Gepubliceerd: 6 april 2011
Indiener(s): Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD)
Onderwerpen: openbare orde en veiligheid politie, brandweer en hulpdiensten
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32527-6.html
ID: 32527-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 7 april 2011

ALGEMEEN

1. Inleiding

Ik heb met belangstelling kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de PVV, het CDA, de SP, D66, de ChristenUnie en de SGP.

Het verheugt mij dat de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, het CDA, D66, ChristenUnie en SGP met belangstelling kennis hebben genomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de samenvoeging van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland tot de nieuwe politieregio Gooi-Flevoland en het treffen van een aantal tijdelijke voorzieningen in verband daarmee.

Zoals bekend is in het regeerakkoord1 aangekondigd dat er nationale politie komt. De nationale politie wordt wettelijk geregeld via een wijziging van het eerder bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel voor vaststelling van een nieuwe politiewet (30 880).

Uw kamer is per brief op hoofdlijnen geïnformeerd over de plannen met betrekking tot de vorming van een nationale politie2. Op 12 januari jl. is deze brief met uw Kamer besproken.

Ter uitwerking van de plannen met betrekking tot de vorming van een nationale politie is inmiddels een concept-nota van wijziging opgesteld. Deze concept-nota van wijziging is inclusief bijbehorende concept-toelichting is op hetzelfde moment als de genoemde brief aan uw kamer is gezonden, ter externe consultatie aangeboden.

Bij de beantwoording van de vragen is zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden. Voor zover de vraag in een andere paragraaf is beantwoord, is op de oorspronkelijke plaats van de vraag in het verslag een verwijzing opgenomen naar het onderdeel waar die vraag is beantwoord.

De leden van de fractie van de VVD hebben mij gevraagd concreet uiteen te zetten hoe de samenvoeging met het oog op de toekomstige bestendigheid hiervan, past binnen de plannen voor het nieuwe politiebestel conform het regeerakkoord. Verzocht is daarbij in het bijzonder in te gaan op de relatie met (bijvoorbeeld) Utrecht als toekomstige fusiepartner. Gevraagd wordt ook hoe de regering aankijkt tegen de zorgen als het gaat om mogelijke (grote) financiële afbreukrisico’s die veroorzaakt zouden kunnen worden door deze samenvoeging en de geplande bestelwijziging in de nabije toekomst.

De leden van de fractie van de VVD lezen in de memorie van toelichting dat er een afname is van het percentage leidinggevende functies en staffuncties. Zij verzoeken de regering hier nader op in te gaan. Graag zien zij een en ander uitgedrukt in percentages.

De samenvoeging van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland staat geenszins in de weg aan de plannen voor het nieuwe politiebestel. In het regeerakkoord is aangekondigd dat er nationale politie komt. Over de vorming van de nationale politie heb ik uw kamer, zoals hierboven reeds opgemerkt, recentelijk op hoofdlijnen geïnformeerd. De 25 bestaande regiokorpsen, het Klpd, de VtsPN en alle andere bovenregionale voorzieningen gaan op in één landelijk korps. Dit landelijke korps zal bestaan uit tien regionale eenheden en één of meer landelijke eenheden. De tien regionale eenheden zullen, binnen de context van het landelijke korps, zorg dragen voor de uitvoerende politietaken (bijvoorbeeld basispolitiezorg, noodhulp, opsporing) in hun gebied. De grenzen van deze regionale eenheden zijn congruent aan de grenzen van de gerechtelijke kaart, die momenteel wordt herzien.

Op basis van de herziene gerechtelijke kaart zoals die op dit moment in voorbereiding is, zullen de huidige politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland, na inwerkingtreding van de nieuwe Politiewet, één eenheid gaan vormen met de huidige politieregio Utrecht.

Financiële afbreukrisico’s die veroorzaakt zouden kunnen worden door de samenvoeging van Gooi en Vechtstreek en Flevoland in relatie tot de bestelwijziging in de nabije toekomst, zijn niet te verwachten. Hoe eerder de twee regio’s worden samengevoegd, hoe eerder de te verwachten efficiencywinsten kunnen worden ingeboekt, iets wat zeer welkom is in het bijzonder voor het korps Flevoland, dat onder preventief (financieel) toezicht stond en sinds december 2010 onder repressief toezicht staat.

De politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland werken reeds een geruime tijd nauw samen, onder meer op het gebied van Tactische Technische Interceptie, Forensische Opsporing, Integrale Beroepsvaardigheden Training en Teleservice. Binnen deze samenwerkingsverbanden zijn voor beide korpsen reeds formatieve winsten behaald.

Het samengaan van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland leidt daarnaast tot een afname van het percentage leidinggevende functies (managementteamleden) en staffuncties (bedrijfsvoeringafdelingen, stafbureaus en executieve ondersteuning). De hiermee gepaard gaande formatieve winst wordt geschat op 4% tot 5% van de totale formatie van 1840 fte, dus zo’n 70 tot 90 fte. De geboekte formatieve winst zal ten goede komen aan het primaire proces (handhaving, opsporing, noodhulp en intake). Naar verwachting kan deze formatieve winst (na formalisering) reeds vóór 1 januari 2012 worden ingeboekt, dat wil zeggen vóór de beoogde invoering van nationale politie.

Om de formatie betaalbaar te houden, wordt daarbij uitgegaan van een aanzienlijke bezuiniging ten aanzien van bijkomende personeelskosten en is het streven om de materiele component van het budget te verlagen van 25,6% naar 23,1% (zijnde het huidige landelijke gemiddelde). Dit is alleen mogelijk als gevolg van het samengaan van de beide politieregio’s.

De leden van de fractie van de PvdAstaan in principe positief tegenover de samenvoeging, maar constateren dat deze voorziene samenvoeging zal plaatsvinden op een moment dat het politiebestel en de regio-indeling sterk ter discussie staan. De leden van de PvdA vragen dientengevolge om een nadere uiteenzetting van de problemen waar de betrokken korpsen op dit moment tegenaan lopen en hoe die door een fusie opgelost kunnen worden.

De politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland werken al een geruime tijd nauw samen. De resultaten van de afgelopen jaren binnen de twee korpsen zijn mede behaald door de goede en constructieve samenwerking tussen beide regio’s. Het wordt steeds moeilijker om de ambities als zelfstandige regio’s waar te kunnen blijven maken. Er worden immers steeds hogere eisen aan het politiewerk gesteld en er zijn meer specialisten nodig om nieuwe vormen van criminaliteit het hoofd te bieden.

Het besluit van het vorige kabinet om het aantal korpsen te verminderen en het daarop volgende verzoek aan de regio’s te komen met een voorstel voor samengaan is voor beide regio’s aanleiding geweest om te onderzoeken wat een samenvoeging voor de korpsen zou betekenen. Al snel was de conclusie dat met het oog op enkele cruciale thema’s een samenvoeging zeer gewenst is. Te denken valt daarbij aan kwaliteitsverbetering, mogelijkheden met betrekking tot specialisatie, vermindering kwetsbaarheid en meer financiële stevigheid.

De leden van de fractie van de PvdA lezen in de memorie van toelichting dat het doorgaan van de fusie spoedeisend is, maar willen graag een nadere onderbouwing van deze spoed.

Naar aanleiding van het kabinetsstandpunt «samenwerkingsafspraken en politiewet»3 is de bestuurders van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland medio 2009 gevraagd om te komen met een voorstel voor samengaan. Dit verzoek heeft erin geresulteerd dat de regionale colleges van beide regio’s op 4 december 2009 unaniem het besluit hebben genomen om hun regio’s te laten opgaan in één nieuwe politieregio.

Sindsdien wordt er binnen de beide regio’s toegewerkt naar één nieuw korps dat beter en doelmatiger is dan twee separate korpsen. Formalisering kan aldus gezien worden als het sluitstuk van een al langer lopend proces. Daarbij vind ik het ook van belang om mij te houden aan de bestuurlijke afspraak die ik heb gemaakt om de wettelijke belemmeringen voor deze fusie weg te nemen. Tot slot kunnen, zoals gezegd, door een spoedige samenvoeging de te verwachten efficiencywinsten eerder worden ingeboekt.

De leden van de PvdA constateren dat de regering het voornemen heeft om te komen tot nationale politie en een kleiner aantal politieregio’s. De leden verwachten dat die voorstellen opnieuw tot reorganisaties zullen leiden. Dat is de reden waarom zij vragen naar de voor- en nadelen van het uitstellen van de fusie totdat er duidelijkheid is over de structuur van de politie op langere termijn.

De nadelen van het uitstellen van de fusie zijn dat de te verwachten kwaliteitsverbetering, de mogelijkheden met betrekking tot specialisatie, de vermindering van de kwetsbaarheid en het verkrijgen van meer financiële stevigheid op zich zullen moeten laten wachten. Efficiencywinsten kunnen bovendien pas op een later moment worden ingeboekt en worden omgezet in «blauw op straat». Reeds gedane (financiële) investeringen worden teniet gedaan, evenals de energie in beide korpsen die van onderop tot stand is gekomen.

Hiertegen wegen het voordeel van uitstel van de fusie tot de herziening van de gerechtelijke kaart een feit is, namelijk dat van tijdelijke incongruentie geen sprake hoeft te zijn, en de daarmee verband houdende bezwaren voor de rechtspraak en het openbaar ministerie, naar mijn mening niet op.

Opgemerkt zij nog, dat het wetsvoorstel betreffende de samenvoeging gewoon doorgang kan vinden. Dit totdat zou blijken dat dit wetsvoorstel de vorming van de nationale politie in de weg komt te zitten. Daarvan is nu geen sprake.

Welk tijdpad ziet de regering voor zich bij de hervormingen van de politieorganisatie?

De nationale politie wordt wettelijk geregeld via een wijziging van het eerder bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel voor vaststelling van een nieuwe politiewet (30 880). Uw kamer is, zoals gezegd, inmiddels op hoofdlijnen geïnformeerd over de plannen met betrekking tot de vorming van een nationale politie. Ter uitwerking van die plannen is inmiddels een concept-nota van wijziging opgesteld. Deze concept-nota van wijziging is inclusief bijbehorende concept-toelichting is op hetzelfde moment als de genoemde brief aan uw kamer is gezonden, ter externe consultatie aangeboden. Na deze consultatiefase zal het wetsvoorstel ter advisering aan de Raad van State worden aangeboden. De planning is erop gericht dat de wet op 1 januari 2012 in werking treedt.

Teneinde binnen de kaders van de huidige Politiewet 1993 al zoveel mogelijk stappen te maken om de daadwerkelijke invoering van een nationale politie te vergemakkelijken, is onlangs met de korpsbeheerders een transitieakkoord gesloten. In dit transitieakkoord zullen afspraken worden gemaakt over de verdeling van verantwoordelijkheden in de transitiefase en de maatregelen die nu of in de transitiefase genomen moeten worden ter voorbereiding op nationale politie. Hierbij kan specifiek gedacht worden aan de te treffen maatregelen ten aanzien van ICT, onder andere naar aanleiding van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Uiteraard staat voorop dat geen onomkeerbare stappen worden gezet totdat de wetswijziging formeel van kracht is.

De leden van de PvdA-fractie worden graag nader geïnformeerd over de activiteiten die nu al ontplooid zijn door de betrokken regio’s in voorbereiding op de fusie.

De leden van de PvdA-fractie willen weten hoe de werknemers en hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de voorbereiding van de fusie en hoe er wordt omgegaan met hun bezwaren.

De betrokken regio's zijn naar aanleiding van het besluit van het vorige kabinet om het aantal korpsen te verminderen en het daarop volgende verzoek aan de regio’s te komen met een voorstel voor samengaan de praktische voorbereidingen om te komen tot één nieuwe politieregio reeds enige tijd geleden gestart. Nadat de regionale colleges van beide regio’s op 4 december 2009 unaniem het besluit hebben genomen om hun regio's te laten opgaan in één nieuwe politieregio is met ingang van februari 2010 het praktische proces om te komen tot het korps Gooi-Flevoland door de beide korpsbeheerders in gang gezet. Sinds die tijd is ook een speciaal ingerichte projectorganisatie actief. In de zomer heeft deze projectorganisatie een Visiedocument opgesteld en is er een uitgewerkt Projectplan opgeleverd. Het Visiedocument en het Projectplan zijn vervolgens in de regionale colleges vastgesteld. Volgens deze documenten wordt nu gewerkt aan de samenvoeging.

Binnen de projectorganisatie zijn 15 deelprojectleiders werkzaam. Zij hebben adviezen opgesteld over de inrichting en werkwijze, de sterke en te behouden punten en verbetervoorstellen voor het nieuwe korps. De adviezen anticiperen op ontwikkelingen in het politiebestel. Eind 2010 is dit onder andere in een samenhangend document samengevat en wordt dit in 2011 aangeboden aan de Regionale Colleges en de Ondernemingsraden. Alle voorbereidingen liggen op schema.

Inmiddels zijn ook de regionale colleges, de regionale beheersdriehoeken, de korpsleiding, de korpsmanagementteams en diverse stafafdelingen in praktische zin samengevoegd. Tijdens de onlangs gehouden Korpsdagen zijn de ruim 1 800 medewerkers van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland nader geïnformeerd en actief betrokken in diverse workshops.

De beide Ondernemingsraden werken hierin nauw met elkaar samen.

De leden van de fractie van de PVV zijn voorstander van een nationale politie die hervormd wordt volgens de indeling van de gerechtelijke arrondissementen. Door deze op handen zijnde herziening zijn volgens de leden van de fractie van de PVV tijdelijke voorzieningen als deze samenvoeging van Gooi en Vechtstreek en Flevoland niet van toegevoegde waarde, omdat deze in hun ogen alleen maar kan leiden tot onnodige vertraging. Volgens de leden van de fractie van de PVV wordt een organisatie gebouwd op een andere organisatie, die ten slotte geheel overbodig wordt.

Ik bestrijd dat er een organisatie wordt gebouwd die geheel overbodig wordt. Het op de korte termijn samengaan van beide politieregio’s leidt al snel tot een vermindering van de kwetsbaarheid van beide (kleine) korpsen en een vergroting van de professionaliteit van de primaire politietaak. Daarnaast leidt het samengaan tot schaalvoordelen, zoals de afname van het percentage leidinggevende functies en staffuncties, grotere mogelijkheden voor innovatie en professionalisering hetgeen weer ten goede zal komen aan de kwaliteit van de politiezorg. Zo zullen door de grotere draagkracht specialismen eenvoudiger kunnen worden ingericht en in stand gehouden. Van groot belang is tevens dat door schaalvoordelen de financiële positie van het gefuseerde korps beter wordt.

Voor veel (kleinere) korpsen is het financieel bijna onmogelijk om op eigen kracht aan toenemende eisen die aan veiligheidszorg worden gesteld en hogere kwaliteitseisen eisen te voldoen.

De samenvoeging van de huidige politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland staat niet in de weg aan de vorming van de nationale politie. Het nationale korps zal, zoals al eerder is opgemerkt, worden onderverdeeld in 10 eenheden, die congruent zijn aan de arrondissementen van de gerechtelijke kaart, zoals die er na de voorgenomen herziening uit zal zien. Op basis van deze herziene gerechtelijke kaart vormen de huidige politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland, na inwerkingtreding van de nieuwe Politiewet, een eenheid met de huidige politieregio Utrecht.

De samenvoeging van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland blijft van nut met het oog op de latere vorming van de eenheid.

2. Tijdelijke incongruentie

2.1. Incongruentie met arrondissementale grenzen

De leden van de PvdA-fractie constateren dat er na een fusie sprake zal zijn van een aantal incongruenties die opgelost moeten worden. Deze oplossingen leiden tot een aantal vragen. Zo zal een nieuw te vormen regio, in ieder geval voorlopig, vallen onder de arrondissementen Amsterdam en Lelystad–Zwolle. Als oplossing wordt de hoofdofficier van justitie van het arrondissement Utrecht aangesteld als Hoofdofficier van Justitie voor de nieuwe politieregio. Operationeel lijken de oude arrondissementen echter verantwoordelijk te blijven voor de uitvoering van de taken van het Openbaar Ministerie (OM). Deze leden zien hierin een mogelijk knelpunt in de aansturing van het OM in concrete zaken, omdat er verschillende arrondissementen betrokken zijn. Graag willen zij duidelijkheid van de regering hoe dit in de praktijk moet gaan werken.

Door de samenvoeging van de betrokken politieregio’s ontstaat inderdaad, zo merken de leden van de PvdA-fractie terecht op, een aantal incongruenties. Deze zijn grotendeels tijdelijk van aard. De grens van de nieuwe politieregio wordt immers in elk geval weer congruent met de arrondissementale grenzen na de hierboven al gememoreerde herziening van de gerechtelijke kaart.

Voor de incongruentie met de arrondissementale grenzen is in het wetsvoorstel een voorziening getroffen waardoor geen misverstand kan ontstaan over de aansturing door het openbaar ministerie in concrete zaken. Het voorgestelde artikel 66a regelt immers dat het parket in Utrecht verantwoordelijk wordt voor zaken in de nieuwe politieregio. Dat is technisch vormgegeven door het Gooi en Vechtstreekse deel van het arrondissement Amsterdam en het Flevolandse deel van het arrondissement Zwolle–Lelystad voor de toepassing van (kort gezegd) de Politiewet en de relatieve competentie in strafzaken tot het arrondissement Utrecht te laten behoren. Als gevolg hiervan zijn de arrondissementen Amsterdam en Zwolle–Lelystad, anders dan deze leden veronderstellen, dus juist niet meer betrokken bij zaken in de nieuwe politieregio, operationeel of anderszins.

De leden van de CDA-fractie refereren aan de brief van 6 oktober 2010 van de Raad voor de rechtspraak (hierna: de Raad) aan uw kamer. Deze leden vragen naar de door de Raad gemaakte opmerking over een dubbele reorganisatie. Voorop gesteld dient te worden dat er geen sprake van is dat de nieuwe politieregio in twee arrondissementen komt te liggen en dat daarbij een derde arrondissement wordt betrokken, zoals de Raad lijkt te veronderstellen. Zoals ik hierboven al heb toegelicht, wordt de nieuwe politieregio (voor de toepassing van de Politiewet 1993 en de relatieve competentie in strafzaken) onderdeel van het arrondissement Utrecht. De arrondissementen Amsterdam en Zwolle–Lelystad zullen dus niet langer bij de nieuwe politieregio betrokken zijn. Daarmee loopt ook de betrokkenheid van de gerechten vooruit op de herziening van de gerechtelijke kaart, in die zin dat reeds deels conform die nieuwe gerechtelijke kaart wordt gewerkt. Alhoewel duidelijk is dat daarmee organisatorische belangen van onder meer de gerechten zijn gemoeid, acht ik het van belang dat de formele samenvoeging van de politieregio’s op korte termijn wordt gerealiseerd. Op de redenen daarvoor is hierboven reeds ingegaan.

De leden van de CDA-fractie hebben ook gevraagd naar de door de Raad onder de aandacht gebrachte bevoegdheid van de minister om te bepalen dat strafzaken uit de nieuwe politieregio door de rechtbank Zwolle–Lelystad te Lelystad worden behandeld. Ook de leden van de D66-fractie hebben over deze bevoegdheid vragen gesteld. Ik deel niet de opvatting van de Raad dat deze bevoegdheid een aantasting van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht inhoudt omdat de bevoegdheid de mogelijkheid zou meebrengen te «shoppen» langs verschillende gerechten op zoek naar een wenselijke uitspraak. Dat is uiteraard allerminst de reden waarom de bevoegdheid wordt voorgesteld. De bepaling is bedoeld om de mogelijkheid te openen dat strafzaken uit de nieuwe politieregio te Lelystad worden behandeld. Daarmee kan niet alleen worden voorkomen dat voortaan alle strafzaken door de rechtbank Utrecht moeten worden behandeld, maar wordt tevens recht gedaan aan de samenwerking in de op de nieuwe gerechtelijke kaart gerichte OM-regio Utrecht–Lelystad. De wenselijkheid van die mogelijkheid wordt overigens door de Raad niet bestreden. Gelet op het uitzonderlijke karakter van deze bevoegdheid is ervoor gekozen deze bevoegdheid toe te delen aan de minister en niet aan de Raad, zoals de Raad zelf voorstelt. Dat is in lijn met het in het wetsvoorstel Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie voorgestelde artikel XXI, tweede lid, waarin de tijdelijke bevoegdheid om strafzaken over te hevelen naar een andere rechtbank of gerechtshof eveneens aan de minister is toebedeeld.

Het is in dit verband van belang dat ook de hier aan de orde zijnde bevoegdheid een tijdelijkkarakter heeft. De bevoegdheid heeft immers uitsluitend betrekking op zaken van de nieuwe politieregio, in afwachting van de vorming van een nationale politie. Het artikel schrijft overigens voor dat de minister de bevoegdheid uitoefent nadat hij de Raad en het College van procureurs-generaal heeft gehoord. Het ligt in de rede dat over de toepassing van deze bevoegdheid al duidelijkheid bestaat op het moment dat dit voorstel wet wordt, zodat de gerechten zich daar op kunnen voorbereiden.

Voorts is een gevolg van de bevoegheidsbepaling dat het zonder nadere wetswijziging niet mogelijk zou zijn om in de toekomst zaken uit de nieuwe politieregio in Almere af te doen. De leden van de CDA-fractie zien graag een reactie van de regering tegemoet.

De leden van de CDA-fractie zien het goed dat het zonder nadere wetswijziging niet mogelijk zou zijn om in de toekomst zaken uit de nieuwe politieregio in Almere af te doen. Na de herziening van de gerechtelijke kaart waarvan het conceptwetsvoorstel na afronding van de consultatiefase is aangeboden ter behandeling in de Ministerraad, zal Almere één van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zittingsplaatsen zijn. Gezien het spoedeisende karakter van onderhavig wetsvoorstel waarin het nodig is om het mogelijk te maken dat naast de rechtbank Utrecht eventueel ook bij een andere rechtbank zaken kunnen worden behandeld, is uit praktische overwegingen – bij gebreke van gebouwelijke voorzieningen in Almere – in artikel VII geregeld dat zaken op aanwijzing van de minister kunnen worden behandeld bij de rechtbank Zwolle–Lelystad te Lelystad. Zonder die specifieke aanwijzing van de locatie Lelystad zouden de zaken uit bijvoorbeeld Hilversum en Bussum ook terecht kunnen worden in de hoofdlocatie Zwolle en/of in de andere locaties, namelijk Steenwijkerland of Deventer. Vanuit oogpunt van de grote afstand, ligt dat niet in de rede.

