Gepubliceerd: 12 februari 2009
Indiener(s): Jacqueline Cramer (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (PvdA)
Onderwerpen: organisatie en beleid ruimte en infrastructuur
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31771-6.html
ID: 31771-6

31 771
Implementatie van richtlijn nr. 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 12 februari 2009

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over haar bevindingen inzake bovenvermeld wetsvoorstel. Hieronder ga ik in op de vragen en opmerkingen waartoe het wetsvoorstel de leden van de vaste commissie aanleiding heeft gegeven.

1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie geven aan kennis te hebben genomen van het voorliggende wetsvoorstel en leggen nog een aantal vragen en opmerkingen aan de regering voor.

De leden van de SP-fractie stellen met enige zorg kennis te hebben genomen van het wetsvoorstel en deze leden hebben nog een aantal vragen.

De leden van de VVD-fractie geven aan met belangstelling kennis te hebben genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven dat bij de aanleg en het onderhoud van grensoverschrijdende infrastructuur de uitwisseling van wederzijdse ruimtelijke informatie en milieu-informatie van groot belang is.

Ik dank de hierboven genoemde fracties voor hun inbreng terzake van het wetsvoorstel. Graag voorzie ik de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen van een beantwoording. Ik hoop hiermee ook de zorg bij de SP-fractie te kunnen wegnemen.

2. Doel en aanleiding van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie zijn er in het algemeen geen voorstander van dat er bij de implementatie van EG-richtlijnen in de Nederlandse wetgeving meer wordt geregeld dan ingevolge die richtlijnen noodzakelijk is, tenzij het écht nodig is. Worden er in dit wetsvoorstel zaken geregeld, die niet nodig zijn, gelet op de inhoud van de richtlijn? Deze leden begrijpen dat het in ieder geval gaat om het «nationaal toegangspunt», zoals vermeld in artikel 8 van het wetsvoorstel. Zijn er nog andere onderdelen die nu wettelijk worden geregeld, terwijl de richtlijn dat niet voorschrijft? Zo ja, welke? Wat zijn daarvan de redenen?

In dit wetsvoorstel wordt niet meer geregeld dan ingevolge de richtlijn noodzakelijk is. Het enige dat in het wetsvoorstel staat dat niet expliciet formeel wordt voorgeschreven in de richtlijn is een nationaal toegangspunt. Maar voor het feitelijk voldoen aan de richtlijn en het bieden van de verplichte diensten, zoals de zoekdiensten en de raadpleegdiensten, moet er in elke lidstaat een infrastructuur zijn met een centraal register waar de beschikbare diensten en gegevens vindbaar zijn. Dit centraal register is dan weer verbonden met die van andere lidstaten en zo ontstaat een Europees netwerk van de verplichte diensten en gegevens. De bronhouders moeten niet alleen kunnen aansluiten op dit netwerk, ze moeten ook toegang krijgen op het netwerk en de diensten en gegevens kunnen beschrijven en deze in het register kunnen plaatsen. De totstandkoming en het beheer van het Nederlandse netwerk inclusief het nationale toegangspunt daartoe wordt daarom in de wet geregeld.

In de richtlijn wordt bij de overwegingen gesteld dat zoveel mogelijk wordt aangesloten op de eigen nationale infrastructuren in de lidstaten. Het Inspire-toegangspunt wordt onderdeel van het nationale geo-register dat door gezamenlijke publieke bronhouders van geo-informatie wordt ontwikkeld. Het Inspire-deel daarvan moet, zoals hierboven reeds aangegeven, wettelijk worden geborgd om te kunnen voldoen aan de richtlijn.

