Kamerstuk 31524-420

Verslag van een algemeen overleg

Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie


Nr. 420 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 5 juni 2019

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben op 24 april 2019 overleg gevoerd met mevrouw Van Engelshoven, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 7 maart 2019 inzake de stand van zaken inzake het profileringsfonds hoger onderwijs en het mbo-studentenfonds (Kamerstukken 31 288 en 31 524, nr. 712);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 februari 2019 inzake antwoorden op vragen van de commissie over het profileringsfonds in het hoger onderwijs (Kamerstuk 31 288, nr. 683);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 22 januari 2019 inzake de reactie op een brief van een burger over de vergoeding van opleidingskosten voor mensen met Wajong-uitkering (2019D02105);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 8 april 2019 inzake de reactie op verzoek commissie inzake overzicht voorzieningen voor studenten met een beperking in mbo en hbo en reactie op onderzoek «Mind the Gap» (Kamerstukken 31 524 en 31 288, nr. 416).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Tellegen

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Lodders

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Rog

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Kler

Voorzitter: Van Meenen

Griffier: De Kler

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Beertema, Bisschop, El Yassini, Van den Hul, Kuik, Kwint, Van Meenen en Westerveld,

en mevrouw Van Engelshoven, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Aanvang 10.01 uur.

De voorzitter:

Goedemorgen. Van harte welkom bij het algemeen overleg van de vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over het onderwerp: studenten met een beperking in mbo en ho. Ik heet de Minister en haar ambtenaren van harte welkom, evenals de leden en onze onvolprezen ondersteuning in alle soorten, en natuurlijk u op de publieke tribune en mensen die elders dit debat volgen. Ik kijk even naar de afgesproken spreektijd. Die staat niet vermeld, maar het is vijf minuten. Ik wil beginnen met twee interrupties. Gezien het aantal nu aanwezige leden kan ik daar misschien soepel mee omgaan, maar dat zullen we zien. Dit debat gaat duren tot 13.00 uur.

Ik wijs u er even op dat er tolken-vertalers aanwezig zijn in de zaal. Om hen de gelegenheid te geven hun werk goed te doen vraag ik u om niet te snel te spreken. Daar zal ik mezelf ook aan proberen te houden. De eerste die dat gaat doen, is de heer El Yassini van de VVD. Ik geef hem graag het woord voor zijn vijf minuten.

De heer El Yassini (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik ga ook enorm mijn best doen om wat langzamer te praten. Ik hoop dat de voorzitter dan ook wat coulanter is als we iets over die vijf minuten heen gaan. In ieder geval dank.

Mijn collega Westerveld en ik hebben samen de rondetafel mogen organiseren met studenten met een functiebeperking of chronische aandoening. Twee weken geleden spraken wij tijdens datzelfde rondetafelgesprek met jongeren, scholen, begeleiders en betrokkenen. Ik wil beginnen met alle deelnemers te bedanken voor die rondetafelgesprekken en de informatie. Met name de jongeren in het eerste blok, Bente, Chanel, Thomas en Suzanne: dank voor de ervaringen die jullie hebben gedeeld. Ik dank ook de Griffie, de griffier en de collega-Kamerleden voor de grote opkomst. Het is fijn dat dit onderwerp echt leeft in de politiek. Vandaag hoop ik in ieder geval de volgende stappen te kunnen zetten, samen met mijn collega's, om jongeren met een functiebeperking of chronische aandoening het beste uit zichzelf te laten halen, waarbij we bekijken en focussen op wat ze wel kunnen, op hun krachten en talenten. Want die zijn gewoon van onschatbare waarde.

Ik wil in ieder geval een aantal punten langsgaan. Het eerste is het expertisecentrum mbo. Tijdens de technische briefing door het Expertisecentrum handicap + studie bleek al snel dat de informatie vooral beschikbaar is voor studenten uit het hoger onderwijs. Bij navraag bleek dat er geen expertisecentrum mbo is. Daarom ook mijn vraag aan de Minister: waarom is dat zo? Kunnen we niet regelen dat we ook voor het mbo een expertisecentrum handicap + studie hebben, dat ons informatie geeft, informatie verzamelt en veel meer kennis vergaart over studenten in het mbo met een functiebeperking of een chronische aandoening?

Het tweede punt gaat over het durven melden bij het inschrijven voor een vervolgstudie dat je als toekomstig student te maken hebt met een functiebeperking of chronische aandoening. We hebben namelijk veel gehoord dat jongeren vaak niet durven aangeven dat ze een beperking of chronische aandoening hebben, omdat ze bang zijn om een sticker of labeltje te krijgen en om daar niet meer van af te komen. Mijn vraag aan de Minister is hoe we ervoor kunnen zorgen dat jongeren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van LOB, studieloopbaanbegeleiding in het voortgezet onderwijs, bij hun vervolgstudie durven aangeven dat ze meer begeleiding en meer maatwerk nodig hebben en net als alle andere studenten het beste uit zichzelf kunnen en willen halen.

Dan kom ik op een punt dat daarmee te maken heeft. Ik wil graag van de Minister weten hoe we omgaan met de situatie dat jongeren met een beperking in het voortgezet onderwijs het advies krijgen om maar een niveautje of twee niveautjes lager te gaan zitten. Dat is echt zonde, want als je als student meer begeleiding en meer maatwerk krijgt, kan je het beste uit jezelf halen en kan je wel mbo niveau 3 of 4, het hbo of de universiteit doen. Hoe gaat deze Minister, samen met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs, ervoor zorgen dat studenten niet zomaar een lager advies krijgen omdat ze begeleiding nodig hebben? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat ze echt hun volle potentieel benutten?

De laatste twee punten zijn stage en beperking. Ik heb de volgende vraag aan de Minister over de begeleiding naar de arbeidsmarkt. Hoe kunnen we er met zijn allen voor zorgen dat we stagebedrijven en leerbedrijven, die we knetterhard nodig hebben om jongeren te laten participeren in deze samenleving, in de maatschappij en op de arbeidsmarkt, hierbij betrekken? Welke regels of obstakels kunnen of moeten we wegnemen? Hoe kunnen we dat dan doen samen met bijvoorbeeld de SBB, maar ook met hbo-scholen en universiteiten? Ik hoor graag van de Minister hoe we stage en beperkingen beter met elkaar kunnen combineren.

Voorzitter. Dan kom ik bij de akkoorden die we hebben gesloten in het mbo maar ook in het hoger onderwijs. Vorig jaar zijn er sectorakkoorden in het hoger onderwijs gesloten. Dat is gebeurd met het hbo en met de universiteiten. Vorig januari hebben we ook het bestuursakkoord in het mbo getekend. Daarin wordt ook gesproken over de begeleiding van studenten, en dan met name over een van de drie speerpunten «kwetsbare jongeren». Mijn vraag aan de Minister is: vallen jongeren met een functiebeperking of met een chronische aandoening dan ook onder die kwetsbare jongeren? Er zijn vorig jaar november door scholen plannen over kwaliteitsafspraken ingeleverd. Wordt daar rekening mee gehouden door de commissie die kijkt naar die kwaliteitsafspraken?

De voorzitter:

U heeft nog 45 seconden.

De heer El Yassini (VVD):

Prima, dank u wel. Dan ga ik meteen naar mijn laatste punt. Dit is de motie-Tielen/Bruins van vorig jaar over het profileringsfonds, waarin de regering wordt verzocht om ervoor te zorgen dat dit fonds meer onder de aandacht komt bij studenten in het hoger onderwijs. Die motie is vorig jaar aangenomen, maar we hebben er nog niks over gehoord. Wat heeft de Minister er tot nu toe mee gedaan? Kan zij ons op de hoogte stellen van wat ze verder nog gaat doen?

Voorzitter, dank u wel. Ik ben binnen de vijf minuten gebleven.

De voorzitter:

Er is een interruptie voor u van de heer Beertema.

De heer Beertema (PVV):

Wat mij ook opviel, en wat we natuurlijk allemaal weten, is dat er een enorme groep werkenden in die instituten is. Dat zijn loopbaanbegeleiders, dat zijn studieadviseurs, dat zijn decanen. Die doen van alles, maar ze doen kennelijk niet wat ze zouden moeten doen. En dat is juist die leerlingen met een beperking begeleiden, dat is er voor die leerlingen zijn, dat is die leerlingen ook duidelijk maken dat ze een eventuele chronische aandoening, een handicap of een beperking vooral niet moeten verbergen maar dat ze daarmee naar buiten moeten komen. De bekendheid van het profileringsfonds is schandalig klein. Ik ben daar heel boos over geweest. Maar ik hoor de heer El Yassini dit allemaal op een vrij milde toon naar voren brengen. Gaat hij nog een VAO aanvragen? Gaat hij nog een motie indienen om de Minister – en vooral die CvB's en die loopbaanbegeleiders – aan te sporen om eindelijk eens hun werk te gaan doen? Is hij het daarmee eens?

De heer El Yassini (VVD):

Ik ben heel blij dat de heer Beertema precies over dit punt begint. Zoals hij zich wellicht nog kan herinneren, hebben wij ook in het mbo een afspraak gemaakt met betrekking tot het bestuursakkoord. In het bestuursakkoord moest een aantal speerpunten aangepakt worden. Een van die speerpunten was de groep kwetsbare studenten en kwetsbare jongeren. Wij hebben in het bestuursakkoord afgesproken dat 10% van het macrobudget, dus 400 miljoen, uiteindelijk zou worden vastgezet voor investerings- en resultaatsafhankelijke bekostiging. Dat betekent dus ook dat ik heel benieuwd ben naar de beantwoording van de Minister. Juist daarom maakte ik dat laatste punt. Scholen hebben bij de Minister een plan moeten inleveren. Ze moesten aangeven wat ze extra zouden gaan doen of wat ze hebben nagelaten maar wat ze in de toekomst zouden gaan verbeteren. Ze hebben gezegd: hiervoor durven we onze hand in het vuur te steken; lukt het ons niet, dan mag u ons korten op die 10% van het macrobudget, wat 400 miljoen is. Vandaar dat ik aan de Minister vraag: welke rol spelen studenten met een beperking of een chronische aandoening in het onderdeel «kwetsbare jongeren» van het bestuursakkoord? Ik ben dus heel inderdaad heel benieuwd met welke plannen die scholen zijn gekomen. Die plannen zijn vorig jaar november ingeleverd.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Het is moeilijk om ons voor te stellen wat het is om in een rolstoel te zitten en niet overal naar binnen te kunnen, omdat je met geen mogelijkheid de trap opkomt en er geen lift is. Of dat je niet meekunt op excursie omdat vergeten is een busje te huren waar je stoel in past.

De voorzitter:

Ogenblikje. We gaan even stoppen totdat deze bel niet meer klinkt. Die duurt een minuut. Voor degenen die dat nog niet eerder hebben meegemaakt: deze bel betekent dat de vergadering in de plenaire zaal gaat beginnen. Er zijn dus verder geen bijzonderheden, behalve dat die vergadering begint. Wat best bijzonder is! Daar mogen we blij mee zijn in een democratie.

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Voorzitter. Ik gaf net aan dat het voor ons moeilijk is om ons voor te stellen wat het is om bijvoorbeeld niet overal naar binnen te kunnen, omdat het gebouw niet rolstoeltoegankelijk is. Maar we kunnen het ons waarschijnlijk ook moeilijk voorstellen wat het is om uitgeteld te zijn na een uurtje college of thuis een huilbui te hebben omdat er op die dag te veel prikkels waren, of moeite te hebben met het volgen van een les, simpelweg doordat je de docent niet kunt verstaan. Niet iedere student heeft het geluk om gezond te zijn en mee te kunnen doen met alles. Maar deze studenten wonen wel in een welvarend land, waarin de overheid zich heeft gecommitteerd aan het VN-verdrag voor mensen met een handicap. Maar ondanks deze wettelijke plicht gaat het niet goed genoeg. Studenten met een handicap krijgen vaak nauwelijks of geen ondersteuning bij het vinden van een stage. Mede daardoor is de arbeidsmarktparticipatie van jongeren met een handicap ruim twee keer zo laag als van jongeren zonder handicap. Samen met Hongarije bungelen wij onderaan de lijstjes: minder dan de helft van deze jongeren heeft betaald werk. Er is echt sprake van een blinde vlek. Geen ministerie is namelijk verantwoordelijk voor deze groep, want het Ministerie van OCW richt zich op onderwijs tot het diploma en het Ministerie van Sociale Zaken komt pas in beeld als het te laat is en deze student een uitkering nodig heeft. Dat is toch absurd? Is de Minister het met GroenLinks eens dat studenten met een beperking in de laatste fase van hun studie al aanspraak moeten kunnen maken op ondersteuning? Wil de Minister dit een topprioriteit maken? Deelt de Minister de zorgen van GroenLinks dat ministeries beter samen moeten werken? Wil de Minister regels die het voor deze studenten moeilijk maken, afschaffen?

Voorzitter. In mijn stad Nijmegen worden studenten met een beperking naar de arbeidsmarkt begeleid met een jobcoach. Ook in het buitenland zien we daarvan verschillende goede voorbeelden. In het Verenigd Koninkrijk bestaat zelfs een organisatie die specifiek afgestudeerden met een beperking in contact brengt met potentiële werkgevers. Ruim 60 Britse onderwijsinstellingen zijn daarbij aangesloten. Wil de Minister goed kijken naar deze voorbeelden en deze waar mogelijk overnemen? Is de Minister ook bereid om deze groep beter mee te nemen in onderzoeken onder alumni, zodat we ook meer te weten komen?

Voorzitter. Op mbo's lopen opvallend veel studenten met een beperking vast. Roc's weten niet altijd hoe ze de beste ondersteuning moeten bieden. Mbo-studenten hebben ook minder rechten dan studenten op hogescholen en universiteiten. Het Expertisecentrum handicap + studie ondersteunt hoger-onderwijsinstellingen. Waarom is er niet zo'n expertisecentrum op het mbo? Is de Minister bereid om de taak van dit expertisecentrum te verbreden en ook de benodigde subsidie te regelen?

Voorzitter. Studenten met een beperking hebben doorgaans meer tijd nodig om de studie af te ronden, want ze kunnen er vaak geen bijbaantje bij doen. Veel studenten durven ook minder te lenen, want hun arbeidsperspectief is slechter. Daarom is het belangrijk dat deze studenten ondersteund worden. Dat kan bijvoorbeeld via het profileringsfonds. Maar dit is niet goed bekend. De bedragen die erin zitten, variëren ook enorm per instelling. Ik ken nog een ouder onderzoek van de Landelijke Studentenvakbond waaruit blijkt, dat als je het gemiddelde per student berekent, dit varieert van € 0,30 tot € 300. Dat is nogal een verschil. Is dat verschil nog steeds zo groot? GroenLinks is blij dat er een mbo-studentenfonds komt. Maar waarom beschikt dit fonds dan slechts over 10 miljoen euro? Dat is ook weer veel minder dan in het hoger onderwijs. Is de Minister bereid, met mbo-instellingen afspraken te maken, zodat zijzelf dit fonds kunnen aanvullen? Is de Minister ook bereid om afspraken te maken over richtlijnen voor het profileringsfonds?

Voorzitter. Studenten met een handicap krijgen eenmalig € 1.200 aan lening kwijtgescholden, ter compensatie. Maar zij ontvangen dit pas na het afronden van een studie. Dat is natuurlijk erg ingewikkeld. Ik zou de Minister willen vragen of ze bereid is, deze compensatie eerder uit te keren, bijvoorbeeld in de vorm van een aanvullende beurs.

Dan een volgend punt. Een handicap betekent niet alleen dat je financieel ondersteund moet worden en dat je meer tijd nodig hebt voor je studie. Sommige studenten kunnen ook simpelweg bepaalde lessen niet volgen of bepaalde toetsen niet maken. Daar moet een instelling eigenlijk al rekening mee houden, maar dat gebeurt niet altijd. Wil de Minister met instellingen afspreken dat ze het onderwijsaanbod en de wijze waarop rekening wordt gehouden met deze studenten, bijvoorbeeld via de toetsvorm, expliciet maken en bijvoorbeeld zorgen dat er in alle studiegidsen van de opleidingen een omschrijving komt?

Ik rond af, voorzitter, met een laatste punt. Wij zijn geen fan van het bindend studieadvies, wat algemeen bekend is. En wij zijn ook geen fan van andere barrièremaatregelen. Maar we zouden in ieder geval willen dat studenten met een handicap altijd hiervan worden uitgezonderd. Is de Minister bereid om dat wettelijk te regelen?

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord vervolgens aan mevrouw Van den Hul van de Partij van de Arbeid. Ga uw gang.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Iedereen moet er zeker van zijn dat hij of zij kan studeren op het niveau dat recht doet aan zijn of haar capaciteiten, ongeacht een eventuele beperking. Maar helaas is dat nog lang niet voor iedereen het geval. Nog steeds krijgen jongeren met een beperking te maken met hoge drempels – letterlijk en figuurlijk. Ik was erg onder de indruk van de vaak lange weg die veel van de aanwezige sprekers bij het rondetafelgesprek hadden afgelegd om te komen waar ze waren; heel veel respect dat zij hun verhaal hier hebben willen doen.

Geen wonder dat studenten met een chronische aandoening of beperking hier niet altijd melding van maken bij de start van hun opleiding. Recent onderzoek toonde aan dat de groep jongeren met een chronische aandoening nog veel groter is dan wij tot nu toe wisten. Ruim 1,3 miljoen kinderen en jongeren hebben een chronische aandoening, oftewel: een op de vier. Zo'n chronische aandoening vraagt om chronische aandacht, aldus een van de deelnemers aan de rondetafel. Maar juist daaraan ontbreekt het te vaak, zelfs als de instelling wél weet dat een jongeren daarmee te kampen heeft. De gevolgen zijn ernstig. Jongeren met een beperking dreigen tussen wal en schip te vallen. Of liever gezegd: tussen onderwijs en zorg. De samenwerking van onderwijs met jeugdhulp loopt niet altijd zoals zou moeten en ook de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt staat voor deze jongeren niet structureel op de agenda. Maar zonder probleemeigenaar dreigt beleid blijvend tekort te schieten. Mede daarom is wat ons betreft meer en betere monitoring nodig.

De voorzitter:

Mevrouw Van den Hul, u heeft ongetwijfeld heel veel te vertellen, maar u praat vrij snel. Ik kan niet overzien of het niet te snel gaat. Het kan iets rustiger, denk ik. Ik geef u heus extra tijd. Het gaat goed, begrijp ik. Nou, dan is het goed. Gaat u verder, sorry.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Voorzitter. Zoals we eerder bespraken tijdens het AO Onderwijs en zorg dreigt ook hier kansenongelijkheid. Sommige mondige ouders vinden uiteindelijk de weg door de bureaucratische jungle, maar wat als je ouders niet zo mondig zijn? Wij horen dat sommige jongeren zo vastlopen in het reguliere schoolsysteem dat ze zelfs uitwijken naar particulier onderwijs. Maar wat als je ouders zich dat niet kunnen veroorloven? Natuurlijk vragen passende oplossingen voor betrokken jongeren om maatwerk. Ambulante begeleiders leveren daaraan een zeer waardevolle bijdrage. Ook daarvan zagen we mooie voorbeelden tijdens de rondetafel. Maar maatwerk mag niet verworden tot een excuus voor instellingen om studenten met een beperking geen passende begeleiding te bieden. Terecht wordt er gewerkt met pilots, maar onze zorg is dat deze onvoldoende leiden tot structureel beleid. Zelfs binnen een en dezelfde onderwijsinstelling zijn er soms grote verschillen in de begeleiding.

Voorzitter. In het bijzonder vraag ik graag aandacht voor studenten die te maken hebben met psychiatrische problemen. Natuurlijk zouden ook zij graag hun startkwalificatie willen halen, maar dat vraagt wel wat van docent en school, namelijk onderwijs dat rekening houdt en kan houden met psychiatrische problemen van deze studenten en dat hun ook de tijd geeft. Wat kan de Minister juist voor deze jongeren doen?

Onlangs is de motie van mij en collega Westerveld aangenomen waarin de regering wordt gezocht te regelen dat alle onderwijsinstellingen op korte termijn één aanspreekpunt hebben voor leerlingen en studenten die zorg nodig hebben. Dat is mooi, maar daarmee zijn we er natuurlijk nog niet. Nog te vaak moeten jongeren en onderwijsinstellingen opnieuw het wiel uitvinden bij de overgang van de ene onderwijsinstelling naar de andere. Hoe kijkt de Minister aan tegen de oproep van jongerenorganisaties om te zorgen voor een warme overdracht, bijvoorbeeld door doorstroomdossiers uit te wisselen in het hoger onderwijs en overdrachtsgesprekken te laten plaatsvinden?

Ook de informatievoorziening richting jongeren zelf kan en moet beter. Daarom pleiten LSVb en ISO voor een landelijke site met alle informatie over waar studenten met een beperking recht op hebben en welke voorzieningen er allemaal beschikbaar zijn. We horen graag hoe de Minister dit ziet en of zij hierbij ook een rol voor zichzelf weggelegd ziet. Ik sluit me aan bij de punten die door mijn beide voorgangers werden gemaakt over het expertisepunt in het mbo. Ik hoor graag de reactie van de Minister.

Voorzitter. De begeleiding van jongeren met een beperking van onderwijs naar arbeidsmarkt loopt, zoals al is gezegd, op dit moment allesbehalve soepel. Natuurlijk kan een beperking een jongere in de weg zitten, waardoor deze geen startkwalificatie kan behalen. Dan hopen we dat er voor hem of haar een praktijkdiploma is. Maar tegelijkertijd valt er nog het nodige te doen om ervoor te zorgen dat jongeren ondanks een beperking wel een startkwalificatie kunnen halen. Denk aan begeleiding tijdens stages en ook de begeleiding van studie naar werk. Het Toezicht Sociaal Domein heeft eerder dit jaar nog gewezen op de vele jonggehandicapten die thuiszitten zonder werk en zonder uitkering. Naar schatting is het aantal thuiszitters zo'n 10.000. Deze jongeren staan niet op de radar van de overheid en er is nauwelijks nog contact tussen UWV, gemeente en jongere. Wat kan de Minister doen om de aansluiting op de arbeidsmarkt voor jongeren met een beperking te verbeteren? Wil zij hierover in overleg treden met haar collega van Sociale Zaken?

Voorzitter, ik rond af. Wat voor de ene student geldt, kan voor de andere heel anders zijn. Zo bestaan er opleidingen die soms niet voldoen aan de huidige macrodoelmatigheidstoets maar wel kunnen fungeren als opstap voor studenten met een beperking. Zij kunnen zo toch een diploma halen en misschien ook doorstromen naar een vervolgopleiding. Als dit ertoe bijdraagt dat jongeren met een beperking wel hun weg vinden naar de arbeidsmarkt, moeten we dan het kind met het badwater weggooien?

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Er is een interruptie van de heer El Yassini.

De heer El Yassini (VVD):

Mevrouw Van den Hul heeft het over de macrodoelmatigheid. Ze zegt dat ze dan soms een opleiding kunnen doen op mbo-niveau, waardoor ze kunnen doorstromen naar hbo en misschien wel kans maken op een plek op de arbeidsmarkt. Kan zij een voorbeeld geven van een opleiding die daartoe bijdraagt maar macrodoelmatig slecht is?

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Wij hebben voorbeelden gehoord van creatieve opleidingen en ICT-opleidingen waarover twijfels bestaan als je ze bekijkt door de bril van macrodoelmatigheid. Maar als je gaat inzoomen op wat dat betekent voor verschillende doelgroepen zoals de doelgroep waar we het vandaag over hebben, kan dat leiden tot een andere conclusie.

De heer El Yassini (VVD):

Daar hebben we het tijdens het rondetafelgesprek ook over gehad met vertegenwoordigers van het mbo en ook het hoger onderwijs. De VVD wil ervoor waken – ik zie dat wel gebeuren als we de macrodoelmatigheid gaan negeren – dat we jongeren straks laten afstuderen in een opleiding waar geen vraag naar is op de arbeidsmarkt. Deze jongeren stromen door naar het hoger onderwijs, waar exact hetzelfde speelt. Economische studies zijn daar een belangrijk voorbeeld van, want veel wordt geautomatiseerd. Hoe gaat de PvdA zulke jongeren helpen? Ze hebben het hele traject in het onderwijs doorlopen, maar uiteindelijk kunnen ze geen baan vinden op de arbeidsmarkt, nu niet en in de toekomst ook niet.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

De heer El Yassini schetst het nu wel heel zwart-wit. Mijn punt is als volgt. Ik vind dat we ervoor moeten waken om alle studenten over één kam te scheren. Ik wil dat er ruimte is en blijft voor maatwerk. Dat maatwerk gaat over studiekeuze, over begeleiding tijdens stages en over begeleiding naar de arbeidsmarkt. Dat kun je niet los van elkaar zien, dat moet je als geheel zien. Mijn punt over macrodoelmatigheid gaat erover dat wat voor de een werkt, voor de ander misschien niet werkt en omgekeerd. Ik vind dat we oog moeten hebben voor de consequenties van beleid voor verschillende doelgroepen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Kwint van de SP.

De heer Kwint (SP):

Dank. «Ik kwam toevallig iemand tegen die me snapte of bereid was om net zo lang naar me te luisteren tot hij me snapte.» 90% van de succesverhalen van studenten met een beperking die ik de afgelopen jaren heb gehoord, is samen te vatten in deze ene zin. Een systeem dat afhankelijk is van toeval werkt niet. Een systeem dat afhankelijk is van het toeval iemand tegen te komen die lak heeft aan de regels werkt totaal niet. Dus het systeem werkt niet of totaal niet – een van die twee. Dat is geen beleid; dat is willekeur. Valt daar dan niets aan te verbeteren? Jawel, natuurlijk wel. Gelukkig heeft het kabinet een aantal voorstellen gedaan om dit te verbeteren. Volgens de SP bereik je de grootste verbetering op twee verschillende manieren. Eén is eenduidige regels en twee is meer menselijke aandacht, bijvoorbeeld als je als jongere van de middelbare school naar vervolgonderwijs gaat, of van vervolgonderwijs naar de arbeidsmarkt.

Om met dat laatste te beginnen: waar geschakeld wordt tussen verschillende opleidingen, is de grootste kans dat er iets fout gaat, dat mensen in de scheuren van het systeem verdwijnen. Probeer maar eens zand van je ene hand in je andere hand te gooien. Tenzij je valsspeelt en het zand zeiknat maakt, verlies je zand tussen je vingers door op het moment dat je het van je ene hand in je andere gooit. De ruimte tussen je vingers zijn de gaten in ons onderwijssysteem. Overgangen zijn momenten met een vergroot risico om mensen kwijt te raken, zeker wanneer je ook nog een beperking hebt. Dus begin de verandering in ieder geval daar. Als een leerling op een middelbare school ondersteuning krijg, waarom gaat zijn mentor dan niet standaard mee naar een nieuwe onderwijsinstelling? Iemand die al vier, vijf of zes jaar ervaring heeft met hoe er op de beste manier onderwijs gegeven kan worden aan jou, gezien jouw specifieke behoeften, kan dat volgens mij prima uitleggen aan een vervolgonderwijsinstelling. Dat is een beetje in het verlengde van het voorstel dat ik eerder met mijn GroenLinkscollega's Özdil heb gedaan voor mbo-2 en entreestudenten die voor het eerst aan het werk gaan. Ik ga vanmiddag trouwens langs bij mboRijnland om te horen hoe ze daarmee aan de slag gaan. Ik hoop daar nog nieuwe ideeën op te doen. Dan het tweede punt: willekeur, vooral in relatie tot het profileringsfonds. Het is mooi om te zien dat bijvoorbeeld de zwangere meiden op het mbo nu eindelijk toegang krijgen tot dit fonds. Dat zo uitvoering wordt gegeven aan het voorstel dat ik samen met mevrouw Van den Hul twee jaar geleden gedaan heb. De SP hoopt dat het uitval onder jonge moeders kan voorkomen, iets waar deze moeders, hun kinderen, de hele samenleving een leven lang profijt van heeft.

Dan toch de willekeur. Want als je sommige rekenvoorbeelden erbij pakt, waarbij een student met bijvoorbeeld een chronische beperking zeven jaar over zijn opleiding doet, dat is bepaald niet denkbeeldig, dan kan dat in de toelage die je krijgt maar liefst € 13.000 schelen als je voor de verkeerde stad en instelling kiest. De individuele studietoelage verschilt soms wel 1.000% per gemeente. Dat is toch waanzin? Alsof je rolstoel het beter doet in Haarlem dan in Roosendaal en alsof de lucht in Enschede beter is voor je autisme dan in Vlissingen. Waarom hebben onderwijsinstellingen bijna allemaal een reclamepagina dat ze zo goed omgaan met topsporters die een speciaal programma nodig hebben, maar moet je als je een beperking hebt vaak alles zélf uitzoeken? Waarom verschilt zelfs hoe je een aanvraag moet doen? En als maar 5% van het huidige beschikbare budget voor het profileringsfonds naar studenten met een beperking gaat, terwijl 66.000 studenten een serieuze functiebeperkingen hebben, dan gaat er toch iets ontzettend mis? Om nog maar te zwijgen over het bureaucratische bos waar je in terechtkomt als je een aanvraag gedaan hebt en vervolgens je conditie verergert.

Volgens de SP moet het belang van de student centraal staan, niet dat van de onderwijsinstelling. Dus, vraag ik de Minister, is het niet veel beter om deze gelden bijvoorbeeld uit de lumpsum te halen? Er staat nu namelijk een financiële bonus op onbekendheid. Geef je het geld niet uit, dan mag je het houden. Dus bescherm studenten hiertegen, bescherm ze tegen de onbekendheid, de willekeur, en richt bijvoorbeeld landelijk zo'n profileringsfonds in. Een veel grotere kans om bekend te worden. Dan hoeft niet elke onderwijsinstelling zijn eigen promotie te doen en meer gelijkheid voor studenten met een beperking, zodat zij niet een instelling hoeven uit te kiezen waar de vergoeding net iets hoger is dan de ander. Echte rechtsgelijkheid. En trek dan wat ons betreft ook meteen die studietoelage gelijk voor studenten met een beperking, want 3 miljoen van de 53 miljoen euro uitgeven is gewoon gênant. En verschillen van honderden euro's per maand zijn dat ook.

Dan het leenstelsel, het vermaledijde schuldenstelsel. Dat raakt dus jongeren met een beperking extra hard, want waar je eerst een jaar extra studiefinanciering kreeg en daarna een beroep kon doen op het profileringsfonds, kan een student nu, voor zover ik begrepen heb, alleen extra kwijtschelding krijgen als hij zijn diploma binnen tien jaar haalt. Wat als dat niet haalbaar blijkt? Zadel je dan scholieren niet op met een ongelooflijke schuldenlast? En betekent een lagere tegemoetkoming vanuit het zogenoemde profileringsfonds niet sowieso al een hogere schuldenlast? En wat betekent dat voor de toch al penibele positie op de arbeidsmarkt waar sommige jongeren met een beperking in terechtkomen? Sturen wij ze dan niet de arbeidsmarkt op met een hele zak schulden op hun schouders?

Ten slotte. Ik heb het vaker gezegd bij de debatten over passend onderwijs, maar het geldt hier net zo goed. Niks helpt beter dan één aanspreekpunt met alle kennis en tijd om je verder te helpen. Eén iemand die je bij de hand neemt om je uiteindelijk door het oerwoud van regelingen mee te nemen. Zou niet elke onderwijsinstelling zo iemand moeten hebben?

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Kuik van het CDA.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank, voorzitter. Ik spreek hier mede namens Eppo Bruins van de ChristenUnie.

Niet iedereen kan door dezelfde hoepel springen en waarom zouden we dit dan ook moeten hebben voor het leren van een vak? We hebben allemaal onze talenten en beperkingen en de een moet veel meer inspanning leveren dan de ander om het omgaan met een beperking of zorg voor een familielid te combineren met je studie.

Toch zit de situatie van deze studenten nog niet goed genoeg tussen de oren van de verschillende spelers. Ik zie het in het algemeen, als je kijkt naar de fysieke toegankelijkheid. Iemand in een rolstoel moet veel meer plannen en uitzoeken om van A naar B te komen. Er is een lift, maar waar zit die? Zijn er drempels? En dit is dan ook nog zichtbaar, zichtbaar dat iemand in een rolstoel zit en een andere behoefte heeft. Maar dat iemand chronisch ziek is, of mantelzorger is, dat lees je niet even van iemands gezicht af. En het vergt van instellingen dan ook een andere manier van kijken.

Voor topsporters zijn er allerlei regelingen. Door deze jongeren wordt ook een topprestatie geleverd en zij verdienen ook die kansen. Kan de Minister toezeggen dat ook van die topsportregelingen geleerd kan worden en kan worden gekeken hoe dit als goede voorbeeld kan dienen, ook voor deze jongeren? Het begint met de benadering van de student als persoon, in plaats van als nummer zoveel. Dat is minder in het mbo dan in het hbo en wo. Het gaat erom te weten dat jongeren door een beperking, ziekte of mantelzorg een extra uitdaging hebben. De overdracht – ook al eerder genoemd – van verschillende onderwijssoorten moet beter. En überhaupt de informatievoorziening moet goed zijn. Klik je op www.studeermeteenplan, dan ben ik in ieder geval niets tegengekomen over studeren met een functiebeperking of chronische ziekte of mantelzorgtaak. De heer Kwint zei het ook al: een aanspreekpunt moet er zijn en dat moet duidelijk zijn en bekend. Vindt de Minister ook dat de ondersteuning van een expertisepunt zoals dat in het h.o. geregeld is, uitgebreid moet worden naar het mbo?

Dan kom ik bij de wetten voor het mbo en het hoger onderwijs. Daar is het een en ander geregeld, maar ik vraag mij wel af hoe duidelijk dat is. Soms gaat het alleen over gehandicapte studenten, soms over studenten met een beperking, maar nooit over mantelzorgende studenten. Het CDA vindt dat deze groep niet mag worden vergeten. Mijn collega Harry van der Molen heeft hier al eerder aandacht voor gevraagd en ik zou graag van de Minister willen weten of we meer inzicht kunnen krijgen in het aantal mantelzorgende studenten in het mbo en hbo.

Daarnaast lijken de regelingen zich vooral te richten op het afnemen van examens en niet op de vormgeving van het onderwijs. Want wat nu als je als student regelmatig niet aanwezig kunt zijn, door bijvoorbeeld een bezoek aan de dokter? Wat als je hierdoor in de problemen komt met een aanwezigheidsplicht van een vak? Er worden op een aantal punten al goede stappen gezet, waardoor studenten meer regie op hun studiebelasting hebben. Denk aan de uitbreiding van het experiment flexstuderen in het hoger onderwijs, naar aanleiding van een CDA-motie. Maar dit is niet voldoende. Er moet meer gebeuren. We denken aan het verduidelijken van de regelingen, zodat duidelijk wordt dat alle instellingen voor zowel gehandicapte studenten als studenten met een chronische aandoening en studenten met een mantelzorgende taak beleid moeten opstellen. We zouden graag willen dat de inspectie ook thematisch onderzoek gaat doen naar de vraag of instellingen beleid hebben opgesteld en of studenten daar in voldoende mate bekend mee zijn en er gebruik van maken. Graag hoor ik hoe de Minister hierover denkt.

De heer Kwint (SP):

Dat lijkt mij ook interessant. Elke instelling krijgt nu geld om beleid te maken. Wij weten niet of ze dat doen, maar we weten wel dat daar maar in zeer beperkte mate gebruik van wordt gemaakt. Zou het dan niet logischer zijn om dit niet via de lumpsum, die grote zak met geld, te regelen? Want instellingen hebben nu een financiële motivatie om dat geld niet uit te geven, terwijl het zo hard nodig is. Is het CDA dat met mij eens?

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik zie al de duimpjes van de heer Beertema naast mij. Waar het volgens mij mee begint, is dat we weten welk beleid er is en dát er beleid is. Daar vraag ik nu naar. Dat lijkt mij de eerste stap. Als daarna blijkt dat het heel anders loopt, dan moeten we een volgende discussie hebben, maar het begint bij de eerste vraag die ik stelde.

De heer Kwint (SP):

Een hele hoop weten we ook al wel. 5% van het profileringsfonds gaat naar studenten met een beperking. Er zijn gigantische verschillen in de individuele studietoelagen. Een hele hoop geld – wat was het? 50 van de 53 miljoen van die studietoeslagen – is niet uitgegeven. Dan weten we toch al dat dat niet werkt en dan kunnen we toch nu al dingen veranderen?

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik ben het met de heer Kwint eens dat het heel gek is dat er bij de een veel meer wordt uitgekeerd dan bij de ander. Dus ik vind dat ook echt iets waar we naar moeten kijken. Bij het mbo is het profileringsfonds net ingesteld. Dus laten we dan ook even de tijd gunnen aan instellingen om daarmee aan de slag te gaan en het bekendheid te geven onder studenten. Dat is wel belangrijk. Dat punt maakte ik net ook al.

Voorzitter. Dan pak ik het volgende onderwerp.

De voorzitter:

Ja, gaat u verder.

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik ga verder met een knelpunt dat ook duidelijk zichtbaar is, namelijk de ondersteuning bij stage. Het vinden van een passende stage is lastig en ook ondersteuning op de stage zelf is vaak nodig. Ik vind het belangrijk dat bedrijven geholpen worden bij het goed begeleiden van studenten en daarom zou ik ook willen dat de SBB extra trainingen gaat aanbieden aan de praktijkopleiders, zodat zij studenten met een beperking beter kunnen begeleiden. Hier moet ook de tijd voor zijn. Kan de Minister hierop ingaan?

Tot slot. Het is vreemd dat de betrokkenheid rondom mensen met een chronische ziekte of een beperking na het diploma weg zou vallen. Alsof er ineens geen ondersteuning meer nodig zou zijn. De transitieroute is ook een aantal keren al genoemd bij de rondetafel. Hierbij wordt één jaar voor het afronden van de opleiding tot één jaar na het vinden van werk gezamenlijk met de jongeren, de onderwijsinstelling, bedrijf en gemeente een plan gemaakt voor het halen van het diploma en het vinden van werk.

Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat gemeenten en onderwijsinstellingen rondom jongeren meer samen gaan werken in plaats van dat dit gescheiden werelden zijn? Dit is voor jongeren met een functiebeperking van belang, maar ook bijvoorbeeld voor jongeren die in de schuldhulpverlening zitten. Ik zie een interruptie.

De voorzitter:

Nee, geen interruptie, u bent aan het einde van uw tijd. Kunt u afronden?

Mevrouw Kuik (CDA):

Dan laat ik het hierbij, voorzitter.

De voorzitter:

Er is een interruptie van mevrouw Westerveld voor u.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik heb er in mijn bijdrage voor gepleit om studenten met een functiebeperking altijd standaard uit te zonderen van barrièremaatregelen, zoals het bindend studieadvies. Wij denken anders dan het CDA over het bindend studieadvies, maar ik wil wel aan het CDA vragen of het het ermee eens is, dat je studenten met een functiebeperking gewoon standaard uitzondert van maatregelen waardoor bijvoorbeeld iemand bij het niet genoeg halen van je punten in het eerste jaar kan worden weggestuurd.

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik vind dat we ook moeten oppassen dat we mensen direct in een hokje stoppen, want iedereen is ook weer anders met zijn beperking. Dus wat dat betreft, maatwerk is hierbij ook gewoon een hele belangrijke.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Natuurlijk is maatwerk een hele belangrijke. Dat zal ook niemand ontkennen. In de wet wordt ook gezegd dat onderwijsinstellingen rekening moeten houden met de omstandigheden, en toch krijgen wij veel signalen binnen van studenten die wel degelijk een beperking hebben en die wel tegen dit soort maatregelen aanlopen, waardoor ze dus zelf stappen moeten zetten, naar de examencommissie moet gaan, enzovoort. Die heisa voorkom je als je van te voren duidelijk afspreekt dat we studenten met een beperking gewoon standaard uitzonderen van dit soort maatregelen. Ik wil aan het CDA vragen of ze daarmee eens is.

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik heb natuurlijk ook tijdens de rondetafel gehoord dat het soms best wel lastig is om te worden toegelaten. En daarom vind ik het ook van belang dat er een aanspreekpunt is, iemand die ondersteunt, die ook de jongeren hierbij helpt. Want ik zie inderdaad dat dat wel een worsteling is waar sommige studenten met een functiebeperking mee te maken hebben.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Beertema van de PVV.

De heer Beertema (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Talent herkennen en dat vervolgens ontwikkelen. Dat is de kerntaak van het onderwijs. Vandaag hebben we het over studenten die met een beperking moeten leven. Ook hún talent hebben we nodig, maar het ontwikkelen daarvan gaat vaak gepaard met problemen. Het is lang niet altijd even gemakkelijk als je met een beperking studeert in het mbo en het hoger onderwijs. Dat gaat vaak gepaard met veel moeite, veel pijn, om toch tot een succesvolle afronding van die opleiding te komen. Maar dat is wél wat we allemaal willen: studiesucces voor studenten die met een beperking te kampen hebben.

Tijdens het AO Toegankelijkheid en kansengelijkheid binnen het hoger onderwijs op 20 februari heb ik het profileringsfonds in het hoger onderwijs al besproken. Er wordt door dit kabinet 2 miljoen extra in geïnvesteerd en dat is positief. Maar dan moeten ze wel de weg weten te vinden naar dat profileringsfonds. En dan komen we meteen bij de boosmaker van de dag.

In de brief van 25 oktober staat dat de inspectie concludeert dat studenten met een functiebeperking niet of nauwelijks op de hoogte zijn van het bestaan van het profileringsfonds. De informatie over het profileringsfonds is bovendien vaak lastig te vinden op de websites van instellingen, maar waar ik echt heel chagrijnig van kan worden, is dat die informatie vaak ook onbekend is bij studieadviseurs. Zoals de brief stelt, sluit dit aan bij de bevindingen uit de Monitor Beleidsmaatregelen 2017–2018. Daarin staat dat slechts 8% – 8% – in het wo en 3% – een beschamende 3% – in het hbo bekend is met het profileringsfonds.

Voorzitter. Dat is een aanfluiting. Er zijn mensen daar die hun werk grondig, grondig verwaarlozen. Decanen in het vo zijn hierbij ook heel belangrijk en het mbo en studieadviseurs, of hoe ze allemaal heten in het wo. Juist deze groep, die de mond overvol heeft van gelijke kansen voor iedereen en o, o, o, we moeten meer aandacht hebben voor kwetsbare leerlingen, juist zij die als kerntaak hebben in hun eigen takenpakket om de echte kwetsbaren bij te staan, laten het totaal afweten. Wat doen die mensen? Door wie worden ze aangestuurd? Is de bekendheid van het profileringsfonds geen onderdeel van het functioneringsgesprek dat zij voeren met hun eigen leidinggevende? Waarom is dat dan niet zo? Wat doen die managers dan? Waarom is het cvb, het college van bestuur, niet verbaasd dat er zo weinig beroep wordt gedaan op dat fonds? Er zijn perverse prikkels – ze zijn al genoemd – en die moeten eruit. Ik vind het ronduit schandalig. Wat gaat de Minister ondernemen om deze absolute misstand van 8% en 3% binnen een jaar op te hogen naar 70%, 80% voor de hele populatie en gewoon naar 100% voor de studenten met een beperking? Vanuit de faculteiten? Nee, de basis moet gelegd worden in het vo en daarna moet het vanuit de faculteiten, de studieadviseurs, de studieloopbaanbegeleiders en de decanen. Zij dienen de studenten te informeren over de mogelijkheden van voorzieningen en begeleiding, maar bovenal over de wijze waarop studenten met een beperking aanspraak kunnen maken op het profileringsfonds. Het is goed dat de Minister in het najaar komt met een wetsvoorstel voor een vergelijkbaar fonds voor het mbo, maar de gfvraag is dan: kan de Minister nu al uitsluiten dat ook dit profileringsfonds vrijwel geen bekendheid zal gaan genieten en daarmee het primaire doel totaal voorbijschiet? Ik zou graag toezeggingen krijgen van de Minister. Dat scheelt misschien weer een VAO, maar ik rook al een VAO bij mijn buurman van de SP.

De heer Kwint (SP):

Ik reken erop dat ik op alle punten gelijk krijg, hoor, dus dan is dat niet nodig.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Het totale aantal studenten met een functiebeperking is niet bekend. Dat is toch wel een lastig probleem, omdat vanwege de Algemene verordening gegevensbescherming resultaten uit enquêtes, zoals de Nationale Studenten Enquête, een vertekend beeld kunnen geven van het werkelijke aantal. Zo heeft sinds de invoering van de AVG, de Algemene verordening gegevensbescherming, naar schatting een derde van de studenten ervoor gekozen om hun oordeel niet te delen met hun instelling. Dit zorgt ervoor dat we niet echt goed inzage hebben in trends. Dat is ontzettend lastig. Wat is de Minister van plan te doen om dit op te lossen? Ik zou het zo gauw niet weten, maar de Minister heeft hele goede ambtenaren die heel creatief zijn. Meten is weten, dus er moet wel iets gebeuren.

Voorzitter. Ik ga afronden. Instellingen hebben nu zelf de vrijheid om invulling te geven aan bijvoorbeeld duur en hoogte van het profileringsfonds. Dat is door een aantal vorige sprekers al verteld. Wij vragen ons af of het streven naar meer uniformiteit niet zal leiden tot meer efficiency en bovenal veel minder willekeur. In het rondetafelgesprek is onder andere gebleken dat er grote verschillen zijn. Die verschillen zijn al gememoreerd; ze zijn absurd! Zelfs tussen faculteiten zijn er verschillen in de faciliteiten die worden aangeboden. Wij kunnen ons voorstellen dat dit tot ergernis leidt en ook tot uitval, en dat is nog veel erger. Streven naar meer uniformiteit is volgens ons geen overbodige luxe. Wij zullen elke poging daartoe van harte steunen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Bisschop van de SGP.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Als je gedurende langere tijd een jongere volgt die te maken heeft met ingrijpende beperkingen, kom je tot een aantal conclusies. Een van die conclusies is dat zo'n jongere tegen beperkingen aanloopt: hij wil dingen, maar dat kan niet volgens de regelgeving. Je komt ook tot de conclusie dat er instellingen zijn die er voortdurend op gericht zijn om juist dan maatwerk te leveren, al schuurt dat soms langs de grenzen van de regels. En je komt tot de conclusie dat zo'n jongere ook zichzelf moet ontdekken. Hij kan meer willen dan wat hij daadwerkelijk kan presteren. Dat leidt, wat mij betreft, tot diep respect voor al die jongeren die te maken hebben met dit soort situaties.

Voorzitter. De SGP is blij dat de Minister de mogelijkheden voor deze jongeren op een rij heeft gezet. Wat is er nu mogelijk voor die studenten, wat kan er nu allemaal, waarin kunnen ze ondersteuning krijgen? Ik denk dat het ontzettend belangrijk is dat dat inzicht er is. Het is ook heel goed om te zien wat er allemaal mogelijk is. Tegelijkertijd moeten die kansen dan ook wel benut worden. Daar zit inderdaad – collega's hebben er ook al de vinger bij gelegd – nog weleens een klem. Wij vragen vanuit onze fractie specifiek aandacht voor het feit dat jongeren nog weleens vastlopen in een stage. Ook hier is ruimte om maatwerk te leveren, bijvoorbeeld als het gaat om het aantal uren. Welke mogelijkheden ziet de Minister om te werken aan bewustwording op dit punt, namelijk dat maatwerk mogelijk is, bij instellingen en werkgevers?

Een andere groep waar we met nadruk aandacht voor willen vragen, zijn studenten op de niveaus 1 en 2 van het mbo. Die jongeren hebben doorgaans minder kennis van allerlei regelgeving en een beperkter netwerk om uitdagingen aan te gaan. Kan de Minister bij het uitwerken van het wetsvoorstel in het bijzonder deze groep in het achterhoofd houden? Want als de Minister deze groep bedient, bedien je bijna vanzelfsprekend ook alle andere groepen.

Voorzitter. Dan het punt van de onterechte uitschrijvingen. Studenten die uit de opleiding worden weggewerkt, kunnen worden opgezadeld met een hoge studieschuld. Wil de Minister nog eens kritisch kijken naar oplossingen? De vraag is ook wat de inspectie gaat doen als er fouten worden geconstateerd in dit soort processen. Het zou mooi zijn als we dan niet alleen denken aan bekostigingssancties, maar wat ons betreft ook, wat veel belangrijker is, aan aanwijzingen om de student alsnog te helpen.

Een terugkerende klacht is verder dat een negatief oordeel over toelating pas heel kort voor de vakantie wordt meegedeeld. Dat is natuurlijk een hopeloze situatie, want het is een heel proces om tot een keuze te komen. Welke mogelijkheden ziet de Minister om erin te voorzien dat dit niet op een zo korte termijn wordt meegedeeld? Voor mensen met een Wajong-uitkering is het mogelijk gemaakt om studiefinanciering te krijgen. Maar in de Participatiewet kan dat niet. Daar wordt het ontvangen van studiefinanciering als voorliggende voorziening gezien en geldt dus geen recht meer op bijstand. Scholing kan dan een uitweg bieden, maar de financiële risico's zijn dan vaak groot, bijvoorbeeld als er een urenbeperking is. Is de Minister bereid om met haar collega van Sociale Zaken eens te bekijken of hier geen gelijkwaardige regeling ingericht kan worden? En ligt het in ieder geval niet voor de hand om de beoordeling van de studietoeslag ook door DUO te laten doen?

De SGP vraagt vervolgens aandacht voor de gebrekkige puntentoekenning voor gesubsidieerde rechtsbijstand in complexe onderwijszaken, die helaas hier nog wel eens mee samenhangen. Is de Minister bereid om in het kader van dit wetsvoorstel eens contact te zoeken met onderwijsadvocaten en hierover verslag te doen?

Tot slot is het opvallend hoe vaak bij klachten genoemd wordt dat scholen van kwetsbare leerlingen en studenten te veel verwachten: te weinig structuur, te veel zelfsturing. Dat geldt zeker voor het mbo. Dat is de wrange vrucht van soms al te enthousiaste inzet op competentiegericht onderwijs. Laat ik er maar even een kritisch nootje aan wijden. Ik hoop dat de instellingen dit probleem serieus nemen en dat de Minister bereid is om ook op dit punt te doen wat ze kan om een zetje in de goede richting te geven. Welke mogelijkheden ziet de Minister daartoe? Hier wilde ik het even bij laten, voorzitter, dank u wel....

De voorzitter:

Ik dank u zeer. Mag ik u gelijk vragen om tijdelijk het voorzitterschap, wat deze keer een zeer zware taak is, van mij over te nemen?

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter, het is mij een vreugde om te proberen dat met bezieling te doen.

Voorzitter: Bisschop

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de geachte afgevaardigde Van Meenen, die spreekt namens Democraten 66.

De heer Van Meenen (D66):

Kijk eens aan. Zo hoort het. Voorzitter. Onderwijs is hét middel om jezelf te ontwikkelen tot de persoon die je wilt worden, die je wilt zijn, ongeacht je achtergrond en natuurlijk ongeacht je beperkingen. Essentieel is dan ook dat het onderwijs toegankelijk is, dat het inclusief is en dat het studeerbaar is. Dat is niet alleen het standpunt van D66, maar dat is onze taak en onze opdracht vanuit het VN-verdrag handicap. Artikel 24 verplicht instellingen om zich actief in te zetten voor inclusie. Hier is nog een flink aantal stappen te zetten voor toegankelijk onderwijs, voor studeerbaar onderwijs voor alle studenten. Ik moet zeggen dat er al een hoop verstandigs is gezegd door de collega's. Ik ga er toch nog een paar dingen aan toevoegen, want anders denkt u dat wij er niks van vinden en dat is niet zo, want we vinden er van alles van. Om te beginnen de communicatie. Het is al gezegd: studenten hebben behoefte aan één informatiepunt, één website waarop zij terechtkunnen voor informatie, vragen en het uitwisselen van tips en ervaringen met elkaar en met alumni. Ook mbo- en ho-instellingen hebben behoefte aan een centraal informatiepunt voor kennisdeling tussen scholen. Graag een reactie op dit punt van de Minister. De vraag van D66 is: kunnen het ministerie, de MBO Raad, de Vereniging Hogescholen, de VSNU, de JOB, het ISO en de LSVb in gezamenlijkheid in staat gesteld worden om zo'n site op te zetten?

Daarnaast worden studenten vaak onvoldoende ondersteund – het is al vaker gezegd – en zijn ze zich niet bewust van de voorzieningen waar ze aanspraak op kunnen maken. D66 roept dan ook elke instelling op om een zorgcoördinator aan te stellen zoals we die hebben gezien bij de rondetafel: Henrie Mastwijk van het Graafschap College. Zo'n begeleider gun je iedereen. Het is voor mij onbegrijpelijk dat dit nog in onvoldoende mate bij instellingen gebeurt. Hoewel ik hier geen gewoonte van maak, sluit ik me wat dat betreft aan bij de heer Beertema. Mijn vraag is: kan de Minister bevorderen dat instellingen zo'n functie creëren ten behoeve van hun studenten en de voorlichting daarover naar studenten verbeteren?

De voorzitter:

Er is een vraag van de vertegenwoordiger van de PvdA.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Klopt. Ik heet mevrouw Van den Hul. Ik heb niet echt een vraag, maar ik wil iets ter info opmerken. Onlangs is een motie van mijzelf en mevrouw Westerveld aangenomen die de regering verzoekt om ervoor te zorgen dat alle instellingen zo'n aanspreekpunt krijgen. Ik hoor ook heel graag straks in de beantwoording van de Minister hoe zij uitvoering gaat geven aan die motie. Ik hoorde de heer Van Meenen zojuist ook een oproep daartoe doen. Dus ik dacht: ik meld even dat die motie al is aangenomen.

De heer Van Meenen (D66):

Zeker. Het kan nooit kwaad om oproepen in aangenomen moties – die D66 overigens van harte gesteund heeft – nog eens te doen.

De voorzitter:

Het was niet zozeer een vraag maar een aanvulling. Dank u wel, mevrouw Van den Hul. Het woord is weer aan de heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Zonder meteen te verzanden in het beeld dat de heer Kwint gaf van handen met zand en vingers, maar het gaat inderdaad vaak mis bij de overgangen in het onderwijs. Er gaat in dit geval bij de overgang van middelbare school naar vervolgopleiding veel kennis en maatwerk voor studenten verloren. Een gesprek over de zorgvraag en de begeleiding of een overdracht van het dossier zou voor studenten enorm kunnen helpen bij die overgang, natuurlijk met instemming van de student zelf en met inachtneming van de privacy. Graag een reactie van de Minister. Kan zij zo'n warme overdracht bevorderen?

Voorzitter. De gebruiksvriendelijkheid voor de student kan verder worden verhoogd. Zo is mij een verhaal bekend van een student die maar liefst een halfjaar heeft moeten wachten op de bekostiging van audio-ondersteuning. Snelheid in deze regelingen is geboden voor jonge mensen, omdat ze anders direct een studievertraging oplopen. Dat werkt zeer ontmoedigend en kan zelfs leiden tot uitval. Aangezien deze studenten vaak geen bijbaan kunnen hebben, krijgen ze jaarlijks wel een tegemoetkoming van € 1.200, maar pas na afloop. D66 vraagt de Minister of het mogelijk is om deze regeling om te zetten in een maandelijks uit te keren bedrag. Deze vraag is ook al eerder gesteld, ik meen door GroenLinks.

Veel gebouwen zijn ook nog niet toegankelijk, niet rolstoelvriendelijk. Wat is de huidige stand van zaken? Kan de Minister een check laten doen op de toegankelijkheid van de mbo- en ho-instellingen en daarover rapporteren?

Voorzitter. Dan de overgang naar de arbeidsmarkt. Pas afgestudeerde studenten met een beperking hebben soms moeite met het vinden van een baan. Werkgevers vinden het te lastig om iemand aan te nemen die speciale ondersteuning nodig heeft maar wel goed werk kan leveren. Na het behalen van het diploma valt de ondersteuning van de school weg en komt men in beeld bij de gemeente, vaak op het moment dat afgestudeerden al zijn uitgevallen en een uitkering aanvragen. En zo komen ze tussen wal en schip te vallen.

D66 ziet graag dat loopbaanbegeleiders, gemeenten, UWV en werkgevers beter gaan samenwerken om jongeren naar een passende baan te helpen. Zo is er in sommige gemeenten een zogeheten transitieroute waarbij een plan wordt gemaakt rond het halen van het diploma naar een duurzame baan. Is de Minister bereid om dit succes van die transitieroute breed onder de aandacht te brengen en te stimuleren dat meer gemeenten dit gaan ondernemen? Wat hierbij ook kan helpen, is een betere samenwerking tussen OCW en SZW. Eerder hebben we bij onderwijs en zorg voor p.o. en vo gezien dat dit betere oplossingen kan bieden. Is de Minister bereid een samenwerking tussen OCW en SZW op te zetten voor studenten met een beperking?

De voorzitter:

Er is een vraag van de heer El Yassini.

De heer El Yassini (VVD):

Ik hoor de heer Van Meenen praten over een betere samenwerking tussen OCW en SZW. Dat vind ik een heel goed idee, want we zijn altijd weer bezig binnen ministeries, op eilandjes, te kijken wat we binnen dat domein wel of niet kunnen. Maar zou het Ministerie van VWS daarbij niet ook moeten aanhaken, juist ook vanwege de zorgvraag die studenten met een functiebeperking vaak hebben? Ik steun de lijn van de heer Van Meenen, maar ik zou dan wel willen adviseren om dan VWS daarbij te doen en om daarmee te starten. Wat vindt de heer Van Meenen daarvan?

De heer Van Meenen (D66):

Dat is uiteraard een goed idee. Ik verwees er al naar dat er in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs inmiddels ook in de richting van deze commissie een gezamenlijke actie is ondernomen. Dat kan alleen maar helpen. In onze wereld, hier in Den Haag, zijn het gescheiden werelden. Dat zie je op de werkvloer terug. In het verband waarin ik het nu zei, ging het vooral over de arbeidsmarkt. Daarom hebben we het over SZW. Maar ik heb er nooit iets op tegen als ministeries die iets goeds kunnen bijdragen, dat ook doen. Dus: ja.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Ten slotte. Ook ik maak mij grote zorgen over de stages. Dat doe ik ook in allerlei andere verbanden, zoals discriminatie en noem het allemaal maar op. Maar ook in dit geval denk ik dat daar extra aandacht voor nodig is. Want als er één goede start op de arbeidsmarkt is, dan is dat het doen van een goede stage. We horen te veel dat dit voor deze studenten juist een probleem is.

Ten slotte deel ik de zorgen over het profileringsfonds. Mijn collega Rens Raemakers heeft ervoor gezorgd met zijn motie, die breed ondersteund is in de Kamer, dat de gemeentelijke uitkeringen zijn rechtgetrokken. Dat is bij de profileringsfondsen bepaald nog niet het geval. Mijn vraag aan de Minister is: als we niet vervallen in het weer weghalen uit de lumpsum of iets dergelijks, wat kunnen we er dan aan doen om te zorgen dat elke student overal hetzelfde recht kan uitoefenen?

De voorzitter:

Dit leidt nog tot een vraag van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ja, precies op dit punt. In de wet is geregeld dat elke instelling voorzieningen moet treffen voor studenten die bijvoorbeeld studievertraging oplopen omdat ze aan topsport doen of vanwege bijzondere omstandigheden. Daar staat het ook in als ze een functiebeperking hebben. Maar ik gaf in mijn bijdrage ook al aan dat instellingen verder heel erg vrij zijn om dat fonds zelf in te richten. Er zijn hele grote verschillen in de bedragen, maar er zijn ook verschillen in de besteding. Dat moet wel afgestemd worden met de medezeggenschap. Als je als instelling een kleine pot hebt, dan heeft de medezeggenschap natuurlijk niet zo heel veel om echt uit te kiezen. De medezeggenschap kan er lang niet altijd voor zorgen dat juist die groep gehandicapte studenten wordt bediend. Ik vraag de heer Van Meenen of hij bereid is om mee te denken over een manier waarop we bijvoorbeeld een minimumbedrag als richtlijn per student kunnen vragen aan de instellingen of waarop we bijvoorbeeld kunnen zeggen: een bepaald percentage van dit bedrag moet gewoon naar studenten met een functiebeperking gaan.

De heer Van Meenen (D66):

Ik wil op voorhand niets uitsluiten, want ik vind gewoon dat studenten met een beperking recht hebben op de voorzieningen die ze nodig hebben om te kunnen studeren. Die zijn voor iedereen anders en kunnen zelfs per instelling verschillen. Dus het hangt ook van andere factoren af hoe studeerbaar het programma bijvoorbeeld al is. Ik vind het lastig om daar nu één centrale norm voor te stellen, maar ik sluit die ook niet uit als die nodig is. Ik zou willen dat hier dezelfde aandacht naar uitgaat als bij topsport het geval is. Daar hoor ik zelden problemen. Ik zou zeggen: studeren met een beperking ís topsport, dus laten we dat op dezelfde manier te benaderen. Daartoe ik roep ik de instellingen op. Ik hoop dat dit antwoord voldoende is. Ik sluit op voorhand niks uit, maar ik zou in eerste instantie aan de Minister willen vragen welke mogelijkheden zij ziet.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik snap die aarzeling best, want wij zijn zelf ook aan het nadenken over hoe je meer vorm zou kunnen geven aan het goed ondersteunen van deze studenten. Ik zou me wel goed kunnen voorstellen dat we de Minister echt eens vragen om te kijken waar die grote verschillen vandaan komen en of we toch met de instellingen een bepaalde richtlijn kunnen afspreken, bijvoorbeeld een minimum per student in het fonds, waardoor we op alle instellingen de faciliteiten zo goed mogelijk recht kunnen trekken. Ik wil de heer Van Meenen vragen of hij daar wat in ziet.

De heer Van Meenen (D66):

We kennen alle tegenwerpingen – ik heb er zelf net ook een paar genoemd – als het gaat om «er moet één bedrag zijn, een landelijk bedrag, voor deze beperking; dat moet ongeveer dit zijn». Daar kan ik me iets bij voorstellen. Diezelfde tegenwerpingen had mijn D66-collega Raemakers ook toen het erover ging of gemeenten niet eenzelfde bedrag aan studenten zouden moeten geven via de gemeentelijke toelage. Gelukkig zijn we daar doorheen gebroken met de Kamer en gaat dit nu gebeuren. Iets dergelijks is hier ook nodig. Ik sluit echt niet uit dat er ook nog andere manieren zijn. Tot dat moment houd ik het nog even open, maar het doel delen we volledig.

De heer Kwint (SP):

Waar baseert de heer Van Meenen zijn optimisme en enthousiasme op dat de individuele studietoeslag gelijk wordt getrokken?

De heer Van Meenen (D66):

Ik ben altijd optimistisch dat, als de Kamer een motie aanneemt van die strekking, deze ook wordt uitgevoerd. En die motie is aangenomen.

De voorzitter:

De heer Kwint nog een vervolgvraag.

De heer Kwint (SP):

Is dat dan een andere motie dan die ik nu voor me heb, waarin staat dat de regering verzocht wordt om er bij het uitwerken van een verbetering van de huidige regeling van de individuele toeslag in de Participatiewet naar te streven om studenten met een beperking in aanmerking te laten komen voor een toeslag die een vergelijkbare hoogte kent als de huidige studieregeling en ook een optie om de toeslag door DUO uit te laten keren en mee te nemen in het onderzoek? Excuses voor de gebarentolk.

De heer Van Meenen (D66):

Ik begrijp dat dat voor een SP'er lange zinnen zijn, maar er staan wel heel veel verstandige dingen in. Ja, dat is die motie, precies.

De heer Kwint (SP):

Er is toch geen enkele reden om aan te nemen dat dit gaat leiden tot het gelijktrekken van die gemeentelijke bijdragen? Waarom trekken wij niet gewoon een streep? Waarom zeggen wij niet gewoon: het maakt niet uit of je in Roermond of in Appelscha met je rolstoel een schoolgebouw in moet...

De voorzitter:

Uw vraag is duidelijk.

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb dat debat daar niet gevoerd. Dit is de uitkomst van een debat daar. Wat ik begrijp van iedereen die daarbij betrokken is, is het volgende. Als wij de regering verzoeken ernaar te streven dat iets gebeurt, is dat geen vrijblijvende tekst, helemaal niet. Zo wordt dat ook door niemand opgevat. Misschien door de SP, maar in ieder geval niet door mij. Dus zo zullen we, daar kunt u zeker van zijn, omgaan met deze motie.

De voorzitter:

U hebt uw bijdrage afgerond. Dank daarvoor. Dan draag ik het voorzitterschap gaarne weer aan u over.

Voorzitter: Van Meenen

De voorzitter:

Ik dank de heer Bisschop van de Staatkundig Gereformeerde Partij daarvoor zeer hartelijk. Ik weet inmiddels dat de Minister ongeveer een kwartier nodig heeft om de antwoorden goed voor te bereiden. Dus ik schors de vergadering tot tien voor half twaalf.

De vergadering wordt van 11.02 uur tot 11.20 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is de eerste termijn van de zijde van de Minister. Ik geef haar daartoe graag het woord.

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter, dank u wel. Ik dank de leden voor hun inbreng in eerste termijn. Het is goed dat we vandaag het belangrijke gesprek voeren over studenten met een beperking in het mbo en het hoger onderwijs. Want ook voor deze groep studenten voelen wij gezamenlijk de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat zij met succes kunnen studeren, hun studie kunnen afronden en een plek op de arbeidsmarkt kunnen vinden. Ik vind het ook mooi dat uw Kamer hierover eerst een rondetafelgesprek heeft georganiseerd, omdat het goed is dat de verhalen die naar boven komen gedeeld kunnen worden: waar gaat het goed en waar gaat het mis? Ik heb zelf in gesprek met STIP, maar ook in de door mij ingestelde werkgroep rondom handicap en studie, en in gesprek met studenten op de Hogeschool Utrecht, op de Universiteit Leiden en bij de UvA gevraagd naar de ervaringen met betrekking tot het studeren met een beperking; waar loop je tegen aan en waar kan het beter?

Voorzitter. Ik vertel niks nieuws als ik zeg dat toegankelijkheid en kansengelijkheid in het onderwijs voor mij heel belangrijke onderwerpen zijn. Daarom is het ook goed dat we apart aandacht hebben voor die kansengelijkheid en toegankelijkheid voor studenten met een beperking. Ik was op 8 april bij de Krachtpatsers-bijeenkomst, die ook door een van u werd genoemd. Ik schrok toch wel even toen ik hoorde hoeveel jongeren te maken hebben met een chronische aandoening en daarvan hinder ondervinden in het onderwijs, en voor wie dat onderwijs soms toch een wat taaiere tocht wordt dan voor studenten die die beperking niet ondervinden.

Voorzitter. Er wordt een hoop gedaan, er zijn een hoop voorzieningen, maar met u ben ik van mening dat we daar wel kritisch naar moeten blijven kijken. Een hoop kan gewoon nog beter: laten we het daarover eens zijn. Het is in ieder geval mijn inzet om te kijken waar we ervoor kunnen zorgen dat de drempels voor studenten met een beperking lager worden en dat studeren voor hen makkelijker wordt.

Voorzitter. De meeste onderwerpen zijn in de inbrengen langsgekomen, dus ik probeer ze zo goed mogelijk thematisch te behandelen. Ik weet niet of dat altijd zal lukken, maar ik doe mij best.

De heer El Yassini begon met de vraag hoe het kan dat studenten met een beperking vanwege die beperking soms een lager studieadvies krijgen. Dat zou eigenlijk niet mogen, want met een diploma uit het vmbo heb je gewoon recht om tot het mbo toegelaten te worden, en vanuit havo en vwo zou je gewoon moeten kunnen doorstoten naar hbo en wo. Ik heb niet breed signalen ontvangen dat studenten met een beperking systematisch een lager studieadvies krijgen, maar ik zal bij het Expertisepunt LOB en de MBO Raad navragen wat we daar eigenlijk over weten. Ik zal hun vragen om daar aandacht voor te hebben, ook bij de overstap van vo naar mbo en van vo naar het hoger onderwijs, en om daar ook de studieloopbaanbegeleiders op te wijzen. Mocht het zo zijn dat dat systematisch en structureel of te vaak tot een lager advies leidt, dan is dat natuurlijk niet goed en moeten we zorgen dat daar aandacht voor komt. Dit is dus een terecht punt; dat ga ik oppakken.

Voorzitter. Dan waren er nogal wat vragen naar het Expertisecentrum handicap + studie. Waarom biedt dat alleen ondersteuning voor het ho? Waarom breid ik die opdracht niet uit naar het mbo? Uiteraard vind ik het belangrijk dat die expertise ook in het mbo wordt gedeeld. Daarom subsidieer ik ook al een tijdje het Kennispunt MBO, dat vragen van scholen kan beantwoorden, bijeenkomsten kan organiseren en handreikingen kan maken voor mbo-scholen, bijvoorbeeld als het gaat om studeren met een beperking. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over vrijstellingen ten aanzien van het toelatingsrecht maar ook over passend onderwijs en passende examinering. Zij krijgen specifieke subsidie voor passend onderwijs, passende examinering om ook mee te denken met mbo-scholen over specifieke casussen. Dus ja, het klopt dat het niet in het Expertisecentrum handicap + studie voor het h.o. is geregeld, maar we hebben dat specifiek geregeld met specifieke ondersteuning vanuit het Kennispunt MBO.

De voorzitter:

Er is een interruptie van de heer El Yassini.

De heer El Yassini (VVD):

Ik heb zelf kunnen zien waar de Minister op doelt, maar er is natuurlijk wel een verschil tussen aan de ene kant een kenniscentrum dat informatie bij elkaar zoekt en scherp heeft welke problemen, obstakels of hindernissen er voor een bepaalde groep zijn, en aan de andere kant een steunpunt voor mbo-scholen en -studenten om specifiek voor hun geval te bekijken waar ze begeleiding kunnen zoeken. Tijdens de technische briefing met het Expertisecentrum handicap + studie stelde ik ook de vraag: goh, jullie hebben alleen maar informatie over ho-studenten? Hebben jullie ook informatie over mbo-studenten? Die hadden ze niet, maar dat is begrijpelijk, want ze doen het alleen voor het hoger onderwijs. Vervolgens vroeg ik of er een equivalent voor het mbo is. Toen zeiden ze: nee, die is er niet. Er is dus wel een steunpunt, er is zelfs een Platform Passend Onderwijs in het mbo. Die vind je op de website van de MBO Raad, maar als je doorklikt kom je terecht op een website van het Ministerie van Onderwijs, die zich alleen focust op passend onderwijs in p.o. en vo. Er is dus heel veel onduidelijkheid, sowieso ook online, waar we terechtkunnen voor kennis. Wij weten nog steeds niet wat de cijfers zijn voor mbo-studenten als het gaat om functiebeperkingen en chronische aandoeningen. We weten dat 1,3 miljoen jongeren tussen de 0 en 25 daarmee te maken hebben, maar voor het mbo weten we niks. Moeten we niet gewoon het expertisecentrum uitbreiden met ook die mbo-taken? Wat vindt de Minister daarvan?

Minister Van Engelshoven:

Ik heb volgens mij net proberen uit te leggen dat die taken bij dat Kennispunt MBO belegd zijn. Het Expertisecentrum handicap + studie heeft die gegevens en die expertise inderdaad niet. Die functie hebben we bij het Kennispunt MBO belegd; daar kan men voor alle vragen terecht. Ik wil best nog eens voor de zekerheid checken of datgene wat we nu bij het Expertisecentrum handicap + studie hebben belegd een-op-een vertaald is naar het kennispunt, zodat daar op dezelfde manier informatie te halen is, maar de bedoeling is dat dat dezelfde functie is. Maar ik zal het voor de zekerheid nog een keer checken.

De heer El Yassini (VVD):

Ik zit even te kijken op de site van het Kennispunt MBO. Het mooie aan de digitalisering van tegenwoordig is dat we heel snel kunnen zoeken, terwijl de Minister antwoord geeft. Misschien kan mevrouw Westerveld ondertussen over hetzelfde onderwerp een vraag stellen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

We hadden al eerder gekeken naar dat kennispunt. Het verschil is natuurlijk dat dit van de MBO Raad, dus van de werkgevers is. In het hoger onderwijs heb je een onafhankelijk kenniscentrum dat advies geeft aan de instellingen. Daar zit wel het verschil in. Mij lijkt het juist goed dat je een onafhankelijk kenniscentrum hebt dat instellingen en studenten adviseert, in plaats van dat het van de werkgevers is en bovendien niet een apart informatiepunt voor studenten bevat.

Minister Van Engelshoven:

Dit is een misverstand. Het kennispunt is wel ingehuisd bij de MBO Raad maar is onafhankelijk en krijgt zelfstandig subsidie. Het is dus niet van de MBO Raad, het is niet van de werkgevers. Dat is echt een misverstand. Het is onafhankelijk en krijgt apart subsidie. Het krijgt van mij apart subsidie, juist voor deze taak. Nogmaals, ik wil best nog een keer checken of alle functies die belegd zijn bij het expertisecentrum ook bij dat kennispunt aanwezig zijn, maar daarvoor is het wel bedoeld.

De voorzitter:

Ik kijk eerst maar even naar mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dan is er misschien wat verwarring, want op de website staat dat het kennispunt wordt uitgevoerd door MBO Diensten. MBO Diensten wordt gefinancierd door de MBO Raad. Dan is het dus misschien goed om daar in een later stadium nog informatie over te krijgen, want ook als je mailt, word je verwezen naar een mailadres met @MBORaad. Dan is er misschien een misverstand bij ons, maar dat wordt dan breder gedeeld, want we hebben het er inderdaad ook in het rondetafelgesprek over gehad.

Minister Van Engelshoven:

Ik kan me dat misverstand ook wel voorstellen, omdat we – dat is gewoon ook een beetje efficiënt werken – het wel hebben ondergebracht bij de MBO Raad, dus zeg maar het huist daarin. Dus het gebruikt ook de ICT-diensten daar, maar het krijgt apart van het ministerie subsidie om deze taak te doen, onafhankelijk van de MBO Raad, maar is, zoals dat wel vaker gebeurt, gewoon om praktische redenen wel daarin gehuisd.

De voorzitter:

Meneer El Yassini voor het tweede deel van zijn interruptie.

De heer El Yassini (VVD):

Ik sluit me wel aan bij de woorden en inbreng van mevrouw Westerveld. Want ik zit zelf ook naar de website te kijken en daar zie ik enorme verschillen tussen in ieder geval Kennispunt Onderwijs & Examinering enerzijds en het Expertisecentrum handicap + studie anderzijds. Want dat Kennispunt mbo heeft een enorm scala aan taken, prima, maar ik zie nérgens daartussen dat ze bijvoorbeeld ook informatie en kennis zoeken specifiek voor studenten met een beperking.

Daarnaast kan ik nergens naar de website van het kennispunt.

En als derde punt staat hier ook nog dat het kennispunt alleen bedoeld is voor bekostigde en niet-bekostigde scholen. Maar het gaat erom een expertisecentrum, niet alleen voor scholen, maar bijvoorbeeld ook voor de politiek, voor bestuurders, voor andere stakeholders die informatie en kennis kunnen opzoeken en daarbij aanwezig kunnen zijn? Het kennispunt hier is alleen voor bekostigde en niet-bekostigde scholen. Daar kunnen wij dus niet bij.

Minister Van Engelshoven:

Dan is het misschien meer de vraag of die informatie op die website niet helemaal adequaat is. Maar het is wel zo geregeld dat het een onafhankelijk kenniscentrum is, waar volgens mij u ook gewoon terechtkunt. Maar nogmaals, ik wil het voor de zekerheid nog een keer checken en wellicht dat het ook aangewezen is dat we nog eens kijken hoe dat beter in de etalage kan worden gezet. Want voor u is dit in ieder geval niet helder genoeg. Dan moeten we daarnaar kijken. Als de voordeur niet helder is, moeten we daarnaar kijken, maar het is wel als zodanig opgezet én gefinancierd.

De heer El Yassini (VVD):

Daar wil ik de Minister voor bedanken. En dan wil ik ook vragen of ze inderdaad dan een brief naar de Kamer stuurt met meer informatie daarover, zoals ze net heeft uitgelegd. Dus ik ben wel benieuwd naar wat haar bevindingen dan zijn en wat we dan wel missen, want we missen heel veel.

Minister Van Engelshoven:

U mist nu heel veel omdat u het niet kunt vinden, maar laten we er daarom niet van uitgaan dat het er niet is. Maar nogmaals, wij verstrekken die subsidie, we weten meestal als ministerie ook wel redelijk goed waar we dat voor doen en hoe we dat verantwoorden, maar we zullen het voor u nog een keer keurig op een rij zetten.

De voorzitter:

Schriftelijk, begrijp ik.

Minister Van Engelshoven:

Ja.

De voorzitter:

Ik vraag het maar meteen. Enig idee over de termijn?

Minister Van Engelshoven:

Zo snel mogelijk.

De voorzitter:

Vóór de zomer?

Minister Van Engelshoven:

Ik neem aan dat dit vóór de zomer absoluut kan.

De voorzitter:

Dat is behoorlijk snel.

Voorzitter: Bisschop

De voorzitter:

Aan u het woord.

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb verzuimd om het in mijn eerste termijn te zeggen, maar wat je ook vaak ziet, is dat dit soort websites, ook zo'n gezamenlijk informatiepunt, opgezet wordt door állerlei organisaties, maar dat de betrokkenheid van de doelgroep zelf daarbij beperkt is. Mijn vraag aan de Minister is: kan zij ook bij het opzetten van nieuwe informatiepunten de doelgroep zelf veel beter betrekken? Als ik mag, voorzitter, dat geldt eigenlijk ook voor het inrichten van voorzieningen in de instelling zelf. Wat je vaak hoort, is: de medezeggenschap is betrokken, iedereen is betrokken, maar naar de doelgroep zelf wordt eigenlijk te weinig geluisterd. Is ze dat met mij eens en ziet ze daar mogelijkheden voor verbetering?

Minister Van Engelshoven:

Ja, en om die reden praten wij ook met betrokkenen in bijvoorbeeld de werkgroep handicap en studie. Speciaal omdat ik het belangrijk vind om niet alleen hierover met de instellingen te praten, maar ook met de studenten hebben we die werkgroep opgezet, om juist ook met de doelgroep het gesprek te hebben. Ik denk dat het voor zich moet spreken dat als je voorzieningen inricht voor een doelgroep, dat het altijd verstandig is om de doelgroep daarbij te betrekken.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Dat klinkt mij als muziek in de oren, maar is de Minister dan ook bereid om dat, waar ze daar zelf een rol in heeft, ook te doen, bijvoorbeeld bij het inrichten van die website, dat informatiepunt waarom gevraagd is? En is ze bereid om de instellingen actief te stimuleren om dat ook te doen?

Minister Van Engelshoven:

Wij richten zelf de website niet in; wij subsidiëren het kennispunt om dat te doen, net zoals we dat bij het expertisecentrum doen, maar wij zullen hen vragen om daarbij ook de doelgroep te betrekken.

Voorzitter: Van Meenen

De voorzitter:

Ik zie dat de heer El Yassini nog iets wil... Het is overigens geen onbeperkt aantal interrupties.

De heer El Yassini (VVD):

Dat klopt, maar dit is wel even een verheldering, omdat ik namelijk het gevoel heb dat ik tegengestelde informatie krijg. Aan de ene kant beantwoordt de Minister mijn vraag met: «Het bestaat al, alleen, de Kamerleden kunnen het niet vinden, het Jongerenpanel Zorg en Perspectief kan het niet vinden, het Expertisecentrum handicap + studie kan het niet vinden, maar het bestaat wel». Daarop wil ik het woord van de Minister wel geloven en dan krijgen we de Kamer. Vervolgens hoor ik naar aanleiding van een vraag van meneer Van Meenen dat de Minister zegt: «Als we het gaan doen, zullen we het zo inrichten». Maar volgens mij is de opmerking toch: het wordt al zo gedaan, of we checken dat het al zo wordt gedaan? En niet: we gaan het zo doen. Ik ben even in verwarring. Bestaat het nu wel of niet?

Minister Van Engelshoven:

De heer El Yassini is mijn woorden heel erg aan het fileren. Natuurlijk bedoel ik hier te zeggen dat ik het normaal vind dat als je dat doet, je daar de doelgroep bij betrekt. Wat ik bedoel te zeggen, is daar dat daar waar ik op zijn verzoek informatie ga checken, ik mede zal checken of daar inderdaad de doelgroep op een goeie manier bij wordt betrokken en dat ook in de toekomst zal gebeuren.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter. Dan wou ik doorgaan op het punt van stages en de arbeidsmarkt. Terecht dat er aandacht voor is gevraagd. Gebeurt het niet zo dat studenten met een beperking vastlopen bij stages en op de arbeidsmarkt? Ik ben het met de heer El Yassini eens dat daar aandacht voor nodig is en dat daar maatwerk op nodig is. En dat het voor studenten met een beperking soms lastiger is om een passende stageplek te vinden en dat ze daarbij ondersteuning nodig hebben van hun mbo-school. Want soms moeten er ook gewoon bij het werkleerbedrijf extra zaken worden geregeld. Het SBB heeft ook aangegeven – volgens mij heeft u die brief van het SBB ook gehad – dat zij die noodzaak van stageplekken met extra voorzieningen onder de aandacht zullen brengen bij hun leerbedrijven en dat zij zelf ook een rol willen gaan vervullen bij het zorgen dat er een goeie match tot stand komt. Uiteraard is het áltijd zo – dat is een generieke regel, die natuurlijk ook geldt voor studenten met een beperking – dat als stage een verplicht onderdeel is van de studie, want het is ook onderdeel van de leerervaring, dat studenten in eerste instantie zélf aan zet zijn bij het vinden van een stageplek. Maar als daar extra begeleiding of extra ondersteuning bij nodig is, dat dat ook echt gewoon een taak is van de mbo-instelling. Want die moet ervoor zorgen dat een student met succes de studie kan afronden.

Mevrouw Kuik, maar ook de heer El Yassini en anderen hadden de vraag dat we ook voor die stap naar de arbeidsmarkt wel aandacht moeten hebben, want het moet natuurlijk niet zo zijn, zoals mevrouw Kuik zei, dat je eerst werkloos moet zijn voordat je die aandacht krijgt. Dat moet niet de bedoeling zijn.

Er loopt nu een pilot naar aanleiding van de motie-Kwint/Özdil om studenten uit de entree en mbo 2 te volgen en extra te begeleiden op weg naar de arbeidsmarkt. Die pilot loopt door tot en met het studiejaar 2019–2020. In regio's waar we dat ook kunnen combineren met instellingen voor hoger onderwijs zullen we dat ook doen. Je ziet in die pilots dat er ook instellingen zijn die dat ook doen voor niveau 3 en 4.

Ik wil kijken in die pilots of er ook ruimte kan zijn voor specifieke aandacht voor studenten met een beperking. Want het zou mooi zijn als we dat in één keer kunnen meenemen en de ervaringen dan ook kunnen delen wat ervoor nodig is om die extra begeleiding te doen, zodat we, zoals mevrouw Kuik nogmaals terecht zei, kunnen voorkomen dat studenten eerst werkeloos moeten worden voor die begeleiding komt.

Een heel mooi voorbeeld, dat de heer Van Meenen noemde, maar ik dacht ook de heer El Yassini, is de transitieroute bij bijvoorbeeld het Graafschap College, waar je een programma hebt van een jaar, waar je ook echt al tijdens de studie aan de gang gaat met die overstap en daar gewoon één programma over maakt. We moeten natuurlijk zorgen dat dat soort mooie voorbeelden veel breder gedeeld worden en dat daar veel breder gebruik van gemaakt kan worden. Die transitieroute is echt een heel mooi voorbeeld.

De heer Kwint (SP):

Alvast dank hiervoor. Ik weet dat heel veel mbo-instellingen hier al mee bezig zijn. Ik zie af en toe via Ingrado of zo powerpointpresentaties langskomen van een lengte dat ik denk: daar zijn heel veel mbo-instellingen mee bezig; dat is top. Ik snap dat het voor mbo-instellingen niet automatisch logisch is om de doelgroep iets te verbreden naar studenten met een functiebeperking. Gaan we richting de mbo-instellingen die nu bezig zijn met de proef vertellen «jongens, als het even lukt, kijk ook eens hiernaar»?

Minister Van Engelshoven:

Het antwoord daarop is: ja.

De heer Kwint (SP):

Top.

Minister Van Engelshoven:

Het mooie is dat de pilot waar u destijds om heeft gevraagd, bij een heel aantal instellingen loopt. Ik ben echt hoopvol dat we daar goede ervaringen mee op kunnen doen.

Daarnaast is het goed dat – daar vroeg mevrouw Kuik naar – adviseurs leren van SBB, dat ze begeleiding en training kunnen aanbieden voor begeleiders. Ze kunnen natuurlijk ook informeren over hoe je nou een geschikte werkplek maakt. Als het goed is hebben steeds meer werkgevers ervaring met werknemers met een beperking en kunnen ze vanuit die ervaring studenten op een goede manier begeleiden. Maar training zou ook een goede mogelijkheid zijn, dus daar gaan we zeker naar kijken.

De heer El Yassini vroeg naar de kwaliteitsagenda mbo. Een van de doelgroepen van de kwaliteitsafspraken zijn kwetsbare studenten. Vallen daar ook studenten met een beperking onder? Ja, dat is het geval. De Commissie Kwaliteitsafspraken MBO beoordeelt op dit moment de kwaliteitsagenda en zal mij in juni hierover adviseren. Vervolgens zullen wij op basis van dat advies een besluit nemen over de kwaliteitsmiddelen. Dat loopt dus, maar kwetsbare studenten zijn ook studenten met een beperking.

Voorzitter. Velen van u hadden aandacht voor het gebrek aan kennis over het profileringsfonds. Het is terecht dat u daarvoor aandacht vraagt, want de bekendheid van het profileringsfonds kan en moet gewoon beter. Wij hebben dat fonds niet voor niks. Studenten moeten daar een beroep op kunnen doen. Dat begint bij weten dat het er is. Het is natuurlijk vooral van belang dat die groepen studenten die het fonds mogelijk nodig hebben, dat goed weten. Met de onderwijspartners zetten we in de gezamenlijke ambitie die we rondom studentenwelzijn hebben, in op het vergroten van de bekendheid. Dat betekent ook – daar heeft de heer Beertema een terecht punt – dat medewerkers van de instellingen beter geschoold moeten worden om ervoor te zorgen dat zij op de hoogte zijn van de mogelijkheden. Het kan niet zo zijn dat decanen niet weten dat er een profileringsfonds is, dat ze niet weten hoe je daarop een beroep moet doen en dat ze niet weten voor wie het geldt. Van de Landelijke Organisatie Studentendecanen in het hbo heb ik onlangs begrepen dat ze de ambitie delen om de bekendheid te vergroten en dat ze daar ook mee aan de slag willen. Ik ga daarover opnieuw met hen in gesprek. Hier wil je dat er ten aanzien van de decanen en alle professionals die hiermee moeten werken, sprake is van een score van honderd procent; «U moet dat weten, u moet studenten daarnaar kunnen verwijzen en hen ook kunnen helpen en begeleiden bij het doen van een aanvraag in het kader van het profileringsfonds.» Over de cijfers over de bekendheid ben ik niet tevreden. Dat moet gewoon beter en we gaan ons daarvoor ook inspannen met z'n allen.

De heer El Yassini (VVD):

Volgens mij is dit inderdaad mijn laatste interruptie, want volgens mij heb ik al meer dan genoeg geïnterrumpeerd. Ik wil de Minister ook de kans geven om haar bijdrage af te maken.

Maar ik heb wel even een vraagje over dat profileringsfonds. Een aantal collega's van mij zei daar iets over, en ik maakte een punt over het bestuursakkoord. Volgens mij hebben die twee namelijk echt wel iets met elkaar te maken, samen met het derde punt van de Minister, namelijk die goede voorbeelden van de transitieroute die gedeeld moeten worden. Is de Minister met mij van mening dat die bestuursakkoorden, maar ook die sectorakkoorden in het hoger onderwijs, een belangrijke leidende rol kunnen spelen als het gaat om wat we vragen van scholen met betrekking tot betere opleidingen en betere trainingen voor begeleiders, docenten en leraren? Ik denk dan bijvoorbeeld ook aan hoe wij omgaan met de goede initiatieven van scholen vanuit de transitieroute, die onder de aandacht moeten komen bij scholen die die nog niet hebben ingevoerd. Welke rol kan een bestuursakkoord daarin spelen? En hoe kan de commissie daar een rol in vervullen? Ze kunnen bijvoorbeeld in juni tegen een aantal scholen zeggen: even terug en doe er even een paar extra dingetjes bij, en kom het daarna maar weer opnieuw indienen.

Minister Van Engelshoven:

Misschien ga ik dan toch maar even terug naar hoe de kwaliteitsafspraken in elkaar zitten. U weet dat we zowel in het mbo als in het hoger onderwijs die afspraak een decentraal karakter hebben gegeven. In het mbo hebben we bijvoorbeeld gezegd: u moet afspraken maken over een aantal thema's, maar het is aan de instelling, samen met de medezeggenschap, om te bepalen hoe die afspraak eruitziet. En de commissie toetst: heeft u voldoende ambitie, en voert u het ook uit? Op die twee dingen toetst de commissie. En ja, bij aandacht voor kwetsbare studenten kijken we of de ambities die daarover worden afgesproken ook waargemaakt worden.

Ik zou toch een beetje voor het volgende willen waken. Het is niet zo dat we die kwaliteitsafspraken in het mbo... In het hoger onderwijs zijn ze natuurlijk echt anders, want daar zijn het de studievoorschotmiddelen. Daarvan mogen studenten mede bepalen hoe die worden ingezet voor de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Men kijkt ook of dat echt decentraal is. Dus nee, het is niet zo dat ik van bovenaf ga zeggen: u moet precies die en die prestaties leveren en daar reken ik u op af. Zo doen we dat niet meer. En volgens mij hebben we uit en te na besproken hoe we dat doen, ook in de Kamer.

Voorzitter. Er waren heel veel vragen over de verschillen in de bedragen die studenten uit het profileringsfonds kunnen krijgen. In een bestuurlijke afspraak met de instellingen hebben we afspraken gemaakt over richtbedragen per maand van € 200 tot € 300. En in de monitor zien we dat alle instellingen daarop of daarboven zitten. Dus het valt wel mee met de hele grote verschillen die er zouden zijn. We hebben daar een bestuurlijke afspraak over. We zien eigenlijk in de monitor dat die wordt nageleefd. Er zijn wel grote verschillen in het aantal studenten per instelling dat aanspraak maakt op het fonds. Dat heeft ook gewoon te maken met de bekendheid van die mogelijkheid. Daarvan hebben we met elkaar al vastgesteld dat dat beter kan.

Maar het is heel helder, en zo hebben we het natuurlijk ook in de wet geregeld, dat studenten wel recht hebben op die voorziening vanuit het profileringsfonds. En als bij een instelling de middelen van het fonds zijn uitgeput, dan mag dat nooit een excuus zijn om een student voor een bijdrage uit het fonds te weigeren. Men moet dat dan gewoon aanvullen uit de reguliere bekostiging.

Zo zal het ook gaan bij het mbo-fonds, waarover afgelopen vrijdag een wetsvoorstel naar de Raad van State is gestuurd. Volgens mij vroeg mevrouw Westerveld overigens waarom daar maar 10 miljoen naartoe gaat. Van de regeling die er nu is voor die kosten in het mbo wordt nu maar 2 miljoen gebruikt van de oorspronkelijke 10 miljoen. Dus we voegen daarvoor nu 10 miljoen toe aan de lumpsum. Maar omdat het een wettelijk recht is van studenten, zijn instellingen gewoon verplicht om alle verzoeken die terecht zijn te honoreren. Desnoods moeten ze daarbij dan uit eigen middelen aanvullen. «Het fonds is leeg» kan geen excuus zijn.

Voorzitter. Dan had mevrouw Westerveld nog een vraag over de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking in vergelijking met andere landen. De gegevens waar zij naar verwijst, komen volgens mij uit het stuk Mind the Gap, waarop ik u ook eerder een reactie heb gestuurd. De cijfers uit dat stuk stroken niet helemaal met de gegevens die wij hebben, bijvoorbeeld de CBS-gegevens. Het onderzoek Mind the Gap gaat bijvoorbeeld over de hele beroepsbevolking. Dat is dus veel breder dan de groep net afgestudeerde studenten. Ik heb wel de behoefte om dat wat preciezer in kaart te brengen. Daarom ben ik met VSNU en de Vereniging Hogescholen in gesprek, om specifieke vragen over alumni met een beperking op te nemen in hun alumni-enquêtes, zodat we beter kunnen monitoren of studenten met een beperking ook echt aan een baan komen. Uit die hele generieke CBS-gegevens die we hebben, zou blijken dat er onder studenten in het hoger onderwijs nauwelijks een verschil is tussen studenten met of zonder een beperking. Maar ik waag te betwijfelen of dat helemaal zo is, dus we gaan het gewoon heel specifiek uitvragen.

Mevrouw Westerveld noemde ook de pilot in Nijmegen met de jobcoaches, die vanuit de Participatiewet via het UWV wordt gefinancierd. Die pilot is mij bekend. Die maakt overigens onderdeel uit van het breed offensief dat door Sociale Zaken wordt uitgevoerd. Die geeft werkzoekenden de mogelijkheid om bij de gemeente een aanvraag te doen voor ondersteuning. Dat is een hele waardevolle pilot. We zijn ook heel benieuwd naar de uitkomsten. Het past eigenlijk in het bredere kader van de vraag: kun je nou niet een groep mensen meer kansen geven op de arbeidsmarkt door betere begeleiding? De Staatssecretaris van Sociale Zaken zal overigens binnenkort een voortgangsrapportage sturen over dat breed offensief. Maar dat betreft eigenlijk de kant van mensen die al werkloos zijn, terwijl we eigenlijk de ervaringen uit de pilots in het kader van de motie-Kwint/Özdil juist willen gebruiken voor de volgende vragen. Kunnen we het niet voor zijn? Kunnen we ervoor zorgen dat we studenten bij de studie beter volgen en beter begeleiden? En kunnen we ervoor zorgen dat ze echt meteen aan een baan komen of dat in ieder geval de begeleiding daarnaartoe doorloopt?

Mevrouw Westerveld had ook nog gevraagd naar het bindend studieadvies voor studenten met een beperking. U weet dat ik op dit moment een onderzoek doe naar de werking van het bindend studieadvies. Dat volgt nog voor de zomer. Daarin nemen wij het punt van de studenten met een beperking mee: hoe werkt dit nou eigenlijk voor hen? Want het BSA moet daar rekening mee houden. Maar met mevrouw Westerveld kan ik mij het volgende wel voorstellen. Vaak is het met het bindend studieadvies zo: als je een beperking hebt, dan moet je dat aanvragen. De onzekerheid of je een uitzondering krijgt, kan toch wel tot extra druk leiden op studenten die toch al druk voelen. Dus ik ben het zeer met u eens dat het een aandachtspunt is. We gaan in de studie meenemen of daar nadere regels voor nodig zijn.

Mevrouw Westerveld, de heer Van Meenen en de heer Kwint vroegen naar de extra vergoedingen die een student met een beperking kan krijgen bij het oplopen van studievertraging. De kwijtschelding van € 1.200 die een student met een beperking kan krijgen, is eenmalig. Het bedrag staat eigenlijk gelijk aan één jaar extra basisbeurs voor thuiswonende studenten. Dat wordt toegekend na afronding van de studie. Vóór het studievoorschot werd dit bedrag omgezet in een gift na het afstuderen, maar nu wordt het bedrag kwijtgescholden. Er wordt een studievoorschot, een leningbedrag, kwijtgescholden na afstudering. Wij zien op dit moment geen aanleiding om deze regeling aan te passen. De heer Van Meenen vroeg bijvoorbeeld: kan dat maandelijks? De student kan gewoon maandelijks dat bedrag lenen en krijgt het dan gewoon in één keer kwijtgescholden na afloop. Naar mijn beeld voldoet die regeling. Overigens is het niet zo dat dit de enige regeling is die we hebben voor studenten met een beperking. We hebben ook nog andere voorzieningen waardoor we drempels kunnen verlagen, zoals de verlenging van de prestatiebeurs, de verlenging van de diplomatermijn, het omzetten van de prestatiebeurs in een gift voor studenten met een beperking en nieuwe studiefinancieringsrechten als blijkt dat de studie te zwaar is en iemand moet switchen. Er is dus een heel pakket aan financiële voorzieningen, die in mijn ogen voldoen om studenten die vanwege een beperking vertraging oplopen, tegemoet te komen. Overigens geldt ook dan voor studenten met een beperking dat zij na hun afstuderen gewoon gebruik kunnen maken van de hele sociale regeling voor afbetaling van het studievoorschot. Ook bij hen wordt maar 4% boven het minimumloonbedrag meegenomen voor wat je moet betalen. Er wordt dus gewoon rekening gehouden met hun verdiencapaciteit.

De heer Kwint (SP):

En dan zijn ze ook nog in de zegenrijke positie dat ze een hoger rentepercentage mogen terugbetalen. Even over al die verschillende regelingen. De Minister schetst een breed scala aan mogelijke regelingen voor studenten met een beperking, waarbij vooraf, achteraf of tussendoor kwijtschelding of tegemoetkoming mogelijk is. Het is goed dat die regelingen er zijn, maar is dat niet een onderdeel van het probleem? We zien nu onderbenutting. Is het probleem niet – even in mijn woorden – het woud aan regelingen waarin je een weg moet vinden? Zou het niet veel logischer zijn om wanneer het gaat om een deel studievoorschot, een deel extra prestatiebeurs, een jaar extra tegemoetkoming of een deel kwijtschelding achteraf, te kijken of we tot vereenvoudiging kunnen komen? Ik denk echt dat dit is waarom studenten suboptimaal gebruikmaken van de voorzieningen die er zijn, want het is gewoon niet om door te komen.

Minister Van Engelshoven:

De heer Kwint schetst een terecht dilemma. Maar de ene student met een beperking is de andere niet, dus we willen ook een scala aan regelingen hebben om echt tegemoet te kunnen komen aan wat het best bij iemands situatie past. En die situaties kunnen nogal verschillen. Ik ben het met hem eens dat dit ook wel een beetje leidt tot een woud aan voorzieningen waar misschien niet iedereen meer even goed de weg vindt. Laat ik met u afspreken dat we in de werkgroep handicap en studie die we hebben, dit nog eens tegen het licht houden om te kijken of we de goede balans hebben gevonden tussen enerzijds maatwerk en anderzijds overzichtelijkheid en het feit dat iedereen zijn weg moet kunnen blijven vinden. Als ik zelf naar het hele overzicht kijk, denk ik ook: poehpoeh, als je daarin je weg moet vinden, kan dat best wel ingewikkeld zijn. Tegelijkertijd wil je niet door een te grofmazige regeling zorgen dat mensen niet het maatwerk krijgen dat hun het beste past. We gaan dit punt dus meenemen.

De voorzitter:

De heer Kwint nog?

De heer Kwint (SP):

Dat is mooi om te horen. Ik zou de volgende suggestie willen meegeven: probeer te streven naar één regeling tegemoetkoming studiekosten voor studenten met een functiebeperking. De mate waarin je dan geld terugkrijgt, zou afhankelijk moeten zijn van de mate waarin je een functiebeperking hebt. Dat is ongetwijfeld te simpel om zomaar in de praktijk door te voeren, maar als richtsnoer lijkt me dat geen slecht idee.

Minister Van Engelshoven:

Ik zal het richtsnoer van de heer Kwint bij dat gesprek in mijn achterhoofd houden.

Voorzitter. Er waren ook nogal wat vragen over de individuele studietoeslag die studenten met een beperking nu nog bij gemeenten moeten aanvragen. Terecht is daar eerder in de Kamer in een ander debat veel aandacht voor geweest. Daar worden de verschillen inderdaad wel heel erg groot. Gemeenten verschillen daarin echt van drie tientjes tot € 300 die studenten krijgen. Ook zien we dat voor veel studenten met een beperking de gemeente waar zij studeren vaak niet een logisch loket is. Daarover is de motie-Raemakers aangenomen. Daarin wordt ons gevraagd om dit te centraliseren en er één regeling voor te maken. De heer Bisschop vroeg of DUO daar niet een logische uitvoerder voor zou zijn. Ja, daar is best iets voor te zeggen, alleen zitten daar nog wel wat haken en ogen aan. We zijn dat op dit moment met Sociale Zaken aan het bekijken. Je moet het begrip «student met een beperking» wel goed kunnen afbakenen. Over wie gaat het wel en over wie gaat het niet? Het wordt dan ook een openeinderegeling, waarnaar we goed moeten kijken. Hoe gaan we dat doen? Ik vertel u niks nieuws als ik zeg dat ik met nogal wat uitvoeringsproblematiek bij DUO zit. Dat maakt het niet eenvoudig om daar nu nieuwe regelingen toe te voegen. Maar we zijn met Sociale Zaken aan het bekijken wat nou de beste en meest logische manier is om die motie uit te voeren. Volgens mij zijn we het allemaal met elkaar eens dat de uitvoering van de individuele studietoeslag echt beter kan.

Mevrouw Van den Hul vroeg nog hoe het zit met macrodoelmatigheid en studies die ook wel fungeren als opstap voor studenten met een beperking, die daardoor ook verder kunnen in hun opleiding. We hebben onlangs een heel Kamerdebat gehad over macrodoelmatigheid. Volgens mij heb ik daarin dit punt uitvoerig toegelicht. Het gaat in het mbo om een drievoudige kwalificatie: arbeidsmarkt, doorstroom en – als ik het oneerbiedig zeg – het klaarstomen van studenten voor de samenleving. Dat is een drievoudige doelstelling, waardoor je niet alleen naar het arbeidsmarktperspectief kijkt, maar ook of een opleiding die opstapfunctie heeft. Tegelijkertijd vind ik dat we de verantwoordelijkheid hebben om, ook als een opleiding die opstapfunctie kan hebben, ervoor te zorgen dat de student zich met die opleiding wel kwalificeert voor een functie op de arbeidsmarkt. Dus ook hierbij is het een kwestie van de balans zoeken tussen de verschillende opdrachten die het mbo heeft in de drievoudige kwalificatie.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Maar herkent de Minister de signalen, die wij onder andere tijdens de rondetafel hebben gekregen, maar ook van individuele studenten die hiermee te maken hebben, dat de situatie van studenten met een beperking in deze discussie wel een heel specifieke is?

Minister Van Engelshoven:

Voor heel veel kwetsbare studenten die hun weg zoeken in het onderwijs moeten we goed kijken hoe we ervoor zorgen dat zij een goede opstap hebben in het onderwijs en hoe die drievoudige opdracht van het mbo voor iedere student gaat werken. Alleen zie ik hier niet heel specifieke verschillen in hoe je dat weegt in de macrodoelmatigheidstoets. Ook een student met een beperking heeft er belang bij dat we kijken of die opleiding ook betekent dat iemand kan doorstromen, zich kwalificeert voor de samenleving en liefst ook voor de arbeidsmarkt. Het liefst zit dat perspectief er ook bij. Dat kan niet altijd in een keer, maar je moet er wel op letten. Je kunt het niet helemaal wegpoetsen.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

Mevrouw Van den Hul had ook een vraag over de uitvoering van de motie-Van den Hul/Westerveld om bij elke instelling één aanspreekpunt te realiseren voor studenten met een zorgvraag. We gaan met instellingen in gesprek om na te gaan of er op elke instelling een aanspreekpunt is. Dat horen ze namelijk wel te hebben. We gaan kijken of er bij instellingen een aanspreekpunt is waar studenten terechtkunnen met hun zorg gerelateerde vragen. Tegelijkertijd willen we ook kijken of er verbetering nodig is, want het aanspreekpunt kan er wel zijn, maar voldoet soms niet aan de functies die je daaraan wilt toekennen. De heer Van Meenen vroeg er ook naar. Die heel goede zorgcoördinator, waarvan u tijdens de rondetafel een voorbeeld sprak, wens je elke instelling en elke student die het nodig heeft toe. Is die functie nou bij elke instelling goed ingericht? Daarover zijn we dus in gesprek. Dat kaarten we ook weer aan in de werkgroep studentenwelzijn en bij het Landelijk Netwerk Studentenwelzijn Hoger Onderwijs. We gaan ook in gesprek hierover met de kerngroep van het Platform Passend Onderwijs MBO van de MBO Raad. Nogmaals, het moet er zijn en we gaan dus in gesprek om te kijken of het er is en of het voldoet. Dat zijn namelijk de twee vragen die je moet beantwoorden.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik ben blij om dat te horen. Het gaat inderdaad om meer dan alleen de vraag of het er op papier is. Het gaat er ook om of het in de praktijk werkt. We zijn blij dat dat perspectief ook meegenomen wordt. Kan de Minister dit ook al iets nader in de tijd plaatsen?

Minister Van Engelshoven:

Voor de zomer.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

Het was de afgelopen dagen al een beetje zomer, dus het gaat heel snel!

Er is ook een aantal terechte vragen gesteld over de warme overdracht. Zorg nou dat het voor studenten met een beperking niet juist bij die overgangen misgaat. We weten dat overgangen in het onderwijs altijd kwetsbaar zijn, zeker voor studenten met een beperking. Dus ja, ik vind die warme overdracht heel belangrijk. Aan de andere kant is de privacy van studenten ook belangrijk. Ik vind het dus ook heel belangrijk dat de student zelf kan bepalen welke informatie mag worden gedeeld. De student moet zelf aan het stuur zitten. Welke informatie over de student, over de aanpassingen die hij nodig heeft en over de manier waarop hij omgaat met zijn beperkingen in zijn studie, mag worden doorgegeven aan de volgende instelling? Daar moet de student echt zelf over kunnen gaan.

Studenten die zich aanmelden voor een opleiding, of dat nou in het mbo of in het hoger onderwijs is, krijgen een intake- of matchingsgesprek. Dat is het moment waarop zij moeten aangeven – dat zou ik hun in ieder geval indringend adviseren – of zij een beperking hebben en of zij daarvoor aanpassingen in hun studie nodig hebben. Hebben ze extra begeleiding nodig, extra voorzieningen? Voorzien ze nu al dat ze vertraging gaan oplopen? Hebben ze aanpassingen nodig in de examinering? Dat is echt de plek waar dat gesprek moet plaatsvinden. De student is in dat opzicht ook zelf aan zet voor een warme overdracht. Het is aan de student om bijvoorbeeld door te geven dat hij in het voortgezet onderwijs gebruik kon maken van bepaalde voorzieningen en begeleiding die goed voor hem werkten. Maar ik vind ook dat de student die niet wil dat men die informatie krijgt, daarop het volste recht heeft.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dat laatste ben ik zeer met de Minister eens. Uiteraard zijn studenten zelf aan zet om te bepalen wat ze wel en niet willen delen. Maar ik vind het toch iets te makkelijk om te zeggen dat het primair de verantwoordelijkheid van studenten is. Zoals ik in mijn spreektekst al aangaf, is onze zorg dat daarbij juist weer kansenongelijkheid op de loer ligt. Dan krijg je dat mondige studenten of studenten met mondige ouders er soms wel in slagen om bepaalde aansluiting te vinden, maar anderen weer wat minder. Kan de Minister daar nog op ingaan? Hoe zorgen we nou dat alle studenten hier baat bij hebben, niet alleen degenen die mondig of assertief genoeg zijn om dit te regelen?

Minister Van Engelshoven:

Daar hadden we het net al over. Decanen en studentenbegeleiders moeten ook die expertise hebben. Daar waar de student misschien niet meteen assertief genoeg is om dat aan te geven, is het ook een kwestie van de goede vragen aan een student stellen. Maar ik trek wel de grens bij het doorgeven van informatie buiten de student om. Dat moeten we volgens mij niet willen. Uiteindelijk moet je bij het intakegesprek in den brede checken of je een student op een passende manier gaat inschrijven bij een passende studie. Daarbij moeten de goede vragen worden gesteld. Het moet van twee kanten komen: van de student, die hopelijk zelf goed in staat is en zich veilig genoeg voelt – daar gaat het ook om – om te zeggen wat hij nodig heeft, en van degene die het intakegesprek voert, die moet leren om de goede vragen te stellen. Of die infrastructuur nou voldoet, is ook iets waar bijvoorbeeld zo'n expertisecentrum of kenniscentrum bij kan helpen: hoe doe je dat nu? Gebeurt het tijdig? Komt het goed in beeld?

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik wil toch nogmaals het punt van de kansenongelijkheid benadrukken. Wil de Minister onze zorg hierover meenemen in de gesprekken die ze voert met de sector? Wil ze die zorg ook meewegen in haar gesprekken over dat expertisepunt, waar ze nog op terugkomt? De kansenongelijkheid is een grote zorg, zeker ook bij deze doelgroep. Wie je ouders zijn of hoe mondig je bent, mag wat ons betreft echt niet uitmaken voor de vraag welke ondersteuning je uiteindelijk krijgt.

Minister Van Engelshoven:

Volgens mij zijn we het daarover eens. We zullen dat in de gesprekken meenemen.

De voorzitter:

Dan is er op hetzelfde punt nog een interruptie van de heer Kwint.

De heer Kwint (SP):

Ja, omdat het ook ging over de overdracht van informatie door voormalige mentoren, maar ook via bijvoorbeeld overdrachtsdossiers. Zijn er nu bezwaren, uiteraard mits een student daarmee akkoord is, om informatie over de begeleiding die iemand gekregen heeft, over te dragen van de ene op de andere onderwijsinstelling? Ik hoor daar vaak heel wisselende geluiden over. Volgens mij is het in het speciaal onderwijs heel normaal, terwijl bij andere overgangen soms ineens een beroep op de AVG wordt gedaan. Hoe zit het met de overdracht van overdrachtsdossiers op alle niveaus?

Minister Van Engelshoven:

Mits de student daar toestemming voor verleent, zit daar geen belemmering op en zou een beroep op de AVG een beetje typisch zijn. Maar als u die signalen heeft, hoor ik dat graag. Dat geldt vaker als u signalen krijgt: meld dan even buiten de vergadering om waar u ze precies vandaan heeft, zodat we dat kunnen checken en ermee aan de gang kunnen. Want als een student wil dat zulke informatie en dossiers worden doorgegeven van de ene naar de andere onderwijsinstelling, zou ik het gek vinden dat daar om andere redenen bezwaar tegen wordt gemaakt. Laten we dat even nader wisselen, want ik zou het heel boeiend vinden om erin te duiken waar dan het bezwaar zit.

De heer Kwint (SP):

We zullen dat doen. We merken natuurlijk vaker dat de AVG leidt tot een soort – laat ik het netjes zeggen – handelingsverlegenheid voor alles wat met persoonsgegevens te maken heeft, ook als dat niet helemaal in die wet is vastgelegd.

Ik had nog een ander punt, namelijk over bijvoorbeeld mentoren of ambulant begeleiders die vanuit het vo meegaan naar vervolgonderwijs. Zijn zij binnen hun vaak toch forse caseload voldoende in de gelegenheid om met de student mee te gaan naar zijn mbo of hbo om te vertellen hoe de begeleiding op de middelbare school geregeld werd? Een scholier heeft dan al zijn diploma gehaald, maar zijn ze in staat om een keer een dagje mee te gaan met een toekomstige student?

Minister Van Engelshoven:

Een terechte vraag. In het kader van Sterk Beroepsonderwijs proberen we de overgang in het beroepsonderwijs zo gladjes mogelijk te laten verlopen, zo veel mogelijk drempelloos. Juist voor kwetsbare groepen kan dat heel goed zijn. Daardoor is het probleem dat u schetst, eigenlijk ook niet meer aan de orde. We kijken in het kader van Sterk Beroepsonderwijs juist hoe we die lijn voor verschillende groepen zo doorlopend mogelijk kunnen maken, zodat de overgang veel minder hard is. Volgens mij is dat een betere route, waarmee we voorkomen dat we van alles om die overgang heen moeten organiseren. Ik wil de route door het beroepsonderwijs voor groepen eigenlijk zo drempelloos mogelijk maken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

Mevrouw Van den Hul had nog een vraag over één landelijke site waar alle studenten met een beperking de informatie kunnen vinden waar ze recht op hebben. Dat is volgens mij een verzoek dat ook door de LSVb bij u is neergelegd. Er is heel veel informatie beschikbaar, bijvoorbeeld op Studiekeuze123, Studeermeteenplan.nl en Handicap + studie. Maar ik wil graag toezeggen dat we nog eens goed gaan kijken of het niet goed is om specifiek voor studenten met een beperking al die informatie op een goeie manier te bundelen en daar één site van te maken. Ik laat even in het midden of dat een aparte hoek moet zijn op een bestaande site, maar ik heb wel begrip voor degenen die zich afvragen of je nu niet op heel veel plekken moet zijn om alle informatie te verzamelen en of dit niet wat handzamer op één plek kan worden ondergebracht. Dat klinkt altijd heel eenvoudig, alles samenbrengen, maar dan moet je wel zorgen dat het aan de achterkant zo geregeld is dat het allemaal actueel wordt gehouden. Daar zit vaak het lastige punt. Maar ik ga dit wel bekijken, want ik vind het een terechte vraag.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Heel kort. Even voor de volledigheid: het was inderdaad een voorstel van de LSVb maar ook van ISO. Aangezien die ook aanwezig zijn in de zaal, wil ik dat niet onbenoemd laten. Ik ben heel blij met deze toezegging; dank daarvoor. Ik wil de Minister vragen om te kijken wat mogelijk is qua audiodescriptie om deze site zo toegankelijk mogelijk te maken.

Minister Van Engelshoven:

Dat lijkt me een heel logisch verzoek. Ik zou de laatste willen zijn die een wig drijft tussen ISO en LSVb, dus dank voor deze suggestie.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

Ik heb het al gehad over het beter naar werk begeleiden van studenten met een beperking. In antwoord op de vraag van mevrouw Van den Hul wil ik hier nog aan toevoegen dat we ook de mbo-verklaring hebben voor die studenten die voortijdig de school verlaten omdat zij geen diploma kunnen halen. Met deze verklaring hebben ze wel een betere positie op de arbeidsmarkt. Ik zeg er wel bij dat ik wil voorkomen dat voor studenten met een beperking te snel wordt gekeken naar de mbo-verklaring, omdat je juist wil dat ze met een volwaardig diploma de arbeidsmarkt op gaan.

Stagediscriminatie is bij studenten met een beperking nog aan de orde en dat moeten we net zo stevig bestrijden als alle andere vormen van stagediscriminatie.

Ik heb er net al iets over gezegd in het kader van het profileringsfonds, maar de heer Kwint en de heer Beertema vroegen of er niet te veel verschil is tussen instellingen in hoe zij proberen studenten met een beperking tegemoet te komen. Ja, er zijn soms verschillen. Ik zei het al, er moet een balans zijn tussen het goed regelen en zorgen dat er ruimte blijft voor maatwerk. Maar ik wil er wel op wijzen dat vanuit de Algemene wet gelijke behandeling instellingen in het mbo en het hoger onderwijs wel verplicht zijn om maatregelen te treffen die studenten met een handicap of een chronische ziekte in staat stellen om met succes deel te nemen aan het onderwijs. In het mbo hebben we natuurlijk ook de Wet passend onderwijs, die ook daar geldt. Ik wil er nogmaals op wijzen dat de inspectie bij haar toezicht kijkt of en, zo ja, of het in voldoende mate gebeurt. Mevrouw Kuik vroeg in dat kader of het niet goed zou zijn als de inspectie thematisch onderzoek zou doen. De inspectie is onafhankelijk en maakt dus zelf een werkplan waarin zij aangeeft «dit gaan wij aan thematisch onderzoek doen». Dat werkplan krijgt u overigens altijd in het jaar daaraan voorafgaand. Mocht u daar iets aan willen toevoegen, dan staat het u natuurlijk altijd vrij om de inspectie hierop aan te spreken. Maar ik zal de inspecteur-generaal laten weten dat dit verzoek in dit debat is neergelegd.

De heer Beertema (PVV):

Ik hoor dan toch weer dat toverwoord «maatwerk» vallen. Ik begrijp dat niet zo goed. Stel je voor, je bent in Groningen of in Maastricht een student met de ziekte van Crohn. Dan wordt er maatwerk op je toegepast. Hoe moet ik dat zien? Ik begrijp dat echt niet. Leg dat nog eens uit, Minister. Het is een heel modieus begrip, dat «maatwerk», dus trap niet in de val. Ik begrijp het hier echt niet.

Minister Van Engelshoven:

Een student heeft overal dezelfde rechten, laten we daar helder over zijn. Die moeten overal hetzelfde zijn. Alleen, de manier waarop het is ingericht per instelling, kan verschillen. Dat is ook niet zo gek, want de ene instelling is de andere niet. Het maakt ook uit, bijvoorbeeld in het mbo, of je een kleine vakinstelling bent of een heel groot roc. Soms maakt het uit in welke regio je zit. Hoe groot zijn de afstanden tot andere voorzieningen? Het maakt allemaal wel uit, vandaar dat ik wel hecht aan ruimte voor maatwerk. Maar ik vind wel, en dat ben ik zeer met u eens, dat de rechten overal hetzelfde moeten zijn. Dus ja, je moet een beroep kunnen doen op dezelfde rechten. Overigens is het ook zo, en dat moeten we niet uitvlakken, dat studenten met vergelijkbare aandoeningen toch een andere vorm van begeleiding wensen, omdat ze dat voor zichzelf prettiger vinden. Het is altijd balanceren tussen zorgen dat het recht uitgeoefend kan worden enerzijds en maatwerk anderzijds. Ik zou dat maatwerk hier zeker niet willen gebruiken als een soort modieuze term. Met maatwerk moet individueel gekeken worden naar de student: wat moeten we doen om ervoor te zorgen dat jij met succes die studie kunt afronden? In mijn gesprekken met studenten met een beperking kwam juist heel erg de wens naar voren om als mens, om als persoon gezien te worden en ook als individu behandeld te worden. Dat was eigenlijk ook de belangrijkste vraag die ik doorkreeg: zorg dat ik op individueel niveau het gesprek kan voeren over wat ik nodig heb om succesvol te zijn.

De voorzitter:

Meneer Beertema nog?

De heer Beertema (PVV):

Nee, ik ga erover nadenken, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Maar meneer Kwint heeft nog wel een vraag, al zit hij aan de grens van het aantal interrupties. Ik gun het hem wel.

De heer Kwint (SP):

Komt die gunfactor toch nog een keer van pas.

De Minister heeft natuurlijk gelijk als ze zegt dat studenten overal dezelfde rechten hebben, maar je ziet in de uitvoering dat de verschillen, zowel financieel als qua regeling, echt, echt, echt heel groot zijn. Een paar problemen vormen de kern van dit debat: de bekendheid van het fonds, onderbesteding, de centrale vergaring van kennis. Zijn dat niet allemaal dingen die extra ingewikkeld worden op het moment dat je bij elke individuele instelling de verantwoordelijkheid belegt om het fonds bekender te maken, het geld daadwerkelijk uit te geven en kennis te verzamelen? Dat maakt het centraal verzamelen van kennis ook bijna onmogelijk, omdat je dan net zo veel verschillende manieren van aanpak hebt als je onderwijsinstellingen hebt. Natuurlijk moet er in de praktijk ruimte zijn voor maatwerk, maar zou een iets centralere aanpak toch niet in het belang van de studenten zijn?

Minister Van Engelshoven:

Maar dat is precies wat we doen. Kennis delen, expertise en best practices uitwisselen organiseren we centraal, maar de uitvoering moet bij de instellingen liggen. We proberen zo veel mogelijk centraal te organiseren. Daar heb ik ook steeds het gesprek over met het expertisecentrum, met de koepels, met studentenorganisaties: hoe kunnen we nou zo goed mogelijk de kennis delen en zorgen dat die bij de instelling terechtkomt, maar wel behouden dat er ter plekke maatwerk kan plaatsvinden? Als u zegt dat er qua duidelijkheid en doorzichtigheid van hoe het geregeld is nog het een en ander verbeterd kan worden, dan ben ik het zeer met u eens. Daar gaat volgens mij dit debat precies over. Daarin proberen we stappen te zetten.

Mevrouw Kuik vroeg aandacht voor studenten die mantelzorg doen. Ze zei dat dat vaak een vorm van topsport is. Ik denk dat ik het wel met haar eens ben als ze zegt dat instellingen nogal eens uitventen wat voor voorzieningen ze allemaal wel niet hebben voor topsporters, bijvoorbeeld wat examenregelingen en de aanwezigheidsplicht betreft. Zou dat ook niet kunnen voor studenten die mantelzorger zijn of voor studenten met een beperking? Ja, dat zou je hopen. Je zou hopen dat je behalve «topsporters zijn hier van harte welkom; we pronken er graag mee» wat meer zou horen van instellingen dat er voor studenten met een zorgtaak thuis of studenten met een beperking hele goede voorzieningen zijn. Ik vond die parallel wel aardig.

Mevrouw Kuik zei dat ze niets kon vinden bij Studeer met een plan. Ik heb hier op een blaadje staan waar u dat precies kunt vinden. Ik zal het u straks meegeven. Maar ik denk dat ik in antwoord op de vraag van mevrouw Van den Hul al duidelijk heb gemaakt dat we misschien toch nog eens goed moeten kijken naar de vindbaarheid van al die informatie. Kunnen we dat niet wat handzamer samenbrengen? Iemand van u zei: we hebben net het profileringsfonds voor het mbo ingesteld. Dat wetsvoorstel heeft u nog niet, want ik heb het net naar de Raad van State gestuurd. Dat gaan we nog hier behandelen.

De heer Beertema vroeg naar de Nationale Studenten Enquête, de AVG en het gedoe eromheen, zoals hij dat betitelde. Ik ga daar nog deze week over in gesprek met de Vereniging Hogescholen. We willen kijken hoe we dit kunnen oplossen. Zoals ik reeds in Kamervragen heb aangegeven, zal ik het CBS onderzoek laten doen naar de reparatiemogelijkheden. Maar we moeten natuurlijk wel de mogelijkheid behouden van een nationale studentenenquête, zodat we zo veel mogelijk vragen naar boven kunnen halen. Als de universiteiten zeggen dat deze manier van enquêteren wel mogelijk is met de AVG terwijl de Vereniging Hogescholen zegt dat dat niet kan, dan moeten we daar eens goed naar kijken. Dat moet wel opgelost worden. We zijn daarover in gesprek.

De vraag van de heer Van Meenen over de zorgcoördinator heb ik eerder meegenomen. We zijn daarover in gesprek om te zorgen dat het overal goed gaat. Dat geldt ook voor de zachte overgangen.

De heer Van Meenen vroeg ook hoe het kan dat studenten soms lang op voorzieningen moeten wachten, zoals audiovoorzieningen. We willen allemaal dat dat zo snel mogelijk kan. Als je zo'n voorziening nodig hebt, dan moet je daar zo snel mogelijk gebruik van kunnen maken. Als studenten erg lang in procedures verzeild raken, dan kunnen ze dat gewoon melden en een signaal afgeven bij de inspectie of desnoods bij het College voor de Rechten van de Mens. Ik zal dit nog eens aankaarten bij de instellingen en vragen of we meerdere signalen hebben. Ik hoor graag van de heer Van Meenen waar hij dit signaal precies vandaan haalt, zodat we dat signaal kunnen uitlopen, we kunnen zien waar dit aan ligt en of er regels in de weg zitten die we misschien wat anders moeten gaan inrichten.

Voorzitter: Bisschop

De heer Van Meenen (D66):

Ik stelde die vraag omdat er in dit geval ook om een eigen bijdrage werd gevraagd. In dat verband vroeg ik naar het eerder uitkeren van die € 1.200. Dat zou kunnen helpen. Je zou diezelfde uitkering ook aan de voorkant van de studie kunnen regelen in plaats van aan de achterkant. Dan kan je dit soort voorzieningen eenvoudiger voorfinancieren waar dat nodig is. In dat verband stelde ik mijn vraag.

Minister Van Engelshoven:

Dan zou ik toch aan de heer Van Meenen willen vragen of hij mij de hele casus kan doen toekomen, want dan kunnen we daar wat preciezer naar kijken. Anders gaan we hier toch een beetje zwemmen in de mist om te kijken hoe het precies zit. Ik wil het graag precies weten, zodat ik het precies kan uitlopen en kan kijken wat we in zo'n situatie kunnen doen.

De voorzitter:

Meneer Van Meenen, heeft u een vervolgvraag?

De heer Van Meenen (D66):

Nee. Zwemmen in de mist kan overigens best leuk zijn, zeker met deze Minister. Maar dat even terzijde.

De voorzitter:

De partijknuffels worden nu wel erg innig, maar gaat uw gang.

De heer Van Meenen (D66):

Sorry, voorzitter. Dat soort beelden komen dan op. Maar goed, ik zal de Minister die casus bezorgen. Maar dat laat onverlet dat het natuurlijk een iets bredere vraag is, wat je kunt je voorstellen dat er meer situaties zijn waarin een bepaalde voorziening juist aan het begin van een studie getroffen moet worden. Die moet er soms via allerlei wegen komen, met een eigen bijdrage. Het kan behulpzaam zijn om die extra vergoeding juist aan het begin te krijgen. Dat is eigenlijk mijn vraag.

Minister Van Engelshoven:

Maar dan herhalen we elkaar. Aan de hand van zo'n casus wil ik graag kijken hoe het zit. Als het gewoon een verzekeringskwestie is met drie reguliere vormen van een eigen bijdrage, kan het ook weer anders liggen. Dus laten we er gezamenlijk eens goed naar kijken om te zien of er generieke belemmeringen zijn.

Voorzitter: Van Meenen

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de Minister.

Minister Van Engelshoven:

De heer Van Meenen vroeg hoe het staat met de rolstoeltoegankelijkheid, en sowieso met de toegankelijkheid in het algemeen, van gebouwen voor studenten met een beperking. Onderwijsinstellingen zijn daar zelf verantwoordelijk voor. Nieuw te realiseren gebouwen moeten 100% toegankelijk zijn, het hele verblijfsgebied. U kunt zich voorstellen dat dat soms bij oude gebouwen, monumenten, uitdagingen geeft. Mijn collega van Binnenlandse Zaken geeft uitvoering aan het actieplan Toegankelijkheid voor de bouw en zal de Kamer daarover nader rapporteren. Daar worden ook de onderwijsgebouwen in meegenomen.

Dan de vraag van de heer Bisschop over de gesubsidieerde rechtsbijstand. Hoe zit het met ingewikkelde onderwijscasussen en de puntentelling? Ik zou het eerlijk gezegd niet weten, maar ik zal deze vraag doorspelen aan mijn collega van Justitie, want hij is bezig met de Wet op de rechtsbijstand.

De voorzitter:

Ik neem aan dat daar een schriftelijke reactie op komt?

Minister Van Engelshoven:

Volgens mij behandelt de Kamer de Wet op de rechtsbijstand straks uitvoerig. Het lijkt me prima als dat debat dan in de Kamer plaatsvindt, want anders zijn we op een hele wonderlijke manier informatie aan het rondspelen. Het kan in dat debat rechtstreeks met de Minister geregeld worden.

De voorzitter:

Helder. Dank u wel.

Minister Van Engelshoven:

De heer Bisschop vroeg ook nog of wij alert willen zijn op jongeren die een opleiding volgen op niveau 1 en 2 en die misschien wat minder kennis hebben of wat meer moeite hebben om toegang tot die regelingen te krijgen. Ja, daar moeten we alert op zijn. Dat is ook precies waarom er kennis en kunde moet zijn bij de mensen van de instellingen, zodat zij kwetsbare studenten kunnen helpen die wat extra hulp nodig hebben bij het vinden van hun weg in de informatie.

De heer Bisschop vroeg ook aandacht voor de problematiek van onterechte uitschrijvingen. Ik heb het voornemen – dat heb ik u gemeld – om de onderwijsovereenkomst te schrappen en om de rechten van studenten beter te regelen in de WEB. Tegelijkertijd wordt daarmee ook de rechtspositie van studenten versterkt. Er komt een laagdrempelige geschillenregeling voor studenten die zich onterecht uitgeschreven voelen of dat ook daadwerkelijk zijn.

Over de studietoeslag en DUO heb ik het al gehad.

De heer Bisschop had het ook over het feit dat er klachten zijn omdat er veel wordt verwacht van studenten met een beperking. De rechten van studenten met een beperking zullen we beter vastleggen in de WEB, zodat studenten die het gevoel hebben dat ze overvraagd worden, goed terechtkunnen bij de klachtencommissies.

Voorzitter, volgens mij heb ik daarmee de vragen beantwoord.

De voorzitter:

Ik moet van mevrouw Westerveld vragen wanneer dat voorstel er komt.

Minister Van Engelshoven:

Het wetsvoorstel komt volgend jaar. We zijn nu druk doende om het te schrijven. De Kamer verzocht in de motie om de onderwijsovereenkomst af te schaffen en om het in de wet te regelen. We zijn nu druk doende om het wetsvoorstel te schrijven. U kunt ongeveer uittekenen wat de doorlooptermijn is. Ik wil het volgend jaar hier in de Kamer hebben liggen.

De voorzitter:

De heer El Yassini mist nog één antwoord op een vraag.

De heer El Yassini (VVD):

Ja, want aan het einde van mijn betoog sprak ik ook over het profileringsfonds en over de motie die door mijn collega's, Judith Tielen en Eppo Bruins, is ingediend en die is aangenomen. Die dateert van 28 juni 2018, van vorig jaar dus. Daarin wordt de regering opgeroepen om in overleg met instellingen te zorgen voor meer bekendheid met betrekking tot het profileringsfonds onder studenten die onvrijwillig studievertraging oplopen. Ik heb in mijn bijdrage gevraagd hoe dat nu zit. We hebben het vaak over de onderbesteding in het profileringsfonds gehad, maar ik heb daar nog geen antwoord van de Minister op gehad. Wat is er met deze motie gedaan, die elf maanden geleden is ingediend?

Minister Van Engelshoven:

Volgens mij heb ik in het debat uitvoerig gesproken over wat wij ondernemen om ervoor te zorgen dat het profileringsfonds meer bekendheid heeft bij alle instellingen en dat decanen en studentenbegeleiders daar beter van op de hoogte zijn. Er wordt dus volop aan de uitvoering van die motie gewerkt. Volgens mij is een groot deel van het debat precies daarover gegaan.

De heer El Yassini (VVD):

Dit pak ik dan wel op in de tweede termijn, voorzitter.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik had nog een vraag gesteld over de specifieke situatie van studenten met psychiatrische problematiek. Wat kan de Minister voor hen betekenen?

Minister Van Engelshoven:

Ik weet op dit moment niet meteen wat er aan specifieke voorzieningen is voor elke categorie studenten met een beperking. Ook hier gaat het natuurlijk ook om maatwerk per instelling, om de vraag hoe je kunt zorgen dat een bepaalde student goede begeleiding krijgt. Maar ik heb niet een heel generiek antwoord in de trant van: over de hele linie zou het zo moeten. Volgens mij is juist daar het belang van goed maatwerk heel erg aan de orde.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk naar de klok. Ik vraag aan de leden of er nog behoefte is aan een tweede termijn. Die is er. Dan zou ik u willen vragen om dat kort te doen, in één of maximaal anderhalve minuut. Ik geef als eerste het woord aan de heer El Yassini.

De heer El Yassini (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik probeer wel rustig te praten, omdat we ook een tolk in de zaal hebben die het uiteindelijk moet vertalen. Ik wil dus wel opschieten, maar daar moet u wel de ruimte voor geven.

De voorzitter:

Terecht. Gaat uw gang.

De heer El Yassini (VVD):

Voorzitter, dank. Ook dank aan de Minister voor de beantwoording van de vragen. Nog even terugkomend op het expertisecentrum: ik ben heel benieuwd naar die informatie. Wat ik vooral merk, is dat veel Kamerleden, veel bestuurders en veel mensen in het veld die niet kunnen vinden – als ze er überhaupt is. Dat kan natuurlijk te maken hebben – dat heeft de Minister al gezegd in antwoord op Kamerlid Van den Hul – met gedecentraliseerde informatie. Dat is goed. Daar gaat de Minister naar kijken, en daar ben ik ook heel blij mee. Maar ik vind het belangrijk om informatie te krijgen, maar ook om vanuit wat ze in het Engels «search engine optimization» noemen, dus zoekmachinegeoriënteerd, na te denken over hoe de informatie uiteindelijk bij studenten met een functiebeperking of een chronische aandoening komt. Die googelen namelijk vaak informatie, zoals ik dat de afgelopen weken ook heb gedaan, en daarbij komt niks naar boven. Neem dat dus alstublieft ook mee. Ik ben heel benieuwd naar het expertisecentrum in het mbo.

De Minister zegt dat ze in het debat flink wat informatie heeft verschaft over het profileringsfonds. Daarbij geeft ze aan dat ze ook gewoon verdergaat met het op de hoogte houden van decanen – zij het niet dat we van de Landelijke Organisatie van Studentendecanen juist een brief hebben ontvangen waarin zij zeggen: daar ligt het helemaal niet aan, want alle decanen zijn op de hoogte van het profileringsfonds en die kaders; het is onder studenten alleen onbekend. Je kan daar inderdaad van alles van vinden, want de decaan hoort die informatie dan door te geven aan de student. Ik hoor de heer Kwint zoiets zeggen. Dat klopt. Maar we hebben er in de motie niet toe opgeroepen om de informatie bij de decanen voor het voetlicht te brengen, maar juist onder studenten. Dat staat ook in de motie. Ik wil dus echt van de Minister weten of er een plan ligt of lag dat nu in uitvoering is en hoever we daarmee zijn.

Voorzitter. Tot slot vind ik het belangrijk dat we vanuit het bestuursakkoord, maar ook vanuit de sectorakkoorden, gewoon goed met scholen in gesprek gaan, want we moeten inderdaad de goede initiatieven met elkaar delen, maar het is ook belangrijk om samen met de scholen te zeggen: dit is wat we met z'n allen van jullie verwachten. Dan gaat het niet zozeer om het «hoe», want dat doen de scholen zelf. Daar ben ik het mee eens. Het gaat vooral om het «wat», bijvoorbeeld het om-, her- en bijscholen van docenten, zodat ze de kennis hebben. Dat vind ik een «wat». Hoe ze dat doen, moeten ze zelf weten. Ik ben benieuwd of de Minister daar nog even haar licht op wil laten schijnen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan komen we bij mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Voorzitter. Twee weken geleden hadden we een heel interessant rondetafelgesprek, waarin mensen van het Graafschap College aangaven dat ze aanliepen tegen wetgeving. Ze zoeken gemeentelijke hulp om studenten op weg te helpen naar werk, maar die gemeentelijke hulp komt vaak pas om de hoek kijken op het moment dat iemand een uitkering moet aanvragen. Ik vroeg de Minister in eerste termijn: kunnen we nou geen wettelijke regels schrappen? Ik ben blij dat de Minister de urgentie erkent, maar ik wil toch nog graag antwoord op deze vraag. Zouden we niet een aantal regels moeten schrappen, waardoor deze studenten altijd in aanmerking komen voor gemeentelijke hulp?

Voorzitter. Ik ben blij dat de Minister aangeeft dat ze gaat kijken naar de regelingen voor het bindend studieadvies. Ik zou heel graag willen dat studenten met een beperking op voorhand worden uitgesloten van de mogelijkheid om een bindend studieadvies te krijgen. Minder tevreden was ik over de antwoorden die we kregen op vragen over het expertisecentrum en het profileringsfonds. Ik zou dus graag een VAO willen aanvragen.

Ik heb nog één laatste vraag aan de Minister waar ik nog geen helder antwoord op heb gekregen. Dat is de vraag over de studiegidsen. Kunnen we ervoor zorgen dat ook in studiegidsen altijd wordt neergeschreven welke andere onderwijsvormen en toetsvormen er worden geregeld voor studenten met een beperking?

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van den Hul.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik ben ook blij met de toezeggingen die zijn gedaan, onder andere over de toegankelijke website met informatie over de mogelijkheden en de voorzieningen waar studenten recht op hebben. Ik ben ook blij met de toezegging van de Minister om juist ook het punt van de kansengelijkheid hierbij mee te nemen.

Ik heb toch ook nog even een punt over dat expertisecentrum. Ik heb de brief van de MBO Raad er nog even bij gehaald. Zij vragen in hun brief aan ons juist om een door de overheid gesubsidieerd steun- of expertisepunt, zoals scholen in het p.o., vo en h.o. dat al hebben. Als het zelfs in een brief van de MBO Raad aan ons wordt voorgelegd, denk ik dat dat wel een beetje de verwarring verklaart die aan deze zijde van de tafel is ontstaan. Dat geef ik de Minister nog even mee.

Dan het punt van de studenten met psychiatrische problematiek. Wij ontvangen juist veel vragen van studenten die zeggen: aan mij zie je niet dat er iets met mij is, en niet alle scholen zijn zich daar even bewust van. Juist ook voor hen is het zo belangrijk om de overgang naar de arbeidsmarkt na school zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Dat brengt mij bij mijn allerlaatste punt. Ik had het helemaal aan het begin van mijn inbreng over die ontbrekende probleemeigenaar. Dit is weer typisch zo'n onderwerp dat gaat over heel veel beleidsterreinen. Het gaat over onderwijs, maar het gaat ook over zorg en over SZW. Ik zou de Minister toch willen vragen om met haar ambtsgenoot op SZW dit gesprek te voeren. Wat kunnen zij nou in samenhang doen, ook bijvoorbeeld als het gaat om de inzet van het UWV, om ervoor te zorgen dat die overgang naar de arbeidsmarkt juist voor deze groep beter gaat?

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Kwint.

De heer Kwint (SP):

Dat kennispunt begint ondertussen echt Indiana Jones-achtige proporties aan te nemen. Iedereen wil het en het schijnt er te zijn, maar niemand kan het vinden. Dat lijkt me niet de bedoeling, maar ik vermoed dat de Minister dat wel met ons eens is. Ik heb een beetje een dubbel gevoel. Aan de ene kant zie je in de cijfers en aan de onderbenutting en de bekendheid dat we echt nog een ontzettend lange weg te gaan hebben, dat het voor studenten met een beperking eigenlijk heel moeizaam is om hun weg in het mbo, hbo of wo te vinden. Aan de andere kant merk ik ook dat de Minister daar op een hele hoop manieren mee aan de slag wil en iets wil doen aan het behoud van voorzieningen.

Er zijn nog wel een paar punten die ik haar mee wil geven. Het eerste is – ik zei het net al – de combinatie van die onbekendheid en het verzamelen van kennis. De SP denkt echt dat juist door die versplintering en doordat het totaal vrij bij onderwijsinstellingen wordt neergelegd, het ingewikkelder wordt om kennis te delen. Het is namelijk heel makkelijk om achterover te leunen en te zeggen: ja, maar wij hebben dit net iets anders ingericht, dus wij doen het op een andere manier. Iets minder autonomie zou weleens kunnen helpen.

Ten slotte zou ik graag willen dat de Minister nog kort ingaat op het punt dat ik in eerste termijn maakte over de lumpsum. Wij financieren dit nu gewoon via de grote zak geld die naar instellingen gaat. Zit je daarmee niet in de rare situatie dat instellingen er financieel belang bij hebben om ondersteuning niet te verlenen? Ik zeg niet dat ze dat allemaal met opzet zullen doen, maar een instelling houdt meer geld over als ze geen geld hoeft uit te geven aan een student met een beperking.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Kuik.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank, voorzitter. Ook dank voor de beantwoording. Je voelt ook wel dat we voor het grootste gedeelte echt met z'n allen op één lijn zitten. Ik heb nog een aantal verduidelijkende vragen. De Minister is het met ons eens dat deze jongeren een topprestatie leveren. Mijn vraag is wel: welke actie wordt daar nou aan gekoppeld om de topsportregelingen nou eens naast de regelingen te leggen die ook mogelijk zouden moeten zijn voor deze jongeren, bijvoorbeeld in de werkgroep? Hoe komt u hierop bij ons terug? Wordt dit misschien ook nog aangepast in de WEB om die mantelzorgjongeren hierin mee te nemen, of niet? Ik vraag dus even om een terugkoppeling.

Mooier dan de heer Kwint kan ik het niet zeggen over het expertisepunt. Ik zag inderdaad ook dat het gericht is op scholen, terwijl het ook gewoon voor studenten zou moeten zijn. Dat is voor ons wel van belang.

Tot slot. De transitieroute is genoemd. Daar zijn goede voorbeelden van. Ook daar zou ik een tijd aan willen koppelen. Wanneer komen we terug op de voortgang hiervan? Want het kan toch niet zo zijn dat er mooie pilots zijn maar dat het afhankelijk is van waar je woont en waar de pilot plaatsvindt of je goede begeleiding krijgt, ook naar werk?

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Beertema.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Ook mijn dank aan de Minister. Ik ben blij dat zij aandacht vraagt voor de adviezen. Wordt er structureel ondergeadviseerd? We weten het niet. Ik vind het goed dat de Minister daar aandacht voor gaat vragen. Wat mij betreft wordt dat wel in een kader gegoten, want ik vind het heel belangrijk. Dit is een beetje de basis van het geheel. Kan het dus in een kader worden gegoten, bijvoorbeeld van een projectplan? Anders blijft het toch te vrijblijvend. Kan de Minister daar nog even op ingaan?

De Minister belooft een serieuze inspanning te leveren om de bekendheid te vergroten. Ik heb haar «100%» horen noemen bij de decanen, de loopbaanadviseurs enzovoorts. Dat is mooi. De Minister deelt ook onze verontwaardiging over de huidige stand van zaken. Maar ook hier weer vraag ik haar om iets concreter te zijn. Ambities zijn mooi, maar we willen ook resultaat zien. Alle info bundelen op één site vind ik ook een mooie toezegging.

Volgens mij hebben we nog geen antwoord gehad op de vraag of er per instelling één aanspreekpunt kan zijn. Het kan zijn dat het wel gepasseerd is en ik een momentje van afwezigheid had, maar daarop krijg ik nog graag eventjes een toelichting.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Bisschop.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording van de vragen. Als we niet oppassen, is dit een overleg dat vooral gekenmerkt wordt door breed gedragen goede bedoelingen, zowel van de kant van de Minister als van onze kant. Ik zou daarom toch de vraag willen stellen welke rol is toebedeeld aan de inspectie. Ik heb dat toegespitst op de onterechte uitschrijvingen, maar ik kan me ook voorstellen dat het breder getrokken wordt en dat bij de implementatie van dit soort zaken de inspectie nadrukkelijk de opdracht of het verzoek krijgt om daaraan in de eerste jaren expliciet aandacht te besteden. Daarop zou ik nog graag een reactie van de Minister krijgen.

Voorzitter, dank u wel. Ik mag nu ongetwijfeld het voorzitterschap overnemen en u het woord geven. Bij dezen.

De voorzitter:

Ja, hartelijk dank.

Voorzitter: Bisschop

De heer Van Meenen (D66):

Ook ik dank de Minister voor haar toezeggingen. Ik sluit me ook aan bij de woorden van de heer Bisschop. Er zijn heel veel mooie toezeggingen gedaan. Er zijn ook heel veel goede intenties, die we hier volgens mij ook delen met z'n allen. Maar er is een verschil in intensiteit tussen dit debat en de debatten die we rond basisonderwijs en voortgezet onderwijs voeren over passend onderwijs, waarbij vergelijkbare problemen spelen. Ik denk dat het goed is om dit te blijven volgen, ook als commissie. Het is ook goed als het ministerie en de inspectie ons actief informeren over een aantal van de punten die hier nu de revue hebben gepasseerd. Want de intenties zijn allemaal goed. De betrokkenheid van studenten met een beperking wordt vergroot et cetera. Dat is allemaal heel fijn, maar uiteindelijk moeten er wel echt resultaten geboekt gaan worden. Vandaar mijn oproep aan de Minister om te kijken of we niet naar een jaarlijkse rapportage op een aantal van dit soort punten zouden kunnen gaan, zodat we ook echt een aangrijpingspunt hebben om daar de volgende keer over te spreken.

Tot zover, voorzitter.

Voorzitter: Van Meenen

De voorzitter:

Ik dank u zeer voor het tijdelijk overnemen van het voorzitterschap, meneer Bisschop. Ik geef snel het woord aan de Minister. Althans, ik kijk of zij zover is. Ja, ze kan direct antwoorden. Ik geef haar daartoe de gelegenheid.

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter. Ik begin maar even met het punt van het expertise- en kenniscentrum. Eerlijk gezegd verbaasde ik mij ook al over de brief van de MBO Raad, aangezien het kenniscentrum bij hen zit. Laat ik het zo zeggen: er lijkt mij grote behoefte te bestaan om hier enige helderheid in te krijgen. Laat ik de Kamer daar eens een aparte brief over sturen, voor de zomer, zodat wij niet meer met z'n allen hoeven te constateren dat we een beetje de weg kwijt zijn. Die brief komt dus voor de zomer.

Dan de vraag van de heer El Yassini over de motie over het profileringsfonds. U heeft op 25 oktober 2018 een brief gekregen waarin heel precies staat beschreven hoe de uitvoering van de motie loopt. In de werkgroep studentenwelzijn hebben wij afspraken gemaakt over de gesprekken die wij hierover voeren met de studentendecanen, over hoe wij hun scholing verbeteren, over hoe we de instellingen aanspreken via de Vereniging Hogescholen en de VSNU, over hoe we op instellingen informatie verspreiden zodat studenten beter worden geïnformeerd, en over hoe studentendecanen en studentenadviseurs de taak krijgen om te zorgen dat de informatie beter onder studenten wordt verspreid. Die brief heeft u op 25 oktober gekregen. Natuurlijk is dat ook werk in uitvoering. De heer El Yassini heeft natuurlijk gelijk dat in de sectorakkoorden niet alles staat wat wij doen. Bij studenten met een beperking gaat het, ook als we kijken naar het VN-verdrag en naar de Wet gelijke behandeling, zozeer om een basisrecht dat we instellingen daar ook stevig op mogen aanspreken: wat doet u daar nou eigenlijk aan? Want dat betreft gewoon de kwaliteit van onderwijs.

In antwoord op de vraag van de heer Bisschop zeg ik ook dat dit breed de taak van de inspectie is, en van de NVAO in het hoger onderwijs, want dit gaat over kwaliteit en toegankelijkheid van onderwijs. De inspectie en de NVAO moeten er in den brede op toezien hoe dat bij instellingen is geregeld.

Mevrouw Westerveld zei dat de samenwerking met SZW in het kader van de transitie essentieel is. Daar heeft zij gelijk in. Ook in het kader van de uitvoering van de motie-Raemakers voeren wij intensief overleg met Sociale Zaken. Dat doen we bijvoorbeeld ook als het gaat om stage- en arbeidsmarktdiscriminatie. Dus ja, wij voeren hierover intensief overleg tussen de departementen. Volgens mij zei de heer El Yassini dat daar, als dat nodig is, ook VWS bij betrokken moet worden als het gaat om zorg. Uiteraard.

Mevrouw Westerveld vroeg: kunnen we instellingen niet verplichten om het in de studiegids op te nemen? Wij hebben geen wettelijke voorschriften en wij schrijven niet voor wat er precies in de studiegidsen moet staan. Dat is echt een instrument van de instellingen. Ik wil dit best bij hen onder de aandacht brengen, maar wij schrijven niet voor hoe een studiegids er precies uit moet zien. Volgens mij moeten wij ook niet van dit soort centrale regeltjes gaan maken. Aan de andere kant merk ik ook dat er af en toe behoefte is aan minder regels. Volgens mij is dit niet iets wat we in een regel moeten zetten, maar ik wil het wel in het overleg meenemen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Misschien even een korte toelichting om verwarring te voorkomen. Iedere opleiding moet een onderwijs- en examenregeling hebben. In de wet staan een aantal bepalingen omschreven waaraan die onderwijs- en examenregeling moet voldoen, bijvoorbeeld dat de studenten er inspraak in hebben. Een van die bepalingen is dat geregeld moet worden op welke wijze studenten met een handicap in de gelegenheid worden gesteld om bijvoorbeeld examens af te leggen, maar er staat niet in dat soms een andere examenvorm handig is. Als je een visuele beperking hebt, kun je bijvoorbeeld niet altijd lange lappen tekst schrijven. Of je doet er veel langer over. Ik zou heel graag willen dat we in die onderwijs- en examenregeling niet alleen de manier vermelden waarop studenten een examen moeten kunnen afleggen, maar ook de wijze waarop examens aangepast kunnen worden als dat nodig is.

Minister Van Engelshoven:

Dat is toch echt een verantwoordelijkheid van de examencommissie. De examencommissie zal voor heel veel gevallen moeten kijken hoe met een bepaalde beperking een bepaald examen kan worden afgenomen. En dan maakt het ook nog verschil of het een schriftelijk examen is of een praktijkexamen. Ik zou dus willen waken voor allerlei centrale voorschriften voor hoe iets in een examenregeling moet worden opgenomen. Het is gewoon een taak van de examencommissie om daarin te voorzien. Ik begrijp dus niet precies wat u daaraan toegevoegd wilt hebben, want een examencommissie moet dat al regelen.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld, kort graag.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Maar de examencommissie kijkt natuurlijk wat er in de onderwijs- en examenregeling staat, en toetst daar vervolgens aan. Wij zouden hier met z'n allen kunnen afspreken dat we vinden dat elke opleiding hiervoor nadere voorschriften in de onderwijs- en examenregeling moet zetten, zodat het ook getoetst kan worden door de examencommissie. Dan zeg ik dus niet dat wij hier met z'n allen een landelijke regeling moeten afspreken, maar wel dat wij afspreken dat opleidingen dit regelen in samenwerking met de medezeggenschap.

Minister Van Engelshoven:

Volgens mij zit in de bestaande regeling dat dat moet. De examencommissie is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de examens voor eenieder, dus ook voor een student met een beperking, die een examen moet kunnen afleggen op een manier dat het kwaliteit heeft. Daar is toezicht op. Volgens mij is het op dit moment dus afdoende geregeld en voegen centrale regels daar niks aan toe.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter. Mevrouw Van den Hul had nog een vraag over studenten met psychische of psychiatrische problemen. Wij inventariseren op dit moment de aanwezigheid van laagdrempelige psychische hulpverlening in het hoger onderwijs en het mbo. De resultaten daarvan deel ik nog voor de zomer met u. Het betreft de uitvoering van, naar ik mij herinner, de motie-Bruins, die eerder in de Kamer is aangenomen. Daarin werd verzocht om die inventarisatie te maken en eens te kijken of er voor studenten met psychische dan wel psychiatrische klachten voldoende laagdrempelige hulpverlening is. Volgens mij ging uw vraag daarover. De inventarisatie loopt dus. Aan de hand van de inventarisatie kunnen we kijken of het voldoende is, of dat er wellicht nog iets bij moet.

De heer Kwint maakte een opmerking waarin hij de woorden «totaal vrij» gebruikte. Ja, instellingen moeten een hele hoop zelf regelen en kunnen aan maatwerk doen, maar het is natuurlijk niet totaal vrij. Het gaat hier echt over een wettelijke taak en een wettelijke plicht om voor studenten met een beperking de zaken goed te regelen, zodat ook zij met succes een studie kunnen afronden. Daar houdt de inspectie gewoon toezicht op, en de NVAO in het hoger onderwijs. Het is dus niet totaal vrij. Men is vrij in hóé men het doet, maar niet in dát men het doet en dat het goed geregeld moet zijn.

U vroeg zich ook nog af of instellingen er nu geen financieel belang bij hebben, omdat men het uit eigen middelen moet aanvullen als het profileringsfonds is uitgeput. Dat zou zo zijn bij iedere grens die je trekt. Ik ken uw voorliefde om zaken uit de lumpsum te halen, maar de opdracht is heel duidelijk. Er is een heel duidelijke plicht om dit te regelen en een regeling te hebben voor de eerste twee categorieën van het profileringsfonds, om dus ook voor studenten met een beperking een regeling te hebben. Iemand kan nooit afgewezen worden met het argument dat het geld op is. Dat kan nooit een argument zijn. En ja, we moeten gezamenlijk werken aan een betere bekendheid.

Mevrouw Kuik vroeg wat ik precies ga doen aan de topsportregeling. Ik kan niet voorschrijven dat men dat precies op dezelfde manier uitdraagt, maar het profileringsfonds kent een aantal categorieën waarvoor dingen geregeld kunnen worden. We zien af en toe dat de regeling voor topsport iets meer in de marketing wordt gebruikt dan de regelingen voor studenten met een beperking. Uw collega Van der Molen heeft mij gevraagd om bij het toetsingskader van de NVAO een categorie «zorg en welzijn» toe te voegen. Volgens mij bekijken we dat op dit moment. Dat zou een mooie manier zijn om in het kwaliteitskader te zorgen dat zorg en welzijn een plus is en dat daarover ook gerapporteerd kan worden.

Mevrouw Kuik zei dat de transitieroute een mooi voorbeeld is, maar vroeg hoe we in de gaten gaan houden dat dit soort mooie voorbeelden navolging krijgen. De rapportage over de motie-Kwint komt in 2020. Ik zie die maar even breder als: hoe zorgen we dat kwetsbare studenten in het mbo beter begeleid worden naar de arbeidsmarkt? In die rapportage wou ik dit meenemen. In 2020 krijgt u overigens ook de volgende monitor over de bekendheid van het profileringsfonds. Dat is ook een antwoord op de vraag van de heer Van Meenen hoe we de vinger beter aan de pols kunnen houden als het gaat om kansengelijkheid en toegankelijkheid. U krijgt met grote regelmaat bijvoorbeeld een monitor over het profileringsfonds. We gaan een monitor maken over de begeleiding naar de arbeidsmarkt. In de monitor van de beleidsmaatregelen van OCW nemen we ook altijd mee wat er in de werkelijkheid van beleidsmaatregelen terechtkomt. Via die route kunt u het dus volgen. Het lijkt mij overigens een goed idee om daarover met enige regelmaat in uw Kamer het gesprek te hebben, zodat we de aandacht voor het onderwerp levend houden.

Voorzitter, dat waren volgens mij de antwoorden in tweede termijn.

De voorzitter:

Ik dank u zeer. Dan komen we aan het einde van dit algemeen overleg. Ik constateer dat er een VAO is aangevraagd door mevrouw Westerveld. Zij zal dan de eerste spreker zijn. Daar heeft de heer El Yassini nog een punt van orde bij.

De heer El Yassini (VVD):

Ik heb kort overlegd met mijn collega Westerveld. Ik zou willen voorstellen om het VAO pas in te plannen nadat de brief over het expertisecentrum in het mbo binnen is.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dat hangt wel af van wanneer die brief er is.

De heer El Yassini (VVD):

De Minister zei: voor de zomer. Dus ik verwacht eigenlijk begin juni, zeg ik met een knipoog. Dan kunnen wij eind juni...

Minister Van Engelshoven:

We gaan echt proberen om dat zo snel mogelijk te doen. Ik ben nu zelf ook heel gemotiveerd om de onduidelijkheid voor eens en altijd uit de wereld te helpen. Dus daar gaan we echt haast mee maken.

De voorzitter:

Helder. Dat gaan we doen. Althans, als mevrouw Westerveld het ermee eens is.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik zou wel heel graag willen dat we die brief binnen twee of drie weken krijgen, want anders duurt het wel heel lang.

De voorzitter:

Dat heeft de Minister al gezegd. Het kan snel en ze wil het ook snel.

Dan kom ik bij de toezeggingen.

  • Voor het zomerreces, dus al sneller, komt er een brief over de mogelijkheden van één informatiepunt over de voorzieningen die er zijn voor mbo-studenten met een functiebeperking.

  • De Kamer ontvangt voor het zomerreces een brief over het bindend studieadvies. Daarbij worden ook de positie van studenten met een functiebeperking en de vraag of nadere regelgeving nodig is, betrokken.

  • De Kamer wordt voor het zomerreces geïnformeerd over de uitvoering van de motie-Van den Hul/Westerveld over één aanspreekpunt per instelling voor zorggerelateerde vragen.

  • In 2019 ontvangt de Kamer het wetsvoorstel over de afschaffing van de onderwijsovereenkomst en een versterking van de positie van de mbo-student in de wet.

Daarmee komt er een einde aan dit algemeen overleg... Pardon, wat zei u?

Minister Van Engelshoven:

Het wetsvoorstel over de afschaffing van de OO komt in 2020. Het wetsvoorstel over het profileringsfonds in het mbo krijgt u eerder, want dat ligt op dit moment bij de Raad van State.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor deze correctie. Daarmee komt er een einde aan dit algemeen overleg. Ik dank de Minister, haar ambtenaren, de leden en onze onvolprezen ondersteuning in alle mogelijke vormen, net als de mensen op de publieke tribune en ook de mensen die het debat elders gevolgd hebben voor hun betrokkenheid. Ik wens u allen nog een mooie dag toe. Deze dag heeft alles in zich om dat te zijn.

Sluiting 13.04 uur.