Gepubliceerd: 20 december 2010
Indiener(s): Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32458-6.html
ID: 32458-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 22 december 2010

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de fracties van de VVD, de PVV, het CDA en de SP. Graag ga ik in deze nota in op de vragen die zij hebben gesteld in het verslag.

1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie vragen welke besparingen de regering op basis van dit wetsvoorstel verwacht te kunnen realiseren voor de Nederlandse ondernemingen.

Volgens de nulmeting administratieve lasten bedrijven 2008 vinden er per jaar ongeveer 1 390 fusies en 410 splitsingen van naamloze vennootschappen (NV’s) en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (BV’s) plaats. Het aantal fusies van alle rechtspersonen waarop titel 7 van Boek 2 van toepassing is, wordt in de meting geschat op 2 329 per jaar. In het wetsvoorstel zijn mogelijkheden opgenomen om bij fusies en splitsingen af te zien van bepaalde verslaggevings- en documentatieverplichtingen. Deze mogelijkheden zorgen voor een vermindering van de nalevingskosten en de administratieve lasten van rechtspersonen. Nalevingskosten zijn kosten die gemaakt worden ten behoeve van een inhoudelijke verplichting, zoals het opmaken van een tussentijdse vermogensopstelling. Omdat nalevingskosten moeilijk zijn vast te stellen, zijn deze niet meegenomen in de nulmeting administratieve lasten bedrijven 2008. De administratieve lasten van rechtspersonen vanwege informatieverplichtingen jegens de overheid zijn wel in de nulmeting betrokken. Daarom is het alleen mogelijk om concrete bedragen te noemen voor de reductie van de administratieve lasten.

De eerste besparing van nalevingskosten volgt uit de mogelijkheid om af te zien van de schriftelijke toelichting op het fusievoorstel waarin de redenen voor de fusie met een toelichting uit juridisch, economisch en sociaal oogpunt worden vermeld (zie artikel 2:313 lid 1 BW). Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt als alle leden of aandeelhouders van de fuserende rechtspersonen hiermee instemmen. Verwacht wordt dat in de praktijk vooral gebruik zal worden gemaakt van deze mogelijkheid bij fusies tussen een moeder- en een dochteronderneming of fusies van twee dochterondernemingen. Hoe vaak dit zich zal voordoen, moet worden afgewacht.

Dit geldt ook voor mogelijkheid om af te zien van de verplichting voor het bestuur om de algemene vergadering en de andere te fuseren rechtspersonen in te lichten over gewijzigde omstandigheden die blijken na bekendmaking van het voorstel tot fusie. Ook hier geldt de eis dat alle leden of aandeelhouders van de fuserende vennootschappen hiermee moeten instemmen, waardoor een schatting van de kostenreductie moeilijk is te maken.

Een derde besparing zal voortvloeien uit het vervallen van de verplichting voor het bestuur van vennootschappen om een tussentijdse vermogensopstelling op te maken bij een fusie en splitsing, indien deze vennootschappen al halfjaarlijkse financiële verslaggeving opmaken op grond van artikel 5:25d van de Wet op het financieel toezicht. Omdat vennootschappen om hier gebruik van te maken wel moeten voldoen aan artikel 5:25d van de Wet op het financieel toezicht, zal deze vermindering van de administratieve lasten alleen voor beursvennootschappen gelden.

Een vierde kostenvermindering volgt uit de mogelijkheid om bij bestuursbesluit tot fusie of splitsing te besluiten. Hiervan kan gebruik van worden gemaakt in het geval van een moeder-dochterfusie of bij een splitsing waarbij de verkrijgende vennootschap alle aandelen houdt in de splitsende vennootschap.

De laatste vermindering van kosten voor vennootschappen geldt voor het geval dat alle verkrijgende vennootschappen bij de splitsing worden opgericht en de aandeelhouders van de splitsende vennootschap daarvan, evenredig aan hun aandeel in de splitsende vennootschap, aandeelhouder worden. In dit geval is er een aantal verplichtingen niet van toepassing. Het gaat hier onder andere over verplichtingen met betrekking tot voorschriften omtrent het voorstel tot splitsing en een schriftelijke toelichting hierbij, het opmaken van een jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling, het verstrekken van inlichtingen, een accountantsonderzoek en de inbreng anders dan in geld. Het vervallen van deze verplichtingen leidt tot een vermindering van de nalevingskosten. Het niet van toepassing zijn van artikel 2:334aa BW leidt echter ook tot een vermindering van administratieve lasten. In de nulmeting administratieve lasten bedrijven 2007 worden de kosten van de handelingen op grond van dit artikel geschat op € 51,- per vennootschap. Als dit wordt vermenigvuldigd met het geschatte aantal splitsingen per jaar, levert dit een lastenbesparing op van € 20 884,- per jaar.

De leden van de VVD-fractie vragen welke vereenvoudigingen, met name in Europa, nog in portefeuille zijn en welke inspanningen de regering zich zal getroosten om ook op het gebied van Europese regelgeving tot verdere lastenverlichting te komen.

In 2007 is de Europese Raad overeengekomen dat de administratieve lasten voor vennootschappen in 2012 met 25 procent verminderd moeten zijn. Richtlijn 2009/109/EG (hierna te noemen: de richtlijn) die bij dit wetsvoorstel wordt geïmplementeerd is onderdeel van een pakket aan maatregelen om de lasten te verminderen. Daarnaast kan worden gewezen op Richtlijn 2007/63/EG van 13 november 2007, die het mogelijk maakt in bepaalde gevallen af te zien van het onderzoek van het fusie- of splitsingsvoorstel en de verklaring over de ruilverhouding door de accountant (uitgevoerd bij wet van 6 november 2008, Stb. 2008, 469). Voorts heeft de Europese Commissie aangekondigd om in 2011 een voorstel te doen tot aanpassing van de richtlijnen over het jaarrekeningenrecht om administratieve lasten te beperken (COM (2010) 608 def).

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de schriftelijke reactie van VNO-NCW op het wetsvoorstel, gedateerd 11 oktober 2010. Zij vragen de regering in te gaan op de door deze organisatie gestelde vragen en opmerkingen.

Op de opmerkingen van het VNO-NCW zal hieronder worden ingegaan.

Aanpassing artikel 10 tweede richtlijn

VNO-NCW merkt op dat aan artikel 10 van Richtlijn nr. 77/91/EEG (hierna te noemen: de tweede richtlijn) een nieuw lid wordt toegevoegd dat lidstaten de mogelijkheid geeft om af te zien van het opmaken van een deskundigenrapport en een beschrijving bij inbreng anders dan in geld bij oprichting van een nieuwe vennootschap via fusie of splitsing. VNO-NCW meent dat implementatie van de wijziging van artikel 10 vereist is omdat er een verschil is tussen artikel 2:94a BW en artikel 10 van de richtlijn.

In artikel 2:94a, lid 3, onderdeel b BW is voor NV’s een algemene vrijstelling opgenomen van de verplichting een deskundigenrapport op te maken. Als er, zoals bij fusie en splitsing het geval is, al een verslag is opgesteld en dit verslag niet ouder is dan 6 maanden, dan kan dit verslag worden gebruikt om de inbreng anders dan in geld te waarderen. Op grond van artikel 2:94a BW is er dan niet nog een verslag over de inbreng anders dan in geld vereist. Artikel 2:94a, lid 3, onderdeel b BW heeft dus hetzelfde effect als de wijziging van artikel 10 van de tweede richtlijn, namelijk dat één verslag volstaat bij inbreng anders dan in geld bij oprichting van een nieuwe vennootschap via fusie of splitsing. Het vereiste van artikel 2:94a BW dat het verslag niet ouder mag zijn dan 6 maanden vloeit voort uit implementatie van Europese regelgeving (zie richtlijn 2006/68/EG, Stb. 2008, 195). Door een recent verslag te vereisen, kan een inbreng anders dan in geld worden gewaardeerd op basis van informatie die niet is verouderd. Dit is niet alleen van belang voor de naamloze vennootschap zelf, maar ook voor bijvoorbeeld de aandeelhouders en schuldeisers. Als er geen geldigheidstermijn voor het verslag zou zijn opgenomen, zou ook een verouderd verslag kunnen worden gebruikt bij inbreng anders dan in geld. Belanghebbenden zouden zo een verkeerde voorstelling kunnen krijgen van de waarde van de inbreng.

VNO-NCW (en de leden van de VVD-fractie) merken op dat het wetsvoorstel niet voorziet in aanpassing van artikel 2:204a BW. Zij constateren dat er verschillende regimes gaan gelden voor de BV en de NV indien het wetsvoorstel Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Kamerstukken I, nr. 31 058) eerder in werking treedt dan het wetsvoorstel, alsook in de omgekeerde situatie.

Voor BV’s en NV’s gelden ook in de huidige wetgeving verschillende bepalingen bij inbreng anders dan in geld (vergelijk artikel 2:94a BW voor NV’s en 2:204a BW voor BV’s). Ook onder het huidige recht is er dus al sprake van verschillende regimes voor de NV en BV. Het wetsvoorstel dient ter implementatie van de richtlijn die onder andere de tweede richtlijn wijzigt. De tweede richtlijn heeft betrekking op NV’s. De tweede richtlijn heeft geen betrekking op bepalingen die alleen gelden voor BV’s. Op grond van de richtlijn hoeft artikel 2:204a BW dan ook niet worden aangepast.

VNO-NCW merkt op dat er een verschil is tussen de wet en artikel 10 van de tweede richtlijn en stelt dat de wet een aanvullende eis stelt en derhalve strikter is dan de tweede richtlijn, zodat de artikelen 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW dienen te worden aangepast.

Op grond van de richtlijn wordt aan artikel 10 van de tweede richtlijn een lid toegevoegd waarin onder andere is bepaald dat lidstaten kunnen toestaan dat de verschillende verslagen die door deskundigen moeten worden gemaakt ten behoeve van bepaalde transacties door dezelfde deskundige kunnen worden opgesteld. Het gaat hier om het verslag over de inbreng anders dan in geld bij oprichting van een nieuwe vennootschap en het verslag over het fusie- of splitsingsvoorstel. Deze verslagen kunnen op grond van de bestaande wetgeving al door dezelfde deskundige worden opgesteld. Er bestaat geen bepaling die dit verbiedt of hieraan in de weg staat. Hierdoor is implementatie van het gewijzigde artikel 10 van de tweede richtlijn niet nodig.

VNO-NCW verwijst in dat verband naar de artikelen 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW waarin is bepaald dat als twee of meer van de partijen bij de fusie c.q. splitsing NV’s zijn, slechts dezelfde persoon als deskundige wordt aangewezen, als de voorzitter van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam de aanwijzing op hun eenparig verzoek heeft goedgekeurd. Deze bepalingen zien echter op een andere situatie dan het gewijzigde artikel 10 van de tweede richtlijn. Artikel 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW zijn relevant in het geval dat twee of meer NV’s dezelfde deskundige willen aanwijzen. In artikel 10 van de tweede richtlijn gaat het om de situatie dat één naamloze vennootschap twee of meer verslagen moet opstellen. In dat laatste geval mag deze vennootschap de verslagen door dezelfde deskundige laten opstellen. Stel bijvoorbeeld dat NV A en NV B gaan fuseren tot een nieuwe NV C. NV A moet hiervoor een beschrijving opstellen op grond van artikel 94a BW (omdat er wordt ingebracht in een nieuwe vennootschap) en een accountantsverklaring op grond van artikel 3:328 BW. Deze twee verslagen kunnen door dezelfde deskundige (lees: accountant) worden opgesteld, omdat de wet hier niet aan in de weg staat. Ook NV B moet deze twee verslagen opstellen en kan deze beide verslagen door dezelfde deskundige laten opstellen. De deskundige van NV B mag echter op grond van artikel 2:328 lid 3 BW niet – zonder goedkeuring van de rechter – de deskundige zijn bij NV A. Als namelijk één deskundige alle verslagen zou kunnen opstellen, zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn dat een grote NV bij fusie met een kleine NV aan deze kleine NV een accountant oplegt.

Artikel 10 van de tweede richtlijn ziet in het voorbeeld dus alleen op de verslagen van NV A (of NV B). Voor de verslagen van NV A én NV B bij een fusie geldt artikel 2:328 BW dat bepaalt dat dezelfde deskundige slechts kan worden aangewezen na goedkeuring van het gerechtshof. Dit artikel vloeit voort uit artikel 8 van Richtlijn nr. 82/891/EEG (hierna te noemen: de zesde richtlijn), welk artikel niet wordt gewijzigd door de richtlijn.

