Gepubliceerd: 24 juli 2010
Indiener(s): Hirsch Ballin
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32458-3.html
ID: 32458-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Algemeen

Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan Richtlijn nr. 2009/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 tot wijziging van de Richtlijnen 77/91/EEG, 78/855/EEG en 82/891/EEG van de Raad en Richtlijn 2005/56/EG wat verslaggevings- en documentatieverplichtingen in geval van fusies en splitsingen betreft (hierna te noemen: de richtlijn). De richtlijn moet op 30 juni 2011 zijn omgezet in nationale regelgeving. De richtlijnen die door de richtlijn gewijzigd worden zijn: Richtlijn 77/91/EEG strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (hierna te noemen: de tweede richtlijn), Richtlijn 78/855/EEG betreffende fusies van naamloze vennootschappen (hierna te noemen: de derde richtlijn), Richtlijn 82/891/EEG betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen (hierna te noemen: de zesde richtlijn), en Richtlijn 2005/56/EG betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen (hierna te noemen: de tiende richtlijn). Het doel van de richtlijn is om de administratieve lasten die op vennootschappen drukken te beperken tot het minimum dat noodzakelijk is om de belangen van andere belanghebbenden te beschermen. Daartoe worden een aantal verslaggevingsverplichtingen die gelden bij bepaalde fusies en splitsingen afgeschaft en wordt, indien alle aandeelhouders hiermee instemmen, de mogelijkheid geboden af te zien van bepaalde verslaggevingsverplichtingen bij fusie en splitsing.

Fusie is op grond van artikel 2:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het gehele vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon wordt opgericht die het gehele vermogen van de fuserende rechtspersonen onder algemene titel verkrijgt. Splitsing is geregeld in artikel 2:334a BW en is de rechtshandeling waarbij – samengevat – het geheel of een deel van het vermogen van een rechtspersoon onder algemene titel wordt verkregen door een of meer andere rechtspersonen.

In Nederland is de rechtshandeling van de fusie en de splitsing voor verschillende rechtspersonen opengesteld (vgl. artikel 2:308 BW). Naast algemene bepalingen omtrent fusies (artikel 2:309–323 BW) zijn er bijzondere bepalingen voor fusies van naamloze en besloten vennootschappen opgenomen in de artikelen 2:324–2:334 BW. Voor de splitsing geldt hetzelfde: er zijn algemene bepalingen omtrent splitsingen (artikel 2:334a–334u BW) en bijzondere bepalingen voor splitsingen waarbij een naamloze of besloten vennootschap wordt gesplitst of wordt opgericht (artikel 2:334v–334ii BW).

Ten behoeve van een voorgenomen fusie of splitsing stellen de besturen van de betrokken rechtspersonen een voorstel op alsmede een toelichting waarin wordt ingegaan op de redenen voor de fusie of splitsing met een uiteenzetting van de verwachte gevolgen (artikel 2:312–313 en 334f–334g BW). De aandeelhouders van een fuserende of splitsende rechtspersoon worden in beginsel aandeelhouder van een verkrijgende rechtspersoon (artikel 2:311 en 334e BW). Op grond van de bijzondere bepalingen voor fusies en splitsingen van NV’s en BV’s wordt het fusievoorstel ten behoeve van de aandeelhouders onderzocht door een accountant. Deze moet verklaren of de voorgestelde ruilverhouding van de aandelen naar zijn oordeel redelijk is (artikel 2:328 lid 1, eerste volzin en 334aa lid 1 BW). Ook moet de accountant zijn oordeel geven over verschillende mededelingen van het bestuur over de methode van vaststelling van de ruilverhouding zoals opgenomen in de toelichting op het voorstel (artikel 2:328 lid 2 en 334aa lid 3 BW). Van deze verklaringen van de accountant kan worden afgezien indien de aandeelhouders van elke partij bij de splitsing c.q. fusie hiermee instemmen.

Het wetsvoorstel is in de Commissie vennootschapsrecht besproken. De redactionele opmerkingen die uit deze bespreking zijn voortgevloeid, zijn verwerkt in het wetsvoorstel. De Commissie vennootschapsrecht kan zich verenigen met het wetsvoorstel.

De tweede richtlijn

De tweede richtlijn gaat over kapitaalbescherming bij naamloze vennootschappen. In deze richtlijn wordt aan artikel 10 een lid toegevoegd, waarin de lidstaten in de eerste alinea de mogelijkheid wordt geboden om af te zien van het opmaken van een deskundigenrapport bij inbreng anders dan in geld bij oprichting van een nieuwe vennootschap via fusie of splitsing. Bij de oprichting dient deze vennootschap kapitaal te verkrijgen. Dit kapitaal kan worden verkregen door het uitgeven van aandelen, welke door middel van storting in geld of door middel van inbreng anders dan in geld worden volgestort. Met «inbreng anders dan in geld» wordt inbreng in natura bedoeld, zoals het inbrengen van een vennootschap of een onroerende zaak. In de Nederlandse wetgeving is de inbreng anders dan in geld voor de naamloze vennootschap geregeld in artikel 2:94a BW. In lid 3, onderdeel b, van dit artikel is een algemene vrijstelling van de verplichting een deskundigenrapport (lees: accountantsverklaring) op te maken, opgenomen. Deze vrijstelling geldt als er al een verslag van een onafhankelijke persoon is over de waardering van de inbreng en dit verslag niet ouder dan zes maanden is. Door de richtlijn wordt artikel 10 van de tweede richtlijn gewijzigd en wordt aan lidstaten de mogelijkheid geboden om het deskundigenrapport bij inbreng in natura niet meer te vereisen wanneer er al een verslag van een onafhankelijke deskundige is over het splitsings- of fusievoorstel. Er moet dus wel een (recent) verslag zijn. Als er, zoals bij fusie en splitsing het geval is, al een verslag is opgesteld, dan kan dit verslag worden gebruikt om de inbreng anders dan in geld te waarderen. Men kan dan gebruik maken van de bestaande vrijstelling van artikel 2:94a BW. Deze toevoeging aan artikel 10 van de tweede richtlijn behoeft daarmee niet uitdrukkelijk te worden geïmplementeerd.

De tweede alinea van artikel 1, onderdeel 2 van de richtlijn bepaalt dat lidstaten kunnen besluiten om toe te staan dat de verschillende verslagen die door deskundigen moeten worden gemaakt (verslag over inbreng anders dan in geld oprichting en verslag over fusie- of splitsingsvoorstel) door dezelfde deskundige kunnen worden opgesteld. In de Nederlandse wetgeving staat hier echter niets aan in de weg. Het is dus al mogelijk om dezelfde deskundige aan te wijzen voor de verschillende verslagen. Ook deze alinea behoeft daarom geen implementatie.

