Kamerstuk 32433-19

Verslag schriftelijk overleg inzake facultatieve meldplicht bij vergunningvrije activiteiten bij stads- en dorpsgezichten

Dossier: Wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met de modernisering van de monumentenzorg

Gepubliceerd: 26 april 2011
Indiener(s): Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD)
Onderwerpen: cultuur cultuur en recreatie
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32433-19.html
ID: 32433-19

Nr. 19 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 april 2011

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief d.d. 16 februari 2011 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over facultatieve meldplicht bij vergunningvrije activiteiten bij stads- en dorpsgezichten (32 433, nr. 18).

Bij brief van 26 april 2011 heeft de staatssecretaris deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Bochove

De adjunct-griffier van de commissie,

Janssen

I. Vragen en opmerkingen uit de fracties

1. Algemeen

De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van de reactie van het kabinet op de juridische onmogelijkheid van een facultatieve meldplicht op het niveau van het Besluit omgevingsrecht bij vergunningvrije activiteiten.

De leden van de D66-fractie hebben kennis genomen van de reactie van het kabinet op de facultatieve meldplicht voor vergunningvrije activiteiten.

2. Juridische mogelijkheid tot facultatieve meldplicht

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat eigenaren van monumentale panden ook in die gevallen waarin ze nu niet meer vergunningplichtig zijn, behoefte hebben aan informatie met betrekking tot verbouwingen waarvoor onder de huidige wet geen vergunningsplicht meer bestaat. Ook vinden deze leden dat het belangrijk is dat gemeenten op de hoogte blijven van de staat van de monumenten binnen de gemeentegrenzen. Uit de beantwoording van de staatssecretaris blijkt dat het juridisch niet mogelijk is in de algemene maatregel van bestuur ruimte te laten voor lokale overheden om desgewenst een lokale meldingsplicht in te stellen binnen beschermde dorps- en stadsgezichten voor het bouwen op binnenterreinen, alsmede veranderingen van gevels en dakvlakken.

De leden horen graag van het kabinet of het juridisch wel mogelijk is gemeenten voor te schrijven een servicemoment met meldingsplicht in te richten waar eigenaren van monumenten advies kunnen inwinnen en waar eigenaren moeten melden wat hun bouw- of renovatieplannen zijn, zoals voorgesteld in de motie van de leden Klijnsma en Jasper van Dijk2

De leden van de D66-fractie lezen in de brief van de staatsecretaris dat er geen grondslag in de wet is om tot een facultatieve meldingsplicht te kunnen overgaan. Deze leden vragen of de regering bereid is om middels een novelle deze mogelijkheid alsnog in de wet te creëren. Zo nee, is de kabinet bereid bij de evaluatie van de werking van de aanhangige wet te verkennen of een dergelijke facultatieve regeling in de praktijk wenselijk blijkt, zo vragen de leden.

3. Gemeentelijk niveau

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke wijze gemeenten op de hoogte blijven van de staat van de monumenten en of er eventueel een andere manier is om dit te bereiken. Is de staatssecretaris het met deze leden eens dat het belangrijk is dat gemeenten de staat van hun monumenten goed kennen en dat advies voor eigenaren van monumenten van groot belang is voor behoud en onderhoud van deze monumenten? De leden vragen welke instrumenten de gemeente zelf tot haar beschikking heeft om op de hoogte te blijven van de staat van de monumenten en als gemeente te sturen op behoud van monumenten binnen de gemeentegrens. Mogen gemeenten zelf een meldingsplicht opleggen aan eigenaren van monumenten en wat is de beleidsvrijheid van gemeenten in deze, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie lezen dat de staatssecretaris stelt dat verscheidenheid in gemeentelijk handelen niet de voorkeur heeft van het kabinet. Deze leden vragen hoe het kabinet reageert op de stelling van gemeentebesturen dat situaties in verschillende gemeenten in zichzelf al verschillend zijn en dat ook de samenstelling van de lokale democratische instituties per gemeente verschilt. Rechtvaardigt dit volgens het kabinet dat er op dit punt een keuzevrijheid voor gemeenten moet zijn, zo vragen de leden.

II. Reactie van de Staatssecretaris

1. Algemeen

Hierbij zend ik u, mede namens de minister van Infrastructuur en Milieu het antwoord op de vragen van de Kamerleden van de PvdA en D66 fractie van uw Kamer inzake beantwoording juridische mogelijkheid facultatieve meldplicht.

2. Juridische mogelijkheid tot facultatieve meldplicht

Er bestaat voor een algemene meldplicht niet voldoende grondslag om deze in te voeren bij algemene maatregel van bestuur. Zowel voor het regelen bij algemene maatregel van bestuur van een facultatieve meldplicht als een algemene meldplicht ten aanzien van de vergunningvrije activiteiten is een voldoende grondslag in de wet vereist. De Wabo voorziet hier niet in.

Zowel een algemene als een facultatieve meldplicht zijn onwenselijk en bovendien niet nodig. De regering zal dus geen novelle indienen om de Wabo hiertoe alsnog van een grondslag te voorzien.

Daarbij wil ik erop wijzen dat invoering van een meldplicht los staat van het gekoppelde servicemoment. Het is een evidente taak van de gemeente om in het kader van de Wabo service te verlenen aan burgers ten aanzien van activiteiten in de Wabo, bijvoorbeeld de beantwoording van de vraag of een activiteit vergunningplichtig is. Ook zonder meldplicht hoort dit servicemoment er te zijn.

Daarnaast heeft het invoeren van een meldplicht ten aanzien van de vergunningvrije activiteiten voor monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten geen toegevoegde waarde in het belang van de handhaving. Eigenaren die nu al geen vergunning aanvragen voor die activiteiten zullen hiervoor evenmin een melding doen. Overigens is een eigenaar bij twijfel of een vergunning vereist is, altijd verplicht een vergunning aan te vragen. Er wordt op gewezen dat, naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor de vergunningvrije activiteiten in het Besluit omgevingsrecht als hoofdregel geldt dat indien er met het bevoegd gezag een verschil van mening bestaat of al dan niet sprake is van een vergunningvrije activiteit, een vergunning aangevraagd moet worden om hierover zekerheid te krijgen. Daarbij wil ik er ook op wijzen dat het in strijd met de Wabo handelen strafbaar is op grond van de Wet op de economische delicten.

Verder wil ik benadrukken dat de activiteiten waarvoor voorgesteld wordt geen vergunningplicht meer van toepassing te verklaren, zorgvuldig zijn gekozen. Ten aanzien van het wijzigen van een rijksmonument worden alleen gewoon onderhoud en inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarden vergunningvrij. Dit zijn activiteiten waarbij cultuurhistorische waarden niet in het geding zijn. Een meldingsplicht die louter geldt als controleprocedure voor de vraag of, in het vervolg van die meldingsprocedure, ook nog een vergunning moet worden aangevraagd, heeft geen toegevoegde waarde en is in het belang van de monumentenzorg ook niet nodig. Voor activiteiten waarbij cultuurhistorische waarden niet in het geding zijn bestaat in een aantal gemeenten al de praktijk dat hiervoor geen vergunning wordt verlangd. In feite codificeer ik hiermee niet meer dan de praktijk waarin een wet met «gezond verstand» wordt toegepast.

De effecten van het moderniseringsbeleid en de staat van de monumenten zullen de komende jaren worden gemonitord. Via de erfgoedmonitor wordt de Tweede Kamer periodiek geïnformeerd.

3. Gemeentelijk niveau

Door de leden van de D66-fractie wordt aangedragen dat gemeentelijke verscheidenheid in situaties rechtvaardigt dat gemeenten een meldplicht zouden moeten kunnen invoeren. Zoals al eerder opgemerkt biedt de Wabo hiertoe niet de vereiste grondslag en ben ik ook niet bereid deze toe te voegen.

Zoals dat ook geldt voor handelingen die vergunningplichtig zijn, waarbij door middel van toezicht op de naleving gecontroleerd wordt in hoeverre handelingen worden verricht zonder of in afwijking van een vereiste vergunning, zal ook bij vergunningvrije handelingen door middel van toezicht op de naleving gecontroleerd worden in hoeverre regels worden overtreden. Gemeenten kunnen monumenten dus periodiek aan toezicht onderwerpen. Daar verandert met de introductie van een categorie vergunningvrije handelingen niets aan.

Ten aanzien van het vergunningvrij bouwen in, aan, op en bij monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten, kan gemeentelijk beleid bewerkstelligen dat voor bepaalde activiteiten toch een omgevingsvergunning vereist is. De vergunningvrije activiteiten in het Besluit omgevingsrecht zijn opgedeeld in twee artikelen (artikelen 2 en 3 Bijlage II). Voor de activiteiten in artikel 2 is in het geheel geen omgevingsvergunning nodig, maar voor de activiteiten in artikel 3 is nog wel een omgevingsvergunning nodig als de activiteit afwijkt van het bestemmingsplan. Door middel van het bestemmingsplan kan een gemeente derhalve sturend blijven optreden en bij afwijkingen van het bestemmingsplan, in het kader van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning, een afweging maken of de voorgenomen afwijking planologisch aanvaardbaar is.