Onderdeel E (artikel 333)

VNO-NCW vraagt waarom de uitzondering van artikel 2:333 BW alleen geldt voor vennootschappen.

Op grond van het wetsvoorstel wordt aan artikel 2:333 BW een lid toegevoegd waardoor er geen tussentijdse vermogensopstelling of jaarrekening behoeft te worden opgesteld als de vennootschap voldoet aan de vereisten met betrekking tot de halfjaarlijkse financiële verslaggeving genoemd in artikel 5:25d van de Wet op het financieel toezicht (hierna te noemen: Wft). Deze toevoeging aan artikel 2:333 BW vloeit voort uit de wijziging van artikel 11 van Richtlijn nr. 78/855/EEG (hierna te noemen: de derde richtlijn). De derde richtlijn heeft betrekking op fusies van NV’s, waardoor deze vrijstelling alleen voor NV’s geldt. Overigens zijn het in de praktijk ook vooral NV’s waarvan aandelen aan de beurs zijn genoteerd die voldoen aan artikel 5 Wft. De uitzondering van artikel 2:333 BW is hierdoor vooral van toepassing op NV’s .

VNO-NCW constateert dat artikel 3, onderdeel 5, sub a van de richtlijn eenzelfde bepaling bevat voor splitsingen als artikel 2, onderdeel 5, sub a van de richtlijn. VNO-NCW merkt op dat de bepaling voor splitsingen niet wordt geïmplementeerd en verzoekt dit alsnog te doen.

Artikel 2, onderdeel 5, sub a van de richtlijn wordt in het wetsvoorstel geïmplementeerd in artikel 2:333 lid 4 BW. Artikel 2:333 BW geldt alleen bij fusies van NV’s. Voor splitsingen is een soortgelijke bepaling als in artikel 2, onderdeel 5, sub a van de richtlijn opgenomen in artikel 3, onderdeel 5, sub a van de richtlijn. Deze bepaling wordt geïmplementeerd in artikel 2:334hh lid 3 BW. Artikel 2:334hh lid 3 BW komt inhoudelijk overeen met artikel 2:333 lid 4 BW, met als verschil dat het om splitsing in plaats van fusie van vennootschappen gaat.

Onderdeel A en B (artikel 2:313 lid 4 en 2:315 lid 3 BW)

VNO-NCW merkt op dat de tekst van de artikelen 2:313 lid 4 en 2:315 lid 3 dient te worden aangepast aan de tekst van artikel 2, onderdeel 4, lid 3 van de richtlijn.

In artikel 2, onderdeel 4, lid 3 van de richtlijn is opgenomen dat lidstaten mogen bepalen dat de verslaggevingsverplichting en/of de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen niet vereist zijn wanneer alle aandeelhouders en houders van andere effecten waaraan stemrecht is verbonden van alle vennootschappen die aan de fusie deelnemen, hiermee hebben ingestemd. De artikelen 2:313 lid 4 en 2:315 lid 3 bepalen dat bepaalde verplichtingen niet van toepassing zijn als de leden of aandeelhouders van de fuserende rechtspersonen daarmee instemmen. In deze artikelen wordt gesproken van «de leden of aandeelhouders» in plaats van «alle aandeelhouders». Het is namelijk niet nodig om te bepalen dat «alle aandeelhouders» moeten instemmen. Dit komt door het gebruik van de term «instemmen». Deze term impliceert al dat alle aandeelhouders moeten instemmen. Als er zou worden gesproken over «besluiten», zou wel expliciet moeten worden bepaald dat alle aandeelhouders het ermee eens zouden moeten zijn. Dit is zo omdat een besluit in beginsel wordt genomen bij volstrekte meerderheid (zie artikel 2:120 en 2:230 BW). Bij het nemen van een besluit is dus niet de goedkeuring van alle aandeelhouders vereist, maar is een volstrekte meerderheid voldoende. In artikel 2:313 lid 4 en 2:315 lid 3 wordt echter gesproken over instemmen en niet over besluiten. Hierdoor zijn de regels die gelden voor besluitvorming niet van toepassing. Doordat instemmen een andere betekenis heeft dan besluiten, maakt het gebruik van de term «instemmen» dus al duidelijk dat alle aandeelhouders zich hierover in positieve zin moeten uitlaten. Overigens kan instemming wel blijken uit een besluit, maar dan alleen als het besluit door alle aandeelhouders is gesteund.

Verder wordt er in de richtlijn gesproken over «houders van andere effecten waaraan stemrecht is verbonden». Omdat dergelijke andere effecten niet voorkomen in de Nederlandse wetgeving, is deze terminologie niet overgenomen.

Onderdeel C (artikel 2:316 lid 2)

VNO-NCW wil graag weten waarom in artikel 2:316 lid 2 BW is afgeweken van de formulering van artikel 2, onderdeel 6, lid 2 van de richtlijn.

In de richtlijn is in de tweede alinea van artikel 2, onderdeel 6 bepaald dat wanneer een schuldeiser een verzoek indient bij de rechtbank om adequate waarborgen te verkrijgen na een fusie, deze schuldeiser op een geloofwaardige wijze moet kunnen aantonen dat de voldoening van zijn vordering als gevolg van de fusie in het gedrang is, en dat van de rechtspersoon geen adequate waarborgen zijn verkregen. In deze bepaling is aangesloten bij artikel 32 van de tweede richtlijn. Hierdoor wordt het systeem voor de bescherming van schuldeisers bij fusie van een rechtspersoon gelijkgetrokken met die bij kapitaalsvermindering van een naamloze vennootschap. De regels met betrekking tot kapitaalsvermindering zijn neergelegd in artikel 2:100 BW. In eerste instantie is ervoor gekozen om in artikel 2:316 lid 2 BW aan te sluiten bij de terminologie van artikel 2:100 BW. Toegegeven moet worden dat de formulering van artikel 2:316 lid 2 kan worden verduidelijkt. Bij nota van wijziging wordt daarom in artikel 2:316 lid 2 bepaald dat de schuldeiser aannemelijk moet maken dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen.

De leden van de PVV-fractie merken op dat het wetsvoorstel ook van toepassing is op de stichting. Zij vragen zich af hoe de stichting zich verhoudt tot de regeling die wordt voorgesteld om af te zien van bepaalde verslaggevings- en documentatieverplichtingen.

Artikel 2:308 BW bepaalt dat de bepalingen van Titel 7 van boek 2 BW van toepassing zijn op de vereniging (met uitzondering van de vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid en de vereniging van appartementseigenaars, zie lid 2), de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de stichting, de NV en de BV. Titel 7 van boek 2 BW is onderverdeeld in verschillende afdelingen, waaronder afdelingen met algemene bepalingen omtrent fusies c.q. splitsingen (afdeling 2 en 4) en afdelingen die gelden voor fusies c.q. splitsingen van NV’s en BV’s (afdeling 3 en 5). Afdeling 3 en 5 zijn dus niet van toepassing op de stichting.

Voor de afdelingen 2 en 4 geldt dat uit de terminologie van de bepalingen kan worden afgeleid of deze van toepassing zijn op de stichting. Als er in een artikel is bepaald dat instemming van de leden en aandeelhouders vereist is, dan kan hieruit worden afgeleid dat deze bepaling niet geldt voor de stichting, aangezien deze geen leden en geen aandeelhouders heeft. Soms is toepassing expliciet bepaald, met een nadere uitwerking voor de stichting (zie bijvoorbeeld artikel 2:315 lid 2). Omdat in de artikelen 2:313 lid 4 en 2:315 lid 3 niet expliciet is bepaald dat deze bepalingen ook voor de stichting gelden, zijn deze niet van toepassing op de stichting.

2. De tweede richtlijn

De leden van de VVD-fractie vragen of de toevoeging aan artikel 10 van de tweede richtlijn niet toch uitdrukkelijk zou moeten worden geïmplementeerd.

In de richtlijn wordt aan artikel 10 van de tweede richtlijn een nieuw lid toegevoegd dat lidstaten de mogelijkheid geeft om af te zien van het opmaken van een deskundigenrapport en een beschrijving bij inbreng anders dan in geld bij oprichting van een nieuwe NV via fusie of splitsing. Deze toevoeging heeft hetzelfde effect als artikel 2:94a, lid 3, onderdeel b BW waarin een algemene vrijstelling voor naamloze vennootschappen is opgenomen van de verplichting een deskundigenrapport (oftewel een accountantsverklaring) op te maken. Als er, zoals bij fusie en splitsing het geval is, al een verslag is opgesteld en dit verslag niet ouder is dan 6 maanden, dan kan dit verslag gebruikt worden om de inbreng anders dan in geld te waarderen. Op grond van artikel 2:94a BW is er niet nog een verslag over de inbreng anders dan in geld vereist, net zoals uit de richtlijn voortvloeit. Ik verwijs overigens naar het antwoord op de opmerking van VNO-NCW onder de kop «aanpassing artikel 10 tweede richtlijn».

De leden van de VVD-fractie vragen of de verplichting een deskundige aan te laten wijzen door de voorzitter van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam zoals bedoeld in de artikelen 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW kan vervallen. Ook vragen de leden of deze bepaling ziet op het dilemma dat kan ontstaan als de voorgestelde accountant tevens de jaarrekening controleert. Daarnaast vragen de leden of het denkbaar is dat de regeling wordt omgedraaid zodanig dat de besturen van beide vennootschappen gezamenlijk een accountant kunnen aanwijzen en de rechter op verzoek van een gerede partij (lees: aandeelhouder) een onafhankelijke deskundige kan benoemen. Hierbij kan gedacht worden aan een bepaling dat deze gerede partij een bepaald minimum belang (indien hij aandeelhouder is) moet vertegenwoordigen en dat het verzoek binnen een bepaalde korte tijd na deponering gedaan moet zijn. Deze leden vragen of de regering kan aangeven of dit voorstel het fusie- of splitsingsproces niet onnodig vertraagt. Ook vragen zij of het denkbaar is dat de gang naar de rechter in ieder geval vervalt als alle aandelen in één hand zijn.

In de artikelen 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW is bepaald dat als twee of meer van partijen bij de fusie c.q. splitsing naamloze vennootschappen zijn, slechts dezelfde persoon als deskundige wordt aangewezen, als de voorzitter van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam de aanwijzing op hun eenparig verzoek heeft goedgekeurd. Deze bepalingen zien op de situatie dat twee of meer naamloze vennootschappen dezelfde deskundige willen aanwijzen. In het geval dat er één vennootschap is waarbij de accountant zowel de jaarrekening controleert als een ander verslag, is er geen sprake van de situatie bedoeld in artikel 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW. De artikelen 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW vloeien voort uit artikel 10 van de derde richtlijn c.q. artikel 8 van de zesde richtlijn. In de richtlijn is geen versoepeling op dit punt opgenomen. Hierdoor blijft het uitgangspunt dat er verschillende deskundigen worden aangewezen, tenzij het gerechtshof op verzoek van de besturen van de betrokken naamloze vennootschappen de aanwijzing van dezelfde deskundige goedkeurt. Het laten vervallen van de verplichting een deskundige te laten aanwijzen door het gerechtshof is op grond van de derde en zesde richtlijn niet mogelijk. En ook het omdraaien van de regeling zodanig dat de besturen van beide vennootschappen gezamenlijk een accountant kunnen aanwijzen en de rechter op verzoek van een gerede partij een onafhankelijke deskundige kan benoemen, is niet toegestaan.

De leden van de CDA-fractie vragen of het vereist is om de toevoeging aan artikel 10 van de tweede richtlijn uitdrukkelijk te implementeren.

De toevoeging aan artikel 10 van de tweede richtlijn heeft hetzelfde effect als artikel 2:94a, lid 2, onderdeel b BW. Implementatie is hierdoor niet nodig. Ik verwijs ook naar het antwoord op de opmerkingen van VNO-NCW onder de kop «aanpassing artikel 10 tweede richtlijn».

De leden van de CDA-fractie vragen of er verschillende regimes gaan gelden voor de BV en de NV doordat artikel 2:204a BW niet wordt aangepast, zowel voor als na inwerkingtreding van het wetsvoorstel Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Kamerstukken I, nr. 31 058). Ook vragen zij welke gevolgen de regering hieraan verbindt.

Het wetsvoorstel dient slechts ter implementatie van de richtlijn. De richtlijn wijzigt op dit punt niets, waardoor artikel 2:204a BW niet wordt aangepast. Overigens is het zo dat in de huidige wetgeving er thans ook voor BV’s en NV’s al verschillende bepalingen gelden bij inbreng anders dan in geld (vergelijk artikel 2:94a BW voor NV’s en 2:204a BW voor BV’s). Ik verwijs verder naar het antwoord op de opmerking van VNO-NCW onder de kop «aanpassing artikel 10 tweede richtlijn».

De leden van de CDA-fractie vragen of de Nederlandse wet strikter is dan de richtlijn. Zij vragen zich af of dit betekent dat de artikelen 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW alsnog dienen te worden aangepast.

Op grond van de richtlijn wordt aan artikel 10 van de tweede richtlijn een lid toegevoegd waarin onder andere is bepaald dat lidstaten kunnen toestaan dat de verschillende verslagen die door deskundigen moeten worden gemaakt door dezelfde deskundige kunnen worden opgesteld. Implementatie van deze bepaling is niet vereist, omdat de verslagen op grond van de Nederlandse wetgeving al door dezelfde deskundige kunnen worden opgesteld. Ook hoeven de artikelen 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW niet te worden aangepast, omdat deze betrekking hebben op een andere situatie dan het gewijzigde artikel 10 van de tweede richtlijn. De artikelen 2:328 lid 3 en 2:334aa lid 4 BW betreffen het geval dat twee of meer naamloze vennootschappen bij een fusie of splitsing dezelfde deskundige willen aanwijzen. Artikel 10 van de tweede richtlijn is van toepassing in de situatie dat één naamloze vennootschap bij een fusie of splitsing twee of meer verslagen moet opstellen. Ik verwijs verder naar het antwoord op de opmerking van VNO-NCW onder de kop «aanpassing artikel 10 tweede richtlijn».

3. Artikelen

Artikel I

Onderdeel A en B

De leden van de VVD-fractie en de leden van de CDA-fractie vragen waarom bij de artikelen 2:313 lid 4 en 2:315 lid 3 BW de toevoegingen «alle» en «waaraan stemrecht is verbonden» niet zijn opgenomen.

De toevoeging «alle» is niet opgenomen omdat de term «instemmen» al impliceert dat alle aandeelhouders moeten instemmen. De term «houders van andere effecten waaraan stemrecht is verbonden» wordt niet overgenomen omdat dergelijke andere effecten niet voorkomen in de Nederlandse wetgeving. Ik verwijs hiervoor tevens naar het antwoord op de vraag van VNO-NCW onder de kop «Onderdeel A en B (artikel 2:313 lid 4 en 2:315 lid 3 BW)».

De leden van de SP-fractie stellen vast dat met de mogelijkheden om bepaalde informatieverplichtingen te laten vervallen de transparantie bij fusies c.q. splitsingen vermindert indien dat in het belang is van de aandeelhouders. De leden vragen of de wetgever er rekening mee heeft gehouden dat er bij fusies c.q. splitsingen meer belanghebbende partijen zijn dan de aandeelhouders. Ook vragen de leden welke gevolgen het instemmen van de aandeelhouders heeft voor de informatiepositie van bijvoorbeeld de werknemersvertegenwoordiging, de Raad van Commissarissen en andere stakeholders en bij voorbeeld non-gouvermentele organisaties.

In het wetsvoorstel is in artikel 2:313 lid 4 bepaald dat kan worden afgezien van de verplichting om in een schriftelijk verslag de verwachte gevolgen van de fusie voor de werkzaamheden uit juridisch, economisch en sociaal oogpunt toe te lichten. Ook kan er op grond van artikel 2:315 lid 3 worden afgezien van de verplichting om de algemene vergadering in te lichten over na het voorstel tot fusie gebleken belangrijke wijzigingen in de omstandigheden.

Afzien van de verplichtingen als bedoeld in artikel 2:313 lid 1 en 2:315 lid 1 kan alleen als alle aandeelhouders of leden van de fuserende rechtspersonen hiermee instemmen. Zoals de leden van de SP-fractie opmerken, zijn er inderdaad veel belanghebbende partijen bij een fusie. De positie van deze partijen wordt door het wetsvoorstel echter niet veranderd. Op grond van artikel 2:314 lid 1 BW geldt er een openbaarmakingsplicht voor het voorstel tot fusie, de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen of andere financiële verantwoordingen, de jaarverslagen over de laatste drie afgesloten jaren en de tussentijdse vermogensopstellingen of niet vastgestelde jaarrekeningen op grond van artikel 2:313 lid 2 BW. Het verslag op grond van artikel 2:313 lid 1 BW en de verplichting op grond van artikel 2:315 lid 1 BW vallen hier niet onder. Het verslag van artikel 2:313 lid 1 BW moet op grond van artikel 2:314 lid 2 ter inzage worden gelegd op het kantoor van de rechtspersoon en is alleen in te zien voor de leden of aandeelhouders en anderen die een bijzonder recht jegens de rechtspersoon hebben (zoals een recht op uitkering van de winst of een recht tot het nemen van aandelen). Overige belanghebbenden hebben geen recht op inzage van dit verslag, waardoor afzien van het verslag geen consequenties voor hen heeft. Voor de verplichting van artikel 2:315 lid 1 BW geldt hetzelfde, aangezien deze verplichting alleen geldt jegens de algemene vergadering. Het wetsvoorstel heeft op dit punt dan ook geen gevolgen voor de belanghebbenden die de leden van de SP-fractie noemen.

Naar aanleiding van de opmerking van de leden van de SP-fractie wordt wel de mogelijkheid om af te zien van het opmaken van een jaarrekening of een tussentijdse vermogensopstelling zoals bedoeld in lid 2 van artikel 2:313 BW bij nota van wijziging geschrapt. Deze financiële gegevens moeten op grond van artikel 2:314 lid 1 sub d BW openbaar gemaakt worden en de mogelijkheid om hiervan af te zien, zou zorgen dat er minder informatie beschikbaar wordt voor belanghebbenden. Vandaar dit ervoor is gekozen dit bij nota van wijziging aan te passen.

De leden van de SP-fractie vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen deze versoepeling van de transparantieverplichting te implementeren, aangezien er geen verplichting tot implementatie is.

In de richtlijn is in artikel 2, onderdeel 4, lid 3 opgenomen dat lidstaten mogen bepalen dat de verslaggevingsverplichting en/of de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen niet vereist zijn wanneer alle aandeelhouders en houders van andere effecten waaraan stemrecht is verbonden van alle vennootschappen die aan de fusie deelnemen, hiermee hebben ingestemd. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 2:313 lid 4 en 2:315 lid 3. Zoals bij de vorige vraag vermeld, wijzigen deze artikelen de positie van de overige belanghebbenden niet. Voor de leden of aandeelhouders heeft de mogelijkheid om af te zien van de verplichtingen wel gevolgen, maar alleen als alle leden of aandeelhouders instemmen. Als zij willen dat het bestuur van elke te fuseren rechtspersoon voldoet aan de verplichtingen op grond van artikel 2:313 lid 1 en 2:315 lid 1 BW is het enige dat zij hoeven te doen niet instemmen met het afzien van de verplichtingen. Zodra één lid of aandeelhouder niet instemt, vervalt de mogelijkheid om af te zien van de verplichtingen. Hieruit vloeit voort dat er voor de leden of aandeelhouders niets verandert als zij dit niet wensen, terwijl ook de positie van de overige belanghebbenden niet wordt gewijzigd.

De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre de winst aan administratieve lasten voor de fuserende c.q. splitsende partijen teniet wordt gedaan doordat andere stakeholders deze informatie zelf moeten gaan verzamelen. Ook vragen de leden waarom hier in de memorie van toelichting geen aandacht aan wordt besteed.

Zoals in de vorige antwoorden vermeld, geldt de openbaarmakingsplicht alleen voor de documenten genoemd in artikel 2:314 lid 1 BW. De overige documenten ten behoeve van een fusie worden niet openbaar gemaakt, behalve voor leden of aandeelhouders en degenen die een bijzonder recht hebben (zie artikel 2:314 lid 2 BW). Het wetsvoorstel wijzigt niets aan deze situatie. De documenten die openbaar moeten worden gemaakt zijn nog steeds beschikbaar voor andere stakeholders. Zij hoeven niet zelf informatie te verzamelen, maar kunnen gebruik maken van de openbaar gemaakte informatie. Er is dus geen sprake van extra administratieve lasten voor de andere stakeholders.

Onderdeel B

De leden van de SP-fractie vragen welke praktisch implicaties het heeft dat «belangrijke wijzigingen in de omstandigheden» wordt gewijzigd in «belangrijke wijzigingen in de activa en passiva». Zij vragen of er geen omstandigheden denkbaar zijn die een belangrijke wijziging vormen voor het behalen van de doelstellingen die veel bedrijven hebben en die niet te vatten zijn in een wijziging van activa en passiva. Ook vragen de leden waarom ervoor wordt gekozen om de rapportageverplichtingen voor deze belangrijke wijzigingen te laten vallen. Ook vragen zij of er een verplichting tot implementatie is van de bepaling in de richtlijn.

In de richtlijn wordt in artikel 2, onderdeel 4 een lid toegevoegd over de plicht voor het bestuur van elke te fuseren rechtspersoon om de algemene vergadering en de andere te fuseren rechtspersonen in te lichten over iedere belangrijke wijziging die zich in de activa en passiva van het vermogen heeft voorgedaan na opstelling van het fusievoorstel. Deze bepaling geeft de lidstaten een verplichting tot implementatie. Omdat er in de Nederlandse wetgeving al een bepaling is die een variant op deze inlichtingenplicht omvat, is ervoor gekozen de terminologie van deze bepaling te laten aansluiten bij de richtlijn. De term «belangrijke wijziging van omstandigheden» in artikel 2:315 lid 1 BW is op grond van de richtlijn te ruim en wordt daarom vervangen door de meer concretere verplichting om melding te maken van een belangrijke wijziging van de activa/passiva.

De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre de winst aan administratieve lasten voor de fuserende partijen teniet wordt gedaan doordat andere stakeholders deze informatie zelf moeten gaan verzamelen. Ook vragen de leden waarom hier in de memorie van toelichting geen aandacht aan wordt besteed.

De verplichting van artikel 2:315 lid 1 BW geldt alleen jegens de algemene vergadering en de andere te fuseren rechtspersonen. Zoals hiervoor vermeld, verandert er niets aan de positie van de andere stakeholders, aangezien deze ook in de huidige wetgeving niet worden ingelicht op grond van artikel 2:315 BW. Van extra administratieve lasten is dus geen sprake.

Onderdeel C

De leden van de VVD-fractie vragen waarom er wordt afgeweken van de formulering van de richtlijn bij het voorgestelde artikel 2:316 lid 2 BW. Ook vragen zij waarom de volgens de richtlijn cumulatief bedoelde criteria niet cumulatief zijn verwerkt. Ten slotte vragen de leden waarom de volgorde van de richtlijn voor deze criteria niet is overgenomen in artikel 2:316 lid 2 BW.

In de richtlijn is in de tweede alinea van artikel 2, onderdeel 6 bepaald dat wanneer een schuldeiser een verzoek indient bij de rechtbank om adequate waarborgen te verkrijgen na een fusie, deze schuldeiser op een geloofwaardige wijze moet kunnen aantonen dat de voldoening van zijn vordering als gevolg van de fusie in het gedrang is, en dat van de rechtspersoon geen adequate waarborgen zijn verkregen. In deze bepaling wordt het systeem voor de bescherming van schuldeisers bij fusie van een rechtspersoon gelijkgetrokken met die bij kapitaalsvermindering van een naamloze vennootschap. De regels met betrekking tot kapitaalsvermindering zijn neergelegd in artikel 2:100 BW. In eerste instantie is ervoor gekozen om in artikel 2:316 lid 2 BW aan te sluiten bij de terminologie van artikel 2:100 BW. Om de formulering van de bepaling te verduidelijken, wordt artikel 2:316 lid 2 bij nota van wijziging aangepast. Dit artikel bepaalt hierdoor dat de schuldeiser aannemelijk moet maken dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de wens van de leden van de VVD-fractie.

De leden van de PVV-fractie spreken de zorg uit dat het voor de schuldeiser lastig te bewijzen is of er reden tot twijfel is en of er voldoende waarborgen zijn ter voldoening van de vordering.

Artikel 2:316, lid 2, tweede zin bepaalt dat de rechtbank het verzoek van de schuldeiser afwijst, indien deze niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen. Deze bepaling wordt geïmplementeerd op grond van artikel 2, onderdeel 6 van de richtlijn. In artikel 2:316 lid 2 wordt aangesloten bij de regeling ter bescherming van schuldeisers bij kapitaalsvermindering van een naamloze vennootschap (zie artikel 2:100 BW) en de bepaling uit de richtlijn. In artikel 2:100 BW is thans al geregeld dat de schuldeiser moet aantonen dat als gevolg van de kapitaalvermindering twijfel omtrent de voldoening van zijn vordering gewettigd is en dat de vennootschap onvoldoende waarborgen heeft gegeven voor de voldoening van zijn vordering. Dat de bewijslast bij de schuldeiser ligt, is dus geen nieuwe ontwikkeling. De eis dat de schuldeiser moet aantonen dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering wordt voldaan en dat van de rechtspersoon geen voldoende waarborgen zijn verkregen, is in de richtlijn opgenomen om onnodige vertraging te voorkomen. Als schuldeisers zonder legitieme reden om zekerheid zouden kunnen vragen, zou dit gebruikt kunnen worden om een fusie onnodig te vertragen. Als er echter wel sprake is van benadeling van de schuldeiser door een fusie, dan zal de schuldeiser dit kunnen aantonen en zo gebruik kunnen maken van de verzetregeling van artikel 2:316 BW.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom er wordt afgeweken van de formulering van de richtlijn in artikel 2:316 lid 2 BW.

Zoals hiervoor is aangegeven, wordt de formulering van artikel 2:316 lid 2 BW bij nota van wijziging aangepast aan de formulering van de richtlijn.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan uitsluiten dat er geen misbruik mogelijk is door met allerlei schimmige fusie- en splitsingsprocedures schuldeisers te confronteren met een niet te ontwarren kluwen van eigendomsstructuren, waardoor schuldeisers belemmerd worden in het opeisen van hun vorderingen. Ook vragen zij of de omkering van de bewijslast niet juist de malafide ondernemingen extra instrumenten in handen geeft om het schuldeisers moeilijker te maken hun vordering te innen.

De bepalingen die gelden voor fusies en splitsingen zorgen ervoor dat er geen sprake kan zijn van schimmige fusie- en splitsingsprocedures. De openbaarmakingsplicht van artikel 2:314 BW is een goed voorbeeld van een bepaling die zorgt voor transparantie voor schuldeisers. En de verplichting om het voorstel tot fusie te laten controleren door een accountant zorgt ervoor dat controle plaatsvindt van de gepresenteerde gevolgen van een fusie of splitsing. Misbruik van de verzetregeling van artikel 2:316 BW is mij niet bekend.

De omkering van de bewijslast verandert hier niets aan. Als de schuldeiser niet voldoende waarborgen verkrijgt dat zijn vordering wordt voldaan, heeft deze recht op zekerheid of een andere waarborg. De schuldeiser kan gebruik maken van de documenten die op grond van artikel 2:314 BW openbaar moeten worden gemaakt om zijn stelling dat er onvoldoende waarborgen zijn te bewijzen.

De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre de winst aan administratieve lasten voor de fuserende c.q. splitsende partijen opweegt tegen de administratieve rompslomp die wordt veroorzaakt bij schuldeisers als die minder mogelijkheden hebben om via de rechter af te dwingen dat de fuserende c.q. splitsende partijen openheid geven over de invorderingskansen. Ook vragen de leden waarom er in de memorie van toelichting geen aandacht is besteed aan het effect op de administratieve lasten van de schuldeisende partij.

De verzetregeling van artikel 2:316 BW bepaalt dat schuldeisers in verzet kunnen komen als zij bij een fusie niet voldoende waarborgen verkrijgen dat hun vordering wordt voldaan. Als schuldeisers onvoldoende waarborgen verkrijgen, kan de rechter bepalen dat de rechtspersoon zekerheid moet stellen of een andere waarborg moet geven aan de schuldeiser. De verzetregeling houdt niet in dat de rechter openheid moet geven over de invorderingskansen. Zoals hiervoor vermeld, volgt uit de openbaarmakingsplicht van artikel 2:314 BW dat de schuldeiser relevante documenten kan inzien. Als hieruit blijkt dat de schuldeiser er door de fusie op achteruit gaat, kan deze gebruik maken van de verzetregeling. Aan de huidige situatie verandert er niets, aangezien de rechtspersoon in de huidige situatie ook moet zorgen voor voldoende waarborgen dat de vordering van de schuldeiser wordt voldaan. Van een vermeerdering van de administratieve lasten is dan ook geen sprake.

Onderdeel D

De leden van de SP-fractie vragen of de wijziging van artikel 2:331 BW gevolgen zal hebben voor de informatie- en rechtspositie van ook andere stakeholders dan die van de aandeelhouders en verwijzen hierbij ook naar artikel 2:334ff BW. Zij vragen of de regering in kan gaan op de eventuele veranderingen in informatie- en rechtspositie van stakeholders die als gevolg van deze wijzigingsvoorstellen optreden.

Voor een moeder-dochterfusie geldt een vereenvoudigde procedure op grond van artikel 2:333 lid 1 BW. In de richtlijn wordt de procedure bij een moeder-dochterfusie verder vereenvoudigd. Uit de richtlijn vloeit voort dat bij een moeder-dochterfusie het besluit tot fusie ook door het bestuur van de dochtervennootschap kan worden genomen. Dit is opgenomen in artikel 2:331 lid 4 BW. Daardoor kan de verdwijnende vennootschap bij een moeder-dochterfusie het besluit tot fusie laten nemen door hetzij de algemene vergadering hetzij het bestuur. Op grond van artikel 2:331 lid 1 BW geldt dit al voor de verkrijgende vennootschap. Het bepaalde in de leden 2 en 3 van artikel 2:331 BW geldt uitsluitend voor een bestuursbesluit van de verkrijgende vennootschap. Deze artikelleden zijn niet van toepassing op het bestuursbesluit van de verdwijnende vennootschap, omdat bij een moeder-dochterfusie de moeder zelf aandeelhouder is en reeds heeft ingestemd met de fusie door het nemen van een besluit tot fusie als verkrijgende vennootschap. De enige wijziging die voortvloeit uit artikel 2:331 lid 4 BW is dat een besluit tot fusie zowel door het bestuur als door de algemene vergadering kan worden genomen. Andere stakeholders dan de aandeelhouders worden hierdoor niet negatief geraakt.

