Kamerstuk 30585-20

Wijziging van de Wet op de Raad van State in verband met de herstructurering van de Raad van State; Vierde Nota van Wijziging

Dossier: Wijziging van de Wet op de Raad van State in verband met de herstructurering van de Raad van State

Gepubliceerd: 3 december 2008
Indiener(s):
Onderwerpen: bestuursrecht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30585-20.html
ID: 30585-20
Origineel: 30585-2

30 585
Wijziging van de Wet op de Raad van State in verband met de herstructurering van de Raad van State

nr. 20
VIERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 3 december 2008

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I wordt artikel 2 als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van het eerste lid worden twee volzinnen toegevoegd, luidende:

Vacatures worden in de Staatscourant gepubliceerd onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of kandidaten. De Tweede Kamer der Staten-Generaal voert ten minste eenmaal per jaar overleg met de vice-president over de vacatures.

2. In het derde lid wordt na de eerste volzin een volzin ingevoegd, luidende «Het aantal leden dat in beide afdelingen wordt benoemd, bedraagt ten hoogste 10.» en wordt in de laatste volzin «Deze benoeming» vervangen door «De benoeming».

B

In artikel I worden in artikel 8, derde lid, na de tweede volzin twee volzinnen ingevoegd, luidende: Vacatures worden in de Staatscourant gepubliceerd onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of kandidaten. De Tweede Kamer der Staten-Generaal voert ten minste eenmaal per jaar overleg met de vice-president over de vacatures.

C

Na artikel XIIID wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIIIE

In artikel 34, vijfde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied wordt «artikel 36» vervangen door: artikel 46.

D

In artikel XIV, tweede lid, wordt «onverminderd de tweede volzin van artikel 2, derde lid» vervangen door: onverminderd de derde volzin van artikel 2, derde lid.

Toelichting

Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel zijn enkele amendementen ingediend en is besloten het kabinet in de gelegenheid te stellen over de amendementen het advies in te winnen van de Raad van State (Kamerstukken II 2007/08, 30 585, nr. 16).

De Raad onderschrijft het oordeel van het kabinet dat de voorgestelde benoeming van rechtsprekende staatsraden op voordracht van de Tweede Kamer (amendement nr. 12) in strijd is met de Grondwet. Verder is de Raad van oordeel dat categorische uitsluiting van dubbelbenoemingen (amendementen nrs. 13 en 18, voorheen 8) onwenselijk is. De Raad stelt dat het rechtstreeks toedelen van de adviserende en rechtsprekende taken aan de Afdelingen in plaats van aan de Raad (amendement nr. 14), gevolgen heeft voor de Raad als institutionele eenheid, met name in combinatie met de amendementen nrs. 12, 13 en 18. De Raad meent dat in de nieuwe opzet de uitzondering op het vereiste van een juridische opleiding voor leden van de Afdeling bestuursrechtspraak (amendement nr. 15) niet meer nodig is en uit een oogpunt van juridische kwaliteit van de rechtspraak ongewenst. Het advies van de Raad sluit nauw aan bij het eerder door het kabinet ingenomen standpunt dat aanvaarding van de amendementen moet worden ontraden. Dit standpunt is dan ook herhaald in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad (Kamerstukken II 2007/08, 30 585, nr. 17).

De amendementen en het standpunt van het kabinet leiden tot een patstelling. Het kabinet is er veel aan gelegen deze patstelling te doorbreken, aangezien het van oordeel is dat de in het wetsvoorstel voorgestelde herstructurering van de Raad van State van groot belang is voor het goede functioneren van de Raad en zijn afdelingen. Daarom stelt het kabinet thans voor de bepalingen in het wetsvoorstel die betrekking hebben op zowel de benoemingsprocedure als de dubbelbenoemingen te wijzigen.

In de eerste plaats wordt voorgesteld de transparantie van de benoemingsprocedure te vergroten. De Wet op de Raad van State bepaalt dat de Raad voor de benoeming van staatsraden en staatsraden i.b.d. een aanbeveling doet. Op dit moment voltrekt het proces van werving en selectie dat leidt tot de aanbeveling zich nog in strikte vertrouwelijkheid. Het kabinet hecht er aan dat de transparantie van dit proces wordt vergroot. Een voordeel van grotere transparantie is dat het kan leiden tot een grotere kring van kandidaten waaruit gekozen kan worden.

In dit licht wordt, in lijn met het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het advies van de Raad voor het openbaar bestuur «Benoemingen in het openbaar bestuur: transparant, onderbouwd en functioneel» (Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VII, nr. 25), voorgesteld om de publicatie van vacatures in de Staatscourant onderdeel te maken van het proces van werving en selectie van leden en staatsraden. De Raad stemt in met dit kabinetsstandpunt. In deze publicaties zal het profiel (deskundigheid en kwaliteit) van de gezochte kandidaat of kandidaten worden aangegeven en worden potentiële kandidaten uitgenodigd om hun belangstelling kenbaar te maken. Ook derden zullen in de gelegenheid worden gesteld om te attenderen op personen die in hun ogen geschikt zouden kunnen zijn voor de vacature. In de omschrijving van het profiel van de vacature zal ook aandacht worden gegeven aan de gewenste diversiteit van het college als geheel, voor wat betreft de politieke, maatschappelijke en bestuurlijke achtergrond van zijn leden.

In het verlengde hiervan wordt voorgesteld te bepalen dat de Tweede Kamer ten minste eenmaal per jaar overleg voert met de vice-president over de vacatures. Indien binnen een jaar meer dan eens vacatures worden gepubliceerd, kan worden overwogen het overleg voorafgaand aan elke publicatie te laten plaatsvinden. Daarbij kan de vice-president een toelichting geven op de komende vacatures, de prioriteiten in de bezetting daarvan en de richting waarin naar kandidaten wordt gezocht. Dit kan gebeuren aan de hand van een brief met betrekking tot genoemde onderwerpen die hij aan de verantwoordelijke ministers stuurt, waaraan het kabinet desgewenst dan zijn kanttekeningen kan toevoegen. In de praktijk lijkt een dergelijke werkwijze sterk op de procedure die voorafgaat aan de benoeming van leden van de Hoge Raad.

Van de Raad van State wordt vervolgens verwacht dat hij in de toelichting op de vertrouwelijke aanbeveling aan het kabinet verantwoordt hoe de criteria van het profiel hebben geleid tot de selectie van de aanbevolen kandidaat. Mede op grond van deze informatie kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarna met instemming van de ministerraad een voordracht doen aan de Koningin.

Zoals eerder is toegezegd, zal de Kamer periodiek worden geïnformeerd over het gevoerde benoemingenbeleid. Publicatie van de profielen van de gezochte kandidaten is voor de Kamer behulpzaam bij de beoordeling van het gevoerde benoemingenbeleid.

In de tweede plaats wordt voorgesteld het aantal leden, staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst dat in beide afdelingen van de Raad kan worden benoemd aan een maximum te binden. Aldus wordt enerzijds benadrukt dat dubbelbenoeming, anders dan in de huidige situatie, tot de uitzonderingen behoort. Anderzijds wordt, door de mogelijkheid van een beperkt aantal dubbelbenoemingen open te houden, de institutionele eenheid van de Raad benadrukt en gewaarborgd. Met het oog op de institutionele eenheid van de Raad is een zekere mate van overlap tussen de beide afdelingen van de Raad van belang (Kamerstukken II 2007/08, 30 585, nr. 17, blz. 7). De mogelijkheid van een beperkt aantal dubbelbenoemingen is ook van belang voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de beide afdelingen van de Raad. Aangezien voor een evenwichtige advisering meer personen nodig zijn dan er zuiver kwantitatief gezien werk voorhanden is, zou het uitsluiten van dubbelbenoemingen er bovendien toe kunnen leiden dat in de Afdeling advisering in overwegende mate gebruik moet worden gemaakt van parttime aanstellingen. Dat levert risico’s op voor de samenhang van het college en de consistentie van de adviezen en problemen voor de bezetting van het adviesorgaan zelf.

Alles afwegende is het kabinet van oordeel dat de institutionele eenheid van de Raad en de kwaliteit van de werkzaamheden van de beide afdelingen van de Raad voldoende kunnen worden gewaarborgd indien maximaal 10 personen een dubbelbenoeming hebben. Voor de goede orde: het gaat om een maximum aantal personen, en niet om aantallen fte’s. Als gevolg van de invoeging van een volzin in artikel 2, derde lid (onderdeel A) wordt de verwijzing naar dit artikellid in artikel XIV aangepast (onderdeel D).

Het kabinet is, tot slot, van oordeel dat de consequenties van aanvaarding van de amendementen nrs. 14 en 15 voor de Raad niet onoverkomelijk zijn, indien niet tevens de amendementen nrs. 12, 13 en 18 worden aanvaard. Het kabinet laat het oordeel over de amendementen nrs. 14 en 15 aan de Kamer.

De wijziging van de Wet inrichting landelijk gebied (onderdeel C) is noodzakelijk als gevolg van de vernummering van de artikelen van titel II van hoofdstuk II van de Wet op de Raad van State (artikel I, onderdeel C, van het wetsvoorstel).

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin