Kamerstuk 31066-81

Verslag van een algemeen overleg

Dossier: Belastingdienst

Gepubliceerd: 17 december 2009
Indiener(s): Jan Kees de Jager (staatssecretaris financiƫn) (CDA)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31066-81.html
ID: 31066-81

31 066
Belastingdienst

nr. 81
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 december 2009

De vaste commissie voor Financiën1 heeft op 26 november 2009 overleg gevoerd met, staatssecretaris De Jager van Financiën over:

– de brief van de staatssecretaris d.d. 16 juli 2009 inzake de tweemaandsrapportage van de Belastingdienst over de periode 1 januari 2009 t/m 30 april 2009 (31 066, nr. 73);

– de brief van de staatssecretaris d.d. 9 september 2009 inzake de tweemaandsrapportage van de Belastingdienst over de periode 1 januari 2009 t/m 30 april 2009 (31 066, nr. 75);

– de brief van de staatssecretaris d.d. 2 november 2009 met de stand van zaken betreffende de klanttevredenheid over de Belastingdienst en ten aanzien van het nieuwe toeslagensysteem (31 066, nr. 78);

– de brief van de staatssecretaris d.d. 2 november 2009 over de Belastingdienst met betrekking tot gekregen gegevens over buitenlandse rekeninghouders van een tipgever (31 066, nr. 77);

– de brief van de staatssecretaris d.d. 12 november 2009 inzake de tweemaandsrapportage van de Belastingdienst, vierde rapportage over 2009 (31 066, nr. 79).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Blok

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Berck

Voorzitter: Blok

Griffier: Van den Berg

Aanwezig zijn vier leden der Kamer, te weten: Blok, Remkes, Omtzigt, Tang,

en staatssecretaris De Jager, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik open de vergadering en heet de leden van de Kamer, de staatssecretaris, de aanwezige ambtenaren en de belangstellenden op de publieke tribune van harte welkom. De heer Bashir heeft zich wegens ziekte voor dit overleg moeten afmelden.

De heer Remkes (VVD): Voorzitter. Laat ik het beeld dat uit de verschillende rapportages blijkt, als volgt samenvatten. In sommige opzichten gaat het beter – de staatssecretaris kan dat beschouwen als een compliment – maar we zijn er nog niet. Ik maak een opmerking over de opzet van de rapportage zelf. Als je die doorbladert, dan komt er een wat mechanisch beeld uit. Daar is de Kamer zelf mede debet aan. Er wordt cijfermateriaal gepresenteerd, maar een toelichting ontbreekt vaak en ook de voortgang ontbreekt. Bijvoorbeeld de voortgang van de implementatie van de McKinsey-aanbevelingen inzake de IV-keten. Hoe staat het met de organisatieontwikkeling op weg naar een meer centrale aansturing met een duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden?

De staatssecretaris heeft betreffende het ziekteverzuim in het vorige AO van 1 juli jongstleden toegezegd dat hij daar in de rapportages wat nader op in zou gaan. Dat heb tot dusver in de rapportages gemist. Er staat wel steeds dezelfde zin in de rapportages, namelijk dat het ziekteverzuim sinds 2003 vrij constant ligt tussen 5,8% en 6,8%. Dat wordt een beetje gebruikt als goedpraterij, maar dat is het wat mij betreft niet. Een dergelijk percentage – het is tot en met eind augustus 2009 iets gedaald – is voor zo’n organisatie te hoog. Ik vind dat de staatssecretaris daarin niet mag berusten. Het streven zal gericht moeten zijn op circa 4%, hoewel de leeftijdsopbouw van een organisatie hier een zekere rol bij speelt. De staatssecretaris heeft in het vorige AO gezegd dat de doelstelling voor 2009 een daling met 1% ten opzichte van 2008 is, maar dat is dus niet gehaald. Ik zou het op prijs stellen als de staatssecretaris daar wat dieper op ingaat.

Er is een daling van de fiscale controle in 2009 ten opzichte van 2008. De staatssecretaris zegt dat de douanecontroles daarin zitten en dat het mede toe te schrijven is aan de economische crisis. Maar misschien dat er cijfermatig toch enige uitsplitsing plaats zou kunnen vinden? Want ik vind de vernieuwende aanpak bij het toezicht op zich geen goede redengeving. Ik vind dat er ook bij horizontaal toezicht niet minder gecontroleerd zou moeten worden.

In de bereikbaarheid van de Belastingtelefoon is in 2009 een vrij stevige daling ten opzichte van 2008 te zien. Als ik het goed interpreteer, wordt er relatief slecht gescoord bij de particulieren en toeslagen, maar later in de Fiscale Monitor blijkt een ander beeld. Ik kan dat niet plaatsen.

De interne norm voor het tijdig afdoen van bezwaarschriften is 95%. Het resultaat in 2009 is 87%.

Over de Fiscale Monitor zelf kan gezegd worden dat er over de hele linie sprake is van een positieve ontwikkeling. Ik citeer: «De neerwaartse trend lijkt gekeerd en de gepercipieerde bereikbaarheid van de Belastingtelefoon is gestegen.». Maar als je kijkt naar de samenstellende delen, is de bereikbaarheid voor particulieren relatief hoog en voor ondernemers juist relatief laag, met ook een lage waardering. Ten opzichte van het eerder gepresenteerde cijfermateriaal kan ik dat niet verklaren. Ik vond de waardering van 5,2 van de ondernemers en 5,8 van de fiscaal adviseurs bepaald niet om over naar huis te schrijven.

De pakkans wordt als stabiel gepercipieerd op 80%, behalve bij de adviseurs, want daar is die 57%. Hoe zit dat precies? Dat mensen denken dat de pakkans op 80% ligt, zegt mij niet zo veel.

In de toeslagen lijkt ook verbetering te zitten, want de momenten schuiven naar voren en dat vind ik positief. Maar wat in het gepresenteerde cijfermateriaal niet staat – dat geldt voor 2006 en 2007 – is welke aantallen nog niet definitief zijn vastgesteld. In de laatste rapportage is te lezen dat in juli 2009 is gestart met het definitief toekennen voor het toeslagjaar 2006. Ik neem aan dat dat 2008 moet zijn. Misschien kan de staatssecretaris nog iets over de actuele stand van zaken van 2008 zeggen. In het vorige overleg heeft de staatssecretaris onderschreven dat het streven erop gericht zou moeten zijn om in jaar T+1 de zaak definitief toe te kennen voor jaar T. Eigenlijk zou je liever nog wat daarvoor willen zitten en zo veel mogelijk afdoen in het jaar zelf. Misschien kan de staatssecretaris nader bij de mogelijkheden en onmogelijkheden van een geautomatiseerd systeem stilstaan? Ik begrijp de irritatie over de late toekenning heel goed, want ik kreeg in maart ook pas terug over 2007. Je krijgt er wel rente bij betaald, maar die wordt pas berekend vanaf 1 januari. In de perceptie van mensen zou dat rentemoment eigenlijk moeten liggen op 1 juli, omdat men uitgaat van gemiddelden over een jaar.

In het nieuwe toeslagensysteem zijn wij in het verleden geconfronteerd met verschillende data. Eerst is – als ik mij goed herinner – de datum van 1 juli 2008 genoemd, later werd het maart 2009, en nu wordt 1 januari 2010 niet gehaald. Ik begrijp de aanpak van safety first van de staatssecretaris op zich wel. Gezien de ervaringen met andere zaken moeten we niet allerlei avonturen aangaan die eigenlijk niet verantwoord zijn. Maar als ik het goed zie, en misschien dat de staatssecretaris daar cijfermatig op in zou kunnen gaan, dan heeft dat langs elkaar heen draaien en het in de lucht houden van het oude systeem inmiddels wel geleid tot vrij aanzienlijke meerkosten. Ik ben geïnteresseerd in de omvang van die meerkosten.

Ik hoor vanuit het bedrijfsleven wisselende verhalen over het treffen door de Belastingdienst van betalingsregelingen met ondernemers in verband met de economische crisis. Mij blijkt uit de signalen die ik krijg niet helemaal helder wat precies de standaardaanpak van de Belastingdienst is. Wij hebben in juli weer een productieverstoring gehad. Daar zijn door collega Omtzigt en ondergetekende schriftelijke vragen over gesteld. Het ging om 100 000 aanslagen. Ik hoor over de wijze waarop daarmee is omgesprongen wisselende signalen, ook waar het betreft de communicatie die toen heeft plaatsgevonden. Sommige mensen zijn tevreden, maar ik hoor ook voorbeelden uit de praktijk van zaken die niet zouden moeten gebeuren.

Over de eenheid Buitenland krijg ik af en toe signalen – het hangt er een beetje vanaf over welk buitenland het gaat – dat daar soms buitengewoon ongelukkig wordt geopereerd in de communicatieve sfeer. Ik snap best de problemen die zich daar kunnen voordoen, maar dit begint een tamelijk structureel beeld te worden. Misschien dat de staatssecretaris daar ook bij stil kan staan?