Voor de toevoeging van lid 4 aan artikel 2:334ff BW geldt hetzelfde. Op grond hiervan heeft de splitsende vennootschap de mogelijkheid om bij bestuursbesluit tot splitsing te besluiten als de verkrijgende vennootschappen alle aandelen houden in de splitsende vennootschap. In dit geval wijzigt de uiteindelijke positie van de aandeelhouders van de splitsende vennootschap niet. Ook hier gaat het om het besluit tot splitsing en ook hier verandert alleen de positie van de aandeelhouders. Op grond van artikel 2:314 BW voor de fusie en artikel 2:334h voor de splitsing zal het voorstel van fusie c.q. splitsing openbaar moeten worden gemaakt. Artikel 2:317 BW c.q. artikel 2:334m BW bepalen vervolgens dat een besluit tot fusie of splitsing pas een maand na de dag waarop de nederlegging is aangekondigd kan worden genomen. Dit zijn de artikelen die de andere stakeholders dan de aandeelhouders recht geven op informatie. Deze informatieverplichtingen jegens andere stakeholders worden niet gewijzigd.

Onderdeel E

De leden van de VVD-fractie en de leden van de CDA-fractie vragen waarom de uitzondering van artikel 2:333 lid 4 BW alleen geldt voor vennootschappen. Ook vragen de leden of er alsnog een soortgelijke regeling voor splitsingen wordt opgenomen of dat het hier al voor geldt.

De derde richtlijn heeft betrekking op fusies van naamloze vennootschappen, waardoor deze bepaling alleen voor naamloze vennootschappen geldt. Voor splitsingen geldt dat er een soortgelijke bepaling is opgenomen in artikel 3, onderdeel 5, sub a van de richtlijn. Deze bepaling wordt geïmplementeerd in artikel 2:334hh lid 3 BW. Ik verwijs verder naar het antwoord op de vraag van VNO-NCW onder de kop «Onderdeel E (artikel 333)».

De leden van de SP-fractie vragen waarom er in de artikelen 2:333 en 2:334hh vanuit wordt gegaan dat er geen belangrijke wijzigingen voordoen die zijn weerslag hebben in de jaarrekening en/of vermogensopstelling binnen een termijn van een half jaar na het vorige verslag.

Op grond van het toegevoegde lid 4 aan artikel 2:333 BW behoeft er in bepaalde gevallen geen jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling te worden opgesteld. Het opstellen van een jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling is vooralsnog vereist indien het laatste boekjaar, waarover een jaarrekening of andere financiële verantwoording is vastgesteld, meer dan zes maanden voor de neerlegging van het voorstel tot fusie c.q. splitsing is verstreken. Dit volgt uit artikel 2:313 lid 2 BW voor de fusie en 2:334g lid 2 BW voor de splitsing. In de richtlijn is in artikel 2, onderdeel 5, sub a onder ii opgenomen dat tussentijdse cijfers niet vereist zijn indien de vennootschap een halfjaarlijks financieel verslag als bedoeld in artikel 5 van de Richtlijn 2004/109/EG (de zogenaamde transparantierichtlijn) bekendmaakt en dit aan de aandeelhouders beschikbaar stelt. Artikel 5 van Richtlijn 2004/109/EG is geïmplementeerd in artikel 5:25d Wft. In dit artikel is bepaald dat een ieder die effecten uitgeeft of voornemens is effecten te gaan uitgeven halfjaarlijkse financiële verslaggeving moet opstellen en deze algemeen verkrijgbaar moet stellen. Op grond van artikel 2:333 lid 4 (voor de fusie) en 2:334hh lid 3 (voor de splitsing) van het wetsvoorstel hoeft er niet alsnog een verslag te worden opgemaakt als het laatste boekjaar van de vennootschap een half jaar voor de nederlegging van het voorstel tot fusie c.q. splitsing is verstreken, omdat er al elk half jaar een verslag wordt opgesteld door de vennootschap op grond van artikel 5:25d Wft.

Dit halfjaarlijkse verslag is in de praktijk recenter dan het verslag dat de vennootschap op grond van artikel 2:313 lid 2 c.q. 2:334g lid 2 BW moet opstellen en daarom is het verslag op grond van deze artikelen overbodig. Het kan uiteraard voorkomen dat er zich binnen 6 maanden na opstelling van het verslag wijzigingen voordoen die van invloed kunnen zijn op de jaarrekening en/of vermogensopstelling. Dit kan echter zowel voorkomen bij de vennootschappen die onder de Wft vallen, als vennootschappen waarvan het boekjaar nog niet langer dan zes maanden is verstreken en die dus niet aan artikel 2:313 lid 2 en 2:334g hoeven te voldoen. De wijziging aan de artikelen verandert hier niets aan, maar schrapt alleen de verplichting om een verslag op te maken als er al een recent verslag is.

De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre de winst aan administratieve lasten voor de fuserende partijen teniet wordt gedaan doordat andere stakeholders deze informatie zelf moeten gaan verzamelen. Ook vragen de leden waarom hier in de memorie van toelichting geen aandacht aan wordt besteed.

Artikel 5:25d Wft bepaalt dat een ieder die effecten uitgeeft of voornemens is effecten te gaan uitgeven halfjaarlijkse financiële verslaggeving moet opstellen en deze algemeen verkrijgbaar moet stellen. De halfjaarlijkse financiële verslaggeving wordt gedurende een periode van tenminste vijf jaar beschikbaar gehouden voor het publiek. De verslagen van vennootschappen die aan artikel 5:25d Wft voldoen, worden dus thans al openbaar gemaakt en dit blijft ook zo. Voor de verslagen op grond van artikel 2:313 lid 2 (voor de fusie) en 2:334g (voor de splitsing) geldt hetzelfde. Stakeholders hoeven dus niet meer moeite te doen om aan informatie te komen.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten