Gepubliceerd: 18 juni 2009
Indiener(s): Ronald Plasterk (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA)
Onderwerpen: hoger onderwijs onderwijs en wetenschap onderzoek en wetenschap
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31821-53.html
ID: 31821-53

31 821
Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing)

nr. 53
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 juni 2009

Afgelopen maandag heb ik met de Vaste Commissie voor Ondewijs, Cultuur en Wetenschap van uw Kamer in een wetgevingsoverleg overleg gevoerd over, onder meer, het wetsvoorstel Versterking besturing (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 281). Donderdag 18 juni zal dit overleg worden voortgezet in een plenaire behandeling. In dat wetgevingsoverleg heb ik een aantal toezeggingen gedaan die ik in deze brief kort recapituleer. Ook heb ik de Commissie toegezegd haar voor donderdag te nader informeren over een aantal onderwerpen en u mijn oordeel te geven over de op dat moment ingediende amendementen. In deze brief reageer ik ook op amendementen die na het wetgevingsoverleg zijn ingediend en wel tot en met amendement 33. Om praktische redenen kan ik niet ingaan op eventuele latere amendementen.

I. Gedane toezeggingen tijdens het wetgevingsoverleg

In het overleg van afgelopen maandag heb ik de volgende toezeggingen gedaan:

• In het debat is aan de orde gekomen dat er verschillende zienswijzen bestaan bij de VSNU en bij mij over de prijs per student en de ontwikkelingen daarin in de afgelopen jaren. In het Bestuurlijk overleg met de VSNU zal ik dit aan de orde stellen en uw Kamer daarover informeren;

• Ik zal met de instellingen en studenten overleggen over de vraag op welke wijze er een betere medezeggenschapscultuur kan ontstaan. In dat verband zal ik ook de positie van de opleidingscommissie aan de orde stellen. Daarnaast zal de ik een onderzoek laten uitvoeren naar het functioneren van de opleidingscommissie en de mogelijkheden om hun rol te versterken. Over een jaar zal ik u informeren over de resultaten hiervan.

• De NVAO heeft achterstanden bij de beoordeling van accreditatieverzoeken. Hierdoor overschrijdt de NVAO de beoordelingstermijnen. Ik zal met de NVAO resultaatsafspraken maken zodat achterstanden op korte termijn tot het verleden behoren. Ik zal de Tweede Kamer van de uitkomsten op de hoogte stellen.

• In het Algemeen Overleg van december jl. heb ik u toegezegd te komen met een nieuwe Internationaliseringnotitie. Deze zal u worden toegestuurd op Prinsjesdag.

• Ik zal met de levenbeschouwelijke universiteiten nader overleggen over de problematiek rondom deficiënties en studiefinanciering zoals in het debat aangegeven door dhr. Van der Vlies.

• Naar aanleiding van de vragen omtrent macrodoelmatigheid heb ik u een vergelijking toegezegd met de verschillen tussen het systeem in het hoger onderwijs en in de bve-sector wat betreft de mogelijkheden van instellingen om nieuwe opleidingen te starten en nieuwe vestigingsplaatsen in te richten. Deze notitie zal ik u voor de begrotingsbehandeling toezenden.

II. Nadere toelichting

Ik heb u toegezegd een aantal punten schriftelijk te verhelderen.

1. Onderwijs in het buitenland

In de notitie Grenzeloos Goed heb ik aangegeven dat, in het kader van internationalisering, het exporteren van hoger onderwijs mogelijk moet worden. In dit wetsvoorstel heb ik voorgesteld dat rechtspersonen voor hoger onderwijs in het buitenland geaccrediteerde opleidingen kunnen verzorgen en daarvoor een Nederlandse graad kunnen verlenen. Die mogelijkheid is niet toegekend aan bekostigde instellingen ter voorkomen van het wegvloeien van publieke middelen naar het buitenland. Zij moeten volgens de huidige tekst van het wetsvoorstel een aparte rechtspersoon oprichten waaraan dan geaccrediteerde opleidingen moeten zijn verbonden, willen zij onderwijs in het buitenland verzorgen.

Naar aanleiding van de vragen uit de Kamer meen ik dat het ook mogelijk is om die bevoegdheid toe te kennen aan bekostigde instellingen. Uitdrukkelijk teken ik daarbij aan dat dat onderwijs in het buitenland dan niet wordt bekostigd. Er zijn «reguliere» voorschriften op grond van de bestaande wet- en regelgeving wat betreft de besteding van publieke middelen. Mocht de bevoegdheid tot graadverlening in het buitenland ook worden toegekend aan bekostigde instellingen, dan lijkt het me van belang dat er in dit verband bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld aan de instellingen voor het verzorgen van onderwijs in het buitenland. Hiermee zou dan kunnen worden voorzien in duidelijke voorwaarden, zodat «weglek» van publieke middelen wordt voorkomen. Ook ligt het mijns inziens voor de hand dat dit nader gemonitord wordt.

In de bijlage bij deze brief ga ik nader in op de mogelijkheid van graadverlening in het buitenland door bekostigde instellingen.

2. Evaluatiebepaling in de wet.

Ik heb in het overleg aangegeven dat het niet ongebruikelijk is dat een wetsvoorstel een evaluatieverplichting in zich heeft en dat in dat geval de gebruikelijke periode vijf jaar bedraagt. Indien u een evaluatiebepaling zou willen voorstellen in de wet ligt het naar mijn oordeel voor de hand die termijn aan te houden. De ervaring leert dat een kortere evaluatietermijn het niet goed mogelijk maakt het effect van de wijzigingen in de praktijk te onderzoeken en te beoordelen.

3. Branchecode

Onder verwijzing naar blz. 21 van de nota naar aanleiding van het verslag vraagt het lid Van Dijk (SP) zich af waarom de minister met zoveel slagen om de arm aankondigt dat hij «te zijner tijd zal bezien of de branchecodes van de HBO-raad en VSNU in aanmerking zouden kunnen komen om te worden aangewezen».

Deze passage is op deze manier geformuleerd omdat de branchecodes van VSNU en HBO-raad niet op basis van de huidige wet kunnen worden aangewezen. In het voorliggende wetsvoorstel is die grondslag voor aanwijzing van een branchecode wel opgenomen en wel in art. 2.14: «Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van het verslag en bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer branchecodes voor goed bestuur worden aangewezen.» Aanwijzing van de codes van HBO-raad en VSNU kan pas als het wetsvoorstel is aanvaard en de bepaling inwerking is getreden.

4. Ambtsopleiding

In het overleg op 15 juni is door het lid Van der Vlies (SGP) gevraagd waarom het seminarium van de Hersteld Hervormde kerk, verbonden aan Vrije Universiteit Amsterdam geen bekostiging ontvangt. Dit vloeit voort uit de huidige wet. De WHW beperkt de bekostiging van seminaria tot zeven ambtsopleidingen, genoemd in artikel 16.21, derde lid. Het bedoelde seminarium is niet in deze opsomming opgenomen en er bestaat daarom geen aanspraak op bekostiging (een bijdrage uit ’s Rijks kas»). Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de lijst met seminaria uit de wet te schrappen, omdat deze niet langer nodig is. De financiering van deze seminaria verloopt via de universiteiten, geregeld in het Uitvoeringsbesluit WHW.

5. Studiekeuze-informatie

In het wetsvoorstel wordt artikel 7.15 aangepast in die zin dat de instellingen samen met de daarvoor in aanmerking komende belangenorganisaties van studenten afspraken moeten maken over de specificatie van de door de instelling te geven informatie (artikel 7.15, lid 2). Als zij daarin niet slagen, kan de minister bij ministeriële regeling nadere specificaties geven over vorm en inhoud van de informatie.

Blijkens bladzijde 25 van de memorie van toelichting is door het Bestuurlijk Samenwerkingsverband studiekeuze 123 (VSNU, HBO-raad, Paepon, ISO en LSVb) een specificatie van de te verstrekken informatie gemaakt die SURF in opdracht van deze stichting nader heeft uitgewerkt. De website Studiekeuze123.nl is sinds begin 2006 operationeel en voor iedereen toegankelijk. De daarin opgenomen gegevens worden nog voortdurend verbeterd en uitgebreid. De gegevens uit de database, waarop de website gebaseerd is, waren voor allerlei partijen (kranten, uitgevers enz.) al beschikbaar, maar zijn sinds kort voor iedereen on line beschikbaar op Studiekeuzeinformatie.nl. De gegevens worden nog altijd onder meer door het HOP gebruikt voor de Keuzegids Hoger Onderwijs, waarvan de voltijdgids én de deeltijdgids onlangs zijn verschenen.

Met deze Studiekeuze123 hebben de instellingen en studentenorganisaties voldaan aan de in het tweede lid van art. 7.15 aan hen gegeven opdracht en is het maken van een ministeriële regeling niet meer nodig. Alleen als er zich onverhoopt problemen voordoen, dan is handelen van de minister (in de vorm van het maken van een ministeriële regeling voor een beperkt aantal categorieën instellingen) noodzakelijk. Dat valt nu niet te verwachten.

6. Beroepsmogelijkheden profileringsfonds.

Het lid Zijlstra (VVD) heeft gevraagd wat de beroepsmogelijkheden zijn indien de omvang, het budget, van het profileringsfonds ontoereikend is om de wettelijke taak uit te voeren die de minister in de nota naar aanleiding van het verslag noemt (blz. 35/36).

Als er sprake zou zijn van een geschil tussen het instellingsbestuur en het medezeggenschapsorgaan over het profileringsfonds kan het medezeggenschapsorgaan de Landelijke geschillencommissie medezeggenschap in stelling brengen. Het medezeggenschapsorgaan heeft instemmingsrecht op de regels van procedurele aard, waartoe in ieder geval behoren regels omtrent de aanvang, de duur en de hoogte van de financiële ondersteuning.

Als een individuele student een geschil heeft met het instellingsbestuur over het profileringsfonds kan hij een beroep doen op de interne geschillencommissie. Dat geldt zowel bij een besluit tot het al dan niet verlenen op grond van een voorziening als bedoeld in het eerste lid van artikel 7.51 als op grond van een voorziening, bedoeld in het derde lid van dat artikel. Als het gaat om de verplichte voorziening op grond van het eerste lid zou het in strijd zijn met de bedoeling van de wet als een op zichzelf gerechtvaardigd beroep op het profileringsfonds kan worden afgewezen omdat het budget ontoereikend is. De voorziening op grond van het eerste lid moet dan ook zo worden ingericht dat dit niet kan voorkomen. Bij de facultatieve voorziening, bedoeld in het derde lid, is het aan het instellingsbestuur – samen met het medezeggenschapsorgaan – om te bepalen of er al dan niet een mogelijkheid wordt geschapen om verzoeken af te wijzen op grond van de ontoereikendheid van het budget. De voorziening dient dan wel helderheid te verschaffen op welke wijze verzoeken worden behandeld in relatie tot dat budget.

7. Beurzen voor niet-EER-studenten

Door het lid Anker (CU) is verzocht om aan te geven waar een en ander omtrent de zogenoemde kennisbeurzen is beschreven. In de memorie van toelichting wordt het begrip «kennisbeurs» niet expliciet gebruikt. In de toelichting wordt gesproken over «financiële ondersteuning van niet-EER-studenten». Dit wetsvoorstel regelt, zoals ik ook in de eerste termijn heb aangegeven, dat beurzen beschikbaar gesteld kunnen worden voor studenten van buiten de EER. Dit is geregeld in het profileringsfonds (art. 7.51, lid 3). Naar mijn mening is daarmee een goede regeling getroffen voor het verlenen van beurzen aan niet-EER-studenten.

8. Leden van de examencommissie

Hierover zijn verschillende amendementen ingediend. Kortheidshalve verwijs ik voor dit onderwerp naar mijn reactie onder de desbetreffende amendementen.

9. De betrokkenheid van de examencommissie bij EVC-procedure.

In de memorie van toelichting heb ik aangegeven (pag. 37) dat «het voor de hand (ligt) de examencommissies te betrekken bij de vaststelling van de EVC-beoordelingsstandaarden en het te hanteren EVC-instrumentarium.» In het debat is de vraag gesteld wat er gebeurt als de examencommissie niet wordt betrokken.

De verantwoordelijkheid omtrent de vaststelling van de EVC-procedure en -criteria is – net zoals voor de vaststelling van toelatingseisen – toegekend aan het college van bestuur (c.q. de decaan bij de universiteiten). Dit laat onverlet dat de examencommissie, bij uitsluiting, bepaalt of en welke vrijstellingen die desbetreffende student kan krijgen als hij of zij is ingeschreven. Voor een potentiële student is het vanzelfsprekend niet alleen interessant om een beeld te hebben van zijn competenties maar ook van de vraag als hij of zij een opleiding zou willen volgen hoeveel vrijstellingen er worden gegeven. Gegeven de bevoegdheidsverdeling kan de instelling bij een EVC-certificaat alleen aangeven dat er sprake kan zijn van vrijstelling voor bepaalde vakken, indien de examencommissie dat heeft geoordeeld en zich daarop vastlegt.

Als een student om vrijstellingen verzoekt onder overlegging van een Ervaringscertificaat (EVC-rapportage) heeft de examencommissie de verantwoordelijkheid zich te vergewissen van de deugdelijkheid van de uitgevoerde EVC-procedure die heeft geleid tot de beoordelingen zoals weergegeven in het Ervaringscertificaat. Omdat de examencommissie verantwoordelijk is voor de vrijstellingen moet zij zelf tot het oordeel komen dat er grond is voor vrijstelling. Het maakt daarbij niet uit of er dan sprake is van een Ervaringscertificaat van de eigen instelling als van een andere, externe instelling of organisatie.