Wat mij nog niet helemaal duidelijk is, is wat de staatssecretaris precies van plan is met de AWR. Hij heeft de vorige keer mede op grond van de aanbevelingen van McKinsey gezegd dat de implementatie gefaseerd moet geschieden – en dat is de aanpak waar ik het mee eens ben – maar in het AO van 1 juli heeft de staatssecretaris gezegd dat zijn bedoeling nog steeds is om met een integraal wetsvoorstel te komen. Dat kan natuurlijk ook best: wetsvoorstel indienen, parlementaire behandeling en implementatie in de tijd wegzetten. Is dat de bedoeling nog steeds?

In juli is ook gesproken over de aanpak van de woonwagencentra. In dat AO bleek dat nog niet alle gemeenten met politiekorpsen een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten. Toen is de vraag gesteld of de staatssecretaris man en paard kon noemen. De staatssecretaris heeft toen de toezegging gedaan dat hij na overleg met zijn collega van BZK aan de Kamer nader toe zou lichten om welke gevallen het gaat. Dat is niet gebeurd, tenzij het mij ontgaan is, maar ik heb het bij mijn stukken niet aangetroffen. Ik zou het nog steeds op prijs stellen als die informatie aan de Kamer wordt verstrekt.

De heer Omtzigt (CDA): Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de verkregen informatie over het reilen en zeilen bij de Belastingdienst. Ik merk op dat de staatssecretaris een aantal mooie stappen heeft gezet om de problemen die al jaren spelen bij de Belastingdienst, het hoofd te bieden. We hopen de komende jaren niet af te raken van dit pad omhoog. Het grootste compliment van vandaag wordt natuurlijk gemaakt door de oppositie, die, behalve de heer Remkes, denkt dat hier helemaal niks meer te halen valt. Dat is pas een echt compliment voor de manier waarop de staatssecretaris met de Belastingdienst omgaat.

De heer Remkes (VVD): Dat kan ook iets zeggen over de rest van de oppositie.

De heer Omtzigt (CDA): Ik sta stil bij de brief van de staatssecretaris over de actuele ontwikkeling in de aanpak van zwartspaarders. We hebben waardering voor de strijd tegen de zwartspaarders. Ik noem het aanpassen van de al dan niet bestaande belastingverdragen en het afsluiten van specifieke informatie-uitwisselingsverdragen. Voorts heeft de staatssecretaris een aantal concrete fiscale maatregelen genomen, zoals verhoging van de vergrijpboete, aanpakken van de trust en aanpassing van de AWR, waardoor bijvoorbeeld ook adviseurs aangepakt kunnen worden.

Toch is het goed om stil te staan bij de ontwikkeling uit de brief. Deze ontwikkeling betreft het betalen aan een tipgever van een bedrag van enkele honderdduizenden euro’s voor het verstrekken van informatie over honderden door Nederlandse zwartspaarders aangehouden bankrekeningen in het buitenland. Welk bedrag is er precies betaald en in welke mate wordt over dit bedrag belasting afgedragen? Welk bedrag aan zwart geld is hiermee gemoeid en – belangrijk – is deze informatie rechtmatig verkregen? Kan de staatssecretaris aangeven hoe vaak het is voorgevallen dat de Belastingdienst tipgeld heeft betaald en of hij voornemens is dit vaker te doen? De staatssecretaris geeft in een brief aan dat hij nog bekijkt of het wenselijk is een algemeen tipgeversbeleid te formuleren. Is hij daar al uit? Vindt de staatssecretaris het moreel te billijken dat bij de belastingheffing gebruik wordt gemaakt van tips van derden, die mogelijk gestoeld zouden kunnen zijn op onrechtmatig verkregen informatie. Is de staatssecretaris bereid om zich samen met de minister van Justitie te verstaan over de manier waarop hij omgaat met tipgeld, over een regeling bijzondere opsporingsgelden?

Over de productiecijfers is al heel veel door de heer Remkes gezegd, maar ik loop nog door een aantal dingen heen die niet genoemd zijn. Kan de staatssecretaris aangeven waarom het aantal papieren aangiftes volgens de laatste rapportage met ruim 30 000 is toegenomen ten koste van het aantal digitale aangiftes? Daaraan wil ik de vraag koppelen die mijn collega’s bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken en van Binnenlandse Zaken gesteld hebben – wat ook geleid heeft tot een toezegging van minister Verhagen van Buitenlandse Zaken – om te kijken of DigiD voor mensen in het buitenland eindelijk eens beschikbaar kan komen. Het begint pingpongen te worden, want de minister van Buitenlandse Zaken heeft het weer doorverwezen naar de staatssecretaris van Financiën. Misschien zou de staatssecretaris in dit AO kunnen toezeggen dat zij drieën – de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, de minister van Buitenlandse Zaken en hijzelf – binnen anderhalve maand een brief sturen hoe zij DigiD kunnen en zullen gaan verstrekken aan mensen die in het buitenland wonen. Juist die groep vindt een papieren aangifte buitengewoon hinderlijk. Er wordt hier veel geklaagd over de Nederlandse TNT, maar als je de buitenlandse post ooit probeert, dan word je gillend gek. Juist voor die mensen zou het heel prettig zijn om DigiD te kunnen gebruiken.

We missen een vergelijking van de verwerking van toeslagaanvragen over de eerste acht maanden van 2009 met die van 2008. Hoe verhouden die zich tot elkaar? Tot 1 september 2009 zijn in totaal 6,8 miljoen toeslagen 2007 definitief vastgesteld. Hoeveel toeslagen over 2007 hebben we nog te gaan? Hoe lang duurt het voordat de toeslagen 2008 definitief zijn vastgesteld?

Met de uitkomsten van de Fiscale Monitor kunnen wij de staatssecretaris feliciteren. Goede rapportcijfers voor algemeen functioneren, hoge waardering voor de snelheid van de Belastingdienst, waardering voor de Belastingtelefoon en de website. De pakkans is gestegen, maar blijft bij de fiscaal adviseurs historisch laag. Wat denkt de staatssecretaris hieraan te gaan doen? Het toeslagensysteem is opgeleverd ten behoeve van de integrale testen. Wanneer vinden deze plaats en wanneer worden ze afgerond? Kan de staatssecretaris ingaan op de toegezegde beheerste en gefaseerde implementatie van het nieuwe toeslagensysteem?

Mijn fractie heeft signalen ontvangen dat de Belastingdienst in de praktijk een stringenter beleid voert ten aanzien van kredietvoorzieningen aan het mkb door andere dan kredietinstellingen. Die stringenter beleid lijkt haaks te staan op de visie van de staatssecretaris. Juist in tijden van crisis, waarin banken minder gemakkelijk kredieten verstrekken, is het voor bedrijven van belang dat er andere vormen van kredietverstrekking zijn. Hierbij kan worden gedacht aan kredietverstrekking door verbonden lichamen of personen in de familiesfeer. Wij begrijpen dat hier een grijs gebied ligt dat een spanningsveld tussen zachte, niet-onzakelijke leningen en zogenaamde onzakelijke leningen oproept, waarbij de inspecteur corrigerend moet optreden. Kan de staatssecretaris nader ingaan op het beleid van de Belastingdienst hieromtrent? Immers, de staatssecretaris heeft zelf onlangs een beleidslijn ingezet die meer speelruimte biedt in dergelijke gevallen, bijvoorbeeld door het intrekken van het cassatieberoep in de zaak aan het Hof van ’s-Hertogenbosch. Kan de staatssecretaris duiden in hoeverre deze beleidslijn door de Belastingdienst daadwerkelijk wordt geëffectueerd? Wij krijgen namelijk signalen dat er bij bepaalde familiebedrijven binnen de familie leningen plaatsvinden. Als de Belastingdienst ziet dat er een iets lagere rente dan bij een bank wordt afgesproken, maar toch nog steeds een forse rente waartegen wij geen een private lening zouden willen afsluiten, dan wordt de lening aangemerkt als onzakelijk met alle gevolgen van dien. Kan de staatssecretaris toezeggen dat hij daar royaal in zal zijn zolang er redelijk zakelijke tarieven binnen de familieverhoudingen in rekening worden gebracht?

In de nota naar aanleiding van het verslag inzake de implementatie van horizontale richtlijnen accijns wordt gesteld dat de software van de Belastingdienst volledig geschikt is voor het verzenden en ontvangen van EAD’s. Op zich is dat niet onjuist, maar sluiten de persoonsgebonden webdiensten – het persoonlijk domein bij de Belastingdienst – wel voldoende aan op de administratie van bedrijven, laat staan van internationaal opererende concerns? Kan de staatssecretaris aangeven hoe hij ermee om zal gaan? Is hij bereid om in overleg te treden met het bedrijfsleven om de door hen gesignaleerde knelpunten op te lossen, zodat de invoering van die richtlijn soepel kan verlopen?

Tot slot vraag ik de staatssecretaris in het kader van de toeslagen een toelichting te geven of de GBA voldoende betrouwbaar is om vanaf 1 januari aanstaande op te treden als authentieke basisadministratie, nu de staatssecretaris van BZK heeft aangegeven dat 3% van de gemeenten voldoet aan de kwaliteitseisen. Dat is van belang voor de huurtoeslag; dat weten we hier allemaal.

De heer Tang (PvdA): Voorzitter. Er zijn de afgelopen tijd geen grote ongelukken gebeurd en de Fiscale Monitor laat betere – geen dalende – trends zien. Dat stemt tot voorzichtig optimisme. Het zou kunnen dat het diepste dal achter ons ligt en dat de weg omhoog is ingeslagen. Enige voorzichtigheid is nog wel geboden, omdat wij als Kamer heel moeilijk kunnen kijken in de organisatie van de Belastingdienst. Er loopt ook nog een bezwarenonderzoek van de Rekenkamer. Dat biedt de Kamer meer inzicht en lijkt een aanleiding voor voorzichtig optimisme. Dat is belangrijk voor de belastingplichtige, de toeslaggerechtigde en de medewerkers van de Belastingdienst.

Bij de rapportages over de Fiscale Monitor mis ik de mening van de staatssecretaris zelf. Meer dan aankondigen wat hij naar de Kamer stuurt, doet hij niet, en ik ben juist nieuwsgierig of de staatssecretaris zelf ook voorzichtig optimistisch is.

In absolute zin is het aantal telefoontjes dat door de Belastingdienst is beantwoord toegenomen. Dat is positief, maar de bereikbaarheid is wel fors verlaagd van 79% naar 72%. Dit jaar gaat het weer omhoog. Op blz. 8 van de jongste rapportage staat een overzicht van de beroepschriften waarbij de belastingplichtige door de rechter geheel in het gelijk wordt gesteld. Dat is grof geschat bij zo’n 30% van de beroepschriften het geval en dat is een bijzonder hoog percentage. Een derde van de belastingplichtigen krijgt gelijk bij beroep. Daarbij is niet vermeld het deel dat gedeeltelijk gelijk krijgt. Ik hoor graag van de staatssecretaris of er cijfers zijn over hoeveel belastingplichtigen bij beroep gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld.

Zoals bekend wil mijn fractie graag snijden in de toeslagenbureaucratie, bijvoorbeeld door de zorgpremie in het fiscale stelsel onder te brengen of inkomensafhankelijk te maken. Ook de staatssecretaris heeft genoeg van het rondpompen van geld en het gaat niet alleen om het rondpompen van geld, het gaat ook nog gepaard met veel fouten. De helft van de toeslagen leidt óf tot terugbetalen óf tot terugstorten. Gelukkig komt het kabinet of anders een groep in de brede heroverweging met een specifiek voorstel om met name in de bureaucratie van de zorgtoeslag flink te snijden. Maar we zitten nog met het oude systeem en daarover heb ik wel de vraag hoeveel toeslagen er in 2007 en 2008 nog moeten worden vastgesteld. Het is niet helemaal duidelijk in hoeverre wij op tempo liggen, en ook de vergelijking met vorig jaar ontbreekt. Toeslagen gaan naar mensen die het nodig hebben en zorgvuldigheid is dan ook van het grootste belang. Een te weinig of te laat uitbetaalde toeslag kan mensen in de problemen brengen, net als te veel of te vroeg uitbetalen. De wet bepaalt dat aanvragen, mutaties en correcties binnen acht weken verwerkt moeten worden. Bij de zorgtoeslag lukt dat in nagenoeg alle gevallen, maar bij de andere toeslagen ligt het percentage tussen de 91 en 98. Mag ik er desondanks van uitgaan dat het streefcijfer 100% is en dat deze scores zullen groeien? Het staat immers in de wet.

Ik ben tevreden over de manier waarop de staatssecretaris het nieuwe toeslagensysteem wil introduceren. Geen big bang, maar een geleidelijke invoering, waarbij twee systemen naast elkaar bestaan, zodat de kinderziektes er uitgehaald kunnen worden. Het is prettig om te constateren dat lessen uit het verleden niet alleen zijn geleerd, maar ook worden toegepast.

Nu er steeds meer inkeerders komen en er steeds meer zwartspaarders worden opgespoord, is het de vraag of die inkeerregeling nog lang moet blijven bestaan. Want een inkeerder krijgt een soort amnestie, in die zin dat hij slechts de achterstallige belasting met rente betaalt. Nu aankondigen dat de regeling bijvoorbeeld in 2012 stopt, kan zwartspaarders over de streep trekken. Graag hierop een reactie van de staatssecretaris.

In antwoord op vragen van mijn collega Omtzigt heeft de staatssecretaris in mei aangegeven welke maatregelen het meest geëigend zijn om te voorkomen dat financiële instellingen – banken – actief bijdragen aan het onttrekken van vermogensbestanddelen aan het zicht van de Belastingdienst en reclame maken voor tax planning. Is dit onderzoek inmiddels afgerond?

Ons bereiken met enige regelmaat berichten dat onbekend is welke geschiedenis de hypotheken hebben. Dat is van belang omdat de aftrekbaarheid van de hypotheekrente beperkt is tot 30 jaar. Een adviseur moet bijvoorbeeld vandaag iemand een nieuwe hypotheek adviseren, de klant heeft zes jaar geleden ook al een nieuwe hypotheek genomen, maar de hypotheek van vóór 2003 moeten in aanmerking worden genomen om te bepalen wanneer de renteaftrek vervalt. De juiste gegevens zijn niet altijd bekend bij de klant en daarmee ook niet bij de adviseur, maar hierover mag natuurlijk geen onduidelijkheid bestaan. De Belastingdienst moet controleren of de aangegeven renteaftrek juist is. Hoe vindt die controle plaats? Houdt de Belastingdienst de hypotheekgeschiedenis van belastingplichtigen bij? Zo nee, gaat de Belastingdienst bij de jaarlijkse controle net als de adviseurs af op de gegevens van de belastingplichtige? Kennen die belastingplichtigen die gegevens wel?

Staatssecretaris De Jager: Voorzitter. Dank aan de leden voor de belangstelling voor de operatie van de Belastingdienst. Het is een compliment aan de Belastingdienst dat de opkomst van de kant van de Kamer zo laag is. Ik heb meegemaakt dat hier hele rijen Kamerleden zaten en dat de hele tribune vol was. Dus als we het puur over uitvoeringskwesties hebben denk ik dat het goed is dat dat met minder ophef gepaard gaat dan toen ik net aantrad.

De heer Remkes (VVD): Zou de staatssecretaris erbij kunnen zeggen dat dit niet beschouwd moet worden als een uitnodiging aan iedereen om in de toekomst weg te blijven bij dit soort algemene overleggen? Want dat is volgens mij voor de dienst niet goed.

Staatssecretaris De Jager: Dat laat ik geheel over aan de afweging van het individuele Kamerlid. Daar zal ik geen mening over hebben. Ik heb wel een mening over de timing van dit AO, die enigszins ongelukkig is, omdat het net voor de halfjaarrapportage is. Een aantal vragen van de Kamer komt in december in de halfjaarrapportage aan de orde. Normaal zaten we met het AO net na de halfjaarrapportage en dat was beter. Nu moet ik daar een paar keer naar verwijzen, want we zijn die informatie nog bij elkaar aan het halen. Wellicht is dat een aandachtspunt voor de volgende keer.

In de halfjaarrapportage wordt ook meegenomen de rapportage van McKinsey. Overigens kan ik daar al wel over melden dat de nieuwe organisatie van de informatievoorzieningsketen, gebaseerd op McKinsey, al op 1 januari aanstaande in werking zal treden. Voor het overige zal ik in die halfjaarrapportage op McKinsey terugkomen. Daarin staat ook meer informatie en uitwerking over de ziekteverzuimsituatie.

