,7

     

Saldo baten en lasten

2 357

344

2

112

Idem in percentage van totale baten

9,4%

1,6%

0,0%

0,9%

     

Kwaliteitsindicator 1: Tijdigheid rapporten

63%

47%

47%

36%

Kwaliteitsindicator 2: Aantal rapporten

27

15

7

11

De belangrijkste producten van IWI zijn rapporten en verkennende studies over de werking van het stelsel van werk en inkomen. Aangezien de onderzoeken zeer verschillend van omvang zijn, is het niet mogelijk om een betekenisvolle kostprijs per product of productgroep samen te stellen.

In de tabel zijn de tarieven opgenomen zoals berekend in de tarievennota’s 2007 tot en met 2010. Deze tarieven zijn geïndexeerd naar het loon- en prijsniveau van 2010 en de ontwikkeling daarvan ten opzichte van 2007. In 2010 heeft er geen ontwikkeling van de lonen en prijzen plaatsgevonden. De afname van het tarief 2010 ten opzichte van de voorgaande jaren komt hoofdzakelijk door de verhoging van de directe productiviteit en doordat de projectsecretarissen en programmamanagers ook hun directe productiviteit zijn gaan verantwoorden.

De bezetting van IWI is de afgelopen jaren als gevolg van diverse reorganisaties en taakstellingen fors afgenomen. Ultimo 2010 is de totale bezetting 125,7 fte. Hiervan zijn 32,2 fte gedetacheerd en zijn er 10,5 fte met bijzondere taken. De feitelijke bezetting van IWI in december was daardoor 83,0 fte’s.

De kwaliteitsindicatoren van IWI hebben beperkte zeggingskracht. IWI stuurt op het tijdig afronden van haar producten, maar tracht het tijdstip van uitbrengen ook af te stemmen op de actualiteit. Van de in 2010 uitgebrachte rapporten is 36% op tijd uitgebracht. In de tarievennota 2011 is de doelstelling opgenomen dat 65% van de rapporten op tijd wordt uitgebracht.

Vanaf 2008 is het aantal rapporten afgenomen omdat de bevindingen worden samengebracht in de programmarapportages. Het aantal rapportages is daardoor afgenomen. In 2010 heeft IWI daarnaast 2 rapporten uitgebracht op verzoek van de minister.

IWI heeft in 2010 besloten daadwerkelijk in te zetten op de meting van haar effecten. Daartoe zijn twee trajecten uitgevoerd, te weten een pilot op twee programmarapportages om na te gaan of effecten daadwerkelijk meetbaar zijn en de ontwikkeling van een kader voor effectmeting met inhoudelijke uitgangspunten, voorwaarden voor de werkprocessen en uitgangspunten voor het meetproces. Aan deze pilots wordt in 2011 een vervolg gegeven.

Het opleidingsplan van IWI is de basis voor de verdere ontwikkeling van het kennisniveau van de IWI-medewerkers. Zo loopt er een tweede mastercourse toezichtonderzoek, is in 2010 een opleidingsprogramma opgezet voor de medewerkers van het programma Informatieprocessen en lopen er enkele teamontwikkelingstrajecten. Evenals de interne kenniskring die adviseert over de opzet, analyse en conclusies van onderzoeken en de feedback bijeenkomsten, laten deze activiteiten zich niet meten in indicatoren.

ONDERDEEL D. BIJLAGEN

BIJLAGE 1 TOEZICHTSRELATIES

1.1 Inspectie Werk en Inkomen (IWI)

IWI heeft de wettelijke taak om als toezichthouder voor de minister onafhankelijk inzicht te bieden in de bijdragen die de uitvoeringsinstanties in de sociale zekerheid leveren aan de kabinetsdoelen op het terrein van werk en inkomen. Daarbij gaat het om de effectiviteit van de uitvoeringspraktijk in samenhang met het beleid op het terrein van werk en inkomen. 6 Waar nodig (groot risico) en waar mogelijk (duidelijke normen) zal de inspectie tot oordelen komen. De focus van het toezicht van IWI is verschoven van wets- en organisatiegericht naar systeemgericht.

Per 1 maart 2010 heeft de inspectie een reorganisatie doorgevoerd. Op die datum zijn de taken op het gebied van arbeidsveiligheid aan de Arbeidsinspectie overgedragen. Vanaf 1 mei 2010 is de uitvoering van de wettelijke taken van IWI aan de Auditdienst overgedragen. Ook is per 1 maart 2010 de ontwikkeling van de AI, SIOD en IWI naar één Inspectie voor SZW in gang gezet. Vanaf dat moment is er ook één IG benoemd voor zowel de AI, SIOD en IWI.

Programma’s

IWI werkt programmatisch. In 2010 waren de volgende programma’s in uitvoering: participatie, inkomenszekerheid, informatieprocessen en dienstverlenende overheid. Hieronder wordt nader ingegaan op de activiteiten binnen deze programma’s.

1. Participatie

Het programma Participatie onderzocht in 2010 het participatiebeleid zoals dat met het coalitieakkoord van 2007 is ingezet en de participatie in tijden van economische crisis.

In de programmarapportage «Dienstverlening op maat» belicht IWI hoe de uitvoering zich inzet om langdurige werkloosheid en arbeidsongeschiktheid te voorkomen. De inspectie deed onderzoek naar activiteiten voor werknemers die werkeloos dreigen te raken. Het is van belang dat vroegtijdig wordt vastgesteld of iemand een verhoogd risico op langdurige werkloosheid heeft en dat tijdig de juiste ondersteuning wordt vastgesteld en aangeboden. IWI deed ook onderzoek naar de preventie van langdurige werkeloosheid bij zieke werklozen. De inspectie signaleert onder meer dat de focus op werk bij de re-integratie van deze kwetsbare groep later dan wenselijk tot stand komt. UWV heeft naar aanleiding van deze bevindingen een verbeterplan opgesteld.

Verder keek de inspectie naar de mate waarin UWV zich bij de inzet van re-integratie-instrumenten richt op de concrete vraag van werkgevers in de regio. Dit varieert per vestiging. De dienstverlening van de mobiliteitscentra richt zich meer op het begeleiden van werk naar werk dan de dienstverlening op de reguliere Werkpleinen.

De programmarapportage «Participatie in crisistijd» vormt de afsluiting van drie jaar toezichtonderzoek van IWI naar de uitvoering van het beleidsprogramma «Iedereen doet mee». IWI onderzocht wat gemeenten en UWV doen om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te helpen bij het overbruggen van die afstand en in hoeverre zij daarin slagen. Deze programmarapportage is onder meer gebaseerd op onderzoek van IWI naar de inzet van trajecten voor uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, en naar de dienstverlening op de werkpleinen ten tijde van de economische crisis. De inspectie concludeert dat er in verhouding veel trajecten werden aangeboden aan mensen met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt. Het aantal trajecten voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt steeg nauwelijks.

2. Inkomenszekerheid

In het programma Inkomenszekerheid heeft IWI onderzocht of armoedebestrijding mensen activeert om weer aan het werk te gaan.

In haar programmarapportage «Armoedebestrijding» constateert de inspectie dat van de mensen die vanuit de bijstand werk vinden, ruim 40 procent aangeeft er financieel niet op vooruit te zijn gegaan. Dit komt bijvoorbeeld omdat ze parttime werk vinden, ze nog schulden hebben, of omdat hun recht op een aanvullende uitkering vervalt. Ondanks deze armoedeval blijft men wel aan het werk. Een hoger inkomen is dus lang niet voor iedereen het belangrijkste argument om werk te accepteren. Belangrijke drijfveren komen voort uit iemands mate van zelfredzaamheid en sociale omstandigheden zoals opleidingsniveau.

De staatssecretaris van SZW heeft IWI gevraagd onderzoek te doen naar de gemeentelijke praktijk op het terrein van de toekenning van de langdurigheidstoeslag. Uit de verkennende studie «De langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd» blijkt dat alle gemeenten hebben voldaan aan de verplichting om een verordening op te stellen, waarin regels zijn opgenomen over de hoogte van de langdurigheidstoeslag en invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.

Verder blijkt dat gemeenten er nadrukkelijk naar streven het instrument langdurigheidstoeslag zodanig in te zetten dat enerzijds armoedevaleffecten zoveel mogelijk worden voorkómen en anderzijds participatie zo min mogelijk wordt belemmerd.

3. Informatieprocessen

Het programma Informatieprocessen is in maart 2010 van start gegaan. In dit programma is de vraag onderzocht of betrouwbare en relevante informatie op het juiste moment, veilig bij de juiste persoon komt tegen minimale lasten. In het SUWI-domein is informatie van wezenlijk belang voor alle partijen. Burger en werkgever willen goed bediend worden. Daarbij gaat het onder meer om het tijdig en tegen minimale lasten leveren van de juiste informatie.

In de programmarapportage «De burger bediend in 2010» geeft IWI een beeld van de ontwikkelingen en de huidige stand van zaken op het gebied van informatievoorziening en gegevensuitwisseling in de keten van werk en inkomen. Aan de orde komen de informatieprocessen op de werkpleinen, de invoering van de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen, en de ontwikkeling van het digitale klantdossier.

IWI vindt dat gemeenten en UWV de afgelopen jaren veel vooruitgang hebben geboekt. Tegelijkertijd blijkt het in de praktijk niet eenvoudig om op ICT-gebied de samenwerking in de back office op het gewenste niveau te krijgen. De informatieprocessen van UWV en gemeenten dienen beter op elkaar aan te sluiten. Op het moment van publicatie van de rapportage hebben UWV, VNG en Divosa hierover met elkaar afspraken gemaakt.

4. Dienstverlenende Overheid

In het programma Dienstverlenende Overheid is onderzocht of de dienstverlening van de samenwerkende instanties op het terrein van werk en inkomen voldoende doeltreffend en klantgericht is.

In de rapportage «Maatwerk bij meervoudigheid» wijst de inspectie op het belang van een goede en vroegtijdige diagnose voor WWB’ers en WW’ers die op meerdere levensgebieden problemen hebben. In deze rapportage staat de vraag centraal hoe de dienstverlening vanuit het stelsel van werk en inkomen voor de groep WW’ers en WWB’ers met meervoudige problematiek vorm krijgt. Deze mensen zijn voor hulpverlening aangewezen op verschillende instanties.

Het aantal mensen met meervoudige problematiek in de keten van werk en inkomen is substantieel. Uit een globale schatting komt naar voren dat ruim 40% (360 000 personen) op het bestand van de 900 000 cliënten met een uitkering 7 naast het werkloos zijn, te maken heeft met twee of drie geregistreerde problemen, die belemmerend zouden kunnen werken voor hun terugkeer naar de arbeidsmarkt. Naar schatting de helft van de mensen in de WWB kampt met meervoudige problematiek. In deze rapportage staat de vraag centraal hoe de dienstverlening vanuit het stelsel van werk en inkomen voor de groep WW’ers en WWB’ers met meervoudige problematiek vorm krijgt. Door het tijdens de crisis toegenomen aantal cliënten staat de caseload op veel plaatsen onder druk. Hierdoor is maatwerk in de dienstverlening voor mensen met meerdere problemen onvoldoende gewaarborgd.

IWI onderzocht ondermeer ook welke samenwerking er is met organisaties uit andere domeinen dan Werk en Inkomen. En ging in op de vraag in hoeverre er zicht is op de effecten van deze dienstverlening. Het inzicht in de effectiviteit van de interventies voor cliënten met meervoudige problematiek is voor verbetering vatbaar.

De Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen (WEU) maakt het mogelijk dat UWV, gemeenten en SVB dezelfde gegevens van een cliënt maar één keer vragen. Dat past in het streven van de overheid om de dienstverlening te verhogen en de administratieve lasten te verlagen. IWI onderzocht de voortgang die de ketenpartners in de sociale zekerheid boeken bij de invoering van de WEU. Uit het onderzoek van IWI blijkt dat UWV, gemeenten en SVB op schema liggen bij de invoering van de WEU. De werkcoaches en klantmanagers op de werkpleinen passen in principe eenmalige gegevensuitvraag toe, waarbij ze zoveel mogelijk uitgaan van de gegevens die de burger zelf aanlevert. De medewerkers beschikken met een digitaal systeem (Suwinet-Inkijk) over de gegevens uit elkaars bestanden. Ze zijn niet altijd positief over de gebruikersvriendelijkheid van het systeem en de actualiteit van de gegevens. IWI ziet verbetermogelijkheden voor de kwaliteit van de gegevens in het centrale systeem. Daarbij speelt dat ruim de helft van de werkcoaches en klantmanagers niet goed op de hoogte is hoe ze wijzigingen en correcties in Suwinet-Inkijk moeten doorgeven.

Tevens heeft de inspectie de negende voortgangsrapportage over de operatie «Walvis» uitgebracht. Hierin stelt de inspectie vast dat UWV en Belastingdienst in 2009 goede voortgang hebben geboekt bij het verbeteren en borgen van de loonaangifteketen en de polisadministratie. De inspectie constateert dat er sprake is van een werkende keten.

Niet geprogrammeerde activiteiten

De minister van SZW vroeg IWI onderzoek te doen naar de sturing en risicobeheersing bij UWV in het algemeen en bij de re-integratiebudgetten WW in het bijzonder. Dit naar aanleiding van Kamervragen over de overschrijding van deze budgetten. De minister heeft ook een Commissie Interne Sturing UWV ingesteld, die advies heeft uitgebracht over de sturing binnen UWV. De Commissie heeft de rapportage van IWI betrokken in haar vervolgonderzoek naar de interne beheersingsmaatregelen UWV en de verantwoording van de re-integratiebudgetten. Conclusie uit de IWI rapportage en het advies van de genoemde commissie is dat het systeem dat UWV hanteert voor risicobeheersing in opzet voldoet aan de gangbare normen en naar behoren werkt voor reguliere uitvoeringstaken. Het systeem blijkt nog niet voldoende ingericht op grote veranderingen in taken en functies. Verder behoeven de sturing en risicobeheersing binnen UWV WERKbedrijf verbetering. UWV heeft verbetermaatregelen in gang gezet.

In haar rapport «Het Chronisch Vermoeidheidssyndroom» heeft de inspectie onderzocht op welke wijze het UWV borgt dat het Verzekeringsgeneeskundig protocol CVS op een zorgvuldige wijze wordt toegepast. Uit het onderzoek blijkt dat de uitvoering van de claimbeoordeling CVS in overeenstemming is met geldende wet- en regelgeving. De resultaten van de claimbeoordeling CVS en de aantallen klachten, bezwaar- en beroepszaken zijn in de periode 2007 tot en met 2009 qua patroon vergelijkbaar met die van vergelijkbare en het totale aantal claimbeoordelingen.

Het is moeilijk om te beoordelen in hoeverre iemand met CVS in staat is om te werken. Bij zo’n beoordeling gaat het om een individuele inschatting van mogelijkheden, toegesneden op de specifieke situatie van de individuele cliënt. Daarbij is enige ruimte voor verschillen in beoordeling onvermijdelijk. Interne uitwisseling van werkwijzen en opvattingen tussen vestigingen kan er aan bijdragen deze verschillen te verkleinen. Verder kan een actualisering van het protocol CVS bijdragen aan een uniforme uitvoering.

IWI onderzocht op verzoek van de minister van SZW hoe UWV en gemeenten bijdragen aan het vervullen van seizoensgebonden vacatures in de land- en tuinbouw. IWI concludeert dat hier sprake is van een relatief beperkt probleem. Door toenemende automatisering en afnemende werkgelegenheid in de sector is het te verwachten dat het aantal onvervulde vacatures verder zal dalen. Wel zijn er enkele knelpunten, zoals de soms late aanmelding van vacatures door werkgevers. Ook sluit het aanbod aan werkzoekenden niet altijd aan bij de vraag van werkgevers. Verder heeft de sector last van een negatieve beeldvorming bij werkzoekenden. UWV en LTO Nederland hebben een plan van aanpak gemaakt om de knelpunten te lijf te gaan.

Jaarverslag IWI

De Inspectie Werk en Inkomen publiceert op grond van artikel 38 lid 2 van de Wet SUWI een eigen jaarverslag dat parallel aan dit jaarverslag ter kennis wordt gebracht van beide Kamers der Staten-Generaal.

1.2 De Nederlandsche Bank (DNB)

Via de moties van de leden De Nerée tot Babberich c.s. (Kamerstukken II, 2006/2007, 30 300, nr. 39) en De Vries c.s. (Kamerstukken II, 2006/2007, 30 413, nr. 79) is de regering ten aanzien van onder meer de toezichthouders op de financiële markten, te weten De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM), verzocht in het departementale jaarverslag een overzicht op te nemen van:

  • a. de toezichtstaak, de beleidsdoelen en de geleverde prestaties door de toezichthouders;

  • b. de kosten van de toezichthouders;

  • c. het aantal formatieplaatsen, zo mogelijk per beleidsdoel en toezichtstaak;

  • d. de kosten en bedragen die worden doorberekend aan de onder toezicht gestelden.

Toezichttaak

Als prudentieel toezichthouder ziet DNB toe op de soliditeit van financiële ondernemingen en het bijdragen aan de stabiliteit van de financiële sector.

Beleidsdoelen

Hoofddoel van het toezicht is een stabiele en integere financiële sector die op een groot vertrouwen van het publiek mag én kan rekenen. Daartoe zijn drie doelstellingen geformuleerd:

1. Goede uitvoering van het toezicht
  • a. Het toezicht op governance en integriteit is versterkt. Daarbij is de aandacht vooral uitgegaan naar het beloningsbeleid, de deskundigheid van beleidsbepalers van financiële instellingen en het gedrag en de cultuur van financiële ondernemingen.

  • b. De stress-testen zijn verder uitgebouwd terwijl DNB actief betrokken was bij de ontwikkeling van nieuwe Guidelines for Stress testing door het Europese Comité van Bankentoezichthouders.

  • c. DNB heeft de invoering van de Richtlijn Betaaldiensten (Payment Services Directive) voorbereid maar nog niet afgerond.

2. Proactief inspelen op externe ontwikkelingen
  • a. Belangrijke lessen uit de crisis zijn geïmplementeerd. Met de aanpassingen in de inrichting van het toezicht heeft DNB de risico-oriëntatie verscherpt in de nieuwe afdeling «risicomanagement toezichtprocessen», expertrollen dichter bij elkaar gebracht terwijl ook gewerkt is aan een meer indringend en vasthoudend gedrag. Tevens heeft DNB nadruk gelegd op de koppeling tussen het micro- en macro-prudentieel toezicht.

  • b. Er zijn stappen gezet in de voorbereiding van de sector en DNB op de invoering van Solvency II.

  • c. DNB heeft proactief bijgedragen aan de institutionele vernieuwing van het pensioenstelsel.

  • d. Tevens is bijgedragen aan de versterking van het Europese toezicht alsmede aan het hervormingspakket van het Bazels Comité.

3. Continue verbetering van toezicht

DNB ontwikkelde de «Visie DNB Toezicht 2010–2014» en kwam met een plan van aanpak voor cultuurverandering. Ook is het actieplan «risico-oriëntatie verzekeringstoezicht» uitgevoerd en is het raamwerk interne kwaliteitsbeoordeling versterkt. Als onderdeel van de herstructurering is met ingang van 1 januari 2011 de afdeling «risicomanagement toezichtprocessen» opgericht. Verder is in 2010 een fundamentele review gestart van de methode die DNB hanteert bij de analyse en aanpak van de risico’s bij onder toezicht staande instellingen.

Tabel B1.1 Geleverde prestaties DNB
 

2009

2010

Maatregelen bij onder toezicht staande instellingen

  

Aanwijzing

11

12

Last onder dwangsom

203

114

Bestuurlijke boete

2

1

Financieringsplan

0

1

Saneringsplan

4

0

Herstelplan

343

13

Stille curatele

3

3

Aanstelling bewindvoerder

0

0

Doorhaling register op initiatief van DNB

1

2

Noodregeling

1

1

Aangifte bij het OM

0

0

   

Maatregelen bij niet onder toezicht staande instellingen

  

Last onder dwangsom

3

1

Bestuurlijke boete

8

1

Publicatie

4

0

Aanwijzing

4

5

Stille curatele

2

2

Noodregeling

0

0

Aangifte bij het OM

2

2

Faillissement op verzoek van DNB

0

0

Tabel B1.2 Toezichtskosten DNB
 

2009

2010

Banken 1

€ 38,16 mln

€ 42,81 mln

Pensioenfondsen

€ 23,71 mln

€ 23,87 mln

Verzekeraars

€ 23,70 mln

€ 27,81 mln

Overige instellingen en sanctiewet

€ 9,07 mln

€ 9,88 mln

FEC-eenheid

€ 0,84 mln

€ 0,79 mln

Som der lasten

€ 95,47 mln

€ 105,16 mln

Aan onder toezichtsgestelden toe te rekenen kosten

€ 74,65 mln

€ 80,82 mln

Gemiddeld aantal fte’s 2

641

625

X Noot
1

Banken inclusief elektronische geldinstellingen en overige kredietinstellingen (niet-banken).

X Noot
2

Direct personeel plus toegerekende ondersteuning.

1.3 Autoriteit Financiële Markten (AFM)

Toezichttaak

Als gedragstoezichthouder ziet de AFM toe op ordelijke en transparante financiële marktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten.

Beleidsdoelen

Hoofddoel van het toezicht is het bevorderen van eerlijke en transparante financiële markten. Daartoe is de AFM actief op twee terreinen, te weten financiële dienstverlening en kapitaalmarkten.

1. Financiële dienstverlening

De AFM bevordert de zorgvuldige financiële dienstverlening aan consumenten. Bedrijven en personen die financiële diensten verlenen, moeten deskundig, betrouwbaar en integer zijn. De informatie van financiële ondernemingen en pensioenuitvoerders dient feitelijk juist, begrijpelijk en niet misleidend te zijn. De ondernemingen moeten handelen in het belang van hun klanten (zorgplicht).

2. Kapitaalmarkten

De AFM bevordert de eerlijke en efficiënte werking van kapitaalmarkten, waarop beleggers kunnen vertrouwen. De toezichthouder handhaaft de spelregels voor degenen die actief zijn op de markt van aandelen en andere effecten. Marktmisbruik – gebruik van voorwetenschap, manipulatie of misleiding – is verboden. Beursgenoteerde bedrijven moeten koersgevoelige informatie tijdig en correct naar buiten brengen. De AFM handhaaft de regels voor de uitgifte van effecten en openbare biedingen, voor financiële verslaggeving en voor accountants die de verslaggeving controleren.

Tabel B1.3 Geleverde prestaties AFM
 

2009

2010

Formele toezichtmaatregelen

  

Opgelegde boetes

52

53

Opgelegde lasten onder dwangsom

59

42

Aangiftes

15

12

Intrekking vergunning

38

29

Aanwijzingen

242

201

Publieke waarschuwingen

9

3

Instelling van een Wft curator

6

1

Civielrechtelijke maatregelen (Wtfv)

33

25

Totaal aantal formele toezichtmaatregelen

454

366

   

Informele toezichtmaatregelen

  

Aantal normoverdragende gesprekken/brieven

1 605

673

Tabel B1.4 Toezichtskosten AFM
 

2009

2010

Aanbieders

€ 24,4 mln

€ 27,0 mln

Accountantsorganisaties

€ 5,7 mln

€ 6,3 mln

Adviseurs en bemiddelaars in financiële producten

€ 18,5 mln

€ 19,4 mln

Effecten uitgevende instellingen

€ 14,9 mln

€ 16,4 mln

Infrastructuur

€ 1,1 mln

€ 1,1 mln

Integriteit

€ 0,1 mln

€ 0,1 mln

Overig

€ 4,0 mln

€ 4,6 mln

Kosten van werkzaamheden die niet direct herleidbaar zijn tot een wettelijke taak

€ 2,5 mln

€ 3,7 mln

Afschrijving eerder geactiveerde kosten

€ 5,4 mln

€ 5,1 mln

Geactiveerde lasten ontwikkelde software

€ 0,5 mln

€ 0,0 mln

Som der lasten

€ 77,1 mln

€ 83,7 mln

Aan onder toezichtgestelden toe te rekenen kosten 1

€ 43,8 mln

€ 47,0 mln

Gemiddeld aantal fte’s

456

474

X Noot
1

Inclusief de in het betreffende jaar gemaakte voorbereidingskosten die later aan onder toezichtgestelden worden doorberekend.

BIJLAGE 2 ZBO’S EN RWT’S

Deze bijlage bevat een overzicht van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) die onder de verantwoordelijkheid van het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen. Indien een ZBO of een RWT uit de departementale begroting en/of via de premie-uitgaven een bijdrage ontvangt, is het beleidsartikel vermeld waarin het ZBO of de RWT is opgenomen, alsmede de gerealiseerde bijdragen van 2010.

Tabel B2.1 Overzicht van ZBO’s en RWT’s van SZW ( x € 1 mln)
 

RWT

ZBO

Beleidsartikel

Bijdrage 2010

Raad voor Werk en Inkomen (RWI)

Ja

 

Artikel 47

5,8

Stichting Cultuur & Ondernemen

Ja

 

Artikel 46

2,8

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) inclusief BKWI

Ja

Ja

Artikel 42, 46, 47, 48 en 49

1 915,4*

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

Ja

Ja

Artikel 49 en 50

245,5*

Inlichtingenbureau (IB)

Ja

 

Artikel 46

7,1

Certificerende- en keuringsinstanties arbeidsomstandigheden

 

Ja

Artikel 44

 

Bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen

 

Ja

Artikel 45

 

* Deels via premiegefinancierde uitgaven

Raad voor Werk en Inkomen

De Raad voor Werk en Inkomen (www.rwi.nl) is het officiële en onafhankelijke overlegorgaan van vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en gemeenten. De Raad heeft tot taak overleg te voeren met de minister van SZW over voorstellen van deze raad betreffende het beleid met betrekking tot werk en inkomen, het arbeidsmarktbeleid en de bevordering van de kwaliteit en de transparantie van de re-integratiemarkt.

Stichting Cultuur & Ondernemen

Stichting Cultuur & Ondernemen (www.cultuur-ondernemen.nl) heeft als wettelijke taak het uitvoeren van beroepsmatigheidsonderzoeken in opdracht van de sociale diensten van gemeenten. Kunstenaars die gebruik maken van de WWIK moeten kunnen aantonen dat zij beroepsmatig werken.

UWV

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (www.uwv.nl) is een zelfstandig bestuursorgaan dat de sociale verzekeringen voor werknemers, zelfstandigen en jonggehandicapten uitvoert (onder meer WAO, WIA, WW, Wajong en ZW). De belangrijkste taak van het UWV is bemiddeling en re-integratie. Werkzoekenden kunnen bij het UWV terecht voor het vinden van werk of het aanvragen van een WW- of WWB-uitkering. Werkgevers kunnen bij het UWV terecht voor personeelsbemiddeling en informatie over de arbeidsmarkt. Daarnaast verleent het UWV ontslagvergunningen en tewerkstellingsvergunningen, verricht keuringen en indicatiestellingen en geeft arbeidsrechtelijke informatie.

BKWI

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (www.bkwi.nl) is opgericht om het geheel aan centrale voorzieningen binnen de keten van werk en inkomen te beheren en door te ontwikkelen. Een onderdeel hiervan is het beheer van SUWI-net.

SVB

De Sociale verzekeringsbank (www.svb.nl) is een zelfstandig bestuursorgaan dat de regelingen uitvoert voor verschillende overheidsorganisaties. Voor het ministerie van SZW voert de SVB de AOW, ANW, TOG, TAS, AIO, Bijstand Buitenland, AKW en de Kinderregelingen uit.

IB

Het Inlichtingenbureau (www.inlichtingenbureau.nl) ondersteunt gemeenten bij hun wettelijke taken in het kader van de sociale zekerheid. Het doel is bestrijding van fraude en bevorderen van samenwerking tussen de verschillende organisaties door gegevensuitwisseling tussen gemeenten en derden in de keten van werk en inkomen.

Certificerende – en keuringsinstanties arbeidsomstandigheden

Keuren en certificeren op het terrein van arbeidsomstandigheden.

Bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen

De bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen hebben als taak het uitvoeren van een bedrijfstak- of beroepspensioenregeling met verplichte deelname.

Tabel B2.2 Uitvoeringskosten per SUWI-organisatie (x € 1 mln)
 

2006

2007

2008

2009

Realisatie 2010

Begroting 2010*

verschil 2010

UWV totaal**

2 171,5

2 078,2

1 966,7

2 091,5

1 905,0

1 985,0

– 80,0

Reguliere kosten

1 914,5

1 811,8

1 756,6

1 840,9

1 776,5

1 832,1

– 55,6

Transformatie- en frictiekosten

84,8

66,2

44,3

118,9

43,0

48,2

– 5,2

Kwaliteitsbudget

52,1

Overige projectkosten***

120,1

200,2

165,8

131,7

85,5

104,7

– 19,2

        

SVB totaal

215

204

217,7

216,4

245,5

246,8

– 1,3

SV-Kosten

215

204

217,7

216,4

245,5

246,8

– 1,3

        

BKWI totaal

8,2

8,7

10,0

11,0

10,4

9,8

0,6

Reguliere kosten

6,2

7,5

8,5

8,7

8,9

8,3

0,6

Projectkosten

2,0

1,2

1,5

2,3

1,5

1,5

0

        

IB totaal****

5,7

6,9

5,8

6,8

6,9

7,2

– 0,3

Reguliere kosten

4,0

5,7

5,8

6,1

5,8

5,8

0

Projectkosten

1,7

1,1

0,7

1,1

1,4

– 0,3

* De kolom begroting 2010 geeft de eindstand van het budget van de SUWI-organisaties weer. Vanwege budgettoekenningen die na het opstellen van de SZW-begroting 2010 hebben plaatsgevonden, wijkt dit af van de stand zoals opgenomen in de SZW-begroting 2010.

** De uitvoeringskosten UWV betreffen de uitvoeringskosten vóór onttrekking aan bestemmingsfondsen en zijn inclusief de kosten van (voorheen) CWI.

*** De overige projectkosten UWV zijn tot 2009 exclusief het ketendeel van het programma Digitaal Klant Dossier.

**** De uitvoeringskosten Inlichtingenbureau worden in de begroting SZW niet afzonderlijk weergegeven, maar als onderdeel van het handhavingsbudget op artikel 46.

Aansturing en toezicht SUWI-organisaties

De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) is de «organisatiewet» voor de organisaties op het terrein van werk en inkomen. De aansturing en het toezicht op de SUWI-organisaties, zoals SVB en UWV, zijn binnen SZW expliciet belegd binnen de organisatie. De aansturing vindt plaats door een aparte afdeling binnen de directie Relatiebeheer, Uitvoeringsontwikkeling en Aansturing en het signalerende toezicht door de onafhankelijke Inspectie werk en inkomen. Deze scheiding tussen aansturing, toezicht en beleid borgt professionele aansturing en toezicht. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de commissie interne sturing UWV is een traject gestart waarin de werking van de sturingsrelatie scherp tegen het licht wordt gehouden en de rollen opnieuw helder worden benoemd.

In tabel B2.2 worden de gerealiseerde uitvoeringskosten van de SUWI-organisaties afgezet tegen de beschikbaar gestelde budgetten. Grote verschillen worden toegelicht. In tabel B2.3 en B2.4 wordt de rechtmatigheid weergeven van de door het UWV en de SVB uitgevoerde wetten. De gegevens in de tabellen zijn ontleend aan de jaarverslagen 2010 van de SUWI-organisaties. Deze jaarverslagen zijn voorzien van een controleverklaring omtrent getrouwheid. In de aanbiedingsbrief bij de jaarverslagen 2010 van de SUWI-organisaties wordt nader ingegaan op de prestaties van de SUWI-organisaties in 2010.

UWV

De totale uitvoeringskosten UWV bedroegen in 2010 € 1 905,0 mln. Ten opzichte van de begroting van € 1 985,0 mln is er sprake van een positief begrotingsresultaat van € 80,0 mln. De begroting bestond uit een beschikbaar gesteld budget van € 1 924,5 mln en uit een bedrag van € 60,5 miljoen uit bestemmingsfondsen die in 2009 zijn gevormd. Het UWV heeft uit deze bestemmingsfondsen een bedrag van € 55,9 mln gebruikt voor de financiering van de uitvoeringskosten 2010. Na onttrekking aan deze bestemmingsfondsen resulteert een positief begrotingsresultaat van € 75,4 mln. Oorzaak van dit positieve resultaat is met name gelegen in volume-effecten en het anticiperen van UWV op toekomstige budgetdalingen. Daarnaast is er sprake geweest van verschuivingen binnen de projectportfolio. Het begrotingsresultaat is in overleg met SZW toegevoegd aan de bestemmingsfondsen per 31 december 2010.

SVB

De uitvoeringskosten SVB voor SV-taken bedroegen in 2010 € 245,5 mln. Door SZW is een budget ter beschikking gesteld van € 246,8 mln. Hiermee komt het positief begrotingsresultaat op € 1,3 mln. De kosten voor het veranderprogramma SVB Tien (€ 14,9 mln) en de Volledige Verzekerdenadministratie (€ 6,5 mln) worden voor een deel gefinancierd uit bestemmingsfondsen (€ 6,4 mln respectievelijk € 1,1 mln). De kosten van de SVB zijn hoger dan voorgaande jaren, met name vanwege activiteiten in het kader van nieuwe/gewijzigde wet- en regelgeving (b.v. de AIO (Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen)).

BKWI

De totale uitvoeringskosten BKWI bedroegen in 2010 € 10,4 mln. Hierdoor is sprake van een negatief exploitatieresultaat van € 0,6 mln. Met BKWI is afgesproken dat het tekort in 2011 zal worden ingelopen. Het negatieve resultaat is het gevolg van het naar voren halen van in 2011 geplande werkzaamheden en een vertraging in een Europese aanbesteding, waardoor in 2010 nog niet geprofiteerd kon worden van de gunstigere tarieven.

IB

De totale uitvoeringskosten IB bedroegen in 2010 € 6,9 mln.

Rechtmatigheid

Tabel B2.3 Rechtmatigheid UWV (%)
 

2006

2007

2008

2009

Realisatie 2010

Streven 2010

UWV totaal

98,4

98,5

98,5

98,9

98,9

99,0

BIA

97,5

99,3

99,9

99,4

100

 

IOW

99,8

 

TRI

94,7

89,6

87,3

89,0

96,4

 

Wajong

99,6

99,5

99,7

99,6

99,8

 

WAO

99,5

99,9

99,8

99,8

100

 

WAZ

99,2

98,7

99,5

99,7

100

 

WIA

98,2

95,8

98,2

98,6

97,9

 

WW

98,5

98,3

97,0

98,4

97,6

 

ZW

91,0

90,1

94,5

95,0

97,4

 

WAZO

96,2

96,1

95,8

98,1

99,1

 

TW

95,8

97,2

97,7

97,6

98,8

 

Bron: UWV Jaarverslag 2010

De UWV-brede rechtmatigheid in 2010 bedraagt 98,9% en ligt hiermee nagenoeg op de streefwaarde van 99%.

Tabel B2.4 Rechtmatigheid SVB (%)
 

2006

2007

2008

2009

Realisatie 2010

Streven 2010

SVB totaal

99,9

99,9

99,9

99,98

99,99

99

AOW

98

100

100

100

100,00

 

ANW

95

99,9

99,7

99,90

99,97

 

AKW

98

99,9

99,8

99,99

100,00

 

TOG

84

100

99,1

100

100,00

 

TAS

100

100

100

100

100,00

 

Bron: SVB Jaarverslag 2010

BIJLAGE 3 INHUUR EXTERNEN

Tabel B3.1 Uitgaven voor inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel (x € 1 000)
 

SZW

Interim-management

57

Organisatie- en Formatieadvies

161

Beleidsadvies

864

Communicatieadvies

760

Totaal beleidsgevoelig

1 842

  

Juridisch advies

551

Advisering opdrachtgevers automatisering

2 129

Accountancy, financiële en administratieve organisatie

1 196

Totaal (beleids)ondersteunend

3 876

  

Uitzendkrachten (formatie en piek)

5 494

Totaal ondersteuning bedrijfsvoering

5 494

  

Totaal uitgaven inhuur externen

11 212

Bron: SZW administratie

Toelichting

Het kabinet heeft de ambitie om te komen tot een beheersing van de uitgaven externe inhuur. Voor het jaar 2010 geldt (nog) de norm van 13% van de totale personele uitgaven. Vanaf 2011 wordt de norm 10% (motie-Roemer).

In 2010 bedroeg het totaal van de personele uitgaven € 185,1 mln. Dit is de som van de personele uitgaven (€ 173,9 mln) en de uitgaven externe inhuur (€ 11,2 mln). Het percentage externe inhuur, uitgedrukt in het «totaal van de personele uitgaven», komt hiermee op 6,1%, ruim onder de norm.

BIJLAGE 4 SUBSIDIES

In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de subsidies van SZW. Hierbij worden twee definities toegepast die leiden tot verschillende standen van de subsidieuitgaven. Ten opzichte van de begroting 2010 is het overzicht aangepast om beter aan te sluiten op de budgettaire tabellen in de beleidsartikelen.

Definitie Algemene Wet Bestuursrecht

De eerst gehanteerde definitie is die volgens de Algemene Wet Bestuursrecht (artikel 4.21):

«De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten».

Artikel 4.21, lid 3 specificeert de definitie nader:

«De subsidietitel is niet van toepassing op de aanspraak op financiële middelen die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld.»

Uit lid 3 kan afgeleid worden dat specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies volgens de definitie geen subsidies zijn.

Tabel B4.1 Subsidieoverzicht definitie Algemene Wet Bestuursrecht (x 1 000)

Artikel

Omschrijving

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Vastgestelde begroting 2010

41 OD 2

Inkomensbeleid

40

40

45

42 OD 2

Omscholingsbonus

150

800

41 000

42 OD 3

Breed initiatief maatschappelijke binding

434

128

 

42 OD 3

Stimulering leeftijdsbewust beleid

1 354

824

 

42 OD 3

Stimulering arbeidsparticipatie

2 475

782

300

42 OD 3

Doelgroepenbeleid

1 691

2 259

1 906

42 OD 3

Jeugdwerkloosheid

117

375

3 000

43 OD 1

Kwaliteit Arbeidsverhoudingen

291

307

521

43 OD 4

Jaar van de gelijke kansen

39

  

43 OD 4

Expertisecentrum Leeftijd

212

207

244

43 OD 4

Overige subsidies gelijke kansen

  

329

44 OD 1

Arbosubsidies preventie en verzuim

6 449

6 878

9 169

44 OD 1

Arbeidsveiligheid (VASt, VAV)

 

84

332

44 OD 1

Overige subsidies arbeidsomstandigheden

5 915

3 140

13 485

45 OD 2

Pensioenen

299

72

160

47 OD 2

Scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen (via UWV)

9 000

13 000

15 800

47 OD 2

Wajong IDM

2 360

5 121

25 156

47 OD 2

Re-integratie (o.a. IPW) en Cliëntenraden

2 610

2 091

1 425

47 OD 2

Stichting Blik op Werk

315

  

97 OD 1

Regeling Bedrijfsverzamelgebouwen

50

176

9

97 OD 1

Regeling schoonmaakdiensten particulieren (RSP)

501

75

 

97 OD 1

Regelingen ex-mijnwerkers

182

182

182

98 OD 1

NIBUD (aan de hand van onderzoeksprogramma)

323

302

312

98 OD 1

Projectsubsidies

32

387

1 039

     
 

Totaal Definitie AWB

34 839

37 229

114 414

«Ruime» subsidiedefinitie

Naast de subsidiedefinitie uit de Algemene Wet Bestuursrecht wordt soms gebruik gemaakt van een «ruimere» subsidiedefinitie waarin ook specifieke uitkeringen worden meegenomen:

«Een gebonden inkomens- of een vermogensoverdracht van het rijk om-niet aan een natuurlijk of rechtspersoon in Nederland».

Het voornaamste onderscheid tussen de eerste en tweede definitie ligt in het feit dat specifieke uitkeringen aan gemeenten en provincies bij de tweede subsidiedefinitie wel als subsidie worden aangemerkt. Bij deze definitie wordt bijvoorbeeld de Wsw als subsidie aangemerkt in tegenstelling tot de subsidiedefinitie van de AWB. Inkomensoverdrachten aan natuurlijke personen zoals de TOG zijn niet opgenomen in de tabel.

Tabel B4.2 Subsidieoverzicht «ruime» definitie (x € 1 000)

Artikel

Omschrijving

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Vastgestelde begroting 2010

47 OD 2

Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen

346

1 260

 

47 OD 2

Flexibel re-integratiebudget

1 529 351

1 442 555

1 429 270

48 OD 1

Wsw

2 463 227

2 460 855

2 465 763

     
 

Totaal toevoegingen «ruime» definitie

3 988 660

3 904 670

3 895 033

     
 

Totaal beide definities

4 023 499

3 941 899

4 009 447

BIJLAGE 5 SZA-KADER EN SOCIALE FONDSEN

1 Inleiding

Inhoud

Deze bijlage geeft een totaaloverzicht van de uitgaven in de budgetdiscipline sociale zekerheid en arbeidsmarkt (SZA) in het jaar 2010. Tevens worden de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen beschreven. De bijlage is enkel bedoeld als achtergrondinformatie bij het jaarverslag. De daadwerkelijke verantwoording van uitgaven en inkomsten gebeurt in respectievelijk de voorliggende artikelen en de jaarverslagen van UWV en SVB.

In de volgende paragraaf wordt de opbouw van de totale uitgaven in het SZA-kader weergegeven, onderverdeeld naar begrotings- en premiegefinancierde uitgaven. Deze totaaltelling geeft een aansluiting bij de uitgaven in de begrotingsartikelen. Tevens wordt hierbij ingegaan op de volumeontwikkelingen die aan de uitgaven ten grondslag liggen. Ten slotte worden de uitgavenmutaties die zijn opgetreden sinds de begroting 2010 gegroepeerd weergegeven, waarbij eveneens een toetsing van de SZA-uitgaven aan de ijklijn van het SZA-kader aan bod komt. In de laatste paragraaf komen de exploitatiesaldi en vermogens van de sociale fondsen aan bod.

2 Uitgaven SZA-kader 2010

Overzicht en aansluiting bij jaarverslag

Deze paragraaf geeft een overzicht van de SZA-uitgaven in het jaar 2010. De uitgaven in het SZA-kader bestaan uit begrotingsgefinancierde uitgaven (€ 29,1 mld) en premiegefinancierde uitgaven (€ 49,7 mld). Op de totaaltelling van beide (€ 78,9 mld) moet echter nog een aantal correcties worden toegepast. De sociale fondsen worden namelijk voor een deel gevuld uit begrotingsmiddelen. Deze zogeheten rijksbijdragen worden verantwoord op artikel 51 van het jaarverslag. Het betreft hoofdzakelijk een bijdrage aan het ouderdomsfonds. Omdat de opbrengsten van de AOW-premie onvoldoende zijn om de uitgaven te dekken, vindt er jaarlijks een bijdrage uit de algemene middelen plaats. De rijksbijdrage aan het ouderdomsfonds is in 2010 hoger uitgevallen dan begroot (+ € 2,2 mld). Dit wordt verklaard doordat in 2010 een extra afrekening tussen premie- en belastinginkomsten uit oudere jaren heeft plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot een extra nabetaling uit het ouderdomsfonds. Hierdoor ontstond een groter vermogenstekort en dus een hogere bijdrage uit de rijksmiddelen. Dit verklaart ook voor een groot gedeelte de hoger dan begrote totale begrotingsgefinancierde uitgaven (€ 29,1 mld versus € 27,5 mld, zie tabel B5.1).

De apparaatsuitgaven en enkele andere uitgaven behoren niet tot het SZA-kader maar tot het kader rijksbegroting in enge zin. Deze uitgaven worden daarom net als de ontvangsten 11 op de totaaltelling in mindering gebracht. De post bijzondere uitgaven uit de begroting 2010 is inmiddels in de artikeluitgaven verwerkt. Deze staat bij de realisatie 2010 dus op 0. Ten slotte moeten de uitgaven uit de stimuleringspakketten – waartoe in het voorjaar van 2009 is besloten als reactie op de economische crisis – worden gecorrigeerd op de totaaltelling. De stimuleringspakketten (voor SZW € 159 mln in 2010) maken (in 2010) geen onderdeel uit van het SZA-kader.

De totale uitgaven in het SZA-kader komen daarmee in 2010 uit op € 61,1 mld, bijna € 1,2 mld lager dan voorzien in de begroting 2010. In tabel B5.4 is een overzicht gegeven van de mutaties die zijn opgetreden sinds vaststelling van de begroting 2010. In onderstaande tabel zijn de posten uit de begroting 2010 omgerekend naar prijzen 2010.

Tabel B5.1: SZA-uitgaven 2010 (x € 1 mln)
 

Begroting 2010

Realisatie 2010

Verschil 2010

Totaal begrotingsgefinancierde uitgaven

27 516

29 137

1 621

Totaal premiegefinancierde uitgaven

50 492

49 722

– 770

A. Totaal artikelen

78 007

78 858

851

-/- 1. Correctie dubbeltelling rijksbijdragen

13 788

15 978

2 190

-/- 2. Uitgaven Rijksbegroting eng

292

285

– 7

-/- 3. Ontvangsten

1 317

1 331

15

w.v. begrotingsgefinancierd

1 119

1 128

10

w.v. premiegefinancierd

198

203

5

+ 4. Bijzondere uitgaven

7

0

– 7

-/- 5. Stimuleringspakketten

326

159

– 167

B. Totale uitgaven (A – 1 – 2 – 3 + 4 – 5)

62 291

61 104

– 1 187

Bron: SZW (Financiële administratie)

Uitgavenontwikkeling

Uit tabel B5.1 blijkt dat de totale uitgaven onder het SZA-kader bijna € 1,2 mld lager zijn uitgevallen dan voorzien bij begroting 2010. In tabel B5.2 zijn de SZA-uitgaven opgesplitst per categorie. De belangrijkste oorzaak ligt in lager dan verwachte werkloosheidsuitgaven. Ten tijde van opstelling van de begroting ging het CPB nog uit van een hogere werkloosheid; uiteindelijk heeft de veronderstelde forse oploop van de werkloosheid zich niet voorgedaan. De arbeidsongeschiktheidsregelingen laten een tegenvaller zien, evenals de Wajong.

Bij de vergelijking van de uitgaven tussen realisatie 2010 en begroting 2010 dient rekening te worden gehouden met de loon- en prijsbijstelling. De begroting 2010 is opgesteld in prijspeil 2009, zonder verwerking van de loon- en prijsbijstelling. Deze bijstelling is hierdoor verwerkt in de overige uitgaven. De gerealiseerde uitgaven 2010 zijn opgesteld in prijspeil 2010; na verwerking van de loon- en prijsbijstelling. De totale uitgaven 2010 zijn wel met elkaar te vergelijken. In vergelijking met diezelfde tabel uit de begroting 2010 zijn de weergegeven uitgaven nu inclusief uitvoeringskosten. Daarnaast zijn de uitgaven Wsw als afzonderlijke categorie weergegeven.

Tabel B5.2: Uitgaven SZA-kader 2008–2010 (x € 1 mln)
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010*

Verschil 2010

Werkloosheidsuitgaven, inclusief bijstand

7 009

9 109

9 679

10 406

– 726

Arbeidsongeschiktheidsuitgaven, inclusief ziekte en zwangerschap

12 213

12 501

12 736

12 169

567

Wajong-uitgaven

2 322

2 631

2 893

2 662

230

Nabestaandenuitgaven

1 249

1 190

1 110

1 107

3

Ouderdomsuitgaven

27 048

28 905

29 919

29 492

428

Re-integratieuitgaven

2 405

2 484

2 503

2 351

152

Sociale werkvoorziening (uitgaven Wsw)

1 936

1 993

1 967

2 004

– 37

Overige uitgaven

300

204

298

2 100

– 1 802

      

Totaal SZA-uitgaven (x € 1 mln)

54 483

59 017

61 104

62 291

– 1 187

Totaal SZA-uitgaven (in % BBP)

9,1

10,3

10,4

10,7

– 0,4

Bron: SZW (Financiële administratie) en CPB (CEP 2011)

* De uitgaven begroting 2010 zijn opgesteld in het prijspeil 2009, terwijl de uitgaven realisatie 2010 zijn weergegeven in prijspeil 2010. De prijscorrectie in de uitgaven begroting 2010 is opgenomen onder de overige uitgaven.

Volumeontwikkelingen

Bovengenoemde ontwikkeling van de uitgaven is in sterke mate afhankelijk van de ontwikkeling van de onderliggende volumina. In tabel B5.3 is deze ontwikkeling van de belangrijkste uitgavencategorieën weergegeven. Doordat de uitgaven in tabel B5.2 niet in hetzelfde prijspeil zijn opgesteld (zie de voetnoot onder de tabel), vormt tabel B5.3 een meer zuivere vergelijking tussen begroting en realisatie 2010. Het volume van de werkloosheid laat net als de werkloosheidsuitgaven een onderschrijding zien, terwijl het volume van de arbeidsongeschiktheidsregelingen hoger uitkomt, net zoals de uitgaven. Het aantal ouderdomsuitkeringen wijkt nauwelijks af van de begroting 2010, wat er op duidt dat de hogere uitgaven hoofdzakelijk veroorzaakt zijn door de indexering van de uitkering. Het ziekteverzuim is fors hoger dan geraamd bij de begroting. In de economische literatuur is eerder een positief verband geconstateerd tussen economische groei en ziekteverzuim (hogere economische groei gaat gepaard met een hoger ziekteverzuim). Door bovenstaande ontwikkelingen is het aantal inactieven ongeveer 13 000 uitkeringsjaren lager dan verwacht. Doordat het aantal actieven ruim 2,5% (bijna 170 000 arbeidsjaren) hoger is, is de I/A-verhouding (de verhouding tussen het aantal inactieven en het aantal actieven) met 2,1 procentpunt verbeterd ten opzichte van de begroting 2010. Dit is dus hoofdzakelijk het gevolg van een lagere werkloosheid.

Tabel B5.3: Volumeontwikkelingen en I/A verhouding (x 1 000 uitkeringsjaren)
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Werkloosheidsuitkeringen, inclusief bijstand

410

487

530

613

– 83

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, inclusief ziekte en zwangerschap

663

653

666

646

20

Wajong-uitkeringen

168

179

199

190

9

Nabestaandenuitkeringen

97

91

83

86

– 3

Ouderdomsuitkeringen

2 480

2 541

2 603

2 599

4

Ziekteverzuim particuliere sector

225

215

189

149

40

Totaal aantal inactieven

4 043

4 166

4 270

4 283

– 13

      

Totaal aantal actieven

6 460

6 384

6 352

6 185

167

I/A-verhouding

62,6%

65,3%

67,2%

69,3%

– 2,1%

Bron: SZW (Financiële administratie) en CPB (CEP 2011)

Toetsing aan ijklijn

In tabel B5.4 zijn de uitgaven in het SZA-kader afgezet tegen de ijklijn. Uit de vergelijking blijkt dat over het jaar 2010 sprake is van een overschrijding van de ijklijn met € 0,3 mld. Ten tijde van de begroting 2010 werd geen over- of onderschrijding voorzien. In 2010 zijn de feitelijke SZA-uitgaven bijna € 1,2 mld lager uitgevallen. Daarbij is de ijklijn verlaagd met € 1,4 mld. Dit verklaart de overschrijding van € 0,3 mld (als gevolg van afrondingsverschillen wijkt de som der delen af van de totaaltelling).

De SZA-uitgaven (€ 61,1 mld) zijn bijna € 1,2 mld lager uitgevallen dan verwacht bij begroting. In tabel 5.2 is aangegeven in welke uitgavencategorieën deze daling zichtbaar is. In tabel B5.4 is aangegeven hoe de uitgavenverlaging is onder te verdelen in soorten mutaties. De uitvoeringsmutaties zijn hoofdzakelijk het gevolg van lagere WW- en WWB-uitgaven. Zoals eerder aangegeven zijn de arbeidsongeschiktheidsuitgaven juist hoger uitgevallen dan verwacht. Tot slot is de loon- en prijsbijstelling lager uitgevallen dan voorzien.

Tegenover een afname van de feitelijke SZA-uitgaven staat een daling van de ijklijn waaraan de SZA-uitgaven worden getoetst. In het voorjaar 2009 is besloten de ijklijn te corrigeren voor de budgettaire gevolgen van de oplopende werkloosheid en de ruilvoetmutaties. Hierdoor is voorkomen dat voor de oplopende werkloosheidsuitgaven omgebogen moest worden. Nu de uitgaven lager uitvielen dan geraamd wordt het kader ook weer neerwaarts aangepast. De ijklijn wordt normaal gesproken opgehoogd met de prijsontwikkeling van de nationale bestedingen (pNB). In combinatie met de daadwerkelijke prijsontwikkeling van de uitgaven leidt dit tot meer of minder ruimte onder het kader (ruilvoetwinst of -verlies). In tijden van economische crisis is vaak sprake van een ruilvoetwinst. Doordat ook hiervoor gecorrigeerd is, leidt de economische crisis niet tot meer (via een ruilvoetwinst) of minder (via hogere werkloosheidsuitgaven) ruimte in het SZA-kader. Naast deze ijklijncorrecties heeft nog een aantal andere (technische) correcties van de ijklijn plaatsgevonden.

Tezamen leiden deze mutaties tot een nieuwe kadertoetsing waarbij een tekort in het SZA-kader van € 0,3 mld is gerealiseerd.

Tabel B5.4: Bijstelling SZA-uitgaven sinds Begroting 2010

 

SZA-uitgaven (x € 1 mld)

Totale SZA-uitgaven

61,1

IJklijn SZA-uitgaven

60,8

Over/onderschrijding ijklijn SZA realisatie

0,3

  

Stand SZA-uitgaven bij begroting 2010

62,3

Uitvoeringsmutaties sinds begroting 2010

– 1,0

Technische mutaties sinds begroting 2010

0,1

Intensiveringen sinds begroting 2010

0,0

Ombuigingen sinds begroting 2010

0,0

Mutatie loon- en prijsbijstelling

– 0,1

Eindstand SZA-uitgaven 2010

61,1

  

Stand ijklijn bij begroting 2010

62,3

IJklijnmutaties sinds begroting 2010

– 1,4

Eindstand ijklijn SZA-uitgaven 2010

60,8

  

Kadertoetsing (over/onderschrijding ijklijn) bij begroting 2010

0,0

Kadertoetsing (over/onderschrijding ijklijn) eindstand

0,3

Bron: SZW, financiële administratie

3 Sociale fondsen 2010

Ontvangsten en exploitatiesaldo

Een groot deel van de uitgaven in het SZA-kader loopt via de sociale fondsen. In tabel B5.5 zijn de exploitatiesaldi van de sociale fondsen weergegeven. Het exploitatiesaldo is het verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven van een fonds. Naast de premieontvangsten behoren ook de rijksbijdragen en renteontvangsten tot de inkomsten van een fonds. De uitgaven bestaan naast de uitkeringen voornamelijk uit uitvoeringskosten. Daarnaast vinden er tussen de fondsen onderlinge betalingen plaats. Het saldo tussen ontvangen en betaalde onderlinge betalingen is voor de sociale fondsen negatief, omdat er uit deze fondsen ook premies worden betaald voor de zorgverzekering van uitkeringsgerechtigden. Tegenover de negatieve saldi bij de sociale fondsen staan dus positieve saldi bij de zorgfondsen.

Het totale exploitatiesaldo van de sociale fondsen is aanzienlijk beter dan begroot (€ – 2,4 mld in plaats van € – 5,5 mld). Het AOW-fonds, het Anw-fonds en de arbeidsongeschiktheidsfondsen kennen in 2010 een exploitatieoverschot. Dit wordt echter meer dan teniet gedaan door het tekort van de werkloosheidsfondsen, waardoor de fondsen per saldo een tekort laten zien. Dit tekort is een direct gevolg van de begrotingssystematiek die het kabinet hanteert. Aan de inkomstenkant werken de automatische stabilisatoren, wat inhoudt dat in een recessie tegenvallende inkomsten niet hoeven te worden gecompenseerd met lastenverzwaringen (premiestijgingen). In het voorjaar van 2009 is besloten de automatische stabilisatie uit te breiden naar de uitgavenkant van de begroting. Hierdoor is ook voor de stijging van de werkloosheidsuitgaven niet omgebogen. De tekorten in de werkloosheidsfondsen kunnen daarmee worden beschouwd als een (extra) stimulering van de economie.

Het ouderdomsfonds heeft een positief exploitatiesaldo. De rijksbijdrage AOW, die op basis van de CEP-raming van het CPB wordt vastgesteld, vult de ontvangsten van het fonds aan tot het benodigde exploitatiesaldo is bereikt. Dit exploitatiesaldo is nodig om het fondsvermogen te laten toenemen tot het normvermogen. In 2010 heeft een extra afrekening tussen premie- en belastinginkomsten over oude jaren plaatsgevonden; deze heeft geleid tot een (extra) naheffing ten laste van het ouderdomsfonds (zie ook artikel 51). Hierdoor was een hogere rijksbijdrage benodigd. Het vermogensoverschot dat eind 2010 is ontstaan, wordt in mindering gebracht op de rijksbijdrage aan het fonds in 2011.

Het exploitatiesaldo in het nabestaandenfonds laat eveneens een overschot zien. Dit geldt eveneens voor de (geïntegreerde) arbeidsongeschiktheidsfondsen. Het bij de begroting verwachte exploitatietekort is omgeslagen in een exploitatieoverschot. Dit is voornamelijk het gevolg van hogere premie-inkomsten. De geïntegreerde werkloosheidsfondsen, bestaande uit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), de sectorfondsen (Sfn) en het Uitvoeringsfonds voor de Overheid (Ufo) is uitgekomen op een tekort van ruim € 4,0 mld. Dit is bijna € 0,9 mld beter dan vooraf verwacht, verklaard door lagere uitkeringslasten en uitvoeringskosten. De ontvangen en betaalde onderlinge betalingen zijn beide hoger dan voorzien. Dit is het gevolg van het verlagen van de lastenplafonds in de sectorfondsen. Werkloosheidslasten boven de lastenplafonds worden vanuit het AWf gecompenseerd aan de sectorfondsen. Deze betalingen leiden dus zowel tot hogere ontvangen onderlinge betalingen (voor de sectorfondsen) als tot hogere betaalde onderlinge betalingen (door het AWf).

Tabel B5.5 Overzicht sociale verzekeringen 2010 (x € 1 mln)
 

AOW

Anw

WAO

WW

Totaal

 

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Verschil

Premies

19 084

18 439

1 350

1 313

9 513

10 355

5 416

5 272

35 363

35 379

16

Bijdragen van het rijk

10 082

12 283

68

68

324

328

0

360

10 475

13 039

2 565

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

0

0

1 030

993

777

1 583

1 807

2 576

770

Saldo Interest

59

30

47

18

81

51

194

– 24

381

75

– 305

Totaal Ontvangsten

29 225

30 751

1 466

1 399

10 947

11 728

6 387

7 192

48 024

51 070

3 045

Uitkeringen/Verstrekkingen

29 753

29 795

1 095

1 086

9 376

9 498

8 505

7 812

48 730

48 192

– 538

Uitvoeringskosten

132

124

28

24

576

472

1 026

910

1 762

1 530

– 232

Betaalde onderlinge betalingen

0

0

76

72

1 246

1 244

1 703

2 435

3 025

3 751

726

Totaal Uitgaven

29 885

29 919

1 199

1 182

11 198

11 214

11 235

11 157

53 517

53 473

– 44

            

Exploitatiesaldo

– 660

832

267

217

– 251

514

– 4 848

– 3 966

– 5 492

– 2 403

3 089

Bron: SZW (Financiële administratie) en CPB (CEP 2011)

Vermogenspositie

In onderstaande tabel (B5.6) staan de vermogensposities van de vier sociale fondsen opgenomen. Hierbij zijn wederom de arbeidsongeschiktheidsfondsen en de werkloosheidsfondsen geïntegreerd weergegeven. Het aanwezige vermogen neemt jaarlijks toe of af met het exploitatiesaldo (zie tabel B5.5).

De sociale fondsen hebben ultimo 2010 een gezamenlijk vermogen van € 8,8 mld; dit is € 2,8 mld hoger dan begroot. Dit wordt deels verklaard door het kleiner dan verwachte (totale) exploitatietekort van € 2,4 mld (zie tabel B5.5), en deels doordat het aanwezige vermogen ultimo 2009 lager uitviel dan voorzien bij het opstellen van de begroting over 2010.

UWV en SVB leggen in hun jaarverslag verantwoording af over de vermogenspositie van de sociale fondsen. De informatie in deze bijlage moet als informerend beschouwd worden. De cijfers in deze bijlage zijn gebaseerd op informatie van het CPB (CEP 2011) en sluiten niet aan op de jaarverslagen van UWV en SVB. De reden hiervoor is dat SZW een ander boekhoudstelsel (kas-verplichtingenstelsel) voert dan UWV en SVB (baten-lastenstelsel). Deze toelichting geldt ook voor de genoemde premieontvangsten in tabel B5.5 in deze bijlage.

Tabel B5.6: Vermogens sociale fondsen ultimo 2009 en 2010 (x € 1 mln)
 

Feitelijk vermogen ultimo 2009

Exploitatiesaldo 2010

Feitelijk vermogen ultimo 2010

   

Realisatie

Begroting

AOW

1 989

832

2 821

1 351

Anw

988

217

1 205

1 242

WAO

2 156

514

2 670

2 131

WW

6 082

– 3 966

2 116

1 239

     

Totaal sociale fondsen

11 215

– 2 403

8 812

5 963

Bron: SZW (Financiële administratie) en CPB (CEP 2011)

BIJLAGE 6 LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN

AD

Algemene doelstelling

AFM

Autoriteit Financiële Markten

AG SZW

Agentschap SZW

AI

Arbeidsinspectie

AIO

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen

AKO

Algemeen Ketenoverleg

AKW

Algemene Kinderbijslagwet

AMvB

Algemene Maatregel van Bestuur

Anw

Algemene Nabestaandenwet

AO

Arbeidsongeschiktheid

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

AOW

Algemene Ouderdomswet

API

Algemene Pensioeninstelling

Arbo

Arbeidsomstandigheden

ATW

Arbeidstijdenwet

avv

Algemeen verbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten

Awb

Algemene wet bestuursrecht

AWBZ

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

AWf

Algemeen Werkloosheidsfonds

BBA

Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen

bbp

bruto binnenlands product

Bbz

Besluit bijstandsverlening zelfstandigen

BES

Bonaire, St. Eustatius en Saba

bhv

Bedrijfshulpverlening

BIA

Beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria

BIKK

Bijdragen in de kosten van heffingskortingen

BKWI

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen

BRZO

Besluit Risico’s Zware Ongevallen

BUIG

Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten

BVG

Bedrijfsverzamelgebouwen

BW

Burgerlijk Wetboek

cao

collectieve arbeidsovereenkomst

CBA

Commissie Begeleiding Arbocatalogi

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CEP

Centraal Economisch Plan

CPB

Centraal Planbureau

CWI

(voormalig) Centra voor Werk en Inkomen

DNB

De Nederlandsche Bank

EBB

Enquête Beroepsbevolking

EC

Europese Commissie

EOR

Europese ondernemingsraad

EQUAL

Transnationaal programma van de Europese Unie gericht op het creëren van gelijke kansen en het bestrijden van discriminatie op de arbeidsmarkt

ESF

Europees Sociaal Fonds

EU

Europese Unie

EVC

Erkenning van Verworven Competenties

EVP

Ervaringsprofiel

fte

fulltime equivalent (=voltijdbaan)

FTK

Financieel Toetsingskader

GBA

Gemeentelijke Basisadministratie

IAS

Instituut Asbestslachtoffers

IASB

International Accounting Standards Board

IAU

Incidentele aanvullende uitkering

IB

Inlichtingenbureau

ICT

Informatie- en Communicatie Technologie

ID-banen

Instroom- en doorstroombanen

IKP

Informatieknooppunt SZW

IOAW

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers

IOAZ

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen

IOW

Inkomensvoorziening oudere werklozen

IPW

Innovatie Programma Werk en bijstand

IVA

Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten

IWI

Inspectie Werk en Inkomen

KOT

Kinderopvangtoeslag

LCR

Landelijke Cliëntenraad

MAU

Meerjarige Aanvullende Uitkering

MEV

Macro-Economische Verkenning

mkb

midden- en kleinbedrijf

MKOB

Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming voor Oudere Belastingplichtigen

NEA

Nationale enquête arbeidsomstandigheden

Nug

Niet-uitkeringsgerechtigde

OD

Operationele doelstelling

OM

Openbaar Ministerie

OOP

Out of pocket kosten

Opf

Ondernemingspensioenfonds

OR

Ondernemingsraad

PSW

Pensioen- en Spaarfondswet

RCN

Rijksdienst Caribisch Nederland

RHB

Rijkshoofdboekhouding

ri&e

Risico Inventarisatie en Evaluatie

RvB

Research voor Beleid

RWI

Raad voor Werk en Inkomen

RWT

Rechtspersoon met een wettelijke taak

SCP

Sociaal en Cultureel Planbureau

SEC

Subsidie Expertise Centrum

SER

Sociaal Economische Raad

SIOD

Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst

Sisa

Single information, single audit

SOR

Subsidie Overzicht Rijk

STA

Subsidieregeling Stimulering Totstandkoming Arbocatalogi

STAP

Stimulering Arbeidsparticipatie

SUWI

Structuur Uitvoering Werk en Inkomen

SVB

Sociale Verzekeringsbank

Sw-bedrijven

Sociale werkvoorzieningsbedrijven

SZA

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

SZW

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TAS

Regeling Tegemoetkoming asbestslachtoffers

TBA

Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen

TK

Tweede Kamer

TOG

Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen

TRI

Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten

TW

Toeslagenwet

UWV

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

Vazalo

Voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders

vmbo

voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

Waadi

Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

Wajong

Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten

WAMIL

Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Militairen

WAO

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering

WAV

Wet Arbeid Vreemdelingen

WAZ

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen

WAZO

Wet arbeid en zorg

WBO

Wet op de bedrijfsorganisatie

WEOR

Wet op de Europese Ondernemingsraden

WGA

Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten

WIA

Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen

WIJ

Wet investeren in jongeren

WKB

Wet op het kindgebonden budget

Wmco

Wet melding collectief ontslag

WML

Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag

WOR

Wet op de Ondernemingsraden

Wsw

Wet sociale werkvoorziening

Wtcg

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten

WTV

Werktijdverkorting

WVA

Wet Vermindering Afdracht Loonbelasting en Premie Volksverzekeringen

WW

Werkloosheidswet

WWB

Wet Werk en Bijstand

WWIK

Wet Werk en Inkomen Kunstenaars

ZBO

Zelfstandige Bestuursorgaan

ZW

Ziektewet

zzp

zelfstandige zonder personeel

BIJLAGE 7 TREFWOORDENREGISTER

Administratieve lasten 30, 31, 49, 110, 160

AIO 84, 85, 105, 106, 108, 109, 167, 168, 180

AKW 10, 113, 167, 169, 180

Anw 19, 94, 97, 105, 106, 107, 117, 118, 119, 177, 178, 179, 180

AOW 18, 19, 24, 42, 54, 56, 82, 105, 106, 108, 109, 117, 118, 119, 122, 124, 133, 138, 140, 167, 169, 173, 177, 178, 179, 180

Arbeid en zorg 43, 44, 45, 110, 181, 182

Arbeidsgehandicapten 45, 103

Arbeidsinspectie 20, 35, 36, 42, 43, 46, 48, 50, 52, 125, 126, 127, 128, 137, 151, 158, 180

Arbeidsomstandigheden 48, 49, 50, 52, 124, 125, 126, 127, 166, 167, 171, 180, 181

Arbeidsongeschiktheid 10, 16, 18, 28, 30, 62, 64, 69, 72, 73, 74, 75, 76, 78, 79, 102, 107, 125, 158, 174, 175, 176, 177, 178, 180, 181, 182

Arbeidsparticipatie 4, 11, 21, 24, 28, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 43, 70, 75, 87, 101, 103, 123, 124, 133, 138, 140, 171, 181

Arbeidstijden 48, 49, 50, 52, 126, 127, 128, 180

Arbeidsverhoudingen 4, 37, 39, 40, 41, 123, 124, 125, 133, 136, 138, 140, 171, 180

Armoede 21, 22, 24, 25, 27, 81, 82, 83, 85, 86, 146, 159

ATW 49, 126, 128, 180

Bbz 64, 65, 80, 84, 85, 180

BIA 63, 64, 78, 79, 169, 180

Bijstand 18, 25, 26, 28, 29, 63, 64, 65, 67, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 92, 93, 94, 97, 106, 108, 109, 125, 126, 146, 159, 160, 167, 175, 180, 181, 182

Deeltijd-WW 11, 16, 17, 28, 62, 68, 69

Gelijke behandeling 43, 45, 46, 47

Handhaving 20, 38, 41, 42, 43, 49, 50, 52, 55, 63, 71, 72, 74, 75, 81, 85, 88, 107, 108, 109, 111, 121, 122, 123, 124, 125, 127, 167

Illegale tewerkstelling 125, 126, 127

Inkomensbeleid 4, 22, 24, 27, 123, 133, 138, 140, 171

Inkomensbescherming 4, 62, 68, 69, 76, 105, 108, 123, 124, 133, 138, 140

IOAW 63, 64, 66, 80, 84, 85, 181

IOAZ 63, 64, 66, 80, 84, 85, 181

IOW 63, 70, 71, 72, 86, 110, 169, 181

IVA 16, 67, 68, 69, 72, 73, 75, 118, 181

Jeugdwerkloosheid 28, 29, 30, 34, 99, 124, 171

Jongeren 16, 32, 34, 35, 36, 63, 66, 71, 75, 76, 80, 82, 84, 85, 94, 182

Jonggehandicapten 63, 75, 76, 166, 171, 182

Kinderopvang 10, 24, 25, 146, 181

Koopkracht 14, 15, 19, 23, 24, 27, 112, 114, 115, 181

Leren en werken 33

Levensloop 39, 43, 45

Loonkostensubsidie 90, 94, 96, 97

Minimumloon 24, 26, 38, 41, 42, 79, 105, 107, 108, 110, 126, 182

MKOB 112, 113, 114, 115, 181

Ontslag 17, 33, 41, 42, 43, 59, 69, 70, 72, 91, 166, 182

Ouderen 23, 30, 33, 34, 35, 36, 45, 68, 70, 74, 80, 84, 99, 105, 106, 108, 116, 168, 180

Pensioen 4, 19, 20, 23, 43, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 105, 106, 108, 123, 133, 136, 138, 140, 162, 163, 164, 166, 167, 171, 180, 181

Re-integratie 4, 10, 19, 77, 87, 88, 89, 90, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 100, 123, 124, 125, 130, 132, 133, 138, 140, 158, 161, 166, 171, 172, 175

Schuldhulpverlening 18, 21, 67, 80, 81, 82, 83, 85, 86, 88, 124

Sociale werkvoorziening 4, 101, 102, 103, 123, 133, 175, 181, 182

TAS 112, 113, 114, 115, 167, 169, 181

TBA 78, 181

TOG 10, 18, 112, 113, 114, 167, 169, 172, 181

Tri 63, 64

TW 106, 110, 111, 133, 169, 181

Vazalo 63, 66, 181

Verlof 39, 43, 44, 45, 59

Wajong 16, 63, 64, 75, 76, 77, 78, 88, 89, 94, 95, 110, 118, 166, 169, 171, 174, 175, 182

WAMIL 110, 182

WAO 16, 64, 67, 68, 72, 73, 75, 88, 89, 90, 92, 94, 95, 97, 110, 118, 137, 166, 169, 178, 179, 182

WAV 34, 36, 126, 127, 128, 182

WAZ 16, 64, 67, 69, 72, 74, 75, 88, 89, 90, 92, 94, 95, 97, 110, 118, 169, 182

Werkgelegenheid 1, 5, 14, 15, 57, 94, 95, 125, 133, 134, 136, 141, 142, 161, 166, 181

Werkloosheid 11, 13, 14, 15, 16, 18, 21, 25, 26, 28, 33, 35, 42, 62, 65, 67, 69, 70, 72, 84, 90, 92, 125, 158, 174, 175, 176, 177, 178, 180, 182

WGA 16, 67, 68, 69, 72, 73, 75, 86, 118, 182

WIA 48, 68, 72, 73, 75, 86, 88, 89, 90, 92, 94, 95, 97, 110, 137, 160, 166, 169, 182

WIJ 9, 16, 36, 64, 65, 66, 67, 80, 82, 83, 84, 85, 92, 94, 97, 182

WML 38, 41, 42, 43, 80, 126, 127, 128, 182

Wsw 77, 101, 102, 103, 104, 122, 124, 172, 174, 175, 182

WW 10, 15, 16, 18, 62, 63, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 74, 79, 86, 89, 90, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 110, 160, 161, 166, 169, 176, 178, 179, 182

WWB 15, 16, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 77, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 93, 105, 106, 108, 109, 160, 166, 176, 182

WWIK 63, 64, 66, 80, 81, 84, 85, 86, 166, 182

ZBO 4, 9, 10, 166, 182

ZW 9, 10, 17, 18, 20, 24, 26, 28, 29, 30, 31, 32, 34, 36, 38, 39, 41, 42, 43, 45, 48, 50, 51, 52, 56, 58, 62, 66, 67, 69, 72, 74, 75, 76, 79, 80, 81, 82, 83, 85, 87, 88, 89, 91, 93, 96, 99, 100, 102, 105, 106, 107, 108, 109, 110, 112, 114, 115, 120, 121, 122, 123, 124, 125, 126, 127, 128, 130, 131, 132, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 146, 147, 148, 149, 150, 151, 152, 158, 159, 161, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 173, 174, 175, 177, 178, 179, 180, 181, 182