Onderdeel 3 van artikel 1 van de richtlijn wijzigt artikel 27 lid 3 van de tweede richtlijn. Artikel 27 van de tweede richtlijn gaat over inbreng anders dan in geld na de oprichting. Deze inbreng is in de Nederlandse wetgeving geregeld in artikel 2:94b BW. Het gaat hierbij om een verhoging van het geplaatste kapitaal waarbij aandelen worden uitgegeven. Als deze aandelen worden volgestort met inbreng in natura, is er sprake van inbreng anders dan in geld na de oprichting. Artikel 2:94b BW bevat een aantal vrijstellingen van de verplichting om een deskundigenrapport op te maken. In lid 8 van dit artikel is een vrijstelling opgenomen voor aandelen waarop de vennootschap een openbaar bod heeft uitgebracht. In dit geval kan de waarde van de aandelen en effecten namelijk uit het openbaar bod worden afgeleid. Een andere vrijstelling staat in artikel 94b BW lid 3. Hierin is geregeld dat in de in artikel 2:94a, lid 3, onderdeel a, b, en c bedoelde gevallen het bestuur kan besluiten dat wordt afgezien van de opstelling van de beschrijving en de accountantsverklaring. In de richtlijn wordt artikel 27 lid 3 gewijzigd. Hierin is bepaald dat de lidstaten kunnen besluiten om het rapport over de inbreng niet verplicht te stellen in het geval van een fusie, splitsing of een openbaar bod tot koop of ruil van aandelen, mits er een verslag door een onafhankelijke deskundige is opgesteld over het splitsings- of fusievoorstel. Dit accountantsonderzoek is voor de fusie geregeld in artikel 2:328 BW en voor de splitsing in artikel 2:334aa BW. In het laatste lid van deze artikelen (voor de fusie in lid 6 en voor de splitsing in lid 7) is opgenomen dat indien alle aandeelhouders ermee instemmen, bepaalde verslaggevingsverplichtingen buiten toepassing kunnen blijven. Zoals hiervoor reeds vermeld, bevat artikel 2:94b lid 3 juncto 2:94a lid 3 sub b BW een algemene vrijstelling van de verplichting een deskundigenrapport op te maken opgenomen voor het geval dat er al een verslag van een onafhankelijke persoon is over de waardering van de inbreng en dit verslag niet ouder dan zes maanden is. Op grond van artikel 2:94b lid 3 bestaat er dus al een uitzondering waar niet alleen in het geval van een fusie of splitsing een beroep op kan worden gedaan. Ook hier geldt, zoals in de richtlijn is bepaald, dat er altijd een verslag moeten worden opgemaakt over het fusie- of splitsingsvoorstel. Artikel 1, onderdeel 3 van de richtlijn behoeft dan ook geen implementatie. Ook hier kan dezelfde deskundige verschillende rapporten opstellen.

De derde, zesde en tiende richtlijn

De derde richtlijn heeft betrekking op fusies van naamloze vennootschappen, terwijl de zesde richtlijn regels bevat voor de splitsing van naamloze vennootschappen. De tiende richtlijn heeft betrekking op grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen. De wijzigingen die in de derde en zesde richtlijn zijn opgenomen voor de fusie en de splitsing komen grotendeels met elkaar overeen. In deze twee richtlijnen zijn onder andere bepalingen opgenomen met betrekking tot het fusie- c.q. splitsingsvoorstel, goedkeuring door de algemene vergadering voor de fusie c.q. splitsing, de verplichting tot openbaarmaking van stukken en waarborgen voor schuldeisers.

Artikel 2, onderdelen 2, 3, 5 onder b en c van de derde richtlijn, artikel 3, onderdelen 1, 2, 5 onder b en c van de zesde richtlijn en artikel 4, onderdeel 1 van de tiende richtlijn betreffende de verplichting tot openbaarmaking van stukken in het geval van fusie c.q. splitsing zijn reeds uitgevoerd in de wet van 20 mei 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven (Stb. 205), vgl. Kamerstukken I, 32 038.

De onderdelen 10 en 11 van artikel 2 van de derde richtlijn hebben betrekking op overneming van een vennootschap door een andere vennootschap die tenminste negentig procent van de aandelen in de overgenomen vennootschap houdt. Verder wijzigt artikel 4, onderdeel 2 van de richtlijn de bepaling in de tiende richtlijn die gaat over grensoverschrijdende fusies via overneming door een vennootschap die houdster is van tenminste negentig procent van de aandelen. Voor de negentig procent-fusie is in de Nederlandse wetgeving geen voorziening getroffen, uit het oogpunt van de minderheidsaandeelhouders. Uitsluitend voor de fusie met een honderd procent-deelneming gelden lichtere voorschriften. Hierdoor is uitvoering van de desbetreffende onderdelen niet vereist.

Lastenverlichting

In overweging 1 van de richtlijn wijst de Europese Commissie op het feit dat de Europese Raad in 2007 is overeengekomen dat de administratieve lasten voor vennootschappen in 2012 verminderd moeten zijn, zodat het concurrentievermogen van vennootschappen in de Gemeenschap wordt versterkt. Aan de hand hiervan is een effectbeoordeling opgesteld (SEC (2008) 2486) waarin is onderzocht in hoeverre de richtlijn kan leiden tot een vermindering van de administratieve lasten. In deze effectbeoordeling is aangegeven dat de potentiële totale lastenbesparing op grond van de richtlijn in totaal (voor alle lidstaten gezamenlijk) geraamd wordt op ongeveer € 172 000 000,00 per jaar. Bij berekening voor de lastenverlichting voor Nederland is onder meer van belang hoeveel besloten vennootschappen en naamloze vennootschappen er in Nederland bestaan: er waren eind 2009 circa 760 000 besloten vennootschappen en 3500 naamloze vennootschappen. Verder is men bij de nulmeting administratieve lasten bedrijven 2008 uitgegaan van ongeveer 1390 fusies en 410 splitsingen per jaar van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen. Ook valt uit deze nulmeting af te leiden dat men ervan uitgaat dat er per jaar 2 329 fusies van alle rechtspersonen, waarop titel 7 van Boek 2 BW van toepassing is, plaatsvinden.

Veel van de artikelen in de richtlijn hebben betrekking op nalevingskosten, oftewel kosten die gemaakt worden ten behoeve van een inhoudelijke verplichting. De eerste vermindering van nalevingskosten zal voortkomen uit de mogelijkheid om af te zien van de verplichting van het bestuur om in de schriftelijke toelichting bij de fusie de redenen voor de fusie met een toelichting uit juridisch, economisch en sociaal oogpunt te vermelden (artikel 2:313 lid 1 BW). Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt als alle leden of aandeelhouders van de fuserende rechtspersonen hiermee instemmen. Het is dus moeilijk in te schatten hoeveel rechtspersonen hiervan gebruik zullen maken. De tweede kostenreductie zal voortvloeien uit het vervallen van de verplichting voor het bestuur van vennootschappen om een tussentijdse vermogensopstelling op te maken bij een fusie of splitsing, indien zij reeds halfjaarlijkse financiële verslaggeving opmaken op grond van artikel 5:25d van de Wet op het financieel toezicht. Aangezien er in Nederland weinig vennootschappen zijn die voldoen aan dit artikel zal deze wijziging slechts een geringe vermindering bewerkstelligen.

Een andere verplichting van het bestuur waarvan kan worden afgezien, is die om de algemene vergadering en de andere te fuseren rechtspersonen in te lichten over gewijzigde omstandigheden die blijken na het voorstel tot fusie. Ook deze mogelijkheid bestaat uitsluitend indien alle leden of aandeelhouders van de fuserende rechtspersonen hiermee instemmen, waardoor het maken van een schatting van de kostenreductie moeilijk is. Ook het besluiten tot fusie of splitsing bij bestuursbesluit is een mogelijkheid die de nalevingskosten vermindert. Het aantal vennootschappen dat bij moeder-dochterfusies of bij splitsingen waarbij de verkrijgende vennootschappen alle aandelen houden in de splitsende vennootschap gebruik gaat maken van deze optie is echter niet goed in te schatten.

De laatste vermindering van nalevingskosten geldt voor het geval dat alle verkrijgende vennootschappen bij de splitsing worden opgericht en de aandeelhouders van de splitsende vennootschap daarvan, evenredig aan hun aandeel in de splitsende vennootschap, aandeelhouder worden. In dit geval zijn de artikelen 2:334g, 2:334i, 2:334y, 2:334z, 2:334aa en 2:334bb BW niet van toepassing. Het niet van toepassing zijn van die artikelen, met uitzondering van artikel 2:334aa, vermindert de nalevingskosten voor vennootschappen. Het niet van toepassing zijn van artikel 2:334aa BW leidt tot vermindering van administratieve lasten in plaats van nalevingskosten. In de nulmeting administratieve lasten bedrijven 2007 worden de kosten van de handelingen op grond van dit artikel geschat op € 51,– per vennootschap. Als dit wordt vermenigvuldigd met het geschatte aantal splitsingen per jaar, levert dit een lastenbesparing op van € 20 884,– per jaar.

ARTIKELEN

Artikel I

Onderdelen A en B

Het bestuur van elke te fuseren rechtspersoon moet voor de fusie in een schriftelijk verslag de verwachte gevolgen voor de werkzaamheden uit juridisch, economisch en sociaal oogpunt toelichten. Verder is het bestuur verplicht de algemene vergadering en de andere te fuseren rechtspersonen in te lichten over na het voorstel tot fusie gebleken belangrijke wijzigingen in de omstandigheden. Deze verplichtingen voor het bestuur staan in artikel 2:313 lid 1 respectievelijk artikel 2:315 lid 1 BW. In de richtlijn wordt in artikel 2, onderdeel 4 een lid toegevoegd over de plicht voor het bestuur van elke te fuseren rechtspersoon om de algemene vergadering en de andere te fuseren rechtspersonen in te lichten over iedere belangrijke wijziging die zich in de activa en passiva van het vermogen heeft voorgedaan na opstelling van het fusievoorstel. De bij ons bestaande inlichtingenplicht voor belangrijke wijzigingen in de omstandigheden, omvat reeds deze nieuwe bepaling en komt verder inhoudelijk overeen met artikel 7 lid 3 van de zesde richtlijn over splitsingen. Het artikel uit de zesde richtlijn is geïmplementeerd in artikel 2:334i lid 1 BW. De Commissie vennootschapsrecht heeft geadviseerd om in de artikelen 2:315 lid 1 en 2:334i lid 1 BW aan te sluiten bij de tekst van de richtlijn en de zesde richtlijn. De verplichting om melding te maken van een belangrijke wijziging van omstandigheden wordt daarom vervangen door de meer concrete verplichting om melding te maken van een belangrijke wijziging van de activa/passiva.

Verder is in de richtlijn in artikel 2, onderdeel 4 in lid 3 opgenomen dat lidstaten mogen bepalen dat de verslaggevingsverplichting en/of de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen niet vereist zijn wanneer alle aandeelhouders en houders van andere effecten waaraan stemrecht is verbonden van alle vennootschappen die aan de fusie deelnemen, hiermee hebben ingestemd. Ook wordt in artikel 2, onderdeel 5, sub a onder ii van de richtlijn aan lidstaten de mogelijkheid geboden om te bepalen dat geen tussentijdse cijfers vereist zijn van de vennootschap indien alle aandeelhouders van alle fuserende vennootschappen hiermee hebben ingestemd. Aan de artikelen 2:313 en 2:315 BW wordt daarom een nieuw lid toegevoegd, waarin is bepaald dat de verplichtingen genoemd in lid 1 en lid 2 van artikel 2:313 en lid 1 van artikel 2:315 BW buiten toepassing blijven indien alle leden of aandeelhouders van de fuserende rechtspersonen hiermee instemmen. Dit betekent dat artikel 2:327 BW in dit geval ook niet van toepassing is. De mogelijkheden om af te zien van de verslaggevings- en inlichtingverplichtingen worden opengesteld voor alle fuserende rechtspersonen waarvoor titel 7 van boek 2 BW van toepassing is. Er is geen reden om onderscheid te maken tussen de verschillende rechtspersonen. De wijze waarop de leden of aandeelhouders moeten instemmen met de uitzondering van de verslaggevings- en de inlichtingverplichting is vrij. De instemming van alle aandeelhouders kan blijken uit een besluit, met algemene stemmen aanvaard in een vergadering waarin het gehele geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is. Ook kan er door alle aandeelhouders een besluit buiten vergadering worden genomen of kan iedere aandeelhouder buiten vergadering worden verzocht in te stemmen. De formulering van de bepaling waarborgt dat ieder lid of iedere aandeelhouder zich hierover in positieve zin moet uitlaten.

Onderdeel C

Op grond van artikel 2, onderdeel 6 van de richtlijn wordt in de derde richtlijn in artikel 13 lid 2 aangesloten bij artikel 32 van de tweede richtlijn. Hierdoor wordt de regeling ter bescherming van schuldeisers bij fusie van een vennootschap gelijkgetrokken met die bij kapitaalsvermindering van een naamloze vennootschap. De regels met betrekking tot kapitaalsvermindering zijn geïmplementeerd in artikel 2:100 BW. In de richtlijn is vastgelegd dat lidstaten ervoor moeten zorgdragen dat schuldeisers recht hebben op passende waarborgen wanneer de financiële toestand van de fuserende rechtspersonen deze bescherming nodig maakt. Deze bepaling hoeft niet te worden geïmplementeerd, omdat artikel 2:316 lid 2 BW reeds bepaalt dat iedere schuldeiser onder bepaalde voorwaarden tegen een voorstel tot fusie in verzet kan komen met vermelding van de waarborg die wordt verlangd. Lid 1 van artikel 2:316 BW bepaalt dat ten minste een van de te fuseren rechtspersonen voor de schuldeiser zekerheid moet stellen of een andere waarborg moet geven voor de voldoening van zijn vordering. Dit geldt echter niet, indien de schuldeiser voldoende waarborgen heeft of de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon niet minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, dan er voordien is. In de richtlijn is in de tweede alinea van artikel 2, onderdeel 6 verder bepaald dat wanneer een schuldeiser een verzoek indient bij de rechtbank om adequate waarborgen te verkrijgen, deze schuldeiser op een geloofwaardige wijze moet kunnen aantonen dat de voldoening van zijn vordering als gevolg van de fusie in het gedrang is, en dat van de rechtspersoon geen adequate waarborgen zijn verkregen. Op grond hiervan wordt, in aansluiting op lid 1, een zin toegevoegd aan artikel 2:316 lid 2 BW. Hierin is bepaald dat de rechtbank het verzoek afwijst, indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de fusie leidt tot twijfel of voldoende waarborgen zijn verkregen of dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan. De bewijslast berust in lid 2 dus bij de schuldeiser.

Onderdeel D

In artikel 2:333 lid 1 BW is geregeld dat bij een moeder-dochterfusie de artikelen 2:326–2:328 BW niet van toepassing zijn, waardoor de procedure bij een moeder-dochterfusie vereenvoudigd is. Zo gelden voorschriften ten aanzien van de inhoud van een voorstel tot fusie, bestuursmededelingen in de toelichting bij het voorstel tot fusie, en een accountantsonderzoek niet bij een moeder-dochterfusie. In de richtlijn wordt de procedure bij een moeder-dochterfusie verder vereenvoudigd. Uit de richtlijn vloeit voort dat bij een moeder-dochterfusie het besluit tot fusie ook door het bestuur van de dochtervennootschap kan worden genomen. Dit is opgenomen in artikel 2:331 lid 4 BW. Daardoor kan de verdwijnende vennootschap bij een moeder-dochterfusie het besluit tot fusie laten nemen door hetzij de algemene vergadering hetzij het bestuur. Dit geldt op grond van artikel 2:331 lid 1 BW al voor de verkrijgende vennootschap. Het bepaalde in de leden 2 en 3 van artikel 2:331 BW geldt uitsluitend voor een bestuursbesluit van de verkrijgende vennootschap. Deze artikelleden zijn niet van toepassing op het bestuursbesluit van de verdwijnende vennootschap, omdat bij een moeder-dochterfusie de moeder zelf aandeelhouder is en reeds heeft ingestemd met de fusie door het nemen van een besluit tot fusie als verkrijgende vennootschap. De eis in lid 2 dat de vennootschap het voornemen om bij bestuursbesluit tot fusie te besluiten moet vermelden in de aankondiging dat het voorstel tot fusie is neergelegd, is in dit geval overbodig.

Onderdeel E

Aan artikel 2:333 BW wordt een lid 4 toegevoegd waardoor er in bepaalde gevallen geen jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling behoeft te worden opgesteld. Het opstellen van een jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling is vooralsnog vereist indien het laatste boekjaar, waarover een jaarrekening of andere financiële verantwoording is vastgesteld, meer dan zes maanden voor de neerlegging van het voorstel tot fusie is verstreken. In de richtlijn is in artikel 2, onderdeel 5, sub a onder ii opgenomen dat tussentijdse cijfers niet vereist zijn indien de vennootschap een halfjaarlijks financieel verslag als bedoeld in artikel 5 van de Richtlijn 2004/109/EG (de zogenaamde transparantierichtlijn) bekendmaakt en dit aan de aandeelhouders beschikbaar stelt. Artikel 5 van Richtlijn 2004/109/EG is geïmplementeerd in artikel 5:25d van de Wet op het financieel toezicht. Op grond van dit artikel moet een ieder die effecten uitgeeft of voornemens is effecten te gaan uitgeven halfjaarlijkse financiële verslaggeving opstellen en deze algemeen verkrijgbaar stellen. De halfjaarlijkse financiële verslaggeving wordt gedurende een periode van tenminste vijf jaar beschikbaar gehouden voor het publiek. Voldoet een vennootschap aan artikel 5:25d van de Wet op het financieel toezicht, dan blijft artikel 2:313 lid 2 BW buiten toepassing. In de praktijk zal artikel 2:333 lid 4 BW dan ook vooral betekenis hebben voor naamloze vennootschappen waarvan aandelen aan de beurs zijn genoteerd. Indien artikel 2:333 lid 4 BW toepassing vindt (en hierdoor artikel 2:313 lid 2 BW niet van toepassing is), blijft ook artikel 2:314 lid 1 sub d BW buiten toepassing.

Onderdeel F

Voor de wijziging van artikel 2:334i lid 1 BW verwijs ik naar de toelichting op artikel 2:315 lid 1 BW (onderdeel A).

Onderdeel G

In de richtlijn wordt met betrekking tot de zesde richtlijn in artikel 13 lid 2, net zoals in de derde richtlijn, aangesloten bij artikel 32 van de tweede richtlijn. Ik verwijs voor de wijziging van artikel 2:334l BW naar de toelichting op artikel 2:316 BW (onderdeel C).

Onderdeel H

Artikel 2:334ff BW bepaalt dat, tenzij de statuten anders bepalen, de verkrijgende vennootschap ook bij bestuursbesluit tot splitsing kan besluiten, in plaats van door een besluit van de algemene vergadering (zie artikel 2:334m BW). Hetzelfde is bepaald voor de splitsende vennootschap, mits alle verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing opgerichte naamloze of besloten vennootschappen zijn en de splitsende vennootschap daarvan bij de splitsing enig aandeelhouder wordt. Op grond van artikel 3, onderdeel 7, onder c van de richtlijn moet deze mogelijkheid om bij bestuursbesluit tot splitsing te besluiten ook voor de splitsende vennootschap geopend worden indien de verkrijgende vennootschappen alle aandelen houden in de splitsende vennootschap. In dit geval wijzigt de uiteindelijke positie van de aandeelhouders van de splitsende vennootschap niet. Teneinde te voorkomen dat de leden 2 en 3 van artikel 2:334ff BW van toepassing zijn op de verkrijgende vennootschap, is de uitzondering opgenomen in een nieuw lid 4. De eis van lid 2 dat de vennootschap het voornemen om bij bestuursbesluit tot splitsing te besluiten moet aankondigen, is in dit geval niet zinvol.

Onderdeel I

Op grond van de richtlijn wordt artikel 22 van de zesde richtlijn gewijzigd, waardoor de lidstaten bepaalde verplichtingen, zoals onder andere over voorschriften omtrent het voorstel tot splitsing en een schriftelijke toelichting hierbij, het opmaken van een jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling, het verstrekken van inlichtingen, een accountantsonderzoek en de inbreng anders dan in geld niet mag opleggen indien de aandelen van elk van de nieuwe vennootschappen worden uitgegeven aan de aandeelhouders van de gesplitste vennootschap evenredig aan hun rechten in het kapitaal van deze vennootschap. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de artikelen 2:334g, 2:334i, 2:334y, 2:334z, 2:334aa en 2:334bb BW. In artikel 2:334h BW wordt daarom een lid toegevoegd waarin is bepaald dat de genoemde artikelen niet van toepassing zijn indien alle verkrijgende vennootschappen bij de splitsing worden opgericht en de aandeelhouders van de splitsende vennootschap daarvan, evenredig aan hun aandeel in de splitsende vennootschap, aandeelhouder worden. In dit geval verandert het belang van de verschillende aandeelhouders niet en kan een splitsing daarom vereenvoudigd plaatsvinden.

De toevoeging van lid 3 aan artikel 2:334hh BW komt inhoudelijk overeen met de toevoeging van lid 4 aan artikel 2:333 BW, met als verschil dat het hier om splitsing van een rechtspersoon gaat. Ik verwijs hiervoor naar de toelichting op artikel 2:333 BW (onderdeel E).

Artikel II

Wanneer het voorstel van wet tot wet wordt verheven, wordt de datum van inwerkingtreding bij koninklijk besluit bepaald. Hierdoor kan deze datum worden afgestemd op de door de richtlijn voorgeschreven implementatiedatum.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Transponeringstabel

Richtlijn 2009/109/EG:

Geïmplementeerd in:

artikel 1, onderdeel 1

behoeft geen implementatie

artikel 1, onderdeel 2

behoeft geen implementatie (artikel 2:94a lid 3 BW)

artikel 1, onderdeel 3

behoeft geen implementatie (artikel 2:94b lid 8 BW)

artikel 2, onderdeel 1

behoeft geen implementatie

artikel 2, onderdeel 2

wordt reeds geïmplementeerd

artikel 2, onderdeel 3

wordt reeds geïmplementeerd

artikel 2, onderdeel 4

artikel 2:313 lid 4 BW en artikel 2:315 BW

artikel 2, onderdeel 5, subonderdeel a onder i

behoeft geen implementatie (artikel 2:313 lid 1 en 2 en 2:314 lid 1 en 2 BW)

artikel 2, onderdeel 5, subonderdeel a onder ii

artikel 2:333 lid 4 BW

artikel 2, onderdeel 5, subonderdeel b

wordt reeds geïmplementeerd

artikel 2, onderdeel 5, subonderdeel c

wordt reeds geïmplementeerd

artikel 2, onderdeel 6

artikel 2:316 lid 2, tweede zin BW

artikel 2, onderdeel 7

behoeft geen implementatie

artikel 2, onderdeel 8

behoeft geen implementatie (artikel 2:333 lid 1 BW)

artikel 2, onderdeel 9

artikel 2:331 lid 4 BW

artikel 2, onderdeel 10

behoeft geen implementatie

artikel 2, onderdeel 11

behoeft geen implementatie

artikel 3, onderdeel 1

wordt reeds geïmplementeerd

artikel 3, onderdeel 2

wordt reeds geïmplementeerd

artikel 3, onderdeel 3

behoeft geen implementatie

artikel 3, onderdeel 4

behoeft geen implementatie

artikel 3, onderdeel 5, subonderdeel a

artikel 2:334hh lid 3 BW

artikel 3, onderdeel 5, subonderdeel b

wordt reeds geïmplementeerd

artikel 3, onderdeel 5, subonderdeel c

wordt reeds geïmplementeerd

artikel 3, onderdeel 6

artikel 2:334l lid 1, tweede zin BW

artikel 3, onderdeel 7

artikel 2:334ff lid 4 BW

artikel 3, onderdeel 8

artikel 2:334hh lid 2 BW

artikel 4, onderdeel 1

wordt reeds geïmplementeerd

artikel 4, onderdeel 2

behoeft geen implementatie

artikel 5

behoeft geen implementatie

artikel 6

behoeft geen implementatie

artikel 7

behoeft geen implementatie

artikel 8

behoeft geen implementatie

  • «wordt reeds geïmplementeerd» wil zeggen dat het betreffende artikel is verwerkt in de wet van 20 mei 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven (Stb. 205), vgl. Kamerstukken I 2009/10, 32 038, en hierdoor geen implementatie meer behoeft;

  • «behoeft geen implementatie» wil zeggen dat het een bepaling betreft die: overeenstemt met het geldende Nederlandse recht, een optie inhoudt waar geen gebruik van wordt gemaakt, of die een verplichting oplegt voor (een van) de andere lidstaten en daarom niet in de Nederlandse wetgeving hoeft te worden geïmplementeerd.