Hoe beoordeelt de regering de voorgestelde oplossing van de Raad voor de rechtspraak voor een tijdelijk optredende territoriale incongruentie tussen de politieregio's enerzijds en de betrokken arrondissementen, veiliheidsregio’s en provincies anderzijds, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

De Raad voor de rechtspraak meent in zijn alternatieve voorstel dat een reparatie van de territoriale incongruentie, het best kan worden gerealiseerd door in de wet aan de Raad voor de rechtspraak de bevoegdheid te verlenen om, gehoord het openbaar ministerie en betrokken gerechtsbesturen, voor behandeling van deze zaken een andere rechtbank dan rechtbank Utrecht aan te wijzen, waarnaar deze zaken kunnen worden verwezen. De Raad zou daartoe dan de rechtbank Zwolle-Lelystad kunnen aanwijzen. De Raad verwijst in dit verband naar een soortgelijke voorziening die is opgenomen in het nieuw voorgestelde artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie, zoals dat is opgenomen in het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (Kamerstukken I 2009/10, 32 021, A). Ik wijs er echter op dat dat wetsvoorstel de reeds thans bestaande bevoegdheid van de Raad voor de rechtspraak om zaken over te hevelen naar andere gerechten juist uitdrukkelijk beoogt in te perken, mede om redenen van rechtsstatelijke aard (zie hierover nader de memorie van toelichting: Kamerstukken II 2008/09, 32 021, nr. 3, blz. 7). Er is uitdrukkelijk een beperking aangebracht tot het overhevelen van rechtbankzaken tussen rechtbanken die binnen hetzelfde ressort zijn gelegen. Dat is bij de rechtbanken Utrecht en Zwolle–Lelystad niet het geval. Om die reden is het meer aangewezen deze bevoegdheid aan de minister toe te kennen. Anders dan de Raad voor de rechtspraak ben ik niet van mening dat daarmee de onafhankelijkheid wordt aangetast. Er is geen sprake van dat op deze wijze zou kunnen worden «geshopt» langs verschillende rechterlijke colleges op zoek naar de meest wenselijke behandeling of uitkomst in een bepaalde zaak, zoals de Raad in zijn reactie op het wetsvoorstel vreest. Ik wijs erop dat een ministeriële bevoegdheid ook in lijn is met de tijdelijke voorziening die reeds in artikel XXI, tweede lid, van het wetsvoorstel Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie is getroffen, op grond waarvan aan de minister de bevoegdheid is toegekend in het perspectief van de herziening van de gerechtelijke kaart de behandeling van strafzaken door de minister tijdelijk kan worden overgeheveld naar een andere rechtbank of gerechtshof.Zodra genoemd wetsvoorstel tot wet is verheven en artikel XXI, tweede lid, van dat wetsvoorstel in werking is getreden, heeft de specifieke voorziening in artikel VII van het onderhavige wetsvoorstel geen betekenis meer, omdat de Evaluatiewet dit dan in algemene zin regelt.

Op vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de SP en D66 over advisering door de Raad kan ik antwoorden dat de beschikbare tijd, gezien het spoedeisende karakter van het wetsvoorstel, consultatie ervan niet toeliet. Over de reden van de spoedeisendheid is hierboven al het een en ander opgemerkt, evenals over de inhoud van de door de Raad aan uw Kamer gezonden brief. Die inhoud vormt voor mij geen aanleiding het wetsvoorstel te herzien of niet door te zetten.

De leden van de D66-fractie hebben voorts gevraagd of de door de Raad genoemde aandachtspunten (ook) worden betrokken bij voorstellen tot het vormen van een nationale politieorganisatie. Met de leden van de D66-fractie deel ik de mening dat de kwaliteit van de justitiële keten gewaarborgd moet worden. De regionale eenheden van de nationale politieorganisatie zullen congruent worden aan de grenzen van de arrondissementen zoals die na de herziening van de gerechtelijke kaart komen te liggen. De schaal van de indeling in tien regionale eenheden leidt tot het ontstaan van robuuste werkeenheden en daarmee tot een steviger basis voor de organisatie van uitvoerende politietaken, waaronder uiteraard de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe ver de samenwerking met het arrondissement Utrecht gaat en hoe er wordt voorkomen dat bijna automatisch zal worden overgegaan tot een verdere samenvoeging van Gooi-Flevoland en Utrecht.

Dit wetsvoorstel beperkt zich tot een fusie van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland en ziet geenszins op een (verdergaande) fusie met de politieregio Utrecht. Om de gevolgen van de incongruentie tussen de nieuwe politieregio en arrondissementen op te lossen, gaat de nieuwe politieregio voor (kort gezegd) de toepassing van de Politiewet 1993 behoren tot het arrondissement Utrecht. Dat staat geheel los van (niet aan de orde zijnde) verdergaande samenwerking of fusie met de politieregio Utrecht.

2.2. Incongruentie met de veiligheidsregio’s

De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering concreet in te gaan op de (mogelijke) problemen die veroorzaakt worden dan wel in te gaan op de nadelen en gevolgen van de incongruentie van de politieregio en de veiligheidsregio’s.

Incongruentie van de politieregio en de veiligheidsregio’s levert geen problemen op zo lang de buitengrenzen maar congruent zijn. De politie levert ook straks na de samenvoeging nog haar bijdrage aan de taken van de veiligheidsregio’s.

Overigens wordt ook binnen de veiligheidsregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland reeds de samenwerking gezocht. Denk daarbij aan het project Implementatie Netcentrisch Werken en de nauwere samenwerking tussen de GGD-GHOR in beide regio’s.

De leden van de PvdA-fractie merken ten aanzien van de incongruentie met de veiligheidsregio’s op dat congruentie zeer wezenlijk is voor een adequate reactie bij grote calamiteiten. Daarom willen zij weten of voor de veiligheidsregio’s niet net zo goed geldt dat een te kleine schaal het onmogelijk maakt om de taken goed uit te voeren. Ook willen zij weten hoe problematisch de incongruentie in de praktijk is en wat zich tegen samenvoeging verzet gelijk met die van de politieregio’s?

Op 1 oktober jl. is de Wet veiligheidsregio’s (WVR) in werking getreden. Alle veiligheidsregio’s zijn nu volop doende invulling te geven aan de veiligheidsregio en de eisen die de nieuwe wet stelt. Het kabinet steunt deze ontwikkeling. Discussie over schaalvergroting van de veiligheidsregio's is daarom nu niet aan de orde. De buitengrenzen van de veiligheidsregio’s zijn congruent aan de grenzen van de voorziene tien regionale politie-eenheden, waarbij de grenzen van de tien arrondissementen van de gerechtelijke kaart leidend zijn. De vorming van de nationale politie en de schaalvergroting van de regionale eenheden vraagt om een aanpassing van de relatie tussen de politieorganisatie en de veiligheidsregio. De politie moet en zal uiteraard haar bijdrage blijven leveren aan de taken van de veiligheidsregio. Teneinde een goede operationele en bestuurlijke koppeling mogelijk te maken, kan voor de indeling van de regionale eenheden van de politie in districten worden uitgegaan van de indeling van de veiligheidsregio’s.

Bij de evaluatie van de WVR, voorzien in 2012, kan worden bezien, of en in hoeverre verdere afstemming tussen de politie en de veiligheidsregio’s wenselijk is.

2.3. Incongruentie met de provinciegrenzen

De leden van de VVD-fractie merken op dat er wordt voorgesteld dat de Commissaris der Koningin (CdK) in de provincie Flevoland voor de nieuwe politieregio optreedt als CdK voor de uitoefening van bevoegdheden die de Politiewet 1993 aan deze ambtsdrager toekent. Hij dient zich daarbij voorts te verzekeren van de steun van zijn ambtgenoot van de provincie Noord-Holland. Deze leden verzoeken de regering aan te geven hoe en waarom zij tot deze keuze is gekomen. De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de nieuwe situatie de CdK in Flevoland verantwoordelijk wordt voor de nieuwe politieregio en hij overeenstemming moet zoeken met zijn ambtgenoot van Noord-Holland. Deze leden willen weten hoe er omgegaan moet worden met meningsverschillen tussen de CdK’s. Voorts vernemen zij graag van de regering wat het standpunt van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is in deze. De leden van de SP-fractie merken op dat er met dit wetsvoorstel de provinciegrens wordt overschreden en dat er een constructie is bedacht om recht te doen aan de rol van beide CdK’s. Dit is echter een onbevredigende oplossing die bureaucratie in de hand werkt omdat er veel afstemming en overleg moet plaatsvinden. Als dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, dan raden deze leden aan om specifiek te benoemen welke CdK hoofdverantwoordelijke is.

Gekozen is voor de commissaris van de Koningin in de provincie Flevoland, daar de nieuwe politieregio grotendeels in die provincie gelegen is. Slechts een klein deel van de nieuwe regio is gelegen in Noord-Holland. Bovendien zal de nieuwe regio ook formeel gevestigd zijn in Flevoland, namelijk in Lelystad. De commissaris van de Koningin in Flevoland is voorts de portefeuillehouder politie binnen de Kring van commissarissen. De commissaris van de Koningin in Noord-Holland heeft naast de huidige politieregio Gooi en Vechtstreek nog vier andere politieregio’s onder zijn hoede.

Tot slot betreft het een tijdelijke oplossing voor een tijdelijk probleem.

Meningsverschillen tussen de beide commissarissen van de Koningin kunnen zich slechts voordoen bij het adviesrecht bij de benoemingsvoordracht van de korpsbeheerder en de korpsleiding en bij het administratief beroep op de commissaris van de Koningin tegen besluiten van een der regionale colleges.

Ten aanzien van deze taken wijst het onderhavige wetsvoorstel de commissaris van de Koningin in Flevoland aan als de commissaris in de zin der wet, die in overeenstemming met zijn ambtgenoot in Noord-Holland beslist. Kunnen beide commissarissen niet tot overeenstemming komen over een benoemingsadvies, dan zal dat in het advies aan de minister worden vermeld. Opschalen naar een hoger niveau (minister) is alsdan niet logisch daar de minister dan aan zichzelf advies moet uitbrengen.

Met betrekking tot het administratief beroep bepaalt de wet nu al dat commissaris van de Koningin en het College van procureurs-generaal tot overeenstemming moeten komen en dat, indien zij daar niet in slagen, de minister in hun plaats treedt. Logisch geredeneerd begint in de fusieregio Gooi-Flevoland het proces al eerder: overeenstemming tussen commissarissen van de Koningin. Komen zij er al niet uit, dan is overeenstemming met het College van procureurs-generaal niet mogelijk en is de minister aan zet.

Het Interprovinciaal Overleg is in verband met de spoedeisendheid niet geconsulteerd. Het formele standpunt van het IPO is de regering daarom niet bekend.

De voorgestelde afstemmingsstructuur werkt geen bureaucratie in de hand. Het gaat met name om adviesrecht bij aanwijzing van de korpsbeheerder en benoeming van de korpschef en om het behandelen van een aantal administratieve beroepen die in de praktijk zelden of nooit worden ingesteld.