Over het tipgeversbeleid zijn een aantal vragen gesteld. Ik heb met belangstelling kennis genomen van een aantal artikelen in de literatuur, onder andere het Weekblad Fiscaal Recht en het Vakstudie Nieuws, die heel genuanceerde opinies hebben geschreven over het gebruik van een tipgeversregeling. Ik wil met diezelfde nuancering aansluiten, waar bijvoorbeeld het Weekblad voor het Fiscaal Recht aangeeft de lijn in principe te kunnen ondersteunen, maar waarschuwt voor Amerikaanse toestanden. Er zijn daar premiejagers – bounty hunters – en er komen hele industrieën op gang met bedragen van 450 mln. dollar aan tipgeld die, volgens de column van het Weekblad Fiscaal Recht, mogelijk zouden kunnen worden uitgekeerd in een zaak in Amerika. Dat soort situaties wens ik niet voor Nederland. Het gaat om minimaal 15% en maximaal 30% van het totale bedrag aan belastingen, boetes en dergelijke, dat kan worden opgehaald en dat vind ik niet passen binnen het uitgangspunt dat wij binnen de Belastingdienst en via de ECD hanteren. Ten aanzien van het beleid dat je wel moet voeren, hebben we voorlopig de volgende lijn bedacht. Het is lastig om naar aanleiding van één situatie waarbij maatwerk is verricht te zeggen dat het op basis daarvan verstandig is om beleid te voeren. Ik denk dat het verstandiger is om eerst eens aan te zien of er nog meer maatwerk verricht zal worden met betrekking tot tipgevers. We hebben dan iets meer ervaring en kunnen vervolgens op basis daarvan met deze Kamer, wellicht naar aanleiding van een standpunt van mijn kant, erover spreken of het verstandig is om alsnog beleid op dat gebied te publiceren. Laten we eerst eens een aantal gevallen afwachten. We hebben dan meer inzicht waar de grenzen liggen. We hebben één keer onderhandeld via de landsadvocaat, dat was een vrij uitgebreid proces, maar beleid moet je niet baseren op één geval. Laten we eerst eens kijken wat we nog van eventuele andere gevallen kunnen leren.

De heer Omtzigt (CDA): Betekent dat dat er op het moment onderhandeld wordt met een aantal andere gevallen of betekent het dat wij heel lang op deze brief zullen moeten wachten?

Staatssecretaris De Jager: Ik heb geen informatie dat er concreet wordt onderhandeld met mogelijke tipgevers over andere gevallen, maar ik sluit niet uit dat het zal gebeuren in de nabije toekomst, maar het kan ook zijn dat het nog even duurt. Ik geef hier al wel een aantal algemene noties die ik toepasbaar acht. Als het om een aanzienlijk financieel belang gaat, moet de informatie betrouwbaar zijn en moeten de mogelijke risico’s voor de tipgever en betrokken ambtenaar in ogenschouw worden genomen. In principe moet je ervan uitgaan dat het tipgeld betaald wordt over de extra opbrengst in de schatkist, dus je moet zeker weten dat die extra opbrengst daadwerkelijk gehaald zal worden, bijvoorbeeld door achteraf uit te betalen. Er worden geen concessies in de heffing- of invorderingsfeer gedaan. Wij zien van onze kant ook geen ruimte voor strafrechtelijke immuniteit. En de uitbetaling van tipgeld moet worden doorgegeven aan de betrokken belastingadministratie. Dat zijn een aantal toetsstenen waarlangs we voorlopig naar alle waarschijnlijkheid zullen werken. Ik zal de Kamer op de hoogte houden, daarom heb ik ook proactief de brief geschreven naar aanleiding van het geval. Ik zorg er ook voor dat ik, daar waar er mogelijk beleid uitgekristalliseerd zou kunnen worden, de Kamer in de gelegenheid stel om daar met mij over te spreken. Mocht dat beleid zich aandienen, dan hebben we meer informatie nodig.

De heer Tang (PvdA): Ik vind dit een opvallende redenering van de staatssecretaris. Er komen een paar incidenten, we gaan kijken wat de gemeenschappelijke deler is, en dat noemen we dan beleid. Dat is volgens mij dus geen beleid. Ik zou dat willen omdraaien. Er was beleid en er kan een goede reden zijn om daarvan af te wijken, maar dat betekent wel dat het beleid dan aan een herziening toe is. De staatssecretaris heeft een aantal toetsstenen. Ik stel voor dat hij deze op schrift stelt en aan de Kamer stuurt, maar dat hij ook een poging doet om iets meer denkwerk te verrichten. We moeten niet te veel van toeval en onderhandelingssituaties laten afhangen.

Staatssecretaris De Jager: Het beleid waar ik het over heb, hadden wij nog niet. Ik heb het over veel uitgebreider officieel beleid dat je kunt publiceren. We hadden wat interne richtlijnen en daar hebben we ons in deze situatie uiteraard aan gehouden. Dat zijn ongeveer de toetsstenen, zoals ik die heb aangegeven, maar die wil ik in een brief best iets meer uitwerken en alvast aan de Kamer toesturen. Maar als je iets bekendmaakt, vind ik dat je meer zekerheid moet hebben over iets meer gevallen. Dat gaat een grote stap verder en dan krijg je een soort tipgeversregeling. Die hebben wij nu niet. Wij hebben wel intern beleid en de mogelijkheid om tipgeld te verschaffen, maar ik heb het over een stap verder dan dat: meer uitgebreid geformuleerd beleid. Een concrete vraag als je beleid gaat publiceren is bijvoorbeeld of je met vaste percentages gaat werken. Dat doen we nu nog niet, maar ik ben wel bereid om dat te bezien. Ik zal in een brief de toetsstenen wat uitgebreider neerzetten, maar wacht nog even met het noemen van concrete bedragen en percentages.

De heer Omtzigt (CDA): Ik neem aan dat dit een toezegging is. Ik zie die brief zeer graag tegemoet namens de CDA-fractie. Ik ben blij dat de staatssecretaris bij de toetssteen geen strafrechtelijke immuniteit aangeeft. Ik hoop dat de staatssecretaris uitgebreid ingaat op de omstandigheden waaronder hij in ieder geval niet bereid is om zaken te doen. Ik ben ook blij dat de staatssecretaris geen regeling publiceert met een vast percentage voor dit of dat. Dat was niet wat wij beoogden. Wat wij wel beoogden, is dat de staatssecretaris zelf aangeeft welke terreinen absoluut onbegaanbaar zijn. Hij zegt zelf: geen concessies in de innings- en heffingsfeer, het moet extra geld opleveren, er moet geen strafrechtelijke immuniteit zijn. Wij zouden dat graag uitgewerkt zien, vooral welke zaken niet kunnen en hoe de staatssecretaris vermijdt dat hij mensen aanzet tot het stelen van gegevens bij bijvoorbeeld staatsbanken. Tegenwoordig zijn alle banken staatsbanken in dit land, dus laten we oppassen. Sinds de staatssecretaris steun aan Eureko geeft, heeft hij zelfs aan het Rabobankconcern extra injecties gegeven. Kan de staatssecretaris die brief binnen een aantal weken aan de Kamer doen toekomen?

Staatssecretaris De Jager: Dat zal ik doen.

Op de vraag of er overleg is geweest met Justitie over de hoogte van het tipgeld kan ik antwoorden dat Justitie bij het onderhandelingsproces met de tipgever niet betrokken is. In het kader van inventarisatie van bestaande regelingen is er wel gekeken naar de Justitieregeling. De Regeling bijzondere opsporingsgelden kent ook een vergoedingsregeling. De met de tipgever overeengekomen percentages zijn niet afgestemd met Justitie. Dat is een eigen verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Financiën. Over een aantal andere aspecten is er wel overleg geweest met het Openbaar Ministerie. Om welk bedrag het precies gaat, is bij benadering nog niet bekend. Ook is nog niet bekend welk deel daarvan daadwerkelijk zwarte rekeningen zijn. We hebben heel veel informatie over bankrekeningen, zelfs over bankrekeningen uit landen als Zwitserland, Luxemburg, Liechtenstein en België. Dat kunnen ook rekeningen en spaartegoeden zijn die wel in box 3 worden opgegeven door belastingplichtigen. In een aantal gevallen is het dan wellicht minder waarschijnlijk dat men het daar op een bank heeft staan, maar het is absoluut niet uitgesloten. Er zijn soms ook andere redenen om bij een buitenlandse bank te bankieren. Er wordt nu per dossier onderzocht in hoeverre de belastingplichtige deze bankrekeningen in box 3 hebben genoemd.

Verder wil ik, gelet op het opsporingsbelang, in het openbaar nog geen bedragen noemen. Het gaat in ieder geval wel om heel veel geld en ik zal de Kamer op enig moment berichten over de gerealiseerde opbrengsten, maar dat zal nog wel even duren. We verwachten dat over het grootste deel geen belasting is betaald, maar dat moeten we nog gaan uitzoeken.

De heer Tang (PvdA): Is er wel iets te zeggen over het totale vermogen dat door deze actie naar boven is gekomen? Hoeveel vermogen wordt er aan onderzoek onderworpen?

Staatssecretaris De Jager: Daar willen we op dit moment in het openbaar niets over zeggen. Het gaat om veel geld, maar nogmaals, het betreft een vrij lange periode en we willen goed uitzoeken in hoeverre deze belastingplichtigen iets in box 3 hebben aangegeven.

Verder is de vraag gesteld hoe vaak er eerder tipgeld door de Belastingdienst is betaald. De Belastingdienst kent al langer een tipgeldregeling. In het verleden is, voor zover wij hebben kunnen nagaan, in vijf à tien gevallen tipgeld betaald. Dus het is tot op heden nog niet zo vaak voorgekomen. Uit deze regeling en de recente overeenkomst met de tipgever blijkt dat de Belastingdienst in incidentele gevallen bereid is om onder voorwaarden tipgeld te geven. Over mogelijk beleid zullen we de Kamer nader berichten.

Bij de vraag of het moreel te billijken is om gebruik te maken van tips, die wellicht onrechtmatig zijn verkregen, wil ik vooropstellen dat fraudebestrijding en vooral de aanpak van zwartspaarders een van de speerpunten van mijn beleid is. Het leidt in de hele wereld tot veel morele verontwaardiging dat er zo veel zwart geld in het buitenland wordt gehouden. Er worden heel veel tips ontvangen, al dan niet anoniem, zonder dat om een vergoeding wordt gevraagd. Ook die tips worden onderzocht door de Belastingdienst. Als iemand er wel geld voor vraagt, is er altijd de afweging om er wel of niet in mee te gaan. In het verleden is er in bepaalde gevallen voor gekozen, en ook nu sta ik daar nog achter, om voorrang te geven aan het belang van een effectieve aanpak van fraudeurs. Uiteraard past daar een heel zorgvuldige afweging bij. Het moet gaan om een aanzienlijk belang en betrouwbare informatie. We vergoeden slechts een matig percentage van de opbrengst, zeker als je het vergelijkt met de Verenigde Staten.

De wijze waarop de informatie door de tipgever is verkregen, maakt ook deel uit van die zorgvuldige afweging. In geval van twijfel zal ik altijd de toets vragen van de landsadvocaat en het Openbaar Ministerie en pas daarna een afweging maken. Of en hoeveel tipgeld wordt betaald is mede afhankelijk van die afweging. Ik herken me heel goed in het artikel van het Weekblad Fiscaal Recht, dat enerzijds steun geeft aan het geven van tipgeld en anderzijds zegt terughoudend te zijn, omdat je niet de situatie wilt zoals die in de Verenigde Staten is ontstaan met die premiejagers en die industrie die daar op gang komt. Ik denk dat hier een zorgvuldige afweging is, gelet op de contacten die wij hebben gehad met de landsadvocaat en het Openbaar Ministerie. Maar ook uit wat ik aan genuanceerde opinies uit de literatuur verneem, denk ik dat we met die lijn goed zitten. Over de vraag of de informatie rechtmatig is verkregen, kan ik volgende zeggen. We hebben in de gesprekken met de tipgever getracht inzicht te krijgen in het antwoord op die vraag en we houden er rekening mee dat de informatie door de tipgever niet rechtmatig is verkregen. Voor de zekerheid hebben we de niet-rechtmatige verkrijging als uitgangspunt genomen bij het vragen van advies aan de landsadvocaat en het Openbaar Ministerie. Beide waren van oordeel dat dit geen beletsel vormde voor het aangaan van een overeenkomst door de Belastingdienst en voor het kunnen gebruiken van die informatie. Ik voel me ook gesteund door opinies van onder anderen Richard Happé in het Weekblad Fiscaal Recht, die ook verwijst naar Hoge Raaduitspraken, waarin dit niet uitgesloten wordt.

Verder is gevraagd of toeslagen lopende het jaar definitief kunnen worden toegekend en niet na afloop. Dat is niet mogelijk, omdat destijds bij de toeslagsystematiek gekozen is voor het jaar T als inkomen en je per definitie pas achteraf weet wat iemand in dat jaar daadwerkelijk aan inkomen heeft gehad. Dat is een van de oorzaken van de problemen bij de invoering geweest. Vroeger was huursubsidie op het jaar T-2 gebaseerd en had je veel meer zekerheid over het inkomen in het jaar T waarop je het baseerde, want dat was het inkomen van twee jaar geleden. Nu is gekozen voor het jaar T, om conceptueel gezien goede redenen, maar voor de uitvoering uitermate lastig, zowel voor de burger als voor de Belastingdienst, omdat de burger bij het aanvragen of continueren niet zeker weet wat hij gaat verdienen in dat jaar. En de Belastingsdienst weet al helemaal niet of de burger niet een te laag inkomen opgeeft. We hebben in de cijfers tot nu toe gezien dat burgers hun inkomen eerder te laag dan te hoog inschatten, met andere woorden dat er vaker terugbetaald moet worden dan dat de Belastingdienst achteraf nog iets moet geven. Dat is inherent aan de systematiek. Ik heb dat als aandachtspunt meegegeven bij de heroverweging toeslagen en gevraagd om specifiek te kijken of dat jaar T eventueel ook anders zou kunnen. De meerkosten van het in de lucht houden van het huidige toeslagensysteem zal ik in de halfjaarrapportage opnemen.

Op de stand van zaken van de toeslagen 2008 kom ik in de halfjaarrapportage uitgebreider terug. Ik kan al wel zeggen dat voor 2008 ongeveer 67% definitief vastgesteld is. Dat is een redelijk goed percentage. We hebben op dit moment nog 1,3 mln. uitstellers in de inkomstenbelasting, dat is meer dan de helft van die groep, en de overige zitten in toezicht, omdat er redenen zijn om toezicht te houden.

Van 2007 is inmiddels 96% definitief vastgesteld, dus ook dat loopt goed.

De heer Remkes (VVD): Is die overige groep toe te schrijven aan de belastingbetaler zelf, omdat er gegevens nog niet bekend zijn?

Staatssecretaris De Jager: Ja, of toezicht omdat er bijvoorbeeld uit de GBA blijkt dat die persoon daar niet heeft gewoond. Dat moet dan worden uitgezocht en dat levert soms gedoe op. Het kan ook dat iemand naar het oordeel van de Belastingdienst een ander inkomen heeft verdiend of dat er nog wordt gewacht op antwoorden van de belastingplichtige. Maar het is niet meer, zoals we het eerste anderhalf jaar hebben gehad, dat de machines massaal haperden. We zitten nu in de maatwerkfase. Nog steeds wel met die machines natuurlijk, want het gaat om enorme aantallen en dat kunnen we niet allemaal met de hand.

Het toeslagjaar 2006 zoals genoemd in de laatste rapportage moet inderdaad 2008 zijn. Dat was een typefout.

Inzake de signalen over de betalingsregelingen zou ik de heer Remkes willen vragen om ons onderhands concrete gevallen mede te delen, zodat ik ze kan laten uitzoeken. De ontvangers van de Belastingdienst weten wat er ten aanzien van het invorderingsbeleid van hen verwacht wordt. Die regeling is niet bedoeld voor bedrijven die jaar in jaar uit slecht gaan, maar voor bedrijven die door de crisis in de problemen zijn gekomen. Dat vereist altijd een weging van de omstandigheden door ontvanger en inspecteur.

Die brief waar de heer Omtzigt op doelde, hebben wij ook pas gisteren ontvangen, dus ik kan er nog niet op reageren. We zien wel dat er in de brief kennelijk een aantal zaken door elkaar worden gehaald. Er wordt enerzijds melding gemaakt van de bv van een vader, die een vordering heeft op de bv van de zoon, of op diens eenmanszaak, en er wordt anderzijds gesproken van een vordering die vader privé heeft op de bv van een meerderjarige zoon. In het ene geval zit de vordering bij een bv en dan moet worden getoetst of de zakelijke belangen van de bv zijn gediend met een dergelijke kredietverstrekking. Dan kan ook het arrest van 9 mei 2008 van belang zijn. In het andere geval bevindt de vordering zich bij een natuurlijk persoon, de vader, en dan moet worden getoetst of er sprake is van zogenoemde maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling van vermogen. Bij die toets zijn ook de familieverhoudingen van belang. Ik heb in een onderschrift bij de intrekking van een pro forma cassatieberoepschrift aangegeven dat in dat geval geen sprake was van een maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling. In principe kan dat een beleidsuiting zijn, dus datgene wat ik hier in de Tweede Kamer officieel mededeel, of bij wetgeving, of in een beleidsbesluit gevat. Maar ook als ik een algemeen beleidsmatig standpunt inneem en publiceer bij het intrekken van een cassatieberoepschrift, kan gesteld worden dat dat kan leiden tot een algemene beleidslijn. Uiteraard moeten de Belastingdienst en de inspecteur zich aan zo’n uiting van algemene beleidsaard houden. Of er sprake is van een beleidsuiting in algemene zin moet worden gewogen. Ook moet er worden gewogen of de feiten en omstandigheden van het concrete geval onder die beleidsuiting vallen. In deze kwestie gaat het, naar wij weten, om enkele specifieke zaken, waarover inmiddels overleg is geweest op 6 november jongstleden met de betrokken personen op het ministerie van Financiën. Het is denkbaar dat het om enkele concrete gevallen gaat, waarvan de feiten en omstandigheden worden getoetst, dus daar zou ik niet nader op willen ingaan. Ik geef wel aan dat datgene wat ik als algemene beleidslijn heb gecommuniceerd, door de Belastingdienst opgevolgd moet worden. In dat cassatieberoepschrift heb ik aangegeven dat een verschil van 6,25% niet per se tot onzakelijkheid moet leiden. Dat vond en vind ik een heel redelijk standpunt en dat draag ik ook uit. Maar er kunnen andere omstandigheden zijn, bijvoorbeeld kwijtschelding van een lening, waarbij je misschien wel tot onzakelijkheid zou kunnen komen. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat, waar er binnen familieverhoudingen leningen zijn, die leningen niet per se conform het bancaire rentepercentage gegeven moeten worden omwille van de zakelijkheid van de lening. Het kan best zijn dat het percentage iets onder de op dat moment geldende bancaire vergoeding ligt. We zien dat banken voor een enorme opslag kiezen, terwijl ze op de spaarrekening veel minder geven. Dan vind ik het niet fair om te eisen dat een zakelijk karakter alleen maar ontleend kan worden aan het feit dat binnen de familiaire verhouding het rentepercentage hetzelfde is als bij de bank. In algemene zin kun je dat niet als een redelijk standpunt zien, dus draag ik uit dat dat niet het geval moet zijn. Waar wel de grens ligt, zal in de praktijk moeten worden vastgelegd. Ik zal mijn ambtenaren vragen om opnieuw overleg te voeren met de briefschrijver en te kijken of er nog nadere beleidsvoorschriften nodig zijn.

