Kamerstuk 31289-163

Verslag van een algemeen overleg

Examinering vo

Gepubliceerd: 2 augustus 2013
Indiener(s): Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD)
Onderwerpen: onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31289-163.html
ID: 31289-163

Nr. 163 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 2 augustus 2013

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 18 juni 2013 overleg gevoerd met staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 juni 2013 inzake Antwoorden op vragen van de commissie over het rapport van Cito «De praktijk van de eerste en tweede correctie» (Kamerstuk 31 289, nr. 151);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 30 mei 2013 inzake de Reactie op verzoek van het lid Jadnanansing over de diefstal van het vwo-eindexamen Frans (Kamerstuk 31 289, nr. 150);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 28 maart 2013 inzake het Rapport tweede correctie examens voortgezet onderwijs (vo) (Kamerstuk 31 289, nr. 146);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 8 april 2013 inzake de Reactie op de brief van het LAKS over de rekentoets in het voortgezet onderwijs (Kamerstuk 31 289, nr. 147);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 6 december 2012 inzake de Reactie op een e-mail van een burger inzake deelname aan het staatsexamen voor leerlingen met een beperking;

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 juli 2012 inzake het Verslag van een schriftelijk overleg inzake nahang Besluit tot wijziging van het Eindexamenbesluit vo, het Staatsexamenbesluit vo en het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB (Kamerstuk 33 267, nr. 2);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 8 juni 2012 inzake Pilots rekentoets in vo en examens taal en rekenen mbo (Kamerstuk 31 289, nr. 128);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 28 maart 2013 inzake het rapport tweede correctie examens Voortgezet Onderwijs (VO) (Kamerstuk 31 289, nr. 146);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 juni 2013 inzake antwoorden op vragen van de commissie over het rapport van CITO «De praktijk van de eerste en tweede correctie» (Kamerstuk 31 289, nr. 151)

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 11 juni 2013 inzake gestolen examens Ibn Ghaldoun (Kamerstuk 31 289, nr. 152).

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 juni 2013 inzake besluit door de Inspectie over bekendmaking van de uitslagen van de examens in het eerste tijdvak (Kamerstuk 31 289, nr. 154);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 17 juni 2013 inzake stand van zaken rond de diefstal van de examens op Ibn Ghaldoun (Kamerstuk 31 289, nr. 153).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Wolbert

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Kler

Voorzitter: Tellegen

Griffier: Boeve

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Bisschop, Beertema, Smaling, Rog, Straus, Jadnanansing, Van Meenen en Tellegen,

en staatssecretaris Dekker van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Onderwijs, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 16.51 uur

De voorzitter: Goedemiddag allemaal. Ik heet welkom de staatssecretaris van Onderwijs, de mensen op de publieke tribune, de mensen die thuis dit debat volgen en de Kamerleden. Wij beginnen iets later dan gepland vanwege uitgelopen stemmingen in de plenaire zaal. De spreektijd bedraagt zes minuten. Wij spreken twee interrupties af per spreker met telkens één vervolgvraag, in de hoop dat wij het tijdschema kunnen aanhouden zoals het was gepland. Dan eindigen wij om 20.30 uur.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. In de eerste plaats verdient de staatssecretaris een compliment voor zijn alerte reactie op de grootste examenfraude in de Nederlandse geschiedenis ooit. Hij onderkent de urgentie veel beter dan een groot deel van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hij heeft een crisisteam samengesteld en geprobeerd richting te geven. Dat valt echt niet mee, want met de dag wordt de crisis erger. Deze staatssecretaris is misschien wel de beste bewindspersoon die D66 ooit heeft gehad. Dat is geen verspreking. Ik verwijs naar de serie linkse besluiten die deze staatssecretaris tot nu toe heeft genomen. Ik hoop dat die reeks nu wordt onderbroken door een ferm rechts VVD-besluit.

Ik geef even een paar voorbeelden van die linkse besluiten: het loslaten van de urennorm in het voortgezet onderwijs, het onderuithalen van de eindtoets van Cito, die nu niet meer gebruikt mag worden voor de inschrijving in het voortgezet onderwijs, en de weigering van de staatssecretaris om de pesters effectief aan te pakken door een sanctie in te stellen. Daar hechten wij enorm aan. Die reeks van softe, wat Gutmensch-achtige besluiten kan nu worden doorbroken door de Ibn Ghaldoun, die een belediging is voor het Nederlandse onderwijs, te sluiten met ingang van komende zomervakantie. Dat is althans de uitdaging. Wij kunnen het ons immers niet veroorloven om nog een jaar kinderen aan deze school toe te vertrouwen.

Wat is de situatie? Op deze islamitische school wordt sinds 2003 fout op fout gestapeld. Er is sprake van nepotisme, fraude, bedrog en diefstal. Onze stelling is dat er niets mis is met het examensysteem maar met die islamitische school. Er gaat namelijk bijna nooit iets mis met ons examensysteem. Al generaties bewijst het zich. Wijzen naar het systeem, zoals andere partijen doen, vinden wij defaitistisch. Dan zie je de politiek buigen voor kwaadwillenden die willens en wetens ons onderwijs corrumperen. Er werd onmiddellijk gesproken over een middeleeuws systeem dat vraagt om moeilijkheden. Eén partij ging zelfs zover te stellen dat dit overal kon gebeuren, ook op een wit gymnasium. Ik heb toen gezegd: het kan inderdaad overal gebeuren, maar het gebeurt nergens. Misschien komt mijn gewaardeerde collega die dit te berde heeft gebracht, in zijn eigen bijdrage met een uitputtende lijst van witte scholen waar dit soort dingen zich afspelen.

Voor de duidelijkheid, op de Ibn Ghaldoun was een hele klas betrokken bij de fraude: zes leerlingen als dief en de overige klasgenoten als afnemer. Er was erg goed nagedacht over de verspreiding. Elk examen kreeg een eigen e-mailaccount enzovoort. Iedereen heeft het kunnen lezen. De afnemers kregen een wachtwoord. Op die manier kwamen deze frauderende leerlingen aan hun antwoorden. Het ligt niet aan ons examensysteem. Ons examensysteem is gewoonweg niet opgewassen tegen de criminele organisatie die deze klas was. De PVV is dan ook van mening dat er helemaal niets aan het systeem veranderd moet worden, behalve het detail van die gesealde zakjes.

Mijn eerste vraag is: staatssecretaris, wilt u deze school op het uitdrukkelijke verzoek van de PVV en van zeer velen in het land nog voor de zomervakantie sluiten? Dat moet toch mogelijk zijn op basis van die opeenstapeling van fraudes, zeer zwak onderwijs en herhaalde ingrepen zonder dat daar verbeteringen tegenover stonden? Dat gebeurde allemaal vanaf 2003. Wij spreken over een periode van tien jaar van ellende en verdriet.

Mijn tweede vraag gaat over de inkeerregeling. Deelt de staatssecretaris de mening van de PVV dat inkeer alleen een werkend concept is in onze westerse cultuur, waarin individuele verantwoordelijkheid en het je rekenschap geven van je daden centraal staan? Veel leerlingen op de Ibn Ghaldoun zijn grootgebracht in een cultuur van schaamte en eer, waarin ontkennen van schuld standaard is. Zelfreflectie en inkeer zijn daarin onbekende concepten. Is de staatssecretaris het met ons eens dat dit de reden is dat de inkeerregeling slechts 26 leerlingen heeft opgeleverd?

De voorzitter: De heer Van Meenen heeft een vraag.

De heer Van Meenen (D66): Ik heb er wel 100, mevrouw de voorzitter. Ik heb maar twee interrupties, maar ik kan dit niet allemaal laten passeren. Overigens dank ik mijn waarde collega voor het compliment dat hij aan de staatssecretaris gaf. Hij noemde ook een aantal voorbeelden. Hoewel de heer Beertema en ik ongeveer een gelijke ervaring hebben in het onderwijs ...

De heer Beertema (PVV): Nou ... ik heb voor de klas gestaan.

De heer Van Meenen (D66): Qua tijd dan. Het verschil tussen de PVV en D66 is dat ik er met liefde voor het onderwijs ben uitgekomen en dat de heer Beertema c.q. de PVV er met een hekel aan het onderwijs uitgekomen is, althans zo lijkt het soms. Maar wat maakt deze situatie zo bijzonder, het feit dat dit een islamitische school betreft of het feit dat er ingebroken is? Is de heer Beertema het met mij eens dat het feit dat hier ingebroken is, betekent dat de daders gestraft moeten worden? Wie zijn in de ogen van de heer Beertema nu precies de daders? Is dat de school als geheel en, zo ja, waarom?

De heer Beertema (PVV): De vraag stellen is bijna hetzelfde als hem beantwoorden. Ik heb al eerder betoogd, ook naar aanleiding van het verhaal van de heer Van Meenen, dat dit overal kan gebeuren. Ik bevestig dat ook: het kan overal gebeuren. Het gekke is alleen dat het nergens gebeurt, behalve op deze ene school. Dat is wat mij betreft niet helemaal toevallig een islamitische school. Er zijn islamitische scholen voor voortgezet onderwijs geweest in Amsterdam. Die zijn ten onder gegaan aan dezelfde soorten fraude, misleiding, onduidelijkheden, zeer zwak onderwijs en het niet nakomen van verbetertrajecten. Bij deze school hebben wij dat ook tien jaar aangezien. Ik begrijp dat D66 deze school nog tien of misschien honderd jaar de hand boven het hoofd wenst te houden. Dat moet D66 vooral zelf weten, maar wij zitten in een iets andere hoek.

Overigens heb ik helemaal geen hekel aan het onderwijs. Waar ik in het onderwijs zo'n afkeer van kreeg, en velen met mij, waren al die bestuurders die zich in mijn nek positioneerden om precies voor te schrijven wat ik moest doen en zeggen, die zich bemoeiden met alles wat ik in de klas deed. Juist aan de lerarenkant, waar ik vandaan kom, heb ik ontzettend mooie jaren beleefd, ook in Rotterdam Zuid, met alle islamitische leerlingen die ik aan mij voorbij heb zien trekken. Dus ik snap niet waarom de heer Van Meenen de conclusie trekt dat ik het onderwijs met een hekel aan het onderwijs verlaten zou hebben. Integendeel, het is het mooiste vak wat er is, op Kamerlid zijn voor de PVV na.

De heer Van Meenen (D66): Docent zijn is inderdaad het mooiste vak. Dat lijkt mij zeker mooier dan Kamerlid zijn voor de PVV, maar dat zegt op zich niet zo heel veel. De heer ... eh ...

De heer Beertema (PVV): Beertema.

De heer Van Meenen (D66): Beertema, ja. Hartelijk dank. Ik had even een seniorenmomentje.

De heer Beertema zegt dat hij ook een groot belang stelt in islamitische leerlingen en dat hij met plezier met hen heeft gewerkt. Wij kennen allemaal de geschiedenis van deze school, maar waarom moet deze school volgens de heer Beertema dicht? Dat treft immers zo'n 600 leerlingen voor wie het hun school is. Is hij het met mij eens dat het aantal daders op deze school aanzienlijk minder is? Wat is precies de reden daarvoor, los van het feit dat de heer Beertema het waarschijnlijk met mij eens is dat de overheid daar helemaal niet over gaat? Hoe ziet hij dat?

De heer Beertema (PVV): Daar heb ik twee antwoorden voor nodig. In de eerste plaats willen wij islamitische scholen sowieso verbieden. Ik heb het in mijn laatste alinea staan: er zou een verbod moeten komen op scholen waar afkeer van de westerse samenleving, discriminatie, antisemitisme, geïnstitutionaliseerde ongelijkheid en haat worden onderwezen, die zich niet verhouden met onze rechtsstaat en onze gedeelde waarden. Daar willen wij helemaal van af.

In de tweede plaats heeft deze specifieke school in tien jaar tijd laten zien dat er een corrupte cultuur heerst. Alle bestuurders en raden van toezicht zijn alleen maar bezig geweest om elkaar baantjes toe te spelen en geld te verdonkeremanen. Het is nogal wat als je 1,2 miljoen euro wegschrijft op vage projecten – er staat mij eentje bij met het Maritiem Museum – en van dat gemeenschapsgeld dan op hadj naar Mekka gaat. Daaruit concludeer ik dat daar sprake is van een corrupte cultuur, die niet beter wordt omdat daar steeds weer dezelfde mensen terugkeren. De verantwoordelijke directeur komt daar via een achterdeur weer binnen als leraar. Ik vind dat onbestaanbaar. D66 denkt misschien: dat moet allemaal kunnen en dat komt vast nog wel goed. Dat is hun goed recht. Wij hebben een andere positie. Wij zeggen: die school moet dicht om die corrupte cultuur maar ook omdat het een islamitische school is, die zich niet verhoudt met onze gedeelde waarden.

De voorzitter: Mag ik u vragen uw betoog te vervolgen? U hebt nog twee minuten.

De heer Beertema (PVV): Daar zijn de interrupties van afgetrokken?

De voorzitter: Ja.

De heer Beertema (PVV): Oké.

De staatssecretaris zelf concludeert dat er concrete aanwijzingen zijn dat het allemaal nog breder verspreid is. Wat gaat hij doen bij leerlingen van wie op grond van cijfermatig onderzoek overduidelijk is dat zij hebben gefraudeerd maar die tot het bittere einde zullen blijven ontkennen? Welke instrumenten hebben wij dan nog in handen? Daar ben ik heel benieuwd naar. De vertegenwoordiger van de Rotterdamse besturen was opgelucht en zei dat het «gelukkig» maar om 26 gevallen ging, wat hij een heel beperkt percentage vindt van alle leerlingen. Hoe kwalificeert de staatssecretaris dat? Klopt het dat hij de ontkenners niet heeft meegenomen in zijn opmerkingen van opluchting? Ook in Rotterdam moet het besef er zijn dat 26 fraudeurs op 27 gestolen examens toch wel heel onrealistisch is.

Een van de verdachten van de diefstal is de zoon van de natuurkundeleraar die verantwoordelijk was voor die grote fraude. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat die man nu weer lesgeeft? Heeft hij nog een vog kunnen inleveren? Hoe kan het sowieso dat iemand die op de televisie ondertiteld moet worden, lesgeeft op een Nederlandse school?

De PVV wil weten waarom alle examens op de Ibn Ghaldoun ongeldig zijn verklaard. Wij zeggen: doe dat nou niet. Zo krijg je ongelijke behandeling. De staatssecretaris moet kiezen: of de examens van de gezakte leerlingen op de Ibn Ghaldoun die niet gefraudeerd hebben blijven geldig, of alle gezakte leerlingen mogen alles overdoen. In afwachting van sluiting van deze school verzoeken wij de staatssecretaris om nu alvast de examenlicentie in te trekken. Ook zien wij graag dat het schoolbestuur van de Ibn Ghaldoun in de toekomst wordt uitgesloten van welke functie dan ook in het bestuur van instellingen in de publieke sector.

Ten slotte verzoek ik de staatssecretaris om alle islamitische scholen, ook de basisscholen, te sluiten.

De heer Bisschop (SGP): Voorzitter. Onderwerp van overleg is de examinering in het vo. Ik heb mij ervan weerhouden om algemene beschouwingen op het onderwijsbeleid te formuleren. Dat komt op een later moment. Ik wil mij concentreren op de examinering, die een bijzondere positie inneemt in ons onderwijsbestel. Ik heb een drietal punten. In de eerste plaats kunnen wij er niet omheen om de examenfraude toch even te benoemen, maar het is niet de hoofdschotel van mijn bijdrage. In de tweede plaats wil ik op de tweede correctie ingaan. In de derde plaats wil ik inzoomen op het rekenonderwijs.

Allereerst kom ik op de examenfraude. Ik sluit mij aan bij de waarderende woorden van collega Beertema over de zorgvuldige wijze waarop de staatssecretaris en de onderwijsinspectie hebben gereageerd op de signalen over frauduleus handelen. Er zijn adequate maatregelen genomen. Een aspect van die maatregelen dat mij aanspreekt, is dat er in zekere zin sprake is van een pedagogische aanpak. Er wordt ruimte geboden voor berouw, inkeer. Zie de inkeerregeling. Als daar gebruik van wordt gemaakt, heeft dat weliswaar consequenties, maar er wordt ook een kans geboden om de fout te herstellen. Als achteraf wordt geconstateerd dat een leerling heeft gefraudeerd en hij geen gebruik heeft gemaakt van de inkeerregeling, dan heeft die leerling er bewust voor gekozen het risico te lopen om de volle consequenties van zijn frauduleuze handelen voor zijn rekening te moeten nemen. Dat betekent dat er stevige maatregelen verwacht mogen worden. Ik wil niet vooruitlopen op het lopende onderzoek. Dat moeten wij afwachten. Dat is een kwestie van zorgvuldigheid, maar in deze zaak mogen ingrijpende sancties niet worden uitgesloten, hetzij tegen (het bestuur van) de school, hetzij tegen leerlingen.

De staatssecretaris heeft de inspectie de opdracht gegeven het komende jaar extra alert te zijn op de examinering. Dat is een logische stap. Wil de staatssecretaris toelichten welke mogelijkheden de inspectie heeft bij het toezicht op de examens? Zij heeft toch wel degelijk mogelijkheden om actie te ondernemen wanneer een leraar of een school evident gebrekkig werk levert? Dat heeft een relatie met mijn volgende punt: de tweede correctie.

Over de kwaliteit van de tweede correctie worden drie signalen gegeven. Ten eerste is het nakijken van examens altijd gedeeltelijk een kwestie van taxatie. Het is wel geobjectiveerd, maar er is geen sprake van keiharde objectiviteit. Zo werkt dat nou eenmaal in het onderwijs. Ten tweede geven beoordelingsmodellen soms aanleiding tot onduidelijkheid. Ten derde blijft er een weliswaar kleine groep leraren die onverklaarbaar toegeeflijk nakijken en de zaak dus «matsen». Als je het negatief wilt formuleren: een groep die handelt op de grens van het frauduleuze. Het is een goede zaak dat een aantal proeven wordt gedaan om problemen met het beoordelen van examens te verkleinen. Daarbij moeten wij niet insteken op weer een generiek controlemechanisme dat over het hele onderwijsveld wordt uitgerold, maar op «chirurgisch opereren». Tegen degenen die bij correctie of tweede correctie ondermaatse kwaliteit leveren, moeten passende maatregelen worden genomen. Ik krijg daar graag een reactie van de staatssecretaris op. Dat was het tweede kopje.

Het derde kopje gaat over het rekenen. Er worden proeven gedaan met een rekentoets. Die wordt het komend schooljaar verplicht en telt het schooljaar daarna mee in de uitslag voor het examen. Vanwege de tijd vat ik mijn betoog even samen. Wij pleiten ervoor dat er ook echt wordt gekeken naar een rekentoets. Wij willen niet de discussie aangaan over realistisch of functioneel rekenen in het onderwijs, maar soms ondervinden leerlingen nadelen van de wijze waarop de sommen en rekentoetsen worden aangeboden, namelijk met veel woorden en tekst, terwijl het accent nadrukkelijker op rekenen zou moeten liggen. Ik hoor hierop graag een reactie.

Tot slot wil ik aandacht vragen voor de rol van de rekenmachine in het onderwijs. Bij goed rekenonderwijs kun je op een bepaald moment wel degelijk een hulpmiddel gebruiken, maar bij basaal of baserend rekenonderwijs moet je vooral het oude cijferen en hoofdrekenen laten zien. Daardoor krijg je het rekenkundige proces onder de knie. In een latere fase ontstaat er ruimte voor het gebruik van de rekenmachine. Hoe kijkt de staatssecretaris daartegen aan?

De heer Smaling (SP): Voorzitter. Wij praten over examens en examen doen. Dat is spannend. Dat doen wij van tijd tot tijd allemaal in ons leven. Daarom heeft de diefstal van de examens bij de Ibn Ghaldounschool in Rotterdam het land behoorlijk op zijn kop gezet. Die is niemand ontgaan. De examenperiode op middelbare scholen is elk jaar weer een bijzondere periode, waarin het hele land meeleeft met de leerlingen. Zo eind mei staat het in de krant. Dan denk je: o ja, het is weer examentijd. Zo hebben wij allemaal van die dingen die terugkomen in het jaar waarbij je denkt: dat is fijn. Dat is ook goed tegen het cynische toontje dat al een tijdje in dit land heerst. Daarom is het extra vervelend dat wij een grote examenfraude bij de hand hebben.

Op Geschiedenis 24 is nog na te lezen hoe in 1918 een examen werd gestolen door een letterzetter, maar toen waren de mogelijkheden van het dataverkeer iets beperkter en daarmee de potentiële schaal van fraude wat overzichtelijker. Met het incident van het gestolen examen Frans was nog te leven, maar de zaak is steeds groter geworden. Het is een olievlek geworden, gelet op zowel het aantal gestolen examens als het aantal leerlingen dat waarschijnlijk inzage heeft gehad. Een incident als dit is schadelijk voor de betrouwbaarheid van de toetsing in het Nederlandse onderwijs en voor de waarde van onze diploma's.

De inkeerregeling heeft niet veel spijtoptanten opgeleverd, maar misschien denkt de staatssecretaris daar anders over. Ik vermoed dat de dreiging dat deze leerlingen bij de politie zouden worden gemeld, voor leerlingen een barrière heeft gevormd om zichzelf te melden. Voor zestien- en zeventienjarigen is het verschil tussen heimelijk van iets profiteren en een strafbaar feit plegen misschien niet altijd even duidelijk. Daarmee wil ik niets vergoelijken, maar het kan meespelen en verklaren waarom er tot nu toe niet zo heel veel inkeerders zijn.

Het is cruciaal dat diepgaand onderzoek wordt uitgevoerd naar wat zich precies heeft afgespeeld en hoe de examens verder zijn verspreid, maar hoe lang moet dat duren? Daar gaat de staatssecretaris weliswaar niet over, maar het lijkt mijn fractie erg onwenselijk als dit de hele zomer blijft dooretteren. Kan de staatssecretaris aangeven hoelang een dergelijk onderzoek in beslag neemt? Heeft hij ideeën over hoe dit soort excessen in de toekomst kan worden voorkomen of is het een op zichzelf staand incident dat bijna niet te voorkomen is? Is er al zicht op de toekomst van de Ibn Ghaldoun? Ik wil mij hoeden voor populistische uitspraken, maar mijn fractie bekruipt langzaamaan het gevoel van de optelsom, zoals de voetbalverslaggever een rode kaart noemt die het gevolg is van een hele serie kleinere vergrijpen.

De heer Beertema (PVV): Als u geen populistische uitspraken wilt doen, legt u dan maar eens op uw gedegen, analyserende, SP-manier uit wat u wilt met de Ibn Ghaldoun en waarom.

De heer Smaling (SP): Dank voor uw complimenten voor het analytische gehalte van de Socialistische Partij. Die steken wij in onze zak. Er komen bijna dagelijks nieuwe feiten boven tafel en de afmeting van wat zich hier heeft afgespeeld groeit. Het is nog niet duidelijk waar dit eindigt. Daarom doen wij nu geen uitspraken over de vraag of die school gesloten moet worden. Wat uiteindelijk de impact zal zijn van deze diefstal, hopen wij snel te horen. Daarom heb ik de staatssecretaris gevraagd: is het mogelijk aan te geven wanneer een dergelijk forensisch onderzoek, dat telefoons en laptops behelst, tot een getal leidt van examens die in handen zijn gekomen van leerlingen die dat examen nog moesten doen?

De heer Beertema (PVV): Ik vind dat erg voorzichtig, zeker van de SP. Het lijkt zelfs een beetje op wegduiken, alsof u een D66'er bent. Kom op! U bent toch van een partij die graag ferme uitspraken doet? Onlangs heeft de SP in het Oosterpark nog heel ferme uitspraken gedaan tegen ons en zelfs onze mensen verjaagd. Dus u kunt het best. Zeg hier dan ook een keertje iets waar wij op kunnen rekenen in plaats van deze volstrekt vrijblijvende open deuren in te trappen. Alstublieft.

De heer Smaling (SP): Je kunt dingen roepen vanwege het effect dat ze hebben, maar dat vind ik goedkoop in dit geval. Je kunt wel zeggen dat die school dicht moet, maar die moet pas dicht als vast komt te staan dat de situatie zo ernstig is dat niemand met goed fatsoen kan pleiten voor het behoud van die school. Maar tussen nu en dan – hopelijk duurt dat niet al te lang – is er een traject af te leggen. Dan is het moment om te zeggen of die school dicht moet of niet.

Ik ga verder. Zijn de leerlingen gebaat bij verder onderwijs op deze school, die financieel in zwaar weer zit, problemen heeft met de kwaliteit van het onderwijs en nu zo wordt geteisterd door een fraudeschandaal dat zijn weerga niet kent in de geschiedenis van de onderwijsexamens? Moet Rotterdam niet een soort zachte landing voorbereiden en bekijken of de leerlingen eventueel elders ondergebracht kunnen worden? Er moet namelijk een plan B zijn voor het geval dat de school moet sluiten. Wij vertrouwen erop dat de staatssecretaris ons nauwgezet op de hoogte zal houden en bedanken hem, net als de twee vorige sprekers, voor de goede communicatie tot nu toe.

Uit het onderzoek naar de correcties komt een tamelijk zorgelijk beeld naar voren. Zo is het schrikbarend dat drie kwart van de docenten kennelijk het gevoel heeft dat de eerste correctie op geen enkele wijze op school wordt gefaciliteerd. Verder is er een grote diversiteit in manieren waarop scholen eerste en tweede correcties proberen te faciliteren, bijvoorbeeld als onderdeel van de jaartaak of op basis van stukloon.

Ook zijn er grote verschillen tussen eerste en tweede correcties bij een aantal specifieke vakken waarbij de interpretatie van de docent belangrijker is, zoals geschiedenis, aardrijkskunde, kunstvakken ... Dat zijn vakken met veel open vragen. Daarbij blijkt de eerste correctie vaak veel soepeler te worden uitgevoerd dan de tweede. Andere factoren zijn tijdsdruk, doordat een arbeidsintensief examen als geschiedenis bijvoorbeeld aan het eind van de examenperiode wordt afgenomen, en de beoordelingsmodellen, die vaak te wensen overlaten. De modellen zijn veelal niet eenduidig en laten dus relatief veel ruimte aan de docent. Bij de tweede correctie controleert slechts een derde overeenkomstig de wettelijke voorschriften.

Kortom, het totale beeld is nogal ontmoedigend voor leerlingen, zelfs als ze niet weten of ze zijn bevoorrecht of benadeeld. De staatssecretaris schrijft in zijn brief besturen en schoolleiders te zullen aanspreken. Dat klinkt mijn fractie te vrijblijvend. Wij zouden graag landelijke afspraken zien om ten eerste te komen tot adequate facilitering van eerste en tweede correcties en ten tweede de verschillen tussen eerste en tweede correcties te verminderen. Wat heeft de staatssecretaris ons op deze punten te bieden of moeten wij hem daarbij helpen middels een VAO?

Mijn laatste punt gaat over de rekentoets en over wat hoogleraren Nederlands vinden van het examen Nederlands. Ik zal daar vanwege de tijd niet verder op ingaan, maar er liggen heel veel verschillende bezwaren op beide punten. Ik hoop dat de staatssecretaris daar een en ander over kan zeggen. Misschien geeft dat aanleiding om daar in tweede termijn op terug te komen.

De heer Rog (CDA): Voorzitter. De dramatische diefstal van examens op de Ibn Ghaldoun kent alleen maar slachtoffers. De leerlingen die hebben ingebroken in de school en de examens hebben gestolen en verspreid, zijn de daders. Dat geldt ook voor de leerlingen die deze gestolen examens zelf weer doorverkochten. Zij zijn verantwoordelijk voor de ontstane puinhoop en de persoonlijke drama's voor veel van hun leeftijdgenoten: onzekerheid, welverdiende vakanties die in het water vallen en vervolgstudies waar geen plaats meer is. Ongetwijfeld zijn er ook leerlingen die geen inzage hebben gehad in de examens maar die de examens wel moeten inhalen en mogelijk het examen nu niet zullen halen.

De inbrekers zijn de echte daders, maar hoe is het mogelijk dat dit kon gebeuren op deze school en wie is daarvoor verantwoordelijk? Door de veiligheid en de beschermde procedures rond de eindexamens is er maatschappelijk vertrouwen in het instituut Centraal Schriftelijk Eindexamen. Dat vertrouwen mag niet worden geschonden. Hoe is het mogelijk dat de examens bij Ibn Ghaldoun niet in een afgesloten ruimte of kluis lagen opgeslagen? Kan de staatssecretaris voor dit falen sancties opleggen en, zo ja, gaat hij dat doen? Hoe denkt hij over het standpunt van de VO-raad dat de Ibn Ghaldoun de examenlicentie zou moeten worden afgenomen?

Het CDA wil de staatssecretaris complimenteren met zijn adequate en proportionele optreden nadat bleek dat er sprake was van grootschalige fraude op deze specifieke school en van individuele gevallen van voorkennis buiten de school. Het CDA steunt de inkeerregeling. Leerlingen die alleen kennis hebben genomen van de inhoud van de eindexamens, krijgen terecht een tweede kans.

Voor ons is een aantal zaken nog onduidelijk die voor ons van belang zijn, ook voor de afweging hoe het met deze school in de toekomst moet gaan. Waarom krijgen de leerlingen bij de Ibn Ghaldoun, anders dan andere leerlingen die zijn gezakt, een extra kans om een examen in te halen? In het protocol geheimhouding bij papieren centrale examens staat dat het examenwerk in een verzegelde envelop hoort te zitten. Uit de media vernemen wij dat er sprake was van een geseald plastic pakketje. Klopt dat en, zo ja, waarom is er afgeweken van het protocol? Hoe is het mogelijk dat de directeur en de medewerker die de examens in het bijzijn van de kandidaten moesten openen, deze fraude niet hebben opgemerkt?

Een reeks incidenten heeft plaatsgevonden op deze school: onrechtmatige besteding van subsidies, verscherpt inspectietoezicht, frauderende docenten bij eindexamens in 2010 en opvallend goede examenresultaten in 2009 en 2010. Hoe heeft de inspectie op al deze signalen gereageerd? Zijn er extra onderzoeken gedaan naar de eindexamens in het afgelopen jaar? Weten wij hoe deze leerlingen zich in het vervolgonderwijs hebben ontwikkeld? Zijn daar opvallende uitslagen in?

Hoe staat het met de financiële positie van deze school? Natuurlijk moeten wij het nader onderzoek van het OM afwachten. Daar staat het CDA voor, maar voor het CDA is het ook belangrijk dat wij volgend schooljaar duidelijkheid hebben voor de leerlingen in Rotterdam. Er is veel twijfel en helaas heeft deze school een lange traditie van soms milde maar vaak ook ernstige incidenten. Is de financiële positie op orde of niet? Blijven de leerlingenaantallen op peil? Blijven de onderwijskwaliteit en de bestuurskracht gegarandeerd? Kan de staatssecretaris voor het nieuwe schooljaar duidelijkheid geven over deze vragen? Heeft hij zekerheid van de inspectie dat de toekomst van deze school is verzekerd?

Ik wil nog drie punten aanstippen die ook te maken hebben met de eindexamens in het vo, waar wij het vandaag over hebben. Ik wilde de staatssecretaris een compliment uitdelen voor de rekentoets. Wij zijn ervoor dat die rekentoets er komt. Dat is niet zo vreemd, maar wij staan ook achter het uitstel tot het schooljaar 2015–2016. Dan pas telt die rekentoets mee voor de zak-slaagregeling. Wij hebben vragen over het examen Nederlands. De Leidse hoogleraar Marc van Oostendorp stelt namens alle hoogleraren in Nederland dat het huidige examen niet bijdraagt aan de kennis en taalvaardigheid van leerlingen. Het soort vragen die gesteld worden, zou niet afgestemd zijn op wat er geleerd moet worden, aldus deze hoogleraar. Klaas Heemskerk, de voorzitter van de Vereniging van Leraren in Levende Talen, beaamt dat en stelt dat het examen slechts een trucje toetst maar geen lees- en argumentatievaardigheid. De bewindspersoon is hier verantwoordelijk voor. Welke actie gaat hij ondernemen ten aanzien van het College voor Examens of Cito? Zij moeten per slot van rekening het beleid van de staatssecretaris uitvoeren.

Tot slot, de tweede correctie moet net als de eerste correctie volgens de protocollen worden uitgevoerd. Van vakinhoudelijke verenigingen vernemen wij dat met name bij geschiedenis en maatschappijwetenschappen volstrekt onvoldoende tijd beschikbaar is om hieraan te voldoen. Waarom wordt de suggestie van het Platform van Vakinhoudelijke Verenigingen in het Voortgezet Onderwijs (Platform VVVO) niet overgenomen om de tweede correctie aan een geselecteerde groep gekwalificeerde externe beoordelaars over te laten? Als de staatssecretaris daar niet toe overgaat, ziet het CDA een taak voor hem weggelegd om ervoor te zorgen dat docenten voldoende ruimte en tijd wordt geboden en voldoende worden gefaciliteerd om die eerste en tweede correctie uit te voeren.

Mevrouw Straus (VVD): Voorzitter. Het overleg over dit onderwerp had niet in een meer turbulente periode kunnen plaatsvinden. Veel aandacht zal vanavond uitgaan naar de recente gebeurtenissen in Rotterdam en terecht, want meer dan 200.000 leerlingen hebben de afgelopen week behoorlijk in de rats gezeten en zich afgevraagd hoe het verder zou gaan met hun examens. Momenteel lopen er nog onderzoeken van het OM en de inspectie. Belangrijk is dat goed wordt uitgezocht wat er precies is gebeurd. Dat moet niet alleen gebeuren om ervoor te zorgen dat de leerlingen die hebben gefraudeerd worden gestraft, maar ook om het vertrouwen veilig te stellen dat de rest van ons land heeft en moet behouden in het eindexamen. Wel wil de VVD dat er op basis van de bevindingen van deze onderzoeken bekeken wordt of deze school wat te verwijten valt. Als dat het geval is, is de discussie aan de orde over wat er gaat gebeuren met deze school.

Daarnaast vinden wij het belangrijk dat de procedure rondom het eindexamen op basis van deze onderzoeken nog eens wordt beoordeeld. Met name moet worden beoordeeld of deze procedure nog wel voldoende past in de huidige tijd van smartphones en internet. Kunnen wij dit debacle niet aangrijpen om werk te maken van een modern verspreidingsbeleid? Waarom versturen wij de examens nog steeds een maand van tevoren op papier naar de scholen? Kan dit niet veel sneller, efficiënter en veiliger?

Eindexamens worden in principe twee keer nagekeken: de eerste keer door je eigen leraar, de tweede keer door een docent die jou niet kent. Zo is dit nu in de wet afgesproken. Twee derde van de tweede correctoren kijkt echter niet al het werk na, terwijl dit hun wettelijke taak is. De VVD vindt dit niet acceptabel. De werkdruk wordt als argument genoemd, maar laten wij wel wezen: het is gewoon je werk! De VVD kan zich vinden in een aantal aanbevelingen op dit punt, zoals een aanbeveling over de planning van de examens. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen deze aanbevelingen? Gaat hij daar werk van maken?

Onlangs ontvingen wij een brief van een aantal hoogleraren die ontevreden zijn over de eindexamens Nederlands. Zij zeggen onder andere dat schrijfvaardigheid is ondergesneeuwd. In 2008 kreeg de Kamer de toezegging dat het schrijven weer terug zou komen in het zogenaamde versterkt examen Nederlands en wel per 2013. Het is mij niet gebleken dat dit nu al het geval is. Hoe staat het hiermee?

Niet alleen docenten Nederlands trekken aan de bel. Ook andere vakdocenten hebben zich bij ons gemeld. Of het nu gaat om rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis; allemaal zijn ze ontevreden over de examens. Hoe gaan wij ervoor zorgen dat er meer draagvlak komt voor de examens bij de beroepsgroep? In hoeverre zijn docenten van vervolgopleidingen bijvoorbeeld betrokken bij de inhoud van de examens en de examinering? Kunnen zij bijvoorbeeld inbreng leveren in proefedities van examens? De VVD heeft al eerder aangegeven te willen dat in de examencommissies van scholen ook ruimte is voor leden uit het vervolgonderwijs, voor alle typen onderwijs dus ook voor het beroepsonderwijs. Graag krijg ik op dit punt een toezegging van de staatssecretaris.

De VVD is voorstander van de referentieniveaus voor taal en rekenen. Het is voor ons onbestaanbaar dat leerlingen de basisvaardigheden onvoldoende beheersen, maar de discussie spitst zich nu wel heel erg toe op het voortgezet onderwijs. Als scholieren echter niet aan de referentieniveaus voldoen, is dat dan niet ook een probleem van het basisonderwijs in Nederland? Als je aan de basis niet genoeg aandacht besteedt aan deze vakken, dan komen leerlingen toch vanzelf in de problemen? Wij krijgen nu de centrale eindtoets voor taal en rekenen. In hoeverre denkt de staatssecretaris dat dat hier een positieve bijdrage aan gaat leveren? De VVD heeft al vaker het punt gemaakt dat de rekentoetsen veel te talig zijn. Kinderen die minder taalvaardig zijn, worden hier de dupe van. Graag krijg ik ook op dit punt een toezegging van de staatssecretaris.

Ik vroeg laatst aan mensen van de Stichting Lezen & Schrijven of niveau 2F echt te veel gevraagd is van studenten van het vmbo. Zij gaven aan van niet. Ook docenten Nederlands op het vmbo en mbo zeiden tijdens werkbezoeken dat zij deze leerlingen met twee uur per week op niveau zouden kunnen krijgen. Wel is het belangrijk dat de stof op een voor hen aansprekende manier wordt aangeboden en geëxamineerd. Je moet een student techniek op het vmbo geen tekst voorleggen over politiek maar over het vak dat hij aan het leren is. Wat kan de staatssecretaris op dit punt voor deze leerlingen betekenen?

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Voorzitter. Wij spreken vandaag over een thema dat ons allen bezighoudt: de examenfraude. Op 29 mei had ik die al op de agenda willen zetten, maar dat ging toen niet. Toen zaten bijna 20.000 vwo-scholieren in spanning. Eind vorige week waren dat er 200.000. 200.000 jongeren van het vwo en de havo vroegen zich af: wat gebeurt er met mijn examen? Die onzekerheid maakte een heel grote indruk op mij. Vlak nadat de staatssecretaris afgelopen woensdag de eindexamenkandidaten duidelijkheid had gegeven, kwam ik drie scholieren tegen op station Leiden. Zij zeiden tegen mij: mevrouw Jadnanansing, de langste 90 minuten hebben wij achter de rug, dit was verschrikkelijk, dit nooit meer. Nu hebben jongeren wel de neiging om enigszins te overdrijven, maar toch neem ik dit signaal heel erg serieus. Wij moeten waken voor die onzekerheid.

De staatssecretaris en de onderwijsinspectie hebben uitermate hun best gedaan – dat begrijp ik – maar toch vraag ik aan de staatssecretaris of het mogelijk is om iets van een communicatieprotocol op te stellen voor ministerie en inspectie zodat dit sneller gaat. Er is een website maar die was uit de lucht op het moment dat iedereen daarnaartoe wilde.

De onzekerheid duurt voort voor de jongeren van de Ibn Ghaldoun. Er is veel gedoe over de onderwijskwaliteit, de financiën en het bestuur. Ik snap dat de staatssecretaris die school niet zomaar kan sluiten, want daar heeft hij het juridisch instrumentarium niet voor, maar zou het bestuur niet de eer aan zichzelf kunnen houden, puur in het belang van de jongeren? De jongeren hebben er recht op een diploma te krijgen van waarde. Als de jongeren naar een vervolgopleiding toe gaan, mag het niet gebeuren dat die opleiding zijn neus optrekt en denkt: wat is dit voor een diploma? Onze jongeren hebben recht op een diploma van waarde.

Dan kom ik bij onszelf. Welke lessen kunnen wij trekken uit de misstanden op deze Rotterdamse school? Het is zaak om alles te doen om herhaling te voorkomen. Daarom zou ik graag wederom het gesprek met de staatssecretaris aangaan naar aanleiding van de lopende onderzoeken van de onderwijsinspectie en politie. Welke lessen kunnen wij leren? Hoe kunnen wij dit voorkomen? Wat mij betreft zien wij elkaar zo snel mogelijk terug nadat de onderzoeksresultaten bekend zijn.

De heer Smaling (SP): Dat de PVV islamitische scholen wil sluiten, is zo klaar als een klontje, maar wanneer zijn de PvdA en mevrouw Jadnanansing tot de conclusie gekomen dat de school de eer aan zichzelf moet houden? Wij zitten immers nog in een onderzoekstraject. Het lijkt mij dat wij, als wij dat eventjes uitzingen, gezamenlijk tot een conclusie kunnen komen. Het verbaast mij dat de PvdA nu al zo ver is als ik uit de woorden van mevrouw Jadnanansing meen te kunnen opmaken.

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Dat is een terechte vraag. Als je alle dossiers leest, de geschiedenis van de school nagaat en ziet dat er zo veel mis is aan de onderwijskwaliteit, de financiën en het bestuur, dan moet je je afvragen of het nog goed is om jongeren zo lang op die school te houden en ze in spanning te laten over de vraag of hun diploma in het vervolgonderwijs van waarde wordt gevonden. Ik zeg ook niet tegen de staatssecretaris dat hij de school moet sluiten. Dat juridisch instrumentarium heeft hij niet eens. Ik zeg wel: bestuur, denk goed na over de vraag of je deze situatie in stand wilt houden, met name in het belang van die jongeren.

De heer Rog (CDA): Wat dacht mevrouw Jadnanansing te doen als het bestuur zegt: dat waren wij niet van plan?

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Dat is een als-danvraag. Ik heb het bestuur nu vooral opgeroepen om goed na te denken over wat het doet. Ik heb het niet over het belang van de bobo's of wie dan ook; wij zetten ons allemaal in voor het belang van de jongeren. Althans, ik mag hopen dat wij allemaal zeggen: het gaat om het beste onderwijs voor onze jongeren; zij moeten een diploma krijgen dat van waarde is.

De heer Rog (CDA): Is mevrouw Jadnanansing het dan met het CDA eens dat, als het bestuur dat besluit niet neemt – die kans is zeer groot, gezien de reacties tot nu toe in de media – wij voor volgend schooljaar van de staatssecretaris helderheid moeten krijgen over de stand van zaken op deze school, zodat hij adequate maatregelen kan nemen? Hij kan bijvoorbeeld de bekostiging stopzetten als blijkt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden om goed onderwijs te leveren.

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Ik ben het heel erg eens met het CDA dat wij goed moeten nadenken over wat er gebeurt als het bestuur zegt te blijven zitten, maar ik hoop dat het goed gaat nadenken en zich afvraagt in wiens belang het dingen doet: doen wij dit in het belang van het bestuur, de directie, de docenten of primair van al die jongeren? Dat moet de overweging zijn.

De heer Van Meenen (D66): Mevrouw Jadnanansing pleit er terecht voor dat het diploma van deze school zijn waarde zal behouden, maar wat vindt zij op dit moment van de inspanningen van de staatssecretaris? Die zijn erop gericht om dat te bevorderen. Hij laat namelijk alle leerlingen opnieuw examen doen. Als die leerlingen opnieuw examen doen en slagen, hebben die dan in de ogen van de PvdA een diploma met waarde of niet?

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Wij hebben de staatssecretaris allemaal enorm gecomplimenteerd voor zijn werkwijze. Dat zal ik niet nog een keer herhalen. Anders wordt het heel erg veel. De diploma's van de jongeren die nu een tweede kans krijgen en hun examen opnieuw maken onder toezicht van de inspectie, zijn waardevol.

De heer Van Meenen (D66): Dan begrijp ik de conclusie van Jadnanansing niet, want zij zegt dat de school gesloten moet worden, omdat er geen diploma's van waarde meer vandaan komen. Wellicht heb ik haar verkeerd begrepen, maar de leerlingen die nu herexamen doen, hebben blijkbaar wel een waardevol diploma. Wat is het nou? Moet die school dicht en, zo ja, waarom? Die zou immers niet dicht moeten omdat de diploma's geen waarde hebben, als ik haar goed begrijp.

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Dat klopt. De jongeren die nu hun examen maken, doen dat onder toezicht. Dat gebeurt netjes en ordelijk. Die hebben een waardevol diploma. Tegelijkertijd is er heel veel aan de hand op deze school. Vanmorgen las ik in de Metro dat een jongedame op die school zei: ik moet wel wat uitleggen met mijn diploma. Die school heeft veel imagoschade. Ik vraag mij af of dat nog goed komt. Het bestuur moet zich echt afvragen of het nog goed komt.

De heer Bisschop (SGP): Wat brengt mevrouw Jadnanansing ertoe om nu zo nadrukkelijk te opteren voor het sluiten van de school? Dat kan heel goed de uitkomst zijn, maar de onderzoeken lopen nog. De kwalijke staat van dienst op een aantal onderdelen van die school was al langer bekend. Is het niet verstandig om de resultaten van die onderzoeken af te wachten en op basis daarvan en na overleg met de staatssecretaris een plan van aanpak op te stellen waarin de Kamer uitspreekt welke richting het uit moet gaan? Voegt mevrouw Jadnanansing zich hiermee niet overhaast naar de geruchten die de ronde doen? Ik snap dat het allemaal heel vervelend is, maar gebiedt de zorgvuldigheid ons niet om de onderzoeken af te wachten?

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): De zorgvuldigheid van het proces dat de staatssecretaris is ingegaan, is helemaal geborgd en ik wacht op de uitkomsten daarvan. Tegelijkertijd moet het bestuur zich echt afvragen of het juist handelt, gezien de historie en de financiële en educatieve crisis die daar heerst.

De heer Bisschop (SGP): Die vraag kun je inderdaad stellen, maar stuurt mevrouw Jadnanansing niet te vroeg in een bepaalde richting? Ik voer geen pleidooi voor het in stand houden van die school, maar ik pleit ervoor alle opties open te houden en pas vervolgstappen te zetten op basis van het onderzoek van justitie en de onderwijsinspectie. Dat lijkt mij de zorgvuldige route.

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Het bestuur zal zich moeten afvragen of het op dit moment juist bezig is, of het alle onderzoeken moet afwachten en of het in het belang van de jongeren is om de school op deze manier voort te zetten, gelet op de geschiedenis tot nu toe.

Mevrouw Straus (VVD): Stel dat uit de onderzoeken blijkt dat de school daadwerkelijk iets te verwijten valt en dat het bestuur in de tussentijd – het kan nog wel een paar weken duren – niet tot het inzicht komt om de eer aan zichzelf te houden, vindt mevrouw Jadnanansing dan dat er een nieuw feit ontstaat en is zij dan bereid om opnieuw naar deze kwestie te kijken of vindt zij dat het enkel aan het bestuur is om dit besluit te nemen?

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Als er uit een gedegen onderzoek van de staatssecretaris heel veel nieuwe zaken naar boven komen, dan ga je, in relatie tot wat het bestuur aan consequenties voor zichzelf ziet, zaken afwegen en daar een antwoord op formuleren. Vooralsnog zeg ik echter tegen het bestuur: houd de eer aan jezelf en denk goed na over de vraag of je juist bezig bent voor al die jongeren, die een diploma van waarde verdienen.

Ik wil het nog over een aantal andere zaken hebben, want de examenfraude is een belangrijk punt maar niet het enige punt van zorg de afgelopen examenperiode. Een grote groep hoogleraren vraagt zich af of de opleiding tot het huidige eindexamen iets bijdraagt aan kennis van de taal en taalvaardigheid van leerlingen. Dit is een punt van zorg, dat niet zomaar mag passeren. Het kan toch immers niet de bedoeling zijn dat taalvaardige leerlingen in de problemen raken door fouten in de vraagstelling? Als dat wel zo is, vind ik dat heel akelig. Wat wil de staatssecretaris op de lange termijn doen aan die fundamentele kritiek van die hoogleraren taalkunde? Herkent en onderschrijft hij de zorgen van deze gerespecteerde wetenschappers? Zo nee, dan hoor ik graag waarom.

De tweede correctie is ook erg belangrijk. Een aantal mensen heeft ons geschreven dat de tweede correctie niet altijd integraal kan worden gedaan, puur en alleen omdat die zo ontzettend intensief is. Zij vroegen om daarnaar te kijken. Er zou zelfs bijna sprake zijn van een onmogelijke opgave. Graag hoor ik van de staatssecretaris of dit al dan niet mogelijk is. Je zou dit euvel kunnen oplossen door bijvoorbeeld geschiedenis of maatschappijleer vroeg in het examenrooster te plaatsen. Waarom heeft de staatssecretaris dat nog niet toegezegd?

Dan kom ik op een heel belangrijk punt: de referentieniveaus. Voormalig minister Van Bijsterveldt gaf aan dat ze openstond voor meer differentiatie in toetsen. Vooral voor het vmbo acht ik dit wenselijk. Vanuit het veld regent het namelijk noodkreten. Een grote groep scholieren zal uitvallen als wij de referentieniveaus ongewijzigd laten. Zo hoorde ik afgelopen vrijdag op het Wellantcollege het verhaal van Amanda, een bloembindster van topniveau. Zij is zo'n groot verkooptalent dat het stagebedrijf haar wil houden, maar ook de concurrent wil Amanda in dienst nemen. Haar talent is het gesprek van de dag, maar Amanda is ronduit slecht in Nederlands. Wellicht krijgt ze haar diploma niet, maar het verkooptalent van Amanda mag toch niet verloren gaan? Daarom vraag ik de staatssecretaris een voorzet te doen tot meer differentiatie. Dat hoeft niet nu meteen, maar graag wil ik dat hij voor de zomer een brief naar de Kamer stuurt.

Ik zou ook heel graag willen dat de opzet van het taalonderwijs tegen het licht wordt gehouden. Als het taalonderwijs niet op niveau is, mogen scholieren daar namelijk niet de dupe van worden. Laten wij daarom beginnen bij het begin. Laten wij het niveau van het onderwijs verhogen, docenten beter scholen en dan pas strenge toetsing invoeren. Dat klinkt logisch. Deelt de staatssecretaris mijn opvatting?

De heer Van Meenen (D66): Voorzitter. Laat ik eerst met de andere onderwerpen beginnen. Allereerst kom ik op het examen Nederlands. Er was een recordaantal klachten. Men roept: niet te doen. De hoogleraren van alle universiteitssteden waar Nederlands wordt gegeven, klagen dat het inhoudsloos en onder de maat was. Dat is belangrijk omdat niets meer richting geeft aan het onderwijs op een school dan het examen. Die toets is het richtsnoer voor docenten. Het onderwijs is daarop ingericht. Als de toets niet toetst hoe goed je het Nederlands beheerst maar of je examentrucjes kunt toepassen, dan is dat niet goed. Bovendien zijn er veel klachten over het rigide correctiemodel. Nu ben ik het niet altijd met columniste Aleid Truijens eens, maar zij moest precies de woorden gebruiken die in het correctiemodel stonden. Als er enige creativiteit werd gebruikt, was het meteen fout. Daarmee wordt het kritisch denkvermogen uitgeschakeld in plaats van gestimuleerd.

Ook bij andere examens zijn er klachten over wat er wordt getoetst, bijvoorbeeld bij de examens wiskunde A, wiskunde B en economie. Daarbij probeert men blijkbaar in te halen wat bij Nederlands achterwege werd gelaten, want deze examens zijn juist weer enorm talig. Kan de staatssecretaris hierop reageren? Wat wil hij met deze klachten doen?

Het meetellen van de rekentoets is uitgesteld omdat te weinig leerlingen het niveau haalden, maar er komt wel een vermelding op de cijferlijst. Volgens de staatssecretaris is er anders geen stok achter de deur om beter rekenonderwijs te geven. In mijn ogen doet hij op deze wijze een en ander over de hoofden van de leerlingen heen. Is hij bereid de vermelding op de cijferlijst achterwege te laten totdat de rekentoets en het rekenonderwijs op orde zijn?

De tweede correctie is onmisbaar voor een betrouwbaar en eerlijk cijfer. Het gaat de hele dag over de betrouwbaarheid van het examen. Er is al eerder aangetoond dat eigen docenten vaak een stuk soepeler zijn dan de tweede correctoren. De tweede correctie is soms een wassen neus en – laten wij eerlijk zijn – docenten krijgen ook te weinig betaald om dit werk serieus te nemen. Bovendien keurt de slager zijn eigen vlees. Dat vinden wij altijd slecht. In veel andere landen kennen ze een externe examinator, die het cijfer vaststelt. Ik had vroeger een gecommitteerde. Weet u dat nog? Mijn voorstel is heel simpel: kunnen wij de eerste en tweede correctie niet omkeren?

Ik kom op de examenfraude of -diefstal, beter gezegd. Allereerst mijn complimenten aan de staatssecretaris, niet zozeer omdat hij een D66'er zou zijn – hij is namelijk een VVD'er – als wel omdat hij proportioneel en met het belang van de leerlingen voorop heeft gereageerd. Hij heeft zich niet laten meeslepen door de ronkende retoriek, die meteen van alles naar voren bracht en die daders en slachtoffers niet meer uit elkaar hield. Dat wil ik wel doen. D66 is als geen ander streng op scholen. Wij zijn ook bereid om scholen te sluiten. Daar hebben wij ook zelf initiatief toe genomen, maar dan moet het wel gaan om de kwaliteit van het onderwijs. Die is op deze school in het verleden in het geding geweest. Daarnaast zijn er financiële problemen geweest. Daar is ook op ingegrepen. Er is een ander bestuur en een andere directie. De resultaten zijn verbeterd. Ik zeg niet dat ze op orde zijn en dat er geen problemen meer zijn. Natuurlijk zijn die er. Nu komt daar deze diefstal van examens bij, die alle examenleerlingen in dit land geraakt heeft. Het is ongekend. Laat het de laatste keer zijn.

Een van de aspecten van deze kwestie is het prehistorische systeem. Sterker nog, was het nog maar prehistorisch, maar dat is het niet meer, want door het gebruik van folies die je met een eenvoudig liniaaltje, een stanleymes en een soldeerbout vlekkeloos kunt omzeilen, hebben wij een systeem dat ontzettend kwetsbaar is geworden. Dat is een van de kwetsbaarheden. Een tweede kwetsbaarheid is dat de examens een maand lang in een ruimte liggen. Dat is weliswaar een kluis of een beveiligde ruimte, maar een school is geen bank. Die gaat bovendien nog eens twee weken dicht. Dan staat er echt geen agent naast die kluis. Dat is bijna vragen om moeilijkheden. Ik vraag dan ook aan de staatssecretaris en de inspectie: geef mij eens een overzicht van alle incidenten die zich de laatste twintig jaar met examens hebben voorgedaan. Ik weet zeker dat dat er onnoemelijk veel meer zijn dan alleen deze diefstal. De gekste dingen ben ik in de jaren tachtig tegengekomen als lid van de commissie die examens vaststelt. Wil de staatssecretaris toezeggen om daar iets over te vertellen voor het beeld in het land, geanonimiseerd, niet per school, hooguit met een bericht erbij dat het niet allemaal op de Ibn Ghaldoun gebeurde? Dat kan heel instructief zijn.

De school is dus geen bank. Het is dan ook goed om te horen dat de inspectie beter gaat kijken hoe scholen omgaan met het bewaren en beveiligen van examens. Wij willen dat er eens goed wordt gekeken naar het systeem en wordt nagedacht over hoe dat veiliger kan. Een van de manieren om het veiliger te maken is de verzending digitaliseren. Dat is gedaan bij het examen Frans. Ik zie ook de kwetsbaarheden, maar het grote voordeel daarvan is dat het examen heel kort van tevoren aankomt. Daardoor zijn examens veel minder vatbaar voor misbruik.

De vragen die ik wilde stellen, zijn al gesteld. Mijn belangrijkste vraag is: wanneer kunnen wij dit dossier sluiten? Wanneer kunnen wij zekerheid geven over de waarde van het diploma in 2013 aan alle leerlingen die slechts het slachtoffer zijn geworden van deze diefstal?

De voorzitter: Daarmee zijn wij prachtig op tijd aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. Ik heb even overlegd met de staatssecretaris. Hij hecht eraan om nu te schorsen voor een korte eetpauze.

Schorsing van 17.55 uur tot 18.36 uur.

De voorzitter: Ik stel voor de staatssecretaris een blok te laten afmaken alvorens vragen te stellen.

Staatssecretaris Dekker: Voorzitter. Alle sprekers hebben in eerste termijn onderstreept hoe belangrijk de waarde van een diploma is en hoeveel goede ervaringen wij in Nederland hebben opgedaan met het centraal examen. De heer Beertema zei dat het een instituut is. In het voortgezet onderwijs in Nederland is veel ruimte voor docenten, maar wij sluiten het af met een centraal examen zodat de toets voor iedereen in Nederland gelijk is. Die moet dus een goede standaard bieden voor leerlingen, ongeacht op welke school ze zitten. Dat is heel erg belangrijk. Dat was de afgelopen dagen in het geding. Dat is de essentie.

Voordat ik inga op de gestelde vragen, wil ik twee dingen zeggen. Ten eerste wil ik mijn waardering uitspreken voor het geduld dat de Kamer afgelopen woensdag heeft gehad, toen het allemaal even wat langer duurde. Mevrouw Jadnanansing vroeg daarnaar. Dat was een heel vervelend moment waarop 200.000 examenkandidaten zich afvroegen: komt er nou helderheid en krijgen wij onze uitslag? Aan het einde van de middag kregen wij nieuwe informatie waardoor wij konden toezeggen om de Kamer, Nederland en al die leerlingen in een keer goed te informeren in plaats van met partjes informatie naar buiten te gaan.

Ik merk dat er bij de Kamer begrip bestaat voor het feit dat wij vorige week heel erg druk waren met helderheid te geven aan alle leerlingen en vragen te beantwoorden als: wie moet het examen overdoen? Wanneer krijgen leerlingen hun uitslag? Wat kunnen wij doen met een inkeerregeling voor leerlingen die misschien wat gerommeld hebben maar daar achteraf spijt van hebben en niet het risico willen lopen dat ze straks hun diploma kwijt zijn? Deze week zijn wij vooral bezig met het organiseren en opzetten van de examens. Dat is ook nog een heel karwei. Hier en daar een herexamen doen in het tweede tijdvak zijn wij wel gewend; dat doen wij ieder jaar, maar een examen helemaal opnieuw organiseren voor een hele school, ook voor leerlingen buiten die school, vraagt om het bijzetten van alle zeilen. Daar zijn de inspectie en het College voor Examens heel erg druk mee bezig.

Als dit achter de rug is, is de volgende stap om eens goed te bekijken wat er precies op die school is gebeurd en wat wij nog allemaal kunnen achterhalen. Wat mij betreft trekken wij dan ook lessen voor onszelf en vragen wij ons af hoe examenprocedures beter kunnen. Als het écht allemaal achter de rug is en wij opgelucht adem kunnen halen, dan kunnen wij bekijken hoe het hele proces is gegaan. Het College voor Examens heeft namelijk protocollen klaarliggen voor als er iets misgaat, maar problemen van deze omvang hebben wij nog niet eerder meegemaakt. Ondanks dat wij nu misschien het gevoel hebben dat wij de nodige stappen zetten, kunnen wij ook hier weer lessen uit trekken. Dat is wat mij betreft de volgorde.

Ten tweede wil ik mijn waardering uitspreken voor heel veel mensen die heel erg hard hebben gewerkt, om te beginnen de mensen van politie en justitie. Zij werken heel erg hard en werken ook heel goed met ons samen om de feiten te achterhalen, met name met de inspectie. Ze onderzoeken wat hier is gebeurd. De politie doet doorgaans een (strafrechtelijk) onderzoek, maar zij is ook heel bewust van de onzekerheid bij leerlingen en het belang van het onderwijs. Er is hard gewerkt om de informatie gereed te hebben op de momenten waarop het nodig was en de besluiten moesten worden genomen. Op die momenten zijn de resultaten bekendgemaakt voor de rest van Nederland. Ook dat verdient een compliment aan alle instanties, politie en justitie, maar ook het College voor Examens en de inspectie. Het is niet heel gebruikelijk, maar ik mag dat hier denk ik wel zeggen: ik complimenteer ook heel veel mensen op mijn departement die dag en nacht hebben doorgewerkt om dit in goede banen te leiden.

Ik zal het heel erg snel doen, maar ik wil nog even kort terugblikken op wat er is gebeurd met de examens. We zijn inmiddels al drie weken op streek. Het begon allemaal met het uitlekken van het Franse examen. Het eerste tijdvak zat er toen bijna op. Toen hebben wij binnen no-time moeten besluiten dat heel Nederland een dag later het examen zou maken en daarbij gebruik zou maken van het herexamen, dat klaarlag. Vorige week dinsdag, nadat politie en justitie in die zaak waren gedoken en er een aantal aanhoudingen waren gepleegd, moesten wij helaas tijdens het vragenuurtje vertellen dat de zaak groter was dan alleen het examen Frans, namelijk dat het ging om dertien examens. Diezelfde dag werd daar nog een aan toegevoegd. Op diezelfde dag hebben wij op basis van wat wij wisten over de Ibn Ghaldoun en op basis van de cijfers die de inspectie toen had, besloten om de resultaten van de gestolen examens op de Ibn Ghaldoun ongeldig te verklaren. Op diezelfde avond is er een bijeenkomst georganiseerd voor ouders en gedupeerde leerlingen. En er werd besloten om 24 uur respijt te geven voor de uitslag van het vmbo. Dat deden wij om tijd te kopen om zorgvuldig te bezien of er rare uitschieters waren in de rest van Nederland.

Woensdag was er goed en slecht nieuws. Het goede was dat wij geen collectieve uitschieters in Nederland zagen. Er waren geen hele gecorrumpeerde scholen of regio's. Het slechte nieuws was dat de diefstal weer groter bleek te zijn. Het ging weer om meer examens. Wij wisten toen meer over de verspreiding via de Ibn Ghaldoun. Ook kwamen de eerste concrete signalen binnen dat examens niet alleen binnen de Ibn Ghaldoun maar ook op individueel niveau daarbuiten waren verspreid. Dat was het begin van de aankondiging van de inkeerregeling. Inmiddels hebben 26 leerlingen zichzelf vrijwillig aangegeven: 20 op de Ibn Ghaldoun, 6 daarbuiten. Dat betekent dat die leerlingen het examen opnieuw moeten doen.

Sinds gisteren weten wij weer wat meer. Gistermiddag zijn drie leerlingen aangehouden. Politie en justitie doen daar verder onderzoek naar. Ik hoef daar niet al te veel over uit te wijden behalve dat de aangehouden leerlingen worden gehoord. Er wordt ook met het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gekeken naar informatiedragers. Dat kijkt naar hoe examens zijn opgeslagen en verspreid, en waar ze terecht zijn gekomen. Dat geeft ook een beeld van de gestolen examens. Vandaag is bekend geworden dat er in mijn brief van gisteren één vak te weinig en één vak te veel stond. Hoe goed de communicatie tussen politie en justitie ook is, in de communicatie was dit een kleine onnauwkeurigheid. Van het vwo is namelijk het examen management en organisatie ongeldig verklaard, maar vmbo Nederlands is dat niet. Toen wij dat wisten – ik geloof dat dat gisteravond nog is geweest – is dat onmiddellijk meegedeeld aan de Ibn Ghaldoun, die daar natuurlijk actie op moest ondernemen. Dat wil ik hier graag mondeling toelichten.

Ook liep er een rechtszaak tegen drie leerlingen die op basis van het gelijkheidsbeginsel zeiden: wij vinden dat wij het examen toch moeten maken. Wij hadden een goede redenering waarom de situatie op de Ibn Ghaldoun anders is dan in de rest van Nederland en waarom wij daar voor alle leerlingen het examen ongeldig verklaren. Gelukkig was de rechter die de uitspraak deed bij de voorlopige voorziening, dat met ons eens.

Vandaag staat in het teken van de herexamens die zijn begonnen. Voor de leerlingen op de Ibn Ghaldoun betekent dat opnieuw examen doen. Ook dat ging vanochtend met enige commotie gepaard. Al met al waren het een hectische drie weken, vooral voor leerlingen zelf.

Ik heb de vragen ingedeeld in vier blokjes. Ten eerste zoom ik in op de Ibn Ghaldoun. Wat is daar gebeurd? Wat zijn de consequenties? Ten tweede kijk ik naar de situatie in de rest van Nederland. Ten derde kijk ik als gevolg hiervan maar ook wat breder naar het systeem van examinering. Daarbij komt het rapport over de tweede correctie aan de orde dat ik de Kamer heb toegestuurd. Ten vierde waren er wat vragen over overige zaken, die niet minder belangrijk zijn, zoals de rekentoets en het examen Nederlands.

Ik begin bij de Ibn Ghaldoun. Inmiddels weten wij dat daar 27 examens zijn gestolen. Die zijn allemaal ongeldig verklaard. Dat betekent dat de leerlingen op de Ibn Ghaldoun het examen volledig moeten overmaken. Zij hebben geen uitslag gehad in eerste aanleg en gaan nu opnieuw beginnen met hun examen. Daarbij proberen wij goede afspraken te maken, want dat betekent heel wat. Als je heel veel opnieuw moet doen, is het haast onmogelijk om dat allemaal nog voor de zomer te doen. Dus een deel van de leerlingen zal het in augustus moeten doen, een deel in een nog later tijdvak. Daardoor komen de leerlingen die zich willen inschrijven voor een vervolgopleiding in de knel. Wij zijn in gesprek met de VSNU, de HBO-raad en de MBO Raad om te kijken of wij voor de individuele gevallen waar dit betrekking op heeft, een gepaste regeling kunnen treffen, zodat leerlingen die examens netjes overdoen en slagen in ieder geval ingeschreven kunnen worden bij een vervolgopleiding voor volgend jaar.

Als dit straks achter de rug is, is de grote vraag natuurlijk: hoe kon dit gebeuren? In hoeverre is de school of het bestuur van de Ibn Ghaldoun zelf onzorgvuldig of nalatig geweest? Ik kan mij in eerste aanleg heel erg vinden in het betoog van de heer Van Meenen, die zegt dat wij moeten uitkijken en het beestje wel bij de naam moeten noemen: er is ingebroken in deze school, er zijn leerlingen opgepakt die verdacht worden van misdrijven, bij hen ligt in beginsel de schuld. Dat wil ik hier nog een keer onderstrepen. Dat laat onverlet dat je in tweede aanleg wel moet bekijken of de school er alles aan heeft gedaan om dit te voorkomen. Heeft de school zich gehouden aan de regels? Hoe zit het in meer algemene zin op die school met goed bestuur en zaken als financiën, toezicht en noem het allemaal maar op? Wij weten allemaal dat er in het verleden ook het een en ander is gebeurd op deze school. Daar is in het verleden ook ingegrepen. De inspectie heeft ingegrepen bij zwakke opleidingen. De inspectie heeft ingegrepen als geld onrechtmatig was uitgegeven. Dat geld is vervolgens ook teruggevorderd. Er zijn betaalregelingen voor afgesproken. Wij hebben het er niet zomaar bij laten zitten als geld onrechtmatig werd uitgegeven. Het bestuur is twee keer gewisseld. Er zit sinds een jaar of twee een nieuw bestuur met een nieuwe directeur. Wij gaan nu kijken hoe het staat met dat bestuur en of het fouten heeft gemaakt.

De inspecteur, die hier naast mij zit, gaat naast het politie- en justitieonderzoek ook een bestuursonderzoek doen. Dat is een themaonderzoek om te bekijken wat er op die school precies aan de hand is. De combinatie van het politieonderzoek en het onderzoek dat ons meer inzicht moet geven over de bestuurlijke staat van die school, stelt ons straks in staat om daar een oordeel over te vellen. Ik hoop dat de Kamer begrijpt dat ik daar nu niet al te veel op vooruit wil lopen. Daar heb ik twee redenen voor. Ten eerste moet het deze week vooral gaan over leerlingen die herexamen moeten doen. Om dat ordentelijk te laten verlopen moeten er ook op de Ibn Ghaldoun, uiteraard onder ons toezicht – wij zitten er nu wel boven op – examens worden gedraaid met alle organisatie die daarbij komt kijken. Ik wil dat achter de rug hebben in het belang van die leerlingen. Dat vind ik prioriteit numero een. Ten tweede, als wij uitspraken doen over een school – dat kunnen best pittige uitspraken zijn – dan wil ik ze wel goed en gefundeerd doen, en het zeker weten. De lessen van de afgelopen weken voor mij waren dat het soms beter is om wat tijd te nemen, hoe vervelend dat soms ook is – toen moesten leerlingen immers anderhalf uur wachten – maar om wel in één keer met het goede verhaal naar buiten te komen. Dat wil ik ook hier doen. Als hier van alles aan de hand is en de school onzorgvuldig of nalatig is geweest, dan heeft die school natuurlijk een probleem. Er werden oproepen gedaan in de zin van: zou de school niet de eer aan zichzelf moeten houden? Dat vind ik een afweging van de school zelf. Het bestuur en de directeur moeten goed nadenken over hoe zij tegen de toekomst aankijken. Ik vind dat overigens ook een heel belangrijke vraag voor ouders. Dat heb ik nog niet zo veel gehoord in het debat. Ouders sturen hun kinderen naar een school. Ze kennen de school. Zij moeten zich afvragen of die school de kwaliteit biedt die ze hun kinderen graag gunnen en of ze vertrouwen hebben in die school.

Uiteraard heb ik als stelselverantwoordelijke de verantwoordelijkheid om iets te zeggen over de kwaliteit en de vraag of het bestuurlijk handelen goed is gegaan. Als er fouten zijn gemaakt en het binnen mijn mogelijkheden ligt, dan zal ik ook ingrijpen. Welke mogelijkheden zijn er dan? Je kunt ingrijpen bij financieel wanbeheer. De vraag is overigens of dat de aanleiding is geweest voor deze examendiefstal. Je kunt ingrijpen als de kwaliteit een aantal jaren onder de maat is. Er zijn twee zwakke afdelingen op de Ibn Ghaldoun. Daar zit onze inspectie al boven op, maar om daar de ultieme consequentie aan te verbinden moet een school eerst zeer zwak worden. In de Kamer liggen wetsvoorstellen om de mogelijkheden om sneller in te grijpen bij financieel wanbeheer en zeer zwakke scholen te verbeteren. Even los van wat straks uit het onderzoek naar de Ibn Ghaldoun komt, wil ik nu meters maken op het gebied van het verruimen van de aanwijzingsbevoegdheid in de richting van een school – ik heb het nog niet over sluiten – en het sneller kunnen ingrijpen bij zeer zwakke scholen. Ik vind namelijk dat wij sneller moeten kunnen ingrijpen als het echt fout zit, zeg ik tegen iedereen die nu roept dat er wat moet gebeuren. Verder kun je wat doen met de examenlicentie, maar ook dat kun je niet van de ene op de andere dag doen. Ook dan moet er zijn aangetoond dat er echt wat mis is. Wij hebben het onderzoek dat nu loopt dus echt nodig om straks het een en ander te kunnen onderbouwen.

De heer Beertema vroeg: welke waarde moeten wij nog hechten aan het examen dat nu wordt afgenomen? Het examen dat nu wordt afgenomen, wordt afgenomen onder toezicht van de inspectie, zeg ik ook in reactie op vragen van mevrouw Jadnanansing. Als die kinderen slagen, hebben ze een volwaardig diploma. Natuurlijk zal iedereen zich volgend jaar of over tien jaar nog herinneren dat er in 2013 wat was met examens, misschien herinneren mensen zich ook nog de naam «Ibn Ghaldoun», maar ik kan de Kamer verzekeren dat de leerlingen die nu examen doen, dat straight doen. Als ze het halen, hebben ze recht op dat diploma.

Over het reilen en zeilen op de school is een aantal specifieke vragen gesteld, bijvoorbeeld: hoe kan het dat een bepaalde natuurkundeleraar is aangesteld? Hoe kan het dat die kluis werd geopend, dat je in de kluis kon inbreken? Hoe kan het dat leraren niets gezien hebben, ervan uitgaande dat ze niets gezien hebben? Ik kan dat ook nog niet bevestigen. Kortom, er zijn heel veel vragen gesteld die wij moeten beantwoorden om straks heel secuur maar ook klip-en-klaar uitspraken te kunnen doen. Met uw permissie wil ik al die specifieke vragen iets vooruitschuiven tot het moment dat wij daar meer over kunnen zeggen. Dan is de terechte vraag: wanneer is dat? Als het gaat om het politie- en justitieonderzoek, kan ik daar geen uitspraken over doen. Ten eerste gebeuren die niet onder mijn verantwoordelijkheid. Ten tweede begrijp ik dat de Kamer dingen zo snel mogelijk wil weten, maar hier gaan degelijkheid en grondigheid voor snelheid. Ik heb liever een politieonderzoek dat wat langer duurt, waarmee wat onregelmatigheden eruit worden gevist en waarmee met wat grotere stelligheid kan worden aangetoond wat er is gebeurd, dan dat het in de komende een of twee weken wordt afgerond en wij nog met heel veel vragen blijven zitten.

Voor het onderzoek naar het bestuurlijk reilen en zeilen ben ik wel verantwoordelijk of daarbij is de inspecteur in the lead. Dat vindt plaats voor de zomer, maar de wet kent een aantal termijnen voor hoor en wederhoor. Als wij die wettelijke termijnen in acht nemen, slagen wij er niet in om dat rapport voor de zomer naar de Kamer te sturen. Dus dat wordt na de zomer.

Ik begrijp ook heel goed de vraag: als daar rare dingen uit komen, wat gebeurt er dan? Ik wil het volgende meegeven en toezeggen. Ik zit daar natuurlijk boven op. Ik hoef op zich niet te wachten op hoor en wederhoor, maar ik vind dat wel netjes. Als er dingen uit naar voren komen waarvan ik het gevoel heb dat er echt iets niet in de haak is, heb ik ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid om een stevig gesprek te voeren met de directeur en het bestuur, ook voordat er hoor en wederhoor is geweest. De verantwoordelijkheid voor hoe wij dan verdergaan, ligt deels daar. Ik heb daar zelf een verantwoordelijkheid in, maar ik ga niet zitten wachten tot het eindrapport er ligt. Dat is er na de zomer. Als dat ernstige signalen laat zien, wil ik mijn verantwoordelijkheid nemen, gesprekken voeren en stappen zetten. Ik denk dat de inspecteur dat zal beamen vanuit zijn verantwoordelijkheid. Het rapport komt echter na de zomer naar de Kamer. Dan zullen wij er ordentelijk in een debat in bredere zin over praten.

Ik kom op wat specifiekere vragen. De heer Beertema vroeg hoe wij de inkeerregeling taxeren. Hij betwijfelde of die wel aanslaat in bepaalde culturen of iets dergelijks. De heer Beertema wil toch vooral dat iedereen integreert en inburgert in Nederland? Laten wij ons instrumentarium dan ook vooral niet aanpassen aan wat wellicht in andere culturen gebruikelijk is, als dat al zo is. Ik zie namelijk ook dat twintig leerlingen van de Ibn Ghaldoun zich alsnog vrijwillig hebben gemeld, ondanks dat examens al voor een heel groot deel ongeldig waren verklaard.

Ben ik nou tevreden met die 26? Ik geloof dat de voorzitter van het besturenberaad in Rotterdam de uitspraak deed: misschien valt het dan wel mee. Laten wij niet al te optimistisch zijn. Ik heb zeer goede aanwijzingen dat het breder is verspreid dan onder deze 26 leerlingen. Ik heb ook een zeer sterk vermoeden dat er leerlingen zijn die zich niet vrijwillig hebben gemeld en die daarmee op iets kortere of langere termijn hun diploma zullen verliezen. Ik kan daar niet al te veel over zeggen, want dat is nog steeds in onderzoek, maar wij hebben goede contacten met politie en justitie, en worden benaderd door scholen die aangeven: hé, dit zijn rare uitslagen, hoe kan dit? Als dat zo is, maken wij daar melding van. Dat helpt allemaal in het onderzoek, maar op een gegeven moment sluit het net. Ik kan niet garanderen dat wij iedereen eruit zullen halen, maar met de mogelijkheden van politie en justitie zullen wij nog een heel eind komen. Ik betreur het dat die leerlingen niet de kans hebben gegrepen die wij ze hebben geboden, want zij zitten straks met de gebakken peren. Dat betekent dat ze een jaar moeten overdoen of dat ze, als ze met een nieuwe opleiding zijn begonnen en het politieonderzoek bij wijze van spreken in september of oktober uitkomt, uit de schoolbanken worden geplukt. Ze hebben immers geen recht meer om bijvoorbeeld op die universiteit of hogeschool te zitten. Dat is hard, maar dit is wel de consequentie van hun handelen. Zij hebben hun tweede kans gehad maar zijn vervolgens ook verantwoordelijk voor hun eigen daden.

Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Jadnanansing over de communicatie. Daarmee gaan wij naar het volgende blokje. Dus ik kijk naar u, voorzitter, want misschien wilt u eerst de gelegenheid geven voor aanvullende vragen.

De voorzitter: Ik denk dat er wel een aantal vragen zijn naar aanleiding van uw beantwoording.

De heer Beertema (PVV): Als ik twee vragen stel, dan moet ik voor de rest mijn mond houden, begrijp ik? Of mag ik twee vragen per blokje stellen?

De voorzitter: Ja, per blokje.

De heer Beertema (PVV): Dan kom ik precies uit. De staatssecretaris concludeert dat ook buiten Ibn Ghaldoun en buiten de regio gevallen worden gevonden. Hij zegt dat het om individuele gevallen gaat. Hij bedoelt daarmee dat er niet heel collectief gebruik is gemaakt van de gekopieerde examens. Het gaat echter om digitale sporen. Op het moment dat we van high tech, wat veel collega's kennelijk willen, overstappen naar low tech, naar gewoon papier, naar hard copies, raken wij het spoor natuurlijk helemaal bijster. De verspreiding blijft dan heel onduidelijk. Belangrijker nog is de vraag welke wettelijke instrumenten de staatssecretaris heeft als straks de leerlingen keihard blijven ontkennen en zeggen: ik had een goede dag, ik heb het licht gezien tijdens het examen en daarom is het hartstikke goed gegaan. Als dat diploma wordt ingenomen op grond van een cijfermatig onderzoek zonder dat er digitale sporen zijn, dan houdt het op. Dan heeft de staatssecretaris geen middelen om dat diploma te ontnemen. Een leerling stapt dan naar de rechter met hulp van een van de advocaten die zich in de media al hebben aangeboden. Dat kan nog een mooi spektakel worden. Dan staan wij wel in ons hemd.

Staatssecretaris Dekker: Het gaat nadrukkelijk om een combinatie van factoren. Als een directeur zegt «ik heb hier een leerling waarvan ik de resultaten moeilijk kan verklaren», dan is dat op zich onvoldoende om te stellen dat er iets niet in de haak is geweest. Dat wordt vervolgens echter wel ingebracht in het politie- en justitieonderzoek. Zo ontstaat er een steeds beter beeld van wat er precies is gebeurd. Er wordt gekeken naar digitale sporen. Daarbij is te denken aan e-mailverkeer en het kopiëren van bestanden. Er is op digitale dragers heel veel terug te vinden. Daarbovenop wordt er met leerlingen gesproken. Er kan ook sprake zijn van getuigenverklaringen. Ik treed niet al te veel in de details van het onderzoek omdat ik mij te beperkt voel om daarover iets te zeggen en omdat politie en justitie veel beter weten hoe dat allemaal werkt en wat de laatste stand van zaken is. Er zijn heel veel manieren om dit soort dingen op het spoor te komen.

De heer Rog (CDA): Ik ben blij te horen dat de staatssecretaris ondanks het gedegen onderzoek niet tot na de zomer wacht als er sterke signalen zijn van een slechte onderwijskwaliteit of financieel wanbeheer. Dat is een geruststellende toezegging. Die heb ik genoteerd. Ik vraag echter tegelijkertijd hoe het ervoor staat met de financiën. Los van het onderzoek zal helder moeten zijn of deze school überhaupt in staat is om te blijven bestaan. Ook hoor ik graag meer over de leerlingaantallen.

Staatssecretaris Dekker: De school is in financieel opzicht zeer kwetsbaar. De school staat ook al onder financieel toezicht. In het verleden heeft de school een financiële regeling moeten treffen met zowel de gemeente Rotterdam als het departement om onterecht uitgegeven middelen terug te betalen. Wij zitten er natuurlijk bovenop zodat zij zich daaraan houden. Daarmee is dit echter geen financieel sterke school. De school blijft kwetsbaar.

De leerlingaantallen tellen op twee manieren mee. Op een gegeven moment zakt een school door de stichtingsnormen heen. Dan zijn er nog te weinig leerlingen om voort te bestaan. Het is ook een vrij strak wettelijk automatisme dat de bekostiging ophoudt zodra de school onder een bepaald aantal leerlingen komt. Daarnaast heeft een daling van het leerlingaantal een andere financiële repercussie. Iedere leerling neemt geld mee; scholen worden bekostigd op basis van het leerlingaantal. Als dat sterk terugloopt, dan heeft dat consequenties voor een school. Zeker in een school die financieel kwetsbaar is, moet het bestuur zeer kritisch bekijken hoe een en ander zich ontwikkelt.

De heer Rog (CDA): Wil de staatssecretaris hier toezeggen dat als de ontwikkelingen rond de financiën of het leerlingaantal zo negatief zijn dat het voortbestaan van de school in het geding komt, hij een stevig gesprek gaat hebben met het bestuur voor de zomervakantie, evenals in het geval de onderwijskwaliteit of de financiële handel en wandel van de school niet op een juiste manier georganiseerd is?

Staatssecretaris Dekker: Dat kan ik volmondig toezeggen. Dat doen wij bij elke school waar sprake is van precaire financiële situaties. Er zijn meerdere scholen in Nederland die onder verscherpt financieel toezicht staan omdat zij financieel heel kwetsbaar zijn of op het randje staan van omvallen. Wij zitten daar echt bovenop.

De heer Smaling (SP): Ik dank de staatssecretaris voor de toelichting. Hij weegt zijn woorden zorgvuldig. Op twee punten check ik even of ik zijn woorden goed begrepen heb. De staatssecretaris zegt dat het schoolbestuur zelf moet weten of het al dan niet de stekker eruit trekt. Keert de staatssecretaris zich daarmee tegen het standpunt van de PvdA? De staatssecretaris uit dreigende taal maar wil niet in de rol van het OM en de inspectie treden. Dat begrijp ik. Wat is dan het moment in de komende tijd waarop die dreigende taal zich vertaalt naar het drukken op de stopknop? Betekent dit ook dat er een plan B is vanaf nu, voor het geval leerlingen en zeker instromende brugklassers naar andere scholen moeten gaan?

Staatssecretaris Dekker: Het bestuur heeft een grote eigen verantwoordelijkheid. Het bestuur heeft de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het onderwijs op een school goed is. Het heeft een grote eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat een school financieel welvaart en om stevig in te grijpen als dat nodig is. Dat zijn allemaal verantwoordelijkheden die primair bij het bevoegd gezag van een school liggen. Zo is dat in Nederland geregeld. Hoe zit het dan met dat stevige gesprek? De inspectie heeft natuurlijk ook de verantwoordelijkheid om een en ander te doen. Met scholen die langjarig kwalitatief slecht onderwijs bieden – die zijn er ook – en scholen die financieel wanbeheer laten zien, voeren wij uiteraard stevige gesprekken. Die gaan over de vraag hoe zaken worden opgelost of, in de ultieme situatie, over de vraag of het niet beter is om een school te sluiten. Uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid echter bij het bevoegd gezag van een school en daar moet die ook liggen. Hebben wij een plan B in de kast voor het geval het misgaat? Het antwoord daarop is nee. Er wordt steeds weer gekeken naar het specifieke geval: om wat voor school gaat het, hoe lossen we het probleem op, hoe gaan we om met leerlingen die ergens anders ondergebracht moeten worden? We doen dat vaak met gemeenten in de regio. Dat gebeurt ook bij scholen die failliet gaan, bij schoolbesturen die op het punt staan van omvallen. Ik ga ze niet met naam en toenaam noemen want ik vind dit debat daarvoor niet de goede plek. Er zijn op dit moment gemeenten in Nederland waarin intensieve gesprekken worden gehouden met wethouders van onderwijs omdat scholen op omvallen staan. Daaraan moet dan wat worden gedaan, zoals fuseren met een andere school. Als zo'n school moet sluiten, moet ervoor worden gezorgd dat de leerlingen ergens anders worden ondergebracht. Uiteraard zitten we daar bovenop, maar wel vanuit de rollen en verantwoordelijkheden die partijen daarin hebben.

Mevrouw Straus (VVD): De staatssecretaris vertelde zojuist dat ouders de keuze kunnen maken om hun kind naar een andere school te sturen. Ik kan mij goed voorstellen dat in de afgelopen weken niet alleen leerlingen enorm onzeker zijn geweest over dit alles, maar ook ouders erg onzeker zijn geweest over wat dit allemaal betekent voor hun kind. Zijn er aanwijzingen dat ouders hun kinderen van school willen halen? Hoe acteert het schoolbestuur daarop?

Staatssecretaris Dekker: Die concrete aanwijzingen hebben wij op dit moment nog niet. Ik ben van plan om deze week langs te gaan bij de school. Ik heb één keer met de directeur aan de telefoon gezeten, ook om te praten over hoe alles in goede banen wordt geleid deze week. Ik vind het nodig om zelf weer eens met de directeur en het bestuur te praten. Tijdens dat soort gesprekken komen dit soort dingen en dit soort vragen op tafel. Die ouders melden zich niet bij ons in Den Haag. Dit is een zaak die heel erg in Rotterdam speelt. Zowel ouders als schoolbestuur hebben daarin een verantwoordelijkheid. Wij trekken niet onze handen daarvan af. Sterker nog, wij grijpen in als het echt nodig is. Vorige week ging het erom, helderheid te verschaffen. Nu is het van belang om de examens in goede banen te leiden. De volgende fase is vaststellen wat er is gebeurd op het Ibn Ghaldoun en hoe daarmee verder moet worden omgegaan.

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Ik stel graag een procedurele vraag. De inspecteur gaat nu stevig aan de slag of is al aan de slag. Er komt een themaonderzoek naar bestuurlijk handelen. Dat is allemaal prima. Als daar in september ernstige signalen uit voortkomen waaruit blijkt dat het echt mis is op deze school, dan heeft een grote groep jongeren zich al ingeschreven op die school. Wat betekent dat dan voor die jongeren? Wat betekent het voor hen als die school omvalt? Waar gaan ze dan naartoe?

Staatssecretaris Dekker: Ik wil uitkijken met als-danscenario's dus ik ga hier niet te veel op in. Net zo goed als bij een school die halverwege het schooljaar omvalt vanwege financieel wanbeheer moeten op dat moment noodmaatregelen worden getroffen. Dan moet aangeschoven worden aan tafel en moet er worden gekeken naar andere schoolbesturen om na te gaan wie waar is onder te brengen. Het liefst kijk je een beetje vooruit: wat zie je aankomen? Hopelijk worden schoolbesturen niet zodanig verrast dat alles binnen een week geregeld moet worden. Wij kijken ook een beetje vooruit. Waaraan wij verstandig doen en welke stappen wij kunnen zetten, bepalen wij uiteraard in overleg en met respect voor ieders bevoegdheden.

De heer Van Meenen (D66): Ik spreek nogmaals mijn waardering uit voor de staatssecretaris. Hij drukt zich zorgvuldig uit en houdt vast aan de feiten, hoewel dat soms moeilijk is. Ik heb soms het gevoel dat wij moeten oppassen dat wij niet een selffulfilling prophecy maken door allerlei beelden, ook uit het verleden, op te tellen bij wat er niet gebeurt. Ik ga graag in op het aspect van de directeur. Er komt vooral slecht nieuws en daarbij valt één feit op. Daarover is in het verleden ook weleens gesproken. Ik doel op het feit dat besturen en schooldirecteuren nogal eens de neiging hebben om problemen onder de pet te houden en er niet mee naar buiten te treden. Nu hebben we hier een directeur die op de laatste dag van de examens, bij het allerlaatste examen, Frans, blijkbaar een heel klein scheurtje ziet in het folie van de verpakking – zo maak ik op uit zijn woorden bij Knevel en Van den Brink – en vervolgens aangifte doet. Hoe waardeert de staatssecretaris deze actie van de directeur? Ik vind dat daarmee een heel positief signaal wordt afgegeven. Klopt dit verhaal? En hoe waardeert de staatssecretaris dat?

Staatssecretaris Dekker: Naar de informatie die ik nu heb, klopt dit verhaal. Het is heel goed dat als iemand iets bemerkt, hij onmiddellijk naar de politie stapt om aangifte te doen. Dat heeft ertoe geleid dat politie en justitie nu staan waar zij staan. Als dit niet gebeurd was, dan hadden we misschien nog in het duister getast wat betreft de vraag waar dat examen Frans vandaan kwam. Tegelijkertijd heb ik nog veel vragen. Hoe is het bijvoorbeeld mogelijk dat het bij al die andere examens niet is opgemerkt? Ik wil niet op de feiten vooruitlopen, maar dat kan veel redenen hebben. Misschien hebben mensen dat wel opgemerkt maar hebben zij er niets mee gedaan. Misschien hebben zij het niet opgemerkt omdat zij niet opletten. Misschien hebben zij het niet opgemerkt omdat de verpakking van de examens vrij eenvoudig open is te maken en vervolgens weer is dicht te doen. Dat zijn allemaal zaken die tot op de bodem uitgezocht moeten worden. Voordat wij conclusies trekken, moeten wij weten hoe het is gegaan. Ik wil weten hoe het zit, omdat het te makkelijk is om snel met de vinger te wijzen en omdat ik weet hoe sterk dat soort dingen als een boemerang terugkomt als te voorbarig conclusies worden getrokken. Ik wil eerst zeker weten hoe het zit alvorens ik ingrijpende maatregelen neem.

De voorzitter: De staatssecretaris vervolgt zijn betoog. Hiermee is het eerste deel van dit AO afgerond. We gaan verder met het tweede deel.

Staatssecretaris Dekker: De vraag is wat er gebeurt met de rest van Nederland. Er zijn leerlingen die net als de leerlingen op het Ibn Ghaldoun het hele examen overnieuw doen. Dat zijn de leerlingen die gebruikmaken van de inkeerregeling. De heer Beertema vraagt of op dit punt sprake is van rechtsongelijkheid. In mijn ogen is dat niet het geval. Ook voor de leerlingen op het Ibn Ghaldoun geldt dat het eerste examen totaal niet meetelt. Iedereen heeft dus een kans bij het eerste examen en vervolgens een kans bij het herexamen. Men moet gewoon slagen voor het eerste examen of een beperkte onvoldoende hebben zodat met één herexamen nog een voldoende gehaald kan worden.

Mevrouw Jadnanansing vraagt naar de protocollen rond de communicatie. Scholen krijgen van ons altijd een programma van toetsing en afsluiting waarin heel veel dingen zijn opgenomen: examenroosters, herkansingopties, wat te doen bij onrechtmatigheden, wat als een schoolexamen niet kan worden afgelegd omdat iemand plotseling echt ziek is in een van de tijdvakken. Al die regels en handreikingen worden met scholen gecommuniceerd. Het CVE heeft daarnaast altijd een continuïteitsplan, een soort noodplan, klaarliggen voor dit soort gevallen. In het verleden waren die alleen van beperktere aard. Er werd gevraagd: gebeurt er nooit wat, is dit de eerste keer? Nee, dat ook weer niet. De heer Van Meenen vroeg mij om een overzicht te sturen van alle onregelmatigheden op alle scholen in de afgelopen twintig jaar. Ik hoop dat hij die vraag intrekt na mijn mondelinge toelichting. Dat is namelijk echt een enorme klus. In de afgelopen jaren is best het een en ander gebeurd. Individuele leerlingen spieken, hebben stiekem toch een rekenmachine tussen de papieren terwijl dat niet mag of hebben boeken onder hun trui. We kennen de voorbeelden allemaal. Leraren en schooldirecteuren hebben dan goede redenen om in te grijpen, in de zin van iemand een één geven, uitsluiten van het examen of het examen ongeldig verklaren. Verder gaat het ook op scholen weleens verkeerd. Leraren knijpen een oogje toe bij het corrigeren in de eerste ronde. Daarom is die tweede correctie ook zo belangrijk. Soms worden voorschriften overtreden over het al dan niet gebruiken van bepaalde hulpmiddelen bij examens. Als bijvoorbeeld geen rekenmachine mag worden gebruikt, wordt dat soms toch toegelaten. Ook dan moeten maatregelen worden genomen en moeten examens ongeldig worden verklaard. Bij digitale examens is het weleens gebeurd dat daarmee wordt geoefend alvorens het tentamen wordt afgenomen. Onze mensen van de inspectie weten wat zij dan moeten doen. Daartegen wordt ook altijd hard opgetreden, en terecht. In dat soort gevallen zijn de continuïteitsplannen, de extra examens, «fall back»-opties. De omvang die nu aan de orde is, is nieuw. Daarom vind ik het belangrijk om hieruit lessen te trekken: a. hoe kunnen we dit voorkomen en b. wat doen we als het ooit nog eens gebeurt? Want we kunnen het nooit met 100% zekerheid voorkomen.

De heer Van Meenen (D66): De staatssecretaris zegt dat dat een enorme hoeveelheid werk zou zijn. Dat zegt op zich al genoeg. Dat is niet omdat er maar twee gevallen bekend waren. Dit staat niet op zichzelf. Ik gaf in mijn vraagstelling al aan dat ik zelf ook allerlei situaties ken vanuit de tijd bij de Commissie vaststelling examenopgaven. Ik geef er nog maar een paar om te voorkomen dat de staatssecretaris ze allemaal moet uitzoeken: docenten die na afloop hun leerlingen meenemen naar huis om het examen nog eens te maken.

De voorzitter: Wat is uw vraag?

De heer Van Meenen (D66): Mijn vraag is: mag het van de afgelopen vijf jaar zijn?

Staatssecretaris Dekker: Wij houden dat niet systematisch bij. Ik hoopte met mijn beantwoording duidelijk te maken dat er ook in voorgaande jaren onregelmatigheden zijn geweest, vaak op kleinere schaal: op een school, bij een individuele leerling of bij een individuele leraar. Gelukkig zijn we steeds in staat geweest om in te grijpen. Daarom kunnen we ook blijven vertrouwen op de waarde van het diploma. Dat is ook mijn antwoord op de vraag van de heer Beertema. We grijpen in dergelijke gevallen steeds hard in. Dan moet het gewoon overnieuw. Daarmee is het diploma onomstreden. Ik hoor nu dat wij sinds twee jaar de systematiek hanteren van het registreren van onregelmatigheden. Laten wij een deal sluiten: de heer Van Meenen krijgt een overzicht van de afgelopen twee jaar.

De voorzitter: Dat lijkt mij een spijkerharde toezegging.

De heer Beertema (PVV): Ik vind het tegenvallen van een D66-staatssecretaris dat hij de heer Van Meenen niet verder kan faciliteren. De heer Van Meenen wil zo graag horen dat er witte gymnasia zijn, zoals hij zelf gezegd heeft, waar stelselmatig wordt gefraudeerd, net als op het Ibn Ghaldoun: «het kan overal gebeuren». De heer Van Meenen is op Twitter uitgedaagd om die gymnasia te noemen maar hij is daar uiteraard niet op ingegaan. Nu komt deze staatssecretaris met voorbeelden van onregelmatigheden in de zin van hier en daar spieken. Ja, hallo, kan de staatssecretaris D66 geen plezier doen door gewoon die gymnasia te noemen waar stelselmatig gefraudeerd is? Dit is namelijk buitengewoon onbevredigend voor de heer Van Meenen. Wij kunnen hem niet op deze manier naar huis laten gaan.

De heer Van Meenen (D66): Dit is toch een soort uitlokking. Het laatste wat ik wil, is collectief constateren dat het overal gebeurt. Ik heb erop willen wijzen dat de PVV dit voorval koppelt aan het feit dat het om een islamitische school gaat. De PVV wil ook geen enkel onderzoek afwachten, is allang klaar, was op dag één al klaar, met de conclusies. Alsof het nergens anders ooit gebeurt en er nergens anders wordt ingebroken. Alsof er geen misstanden zijn. Dat heb ik aan de kaak willen stellen. Ik ben blij dat de heer Beertema nog eens ervoor pleit om die duidelijkheid te geven. Ik ken al die situaties niet maar ik weet uit mijn ervaring in het voortgezet onderwijs, waarin de heer Beertema helaas nooit heeft gewerkt, dat het zeer regelmatig voorkomt. Wij gaan dat nu zien en dan komen de namen vanzelf wel boven. Het gaat mij echter niet om de namen maar om het beeld dat deze school in die zin niet uniek is. Sterker nog, die is in mijn ogen meer een slachtoffer. Op basis van de feiten is daar immers gewoon een inbraak gepleegd.

De voorzitter: Op uw verzoek is inmiddels een toezegging gedaan. Ik geef de heer Bisschop het woord.

De heer Bisschop (SGP): Ik ben een beetje beducht voor een overzicht van allerlei incidenten die hebben plaatsgehad. Natuurlijk doen zich bij werk in uitvoering incidenten voor. Dat overzicht zou de discussie kunnen vertroebelen.

De voorzitter: Ik stel voor om aan de staatssecretaris over te laten hoe hij de informatie overbrengt naar de Kamer.

De heer Bisschop (SGP): Ja, en daar heb ik een heel waardevolle suggestie voor. Ik zou de toezegging van de staatssecretaris graag zodanig amenderen, met zijn welnemen, dat hij een lijstje opstelt van structurele frauduleuze handelingen. Dan is het te beperken en krijgen wij niet alle incidenten te zien waar één of twee leerlingen bij betrokken zijn.

De voorzitter: De heer Van Meenen schudt het hoofd omdat dit niet de bedoeling is van zijn verzoek. Ik laat de staatssecretaris nu heel kort hierover aan het woord en vervolgens is het aan hemzelf om uitvoering te geven aan het verzoek van de heer Van Meenen.

Staatssecretaris Dekker: Sinds twee jaar houden wij bij welke onregelmatigheden er zijn en hoe er wordt ingegrepen. Voor een deel wordt ingegrepen door schooldirecteuren. Het gaat dan vaak om de kleinere gevallen, om individuele leerlingen. Die moeten aan ons worden gemeld. Dat zijn de zogenaamde «artikel 5-onregelmatigheden». De artikel 43-maatregelen zijn de gevallen waarin de inspectie ingrijpt omdat er iets niet goed gaat op een school. Kennelijk houden wij dat sinds twee jaar bij. Ik kan niet tien jaar terug, maar het is wel vrij eenvoudig om dat voor de afgelopen twee jaar in kaart te brengen. Dan is ook goed het onderscheid te maken tussen de wat structurelere voorvallen, de gevallen waarin de inspectie eraan te pas kwam, en de gevallen waarin de school gewoon heeft gecorrigeerd. Bij die laatste gevallen is te denken aan spieken en dat soort dingen. Dan gaat het om veel grotere aantallen.

Misschien kunnen wij het rondje hiermee afmaken? Laten wij de discussie twee kanten op voeren. We moeten niet nu al conclusies trekken over wat er allemaal fout is gegaan op het Ibn Ghaldoun, maar we moeten ook niet de conclusie trekken dat daar helemaal niets fout is gegaan. Laten wij het onderzoek afwachten. Als dat in de aanloop naar de zomer leidt tot zorgwekkende conclusies, dan zal ik nog voor de officiële publicatie van het inspectierapport een stevig gesprek voeren met het schoolbestuur. De Kamer krijgt sowieso na de zomer het uiteindelijke rapport toegestuurd zodat wij daarover een ordentelijk debat kunnen voeren in deze commissie.

Ik ga graag over naar mijn derde, op een na laatste blokje. Dat gaat over alles wat te maken heeft met het vertrouwen in examens. We gaan kijken naar Ibn Ghaldoun, maar ik vind dat wij ook moeten kijken naar de regels omtrent de verspreiding van examens. Op dat punt zijn door de leden suggesties gedaan die ik graag meeneem. Sterker nog, ik zal opdracht geven om een en ander kritisch te laten toetsen. Ik wil niet alleen aan het CVE vragen waar het als verantwoordelijke instantie verbetermogelijkheden ziet, maar ik wil dat ook extern laten toetsen. Dan wordt ook van buiten gekeken op welke manier het anders en beter kan. Ik ben terughoudend in het trekken van conclusies daarover. Moet het weer terug in enveloppen? Hoe zit het met het sealen? Kan het niet beter digitaal? Moet het niet korter van tevoren? Ik denk niet dat wij nu in staat zijn om daarover heel zinnige en zinvolle dingen te zeggen. Digitale verspreiding heeft als voordeel dat het wat korter van tevoren kan worden gedaan. We hebben echter ook gezien hoe kwetsbaar zo'n digitale versie is omdat die heel snel te verspreiden is. Als er straks rust in de tent is en de examens achter ons liggen, kunnen wij over dit onderwerp debatteren in deze commissie. Daarbij kan dat onderzoek worden betrokken. Dat moet overigens wel ruim voor de nieuwe examenronde gebeuren. Ik vermoed dat daar praktische handreikingen uit komen waar we echt wat mee kunnen doen.

We hebben eerder al eens gesproken over de systematiek van de eerste en tweede corrector. Ook die is belangrijk voor de onomstredenheid van een diploma. Omdat er altijd een collega is van een andere school die de examens ook nakijkt, wordt voorkomen dat een leraar bewust of onbewust te gemakkelijk is in het nakijken. Zonodig ontstaat een gesprek tussen de twee en als zij er niet uitkomen, dan kan de inspectie worden ingeschakeld. Uit het rapport dat is opgestuurd naar de Kamer, blijkt dat de tweede correctie niet consequent plaatsvindt. Ik vind dat een ernstige zaak. Er is een halfjaar gepraat met alle betrokken instanties, ook met het scholenveld zelf, over een oplossing. Partijen zijn daar niet uitgekomen. Ik heb toen gezegd: dan is het eenvoudig, het staat in de wet dus het is verplicht en dan moet het wat mij betreft ook gebeuren. Scholen en leraren zijn ervoor verantwoordelijk. Scholen krijgen er ook voor betaald; vroeger kwam de financiering voor de tweede correctie rechtstreeks van het departement. Op enig moment is dat in de lumpsum verwerkt, wat betekent dat scholen zelf de verantwoordelijkheid dragen om dit te regelen.

Wij volgen overigens wel een aantal aanbevelingen van dat rapport op. Ik noem het idee om de intensieve vakken naar voren te halen. Dat kunnen wij niet doen voor het komend schooljaar, want daarvoor staan de roosters al vast. Vanaf het examenjaar 2015 kunnen we er echter voor zorgen dat de examens die meer tijd kosten voor correctie, zoals maatschappijleer en geschiedenis, aan het begin van de examenperiode zitten. Dan is er meer tijd en ruimte om te corrigeren. Een andere suggestie die is aangedragen, is die van het omdraaien van de eerste en tweede corrector. De heren Rog en Van Meenen vroegen daar ook naar. Dat klinkt heel logisch. Dat is ook besproken met het scholenveld. Wij kregen echter te horen dat dat juist zou leiden tot veel meer werkdruk. Dat voorstel werd dan ook niet met enorm veel enthousiasme ontvangen. Nu laat ik mij daar ook niet onmiddellijk door overtuigen. Ik kan mij voorstellen dat een pilot wordt gehouden om te bepalen of er winst zit in het omdraaien van de eerste en tweede corrector.

De heer Smaling vroeg naar de werkdruk en legde daarbij een relatie met de brief van de AOb. De AOb is een van de partijen die aan tafel zit om te kijken hoe zaken anders kunnen worden ingericht. Die kan daar dus zijn zegje doen. Het is uiteindelijk aan scholen om bij de vaststelling van het takenbeleid te bepalen wie de tweede correcties doen.

De heer Rog vroeg naar de externe corrector. Hij zei dat die vroeger «de gecommitteerde» werd genoemd. Ik kan melden dat die nog steeds zo wordt genoemd. Het was echter eenvoudiger om die functie «tweede lezer» te noemen zodat mensen begrijpen waar het over gaat. In alle wet- en regelgeving wordt het nog steeds «gecommitteerde» genoemd. De tweede lezer is altijd een leraar van een andere school. We spreken vaak over de beroepsgroep en over het feit dat leraren elkaar onderling kunnen corrigeren. Ik hecht eraan om daaraan vast te houden.

De heer Van Meenen (D66): Ik kom graag even terug op de eventuele omkering van de eerste en tweede correctie. Is de staatssecretaris het met mij eens dat het feit dat dit blijkbaar door het veld als een verhoging van de werkdruk wordt gezien, alleen maar een bevestiging is van het onderzoeksfeit dat de tweede correctie op dit moment als licht karweitje wordt beschouwd in verhouding tot de eerste correctie? Is hij het met mij eens dat dit in een optimale situatie niet het geval zou moeten zijn? In principe zou het nakijken van 35 werken voor de eerste correctie evenveel werk moeten zijn als het nakijken van 35 werken voor de tweede correctie.

Staatssecretaris Dekker: Dat lijkt mij ook. Ik zie ook niet onmiddellijk waar dat hem in zit. Er is uitvoerig gesproken met alle partijen om te komen tot een betere en sluitendere systematiek voor die tweede correctie. Daarin is deze optie langsgekomen maar scholen hebben toen aangegeven dat zij dat niet zien zitten. Toen viel ik terug op de oorspronkelijke optie: alle examens moeten volledig door een tweede corrector worden nagekeken. Ik sta open voor alle goede suggesties uit het veld, maar het moet wel grondig gebeuren.

De heer Van Meenen (D66): Als er na dit AO nog een VAO komt, zal ik ook op dit punt om een uitspraak van de Kamer vragen.

De heer Rog (CDA): De staatssecretaris wil zich niet uitlaten over de invulling van die tweede correctie. Ik vind echter dat hij als verantwoordelijke ook de verantwoordelijkheid moet nemen voor de tijd die correctoren tekortkomen. Is hij bereid om daarvoor een aanwijzing te geven aan het onderwijsveld?

Mijn tweede punt betreft de verzegelde envelop. In het protocol geheimhouding bij papieren centrale examens staat achter de eerste bullet dat de verzegelde envelop met de opgaven aan het begin van het examen wordt geopend door de directeur in aanwezigheid van enzovoort, enzovoort. De staatssecretaris kan of wil nu niet verder nadenken over door te voeren veranderingen. Ik zou het echter op prijs stellen als hij een reflectie zou geven op het kennelijk niet naleven van de eigen protocollen.

Staatssecretaris Dekker: Ik ben niet bereid een aanwijzing te geven op het punt van de niet ervaren tijd. Ik hoor leraren wel vaker zeggen dat zij ergens niet de tijd voor ervaren. Ik vind dat je moet doen wat de wet je opdraagt. Er moet gewoon les worden gegeven. Als bepaald is dat er een tweede correctie moet plaatsvinden, dan is het de verantwoordelijkheid van de school om ervoor te zorgen dat dat ook gebeurt. We moeten niet vanuit Den Haag taakuurtjes gaan verzinnen, tenzij deze Kamer de scholen niet vertrouwt. Dan moet zij alles weer naar zichzelf terughalen. Volgens mij heeft het CDA echter de lange traditie om de verantwoordelijkheid van scholen en besturen te laten liggen bij diezelfde scholen en besturen. Ik zou dus zeggen: kom op.

Wat betreft de enveloppen of de gesealde enveloppen – het is haast een kwestie van definitie – het volgende. Het gaat erom dat de verpakkingen waarin de examens worden aangeleverd, die verzegeld zijn, geopend worden in de aanwezigheid van een aantal anderen. Ik weet niet of een papieren envelop veiliger is dan een plastic seal, maar dat is uiteindelijk de vraag waar het om gaat. Dat moeten wij eens een keer laten onderzoeken.

Mevrouw Straus (VVD): Ik ben het helemaal met de staatssecretaris eens dat het nu eenmaal in de wet staat en dat het dus moet worden uitgevoerd. Wat echter als het toch niet gebeurt? Het staat nu natuurlijk ook al in de wet. Toch is deze discussie niet voor niets tot stand gekomen. De staatssecretaris heeft daarover een halfjaar met het veld gepraat. Er zijn aanbevelingen gedaan en ik ben blij dat hij een aantal daarvan overneemt. Maar wat als scholen in gebreke blijven? Wat gaat de staatssecretaris dan doen?

Staatssecretaris Dekker: Dan sturen we daar de inspectie op af. We hebben voor het komend jaar gezegd dat wij dat in verhoogde mate gaan doen. De inspectie is gevraagd om meer toe te zien op de toepassing van de tweede correctie omdat die voor het tweede jaar op rij onvoldoende is toegepast. Het staat de inspectie natuurlijk bij alle geconstateerde onregelmatigheden vrij om de stappen te zetten die mogelijk zijn bij onvoldoende kwaliteit en andere onregelmatigheden die geconstateerd worden op scholen. Dat begint altijd met een waarschuwend gesprek en op een gegeven moment wordt dat steeds verder opgeschakeld.

De heer Bisschop (SGP): Met welke instrumenten kan de inspectie volgens de staatssecretaris op dit punt chirurgisch opereren? Voorkomen moet worden dat de mensen die hun werk goed doen extra druk gaan ervaren. Zij doen hun werk goed en zij krijgen vertrouwen. Juist degenen die tekortschieten, moeten worden aangepakt. De staatssecretaris heeft de vraag hierover al zo'n beetje beantwoord maar misschien kan hij daaraan nog wat toevoegen.

Staatssecretaris Dekker: Het is in die zin chirurgisch dat, als wij scholen aantreffen waar die tweede correctie prima wordt gedaan, zij natuurlijk nergens last mee krijgen. We treden op waar de tweede correctie gebrekkig of niet plaatsvindt. Ook treden we op in het geval het verschil tussen de eerste en tweede correctie te groot is. Dat betekent immers dat onvoldoende consequent wordt nagekeken. De tweede correctie moet dan wel consequent zijn gedaan. Om die reden vind ik het ook zo belangrijk.

De voorzitter: De staatssecretaris gaat door met zijn laatste deel.

Staatssecretaris Dekker: Ik heb in het blokje overig nog twee grote punten en misschien nog wat losse eindjes. Het eerste is het examen Nederlands. Daar was veel om te doen. Overigens ging het niet alleen om het examen Nederlands. Er is ook commentaar geweest op andere examens. Het ging bij Nederlands specifiek over het feit dat onderdelen ontbraken, zoals mondelinge taalvaardigheid, schrijfvaardigheid, briefgrammatica, oriëntatie op studie en beroep, en literatuur. Op zich is dat niet zo verbazingwekkend. Bij ieder examen wordt bepaald wat wordt afgenomen in het centraal examen en welke onderdelen in de schoolexamens worden getoetst. Het centraal examen bevat het onderdeel leesvaardigheid en argumentatieve vaardigheden terwijl de andere vaardigheden en kennis meer getoetst worden bij de schoolexamens. Dat laat onverlet dat ik al het commentaar op examens serieus neem. Dat is belegd bij het College voor examens, dat alle examens maakt en dat bij het maken van die examens en het maken van de vragen steeds uitgebreid contact heeft met het veld. Daarover wordt overlegd met leraren en hoogleraren. De vraag van mevrouw Straus was of daarbij ook de docenten van het volgende schoolniveau worden betrokken. Het antwoord daarop is ja. Havo-leraren worden betrokken bij de examenvragen voor het vmbo. Vwo-leraren zijn betrokken bij de examenvragen voor de havo. Universitaire docenten en hoogleraren zijn betrokken bij de examenvragen voor het vwo. Zo wordt het afnemend veld betrokken bij de totstandkoming van de vragen. Het CVE heeft inmiddels toegezegd in gesprek te gaan met de desbetreffende hoogleraren om te kijken wat verbeterd kan worden. Hoe beter de examens worden, hoe blijer deze staatssecretaris en de Kamer worden.

Ik kom te spreken over de rekentoets. Ook daarover zijn vragen gesteld. Ik kom binnenkort met de uitslagen van de tweede ronde van de rekentoets. Ik denk dat dat net voor of net na de zomer gebeurt. Dat hangt een beetje af van hoe druk het gaat worden met de examens in de komende tijd. Ik denk dat het goed is om in deze commissie dan nog een keer te praten over taal en rekenen. De rekentoets is niet nieuw. Die hebben wij ooit met zijn allen ingesteld omdat we constateerden dat het niveau onvoldoende was en omdat van vervolgopleidingen steeds het signaal kwam dat leerlingen onvoldoende gereed waren. Mbo's zeiden bijvoorbeeld dat vmbo'ers onvoldoende konden lezen, schrijven en rekenen. Om die reden hebben wij gezegd dat wij een verplichte reken- en taaltoets willen terugbrengen in alle opleidingen. Daarvoor zijn referentieniveaus afgesproken, ook voor het vmbo. Mevrouw Jadnanansing zei al dat het vmbo heel breed is, van bbl tot gl/tl. Daar zit nogal wat tussen dus daarop moet maatwerk worden geleverd. Ik heb dat ook in mijn brief van december geschreven. Dat betekent niet dat we de 2f-norm loslaten. Er kan wel gekeken worden of het mogelijk is om te variëren. Soms gaat het alleen om een ander soort vraagstelling. Hiermee beantwoord ik de vraag van mevrouw Straus naar een vraagstelling die meer aansluit op de leefwereld van jongeren.

De rekentoets moet zorgvuldig worden ingevoerd. Tegelijkertijd moet daarmee wel een keer begonnen worden. Het lijkt mij redelijk en goed verdedigbaar om dat in stappen te doen. Het verplichten van de rekentoets zou volgend jaar beginnen, in de zin dat het resultaat ervan meetelt voor het al dan niet slagen, maar wordt toch nog iets uitgesteld. Ik vind het wel belangrijk om op de rapporten te laten zien wat leerlingen hebben gehaald voor hun taal- en rekentoets. Als een toets niet meetelt, maken leerlingen die net iets minder serieus dan als die wel meetelt. Door het resultaat van de toets kenbaar te maken op het rapport worden leerlingen gestimuleerd om hun best ervoor te doen. Verder vind ik het belangrijk dat vervolgopleidingen op enig moment weten hoe het zit met het taal- en rekenniveau van de leerlingen die zij binnenkrijgen. Als wij dat nu niet inzichtelijk gaan maken voor het mbo of voor het hbo, dan kan er nog twee jaar langer worden gezegd: we krijgen leerlingen binnen die niet alleen onvoldoende toegerust zijn, maar van wie we ook niet eens weten waar ze staan. Wij moeten een eerste stap zetten door het zichtbaar te maken op de diploma's. Vervolgens kan over twee jaar gezegd worden dat het meetelt in de zak- en slaagregeling. Uiteindelijk moet het over de hele linie goed zijn. Mevrouw Straus heeft daar helemaal gelijk in. De referentieniveaus worden straks ook getoetst in het basisonderwijs. Om die reden is die centrale eindtoets ook zo belangrijk. In de centrale eindtoets zal een terugkerend element zijn dat de referentieniveaus goed gefundeerd moeten zijn.

De heer Bisschop (SGP): Ik dank de staatssecretaris voor de correcte beantwoording. Ik kom graag nog even terug op de vormgeving hiervan. Rekenen moet ook echt rekenen toetsen. Een veelgehoorde klacht is dat rekenopgaven te talig zijn. Sommige typen leerlingen worden daardoor op achterstand gezet. Misschien kan dat punt worden meegenomen in de ontwikkeling van de toetsen.

Staatssecretaris Dekker: Dat kan ik toezeggen. De opmerkingen van de hoogleraren Nederlands zijn onlangs in het nieuws geweest, maar ook op het gebied van wiskunde zijn er verschillende scholen. Sommigen zeggen dat er gewoon harde sommen moeten worden gemaakt, het liefst uit het hoofd. Anderen zeggen: het is veel belangrijker om te laten rekenen in de context zodat het kan worden toegepast. Ik heb weleens een blik geworpen op de rekentoets. Daar zit een onderdeel taal bij, maar men hoeft geen afgestudeerd neerlandicus te zijn om te begrijpen waar het om gaat. Het gaat ook om sommen als: er zijn vorig jaar 52.000 auto's verkocht, dit jaar is de verkoop met 12% gestegen, hoeveel meer auto's zijn er verkocht?

De heer Bisschop (SGP): In deze tijd zal die som eerder zijn: de verkoop is met 12% gedaald.

Staatssecretaris Dekker: Misschien. Daarmee wordt wel aangesloten op de belevingswereld van jongeren waarop mevrouw Straus zo hamert. Het gaat in elk geval om dat soort talige rekensommen. Het kunnen maken van dit soort elementaire rekensommen, met een beetje gebruik van taal, mag van heel veel leerlingen verwacht worden. Ik neem het vraagstuk mee terug. Het is echt iets wat nog in ontwikkeling is. De vraag is relevant. Ik noemde dit voorbeeld om het idee weg te nemen dat het allemaal heel talig is en er een heel verhaal moet worden geanalyseerd alvorens een rekensom ontwaard kan worden. Dat beeld wilde ik enigszins bijstellen.

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Als er iets is waarmee ik worstel, dan is het wel die 2f-toets. Ik ben het met de staatssecretaris eens dat jongeren taal- en rekenvaardig moeten worden gemaakt. Dat is belangrijk, ook voor later. Heel veel jongeren kunnen dat echter niet zo makkelijk. De staatssecretaris zegt dat hij bereid is om te kijken naar de differentiatiemogelijkheden. Hij zegt dat hij iets ziet in variatie. Ik hoor echter graag iets meer duiding daarvan van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Dekker: Ik kom daarop schriftelijk terug in de rapportage die ik binnenkort toestuur. Wat ik vertelde, stond al in de brief die ik in december stuurde. Het is altijd goed om te kijken hoe een toets kan worden ingericht zodat van alle leerlingen op alle niveaus bekend is of zij voldoen aan dat 2f-niveau, dat we met zijn allen hebben afgesproken. We moeten wel oppassen dat we niet in de val stappen van de Amanda-casus, de mevrouw die heel goed bloemen kan schikken maar heel slecht is in Nederlands. We moeten niet zeggen als leerlingen zakken voor het niveau Nederlands: dan passen we de eisen van het diploma maar aan. We hebben net gesproken over de waarde van het diploma. We vragen ook aan leerlingen in het vmbo, zelfs op de laagste trede, ook in de bbl, om aan een bepaald niveau te voldoen. Anders wordt zo'n diploma waardeloos.

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Ik ben het met u eens dat jongeren een bepaalde taalvaardigheid moeten hebben. Ik worstel hier echter mee, omdat er ook veel onderzoeken zijn waaruit blijkt dat een aantal jongeren dit nooit zal kunnen. Moeten wij dan zeggen dat zij geen diploma kunnen krijgen terwijl zij wel een vak kunnen uitoefenen? Hoe gaan wij om met die worsteling? Het zou heel erg zijn als we jongeren die wel een talent hebben om prachtig bloemen te binden en die goed te verkopen, een diploma ontzeggen omdat zij de Nederlandse taal minder goed of slecht beheersen.

Staatssecretaris Dekker: Daarbij spelen altijd dingen een rol. De vraag is of een leerling de taal slecht beheerst of niet in staat is om die te leren. Als leerlingen in staat zijn om de taal te leren, dan moeten wij hen daarbij helpen zodat zij hun diploma kunnen halen. Er zijn ook leerlingen die nooit in staat zijn om dat te leren. In het praktijkonderwijs zitten bijvoorbeeld kinderen die überhaupt moeilijk leren maar fantastische vakmensen worden. Ook daar hebben wij een route voor in het Nederlandse onderwijs. Ik zeg toe dat ik zal bekijken hoe de toets binnen het vmbo zodanig vormkrijgt dat die echt wat voorstelt maar ook datgene meet wat wij willen zien: het taalniveau van leerlingen op het niveau dat zij aan moeten kunnen. In de rapportage die ik rond de zomer toestuur, sta ik iets langer stil bij de wijze waarop dat gebeurt.

De heer Van Meenen (D66): Ik stel graag nog even een vraag over de rekentoets, over de taligheid daarvan maar vooral over de vermelding van het resultaat op het diploma. De staatssecretaris spreekt over een vermelding op het rapport, maar het gaat echt om een vermelding op de cijferlijst bij het diploma. We zijn het de hele avond erg met elkaar eens geweest, de staatssecretaris en ik, en dat is zelfs de heer Beertema opgevallen, maar nu gaan onze wegen scheiden. Is de staatssecretaris het met mij eens dat zolang wij niet helder hebben hoe die toets moet zijn, hoe de taligheid daarvan is en hoe zich dat verhoudt tot het oefenen van leerlingen, we een kenmerk meegeven aan die leerlingen voor het leven? Het cijfer voor de rekentoets staat hun hele leven op de cijferlijst. Moeten wij niet gewoon wachten tot die rekentoets – en overigens ook het rekenonderwijs – echt voldoet aan alle criteria en eisen die wij hebben gesteld voordat wij die drastische stap zetten?

Staatssecretaris Dekker: Ik kan hierop zeker geen toezegging doen, al was het maar om de heer Beertema te bewijzen dat ik toch echt een volbloed VVD'er ben. Ik ga niet mee in de lijn van de heer Van Meenen. Wij geven scholen al iets meer tijd, ook om in te werken. Het feit dat de toets nog in ontwikkeling is, betekent niet dat die niet valide is. Daarmee wordt gemeten wat gemeten moet worden. We hebben ook gezegd dat het onderwijs in staat moet zijn om leerlingen tot dat niveau te brengen. Daarmee is de toets niet volledig gestold. Dat is ook niet raar. We spraken net over het eindexamen Nederlands. Ook dat is nog steeds in ontwikkeling en ook dat proberen we steeds weer bij te stellen. De rekentoets, zowel op 2f- als 3f-niveau, is valide. Het onderwijs weet ook al drie jaar dat leerlingen op enig moment die toets moeten halen. Het taal- en rekenonderwijs moet daarom worden opgeschroefd. Daarvoor is de tijd en de kans gegeven. Ook leerlingen weten daarmee waar zij aan toe zijn. Als wij hieraan toegeven, komen wij in een soort catch 22. Omdat wij de toets nooit serieus beginnen, wordt deze dan nooit serieus ingevoerd. Ik zou dat echt onwenselijk vinden.

De heer Van Meenen (D66): De scholen krijgen meer tijd en de toets is volgens de staatssecretaris valide. Die valide toets leidt ertoe dat zo ongeveer geen enkele leerling deze haalt. Om die reden heeft de staatssecretaris besloten tot uitstel. Nu krijgen de scholen meer tijd, maar de leerlingen krijgen die blijkbaar niet. Met de vermelding op de cijferlijst wordt een heel belangrijk maatschappelijk signaal afgegeven. Dat gaat veel verder dan alleen een signaal voor de vervolgopleiding. Dat signaal kleeft voor de rest van zijn leven aan die leerling. Ik zie niet in waarom scholen wel maar leerlingen niet meer tijd krijgen.

Staatssecretaris Dekker: Ik ben haast benieuwd naar de analyse van de heer Van Meenen van de resultaten. Ik maak mij er namelijk zorgen over als leerlingen niet in staat zijn om de rekensommen te maken van het kaliber dat ik net schetste; ik gaf een voorbeeld van een vraag op niveau 3f. Als leerlingen die niet kunnen oplossen, dan vraag ik mij af wat er aan de hand is met het onderwijs in Nederland.

De heer Van Meenen (D66): Ik zou mijn visie graag uitvoerig delen met de staatssecretaris. Mijn visie is dat wij veel te laat beginnen met het wegwerken van achterstanden. Het is eigenlijk al te gek voor woorden dat we op de middelbare school, in het mbo en zelfs in het hbo nog taalachterstanden aan het wegwerken zijn. Dat moet na de basisschool klaar zijn. Daarin moeten we investeren. Dan hebben we al deze problemen niet. Dat is mijn korte analyse. Ik trek de conclusie dat de leerlingen van nu in elk geval het slachtoffer zijn en dat wil ik niet. Daarop kom ik op een ander moment terug. Ik heb net de mogelijkheid van een VAO nog opengehouden. Die houd ik nu niet meer open: dat gaat er komen.

De voorzitter: Ik kijk naar de andere Kamerleden. Wij zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van de staatssecretaris.

De heer Van Meenen (D66): Voorzitter, ik had twee vragen. Ik wil het nog even hebben over het examen Nederlands. De staatssecretaris heeft uitgebreid gewezen op het verschil tussen het centraal examen en het schoolexamen. Van tevoren wordt gezegd: wij toetsen die stof en die vaardigheden op dat en dat moment. Vervolgens rekent de inspectie, op aangeven van ons allemaal, de scholen af op het verschil tussen het centraal examen en het schoolexamen. In mijn ogen zit daarin een inconsequentie. Een leerling kan heel vaardig zijn in het ene en niet zo vaardig zijn in het andere. Ik houd graag de staatssecretaris zijn eigen voorbeeld voor en vraag hem of dat soort dingen geen aanleiding zijn om nog eens goed te heroverwegen of scholen op dat verschil tussen het gemiddelde cijfer voor het centraal examen en het schoolexamen moeten worden afgerekend.

Staatssecretaris Dekker: Ik kom graag nog even terug op het vorige punt. De heer Van Meenen kondigt een VAO aan. Ik geef hem het volgende in overweging. We komen op zeer korte termijn nog te spreken over dit thema, in een uitvoeriger AO. Als hij na dat AO nog steeds niet overtuigd is, dan kan hij alsnog een VAO aanvragen. Wij hebben dan echter iets meer tijd om de discussie te voeren en bij de argumenten stil te staan.

De heer Van Meenen stelt een vraag over het centraal examen versus de schoolexamens. Daar wordt weliswaar naar gekeken maar nooit naar de verschillen binnen één vak. Het gaat dan om de verschillen over de gehele linie. Ik krijg dat net te horen van de inspecteur die daarover gaat. Ik hoor nu dat een en ander zelfs wordt uitgemiddeld over een periode van drie jaar. Dat geeft dus een indicatie. Als over drie jaar uitgemiddeld en verspreid over alle vakken structureel verschil is te zien tussen schoolexamens en centrale examens, dan is de vraag aan de orde of de school hogere cijfers uitdeelt bij de schoolexamens dan de centrale examens rechtvaardigen. De volgende vraag is dan: wat zegt dit over de kwaliteit van het onderwijs?

De heer Van Meenen (D66): Op zich ben ik dat met de staatssecretaris eens. Het kan een signaal zijn dat een school de schoolexamens te gemakkelijk maakt. Om die reden kijken wij hiernaar. Die conclusie wordt echter helemaal niet meer getrokken. Het simpele feit dat het verschil groot is, is al fout. Is de staatssecretaris bereid om als zo'n verschil geconstateerd wordt, eerst het gesprek met de school aan te gaan over waarom dat zo is en om algemene lijnen te concluderen over de verschillen, zonder volstrekt digitaal te constateren dat er een verschil is dat «fout» is? Is de staatssecretaris bereid om nog eens serieus hiernaar te kijken? Dit is namelijk een cruciaal element in de beoordeling van de scholen.

Staatssecretaris Dekker: Ik ben altijd bereid om ergens naar te kijken als mij daarnaar gevraagd wordt. Ik zie echter geen aanleiding om op voorhand toezeggingen te doen. Ik moet mij daarin dan eerst beter verdiepen.

De voorzitter: Hiermee komen wij aan het einde van de eerste termijn van de regering. Ik kijk naar de Kamerleden en constateer dat er behoefte is aan een tweede termijn. In tweede termijn zijn de spreektijden beperkt tot twee minuten.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris hartelijk voor de beantwoording en voor de manier waarop hij, de ambtenaren en de inspectie de crisis gemanaged hebben. Zij zijn echter nog niet klaar. Het politieonderzoek is nog volop bezig. Dat moet leiden tot conclusies. De staatssecretaris zegt dat hij liever in één keer met een goed verhaal naar de Kamer komt. Ik begrijp dat heel goed. Ik zit ook te popelen om een VAO, maar ik stel toch voor om dat door te schuiven in de tijd tot het moment dat een en ander is afgerond en er gedegen conclusies kunnen worden getrokken. Ik zit nog een beetje met de termijn. Dat zullen wij over het reces moeten tillen. Ik stel voor om dat zo snel mogelijk na het reces te doen, misschien wel in de eerste week erna. Dan zijn de conclusies wel getrokken. Ik leg dit even voor aan de staatssecretaris.

Er waren vandaag verrassende wendingen in het debat. Zo passeert het CDA de SP in de stevige aanpak. De VVD zegt te streven naar aanpassing van het systeem, net als D66. Ook de PvdA gaat de richting op van «te leren lessen». Ik geef al die collega's mee dat als je gaat digitaliseren, de problemen echt niet van de lucht zijn. Kijk naar wat er gebeurt met meelezen, hacken enzovoort. Ik houd mijn hart vast voor wat er dan gaat gebeuren. Blijf alsjeblieft bij dat papieren systeem.

Er liggen wetsvoorstellen klaar om de mogelijkheid te creëren om in te grijpen bij financieel wanbeheer en structurele kwaliteitsproblemen, net als in het hbo. Geldt dat ook voor het bijzonder onderwijs of staat artikel 23 daarvoor in de weg? Is het mogelijk om die examenlicentie in te trekken op grond van de dingen die nu gebeurd zijn?

De heer Bisschop (SGP): Voorzitter. Ik heb mijn punten bij tussentijdse vragen verhelderd gekregen. Ik dank de staatsecretaris voor de beantwoording en zie af van een tweede ronde.

De heer Smaling (SP): Voorzitter. Ik houd het kort. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Op het punt van de diefstal van examens is helder wat de positie is van de staatssecretaris. Toch krijgen nog een heleboel zaken in de toekomst hun beslag. Concreet heeft de staatssecretaris nee gezegd tegen de mogelijkheid van een plan B om, desnoods achter bepaalde schermen, in geval de Ibn Ghaldoun moet sluiten, aan de leerlingen een alternatief te bieden. Het verbaast mij dat de staatssecretaris daar nee tegen heeft gezegd want het is naar mijn mening in het belang van leerlingen dat er zo'n plan B is.

Mijn fractie deelt natuurlijk de zorg over de ontstane situatie. Ik wil vermijden dat we anders kijken naar deze zaak omdat het een ismalimitische school betreft in plaats van een gewone school. Ik spreek vaak jongeren van Marokkaanse en Turkse afkomst die volop willen meedraaien in onze maatschappij. Zij balen er ook van dat zij permanent van alle kanten gebasht worden. Marokko en Turkije zijn landen die groeien, hoewel er nu in Turkije een beetje gevochten wordt. De meest ontwikkelde mensen van Marokkaanse en Turkse afkomst staan op het punt van vertrekken. Zij gaan terug naar hun land van herkomst. Dat is toch ook weer niet de bedoeling.

Ik heb het idee dat de staatssecretaris een beetje moe is geworden van alle commotie in de afgelopen tijd. Ik kan mij dat goed voorstellen. Het punt van de correcties is echter heel groot; zowel de facilitering is een probleem als het terugbrengen van de verschillen tussen de eerste en tweede correctie. Het is niet «een dingetje». Uit de beantwoording maak ik op dat scholen zelf maar moeten zien hoe ze dat oplossen. Uit onderzoek blijkt luid en duidelijk dat sprake is van een groot probleem. Ik verzoek de staatssecretaris om dat op landelijk niveau aan te pakken. Als hij dat toezegt, zie ik af van een VAO.

De heer Rog (CDA): Voorzitter. Namens de CDA-fractie dank ik de staatssecretaris voor de beantwoording. Het is altijd een beetje teleurstellend om op veel vragen geen antwoord te krijgen omdat onderzoeken nog lopen. Ik heb begrepen dat de staatssecretaris glashelder heeft toegezegd dat hij bovenop deze onderzoeken zit en voor de vakantie, als de signalen daartoe aanleiding geven, zijn afweging maakt en ingrijpt. Op een aantal punten staat de Ibn Ghaldoun er zeer zwak voor; financieel, qua leerlingaantal. De onderwijskwaliteit is nu onderwerp van discussie. Het is voor de CDA-fractie van groot belang dat de leerlingen van deze school en andere leerlingen in Rotterdam weten dat het nog verantwoord is om na de zomer de deuren weer te openen. Ik hoor dat graag bevestigd door de staatssecretaris.

Ik maak verder graag nog een opmerking over de tweede correctie. De CDA-fractie vindt dat er voldoende tijd en ruimte moet zijn voor de tweede correctoren. Ik kreeg een beetje het gevoel dat ik een jij-bak voor de kiezen kreeg van de staatssecretaris in de zin dat mijn partij voorstander is van het ontregelen in het onderwijs. Dat klopt ook. De staatssecretaris heeft echter de verantwoordelijkheid om het onderwijs erop te wijzen dat er voldoende tijd moet zijn voor docenten om die tweede correctie uit te voeren op dezelfde wijze als de eerste correctie wordt gedaan. Dat was de strekking van mijn vraag. Ik zou het op prijs stellen als de staatssecretaris mij duidelijk maakte dat hij van die urgentie doordrongen is. Mijn fractie komt anders op dit punt met een motie.

Mevrouw Straus (VVD): Voorzitter. Ook ik dank de staatssecretaris voor zijn uitgebreide eerste termijn. Hij laat daarmee duidelijk zien dat hij heel serieus werk maakt van de hele situatie. Ik vind het ook heel goed dat hij zegt dat hoewel het rapport pas na de zomer officieel beschikbaar is, hij actie onderneemt als dat nodig is. Ik vind dat heel goed. Daaruit blijkt hoezeer de staatssecretaris hierbij betrokken is.

Ik heb een aantal toezeggingen gehoord waarbij ik graag nog een opmerking plaats. Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging dat examens niet alleen door het College voor examens maar ook door externen worden getoetst. Tegen de heer Beertema zeg ik dat het voor ons niet per se digitaal hoeft te gebeuren. Wij willen echter wel dat het wordt bekeken in het hier en nu, met de technieken die er nu voorhanden zijn. Elk jong mens heeft tegenwoordig een smartphone. Soms hebben kinderen die zelfs al in het basisonderwijs. Dat levert heel nieuwe fraudegevallen op die er mogelijk voorheen helemaal niet waren. Dat was mijn opmerking: plaats het in de tegenwoordige tijd, zowel met de plussen als met de minnen.

Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging om bij de tweede correctie de tijdsintensieve vakken naar voren te halen. Daarmee wordt aan tweede correctoren meer tijd gegeven om te corrigeren. Ik dank hem ook voor het feit dat hij het College voor examens vraagt om met die hoogleraren in gesprek te gaan. Uit de berichten die wij hierover kregen, kwam naar voren dat men zich niet aangesloten voelde bij de examens. Dat gold niet alleen voor de hoogleraren maar ook voor een aantal vakverenigingen. Ik hoop dat de staatssecretaris ons van de resultaten van dat overleg op de hoogte zal stellen.

Ik ben blij met de toezegging dat de staatssecretaris gaat kijken in hoeverre maatwerk mogelijk is voor de vmbo-toets voor taal en rekenen. Dat zal met name in die doelgroep een enorm hulpmiddel zijn om het niveau te halen. Daarmee komen we die doelgroep enigszins tegemoet.

Mevrouw Jadnanansing (PvdA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. Hij neemt ons ontzettend goed mee in het proces en geeft duidelijk inzicht in hoe hard er wordt gewerkt om een en ander tot een goed einde te brengen, als je van een goed einde kunt spreken.

Ik dank hem ook voor de toezegging in relatie tot de Amanda-casus.

Ik maak echter ook een iets minder prettige opmerking, over de hele Ibn Ghaldoun-kwestie. De staatssecretaris geeft heel duidelijk aan waar de verantwoordelijkheden liggen, namelijk bij het bestuur. Juist daarom moet nogmaals een appel worden gedaan op het morele kompas van dat bestuur. In het belang van de jongeren moet worden nagegaan of er juist wordt gehandeld, of de jongeren onderwijs van hoge kwaliteit krijgen en of ze op een behoorlijke wijze worden opgeleid voor het vervolgonderwijs. Deze jongeren verdienen het beste onderwijs.

De heer Van Meenen (D66): Voorzitter. Bij die laatste woorden kan ik mij alleen maar aansluiten. Dat geldt evenwel hopelijk voor alle leerlingen in dit land. De staatssecretaris heeft aangegeven dat hij alle scholen aanspreekt op kwaliteit. Ik deel daarom niet de conclusie van de PvdA-fractie.

Ik ben blij met de bewijzenbenadering van de staatssecretaris. Hij wil voordat hij conclusies gaat trekken het onderzoek ten volle afwachten. Zelfs de heer Beertema is het daarmee eens. Die wil ook pas conclusies trekken als het onderzoek is afgerond. Dat staat enigszins op gespannen voet met wat hij in de afgelopen week voor elke microfoon heeft geroepen, vanaf dag een, namelijk dat de school dicht moet. Ik ben blij dat de staatssecretaris ook hem ervan heeft kunnen overtuigen dat het beter is om eerst de feiten te kennen.

De heer Beertema (PVV): Ik ben blij dat D66 mij nog even uitlokt. Voor alle duidelijkheid: die school gaat dicht. Die geruststelling kan ik de heer Van Meenen meegeven. Hierin sta ik niet alleen. Het CDA in Rotterdam wil dat, evenals de VVD en de PvdA in Rotterdam. Eigenlijk is de heer Van Meenen de laatste der Mohikanen die deze school wil openhouden. Ik feliciteer hem van harte met die positie.

De heer Van Meenen (D66): Ik beschouw het als een geuzentitel. Het is inderdaad een wat uitstervend idee om naar de feiten te kijken. Daar zijn wij in dit land niet meer zo van. Dat is nu eenmaal een raar dingetje van mij. Ik heb iets met feiten. Maar goed, de staatssecretaris heeft dat gelukkig ook, dus ik wacht een en ander rustig af. Overigens sluit ik niet uit dat blijkt dat de school ernstig in gebreke is gebleven en de schoolkwaliteit achterblijft. Dan moet er streng worden opgetreden. Dat geldt echter niet direct in het geval er in een school wordt ingebroken.

Ik ben blij met de toezegging van de staatssecretaris omtrent het in beeld brengen van de incidenten van de afgelopen twee jaar. Dat mag wat mij betreft anoniem; dat hoeft niet per se op schoolniveau of herkenbaar.

Ik ben ook blij dat hij bereid is om te kijken naar de inhoudelijke componenten van het verschil tussen het centraal examen en het schoolexamen, naar de vraag in hoeverre die een rol zouden moeten spelen. Wij komen daar ongetwijfeld nog op terug. Ik heb gesproken over de rekentoets en de taligheid daarvan, met name het punt van de uitslag vermelden op het diploma. De staatssecretaris heeft mij gevraagd om dat later nog te bespreken. Ik zie niet meteen een aangewezen moment om dat te doen, maar ik heb er het volste vertrouwen in dat wij voordat het werkelijk gebeurt daarop komen.

Er blijft nog een punt over, namelijk dat van de omkering van de eerste en tweede correctie. Alles wat ik daarover lees, ook in de onderzoeken, bevestigt mijn gedachte dat het op dit moment echt niet goed gaat. Dat is een veel belangrijker en structureler probleem dat de geloofwaardigheid van het examen ondermijnt. Ik meen dat er echt iets moet gebeuren. Een heel simpele oplossing is de omkering van de eerste en tweede correctie. Ik hoor daarover graag een uitspraak van de Kamer. Volgens mij wordt er al een VAO aangevraagd. Als dat niet het geval is, dan vraag ik het graag aan.

De voorzitter: Dat hangt af van de beantwoording van de staatssecretaris. Ik geef hem het woord.

Staatssecretaris Dekker: Voorzitter. Ik zal proberen om kort in te gaan op de vragen in tweede termijn. Een aantal daarvan kan ik met een simpel ja beantwoorden. Allereerst de vraag van de heer Beertema: wanneer komt het rapport van de inspectie? Dat komt zo snel mogelijk na het reces. De Kamer gaat over haar eigen agenda, maar wat mij betreft kunnen wij daar dan zo snel mogelijk over spreken.

De heer Beertema (PVV): Zo laat mogelijk voor het reces is uitgesloten?

Staatssecretaris Dekker: Dat gaan wij echt niet halen. Dat heeft ook met wettelijke termijnen te maken. Ik geloof dat het zomerreces afloopt op 16 augustus, uit mijn hoofd gezegd. Wij zorgen in elk geval dat het rapport zo snel mogelijk na het reces, dus een tot twee weken na het reces, bij de Kamer ligt.

De aanwijzingsbevoegdheid bij zeer ernstige gebreken in de kwaliteit of bij financieel wanbeheer geldt ook voor het bijzonder onderwijs. Die geldt voor alle scholen. Naar mijn mening moet dat ook. Overigens is Kamerbreed een motie aangenomen waarin staat dat artikel 23 uiteindelijk altijd ondergeschikt is aan de kwaliteit. Ik vind het ook heel goed om dat signaal af te geven.

Over het intrekken van de examenlicenties zeg ik het volgende. «Examenlicentie» is in onze regelgeving geen formeel begrip. Het gaat formeel om de gelegenheid die scholen op basis van artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs hebben om leerlingen een eindexamen af te nemen. Die gelegenheid kan tijdelijk worden ontnomen op basis van de redenen die daarvoor in de wet staan. Dat kan als er een groot verschil is tussen het cijfer voor het schoolexamen en het centraal examen, gemiddeld over een langere periode. Daarover hebben wij net de discussie gevoerd. Op de vraag of er op dit moment een regel in de wet is die aanleiding is om die gelegenheid te ontnemen, is mijn antwoord: die zie ik op dit moment niet onmiddellijk. Ik moet daarover eerlijk zijn. Ik vind het wel een punt om mee te nemen wanneer wij lessen trekken voor de toekomst. In het mbo kunnen wel specifiek, per opleiding, examenlicenties worden ingetrokken. Het is dus iets wat ik meeneem in de verdere vragen en de verdere analyse.

De heer Beertema (PVV): Breidt u het onderzoek ook uit naar voorgaande jaren, bijvoorbeeld vanaf 2010?

Staatssecretaris Dekker: Dat is weer wat anders. Dat zou een analyse zijn van de examenresultaten. Dat gaat de inspectie doen. Ik zie dat nog terug. Een aantal leden heeft iets gezegd over de fantastische resultaten die behaald zijn op deze school. Vergeleken met de resultaten van alle onderwijssoorten over de afgelopen drie jaar, zijn die niet heel positief. Op een aantal vlakken bleven de resultaten van de school eerder zorgelijk achter dan dat ze zorgelijk beter waren.

De heer Smaling sprak over het plan B. Om een misverstand uit de wereld te helpen, we hebben geen standaardplannen B in de kast liggen voor het geval een school omvalt. Als wij echter zien dat een specifieke school omvalt – dat gebeurt immers niet van de ene op de andere dag – dan zorgen wij dat voor dat specifieke geval een plan B komt. Het departement van OCW doet dat vaak samen met de gemeenten omdat die de verantwoordelijkheid hebben voor goed onderwijs in hun stad. Mocht er iets gebeuren rond deze school, dan zorgen wij ervoor dat de kinderen daarvan niet de dupe worden.

De heer Smaling vraagt of er een landelijke regeling kan komen rond de tweede correctie. De heer Rog stelde daarover ook vragen. Hij zei dat scholen ten minste gewezen kunnen worden op hun plicht en op het feit dat zij voldoende tijd daarvoor moeten uittrekken. Als dat wordt gevat in een landelijke regeling, dan is mijn antwoord op die vraag: ja. Ik wil in een gesprek met alle partijen en met scholen erop wijzen dat het goed moet gebeuren en dat scholen de verantwoordelijkheid hebben om in hun taakbeleid rekening te houden met de tweede correctie. Ik wil niet een aparte regeling met een aparte financiering opstellen bovenop alles wat er al is. Ik heb de heer Rog daarmee overtuigd, maar ik zie de heer Smaling nog wat bedenkelijk kijken.

De heer Smaling (SP): Nee, ik kan met deze toevoeging uit de voeten.

Staatssecretaris Dekker: De heer Rog vraagt of hij goed heeft begrepen dat als tussentijds dingen uit het rapport komen, ik niet met actie wacht tot na de zomer. Dat is inderdaad het geval. Los van het rapport van de inspectie zal ik ook in de komende tijd de vinger aan de pols houden en gesprekken daarover voeren.

Mevrouw Straus sprak over de examens en de ontwikkeling van het vak Nederlands. Daarvoor stond sowieso al een en ander op de rol in relatie tot vernieuwing van het examen. Ik laat uiteraard weten hoe de gesprekken zijn geweest.

Tegen mevrouw Jadnanansing zeg ik dat de kwaliteit uiteraard altijd vooropstaat. Dat is uiteindelijk het belangrijkst op de Ibn Ghaldoun en op andere scholen.

Ik twijfel of ik nog moet reageren op wat gezegd is over het omdraaien van de eerste en tweede corrector. De heer Van Meenen kondigt een VAO aan op dat punt. Ik weet ook niet precies wat zijn vraag is aan mij.

De heer Van Meenen (D66): Bent u bereid om te onderzoeken of dat een oplossing is en daarover snel te rapporteren? Ik denk dat er voor het volgende examen iets moet gebeuren.

Staatssecretaris Dekker: Daarop kan ik een toezegging doen. Ik ben uiteraard bereid om dat te onderzoeken. Sterker nog, in alle gesprekken die ik zal hebben, ook met schoolbesturen, leg ik dit nadrukkelijk opnieuw op tafel. Er is ook ruimte om eerst wat proeven, wat pilots, te doen en het gewoon anders te doen dan het nu is, omdat we onderling geen overeenstemming bereikten over hoe het anders kan. Het zou de moeite waard zijn om dit gewoon eens te doen en te zien of de vrees van scholen dat het tot extra werk leidt bewaarheid wordt. Ik denk namelijk dat dat reuze meevalt. Wij zijn het op dit punt denk ik snel met elkaar eens.

De voorzitter: Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van de tweede termijn van de staatssecretaris en daarmee aan het einde van dit algemeen overleg. Ik constateer dat er geen VAO wordt aangevraagd door een van de leden. De staatssecretaris heeft een aantal toezeggingen gedaan. Deze worden per e-mail door de griffier aan hem toegestuurd.

Sluiting: 20.30 uur.