3. Doel en aanleiding van de richtlijn

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat het streven naar openheid en transparantie uiteraard lovenswaardig is. Daar waar grensoverschrijdende projecten plaatsvinden is uitwisseling van data en het afstemmen van parameters en schaalverdelingen met buurlanden logisch. Zoals bij de aanleg van de kanaaltunnel tussen Engeland en Frankrijk, snelwegen en de HSL-spoorverbindingen. Deze leden vragen zich echter af of de enorme kosten en inspanningen voor digitalisering en harmonisatie van alle data opwegen tegen de baten die dit oplevert voor besluitvorming. Is de regering bereid hiervoor een maatschappelijke kosten- en baten analyse uit te voeren? Daarnaast constateren de leden van de SP-fractie dat er een gigantische hoeveelheid haast onwerkbare data ontstaat. Deze leden horen graag welke meerwaarde de regering voor Nederland ziet in een Europese databank met bijvoorbeeld informatie over de bodemgesteldheid in Roemenië. Kan de regering uiteenzetten wie de gebruikers zullen zijn van deze databank en in welk soort situaties zij een beroep hierop zullen doen? Is voor de gebruikers geen minder omvangrijke manier denkbaar om de gewenste informatie te vergaren? Is een goede afstemming per project tussen buurlanden en landen uit stroomgebieden niet ruim voldoende om de milieudoelen te realiseren?

Ik heb in aanloop naar de richtlijn een maatschappelijke kosten-batenanalyse laten uitvoeren1. Aanleiding voor de analyse was de impactanalyse die de Europese Commissie in 2004 heeft laten uitvoeren. Uit de Europese impactanalyse is gebleken dat de kosten bij een volledige implementatie voor Inspire per lidstaat jaarlijks € 5á 7 miljoen bedragen, terwijl de baten per lidstaat in totaal uitkwamen op € 48 tot 72 miljoen per jaar.

De maatschappelijke kosten-batenanalyse in opdracht van de regering heeft betrekking op de nationale situatie en is iets minder rooskleurig, maar geeft in de kern hetzelfde beeld, namelijk dat de baten de kosten ruimschoots overtreffen. Uit dat onderzoek bleek voor Nederland dat de kosten variëren van bijna 24 miljoen tot ruim 51 miljoen euro in totaal gerekend naar netto contante waarde over tien jaar. De baten worden in dat onderzoek niet gekwantificeerd. Wel hebben alle betrokken gegevensleveranciers (bronhouders) te kennen gegeven dat de baten hoger zullen zijn dan de investeringen. Alle bronhouders hebben ook aangegeven de kosten zelf te zullen dragen, omdat allen van het nut van Inspire overtuigd zijn en de meerwaarde inzien. Voorts is Nederland nauw betrokken bij veel invoeringsmaatregelen. Hierdoor sluiten de nationale bestanden goed aan bij de technische harmoniseringseisen van de Europese Unie (EU). De kosten voor de implementatie van de richtlijn kunnen dan ook tot het minimum beperkt blijven (de verwachting is dan ook dat niet de maximale variant van de kosten benodigd zal zijn).

Van een verdere digitalisering van gegevens is geen sprake. Alleen de reeds gedigitaliseerde gegevens die onder de richtlijn vallen, worden meegenomen bij de harmonisatie. Niet gedigitaliseerde gegevens vallen niet onder de richtlijn. Daardoor ontstaat door Inspire ook niet een grotere hoeveelheid aan gegevens dan er nu al is. Inspire verplicht tot uitwisseling en harmonisatie van reeds bestaande gegevens. Voor zover mogelijk wordt ook van dezelfde infrastructuur gebruik gemaakt. Inspire zorgt ook niet voor een gegevensbank; Inspire zorgt voor een netwerk, zodat bestaande gegevens met elkaar gecombineerd kunnen worden. Inspire regelt het uitwisselingsmechanisme met de EU en tussen de lidstaten. Dit netwerk heeft ook een meerwaarde voor binnenlandse uitwisseling tussen overheden. Voor de volledigheid heb ik in bijlage 11 bij deze nota het meest actuele overzicht van de onder Inspire vallende gegevens alsmede de bijbehorende bronhouders gevoegd.

De uitwisseling van gegevens per project en van geval tot geval is juist tijdrovend en duur. Als gegevens eenmaal geharmoniseerd zijn en er een netwerk bestaat, is de uitwisseling veel makkelijker en hoeft men de harmonisatie slechts één keer te doen. Bij de grensoverschrijdende projectgebonden uitwisseling blijft anders het probleem bestaan dat de gegevens niet geharmoniseerd zijn en bijvoorbeeld de definitie van een weg in Duitsland een andere is dan in Nederland.

De richtlijn gaat over ruimtelijke gegevens. De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering nader toe te lichten om wat voor soort ruimtelijke gegevens van overheidsorganisaties het gaat. Betreft het bijvoorbeeld ook de gegevens die bij het Kadaster rusten? Gaat het dan om alle gegevens van het Kadaster of bepaalde gegevens?

In de memorie van toelichting wordt gemeld dat al vanaf mei 2009 de verplichting tot delen in werking treedt, terwijl de verplichting tot harmoniseren en het beschikbaar maken voor burgers en bedrijven pas later in werking treedt. De leden van de VVD-fractie vragen aan welk tijdstip wordt gedacht.

Het betreft uitsluitend die gegevens van het Kadaster die in de annex bij de richtlijn en het onderhavige wetsvoorstel staan. Verder worden geen gegevens van het Kadaster bij de richtlijn betrokken.

De verplichting om gegevens uit te wisselen treedt voor de overheidspartijen, zoals bedoeld in artikel 17 van de richtlijn, in werking op 15 mei 2009 daar de toegang voor overheidspartijen niet voorwaardelijk aan de technische infrastructuur gekoppeld is. Dit betekent feitelijk dat een verzoek om informatie telefonisch doorgegeven kan worden en vervolgens de stukken per post verzonden kunnen worden. De toegang van burgers en bedrijven is afhankelijk van de Inspire-uitvoeringsmaatregelen die door het Inspire-comité (conform de comitologie-procedure bij de EU) worden vastgesteld. Deze uitvoeringsmaatregelen houden een tijdslijn in die door de lidstaten gerespecteerd dient te worden voor de uitbouw van de infrastructuur. Daar de toegang voor het publiek wel via deze infrastructuur verloopt, zal het tijdstip waarop de publiek toegang krijgt naar verwachting gelijk zijn aan het tijdstip waarop de toegangsdiensten in werking treden.

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt gemeld dat de richtlijn, naast het milieubeleid, ook uitstraling naar andere gebieden heeft, zoals ruimtelijke ordening, openbare orde en veiligheid en volksgezondheid. Deze leden vragen of de informatie in de toekomst ook voor die doeleinden zal worden gebruikt.

De richtlijn Inspire is ingegeven vanuit milieubeleid. Een bestaand netwerk en geharmoniseerde geo-informatie kunnen uiteraard ook voor andere beleidsterreinen gebruikt worden. Hier gaat de richtlijn niet over, maar het is denkbaar. Hierbij moeten wel de uitzonderingsbepalingen in acht worden genomen. Het gebruik mag geen afbreuk doen aan bijvoorbeeld nationale defensie, openbare veiligheid en intellectuele eigendomsrechten.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de richtlijn zich alleen richt op bestaande digitale gegevens en niet op andere gegevens die beschikbaar zijn. Is het denkbaar dat er bestaande gegevens zijn, die niet digitaal beschikbaar zijn, maar wel van belang zijn voor de onderlinge gegevensuitwisseling? Zo ja, wat gebeurt daar dan mee? Worden die gegevens alsnog gedigitaliseerd?

Indien van bepaalde in de richtlijn genoemde thema’s geen digitale gegevens in de lidstaat bestaan, hoeven deze ook niet te worden verzameld. Zodra bepaalde gegevens in de loop der tijd toch digitaal verzameld gaan worden, moeten deze beschikbaar worden gesteld via het Inspire-netwerk. De kans dat er substantiële niet-gedigitaliseerde gegevensbestanden zijn, die onder de thema’s vallen is gering.

4. Kern van de richtlijn

De leden van de SP-fractie vragen zich af in hoeverre binnen Europa al voldoende actuele data beschikbaar zijn. In Nederland, een land dat historisch gezien voorop loopt op het gebied van ruimtelijke ordening, is zo’n twee derde van de bestemmingsplannen niet actueel. Het duurt nog ten minste tien jaar voordat alle bestemmingsplannen digitaal aangeboden worden. Op welke termijn verwacht de regering alle van Nederland gevraagde data digitaal en geharmoniseerd aan te bieden aan Inspire? En wanneer zal een Europees dekkend en werkbaar datanetwerk in Inspire beschikbaar zijn?

De Inspire-richtlijn en het wetsvoorstel stellen geen verplichting ten aanzien van de aanwezigheid van gegevens in de lidstaten. Indien van bepaalde in de richtlijn genoemde thema’s geen digitale gegevens in de lidstaat bestaan, hoeven deze ook niet te worden verzameld.

Het kabinet is daarom in het kader van dit wetsvoorstel niet voornemens hiervoor een tijdschema te maken.

Zodra een nieuw digitaal bestemmingsplan wordt aangeboden, wordt deze opgenomen in de landelijke voorziening RO-Online en komt dan tevens beschikbaar in het Inspire-netwerk. Het tempo waarin dit in Nederland gebeurt, is afhankelijk van de totstandkoming van nieuwe bestemmingsplannen bij de gemeenten. Door de metagegevens (beschrijving van de gegevens) in het nationale register, die in de komende jaren beschikbaar komen, ontstaat wel een overzicht van wat vanuit Nederland wordt aangeboden.

De verplichting om de wel beschikbare gegevens te harmoniseren kent een tijdschema zoals dat in de richtlijn is genoemd en is afhankelijk van de totstandkoming van de uitvoeringsregels die de komende tijd worden opgesteld. Nederland zal dat schema hanteren.

De leden van de SP-fractie constateren dat Nederland inmiddels wel druk doende is veel geo-informatie te digitaliseren. Daarvoor zijn diverse systemen in ontwikkeling. Deze leden zien hier al een enorm afstemmingsprobleem ontstaan tussen alle overheden. Hoe verhouden deze systemen zich tot elkaar en hoe compatible zijn deze met de door Europa opgelegde systemen van Inspire? Wordt dit een systeem opgebouwd op basis van «open source» of heeft men één aanbieder voor het systeem voor ogen? Hoe worden de parameters bepaald voor invoer van de data? Krijgen landen die voorop lopen in digitalisering daarin een belangrijke stem of krijgt Nederland straks te maken met de wet van de remmende voorsprong?

De richtlijn en het wetsvoorstel regelen dat de ruimtelijke gegevens op een geharmoniseerde manier beschikbaar zijn voor een aantal verplichte diensten: zoekdiensten, raadpleegdiensten en downloaddiensten. De implementatie van de richtlijn is zodanig dat de gegevens bij de bronhouder blijven en dat via het netwerk van toegangspunten deze gegevens benaderd kunnen worden. Bronhouders moeten daar, ondersteund door het centrale toegangspunt, voorzieningen voor treffen. De systemen van de bronhouders hoeven echter niet functioneel gekoppeld of compatible te worden en de eigen voorzieningen bij de bronhouders kunnen ongewijzigd blijven.

Uiteraard zijn maatregelen bij bronhouders noodzakelijk. In Nederland is daarom ook in het wetsvoorstel opgenomen, dat indien er een door de minister aangewezen landelijke voorziening is met een kopie van de brongegevens, de verplichting uitsluitend voor deze voorziening geldt. Voor de basisregistratie Adressen en Gebouwen wordt bijvoorbeeld bij het Kadaster een landelijke voorziening gemaakt. Daarmee hoeft slechts één aansluiting met het Inspire-netwerk te worden gemaakt in plaats van bij alle gemeenten.

De ontwikkeling van de infrastructuur, zoals het netwerk, de toegangspunten en de services gaan volledig via open standaarden en in Nederland ook met open source software. Bij de afspraken en uitvoeringsregels die worden opgesteld door de Europese Commissie worden de open standaarden volledig gehanteerd.

Door de gedistribueerde opzet en gegevens bij de bronhouder hoeven er geen gegevens te worden ingevoerd. De uitvoeringsregels worden via de comitologie-procedure vastgesteld en Nederland heeft als lidstaat daarin zijn reguliere invloed. Doordat in Nederland veel expertise beschikbaar is, zitten er ook Nederlandse experts in de belangrijkste werkgroepen bij de Europese Commissie die de uitvoeringsregels voorbereiden.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de gegevens waarvan derden de intellectuele eigendomsrechten hebben, niet onder de richtlijn vallen. Dit wetsvoorstel is alleen van toepassing als de desbetreffende derden daarmee instemmen. Om wat voor soort gegevens van derden kan het gaan?

Het gaat hier om ruimtelijke gegevens die worden bewaard door natuurlijke personen of rechtspersonen die geen overheidsinstantie zijn.

5. Inhoud wetsvoorstel

5.1 Geoportaal

De leden van de PvdA-fractie vragen wie de gebruikers zijn waarover hier gesproken wordt.

De gebruikers zullen in eerste instantie overheidspartijen zijn. Gelet op het bepaalde in artikel 10 van het wetsvoorstel vallen onder overheidspartijen Nederlandse bestuursorganen, bestuursorganen van andere lidstaten, instellingen en organen van de Europese Gemeenschappen en organen die zijn opgericht bij internationale overeenkomsten waarbij de Gemeenschap en de lidstaten partij zijn. In een later stadium zullen burgers en bedrijven ook gebruikers zijn van het netwerk.

5.2 Toegankelijkheid en vergoedingen

Zowel de leden van de PvdA-fractie als van de VVD-fractie merken op dat in uitzonderlijke gevallen de gegevensverstrekkende overheid voor het bekijken van de gegevens op een beeldscherm een vergoeding mag vragen. Deze uitzondering geldt alleen voor bestuursorganen, niet voor derde partijen. Deze leden zouden graag weten aan welke uitzonderlijke gevallen wordt gedacht.

Het betreft hier bestuursorganen die in hun primaire proces mede afhankelijk zijn van de vergoedingen voor gegevensverstrekking en waar dit ook in wet- of regelgeving is vastgelegd. De bij mij bekende gevallen zijn het Kadaster en het KNMI.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe Nederland daar mee om zal gaan en waarom deze uitzondering alleen voor bestuursorganen en niet voor derde partijen geldt.

Nederland zal hier terughoudend mee om gaan. Het beleid is juist gericht op transparantie van overheidsgegevens en alleen daar waar de uitzondering echt noodzakelijk is, zal de toestemming worden verleend. Voor derde partijen is deelname aan het Inspire-netwerk vrijwillig. Indien een derde partij toch een vergoeding wil vragen voor raadpleegdiensten, dan is dat niet in de geest van de richtlijn en moet hij dit doen via eigen netwerk en portaal.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het vragen van een vergoeding zich verhoudt met de doelstelling dat de gegevens zo laagdrempelig mogelijk aan een zo breed mogelijk publiek ter beschikking worden gesteld. Een groot aantal gegevens wordt nu ook al beheerd en hier zullen kosten aan verbonden zijn. Met de formulering dat hierbij dient te worden aangetoond dat de vergoeding noodzakelijk is voor het beheer van de gegevens, kunnen deze kosten straks doorberekend worden aan gebruikers. Hoe wordt dit voorkomen?

Het vragen van vergoeding voor de raadpleegdiensten zal tot een minimum worden beperkt (zie ook mijn antwoord op de vraag van de VVD-fractie hierboven). Ook het vragen van een vergoeding voor de gegevens zelf (de downloadfunctie) moet tot een minimum worden beperkt. Het kabinetsbeleid is dat behoudens de wettelijke uitzonderingen, slechts de marginale verstrekkingskosten in rekening worden gebracht en deze zijn met zo’n bestaande infrastructuur waarschijnlijk nihil. Er worden dus geen instandhoudings- en beheerskosten doorberekend aan gebruikers.

De leden van de VVD-fractie merken op dat lidstaten een minimum aantal diensten gratis ter beschikking moeten stellen. Zo dienen de zoekfuncties en de raadpleegdiensten gratis te zijn. Gegevensleveranciers mogen daarbij een vorm kiezen die commercieel hergebruik verhindert. Er wordt daarbij het voorbeeld van het Kadaster gegeven. Deze leden vragen om wat voor soort andere instellingen het nog meer kan gaan.

Er zijn op dit moment geen andere bestuursorganen bekend, die dit zullen gaan doen. De derde partijen die vrijwillig meedoen, zijn in een aantal gevallen zelf commercieel en zullen wellicht wel de raadpleegfunctie gratis ter beschikking willen stellen, maar op zo’n manier dat hergebruik onmogelijk is.

5.3 Intellectuele eigendomsrechten

De leden van de VVD-fractie constateren dat gesteld wordt dat intellectueel eigendomsrecht van derden onaangetast blijft door de richtlijn. Welk soort gegevens, die in handen van derden zijn, vallen wel onder de richtlijn?

Als derden die een intellectueel eigendomsrecht hebben op gegevens, toestemming hebben gegeven voor het gebruik van die gegevens, zullen die specifieke gegevens onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen.

5.4 Wet bescherming persoonsgegevens

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de memorie van toelichting wordt gesteld dat de Wet bescherming persoonsgegevens voor het voorliggende wetsvoorstel niet of nauwelijks consequenties heeft. Geldt dat ook voor de gegevens die bij het Kadaster berusten? Wat gebeurt er als het gaat om gegevens die wel als persoonsgegevens moeten worden aangemerkt?

Het onderliggende wetsvoorstel is ter toetsing aangeboden aan het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP). Het College heeft op 20 februari 2008 aangegeven dat het wetsvoorstel het CBP geen aanleiding geeft tot het maken van nadere op- of aanmerkingen. Hierbij merkt het CBP op dat het wetsvoorstel geen nieuwe verwerkingen van persoonsgegevens naast de reeds bestaande introduceert. Het wetsvoorstel implementeert slechts een Europese richtlijn ten behoeve van het gedigitaliseerd en geharmoniseerd toegankelijk maken van geo-informatie voor overheden en burgers.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt de mogelijkheid onderkend dat een koppeling van gegevens kan leiden tot persoonsgegevens. De desbetreffende burger of overheidsinstelling kan de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verzoeken de desbetreffende gegevens te verwijderen cq. aan te vullen of te wijzigen.

6. Organisatie van de technische implementatie

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het ministerie van VROM het programmamanagement en de daaruit voortvloeiende kwartiermakerschap van de inrichting van de infrastructuur bij Geonovum heeft neergelegd. Deze leden zouden graag weten of Geonovum ook de benodigde ICT gaat ontwerpen of is deze al beschikbaar? En zo ja, wordt met het ontwerpen van de benodigde ICT internationaal samengewerkt?

De ICT-voorzieningen voor Inspire bestaan uit internetvoorzieningen (webservices) voor het kunnen vinden, raadplegen (viewen in kaart) en downloaden van de Inspire-gegevens en het transformeren of aanroepen van deze gegevens. Het ontwerp van de ICT-voorzieningen wordt uitgevoerd door de EU in samenwerking met experts uit diverse Europese landen (werkgroepen), waaronder ook Nederlandse experts. Het ontwerp van de ICT-voorzieningen wordt opgeleverd in de vorm van technische beschrijvingen. Deze technische beschrijvingen zijn momenteel al in concept beschikbaar. De stichting Geonovum draagt zorg dat de centraal benodigde voorzieningen in Nederland conform deze Technical Guidelines worden gemaakt.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de omzetting van de richtlijn naast de juridische implementatie ook technische en organisatorische consequenties heeft. Er zullen allerlei nieuwe technische voorzieningen, waaronder ICT-voorzieningen, nodig zijn. Welke maatregelen neemt de regering om er voor te zorgen dat dit project niet te maken krijgt met de problemen waar vele andere ICT-projecten van de overheid tegen aan zijn gelopen dan wel aanlopen?

De wijze van implementatie vindt gedistribueerd plaats. De gegevens blijven bij de bronhouders. Er wordt een nationaal toegangspunt met een register ingericht met open standaarden. Er wordt dus zeker geen grote gegevensbank ontworpen of een groot systeem gebouwd. De investeringen blijven overzichtelijk.

Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het werkveld zelf wordt de organisatie van de technische implementatie belegd bij de stichting Geonovum. Er is een governancestructuur opgesteld, waarbij VROM opdrachtgever is; voor strategische beslissingen advies zal worden gevraagd aan het adviescollege Beraad voor de geo-informatie (GI-beraad) van de minister van VROM. Er is een stuurgroep en een klankbordgroep met de betrokken bronhouders.

Alle bronhouders wijzen een contactpersoon aan. Halfjaarlijks wordt door Geonovum een voortgangsrapportage opgesteld voor het GI-beraad, waarop stuurmaatregelen mogelijk zijn.

Voor het beheer van het in te richten netwerk en de programmamatige organisatie van deze operatie is de stichting Geonovum opgericht. De leden van de VVD-fractie vragen hoe het bestuur en de Raad van Toezicht van deze stichting zijn samengesteld. Wat is de status van deze stichting? Welke bevoegdheden heeft de minister van VROM jegens de stichting? Hoe ver strekt de ministeriële verantwoordelijkheid in dezen?

Geonovum is niet specifiek opgericht voor de invoering van Inspire in Nederland. Geonovum is in april 2007 opgericht als onafhankelijke stichting met het doel geo-informatie van de publieke sector toegankelijk te maken en de standaarden die hiervoor nodig zijn te ontwikkelen en beheren. Het bestuur van Geonovum stuurt de uitvoering van het basisprogramma en de overige opdrachten, waaronder het programma Inspire in Nederland, aan en is hier verantwoordelijk voor. Het bestuur is samengesteld uit experts met belangstelling voor de inhoud van de programma’s, projecten en bedrijfsvoering. De voorzitter van het bestuur is lid van het beraad voor de Geo-informatie (GI-beraad).

De Raad van Toezicht ziet toe op de uitvoering van de taken die de minister van VROM aan Geonovum heeft opgedragen en op de doelen, resultaten en activiteiten die in het kader van deze taken zijn geformuleerd en worden uitgevoerd. Deze taken betreffen op dit moment de invoering van de Europese richtlijn Inspire en het beheer van de RO-standaarden. Ook signaleert de Raad van Toezicht voor het bestuur nieuwe ontwikkelingen die voor deze taken van belang zijn. De minister van VROM heeft de leden van de Raad van Toezicht in september 2008 benoemd uit het midden van het GI-beraad. In het GI-beraad zitten vertegenwoordigers van VROM, LNV, V&W, EZ, BZK en Defensie. Ook het Kadaster, VNG, IPO, UvW en TNO-NITG zijn vertegenwoordigd.

De verantwoordelijkheid van de minister van VROM is beperkt tot de rechtmatige besteding van de ter beschikking gestelde subsidie voor uitvoering van het basisprogramma van Geonovum en statutair tot de benoeming van de leden van de Raad van Toezicht. De werkzaamheden in het kader van Inspire, zoals het kwartiermaken en de organisatie van de technische implementatie, worden echter verstrekt middels een opdracht en daarbij kan de minister van VROM de gewenste voorwaarden en wijze van uitvoering bepalen.

7. Artikelsgewijs

Artikel 8

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de extra kosten zijn van een nationaal toegangspunt. In hoeverre is er sprake van een overlapping tussen een nationaal toegangspunt naast of bovenop een door de Europese Commissie opgezet en geëxploiteerd EU-toegangspunt? Wie exploiteert het nationaal toegangspunt? Is een nationaal toegangspunt absoluut noodzakelijk voor de brede toegang tot de geo-data.

Het nationaal toegangspunt is absoluut noodzakelijk voor het breed organiseren en toegankelijk maken van geografische gegevens in Nederland en voor Europa. Alle Europese toegangspunten worden «gekoppeld» aan het Europese toegangspunt en vertonen als zodanig enige overlap. Nederland streeft er juist om redenen van efficiency naar om het nationale georegister ook te gebruiken voor Inspire. Het nationale gedeelte voor Inspire wordt dan één-op-één geleverd met de eigen beschikbare infrastructuur in Nederland. Bijkomend voordeel voor eindgebruikers is dat alle metagegevens en functionaliteit ook in de Nederlandse taal worden geboden.

Het nationaal toegangspunt wordt ontwikkeld conform de uitgangspunten van het beleidsplan «Nederland Open in Verbinding»; naast open standaarden wordt open source programmatuur ingezet, die in samenwerking met diverse Europese landen wordt ontwikkeld en getest voor gebruik in de Inspire-context.

Exploitatie en operationeel beheer van het nationaal toegangspunt zal worden uitgevoerd door een samenwerking tussen de ministeries van VROM, LNV, VenW (Rijkswaterstaat) en het Kadaster dat tot stand komt in een programma Publieke Dienstverlening op de Kaart als onderdeel van het programma Vernieuwing Rijksdienst.

De geraamde kosten voor de jaarlijkse exploitatie van het nationaal Inspire-toegangspunt bedragen circa € 200 000,-. De totale beheerlasten worden meerjarig geschat op € 700 000,- die in de begroting van VROM zijn opgenomen.

Artikelen 12 en 13

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de bevoegdheid om kosten in rekening te brengen zich verhoudt met de brede toegankelijkheid die de regering met dit wetsvoorstel voor ogen heeft. De kosten die doorberekend zouden mogen worden, zijn kosten die toch al gemaakt worden vanwege de verplichting voortvloeiend uit dit wetsvoorstel om de gegevens te beheren en in stand te houden? In hoeverre is het redelijk dat deze kosten dan afgewenteld worden op derden, niet zijnde commerciële partijen?

Het vragen van verantwoording voor de raadpleegdiensten zal tot een minimum worden beperkt (zie ook het antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie en de VVD-fractie eerder in deze nota). Ook het vragen van een vergoeding voor de gegevens zelf (de downloadfunctie) moet tot een minimum worden beperkt. Het kabinetsbeleid is dat behoudens de wettelijke uitzonderingen slechts de marginale verstrekkingskosten in rekening worden gebracht en deze zijn met zo’n bestaande infrastructuur waarschijnlijk nihil. Er worden dus geen instandhoudings- en beheerskosten doorberekend aan gebruikers.

Artikel 16

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de richtlijn uiterlijk op 15 mei 2009 moet zijn geïmplementeerd. Hoeveel onzekerheden zijn er nog? In hoeverre spelen die onzekerheden een rol bij het tijdige implementeren? De richtlijn is van 14 maart 2007, waarom is het wetsvoorstel ter implementatie zo kort voor het verstrijken van de implementatietermijn naar de Kamer gestuurd?

Het huidige wetsvoorstel is in overleg met vrijwel alle departementen tot stand gekomen. Hiermee was de nodige voorbereidingstijd gemoeid. Ook is uitgebreid overleg geweest met veel gegevenshouders. De gegevens die door Inspire geraakt worden, worden nu in Nederland door ongeveer 23 verschillende databeheerders (bijvoorbeeld Kadaster, KNMI, Hydrografische dienst, CBS, TNO, provincies) verzameld en beheerd.

Daarbij is de voorbereidingstijd voor het wetsvoorstel slechts twee jaar geweest. Reeds in de BNC-Fiche van 29 juli 2004 heeft de Nederlandse regering de haalbaarheid van de voorgestelde implementatietermijn van twee jaar ter discussie gesteld. De regering heeft deze termijn van meet af aan, gelet op de omvang van eventuele benodigde implementatie-regelgeving, als krap beoordeeld. Door de commissie is evenwel toch gekozen voor deze korte implementatietermijn. Aangezien het gaat om bestaande ruimtelijke gegevens kan de implementatie in de EU-landen verschillend zijn: een land met weinig geo-informatie hoeft ook minder aan te passen aan de nieuwe infrastructuur. Nederland verzamelt op het gebied van geo-informatie reeds een grote hoeveelheid data.

Artikel 15

De leden van de VVD-fractie merken op dat in artikel 15 wordt geregeld dat de minister van VROM aan een door haar aan te wijzen instantie het beheer van het nationaal toegangspunt tot het netwerk opdraagt. Is dit de eerder in de memorie van toelichting genoemde stichting Geonovum? Zo nee, om wat voor een instelling gaat en hoe is de ministeriële verantwoordelijkheid geregeld?

De stichting Geonovum verzorgt het kwartiermaken en programmamanagement voor de implementatie van Inspire in Nederland.

De toekomstige exploitatie en het operationeel beheer van het nationaal toegangspunt zal worden uitgevoerd door een samenwerking tussen de ministeries van VROM, LNV, VenW (Rijkswaterstaat) en het Kadaster, dat tot stand komt in een programma Publieke Dienstverlening op de Kaart als onderdeel van het programma Vernieuwing Rijksdienst. Hoe deze samenwerking exact vorm krijgt, is nog niet duidelijk. Het operationele beheer komt dus in ieder geval te liggen bij één bestuursorgaan of een samenwerking van bestuursorganen. De minister van VROM blijft verantwoordelijk en zal deze verantwoordelijkheid via een opdrachtverstrekking beleggen.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer


XNoot
1

Bijlage bij Kamerstukken II 2004–2005, 22 112, nr. 383.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.