Om deze redenen heb ik aangegeven dat betrokkenheid van de examencommissie voor de hand ligt.

III. Reactie op amendementen

Hieronder geef ik mijn oordeel over de tot dusverre ingediende amendementen. Met het nummer dat achter het amendement wordt genoemd, wordt verwezen naar het Kamerstuknummer.

Amendement 5 Collegegeld tweede studie

In dit amendement van het lid J. van Dijk (SP) is voorgesteld voor de student die een tweede studie volgt de gelegenheid te geven dit tegen wettelijk collegegeld in plaats van het instellingscollegegeld te kunnen doen. Voor de duidelijkheid: het gaat in dit amendement niet alleen om het vraagstuk van parallelle opleidingen, maar ook om opleidingen die ná elkaar worden gevolgd.

Met de beoogde wijziging in het wetsvoorstel is gekozen voor een nieuwe afbakening van de overheidsverantwoordelijkheid voor het met bekostiging kunnen volgen van een bachelor- en een masteropleiding. Er dienen budgettaire prioriteiten te worden gesteld. Bij een wijziging van de parameters van de bekostiging verandert het macrobudget niet; het kan leiden tot herverdeling tussen instellingen, maar niet tot een ander totaalbudget. Dat is bij collegegeld uiteraard anders. Hierbij gaat het om private bijdragen (bijdragen van studenten) die lager of hoger kunnen uitpakken. Dit heeft niet alleen directe gevolgen voor het bedrag aan collegegeld dat per instelling beschikbaar is maar ook voor het totaalbedrag dat voor het hoger onderwijs beschikbaar is.

In de huidige situatie kan de instelling instellingscollegegeld heffen als een student ouder is dan 30 jaar of als de student geen voltijdse opleiding volgt (deeltijdse of duale opleiding). In het voorstel zijn die eisen vervallen. Daarvoor in de plaats komt de regel dat aan de student die al een bachelor- of mastergraad heeft behaald een instellingscollegegeld kan worden gevraagd. Indien een student een graad Bachelor of Master is verleend is deze voldoende uitgerust voor het verdere werkzame leven, met steun van de overheid. Deze keuze is daarmee het complement van het vervallen van bestaande eisen, met name de leeftijdsgrens van 30 jaar. Daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd tot het leven lang leren. Het amendement betekent dat er geen grens wordt gesteld aan de overheidsverantwoordelijkheid voor bekostigd onderwijs. Dit betekent ook inkomstenderving voor de instelling.

Ik ontraad het amendement.

Amendement 10 Experimenteerbepaling

In dit amendement van het lid J. van Dijk (SP) wordt voorgesteld om de experimenteerbepaling geen betrekking te laten hebben op de medezeggenschap. Ik ontraad dit amendement. De experimenteerbepaling biedt de gelegenheid om te kunnen reageren op veranderende eisen van de maatschappij, om nieuwe regels uit te proberen en te testen op hun waarde. De experimenteerbepaling voorziet erin dat er geen willekeur plaatsvindt. De mogelijkheid van een specifiek experiment behoeft een grondslag in een algemene maatregel van bestuur. De Staten-Generaal zijn hierbij nauw betrokken doordat een voorhangprocedure is voorgesteld bij beide Kamers der Staten-Generaal. Hiermee is naar mijn mening de goede balans gevonden tussen enerzijds meer ruimte en anderzijds goede waarborgen. Ik zie dan ook geen reden om de experimenteerbepaling niet van toepassing te verklaren op de medezeggenschap. Ik heb vooralsnog geen voornemens op dit terrein te experimenteren maar wellicht dat uit het overleg met instellingen en studenten over de verbetering van de medezeggenschapscultuur ideeën naar voren komen waarmee geëxperimenteerd zou kunnen worden.

Wel moet voorkomen worden dat de instelling op basis van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) een experiment zou kunnen starten op het gebied van de medezeggenschap zonder dat de medezeggenschapsraad daarbij betrokken is. Mocht er een AMvB komen op grond waarvan er experimenten op het gebied van medezeggenschap mogelijk worden, kan in die AMvB als voorwaarde voor de instelling voor het deelnemen aan het experiment de eis worden opgenomen dat de medezeggenschapsraad van de desbetreffende instelling met het experiment heeft ingestemd.

Ik ontraad dit amendement.

Amendement 11 Instemmingsrecht begroting

Met dit amendement van het lid J. van Dijk (SP) wordt aan de medezeggenschapsraad het instemmingsrecht op de begroting toegekend. Het aanvaarden van dit amendement zou betekenen dat er medebestuur in plaats van medezeggenschap ontstaat. Met de invoering van de MUB in de jaren ’90 is het medebestuur afgeschaft. Er is geen enkele aanleiding om dat te herintroduceren. Ik wijs er verder op dat er in geen enkele andere onderwijssector een dergelijk instemmingsrecht bestaat.

Ik ontraad het amendement.

Amendement 12 Experimenteerbepaling

In dit amendement wordt voorgesteld dat de experimenteerbepaling niet van toepassing is op het collegegeld. Dit amendement van het lid J. van Dijk (SP) ontraad ik. In mijn reactie op amendement 10 heb ik aangegeven dat de bepaling een goede balans is tussen de mogelijkheid van experimenteren en voldoende (rechts)zekerheid.

In aanvulling daarop het volgende. In de beleidsreactie op het rapport Ruim baan voor talent zijn experimenten met betrekking tot de hoogte van het collegegeld aangekondigd (kamerstukken II 2007–2008, 29 388, nr. 15). Deze beleidsreactie is voorgelegd aan uw Kamer en kon rekenen op instemming. Ik denk hierbij aan de experimenten in het kader van het Sirius Programma, met differentiatie voor collegegeld bij enkele masteropleidingen.

Ik ontraad dit amendement.

Amendement 13

Vervallen.

Amendement 14 en 17 Aanvullende taken voor RvT

Door het lid Besselink (PvdA) is een amendement (nummer 17) ingediend waarin wordt voorgesteld om de interne kwaliteitszorg toe te voegen aan de toezichthoudende taak van de raad van toezicht. Door het lid Dibi (GL) is een amendement (nummer 14) ingediend waarin aan de taak van de raad van toezicht wordt toegevoegd het toezicht de interne dienstverlening en de kwaliteitszorg. De raad van toezicht heeft als taak toezicht te houden op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur. Daarnaast is een aantal zaken benoemd waar de raad in ieder geval mee is belast, zoals het toezien op de naleving van de wettelijke verplichtingen door het college van bestuur.

Kwaliteit is één van de pijlers van het hoger onderwijs en een goede interne kwaliteitszorg is een noodzakelijke voorwaarde. In artikel 1.18 WHW is daarom onder andere bepaald dat het instellingsbestuur zorg draagt voor een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling en van haar opleidingen. Kwaliteitszorg is dus een taak van het college van bestuur en valt daarmee onder de taak van de raad van toezicht. De HBO-raad heeft dit in zijn branchecode expliciet als taak van de raad van toezicht opgenomen.

Het amendement nummer 17 is derhalve niet noodzakelijk om deze taak van de raad van toezicht te verankeren. Ik heb er echter ook geen bezwaren tegen.

Ik laat het oordeel over amendement 17 aan de Kamer.

Het expliciet benoemen van de interne dienstverlening als toezichtgebied voor de raad in het amendement nummer 14 daarentegen is naar mijn oordeel diffuus. Het is een term die niet in de wet voorkomt, en die indirect zou kunnen leiden tot een nieuwe, weinig heldere bekostigingsvoorwaarde. De vormgeving van het onderwijs, de voorzieningen en dergelijke zijn neergeslagen in, met name, de onderwijs- en examenregeling en het studentenstatuut. Tegen een voorstel waarmee wordt beoogd aan de lijst van taken toe te voegen dat de raad ook toezicht uitoefent op de uitvoering van de werkzaamheden en de naleving van deze instellingsregelingen door het college van bestuur (en bij de universiteiten de decanen) zou ik geen principiële bezwaren hebben.

Ik ontraad het amendement nummer 14 in deze vorm. Indien het amendement wordt aangepast in de hierboven aangegeven zin, laat ik het oordeel over de Kamer.

Amendement 15 Tweede studie

In dit amendement van het lid Van der Vlies (SGP) wordt voorgesteld dat een student die gelijktijdig twee bacheloropleidingen volgt de tweede opleiding tegen wettelijk collegegeld kan afronden indien ten tijde van het afstuderen aan de eerste opleiding, reeds het propedeutisch examen van die tweede opleiding was behaald. Voor mijn reactie op een heldere afbakening van de overheidsverantwoordelijkheid verwijs ik naar amendement nummer 5 (SP), hoewel dit amendement minder verstrekkend is.

Ik begrijp het amendement nummer 15 zo dat geprobeerd wordt de positie van het wettelijk collegegeld voor de student die twee parallelle bacheloropleidingen volgt op een bepaalde wijze te verankeren. In het wetsvoorstel is echter al geregeld dat de student, nadat hij of zij de eerste opleiding heeft afgerond de tweede opleiding gedurende dat studiejaar kan vervolgen tegen wettelijk collegegeld. Daarna geldt het instellingscollegegeld. In het Bestuursakkoord hebben de instellingen ervoor gekozen om voor alle studenten die een wettelijk collegegeld verschuldigd zijn en die hun tweede opleiding deels parallel aan de andere opleiding hebben gevolgd een wettelijk collegegeld in rekening te zullen brengen. Bij die afspraak ben ik geen partij, maar de wettelijke bepaling staat de uitvoering van die afspraak niet in de weg.

Overigens wil ik er in wetstechnische zin op wijzen dat het propedeutisch examen niet verplicht onderdeel uitmaakt van de bacheloropleiding.

Ik ontraad dit amendement.

Amendement 16. Verhaalsrecht

Het wetsvoorstel kent een verhaalsrecht toe voor die gevallen dat de instelling haar wettelijke verplichtingen niet nakomt, de onderwijs- en examenregeling of het studentenstatuut niet naleeft, of als de instelling niet uitvoert hetgeen ze kenbaar heeft gemaakt in haar informatiemateriaal. Het materiaal moet, blijkens artikel 7.15, te kenschetsen zijn als informatie van de instelling aan studenten over het onderwijs, de inhoud en de examens van een opleiding zodat het de student in staat stelt opleidingsmogelijkheden te vergelijken. Over de te verstrekken informatie worden gezamenlijke afspraken gemaakt tussen de instellingen van belangenorganisaties van studenten.

Nogmaals wil ik benadrukken dat er geen sprake kan zijn van een geslaagd beroep op het verhaalsrecht als het gaat om beperkte afwijkingen. Het moet proportioneel zijn (het wetsvoorstel zegt: zaken van enige omvang), de verwachtingen van de student moeten (objectief) te rechtvaardigen zijn, er moet sprake zijn van materiële schade en de fout moet liggen bij de instelling of aan de instelling zijn toe te rekenen. Voor de gerechtvaardigde verwachtingen maakt het uit op welk materiaal een student zich baseert. De regelingen die de instelling op grond van een wettelijke verplichting maakt, leggen het meest gewicht in de schaal. Een wervingsfolder van een opleiding speelt nauwelijks een rol. Dat laat onverlet dat niet eenduidig is vast te stellen welk voorlichtingsmateriaal hieronder wel of niet valt. Dit zal de praktijk moeten uitwijzen.

Het beperken van het verhaalsrecht tot een verhaalsrecht vanwege het niet naleven van de bovengenoemde formele regelingen – zoals in amendement nummer 16 van het lid Van der Vlies (SGP) is voorgesteld – zal zeker leiden tot minder onduidelijkheden. Dan immers is het verhaalsrecht beperkt tot het niet naleven van hetgeen wettelijk of binnen de instelling (met – grotendeels – instemmingsrecht van de medezeggenschap) is vastgesteld. In mijn eerste termijn heb ik reeds aangegeven dat dit naar mijn mening tegemoet komt aan een aantal bezwaren die tegen het voorstel van het verhaalsrecht zijn ingebracht.

Ik laat het oordeel over dit amendement aan de Kamer.

Amendement 17 Aanvullende taken voor RvT

Voor mijn reactie op amendement nummer 17 van het lid Besselink (PvdA) verwijs ik u naar mijn reactie op amendement nummer 14 waar een gecombineerde reactie is gegeven op amendement 14 en 17.

Amendement 18 Instemmingsrecht OER

Het personeel heeft bij een gedeelde medezeggenschapsraad geen instemmingsrecht ten aanzien van de procedurele elementen van de onderwijs- en examenregeling (OER), terwijl dat bij ongedeelde medezeggenschap wel het geval is. Met dit amendement van het lid Besslink (PvdA) wordt dit recht wel toegekend aan het personeel bij hogescholen door het toekennen van dat recht aan de gezamenlijke vergadering.

Ik sta positief tegenover dit amendement omdat het de positie van de professional verstevigt. Wel wijs ik er op dat – omdat het amendement zich alleen uitstrekt over de hogescholen – er hiermee een verschil ontstaat in het recht van personeel bij gedeelde medezeggenschap tussen universiteiten en hogescholen.

Ik laat het oordeel aan de Kamer. Wel adviseer ik dit op overeenkomstige wijze te regelen voor de universiteiten in dit amendement.

Amendement 20 Collegegeld tweede studie

In dit amendement van de leden Dibi en Van Ham (GL en D66) is voorgesteld om de student ook na het behalen van een mastergraad in de gelegenheid te stellen een tweede masteropleiding tegen wettelijk collegegeld te kunnen volgen. Blijkens de toelichting lijkt beoogd dit te regelen voor masteropleidingen die deels parallel zijn gevolgd. Dit leidt tot een minder duidelijke afbakening van de verantwoordelijkheid van de overheid.

Het wetsvoorstel voorziet er daarnaast al in dat de student voor het zijn tweede opleiding gedurende het studiejaar waarin hij zijn eerste opleiding afrondt, wettelijk collegegeld verschuldigd is. Daarna geldt het instellingscollegegeld. Ik kan mij voorstellen dat instellingen een instellingscollegegeld vragen ter hoogte van het wettelijk collegegeld bij bepaalde groepen studenten, zoals studenten die al een eind gevorderd zijn in hun opleiding. De instellingen hebben er – blijkens het bestuursakkoord met ISO en LSVb – voor gekozen om voor alle studenten die een wettelijk collegegeld verschuldigd zijn en die hun tweede opleiding deels parallel aan de andere opleiding hebben gevolgd een wettelijk collegegeld in rekening te zullen brengen. Bij die afspraak ben ik geen partij, maar de wettelijke bepaling staat de uitvoering van die afspraak niet in de weg. Indien een of meer partijen bij het bestuursakkoord aanleiding ziet om het convenant niet na te leven zal daarover opnieuw overleg gevoerd moeten worden tussen de partijen.

Bovendien constateer ik dat de feitelijke strekking van het amendement veel breder is. Het amendement maakt door de huidige formulering ook het na elkaar volgen van een masteropleiding tegen wettelijk collegegeld mogelijk.

Overigens merk ik op dat het gegeven dat studenten twee masteropleidingen volgt, mijns inziens niet per definitie getuigt van excellentie. Wel ondersteun ik de opvatting dat zij daarmee hun kennis verbreden en – als er tenminste sprake is van verschillende disciplines hetgeen zeker niet altijd het geval is – dat het bijdraagt aan het interdisciplinair kunnen werken. Gegeven de budgettaire prioriteiten die gesteld moeten worden meen ik echter dat dit geen reden is voor een andere afbakening van de financiële verantwoordelijkheid van de overheid.

Ik ontraad het amendement.

Amendement nr. 21 Voordrachtsrecht voor de medezeggenschap

De leden Dibi en Besselink (GL en PvdA) stellen bij amendement voor de medezeggenschap het recht toe te kennen om een voordracht te doen dat een van de leden van de raad van toezicht wordt benoemd op voordracht van de studentenraad (bij gedeelde medezeggenschap) of de studentgeleding uit de universiteitsraad.

Het wetsvoorstel gaat uit van het recht van de medezeggenschap om gehoord te worden bij benoemingen in de raad van toezicht. Ik wil er op wijzen dat de procedure de voorkeur heeft van het veld, i.c. de VSNU en HBO-raad en van de LSVb, met uitzondering van het ISO dat opteert voor het recht om een lid voor te dragen. De zogenaamde horen-procedure is al sinds 1997 de praktijk bij benoemingen bij de raden van toezicht van de openbare universiteiten; deze procedure loopt naar tevredenheid van alle betrokkenen: minister, raad van toezicht en medezeggenschap. Naar mijn mening kan de medezeggenschap via het recht om gehoord te worden bij alle benoemingen materieel gezien een grotere invloed uitoefenen op de samenstelling van de raad van toezicht en bouwt men een betere werkrelatie met de raad op, dan wanneer er sprake zou zijn van het recht om één lid voor te dragen. Bovendien functioneert deze procedure thans bij de openbare universiteiten naar tevredenheid.

Er zijn echter geen onoverkomelijke bezwaren tegen de invoering van het voordrachtsrecht maar niet exclusief voor het studentendeel en ook niet náást de horenprocedure. Een horenprocedure én een voordrachtsrecht is dubbelop. Een voordrachtsrecht kan naar mijn oordeel niet betekenen dat het een absoluut bindend voordrachtsrecht is. De mogelijkheid moet bestaan dat in zwaarwegende redenen de voordracht niet wordt overgenomen.

Bovendien vraag ik uw aandacht voor het gegeven dat generieke invoering van het voordrachtsrecht de specifieke positie raakt van de minister van onderwijs, die immers de leden van de raad van toezicht van de openbare universiteiten benoemt en daarvoor politieke verantwoordelijkheid draagt. Daarom zou naar mijn oordeel voor een voordracht voor een benoeming in de raad van toezicht van een openbare in ieder geval de volgende voorwaarden moeten gelden:

– de voordracht moet passen binnen het profiel van de raad;

– de minister moet een keuze hebben en wel uit meer dan één kandidaat;

– de minister moet (gemotiveerd) kunnen afwijken van een voordracht, in welk geval hij nader overleg voert met de medezeggenschap.

Ik ontraad het amendement in deze vorm. Indien het amendement wordt aangepast in de hierboven aangegeven zin, laat ik het oordeel over aan de Kamer.

Amendement 22 Verhaalsrecht

Aanvaarding van het amendement nummer 22 van de leden Jan Jacob van Dijk (CDA) en Zijlstra (VVD) zou betekenen dat het verhaalsrecht op dit moment geheel uit het wetsvoorstel wordt gehaald. In het debat van afgelopen maandag is als optie naar voren gekomen dat dit niet hoeft te betekenen dat het verhaalsrecht uit beeld verdwijnt maar dat het onderwerp opnieuw wordt bestudeerd en bij een ander wetsvoorstel opnieuw wordt voorgelegd aan uw Kamer. Weliswaar staat een student in de tussentijd niet geheel met lege handen – de bestaande mogelijkheid van het verkrijgen van schadevergoeding vanwege onrechtmatige daad blijft in stand – maar een verbetering van de positie van de student die ik met het verhaalsrecht beoog, wordt dan niet gerealiseerd.

Het lid Zijlstra (VVD) heeft mij ook nog gevraagd in deze brief in te gaan op wat ik maar samenvat onder het begrip «uitvoeringslasten». Invoering van het verhaalsrecht nu of op een later moment, al dan niet beperkt als gevolg van aanvaarding van het amendement Van der Vlies (SGP, amendement nummer 16), zal voor de instellingen tot uitvoeringslasten leiden. Zij zullen immers een procedure voor de uitoefening van het verhaalsrecht moeten opstellen. Het is moeilijk op voorhand in te schatten hoeveel studenten per instelling op het verhaalsrecht een beroep zullen doen. Daarmee is ook onduidelijk hoeveel procedures hieruit zullen voortvloeien bij de geschillencommissie van de instelling.

Ik ontraad dit amendement.

Amendement 23 Seksuele intimiteiten

Met dit amendement van de leden J.J. van Dijk, Besselink, Anker, Zijlstra (CDA, PvdA, CU en VVD) wordt een verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven voorgesteld. In mijn brief van 11 juni jl. heb ik aangegeven dat ik me – omdat de universiteiten en meeste hogescholen een regeling hebben en omdat het aantal minderjarige in het hoger onderwijs relatief beperkt is – afvraag of een wettelijke regeling zoals bij po/vo/bve ook nodig is. Maar ik heb geen bezwaren tegen een dergelijk wettelijk voorschrift.

Ik laat het oordeel over aan de Kamer

Amendement 24 Collegegeld tweede studie

In dit amendement van het lid J. van Dijk (SP) wordt voorgesteld dat de student die nog geen 30 jaar is geen instellingscollegegeld verschuldigd is voor een tweede opleiding, ook al heeft hij of zij al een bachelor- of mastergraad behaald.

Voor mijn reactie het belang van een heldere afbakening van de overheidsverantwoordelijkheid verwijs ik naar mijn reactie op amendement nummer 5. Ook dit amendement maakt de begrenzing hiervan minder duidelijk en kan daarmee leiden tot verdunning van de inzet van de voor hoger onderwijs beschikbare middelen.

Ik ontraad het amendement.

Amendement 25 Frequentie van het instellingsplan beperken

In het wetsvoorstel stel ik voor de frequentie van het instellingsplan terug te brengen van een maal per twee jaar naar ten minste een maal per vier jaar in navolging van de (eerder al veranderde) frequentie van het Hoger onderwijs- en onderzoeksplan. Het instellingsplan bevat de strategische beleidsvoornemens van de instelling en is in eerste instantie bedoeld voor de instelling zelf. Ik meen dat de periode van 4 jaar een goede balans is tussen enerzijds het voorkómen van onnodige bureaucratische lasten en anderzijds het opnieuw overdenken en overleggen met anderen over de strategische beleidsvoornemens. Het instellingsplan dwingt immers ook tot overleg met betrokken partners en de medezeggenschapsraad heeft hierop een instemmingsrecht. Om die reden geef ik de voorkeur aan een periodiciteit van 4 jaar, hoewel ik geen bezwaren heb tegen het voorstel om de wettelijk voorgeschreven periodiciteit te beperken tot (ten minste) een maal per zes jaar zoals neergelegd in dit amendement van de leden Zijlstra, J.J. van Dijk en Besselink (VVD, CDA en PvdA).

Ik laat het oordeel over aan de Kamer.

Amendement 26 Extern lid in de examencommissie

In het amendement van het lid Zijlstra (VVD) wordt voorgeschreven dat ten minste één lid in de examencommissie niet afkomstig is uit het personeel of de studenten van de instelling.

Met dit wetsvoorstel wordt de positie van de examencommissie versterkt. Daarbij richt het zich vooral op een versterking van de positie van de commissie ten opzichte van het college van bestuur en een andere oriëntatie van de commissie: meer op de inhoud dan – zoal nu het geval is – op de procedures. De commissie moet bestaan uit deskundigen op het terrein van een of meer opleidingen en moet onafhankelijk zijn. Ik heb er de voorkeur aan gegeven daarnaast niet in detail te regelen hoe de samenstelling van de examencommissie moet zijn om zo de nodige ruimte te geven om de examencommissie zo samen te stellen dat deze de groots mogelijk meerwaarde voor de opleiding heeft; maatwerk voor een of meer opleidingen met de meest gekwalificeerde mensen in de commissie.

Zoals ik ook al in de toelichting heb vermeld acht ik het een goede zaak als externe deskundigheid in de commissie is vertegenwoordigd; dit vergroot het «gezichtsveld» van de commissie en vergroot de onafhankelijkheid. In bepaalde geval zal benoeming van externe deskundigen niet mogelijk zijn, omdat de opleiding te klein en/of specifiek is of geen deskundigen beschikbaar zijn.

Het amendement spreekt niet alleen van «niet afkomstig uit het personeel» maar ook geen student. Ik wil opmerken dat ik van oordeel ben dat studenten geen zitting dienen te hebben in de examencommissie. Naar mijn oordeel past dat ook niet het profiel zoals hierboven geschetst.

Ik ontraad het amendement.

Amendement 27 Intern lid in examencommissie

In het amendement van de leden Zijlstra, Dibi en Besselink (VVD, GL en PvdA) wordt voorgesteld dat ten minste één lid als docent verbonden moet zijn aan de opleiding(en).

In aanvulling op hetgeen ik opmerkte onder amendement 26 merk ik nog het volgende op. Om dezelfde redenen als hierboven genoemd, is niet geregeld dat docenten van de opleiding(en) in kwestie zitting moeten nemen in de examencommissie. Ik ga er vanuit dat dit zal gebeuren. Voor een goede positionering van de professional lijkt me dit ook wenselijk. Zij zijn immers degenen die de kennis en vaardigheden van de studenten beoordelen.

Als u echter in de wet geregeld wilt zien dat gegarandeerd een of meer docenten zitting hebben in de commissie, laat ik dat oordeel graag aan de Kamer.

Ik laat het oordeel over aan de Kamer.

Amendement 28 Verschoningsplicht leden examencommissie

Er is geen verschoningsplicht geregeld voor de examencommissie, terwijl aan deze op grond van artikel 7.61, vierde lid, wel een rol is toegekend bij een geschillenprocedure. Voor het college van beroep voor de examens is in dit wetsvoorstel de verschoningsplicht geregeld. Voor de examencommissie is dit niet geregeld omdat het het in de rede ligt. dat ook hier de desbetreffende examinator zich terugtrekt. Bovendien zal dit in de vervolgprocedure alsnog (kunnen) worden meegewogen. Mocht de examinator dat niet doen, dan zal deze dat alsnog moeten doen in het kader van de beoordeling door het college van beroep voor de examens, mocht hij of zij daarin zitting hebben, en kan het college van beroep voor de examen bij de beoordeling van het geschil en de visie van de examencommissie hiermee rekening houden.

Met het voorgestelde amendement van de leden Zijlsta, J.J. van Dijk, Besselink, Dibi, J. van Dijk (VVD, CDA, PvdA, GL en SP) is verzekerd dat de examinator niet deelneemt aan de beraadslaging en het voorkomt onnodige geschillenprocedures.

Ik laat het oordeel aan de Kamer.

Amendement 29 Voordrachtsrecht voor de medezeggenschap

De leden Zijlstra en J. van Dijk (VVD en SP) stellen in een amendement voor de medezeggenschap het recht toe te kennen om een voordracht te doen voor één lid van de raad van toezicht; het recht om gehoord te worden bij benoemingen en het adviesrecht op de profielen zou daarmee kunnen vervallen. In reactie op amendement nummer 21 ben ik hierop al ingegaan.

Ik heb daar aangegeven dat ik geen onoverkomelijke bezwaren zie tegen de invoering van het voordrachtsrecht indien de horenprocedure vervalt. In het onderhavige amendement vervalt ook het adviesrecht op de profielen.

In reactie op amendement nummer 21 heb ik gewezen op de mogelijkheid om wel van het voordrachtsrecht te kunnen afwijken. Het voorgestelde instemmingsrecht voor de zittende raad van toezicht is daarbij een mogelijkheid om dit vorm te geven.

Ik zie overigens geen aanleiding om het adviesrecht op de profielen te laten vervallen. Immers, dat recht heeft betekenis in het kader van de positionering van de medezeggenschap én dat in de goede samenstelling van een raad van toezicht.

In reactie op amendement nummer 21 heb ik gewezen op de bijzondere positie van de minister wat betreft de benoeming van de leden van de raad van toezicht bij universiteiten. Er kan uiteraard geen instemmingsrecht van de raad van toezicht bestaan bij benoeming door de minister.

Ik ontraad het amendement in de huidige vorm omdat het adviesrecht op de profielen vervalt, er geen afwijkingsmogelijkheid voor de minister is voorgesteld en geen instemmingsrecht van de raad van toezicht bij openbare universiteiten kan zijn bij benoemingen door de minister.

Amendement 30 Schrappen van het begrip «onverwijld»

Met dit amendement van de leden Zijlstra, Besselink, J.J. van Dijk (VVD, PvdA en CDA) wordt voorgesteld dat het begrip «onverwijld» bij het doorsluizen van de financiële middelen door de universiteit aan het betreffende academische ziekenhuis, wordt geschrapt. In de wet zijn formele afstemmingsverplichtingen voorgeschreven om een goede, gelijkwaardige positie en een goede samenwerking tussen universiteit (geneeskundefaculteit) en academisch ziekenhuis te creëren. Deze zijn bestuurlijk van aard, niet financieel. Indien het begrip «onverwijld» vervalt kan de universiteit aan het doorsluizen van de middelen naar de academische ziekenhuizen voorwaarden verbinden. Geborgd moet zijn dat het academisch ziekenhuis werkzaamheden verricht «ten dienste van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek aan de universiteit waaraan zij is verbonden». Terecht wordt in de toelichting de «taakopdracht» van het academisch ziekenhuis gememoreerd. Het zomaar schrappen van het begrip «onverwijld» is echter te boud: Het gaat om reguliere middelen voor het academisch ziekenhuis, waarmee in de bedrijfsvoering rekening is en moet kunnen worden gehouden. In dit budget is ook begrepen 25% van de rente en aflossing van de leningen die academische ziekenhuizen aangegaan zijn voor hun nieuwbouw en voor verbouwingen. Onzekerheden omtrent het verkrijgen van de middelen, en zo ja op welk moment geeft onzekerheden bij de academische ziekenhuizen met mogelijke gevolgen voor de bedrijfsvoering.

Op dit moment buigt de Commissie Onderzoek rijksbijdrage werkplaatsfunctie zich over de kosten die betrekking hebben op de werkplaatsfunctie voor de studenten geneeskunde (onderwijs) en het onderzoek (Staatscourant nr. 46, 9 maart 2009). In deze commissie hebben de relevante partijen zitting. Ik kan me voorstellen dat dit vraagstuk bij deze commissie wordt neergelegd.

Ik ontraad het amendement.

Amendement 31 Onderwijs in het buitenland

Met dit amendement van het lid Zijlstra (VVD) wordt voorgesteld dat ook bekostigde instellingen in het buitenland geaccrediteerd onderwijs kunnen verzorgen en formele graden kunnen afgeven.

Bij de toezeggingen ben ik al ingegaan op de mogelijkheden. Ik heb daar aangegeven dat ik mogelijkheden zie om de bevoegdheid ook aan bekostigde instellingen toe te kennen, maar dat ik naar mijn oordeel bij of krachtens AMvB aanvullende voorwaarden zou moeten kunnen stellen om «weglek» van publieke middelen te kunnen voorkomen.

Ik sta derhalve sympathiek tegenover het voorstel, maar ontraad het amendement in deze vorm. Indien het amendement wordt aangepast in bovengenoemde zin, laat ik het oordeel aan de Kamer.

Amendement 32 Afwijkende bepalingen bijzondere instellingen

Met dit amendement van het lid Zijlstra (VVD) wordt voorgesteld alle afwijkingsmogelijkheden voor bijzondere instellingen op het gebied van medezeggenschap en toezicht te laten vervallen. Zoals ik in het debat heb aangegeven zijn deze afwijkingsmogelijkheden opgenomen in verband met de inrichtingsvrijheid van bijzondere instellingen zoals die grondwettelijk is vastgelegd. Ook bij alle andere onderwijssectoren bestaan de afwijkingsmogelijkheden. Afwijkingen zijn op grond van dit wetsvoorstel alleen mogelijk voor zover de reden voor de afwijking gelegen is in de eigen of levensbeschouwelijke aard van de bijzondere instelling. Alleen het hebben van een bijzondere bestuursvorm is daarvoor dus niet voldoende. Bij de afwijkingsmogelijkheid voor de scheiding van bestuur en toezicht is die voorwaarde niet expliciet opgenomen bij hogescholen. Ik heb geen bezwaar tegen het expliciet opnemen van deze voorwaarde.

Ik ontraad dit amendement.

Ik heb geen bezwaar tegen een amendement dat regelt dat bijzondere hogescholen alleen gebruik kunnen maken van de afwijkingsmogelijkheden wat betreft de scheiding van bestuur en toezicht indien ze dit doen op grond van hun levensbeschouwelijke aard.

Amendement 33 Frequentie van het overleg tussen RvT en medezeggenschapsraad

In amendement nummer 33 stellen de leden Besselink, Zijlstra, J.J. van Dijk, J. van Dijk en Dibi (PvdA, VVD, CDA, SP en GL) voor om in de wet vast te leggen dat de raad van toezicht ten minste twee keer per jaar overleg pleegt met het medezeggenschapsorgaan. Naar mijn oordeel kunnen medezeggenschap en raad van toezicht zelf afspraken te maken over de frequentie van hun gezamenlijk overleg. Niettemin zie ik geen bezwaar in het wettelijk vastleggen van de voorgestelde frequentie.

Ik laat het oordeel aan de Kamer.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk

BIJLAGE Toekennen van de bevoegdheid aan bekostigde instellingen om in het buitenland onderwijs met graadverlening te mogen verzorgen

Een van de vormen van internationalisering van het Nederlands hoger onderwijs betreft de mogelijkheid om in het buitenland onderwijs te verzorgen met daaraan verbonden een Nederlandse graad. In het wetsvoorstel is deze mogelijkheid alleen toegekend aan rechtspersonen voor hoger onderwijs. Dit betekent dat deze vorm van internationalisering voor bekostigde instellingen niet mogelijk zou zijn. Door de Kamer is gevraagd met een optie te komen om de bevoegdheid tot het verzorgen van onderwijs en graadverlening in het buitenland ook toe te kennen aan bekostigde instellingen. Het Nederlands hoger onderwijs wordt immers grotendeels door bekostigde instellingen verzorgd, een aantal (opleidingen van) bekostigde instellingen is internationaal bekend of gerenommeerd en de opleidingen zijn kwalitatief aan de maat. Inhoudelijk is er dan ook geen reden om deze instellingen van de graadverlening in het buitenland uit te sluiten. De bekostigde instellingen zouden een afzonderlijke rechtpersoon moeten oprichten/hebben, en die rechtspersoon moet de opleidingen ter toetsing voorleggen aan de NVAO. Dit heeft onbedoeld een bureaucratisch effect, leidt tot meer opleidingen en tot minder transparantie van het opleidingenaanbod.

De reden voor het voorstel was gelegen – zo blijkt ook uit de memorie van toelichting – in het voorkómen van het wegvloeien van publieke middelen naar het buitenland. Bij nader inzien is een dergelijk stringent voorschrift niet nodig. Immers, het verrichten van private activiteiten door bekostigde instellingen geschiedt ook in de huidige situatie volop zowel in het binnenland als – in mindere mate – het buitenland (waarbij aan het onderwijs in het buitenland op dit moment geen formele Nederlandse graden kunnen zijn verbonden). Aan private activiteiten mogen alleen onder voorwaarden publieke middelen aan besteed mogen worden. Deze zijn uiteengezet in de notities Helderheid en in de brief van 20 juli 2005. Zo mag alleen rijksbijdrage worden besteed aan private activiteiten als die activiteiten een bijdrage leveren aan de verhoging van de kwaliteit van het onderwijs of onderzoek, of aan de doelmatigheid of toegankelijkheid van het onderwijs. Daarnaast gelden onder meer eisen omtrent het voorkomen van concurrentievervalsing en moeten de geldstromen transparant worden verantwoord in het financieel jaarverslag en bestuursverslag. Deze lijn voor private activiteiten in Nederland is niet principieel anders dan voor private activiteiten in het buitenland.

De voorschriften omtrent de besteding van de publieke middelen in relatie tot private, onbekostigde activiteiten en de handhaving van die voorschriften zijn ook bruikbaar bij de private activiteiten in het buitenland, met en zonder graadverlening. Tegelijkertijd bestaan er risico’s voor het wegvloeien van publieke middelen. Naast en in lijn met de bovengenoemde voorwaarden zijn er belangrijke principes waarbinnen bekostigde instellingen onderwijs in het buitenland kunnen verzorgen, zoals:

– De voorwaarden genoemd in de notitie «Helderheid» en de bovengenoemde brief, waaronder het voorkomen van concurrentievervalsing en integrale kostprijsberekening;

– De focus van de instelling moet liggen op de bekostigde activiteiten;

– Het gaat om een integrale kostprijsberekening;

– De instelling mag financieel geen onverantwoorde risico’s nemen;

– Het moet een onderwijskundige meerwaarde hebben. Daartoe dient er een gedegen plan onder te liggen.

Het onderwijs in het buitenland is een private, onbekostigde activiteit. Dit betekent dat er geen sprake is van het verkrijgen van publieke middelen voor deze activiteiten. De studenten in het buitenland noch hun graden mogen meetellen met de bekostiging. Dit geldt voor alle vestigingen in het buitenland, ook voor de vestigingen in de buurlanden dat wil zeggen de verschillende deelstaten in Duitsland, België en Luxemburg. In het kader van het collegegeld zijn deze landen genoemd in het kader van het voldoen aan de woonplaatsvereiste (naast Nederland). Dat betekent dat studenten die in die landen woonachtig zijn (en ook voldoen aan de overige vereisten voor het wettelijk collegegeld) bij een opleiding in Nederland het wettelijk collegegeld zijn verschuldigd. Maar in het kader van het Nederlands geaccrediteerd onderwijs in het buitenland zou er voor deze landen geen uitzonderingspositie mogen zijn. Dit betekent dat voor studenten die aan deze buitenlandse vestigingen studeren geen wettelijk collegegeld geldt en dat dit onderwijs (en dus die studenten) niet wordt bekostigd. Deze daartoe benodigde studentgegevens zijn op dit moment nog niet te destilleren uit het Criho. Het Criho zou daartoe moet worden aangepast zodat de instelling geen publieke financiering ontvangt voor deze buitenlandse activiteiten.

De Inspectie voor het onderwijs zal een inventarisatie bij een drietal instellingen plegen. Op dit moment verricht ze een onderzoek naar het onderwijs dat instellingen in het buitenland (zonder graadverlening) verzorgen. De resultaten komen dit jaar beschikbaar.

Naast de inventarisatie en de «reguliere» voorschriften op grond van de bestaande weten regelgeving zou kunnen worden voorgesteld in de wettelijke bepaling op te nemen dat er in dit verband nadere voorschriften kunnen worden gesteld aan de instellingen voor het verzorgen van onderwijs in het buitenland. Hiermee zou worden voorzien in een mogelijkheid dat – mochten bestaande regels, principes en toezicht onvoldoende blijken te zijn – er nadere eisen gesteld kunnen worden. Zo zouden bovenstaande algemene principes nader kunnen worden geconcretiseerd. Deze opleidingen vormen integraal onderdeel van de te accrediteren opleidingen (overigens zonder dat de accreditatiekosten van de buitenlandse vestiging ten laste mogen komen van de publieke middelen); wellicht zouden er in het kader van de accreditatie specifieke voorschriften moeten worden gesteld. Zonder op dit moment daarover een concreet beeld van invulling te hebben, meen ik dat door de mogelijkheid van voorschriften bij of krachtens AMvB er extra waarborgen zouden zijn.

Verder wil ik in dit verband ook wijzen op het Expertisecentrum Publiek-Privaat dat sinds 1 januari 2007 bestaat binnen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze zorgt voor het uitwerken en uitvoeren van het beleid van OCW over het gebruik door instellingen van publieke middelen voor private activiteiten. De taakopdracht van het EPP omvat alle onderwijssectoren en de sector wetenschap. Het doel is de onderwijs en wetenschapsinstellingen – vooraf – duidelijkheid te kunnen geven over bestedingsdoeleinden van publieke middelen. De instellingen zouden hun voornemens omtrent onderwijs in het buitenland vooraf kunnen voorleggen aan het EPP om te bezien of het voldoet aan regels en principes omtrent de besteding van publieke middelen.