Kamerstuk 32463-3

Verslag van een algemeen overleg

Besluit tot wijziging van het Besluit staatsexamens vwo-havo-mavo 2000 en het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. in verband met aanscherping van de slaag/zakregeling in het voortgezet onderwijs

Gepubliceerd: 12 oktober 2010
Indiener(s): Nebahat Albayrak (PvdA)
Onderwerpen: onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32463-3.html
ID: 32463-3

Nr. 3 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 12 oktober 2010

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft op 23 september 2010 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 26 augustus 2010 inzake Besluit tot wijziging van het Besluit staatsexamens vwo-havo-mavo 2000 en het Eindexamenbesluit vwo-havo-mavo-vbo in verband met aanscherping van de slaag/zakregeling in het voortgezet onderwijs (32 463, nr. 1);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 7 september 2010 inzake Voorhang besluit van 1 juli 2010 i.v.m. verruiming van uitbestedings- en doorstroommogelijkheden (31 289, nr. 91).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Albayrak

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Kler

Voorzitter: Albayrak

Griffier: De Kler

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Albayrak, Slob, Smits, Çelik, Beertema, Ferrier en Elias,

en mevrouw Van Bijsterveldt-Vliegenthart, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Ik heet de staatssecretaris van OCW en haar ondersteuning van harte welkom. Ik stel voor een spreektijd te hanteren van vijf minuten per fractie.

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Fijn om weer in het midden van deze commissie te zijn. Ik heb mij een aantal jaren geleden al flink beziggehouden met het onderwerp van dit overleg. Het is mijn bedoeling om de hele discussie over de slaag/zakregeling over te doen, want wij hebben nut en noodzaak van deze regeling in het verleden al uitgebreid besproken. De fractie van de ChristenUnie steunde de inzet van de staatssecretaris om de slaag/zakregeling aan te scherpen om de onderwijskwaliteit en de onderwijsopbrengst verder te verhogen.

In het begin, ongeveer twee jaar geleden, heb ik al aandacht gevraagd voor leerlingen met dyslexie en dyscalculie. Er bestond toen zorg over de vraag of deze leerlingen met deze aanscherping niet niveaus naar beneden zouden worden gedrukt, op een manier die wij niet beogen en wensen. De staatssecretaris heeft toen gezegd dat zij die zorg deelde en dat zij die zou meenemen bij de verdere uitwerking van de aanscherping. Ik moet zeggen dat ik enigszins teleurgesteld ben over deze uitwerking. Allereerst blijkt – dat bleek gisteren ook in de hoorzitting – dat er niet echt heel gericht onderzoek is gedaan naar de gevolgen van deze aanscherping voor deze categorieën leerlingen, terwijl de Kamer daar wel aandacht voor heeft gevraagd.

In de brief die de staatssecretaris de Kamer heeft gestuurd, besteedt zij wel uitgebreid aandacht aan de ondersteuning van zogenaamde «doelgroepen». Als ik echter tot mij laat doordringen wat er dan aan ondersteuning is, constateer ik dat er wel het een en ander in beweging is gezet, maar dat er ook sprake is van een zeker mate van vrijblijvendheid. Dat is voor mij een reden geweest om, met steun van collega's, gisteren een uitgebreide hoorzitting te houden. In die hoorzitting bleek dat, ook met de wetenschap wat de staatssecretaris voor deze doelgroepen wil doen, er nog steeds grote zorg bestaat dat de consequenties voor deze kwetsbare groepen groot zullen zijn. Bovendien is het idee dat er iets meer tijd nodig is om de consequenties van de aanpassing van de slaag/zakregeling voor deze doelgroepen op een verantwoorde manier te begeleiden. De staatssecretaris heeft al iets meer tijd gegeven. Er worden nog gesprekken gevoerd en protocollen moeten nog verder worden ontwikkeld, in elk geval voor dyscalculie. Er komt nog een quickscan. Er moeten nog gesprekken worden gevoerd over een nadere stofverdeling tussen het schoolexamen en het centraal schriftelijk examen. Kortom, een en ander heeft nog niet de hardheid die wat ons betreft nodig is.

Ik zal een lang verhaal kort maken. Mijn fractie stelt voor om het grootste gedeelte van de aanscherping van de slaag/zakregeling – ik doel op het eisen van gemiddeld een voldoende voor het centraal schriftelijk en de normalisering van het centraal examen voor het vmbo-bb – gewoon door te laten gaan met ingang van het schooljaar 2011/2012. Daarnaast is ons voorstel om het andere onderdeel van deze algemene maatregel van bestuur, namelijk om met ingang van het schooljaar 2012/2013 voor havo en vwo te eisen dat leerlingen maximaal één 5 voor de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde mogen hebben, in elk geval met één schooljaar uit te stellen, dus om één jaar langer de tijd te nemen.

De tijd tot de invoering van dat belangrijke onderdeel moet goed worden benut. Er moet verder onderzoek worden gedaan naar de gevolgen van deze maatregel voor leerlingen met dyslexie en dyscalculie. Ik ben blij met de brief van het Cito die wij vandaag hebben ontvangen, waarin staat dat het daar mogelijkheden toe ziet. Daarnaast vinden wij dat de vrijblijvendheid die er helaas op een groot aantal scholen nog is met betrekking tot de protocollen voor dyslexie moet verdwijnen. Die protocollen moeten verplicht worden ingevoerd en het toezicht op de naleving ervan moet worden versterkt. Daarnaast moeten er gerichte afspraken worden gemaakt met het onderwijs en het College voor Examens over de gewenste stofverdeling tussen het schoolexamen en het centraal schriftelijk examen. Op dat punt heeft de staatssecretaris al een beweging gemaakt, maar die afspraken moeten er wel komen. Er moeten ook gerichte afspraken worden gemaakt met de VO-raad over de gewenste en noodzakelijke ondersteuning van scholen zodat zij leerlingen met een beperking tot hun recht kunnen laten komen.

Dit lijkt ons een redelijke wens. Het grootste deel van de regeling kan door. Wij steunen de inzet van de staatssecretaris. Voor het belangrijke en kwetsbare punt rond de kernvakken moeten wij iets meer tijd nemen. In de tussentijd moeten wij niet op onze handen gaan zitten. Die moeten wij goed gebruiken, wat de afgelopen twee jaar naar de mening van mijn fractie helaas niet is gebeurd.

Mevrouw Smits (SP): Voorzitter. Wat moet je nu zeggen? Die nieuwe exameneisen klinken zo redelijk: gemiddeld een voldoende scoren en maximaal één 5 voor de drie basisvakken. Dat vindt iedereen hier hartstikke belangrijk. Iedereen wil dat het niveau van het onderwijs omhoog gaat. Toch is de SP-fractie op dit moment niet blij met het voorstel van de staatssecretaris. Voor mijn fractie blijven de maatregelen die de staatssecretaris voorstelt toch vooral spierballentaal. Het zijn mooie woorden, maar door het aanscherpen van de exameneisen verbeter je niet direct het onderwijs. Je kunt niet zeggen: jongens, doe maar een beetje harder je best, want we eisen aan het einde wat meer. Daardoor wordt niet vanzelf, huup huup barbatruc, het onderwijs beter. Daar hebben wij niet zo veel vertrouwen in.

Je moet echt meer doen. Dat betekent dus niet dat je bijvoorbeeld de lonen van leraren bevriest. Dat betekent ook niet dat je de eisen die aan leraren worden gesteld stelselmatig verlaagt, zoals zijinstromers na twee jaar voor de klas zetten, schoolbesturen alle ruimte geven om onbevoegde leraren aan te stellen of de educatieve minor invoeren zodat mensen met nog minder opleiding voor de klas mogen staan. Aan de ene kant gebeurt dit en aan de andere kant worden nieuwe eisen gesteld aan scholen. Vorig jaar al zijn de exameneisen voor havo en vwo aangescherpt. Daarnaast wordt gewerkt aan de invoering van hetgeen het kabinet passend onderwijs noemt, dat in de praktijk niet past. Wij kennen ook nog de grote ambitie met betrekking tot de invoering van referentieniveaus. Een deel daarvan onderschrijven wij wel. Als wij echter scholen vragen om dat allemaal te doen en wij vervolgens ook de exameneisen aanscherpen zonder dat wij weten hoe deze zaken gaan uitpakken, denken wij: dat zijn mooie woorden, maar daar wordt de wereld niet beter van.

De insteek van de SP-fractie is en was de volgende. Laten wij wachten tot de referentieniveaus er zijn en de vernieuwde exameneisen die in de vorige ronde zijn doorgevoerd, zijn geland in de scholen. Wij willen graag dat die zaken netjes op orde zijn. Als het onderwijs dan nog steeds toe is aan versterkte exameneisen, dan vindt de staatssecretaris ons direct aan haar zijde. Op dit moment is dat echter niet het geval.

Een deel van de leerlingen zal onevenredig hard worden getroffen door de nieuwe exameneisen. Dat zijn de leerlingen die extra moeite hebben met taal of rekenen, die last hebben van dyslexie of dyscalculie. Gisteren hebben wij een heel leerzame bijeenkomst gehad, zoals de heer Slob al zei. Hij heeft ook al gewezen op dingen die zijn gezegd. Ik heb dingen geleerd die in drie punten samen te vatten zijn. De mensen die snappen hoe het werkt op de scholen, die wij gisteren op bezoek hadden, maken zich grote zorgen over deze regeling. Op papier hebben heel veel scholen de zaken voor leerlingen met dyslexie en dyscalculie en andere kwetsbare leerlingen goed geregeld, maar in de praktijk laat dit nog vaak te wensen over. Het voorstel zoals het er nu ligt, wordt niet omarmd door de mensen uit de praktijk.

Op veel scholen weten mensen nauwelijks hoe ze moeten omgaan met leerlingen met dyslexie, om over dyscalculie nog maar te zwijgen. Ik vermoed dat de problemen met en de onwetendheid over dyscalculie nog groter zijn. Vaak kloppen afspraken op papier wel, maar merken leerlingen er weinig van. Wat de SP-fractie betreft, moet er eerst werk worden gemaakt van een goede begeleiding voor kinderen die dat nodig hebben. Dat kost tijd, maar er mag wel een tandje verplichting bij wat ons betreft. De Inspectie van het Onderwijs zou moeten kijken wat er echt gebeurt op scholen met deze kinderen, in plaats van op papier. Ik hoor hier graag een reactie op van de staatssecretaris. Ik wil ook graag een reactie op een concrete uitspraak die gisteren tijdens het rondetafelgesprek is gedaan. De heer Tijms van het Instituut voor Dyslexie zei dat verscherping van de exameneisen kan leiden tot selectie aan de poort voor kinderen met dyslexie en dyscalculie. Ziet de staatssecretaris dit risico ook, dat scholen tegen dit soort leerlingen zeggen: je bent niet goed voor ons slagingspercentage dus we hebben je hier liever niet, verderop zit een school die beter met jou kan omgaan?

Op zich zijn de voorstellen van de staatssecretaris niet verkeerd. Zij doet ook voorstellen om beter om te gaan met leerlingen met dyscalculie en dyslexie, zoals kijken naar het schoolexamen en het centraal examen. Dat is allemaal hartstikke goed. Waarom gaan wij echter niet eerst die dingen doen en dan pas de exameneisen verzwaren? Wat schiet een dyslectische leerling op met protocollen, monitors en masterplannen als er op school niets verandert en het examen wel zwaarder wordt?

De voorzitter: Uw vijf minuten zijn bijna om, mevrouw Smits.

Mevrouw Smits (SP): Ik ben bijna klaar, voorzitter. In de brief schrijft de staatssecretaris dat zij nog in gesprek gaat met de organisaties die dove en slechthorende leerlingen vertegenwoordigen. Ik vind dat wat laat. Kan zij toelichten waarom dat nog niet is gebeurd? Kan zij de Kamer beloven dat dit heel snel wel gaat gebeuren? Kan de staatssecretaris het goede idee om wat meer eisen te stellen, uitstellen totdat de rest in de scholen op orde is? Dat doet men in het vmbo immers ook: eerst de referentieniveaus invoeren en dan pas kijken naar de exameneisen. Dat lijkt mij heel verstandig. Dan mag je op termijn spierballentaal gebruiken, maar doen wij nu eerst iets wat goed is voor de scholen. Dat lijkt mij voor iedereen beter.

De heer Çelik (PvdA): Voorzitter. Na de hoorzitting van gisteren waarin wij verschillende deskundigen hebben gehoord, kan je alleen maar zeggen dat er over alle punten wel iets anders te zeggen is. Er zijn ook deskundigen die het goed vinden om de verscherping van de eisen op de voorgestelde manier meteen door te voeren. Het is een taak van de belangenorganisaties om extreme voorbeelden aan te voeren, overigens terecht. Ik zeg hiermee niet dat ik hun mening niet deel.

Eén punt is mij duidelijk geworden gisteren – het was mij al duidelijk, maar het is nog eens bevestigd – namelijk dat scholen te veel vrijheid hebben. Er zijn te veel witte vlekken waarop zij hun verantwoordelijkheid niet dragen. Het is eigenlijk te gek voor woorden dat wij in Nederland kennelijk nog steeds onwillige scholen hebben, scholen die geen maatwerk willen leveren voor kinderen met beperkingen. Dat vond ik niet aangenaam om te horen. Er werden extreme voorbeelden genoemd. Ik vond de oproep van vrijwel alle aanwezige Kamerleden, met name van de heer Slob, treffend. Ik begrijp ook zijn voornemen om een motie hierover in te dienen. Voor die motie heb ik een redelijke sympathie.

Sommigen van de deskundigen zeiden gisteren ook dat je moet beginnen met het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs en dan pas dit soort eisen moet stellen. Daar ben ik het niet mee eens, omdat dit naar mijn oordeel ook kwaliteitsverbetering is. Als je de lat namelijk iets hoger legt, gaan kinderen harder werken. Ik had dat ook in mijn studentenjaren: als ik harder moest werken, deed ik dat ook. Je kunt het wel, maar doet het vaak niet. Ik vind de push om de drempel iets te verhogen dus niet verkeerd. Ik onderken dat dit een deel van de leerlingen raakt en dat die drempel voor hen extra hoog wordt. Dat is meteen ook mijn dilemma: hoe ga je daarmee zorgvuldig om en hoe kun je voorkomen dat een extra drempel wordt opgeworpen? Maar een diploma is een diploma; het moet niet alleen gaan om een papiertje halen, de kwaliteit van zo'n diploma moet voor alle leerlingen zijn gewaarborgd. Ik wil niet aan de kwaliteit gaan zitten. Daarom ben ik benieuwd naar de eventuele toezegging van de staatssecretaris op dit punt. Op voorhand heb ik sympathie voor de motie en overweeg om die op dat laatste punt te steunen. Ik heb de laatste versie van de motie niet gezien... .

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter, even voor de duidelijkheid: gisteravond is wel iets voorbereid voor het geval dat nodig mocht zijn, maar er is nog niets ingediend. Het allermooiste zou natuurlijk zijn dat de staatssecretaris naar de Kamer luisterde en meeging in haar redenering. Zo kennen we de staatssecretaris ook.

De heer Çelik (PvdA): In dat geval ben ik extra benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris. Ik voel dus mee met het voorstel om één jaar extra te wachten om het onderzoek degelijk te kunnen laten doen, maar ik wacht de reactie af.

Ik noem nog een paar kleine punten. Naast dat het onderwijs zo veel gaten laat vallen, verbaast het mij echt dat wij tot op heden dat soort analyses niet hebben gedaan. Het was technisch mogelijk, paste binnen het systeem, maar niemand heeft er ooit aan gedacht om dat soort feiten bij te houden. Ik verbaas mij daar echt om. Ik wil dit dus alsnog ingevoerd hebben, om de analysemogelijkheden te versterken.

Verder nog een paar woorden over de raden: VO-raad, PO-Raad et cetera. Ik vind echt dat de VO-raad de hand in eigen boezem moet steken. Ik heb het idee dat men daar onvoldoende actief is bij het uniformiseren van een aantal zaken, bij het proactief afspraken maken met de achterban om dit soort rechten van de mens – want daar gaat het voor mij feitelijk om – te waarborgen op school. Ik vind dat er te vaak naar de overheid wordt gewezen, voor extra geld. Ik begin daar echt van te balen. Ik klink misschien erg kritisch. Nogmaals, ik heb echt ontzettend veel vertrouwen in het onderwijs, maar ik vind dat onderwijsinstellingen wel aan zelfreflectie moeten doen; ze moeten eens naar zichzelf kijken en zich afvragen waar zij dingen nog beter kunnen doen. Op een ander moment wil ik graag daarover uitgebreid met de Kamer in debat.

Mevrouw Smits (SP): Ik ben heel blij met deze kritische woorden van de heer Çelik over de VO-raad. Misschien kunnen wij elkaar in de toekomst vinden. Ook ik zou graag een debat voeren over nut, noodzaak en functioneel gedrag, maar daar komen wij een andere keer dus op terug. Hij is er kennelijk wel voor dat het wat steviger wordt: als je harder moet werken, ga je dat ook doen. Gisteren hadden we de vereniging voor dyslexie Woortblind op bezoek; dat noemt de acties van de staatssecretaris prematuur. De VO-raad, niet meer uw beste vriend en daar ben ik blij om, ziet het allemaal niet meer zitten. Het LAKS noemt het symboolpolitiek en de onderwijsbond wil eerst een evaluatie. Mijn vraag aan de heer Çelik: hebt u daar geen enkele boodschap aan?

De heer Çelik (PvdA): Voor alle duidelijkheid: de VO-raad is nog steeds mijn vriend, maar vrienden moeten elkaar kritiek en feedback kunnen geven en dat doe ik in dit geval. Ik heb vertrouwen in de VO-raad, maar ik vind dat hij zijn rol eens anders moet bekijken. De kwestie die u aansneed, maakt dit onderwerp enorm moeilijk, maar het algemeen belang gaat voor mij in dit geval voor. Ik wil zo veel mogelijk proberen te borgen dat het deel van de leerlingen dat moeite heeft, geen extra drempel krijgt. Vandaar dat ik erop hamer dat de scholen maatwerk leveren. Geld mag geen probleem zijn; de leerlingen moeten gewoon extra ondersteuning en faciliteiten krijgen. Diep in mijn hart wil ik een jaar uitstel. Nog niet iedereen heeft de motie gezien, misschien komt de staatssecretaris met een toezegging. Dat heeft mijn voorkeur, maar voor het algemeen belang dient het andere geluid ook gehoord te worden; vandaar mijn houding.

Mevrouw Smits (SP): En het algemeen belang dat leraren en leerlingen vertegenwoordigen, is voor u hierbij ondergeschikt?

De heer Çelik (PvdA): Dat is het niet, maar in de politiek moeten we soms moeilijke beslissingen nemen en dit is zo'n moeilijke beslissing. Hoe lastig dit ook is, ik durf mijn hand hiervoor in het vuur te steken, omdat ik vind dat het voor 95% wel goed is geborgd op deze manier. Voor mij wegen de kwaliteit van ons onderwijs en de garantie om in ons hoger onderwijs veel kansrijker te zijn, in dit geval iets zwaarder.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. Ik verheug me ook over het feit dat de heer Çelik vrienden in soorten heeft en een kritisch woord heeft voor de VO-raad.

De heer Çelik (PvdA): Voorzitter. Ik wil echt een misverstand voorkomen. We zijn geen kinderen. Laat nou niet het beeld ontstaan dat ik de oorlog heb verklaard aan de VO-raad.

Mevrouw Smits (SP): Dat zou alleen maar goed zijn!

De heer Çelik (PvdA): Nee, maar...

De voorzitter: Mijnheer Çelik, uw punt is duidelijk.

De heer Beertema (PVV): Een kritische vriend is ook een vriend.

Wij zijn heel blij met de informatie uit het rondetafelgesprek van gisteren. Mevrouw Henneman van de Stichting Dyslexie Nederland gaf heel goede praktijkvoorbeelden en die waren mij uit het hart gegrepen. Mevrouw Boone van Woortblind ook. Mijn conclusie is dat er heel veel mis is. Er is een groot verschil in de zorgvuldigheid van de omgang met leerlingen met dyslexie en dyscalculie. Ik heb daar grote zorgen over. Mijn grootste ergernis daarbij is dat er kennelijk scholen zijn die lak hebben aan alle oproepen en stimulansen om protocollen in te voeren. Wat is er op die scholen aan de hand? Ik kom hier maar weer eens op terug als praktijkman: alwéér valt een verschil te constateren tussen papier en werkelijkheid, tussen droom en daad. Nu niet omdat het management allerlei onrealistische eisen oplegt aan de werkvloer, maar het is nu andersom: managers willen wel, maar individuele leraren of afdelingshoofden hebben geen zin, vinden het te veel gedoe of onderkennen de problematiek niet en dat laatste is eigenlijk nog het ergst. Maar op zich maakt het niet uit waar het begin en het eind van het falende beleid zit; aan het eind van de dag is ook hier weer sprake van falend management. Het kan namelijk niet zo zijn dat individuele leraren of teamleiders geen zin hebben en daarom dit op zich juiste beleid ten aanzien van kwetsbare leerlingen frustreren. Volgens ons is er een oplossing: schrap de vrijblijvendheid van de maatregelen, leg ze wettelijk op. Ik wil niet zo ver gaan dat ik het geld binnen de lumpsum daarvoor wil aanpassen, maar een wettelijke dwang om die vrijblijvendheid te lijf te gaan lijkt me heel gepast. De dames Boone en Henneman vertegenwoordigen organisaties die heel dicht op de weerbarstige werkelijkheid van deze leerlingen zitten, wier talent echt gefnuikt dreigt te worden als we niet uitkijken. Aan ons de uitdaging om deze dames de gelegenheid te geven om over een jaar of drie hun organisaties op te heffen, omdat wij er vandaag voor zorgen dat al het flankerende beleid, dat op zich zou moeten kunnen werken, niet meer vrijblijvend is, maar dwingend wordt opgelegd.

Wij voelen niet voor verder uitstel van de aanscherping van de slaag/zakregeling. Er zullen altijd wel goede redenen zijn om uitstel te bedingen, altijd zullen er leerlingen of groepen leerlingen zijn die meer of minder last hebben van de overgang van een oud naar een nieuw regime, maar uitstel op dit dossier is echt niet langer gewenst. De kwaliteit van het onderwijs moet omhoog en deze maatregel is daarvoor essentieel, ook al wordt dat door belangengroepen gerelativeerd. Ik wil ervoor waarschuwen dat in dit dossier voortdurend de kip-of-eidiscussie op de loer ligt. Maar we hebben haast en als PVV'er wil ik goed duidelijk maken dat de sluipende ramp van het wegzinkende onderwijs moet worden gekeerd. Deze maatregel is verantwoord en noodzakelijk. Willen we echt werk maken van Nederland Kennisland, dan moeten we dit vandaag doorzetten.

De heer Slob (ChristenUnie): Ik heb een vraag aan de heer Beertema, omdat ik zaken in zijn betoog haaks op elkaar vind staan. Hij heeft goed geluisterd naar mevrouw Henneman en Boone, die namens gerespecteerde organisaties de vinger hebben gelegd bij een groot probleem dat zij op zich zien afkomen. Deze dames hebben niet gevraagd om niet met deze maatregel door te gaan, maar hebben gevraagd om iets meer tijd dan de staatssecretaris nu beoogt voor één onderdeel, omdat ze dat noodzakelijk achten voor een zorgvuldige invoering. Waarom is het eerste deel van hun betoog wel bij de heer Beertema geland, maar het tweede niet?

De heer Beertema (PVV): Het flankerende beleid rond dat Masterplan Dyslexie biedt volgens mij zovele waarborgen, dat ik meen dat leerlingen daarmee optimaal kunnen worden ondersteund. Ik denk dat dit een kans moet krijgen, maar het kan pas een kans krijgen als de vrijblijvendheid eraf is. Als het serieus, met echte inzet, inzicht en overtuiging op scholen wordt ingezet, moet het haast wel goed gaan. Het is nogal wat, dat flankerende beleid.

De heer Slob (ChristenUnie): Een vervolgvraag: wat moet er volgens u in dat flankerende beleid dan anders om die zekerheid te verwezenlijken? Die vrijblijvendheid zit nu namelijk nog in het flankerend beleid: er worden gesprekken gevoerd en er staat helemaal niets op papier over wat de uitkomst moet zijn – wat voor ons het criterium moet zijn om door te gaan – en de protocollen zijn nog vrijblijvend. Wat wilt u concreet op dat punt, los van de invoeringstermijn? Ik persoonlijk denk dat daarvoor iets meer tijd nodig is om het zorgvuldig te doen; dat is wat ik beoog en u staat daar ook achter.

De heer Beertema (PVV): Ik zou willen zoeken naar middelen om protocollen niet meer vrijblijvend te houden, maar echt dwingend op te kunnen leggen aan de scholen. Daarvoor moeten middelen en manieren te vinden zijn. Ik denk dat de inspectie daarbij een rol kan spelen: die moet, zeker aanvankelijk, verscherpt toezicht houden op de juiste implementatie en voortgang.

De heer Elias (VVD): Mag ik ter verduidelijking een vraag stellen aan de heer Slob over zijn interruptie?

De voorzitter: Ja hoor, ga uw gang.

De heer Elias (VVD): U zegt dat u gisteren zo goed hebt geluisterd naar de mensen die met hun indringende verhalen kwamen. Dat heb ik ook gedaan. Die mensen hebben echter gezegd dat je daar drie jaar voor nodig hebt. Als u hen serieus neemt, moet u niet pleiten voor uitstel met een jaar, maar met drie jaar. Overigens vind ik dat heilloos, maar daar kom ik straks nog op terug. Als u consequent bent, moet u dus niet denken dat u er met een jaartje bent.

De heer Slob (ChristenUnie): Ik denk dat de heer Elias gisteren niet goed geluisterd heeft. Dat jaar zou komen bovenop de twee jaar die de staatssecretaris al voor dit onderdeel gecreëerd heeft. Bij elkaar is dat drie jaar. Gisteren wilden de insprekers eigenlijk een nog langere periode; met heel veel moeite kwam er een periode van drie jaar uit. Later werd dit gevolgd door «mitsen» en «maren». Ook ik denk dat je ergens wel een streep moet zetten. Daarom vind ik dat ene jaar erbij reëel. Zelf zou ik niet verder willen gaan. Toch geloof ik dat ik gisteren heel goed geluisterd heb, mijnheer Elias.

Mevrouw Smits (SP): De heer Beertema is een man uit de praktijk. Dat zegt hij en dat geloof ik. Nu zeggen de mensen uit de praktijk, de leraren en de leerlingen, de mensen die de dyslecten «vertegenwoordigen», dat dit geen goed idee is. Nu zegt u: daar heb ik lak aan. Hoe kan dat dan?

De heer Beertema (PVV): Ik heb er geen lak aan. Ik luister heel graag naar die mensen, maar het kernprobleem is dat het niveau, de kwaliteit van het onderwijs omhoog moet. Het streven naar aanscherping van de exameneisen wordt in dit land heel breed gedragen. Ik weet niet of u de brief van de VSNU nog gelezen hebt, maar daarin doet men een heel dringend beroep op ons om toch werk te maken van die verhoging van de kwaliteit en om met het oog daarop te beginnen met de aanscherping van de exameneisen. Ik kan mij er wel iets bij voorstellen dat leraren daarbij nu koudwatervrees hebben, natuurlijk. Ik denk wel dat het onze politieke verplichting is om toch deze vervelende, nare stap te zetten, namelijk om een begin te maken met de kwaliteitsverhoging. Dat is echt heel belangrijk.

Mevrouw Smits (SP): Koudwatervrees, maar de leraren zeggen: luister eens, wij hebben allemaal veranderingen op ons bordje gekregen, dus geef ons de tijd om die in te voeren; vervolgens gaan wij kijken naar de exameneisen. Daarnaast is het maar de vraag of door verscherping van de exameneisen de kwaliteit verbeterd wordt. Uw stelling dat dit per definitie tot beter onderwijs leidt, wordt heel breed bestreden. Mijn vraag blijft dus: waarom luistert u niet wat beter naar de mensen uit de praktijk?

De voorzitter: Die vraag had u al gesteld. De heer Beertema had die ook al beantwoord.

De heer Beertema (PVV): Inderdaad, ik meen dat ik die vraag al beantwoord heb.

Ik wil er nog wel aan toevoegen dat verscherpte exameneisen voor het management van al die scholen absoluut een stimulans zullen zijn om er toch een tandje bovenop te doen, dus om in te zetten op het primaire proces. Daar zit het probleem vaak. Ik denk dat er geld genoeg is, maar dat het heel verkeerd wordt ingezet. Nogmaals, het primaire proces verdient een stimulans. Dat gebeurt ook op deze manier.

Mevrouw Ferrier (CDA): Voorzitter. Het is duidelijk. Je merkt het in de gesprekken met het veld. Wij hebben het gisteren ook gemerkt in de hoorzitting. Ook nu merken wij het weer. Er is sprake van een enorm grote spanning. Zo moet de kwaliteit van het onderwijs omhoog, willen wij internationaal het concurrerende land kunnen blijven dat wij nu nog steeds zijn. Dit betekent dat de daar heersende zesjescultuur doorbroken moet worden. Daartoe beschikken wij over een belangrijk instrument: het stellen van hogere exameneisen. Het is al gezegd dat daardoor leerlingen, alsook leraren beter gaan presteren. Dat zien wij allemaal in.

Tegelijkertijd is het volgende typisch iets van ons land. Wij hebben namelijk ook oog voor kinderen in die zin dat wij ze kansen willen geven om een diploma te halen dat bij een deel van hun talenten past. Dit wordt nu misschien gefrustreerd door hun beperkingen op een ander gebied. Het gaat om de vraag hoe je voor die kinderen kansen creëert en hoe je er tevens voor zorgt dat de kwaliteit omhoog gaat.

Wij zien dat in dit spanningsveld ontzettend veel in beweging is. Dat hebben wij gisteren in de hoorzitting ook heel goed kunnen ervaren bij het veld. Wij weten dat de staatssecretaris ook gesproken heeft met mensen in het veld. Bovendien wordt ter zake onderzoek gedaan.

Gisteren hebben wij twee dingen kunnen constateren. Het ene is dat er nog veel onderzoeken lopen en dat wij niet van al die onderzoeken de uitkomsten kennen. Zo weten wij niet wat de consequenties zijn, als bepaalde protocollen ingevoerd worden. Evenmin weten wij wat uiteindelijk de effecten zijn van de ingevoerde aanscherping in de vernieuwde tweede fase. Voorts weten wij niet wat de uitkomst is van de extra begeleiding. Daarover bestaat dus onzekerheid.

Het andere punt is dat veel scholen op papier alles goed geregeld hebben en dat er prachtige afspraken gemaakt zijn, maar dat de praktijk nog heel veel te wensen overlaat. Dit is al eerder gezegd. In feite ziet men kinderen met problemen, zoals dyscalculie en dyslexie, liever gaan dan komen. Daarin moet echt verandering komen.

Bovendien blijkt dat scholen niet optimaal gebruik maken van alle bestaande mogelijkheden. Dit is gisteren ook heel duidelijk gezegd, onder anderen door de vertegenwoordigers van Cito. Er zijn veel mogelijkheden om kinderen met bijvoorbeeld dyscalculie en dyslexie te helpen. Ik denk hierbij aan speciale hulpmiddelen en het afnemen van een mondeling in plaats van een schriftelijk examen. Zelfs van de mogelijkheid om een tentamen met 30 minuten te verlengen, wordt niet altijd gebruik gemaakt. Dat is doodzonde.

Ik ben het eens met iedereen die hier gezegd heeft dat het gaat om een moeilijke beslissing. Dat is ook zo. De CDA-fractie voelt er echter niets voor om langer te wachten. Wij zijn er namelijk van overtuigd dat het nu invoeren van de verhoogde eisen, uiteindelijk veel in beweging zal zetten. Wij onderschrijven dan ook de redenering van de staatssecretaris dat het veel beter is om in te zetten op extra flankerende maatregelen om de kwetsbare groepen binnenboord te houden dan om het hele traject voor iedereen te vertragen. Daarom willen wij absoluut instemmen met invoering nu, maar willen wij nog wel van de staatssecretaris horen hoe zij omgaat met alle gegevens die voortkomen uit onderzoeken, onder andere over de invoering van protocollen die later beschikbaar komen.

Vooral verneem ik van de staatssecretaris op welke manier zij scholen benadert die echt niet bereid zijn om mee te werken aan het realiseren van extra begeleiding en examenmogelijkheden voor de desbetreffende kinderen. Hoe haalt zij die grote vrijblijvendheid eruit? Hoe gaat zij die scholen stimuleren om ook gebruik te maken van de beschikbare mogelijkheden ter zake? Welke rol kan de inspectie hierbij vervullen? Op deze vragen willen wij graag een duidelijk antwoord hebben.

De heer Slob (ChristenUnie): Toch heb ik nog een vraag ter opheldering. U constateert terecht dat er nog heel veel onduidelijk is en dat er te veel sprake van vrijblijvendheid is. U vraagt aan de staatssecretaris hoe zij die vrijblijvendheid eruit wil halen, maar intussen hebt u zich al geconformeerd aan haar plannen. Is dat niet een beetje de verkeerde volgorde? Hebt u geen oog voor de enorme gevolgen voor een groep heel kwetsbare leerlingen? Volgens mij kunt u er niet omheen en draagt u hen ook een «groot» hart toe.

Mevrouw Ferrier (CDA): Inderdaad draag ik ze een «zeer groot» hart toe. Vandaar ook mijn vragen aan de staatssecretaris. Ik wil namelijk duidelijk hebben op welke wijze wij die leerlingen gaan meenemen. Ik ben ook van mening dat het juist onverstandig is om deze maatregel uit te stellen. Een belangrijke prikkel en stimulans voor die scholen, die leerlingen en de leraren, alsook misschien het management, waarover de heer Beertema sprak, worden eruit gehaald, als nu weer een jaar wordt gewacht. Dit maakt de beslissing ook moeilijk. Ik denk namelijk dat je door te wachten juist die groep, die ik dus ook een «groot» hart toedraag, niet snel genoeg kunt meenemen. De zaken worden dan met name vertraagd. Voer het nu dus in en ga na hoe je de nodige maatregelen dwingend kunt realiseren, waardoor je deze kinderen meekrijgt. Ik heb er vertrouwen in dat dit lukt. Ik wil ook graag de reactie van de staatssecretaris vernemen.

De heer Elias (VVD): Voorzitter. Ik sprak laatst een rechtenstudent hbo over een taaltoets. Van de 32 studenten in die hbo-instelling waren er slechts twee geslaagd. Dat was volkomen normaal; dat gebeurt daar over de hele linie. Dat moeten wij dus niet willen. Wil je namelijk rechten studeren op hbo-niveau, dan moet het diploma dat daarvoor ligt voldoende zijn. Dit soort signalen moeten wij ons dan ook aantrekken.

Wat de VVD-fractie betreft, zijn strengere eisen belangrijk voor de kwaliteit. Bovendien moet een diploma waardevast zijn. Zolang ons onderwijssysteem niet alleen een eindtoets, maar ook een toegangsbewijs voor vervolgonderwijs voortbrengt, moet de kwaliteit omhoog. Wij moeten af van de zesjescultuur. Wij zeggen weliswaar allemaal dat wij die mening zijn toegedaan, maar dan moeten wij ook een keer durven doorbijten. In dit verband is het besluit dat wij vandaag bespreken, erg belangrijk. Waarschijnlijk zullen hierdoor meer leerlingen zakken voor hun examen. De staatssecretaris zegt dit ook met zo veel woorden in haar brief van 26 augustus jongstleden. Dat zal niet alleen de kinderen of de jong volwassenen betreffen voor wier belangen men gisteren opkwam in de hoorzitting, maar ook anderen. Inderdaad zijn dit lastige beslissingen. De heer Slob vraagt steeds: hebt u daar geen oog voor? Natuurlijk! Ik zal er dan ook een paar vragen over stellen. Wij hebben hier echter een afweging te maken. In dit kader zeggen wij: zet dit door, want het is van groot belang voor de kwaliteit van het onderwijs. Ik denk aan het algemeen overleg, toen de Kamer instemde met deze lijn: dat dateert van januari 2009. Dat is al weer bijna twee jaar geleden! Het is toch onbestaanbaar dat er nu weer uitstel komt met een, twee of misschien drie jaar? Ik doe dan ook een dringende oproep aan de collega's om daar niet mee in te stemmen.

Het onderwijsniveau gaat stijgen. Over dit gegeven heb ik gisteren een vraag voorgelegd aan een vertegenwoordiger van een vakbond. Die gaf met tegenzin toe: het onderwijsniveau zal op de langere termijn stijgen. Hij was wel een tegenstander van de invoering van de plannen ter zake. Ik heb hem nog een keer gevraagd om dit te bevestigen. Het antwoord was opnieuw: ja, ook wij denken, hoewel ik het niet graag zeg, dat het onderwijsniveau stijgt.

Scherpere eisen zijn niet alleen van belang voor havo en vwo, maar ook voor vmbo. Ook daarvoor wil de VVD-fractie scherpere eisen gesteld zien. Wanneer kunnen wij die tegemoet zien? Kan de staatssecretaris een jaartal noemen?

Vroeger noemde ik dyslexie en dyscalculie gewoon woord- en cijferblindheid, maar als ik mij niet vergis, zijn dit de officiële termen. Inderdaad was gisteren de hoorzitting hierover interessant. Er was echter ook veel onduidelijkheid. Waarom is hierover zo weinig bekend? Waarom wordt zo weinig geregistreerd, als het om dyslexie en dyscalculie gaat? Wij hebben gehoord dat sommige scholen ter zake een protocol hanteren, maar andere niet. Het idee om een dergelijk protocol verplicht te maken, klinkt sympathiek. Ik wil er ook wel serieus over nadenken, zo merk ik op aan het adres van mijn collega van de PVV. Tegelijkertijd moet je wel voorkomen dat voor de oplossing van elk probleem in het onderwijs een verplicht protocol komt en dat daardoor de scholen weer worden «gestapeld» met allerlei verplichtingen. Hoe denkt de staatssecretaris hierover? Zou dit punt niet veel beter kunnen worden opgepakt in het passend onderwijs? Zou dit een plaats kunnen krijgen in wat wij noemen het referentiekader voor het passend onderwijs? Ik meen dat collega Ferrier daarover ook ideeën heeft ontwikkeld.

Ook ten aanzien van de leer- en examenmiddelen kwamen veel interessante opmerkingen voorbij tijdens het rondetafelgesprek. Ik heb gehoord dat examens kunnen worden voorgelezen. Er zijn machines om multiplechoicetesten voor te lezen. Verder heb ik begrepen dat ten behoeve van mensen met dyslexie er wat betreft de examens gekozen kan worden voor een grotere opmaak. In hoeverre gebeurt dat allemaal in de praktijk? Heeft een leerling met dyslexie hier recht op als hij er op zijn school om vraagt of moet die leerling het geluk hebben om op een school te zitten die er toevallig mee werkt?

In de brief van de staatssecretaris wordt ook gesproken over artikel 55 van het Eindexamenbesluit, waarin het volgende staat: de directeur van een instelling mag bepalen of een leerling aangepast examen mag doen en op welke wijze dat gebeurt. Aan de hand van een deskundigenrapport zijn er allerlei mogelijkheden voor andere hulpmiddelen. Wordt van die mogelijkheid gebruikgemaakt? Als dat te weinig gebeurt, wat is daarvan dan de oorzaak? Is die mogelijkheid wellicht te weinig bekend? Waarom zouden wij zoiets belangrijks als de niveauverhoging van het onderwijs weer een jaar extra uitstellen als er wel degelijk de mogelijkheid bestaat dat de directeur van een school dispensatie verleent om een ander soort examen te kunnen doen?

Begeleiding en ondersteuning ten aanzien van dyslexie en dyscalculie vinden wij zeer belangrijk. Het probleem moet worden aangepakt. Echter, dat is voor ons geen reden om strengere exameneisen niet in te voeren. Het algehele niveau van ons onderwijssysteem mag niet worden aangepast aan een groep die moeilijker meekomt. Liberaal betekent maatwerk en ondersteuning van leerlingen die dat nodig hebben. Niet het niveau moet omlaag zodat dat maatwerk en die ondersteuning niet meer nodig zijn. Dit debat gaat nu steeds over dyslexie en dyscalculie, maar in feite gaat het over veel meer. Het gaat over de manier waarop wij in Nederland diploma's afgeven. Voor één opleiding bestaat één diploma en om te slagen moet je aan alle voorwaarden voldoen. Dat is weer nodig omdat het vervolgonderwijs moet weten waar het aan toe is. Denk aan de rechtenstudenten van wie er twee slagen van de 32. Als er een systeem was geweest van meer toetsing en selectie voor de poort van het vervolgonderwijs, waar wij altijd voor pleiten, dan was dat diploma als toegangspoort naar de volgende fase minder belangrijk. Daar moeten wij serieus over willen nadenken, waarbij wij het ook een beetje los moeten zien van de ideologie op dat terrein. Ook zonder dyscalculie of dyslexie zijn er nu eenmaal mensen die niet goed zijn in rekenen maar die bijvoorbeeld briljant zijn in taal. Als ze door hun gebrek aan rekentalent geen diploma halen, missen zij de kans op vervolgonderwijs dat ze hadden willen doen en waar ze goed in zijn. Juist daarom moet niet alleen het diploma bepalend zijn voor vervolgonderwijs, maar ook matching, selectie, gesprekken en toetsing aan de poort.

In Trouw van 13 september stelt internist en voorzitter van de Landelijke examencommissie Peter de Leeuw dat studenten met ernstige dyslexie zouden moeten worden uitgesloten van de opleiding omdat ze als arts fouten zouden maken met recepten. Hij zegt dat dit nodig is omdat door alle aanpassingen in de examens voor dyslexiestudenten ze dit examen wel halen, terwijl ze in de praktijk niet geschikt zijn. In het echte leven zijn die aanpassingen er immers niet. In hetzelfde artikel komt een toxicoloog met de aanbeveling om aan het begin van de opleiding een geschiktheidstest te doen. Welnu, dit zijn veelzeggende signalen. Als iemand met dyslexie een diploma haalt met allerlei aanpassingen, is daarmee dus niet gezegd dat die persoon geschikt is voor het beroep waar de opleiding toe leidt. Laten wij dus niet wanhopig algemene normen bijstellen en eisen verlagen zodat iedereen een diploma kan halen. Een diploma is geen doel op zich. Het gaat erom mensen op te leiden tot een baan waarin dat talent het beste tot zijn recht komt.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. De afgelopen jaren hebben wij ons heel nadrukkelijk ervoor ingespannen om van de zogenaamde zesjescultuur af te geraken. Ik heb hier ooit gezegd: wij moeten af van de terreur van de middelmaat in Nederland. Het is dus van belang te blijven werken aan de kwaliteit. Ik ben blij dat wij daar in de afgelopen jaren ook keihard de schouders onder gezet hebben, overigens met veel instemming en support van de Vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Kortom: echt teamwork tussen Kamer en kabinet. En dat is ook nodig, want wij willen uiteindelijk mee in de vaart der volkeren. Wij weten dat kennis uitermate belangrijk is. Het klaarstomen van jongeren voor de mondiale concurrentie is ongelofelijk belangrijk.

Is het nu zo dat wij zomaar de lat hoger gaan leggen? Ik ben het overigens eens dat het wel degelijk bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering om de lat hoger te leggen, maar ik zeg er meteen bij dat wij dat niet zomaar doen. De afgelopen vier jaren hebben wij een beleid gevoerd gericht op kwaliteitsverbetering, waarvan het onderhavige onderdeel een belangrijk sluitstuk is. Overigens gaan wij wat mij betreft nog jaren door met het verder verbeteren van de kwaliteit.

Vier jaar geleden hebben wij de Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs gemaakt. Daarin is een bedrag van ongeveer 218 mln. geïnvesteerd. Scholen hebben de ruimte gekregen om dat geld te bestemmen voor een aantal prioriteiten. Een belangrijke prioriteit daarbij vormden de onderdelen taal en rekenen. Ook uit de brief die de Kamer vlak voor de zomervakantie daarover heeft ontvangen, blijkt dat de scholen er inderdaad zeer actief mee aan de slag zijn gegaan. Verder is er het Actieplan Leerkracht waarin wordt geïnvesteerd in salarissen – het mag namelijk ook «verdienen» als je echt iets betekent in de samenleving – en in deskundigheidsbevordering wat betreft leraren. Wij constateren inmiddels dat de lerarenbeurs overingeschreven is en dat er veel gedaan wordt om het niveau omhoog te krijgen. Ik refereer ook aan de «BIO» en de stand van zaken in het onderwijs wat betreft leraren waaruit blijkt dat de tevredenheid is toegenomen en dat er ook veel aan scholing gebeurt.

Zo wordt het stapelen eenvoudiger gemaakt. Vlak na 1 januari komt de wet inzake de verlenging van het vmbo. Men kan daardoor wat langer blijven in het vmbo. Men mag gewoon ook eens blijven zitten. Dat lijkt mij voor sommige kinderen echt een zegen. Dat kan echt geen kwaad.

Verder worden de knelpunten aangepakt, zoals ten aanzien van de doorstroom. Er wordt meer onderwijstijd gerealiseerd. Waar in 2006/2007 slechts 7% van de scholen voldeed aan het aantal onderwijsuren is dat inmiddels 68%. Bovendien heb ik samen met de VO-raad het aantal zeer zwakke scholen terug weten te dringen tot de helft. Ook dat is een goede zaak want dat wil zeggen dat er beter onderwijs geleverd wordt.

Dit zijn allemaal kwaliteitsimpulsen die het besluit om de lat wat hoger te leggen, verantwoord maken. Het is geen gemakkelijk besluit. Over dit besluit heb ik ook tijdens mijn vakantie echt goed nagedacht, maar gaandeweg werd het voor mij steeds duidelijker dat dit juist een heel goede weg is. Wij gaan nu met elkaar een steen verleggen in de rivier en naderhand kijken wij naar de stroom en dan zullen wij waarschijnlijk zeggen: dit is een heel belangrijke steen geweest. Ik zeg dit overigens met de nodige relativering en met alle bescheidenheid. Want waar hebben wij het over? Over minimumeisen voor een 4,5, een 5,5 en een 5,5 voor het eindexamen die vervolgens worden afgerond naar een 5, een 6 en een 6. Dus heel nuchter met beide benen op de grond blijven. Ten aanzien van de 5,5 voor het centraal examen hoor ik iedereen gelukkig zeggen: dat moeten wij doen. Maar laat ik eerlijk zijn: daar zullen de grootste klappen vallen. Het klopt, zoals de heer Elias zegt, dat er meer kinderen zullen zakken maar het betekent wel dat het kwaliteitsniveau van de instroom in het hoger onderwijs stukken verbeterd zal worden. Daarom moeten wij het nu doen.

Mevrouw Smits heeft gevraagd of wij nu niet eerst moeten wachten totdat de kwaliteit verder verbeterd is. Ik heb al aangegeven dat wij al heel veel hebben gedaan op dit punt. De verbeteringen zijn al zichtbaar. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat de onderhavige maatregel bijdraagt aan de kwaliteit. Ten principale meen ik dat het niet goed is om nu te wachten totdat er sprake is van een verdere verbetering. Waar in het hoger onderwijs veel jongeren het op een aantal onderdelen niet redden, is het mijns inziens niet goed om te wachten totdat de kwaliteit in het voortraject verbeterd is. Als wij de kwaliteit van het middelbaar onderwijs weten te verbeteren zal dat ertoe leiden dat meer kinderen een hoger diploma halen. Dat is de eerste beweging.

Waar vroeger in Nederland heel veel jongeren naar de technische school en de huishoudschool gingen, zien wij nu een opwaartse druk naar havo en vwo. Ik kan mij niet voorstellen dat er opeens allemaal kinderen met andere genen geboren worden. Het is gewoon de druk van ouders – ik zou daar ook voor gaan – om zo hoog mogelijk in te zetten. Maar als er sprake is van iemand met een mbo-diploma die zich ontwikkelt tot een goede vakman, met vakmanschap waar Nederland op drijft, dan is dat ook een goede zaak. Je kunt dus ook aan het begin wat kritischer nagaan wat een kind aankan in plaats van dat je een kind continu tot een hoger niveau drijft. Met de goede doorstroommaatregelen die wij nemen, vind ik dat wij een evenwichtig beleid voeren op dit punt. Het zal ook bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs. Research voor Beleid heeft voor ons onderzocht wat dit alles betekent voor scholen. Welnu, wij zien dat 85% van de scholen op dit moment actie onderneemt. Dat resulteert in trainingen van buitenaf, examensimulaties, taal ook bij andere vakken beoordelen, verplichte huiswerkcursussen, strengere normen voor kernvakken en strenge selectie als dat nodig is, meer stroomlijning voor profielkeuzen, communicatie richting ouders, et cetera. Kortom, er wordt gewoon heel hard gewerkt om de kwaliteitsslag nu al te maken. Ik ben ervan overtuigd dat als de lat hoger komt te liggen, er gewoon ook hoger wordt gesprongen door een heel groot deel. Wij doen het niet zomaar. Wij doen het uiteindelijk ten behoeve van het hoger onderwijs, waar het uitvalpercentage in het eerste jaar nu nog onaanvaardbaar hoog is. Het is van belang ervoor te zorgen dat de jongeren goed binnenkomen in het hoger onderwijs en ze er uiteindelijk het vereiste niveau kunnen halen. Op die manier leveren ze ook een bijdrage ten opzichte van hun collega-studenten. Nu zien wij namelijk dat onder laatstgenoemden het niveau vaak ook zakt en intelligente jongeren zelfs voortijdig afzwaaien, zodat het op die manier contraproductief werkt.

Ik ben overigens met de heer Elias van mening dat je een algemene lijn moet trekken en dat je vervolgens specifiek maatwerk moet bieden.

Mevrouw Smits (SP): De ambities van de staatssecretaris deugen. Daar is geen twijfel over. Zij weet het ook altijd vol passie te brengen. Punt is echter het volgende. Wij willen dat mensen beter kunnen rekenen maar wij hebben niet meer tijd voor wiskunde. Wij willen dat mensen beter Nederlands kunnen, beter kunnen spellen en beter kunnen samenvatten, maar wij gaan niet meer investeren in het onderwijs in het Nederlands. Dan moet zij toch met mij van mening zijn dat dit mooie spierballentaal is maar dat het uiteindelijk op het bordje van de scholen wordt geschoven met de opdracht: ik heb een mooi verhaal, zorgen jullie maar dat het gaat kloppen, maar jullie krijgen geen extra hulp?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Onzin! Maar dank voor de onderstreping van mijn betoog. Wij doen wel degelijk meer. Ik heb mij vanaf het begin beziggehouden met onderwijstijd, omdat ik het onaanvaardbaar vind dat er scholen zijn die onder de 800 uur zitten terwijl wij in Nederland eerst nog 1040 en nu 1000 uren onderwijs – ook een mooi aantal – met elkaar hebben afgesproken. Dit gebeurde volop en wij hebben dat weten terug te dringen. Toen voldeed slechts 7% aan het aantal uren, nu 68%. Dat zijn over het hele land heen vele, vele duizenden uren. En dan zie je hoe goed dit is. In die uren wordt Nederlandse taal gegeven, wordt wiskunde gegeven, wordt hopelijk ook iets meer gekeken naar andere vakken die raken aan het Nederlands. Het kan toch niet zo zijn dat de biologieleraar denkt: die «dt» laat ik maar zitten. Je moet het gewoon aanpakken, dat is je taak als docent.

Een tweede voorbeeld om duidelijk te maken dat wij wel degelijk ondersteunend werk doen. In de afgelopen twee jaar is voor rekenen en taal 115 mln. extra in het onderwijs gestoken om extra lessen mogelijk te maken. Dit zal ook dit jaar weer gebeuren.

De heer Çelik (PvdA): Ik ben tot op heden alleen maar blij met het antwoord van de staatssecretaris, maar ik werd geprikkeld door één zin. In haar laatste zin voordat zij werd geïnterrumpeerd, zei de staatssecretaris naar mijn mening terecht: eerst algemeen beleid, dan maatwerk. Ik ben dit met haar eens voor de totale lijn, maar dyslexie en dyscalculie zijn niet nieuw. De scholen hadden al lang maatwerk moeten leveren met de huidige exameneisen. Hoe denkt de staatssecretaris daarover?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: In mijn beantwoording ga ik uit van de volgorde generiek, specifiek. Ik wijs erop dat er al heel veel gebeurt op dit vlak. Ik ben het met mevrouw Ferrier en anderen eens – ik noem de heer Slob want hij is vanaf begin af aan heel scherp geweest op dit punt – dat wij ervoor moeten zorgen dat het op meer scholen gebeurt. Wij moeten er echter voor oppassen – en dan kom ik bij de heer Elias – dat wij regeling op regeling stapelen. De scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid. Bovendien mogen wij de ouders niet vergeten. Scholen kunnen zich ook profileren met een bepaald profiel. Ze kunnen aangeven: wij doen hier veel mee. Ik zal hier straks wat dieper op ingaan.

Na deze algemene inleiding heb ik nog twee kleine blokjes. Het eerste heeft betrekking op de exameneis specifiek, invoering en gevolgen. Het tweede heeft betrekking op de zorgleerlingen.

De heer Çelik (PvdA): Natuurlijk hebben de ouders ook een verantwoordelijkheid. Daarmee ben ik het volledig eens. Dat antwoord bevalt mij ook, maar het is tegelijkertijd een verantwoordelijkheid van de overheid om te borgen dat ieder kind maatwerk krijgt. Ik vraag mij af of die borging er al die tijd is geweest.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Het zal helder zijn dat die borging er zeker niet altijd is. Voor veel zaken geldt dat wij die niet altijd kunnen borgen, want als je dat zou willen doen, moet je heel veel regelen. Ik zal straks nog ingaan op de vraag hoe ik meer inzicht kan krijgen in wat de scholen doen met de mogelijkheden die Den Haag, lees: de belastingbetaler, aan de scholen geeft om kinderen maatwerk te bieden. Als dat onvoldoende gebeurt, want de praktijk is weerbarstiger dan de theorie en papier is geduldig maar heel anders dan de werkelijkheid, dan kunnen wij best nog een slag maken. Ik zie dit eerder in het verder aanscherpen van beleid. Deze eis, een 4,5, een 5,5 en een 5,5, moet je kunnen halen. Op de scholen moet eraan worden gewerkt dat dit ook gebeurt. Als wij daarnaast dan de aanpak van dyslexie en dyscalculie kunnen versterken, is dat mooi meegenomen in de komende jaren.

Ik kom nu bij de zorgleerlingen. Het is een slechte zaak dat kinderen die kwaliteit en talenten hebben, die door belemmeringen niet kunnen ontwikkelen. Laten wij eerlijk zijn: er zijn in Nederland heel veel mooie faciliteiten op dit terrein. Er zijn niet zo veel landen waar zo veel mogelijkheden zijn om kwetsbare kinderen extra steun te geven. De OESO geeft ook aan dat Nederland op dit terrein een uitblinker is. Waar wij de uitblinkers aan de bovenkant soms laten verdoffen, lees: hoogbegaafdheid, zijn wij geweldig goed in het steunen van kwetsbare kinderen. Dat is ook onze dure plicht. Dit behoort tot de solidariteit die wij willen opbrengen en tot het principe dat ieder talent telt. Je moet daarmee doorgaan, je moet het verbeteren en verbreden over de scholen heen en waar het nog niet gebeurt, moet je stimuleren dat het zal gebeuren. In de tussentijd moet je wel duidelijk stellen wat je vraagt aan het einde. Welke kwaliteit wil je uiteindelijk aan het hoger onderwijs aanbieden? Daar gaat het om. Ieder jaar dat wij dit uitstellen, is het hoger onderwijs niet verzekerd van het feit dat de jongeren die binnenkomen, aan de minimumeis voldoen. Overigens blijf ik dat een minimumeis vinden. Daarom zeg ik dat het beide moet.

De terminologie van de heer Slob «dit zal enorme gevolgen hebben», onderschrijf ik niet. In de huidige situatie mag je minimaal één 4 voor een vak op je examenlijst hebben. Dat wordt een 4,5. Laten wij even nuchter zijn. Nogmaals: diep in mijn hart zou ik liever overgaan naar allemaal zessen, want als er een range is van 1 tot en met 10 voor kennis en knowhow, is het toch zonde dat wij in Nederland nauwelijks de ruimte van 6 tot 10 gebruiken, maar vooral blijven bij 1 tot 6. Dat is echt zonde. Maar goed, de uitdrukking «enorme gevolgen» is naar mijn mening te gechargeerd. Wij moeten parallel aan waarmee wij nu bezig zijn, blijven werken aan de aanpak van dyslexie. Hebben wij daaraan dan nog niets gedaan? Integendeel! Wij hebben al heel veel gedaan. Wij ondersteunen al jaren met faciliteiten de mogelijkheid om hier meer aan te doen. Er is al veel onderzoek gedaan en daarmee gaan wij nog door. Ik heb beloofd dat ik in oktober met een quickscan zal komen om scholen nog verder te stimuleren. Dit alles in het kader van verbetering van het maatwerk dat al voor een deel in Nederland wordt geleverd.

Ik zal met de VO-raad overleg voeren, want ik denk dat de raad wel degelijk iets kan betekenen op dit vlak. Wij hebben dit gezien bij de zeer zwakke scholen. Ik had uit Den Haag niet kunnen regelen dat hun aantal gehalveerd zou worden. De VO-raad heeft een prima inzet gekozen. De raad zou zo ook dit punt moeten oppakken en een appel op de scholen moeten doen. Ik verwacht echter dat heel veel scholen dit uit zichzelf zullen oppakken, omdat zij willen presteren. Zij worden voor een deel ook afgerekend op hun rapportcijfers. Dit betekent dat ze aan het einde van de rit zo veel mogelijk jongeren geslaagd willen zien. Ik verwacht dat die slag dus ook door de scholen zal worden gemaakt. Wij zijn nog bezig met de stofverdeling tussen CE en SE om te zien of verdere verbeteringen mogelijk zijn. Er gebeurt dus heel erg veel.

De heer Beertema (PVV): Ik breng onder de aandacht van de staatssecretaris dat juist op die scholen waar het management faalt, waar het een chaos is, waar het rommelig is, waar mensen niet goed weten waarmee zij bezig zijn, die prachtige dingen niet worden ingezet die de staatssecretaris in het leven heeft geroepen met het Masterplan dyslexie en het flankerend beleid. Dat is echt een fantastisch plan en een compliment waard, maar het wordt op een heleboel zwakkere scholen niet ingezet uit labbekakkigheid, omdat het moeilijk is en een hoop gedoe of omdat de scholen van mening zijn dat zij het al zo druk hebben met andere dingen. Overigens hebben wij gisteren ook verhalen gehoord van scholen waar het ontzettend goed gaat. Wat is erop tegen om dit beleid onder een eenvoudige verplichting te hangen opdat ook de scholen waar het rommelig is, nog eens flink onder de aandacht wordt gebracht dat ze dit moeten doen? Daar zitten ook veel leerlingen met talent, maar dat dreigt nu te verkommeren. Dat kunnen wij toch niet hebben.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dit is altijd een dilemma en ik zit er niet gechargeerd in of je iets wel of niet moet verplichten. Ik ben het met de heer Beertema eens dat als de overheid de mogelijkheden en faciliteiten biedt, die ook gebruikt moeten worden en niet alleen als de school betrokken leraren heeft en de ouders weten dat hun kind dyslexie of dyscalculie heeft en goed geïnformeerd zijn door de ouder- en belangenorganisaties. Het is naar mijn mening eigenlijk de dure plicht van een school om dat te doen. Het gaat mij te ver om dit nu weer in een wet vast te leggen, want zo kunnen wij alles wel vastleggen. Bovendien leveren wet- en regelgeving weer extra lasten op als controles et cetera. De Kamer spreekt nu duidelijk uit dat haar dit extra zorgen baart.

Laat een ding helder zijn. Ieder kind dat dyslexie heeft of dyscalculie en belemmeringen ondervindt doordat de bestaande instrumenten onvoldoende worden gebruikt, verdient het dat wij er alles aan doen om daarin verandering te brengen. De Kamer heeft het jaarplan van de inspectie ontvangen; dat wordt definitief door de goedkeuring van een nieuw kabinet. Ik stel voor dat ik aan de inspectie vraag om bij de definitieve vaststelling van het inspectieonderzoek, extra aandacht te besteden aan een themaonderzoek naar het gebruik van de middelen die kunnen worden ingezet voor de aanpak van dyslexie en dyscalculie. Zo krijgen wij zicht op de situatie. Bovendien leggen scholen die weten dat er zoiets aankomt, de lat wat hoger; zij zullen harder werken om het doel te realiseren. Als de inspectie dit in 2011 kan doen, verwacht ik nog eens een extra beweging om ervoor te zorgen dat dit op de scholen gebeurt.

De heer Beertema (PVV): Dit is een mooie toezegging, maar ook die mag niet te vrijblijvend zijn. Stel dat de inspectie vaststelt dat er inderdaad niet genoeg gebeurt. Is de staatssecretaris dan wel bereid om wettelijk in te grijpen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): Voorzitter. Wij moeten dan de situatie bekijken. Wij moeten dan de afweging maken of wij opnieuw wettelijk iets willen vastleggen. Ouders kunnen een school ook aanspreken. Zij kunnen zeggen dat zij naar een andere school gaan, als hun kind op de school niet goed ondersteund wordt. Ouders stemmen ook vaak met hun voeten en gaan naar de school waar het wel goed gebeurt. Ouders zijn tegenwoordig buitengewoon betrokken en weten het heel goed als een kind zoiets heeft, met zo'n indicatie. Zij krijgen ook informatie. Ik zou allereerst die slag willen maken, maar nogmaals: ik zie het niet als randvoorwaardelijk voor wat wij nu doen. Wat wij nu doen, moeten wij doen en parallel daaraan moeten wij de slag maken om nog meer kinderen te ondersteunen die ondersteund kunnen worden.

De heer Slob (ChristenUnie): Het is allemaal mooi en aardig, dat inspectieonderzoek. Ik zal het niet kleiner maken dan het is. Dat betekent echter wel dat de vrijblijvendheid rondom protocollen blijft bestaan en nog een aantal jaren kan blijven bestaan. Dat lijkt mij niet zo gewenst.

De staatssecretaris zegt met heel veel passie dat er al heel veel gedaan is, dat er onderzoek is gedaan, vooral naar deze kwetsbare groep. Ik heb dat onderzoek niet gezien. Gisteren hebben wij daarover vragen gesteld aan Cito en aan het College voor Examens. Dank overigens dat deze meneer mocht aanschuiven, want hij had een heel waardevolle inbreng. Ook zij constateren dat er geen data zijn, dat zij helemaal geen gegevens hebben. Ik snap een ding niet en daarop wil ik toch graag een reactie van de staatssecretaris. Wij hebben begin 2009, dus al heel lang geleden, dit probleem geconstateerd. Wij hebben aangegeven dat er aandacht voor moet zijn. Vervolgens lees ik in een brief van 26 augustus 2010 dat nog heel veel zaken lopen, dat er nog een quickscan moet plaatsvinden en dat de data er niet zijn. Wat is er dan in die twee jaar ervoor gebeurd? Ik zeg niet dat er niets is gebeurd, maar er zijn gewoon dingen blijven liggen en het gaat toch om een vrij cruciaal onderdeel. Ik ben het wel de staatssecretaris eens dat het andere onderdeel nog veel verder gaat. Dat was ook in lijn met de commissie-Dijsselbloem en die moeten wij gewoon ook doorzetten. Op dit onderdeel zegt ze echter: prachtig allemaal, maar nu doen en wij gaan niet meer tijd nemen omdat het noodzakelijk is voor de invoering.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): Om te beginnen met dat laatste, ik neem een jaar meer tijd. Vijf jaar geleden is het debat hier gestart. Daarvoor was al duidelijk dat de lijn was om meer scherpte te krijgen in de exameneisen. Vorig jaar heb ik al een brief gestuurd naar de scholen dat per 2011/2012 het examen voor de drie kernvakken aan de orde zou zijn. Het is verschoven naar 2012/2013. Dat heb ik bewust gedaan, omdat ook ik wil dat scholen de ruimte en de zorg kunnen nemen om de zaken daadwerkelijk goed op orde te krijgen. Dat is één. Ik heb dus wel degelijk meer ruimte gecreëerd. Naarmate je meer ruimte creëert, wordt ook meer ruimte benut. Op een bepaald moment moet je ook zeggen wat het compromis is. CE houden wij overeind zoals wij dachten. Ik ben het eens met de woorden van de heer Slob. De commissie-Dijsselbloem was klip-en-klaar. Overigens kwamen ook taal en rekenen als heel belangrijke onderdelen naar voren. Daarover werd zelfs gezegd dat de schoolexamens tot een voldoende moeten leiden. Nu is het eigenlijk alleen het eindexamen. Schoolexamen en CE moesten beiden voldoende zijn. Uiteindelijk nemen wij nu het gemiddelde. Je mag dus ook nog tussen de stof waarin je goed bent, samenvatten, spellen of zo, marchanderen. Dat is een goede zaak. Ik ben echter wel coulant, want ik schuif het gewoon een jaar op. Ik was eigenlijk beducht dat ik er kritiek op zou krijgen. Op een gegeven moment moet je zeggen: dit is het. Het is niet minder dan een 4,5, 4,5 en 5,5. Ik vraag niet het hoogste van de plank. Wij vragen gewoon om voor die drie basisvakken, die zo belangrijk zijn in het hoger onderwijs, niet onder de 4,5 te duiken.

Verder is er wel degelijk heel veel gebeurd. Er wordt veel onderzoek gedaan. Daarom weten wij hoeveel jongeren dyslectisch zijn. Daarom weten wij wat een protocol voor dyslexie in het masterplan moet inhouden. Daarom is bekend geworden welke hulpmiddelen noodzakelijk zijn om de belemmeringen voor kinderen weg te nemen.

Van het presteren op de examens zelf zegt Cito dat wij dat nog scherper in beeld zouden kunnen brengen. ls het een desastreus beeld... Nou ja, dat zal wel loslopen want wij hebben ook al in beeld dat kinderen nooit op taal én wiskunde slecht zijn. Uit de onderzoeken blijkt dat het maar een heel klein percentage is. Als het percentage iets hoger is dan bij de gemiddelde leerling, zeg ik dat ik niet anders verwacht had. Dat betekent dat een school zich beter moet prepareren. En dan kom je terug bij het punt van de heer Beertema en anderen. Dan moet je ook ervoor zorgen dat de school het doet. Dan ben ik niet zo dat ik het meteen wettelijk wil vastleggen. Dan wil ik de slag maken in 2011, twee jaar voorafgaand aan het moment dat het gaat gebeuren, met een themaonderzoek hoe het ermee staat en om stimulerend op te treden.

Mevrouw Smits had zorgen over selectie aan de poort. Scholen zullen scherper erop letten, zeker bij onderbouw naar bovenbouw, of het kind geschikt is voor de schoolsoort waar hij in zit, gelet op de exameneisen. Dat lijkt mij, naar eer en geweten, all in the game. Er wordt dus scherper gekeken of een kind geschikt is om het examen te halen dat vervolgens een vrijbrief is om te mogen doorgaan naar een ander schoolniveau. Wij zullen inderdaad moeten accepteren dat een aantal kinderen niet naar het vwo, maar naar het havo zal gaan of niet naar het havo, maar naar het vmbo-tl. Ik vind dat niet verkeerd, mits die waarde van het diploma iets is waar het ook daadwerkelijk voor hoort te staan. Het behoort te garanderen dat kinderen goed kunnen functioneren in het mbo, het hbo en op de universiteit. Het is heel hard nodig dat wij dit nu doen. Het is overigens goed om naar de buren aan de andere kant van het water te kijken. In Engeland is er een zelfde beweging geweest in de loop der tijd. Steeds meer kinderen haalden hun examens, percentages gingen omhoog en steeds meer kinderen gingen naar een hoger niveau. Het zou toch heel vreemd zijn als dit zich vanuit de genen zomaar ontwikkelt. Het wil gewoon zeggen dat iedereen steeds hoger wil, maar je moet je afvragen of je dit wil ten koste van wat een diploma waard is.

Mevrouw Smits (SP): Ik ben met u voorstander ervan dat een kind terechtkomt op het niveau waar het het beste kan leren en functioneren. Het is helemaal niet verkeerd als dat een niveau lager is. De vraag van de heer Tijms van het instituut was of scholen, als iemand van de basisschool naar de middelbare school komt met een mooie verklaring dyslexie, gaan zeggen dat het wel eens heel slecht zou kunnen zijn voor de slagingspercentages en dat zij liever hebben dat een leerling ergens anders naartoe gaat of direct op de vmbo-afdeling instroomt.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): Ik kom daar in tweede termijn op terug.

Dan de vraag van mevrouw Smits waarom niet eerder met de doven is overlegd. Ik heb vlak voor de zomervakantie van de doven, althans van de ouders van dove kinderen, een brief gekregen. Een van de redenen om het een jaar te verschuiven is ook deze brief geweest. Gelet op het feit dat het zo'n specifieke groep is die vaak echt verbonden is aan de school voor slechthorenden en doven, heb ik de directie die bezig is met passend onderwijs, gevraagd om apart te bekijken of wij iets extra's zouden kunnen doen zonder de waarde van het diploma aan te tasten. Daar wordt nu naar gekeken. De tijd is er. Intussen moeten de jongeren gewoon worden voorbereid op het examen. Niemand moet wachten, alles moet door. Daarom ben ik zo'n tegenstander van uitstellen. Op een gegeven moment moet iemand weten waar hij aan toe is, dan kan hij aan de slag, ook in het onderwijs. Ik kijk wel wat ik nog specifiek zou kunnen doen. Wij doen dat overigens in overleg met de scholen, maar ook in overleg met VSNU en hbo. Als ik iets doe, moet namelijk ook het hoger onderwijs er iets van vinden. Dat krijgt uiteindelijk de jongeren weer voor de poort.

De heer Elias had een vraag over het gebruik van artikel 55 van het examenreglement. Hij vroeg of de faciliteiten ook daadwerkelijk benut worden. Die worden benut, maar niet op elke school. Het is wel zaak dat wij dat gaan stimuleren, zodat alle scholen de mogelijkheden benutten om bijvoorbeeld met Daisyspeler gesproken examens te werken.

De heer Elias (VVD): Is bekend hoe vaak het benut wordt? Is het 5%, 10% of 80%? Ik wil dat soort dingen graag weten. Waarom zouden wij, juist omdat die mogelijkheid er is en misschien onvoldoende gebruikt wordt, wachten met zulke belangrijke wetgeving?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): Ik kan u vertellen dat het aantal aangevraagde Daisyspelers volgens de DUO voor Nederlands het afgelopen jaar 5572 is geweest en voor het Engels 5708. Het is natuurlijk ook gerelateerd aan wat een jongere nodig heeft. Sommigen doen het met grotere letters of meer tijd.

De heer Elias (VVD): Dan weet ik in percentages nog niks.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): We hebben 30 000 jongeren die dyslectisch zijn. Dit aantal van 5500 voor Nederlands en 5700 voor Engels hoort thuis in een reeks van faciliteiten die jongeren geboden wordt. Voor de ene jongere is het wel nodig en voor andere niet, maar het wordt dus behoorlijk benut.

De heer Elias (VVD): Grof samengevat betekent het dus voor één op de drie?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): Ik zei zo-even dat 30 000 jongeren dyslectisch waren. In dit geval gaat het echter om examenkandidaten, een veel kleinere groep dus. Naast mij wordt opgemerkt dat het vrijwel iedereen betreft. Dat vind ik echter ook weer wat al te gemakkelijk opgemerkt. Het gaat in ieder geval om een substantiële groep, dat kunnen wij vaststellen.

De voorzitter: Gaat u verder met de beantwoording.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): Ik ben bijna klaar.

Eén ding moet helder zijn: wij nemen een heel pittig besluit. Er zullen meer jongeren zakken, daarover moeten wij eerlijk zijn. Meer jongeren zullen net niet havo halen, maar wel vmbo-tl of vmbo-kb. Eén ding weet ik wel: als deze jongeren met een diploma van school komen, heeft het vervolgonderwijs iets meer zekerheid, met de nadruk op iets, dat deze jongeren op een aantal onderdelen beter toegerust binnenstromen. Dat is ook nodig. Ik spreek mensen in het mbo die zich soms naar schrikken van de manier waarop jongeren in het eerste jaar binnenkomen. Soms zijn ze zelfs laaggeletterd. Ik spreek docenten op het hbo en universitaire docenten en hoogleraren die zeggen: je schrikt je naar van wat er af en toe binnenkomt. Door de lat hoger te leggen, gaat de focus van de docenten naar dat punt.

Tot slot. Er wordt gezegd dat er veel weerstand is tegen deze maatregel. Ga maar eens praten met de docenten Nederlands en wiskunde. Zij zeggen: een prima zaak, want er moet focus komen in hetgeen je doet, namelijk kennisoverdracht op het vlak van de basis van ons onderwijs. Dan hebben wij het over deze drie vakken en over het centraal examen als externe toets die minstens een 5,5 moet laten zien. Ik vind het een weliswaar niet gemakkelijke, maar wel belangrijke stap voor ons onderwijs.

De heer Elias (VVD): Of ik heb niet goed opgelet of ik heb het antwoord gemist op mijn vraag of en, zo ja, wanneer wij scherpere eisen voor het vmbo tegemoet kunnen zien.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): Zodra de referentieniveaus in de examens vertaald zijn. Volgens mij is dat in 2014. Dat hebben wij bewust gedaan om te voorkomen dat jongeren te lang blijven hangen in het vmbo, waardoor schooluitval gerealiseerd wordt. Wij hebben ervoor gekozen om dit eerst op te pakken in het havo/vwo. Voor het vmbo geldt wel de maatregel van een 5,5. Dat zal ook al behoorlijke effecten hebben.

De voorzitter: Dan hebben we nog ruim de tijd voor een tweede termijn. Het woord is aan de heer Slob.

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor haar beantwoording in eerste termijn. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat wij verder moeten in de vaart der volkeren en dat wij stenen gaan verleggen. Dat is allemaal prima en dat steun ik ook, maar dan wel als op een verantwoorde manier zo veel mogelijk leerlingen meegenomen worden. Men weet dat mijn zorg hierover groot is. Wij nemen al een behoorlijke stap als wij eisen dat het centraal schriftelijke examen over de hele linie met een voldoende moet worden afgelegd. Dat zal ook voor leerlingen met dyslexie al een groot probleem zijn. Immers, dyslexie is een probleem dat zich niet alleen voordoet bij de talen, maar ook bij vakken als geschiedenis en aardrijkskunde waarvoor ook veel gelezen moet worden. Leerlingen met dyslexie ondervinden bij examens in deze vakken ook al een grote extra hindernis. Wij moeten dan ook heel goed opletten wat wij doen met de kernvakken. Het niveau moet omhoog. Ik snap heel goed de leraar Nederlands die zegt: prima dat wij dat gaan doen. Natuurlijk, het is een opwaardering van zijn vak, ook in het geheel van alle vakken die gegeven worden. Wij moeten het doen, maar wel op een verantwoorde manier.

Ik kan niet anders concluderen dan dat er de afgelopen twee jaar wel inzet is geweest, maar dat deze wat te vrijblijvend is gebleken. Veel is nog niet duidelijk. Het zou mooier zijn geweest als die duidelijkheid er wel was geweest. Ik weet niet waar het precies aan ligt, maar ik constateer het wel. De staatssecretaris heeft hierin reden gezien om een en ander uit te stellen met betrekking tot de kernvakken. Luisterend naar het veld – de afgelopen maanden ben ik hier flink mee bezig geweest – kan ik niet anders concluderen dan dat een en ander iets te beperkt is. Vandaar mijn dringende verzoek om er één jaar aan vast te plakken, niet om dat jaar vrijblijvend te besteden, maar juist om een aantal dingen een stuk dringender te doen dan tot nu toe helaas de praktijk is geweest.

Ik heb de staatssecretaris niet kunnen overtuigen, althans niet in eerste termijn. Ik vermoed dat dit in tweede termijn ook niet zal gebeuren. Daarom wil ik vanmiddag gebruikmaken van het VAO om de Kamer op dit punt om een uitspraak te vragen. Ik wil ook eerlijk zijn. Ik vind het onverantwoord om bij dit onderdeel op deze manier door te draven. Ik ben erg bang dat dit onnodig verspilling van talent zal veroorzaken. Dat is een grote verantwoordelijkheid die op ons aller schouders rust.

De heer Elias (VVD): Ik heb een vraag om een eventuele motie op voorhand te kunnen beoordelen. De heer Slob weegt duidelijk anders dan ik, dat is zijn goed recht. Mijnheer Slob, waarom – ik heb hierop geen toelichting gehoord, vandaar mijn vraag – bent u bereid om deze zo belangrijke verbetering van de kwaliteit een jaar uit te stellen om voor een relatief kleine doelgroep iets te regelen? Wat is uw afweging daarbij?

De heer Slob (ChristenUnie): Ik steun het grootste deel van de voorstellen van de staatssecretaris die, zoals ik zo-even al aangaf, enorme gevolgen zullen hebben, ook voor deze, volgens de heer Elias kleine doelgroep. Ik heb grote aarzelingen bij het onderdeel van de kernvakken. Ik vind namelijk dat alle voorbereiding om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk leerlingen van deze doelgroep een en ander straks ook aankunnen, nog onvoldoende hard is. Er is te weinig gebeurd om voor deze doelgroep de verantwoordelijk op mij te kunnen nemen en te zeggen: wij leggen een steen en straks kijken wij wel wie er over deze steen heen gelopen zijn. Dan zien wij straks enkele leerlingen in het water drijven die wij er eigenlijk gewoon bij hadden willen houden. Dat is een grote verantwoordelijkheid. Namens mijn fractie maak ik een afweging. Dat is niet makkelijk, maar dit is wel het moment om het te doen. Vandaar ook de hoorzitting en dit algemeen overleg. Anders was het allemaal stilzwijgend gepasseerd.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ter aanvulling op wat de heer Elias aan de orde stelde, heb ik de volgende vraag. Wij hebben gisteren gehoord dat er heel veel mogelijkheden zijn, maar dat er nog weinig gebeurt. Er is vaak gesproken over het probleem van een grote vrijblijvendheid bij scholen. Voor mijn fractie is dat reden om te zeggen: ga nu die stap zetten, want dan moeten scholen wel. De scholen willen ook wel, is mijn overtuiging. Ze hebben geen negatieve instelling. Vandaar dat ik zeg: voer het nu in en kijk vervolgens samen met de inspectie of op wat voor manier dan ook of de mogelijkheden ook benut worden, of de vrijblijvendheid eruit is. Ik ben dan ook benieuwd naar de weging van de heer Slob. Hij zegt: er is heel veel mogelijk, maar er is weinig gebeurd. Vervolgens zegt hij: laten wij nog een jaar wachten. Dan maak je het nog een jaar langer mogelijk om niet echt de stappen te zetten die eindelijk eens gezet moeten worden. Kan hij dit verduidelijken?

De heer Slob (ChristenUnie): Er is geen verschil tussen mij en mevrouw Ferrier als het gaat om het standpunt dat je een keuze moet maken en moet besluiten om het te doen. Ook ik zeg dat het moet gebeuren. Luisterend naar het veld en kijkend naar wat er de afgelopen tijd is gebeurd en wat er nog moet gebeuren om een en ander op een verantwoorde manier te doen, meen ik dat wij nog een jaar langer nodig hebben dan de staatssecretaris beoogd heeft. Wij moeten deze tijd niet op onze handen gaan zitten. Ik heb de indruk dat dit de afgelopen jaren wat te veel gebeurd is. Wij moeten een en ander streng invullen. Ik heb ook criteria genoemd waaraan voldaan moet worden om de tijd te besteden. Er is dus geen sprake van dat wij het in de tijd laten weglijden. Wij gaan de tijd gebruiken om het zorgvuldig te doen, opdat wij geen leerlingen achter ons hoeven laten die wij gewoon mee willen nemen. Ik wil dit ter overweging meegeven aan mevrouw Ferrier tot het moment waarop de motie in stemming komt.

Mevrouw Smits (SP): Voorzitter. Ik zal het kort houden, want ik wil de voorzitter te vriend houden voor een volgende keer. Als ik het iedere keer te lang maak, gaat dat niet lukken.

De voorzitter: U hebt twee minuten, korter hoeft niet.

Mevrouw Smits (SP): De staatssecretaris zei: leraren Nederlands en wiskunde staan te popelen. Mijn informatie is net iets anders. De leraren zeggen: het is inderdaad goed dat onze vakken wat meer gaan tellen, maar wat als de biologieleraar niet let op Nederlands en wat als wij niet meer uren wiskunde krijgen? Om met de woorden van de heer Beertema te spreken: er staan nog wel wat bezwaren tussen droom en daad.

Ik ben blij met de uitleg over de gesprekken met de vertegenwoordigers van dove en slechthorende leerlingen. Ik hecht eraan dat dit goed gebeurt en dat wij bezien hoe wij het deze jongens en meisjes niet moeilijker hoeven maken dan ze het al hebben, overigens zonder de algemeen geldende eisen los te laten.

Tot slot. Al het enthousiasme van de staatssecretaris heeft mij niet kunnen overtuigen van het feit dat dit het beste moment is om dit te doen. Ik vermoed echter dat ik dit al had laten blijken.

De heer Çelik (PvdA): Voorzitter. Ik vond de beantwoording van de staatssecretaris buitengewoon sterk. Op vrijwel alle punten ben ik overtuigd geraakt; eerlijk is eerlijk. Plichtsbesef hoeft niet middels wet geregeld te worden. Dat ben ik volledig met de staatssecretaris eens. Dat neemt het dilemma niet weg dat er naar mijn mening te veel scholen zijn die kennelijk extra hulp nodig hebben. Daar wil ik een andere keer met de staatssecretaris over doorpraten.

Ik ben het met de staatssecretaris eens dat je op een gegeven moment de knoop moet doorhakken. Ik heb nog steeds sympathie voor de motie van mijn collega, hoewel ik sterk twijfel of ik een en ander zo expliciet kan steunen. Ik steun het gevoel, maar na de beantwoording vraag ik mij af of dit het algemeen belang dient. Ik neig ernaar om het voorstel in zijn totaliteit te steunen, maar ik laat de afweging nog even boven de markt hangen. Dat houdt het ook spannend. Ik wil hierover nog even doorpraten met een aantal fractieleden.

De voorzitter: Ik verzoek de leden om hun mobiele telefoons niet in buurt van de microfoon te leggen, want dat stoort enorm.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor haar heldere, bijna inspirerende verhaal. Ik stem er ook mee in. Wat ik vooral herken en waardeer, is de relativering van de staatssecretaris. We staan voor een heel belangrijke beslissing, maar ik voorzie toch nergens echt grote drama’s. Ik vind alles in het redelijke, echt waar, maar mijn zorg over de vrijblijvendheid ten aanzien van de protocollen blijft. Op zich voel ik er wel voor om genoegen te nemen met de toezegging van de staatssecretaris, als er ook een rapportagemoment van de inspectie ingebouwd zou kunnen worden. Wat mij betreft liefst aan het eind van het cursusjaar 2010–2011. Dat hoeft dan geen uitgebreid onderzoek te zijn. Er hoeft niet heel veel voor opgetuigd te worden, maar ik denk dat er dan een redelijk betrouwbare analyse van dit probleem voorgelegd kan worden.

Mevrouw Ferrier (CDA): Voorzitter. Allereerst dank ik de staatssecretaris voor haar overtuigende verhaal. Ik heb in eerste termijn opgemerkt dat het een moeilijke beslissing is, maar ik ben overtuigd door de punten die de staatssecretaris naar voren bracht. Tegen mijn collega Slob zeg ik dat het goed is om met een dwingender eis te komen wanneer blijkt dat, hoewel er veel mogelijk is, geen gebruik van de regeling wordt gemaakt. Ik ben blij met de toezegging van de staatssecretaris dat de inspectie een themaonderzoek zal instellen. Ik krijg graag de resultaten daarvan. Echt, we moeten die vrijblijvendheid eruit krijgen, anders ontstaan er problemen voor een groep kinderen.

Ook door mevrouw Smits is aangehaald dat meer kinderen zullen zakken. Er moet daarom bij de scholen een cultuurverandering komen. Scholen moeten het idee loslaten dat zo veel mogelijk kinderen zonder doubleren moeten slagen. Scholen moeten meer gericht zijn op het tot hun recht laten komen van alle talenten van kinderen. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Wat gaat zij daaraan doen?

Mijn collega Elias stelde de goede vraag in hoeverre dyslexie en dyscalculie meegenomen kunnen worden in de referentiekaders van passend onderwijs. Misschien kan de staatssecretaris daar een reactie op geven.

De heer Elias (VVD): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris hartelijk voor de beantwoording. Inderdaad was haar betoog enthousiast en overtuigend. Wat ons betreft is zij op de goede weg. Dit is van groot belang voor het niveau van het Nederlandse onderwijs. Over het vmbo komen we nog te spreken in dit kader en over meer algemene zaken als selectie aan de poort en de dubbelfunctie van onze diploma’s, waar toch ook problematische kanten aan zitten. Maar dat is niet voor dit algemeen overleg.

Ik heb eigenlijk alleen nog een politieke opmerking aan het adres van de heer Çelik. Het zou mij een lief ding waard zijn als we, vanwege het belang dat velen hier aan tafel zien van de aanscherping van de regeling voor de kwaliteit en het niveau van het onderwijs, het besluit om hiermee door te gaan met een zo groot mogelijke Kamermeerderheid zouden kunnen nemen. Misschien kan de heer Çelik dit meenemen in zijn afwegingen met de andere fractiegenoten voordat we vanmiddag gaan stemmen.

De voorzitter: Ik ging er zo maar van uit dat al uw opmerkingen politiek van aard zijn.

De heer Elias (VVD): Er zit ook wel eens iets inhoudelijks tussen.

De voorzitter: Dat is wel een heel bijzondere opmerking. Dank u wel, mijnheer Elias.

Dit brengt ons bij het antwoord van de staatssecretaris in tweede termijn.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): Voorzitter. Hartelijk dank voor de reacties en voor de vriendelijke woorden die gesproken zijn. Dank ook voor het type debat dat we met elkaar voeren. De afgelopen jaren was het debat vaak heel scherp, maar ik ben ervan overtuigd: «zonder wrijving geen glans». In het Haagse moeten wij met elkaar het debat aangaan, alles inbrengen wat wij horen van mensen – het gaat immers om mensen – en uiteindelijk verantwoordelijkheid durven nemen. Dat doen wij allen op onze eigen wijze met de afwegingen die we maken. Ik respecteer dan ook wat de heer Slob naar voren brengt, maar ik zit er net even anders in. Ik meen met dat ene jaar erbij die extra slag te kunnen maken. Dan kunnen scholen nog eens goed nadenken over hoe ze het gaan aanpakken, want de jongeren waar het om gaat, zitten al op school. Dus ze zullen die slag moeten maken. Scholen kunnen niet zeggen: nou, we gaan ze vanaf heden weigeren. Nee, ze zullen het moeten doen. Ik ben ervan overtuigd dat we het voorstel zoals het er ligt moeten uitvoeren. Dat moet zorgvuldig gebeuren, maar het moet er uiteindelijk toe leiden dat we de lat daadwerkelijk hoger leggen. We hebben veel gedaan op het vlak van dyslexie. Nederland heeft een aantal heel goede voorzieningen. Het gaat erom dat die overal worden benut. De voorzieningen worden al fors benut. Ik gaf eerder al de cijfers van het gebruik van Daisyspelers. Uit het aantal kinderen met dyslexie dat in de examenklassen zit blijkt duidelijk dat heel veel scholen er al mee bezig zijn. Ik meen dat het zo’n 450 vestigingen betreft. Overigens is het goed om te weten dat kinderen met dyslexie voor het merendeel op het vmbo zitten. Daar voeren we deze drie eisen nog niet eens in. Het gaat alleen om de havisten en de vwo'ers. Voor die kleine groep, die toch belangrijk is, doen we alles, maar het generieke beleid zetten we wel gewoon door. Daar willen we de lat uiteindelijk hoger leggen.

Mevrouw Smits heeft gevraagd of meer leraren hier aandacht aan gaan besteden. Ik hoop dat dit aanleiding is voor debatten in de lerarenkamer. Het is te gek voor woorden dat een leraar Geschiedenis en een leraar Biologie niet ook kijken naar het Nederlands en jongeren daarop aanspreken. Vroeger werd dat wel gedaan. Ik herinner het mij niet anders. Ik wil niet zeggen dat het vroeger altijd beter was, maar op dit punt ben ik er toch enthousiast voorstander van dat iedereen zijn steentje bijdraagt.

Ik begrijp de heer Beertema goed dat hij wil dat de eisen zo scherp mogelijk worden gesteld. Ik vind het ook onuitstaanbaar als middelen niet benut worden. Ik heb een trits van zaken. Ik ga de VO-raad erop aanspreken. Ik ga de ouderenorganisaties erop aanspreken om dit punt in hun nieuwsbrieven onder de aandacht te brengen. We komen in het najaar met een quickscan. Ik zou mij kunnen voorstellen dat we aan de hand van die quickscan bekijken wanneer het themaonderzoek in overleg met de inspectie plaatsvindt. Het vo-veld zou bijvoorbeeld vanuit de quickscan de opdracht kunnen krijgen om bepaalde zaken te verbeteren. Als dan aan het eind van de rit blijkt dat nog steeds het beeld bestaat dat gisteren tijdens de hoorzitting geschetst is – nogmaals, uit de cijfers komt een iets beter beeld naar voren dan gisteren – moeten we met elkaar het gesprek erover aangaan in hoeverre daarvoor nieuwe regelgeving nodig is. Dan zeg ik niet bij voorbaat dat ik dat niet wil. Op een gegeven moment is het ook klaar. Ik heb natuurlijk liever dat scholen de slag zelf maken, maar ik sluit het niet uit. Laat ik die toezegging doen.

Mevrouw Ferrier bracht het punt van het doubleren naar voren. Dat is een moeilijke afweging voor een school. Het doorgaan van een kind is natuurlijk heel relevant, maar examenresultaten tellen ook mee. Ook het advies van de lagere school over waar een kind uiteindelijk eindigt telt mee. Dat zijn toch mooie checks and balances in het toezicht. Overigens blijven we eraan werken om dat nog meer te optimaliseren.

Dan kom ik bij het Referentiekader Passend onderwijs. Dat geeft handvatten, zeg ik tegen de heer Elias en mevrouw Ferrier, die op dit moment worden uitgewerkt door de sectororganisaties. De thema’s zijn het onderwijszorgprofiel, de handelingsgerichte diagnostiek en de kwaliteit van de onderwijszorg. Deze uitwerkingen worden uiteindelijk betrokken bij de referentieniveaus. Dus het is wel gezwaluwstaart. Dat is overigens de reden dat niet nu maar pas in 2014 de examinering van de referentieniveaus Taal en Rekenen plaatsvindt, zodat we ook echt goed geprepareerd zijn op dat vlak.

Voorzitter. Ik rond af. Zoals ik al aangaf, is dit geen gemakkelijk besluit. Wij zijn ons allemaal heel goed bewust van de effecten die het op kinderen heeft, maar ik ben ervan overtuigd dat het kan. Ik denk echt dat de lat hoger gelegd moet worden. Niet alleen de ouders en de scholen, maar ook onze jonge vrienden en vriendinnen in het onderwijs in Nederland kunnen echt wel een stapje harder lopen. Het is hier niet zo slecht gesteld met het aantal uren huiswerk dat gemaakt wordt en het aantal uren dat gedraaid wordt. We moeten er gewoon even een schepje bovenop doen en dan komen we een heel eind. We weten in ieder geval zeker dat de kwaliteit van de instroom naar het mbo en het ho verbetert.

De voorzitter: De staatssecretaris zegt toe dat zij, nadat de quickscan in het najaar is afgerond en nadat de gesprekken met de VO-raad en de ouderenorganisaties hebben plaatsgevonden, in overleg met de inspectie zal besluiten wanneer het themaonderzoek plaatsvindt. Ik verzoek de staatssecretaris om de Kamer over de resultaten van de quickscan in te lichten. Ik neem aan dat de commissie hierover met het nieuwe kabinet en de nieuwe bewindspersoon van gedachten zal willen wisselen. Dat er een rapportage van de bevindingen van de inspectie zal komen, waar de heer Beertema om verzocht, spreekt bijna voor zich. De staatssecretaris knikt al. Als dit een goede samenvatting is van wat zij heeft toegezegd, kunnen wij dit zo registreren.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA): Sterker, ik zal dit niet alleen in een brief aangeven, ik zal de quickscangegevens ook meesturen. Afrondend, onverlet blijft dat deze zaken parallel daaraan doorlopen.

De voorzitter: Dat is met instemming van een meerderheid van de Kamer, zoals de staatssecretaris heeft kunnen merken.

Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. Ik dank de ambtenaren die haar ondersteunen voor hun aanwezigheid en ik dank de mensen op de publieke tribune voor hun belangstelling.

Ik sluit de vergadering.