Kamerstuk 31839-471

Verslag van een algemeen overleg

Dossier: Jeugdzorg

Gepubliceerd: 29 april 2015
Indiener(s): Fred Teeven (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA)
Onderwerpen: jongeren zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31839-471.html
ID: 31839-471

Nr. 471 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 16 juni 2015

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 29 april 2015 overleg gevoerd met Staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en met Staatssecretaris Dijkhoff van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 17 december 2014 met de aanbieding van de vijfde rapportage van de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd (TSJ) (Kamerstuk 31 839, nr. 450);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 28 januari 2015 met de aanbieding van de voortgangsrapportages inzake de hervorming langdurige zorg en decentralisatie Jeugdstelsel (Kamerstuk 34 104, nr. 17);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 16 februari 2015 inzake de beleidsdoorlichting Jeugd op het gebied van laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien (subartikel 5.1 begroting VWS) (Kamerstuk 32 772, nr. 3);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 14 april 2015 inzake de stand van zaken eerste maanden van het nieuwe Jeugdstelsel (Kamerstuk 31 839, nr. 465);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 20 april 2015 inzake onderzoeken naar de toegang tot jeugdhulp (Kamerstuk 31 839, nr. 466);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 28 april 2015 inzake de stand van zaken verdeling en budgetten Wmo 2015 en Jeugdwet (Kamerstuk 29 538, nr. 185).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Lodders

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Teunissen

Voorzitter: Lodders

Griffier: Clemens

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Berndsen, Bisschop, Van der Burg, Gerbrands, Keijzer, Kooiman, Lodders, Voordewind, Voortman en Ypma,

en Staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Staatssecretaris Dijkhoff van Veiligheid en Justitie, die vergezeld worden door enkele ambtenaren van hun ministeries.

Aanvang 15.00 uur.

De voorzitter: Goedemiddag. Ik heet de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hun ambtelijke ondersteuning, de Kamerleden, de mensen op de publieke tribune en de mensen die dit debat op een andere manier volgen welkom. Verschillende mensen moeten deze vergadering om 18.30 uur of eerder verlaten vanwege verplichtingen in de plenaire zaal. Ik streef daarom naar een eindtijd van 18.30 uur. We hebben een spreektijd van zes minuten per fractie, die natuurlijk niet ten volle benut hoeft te worden. Ik sta twee korte interrupties per fractie toe.

Mevrouw Berndsen (D66): Voorzitter. Uit de brief van de Staatssecretaris en de rapportage van de Kinderombudsman blijkt dat de zorgcontinuïteit voor kinderen die al in het systeem zitten, is gewaarborgd. Evenals de Staatssecretaris zijn we van mening dat dit feit een compliment aan de jeugdhulpprofessionals en de mensen van de gemeenten waard is. Toch heeft mijn fractie nog de nodige vragen voor de Staatssecretaris.

D66 ziet mooie ontwikkelingen in het zorglandschap. Gemeenten en zorgaanbieders vinden elkaar steeds beter. De Staatssecretaris schrijft echter dat de samenwerking tussen de gemeenten, zorgverzekeraars en het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) nog aandacht vraagt. Kan hij aangeven op welke wijze deze samenwerking kan worden verbeterd?

Jeugdzorg draait om veiligheid, kwaliteit en specialisme. Ik hoor daarom graag van de Staatssecretaris hoe het zit met de landelijke voorzieningen. Medisch specialistische jeugdhulp kan niet door elke gemeente of in iedere regio worden aangeboden. De branche pakt dit op en zet mooie stappen. Welke rol ziet de Staatssecretaris voor zichzelf? Hoe waarborgt hij, ook in de toekomst, de financiën voor de specialistische hulp?

In het rapport van de Kinderombudsman zien we wat goed gaat in de transitie, maar er zijn nog knelpunten. Een van de knelpunten is het functioneren van de wijkteams. Hoe zit het met de toegang daartoe? Zijn alle kinderen in beeld? De Kinderombudsman concludeert dat het in veel gemeenten ontbreekt aan deskundigheid om een juiste diagnose te stellen of een jongere door te verwijzen naar de juiste zorg. D66 vindt dit een zorgelijke zaak, met name bij een veiligheidsinschatting. Welke stappen worden ondernomen om de positie van de wijkteams te verbeteren? Welke trainingen en/of ondersteuningsmogelijkheden bestaan er op dit moment? Worden er kwaliteitseisen voor de jeugdhulp ontwikkeld? Hoe wordt voorkomen dat er wachtlijsten ontstaan? Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat de alarmerende signalen over wijkteams leiden tot een vertraagde toegang tot de jeugdhulp? Is de Staatssecretaris het met ons eens dat een goede toegang essentieel is voor het functioneren van jeugdhulp? Graag krijg ik een reactie van de Staatssecretaris.

De informatievoorziening in de Jeugdwet laat nog wel wat te wensen over. De meldingen die in de eerste drie maanden zijn binnengekomen, gaan in 59% van de gevallen over informatievoorziening. De Kinderombudsman en anderen geven aan dat de informatie niet goed te vinden is voor degenen die de zorg nodig hebben en vaak moeilijk te doorgronden is. De Staatssecretaris heeft een brief naar de wethouders gestuurd waarin hij nogmaals benadrukt dat de informatievoorziening belangrijk is. Blijft het hierbij of neemt hij nog meer stappen? Zo ja, welke?

D66 vraagt aandacht voor de jongeren die van 18-min naar 18-plus gaan. Ze lopen vaak tegen problemen aan, omdat ze van de ene in de andere wet stappen. Mijn fractie heeft signalen ontvangen waaruit blijkt dat er nader onderzoek nodig is naar de mate waarin de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet langdurige zorg (Wlz) op elkaar aansluiten. Deelt de Staatssecretaris de zorgen op dit punt? Is hij bereid hier onderzoek naar te laten doen?

Mijn fractie maakt zich ook zorgen over de privacy en veiligheid van jongeren en hun ouders. Op de vragen die mijn collega Vera Bergkamp en ik hierover hebben gesteld, kregen we vorige week antwoord. Het is goed te lezen dat er een privacy-selfassessment beschikbaar komt dat gemeenten kunnen gebruiken bij de borging van privacy. Het blijft echter onduidelijk hoe de willekeur uit het systeem wordt gehaald. Graag krijg ik een reactie van de Staatssecretaris. Wat vindt hij van het idee om een tussenpersoon in het systeem in te voeren die de declaraties kan controleren en tegelijkertijd de privacy waarborgt? Zo blijven de gevoelige gegevens buiten het gemeentelijke systeem.

Volgens de cijfers van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) van 2014 is er minder geld uitgegeven aan de AWBZ-doelgroep, die dit jaar onder de Wmo en de Jeugdwet valt. Er blijkt meer geld uitgegeven te zijn aan de Wlz-groep. Het kabinet heeft hiermee een budgettair probleem dat het wil oplossen door de gemeenten in 2015 te korten met 125 miljoen voor de jeugdhulp en 145 miljoen voor de Wmo. Dit is tegen de gemaakte afspraken. Kan de Staatssecretaris aangeven of dit klopt? Als dit inderdaad zo is, getuigt het van onbehoorlijk bestuur. Het is niet alleen in strijd met de regels van de Financiële-verhoudingswet (FVW), maar ook met de afspraak dat 2014 een uitzonderingsjaar en niet het ijkjaar zou zijn. Gemeenten hebben niet alleen hun begroting voor 2015 allang vastgesteld, maar ook de zorg voor 2015 al ingekocht en contracten afgesloten. Graag krijg ik een uitgebreide toelichting van de Staatssecretaris.

De Staatssecretaris stuurt voor de zomer een brief over het objectieve verdeelmodel voor het gedecentraliseerde jeugdstelsel. Cebeon schrijft dat het model nog niet helemaal voldoet. Waarom kiest de Staatssecretaris niet voor een ingroeimodel, zoals Staatssecretaris Klijnsma bij de bijstand heeft gedaan, zodat er deels op basis van historische gegevens wordt verdeeld? Ik vraag de Staatssecretaris hierop in de brief in te gaan.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. De jeugdhulp krijgt van jongeren en ouders als cijfer een 7,4. Dat is een mooie opsteker voor de Staatssecretaris, maar daarmee zijn we er nog niet. We zijn nog maar net begonnen. We hebben het rapport van de Kinderombudsman ontvangen. Daarin laat hij weten dat heel wat ouders de toegang tot hulp op gemeentelijke niveau nog niet weten te vinden en dat de eerste signalen van wachtlijsten er zijn. Herkent de Staatssecretaris die signalen? Wat kan hij eraan doen? We hebben de jeugdhulp natuurlijk gedecentraliseerd, maar het zou goed zijn als we deze signalen serieus nemen.

De ChristenUnie is voorstander van het benutten van de eigen kracht van gezinnen. De Kinderombudsman stelt terecht dat dit geen mantra mag worden. Hij signaleert dat er in de praktijk geen consensus bestaat over de manier waarop de bestaande richtlijn moet worden toegepast. Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om die verder te verduidelijken? De wijkteams hebben een belangrijke functie in de signalering en de toegang tot de zorg. Er wordt echter gesignaleerd dat de wijkteams expertise missen. Wanneer staan de wijkteams overal stevig op poten en kunnen de huisartsen in alle vertrouwen naar de wijkteams verwijzen? De Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ), de landelijke koepels en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) signaleren dat er sprake is van onderdiagnostiek door de toegangsteams. Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretaris op dit signaal reageert in de richting van de teams.

Mijn collega heeft het al genoemd. We hebben eerder gesproken over de mogelijke korting van 125 miljoen op jeugdzorg en 145 miljoen op de Wmo. Hierover is veel onrust ontstaan bij de gemeenten. Als ik werkbezoeken aan de gemeenten afleg, krijg ik dit als eerste te horen. We hadden afgesproken dat de focus dit jaar vooral zou liggen op de toegang en de continuïteit. Nu is er toch gedoe over de budgetten. Hoe kan dit anders? Dit jaar zouden we immers niet schuiven met budgetten. Continuïteit is juist in de zorg heel belangrijk. Toen ik op werkbezoek in Lelystad was, heb ik begrepen dat de gemeente een korting van 22% op het jeugdzorgbudget krijgt. Voor Gouda betreft het 30%. Eén overgangsjaar is mogelijk, maar een gemeente mag niet met zo'n klap achteruitgaan. In sommige gemeenten betreft het 6 of 7 miljoen. Moeten we niet een soort bandbreedte van 10% afspreken? Gemeenten kunnen er dan maximaal 10% bij krijgen of worden maximaal 10% gekort in het nieuwe verdeelmodel. Of zoals de collega van D66 het zei: moeten we niet een nog zachtere landing organiseren dan één overgangsjaar, waarin de ene helft van het budget gebaseerd wordt op historische gronden en de andere helft op het nieuwe verdeelmodel? Moeten we het niet spreiden over twee of drie jaar?

Vorige keer hebben we uitvoerig gesproken over de ouderbijdrage in de jeugd-ggz. De Staatssecretaris heeft toen een onderzoek toegezegd. Hoe is het met dat onderzoek gesteld? Hoeveel gemeenten hebben inmiddels besloten om geen eigen bijdrage voor de jeugd-ggz te innen? De gemeenten zijn niet altijd scheutig met het toekennen van persoonsgebonden budgetten (pgb's), het onderwerp van het debat waaruit de Staatssecretaris net komt. Het betreft nu echter de jeugdzorg. De gemeenten gaan uit van het zorgaanbod dat ze hebben ingekocht en de mensen moeten bewijzen dat zorg in natura niet passend is. Op die manier is het pgb geen gelijkwaardig alternatief. Vindt de Staatssecretaris dit ook? Spreekt hij gemeenten aan op het nemen van hun verantwoordelijkheid met betrekking tot de pgb's? Herkent hij het signaal van Ieder(in) dat niet in alle gemeenten onafhankelijke cliëntenondersteuning en actieve medezeggenschapsraden geregeld zijn? Wat gaat hij daaraan eventueel doen?

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Zoals u mogelijk weet, is de SP dol op onderzoeken. Men kan zich voorstellen dat ik lichtelijk jaloers werd toen ik het onderzoek van de Kinderombudsman las. Dat is namelijk gedaan onder jeugdigen en hun ouders. Je kunt geen betere doelgroep hebben voor dit onderzoek. Het is een ontzettend mooi onderzoek. Het lijkt dus een positief begin. Ik omarm graag het compliment van de Kinderombudsman dat hij ontzettend tevreden is. Het rapportcijfer voor de hulpverleners is een ruime voldoende. Dat compliment mogen ze in hun zak steken.

De Kinderombudsman was zeer te spreken over de hulpverleners, maar over het beleid had hij, volgens mij terecht, grote zorgen. Hij noemde de jeugdzorg één grote proeftuin. De wijkteams zijn vaak niet goed georganiseerd. Er bestaat onduidelijkheid over de taken, de bevoegdheden en de aanpak. Bovendien hebben ze onvoldoende deskundigheid in huis. Kindermishandeling wordt niet of onvoldoende gesignaleerd. Een consequentie daarvan is dat men te laat specialistische zorg inzet of de situatie te laat meldt bij de Raad voor de Kinderbescherming. De bureaucratie moet afnemen, maar neemt toe. De SP heeft hiervoor eerder gewaarschuwd, maar daaraan hebben we helaas niets. Ik kan alle aanbevelingen uit het rapport opnoemen, maar ik neem aan dat de bewindspersonen deze ook hebben gelezen. We hebben immers een brief mogen ontvangen, waarin een beetje selectief geshopt was in de aanbevelingen van de Kinderombudsman. Ik hoor graag wat de Staatssecretarissen specifiek met de negen aanbevelingen gaan doen.

Evenals de Kinderombudsman en Samenwerkend Toezicht Jeugd (STJ) maak ik me erg veel zorgen over de kwaliteit van de zorg die momenteel wordt ingekocht en ingeschakeld. Gemeenten schakelen veel meer vrijwilligers in en zetten deze ook in multiproblem-gezinnen in. Deze gezinnen hebben behandeling nodig en geen vrijwilligers met allerlei goede bedoelingen. Ik zie graag dat de gemeenten hiermee stoppen. Kwaliteit moet altijd gaan boven bezuinigingen. Is de Staatssecretaris bereid om de gemeenten te wijzen op de instanties die werken met bewezen effectieve methoden? Ik heb gezocht naar een lijst hiervan. Die is nog erg kort. Ik neem dus aan dat meer onderzoek noodzakelijk is. Wat doet de Staatssecretaris daaraan? Als de bewindspersonen de kwaliteit van zorg en de toegang hiertoe zo belangrijk vinden, waarom leggen ze deze dan niet als recht in de wet vast, zoals gebeurd is bij de jeugdgezondheidszorg, bijvoorbeeld in een basistakenpakket voor de gespecialiseerde jeugdzorg? Graag krijg ik een reactie.

Ik kom bij de Inspectie Jeugdzorg. Er zijn heel veel nieuwe aanbieders. Hierbij zitten heel veel mooie initiatieven, maar helaas ook beunhazen. Men behoort niet te experimenteren met kinderen; de zorg moet altijd goed zijn. Het is noodzakelijk dat de inspectie dit goed kan controleren. De inspectie heeft momenteel geen lijst van nieuwe aanbieders op de markt tot haar beschikking. Het is erg moeilijk om organisaties te controleren waarvan men geen weet heeft. Zijn de bewindspersonen bereid om gemeenten te vragen die lijst aan de inspectie te overhandigen? Zijn ze bereid de nieuwe aanbieders die onderhandelen of een contract aangaan met de gemeenten, te vragen om dit te melden aan de inspectie? Zo krijgt de inspectie zicht op alle nieuwe aanbieders.

Mijn collega's van D66 en de ChristenUnie hebben terecht gesproken over het budget. Hulpverleners zijn al eerder ontslagen. Veel expertise is weggegooid. Veel kinderen die een hulpverleningstraject hadden, hebben dat verloren. Er was al veel onzekerheid en deze bewindspersonen laten deze voortduren. De Staatssecretaris wil het ene gat in zijn begroting opvullen met het andere en korten op het macrobudget. Ik las het met grote verbazing. Dit kan toch niet waar zijn? Kan de Staatssecretaris aangeven dat het inderdaad grote onzin is, om daarmee deze terechte angst bij gemeenten weg te nemen? Van de gemeenten hoor ik hetzelfde als de ChristenUnie. Het verdeelmodel levert bij sommige gemeenten een groot tekort op. Dat valt heel zwaar. Als daarop nog een budgettaire korting komt, is het soms echt te fors. Ik pleit ervoor om niet alleen de extra korting te schrappen, maar ook naar een zachtere landing voor het verdeelmodel te kijken door dit wat meer gespreid in te voeren.

We krijgen signalen dat de plekken voor gespecialiseerde zorg teruglopen, zeker bij de aanbieders van de voormalige provinciale jeugdzorg. De mensen weten de wijkteams niet altijd te vinden en gaan dan naar de huisarts. De huisarts was voorheen gewend door te verwijzen naar de jeugd-ggz, waar de plekken nog niet teruglopen, in tegenstelling tot bij de gespecialiseerde jeugdzorg. Het is heel vervelend als gezinnen en kinderen te laat bij die jeugdzorg aankomen. Hoe langer men wacht, hoe groter het probleem immers wordt. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dit?

Mijn collega van de ChristenUnie heeft al een vraag gesteld over het onderzoek naar de ouderbijdrage. Ook ik wil graag weten hoe het staat met dit onderzoek. Is de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bereid de Kamer te informeren over het aantal ondertoezichtstellingen (ots) en voogdijzaken? Is dit in het afgelopen jaar toegenomen of afgenomen? Bij een ots is een ouderbijdrage namelijk wel noodzakelijk, maar bij een voogdijmaatregel niet. Het is een heel verkeerde prikkel als er sneller een voogdijmaatregel dan een ots wordt uitgesproken. Dat moet niet de bedoeling zijn van een rechterlijke uitspraak, vandaar dat ik naar die cijfers vraag.

De heer Bisschop (SGP): Voorzitter. Ik wil drie punten onder de aandacht brengen. Het eerste punt is de toedeling van middelen. Daarbij sluit ik aan bij de opmerkingen van verschillende collega's die dit al aan de orde hebben gesteld. Vervolgens wil ik het hebben over de eigen bijdrage jeugdzorg en over de positie van scholen en pleegouders.

Ik begin met de toedeling van de middelen. Zorg zonder bezieling, slechts gedreven door geld, blijft hoe dan ook een kille bedoening. Zorg zonder voldoende geld, die het alleen moet hebben van de bezieling, blijft op zijn best een armetierig bestaan leiden. Het gaat erom dat de gemeenten voldoende geld voor hun taken moeten krijgen en dat het geld eerlijk tussen de gemeenten verdeeld moet worden. Dat regio's als Midden-Holland er in de plannen uiteindelijk 23% op achteruitgaan, baart de SGP zorgen, en niet alleen de SGP, temeer omdat de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) het voorgestelde model als een noodzakelijk kwaad ziet. De SGP vraagt aandacht voor drie belangrijke pijnpunten in dit model. Ten eerste kijkt het model door een sociaal-economische bril naar de werkelijkheid. Het leunt zwaar op factoren als uitkeringen en eenoudergezinnen. Dat is een belangrijk deel van de werkelijkheid. Het zijn belangrijke indicatoren. Er is echter meer. Hoe wordt bijvoorbeeld recht gedaan aan problemen van culturele aard? Ik denk dan aan achterstandssituaties die niet direct aan uitkeringen, eenoudergezinnen of iets dergelijks te linken zijn. Ten tweede is de gewichtenregeling uit het onderwijs niet echt bruikbaar als handvat. Het Ministerie van Onderwijs heeft vastgesteld dat gewichten onzorgvuldig worden toegekend. Als je er in contacten met het onderwijs naar vraagt, blijken er grote verschillen te zijn in de wijze waarop men ermee omgaat. De nieuwe werkwijze roept evenveel vragen op. Hoe wordt er bijvoorbeeld met de indicator niet-Westerse ouders omgegaan? Ten derde blijken de historische gegevens waarop het model berust onvoldoende betrouwbaar. Midden-Holland stelt een invoeringspad van vijf jaar voor. Wat vindt het kabinet daarvan?

Mijn volgende punt is de eigen bijdrage jeugdzorg. De gemeenteraad van Elburg heeft een motie aangenomen waarin gevraagd wordt om de eigen bijdrage voor jongeren die zorg krijgen, op te schorten. Dit soort signalen komt ook uit tientallen andere gemeenten. De moties veronderstellen dat gemeenten de bijdragen innen, maar dat ze ook kunnen besluiten om dit niet te doen. Zwijndrecht kibbelt zelfs met de regio over bevoegdheden die het niet eens heeft. Volgens de VNG melden gemeenten in deze onwetendheid soms simpelweg aan het Centraal Administratiekantoor (CAK) dat ze hun medewerking aan de wet opschorten. Toen ik die signalen hoorde, schoot me het verhaal van een goede kennis te binnen. Die besloot zijn lidmaatschap van de Belastingdienst op te zeggen en de contributie stop te zetten. Ik hoor graag een reflectie van de Staatssecretaris op de manier waarop we met deze vreemde signalen moeten omgaan en hoe het kan dat zoveel gemeenten in de veronderstelling leven dat er op dit punt iets te kiezen valt. Wat doet het administratiekantoor met gemeenten die de wet expliciet aan hun laars willen lappen?

Mijn laatste punt betreft de positie van scholen en pleeggezinnen. Uit mijn gesprekken met scholen blijkt dat de afstemming en samenwerking met de gemeente op het terrein van zorg soms niet goed verloopt. Ik zeg het dan heel erg geresigneerd. De SGP hoort dat gemeenten soms bij voorbaat de problemen op het bord van het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs leggen, ook als het taken betreft die niet bij de school, maar bij ondersteuning in de opvoedingssfeer behoren. Ik geef toe dat ze op elkaar ingrijpen en misschien ook niet met een schaartje te knippen zijn. Op grond van informatie die we van de scholen ontvangen, ontstaat de indruk dat de gemeenten het probleem al te gemakkelijk in de richting van het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs schuiven, terwijl we hiervoor juist de Jeugdwet hebben. Hoe wijst het kabinet deze gemeenten op hun verantwoordelijkheid? Waar kunnen de scholen terecht met hun klachten als de gemeente hen aanspreekt op zorgtaken die feitelijk onder de Jeugdwet vallen?

Ik kom bij het punt van de pleegouders. Ik heb een zwak voor pleegouders. Ze stellen hun hart en huis open voor extra kwetsbare kinderen. De bereidheid daartoe moeten we stimuleren en gebruiken. De samenleving heeft die mensen hard nodig. We moeten voorkomen dat ze zich gefrustreerd voelen door allerlei regelgeving, soms als overbodig ervaren eisen of het negeren van hun eigen inbreng. Gemeenten hebben natuurlijk tijd nodig om deze voor hen nieuwe wereld te leren kennen. De SGP vindt het belangrijk dat er op dit moment geen onnodige discussies ontstaan over de normen, zoals de pleegvergoeding uit de regeling Jeugdwet. Die signalen krijgen we echter wel. We verzoeken de Staatssecretaris aan te geven hoe de gemeenten gewezen worden op de manier waarop de normen toegepast moeten worden. We verzoeken hem als het ware een deel van de last waarmee de pleegouders soms geconfronteerd worden, over te nemen door helder te communiceren naar de gemeenten.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. De decentralisatie van de jeugdhulp, de jeugdbescherming en de jeugdreclassering naar de gemeenten is ingevoerd op 1 januari 2015. Vandaag spreken we voor het eerst hierover in de Kamer. De collega's hebben al een aantal zaken benoemd. We kunnen concluderen dat de overgang rustig verlopen is. Het is echter nog veel te vroeg om conclusies te trekken. We zijn immers pas net begonnen. Laten we ook reëel zijn. Het betreft een totale, heel complexe hervorming. Er moet nog veel gebeuren; er moet nog veel veranderen; er moet ook nog veel verbeterd worden. We hebben er waarschijnlijk nog jaren voor nodig om het traject te krijgen waar we het uiteindelijk willen hebben.

We hebben heel veel stukken ontvangen. Ik stel graag een aantal punten aan de orde waarover we zorgen hebben, in de eerste plaats de toegang. Collega's spraken er ook al over. Het beeld is heel wisselend. In de praktijk heb ik voorbeelden gezien waar het fantastisch gaat, maar ook voorbeelden waar het nog niet zo goed loopt. Dat is inherent aan de beleidsvrijheid die we de gemeenten hebben gegeven. Elke gemeente organiseert het op haar eigen manier. Het baart wel zorgen dat op een aantal plekken de regie van de wijkteams nog niet goed geregeld is. Dat kan te maken hebben met de specialismen die een gemeente, op afroep of in het wijkteam, tot haar beschikking heeft. Dat geldt met name voor de gebieden van de jeugd-ggz en de licht verstandelijk beperkten (lvb). Hiervoor vraag ik graag aandacht, vooral omdat het ontbreken van expertise op deze gebieden ertoe kan leiden dat niet tijdig gesignaleerd wordt welke ondersteuning nodig is. Ik ben heel voorzichtig, maar een mogelijke indicatie hiervoor is dat de reguliere doorverwijzingen op een aantal vlakken afnemen, terwijl de crisisplaatsingen toenemen. Het eerste was natuurlijk een doel van de decentralisatie, maar dit resultaat zou wel heel snel zijn. Ik vraag de Staatssecretaris hierbij de vinger aan de pols te houden met de gemeenten, want zij zijn hiervoor verantwoordelijk. Het is volgens mij een belangrijk punt om aan de orde te stellen.

Bij amendement van mijzelf en mevrouw Bergkamp is in de wet geregeld dat we outcome-criteria gebruiken bij de contractering. In de regio Rijnmond is er inmiddels een fantastisch voorbeeld, dat zowel op het niveau van de Gemeentelijke monitor sociaal domein als op wijkniveau uitgewerkt is. Kan de Staatssecretaris nog eens extra onder de aandacht van de gemeenten brengen dat het nodig is dit te doen, eventueel met hulp van het ondersteuningsteam? Ik heb al eerder de toezegging gekregen dat dit gebeurt.

We krijgen signalen dat de aanbieders en gemeenten grote administratieve lasten ervaren. We moeten hierbij wel een onderscheid tussen een aantal plaatsen maken. Het heeft te maken met de wijze van contracteren en het niet-hanteren van standaarden. Ik verzoek de Staatssecretaris om samen met de VNG een manier te vinden om de wethouders te informeren over beschikbare standaarden inclusief de bijlagen. Dit kan enorm helpen en voorkomen dat iedereen zelf opnieuw het wiel gaat uitvinden. Het betreft standaarden voor de manier waarop men moet declareren, maar ook voor de manier waarop men informatie moet aanleveren en waarop men aan informatie komt. Neemt men bijvoorbeeld de gemeentelijke monitor en de Jeugdstaat als informatiebron? Is de Staatssecretaris bereid om het op deze manier te regelen? Kan het ondersteuningsteam een rol in de overdracht van kennis spelen bij de gemeenten waar de administratieve lasten een probleem vormen en de ambtenaren nog te weinig kennis hebben? Graag krijg ik een toezegging op dit punt.

Van de aanbieders en de gemeenten zelf hoor ik klachten dat de zorg niet altijd rechtmatig wordt verleend. Het blijkt dat gemeenten daar bewust op gestuurd hebben door te zeggen dat er geen beschikking geslagen hoeft te worden, maar dat er direct doorverwezen kan worden als de ouders en kinderen akkoord gaan met de geboden hulp. Dat is heel mooi in het kader van de administratieve lasten. Ik had het net over klachten, maar dit is een mooi voorbeeld. Dit is prachtig; zo zouden we het willen. Het levert echter wel een rechtmatigheidsprobleem op. Als het goed is, heeft de VNG dit probleem met de gemeenten opgelost. Dat zou door middel van een soort voorlegger zijn gedaan. Ik hoor graag van deze Staatssecretaris of dat zo is, want dit soort problemen moet men natuurlijk wel met elkaar oplossen.

De collega's hebben al wat gezegd over de nieuwe toetreders. Het is heel belangrijk de gemeenten erop te wijzen deze op te nemen in hun contractlijsten, omdat het in hun belang is dat het geen cowboys zijn en dat in ieder geval de inspectie de nieuwe toetreders kent.

Van bijvoorbeeld de belangenorganisatie Per Saldo hoor ik dat mensen niet weten waar ze terechtkunnen voor de herindicatie van hun pgb, dat in april of mei afloopt. Daarover zijn onzekerheden. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe het moet en hoe de gemeenten op hun websites hierover duidelijke informatie kunnen geven?

Mevrouw Gerbrands (PVV): Voorzitter. Zoals altijd hebben we een stel prachtige brieven van de Staatssecretaris ontvangen over de stand van zaken van de nieuwe Jeugdwet. Alles loopt op rolletjes. Dat wil hij ons althans doen geloven. Er is zorgcontinuïteit geboden en er hebben zich geen grote problemen voorgedaan. De eerste maanden laten een rustig beeld zien, aldus de Staatssecretaris.

Dat er nog geen ongelukken gebeurd zijn, is vooral te danken aan het verantwoordelijkheidsgevoel van de hulpverleners. Er wordt volop geëxperimenteerd. Voor 2015 is er nog een overgangsrecht. De verwachting is echter dat kinderen die in 2015 jeugdhulp nodig hebben, problemen bij de toegang zullen tegenkomen. Daardoor bestaat het risico dat kinderen niet op tijd passende zorg krijgen. Voor 2016 geldt het overgangsrecht helemaal niet. In de loop van dit jaar loopt de indicatie van veel kinderen af en moet de gemeente ze herindiceren. In de komende periode start de gemeente met de inkoop van de zorg voor 2016. Wat betekent dit voor de jeugdhulp die volgend jaar beschikbaar is? Op dit moment wordt er bovenregionale specialistische zorg geleverd zonder dat daarover contractafspraken zijn. Kan de Staatssecretaris garanderen dat de geleverde zorg uitbetaald wordt en dat deze zorg volgend jaar in voldoende mate beschikbaar is? De bezuinigingen lijken de transformatiekracht van gemeenten te drukken. De reden voor mijn fractie om tegen de nieuwe Jeugdwet te stemmen was niet dat de overheveling naar de gemeente slecht zou zijn, maar de snelheid hiervan en de bezuinigingen die hiermee gepaard gingen.

Er bestaat geen groter contrast dan tussen het «alles gaat goed»-verhaal van de Staatssecretaris en het rapport van de Kinderombudsman. Gemeenten hebben hun zaken niet op orde. Kinderen die zorg nodig hebben, zijn niet in beeld. Ouders weten niet waar ze moeten aankloppen voor hulp. De organisatie is niet goed. De communicatie is niet goed. Het is onduidelijk wie de regie voert. Conclusie: op dit moment zijn er kinderen in gevaar. Ze zijn in gevaar omdat deze enorme hervorming er gewoon doorheen gejast is. Ze zijn in gevaar omdat er dingen aan de voorkant gemist worden. Dit gebeurt enerzijds omdat de ouders de weg naar de wijkteams niet weten te vinden en wachten tot het eigenlijk al te laat is. Anderzijds is er te weinig kennis in huis bij de wijkteams, waardoor er te lang gewacht wordt met het leveren van de benodigde zorg. Kinderen lopen gevaar omdat er te veel gefocust wordt op de eigen kracht van gezinnen en dat pad veel te lang bewandeld wordt. Door onvoldoende deskundigheid van de wijkteams worden complexe problematiek en kindsignalen gemist. Dit kan niet de bedoeling zijn van de decentralisaties. Waar is de expertise gebleven? Is een en ander het gevolg van de hervorming, van de bezuinigingen, van de efficiëntiekorting?

Voor de gemeenten gelden alleen de kosten en niet de kwaliteit van de jeugdhulp. Ze stellen procedure-, monitorings- en kwaliteitseisen die een enorme regeldruk en bureaucratie veroorzaken. Bovendien gaat er door deze belachelijke regeltjes en eisen erg veel zorggeld verloren. Waar hebben we dat toch eerder gezien? Standaardisering en vereenvoudiging van systemen kunnen de druk van de administratieve lasten enorm verlichten. Is de Staatssecretaris bereid hierop aan te sturen?

Begeleid wonen, pleegzorg, crisisopvang en alle andere vormen van zorg hebben een code. Alleen hanteert elke gemeente haar eigen richtlijn. Er zijn inmiddels meer dan 69.000 productcodes in de jeugdzorg. Je zou bijna zeggen dat de veertien productgroepen bij de verpleging en verzorging nog meevallen. Graag krijg ik een reactie van de Staatssecretaris.

Vertrouwelijke medische gegevens van kinderen en gezinnen worden massaal door de gemeenten opgevraagd. De gemeenten eisen inzage in de medische gegevens; anders wordt er niet betaald. Deze zeer vertrouwelijke gegevens van gezinnen dreigen op straat te belanden. Hoe lost de Staatssecretaris dit probleem op?

De jeugdhulp is één grote proeftuin. Kwetsbare kinderen, kinderen die mishandeld, misbruikt of verwaarloosd worden, dreigen te verdwalen. De eerste wachtlijsten zijn er al. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over taken, bevoegdheden en aanpak. Dat heeft effect op de jeugdhulp die bij de wijkteams is ondergebracht. We hadden beter naar het voorbeeld van Denemarken moeten kijken. Dat heeft mijn fractie bij de behandeling van de Jeugdwet ook al aangegeven. Toen Denemarken een aantal jaren geleden een soortgelijke stelselwijziging doorvoerde, is gebleken dat transformatie en bezuinigingen niet goed samengaan. Gemeenten worden geacht voor minder geld minimaal hetzelfde niveau jeugdhulp te leveren. Het risico bestaat dat daarmee ingeleverd wordt op de kwaliteit. Dat is zeer onwenselijk. In het rapport van de Kinderombudsman worden negen duidelijke aanbevelingen meegegeven aan de Staatssecretaris. Ik zal ze niet allemaal opnoemen. De vraag die vandaag voorligt, is of hij deze aanbevelingen overneemt. Volgens mijn fractie moet het antwoord daarop ja zijn.

Ik sluit graag af met de woorden van de heer Dullaert: «Het is een van de grootste hervormingen in Nederland, maar we mogen niet accepteren dat het een grote proeftuin is. Het gaat om mensen van vlees en bloed, om kwetsbare kinderen en dan mag je deze risico's niet nemen».

Mevrouw Keijzer (CDA): Voorzitter. Nu de eerste maanden van het nieuwe stelsel achter de rug zijn, hebben we de kans om een eerste tussenrapport op te maken. Ik heb al eerder gezegd dat de kwalificatie van de Staatssecretaris van een beheerst beeld losstaat van de werkelijkheid van heel veel mensen die zich met de handen in het haar afvragen waar ze naartoe moeten voor zorg.

Het eerste punt dat ik vandaag aan de orde stel, is een bestuurlijk onderwerp, namelijk het nieuwe herverdelingssysteem. Alle fracties hebben e-mails van gemeenten ontvangen waarin ze aangeven dat de herverdelingseffecten desastreus zijn. Ik kan me daarbij van alles voorstellen. Voert de Staatssecretaris het herverdelingssysteem toch in per 1 januari of is hij bereid de invoering te faseren en een maximum te stellen aan het percentage dat gemeenten erop achteruit mogen gaan?

Mijn tweede punt is de continuïteit van zorg. Volgens de TAJ is deze term verkeerd begrepen en heeft de Staatssecretaris in allerlei overleggen steeds gezegd dat continuïteit van zorg betekent dat men bij dezelfde zorginstelling mag blijven. Ik meen me te herinneren dat hij dat hier ook een keer gezegd heeft. Trekt de Staatssecretaris het zich niet aan dat door al de mooipraterij vanuit het ministerie mensen terecht gemeend hebben dat hun kind de zorgverlener zou houden die het voor 1 januari 2015 had? Had hij het achteraf gezien niet anders moeten doen? Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat we aan het einde van dit jaar weer dezelfde problemen zien bij de contractering voor 2016? Ik hoor van vele wethouders dat het zeer ingewikkeld is om zicht te krijgen op de financiële effecten van de eerste maanden jeugdhulpverlening. Herkent hij dit signaal? Zo ja, kan hij de gemeenten daarin bijstaan?

Over de toegang tot de jeugdhulp, de zogenaamde jeugdteams, is al het een en ander gezegd, ook in relatie tot het rapport van de Kinderombudsman. Daarbij kan ik me alleen maar aansluiten. Ik vind het een zorgelijke ontwikkeling. Ik las laatst dat voor 1 januari 65% van de ouders die zich zorgen maakten over psychische problemen van hun kinderen, via de huisarts bij jeugdhulp kwamen. Nu blijkt dat 80% te zijn. Ik probeer me voor te stellen hoe dat kan. Volgens mij kunnen er twee redenen voor zijn: complete onduidelijkheid over waar men moet zijn of zorgen over de deskundigheid bij de wijkteams. Over dat laatste krijgen we zeer verschillende berichten. Gisteravond was ik in Leiden en hoorde ik dat de jeugd-ggz daar deel uitmaakt van het wijkteam. Voor heel veel gemeenten geldt dat niet. Heeft de Staatssecretaris er een beeld van? Wil hij bekijken hoe hij de deskundigheid kan verbeteren? We bespreken binnenkort de zogenaamde veegwet. Daarin wordt een oplossing geboden voor het probleem van het controleren van declaraties in relatie tot het beroepsgeheim omtrent medische gegevens. De CDA-fractie vraagt zich af of het niet beter is het declaratiesysteem aan te passen in plaats van de wet, waardoor de privacy en de kwetsbare gegevens minder beschermd zijn dan nu. Als het een feit blijkt dat ouders via de huisarts blijven gaan, moet de Staatssecretaris dan niet in gesprek gaan met de koepel van de huisartsen? Het is namelijk een flinke verzwaring van de taken van de huisarts.

In grote delen van Nederland wordt steeds minder gebruikgemaakt van specialistische jeugdzorg. Het gebruik neemt af met gigantische percentages. We kunnen zeggen dat dit goed is en dat we in het verleden blijkbaar te veel gebruik hebben gemaakt van specialistische jeugdzorg. We zien echter tegelijkertijd een toename van het aantal crisisplaatsingen. Ik denk dan dat dit met elkaar te maken moet hebben. De Staatssecretaris zegt echter dat hij het niet weet en dat hij gaat bekijken hoe het precies zit. Je kunt voorzichtig zijn, want je moet iets zeker weten voordat je er iets over zegt. Dit is echter zo een-op-een. Is de Staatssecretaris bereid om nu al in gesprek te gaan met de desbetreffende jeugdinstelling? Anders hebben we over drie jaar hetzelfde probleem als Denemarken, namelijk dat de specialistische jeugdexpertise verdwijnt, en dan hebben we echt iets verkeerd gedaan. Is de Staatssecretaris bereid het overleg aan te gaan om de cijfers boven tafel te krijgen?

Tijdens de behandeling van de Jeugdwet heeft de Kamer specifiek aandacht gevraagd voor de situatie van uit huis geplaatste kinderen en jongeren. Er is een amendement van mevrouw Ypma aangenomen dat bij uithuisplaatsingen een plaatsing in een gezinsomgeving in principe de voorkeur heeft boven een plaatsing in een instelling. Daarmee is dus in de wet geregeld dat de kinderen bij uithuisplaatsingen, als het maar eventjes kan, in een pleeggezin of een gezinshuis terechtkomen. Er zijn ongeveer 15.000 plaatsingen in residentiële voorzieningen. In feite moet dus voor al deze plaatsingen aangetoond kunnen worden dat er geen andere oplossing was. Is de Staatssecretaris bereid om dit cijfer te bekijken en te onderzoeken of dit gebeurd is? Zo nee, wil hij er dan voor zorgen dat het alsnog gebeurt?

Is de gemeente verantwoordelijk als er geen Wlz-indicatie is? Ik heb begrepen dat het begrip «gebruikelijke zorg» opgerekt is en dat voor kinderen tussen de 8 en 18 jaar een veel groter beroep wordt gedaan op de ouders. Ik heb een praktijkvoorbeeld van het nettoresultaat hiervan. Het betreft een moeder van een 15-jarige zoon met het syndroom van Down. Vroeger kon hij terecht in de dagbesteding vanuit de AWBZ; nu moet hij naar de naschoolse opvang als hij 's middags uit school komt. Zijn indicatie loopt bijna af en volgens de gemeente is naschoolse opvang gebruikelijke zorg en moet de moeder zich melden bij de Stichting Kinderopvang. We hebben het dus over een 15-jarige jongen met Down. In de reguliere naschoolse opvang zitten kinderen van 8, 9, 10, 11 jaar. Dit kan toch niet waar zijn? Graag krijg ik een reactie hierop van de Staatssecretaris. Wat gaat hij hieraan doen?

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Uit de brieven van het kabinet over de voortgang van de jeugdzorgdecentralisatie blijkt een zorgelijk gebrek aan urgentie. De Staatssecretaris meldt in zijn brief dat er zich geen grote problemen hebben voorgedaan als gevolg van de transitie van het jeugdstelsel. Het kabinet ziet dus blijkbaar de problemen niet. Ik licht er een paar uit. Zorgaanbieders moeten steeds vaker zorgverleners ontslaan om accountants en ICT-specialisten aan te nemen om het hoofd te kunnen bieden aan de regeldruk: dus minder zorgers en meer papierschuivers. Door dezelfde administratieve lasten van zorgverleners krijgen steeds meer jongeren te maken met lange wachttijden. De toeleiding naar de specialistische jeugdzorg neemt af met als gevolg een toename van het aantal crisisopnames. Mevrouw Keijzer noemde het net ook al. Jeugdzorgaanbieders geven aan dat wijkteams niet naar behoren functioneren, terwijl huisartsen door sommige gemeenten wordt verteld dat ze alleen naar wijkteams mogen doorverwijzen. Dit laatste is gewoon in strijd met de Jeugdwet. Vindt de Staatssecretaris dit geen grote problemen? GroenLinks ziet graag dat het kabinet energie steekt in het oplossen van deze problemen in plaats van het regisseren van een mooiweershow.

De bureaucratische lasten waarmee de zorgaanbieders momenteel te maken hebben, vormen een gigantisch probleem. GroenLinks heeft al vaker verzocht om een landelijke verantwoordingsstandaard. De Staatssecretaris is hiertegen omdat het indruist tegen de beleidsvrijheid van gemeenten. Ik vraag hem om hiervoor stelselverantwoordelijkheid te nemen. Als je een kind leert zwemmen, duw je het niet zonder zwembandjes in het diepe. Gemeenten moeten bij de decentralisatie begeleid worden, anders dreigt de bureaucratie het jeugdstelsel zelfs af te knijpen. Zorgaanbieders kunnen hun werk niet doen als tien gemeenten om tien verschillende sets informatie vragen. Is de Staatssecretaris bereid om het initiatief te nemen en een wettelijke regeling voor de verantwoordingsstandaarden te maken? Eén regeling maakt het trouwens ook veel gemakkelijker om informatie transparant te maken.

Ik ben geschrokken van het bericht dat volgens de VNG een extra korting van 270 miljoen wordt doorgevoerd op de jeugdzorg en de Wmo. Dat gaat tegen de bestuurlijke afspraken in en is bovendien onverantwoord gezien de grote bezuinigingen die de gemeenten al moeten verwerken. Kan de Staatssecretaris dit misverstand heel snel uit de weg helpen en toezeggen dat er komend jaar niet extra bezuinigd wordt op de jeugdzorg en de Wmo? Het tussentijds wijzigen van de regels is in de ogen van GroenLinks onbehoorlijk bestuur.

GroenLinks maakt zich al geruime tijd hard voor goede waarborgen voor de privacy van jeugdzorgcliënten bij de jeugdzorgdecentralisatie. Ik heb nog altijd geen goed antwoord gekregen van het kabinet op de vraag of gemeenten persoonsgegevens uit het jeugddomein mogen koppelen aan persoonsgegevens uit andere domeinen. Uit onderzoek van GroenLinks blijkt dat dit juridisch niet kan. Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft zich achter deze conclusie geschaard. Kan het kabinet aangeven in welke mate door gemeenten persoonsgegevens in het sociale domein worden gekoppeld? Kan het kabinet onderzoeken hoe er binnen de wijkteams wordt omgegaan met persoonsgegevens? Dit laatste is ook een punt van zorg voor mijn fractie.

Het baart GroenLinks zorgen dat jeugdzorgaanbieders melden dat de wijkteams vaak onvoldoende expertise hebben of hun werk nog niet soepel doen, terwijl sommige gemeenten hun huisartsen vertellen dat ze altijd naar de wijkteams moeten doorverwijzen en niet naar de specialistische jeugdzorg. Dat is in strijd met de wet. Is de Staatssecretaris bereid om de TAJ opdracht te geven om dit soort signalen te onderzoeken? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de wijkteams snel vlotter opereren en de juiste expertise hebben?

Naast dit alles heb ik een aantal vragen over de pgb's. Per Saldo geeft aan dat informatie over de mogelijkheid van een pgb bij jeugdhulp inclusief de bijbehorende informatie over tarieven, bij veel gemeenten slecht of in het geheel niet vindbaar is. Mevrouw Van der Burg gaf dat ook al aan. Bovendien zijn gemeentelijke medewerkers vaak niet goed op de hoogte van de pgb-mogelijkheid en het belang daarvan. Hoe zorgt het kabinet ervoor dat men goed wordt geïnformeerd over de pgb-mogelijkheid? Is het kabinet bereid om stappen te zetten om te voorkomen dat mensen naar de rechter moeten omdat de gemeenten een te laag tarief voor de pgb's hanteren? Wij vinden dat de Staatssecretaris hierin zijn verantwoordelijkheid moet nemen en ervoor moet zorgen dat mensen niet naar de rechter gejaagd worden.

Het is van belang dat beide Staatssecretarissen aan de slag gaan om de problemen rond de jeugdzorgdecentralisatie op te lossen. Ze leunen toch wat achterover en die houding baart mij zorgen. Kinderen en gezinnen verwachten daadkracht van ons.

Mevrouw Ypma (PvdA): Voorzitter. Het aantal gezinshuizen is met bijna 25% toegenomen. Uithuisgeplaatste jongeren krijgen een dusdanige draai in hun leven dat hun toekomst verandert. Dat is ontzettend goed nieuws. Desondanks wonen er nog 15.000 kinderen in een residentiële instelling. Dat is heel veel. Collega Keijzer begon al even over het amendement op de Jeugdwet dat door de Kamer is aangenomen. Ik hoop dat de Staatssecretaris bereid is om met de gemeenten te bedenken hoe ze het aantal kinderen in residentiële instellingen verder omlaag kunnen brengen en dat ze dit toekomstperspectief in hun agenda opnemen.

Plaatsing bij pleegouders is ook een manier om kinderen in huis in plaats van uit huis te plaatsen. Ik krijg signalen van pleegouders waarin ze aangeven dat de leeftijdsgrens van 18 jaar bij pleegzorg problematisch is. Ik weet niet hoe het bij de Staatssecretaris is gegaan en of zijn kinderen op 18-jarige leeftijd al volledig zelfstandig waren. Misschien was hij zelf op die leeftijd ook nog niet helemaal zelfstandig. Voor heel veel kinderen geldt dat ze met 18 jaar de steun van hun ouders of pleegouders nog heel hard nodig hebben. Dat geldt zeker voor kinderen die soms wat achterlopen in hun ontwikkeling omdat ze een heleboel moeilijke dingen hebben meegemaakt. De leeftijdsgrens van 18 jaar leidt soms echt tot problemen. Alleen bemiddelde pleegouders kunnen hun pleegkinderen na hun 18de nog opvangen. Hoe kunnen we ervoor te zorgen dat ook minder bemiddelde pleegouders hun pleegkind kunnen blijven ondersteunen? We moeten er bovendien voor zorgen dat de pleegouders voldoende ondersteuning houden. De Staatssecretaris heeft weleens gezegd dat alle pleegouders een standbeeld verdienen. Ik deel die mening volledig. Ze moeten echter wel goede ondersteuning krijgen en niet zelf opdraaien voor extra kosten zoals medische kosten of vervoerskosten.

We zijn de verandering van de Jeugdwet ingegaan met drie doelen: de kinderen moeten eerder de juiste hulp krijgen, de ouders moeten de regie krijgen en de professionals moeten het vertrouwen krijgen. Ik wil graag weten hoe het met deze drie punten staat. Krijgen de kinderen eerder de juiste hulp? Worden er in de eerste lijn meer problemen op een goede manier opgelost? Komen de kinderen sneller bij de wijkteams terecht? Worden ze goed geholpen? Het aantal aanvragen in de tweede lijn voor kinderen tussen de 0 en 6 jaar neemt af. Dat is prima, als die kinderen in de eerste lijn terechtkomen en daar goed geholpen worden. Deze kinderen kunnen niet altijd zelf om hulp vragen, terwijl het wel ontzettend belangrijk is dat ze hulp krijgen. Er is een prachtig onderzoek bij ouders en jongeren gedaan, maar ik wil graag nog een quickscan bij kraamhulpen, verloskundigen, consultatiebureaus en scholen over de vindbaarheid en effectiviteit van de eerste lijn. Deze professionals zijn met die jonge kinderen bezig. Het is ontzettend belangrijk dat ze op de goede manier hulp krijgen, ook als de professionals alleen een onderbuikgevoel hebben dat er iets niet klopt. Anders worden er namelijk aan de voorkant signalen gemist en komen de kinderen in de crisisopvang terecht. Dat moeten we niet willen. Mijn collega's hebben dat ook al aangegeven. Voorkomen is altijd beter dan genezen.

Het is ook tijd voor vertrouwen. Professionals moeten het vertrouwen meer krijgen. «Vertrouwen» is een sleutelwoord voor het verbeteren van de zorg. De jeugdzorg moet een beter geoliede machine worden. De professionals moeten elkaar kunnen vinden. Ze moeten durven samenwerken in plaats van elkaar zien als concurrenten. Ze komen uit een systeem waarin ze concurrenten waren. Ze kenden elkaar niet. Nu worden ze vanuit hun moederorganisaties bij elkaar gebracht en in wijkteams geplaatst om samen te werken. Ze hoeven niet allemaal alles te kunnen, maar ze moeten elkaar wel kunnen trainen en signaleren wat er mis is. Ik hoor verschillende dingen over de wijkteams. Ik ben het niet met de Kinderombudsman eens dat de wijkteams alleen maar experimenteren. Het is logisch dat de wijkteams er verschillend uitzien, maar we moeten wel bepaalde voorwaarden aan de professionals in de teams stellen. Ze moeten kunnen signaleren wanneer er sprake is van een verstandelijke beperking of een psychiatrisch probleem. De specialistische kennis moet naar de voorkant. Door het delen van die kennis aan de voorkant kunnen kinderen eerder en beter geholpen worden, omdat er op tijd de juiste expertise wordt bijgehaald.

Mevrouw Kooiman (SP): Dit doet me denken aan een motie die de SP met de ChristenUnie heeft ingediend, toen de discussie over de Centra voor Jeugd en Gezin nog gaande was. We hadden toen het idee opgevat dat in ieder geval de specialistische zorg, dus de zorg voor verstandelijk gehandicapten en de ggz-zorg, verankerd zou moeten zijn. Die motie is door de Kamer aangenomen. Is het geen oplossing als in ieder geval deze specialistische zorg in de wijkteams aanwezig is?

Mevrouw Ypma (PvdA): Mijn punt is inderdaad dat we specialistische zorg in de wijkteams moeten hebben. Dat gebeurt al in heel veel gemeenten, maar in sommige gemeenten zit er helemaal geen jeugdzorg in het wijkteam. Ik vind dat dit niet kan. De transformatie, vooral de samenwerking, verdient een impuls. Er zijn allemaal verschillende beroepsverenigingen. Iedere koker heeft zijn eigen beroepsvereniging. Kan er niet één beroepsvereniging voor het gehele sociale domein komen, zodat de verschillende professionals veel meer gaan samenwerken?

Mevrouw Kooiman (SP): Ik ben heel erg blij om te horen dat in ieder geval jeugdzorgprofessionals in de wijkteams moeten zitten. Ik hoor graag of dit specifiek lvb- en ggz-professionals horen te zijn. Als ik de rapporten moet geloven, blijven juist professionals met deze specifieke kennis achter.

Mevrouw Ypma (PvdA): Dat is precies wat ik net heb gezegd. Professionals met die kennis moeten in het wijkteam zitten of moeten er direct bijgehaald kunnen worden. Het laatste geval vereist dan wel dat in het wijkteam mensen zitten die kunnen signaleren en escaleren. We moeten het kind niet doorschuiven van het ene naar het andere hokje, maar extra expertise inroepen. We moeten nadrukkelijk niet met het kind schuiven, maar met de professional. De professional wordt erbij gehaald indien die specifieke expertise nodig is.

Het is dus essentieel dat professionals kunnen signaleren. Dat vraagt bijscholing. Daar zit de crux. We kunnen dit bereiken door de vernieuwingsagenda. Die mag nog wel wat meer vuur hebben met betrekking tot dit soort punten. Daarbij moet ook meegenomen worden dat mensen die in de jeugdzorg werken, knettergek worden van de administratie. We hadden gehoopt dat ze er meer vertrouwen in zouden krijgen dat ze minder hoefden te administreren. Daarom vraag ik de Staatssecretaris om een administratiesnoeiplan, waarbij zorgverleners, patiënten en belangenbehartigers bekijken hoe en waar ze kunnen snoeien. Ze moeten komen tot een uniforme set van outcome-criteria in plaats van de huidige 107.000 verschillende productcodes. Dat kan echt niet meer. Daarbij kan het ondersteuningsteam van het ministerie goed helpen.

Ook de gemeenten hebben hierin een belangrijke rol. Ze moeten niet opnieuw een bureautje jeugdzorg beginnen door indicaties te stellen. Er moet zo min mogelijk met individuele en zo veel mogelijk met collectieve voorzieningen worden gewerkt, zodat men van al die administratie en rompslomp af is. Ik zie graag dat er meer voorbeelden over bijvoorbeeld populatiegebonden bekostiging worden gedeeld tussen bestuurders, zodat die veel meer en versneld verspreid worden.

Mevrouw Keijzer (CDA): Net als mevrouw Ypma erger ik me mateloos aan alle administratie. Haar voorstel klinkt op zich goed, maar vergeet ze niet de gemeenten te noemen? Deze zaken zijn immers al overgegaan naar de gemeenten. Die moeten er dan toch ook bij betrokken worden?

Ik heb nog een tweede vraag, als de voorzitter mij toestaat. Het klinkt goed: geen individuele maar collectieve voorzieningen. Maar doen we daarmee geen onrecht aan situaties die nu eenmaal niet op die manier opgelost kunnen worden? Ik zie namelijk in het kader van de Wmo al veel te vaak gebeuren dat allerlei zaken collectief worden geregeld.

Mevrouw Ypma (PvdA): Twee dingen zijn belangrijk. Het is voor mij echt een zorg dat de wijkteams op papier eerstelijnsvoorzieningen zijn, maar in de praktijk werken als tweedelijns indicatiemachines. Zo hebben we het niet bedoeld. De wijkteams zijn bedoeld voor een manier van werken waardoor kinderen eerder de juiste hulp en de professionals meer het vertrouwen krijgen. Dan moet men dus niet gaan werken als een tweedelijns indicatieorgaan. In de Wmo staat dat er binnen zes weken een passende oplossing moet komen. Het zou helpen als deze bepaling via de veegwet naar de Jeugdwet wordt doorgetrokken. Dan geldt ook voor de Jeugdwet dat men binnen zes weken met een passende oplossing moet komen, waarbij overigens het gezin het recht heeft om met een familiegroepsplan te komen en zo de regie te nemen over datgene wat passend is in de betreffende situatie.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik hoop niet dat mevrouw Ypma ervoor pleit om het procedurele monstrum uit de Wmo te verplaatsen naar de Jeugdwet. Dan spannen we ook daar het paard achter de wagen. Als je een kind met problemen hebt, interesseert het je niet of je nu eerstelijns-, tweedelijns- of derdelijnshulp krijgt. Je wilt gewoon goede zorg. Daaraan moeten we vasthouden. Mevrouw Ypma heeft nog niet geantwoord op mijn vraag of ze vergeten was de gemeenten te noemen, toen ze zei dat er iets moest gebeuren door te snoeien in allerlei regels.

Mevrouw Ypma (PvdA): Volgens mij heb ik die wel genoemd, maar ik ben kennelijk niet duidelijk genoeg geweest. De gemeenten hebben zeker een belangrijke rol. Daarom pleit ik bijvoorbeeld ook voor populatiegebonden bekostiging. Je stelt een goed wijkteam samen, dus breed en met voldoende expertise. Dat team geef je een zak geld op basis van de populatie van de desbetreffende wijk. Je zegt: we willen graag dat jullie voor oplossingen zorgen en dat jullie je verantwoorden op basis van de outcome, dus de resultaten; that's it; meer hoeven we niet. Wat zal dat een oplossing zijn voor al de mensen die met een stopwatch lopen om te kijken hoeveel minuten ze met welke dingen bezig zijn.

De voorzitter: De griffier zit hier naast me met een stopwatch.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Heb ik mevrouw Ypma goed begrepen? Heb ik het goed gehoord? Zei ze dat er gemeenten zijn waar geen wijkteams zijn en dat ze vindt dat dit niet kan?

Mevrouw Ypma (PvdA): Nee hoor, dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat er heel verschillende wijkteams zijn en dat ik dat logisch vind.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Ik dacht echt dat ze dat gezegd heeft. Als ze zegt van niet, dan heb ik het zeker niet goed begrepen.

De voorzitter: Mevrouw Voortman heeft een vraag. Ik dacht dat we scherp waren in de interrupties, maar de leden halen nu een en ander in.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Dat komt omdat mevrouw Ypma zoveel interessante punten aanhaalt. Ik heb iets gehoord over standaarden voor verantwoording. Daarover heeft mevrouw Ypma vragen gesteld. Ik heb benoemd of het niet beter zou zijn om één landelijke standaard te maken voor de instellingen die nu met tien verschillende verantwoordingssystemen te maken krijgen. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Ypma hierin staat.

Mevrouw Ypma (PvdA): Ik wil graag dat het geld bij de kinderen terechtkomt en niet bij de administratie. We hebben een probleem als de afdeling administratie de snelst groeiende afdeling binnen de instellingen is. Dat hoor ik namelijk op een aantal plekken terug en ik vind het een serieus probleem. Ik heb berichten gehoord over 107.000 verschillende productcodes. Ik vind dat echt idioot en ik wil dat hiervoor een oplossing komt. Ik leg die opdracht graag bij de Staatssecretaris neer. Het maakt mij niet zoveel uit hoe hij het oplost, als er maar een oplossing voor komt. Het lijkt mij in ieder geval van belang dat de verschillende sectoren samenwerken en dat we het niet meer hebben over AWBZ, Zvw en al die verschillende vormen. Het moet een geheel worden waardoor het simpeler wordt.

De vergadering wordt van 16.05 uur tot 16.20 uur geschorst.

De voorzitter: Staatssecretaris Dijkhoff begint met de beantwoording van de vragen die aan hem zijn gesteld. Daarna zal hij dit algemeen overleg verlaten. In de eerste termijn van de Kamer zijn we zeer terughoudend geweest met het aantal interrupties. Als de woordvoerders zich beperken tot heel korte vragen, kan ik twee tot drie interrupties per fractie toestaan.

Staatssecretaris Dijkhoff: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de vragen die aan mij zijn gesteld. De eerste betrof de verhouding tussen voogdij en ots. Ik kan de Kamer melden dat we de cijfers blijven monitoren. We zien al een aantal ontwikkelingen. Het aantal ondertoezichtstellingen neemt al tijden gestaag af en het aantal voogdijmaatregelen neemt licht toe. Daaraan liggen andere redenen dan de financiële prikkel ten grondslag, want die zou op zich niet moeten leiden tot een verschuiving in de verhouding tussen de maatregelen. Het is al langer de inzet om een ots niet te lang te laten voortduren als duidelijk is dat het geen heilzame weg is. Daarom zien we die ontwikkeling nu al. Of er een ontwikkeling in de ouderbijdrage is, kunnen we nog niet zeggen omdat de huidige cijfers lopen tot het derde kwartaal van 2014. We blijven de cijfers continu monitoren. Als die ontwikkeling zich voordoet, kunnen we die dus snel constateren. Het duurt echter even totdat de volgende rapportage komt, want er zit een half jaar vertraging in de cijfers.

De tweede vraag betrof de privacy en gegevenskoppeling. Voor gegevenskoppeling binnen het sociale domein is het niet genoeg als er toestemming wordt verleend. Dit is duidelijk aan de gemeenten doorgegeven. Los van de toestemming moet er een objectieve noodzaak bestaan. Standaard staat het de gemeenten niet vrij om zonder meer gegevens te koppelen. Het is ook niet zo dat dit niet mag, maar de bestaande wettelijke eisen moeten opgevolgd worden. Er bestaat dus geen totaalverbod op het samenvoegen van systemen, maar er moet een noodzaak zijn. Die ligt natuurlijk vooral in het belang van degene wiens gegevens het betreft en de zorg en bescherming die aan die persoon verleend dienen te worden.

De derde vraag betrof de inzet van vrijwilligers. Het is in de eerste plaats aan de gemeente om te bepalen hoe de jeugdbescherming vormgegeven wordt. Het kan echter nooit zo zijn dat die aan vrijwilligers wordt overgelaten. Er zit altijd een professional tussen. De jeugdbeschermer voert altijd de regie. Hij kan natuurlijk een beroep doen op het bestaande netwerk van de desbetreffende persoon. Hij kan ook een beroep doen op derden, andere hulpverleners, om hem te ondersteunen, eventueel op vrijwillige basis zoals nu in ieder geval in één gemeente in een pilot gebeurt. Die hulp kan echter nooit vervangend zijn en zal altijd moeten plaatsvinden onder eindregie van de jeugdbeschermer.

Mevrouw Kooiman (SP): Zoals de Staatssecretaris het nu uitlegt, kan ik het me heel goed voorstellen. Ik heb destijds als gezinsvoogd ook gebruikgemaakt van vrijwilligers. Ze kunnen heel veel uit handen van gezinnen nemen. Ik heb echter Kamervragen gesteld over een organisatie die pretendeert daadwerkelijk een behandeling te bieden. Ik vind dat een behandeling en het bieden van professionele hulp moet worden overgelaten aan professionals en niet aan vrijwilligers. Dat is niet fair voor de vrijwilligers, maar het is zeker niet goed voor de gezinnen. Als we willen dat de maatregelen minder lang duren, moeten we professionele hulp inzetten.

Staatssecretaris Dijkhoff: Daar ben ik het mee eens. Ik ga niet over de pretenties van organisaties. Ik ga wel over het feit dat een professionele jeugdbeschermer altijd de regie moet hebben. Die kan niet vervangen worden door niet-professionals. De inspectie moet er uiteindelijk op toezien dat die schakel ertussenin blijft, zodat de regie en eindverantwoordelijkheid bij de professional liggen.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik moet even kiezen tussen mijn vragen. Evenals de VVD hebben we gevraagd om de organisaties die zich nog niet gemeld hebben bij de inspectie en waarvan de inspectie geen weet heeft, te laten controleren. De Staatssecretaris kan de gemeenten vragen de lijst van dit soort organisaties door te geven aan de inspectie, zodat deze hierop controle kan uitoefenen. Dan weten we in ieder geval dat er professionele zorg in de gezinnen is. Als er geen toezicht op is, weten we dat eigenlijk niet.

Staatssecretaris Dijkhoff: Nu wreekt zich het feit dat er verschillende beleidsterreinen gecombineerd zijn. Deze vraag strekt zich vooral uit op het terrein van mijn collega van VWS. Ik verwacht dan ook dat hij nader op deze vraag ingaat.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik heb nog een vraag over de privacy. De Staatssecretaris geeft aan dat bestanden alleen gekoppeld worden als dat echt nodig is. Hoe verhoudt dat zich tot de wettelijke vereisten met betrekking tot de privacy? Kan het kabinet aangeven in welke mate de gemeenten persoonsgegevens in het sociale domein koppelen?

Staatssecretaris Dijkhoff: Dat verhoudt zich goed als er aan de eisen wordt voldaan. Het wettelijke kader verschaft de grondslag. De praktijk verzet zich nu. We hebben natuurlijk vooraf met impactassessments en in sessies met de gemeenten gesproken over wat wel en wat niet kan. Het wordt nu blijvend bekeken. Ik heb geen overzicht voorhanden van de koppelingen die de 393 gemeenten maken. Dat heb ik nu niet in de tas zitten. Het is zaak dat we begeleiding blijven bieden. Koppeling is niet bij wet verboden, maar er zijn wel strikte voorwaarden aan gesteld. Onze insteek is niet dat het moet omdat het kan, maar dat het alleen moet als het beter is voor de hulpverlening en de zorg. We willen immers ook niet dat het niet bij elkaar brengen van losstaande signalen tot problemen leidt. We willen niet dat we moeten constateren dat we die ene persoon hadden kunnen helpen als zijn gegevens maar waren gekoppeld. Het wettelijke kader verschaft dus de grondslag.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Natuurlijk verwacht ik niet dat de Staatssecretaris meteen een lijstje oplepelt van de stand van zaken van koppelingen in alle gemeenten. Begrijp ik goed dat er in ieder geval geen sprake is van schendingen van de privacy, voor zover de informatie van de Staatssecretaris strekt, en dat er geen sprake is van overschrijding van de wettelijke kaders?

Staatssecretaris Dijkhoff: Ja, met het voorbehoud dat je niet weet wat je niet weet. In de opleidingen hebben we natuurlijk ook trajecten. Ook daarin blijven we met de 3D-benadering aandacht vragen voor privacy. Er moet aandacht zijn voor wat mag. Het moet duidelijk zijn dat er een wettelijk kader is en dat dit er niet voor niets is. Het moet duidelijk zijn dat gegevenskoppeling binnen het wettelijke kader moet blijven en dat het belang van degene die de zorg, bescherming of hulp krijgt, voorop moet staan.

De voorzitter: Hiermee zijn de vragen aan Staatssecretaris Dijkhoff voldoende beantwoord. Ik dank de Staatssecretaris en zijn ambtelijke ondersteuning voor hun aanwezigheid en geef het woord aan Staatssecretaris Van Rijn voor zijn beantwoording in eerste termijn.

Staatssecretaris Van Rijn: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng. Als ik even door de oogharen kijk, zijn er vier hoofdonderwerpen aan de orde gekomen. Het eerste onderwerp is de stand van zaken, drie maanden na de invoering van de Jeugdwet, inclusief de continuïteit van zorg en de eerste oordelen daarover. Het tweede onderwerp betreft de focuspunten voor de komende maanden, die mede op basis van die oordelen bepaald zijn en waaraan ik samen met de gemeenten aandacht moet geven. Het derde onderwerp is de manier waarop we aan de vernieuwings- en de transformatieagenda werken. Het vierde onderwerp betreft de vragen hoe we met elkaar de vinger aan de pols houden, hoe we evalueren en hoe het gaat met de informatievoorziening. Daarna ga ik in op een aantal specifieke vragen.

Waar staan we drie maanden na de invoering van de Jeugdwet? We zitten gelukkig in een andere situatie dan aan de vooravond van de invoering van de Jeugdwet. Ik kan me nog herinneren dat we toen en vlak daarna intensief gesproken hebben over de derde rapportage van de transitiecommissie. We hadden veel vragen en zorgen. Zijn de gemeenten wel op tijd klaar? Zijn de contracten op tijd rond? Is de continuïteit van zorg in 2015 geborgd? Vallen er geen kinderen tussen wal en schip? Dat waren terechte vragen en zorgen. Het is heel belangrijk dat dit soort problemen zich in zo'n transitie zich zo min mogelijk, en het liefst helemaal niet, voordoet. In de afgelopen periode is ongelooflijk hard gewerkt, vooral door de hulpverleners, hun gemeenten en zorgaanbieders, om ervoor te zorgen dat de contracten veelal in december rond waren en dat de gemeenten op 1 januari gereed waren, zodat de continuïteit van zorg zo veel mogelijk geborgd was. Daarom gaat het namelijk.

Dit constateer ik niet als enige; dit wordt ook geconstateerd in de rapportages van de diverse instanties. De TAJ constateert dat er geen signalen zijn dat er kinderen tussen wal en schip gevallen zijn. De continuïteitsgarantie heeft gewerkt en de essentiële zorgfuncties zijn behouden gebleven. Dit blijkt ook uit de cliëntenmonitor die heeft bekeken hoeveel klachten er de eerste drie maanden zijn binnengekomen. Dat waren er 139, die overigens voor het overgrote deel de pgb's betroffen, maar er waren ook klachten over de wijkteams. Het signaal werd gegeven dat de informatievoorziening voor ouders en kinderen beter kan. Ik kom hierop nog uitgebreid terug. Ten slotte concludeert de Kinderombudsman in zijn rapport dat veruit de meeste jongeren en ouders een continuïteit van de jeugdhulp ervaren. De meeste kinderen en ouders zijn tevreden over de kwaliteit van de hulp en zeer positief over hun hulpverleners. Zij geven het cijfer 7,4 en dat is mooi.

De overgangsfase is, zoals ik het eerder heb genoemd, beheerst verlopen. Dat was ook voor mij een voorzichtige conclusie, want we zijn nog maar net begonnen. Mevrouw Keijzer verwoordde het zo en ook mevrouw Van der Burg wees erop. We zijn pas drie maanden bezig. We hebben heel veel discussies gevoerd over de continuïteit van zorg in de overgangsfase. We kunnen in ieder geval constateren dat die goed is verlopen. Ik sluit me dan ook aan bij de complimenten van de Kamer aan alle hulpverleners die er, in deze moeilijke tijd met alle drukte van dien, in geslaagd zijn om in veel gevallen continuïteit van zorg te bieden. Daarmee is een prestatie van formaat geleverd, niet door Den Haag, maar vooral door de hulpverleners. Ze zijn soms dag en nacht met de kinderen bezig geweest om ervoor te zorgen dat het allemaal goed zou verlopen. We hebben veel van hen gevraagd. Het is goed om ook vanaf deze plek te zeggen dat ze ongelooflijk goede resultaten hebben geboekt, namelijk dat de gehele verandering goed is verlopen, in ieder geval voor de cliënten.

Mevrouw Keijzer (CDA): De CDA-fractie deelt de complimenten van de Staatssecretaris voor alle zorgverleners zeer. Ik wil er complimenten aan toevoegen voor al onze wethouders en raadsleden die ook keihard gewerkt hebben en dat nog doen. Ik vraag me af hoe je naar de Staatssecretaris luistert als je 15-jarige zoon of dochter met het syndroom van Down niet meer naar de naschoolse opvang mag. Of om het zakelijker te houden, hoe luister je naar de Staatssecretaris als je in de monitor van de sector gehandicaptenzorg leest dat er onvoldoende of niet gecontracteerd is voor cliënten op trainingscentra? Dit zijn jongeren die moeten leren zelfstandig te wonen, ggz-c-cliënten, kinderen in kinderdagcentra (kdc), jeugdigen met extramurale zorg die ook onderwijs genieten, jonge kinderen en cliënten met een indicatie voor een zorgzwaartepakket 1 of 2 die in 2015 afloopt. Ik mis ze in de perceptie van de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Rijn: Dit is de reden dat we een intensief overleg hebben georganiseerd: het zogenaamde cockpitoverleg. Dit is een overleg op regionaal niveau met aanbieders van jeugdhulp, gemeenten en cliëntenorganisaties om te bekijken welke knelpunten zich voordoen. Alle knelpunten worden in dit overleg besproken. Het kan aan mijn perceptie liggen, maar ik heb een ander beeld dan mevrouw Keijzer gekregen uit mijn gesprekken met deze organisaties. Ze zeggen allemaal dat de continuïteitsgarantie heeft gewerkt en dat ze hebben geprobeerd deze overgang zo goed mogelijk door te komen. Als er veranderingen plaatsvinden, maken ook aanbieders veranderingen door en ontstaan verschillen in contractering. Dat is ongetwijfeld het geval, maar onder andere daarom hebben we de Jeugdwet gemaakt. We hebben niet gezegd dat de Jeugdwet een continuïteit van de bestaande jeugdhulpverlening moet zijn, maar dat we willen werken aan een andere manier van jeugdhulpverlening. Daarover zullen we de komende periode intensief spreken. Het is goed dat de zorgen die daarover bestaan, worden geuit. Daarop kunnen we dan zo goed mogelijk inspelen. We spreken niet alleen over de algemene rapporten over de overgang, maar ook over specifieke rapportages vanuit de huidige cockpitoverleggen. Het is belangrijk dat er nu alvast wordt nagedacht over de volgende fase, bijvoorbeeld over de zorginkoop voor 2016. Ik kom daarop nog uitgebreid terug.

Dit brengt me op de vraag wat de focuspunten zijn voor de komende periode. We kunnen bepaald niet achterover gaan hangen. In veel opzichten beginnen we nu pas. Een aantal punten zullen de komende tijd onze aandacht vragen. Dit is allereerst de vraag of de cliënten weten waar ze terechtkunnen voor hulp en met vragen. In mijn recente brief aan de wethouders heb ik daarvoor expliciet aandacht gevraagd. In het algemeen weet men hoe het zit in de jeugdhulpverlening als men, soms na lang zoeken, hulp krijgt. Als men voor het eerst jeugdhulp moet krijgen of vragen, moet men vaak heel veel dingen uitzoeken. Het betreft veelal vragen over hoe zit het met je loket en hoe zit het bij je gemeente. De toegang tot de jeugdhulp en de communicatie daarover moeten dus veel duidelijker worden. Dat is een belangrijk signaal dat we krijgen. Het is een goede zaak dat we de huidige cliëntenmeldpunten nog een tijdje voortzetten om op die manier te kunnen waarnemen welke knelpunten men in het nieuwe systeem ervaart. Ik heb met de cliëntenorganisaties afgesproken dat ook zij signalen kunnen blijven afgeven als er nog onduidelijkheden over de toegang zijn.

Verschillende leden van de commissie hebben aandacht gevraagd voor mijn tweede focuspunt, namelijk de kwaliteit van de toegang tot jeugdhulp. Er zijn veel vragen gesteld over de werking van de sociale teams en de kwaliteit daarvan. De Kinderombudsman en het STJ hebben een aantal aandachtspunten over deze teams geformuleerd. Ik wijs erop dat de Kinderombudsman terecht zegt dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen al bestaande zorgen en zorgen van mensen over de manier waarop het zou kunnen gaan lopen. Er verandert veel, ook in de jeugdhulp. De Kinderombudsman wijst erop dat er ook voor 1 januari 2015 al problemen waren. Ik citeer hem: «Ook vóór 1 januari 2015 waren er problemen. Ook toen bestonden er wachtlijsten, werd er soms gemiscommuniceerd, kwamen er soms kinderen te laat op de radar. Als dergelijke dingen na 1 januari fout gaan is dat niet in alle gevallen te wijten aan de decentralisatie». Ik denk dat hij ware woorden spreekt. Desalniettemin moeten we die signalen – als ze er zijn – serieus nemen. We namen ze al serieus voor 1 januari en misschien moeten we ze extra serieus nemen na 1 januari.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Dat kan allemaal wel zo zijn, maar de Staatssecretaris zei net dat er geen kinderen tussen wal en schip gevallen zijn, terwijl het probleem juist is dat we dat niet weten, omdat in heel veel gemeenten nog niet duidelijk is waar mensen zich moeten melden. Op dit moment weten we dus niet of er kinderen tussen wal en schip gevallen zijn. De Staatssecretaris doet het wel erg gemakkelijk af met een briefje aan de wethouders. Voor hetzelfde geld zijn er wel kinderen in nood, maar worden ze niet gezien, omdat de toegang en de informatie daarover niet duidelijk zijn. Daar moet een antwoord op komen.

Staatssecretaris Van Rijn: Daarom is het eerste focuspunt ook het verbeteren van de toegankelijkheid, door te zorgen voor goede communicatie en informatie hierover. Het tweede focuspunt, de kwaliteit van de toegang tot de jeugdhulp, is natuurlijk ook een heel belangrijk aandachtspunt voor de komende periode. Hiermee ben ik mijn betoog net dan ook begonnen. Nogmaals, de Kinderombudsman wijst er volgens mij terecht op dat we ervoor moeten oppassen niet alle vragen en verwachtingen die er voor 1 januari al waren en die er nu nog zijn, toe te schrijven aan de overgang. Natuurlijk moeten die signalen wel heel serieus genomen worden. Die zijn heel belangrijk, ook voor de toekomst. Overigens wijs ik erop dat toegang tot jeugdhulp ook mogelijk is via de huisarts, de jeugdarts, de medisch specialist, de jeugdbescherming of een gecertificeerde instelling. De toegang loopt dus niet alleen via de wijkteams, maar ook via andere kanalen. Daarvoor is heel bewust gekozen, ook in de Jeugdwet. Dat wil niet zeggen dat de wijkteams niet uitstekend moeten functioneren.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Het is niet terecht dat de Staatssecretaris zo stellig zegt dat er geen kinderen tussen wal en schip zijn gevallen.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik heb net uit de rapportages van de TAJ en van de Kinderombudsman geciteerd. Daarin wordt geconstateerd dat de overgang redelijk goed of, in mijn termen, beheerst is verlopen, maar dat we vooral niet achterover moeten leunen. Ik neem de signalen heel serieus. De communicatie over de vraag waar men terechtkan, kan niet goed genoeg zijn. Daaraan moet voortdurend gewerkt worden. De zaken rond de kwaliteit van de toegang moeten op orde zijn. Ik heb een lijstje van die zaken. Als de voorzitter mij toestaat, noem ik ze even.

Het betreft in de eerste plaats de waarborgen die we al gecreëerd hebben in de Jeugdwet. In de Jeugdwet is een jeugdhulpplicht opgenomen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor een kwantitatief en kwalitatief voldoende aanbod. We hebben niet geregeld hoe gemeenten de jeugdhulp precies moeten organiseren, maar wel wat ze moeten doen. Gemeenten moeten de toegang op een laagdrempelige en herkenbare manier organiseren. De juiste deskundigheid voor de toegang moet beschikbaar worden gesteld, zodat de triage plaatsvindt door professionals ter vervanging van de indicatiestellingen met alle bureaucratie. De commissie heeft er terecht op gewezen dat dit een van de verdiensten van het nieuwe stelsel kan zijn. Er is rechtstreeks toegang tot jeugdhulp na verwijzing van huisarts, jeugdarts of medisch specialist. Jeugdhulp moet worden ingezet als er een gecertificeerde instelling nodig is. Er moet een consultatiefunctie voor professionals worden geboden. Indien nodig moeten specialistische hulp en de Raad voor de Kinderbescherming worden ingeschakeld. Voor crisissituaties moet 24/7 jeugdhulp beschikbaar zijn. Dit zijn de uitgangspunten in de wet.

Daarnaast hebben we een aantal kwaliteitseisen in de wet opgenomen. Professionals moeten bij de toegang beschikken over de juiste competenties en bevoegdheden. De norm voor een verantwoorde werktoedeling staat in de wet. Een van de kwaliteitseisen is dat werk moet worden toebedeeld aan een geregistreerde professional. De organisatie en de toegang van de wijkteams vraagt dus om een brede deskundigheid van medewerkers. Dat is net al aan de orde geweest. Zoals gezegd bespreken we eventuele signalen in het tweewekelijkse cockpitoverleg. Dit is zo met de brancheorganisaties en de VNG afgesproken. Tot op heden zijn er niet veel specifieke toegangsproblemen voor het cockpitoverleg aangemeld. Wat betreft de signalen en de zorgen dat die problemen er wel zijn, zitten we nadrukkelijk op het vinkentouw.

De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulp. Al voor de invoering van de Jeugdwet, dus vorig jaar, hebben de samenwerkende inspecties van STJ onderzoek gedaan naar het functioneren van en de toegang tot de wijkteams. Daaruit kwamen dezelfde aanbevelingen naar voren: zorg ervoor dat de toegang goed gevonden kan worden, dat er gespecialiseerde hulpverleners zijn en dat alle medewerkers die zich bezighouden met de toegang, systematisch de veiligheid inschatten en signalen hierover delen. Ik heb de inspectie gevraagd om in de loop van 2015 weer onderzoek te doen, om te bekijken of het nog op dezelfde manier gaat of dat een en ander verbeterd is en wat we er verder van kunnen leren. Ik wil in dat onderzoek specifiek aandacht besteden aan de manier waarop partijen uit het gehele sociale domein onveiligheid bij jeugdigen signaleren en passende hulp organiseren. Voor de invoering van de Jeugdwet is er dus onderzoek door de inspectie gedaan en dit jaar zullen we dat ook weer laten doen.

Het is door sommige leden al gezegd. De uitwisseling van kennis en ervaringen van de verschillende wijkteams is heel belangrijk. Het Rijk en de VNG hebben in maart samen een groot congres georganiseerd met de titel Toegang en Teams in het Sociaal Domein. Daar bleek dat er een zeer grote behoefte aan deskundigheidsbevordering bestaat, alsmede de behoefte om als wijkteams kennis te delen. In de afgelopen periode heeft het VNG-programma Sociale Teams ondersteuning geboden aan alle gemeenten. De komende maanden werken het Rijk en de VNG met de kennisinstituten een programma uit om de wijkteams verder te ondersteunen. Dit zeg ik ook in antwoord op vragen van mevrouw Van der Burg. Ik blijf volgen hoe een en ander zich ontwikkelt. Deze zomer zijn de eerste jeugdhulpcijfers van het CBS beschikbaar. Op grond daarvan laten we in een aantal gemeenten ter verdieping nader onderzoek verrichten naar de manier waarop de toegang werkt, waardoor we op een aantal terreinen informatie krijgen.

Een tijdje terug voelde ik me aangesproken door een heel lezenswaardige blog van ggz-bestuurder Peter Dijkshoorn op de website Kennisnet Jeugd. Daarin ging hij in op de succesfactoren van een wijkteam. Volgens hem moet een wijkteam laagdrempelig zijn voor ouders en kinderen. Ouders en kinderen krijgen tijdig een juist advies. In de wijkteams zitten bekwame professionals die minstens 80% van de gevallen waarin onveiligheid speelt, zelf of met deskundigheid van anderen beetpakken. In de wijkteams zitten professionals die willen leren en een management dat de medewerkers ondersteunt en faciliteert. Zijn boodschap was eigenlijk dat een wijkteam zo moet zijn dat mensen ernaar toegaan omdat ze daar goede hulp verwachten, omdat het laagdrempelig is en omdat ze deskundig ondersteund worden. Een wijkteam moet functioneren als een laagdrempelige voorziening. Mensen gaan echter niet naar het wijkteam, maar proberen via de huisarts zorg te krijgen. De leden wezen daar ook al op en ik voel me hierdoor zeer aangesproken. Samen met de brancheorganisaties en de VGN zorgen we ervoor dat de aanwezige kennis wordt gedeeld.

Het derde focuspunt is ook al vaak genoemd in dit debat: de administratieve lasten. Gemeenten en aanbieders hebben heel veel contracten met veel contractspecifieke afspraken afgesloten. Ze komen er nu achter dat ze daarin wel heel veel eisen geformuleerd hebben. Beide partijen onderkennen dat. Bij gemeenten die hebben gekozen voor een inkoopmodel met individuele betalingen blijkt een grote diversiteit aan productbeschrijvingen en -codes te bestaan. Dat is al genoemd. Daarover moeten gemeenten dan weer verantwoording afleggen. Er komen accountants bij kijken en voor men het weet, is men heel veel aan het administreren. Het is mooi dat gemeenten en aanbieders dit hebben onderkend en een werkagenda hebben gemaakt om de administratieve lasten in deze fase zo beperkt mogelijk te houden. De VNG is bezig om die agenda actief te verspreiden onder haar leden.

We horen in de discussies steeds meer een andere oplossing die vruchten zou kunnen afwerpen: op een andere manier inkopen en sturen op resultaat. Dat is zo-even al door mevrouw Kooiman genoemd. Er komen langzamerhand goede voorbeelden voor het maken van afspraken over resultaat. Daarvoor zijn wel outcome-criteria nodig. Dat was een mooi punt van mevrouw Van der Burg. Op die manier kan men tot heel andere en administratief veel lichtere afspraken komen. In sommige gemeenten wordt geëxperimenteerd met vormen van populatiebekostiging. Gemeenten en aanbieders moeten wat tijd krijgen om uit te vinden op welke manier ze tot een andere vorm van inkoop en vermindering van administratieve lasten kunnen komen. Ik wil het nadrukkelijk volgen, want dit is een heel belangrijk punt. Ik houd het dan ook zeer scherp in de gaten. Waar nodig zal ik partijen stimuleren en aanjagen om tot afspraken hierover te komen. Ik doe nog geen uitspraken over de mate van succes.

Ik zie hoopgevende nieuwe vormen van zorginkoop ontstaan. Ik noemde net de populatiebekostiging al. Bij bijvoorbeeld de eerstelijnsjeugdhulpzorg in Capelle aan den IJssel zien we dat daarmee een enorme besparing op administratieve lasten mogelijk is als men het een beetje handig doet. In een recente publicatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken staan andere goede voorbeelden van manieren waarop men de inkoop kan aanpakken. Die zijn uitgewerkt en worden als voorbeeld gesteld aan andere gemeenten. Het is een erg belangrijk punt waar ik bovenop zit. Ik zal de partijen dan ook zeer ondersteunen om tot goede oplossingen te komen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): De voorbeelden herken ik, ook van de verschillende manieren van inkoop, niet alleen door de wijkteams, maar ook door gemeentes. Gemeentes en wethouders geven tot hun eigen schrik aan dat hun apparaten onvoldoende op de hoogte zijn van het bestaan van de standaarden. Daardoor krijgen we de situatie dat iedereen niet alleen op zijn eigen manier rapporteert en informatie verzamelt, maar ook op zijn eigen manier contracteert, terwijl het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (KING) en de VNG, juist met het oog hierop, standaarden beschikbaar hebben gesteld. Het gaat niet over de inhoud, maar puur over de administratieve afhandeling. Ik heb een verzoek gedaan om de wethouders hierover een mail te sturen met de standaarden als bijlage en nadrukkelijk aan hen te vragen daarover met hun apparaat in gesprek te gaan. Is dat een mogelijkheid? Als de Staatssecretaris een beter voorstel heeft, ruil ik het graag in. Ik constateer op dit vlak een knelpunt bij het faciliteren. Het is toch zonde dat die standaarden gemaakt zijn, maar niet gebruikt worden?

Staatssecretaris Van Rijn: Daar ben ik het mee eens. Ik bespreek graag met KING en de VNG hoe we de standaarden nadrukkelijker onder de aandacht kunnen brengen. Ik wijs er wel op dat in de Jeugdwet een bepaling was opgenomen om nadere eisen aan de declaratiestandaarden te kunnen stellen, die met grote meerderheid uit de wet geamendeerd is. Dat neemt niet weg dat ik mijn uiterste best blijf doen om ervoor te zorgen dat de standaardisatieslag zo goed mogelijk wordt verspreid.

Het vierde focuspunt betreft de zorginkoop 2016. Daarin kan de eerste slag na de transformatie gemaakt worden. Ik doel dan niet alleen op de transformatie van de jeugdhulp als zodanig. Daarin kunnen de eerste slagen gemaakt worden, ook al zal de gehele transformatie nog tijd nodig hebben. Ik doel natuurlijk ook op de inkoopprocessen. In het overleg dat ik voer met de gemeenten en de brancheorganisaties heb ik gezegd dat de belangrijke kansen van het nieuwe Jeugdstelsel niet alleen andere en nieuwe vormen van jeugdhulp betreffen. Het nieuwe stelsel biedt ook een kans, met name voor de hulpverleners, om af te komen van de registratielast en bureaucratie. Die kans is er, omdat de centrale indicatiestelling, en daarmee de noodzaak om van alles en nog wat te registreren, niet meer bestaat. Gemeenten en aanbieders moeten die kans natuurlijk wel pakken. Dat doen ze in toenemende mate. Ik ben zeer gemotiveerd om ze hiertoe te stimuleren. Er liggen namelijk heel grote kansen om de administratieve lasten voor het nieuwe jeugdstelsel te beperken. Bij gemeenten die in een vorige fase hebben gekozen voor bestuurlijk aanbesteden, voor het beleidsrijk inkopen van zorg en nadenken over meerjarige contracten, spelen kwaliteit, innovatie en resultaten een grotere rol dan het puur registeren van wat men doet. Dit biedt grote kansen, maar, nogmaals, die kansen moeten wel benut worden. Ik ben bereid om ervoor te zorgen dat er niet alleen een vereenvoudigingsslag in de standaardisatie gemaakt wordt, maar dat gemeenten en aanbieders die werkagenda samen kunnen uitwerken.

Ook over het vijfde focuspunt, de financiële aspecten, zijn een aantal vragen gesteld. Hoe zit het met de objectieve verdeelmodellen? Iedereen is altijd tevreden met objectieve verdeelmodellen, maar als het model veranderd wordt, zien we twee categorieën gemeenten. De ene categorie denkt dat ze er misschien op vooruitgaat en vindt het nog niet zo'n slecht model. De tweede categorie ziet dat ze erop achteruitgaat en heeft een wat andere opvatting over het model. We hebben ook met de VNG een benadering afgesproken om van een historisch model tot een objectief verdeelmodel te komen. Dit geeft namelijk een zo goed mogelijke benadering van de hoeveelheid geld die gemeenten nodig hebben om de jeugdhulp goed te kunnen uitvoeren. Hiervoor bestaan allerlei onderzoeken waarin regressievergelijkingen worden gemaakt om een en ander zo dicht mogelijk te benaderen. Hieruit is een voorstel gerold dat zowel door de Raad voor de gemeentefinanciën als de VNG wordt bekeken. Daarover wordt gezegd dat het er goed uitziet. Er zijn nog verbeteringen denkbaar die de komende periode moeten worden doorgevoerd, maar dit is de best mogelijke benadering om het geld in de toekomst te verdelen.

Er doen zich vervolgens een aantal vragen voor, die de commissie ook aan de orde heeft gesteld. Hoe snel kunnen we het invoeren? We moeten immers wel zorgvuldig zijn. We hebben de VNG gevraagd hoe ze dit ziet. De VNG gaf aan dat voor het verdeelmodel voor de langdurige zorg misschien een ander tijdpad nodig is dan voor de jeugdzorg. Ik wil dit heel zorgvuldig met de VNG bespreken. Ik ben ervoor om pas een uitspraak te doen als er overeenstemming bestaat over het goede verdeelmodel voor de toekomst. We moeten eerst heel goed kijken naar de effecten. In het verdeelmodel moeten we bijvoorbeeld kijken naar het ingroeipad en varianten, in de zin van het maximale verschil dat een gemeente in één jaar kan dragen. Het overleg met de VNG over de ingroeipaden loopt. Het is intensief, omdat we het zo zorgvuldig mogelijk willen doen. Dit moet allemaal neerslaan in de meicirculaire. Er wordt zo goed mogelijk bekeken wat het objectieve verdeelmodel is, waar het kan worden ingevoerd, wat het ingroeipad is en hoe lang dat precies moet duren.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik las in de stukken dat de VNG dacht aan een heel kort ingroeipad voor de jeugdhulp, terwijl er ook uitschieters zijn. Is het de intentie om het ingroeipad toch wat langer te maken? Hoe wordt omgegaan met de uitschieters? Een en ander is natuurlijk niet te overbruggen in zo'n korte tijd. Hoe wordt het verdeelmodel breed in het sociale domein aangepakt? Mogelijk is het een oplossing als het ene terrein meer krijgt dan het andere. Graag krijg ik een toelichting van de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Rijn: Dit is een terecht punt. De discussie vindt op een aantal niveaus plaats. Enerzijds gaat het om de vraag hoe het verdeelmodel er in een domein, in dit geval de jeugdhulp, uitziet en hoe lang het ingroeipad is. Het viel mij ook op dat de VNG bij de jeugdhulp een snel ingroeipad wil. Ik heb de VNG gevraagd nog eens heel goed te bekijken wat dit betekent. We moeten rekening houden met alle plussen en minnen. Moeten we het wel of niet maximeren? Anderzijds bekijkt een werkgroep onder leiding van het Ministerie van Binnenlandse Zaken of er een vangnet moet komen dat met de cumulatieve herverdelingseffecten rekening houdt. We bekijken dan niet alleen het verdeelmodel voor de Jeugdwet, maar ook het verdeelmodel voor de Wlz en de Participatiewet. Wat betekent die optelsom voor de gemeenten? Moeten we daarin een extra vangnet inbouwen? De werkgroep is nog lang niet klaar. Het overleg met de diverse instanties loopt. Een en ander geeft al aan dat het kabinet heel zorgvuldig en voorzichtig is met de herverdelingseffecten, omdat die voor gemeenten erg belangrijk kunnen zijn. We kijken dus zeker naar de cumulatiekant hiervan. Daar zitten overigens ook kansen en oplossingen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Wanneer worden we hierover geïnformeerd? De Staatssecretaris kan wel zeggen dat we in de meicirculaire geïnformeerd worden, maar volgens mij is alles dan al besloten.

Staatssecretaris Van Rijn: Gisteren is er een brief naar de Kamer gestuurd over de laatste stand van zaken van de objectieve verdeelmodellen, zodat de Kamer daarvan kennis kan nemen en er desgewenst iets over kan zeggen. We laten de Kamer dus niet wachten tot de meicirculaire komt. We hebben een tussentijdse brief gestuurd.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik heb de stukken vanmorgen heel snel doorgenomen. Ik zei al dat me was opgevallen dat voor de Jeugdwet werd afgeweken van het ingroeipad, waardoor dat eigenlijk maar één jaar duurt. Gezien de verschillen tussen de verschillende gemeenten en regio's lijkt dit me een buitengewoon kort ingroeipad. Bij de Wmo wordt uitgegaan van een ingroeipad van drie tot vier jaar. Gezien de verschillen verzoek ik de Staatssecretaris met klem om met de termijn van het ingroeipad meer in de richting van de Wmo te gaan dan nu voor de Jeugdwet wordt voorgesteld.

Staatssecretaris Van Rijn: We spreken hier al over met de VNG. Het advies van de VNG was om het ingroeipad zo kort mogelijk te laten zijn. We hebben gezegd dat we het nog eens goed wilden bekijken, met name in samenhang met de andere ingroeimodellen. Dat overleg loopt. Ik zal de Kamer over de uitkomst daarvan informeren zodra het is afgerond.

De voorzitter: Wanneer kan de Staatssecretaris de Kamer daarover informeren?

Staatssecretaris Van Rijn: De Kamer heeft nu een stand-van-zakenbrief gekregen. Daarin kan de Kamer de stand van zaken van alle adviezen en voorstellen vinden. De uitkomsten moeten uiteindelijk landen in de meicirculaire. Ik zal een bericht sturen als het overleg in een afrondende fase komt, dus ergens tussen nu en de meicirculaire.

Ook over het macrobudget zijn vragen gesteld. Ik zie de temperatuur bij dit onderwerp af en toe oplopen. Wat is er aan de hand? We hadden een AWBZ-budget waar als het ware alle domeinen inzaten. Dat budget is zo goed mogelijk over de verschillende domeinen verdeeld. Een deel is naar de gemeenten gegaan voor langdurige zorg, de Jeugdwet, de Zvw en de Wlz. Dat hebben we gedaan op basis van realisatiecijfers uit het verleden, soms van 2012, soms van 2013. Die hebben we geïndexeerd om tot een zo goed mogelijke inschatting te komen voor een goede verdeling. We moesten die verdeling dus baseren op cijfers uit het verleden. Daarom is destijds, overigens op nadrukkelijk verzoek van de gemeenten, afgesproken om weer om tafel te gaan zitten wanneer de planning erg zou afwijken van de realisatie, om te bekijken of de verdeling over de domeinen bijgesteld moet worden. De eerste realisatiecijfers komen nu binnen. Daaruit blijkt dat het domein van de Wlz misschien meer moet krijgen en de domeinen van de Wmo en Jeugdwet minder. Toen de afspraak over de verdeling werd gemaakt, werd van mij de bereidheid gevraagd om weer in gesprek te gaan als de cijfers van planning af zouden wijken van de realisatie. Ik kon me goed voorstellen dat gemeenten met mij aan tafel wilden als de realisatiecijfers zouden tegenvallen. Ik heb dat toegezegd. Nu zitten we om tafel omdat de situatie misschien omgekeerd is. Ik snap dat het heel lastig is. De gesprekken lopen uiteraard. Ik ben zeer bereid te bekijken wat mogelijk is. We moeten het goed bekijken en we moeten over de lusten en de lasten praten. Er was van mijn kant grote bereidheid om om tafel te gaan zitten als de planning zou afwijken van de realisatie. Nu dat zo is, moeten we dat ook doen, ook als het consequenties heeft die minder prettig zijn voor de gemeenten. Er is dus geen sprake van bezuinigingen op het budget. Het betreft een verdeling over de domeinen op basis van de realisatiecijfers. We moeten de eventuele consequenties daarvan bekijken en bezien wat mogelijk is. Als bekend is wat de definitieve budgetten op basis van de realisatiecijfers zijn, moet ook dat zijn beslag krijgen in de meicirculaire en in de voorjaarsnota Besluitvorming van het kabinet.

Mevrouw Berndsen (D66): Er is kennelijk is een groot misverstand ontstaan. Bij de VNG leeft men nog steeds in de veronderstelling dat het budget van 2013 leidend is voor het budget en dat 2014 een soort uitzonderingsjaar is. Als nu geconstateerd wordt dat in 2014 op een bepaalde manier uitgaven zijn gedaan, kan dat toch niet maatgevend zijn voor het budget van 2015? Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen het feit dat de begroting allang is vastgesteld, wel degelijk met gescheiden budgetten, en dat de zorg allang is ingekocht? We plaatsen de gemeenten voor een voldongen feit als we de budgetten voor jeugdhulp verlagen.

Staatssecretaris Van Rijn: We moeten twee discussies tegelijkertijd voeren. Enerzijds moet het geld natuurlijk daar naartoe waar de mensen zitten. Als de verdeling van de mensen over de Wlz en Wmo anders is geworden, moeten we daarmee in de verdeling van het geld rekening houden. Het is raar om dat niet te doen. Anderzijds hebben de gemeenten al afspraken gemaakt. Ik zal zeker met de VNG bekijken wat er al is ingekocht en wat er juridisch mogelijk is. Ik wijs er wel op dat we de afspraak om met de gemeenten om tafel te gaan destijds op hun verzoek hebben gemaakt. De gemeenten zeiden toen dat ik het geld kon verdelen op basis van de cijfers van 2013, maar dat we om tafel moesten gaan als de cijfers van 2014 heel anders, misschien hoger, zouden zijn. Nu ze lager zijn, is dat op zich geen reden om niet om tafel te gaan. Laten we niet vooruitlopen op de uitkomsten van de gesprekken. Ik ben bereid om in gesprek te gaan. De bereidheid van de andere partij is natuurlijk iets afgenomen. Dat zie ik ook wel. We moeten dit probleem in het spoor van de voorjaarsnota Besluitvorming en de meicirculaire tot een goed einde zien te brengen. De komende periode zullen we hierover nog intensief spreken in deze commissie.

Mevrouw Berndsen (D66): Hoe dan ook, de verwachting was gewekt dat het budget van 2013 leidend is voor de inkoop voor jeugd voor 2015. Dit verandert nu. Misschien heeft de Staatssecretaris een andere perceptie, maar dit horen wij via de VNG.

Staatssecretaris Van Rijn: Dat begrijp ik en ik geef mijn zienswijze. Er bestaat vast geen absolute werkelijkheid. Ik constateer maar even door de oogharen dat er destijds reden was om het geld te verdelen op basis van cijfers uit het verleden. We snappen allemaal dat dit niet altijd de juiste verdeling hoeft te zijn, omdat er immers nieuwe realisatiecijfers komen. We hebben afgesproken om met elkaar om tafel gaan zitten om te bekijken wat we moeten doen als dit probleem zich zou voordoen. Dat doen we nu en het overleg moet even zijn beloop krijgen. Ik snap best dat het een andere situatie is als je denkt dat je meer krijgt in plaats van minder. Dat snap ik heel goed, maar we moeten dit probleem bestuurlijk goed zien op te lossen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): De Staatssecretaris geeft aan dat meer mensen een beroep doen op de Wlz en gaat ervan uit dat er dus minder mensen een beroep doen op de Wmo en de jeugdhulp. Ten eerste vraag ik me af of we wel zo duidelijk kunnen stellen dat er per definitie sprake is van communicerende vaten. Ten tweede heb ik het gevoel dat we een beetje tussen gemeenten en kabinet in zitten. Er lijken verschillende lezingen te bestaan over de vraag wat de afspraken precies inhouden. Kan de Staatssecretaris ons hierover informeren? Wat hielden de afspraken destijds precies in? Ik neem aan dat er een verslag van de bijeenkomst is gemaakt.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik heb in december een brief gestuurd, waarin ik geprobeerd heb om de afspraken zo goed mogelijk te verwoorden. Dat was nadat we ze gemaakt hadden.

Hoe het ook zij, ik snap de discussie en ik denk dat we die allemaal wel snappen. We moeten de gelegenheid te baat nemen om heel goed over de cijfers te praten, zodat we het daarover eens zijn. Vervolgens moeten we bekijken hoe we ermee omgaan. Het is goed om deze discussie te voeren. Destijds hebben we gezegd dat het een heel grote operatie was. De budgetten moesten verdeeld worden op basis van het verleden. We wilden zo zuiver mogelijk aan de startstreep van 2015 komen te staan. We proberen het geld op een zo goed mogelijke manier te verdelen over de sectoren waarin mensen een beroep doen op zorg. Voor een deel kan men spreken van communicerende vaten. Als bijvoorbeeld de extramuralisering een stuk langzamer dan gepland verloopt, is het logisch dat meer mensen in de Wlz geld nodig hebben en dat er minder nodig is voor extramurale zorg. In de toekomst kan het ook andersom zijn. We moeten dus niet alleen bespreken op welke manier we zo goed mogelijk aan de startstreep komen, maar ook hoe we in de toekomst om moeten gaan met dit soort verschuivingen in zorg.

Na 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk. We kunnen zeggen: ga je gang, we praten niet meer over de lusten en lasten. We kunnen ook zeggen: er gaat de komende jaren nog heel veel veranderen, ook in de zorgvraag; misschien moeten we veel langer in de gaten houden hoe de zorgvraag zich ontwikkelt zodat we in de toekomst nog wijzigingen kunnen aanbrengen. Welke zorg is intramuraal, welke zorg valt onder de Wlz, waarvoor doet men een beroep op de gemeente? Ik heb er op voorhand geen opvatting over. Het is ook verstandig om vast te stellen wanneer de bewegingen zijn uitgetrild, zodat we de discussie kunnen afronden en de gemeenten het moeten doen met de middelen die ze hebben. Het moet dus een open discussie zijn.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Deelt de Staatssecretaris het standpunt van GroenLinks dat er geen geld teruggevraagd kan worden voor de jaren waarover al verplichtingen zijn aangegaan? Mevrouw Berndsen gaf het net ook al aan. Een ander punt is dat er geen sprake kan zijn van een navenante greep uit de kas als blijkt dat gemeenten helemaal niet veel minder cliënten hebben en dat er dus geen sprake is van een soort communicerende vaten, zoals de Staatssecretaris in eerste instantie leek te suggereren.

Staatssecretaris Van Rijn: Er is sowieso geen sprake van een greep uit de kas. Alle budgetten worden verdeeld over de domeinen en er wordt niets achtergehouden. Er is hoogstens een discussie over de vraag waar meer of minder geld naartoe moet. Het is geen bezuinigingsoperatie. De vraag die macro geldt, geldt ook micro. Ik kan me niet voorstellen dat gemeenten contracten hebben afgesloten voor de inkoop van zorg, terwijl die zorg niet gegeven hoeft te worden. Ik neem aan dat in de contracten die de gemeente aangaat, rekening wordt gehouden met het aantal cliënten dat men krijgt. Voor die cliënten krijgt men geld. Ik neem aan dat de gemeente niet zegt dat men geld krijgt als er geen cliënten zijn. Het ligt dus genuanceerder, afhankelijk van het afgesloten contract. Soms zal er sprake zijn van een lumpsum. Dan liggen de verplichtingen juridisch anders dan wanneer men betaald krijgt voor geleverde zorg. We zullen dit punt goed met de gemeenten bespreken.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik heb behoefte aan duidelijkheid. De VNG zegt namelijk dat er geen bestuurlijke afspraken zijn op basis waarvan in een lopend begrotingsjaar die greep uit de gemeentekas gedaan kan worden. Als er wel afspraken zijn, kan de Staatssecretaris die dan naar de Kamer sturen?

Staatssecretaris Van Rijn: Ik zei net al dat de afspraken beschikbaar zijn. De afspraken die destijds gemaakt zijn en de verwoording daarvan heeft de Kamer al sinds december tot haar beschikking. Ik heb een mooi voorbeeld dat breder ligt dan de jeugdzorg, de problematiek rond de indiceerbaarheid van de Wlz. We hebben daarover specifieke afspraken gemaakt die hebben geleid tot een verschuiving van het domein van de gemeente naar het domein van de Wlz.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik hoorde de Staatssecretaris net wel. Ik begrijp uit zijn woorden dat hij ons een brief gestuurd heeft met zijn eigen weergave van de bestuurlijke afspraken. Ik ben op zoek naar bestuurlijke afspraken, iets van een overeenkomst of zo, waarover beide partijen het eens zijn. Het risico is anders dat we elk jaar dezelfde discussie krijgen: er zitten meer mensen in de Wlz, dan zitten er dus minder mensen bij de gemeente; mag dat verrekend worden? Het CDA heeft bij de behandeling van de Wlz al aangegeven dat er voor 2015 en 2016 een tekort van 652 miljoen is. Het zou bijzonder zijn als we de komende jaren iedere keer deze discussie moeten voeren.

Staatssecretaris Van Rijn: Je kunt er ook voor kiezen die discussie niet te voeren. Dat hangt af van de gemaakte afspraken. De afspraken die ik in december naar de Kamer heb gestuurd, waren tripartite gemaakt door de gemeenten, de aanbieders en VWS. Iedereen was het eens over deze afspraken. Het gaat nu om de vraag wat deze afspraken betekenen, gelet op de cijfers die we binnengekregen hebben. Het is verstandig dat die afspraken destijds zijn gemaakt en het is logisch is dat aan de hand van de cijfers de discussie gevoerd wordt over de vraag wat de afspraken betekenen. Dat moet worden uitgezocht. Over die vraag zullen we de komende weken de discussie verder moeten voeren.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik ga het even opzoeken, maar ...

De voorzitter: Interrupties gaan in tweeën. De Staatssecretaris heeft een duidelijk antwoord gegeven. Wellicht kunt u hierop in de tweede termijn nog even terugkomen.

Mevrouw Keijzer (CDA): Dan geef ik hierbij een winstwaarschuwing. Ik weet nog niet of ik overtuigd ben.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik probeer iets te verzinnen over winstwaarschuwing en overtuiging. Geeft men ook een winstwaarschuwing als men wel overtuigd is? Nu ga ik uitdagen.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ja, dat is een uitdaging. Laat ik het heel duidelijk formuleren. Ik ben nog niet overtuigd en hiermee is de winstwaarschuwing gegeven. Volgens mij is dit heel helder.

Staatssecretaris Van Rijn: We hadden het net over de focuspunten met als slot de ietwat financiële discussie. Het is echter ook heel belangrijk om te bekijken hoe we de vernieuwingsagenda vormgeven in het spoor van de Jeugdwet. Met de gemeenten en de aanbieders hebben we bekeken wat onze vernieuwingsagenda moet zijn. Er zijn een aantal punten naar voren gekomen. Ze zijn nog wat abstract, maar worden verder uitgewerkt in een document.

Hoe stellen we de veiligheid van het kind en de kennis daarover meer centraal? Hoe gaan we integrale hulp laagdrempelig en dicht in de buurt vormgeven? Hierover sprak ik net al. Hoe zorgen we ervoor dat de veiligheid voor het kind verbetert? Ik heb het eerder genoemd bij een onderwerp als kindermishandeling: de kans van het nieuwe jeugdstelsel ligt in het feit dat we er 400 ogen bijkrijgen. Door gebruik te maken van de decentralisatie in de jeugdzorg kunnen we bijvoorbeeld kindermishandeling verder aanpakken en anders vormgeven. Een belangrijke sleutel voor een goed verloop van de jeugdhulp is de verbinding met de school. Die verbinding is erg belangrijk en is in de komende periode een grote uitdaging voor de jeugdhulp. Ook moeten we ruimte aan de professionals geven om de nieuwe manier van werken in de jeugdhulp verder vorm te geven.

Er is nog een belangrijke ontwikkeling. Die raakt ook aan een aantal vragen die hierover zijn gesteld. We maken een beweging naar, indien mogelijk, minder gespecialiseerde hulp aan de achterkant en meer preventieve hulp aan de voorkant. Ik zeg het nu misschien iets te simpel. Hoe gaan we daarmee om en wat betekent dat precies? Een werkgroep van het Rijk, de gemeenten en de sectoren van de ggz, jeugdzorg en gehandicaptenzorg heeft zich de afgelopen periode beziggehouden met de vraag – misschien een beetje dramatisch gezegd – wat het zorglandschap van de toekomst is met betrekking tot de jeugdhulp en -zorg. Het uitgangspunt hierbij is hoogwaardige zorg dichtbij, bijvoorbeeld in kwalitatief goede wijkteams. Daarover hadden we net al. Daarnaast moeten we de specialistische kennis die er is en ook moet zijn, goed borgen voor de toekomst.

De werkgroep heeft dit uitgangspunt verder uitgewerkt, evenals een visie op de manier waarop de ontwikkeling moet plaatsvinden. In welk tempo kun je bijvoorbeeld de gespecialiseerde zorg afbouwen als die niet meer nodig is, maar behouden waar dat noodzakelijk is? Hoe regisseren we dit? Welke invloed moet dit hebben op de inkoop voor 2016? Het is ongelooflijk goed dat gemeenten, aanbieders en het Rijk elkaar vinden op dit punt, zodat we gezamenlijk een visie kunnen ontwikkelen en ervoor kunnen zorgen dat het een geregisseerde beweging wordt die van invloed is op de zorginkoop voor 2016. De aanbieders die als gevolg van krimp in de problemen komen, kunnen een beroep doen op de Beleidsregels subsidieverstrekking bijzondere transitiekosten Jeugdwet, zodat ze een zachte landing kunnen maken. De TAJ is erbij betrokken om te bekijken wat dat betekent. We kijken niet alleen naar de transitiekosten. De TAJ is bereid om een rol te spelen bij de transformatie die wordt vormgegeven.

Tijdens de debatten in het recente verleden heeft de Kamer een aantal aandachtspunten voor de evaluatie aangereikt. Die punten zijn allemaal opgenomen in het evaluatiekader dat de Kamer vorige week bij de stukken heeft ontvangen. Ik hoop dat de leden ze herkennen: we hebben alle punten meegenomen. De evaluatie moet een beeld geven van de wijze waarop de Jeugdwet na drie jaar uitvoering werkt. We hebben de evaluatie opgesteld met de VNG en bekeken wat belangrijke punten zijn. Belangrijk is dat we niet alleen bekijken of de wet voldoet, maar ook hoe de wet in de praktijk werkt. Via de beleidsinformatie, de cijfers van het CBS en nader onderzoek kan de Kamer regelmatig voortgangsrapportages van ons verwachten.

Ten slotte kom ik bij een aantal specifieke vragen, voor zover die nog niet beantwoord zijn. Mevrouw Berndsen vroeg of ik erop wil toezien dat de samenwerking tussen het CIZ, de zorgverzekeraars en de gemeenten wordt verbeterd en of ik hierover met hen in overleg wil treden. Dit is vooral een verantwoordelijkheid voor de partijen zelf. Ik ben zeer bereid om het in de gaten te houden en in overleg te gaan en blijven met de VNG, het CIZ en Zorgverzekeraars Nederland om de overlap en samenwerking te bespreken.

Ten aanzien van voldoende geld voor specialistische jeugdzorg en het zorglandschap heb ik net al een aantal zaken benoemd.

Mevrouw Berndsen (D66): Het is natuurlijk heel mooi als specialistische jeugdhulp in het kader van preventie kan worden voorkomen, maar er blijft altijd specialistische hulp nodig. Daarom heb ik de Staatssecretaris gevraagd of hij hierin voor zichzelf een rol ziet en of de financiën voor specialistische jeugdhulp in de toekomst veilig gesteld worden.

Staatssecretaris Van Rijn: Het mooie van de discussie over het zorglandschap met de betrokken partijen is de erkenning om zo veel mogelijk aan de voorkant te werken, maar er tegelijkertijd voor te zorgen dat er een beroep op specialistische hulp gedaan kan worden als dat nodig is. Daarvoor zijn allerlei arrangementen mogelijk. We zien nu al dat er soms sprake is van regionale samenwerking en dat men gezamenlijk inkoopt. Soms is er een landelijk arrangement. We moeten geld apart zetten om ervoor te zorgen dat er landelijke specialistische zorg blijft. Alle tussenliggende vormen van samenwerking zijn mogelijk. In die zin leren we misschien wel sneller dan Denemarken. Een aantal leden heeft dat ook opgemerkt. Toen ik een tijdje terug in Denemarken was, bleek dat men na zeven jaar nog bezig was met de discussie of er misschien toch meer samengewerkt moest worden om de gespecialiseerde jeugdhulp, ook landelijk, te borgen. Ik prijs me gelukkig dat gemeenten en aanbieders daar, samen met ons, al over nadenken. We voeren als het ware die zorglandschapdiscussie nu al, zodat we kunnen beginnen bij de zorginkoop voor 2016. Ik prijs me gelukkig dat partijen elkaar op dit punt hebben gevonden of aan het vinden zijn.

Hetzelfde geldt voor de informatievoorziening aan inwoners. Het is van belang dat vooral gemeenten dat heel goed gaan doen. Ik heb al gezegd dat ik daarover recentelijk een brief aan de wethouders heb gestuurd. Het is zaak dat de VNG de informatievoorziening in samenwerking met de cliëntenorganisaties oppakt. De VNG heeft aangegeven dat ze dit zal blijven doen.

Er was een specifieke vraag over 18-min en 18-plus. Dit thema moeten we nadrukkelijk betrekken bij de transformatievernieuwingsagenda. Ik zeg toe bij het ontwikkelen van de vernieuwingsagenda samen met de VNG, de brancheorganisaties en cliëntenorganisaties goed naar dit punt te kijken,

De heer Voordewind vroeg of de cliëntondersteuning voldoende op orde is en voldoet aan de wettelijke eisen. Er zijn destijds afspraken gemaakt tussen VWS, de VNG en de MEE-organisaties. Bij een grote steekproef in het kader van de Wmo bij 136 gemeenten gaven alle gemeenten tijdens het onderzoek aan cliëntondersteuning te hebben. Bij de jeugdzorg zijn we nog lang niet zover. In heel veel gemeenten is de cliëntondersteuning goed geregeld, maar in een aantal gemeenten is die nog voor verbetering vatbaar. In de cockpitoverleggen hebben we afgesproken dat signalen van cliëntenorganisaties dat er dingen niet goed gaan, ook daar worden besproken. We hebben ook afgesproken dat we er dan niet in het algemeen over praten, maar dat er rugnummers moeten komen van gemeenten waar verbeteringen mogelijk zijn.

De SP-fractie stelde de vraag of we niet een soort basispakket moeten voorschrijven. Ik vermoed dat we de discussie daarover de komende periode vaker zullen voeren. Nee, die keuze hebben we niet gemaakt. We hebben gemeenten verplicht om de jeugdhulp te regelen. Dat kan in heel veel verschillende vormen. We moeten niet alle producten voorschrijven of doen alsof we vanuit Den Haag het basispakket kunnen bepalen. Ik kan me voorstellen dat we hierover de komende periode, ook van de zijde van de SP, nog veel zullen horen, en niet alleen op het terrein van de jeugdhulp.

De vraag werd gesteld of we een landelijk register voor jeugdhulpverleners willen inrichten. Zoals bekend, verken ik op dit moment de mogelijkheden om tot een landelijke registratie voor jeugdhulpverleners te komen. De Inspectie Jeugdzorg werkt op basis van een afspraak met de gemeenten op dit moment als volgt. Vanaf 1 januari 2015 staat op een website van de gezamenlijke inspecties via de STJ een overzicht van de instellingen in het jeugddomein die op dat moment onder de Inspectie Jeugdzorg vallen. Als gemeenten een instelling willen contracteren die niet op de lijst staat, moeten ze dit melden bij de inspectie. Als ze een contract afsluiten, moeten ze dat doen onder het voorbehoud van een risicoanalyse door de inspectie. Op deze manier proberen we inderdaad zicht te houden op nieuwe aanbieders.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik heb de inspectie even opgebeld. De mensen van de inspectie geven aan dat het hun ontbreekt aan een goede lijst van aanbieders waarmee gemeenten een contract hebben. Ik hoor dus van de Staatssecretaris iets anders dan van de inspectie. Waar ligt het hiaat en hoe kunnen we het wegnemen?

Staatssecretaris Van Rijn: Het hiaat ligt in het feit dat de inspectie afhankelijk is van meldingen door de gemeenten. Ik heb goede hoop dat dit goed loopt. De afspraken zijn gemaakt, maar de gemeenten moeten natuurlijk wel melden. Ik zal er bij de VNG nog eens aandacht voor vragen.

Mevrouw Kooiman (SP): Het moet toch standaard gemeld worden, zonder dat je het eerst lief moet vragen? Het moet gewoon verplicht zijn. Bij de kinderopvang moeten gastouders zich verplicht melden en wordt er verplicht gecontroleerd. Bij jeugdzorg is het allemaal vrijblijvend en vragen we het liever aan de VNG. Het moet toch normaal zijn dat het gewoon gebeurt?

Staatssecretaris Van Rijn: Misschien moeten we het inderdaad wat breder zien. Hoe houden we in de gaten welke nieuwe zorgaanbieders er bijgekomen zijn en of ze voldoende in beeld zijn bij de inspectie? Deze actie vindt overigens inspectiebreed plaats. Ik zeg toe dat ik met de inspectie en de VNG nog eens bekijk wat de vorderingen van dit project zijn en hoe we zicht houden op nieuwe aanbieders.

De heer Bisschop vroeg of ik de gemeenten wil aanspreken op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de relatie zorg en passend onderwijs. Zoals men wellicht weet, hebben we kortgeleden, samen met Staatssecretaris Dekker, een debat gevoerd over de manier waarop we ervoor kunnen zorgen dat die afstemming zo goed mogelijk plaatsvindt. Hierbij willen we aan de ene kant borgen dat we ouders die bijvoorbeeld een pgb hebben, niet voorschrijven dat een bepaald bedrag van het budget besteed wordt aan passend onderwijs. Aan de andere kant willen we ouders, en ook scholen, ondersteunen om ervoor te zorgen dat er niet al te veel gedoe over is en dat er duidelijkheid over komt. Die afspraken worden nu uitgewerkt. Ik stel voor even af te wachten of die voldoende basis bieden om duidelijkheid te geven.

Ook in het nieuwe stelsel is het mogelijk voor pleegouders om in het gedwongen kader een beroep te doen op de vergoeding van bijzondere kosten, als de pleegvergoeding niet toereikend blijkt te zijn. De financiële middelen daarvoor zijn overgeheveld naar de gemeente. In de Jeugdwet wordt bepaald dat pleegzorgaanbieders de bijzondere kosten uitkeren aan de pleegouders. De gemeente moet hierover afspraken maken met de pleegzorgaanbieders. Overigens heeft de VNG inmiddels een handreiking voor gemeenten opgesteld die handvaten moet bieden voor deze afspraken. Mij hebben ook signalen bereikt dat een en ander niet altijd even duidelijk is. Zoals gevraagd is, zal ik nog eens de aandacht van de VNG vragen voor de bijzondere kosten van pleegouders.

Mevrouw Van der Burg vroeg mij de vinger aan de pols te houden en te bezien of er tijdig genoeg wordt doorverwezen. Ik vind dat ook nodig. We zien nu effecten waarbij we ons afvragen hoe het zit met de inschakeling van zorgaanbieders en gespecialiseerde jeugdzorgaanbieders. Op sommige plekken horen we dat er nog maar heel erg weinig wordt doorverwezen. Is dat nu een heel snel succes van de decentralisatie of moeten we ons afvragen of er sprake is van hiccups of dat er onvoldoende snel wordt doorverwezen? Met de VNG en de brancheorganisaties heb ik afgesproken dat speciale meldingen aan de VNG worden doorgegeven. Ook hierover moeten we niet in het algemeen maar specifiek praten. Als een zorgaanbieder zegt dat hij heel weinig doorverwijzingen krijgt en vraagt of dat wel klopt, moet dat aan de VNG worden doorgegeven zodat er actie genomen kan worden. Ik zeg bij dezen nadrukkelijk dat ik de vinger scherp aan de pols zal houden. Dat geldt overigens ook voor de gemeenten en de brancheorganisaties. Over de standaarden hebben we bij de beantwoording van de vragen over de administratieve lasten al gesproken.

Ten aanzien van de vragen over de privacy heeft mijn collega-staatssecretaris al een aantal opmerkingen gemaakt. Mevrouw Gerbrands heeft hierover een vraag gesteld en ik dacht dat ze voldoende ... Ze schudt al nee voordat ik heb gezegd wat ik wilde zeggen. Is dat een voorwaarschuwing, een beschieting of een winstwaarschuwing? Ik zal mijn verlies snel nemen.

Mevrouw Keijzer vroeg hoe het zit met de continuïteit van zorg. Ze vroeg of het hierbij ging om dezelfde zorgverlener of dezelfde zorgaanbieder. De wet is hierin vrij helder: dezelfde zorgaanbieder. Dit kan ook niet anders, want er werken heel veel zorgverleners bij een zorgaanbieder. We kunnen natuurlijk niet regelen dat alle zorgaanbieders altijd dezelfde zorgverleners houden. Daarom is in de wet de continuïteit bij de zorgaanbieders geregeld, hetgeen overigens in de praktijk betekent dat de zorgverlener ook meestal dezelfde is.

Mevrouw Keijzer (CDA): Nee, zo heb ik het niet gezegd. Ik begrijp wat er in de wet staat.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik gaf vast een voorwaarschuwing.

Mevrouw Keijzer (CDA): Misschien is het zinnig om eens een keer goed te luisteren. Mijn opmerking ging over misleidende spotjes, zoals de Reclame Code Commissie ze inmiddels ook noemt, die vanuit VWS de maatschappij ingestuurd zijn. Mensen zijn op het verkeerde been gezet en dachten dat er niets zou veranderen. Mijn vraag was of de Staatssecretaris zich dit aantrekt.

Staatssecretaris Van Rijn: Ten eerste staat in de uitspraak van de Reclame Code Commissie niet «misleidende spotjes». Ten tweede was in die spotjes helemaal niet aan de orde of men dezelfde zorgaanbieder hield. Die gingen over een heel ander onderwerp. Continuïteit van zorg is daarin niet aan de orde geweest. Ten derde, in de Jeugdwet zelf staat dat men bij zorgcontinuïteit in de overgangsfase bij dezelfde zorgaanbieder terecht kan. In heel veel gevallen betekent dat overigens dezelfde zorgverlener. Er is veel wat we kunnen regelen, maar niet dat zorgverleners bij dezelfde zorgaanbieder blijven werken. Zelfs in wetten wordt dat niet geregeld.

Mevrouw Keijzer (CDA): In persuitingen heeft de Reclame Code Commissie die woorden in ieder geval wel gebruikt. Ik heb ze op een gegeven moment ergens voorbij zien komen. Vanmorgen spraken we er in een debat nog over dat het op zich niet erg is dat je iets zegt, zolang het maar klopt met het onderliggende rapport. Daarover ging de discussie van vanmorgen met betrekking tot de uitingen van VWS. Ik heb de spotjes diverse keren gezien, terwijl ik op de bank zat. Het beeld dat men zich daarbij ongeveer moet voorstellen, is dat ik pinda's gooide naar het beeldscherm. Ik heb me echt dood geërgerd aan die spotjes. Er zat een Eftelingtoontje onder waarbij mensen een bepaald gevoel kregen. Wat volgens mij nu gaande is, is dat heel veel mensen dachten dat er niets zou veranderen in de zorg voor hun kind. In de wet staat het zoals het staat, maar in de praktijk verandert het. Daarin heeft de Staatssecretaris gelijk. Hij heeft het ook gezegd in een overleg. Volgens mij dachten mensen, mede door de manier waarop gecommuniceerd is door VWS en de Staatssecretaris, dat er niets zou veranderen.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik ben de vraag een beetje kwijt, maar ik wijs erop dat er in de wet staat dat mensen bij zorgcontinuïteit in de overgangsfase hun zorgpad kunnen afmaken bij dezelfde zorgaanbieder. Dat is ook zo gecommuniceerd. Dit onderwerp kwam niet in de spotjes aan de orde. Deze waarborg zit in de wet.

Ik dacht dat ik de vraag of ik in overleg wil gaan met gespecialiseerde zorgaanbieders over signalen van een dalende instroom al had beantwoord. Het antwoord is ja. Ik heb afgesproken met de VNG dat eventuele signalen specifiek worden doorgegeven.

Mevrouw Keijzer stelde de vraag of de Jeugdwet van toepassing is als de Wlz niet van toepassing is. Het antwoord is: niet per definitie. In veel gevallen is het inderdaad zo, maar soms is de Zvw van toepassing. Ze heeft gelijk dat, als de Wlz niet van toepassing is, er of sprake is van een situatie waarin er iets geregeld moet worden vanuit de Zvw, vanuit de zorgplicht, of dat de gemeente een passende ondersteuning moet bieden vanuit de jeugdzorgplicht.

Ten slotte vroeg mevrouw Keijzer of er signalen waren dat het criterium «gebruikelijke zorg» anders wordt geïnterpreteerd. Ik heb ook signalen gehoord dat dit het geval zou zijn. Ik zal de vinger aan de pols houden bij de gemeenten en bezien wat er aan de hand is. Ik heb geen signalen dat het op grote schaal gebeurt. Ik zal de signalen die mevrouw Keijzer noemt, ook met de VNG bespreken.

Mevrouw Voortman vroeg of de TAJ een signalerende en oplossingsgerichte rol heeft ten aanzien van het administratieve proces. De taak van de TAJ ligt vooral op het vlak van de continuïteit van de jeugdhulp. De TAJ pakt deze taak grondig aan. Ik kan me voorstellen dat de administratieve lasten van belang kunnen zijn voor de continuïteitsvraag. Ook is de TAJ aanwezig bij het tweewekelijkse overleg met de brancheorganisaties en de VNG. De TAJ kan dus inderdaad een signalerende en oplossingsgerichte rol hebben, ook met betrekking tot de administratieve lasten. Haar vraag over de uitwisseling over de verschillende domeinen is al door mijn collega-staatssecretaris beantwoord.

Tot slot kom ik bij de vraag van mevrouw Ypma.

De voorzitter: Mevrouw Ypma is afwezig, maar er is ongetwijfeld een medewerker die meeluistert.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik zeg toe om nog eens nadrukkelijk te kijken naar de problemen rond 18-min en 18-plus op grond van de signalen. Jeugdigen kunnen tot hun 18de levensjaar pleegzorg krijgen. Sommige pleegkinderen hebben inderdaad na hun 18de jaar nog behoefte aan ondersteuning en begeleiding. De gemeente kan dan een voorziening treffen om de pleegzorg te verlengen tot het 23ste levensjaar. In dat geval kan de pleegzorginstelling de pleegouders en de jeugdige blijven begeleiden. Op basis van de Wmo is het wettelijk verplicht daaraan aandacht te geven. Voor pleegkinderen die hun 18de levensjaar bereiken, bestaat sowieso de mogelijkheid om, afhankelijk van hun behoefte, een aanvraag voor begeleiding in te dienen, al dan niet met hun pleegouders. Ik heb al aangegeven dat dit punt mijn aandacht heeft.

Ten slotte vroeg mevrouw Ypma mij of ik bereid was om de werking van de toegang verder te onderzoeken. Ze vroeg om een quickscan ten aanzien van de specialistische hulp bij met name bij de eerstelijnsverzorgers. Ik heb al toegezegd diverse onderzoeken te laten doen naar de werking van de toegang. In de zomer komen ook de eerste CBS-cijfers hierover beschikbaar. Ik wil een aantal gerichte onderzoeken laten doen. Ik kan me voorstellen dat ik de suggestie van mevrouw Ypma daarbij meeneem, om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van zowel de toegankelijkheid als de kwaliteit van de toegang. Dat onderzoek wil ik in oktober laten afronden en publiceren. De resultaten zend ik dan uiteraard ook naar de Kamer.

De voorzitter: Hiermee een einde gekomen aan de eerste termijn. Er is behoefte aan een tweede termijn. Als er geen bezwaar is dat ik in deze ronde begin met mevrouw Voortman, geef ik haar als eerste het woord.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Ten aanzien van een landelijke verantwoordingsstandaard geeft de Staatssecretaris aan dat nadere regels daarvoor juist uit de Jeugdwet geamendeerd zijn. Inmiddels vinden verschillende fracties het echter een probleem dat zorgaanbieders met zoveel verschillende verantwoordingstandaarden te maken krijgen. Wellicht moet dit punt toch opgepakt worden door de systeemverantwoordelijke.

Over de extra korting gaat de Staatssecretaris nog in overleg met de gemeenten. Ik kauw er nog op of ik met een opdracht in de vorm van een motie moet komen, voordat hij dit overleg aangaat.

Informatie over het pgb is vaak slecht vindbaar en de medewerkers zijn niet altijd goed op de hoogte. Bovendien hanteren de gemeenten te lage tarieven waardoor mensen naar de rechter moeten. Ik wil graag dat de Staatssecretaris hierop nog even ingaat.

Mevrouw Berndsen (D66): Voorzitter. Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording. Ik heb nog twee opmerkingen. Ik hoop echt dat de Staatssecretaris er met de VNG uitkomt. Nogmaals, als er financiële afspraken worden gemaakt, is het belangrijk dat die niet lopende het begrotingsjaar worden aangepast. Daardoor wordt een gemeente enorm in de problemen gebracht. Daarom merkte ik op dat hierbij eigenlijk sprake is van onbehoorlijk bestuur. Zo moeten overheden niet met elkaar omgaan.

Ik heb nog een vraag over de aansluiting van 18-minners naar 18-plussers. De Staatssecretaris geeft aan dat hij naar dit punt zal kijken in het kader van de vernieuwingsagenda. Ik heb ook gevraagd of hij er nader onderzoek naar wil laten doen. We krijgen signalen uit de praktijk dat dit echt noodzakelijk is. Ik zie graag iets meer actie op dit punt.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Mijn zorgen over de wijkteams en de daarin aanwezige deskundigheid blijven bestaan. De Staatssecretaris gaat in overleg en vindt ook dat er deskundigheid in de teams aanwezig moet zijn. Het is me echter niet duidelijk welke concrete actie hij onderneemt om daadwerkelijk de professionaliteit in de wijkteams te garanderen. Mevrouw Ypma van de PvdA zei terecht dat de wijkteams moeten bestaan uit professionals. Ik krijg berichten van mensen die bezocht zijn door een heel aardige pabo-student, die er helaas totaal geen kaas van gegeten had hoe het zorglandschap werkte. Ik ben het met mevrouw Ypma eens dat er deskundigheid in de teams moet zitten. De mensen in de wijkteams moeten immers signaleren of er sprake is van bijvoorbeeld kindermishandeling. Graag hoor ik wat de Staatssecretaris concreet aan de deskundigheid in de wijkteams gaat doen.

Ik ben wel te spreken over het feit dat de Staatssecretaris bereid is om in overleg te treden met de VNG en de Inspectie Jeugdzorg om het probleem met de lijst van aanbieders op te lossen. De gemeenten lopen er al geruime tijd tegenaan. Ik ben blij dat de Staatssecretaris dit erkent. Ik wil graag weten wanneer we informatie krijgen over de uitkomsten van het overleg, want we willen het natuurlijk volgen.

Tot slot, ik heb hetzelfde probleem als mevrouw Voortman van GroenLinks. Zij twijfelt of ze een opdracht aan de Staatssecretaris moet meegeven met betrekking tot de extra korting en het verdeelmodel, waarover gemeenten grote zorgen hebben. Mevrouw Berndsen van D66 geeft terecht aan dat gemeenten al contracten zijn aangegaan en dat ze erop moeten kunnen rekenen dat er geen veranderingen komen. Ik begrijp niet zo goed waarom de staatsecretaris niet toezegt dat hij afstapt van het ingroeipad van één jaar, of in ieder geval naar een langer groeipad kijkt en afziet van de korting, omdat dit inderdaad geen goed plan was.

De heer Bisschop (SGP): Voorzitter. Allereerst dank ik de bewindspersonen voor de beantwoording van de vragen. Die laat eigenlijk geen vragen meer open. Ik wil alleen nog graag de termijn weten waarop de informatie van de beschouwingen met de gemeenten over de relatie zorg en passend onderwijs, waarnaar de Staatssecretaris verwees, beschikbaar is en wanneer de Kamer nader geïnformeerd wordt.

Ik stem van harte in met de waardering voor de inzet van alle mensen die dit complexe proces op deze wijze begeleid en tot zover gebracht hebben.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. Ik dank beide Staatssecretarissen voor de toezeggingen. We hebben uitgebreid gediscussieerd over de standaarden. Het gaat er nu om dat dit punt met partijen opgepakt wordt, zodat we tot minder administratieve lasten komen. Dat is immers ook een proces in ontwikkeling.

Hetzelfde geldt voor de outcome-criteria, wat ook een manier is om tot minder administratieve lasten te komen. Ik noem het nog maar een keer. Als men stuurt op outcome-criteria in plaats van op allerlei details, heeft men veel minder administratieve lasten. Het is dus een mogelijkheid en het is niet voor niets in de wet verankerd. Ik vraag de Staatssecretaris hieraan nogmaals aandacht te besteden en het Jeugd Ondersteuningsteam of het Ondersteuningsteam Decentralisaties in te zetten om gemeenten duidelijk te maken op welke manier ze op outcome kunnen sturen. Ik noemde al het fantastische voorbeeld van de regio Rijnmond waar men de outcome kan meten van wijkniveau tot de Gemeentelijke monitor, waarvan het integraal deel uitmaakt. Dit voorbeeld verdient aanbeveling.

Ik heb nog geen antwoord gekregen op mijn vraag over rechtmatigheid. Ik gaf een mooi voorbeeld van de manier waarop professionals en ouders ruimte krijgen om snel tot goede hulp te komen, zonder allerlei beschikkingen en indicaties. Tegelijkertijd ontstaan daardoor rechtmatigheidsproblemen, zowel bij de aanbieder als bij de gemeenten. Is dit met een voorlegger opgelost voor dit jaar, maar ook voor de toekomst?

Tot slot heb ik volgens mij nog geen antwoord gekregen op mijn vraag over de herindicatie bij pgb's. Hoe zorgen we ervoor dat de gemeenten de informatie hierover heel goed op de websites plaatsen of anderszins bijvoorbeeld via de patiëntenorganisaties verspreiden, zodat de mensen weten waaraan ze toe zijn en waar ze terechtkunnen?

Mevrouw Gerbrands (PVV): Voorzitter. Drie van mijn vragen zijn nog niet beantwoord. Ik heb gevraagd naar de bovenregionale zorg die geleverd wordt zonder dat hierover contractafspraken gemaakt zijn. Ik heb de garantie gevraagd dat de geleverde zorg uitbetaald wordt. Omdat er van alle kanten kortingen boven de markt dreigen, krijg ik graag een toezegging hierover, ook in relatie tot de inkoop voor 2016.

De vraag met betrekking tot de privacy waarvan de Staatssecretaris dacht dat die beantwoord was, had geen betrekking op de koppeling van gegevens, maar op de specifieke uitvraag door gemeenten van zorgverleners. De gemeente stelt vragen als: waarvoor is die factuur, wat is de diagnose? De gemeente stelt zelfs een vraag als: wat is de diagnose van de ouders? Het gaat erom dat de gemeente heel erg ver gaat. Het lijkt me niet wenselijk dat de gemeenteambtenaar, die misschien met zijn zoontje langs de lijn van hetzelfde voetbalveld staat als het kind met zorg, over al die gegevens beschikt, terwijl dat niet nodig is. Daarover ging mijn vraag met betrekking tot de privacy.

Ik heb ook gevraagd waar in hemelsnaam de expertise gebleven is. Heeft het te maken met de wetswijziging Professionalisering Jeugdzorg, die vorig jaar behandeld is? Er zijn allerhande ontslagen bij de Bureaus Jeugdzorg gevallen. Waar zijn die mensen gebleven? Heeft het te maken met geld en de bezuinigingen? Waar zit het in? Op deze vraag krijg ik graag nog antwoord.

Tot slot wil ik nog een opmerking maken. Ik vind het allemaal heel mooi: de outcome-criteria, de vernieuwingsagenda enzovoorts. Daarover wordt elke keer in deze en andere VWS-commissies volop gesproken. Laten we er nu eerst eens voor zorgen dat de basis op orde is en vandaaruit allerlei vernieuwingen doorvoeren. Dat lijkt mij de beste weg om te volgen.

Mevrouw Keijzer (CDA): Voorzitter. Ik hoor nog graag van de Staatssecretaris of hij bereid is onderzoek te doen naar de 15.000 plaatsingen in de residentiële voorzieningen. In de wet is opgenomen dat men per keer moet bekijken of men kinderen in huis kan plaatsen, dus bijvoorbeeld in een pleeggezin. Ik ben heel benieuwd hoe het daarmee staat. Voor de rest zijn alle dingen gepasseerd of is de Staatssecretaris ermee bezig.

Ik wil nog een onderwerp aansnijden, waarvoor ik in de eerste termijn geen tijd meer had. Wat is het beeld van de Staatssecretaris ten aanzien van de tarieven die gemeenten vastgesteld hebben bij het contracteren van allerlei jeugdhulp? Uit de monitor van de VNG blijkt dat er zorgen zijn ten aanzien van de tarieven. Zijn ze wel toereikend? Waarom is dat belangrijk? Dat is eigenlijk heel simpel. Aan kwalitatief goede jeugdhulp hangt een prijskaartje. Als door onzekerheden, grote kortingen of onduidelijkheid over wat noodzakelijk is, de tarieven zo laag worden bijgesteld dat de kwaliteit in het geding komt en kinderen en jongeren niet meer de hulp en zorg krijgen die ze nodig hebben, hebben we het uiteindelijk niet goed gedaan. Graag krijg ik hierop een reactie van de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Rijn: Voorzitter. Ik antwoord op volgorde van inbreng.

Mevrouw Voortman vroeg of vermindering van administratieve lasten een reden was om de standaardisering in de wet op te nemen, hoewel die er eerder uit geamendeerd was. We hebben de Jeugdwet gemaakt en ingevoerd. We zijn nu drie maanden verder en signaleren dat er een werkagenda van gemeenten en zorgaanbieders ligt om de administratieve lasten aan te pakken. Ik heb goede hoop dat die tot resultaten zal leiden. Mocht dat niet het geval zijn, dan kunnen we er altijd nog over spreken. Ik stel voor het even af te wachten.

Mevrouw Voortman en mevrouw Van der Burg vroegen of gemeenten wel voldoende en goede informatie geven over de pgb's. Ik heb de indruk dat dit gebeurt. Als dat niet het geval is, moet het natuurlijk wel. Ik zeg bij dezen toe dit punt nog een keer met de VNG te bespreken.

Ik kan mevrouw Voortman geen raad geven bij haar overweging om een motie in te dienen met betrekking tot het financiële probleem. Die afweging moet ze zelf maken.

Met betrekking tot de financiële kwesties sprak mevrouw Berndsen de hoop uit dat we er met de VNG uitkomen. Die hoop spreek ik ook uit. Er staat vrij veel druk op door de periode die we nog hebben tot de meicirculaire en door alle besluitvorming die nodig is voor de Voorjaarsnota. We moeten dus op vrij korte termijn een aantal gesprekken voeren. Ik hoop dat we eruit komen. Dat is uiteraard mijn intentie.

Mevrouw Berndsen vroeg of er nader onderzoek moet plaatsvinden naar de overgang van 18-min naar 18-plus. Dit onderwerp staat ook op de lijst van de inspectie. De inspectie bekijkt of het goed loopt en ziet hierop toe. Ze doet verder onderzoek naar de werking van het jeugdzorgstelsel. Ik heb net al gezegd dat de inspectie specifiek naar de toegang kijkt. Wellicht kan dit onderwerp in het lopende onderzoek meegenomen worden. Ik zal dat met de inspectie bespreken.

Mevrouw Kooiman vroeg me specifieker in te gaan op de kwaliteit van de wijkteams. Ik heb geprobeerd aan te geven dat er een aantal lagen zijn. De wettelijke kwaliteitseisen zijn in de wet geregeld en de inspectie ziet daarop toe. Ik heb al gezegd dat de inspectie in 2015 nader onderzoek doet om te bekijken hoe het met de kwaliteit van de wijkteams is gesteld. Verder hebben we algemene deskundigheidsbevorderingen. Het Nationaal Jeugdinstituut, het Nederlands Jeugdinstituut en ZonMw hebben een programma om de deskundigheidsbevordering verder bij de gemeenten neer te leggen. Samen met de VNG is er een programma ontwikkeld ter bevordering van het delen van kennis van de wijkteams zelf, dus in de praktijk. Verder is er het toezicht van de gemeenteraad. Met de wettelijke waarborgen, het delen van kennis, het toezicht van de inspectie en de zorg voor de uitwisseling van de praktijkkennis, leveren we dus de komende periode een forse inspanning om de kwaliteit van de jeugdteams niet alleen in de gaten te houden, maar die ook te bevorderen. Daarmee gaan we ook door.

Mevrouw Kooiman zei dat de korting eraf moet en dat het ingroeipad langer moet worden. Dat zijn duidelijke boodschappen. Ik heb al gezegd dat we intensief in overleg met de VNG zijn over de gehele financiële problematiek. Ik ben een beetje voorzichtig met het ingroeipad. Ik voel wel mee met wat mevrouw Kooiman zegt, maar we hebben afgesproken om de Raad voor gemeentefinanciën en de VNG om advies te vragen. De VNG zegt om moverende redenen dat het ingroeipad bij de jeugdhulp misschien korter moet zijn. Ik heb gevraagd of ze dat wel zeker weet, omdat ik tot een zorgvuldig ingroeipad wil komen. Mevrouw Kooiman merkt aan mij dat ik me ook afvraag of het niet verstandig is om het ingroeipad wat langer te maken. Met deze intentie ga ik hierover in overleg met de VNG.

De heer Bisschop had nog een vraag ten aanzien van het passend onderwijs. Ik heb niet precies paraat wat we in het vorige debat, samen met collega Dekker, hebben afgesproken over de termijn waarop de handreiking beschikbaar is voor ouders. Ik hoor nu uit betrouwbare bron dat het voor de zomer is. Een en ander komt in ieder geval of voor de zomer of in de eerstvolgende voortgangsrapportage Jeugd, zodat we het kunnen borgen.

Mevrouw Keijzer (CDA): Het was iets scherper. We hebben afgesproken dat het voor de zomer komt en dat we hierover voor de zomer nog een algemeen overleg hebben.

Staatssecretaris Van Rijn: Dat laatste durf ik niet te zeggen, want dat betreft de agenda van de commissie.

Er zijn inderdaad goede voorbeelden met betrekking tot de administratieve lasten en de outcome-criteria. Mevrouw Van der Burg noemde het al. Overigens moeten we wel enige voorzichtigheid betrachten bij het goede voorbeeld, want ook daarin bleek het bijvoorbeeld moeilijk om kwantitatieve resultaten te definiëren. Je ziet een enorme lastenverlichting als je een en ander op een andere manier regelt, maar het is dan toch nog lastig om de kwantitatieve kant goed in beeld te brengen. Dit neemt niet weg dat mevrouw Van der Burg volstrekt gelijk heeft. Als je de kansen van het nieuwe stelsel ook benut om andere contractafspraken en afspraken ten aanzien van de outcome te maken, kun je grote slagen maken. Of er een rechtmatigheidsvraag optreedt, hangt samen met het contract dat je hebt afgesloten. Als je een contract met allerlei toetsingspunten hebt afgesloten, wil de accountant weten of je het conform de toetsingspunten hebt gedaan. Als je het anders doet, ben je natuurlijk veel vrijer. Er wordt nu inderdaad gezocht naar een modeloplegger, om te kijken of we de rechtmatigheidsvraag op een gemakkelijker manier kunnen tackelen. Ik zal ernaar kijken. Het is inderdaad de bedoeling dat een aantal van de rechtmatigheidsvragen op die manier opgelost kunnen worden.

Ik dacht dat ik de vraag over de pgb's al had beantwoord.

Mevrouw Gerbrands had nog een vraag over de bovenregionale zorg. Daarbij hangt het een beetje af van het contract. Er zijn bovenregionale afspraken. Er zijn landelijke arrangementen. Soms zijn er ook geen contracten. Wat doe je dan als er wel zorg geleverd is? Die moet natuurlijk betaald worden. De VNG heeft in overleg met de brancheorganisaties vorig jaar een factsheet Factureren bij geen contract uitgebracht. De belangrijkste aanbeveling was om in dat geval tariefafspraken te maken. Er zijn allerlei varianten denkbaar. Ik zeg toe dat ik in de tweewekelijkse cockpitoverleggen tussen brancheorganisaties, cliëntenorganisaties en gemeenten bekijk of dit een probleem is en waar het specifiek speelt. In zijn algemeenheid kun je zeggen dat geleverde zorg betaald moet worden. Dat zullen de leden ook vinden. Het gaat om de knelpunten die optreden bij facturatie zonder contract.

Mevrouw Gerbrands vroeg waar de expertise is gebleven. De expertise wordt op veel plekken ingezet. Veel mensen van Bureau Jeugdzorg zijn ingezet bij de toegang en soms ook op andere plekken, bij andere zorgaanbieders. De expertise die Bureau Jeugdzorg had, wordt in veel gevallen gebruikt bij de zorgaanbieders of bij de toegang door de gemeente. Ik heb niet de indruk dat de expertise grootscheeps is weggegaan bij de jeugdhulp, wel dat deze op veel plekken is ingezet. Ik heb net al gezegd dat we de kwaliteit van de toegang uitgebreid blijven volgen. We doen dat niet alleen door deskundigheidsbevordering en praktijkuitwisseling, maar ook simpelweg door toezicht.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Ik vraag het omdat de klacht van de wijkteams is dat er te weinig expertise is. Ik vraag me vervolgens af waar die dan wel zit. Dat was mijn vraag. Als de expertise niet bij de wijkteams zit, waar wordt die dan wel ingezet? Als we met wijkteams willen werken, moeten we ervoor zorgen dat de expertise aan de voorkant zit.

Staatssecretaris Van Rijn: Dat ben ik met mevrouw Gerbrands eens. Daar is een brede expertise nodig. Overigens constateer ik dat op heel veel plekken de expertise naar de wijkteams is gegaan. Op plekken waar onvoldoende expertise aanwezig is, moeten we goed opletten door middel van alle acties die ik net heb genoemd. Soms is de expertise bij de zorgaanbieders terechtgekomen. Een en ander hangt ook een beetje af van de functie die men het wijkteam geeft.

Met betrekking tot de privacy was er een vraag over de uitvraag. Met het CBP hebben we de discussie gevoerd of een aparte wettelijke voorziening nodig was om verkeerde uitvraag te voorkomen. Die wettelijke voorziening maken we nu. Er is discussie geweest over de vraag of het nu geregeld was. Wij denken dat het goed geregeld is, maar we komen tegemoet aan de wens van het CBP om een en ander wettelijk vast te leggen. Dat zetten we dus in gang. Volgens mij hebben we dit ook al aan de Kamer laten weten.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Is het dan opgenomen in de «geweldige» veegwet die eraan komt?

Staatssecretaris Van Rijn: Ik ben blij dat mevrouw Gerbrands die wet op voorhand al geweldig vindt.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Iedereen lacht om deze opmerking, maar de Staatssecretaris kent mijn toon ondertussen. Daaruit valt niet af te leiden of ik die wet geweldig vind. Ik heb hem ook nog niet van voren naar achteren gelezen. Mijn indruk is dat de wet de bevoegdheid om gegevens uit te vragen juist vergroot en niet verkleint. Dat houdt mensen tegen om hulp te vragen. Het lijkt mij de omgekeerde weg. Het is dus niet de kant die ik op wil.

De voorzitter: Na een dag vol debatten, is er toch nog stampei over en weer.

Staatssecretaris Van Rijn: Nu krijg ik weer een winstwaarschuwing. We zullen er bij de behandeling van de veegwet over spreken.

Mevrouw Keijzer vroeg om onderzoek naar de kinderen in de residentiële voorzieningen. Na een termijn van drie maanden kunnen we er niets over zeggen. Er zullen verschuivingen optreden. We zien al wat beweging. Ik heb net al gezegd dat we allerlei onderzoeken laten doen. We hebben de discussie over het zorglandschap. We krijgen cijfers van het CBS zodat we op den duur kunnen meten of er inderdaad verschuivingen plaatsvinden. Uit de discussie over het zorglandschap komt naar voren dat we op den duur een verschuiving zullen zien, namelijk minder residentiële plaatsingen en meer hulp en zorg aan de voorkant. Die beweging wordt nu in gang gezet, maar heeft veel tijd nodig. Die verschuiving kun je niet in drie maanden meten. We krijgen regelmatig cijfers met betrekking tot de manier waarop het proces zich voltrekt en hoe snel het gaat. In de gehele zorglandschapdiscussie is de aanname gedaan dat het een verschuiving van 30% kan betekenen. Die zullen we in de praktijk moeten volgen. Aan de hand van de CBS-cijfers zullen we hierover spreken.

Natuurlijk moeten er tarieven worden vastgesteld waarvoor goede jeugdhulp kan worden gegeven. Uit berichten van de TAJ blijkt dat er inderdaad kortingen worden doorgevoerd. Tegelijkertijd zijn er onderzoeken naar de tariefstelling gedaan. Daaruit krijg ik niet de indruk dat er tarieven worden afgesproken waarvoor het volstrekt onmogelijk is om jeugdhulp te geven. Over het algemeen zien we een tamelijk gematigd beeld, behoudens wat uitschieters. We zullen het de komende periode nauwgezet in de gaten houden. De TAJ beziet de tariefstellingen ook om te bekijken of daaruit onbedoeld continuïteitsvraagstukken naar voren komen. Die signalen zijn er tot dusver niet.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik heb dat in het stuk van de TAJ niet kunnen terugvinden. Uit de monitor van de VNG blijkt dat in ieder geval de zorginstellingen zeggen dat de huidige tarieven bij individuele begeleiding niet kostendekkend zijn. Verwijzen naar een beweging van individuele begeleiding naar groepsbegeleiding vind ik te gemakkelijk. Groepsbegeleiding is namelijk niet voor iedereen geschikt. De Staatssecretaris zegt net dat er onderzoeken naar de tarieven zijn geweest. Kan hij die voor ons nog eens op een rijtje zetten? Dan hoef ik de Staatssecretaris niet bij motie op te roepen om onderzoek naar de tarieven te doen. Naar de mening van het CDA is dit zeker een systeemverantwoordelijkheid.

Staatssecretaris Van Rijn: Het is zeker een systeemverantwoordelijkheid om dit in de gaten te houden. Ik heb begrepen dat de TAJ apart onderzoek naar de tariefstelling doet. Ik weet niet precies wanneer dat klaar is. Zodra het afgerond is, zal ik het naar de Kamer sturen. Ik durf nog geen datum te geven. Ik moet even met de TAJ bespreken wanneer het onderzoek afgerond is.

De voorzitter: Horen we dat nog?

Staatssecretaris Van Rijn: Ik heb geen enkele illusie dat u het niet zult horen.

De voorzitter: Het is goed de Kamer daarvan in kennis te stellen.

Staatssecretaris Van Rijn: We zullen het laten weten.

Mevrouw Gerbrands (PVV): Ik heb ook gevraagd of we niet te hard van stapel lopen met allerlei experimenten en de vernieuwingsagenda en of we er niet eerst voor moeten zorgen dat de basis goed is. De basis is een beetje mijn ding.

Staatssecretaris Van Rijn: Het spreekt mij ook wel aan. Bij de overgang van het systeem hebben we ongelooflijk veel aandacht gegeven aan de continuïteit van zorg en het behoud van expertise, omdat we de overgang zo beheerst mogelijk wilden laten verlopen. Iedereen constateert dat dit wel zo'n beetje lijkt te zijn gelukt, maar vraagt zich af of de vernieuwingsslag voldoende op gang komt. Ik ben redelijk voorzichtig. Het is goed om de continuïteit van zorg in de gaten te houden. Mijn oordeel is dat het allemaal redelijk beheerst verlopen is. Nu zijn er vernieuwingsslagen nodig, maar niet alles hoeft op één dag. Onze ervaring met jeugdhulp hebben we in tientallen jaren opgebouwd. We moeten dus niet het idee hebben dat we in een nieuw stelsel alles in drie maanden voor elkaar kunnen krijgen. Dat hoeft ook helemaal niet. Het is goed dat het geleidelijk proces is en dat moet het ook zijn.

De voorzitter: Hiermee is een einde gekomen aan de tweede termijn van de zijde van het kabinet. We hebben de volgende toezeggingen genoteerd.

  • De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft toegezegd om de Kamer na de zomer de nieuwe cijfers over voogdij en ots te sturen.

Vervolgens heb ik een aantal toezeggingen van de Staatssecretaris van VWS.

  • De Kamer wordt geïnformeerd over de uitkomsten van het overleg met de VNG over het ingroeipad van het verdeelmodel Jeugdwet. Dit is dus voor de meicirculaire, en wel 28 mei.

  • In het kader van de voorjaarsrapportage zal de Kamer, na overleg met de VNG, worden bericht over de verdeling van de budgetten over de domeinen op basis van de realisatiecijfers.

  • De Kamer ontvangt regelmatig kwartaalrapportages over het nieuwe jeugdstelsel.

  • De Kamer ontvangt in oktober de resultaten van onderzoek naar de toegang tot jeugdhulp, inclusief de CBS-cijfers over het gebruik van jeugdhulp.

  • De Kamer wordt bericht over de uitkomsten van het overleg met de Inspectie Jeugdzorg en de gemeenten over de lijsten van nieuwe aanbieders.

  • De Kamer wordt geïnformeerd over de informatievoorziening over pgb's door gemeenten.

  • De verwerking van de persoonsgegevens wordt nader geregeld in de veegwet.

  • De Kamer ontvangt de resultaten van het onderzoek van de TAJ naar de tariefstelling.

Er is een toezegging van de Staatssecretaris van OCW voor de heer Bisschop, die Staatssecretaris Van Rijn echter niet zo duidelijk naar voren heeft gebracht.

  • De Staatssecretaris van OCW stuurt de Kamer voor de zomer de handreiking inzake jeugdhulp en passend onderwijs.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik wil een motie indienen over de verantwoordingsstandaarden.

De voorzitter: Er wordt een VAO aangevraagd met mevrouw Voortman als eerste spreker. Moet dit nog voor het reces? Dat betekent dat het VAO morgen al moet plaatsvinden.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Dat hoeft niet per se.

De voorzitter: Omwille van de agenda, de druk en de zorgvuldigheid tillen we het VAO over het reces heen.

Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit algemeen overleg over de decentralisatie van de jeugdzorg. We zijn een half uur later begonnen, maar ook een half uur eerder klaar. Ik dank iedereen voor zijn of haar constructieve bijdrage om zich op deze manier aan de tijd te houden. Ik dank de Staatssecretaris van VWS en uiteraard ook de Staatssecretaris van V en J, de ambtelijke ondersteuning en de Kamerleden voor hun inbreng en iedereen die dit debat in de zaal dan wel op een andere manier gevolgd heeft.

Sluiting 12.58 uur.