Gepubliceerd: 28 april 2010
Indiener(s): Hirsch Ballin
Onderwerpen: recht strafrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32168-7.html
ID: 32168-7
Origineel: 32168-2

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 29 april 2010

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onder F, komt het voorgestelde artikel 151da, tweede lid, te luiden:

2. Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek, de Wet bescherming persoonsgegevens of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Celmateriaal van een derde, kan, behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn schriftelijke toestemming worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en vermoed wordt dat hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in artikel 197a, 256, 273f, 278, 287, 289, 290 of 291 van het Wetboek van Strafrecht, kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op bevel van de officier van justitie na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.

B

In artikel I, onder L, komt het voorgestelde artikel 195g, tweede lid, te luiden:

2. Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek, de Wet bescherming persoonsgegevens of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Celmateriaal van een derde kan, behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn schriftelijke toestemming worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en vermoed wordt dat hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in artikel 197a, 256, 273f, 278, 287, 289, 290 of 291 van het Wetboek van Strafrecht, kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op bevel van de rechter-commissaris worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.

Toelichting

Deze nota van wijziging heeft tot doel het mogelijk te maken dat celmateriaal van een persoon die niet wordt verdacht van een misdrijf zonder zijn toestemming kan worden afgenomen en gebruikt ten behoeve van DNA-verwantschapsonderzoek. Indien de niet-verdachte minderjarig is en vermoed wordt dat hij voorwerp is van mensensmokkel (artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht), te vondeling leggen van een kind (artikel 256 van het Wetboek van Strafrecht), mensenhandel (artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht), mensenroof (artikel 278 van het Wetboek van Strafrecht) of kindermoord of -doodslag (290, 291, 292 juncto 287 of 289 van het Wetboek van Strafrecht) kan het in het belang van het onderzoek relevant zijn te weten of de minderjarige een kind of familielid van de verdachte van dat misdrijf is. DNA-verwantschapsonderzoek kan bijvoorbeeld van belang zijn om te kunnen achterhalen of de minderjarige die de verdachte van mensenhandel bij zich heeft, een bloedverwant van hem is of een mogelijk slachtoffer van mensenhandel. Ook kan het in het belang van een onderzoek relevant zijn om met behulp van de minderjarige zijn ouders op het spoor te komen en DNA-verwantschapsonderzoek toe te passen. Die laatste situatie doet zich bijvoorbeeld voor in het geval er een babylijkje gevonden is waarvan de identiteit onbekend is. In deze specifieke situaties waarin onduidelijk of onbekend is in welke betrekking de meerderjarige tot de minderjarige staat of de ouders van de minderjarige onbekend zijn, acht ik het gerechtvaardigd dat een uitzondering wordt gemaakt op het strafvorderlijk uitgangspunt dat gedwongen toepassing van een dwangmiddel dat een beperking oplevert op het recht op iemands onaantastbaarheid van het lichaam, beperkt is tot personen op wie een verdenking rust. Het DNA-verwantschapsonderzoek kan in deze situaties namelijk van groot belang zijn voor de bewijsvoering en wordt bovendien in het voordeel van de minderjarige ingezet. Zo is een minderjarige die zich in gezelschap bevindt van iemand die ervan verdacht wordt dat hij die minderjarige uitbuit en beweert dat hij de ouder of een ander familielid van de minderjarige is, gebaat bij het onthullen van «de ware identiteit» van zijn uitbuiter. Door de druk van de positie waarin de minderjarige verkeert, zijn jeugdige leeftijd of de relatie waarin hij tot de verdachte staat, zal hij in zo’n situatie zijn toestemming voor afname van zijn celmateriaal niet in vrijheid kunnen verlenen. Door de officier van justitie of de rechter-commissaris de beslissing van afname van zijn celmateriaal voor hem te laten nemen is de minderjarige ontlast van die druk en mogelijk ook beschermd tegen de mogelijke rancune van degene die beweert een bloedverwant van hem te zijn. Die persoon kan de minderjarige naderhand niet verwijten dat hij heeft meegewerkt aan het bevestigen van de verdenking die op hem rust. De officier van justitie of de rechter-commissaris heeft hem immers bevolen om zijn celmateriaal af te staan. Vandaar dat de voorgestelde wijziging van de artikelen 151da, tweede lid, en 195g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering erin voorziet dat het afnemen van het celmateriaal van de betrokken minderjarige in geval van de zeer ernstige misdrijven, die in deze artikelleden genoemd worden, op bevel van de officier van justitie of de rechter-commissaris geschieden kan en niet afhankelijk is van de toestemming van de minderjarige. De officier van justitie kan deze vorm van DNA-verwantschapsonderzoek alleen maar bevelen na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Deze extra waarborg is opgenomen omdat het hier gaat om gedwongen toepassing van een dwangmiddel dat een beperking oplevert op de onaantastbaarheid van het lichaam van een niet-verdachte.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin