Kamerstuk 31266-6

Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs en Wet op de ondernemingsraden (medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs)

Dossier: Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs en Wet op de ondernemingsraden (medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs)

Gepubliceerd: 9 februari 2009
Indiener(s):
Onderwerpen: beroepsonderwijs onderwijs en wetenschap
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31266-6.html
ID: 31266-6

31 266
Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met de medezeggenschap van personeel en deelnemers in de educatie en het beroepsonderwijs (medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 9 februari 2009

De regering dankt de leden van de fracties van CDA, PvdA, SP, VVD en ChristenUnie voor hun bijdrage aan het voorliggende wetsvoorstel. Hieronder ga ik op de opmerkingen en vragen in, waarbij ik zoveel mogelijk dezelfde volgorde als het verslag aanhoud, en waarbij ik eerst een aantal inleidende opmerkingen maak.

De leden van deze fracties hebben een aantal kritische vragen gesteld. Ik vond het daarom noodzakelijk om opnieuw naar het wetsvoorstel te kijken en om met een aantal partijen te praten.

Met het wetsvoorstel wordt beoogd om de medezeggenschap binnen de bve-instellingen goed te regelen, zowel voor de deelnemers als voor het onderwijzend en ander personeel. Een goede vorm van medezeggenschap is immers onontbeerlijk in een instelling die met zoveel belangen tegelijk rekening moet houden. Deelnemers hebben recht op goed onderwijs in een veilige en stimulerende omgeving. Het personeel heeft recht op een prettige, stimulerende werkomgeving. Bovendien heeft onderwijzend personeel professionele ruimte nodig.

Goede medezeggenschap komt alleen tot stand als alle partijen zich ook kunnen vinden in de wijze waarop de medezeggenschap wordt georganiseerd.

Ik vind het erg belangrijk dat de deelnemers echt een stem in het kapittel hebben op hun school. Dat zal naar mijn overtuiging niet lukken binnen het huidige regime van gezamenlijke medezeggenschap. Vandaar dat het wetsvoorstel uitgaat van een zelfstandige deelnemersraad met eigen bevoegdheden. Deelnemers komen in de huidige medezeggenschapsraden niet goed uit de verf. Dit is niet alleen mijn overtuiging: de deelnemers zelf – vertegenwoordigd door de JOB – hebben een nadrukkelijke voorkeur voor de zelfstandige deelnemersraad en menen dat het wetsvoorstel een belangrijke stap vooruit is.

De bezwaren die zijn aangevoerd tegen de gesplitste medezeggenschap begrijp ik goed: ze komen voort uit de gedachte dat de onderwijsinstelling een gemeenschap vormt van deelnemers en personeel die voor een groot deel hetzelfde belang hebben – goed onderwijs. Juist dat gemeenschappelijke belang echter wordt naar mijn mening het best gediend wanneer de deelnemers optimaal in staat worden gesteld om mee te praten. Dat vergt volgens de deelnemers zelf een zelfstandige positie van de deelnemersraad. Ik vind daarom dat het belang van de deelnemers bij die zelfstandige positie zwaarder weegt dan de bezwaren die tegen de gesplitste medezeggenschap zijn aangevoerd.

Natuurlijk is het niet alleen de bedoeling om deelnemers zo goed mogelijk in staat te stellen om actief te participeren, maar óók om de medezeggenschap van het personeel een stevige basis te geven. Gebleken is dat vooral een aantal bevoegdheden die de (personeelsgeleding van de) medezeggenschapsraad thans heeft op onderwijskundig gebied werden gemist in het wetsvoorstel zoals dat bij de Tweede Kamer is ingediend. Ik heb daarom vandaag een nota van wijziging ingediend waarin wordt voorgesteld deze bevoegdheden ook expliciet toe te kennen aan de ondernemingsraad. Met deze toevoegingen wordt de positie van het personeel versterkt. Ik kom hiermee een heel eind tegemoet aan de wensen van de partijen met wie gesproken is, zoals het Platform beroepsonderwijs en andere vertegenwoordigers van medezeggenschapsraden. Alles afwegend is er een prima compromis gevonden, waarbij de positie van de zwakste groep wordt verstevigd zonder dat andere partijen binnen de instelling daarvan nadeel ondervinden.

Bij gelegenheid van de nota van wijziging neem ik nog twee belangrijke zaken mee: ik stel voor om in de wet alsnog vast te leggen dat als een bepaald aantal ouders (te weten: 25) daarom verzoekt, de instelling een ouderraad móet instellen. Bovendien stel ik voor om het adviesrecht van de deelnemersraad met betrekking tot voorgenomen fusies aan te scherpen. Zo geef ik direct al uitvoering aan een van de voornemens die zijn neergelegd in de brief van 28 november 2008 over de menselijke maat in het onderwijs (Kamerstukken II 2008/09, 31 135, nr. 16).

Deze nota naar aanleiding van het verslag onderteken ik mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Inhoudsopgave

I. Algemeen deel

1. Kern van het wetsvoorstel

1.1. De huidige positie van de deelnemers binnen de medezeggenschap

1.2. Gedeelde medezeggenschap als kern van dit wetsvoorstel

1.3. Overwogen alternatieven

1.4. Draagvlak

1.5. Vervolgstappen

2. Personeel, professioneel statuut en raad van toezicht

3. De ondernemingsraad

4. Administratieve lasten voor instellingen en burgers

5. Advies van de Onderwijsraad

II. Artikelsgewijze toelichting

I. ALGEMEEN DEEL

1. Kern van het wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie hebben met gemengde gevoelens kennisgenomen van het wetsvoorstel. Het betrekken van medewerkers in de bve-sector, deelnemers en, in voorkomende gevallen, hun ouders bij de besluitvorming in de instellingen doet volgens hen recht aan het gezamenlijk vormgeven van de belangrijkste taak in onze samenleving: onderwijs. Deelnemen betekent evenwel ook serieus genomen worden om als deelnemer, als medewerker en in een aantal gevallen ook als ouder, sterker bij de besluitvorming binnen de instellingen te worden betrokken en daarop daadwerkelijk invloed te kunnen uitoefenen.

Een eerste vereiste van een school is volgens deze leden dus een open, transparante houding jegens de deelnemers en hun ouders. Een jaarverslag en beleidsplan zijn daartoe geschikte instrumenten. En als een school ook een uitnodigende houding heeft, waardoor dergelijke plannen en verslagen ook besproken kunnen worden met de belanghebbenden voordat deze worden vastgesteld, krijgen deelnemers het gevoel dat de school weer van hen is. Een stap verder is het actief participeren in de medezeggenschap.

Ik ben het met de leden van de CDA-fractie volledig eens, dat een open, transparante en uitnodigende houding van instellingen jegens de deelnemers en hun ouders een eerste vereiste is. Alleen dan zullen deelnemers (en hun ouders), maar ook het personeel, het gevoel kunnen krijgen mede-eigenaren van de instelling te zijn en invloed te kunnen uitoefenen op het beleid binnen de instelling. De medezeggenschap is een van de instrumenten om hieraan vorm te geven, is immers bedoeld om gestructureerd overleg te kunnen voeren met vertegenwoordigers van deelnemers en personeel. Het is mede vanuit de door het CDA genoemde overwegingen dat ik ervoor gekozen heb de medezeggenschap in het mbo krachtiger vorm te geven met een ondernemingsraad voor het personeel, een deelnemersraad voor de deelnemers en een ouderraad, deze laatste in ieder geval bij scholengemeenschappen vmbo/mbo, en op verzoek van ouders ook in bve-instellingen waaraan geen voortgezet onderwijs is verbonden. Met de introductie van de verplichting om een ouderraad in te stellen als ouders daarom verzoeken, ook voor bve-instellingen die alleen te maken hebben met mbo-deelnemers, zorg ik voor een trendbreuk met het verleden. In de praktijk moet blijken hoe dit zal uitwerken; daarom wil ik het initiatief bij de ouders laten. Ik wijs verder op het rapport «Goed bestuur in het mbo» van de Onafhankelijke Commissie Governance Code BVE, waarin als een van de hoofdaanbevelingen staat dat de positionering en betrokkenheid van de deelnemers en het personeel als interne belanghebbenden verbetering behoeft. Deze aanbeveling onderstreept naar mijn mening eveneens het grote belang van het onderhavige wetsvoorstel.

Ik sta dan ook nog steeds vierkant achter het principe van gedeelde medezeggenschap zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, omdat daarmee een krachtige impuls wordt gegeven aan de medezeggenschap van de deelnemers. Wél heb ik naar aanleiding van diverse signalen en ook daartoe geïnspireerd door verschillende vragen van de kant van uw Kamer, door de motie Depla (Kamerstukken II 2007/08, 27 451, nr. 92) én door de afspraken die in het Convenant Leerkracht van Nederland zijn gemaakt ten aanzien van professioneel statuut en de professionele ruimte van de docent, geconcludeerd dat de aandacht voor de positie van de deelnemers er mogelijk toe heeft geleid dat de bevoegdheden van het personeel, en dan in het bijzonder inzake onderwijsinhoudelijke zaken, onderbelicht zijn gebleven. De gedachte achter het wetsvoorstel was dat in het voorgestelde professioneel statuut de (vanzelfsprekende) onderwijskundige bemoeienis van het personeel bij het onderwijskundig beleid van de instelling verder vorm zou kunnen worden gegeven, naast uiteraard de medezeggenschapsbevoegdheden die het personeel op gond van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) zal hebben. Bij nader inzien meen ik – in het licht van de naar voren gebrachte bezwaren – dat het de voorkeur verdient ook de onderwijskundige medezeggenschap van het personeel explicieter vast te leggen. Een daartoe strekkende nota van wijziging wordt heden ingediend. In het vervolg van deze nota naar aanleiding van het verslag ga ik daar nog verder op in.

De leden van de PvdA-fractie hebben op dit moment vooral behoefte aan de verduidelijking van bepaalde aspecten van het wetsvoorstel. Om met oud-minister Winsemius te spreken: de ROC’s zijn stichtingen met «zelfbenoemde regenten». Als deze het goed doen, hebben studenten en docenten het geweldig, maar als ze ontevreden zijn, staan ze met lege handen. De leden van deze fractie vragen de regering om te verhelderen in hoeverre het wetsvoorstel dit probleem helpt op te lossen.

Door het onderhavige wetsvoorstel, in samenhang met het wetsvoorstel raden van toezicht wordt juist een dam opgeworpen tegen het fenomeen van, zoals u dat noemt, «zelfbenoemde regenten» en wordt geregeld dat:

• er een scheiding van bestuur en toezicht is (dus interne controle),

• de leden van het college van bestuur worden benoemd en ontslagen door de raad van toezicht en de deelnemersraad en de ondernemingsraad daarbij vertrouwelijk worden gehoord (als het lid van het college van bestuur tevens bestuurder is in de zin van de WOR heeft de ondernemingsraad op grond van artikel 30 WOR een adviesrecht inzake zijn benoeming en ontslag),

• de leden van de raad van toezicht worden benoemd op basis van openbare profielen en de deelnemersraad en de ondernemingsraad een adviesrecht hebben inzake die profielen,

• de ondernemingsraad tevens een voordrachtsrecht heeft voor een lid van de raad van toezicht en

• een geschillencommissie kennis neemt van geschillen over het adviesrecht inzake de profielen en het voordrachtsrecht voor een lid van de raad van toezicht.

Ik ben ervan overtuigd dat daardoor docenten en deelnemers juist meer invloed krijgen.

De leden van de SP-fractie hebben nog geen duidelijk beeld van de redenen voor de wetswijziging. Leerling en leraar (en soms de ouders) hebben een gezamenlijk belang bij de kwaliteit en de organisatie van het onderwijs. De leden van deze fractie verzoeken de regering concreet duidelijk te maken wat er in het huidige systeem niet functioneert en op welke wijze de nieuwe wet daarvoor een oplossing kan bieden.

Ik ben het met de leden van de SP-fractie eens dat de deelnemers (en hun ouders) en het personeel een gezamenlijk belang hebben bij de kwaliteit en organisatie van het onderwijs. Juist dat gezamenlijke belang maakt het nodig dat deelnemers goed in staat worden gesteld om volwaardig mee te praten en dat medezeggenschap niet langer een eenzijdig gesprek van het personeel met het bestuur is. Belemmeringen om een actieve rol te vervullen in de medezeggenschap wil ik wegnemen.

Het huidige systeem van ongedeelde medezeggenschap in het mbo motiveert de deelnemers niet om actief te participeren in de medezeggenschap. De knelpunten daarbij zijn uiteengezet in de memorie van toelichting (paragraaf 1.1). Kort samengevat: uit onderzoek blijkt dat de deelnemers niet of nauwelijks participeren in de huidige medezeggenschapsraden, vooral omdat het te vaak gaat over onderwerpen die voor hen niet interessant zijn en omdat zij het idee hebben dat er naar hen niet wordt geluisterd. Het wetsvoorstel bevordert actieve participatie van deelnemers omdat het veel aantrekkelijker wordt als deelnemers in een deelnemersraad kunnen zitten waarin zij het zélf voor het zeggen hebben, een deelnemersraad bovendien met serieuze bevoegdheden in aangelegenheden die voor hen van direct belang zijn.

Deelnemersraad en ondernemingsraad kunnen natuurlijk heel goed (periodiek) gezamenlijk overleg met het bestuur voeren. Dat zal des te vruchtbaarder zijn als er een krachtige deelnemersraad is.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben wel enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderkennen het nut van de modernisering en versterking van de medezeggenschap voor met name de deelnemers in de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Daarbij dient volgens hen aansluiting te worden gezocht bij de specifieke kenmerken, omstandigheden en ontwikkelingen in deze sector. Op een aantal punten hebben deze leden echter grote vragen.

1.1. De huidige positie van de deelnemers binnen de medezeggenschap

De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarop zij de veronderstelling baseert dat juist dit wetsvoorstel tot een toename zal leiden van de deelnemerparticipatie. Zij willen weten of de geconstateerde problemen, zoals het gebrekkig Nederlands spreken van een belangrijke groep deelnemers, het doorbrengen van veel tijd buiten de instelling, bijvoorbeeld vanwege stages, en het stellen van andere prioriteiten, wel met dit wetsvoorstel worden opgelost.

De hier genoemde problemen zijn er mede de oorzaak van dat deelnemers niet erg geneigd zijn om actief te participeren in de medezeggenschap. Maar belangrijker is nog dat bij de bestaande medezeggenschap het om een vorm van medezeggenschap gaat waarbij deelnemers het gevoel hebben dat zij ook bij voorbaat door het verschil in levenservaring en opleiding op achterstand staan ten opzichte van andere leden van de medezeggschapsraad (het – onderwijzend – personeel). Het gaat in de medezeggenschapsraad vaak over onderwerpen die de deelnemers niet of nauwelijks aangaan, maar die voor het personeel wel van belang zijn, zoals de arbeidsomstandigheden. De in de vraag genoemde problemen kunnen niet door dit wetsvoorstel worden weggenomen, maar het laatstgenoemde probleem wel: de regering en ook de JOB zijn er van overtuigd dat actieve participatie veel aantrekkelijker wordt als deelnemers in een deelnemersraad kunnen zitten waarin zij het zélf voor het zeggen hebben, een deelnemersraad bovendien met serieuze bevoegdheden in aangelegenheden die voor hen van direct belang zijn.

Het is daarnaast ook van groot belang dat de instellingen het voor hun deelnemers aantrekkelijk maken om actief te zijn in de medezeggenschap, ze als het ware daartoe verleiden. Niet alleen door op de een of andere manier deelname aan een deelnemersraad te belonen, bijvoorbeeld door daaraan «studiepunten» of vrijstellingen te verbinden, maar ook door de manier waarop de instellingen omgaan met de deelnemersraden. Ik zal de instellingen hiertoe aanmoedigen en ze zonodig erop aanspreken.

Onder verwijzing naar de gemeenschapsgedachte waarop de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) de nadruk legt, stellen de leden van de CDA-fractie dat voor de bve-sector die gedachte is losgelaten. Bij de keuze voor de WOR als instrument voor de medezeggenschap in die sector wordt, aldus deze leden, aangegeven dat de bve-instellingen als ondernemingen functioneren. Zij vragen of de regering hun mening deelt dat onderwijs iets anders is dan een onderneming en dat de bve-instellingen geen diplomafabrieken zijn. In het onderwijs gaat het immers om meer dan kennis vergaren en vaardigheden leren. Zij zien onderwijsinstellingen als «maatschappelijke organisaties»; of deze straks ook als «maatschappelijke ondernemingen» te kwalificeren zijn, moet blijken uit de discussie die hieromtrent met de minister van Justitie zal worden gevoerd. Zij vragen de regering op deze zienswijzen te reageren.

De gemeenschapsgedachte die deze leden in de WMS herkennen maar missen in het onderhavige wetsvoorstel, is niet losgelaten. Integendeel. Door de introductie van een eigen medezeggenschapsraad voor de deelnemers (de deelnemersraad) wordt juist onderstreept dat zij op een volwaardige wijze het debat binnen hun onderwijsomgeving moeten kunnen voeren. De (her)positionering van de medezeggenschap van met name de deelnemers versterkt het uitgangspunt dat iedereen die is verbonden aan een ROC of AOC – hetzij als bestuurder, als personeelslid of als deelnemer – behoort tot die onderwijsgemeenschap en dus op volwaardige wijze moet kunnen meepraten.

De mening van deze leden dat de bve-instellingen geen diplomafabriek zijn, onderschrijf ik. De kerntaak van de instellingen is uiteraard het verzorgen van kwalitatief goed onderwijs. Hiermee worden de deelnemers niet alleen opgeleid voor praktische beroepsuitoefening, maar worden tevens hun algemene vorming en persoonlijke ontplooiing bevorderd.

Ook met het oog daarop vind ik het belangrijk dat de ouders van deelnemers een rol kunnen spelen bij de manier waarop bve-instellingen hun taak vervullen en de keuzes die zij daarbij maken; vandaar de voorstellen met betrekking tot de positie van de ouderraad.

Dit alles neemt niet weg dat met de keuze voor de WOR een bve-instelling inderdaad wordt aangemerkt als een onderneming. Het begrip «onderneming» in de WOR is echter ruimer dan in het spraakgebruik. Verwezen wordt naar de definitie van het begrip «onderneming» in artikel 1 lid 1 sub c WOR: een onderneming is «elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht». Niet van belang zijn de rechtsvorm van de onderneming, of een onderneming een winstoogmerk heeft en de aard van de werkzaamheden die in de onderneming worden verricht. Zo zijn ook bijvoorbeeld zorginstellingen of kinderdagverblijven ondernemingen in de zin van de WOR.

Als ouders te kennen geven een ouderraad te wensen, geeft de instelling hieraan gehoor. De leden van de CDA-fractie vragen de regering, waarom deze afziet van heldere regels voor het aantal ouders dat nodig is om een ouderraad in te stellen, en voor de omvang van de ondersteuning.

Het is lastig om in zijn algemeenheid regels te geven voor een minimumaantal ouders dat nodig is om een ouderraad in te stellen. De instellingen in de bve-sector zijn onderling erg verschillend qua organisatie en omvang. Wat voor de ene instelling een substantieel aantal ouders is, hoeft dat voor de andere niet te zijn. Eenzelfde overweging geldt voor de omvang van de ondersteuning. Niettemin wil ik in de wet een minimum vastleggen. Als 25 ouders van (verschillende) deelnemers daarom verzoeken, moet het bevoegd gezag een ouderraad instellen. Dat geeft ouders en bestuurders duidelijkheid over de vraag wanneer de bestuurder in ieder geval een ouderraad moet instellen. De heden ingediende nota van wijziging strekt daartoe. Er moeten natuurlijk wel voldoende ouders zijn die bereid zijn om in zo’n ouderraad zitting te nemen. Overigens wordt met de nota van wijziging ook voorgesteld om de bevoegdheden van de ouderraad die op verzoek van de ouders wordt ingesteld op dezelfde manier te regelen als bij de verplichte ouderraad. Dat houdt in dat de bevoegdheden moeten worden vastgesteld in het medezeggenschapsstatuut, en dat de ouderraad daarop instemmingsrecht heeft.

De JongerenOrganisatie Beroepsonderwijs (JOB) zal een campagne starten om de deelname aan de deelnemersraad te bevorderen. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de JOB de geëigende organisatie is om een dergelijke campagne te voeren en, zo ja, of deze organisatie hiervoor voldoende geëquipeerd is. Voorts vragen de leden waarom een dergelijke campagne bij dit wetsvoorstel wel succesvol zou zijn, terwijl eerdere campagnes nauwelijks iets hebben opgeleverd.

JOB is de belangbehartiger van alle mbo-deelnemers in Nederland en daardoor de aangewezen organisatie om mbo-deelnemers te mobiliseren om hun mening te uiten en inspraak vorm te geven. Bovendien bestaat bij JOB inmiddels veel expertise op het gebied van medezeggenschap onder mbo-deelnemers door de daarop gerichte cursussen die JOB aanbiedt, de begeleiding van deelnemersraden en de door JOB ontwikkelde «MBO Verbeterkit». Verder heeft JOB, in samenwerking met een groot communicatiebureau, de afgelopen twee jaar campagne gevoerd om inspraak onder deelnemers te stimuleren. De initiatieven van JOB om de inspraak van deelnemers te vergroten leveren wel degelijk wat op. Zo worden regelmatig cursussen gegeven aan enthousiaste en in de medezeggenschapsraad actieve deelnemers en wordt de «MBO Verbeterkit» volop besteld. Door de initiatieven van JOB zijn steeds meer deelnemers zich bewust geworden van hun recht op inspraak. De deelnemers hebben echter behoefte aan een andere vorm van medezeggenschap. Zij vinden (bij monde van JOB) dat dat het beste kan door een zelfstandige deelnemersraad. Daarin wordt voorzien door dit wetsvoorstel.

Het is goed dat JOB kan voortbouwen op het netwerk en de expertise die hierdoor zijn opgebouwd om de stijgende lijn van interesse van deelnemers voor medezeggenschap vast te houden. Voor het voeren van een campagne is budget beschikbaar, zodat JOB zonodig extra expertise kan inkopen.

Er is een grote diversiteit aan deelnemers in de bve-sector: beroepsopleidende leerweg (bol), beroepsbegeleidende leerweg (bbl), voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), mbo niveaus 1 t/m 4, educatie. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zonder regelgeving ten aanzien van groepen deelnemers geen eenzijdige afspiegeling van de deelnemers dreigt.

De diversiteit aan deelnemers is inderdaad groot, zowel wat betreft leeftijd als wat betreft niveau. Hierin zie ik, anders dan deze leden, evenwel geen aanleiding om regels te stellen over de samenstelling van de deelnemersraad. Het zou ook weer nieuwe complexe vragen opleveren, zoals de vraag of een deelnemersraad die niet geheel voldoet aan de wettelijke voorschriften voor de samenstelling ervan, wel of niet als deelnemersraad mag functioneren. Wat het wetsvoorstel wel regelt, is dat het bevoegd gezag de verkiezingen zodanig inricht en ondersteunt dat de deelnemersraad een representatieve vertegenwoordiging kan vormen. Op basis van dit voorschrift én met de verstevigde positie van de deelnemers, ben ik van oordeel dat het aan het krachtenspel in de instelling kan worden overgelaten in hoeverre de deelnemersraad de heterogene schoolbevolking weerspiegelt. Daarbij moet worden bedacht dat het ook niet persé noodzakelijk is dat alle mogelijk te onderscheiden groepen een eigen vertegenwoordiger hebben. De deelnemersraad heeft immers legio mogelijkheden om zaken terug te koppelen naar alle deelnemers (bijvoorbeeld het houden van informatiebijeenkomsten).

De deelname aan een deelnemersraad staat niet hoog op de agenda van deelnemers in de bve-sector. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de deelname aan een centrale deelnemersraad niet zeer beperkt zal zijn, vanwege de omvang van de instellingen en de ermee gepaard gaande grote afstanden.

Het bevoegd gezag van de instelling moet de medezeggenschap zó vormgeven, dat dit past bij de wijze waarop de instelling is georganiseerd en aansluit bij wat de deelnemers willen. Vormen van lokale of decentrale medezeggenschap zijn dus heel goed mogelijk en deelnemers kunnen dat afdwingen. De organisatie van de medezeggenschap wordt geregeld in het medezeggenschapsstatuut en de deelnemersraad heeft daarvoor een instemmingsrecht. Ik ga ervan uit dat partijen in onderling overleg tot een passende medezeggenschapsstructuur komen. Dit kan een decentrale vormgeving van de medezeggenschap zijn. In het uiterste geval kunnen de deelnemers een decentrale vormgeving van de medezeggenschap afdwingen door instemming te onthouden aan een medezeggenschapsstatuut waarin alleen een centrale deelnemersraad is geregeld. Deelnemers kunnen ook een initiatiefvoorstel tot het instellen van deelraden doen (zie pag. 12 van de memorie van toelichting).

De omvang van een instelling en de daarmee verband houdende reisafstanden blijken overigens geen factor van grote betekenis voor de belangstelling voor deelname aan de medezeggenschap. Uit de JOB-monitor 2007 (onderzoeksresultaten van ODIN-4) blijkt dat alleen achtergrondkenmerken van de deelnemers zelf (zoals leeftijd, autochtoon/allochtoon, niveau en leerweg) een rol spelen bij wel of geen deelname aan een deelnemersraad. Ook kunnen de instellingen wel andere oplossingen vinden voor de reisafstanden, zoals het bieden van een vergoedingsregeling voor reiskosten, het bijeenkomen op gunstige tijdstippen en het rouleren van bijeenkomsten over verschillende locaties.

De leden van de PvdA-fractie wijzen op de moeilijkheden om mbo’ers duurzaam te betrekken bij de medezeggenschap. Dit heeft ook te maken met de specifieke structuur van de opleidingen, waarbij de beroepspraktijkvorming in bedrijven, en dus buiten de instelling, een belangrijke component vormt. De leden vragen de regering of de stelling van de JOB klopt, dat juist de medezeggenschapsraden waar studenten geen rol (kunnen) spelen voorstander van het behoud van de bestaande medezeggenschapsregeling zijn.

Deze stelling is mij niet bekend en ik weet ook niet of zij juist is. Wel weet ik dat het JOB op basis van de mening van ruim 132 000 deelnemers en de contacten die JOB heeft met deelnemers tijdens verschillende cursussen, coachingstrajecten en daarbuiten, heeft geconstateerd dat deelnemers vaak niet vertegenwoordigd zijn in de huidige medezeggenschapsraden, juist omdat ze behoefte hebben aan een andere structuur van medezeggenschap. Zie ook het antwoord dat ik hierna geef op de vraag van de leden van de CDA-fractie of de fundamentele wijzigingen in het wetsvoorstel de goede verhoudingen zullen schaden (zie de vijfde vraag in paragraaf 1.2).

Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie de regering om toe te lichten in hoeverre het reëel is om te verwachten dat de voorgestelde wijzigingen in de medezeggenschapsstructuur toereikend zullen zijn om meer mbo’ers bereid te vinden om aan de medezeggenschap deel te laten nemen, terwijl er ook heel andere factoren van invloed zijn op de tegenvallende belangstelling.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord dat ik hiervoor heb gegeven naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie over deelname aan de deelnemersraad (zie de eerste vraag in paragraaf 1.1).

Verder willen de leden van de PvdA-fractie weten of de regering aanvullende maatregelen treft om mbo’ers in staat te stellen om binnen hun relatief korte verblijfsduur in de instellingen voldoende expertise op te bouwen, zodat zij gelijkwaardige gesprekspartners van bestuurders kunnen worden.

Bij het ministerie van OCW is budget beschikbaar om aan JOB subsidie te verstrekken, zodat zij hun expertise op het gebied van participatie door deelnemers kunnen delen door middel van het organiseren van bijvoorbeeld MR-cursussen of door het aanbieden van andere vormen van ondersteuning en begeleiding. Verder hebben de partijen in het veld gezamenlijk, vooruitlopend op dit wetsvoorstel, een handreiking versterking medezeggenschap deelnemers in de bve-sector opgesteld. Dat kan deelnemers ondersteunen bij de vormgeving van medezeggenschap op de onderwijsinstelling. In die handreiking zijn ook afspraken gemaakt over de faciliteiten waarover de deelnemersraad dient te beschikken om zijn taak te kunnen uitvoeren. De handreiking zal, bij aanvaarding van het wetsvoorstel, zo nodig worden aangepast.

De leden van de SP-fractie constateren dat de geringe participatie en belangstelling van deelnemers voor medezeggenschap de regering zorgen baren. De regering stelt dat met dit wetsvoorstel kan worden bereikt dat de deelnemers, en in voorkomende gevallen hun ouders, sterker bij de besluitvorming binnen de instellingen kunnen worden betrokken. De regering stelt ook dat in de nieuwe situatie de deelnemersraad dient om de kwaliteit van de medezeggenschap en de positie van deelnemers te waarborgen en te versterken. De leden van deze fractie betwijfelen dit en vragen de regering waarop zij dit optimisme baseert.

Voor het antwoord op deze vraag wordt eveneens verwezen naar het antwoord dat ik eerder in deze paragraaf heb gegeven op de vraag van de leden van de CDA-fractie over deelname aan de centrale deelnemersraad (zesde vraag in paragraaf 1.1).

De leden van de SP-fractie willen ook weten in hoeverre het zonder dit gewijzigde wetsvoorstel al mogelijk is om alle voorgenomen maatregelen te treffen om de participatie te vergroten.

Het onderhavige wetsvoorstel voert voor de gehele bve-sector gedeelde medezeggenschap in. Daardoor zullen meer deelnemers dan voorheen actief willen meepraten op hun school, omdat het dan gaat om zaken die hen raken. De handreiking die in 2005 door verschillende partijen, waaronder JOB, is gedaan ter versterking van de medezeggenschap van deelnemers in het mbo, heeft ertoe geleid dat scholen aan de slag zijn gegaan met het vormgeven van medezeggenschap. Dat geldt echter niet voor alle instellingen. Met dit wetsvoorstel komt er een wettelijke verplichting voor de bve-instellingen om medezeggenschap vorm te geven op een manier die de deelnemers aanspreekt.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de geringe belangstelling en participatie van deelnemers de regering zorgen baren. Het overheidsbeleid is gericht op de versterking van de positie van de deelnemers in de bve-sector. De achterblijvende betrokkenheid is dan ook een belangrijke overweging bij dit wetvoorstel. De leden van deze fractie vragen de regering in hoeverre dit wetsvoorstel de geconstateerde knelpunten bij de participatie van deelnemers zal wegnemen en verzoeken de regering om een en ander toe te lichten.

Ook voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het eerder in deze paragraaf gegeven antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie over de deelname aan de centrale deelnemersraad.

1.2. Gedeelde medezeggenschap als kern van dit wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie willen weten of de overlap tussen de onderwerpen die personeel en deelnemers aangaan, wel zo gering is als de regering veronderstelt. Zij wijzen erop dat het beide groeperingen gaat om een goed functionerend beroepsonderwijs.

De onderwerpen die tot de advies- en instemmingsbevoegdheden van de ondernemingsraden behoren (artikelen 25 en 27 WOR) hebben betrekking op strategische beleidsvraagstukken, organisatorische zaken die niet de deelnemers betreffen en regelingen die direct zijn afgeleid van de positie van het personeel als werknemer. De advies- en instemmingsbevoegdheden van de deelnemersraden betreffen regelingen en maatregelen, waar deelnemers vrijwel dagelijks mee te maken hebben en de gevolgen voor de deelnemers van grote beslissingen voor de organisatie als geheel.

Het spreekt voor zich dat beide partijen goed beroepsonderwijs willen en dat de onderwerpen op dit gebied elkaar voor een deel overlappen. Ook als het gaat om hetzelfde onderwerp, kunnen de belangen van de partijen wel van elkaar verschillen. Het is van belang dat beide partijen onderwerpen op de agenda kunnen plaatsen en hun eigen belang kunnen behartigen. Het kan dan óók gebeuren, dat de standpunten van deelnemersraad en ondernemingsraad van elkaar verschillen. In zo’n geval kan eerst worden geprobeerd om, eventueel in een gezamenlijk overleg van deelnemersraad, ondernemingsraad en bevoegd gezag, de partijen op één lijn te krijgen. Bij een onverhoopte impasse is het aan het bevoegd gezag om te beslissen, rekening houdend met het gewicht dat de wet geeft aan het oordeel van elk der raden (advies- of instemmingsrecht). De raad die vervolgens zou vinden dat het bevoegd gezag te weinig rekening heeft gehouden met zijn advies of ten onrechte een besluit heeft genomen dat niet de vereiste instemming heeft gekregen, kan het genomen besluit voorleggen aan de de landelijke geschillencommissie, of, als het uitsluitend gaat om toepassing van de WOR, de toepasselijke rechtsgang op grond van de WOR doorlopen.

Voor een goed overleg tussen de diverse geledingen ligt het naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie in de rede dat het bevoegd gezag 1 à 2 keer per jaar de ondernemingsraad en deelnemersraad gezamenlijk informeert. De leden van deze fractie vragen de regering om aan te geven waar dit in de wet wordt geregeld, dan wel waar wordt geborgd dat dit wenselijke gezamenlijke overleg wordt gehouden.

Het wetsvoorstel regelt niets over het gezamenlijke overleg. Het bevoegd gezag is verplicht om beide raden ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid te stellen om over de algemene gang van zaken in de instelling te spreken. Voor de deelnemersraad is dit geregeld in artikel 8a.2.1, eerste lid, van de WEB; voor de ondernemingsraad in artikel 24 van de WOR. Hoewel deze bepalingen niet spreken over een gezamenlijke vergadering, ligt dat wel voor de hand. In het medezeggenschapsstatuut kan dit worden geregeld.

Nog in 2005 sprak de regering zich uit voor ongedeelde medezeggenschap nu geeft de regering in memorie van toelichting aan, dat de regering altijd voorstander is geweest van gedeelde medezeggenschap. Hoe verhoudt het een zich met het ander, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Sinds eind 2000 heeft de regering uitgedragen dat het voor de bve-sector wenselijk was over te gaan tot gedeelde medezeggenschap. Dat het in 2005 er even op leek dat voor de bve-sector de medezeggenschap toch ongedeeld zou moeten blijven, was omdat het veld op dat moment daarvoor opteerde.

Achtereenvolgens is het volgende gebeurd. Op 19 december 2000 informeerde minister Hermans de Kamer over de keuze voor het WEB/WOR-model (Kamerstukken II 2000/01, 27 451, nr. 2): «(...) dat in het licht van de professionalisering van het bestuur, beheer en management, de verdergaande decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden en de versterking van de positie van de deelnemer, het voor de bve-sector voor de hand ligt te kiezen voor invoering van de WOR voor het personeel en het instellen van een deelnemersraad. (...) hebben zowel de MBO Raad als de JOB aangegeven voorstander van de invoering van respectievelijk de WOR en de deelnemersraad te zijn. Ook de Onderwijsraad heeft zich in positieve zin uitgelaten over een meer formele positie van de deelnemersraad. Het voornemen is dan ook, naast het van toepassing verklaren van de WOR op de bve-sector, ieder bevoegd gezag van een ROC wettelijk te verplichten tot het instellen van een deelnemersraad.»

Iets meer dan een maand later, op 31 januari 2001, verscheen de notitie «De toekomst van de medezeggenschap in het primair en voortgezet onderwijs en in de Bve-sector» (beleidsreactie op WMO-evaluatie uit 1997; Kamerstukken II 2000/01, 27 400 VIII, nr. 58). Daarin werd herhaald dat de WMO niet meer aansluit bij de veranderde verhoudingen en de nieuwe instellingen in de bve-sector: «Voor de instellingen in de bve-sector staat de deelnemer centraal. Hier zal dan ook sprake zijn van een deelnemersraad. (...) De medezeggenschap voor de deelnemers is vooral van belang voor de onderwerpen die direct betrekking hebben op de opleiding en alles wat daarmee samenhangt. (...) De medezeggenschap van de deelnemers over deze onderwerpen is niet alleen van groot belang voor henzelf maar ook voor de kwaliteit van het onderwijs».

Mede op basis van deze stukken en discussies met de Tweede Kamer werd onder staatssecretaris Nijs op 12 december 2003 een wetsvoorstel tot wijziging van de WEB ingediend om gedeelde medezeggenschap in te voeren (Kamerstukken II 2003/04, 29 371, nrs. 1–2; inmiddels ingetrokken bij brief van 13 november 2007, Kamerstukken II 2007/08, 29 371, nr. 13). Blijkens de toelichting is het voordeel van gedeelde medezeggenschap dat in de deelnemersraad alleen wordt gepraat over zaken die voor deelnemers relevant zijn. Dat bevordert de participatie. De keuze voor het WEB/WOR-model was volgens de regering «onontkoombaar». Na een Algemeen Overleg over medezeggenschap in het onderwijs, waarbij de Tweede Kamer kritisch was over de voor de bve-sector ingezette lijn, werd op verzoek van staatssecretaris Rutte de behandeling van het wetsontwerp door de Tweede Kamer opgeschort, in afwachting van de resultaten van overleg met de onderwijsorganisaties over de meest wenselijke vorm van medezeggenschap van werknemers en deelnemers in bve-instellingen. Dat overleg is in 2005 gevoerd en leek te resulteren in een model van ongedeelde zeggenschap. Dit blijkt uit de brief van de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 juni 2005 (Kamerstukken II 2004/05, 29 371, nr. 12). Nadat echter de MBO Raad op basis van een bestuurlijk akkoord in het kader van een experiment als inhoudelijk trekker van een nieuw wetsvoorstel ging optreden, is het hem gelukt met alle betrokkenen overeenstemming te bereiken over de invoering van gedeelde medezeggenschap. Deze aanpak resulteerde in een breed gedragen, door het veld zelf ontwikkelde voorzet voor een wetsvoorstel. De uitkomsten zijn door de regering grotendeels overgenomen en hebben geresulteerd in het onderhavige wetsvoorstel.

Evenals de leden van de Raad van State vragen de leden van de CDA-fractie de regering in hoeverre zij het mogelijk acht dat dit wetsvoorstel ongedeelde medezeggenschap op decentraal niveau bewerkstelligt.

Dit wetsvoorstel borgt wat er op «centraal» niveau binnen een bve-instelling aanwezig moet zijn: een ondernemingsraad, een deelnemersraad, in voorkomende gevallen een ouderraad en een medezeggenschapsstatuut. Verder wil ik in de wet ruimte laten voor de decentrale structuren van de deelnemersraad (aan de hand van de WOR kan de structuur van de ondernemingsraad worden bepaald). Instellingen kunnen deze ruimte invullen in het medezeggenschapsstatuut, waarop de deelnemersraad een instemmingsrecht heeft. In het medezeggenschapsstatuut kunnen het bevoegd gezag en de deelnemersraad dus gezamenlijk vastleggen of er een decentrale medezeggenschapsstructuur wordt vorm gegeven en zo ja, hoe deze dan er uit ziet. Natuurlijk kunnen de deelnemers ook zelf hiervoor het initiatief nemen. Er zijn in dit wetsvoorstel geen bepalingen opgenomen waaraan een decentrale structuur moet voldoen; daarvoor is de situatie binnen de instellingen te divers. De betrokkenen binnen de instellingen kunnen hierbij zelf keuzes maken.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in vele commentaren wordt gewezen op de goede verhoudingen in en de tevredenheid van betrokkenen met de ongedeelde medezeggenschapraad, zowel in mbo als in vo. De leden van deze fractie vragen de regering in hoeverre deze inschat dat de voorgestelde fundamentele wijzigingen de goede verhoudingen zullen schaden en of in dat licht een dergelijke wijziging noodzakelijk of wenselijk is.

Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is vermeld blijkt juist uit onderzoek dat het met de participatie van de deelnemers in de medezeggenschap slecht is gesteld. Deelnemers draaien zelden mee in medezeggenschapsraden. Het is goed mogelijk dat betrokkenen in de huidige medezeggenschapsraden vinden dat er goede verhoudingen zijn, maar nu er sprake is van een veel te geringe participatie van deelnemers, vind ik de tevredenheid van de huidige medezeggenschapsorganen met de ongedeelde medezeggenschapsraad niet doorslaggevend om de situatie te houden zoals zij is. Ik merk tenslotte op dat de nieuwe situatie goede verhoudingen tussen beide medezeggenschapsorganen niet in de weg staat.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de agrarische opleidingcentra (AOC’s) in het voorgestelde model een verplichte ouderraad hebben, in tegenstelling tot de ROC’s en vragen de regering naar de redenen voor dit onderscheid.

Aan de verschillende regelingen voor een ouderraad voor de ROC’s enerzijds en de AOC’s en verticale scholengemeenschappen anderzijds ligt de volgende overweging ten grondslag. De leerlingenpopulatie aan een ROC bestaat voor het overgrote deel uit jonge volwassenen. Jonge mensen van wie we mogen aannemen dat zij hun leven meer en meer op zelfstandige wijze aan het inrichten zijn. Ouders hebben daarbij een steeds minder grote of vergaande rol. Van de AOC’s en de verticale scholengemeenschappen maakt het voortgezet onderwijs deel uit, zodat er tevens leerlingen vanaf de leeftijd van 12 jaar zijn. Een dergelijke groep jonge leerlingen verdient in ieder geval (wettelijke) bescherming en ondersteuning, met name door de ouders. Daarin voorziet dit wetsvoorstel voor die bve-instellingen. Ter vergelijking, in de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) is voor het primair en voortgezet onderwijs wettelijk voorgeschreven dat ouders lid zijn van de medezeggenschapraad. Daaraan ligt een vergelijkbare redenering ten grondslag. Ik vind overigens de bemoeienis van ouders ook van groot belang in bve-instellingen waaraan geen voortgezet onderwijs verbonden is. Vandaar de verplichting om een ouderraad in te stellen als ouders daartoe het initiatief nemen.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de regering in 2005 stelde dat zij ook op langere termijn wilde vasthouden aan een stelsel van ongedeelde medezeggenschap in de bve-sector. Van dit stelsel wordt nu afgeweken. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten hoe het gezamenlijke belang dat deelnemers en personeel van de instelling hebben bij de kwaliteit en de organisatie van het onderwijs, zich tot de gedeelde zeggenschap verhoudt.

Naar aanleiding van een soortgelijke vraag van de leden van de CDA-fractie, heb ik reeds uitvoerig een antwoord gegeven. Kortheidshalve verwijs ik hier naar dat antwoord.

Tevens verzoeken de leden van de ChristenUnie-fractie de regering om toe te lichten in hoeverre de gedeelde medezeggenschapgevolgen heeft voor de invloed van het personeel op het onderwijskundig beleid.

Het oorspronkelijke wetsvoorstel bevatte alleen het professioneel statuut als waarborg voor de invloed van het personeel op onderwijskundig gebied. Hierbij ging het echter in het bijzonder om het waarborgen van de professionele ruimte van de leerkracht en niet om medezeggenschap als zodanig over het onderwijskundig beleid van het college van bestuur. Mede naar aanleiding van de vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie en van de overige fracties ben ik tot de overtuiging gekomen dat dit laatste ook wettelijk moet worden gewaarborgd. Daartoe heb ik heden een nota van wijziging ingediend, waarin expliciet medezeggenschap ten aanzien van het onderwijskundig beleid wordt toegekend aan de ondernemingsraad.

1.3. Overwogen alternatieven

De leden van de CDA-fractie vragen de regering wat voor de personeelsgeleding de feitelijke verschillen zijn in medezeggenschap tussen het functioneren als personeelsgeleding in de WMS en als ondernemingsraad volgens de WOR. Zij vragen de regering tevens om een verduidelijking van de verschillende argumenten met betrekking tot de WMO en de WMS; juist vanwege het verschil in karakter tussen onderwijs en onderneming is daarbij immers sprake van ongedeelde medezeggenschap.

In het schema dat naar aanleiding van vragen van de SP-fractie als bijlage bij deze nota naar aanleiding van het verslag is gevoegd, zijn de advies- en instemmingsbevoegdheden weergegeven die de verschillende raden hebben op grond van de WMO 1992 (de wet medezeggenschap onderwijs 1992) en het onderhavige wetsvoorstel en de WOR. De medezeggenschapsrechten die het personeel ontleent aan de WOR zijn dezelfde als die van werknemers in bedrijven en (overheids)instellingen. Een aantal bevoegdheden met betrekking tot onderwijsinhoudelijke zaken, die de WMO 1992 aan de medezeggenschapsraad c.q. de personeelsgeleding daarvan toekende, waren aanvankelijk niet in het onderhavig wetsvoorstel opgenomen. Inmiddels zijn deze bij nota van wijziging toegevoegd.

Bij de beschrijving van de alternatieven stelt de regering dat een aparte deelnemersraad bestuurlijk noodzakelijk is, aldus de leden van de CDA-fractie. Zij informeren naar de bestuurlijke argumenten die hieraan ten grondslag liggen.

In paragraaf 1.4 van de memorie van toelichting worden de verschillende alternatieven voor de verbetering van de medezeggenschap, en het verhogen van de participatie van de deelnemers in het bijzonder, overwogen, maar de argumenten voor de aparte deelnemersraad zijn op meer plekken terug te vinden. Het is een feit dat deelnemers in de huidige, ongedeelde, medezeggenschapsraden maar in zeer geringe mate participeren. En dat terwijl (zie ook paragraaf 2.5 van de memorie van toelichting) de medezeggenschap door (ondernemingsraden en) deelnemersraden juist een onmisbare schakel is in de totale keten van checks and balances binnen de instelling en een noodzakelijke randvoorwaarde voor goed bestuur. Alle andere alternatieven die zijn overwogen komen voor de deelnemers in belangrijke mate overeen met de huidige situatie en dáár moet nu juist verandering in komen.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of de regering kan verduidelijken wat bij medezeggenschap de concrete verschillen zijn tussen de bve-sector en het voortgezet onderwijs; het gaat daarbij immers om vrijwel dezelfde leeftijdscategorie en om personeel met gelijke belangen.

Het verschil tussen de bve-sector en het voortgezet onderwijs is wat de leeftijdscategorie betreft groter dan de vraagstellers veronderstellen. Zoals in de memorie van toelichting reeds is opgemerkt, is de gemiddelde leeftijd in de bbl-opleidingen 25 jaar, in de voltijdse bol-opleidingen 18 jaar, in de deeltijdse bol-opleidingen 31 jaar en voor de examendeelnemers (extraneï) 24 jaar. De gemiddelde leeftijd voor alle bve-deelnemers samen is bijna 21 jaar.

De personele belangen in de bve-sector zijn – uiteraard – vergelijkbaar met die in het voortgezet onderwijs. Ik ben er echter van overtuigd dat de belangen van het personeel in de bve-sector met dit wetsvoorstel minstens zo goed gediend zijn als dat het geval zou zijn bij ongedeelde medezeggenschap. Met dit wetsvoorstel worden zowel de deelnemers als het personeel optimaal in staat gesteld om mee te praten over hun specifieke belangen.

De leden van de CDA-fractie vragen of een ongelijkwaardige positie tussen deelnemers en personeel kan ontstaan door verschillen in de medezeggenschapsstatuten, dan wel via het professioneel statuut. Tevens vragen zij hoe dit zich verhoudt met het hoger onderwijs, dat wel een keuzemodel kent en waar 18 van de 23 instellingen kiezen voor een ongedeelde vorm van medezeggenschap. Deze leden willen weten waarom dit niet is meegewogen bij de keuzes tussen de alternatieven. Zij merken op dat de WMS kennelijk vanwege de ongedeelde medezeggenschap en de «ongelijkwaardige positie» als ondeugdelijk moet worden beschouwd. Juist waar vmbo en mbo in één instelling samen zijn, lijkt het van toepassing zijn van de WMS een adequate oplossing. Deze leden vragen de regering of ook zij van mening is dat met een keuzemodel meer recht wordt gedaan aan de grote diversiteit, in omvang en organisatie, van ROC’s.

De regering heeft geconstateerd dat het huidige model van ongedeelde medezeggenschap in de bve-sector niet werkt: de deelnemers participeren niet. In andere sectoren zoals het hoger onderwijs ligt dat anders. Studenten in het hoger onderwijs – in tegenstelling tot de deelnemers in de bve-sector – participeren zowel bij gedeelde als bij ongedeelde medezeggenschap. Daarom kan het in het hoger onderwijs aan de instellingen zelf worden overgelaten om uit beide modellen te kiezen. In het universitair onderwijs is zoals gezegd sprake van een keuzemodel. Van de 13 universiteiten heeft een kleine meerderheid gekozen voor een vorm van ongedeelde medezeggenschap.

Voor het hoger beroepsonderwijs bestaat op dit moment alleen nog ongedeelde medezeggenschap. In de strategische agenda zoals die voor het hoger onderwijs is vastgesteld wordt ook een keuzemodel aangekondigd voor het hoger beroepsonderwijs.

Ongedeelde medezeggenschap betekent in de bve-sector echter dat er formeel medezeggenschapsraden zijn waarin zowel de deelnemers als het personeel participeren, maar dat er in de praktijk veelal sprake is van medezeggenschapsraden waarin (nagenoeg) alleen personeel zitting heeft. Bij een keuzemodel is die mogelijkheid er nog steeds. Ik wil dat voorkomen. Het wetsvoorstel geeft de deelnemersraden instemmingsbevoegdheid ten aanzien van de medezeggenschapsstatuten; dat geeft hen van meet af aan een stevige positie.

De regering wijst het hanteren van zorgplicht als basisprincipe af. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij hiermee te kennen geeft dat het begrip «zorgplicht» bestuurlijk onvoldoende duidelijk is voor wetgeving.

Zoals in de memorie van toelichting is vermeld, past het in het regeringsbeleid om te bezien in hoeverre alternatieven (als een zorgplicht) voor gedetailleerde regelgeving kunnen worden ingezet, maar leent het onderhavige geval zich daar niet voor. In zijn algemeenheid acht de regering het begrip «zorgplicht» wel goed bruikbaar in wetgeving. Door het opleggen van een zorgplicht wordt beoogd dat degene aan wie of de instelling waaraan die plicht wordt opgelegd, een bepaald doel nastreeft of een bepaald resultaat bereikt zonder dat gestuurd wordt op het proces. Zorgplichten kunnen worden opgelegd als de verwachting is dat dit per saldo een beter resultaat (of tenminste eenzelfde resultaat tegen lagere kosten) oplevert. Het hangt af van het te bereiken doel of de keuze voor een zorgplicht het beste alternatief is. De regering is van mening dat voor het doel dat wordt nagestreefd met het onderhavige wetsvoorstel, te weten het waarborgen van de positie van deelnemers en personeel in het proces van medezeggenschap, de beperking tot een algemene zorgplicht voor medezeggenschap niet het beste alternatief is.

Bij de uiteindelijke keuze voor het alternatief van de gedeelde medezeggenschap via een deelnemersraad en een ondernemingsraad hanteert de regering argumenten die op zijn minst vaag te noemen zijn: passend bij de specifieke kenmerken van de bve, de positie van deelnemers en personeel, de verhoudingen tussen partijen. De leden van de CDA-fractie vragen de regering om een concretere argumentatie voor deze keuze.

De memorie van toelichting bevat vele argumenten en overwegingen om de keuze voor gedeelde medezeggenschap in de bve-sector te onderbouwen. Samenvattend komen deze op het volgende neer.

Het huidige medezeggenschapsmodel in de bve-sector werkt niet voor de deelnemers. In de medezeggenschapsraden komen te weinig onderwerpen aan de orde die relevant zijn voor de deelnemers. Zij worden bovendien gemakkelijk overvleugeld door de personeelsgeleding. De deelnemers worden hierdoor niet gestimuleerd om in de medezeggenschap te participeren. Een aparte deelnemersraad, waarin alleen zaken aan de orde komen die direct relevant zijn voor de deelnemers, hun positie binnen de instelling en de omstandigheden waaronder zij het onderwijs volgen, werkt als medezeggenschapsorgaan veel beter dan een voor de deelnemers onherkenbare medezeggenschapsraad.

Gegeven de keuze voor een zelfstandige deelnemersraad, ligt het vervolgens voor de hand om voor het personeel de WOR van toepassing te verklaren. De WOR is in beginsel van toepassing op zowel het bedrijfsleven als op publieke en semi-publieke sectoren, ook bijvoorbeeld voor zorginstellingen en ziekenhuizen. Er is een aantal uitzonderingen, waaronder dat deel van de onderwijssector waarvoor gedeelde medezeggenschap geldt. Omdat dat principe in dit wetsvoorstel voor de bve-sector wordt verlaten, is er geen reden meer de WOR voor de bve-sector buiten toepassing te verklaren. Wel worden nu door de nota van wijziging enige specifieke bevoegdheden – alle op onderwijsinhoudelijk vlak – aan de ondernemingsraad toegekend.

De leden van de PvdA-fractie memoreren dat zij bij de behandeling van de WMS hebben gepleit voor een keuzemodel, waarin scholen kunnen kiezen voor een WMS-constructie, maar ook voor een WOR-constructie. De leden vragen de regering naar haar concrete overwegingen om aan de bve-sector juist een WOR-constructie op te leggen. Tevens informeren zij naar de mogelijkheid om in de huidige medezeggenschapsregeling een geschillenregeling zoals in de WOR op te nemen.

In dit verband verwijs ik naar mijn hiervoor opgenomen reactie op het verzoek van de leden van de CDA-fractie om een concretere argumentatie te geven voor de keuze voor gedeelde medezeggenschap. Voorts blijkt naar mijn mening uit paragraaf 1.4 van de memorie van toelichting dat andere stelsels voor de bve-sector minder gunstig uitpakken.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom het keuzemodel de deelnemers en het personeel in een «ongelijkwaardige positie» kan brengen en waarom instellingen daarin niet onderling van elkaar zouden mogen verschillen. Ook willen zij weten in hoeverre voor deze optie onvoldoende draagvlak is gebleken.

In het bijzonder de deelnemers in de bve-sector zijn niet gebaat bij een keuzemodel, omdat dat met zich mee kan brengen dat deelnemers toch weer onderdeel uitmaken van een voor hen minder herkenbare medezeggenschapsraad, waarin zij niet volledig kunnen profiteren van alle instemmings- en adviesbevoegdheden die het onderhavige wetsvoorstel hen biedt. De deelnemers in medezeggenschapsraden in het WMS-model en de deelnemers in de deelnemersraden van het onderhavige wetsvoorstel zouden daarmee niet dezelfde rechten hebben. Ik vind dat ongewenst. Voor de optie van het keuzemodel was bij de dragende partijen (MBO Raad, JOB, vakbonden) juist geen enkel draagvlak te vinden.

1.4. Draagvlak

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de bestaande medezeggenschapsraden, inclusief het Platform Medezeggenschap BVE, na de publicatie van het wetsvoorstel vrij massaal hebben gereageerd. Deze reacties waren alle negatief. Ondertussen hebben ook het CNV en de UnieNFTO kritische kanttekeningen geplaatst, terwijl deze organisaties bij het opstellen van het wetsvoorstel betrokken zijn geweest. De leden van deze fractie vragen de regering een verklaring voor deze weerstand. Ook willen zij weten wat de betekenis daarvan is voor het draagvlak in het veld.

De MBO Raad is er bij de ontwikkeling van het wetsvoorstel in geslaagd om een volledig draagvlak voor het wetsvoorstel te realiseren bij alle partijen: werkgevers (MBO Raad), werknemers (alle vakorganisaties) en deelnemers (JOB). Op 30 augustus 2007 heb ik, nadat ik het concept-wetsvoorstel namens alle betrokkenen had ontvangen, met al deze partijen een eindbespreking gevoerd, waarin ik o.a. het draagvlak heb getoetst. Geen van de aanwezige partijen heeft zich toen van het wetsvoorstel gedistantieerd. CNV-Onderwijs en UnieNFTO waren bij deze bespreking aanwezig en hebben toen hun instemming betuigd met het concept-wetsvoorstel. In augustus 2007 kon ik samenvattend uitgaan van een volledig draagvlak bij alle partijen onder het concept-wetsvoorstel en dat was voor mij een van de doorslaggevende redenen om het wetsvoorstel voor te leggen aan het kabinet en vervolgens, na goedkeuring in het kabinet, aan de Tweede Kamer aan te bieden.

De signalen die ik inmiddels heb ontvangen, van zowel het Platform Medezeggenschap BVE als van individuele leraren hebben mij echter ervan overtuigd dat in het wetsvoorstel de bevoegdheden voor het personeel ten aanzien van het onderwijskundig beleid van de instelling té impliciet zijn gebleven. Ik acht het juist van het grootste belang dat de docenten als professionals, hun invloed op het onderwijskundig beleid kunnen uitoefenen. Vandaar de nota van wijziging, waarin een aantal bevoegdheden expliciet worden geregeld. Hoewel sommige vertegenwoordigers van leraren nog steeds vinden dat ongedeelde medezeggenschap de voorkeur verdient, wordt het draagvlak voor het wetsvoorstel door de toevoeging van bedoelde bevoegdheden aanzienlijk versterkt, zo is mij gebleken in gesprekken die met hen zijn gevoerd.

De leden van de PvdA-fractie zijn zich ervan bewust dat de MBO Raad een grote rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het wetsvoorstel. Deze branche- en werkgeversorganisatie stemt op hoofdlijnen in met het wetsvoorstel, maar tegelijkertijd ontvangen de leden van deze fractie talloze brieven van medezeggenschapsraden die het wetsvoorstel afwijzen. Deze medezeggenschapsraden zeggen zeer te hechten aan ongedeelde medezeggenschap en stemmen niet in met de overgang naar de WOR. De leden vragen de regering om op hun argumenten in te gaan. Ook vragen zij de regering hoe deze het draagvlak voor het wetsvoorstel in het bve-veld inschat en of de deelnemers (JOB), het personeel (onderwijsvakorganisaties, inclusief UnieNFTO) positief, negatief of neutraal tegenover het wetsvoorstel staan.

Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar de antwoorden die ik eerder in deze paragraaf heb gegeven op de vragen van de leden van de CDA-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om toe te lichten op welke wijze het Platform medezeggenschap BVE bij de voorbereidingen van het wetsvoorstel is betrokken en of er sprake is van draagvlak onder de medezeggenschapraden in de bve-sector.

Het overleg over het wetsvoorstel is gevoerd met de formele overlegorganisaties.

Het Platform medezeggenschap BVE maakt daar geen deel van uit.

Het personeel en de deelnemers werden dus al via resp. de vakorganisaties en de JOB vertegenwoordigd. Voor een reactie op de vraag over het draagvlak verwijs ik naar het antwoord dat ik eerder in deze paragraaf heb gegeven op een soortgelijke vraag van de leden van de CDA-fractie.

1.5. Vervolgstappen

De leden van de CDA-fractie vinden de mogelijkheid om deelnemers te belonen voor hun werk in de deelnemersraad sympathiek. In het licht van burgerschap is de deelname aan medezeggenschap een belangrijk leerpunt. De leden vragen de regering waarom zij hiervoor geen landelijke regeling voorstelt. Tevens willen zij van de regering weten waarom deelname in de ene deelnemersraad kennelijk wel wat waard is en in een andere niet.

Ik ben het met de leden van de CDA-fractie eens dat het aantrekkelijk is om deelname aan de medezeggenschapsraad ook te belonen door dit op een of andere manier mee te laten tellen voor het diploma, bijvoorbeeld als onderdeel van de burgerschapscompetenties. In de medezeggenschapsraad kan de deelnemer immers in de praktijk daarmee oefenen. Er is echter in het mbo geen sprake van een landelijke regeling op het terrein van studiepunten, dus ik kan geen specifieke voorschriften geven over het toekennen van studiepunten. Ik zal er wel bij de instellingen op aandringen om voor hun deelnemers een regeling op dit vlak te treffen.

De leden van de VVD-fractie wijzen op de suggestie van de regering om studiepunten te verbinden aan deelname aan de medezeggenschap voor deelnemers van de instelling; dit zou een stimulans kunnen zijn voor deelnemers om te participeren in de medezeggenschap. De leden zijn van mening dat hierin precies de zwakte van de voorstellen schuilt. De gedeelde medezeggenschap is op zich een verbetering, omdat deelnemers en personeel zich met heel verschillende zaken bezighouden, maar de participatie bij deelnemers blijft ver achter bij wat nodig zou zijn om de medezeggenschap serieus vorm te geven. Ook bij de gedeelde medezeggenschap blijft dit naar verwachting het geval. De leden vragen de regering welke concrete «flankerende maatregelen» zij voor ogen heeft als dit het geval blijft.

Ik ben ervan overtuigd dat de verplichte instelling van deelnemersraden binnen de mbo-instellingen een krachtige, nieuwe impuls zal betekenen voor de participatie van deelnemers. In paragraaf 1.6 van de memorie van toelichting zijn de vervolgstappen genoemd. Samen met de betrokken partijen zal ik graag in de zin van voorlichting en stimulering een bijdrage leveren aan de implementatie van de wet binnen de bve-sector. Er zal onder meer een PR-campagne worden opgezet, in overleg tussen de MBO Raad, de JOB en mijn ministerie.

2. PERSONEEL, PROFESSIONEEL STATUUT EN RAAD VAN TOEZICHT

Verschillende fracties hebben vragen gesteld over het professioneel statuut. Alvorens op de afzonderlijke vragen in te gaan, wil ik allereerst ingaan op de relatie van het professioneel statuut, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, met de afspraken die over dit onderwerp gemaakt zijn in het convenant Leerkracht van Nederland.

Met de bepaling dat met het oog op de voordurende verbetering van de professionaliteit van het personeel door of namens de bevoegde gezagsorganen in overeenstemming met de vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel een professioneel statuut wordt vastgesteld, liep dit wetsvoorstel vooruit op de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de uitwerking van het actieplan Leerkracht van Nederland in het Convenant Leerkracht van Nederland. In dit convenant hebben de sociale partners in de bve-sector en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opgenomen dat de positie van de leraar in de school wordt versterkt doordat de professionele ruimte- de interne zeggenschap van de leraar ten aanzien van het ontwerp en de uitvoering van het onderwijskundig en kwaliteitsbeleid van de school – onderdeel wordt van de zorg van het bevoegd gezag voor goed bestuur. Professionele ruimte behelst tevens rekenschap geven over de kwaliteit van het werk. Het convenant bepaalt dat in lijn daarmee in een wettelijk kader worden verankerd:

• de professionele ruimte van de leraar;

• het uitgangspunt dat leraren in samenwerking met collega’s vorm en inhoud geven aan die professionele ruimte;

• dat zij dat doen in samenspraak met bestuur en management, binnen de beleidsmatige en organisatorische kaders die zijn afgesproken, binnen de kaders van de eindverantwoordelijkheid van het bevoegd gezag;

• het uitgangspunt dat bestuur, management én leraren in onderling overleg beslissen en vastleggen hoe de interne zeggenschap van leraren wordt georganiseerd.

Deze uitgangspunten moeten op grond van het convenant nader worden uitgewerkt in een professioneel statuut. De wettelijke verankering zal voor alle betrokken onderwijssectoren gezamenlijk worden uitgewerkt. Het gaat dan om een aanvulling op datgene wat nu al in het wetsvoorstel medezeggenschap is neergelegd.

De «professionele ruimte» van de leraar en de wijze waarop daaraan vorm en inhoud wordt gegeven zijn dus belangrijke elementen in het professioneel statuut. De uitgangspunten sluiten overigens ook volledig aan bij de ontwikkelingen in de bve-sector waar wordt gewerkt in onderwijsteams en de «professionele ruimte» feitelijk al wordt geboden binnen deze teams. In de CAO BVE 2007–2009 is bepaald dat de onderwijsteams in overleg met de leidinggevende de werkzaamheden verdelen. In collegiaal verband wordt derhalve zowel overleg gepleegd over de wijze waarop het onderwijs vorm wordt gegeven als over de verdeling van de werkzaamheden. Als hieraan uitwerking wordt gegeven in het professioneel statuut, wordt ten volle recht gedaan aan de «professionele ruimte» voor de leraar.

Over de wijze waarop het overleg tussen bestuur, management en het bij het onderwijs betrokken personeel plaatsvindt kunnen op instellingsniveau nadere afspraken worden gemaakt.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of deze verwacht dat het professioneel statuut in de plaats komt van wettelijke regelingen, zonder dat dit inhoudelijk in de wet wordt geborgd. Tevens vragen zij of de regering voornemens is om het professioneel statuut inhoudelijk te toetsen of daaromtrent regels op te stellen.

Het professioneel statuut komt niet in de plaats van maar in aanvulling op wettelijke regelingen. De uitwerking van het professioneel statuut wordt binnen de wettelijke kaders en met inachtneming van de afspraken in het convenant aan de professionaliteit van de betrokkenen overgelaten. De inhoudelijke en procedurele borging van het professioneel statuut ligt in het Convenant Leerkracht van Nederland; de wettelijke verankering daarvan wordt voor alle betrokken onderwijssectoren gezamenlijk ter hand genomen.

Verder willen de leden van de CDA-fractie weten of de regering verwacht dat de professionele betrokkenheid van de docent, die onder andere door de commissie-Rinnooij Kan sterk is benadrukt, wel voldoende tot zijn recht komt als het professioneel statuut landelijk wordt opgesteld door werkgevers- en werknemersorganisaties.

Het wetsvoorstel verplicht niet tot een landelijke opstelling van het professioneel statuut. Partijen kunnen daarvoor kiezen omdat door een landelijk professioneel statuut de herkenbaarheid en het eigen karakter van de bve-sector worden onderstreept en er een gezamenlijk kader is. Dat laat onverlet dat ook een landelijk professioneel statuut ruimte moet bieden om binnen de gegeven kaders de eigenheid van de instelling vorm te geven. Er is dus ruimte om het professioneel statuut binnen de instellingen nader uit te werken, zodat rekening kan worden gehouden met instellingspecifieke omstandigheden.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of de combinatie van WOR en professioneel statuut zorg draagt voor een naadloze overgang van de WMO naar de WOR en of een antwoord op deze vraag niet pas kan worden gegeven als een concept van het professioneel statuut beschikbaar is.

Zoals hierboven reeds is aangegeven wordt het aan de betrokken partijen overgelaten om verder vorm en inhoud te geven aan het professioneel statuut.

De ondernemingsraad betreft al het personeel en niet alleen het onderwijsgevende personeel. De leden van de CDA-fractie vragen, in hoeverre dit gegeven in een professioneel statuut terugkomt. Tevens vragen zij de regering op welke wijze zij recht meent te doen aan de invloed op het onderwijskundig beleid van de instelling. Naast het professioneel statuut, waarin zaken zijn geregeld voor de medewerker als individu, dient volgens deze leden op zijn minst ruimte te bestaan voor een docentenraad, waarin het collectief over de educatief-professionele autonomie beschikt op het gebied van het onderwijskundig beleid. De leden van de CDA-fractie vragen om een reactie op het invoegen van een docentenraad in het systeem van medezeggenschap, teneinde de invloed van de uitvoerende docenten te borgen.

Het professioneel statuut is in dit wetsvoorstel ook bedoeld voor het gehele personeel, maar natuurlijk ligt het voor de hand dat in het statuut specifieke afspraken worden gemaakt over de betrokkenheid van de onderwijsgevenden bij het onderwijskundig beleid van de instelling. Dat is ook het uitgangspunt van de afspraken in meergenoemd convenant Leerkracht van Nederland. Op instellingsniveau kunnen die nog verder worden uitgewerkt. Het invoegen van een docentenraad in het systeem van medezeggenschap acht ik niet nodig en bovendien maakt het verlenen van formele medezeggenschap aan een docentenraad naast de medezeggenschapsbevoegdheden van de ondernemingsraad de medezeggenschapsstructuur nodeloos ingewikkeld.

Verder wijzen de leden van de CDA-fractie erop dat in het wetsvoorstel een bindende voordracht door het personeel voor een lid van de raad van toezicht wordt opgenomen. Zij vragen hoe dit zich verhoudt met het zojuist verschenen evaluatierapport van de Governancecode MBO, waarin juist wordt afgewezen om iemand op bindende voordracht te benoemen, omdat dit de onafhankelijkheid van de raad van toezicht aantast.

Ik heb kennis genomen van het rapport «Goed bestuur in het mbo» van de Onafhankelijke Commissie Governance Code BVE en het daarin opgenomen standpunt tegen het genoemde recht op bindende voordracht van de ondernemingsraad voor een lid van de raad van toezicht. Ik heb dit recht in het wetsvoorstel medezeggenschap opgenomen in aansluiting op de eerste termijn van de kamerbehandeling van het voorstel tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht (Kamerstukken II 2007/08, 30 599) op 13 september 2007. In dit debat zijn door kamerleden diverse zorgen geuit over de positie en samenstelling van raden van toezicht. In antwoord op deze zorgen heb ik het wetsvoorstel medezeggenschap aangevuld met het voordrachtrecht voor de ondernemingsraad en het adviesrecht voor de ondernemingsraad en de deelnemersraad over de profielen voor de leden van de raad van toezicht. Het standpunt van de Onafhankelijke Commissie Governance Code BVE respecteer ik, maar deel ik niet. Het voordrachtrecht en het adviesrecht beschouw ik als goede instrumenten om – in het kader van goed bestuur – de relaties tussen de raad van toezicht en het personeel en de deelnemers als interne belanghebbenden te versterken.

Ik deel overigens de opvatting dat de raad van toezicht onafhankelijk moet zijn. Om die reden is in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen (Artikel IV, onder E) dat de leden van de raad van toezicht in de raad op persoonlijke titel zitting hebben en hun functie zonder last of ruggespraak uitoefenen.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie of het personeel met een dergelijke bindende voordracht niet tweemaal invloed heeft op de raad van toezicht, namelijk via de profielen voor alle leden en via de bindende voordracht voor één lid.

Het personeel kan (door middel van de ondernemingsraad) inderdaad op twee manieren invloed uitoefenen op de samenstelling van de raad van toezicht. Ik zie dit echter niet als een bezwaar. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, is voor deze regeling gekozen naar aanleiding van het debat met de Tweede Kamer op 13 september 2007 over het wetsvoorstel wijziging WEB inzake colleges van bestuur en raden van toezicht. (Handelingen II 2007/08, blz. 96–5409 – 96–5415). Zie in dit verband ook de bij voornoemd wetsvoorstel ingediende amendementen en mijn brief van 20 december 2007 (Kamerstukken II 2007/08, 30 599, nrs. 8, 10 en 11).

Ook vragen de leden van de CDA-fractie of niet de raad van toezicht, maar juist het college van bestuur de relaties met betrokken groeperingen dient te onderhouden; de raad van toezicht dreigt immers via de bindende voordracht op de stoel van het college van bestuur terecht te komen.

Het is inderdaad de taak van het college van bestuur en niet van de raad van toezicht om de relaties met de verschillende soorten belanghebbenden te onderhouden. Niet in te zien valt echter dat de raad van toezicht door de bindende voordracht op de stoel van het college van bestuur terecht kan komen. Ook een op bindende voordracht benoemd lid van de raad van toezicht dient immers te opereren zonder last of ruggespraak, zodat belanghebbenden geen invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming van de raad van toezicht.

Tevens vragen deze leden de regering naar de rechtvaardiging van het opnemen van een bindende voordracht in het wetsvoorstel, als daarin zelf al wordt gesproken van een mogelijk tijdelijke constructie; getuige haar toelichting op artikel VIII, lijkt de regering het zelf als onwenselijk te zien.

In de toelichting op artikel VIII wordt een evaluatie aangekondigd van de toepassing van de bindende voordracht en het adviesrecht met betrekking tot de profielen van leden van de raad van toezicht. Tot deze evaluatie is besloten omdat het gaat om twee nieuwe constructies waarvan de werking in de praktijk nog niet bekend is. Bij de evaluatie kan duidelijk worden of de constructies de onafhankelijkheid van het interne toezicht vergroten of juist verkleinen. Afhankelijk daarvan kan worden besloten om de constructies te handhaven, te schrappen of aan te passen.

Ten aanzien van de bevoegdheid van de OR in het wetsvoorstel om dwingende voordracht te doen voor een lid van de raad van toezicht, vragen de leden van de CDA-fractie waarom hier niet wordt aangesloten bij de formulering, zoals die is opgenomen in de Wet Universitaire Bestuurshervorming.

Tijdens de plenaire behandeling op 26 maart jl. van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht (Kamerstukken II 2005/06, 30 599, nr. 2) is deze vraag reeds aan de orde geweest. Voor de volledigheid ga ik er in het kader van dit verslag opnieuw op in.

De Wet universitaire bestuurshervorming (WUB) is een wet uit 1970 die de toenmalige Wet op het wetenschappelijk onderwijs wijzigde. De WUB voerde het zogenaamde participatiemodel in: studenten en personeel zaten als lid in de bestuurlijke organen van de instelling, dat wil zeggen dat zij rechtstreeks deelnamen aan het algemeen bestuur van de instelling («medebestuur»). Enkele elementen van medebestuur volgens dat participatiemodel:

• de universiteit kende 2 organen: het college van bestuur en de universiteitsraad;

• in de universiteitsraad zaten personeel en studenten gezamenlijk;

• het college van bestuur voerde besluiten van de universiteitsraad uit en legde er verantwoording aan af;

• de universiteitsraad had een aantal bestuurstaken (onder andere het vaststellen van het bestuursreglement «ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de universiteit», van het instellingsplan en van de begroting), alsmede een aantal toezichts- en controletaken (onder andere verantwoording door het college van bestuur, en de goedkeuring van het jaarverslag).

Bij de vervanging in 1992 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs door de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) maakte het participatiemodel er nog deel van uit. In dit model was geen sprake van een zelfstandig orgaan dat als «raad van toezicht» door het leven ging. Een bepaling uit de WUB als voorbeeld nemen voor de nu voorgestelde voordracht voor een lid van de raad van toezicht, is in mijn ogen derhalve niet mogelijk. Voor de volledigheid: het participatiemodel van de WUB is in 1997 afgeschaft bij de Wet modernisering universitaire bestuursorganisatie (MUB). Ervoor in de plaats kwam de mogelijkheid te kiezen voor gedeelde of ongedeelde medezeggenschap, het model zoals we dat voor het wetenschappelijk onderwijs nu nog kennen.

Voor de leden van de PvdA-fractie is nog veel onduidelijk over het professioneel statuut. Het onderwijsveld is bezorgd dat de bestaande helderheid wordt ingeruild voor een regeling die nog uitwerking moet krijgen. De leden vragen de regering om de zorgen uit het veld weg te nemen en toe te lichten in hoeverre het inmiddels duidelijk is dat het professioneel statuut de betrokkenheid van onderwijspersoneel als professionals zal waarborgen.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de antwoorden die ik hiervoor heb gegeven op soortgelijke vragen van de CDA-fractie (inleidende stuk en eerste vier vragen in paragraaf 2).

De leden van de PvdA-fractie hechten eraan dat de raden van toezicht een afspiegeling vormen van de regio en dat studenten, docenten, het regionale bedrijfsleven en misschien ook de lokale overheid op een of andere manier een formele positie krijgen bij het vaststellen van het profiel van de raad van toezicht. Iets dergelijks gebeurt ook bij woningcorporaties. De MBO Raad formuleert echter bezwaren tegen het wettelijk verankeren van een bindend voordrachtrecht van de ondernemingsraad voor een lid van de raad van toezicht. De leden van deze fractie vragen de regering om op deze bezwaren te reageren.

Met het wettelijk verankeren van een voordrachtrecht van de ondernemingsraad heb ik tegemoet willen komen aan de wensen van de Tweede Kamer, naar voren gebracht in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel «Wijziging van de wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht». Bij brief van 8 november 2007 (Kamerstukken II 2007/08, 27 451 en 30 599, nr. 78) heb ik uiteengezet op welke wijze ik aan de wensen van de Kamer tegemoet wilde komen. Dat is voor uw Kamer mede aanleiding geweest om (met algemene stemmen) het wetsvoorstel te aanvaarden. De bezwaren die de MBO Raad aanvoert in zijn brief van 10 december 2007 zijn, kort samengevat:

1. Het wettelijk verankeren van een bindend voordrachtrecht doet geen recht aan de onafhankelijke positie van de raad van toezicht.

2. Een bindend voordrachtrecht én adviesrecht bij de profielen voor leden van de raad van toezicht betekent dubbele zeggenschap.

3. Het onderhouden van goede relaties met de stakeholders is een primaire verantwoordelijkheid van het college van bestuur.

4. Risico van precedentwerking.

5. Bij een kleine raad van toezicht is de benoemingsruimte beperkt.

6. Er is al een groeiende praktijk van open werving.

Ik deel de bezwaren van de MBO Raad niet. Met het eerste punt ben ik het niet eens. Ook de regering vindt de onafhankelijke positie van groot belang. Een door de OR voorgedragen lid van de raad van toezicht zit dan ook nadrukkelijk niet namens het personeel in de raad. Het tweede punt zie ik niet als een bezwaar. Het derde (en zesde) punt verhouden zich prima met een voordrachtrecht. Het risico van precedentwerking, genoemd in het vierde punt, acht ik beperkt: dat zou dan toch in ieder geval medewerking van de wetgever vereisen. Bij het vijfde punt moet bedacht worden dat ook in dit geval de voorgedragene binnen de profielen moet passen; dat de benoemingsruimte beperkt zou worden door een voordrachtrecht is dan ook naar mijn mening niet aan de orde.

Bij de oude regeling voor de medezeggenschap in de bve-sector biedt de medezeggenschapsstructuur de raad ook de gelegenheid om zich te bemoeien met de onderwijsinhoud, de begroting en het taakbeleid. De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre de wettelijke bevoegdheden in dezen blijven bestaan binnen de voorgestelde structuur en welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen.

De bestaande rechten van het personeel zijn ook met dit wetsvoorstel geborgd. De WOR biedt de ondernemingsraad de mogelijkheid om naast de bijzondere bevoegdheden van artikel 25 (adviesbevoegdheid) en artikel 27 (instemmingsbevoegdheid) op grond van artikel 23 overleg te voeren over aangelegenheden de onderneming betreffende en is bevoegd daaromtrent voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Tevens biedt de WOR in artikel 32 de mogelijkheid verdere bevoegdheden aan de ondernemingsraad toe te kennen. Ik heb, zoals eerder aangegeven, gemerkt dat er zorg was omdat thans in de WMO geregelde bevoegdheden niet expliciet terugkwamen in het wetsvoorstel. De heden ingediende nota van wijziging brengt daar verandering in. Daarnaast biedt het professioneel statuut de mogelijkheid over de betrokkenheid van het personeel bij het onderwijsbeleid nadere afspraken te maken.

Het Platform medezeggenschap BVE stelt dat het begrip «maatschappelijke onderneming» niet van toepassing is op de dagelijkse onderwijspraktijk van leraren en leerlingen. De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering hoe zij dit bezwaar beoordeelt en welke consequenties zij daaraan verbindt.

De leden van de CDA-fractie hebben over het begrip «maatschappelijke onderneming» eerder soortgelijke vragen gesteld. Voor een antwoord verwijs ik dan ook naar hetgeen ik daarover heb opgemerkt (zie paragraaf 1.1 van deze nota naar aanleiding van het verslag).

De leden van de SP-fractie vragen de regering in hoeverre het professioneel statuut de plaats kan innemen van de wettelijk verankerde medezeggenschap en in hoeverre is gegarandeerd dat professionals hun huidige bevoegdheden behouden, laat staan dat zij deze zien worden uitgebreid. Deze leden wijzen op de claim van het Platform Medezeggenschap BVE dat de invoering van deze wet betekent dat de medezeggenschap van het personeel met dit wetsvoorstel wordt beperkt: het personeel zal na invoering van deze wet geen directe bevoegdheden hebben over de begroting, het onderwijs en het taakbeleid. De leden van deze fractie vernemen graag van de regering of deze bewering klopt.

Ik verwijs naar het antwoord op soortgelijke vragen in paragraaf 1.1. van deze nota naar aanleiding van het verslag.

De leden van de SP-fractie vragen van de regering een duidelijk, transparant en schematisch overzicht van de rechten op het gebied van arbeidsvoorwaarden, organisatie en onderwijs die deelnemers, personeel en ouders nu hebben in de WMO en de rechten die zij krijgen na de invoering van dit wetsvoorstel. Tevens vragen zij of daarbij kan worden aangegeven welke rechten worden versterkt, welke worden verzwakt, welke verdwijnen, welke veranderen en welke worden toegevoegd.

In het schema dat als bijlage bij deze nota naar aanleiding van het verslag is gevoegd, zijn de advies- en instemmingsbevoegdheden weergegeven die de verschillende raden hebben op grond van de WMO 1992 en het wetsvoorstel medezeggenschap bve en de WOR. Voor het personeel regelt het wetsvoorstel ook nog het professioneel statuut (het professioneel statuut is niet in het schema opgenomen).

De rechten met betrekking tot medezeggenschap die het personeel ontleent aan de WOR zijn dezelfde als die van andere werknemers in bedrijven en instellingen. De nadruk ligt daarbij op de medezeggenschap met betrekking tot de positie van het personeel als werknemer binnen zijn organisatie. Het gaat over het strategisch beleid en regelingen op het terrein van personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid. Uit het schema zou de indruk kunnen ontstaan dat de zeggenschap inzake de meer onderwijsinhoudelijke aspecten, die wél geregeld was in de WMO 1992, door het onderhavige wetsvoorstel wordt ingeperkt. Dát is niet de bedoeling. Door de introductie van het professioneel statuut werd juist beoogd – zie bijvoorbeeld paragraaf 2.3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel – de positie van het personeel als professional te versterken. Voorbeeldsgewijs is aangegeven dat in het professioneel statuut afspraken kunnen worden gemaakt over zaken als het beleid met betrekking tot deskundigheidsbevordering van het personeel, de wijze waarop het personeel wordt betrokken bij de vormgeving van onderwijs en examens, bij interne kwaliteitszorg en bij de ontwikkeling van goed bestuur te borgen. Zie ook de antwoorden op de vragen van diverse vragen over het professioneel statuut. Inmiddels, zo heb ik in de antwoorden op eerdere vragen aangegeven, ben ik tot de conclusie gekomen dat de medezeggenschap inzake de meer onderwijsinhoudelijke zaken moet worden geëxpliciteerd en heb ik een daartoe strekkende nota van wijziging ingediend.

Al met al concludeer ik, dat door het wetsvoorstel de rechten van het personeel worden versterkt.

3. DE ONDERNEMINGSRAAD

De leden van de PvdA-fractie hebben begrepen dat de vergoeding voor ondernemingsraadleden aanmerkelijk minder gunstig is dan die voor leden van de medezeggenschapsraden. De leden van deze fractie vragen de regering wat dit gaat betekenen voor de bereidheid van werknemers om zich kandidaat te stellen voor de ondernemingsraad.

De huidige medezeggenschapsregelgeving, neergelegd in de WMO 1992, voorziet niet in een financiële tegemoetkoming aan de leden van de medezeggenschapsraad en ook de WOR bevat geen voorschriften voor een vergoeding aan leden van een ondernemingsraad. Wel bevatten de artikelen 16 tot en met 22 van de WOR een aantal regels voor de financiële en materiële ondersteuning van de ondernemingsraad door de ondernemer.

Met andere woorden: er is geen reden om te veronderstellen dat het wetsvoorstel negatieve gevolgen zal hebben voor de bereidheid om zitting te nemen in de ondernemingsraad.

4. ADMINISTRATIEVE LASTEN VOOR INSTELLINGEN EN BURGERS

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of het overleg van en tussen verschillende organen leidt tot onnodige lastenverzwaring en vermindering van transparantie, juist nu dit zo van wetgeving wordt gevraagd.

Zoals in paragraaf 7 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven, worden de administratieve lasten voor instellingen door het wetsvoorstel verhoogd met 25 780 euro op jaarbasis. Dit is gemiddeld per instelling 368 euro per jaar. Dit is een geringe lastenstijging, die gerechtvaardigd wordt door de verbetering van de medezeggenschap als gevolg van het wetsvoorstel.

De transparantie van de medezeggenschap wordt juist groter door de vervanging van ongedeelde medezeggenschap (met instemmings- en adviesbevoegdheden voor de medezeggenschapsraad als geheel en voor de personeelsgeleding en de ouder/leerlinggeleding van die raad afzonderlijk) door gedeelde medezeggenschap (met instemmings- en adviesbevoegdheden voor drie duidelijk van elkaar gescheiden raden).

5. ADVIES VAN DE ONDERWIJSRAAD

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de regering, verwijzend naar een eerder uitgebracht advies, het advies van de Onderwijsraad minder relevant acht. Het weglaten van de inhoud van het advies (tegen gedeelde medezeggenschap, tegen één centrale geschillencommissie, met een nadruk op keuzevrijheid en maatwerk) lijkt deze leden een omissie. Zij vragen de regering of een aanvullend advies niet op zijn plaats was geweest.

De regering heeft ervan afgezien om de Onderwijsraad om een aanvullend advies te vragen, gelet op de eenparigheid tussen de diverse partijen – waaronder niet in de laatste plaats JOB – met betrekking tot de keuze voor gedeelde medezeggenschap. Zoals in de memorie van toelichting is gemeld, was er geen reden was om te veronderstellen dat de Onderwijsraad met een ander advies zou komen dan de adviezen die hij eerder heeft uitgebracht.

II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdeel C

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om de kaders te specificeren waaraan een professioneel statuut dient te voldoen; te denken valt hierbij aan de onderwerpen die aan de orde dienen te komen en de minimale eisen.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord dat ik hiervoor heb gegeven op een soortgelijke vraag van deze leden (eerste vraag in paragraaf 2).

Artikel 8a.1.2

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of in de beschrijving van de deelnemers geen onderscheid gemaakt dient te worden tussen de verschillende deelnemersgroepen (duaal/voltijds, educatie etc.).

Er is geen aanleiding om de verschillende deelnemersgroepen verschillende medezeggenschapsbevoegdheden te geven. Alle in het wetsvoorstel opgenomen bepalingen over de deelnemersraad zijn zo algemeen geformuleerd, dat ze van toepassing kunnen zijn op alle deelnemersgroepen.

Artikel 8a.1.3

Aanvullend op hun vraag over de benodigde hoeveelheid ouders voor het doen instellen van een ouderraad, verzoeken de leden van de CDA-fractie de regering om een duiding van haar opmerking dat de ouderraad in het bijzonder de belangen van de deelnemers jonger dan 18 jaar behartigt. Het risico bestaat dat de ouderraad hierdoor over alle voorkomende onderwerpen wordt geraadpleegd. De leden vragen de regering, hoe een sluitend onderscheid kan worden gemaakt tussen de belangen van deelnemers van 18 jaar en ouder en van de groep jonger dan 18 jaar.

De opmerking dat de ouderraad in het bijzonder de belangen van de deelnemers jonger dan 18 jaar behartigt, heeft betrekking op de verplichte ouderraad, bedoeld in artikel 8a.1.3, tweede lid, WEB. Het gaat hierbij om ouderraden bij scholengemeenschappen, bestaande uit een ROC en een school voor voortgezet onderwijs, en bij agrarische opleidingscentra. Bij al deze instellingen wordt zowel voortgezet onderwijs als middelbaar beroepsonderwijs gegeven. Voornoemde ouderraad heeft een instemmingsrecht met betrekking tot het medezeggenschapsstatuut en kan dus zelf bepalen over welke onderwerpen hij wil worden geraadpleegd. Naar verwachting zal de nadruk liggen op onderwerpen die het voortgezet onderwijs betreffen, omdat de deelnemers die jonger zijn dan 18 jaar vooral in deze onderwijsvorm te vinden zijn.

Artikel 8a.1.4

De leden van de CDA-fractie vragen, hoe de omschrijving van de zorgplicht medezeggenschap in dit artikel zich verhoudt tot het afwijzen van de zorgplicht als een geldig criterium bij het omschrijven van de alternatieve medezeggenschapsmodellen.

Bij een eerdere vraag van de leden van de CDA-fractie (zie paragraaf 1.3 van deze nota naar aanleiding van het verslag heb ik aangegeven dat gelet op het doel van dit wetsvoorstel, te weten het waarborgen van de positie van deelnemers en personeel in het proces van medezeggenschap, de beperking tot een algemene zorgplicht voor medezeggenschap niet het beste alternatief is. Daarom is een uitgewerkte regeling opgenomen voor de bevoegdheden, het reglement en de geschillen. Voor de organisatie van de medezeggenschap kan naar mijn mening wel worden volstaan met een zorgplicht. Deze is opgenomen in artikel 8a.1.4. Het doel van dit artikel, te weten een goed functionerende en effectieve medezeggenschap, wordt naar mijn oordeel het beste bereikt door de uitwerking over te laten aan de instellingen. Deze beperkte zorgplicht verdraagt zich goed met de afwijzing van een algeméne zorgplicht voor medezeggenschap.

Artikel 8a.2.1

De leden van de CDA-fractie vragen, aan wie de deelnemersraad verslag doet en wat het doel is van het verslag.

De deelnemersraad doet natuurlijk primair verslag aan zijn achterban (de deelnemers), maar ook aan de docenten en anderen die bij het onderwijs betrokken zijn – de onderwijsgemeenschap. Doel is om alle betrokkenen te informeren over de werkzaamheden van de raad in het afgelopen jaar en uiteraard over de daarmee bereikte resultaten.

Artikel 8a.2.2

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of, aansluitend aan het adviesrecht over fusie, ook een fusietoets dient te worden opgenomen in het professioneel statuut.

Het ligt niet in de rede om een fusietoets op te doen nemen in het professioneel statuut omdat de ondernemingsraad al een wettelijk adviesrecht heeft ten aanzien van een besluit tot fusie en een instemmingsrecht inzake de personele gevolgen van een fusie. In de brief van 28 november 2008 over de menselijke maat in het onderwijs (Kamerstukken II 2008/09, 31 135, nr. 16) zijn overigens een aantal voornemens neergelegd ten aanzien van de fusietoets. Het uitwerken van deze voornemens is met spoed in gang gezet. Een ervan nemen we nu al mee in het wetsvoorstel: het adviesrecht voor de deelnemersraad op voorgenomen fusies (zie de nota van wijziging).

Artikel 8a.4.1

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in hoeverre het instellen van één landelijke geschillencommissie zal leiden tot een grotere afstand en een geringere herkenbaarheid en bereikbaarheid van de geschillenafhandeling.

Beoogd wordt om met de instelling van één landelijke geschillencommissie op het gebied van de medezeggenschap te komen tot één sterke beroepsinstantie voor de gehele bve-sector en harmonisatie van de toepassing van de medezeggenschapsbepalingen. De herkenbaarbaarheid wordt naar mijn mening eerder vergroot dan verkleind door de beperking tot één geschillencommissie. Van een grotere reisafstand zal in zijn algemeenheid geen sprake zijn, gelet op het feit dat ook de bestaande geschillencommissies op het gebied van de medezeggenschap landelijk opereren.

Artikel 8a.5.1

De leden van de CDA-fractie vragen de regering welke afwijkingen van dit wetsvoorstel zij wenselijk of denkbaar acht op grond van godsdienstige of levensbeschouwelijke gronden, en of hierin via artikel 8a.5.1 dient te worden voorzien.

Zoals reeds is opgemerkt in de memorie van toelichting (zie de toelichting op artikel 8a.5.1), verdraagt een volledige ontheffingsmogelijkheid van de wettelijke voorschriften over medezeggenschap op grond van godsdienstige of levenbeschouwelijke overtuiging zich naar de mening van het kabinet niet met de ontwikkeling naar meer autonomie voor en beleidsverantwoordelijkheid van de besturen van instellingen. Artikel 8a.5.1 staat onder bepaalde voorwaarden wel een beperkte afwijking van de medezeggenschapsbepalingen voor de deelnemersraad toe, te weten het omzetten van een of meer instemmingsrechten in een of meer adviesrechten. Een dergelijke afwijking is alleen mogelijk op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de instelling ten grondslag ligt. Voorts moet advies worden gevraagd aan de deelnemersraad en moet de afwijking worden ondersteund door twee derden van de deelnemers. Het bevoegd gezag kan in beginsel alle instemmingsrechten omzetten in adviesrechten (als twee derden van de deelnemers daarmee instemt). Gelet op de belangen van de deelnemers acht ik het echter wenselijk dat de afwijkingen tot een minimum worden beperkt.

Artikel IV

De leden van de CDA-fractie verzoeken, onder verwijzing naar artikel 9.1.4, lid 2, om een toelichting op de veronderstelde belangenbehartiging bij het doen van een bindende voordracht voor een lid van de raad van toezicht door de ondernemingsraad.

Naar mijn mening is geen sprake van belangenbehartiging als de ondernemingsraad gebruik maakt van zijn recht om een bindende voordracht te doen voor een lid van de raad van toezicht. De taak van de raad van toezicht is en blijft het uitoefenen van intern toezicht. Om geen enkel misverstand te laten ontstaan, wordt met dit wetsvoorstel aan het vijfde lid van dit artikel een bepaling toegevoegd dat de leden van de raad van toezicht op persoonlijke titel zitting hebben en zonder last of ruggespraak hun functie uitoefenen. Voor alle duidelijkheid merk ik op dat de door de ondernemingsraad voor te dragen kandidaat zelf geen lid van de ondernemingsraad kan zijn.

Artikel V

De leden van de CDA-fractie vragen hoeveel bve-instellingen minder dan 50 medewerkers hebben en derhalve niet onder de WOR vallen.

Er zijn in de bve-sector drie instellingen met minder dan 50 werknemers.

Artikel VI

De leden van de CDA-fractie vragen wat er gebeurt als er geen deelnemersgeleding actief is in een medezeggenschapsraad. Volgens de JOB komt het bij een flink aantal instellingen voor dat er in de medezeggenschapsraad geen deelnemersgeleding is die de voorlopige deelnemersraad kan vormen. Deze leden vragen hoe het medezeggenschapsstatuut in dat geval wordt vastgesteld. Tevens vragen deze leden wie kan ingrijpen indien de betrokken partijen er niet in slagen binnen drie maanden tot een medezeggenschapsstatuut te besluiten.

Mochten er geen deelnemers in de medezeggenschapsraad zitting hebben, dan dient het bevoegd gezag op grond van artikel 8a.1.4 alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat er snel een deelnemersraad komt. Ook moet het bevoegd gezag al een voorstel voor een medezeggenschapsstatuut opstellen. Dat kan niet worden vastgesteld zolang er geen (voorlopige) deelnemersraad is. De besluitvorming over het medezeggenschapsstatuut is niet aan een termijn gebonden. De plicht, alles in het werk te stellen om tot een goed functionerende medezeggenschap van deelnemers te komen is een voorwaarde voor bekostiging. Bij instellingen die daarin tekort schieten, kan dus een sanctie worden opgelegd. Voor de goede orde merk ik op, dat ook zolang er nog geen deelnemersraad is, de medezeggenschap van het personeel via de ondernemingsraad gewoon kan functioneren.

Artikel IX

De leden van de CDA-fractie verzoeken om een toelichting op het voorbehoud op de inwerkingstelling. Tevens vragen zij welke problemen de regering hierbij voorziet.

Het noemen van een concrete datum voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is niet noodzakelijk. De maatregelen kunnen in beginsel op elk moment, los van bijvoorbeeld het begin van het school- of kalenderjaar, in werking treden. In principe kunnen alle bepalingen tegelijk in werking treden en worden geen problemen voorzien.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

BIJLAGE

WMO 1992; ongedeelde medezeggenschap (Medezeggenschapsraad; MR)Wetsvoorstel medezeggenschap bve DeelnemersraadWetsvoorstel medezeggenschap BVE: Ondernemingsraad cf WOR
Overleg over alle aangelegen-heden wanneer de raad daarom verzoekt, in ieder geval 2 x per jaar bespreken van de algemene gang van zakenIdemIdem
Recht op informatie van bestuurderIdemIdem
Recht om voorstellen te doenIdemIdem
   
Adviesrecht Medezeggenschapsraad inz.: • Verandering van de grondslag; • Hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid • Beëindiging, belangrijke inkrimping of uitbreiding van de werkzaamheden • Bestuursoverdracht of fusie • Duurzame samenwerking met een andere instelling • Deelneming aan onderwijskundig project of experiment • Beleid mbt de organisatie van de school • Beleid mbt aanstelling en ontslag van de schoolleiding en het overige personeel • Aanstelling of ontslag van de schoolleiding • Concrete taakverdeling binnen de schoolleiding en het management-statuut • Beleid mbt toelating en verwijdering van leerlingen • Beleid mbt toelating van studenten i.o. • Regeling van de vakantie • Oprichten van centrale dienst • Nieuwbouw of belangrijke verbouwing van de school • Beleid mbt het onderhoud van de school • Aansluiting bij een geschillen-commissieAdviesrecht Deelnemersraad inzake: • Gevolgen voor deelnemers van besluiten over inkrimping, uitbreiding, fusie en overdracht van de instelling, beëindiging van opleidingen en samenwerking met andere instellingen bij de uitvoering van opleidingen • Verandering van de grondslag van de instelling • Werkomstandigheden en voorzieningen voor deelnemers • Beleid mbt intake- en assessment-procedures Rol van deelnemers bij de interne kwaliteitszorg en zelfevaluatie.Adviesrecht Ondernemingsraad inzake: • Bestuursoverdracht, fusie, splitsing, sluiting van belangrijk deel van de onderneming, inkrimping of uitbreiding, vestiging, samenwerking met andere onderneming • Wijziging in de organisatie of in verdeling van bevoegdheden binnen de onderneming • Groepsgewijs werven of inlenen van personeel • Belangrijke investeringen of kredieten • Invoering belangrijke technologische voorziening • Belangrijke milieumaatregel • Regeling mbt zelf dragen risico sociale verzekeringen • Adviesopdracht aan externe deskundige over bovengenoemde onderwerpen • Benoeming of ontslag van bestuurder Toegevoegd bij nota van wijziging: • Deelneming aan onderwijskundig project of experiment • Vaststelling of wijziging van een regeling mbt aanstellingsof ontslagbeleid voor zover er verband is met de grondslag van de instelling of de wijziging daarvan • Medezeggenschapsstatuut
   
Instemmingsrecht MR inzake: • Verandering onderwijskundige doelstelling school • Vaststelling OER of schoolreglement en schoolgids • Vaststelling regels arbeidsomstandigheden • Vaststelling bestuursreglement of statuten (als deze regeling als bedoeld in artikel 9.1.7 WEB bevatten) • Vaststellen modelonderwijs-overeenkomst Deelnemersgeleding: • Gevolgen voor deelnemers van aantal besluiten waarvoor hele MR adviesbevoegdheid heeft; • Vrijwillige bijdrage • Beleid mbt voorzieningen voor leerlingen • Leerlingenstatuut • Sponsoring door derden • Klachtenregeling • Onderwijstijd Personeelsgeleding: • Gevolgen voor personeel van aantal besluiten waarvoor hele MR adviesbevoegdheid heeft; • Samenstelling van de formatie • Nascholing • Werkreglement en werkoverleg • Verlofregeling • Arbeids- en rusttijden • Beleid mbt salarissen, toelagen en gratificaties • Taakverdeling en taakbelasting • Beleid mbt personeelsbeoordeling, functiebeloning en functie-differentiatie • KlachtenregelingInstemmingsrecht Deelnemersraad inzake: • Medezeggenschapsstatuut • Deelnemersstatuut en huisregels voor deelnemers • Beroeps- en klachtenregeling • Vrijwillige bijdrage • Wijze waarop informatie wordt gegeven over inhoud, planning en organisatie van het onderwijs en de examens • Besteding van stagefondsen • Modelonderwijsovereenkomst • Modelpraktijkovereenkomst • Beleid mbt toelating, schorsing, verwijdering van deelnemers • Vastleggen van studievorderingen en in dat verband bescherming privacy deelnemers • Regels op gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn mbt deelnemers • Reglement voor de deelnemersraad Instemmingsrecht mogelijke ouderraad inzake: • Vaststelling medezeggenschapsstatuutInstemmingsrecht Ondernemingsraad inzake: regelingen op gebied van: • Pensioen, winstdeling, sparen • Arbeids- en rusttijden en vakantie • Belonings- of functiewaarderingssysteem • Arbeidsomstandigheden, ziekteverzuim of reintegratiebeleid • Aanstellings-, ontslag- of bevorderings- beleid • Personeelsopleiding • Personeelsbeoordeling • Bedrijfsmaatschappelijk werk • Werkoverleg • Behandeling van klachten • Verwerken en beschermen van de persoonsgegevens van personeel • Voorzieningen gericht op waarneming of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van personeel Toegevoegd bij nota van wijziging: • Verandering onderwijskundige doelstelling instelling • Organisatie van onderwijsprogramma en examens