3. Financiële en rechtspositionele gevolgen

De leden van de PVV-fractie vragen hoe de regering denkt over de extra kosten die dit wetsvoorstel met zich mee zal brengen. Een gedegen financiële specificatie, met een bijzondere aandacht naar de extra kosten, is naar de mening van deze leden gewenst. Er dienen nu namelijk twee reorganisaties kort achter elkaar uitgevoerd te worden. Door deze reorganisaties zullen de politiemedewerkers hinder ondervinden waarbij de vraag is hoe groot deze hinder zal zijn. De kans op dubbele werkprocessen is zeker niet gering in de ogen van voornoemde leden. Zij willen een 100% garantie van de regering dat de korpsbeheerders van de oude politieregio’s en de korpschefs van de politieregio’s de invoering van de nieuwe nationale politieorganisatie verdeeld in 10 politieregio’s niet willen en vooral niet kunnen tegenhouden of zelfs maar vertragen. Wanneer dit niet toegezegd kan worden, zullen deze leden het onderliggende wetsvoorstel zeer kritisch benaderen.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering precies kan aangeven wat het fusietraject heeft gekost en opgeleverd? Kan de regering voorts ingaan op de kritische brief van de bonden waarin zij hun zorgen uiten over het tot twee keer toe plaatsvinden van «gesjouw» met mensen?

De leden van de SGP-fractie merken ten slotte op dat de regering stelt dat de financiële positie van de nieuw te vormen regio beter wordt. Kan hier nader inzicht in worden gegeven? Deze leden vragen bovendien in hoeverre de financiële problemen samenhangen met het nog niet doorgevoerd zijn van wijzigingen in het budgetverdeelsysteem.

Exacte kosten en opbrengsten zijn nog niet te berekenen, het proces van samengaan vindt immers nog plaats. De meeste opbrengsten zijn bovendien pas in te boeken na formalisering van de samenvoeging.

Onder 3.1 wordt ingegaan op de bijdrage in de kosten vanuit het (voormalig) ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hieronder wordt bovendien ingegaan op de verwachte opbrengsten.

De verbetering van de financiële positie heeft zowel betrekking op de uitgavenzijde als de inkomstenzijde van de nieuw te vormen regio. Door de samenvoeging van de regio's is efficiencywinst te behalen op het terrein van de overheadkosten. Een voorbeeld hiervan is dat het korps Gooi-Flevoland één korpschef zal hebben, terwijl het korps Gooi en Vechtstreek en Flevoland ieder over een korpschef beschikken. Daarnaast speelt het aspect dat een aantal budgetten die aan de afzonderlijke regio's worden toegekend een vaste component bevat, die onafhankelijk is van de omvang van de regio. Bij samenvoeging van de twee regio's zou het gezamenlijke budget circa 0,25% lager uitkomen, omdat het vaste bedrag nog maar eenmaal wordt toegekend. Om dit inkomstenverlies te voorkomen, is besloten de budgetten van de regio Gooi-Flevoland gedurende 6 jaar na de samenvoeging te bepalen door de budgetten van de regio Gooi en Vechtstreek en de regio Flevoland afzonderlijk te berekenen en bij elkaar op te tellen.

Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is opgemerkt, is het voor deze korpsen financieel vrijwel onmogelijk gebleken om te voldoen aan de toegenomen eisen aan de veiligheidszorg en de hogere kwaliteitseisen. In het herijkte budgetverdeelsysteem zullen de budgetten van zowel de regio Gooi en Vechtstreek als de regio Flevoland echter groeien, zodat de verwachting gerechtvaardigd is dat het korps Gooi-Flevoland beter in staat is aan de gestelde eisen te voldoen.

Graag vernemen de leden van de SGP-fractie wat er concreet gebeurt om – conform de motie-Van der Staaij op dit punt – binnen het budgetverdeelsysteem meer aandacht te geven aan de dunner bevolkte regio’s. Wat is de stand van zaken op dat terrein?

In mijn eerdergenoemde brief van 14 december 2010 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat ik voornemens ben het herijkte budgetverdeelsysteem met ingang van 2012 in te voeren. Ik heb u op 24 maart jl. bericht over mijn besluit ter zake van het herijkte BVS (brief d.d. 24 maart 2011, TK 29 628, nr. 239). Het onderzoek, gericht op de herijking van het BVS, is begeleid door een Stuurgroep, waarin vertegenwoordigers van het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Korpschefs hebben samengewerkt met vertegenwoordigers van de destijds betrokken departementen (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Financiën). De Stuurgroep heeft grondig gekeken naar de manco’s in het bestaande verdeelmodel. Zo is er bijvoorbeeld geen consistente methodiek om middelgrote gemeenten goed te wegen. De Stuurgroep heeft voor deze manco’s oplossingen ontworpen. De voorstellen van de Stuurgroep doen meer recht aan een juiste verdeling van middelen dan de bestaande methodiek. De spreiding over de grootstedelijke, minder stedelijke en landelijke gebieden is in het herijkte BVS beter geborgd.

De fusie van de politieregio’s kan op geen enkele wijze de totstandkoming van een nationale politie vertragen of tegenhouden, zo antwoord ik de leden van de PVV-fractie. Zoals eerder opgemerkt is het streven erop gericht om op 1 januari 2012 te komen tot een nationale politie, georganiseerd in tien regionale eenheden, die bij gelijktijdige invoering van het wetsvoorstel herziening gerechtelijke kaart congruent zijn met de grenzen van de arrondissementen. Het daarvoor benodigde wetgevingstraject is met voortvarenheid ter hand genomen.

De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de verwachting is dat met deze samenvoeging de nodige winst wordt behaald, zowel in kwaliteit als efficiency. Waarop is deze aanname gebaseerd? Kan dit nader onderbouwd worden?

De politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland werken, zoals hiervoor reeds gesteld, reeds een geruime tijd nauw samen. Binnen deze samenwerkingsverbanden zijn voor beide korpsen reeds formatieve winsten behaald. Het samengaan van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland leidt daarnaast tot een afname van het percentage leidinggevende functies (managementteamleden) en staffuncties (bedrijfsvoeringafdelingen, stafbureaus en executieve ondersteuning). De hiermee gepaard gaande formatieve winst wordt geschat op 4% tot 5% van de totale formatie van 1 840 fte, dus zo’n 70 tot 90 fte. De geboekte formatieve winst zal ten goede komen aan het primaire proces. Naar verwachting kan deze formatieve winst (na formalisering) reeds vóór 1 januari 2012 worden ingeboekt, dat wil zeggen vóór de beoogde invoering van nationale politie.