De heer Omtzigt (CDA): Dank voor deze heldere uitleg, want dat helpt een heleboel mkb-bedrijven om toch het krediet te krijgen dat ze nodig hebben, al is het niet via de banken. Ik zou de staatssecretaris willen vragen of het mogelijk is om de zaken die hij hier gezegd heeft in algemene termen – hij hoeft wat mij betreft niet in discussie te gaan met individuele gevallen – op een rijtje te zetten op twee of drie A4’tjes, zodat zowel inspecteurs als belastingplichtigen daar tot op zekere hoogte op kunnen terugvallen. Ik vraag de staatssecretaris dit aan de Kamer te sturen om te bevorderen dat behalve het bancaire kanaal, ook dat andere kanaal effectief gebruikt kan worden en dat we ongeveer weten binnen welke marges het gebruikt kan worden. Dat zou mijn fractie zeer op prijs stellen.

Staatssecretaris De Jager: Ik moet even kijken in welke vorm ik dat het beste kan gieten. Het zou een beleidsbesluit kunnen zijn of een brief aan de Kamer. Ik zal kijken of ik mijn beleidsuiting wat meer kan formaliseren en concretiseren, iets uitgebreider nog dan wat ik net heb aangegeven. Daar zal ik de Kamer van in kennis stellen.

Er is al vaker gesproken over DigiD voor Nederlanders in het buitenland. Op 13 oktober heb ik, mede namens de staatssecretaris van BZK, een brief gestuurd. Gelukkig bleek uit die brief dat er in heel veel gevallen wel DigiD aangevraagd kan worden, maar in bepaalde gevallen inderdaad niet. Ik zal nogmaals in overleg treden met de staatssecretaris van BZK. En wellicht kan de minister van Buitenlandse Zaken helpen door de faciliteiten die hij in het buitenland heeft ter beschikking te stellen. We zullen daar de Kamer over informeren.

Ik vind het lage percentage dat fiscaal adviseurs inschatten als pakkans zelf ook een opmerkelijke uitkomst. Een directe oorzaak is door mij niet te geven. Het gaat ook over de individuele beleving van de respondenten. Ik kan me wel voorstellen dat, zeker bij fiscaal adviseurs, het begrip pakkans steeds minder aansluit bij de gedachte achter horizontaal toezicht, namelijk gerechtvaardigd vertrouwen. In het kader van horizontaal toezicht wordt de fiscaal intermediair, met name in het mkb, een steeds belangrijker schakel tussen Belastingdienst en ondernemer. We zullen zeker in overleggen met de adviseurs dit onderwerp nog eens aan de orde stellen en vragen of zij dit kunnen plaatsen en wat daar de achterliggende reden van zou kunnen zijn.

De heer Remkes (VVD): Zouden de bevindingen van de staatssecretaris in een volgende rapportage kunnen worden meegenomen?

Staatssecretaris De Jager: Ja, maar dat komt dan niet in de aanstaande halfjaarsrapportage, maar in de daarop volgende.

Ik weet niet of bij de vraag naar het persoonlijk domein van de Belastingdienst gedoeld werd op de e-Herkenning, dus de koppeling op die manier. De staatssecretaris van EZ is middels gesprekken met bedrijfsleven en softwareontwikkelaars bezig met de inrichting van dat berichtenverkeer. Dat overleg met het bedrijfsleven vindt dus plaats en ik heb er alle vertrouwen in dat dat goed gaat. Het voordeel daarvan is dat het bedrijfsleven op één manier met de overheid kan communiceren. Dat is heel positief.

De 30-jaarstermijn van de hypotheekrenteaftrek gaat over een heel lange periode, waarin dat actueel zal worden. Er is al wel nagedacht hoe dat in de toekomst zou moeten gaan. Er wordt in het kader van de vooringevulde aangifte met de banken gesproken over de verstrekking van gegevens. Daarbij wordt ook aandacht gevraagd voor het vasthouden van de oorspronkelijke gegevens over het afsluittijdstip van de hypothecaire lening. En natuurlijk hebben we ook nog het hypotheekregister bij het Kadaster, waar de historie van hypotheken vastgelegd wordt. Dat zijn twee bronnen waar we als Belastingdienst uit kunnen putten. Het zou heel mooi zijn als dat in het kader van de vooringevulde aangifte kan, want dan wordt het ook voor de belastingplichtige veel makkelijker. Overigens is de belastingplichtige vanuit de aard van de AWR allereerst zelf verantwoordelijk voor het aangeven of hij recht heeft op hypotheekrenteaftrek. De Belastingdienst moet kijken of er voldoende contra-informatie is om daar een oordeel over te kunnen vormen.

De heer Tang (PvdA): Is die informatie van de Belastingdienst op enig moment ter beschikking te stellen aan de belastingplichtige en daarmee aan de adviseurs? In een kwart van de hypotheekadviezen, zo liet onderzoek van de AVM zien, worden fouten gemaakt bij onder andere de fiscale gevolgen van de hypotheek. Als de adviseur de gegevens niet heeft – en de klant weet dat ook niet – dan is het advies vaak fout. Het moet niet alleen bij de Belastingdienst bekend zijn, maar het moet ook bij de belastingplichtige duidelijk zijn wat de consequenties zijn als hij zijn hypotheek oversluit.

Staatssecretaris De Jager: Dat is in de allereerste plaats een verantwoordelijkheid van de hypotheekverstrekker en zijn klant. In het overleg dat we hebben in het kader van de vooringevulde aangiften met de banken en andere hypotheekverstrekkers, zal ik aan de orde stellen dat zij in de allereerste plaats hun klant daarin kunnen adviseren. Het kan zijn dat de intermediairs, de adviseurs, die gegevens niet hebben, maar de hypotheekverstrekkers zelf natuurlijk wel. Wij hebben tot nu toe als Belastingdienst een geringer belang bij de informatie dan de hypotheekverstrekker, namelijk alleen als het gaat om de hypotheekrente die afgetrokken moet worden. De hypotheekverstrekker heeft meer informatie en ook in het Kadaster bevindt zich meer informatie, die de Belastingdienst op basis van de huidige wetgeving niet per se nodig heeft. Ik denk niet dat de Belastingdienst als administratiekantoor voor hypotheken moet gaan fungeren, maar ik kan me goed voorstellen dat we dit in het overleg aan de orde stellen, zodat de hypotheekverstrekkers die informatie aan hun klant kunnen geven. Banken hebben overigens nu al een wettelijke zorgplicht op dat terrein, dus ik vind dat dat ook onder zo’n zorgplicht zou kunnen vallen. We zullen dat in het overleg met de banken aan de orde stellen.

De heer Tang (PvdA): Kan de staatssecretaris de Kamer de resultaten van dat overleg doen toekomen?

Staatssecretaris De Jager: Dat zal ik doen.

Er is gevraagd of het ziekteverzuim nog steeds te hoog is, hoewel er een daling te zien is. Ook in algemene zin is in Nederland het ziekteverzuim met 0,2% afgenomen volgens het CBS. Bij de Belastingdienst met 0,3%, dus nog iets beter dan de algemene daling. De effecten van de Mexicaanse griep weten we nog niet. Het is wel zo dat de Belastingdienst, als gevolg van de samenstelling van het personeel, een relatief hoog verzuimpercentage heeft. Achmea, als arbozorgverlener, heeft daartoe een norm vastgesteld die rekening houdt met de demografische opbouw van het personeelsbestand. Die gehanteerde Achmeanorm, die we in het verleden vaak niet haalden, wordt inmiddels wel gehaald. Ik zal dat nader toelichten in de halfjaarrapportage volgende maand.

De heer Remkes (VVD): Vergrijzing binnen de publieke en semipublieke sector is een breed beeld, dus die argumentatie is niet exclusief van toepassing op de Belastingdienst. Maar waar het mij om gaat is dat kennelijk al vanaf 2003 – dat jaartal noemt de staatssecretaris iedere keer – het niveau van het ziekteverzuim structureel boven dat van vergelijkbare organisaties in de publieke c.q. semipublieke sector ligt. Dat intrigeert mij en ik vind dat daarin niet mag worden berust.

Staatssecretaris De Jager: Ik denk niet dat dat een volledig beeld geeft, want de Achmeanorm houdt juist rekening met de demografische opbouw, dus die corrigeert. Als het klopt wat de heer Remkes zegt, dat andere overheden een lager verzuim hebben, dan hebben die mogelijk een andere opbouw dan de Belastingdienst. Bij de Belastingdienst zijn de opbouw en de vergrijzing heel anders dan bij de rijksambtenaren in Den Haag. De Achmeanorm is dus een gecorrigeerde norm en die wordt op dit moment gehaald. Dat doen we dus redelijk goed. Maar ik zal dat in december in de rapportage nog verder uitwerken.

De heer Remkes (VVD): Het zal niet lukken om dat in de decemberrapportage mee te nemen, maar ik zou het op prijs stellen als er in het beheerverslag van de Belastingdienst vergelijkenderwijs met andere publieke en semipublieke organisaties nog eens nader naar gekeken wordt. De staatssecretaris begrijpt vanuit zijn eigen achtergrond wel dat dit percentage ...

Staatssecretaris De Jager: Ik kom uit een organisatie met minder dan 1% verzuim, maar dat waren allemaal jonge academici en hbo’ers, heel jonge mensen. Ik hoor net van de voormalig hoofddirecteur van de IND dat het verzuim daar een stuk hoger was. De heer Remkes vroeg naar een vergelijking met andere uitvoeringsinstanties: eentje krijgt hij er direct uit de eerste hand. Maar ik zal de directeur-generaal van de Belastingdienst vragen om in het beheerverslag daar extra aandacht aan te geven.

Inzake de fiscale controles zal ik kijken wanneer ik een uitsplitsing kan maken, maar ik vind dat je je bij de nieuwe toezichtsaanpak niet moet blindstaren op het aantal fiscale controles. Als je minder fiscale controles hebt in de nieuwe toezichtsaanpak, betekent dat niet dat er minder toezicht plaatsvindt. Er zijn dan wel minder traditionele boekenonderzoeken, maar bijvoorbeeld meer bedrijfsbezoeken, startersbezoeken en actualiteitenonderzoeken. Ik hoor ook uit de praktijk van veel startende ondernemers dat ze het een goede service van de Belastingdienst vinden. Dat bevordert de compliance van het belastingbetaalgedrag natuurlijk enorm. Je hoeft niet alleen boekenonderzoeken te doen, juist niet, want dat gaat van wantrouwen uit. We moeten de ondernemer in staat stellen om het netjes op te geven.

De heer Remkes (VVD): Dan zou het verstandig zijn om dat andere cijfermateriaal in de presentatie mee te nemen. Ik dacht dat het er al inzat.

Staatssecretaris De Jager: Wij zullen kijken of we de rapportage kunnen uitbreiden met andere typen toezicht en bezoeken.

De vergelijking die de heer Omtzigt wil tussen definitief toekennen 2007 en 2008 zal ik meenemen in de volgende tweemaandsrapportage.

De reden van toename van de papieren aangiften is niet bekend. Daar kom ik in de volgende tweemaandsrapportage op terug.

Dat in 30% van de beroepschriften de belastingplichtige geheel gelijk krijgt, vindt de heer Tang te hoog. Het aantal beroepschriften is heel laag ten opzichte van het aantal bezwaarschriften. Alleen in kansrijke gevallen gaat de belastingplichtige naar de rechter en dan is 30% niet zo hoog. We zullen wel nagaan of de cijfers over de gedeeltelijk in het gelijk gestelden aanwezig zijn en dan zal ik die opnemen in de volgende tweemaandsrapportage.

Gevraagd is of de inkeerregeling niet moet stoppen nu er zo veel aandacht voor is geweest, het zelfstandig opsporingsbeleid van de Belastingdienst steeds succesvoller wordt en we steeds meer internationale verdragen sluiten. Per 1 januari 2010 wordt er een boete ingevoerd. In het begin zal deze laag vastgesteld worden, maar de wet die per 1 juli jongstleden is aangenomen geeft mij de gelegenheid om dat beleid jaarlijks bij te stellen. De huidige inkeerregeling eindigt per 1 januari en dan komt er een boete van 15% als richtsnoer. We zullen wel even bekijken hoe dat beleid uitpakt en er moet ook een stukje maatwerk mogelijk blijven, maar de verwachting is dat dat percentage zal stijgen in de jaren daarna. Ik zal jaarlijks bezien, onder andere gelet op de internationale omstandigheden, hoe andere landen omgaan met een dergelijke regeling. Ik zal ook kijken naar de manier waarop de Belastingdienst en de FIOD-ECD steeds succesvoller worden in het zelfstandig opsporen, en naar de informatie-uitwisseling. Heel veel informatie-uitwisselingsverdragen die we hebben gesloten geven de mogelijkheid om ieder geval teruggaand tot 1 januari 2010 informatie uit te wisselen en soms zelfs nog verder terug. Er is veel reden om de komende jaren dat beleid te gaan verstrakken en daar zal ik de Kamer van op de hoogte houden.

De heer Tang (PvdA): Wat dat laatste punt betreft kan ik mij herinneren dat dat het amendement-Omtzigt/Tang was. Er staat ook in de toelichting dat er rekening kan worden gehouden met de ontwikkelingen in het bestrijden van zwartsparen. Maar op welk moment gaat de staatssecretaris dat tarief van grofweg 15% herzien? Het tarief is afhankelijk gesteld van de internationale ontwikkelingen. Het amendement is aangenomen in mei, maar sinds die tijd gaan de ontwikkelingen razendsnel. Ik kan me voorstellen dat wat toen nog redelijk leek, nu al weer aan het schuiven is.

Staatssecretaris De Jager: De herziening zal niet lang duren, denk ik. Gelet op de vaste verandermomenten zijn er twee data mogelijk: 1 januari 2011 en 1 juli 2010. Ik zie net in de actuele cijfers dat er deze week een enorme hausse is aan inkeerders. Het loopt storm bij de Belastingdienst met meer dan 50 inkeerders per dag. De telefoonlijnen bij de Belastingdienst staan roodgloeiend. Het lijkt me verstandig om het beleid gaandeweg te verstrakken, dus per 1 juli of per 1 januari.

De heer Tang (PvdA): Kan de staatssecretaris in het voorjaar verslag doen van wat deze december-rush heeft opgeleverd en wat er de afgelopen jaren aan inkeerders en zwartspaarders aan het licht is gekomen? Kan de staatssecretaris ook kijken of de tarieven aanpassing behoeven?

Staatssecretaris De Jager: Dat kan ik beide toezeggen.

De heer Remkes (VVD): Voorzitter. Ik denk dat het inderdaad verstandig is dat de Kamer twee momenten per jaar kiest voor overleg met de staatssecretaris na het verschijnen van de halfjaarrapportage.

Ik heb nog geen antwoord gekregen op de vraag over de AWR en over de woonwagencentra, waarover nog geen overeenkomst gesloten is.

Ik heb met belangstelling geluisterd naar wat de staatssecretaris zei over de tipgeversregeling. Ik beluisterde bij hem de nodige aarzeling of we beleid moeten formuleren of erover na moeten denken, om die klassieke tegenstelling maar eens ten tonele te voeren. Ik ben het eens met de aanpak van de staatssecretaris en ik vind het prima om die aandachtspunten nog eens in een brief te krijgen, maar het formuleren van beleid – waar deze lijn toch betrekkelijk dun is – heeft naast een aantal voordelen ook een paar evidente nadelen. Als de staatssecretaris tot de conclusie komt dat de evidente nadelen groter zijn dan de voordelen, zal hij daar van mijn kant geen negatief commentaar op horen.

De staatssecretaris heeft nog een aantal brieven toegezegd, waaronder de stand van zaken DigiD in het buitenland. Die wachten we met belangstelling af en zullen we bij ons volgende overleg met de staatssecretaris betrekken.

De heer Omtzigt (CDA): Voorzitter. Wij wachten op meer informatie over de manier waarop de toeslagensystemen getest en ingevoerd worden. Ik neem aan dat dat bij de halfjaarrapportage betrokken kan worden. Wij wachten met belangstelling de drie brieven af.

Ik begrijp heel goed waarom we geen beleidslijn tipgevers hebben waaraan je rechten zou kunnen ontlenen over de hoogte van het tipgeld. Dat de staatssecretaris dat wil vermijden vind ik positief. Maar ik zou het op prijs stellen als de staatssecretaris in de brief vermeldt welke dingen hij vooral niet wil doen, zoals wederrechtelijke dingen, strafrechtelijke immuniteit enz. Ik ken de Amerikaanse voorbeelden, want ik ben woordvoerder klokkenluiders in de Raad van Europa, en inderdaad, die toestanden wil je echt vermijden. Dat vindt ook mijn fractie buitengewoon ongewenst.

We hopen dat de brieven over DigiD in het buitenland en de kredietverlening aan het mkb – die laatste is nog wat urgenter dan de eerste – op redelijk korte termijn in de Kamer kunnen landen. Kan de staatssecretaris aangeven wanneer die brieven ongeveer verwacht kunnen worden en of het overleg over de EAD kan plaatsvinden met de betrokken partijen, zodat wij die richtlijn hier niet meer hoeven te behandelen.

Tot slot vraag ik of de GBA op 1 januari aanstaande goed genoeg is .. De staatssecretaris lacht, maar we krijgen nog steeds brieven dat personen zich niet uitgeschreven hebben op het oude GBA-adres. De nieuwe bewoner krijgt dan vanaf 1 januari geen huurtoeslag, als die andere persoon inkomen heeft. De staatssecretaris van BZK zegt dat 3% van de gemeenten al klaar is en verwacht dat het niet hoger wordt dan 55%. Met deze kwaliteit van de GBA vraag ik de staatssecretaris of hij het verantwoord vindt om de GBA als enige, authentieke basisadministratie te gebruiken op 1 januari 2010. Ik verzoek de staatssecretaris binnen een week schriftelijk hierop te antwoorden.

De heer Tang (PvdA): Voorzitter. De algemene constatering van dit AO is dat er voorzichtig optimisme is over het functioneren van de Belastingdienst. De weg omhoog lijkt ingeslagen en we hopen dat dat kan worden vastgehouden. Dat is belangrijk voor belastingplichtigen, maar ook voor de medewerkers van de Belastingdienst. We zullen als Kamer dit debat blijven voeren om te zorgen dat de dienst de weg omhoog blijft volgen.

We hebben niet alleen een schoonmaak bij de Belastingdienst gehad, maar ook in de financiële sector. Het past niet dat financiële instellingen betrokken zijn bij het onttrekken van vermogensbestanddelen en actief reclamemaken voor zwartsparen. Daar heeft de heer Omtzigt eerder dit jaar al vragen over gesteld en daar heeft de staatssecretaris op gereageerd dat hij het daarmee eens is en dat hij zal kijken welke stappen gezet zijn of gaan worden. Ik hoop dat de staatssecretaris daar nog antwoord op kan geven.

Staatssecretaris De Jager: Voorzitter. Kan ik bevestigen dat ik voorzichtig optimistisch ben? Ik vind dat een goed gekozen formulering, die ik graag overneem. We hebben inderdaad de weg omhoog gevonden en we zijn die weg ook aan het begaan, maar we zijn er nog niet. Toen ik in deze functie begon, heb ik binnen twee weken na mijn aantreden naar de Kamer gecommuniceerd dat dat helaas nog vele jaren zal duren. Maar het is belangrijk te onderscheiden of de burger en het bedrijfsleven er last van hebben, of de Belastingdienst intern zelf, of ik als staatssecretaris met mijn mensen. Ik denk dat we in een fase komen – dat hoor ik bij zowel burgers als het bedrijfsleven – dat ze merkbaar verbeteringen zien en veel minder last hebben van de situatie zoals die is geweest. Maar voorzichtigheid is geboden. We hebben dit binnen de Belastingdienst met heel veel inspanning en inzet van alle medewerkers bereikt, maar we zijn er nog niet, want we moeten nog naar een veel robuustere situatie toe. Dat is het genuanceerde afgewogen oordeel, waarmee ik het eens ben met de Kamer.

Het is de bedoeling dat wij te zijner tijd één grote, nieuwe, herziene AWR in de Tweede Kamer brengen. Dat zal wel even duren, want dat is een heel grote herziening. We zullen de Tweede Kamer dan integraal de gelegenheid geven om daarover te debatteren en die wet aan te nemen. Vervolgens zal de invoering gefaseerd plaatsvinden, met bijvoorbeeld inwerkingstredings-KB’s en dergelijke. Dat geeft enerzijds aan beide medewetgevers een mogelijkheid tot het integraal wetgevingsproces en anderzijds de Belastingdienst en de praktijk de mogelijkheid om dat gefaseerd in te voeren.

Ik ga in op de vraag over de GBA. Gelet op de Wet GBA, afkomstig van het ministerie van BZK, heb ik helaas geen keus. Ik kan mijn mening hier wel verkondigen, maar we moeten dit als Belastingdienst doen. Ik heb daar wel zorgen over, zeker als dat percentage van 3 in de Kamer officieel is gecommuniceerd. Ik zal met de Belastingdienst en BZK overleggen over de wijze waarop we de kafkaëske situatie kunnen vermijden dat volgens de GBA iemand op een bepaald adres moet wonen, terwijl we allemaal weten dat dat niet zo is. Terwijl we dan toch als Belastingdienst moeten uitgaan van de situatie waarvan we zeker weten dat die niet juist is. Ik zal in overleg treden met BZK om te kijken of er in de uitvoeringspraktijk enige ruimte kan komen om in te grijpen. Ik zal te zijner tijd samen met de minister van BZK de Kamer hierover inlichten.

De heer Omtzigt (CDA): Deze brief, van de staatssecretaris van Justitie én van BZK, zou ik graag voor het eind van volgende week ontvangen. Laat hem eerst maar ondertekenen door de staatssecretaris van BZK. Mijn fractie wil graag nog de mogelijkheid hebben om daar voor 1 januari op terug te komen. Wij vragen om een inschatting of het haalbaar is en welke maatregelen genomen zullen worden.

Staatssecretaris De Jager: Ik zal met gezwinde spoed mijn collega van BZK erop aanspreken en haar het verzoek overbrengen dat de Kamer de brief voor het eind van volgende week wil hebben. We zullen samen ons uiterste best doen.

Het overleg met het bedrijfsleven over het persoonlijk domein voor de ondernemer kan ik ook toezeggen.

Ik denk dat de heer Remkes heeft verwoord waarom nog enige terughoudend bij de tipgeversregeling op zijn plaats is. Maar dat staat niet in de weg om te doen wat de heer Omtzigt vraagt, namelijk om de principes en hetgeen we niet doen naar de Kamer toe te brengen. Ik sluit niet uit dat we op een gegeven moment, als de verschillende situaties zijn verkend, wel tot beleid kunnen komen. Maar ik voel me nu nog niet zeker genoeg om beleid te formuleren waar mensen eventueel rechten aan kunnen ontlenen, omdat ongewenste situaties wellicht nog niet zijn uitgesloten. Het verkennen moet dus eerst plaatsvinden, maar ik kom wel tegemoet aan het verzoek om in een brief te zetten welke principes we hanteren en welke dingen we in ieder geval niet zullen doen.

De implementatie van het nieuwe toeslagensysteem neem ik mee in de halfjaarrapportage. In principe is het systeem klaar, maar we willen het eerst als schaduwsysteem naast het productiesysteem laten draaien om met testtoeslagen te kijken hoe het zou zijn gegaan als we het in gebruik hadden genomen. Op een gegeven moment draaien we de knop helemaal om en gaan we over op het nieuwe systeem.

De heer Tang (PvdA): Ik had nog een vraag over de rol van financiële instellingen bij het onttrekken van vermogensbestanddelen aan het zicht van de Belastingdienst en het bevorderen van zwartsparen. Welke maatregelen zijn het meest geëigend?

Staatssecretaris De Jager: Daar kom ik nog in een brief op terug. Ik zal ook in overleg treden met de minister van Financiën, want dit zit dicht bij zijn beleidslijn.

De informatie over de woonwagencentra komt in de decemberrapportage.

De voorzitter: Ik sluit het algemeen overleg.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Blok (VVD), voorzitter, Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Weekers (VVD), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Kalma (PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (ChristenUnie), Van der Burg (VVD), Tony van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Tang (PvdA), Vos (PvdA), Bashir (SP), Sap (GroenLinks) en Linhard (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Remkes (VVD), Pieper (CDA), Aptroot (VVD), Jan de Vries (CDA), Van Hijum (CDA), Mastwijk (CDA), Elias (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Van der Veen (PvdA), Smilde (CDA), Anker (ChristenUnie), Nicolaï (VVD), De Roon (PVV), Heerts (PvdA), Karabulut (SP), Thieme (PvdD), Heijnen (PvdA), Roefs (PvdA), Van Gerven (SP), Vendrik (GroenLinks) en Smeets (PvdA).