Om de formatie betaalbaar te houden, wordt daarbij uitgegaan van een aanzienlijke bezuiniging ten aanzien van bijkomende personeelskosten en is het streven om de materiële component van het budget te verlagen van 25,6% naar 23,1% (zijnde het huidige landelijke gemiddelde). Dit is alleen mogelijk als gevolg van het samengaan van de beide politieregio’s.

3.1. Bijdrage in de kosten

De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering aan te geven waaruit de bijdragen in kosten bestaan en eveneens in te gaan op de beoogde winst.

Het besluit van de betreffende regionale colleges tot samenvoeging van beide politieregio’s is genomen met het gelijktijdige verzoek aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het beschikbaar stellen van financiële bijdragen voor de projectkosten die de samenvoeging met zich brengt en voor het gezamenlijke Operationeel Centrum Stichtse Brug (OCSB).

De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft zich in december 2009 bereid verklaard € 2 min. bij te dragen in de projectkosten van de samenvoeging. Daaraan werd de voorwaarde verbonden dat de tijdens het proces van samenvoeging opgedane ervaringen worden vastgelegd en actief worden uitgedragen richting overige regio's waarvoor een proces tot samenvoeging zou worden ingezet. Door de val van het kabinet in februari 2010 is het zo ver niet gekomen.

Daarnaast heeft de toenmalige minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties € 3 mln. beschikbaar gesteld ten behoeve van de aanloop- en projectkosten voor het gezamenlijke project Operationeel Centrum Stichtse Brug (OCSB), dat wordt beschouwd als onderdeel van de samenvoeging/fusie. Het OCSB omvat onder meer de toekomstige gemeenschappelijke meldkamer van de regio's te Zeewolde. Daarnaast worden andere gezamenlijke onderdelen ondergebracht in het OCSB.

Op de beoogde winst(en) ben ik hiervoor reeds ingegaan.

3.2. Frictiekosten

De leden van de VVD-fractie merken op dat de bekostiging van de huidige korpsen voor zes jaar wordt gehandhaafd. Zij vragen waar dit aantal jaren op is gebaseerd. De leden van de PvdA-fractie lezen dat de politieregio’s de eerste jaren hun huidige bekostiging houden, in plaats van een kleine daling door samenvoeging. Deze leden willen weten of dit voldoende is om de frictiekosten te betalen. Gemeenten die herindelen krijgen een bijdrage voor de kosten. Voornoemde leden vragen of dit ook te overwegen is bij politieregio’s om de kosten van de fusie te dekken?

Bekostiging van politieregio’s vindt plaats door middel van het budgetverdeelsysteem (BVS). Als twee regio’s samengaan, heeft dit bij het huidige BVS gevolgen voor de budgetten van deze regio’s. De budgetten kunnen niet zonder meer bij elkaar worden opgeteld. Om te voorkomen dat de nieuwe regio Gooi-Flevoland er in de bekostiging op achteruit zou gaan heeft de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegezegd dat de bekostiging van de regio Gooi-Flevoland voor zes jaar wordt gehandhaafd als bestond zij uit twee afzonderlijke regio’s. De regio Gooi en Vechtstreek ontvangt overgangscompensatie, inclusief de loon- en prijsbijstelling daarover, in verband met het feit dat deze regio in het huidige BVS minder budget ontvangt dan in het BVS dat tot 2007 gold. De regio Flevoland ontvangt het budget waarop zij volgens de BVS-regels recht heeft.

Inmiddels heb ik de Tweede Kamer in mijn brief van 24 maart 2011 op de hoogte gesteld van het feit dat met ingang van 2012 het herijkte BVS wordt ingevoerd (TK 29 628, nr. 239). Ook in het herijkte BVS zal het korps Gooi-Flevoland, zolang dat als korps bestaat, conform de toezegging van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden bekostigd als bestond het uit de twee afzonderlijke regio’s.

Het is de eerste keer dat twee politieregio’s worden samengevoegd. Gekozen is voor een vergelijkbare regeling als bij gemeentelijke herindelingen op basis van de Wet Arhi. Bij gemeentelijke herindelingen is sprake van een periode van acht jaar. Na zes jaar wordt de regio Gooi-Flevoland ook voor de bekostiging als één regio beschouwd en daarna als «gewone» regio bekostigd. Het jaar 2011 wordt daarbij als uitgangspunt genomen.

Het behoud van de huidige bekostiging is voldoende om de frictiekosten te dekken. Doel is voor de komende jaren een gezonde begroting voor de nieuwe regio.

ARTIKELSGEWIJS

De leden van de VVD-fractie merken op dat in artikel 66c wordt bepaald dat de korpsbeheerder van de nieuwe politieregio voorzitter is van de veiligheidsregio waarin de gemeente is gelegen waarvan hij burgemeester is. In de andere veiligheidsregio wordt een burgemeester als voorzitter benoemd. Deze leden verzoeken de regering uiteen te zetten hoe bepaald wordt welke burgemeester in de andere veiligheidsregio wordt benoemd.

De benoeming van de voorzitter van de veiligheidsregio die niet de korpsbeheerder van de nieuwe politieregio levert, geschiedt op dezelfde wijze als de benoeming van de korpsbeheerder van een politieregio. De voorzitter wordt derhalve bij koninklijk besluit genoemd, het algemeen bestuur van de veiligheidsregio gehoord. Ter zake van de benoeming wordt advies gevraagd aan de commissaris van de Koning van de provincie waarin de desbetreffende veiligheidsregio is gelegen (Noord-Holland of Flevoland).

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten