Kamerstuk 30420-158

Verslag van een algemeen overleg

Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 8 juni 2011, inzake Hoofdlijnen emancipatiebeleid 2011-2015

Gepubliceerd: 13 juli 2011
Indiener(s): Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA)
Onderwerpen: cultuur cultuur en recreatie
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30420-158.html
ID: 30420-158

Nr. 158 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 13 juli 2011

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap*, de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken2 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid3 hebben op 8 juni 2011 overleg gevoerd met minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 8 april 2011 betreffende de hoofdlijnen van het emancipatiebeleid 2011–2015 (27 017, nr. 74);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 31 mei 2011 betreffende de kabinetsreactie in het kader van het VN-Vrouwenverdrag (30 420, nr. 157);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 maart 2010 betreffende het verslag van de behandeling vijfde Nederlandse regeringsrapportage over de implementatie van het VN-Vrouwenverdrag (30 420, nr. 152);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 24 mei 2011 betreffende de reactie op de open brief van COC Nederland i.v.m. de tiende verjaardag van het opengestelde huwelijk voor paren van gelijk geslacht (27 017, nr. 76);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 30 november 2010 betreffende de stand van zaken emancipatiebeleid voor vrouwen (30 420, nr. 156);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 24 juni 2010 betreffende de voortgangsrapportage homo-emancipatiebeleid 2008–2010 (27 017, nr. 72);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 maart 2010 betreffende de stand van zaken tijdbeleid (30 420, nr. 153);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 11 december 2009 betreffende de reactie n.a.v. het eerder gevoerde Algemeen Overleg over emancipatie inzake studerende moeders in het Hoger Onderwijs (30 420, nr. 150);

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 23 november 2009 betreffende de toezegging AO Emancipatiebeleid met betrekking de stand van zaken van de motie Van Gent cum suis over het niet maken van onderscheid tussen het oude en nieuwe bestand van alleenstaande ouders in de bijstand (30 420, nr. 145);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 30 oktober 2009 betreffende de tweede voortgangsrapportage over het emancipatiebeleid voor vrouwen 2009 (30 420, nr. 142).

Van het overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van Bochove

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,

Dijksma

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Van Gent

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Kler

Voorzitter: Van Bochove

Griffier: De Kler

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Van Bochove, Van Toorenburg, Marcouch, Van Klaveren, Smits, Van Gent, Dijkstra en Hennis-Plasschaert,

en minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: opent het algemeen overleg en heet alle aanwezigen welkom.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Voorzitter. Het spreekt voor zich dat de VVD deze minister steunt in haar streven om de emancipatie van vrouwen, homoseksuele mannen en vrouwen, bi-genders, biseksuelen en transgenders verder te bevorderen. Er is de afgelopen decennia veel bereikt toch is er op een aantal terreinen nog sprake van discriminatie en ongelijke behandeling zowel in de juridische behandeling als in de praktijk. Het in vrijheid en veiligheid keuzes maken is het uitgangspunt van de minister. Dit is een prachtig uitgangspunt. De gelijkheid voor de wet en ook de gelijkwaardigheid dient inderdaad vanzelfsprekend te zijn. Ik kan vervallen in een lofzang inzake een aantal voorgenomen besluiten maar omwille van de tijd beperk ik me tot enkele voor de VVD prangende punten.

Ik start met een algemene opmerking. Het is goed dat de hoofdlijnennotitie ambitie ademt. Ik hecht er wel aan om voldoende concreet te worden. Waar kan dit kabinet straks op aangesproken worden? De beoogde doelstellingen zijn helder geformuleerd maar niet altijd goed meetbaar. Ik heb behoefte aan meer wie, wat, waar en wanneer. Het is evident dat deze minister niet op alle onderwerpen de eerste aangewezene is, maar ik zou haar wel willen vragen om in samenspraak met haar collega’s wellicht per ministerie een beknopt werkprogramma op te stellen. Het hele gebeuren moet voor de Kamer wel controleerbaar blijven en ik hoop dat de minister voor het einde van het jaar de Kamer een overzicht kan verstrekken.

Ik wil graag meer duidelijkheid over de financiën. Kan ik er van uit gaan dat de intensivering van 2 mln. vooral neerslaat bij jongeren en onderwijs en dan in het bijzonder bij het Masterplan suïcidebestrijding en de verdere ondersteuning van jongeren op school en specifieke aandacht voor de lesbische vrouw.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik vind het een zeer sympathieke gedachte dat er meetbare doelstellingen komen; daar vraagt mijn fractie ook al jaren om. Het is goed dat mevrouw Hennis-Plasschaert om een beknopt werkprogramma per ministerie vraagt. Op welke termijn wil zij dit zien en wat zou er volgens de VVD in moeten staan?

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Ik heb gezegd dat ik hoop dat de minister voor het einde van het jaar ons een overzicht kan doen toekomen. Later in deze notitie komt aan bod wat er precies in moet staan. Er staat al heel veel in de hoofdlijnennotitie. Het is aan de minister om alle maatregelen die zij voorstelt en benoemt verder uit te werken in een beknopt werkprogramma.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik zal die vraag ook aan de minister stellen. Het gaat erom wat de VVD in die werkprogramma’s terug wil zien. Is dat hetgeen nu in de brief van de minister staat? Er is ook een brief ontvangen van het COC met een aantal maatregelen. Als de VVD het aangeeft gaat de minister aan het werk.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Als de VVD dat zegt staat het vooral met chocoladeletters in de krant. Ik vraag de minister om tot een beknopt werkprogramma per ministerie te komen in samenspraak met haar collega’s. Daarbij rekening houdend met de hoofdlijnennotitie die zij zelf heeft gepresenteerd en input vanuit de belangenorganisaties waaronder het COC. Het is aan de Kamer om zaken te bespreken en punten aan te vullen, aan te dragen dan wel te wijzigen. Dat vraag ik aan de minister.

Een specifiek en voor de VVD belangrijk punt is de voorlichting over seksuele diversiteit en weerbaarheid op scholen. De veelal geroemde Nederlandse tolerantie is broos en zeker niet vanzelfsprekend. We moeten daar dan ook niet zo prat op gaan. Het is duidelijk dat voorlichting op jongere leeftijd van cruciaal belang is. Het zijn de leerlingen zelf die de behoefte aan voorlichting benadrukken. De vrijheid om te zijn wie je bent begint op school en ook je vrij en veilig voelen om je daarover te durven uiten, zeker als je dat niet van huis uit hebt meegekregen. Wat mijn fractie betreft is niet aflatende aandacht nodig. De helft van de leerlingen beschouwt school niet als een veilige omgeving om uit de kast te komen. Ongeveer tweederde van de scholieren krijgt nooit voorlichting over homoseksualiteit of transgenders en de suïcidecijfers zijn hoog. Het gebrek aan voorlichting is een voedingsbodem voor onbegrip, sociale uitsluiting, discriminerend gedrag en geweld. Net als anderen beschouw ik uitvoering van de in december 2009 aangenomen motie als een prioriteit en ik wil de minister nogmaals vragen om, in lijn met haar voorganger, de motie uit te voeren. Deze motie is ook van belang als het gaat om de weerbaarheid van meisjes en jonge vrouwen. We moeten het Postbus 51-syndroom waarover wel eens gekscherend wordt gesproken als het gaat om de kerndoelen vermijden. Een vergelijking met bijvoorbeeld het onderwerp obesitas gaat helemaal mank en dat heb ik als pijnlijk ervaren. Met het toevoegen van een paar woorden aan de kerndoelen creëren we geen kerstboom. Die afweging heeft de Kamer in december 2009 al eens gemaakt. Ik wil aandacht vragen voor het fenomeen gewetensbezwaarde ambtenaren.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik ben heel blij dat de VVD zegt dat de motie aangaande het onderwijs uitgevoerd moet worden. De VVD en GroenLinks hebben daar zelf ook moties over ingediend. Wanneer zou dat moeten wat de VVD betreft? We moeten het tempo er in houden want we praten hierover vandaag niet voor het eerst.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Zo spoedig mogelijk.

Inzake de gewetensbezwaarde ambtenaren wil ik benadrukken dat het gaat over de gewetensbezwaarde ambtenaar tot derden en dat maakt het dubbel gevoelig. Ondenkbaar dat hiervan sprake zou zijn bij een paar met een enorm leeftijdsverschil, een paar met een bepaalde geloofsovertuiging of een paar met een bepaalde afkomst. Ik wil de minister vragen om het advies van de Commissie Gelijke Behandeling uit 2008 nogmaals te bestuderen en de Kamer nader te informeren.

Mevrouw Dijkstra (D66): Ik ben blij dat de VVD aandacht wil besteden aan de weigerambtenaren. Ik heb wel moeite met het uitstel dat de minister hiermee krijgt. Het is tien jaar geleden dat het huwelijk ook werd opengesteld voor mensen van een andere seksuele geaardheid. Dat betekent dat er tien jaar de tijd is geweest om iets te doen aan ambtenaren die moeite hadden met het uitvoeren van deze wet. Ik denk dat we nu maatregelen moeten nemen en zo snel mogelijk moeten zorgen dat er geen ambtenaren meer worden aangenomen die kunnen weigeren om homoseksuelen te huwen. Mijn vraag is of mevrouw Hennis-Plasschaert het daarmee eens is.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): De VVD heeft al jarenlang duidelijk gemaakt dat de wet de wet is. Zeker als het gaat om de verhouding ambtenaren tot derden. Ik heb de brieven van de vorige minister die hiervoor verantwoordelijk was gelezen. Alle partijen hebben hiermee in het verleden geworsteld omdat ze in een bepaalde coalitie zaten. Ik heb opgemerkt dat er nauwelijks gekeken is naar het advies van de Commissie Gelijke Behandeling. Juist dat advies vind ik realistisch. Daarom vraag ik de minister om rustig naar dat advies te kijken en de Kamer nader te informeren en er werk van te maken.

Mevrouw Dijkstra (D66): Verbindt mevrouw Hennis-Plasschaert daar ook een termijn aan?

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Aangezien het advies van de Commissie Gelijke Behandeling uit een twintigtal pagina’s bestaat, neem ik aan dat dit binnen enkele maanden moet lukken.

Het kabinet heeft verder aangegeven uit te zoeken welke mogelijkheden er zijn om de regels rondom bloeddonatie aan te passen. Dit is zeer terecht. Het is mij namelijk volstrekt onduidelijk waarom homoseksuele mannen in andere landen wel bloed kunnen doneren en in Nederland niet. Ik wil de minister vragen om in te gaan op het tijdpad en de details.

Ten aanzien van het transgenderbeleid is het helaas een bekend gegeven dat transgenders relatief vaak te maken krijgen met discriminatie op de arbeidsmarkt. Het ontslagpercentage ligt op circa 40%. Hoe staat de minister tegenover de suggestie om genderidentiteit te vermelden als verboden discriminatiegrond in de algemene wet gelijke behandeling?

Een heel ander maar niet onbelangrijk aandachtspunt zijn de studerende moeders. Ik heb begrepen dat het onderwijsveld hier nog te onverschillig tegenover staat. Het onderwijsveld lijkt zich niet voldoende bewust van de extra begeleiding en aandacht die dit vaak vraagt. Goede voorbelden zijn aanwezig. Duidelijk is dat deze groep niet vergeten mag worden en ik wil de minister dan ook vragen of zij dit wil opnemen met de onderwijsinstellingen.

Ik zou graag de stand van zaken willen weten van de brede EU-richtlijn. Ik heb daar als Europarlementariër nog actief aan meegewerkt. Het ligt al een tijd stil in de Raad. Ik wil graag weten wat de inzet van Nederland is inzake de richtlijn in zijn geheel.

Mevrouw Smits (SP): Ik ben blij met het betoog van mevrouw Hennis-Plasschaert over de positie van homoseksuelen en over de weigerambtenaren. Ik mis alleen een ander essentieel punt in deze discussie en dat is vrouwenemancipatie. Heeft mevrouw Hennis-Plasschaert daar ook een mening over?

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Ja, maar de tijd is beperkt dus ik heb een hele pagina overgeslagen.

Mevrouw Smits (SP): Hoe denkt mevrouw Hennis-Plasschaert dat de vrouwenemancipatie verbeterd wordt met de enorme bezuinigingen op de kinderopvang, waardoor het voor veel vrouwen niet meer lonend wordt om te werken?

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Als we de voorzieningen in stand willen houden dan moeten de financiële uitlopers onder controle worden gekregen. Voor de rest is dat in handen van mijn collega mevrouw Straus die daar al bij herhaling over gesproken heeft op andere momenten.

Mevrouw Dijkstra (D66): Voorzitter. In de Emancipatiebrief zijn veel punten aan de orde terwijl de spreektijd beperkt is. Daarom probeer ik er staccato doorheen te gaan. De christelijke partijen hebben in Nederland met 28 zetels nog steeds veel macht. Het CDA zit nog steeds in het kabinet en de SGP is mede-gedoger. Daardoor zijn liberale beginselen verder onder druk komen te staan. Homoweigerende trouwambtenaren zijn geen probleem, toch maar geen voorlichting op scholen over homoseksualiteit, minister Kamp doet rustig aan met het afschaffen van de aanrechtsubsidie en minister Donner zei gisteren nog dat het weren van vrouwen van een kieslijst moet kunnen.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik weet niet waar het begrip mede-gedoger op is gebaseerd. Wij zijn gewoon een partij die meedoet aan de Tweede Kamer.

Mevrouw Dijkstra (D66): Ik begin met vrouwenemancipatie. Ik vind het belangrijk dat alle vrouwen economische zelfstandigheid kunnen bereiken. D66 wil daarom de partneralimentatie moderniseren. Deze prikkelt vrouwen niet om te gaan werken. Ik stel voor om de alimentatieduur op termijn flink te verkorten. Uiteraard is een overgangsregeling belangrijk. Is de minister bereid om hiernaar te kijken en voor het eind van het jaar hierover te rapporteren? Wat mij betreft blijft overigens de kinderalimentatie behouden. In Nederland werken de meeste vrouwen in kleine deeltijdbanen. Daarmee lopen we heel veel arbeidskracht mis. Met de vergrijzing op komst kunnen we ons dat niet meer permitteren en deeltijdwerk betekent dat veel vrouwen financieel afhankelijk blijven en zich minder kunnen ontplooien. Mijn fractie wil dit aanpakken door het mannen en vrouwen gemakkelijker te maken om zorg en werk te combineren. Ik vraag aan de minister om de openingstijden van overheidsvoorzieningen te verruimen. Daar wordt in andere commissies ook over gesproken. Ik wil de minister vragen om hierover te rapporteren en erop aan te dringen. Een goede en betaalbare kinderopvang maakt het voor vrouwen gemakkelijker om te werken. Daar moet je absoluut niet op bezuinigen. Continuïteit is nodig in de kinderopvang. Mensen moeten weten waar ze aan toe zijn om hun toekomst te kunnen uitstippelen. Het kabinet snijdt flink in de kinderopvangtoeslag. De kinderbijslag laat men ongemoeid. Mijn fractie pleit voor maatregelen die de arbeidsparticipatie van vrouwen niet verminderen. Wat ons betreft kijkt men dan naar de kinderbijslag. In het regeerakkoord staat dat de aanrechtsubsidie wordt afgeschaft. Opnieuw lijkt de SGP een vinger in de pap te hebben. De overdraagbare heffingskorting voor kinderen tot zes jaar wordt plotseling vertraagd afgebouwd. Dit kabinet blijft vrouwen met kinderen ontmoedigen om te gaan werken. Studerende moeders hebben vaak moeite om zorg en school te combineren terwijl het heel belangrijk is dat ze hun opleiding kunnen afmaken ook vanwege hun kansen op de arbeidsmarkt. We stimuleren vrouwen om te studeren, we stimuleren ze ook om jong moeder te worden, maar zorgen niet voor de bijbehorende maatregelen. Wil de minister de steunpunten voor deze studerende moeders ondersteunen en uitbreiden?

Dan kom ik op de homo-emancipatie en de school als veilige omgeving voor homojongeren. Dat is het op dit moment niet. De helft van de leerlingen vindt dat je beter niet op school uit de kast kunt komen. Het aantal zelfmoordpogingen is onder homojongeren vier keer zo hoog als onder heterojongeren en drie kwart van de homojongeren wordt gepest of in elkaar geslagen. Uit onderzoek blijkt dat voorlichting bij uitstek helpt. Daarom diende mijn fractie al in 2009 een motie in die voorlichting over homoseksualiteit verplicht. Een overgrote Kamermeerderheid stemde voor met uitzondering van de partijen CDA, ChristenUnie en SGP. Uitgerekend een CDA-minister weigert nu om deze motie uit te voeren. Ik wil graag van haar weten waarom en hoe zij hier dan verder mee om denkt te gaan. Met Gay Straight-allianties maken homo- en heterojongeren samen de school homovriendelijker. Wil de minister ondersteuning van deze allianties uitbreiden? Nog steeds worden gemeenteambtenaren aangenomen die weigeren homoparen te huwen. Wat mij betreft is dat snel verleden tijd. Wanneer je ervoor kiest om trouwambtenaar te worden, dan dien je de wet uit te voeren. We vinden het ook onacceptabel als iemand weigert moslims of joden te trouwen. Ik wil een dringend beroep doen op de minister om ervoor te zorgen dat die discriminatie op seksuele geaardheid niet meer mogelijk is en dat de gemeenten worden aangezet om geen nieuwe weigerambtenaren meer aan te nemen. Het is onacceptabel dat homo’s in Nederland geen bloed mogen doneren. Niet geaardheid maar seksueel risicogedrag moet het criterium zijn. Ik ben blij dat de minister dit met bloedbank Sanquin gaat bespreken. Wat mijn fractie betreft bespreekt ze dit niet alleen maar schaft ze deze discriminerende maatregel zo spoedig mogelijk af.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Wij hebben kennisgenomen van een resolutie hierover op het partijcongres van D66. Natuurlijk zijn we er serieus over aan het nadenken. Ik wil een indringend beroep doen om als Kamer hier niet politiek naar te kijken. Is D66 het met ons eens dat wij de minister vooral moeten oproepen om met VWS te kijken of hier een medisch risico ligt? Dat mag het enige criterium zijn dat wij hanteren. Als het zo is dat er een risico is waar nu de directeur van de bloedbank alarm over slaat, dan moeten we erover nadenken, maar we zijn het er als CDA helemaal mee eens dat alleen dat het risico mag zijn. Kunnen we hierin samen optrekken om ervoor te zorgen dat we het beoordelen op basis van medische risico’s en niet op basis van seksuele geaardheid?

Mevrouw Dijkstra (D66): Ik ben het helemaal eens met mevrouw Van Toorenburg dat we niet op basis van seksuele geaardheid uitsluiten. Dat is ook wat ikzelf betoog. Wat we zien is dat in landen als Italië, Zweden, Portugal en Spanje dit al gebeurt. Daar zijn geen noemenswaardige problemen gerezen dus ik begrijp niet waarom het wel in die landen kan en niet in Nederland. Ik zou er bij de minister op aan willen dringen om het snel te onderzoeken en ook Sanquin op te roepen om er op een andere manier naar te kijken. Natuurlijk wil je er geen partijpolitieke discussie van maken maar er moeten wel vorderingen gemaakt worden.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Maar dan zou ik wel willen weten waarom de directeur van de bloedbank alarm slaat. Waarop is dit gebaseerd? Dat is toch ook onduidelijk voor mevrouw Dijkstra?

Mevrouw Dijkstra (D66): Ik denk dat bij dit soort dingen altijd gekeken moet worden waarop kritiek gebaseerd is. Dan moet je vervolgens het vervolgtraject inzetten. Ik roep de minister op om dat snel te doen en de Kamer daarover snel te informeren.

Ook D66 vindt dat transgenders volledig man of vrouw moeten kunnen worden. Dat betekent dat behandelingen voor secundaire geslachtskenmerken vergoed moeten worden. Wil de minister zich hiervoor inzetten? En wil de minister ervoor zorgen dat de Emancipatiebrief uitmondt in een werkprogramma met een financieel overzicht per ministerie?

De heer Van Klaveren (PVV): Voorzitter. De PVV kan zich in een aantal zaken goed vinden inzake de visie van dit kabinet op de homo-emancipatie. Zwaarder straffen, een betere registratie en het mogelijk maken dat ook in Caribisch Nederland getrouwd kan worden, de aanpassing van de sterilisatie-eis voor transgenders en het gegeven dat het kabinet uitgaat van eigen kracht van homoseksuelen en vrouwen. Vrijheid is voor de PVV het centrale begrip inzake vrouwenemancipatie. Vrouwen moeten vrij zijn om zelf te kiezen of zij willen werken of niet. Discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt moet keihard worden aangepakt. Dit betekent niet dat de overheid met quota of monitorgesprekken moet gaan werken. We zijn hier gelukkig niet in het quasi-communistische Noorwegen. Volgens de VN Human Development Index 2010 is Nederland zelfs het beste land ter wereld voor vrouwen om in te wonen. We scoren het best op de lijst van landen waar sekseongelijkheid het kleinst is qua onderwijs, gezondheidszorg en arbeidsmarkt. Hoewel het in een aantal opzichten goed gaat met de emancipatie van de vrouw en er maatregelen worden genomen om de emancipatie van de homoseksueel meer ruimte te geven valt het op dat het cruciale woord in de hoofdlijnenbrief ontbreekt, namelijk het woord islam. De Amsterdamse politiecommissaris Welten heeft het volgende gezegd: «We waren op weg om een tolerante samenleving te worden, maar aan het begin van deze eeuw lijkt daar een kentering in te zijn gekomen. Ik denk dat het te maken heeft met de wijziging van de samenstelling van de bevolking. Van de incidenten dit jaar waren nagenoeg alle verdachten van Marokkaanse afkomst. Zij hebben vanuit hun religie en opvoeding niet geleerd om niet te discrimineren.» In hoeverre deelt de minister de zienswijze van de Amsterdamse hoofdcommissaris op dit punt? Wat de PVV betreft geeft hoofdcommissaris Welten goed weer waar het hier om gaat, namelijk intolerantie gevoed door een zogenaamde religie. Dat blijkt ook uit het rapport «Gewoon anders» van het Sociaal en Cultureel Planbureau. We lezen daar: «Voor veel niet-Westerse Nederlanders is homoseksualiteit iets van westerlingen en ongelovigen. De afwijzing van homoseksualiteit wordt gelegitimeerd vanuit de religie.» Dat zien we ook in de praktijk terug. Imam El Moumni stelde destijds dat homoseksuelen lager zijn dan honden en varkens. Het boek «De weg van de moslim» waarin wordt opgeroepen om homoseksuelen te doden is nog steeds te koop in moskeewinkels. We kennen de ellende van de weggetreiterde homoseksuelen uit Utrechtse wijken als Lombok en Leidsche Rijn. Ook zijn er speciale opvanghuizen uitsluitend voor islamitische homoseksuelen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Op 60% van de scholen in Nederland wordt geen goede voorlichting gegeven over homoseksualiteit en transgenders. Is de PVV niet van mening dat het van groot belang is om op elke school, van welke statuur dan ook, die voorlichting gegeven wordt? Is de PVV het daarmee eens en gaan we de minister ertoe aanzetten om dat zo spoedig mogelijk te regelen?

De heer Van Klaveren (PVV): Uiteraard is de PVV ook van mening dat het van belang is dat in het onderwijs terug komt dat homoseksualiteit iets normaals is.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik kan dus concluderen dat de PVV van mening is dat de eerder aangenomen moties uitgevoerd worden. Dat gaat in tegen hetgeen de minister zegt. Zij heeft er namelijk eigenlijk geen zin in.

De heer Van Klaveren (PVV): Wat ik net heb gezegd heb ik gezegd. Het is afhankelijk van de reactie van de minister of mijn fractie nog andere zaken gaat zeggen.

Mevrouw Dijkstra (D66): Ik zou toch graag een duidelijk antwoord willen horen van de heer Van Klaveren. Ik heb begrepen dat de PVV in het AO over veiligheid op scholen zich helder heeft uitgesproken tegen het opnemen van de kerndoelen van homovoorlichting. Ik hoor nu iets anders doorklinken, de PVV wacht het oordeel van de minister af, maar misschien kunnen we nu helderheid krijgen.

De heer Van Klaveren (PVV): Ik heb uiteraard ook gehoord wat mijn collega Beertema heeft gezegd tijdens het AO veiligheid in het onderwijs. Hij heeft aangegeven dat niet elk maatschappelijk probleem op het bordje terecht moet komen van scholen. Niet alles kan daar opgelost worden. Dat zijn wij als PVV-fractie met hem eens. Inzake het wel of niet opvolgen van een motie lijkt het me niet meer dan normaal om de reactie van de minister af te wachten. Wellicht krijgt mevrouw Dijkstra tijdens de tweede termijn een helderder antwoord.

Mevrouw Dijkstra (D66): Wat ik interessant vind is dat uit het SCP-rapport blijkt dat er gediscrimineerd wordt, ook uit onkunde. Tegelijkertijd blijk uit dat rapport dat op veel scholen die voorlichting niet gegeven wordt. De relatie is daarmee helder. Toch dringt kennelijk bij de PVV niet door dat aandacht hiervoor in het onderwijs heel belangrijk is. Vindt de PVV niet dat de motie zonder enige twijfel moet worden uitgevoerd?

De heer Van Klaveren (PVV): Uiteraard vindt de PVV het belangrijk dat dit punt terugkomt in het onderwijs. Ik laat de manier waarop afhangen van datgene de minister antwoordt. Uiteraard vinden wij het belangrijk dat ook in het onderwijs op elke manier aandacht wordt gegeven aan het feit dat homoseksualiteit een bestaand gegeven is en niet gek is.

Mevrouw Smits (SP): Nou moeten we niet gaan jokken. We hebben twee weken geleden het debat gevoerd over veiligheid op scholen. Toen zei de woordvoerder van de PVV: «Nee, wij hebben ons standpunt gewijzigd, wij steunen die motie niet meer.» Dan hoeven we nu niet het antwoord van de minister af te wachten om van de heer Van Klaveren te horen of de PVV die motie nog steunt en, zo ja, staat de PVV dan nog steeds met een meerderheid van de Kamer voor uitvoering van die motie?

De heer Van Klaveren (PVV): Ik ga niet nogmaals herhalen wat ik heb gezegd. Wellicht geef ik in de tweede termijn een ander antwoord naar aanleiding van de reactie van de minister.

Mevrouw Smits (SP): Hetgeen de heer Van Klaveren al meerdere malen heeft gezegd geeft geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag is of de PVV het standpunt over de motie om seksuele diversiteit in de kerndoelen op te nemen veranderd of niet? Voor de beantwoording van die vraag heeft de heer Van Klaveren de minister niet nodig.

De heer Van Klaveren (PVV): Nee, daar hebben we inderdaad de minister niet voor nodig. De vraag is nu wat helderder dan eerder. Wij vinden het nog steeds belangrijk dat seksuele diversiteit terugkomt in lessen op school.

We kennen ook de ellende van de weggetreiterde homo’s uit Utrechtse wijken als Lombok en Leidsche Rijn. Dan zijn er de speciale blijf-van-mijn-lijfhuizen voor islamitische homo’s en de uitlatingen van twee PvdA-raadsleden die stelden dat homoseks voor de islam hetzelfde is als liegen en dat steniging in die context, zolang het gebeurt volgens de regels van de islam, niet verkeerd is. Verder blijkt uit het politierapport «Homofoob geweld» dat veruit de meeste homofobe meldingen uit de Randstad komen. Uit Amsterdam zelfs acht keer meer dan uit de Bible Belt, die onder het gemiddelde scoort. Hoewel er ook in christelijke hoek ideeën leven die niet de onze zijn, zien wij beweging in die hoek. Denk bijvoorbeeld aan het Visiedocument VGS van de Verenigde Gereformeerde Scholen. Maar ook bijvoorbeeld aan de kerkelijke verklaring die elke vorm van geweld jegens homoseksuelen afwijst. De heer Van Dalen, voormalig COC-voorzitter, stelde al dat de sluizen in orthodox christelijke kring opengaan. Die ontwikkeling juicht mijn fractie toe. Laten we ons daarom richten op de hermetisch afgesloten vesting die islam heet, daar gaan de sluizen niet open. Ik hoor graag van de minister wanneer zij het eerste visiedocument verwacht van orthodox islamitische scholen over homoseksualiteit. Wanneer zij denkt dat blijf-van-mijn-lijfhuizen speciaal voor islamitische homo’s niet meer nodig zijn en wanneer zij de eerste moskeeverklaring verwacht waarin staat dat alle vormen van geweld tegen homo’s verkeerd zijn zoals een grote groep kerken onlangs deed.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik twijfel een beetje wanneer ik het moet doen, maar ik word een beetje akelig van dat hameren op het niet deugen van de moslims ten opzichte van de homo’s. Ik word er akelig van en ik heb altijd de behoefte om dat op enig moment te zeggen. Vooral ook omdat ik ter voorbereiding een uitvoerig gesprek heb gevoerd met het COC. Daar zei men: waakt u er alstublieft met ons voor dat het geen bashing wordt van moslims die tegen homo’s zijn; dat is onze ervaring helemaal niet. Natuurlijk is het in islamitische kring een probleem; dat wil ik niet wegschuiven. Maar om daar alleen maar over te spreken en te doen alsof het probleem in Nederland is opgelost wanneer de moslims daarmee ophouden, dat is een totale miskenning. Heeft de heer Van Klaveren ook met het COC hierover gesproken?

De heer Van Klaveren (PVV): Ja, ik heb met het COC gesproken. Voor de rest vind ik het leuk dat het CDA zich probeert te profileren. Voor de rest is het niet zo dat wij alleen maar moslims aan het bashen zijn. Ik heb het woord moslim niet in de mond gehad maar gesproken over de islam. Dat is toch een fundamenteel onderscheid dat wij maken.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik ben een tijdlang integratiewoordvoerder geweest dus dat ik me nu zou profileren, is een tamelijk oninteressante statement. Belangrijker is echter een antwoord op mijn vraag. Is de PVV het met ons eens dat er slechts van uitgaan dat dit probleem wordt opgelost wanneer moslims ermee ophouden te denken dat homo’s niet deugen een miskenning van de problematiek is? Wellicht is er een andere insteek om dit probleem op te lossen.

De heer Van Klaveren (PVV): Allereerst is datgene dat ik betoog gebaseerd op feiten. Het is een relaas met cijfers en feiten die helaas de werkelijkheid aangeven. Daarnaast hebben wij andere punten maar daar kom ik later op.

Ik zal in de tweede termijn terugkomen op hetgeen ik nu niet kan vertellen.

Ik ga verder met de emancipatie van de vrouw. De emancipatie en de vrijheid van de vrouw hebben te lijden onder de groeiende invloed van de islam in Nederland. In de Haagse horeca zijn er plaatsen waar vrouwen inmiddels niet meer kunnen komen. In Nederlandse zwembaden worden meisjes op grote schaal betast door Marokkaanse jongens omdat zij deze «naakte» meisjes zien als gewillig, volgens politierapporten. Het SCP stelt dat er grote conflicterende waarden zijn na de bevinding dat 60% van de Turkse mannen vindt dat Nederlandse vrouwen te veel vrijheden hebben. Turkse en Marokkaanse mannen zijn oververtegenwoordigd als het gaat om het dwingen van anderen tot seks. Bijna 90% van de loverboys zijn niet-Westerse allochtonen en 60% daarvan heeft een islamitische achtergrond. Volgens het onderzoek «Dochters van Wahir» komt eerwraak praktisch alleen maar voor bij vrouwen met een islamitische achtergrond. Mijn vraag aan de minister is of zij net als de PVV een verband ziet tussen de invloed van de islam en de aantasting van de vrijheid van vrouwen in Nederland zoals ik net in de voorbeelden schetste? Het is een illusie te denken dat de emancipatie voltooid kan worden zolang de invloed van een ideologie die de ongelijkheid van man en vrouw en homo en hetero tot politiek beleid wil maken alleen maar groeit. Het zal afbreuk doen aan het emancipatieproces. Daarom blijft de PVV pleiten voor de erkenning van de islam als het grootste structurele obstakel in de emancipatie van vrouwen en homo’s. Wij blijven pleiten voor een immigratiestop uit islamitische landen, voor het sluiten van moskeeën waar voor geweld wordt opgeroepen tegen vrouwen en homo’s, voor het sluiten van alle islamitische scholen en voor het inzetten op onderwijs en de islamitische jeugd op die manier te confronteren met normale ideeën over de verhoudingen tussen man en vrouw en homo en hetero.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik denk dat de heer Van Klaveren blij is dat dit er weer uit is. Ik zou een volgende stap willen zetten, want mopperen op bepaalde groepen of bepaalde culturen brengt de emancipatie niet dichterbij. Ik ben benieuwd welke concrete maatregelen, behalve het sluiten van de grenzen en het uitsluiten van mensen, wij inzake homo-emancipatie en emancipatie van de vrouw van de PVV mogen verwachten. Van de PVV wordt meer verwacht dan gescheld. Als gedoogpartner hoort de PVV ook met maatregelen te komen.

De heer Van Klaveren (PVV): Wij zijn inderdaad gedoogpartner. Dat is GroenLinks nooit geweest. Ik heb een aantal concrete maatregelen genoemd. Daarnaast is het verstandig voor GroenLinks om minder vaak deel te nemen aan Colleges van B&W. GroenLinks zat bijvoorbeeld in het College van B&W in Utrecht waar gescheiden werd ingeburgerd. Dit is een zeer slechte manier om de emancipatie van de vrouw te bevorderen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik zou zeggen liever gescheiden inburgeren dan niet inburgeren, want soms moet je daar een aantal stappen in zetten. De PVV geeft de voorkeur aan het theoretisch geldmodel. Ik stel een serieuze vraag welke maatregelen de heer Van Klaveren op redelijke termijn voorstelt. Het sluiten van de grenzen is niet morgen gerealiseerd. Ik wil graag weten, op basis van het stuk van de minister, op welke punten de heer Van Klaveren meer actie wil en waarop hij de minister opdraagt meer te doen. Dat kan niet alleen door het noemen van de islam of een zwempartijtje waar gegluurd wordt.

De heer Van Klaveren (PVV): Mevrouw Van Gent luistert niet goed. Ik sprak niet over zwempartijtjes waar gegluurd werd. Het aangerand worden van mensen in zwembaden moet niet gebagatelliseerd worden. Ik heb al concrete maatregelen aangegeven. Wij zijn gedoogpartner en wij zijn hard op weg om de grenzen te sluiten in dat opzicht. Om in ieder geval de immigratie te beperken. Wij denken dat het een structurele bijdrage levert aan de verbetering van het leefklimaat voor homoseksuelen en vrouwen omdat de invloed van de islam minder groot zal worden.

Mevrouw Dijkstra (D66): Ik zal proberen het kort te houden. Inzake de emancipatie van vrouwen en de economische zelfstandigheid van vrouwen die er nu veel te weinig is, wil ik vragen hoe de heer Van Klaveren aankijkt tegen de voorzieningen die nodig zijn om het mogelijk te maken dat ouders arbeid en zorg combineren, de kinderopvang, flexibiliteit in werken en samenleving, de openingstijden van de samenleving. Daar heb ik de heer Van Klaveren niets over horen zeggen.

De heer Van Klaveren (PVV): Mevrouw Dijkstra vraagt naar mijn mening over de openingstijden van de samenleving; volgens mij is de samenleving altijd open. Voor de rest gaf ik net aan dat volgens de Human Development Index van de Verenigde Naties Nederland het beste land is om in te wonen voor vrouwen. De sekseongelijkheid op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt en gezondheidszorg is hier het kleinst van alle landen ter wereld. Wat dat betreft zijn we erg goed bezig in Nederland. Mevrouw Dijkstra gaf aan dat er geen economische zelfstandigheid is bij vrouwen. Dat is natuurlijk onzin. Mijn moeder is jarenlang economisch zelfstandig geweest en mijn vriendin is economisch zelfstandig.

Mevrouw Smits (SP): Voorzitter. Ik ga bijna allemaal nare dingen zeggen. Als de heer Van Klaveren geen enkel probleem ziet, dan vraag ik hem wat hij ervan vindt dat vrouwen nog steeds in dezelfde functies beduidend minder verdienen dan mannen.

De heer Van Klaveren (PVV): Volgens het onderzoek van het CPB verdienen vrouwen inderdaad in een aantal gevallen minder. Zij koppelen dat aan deeltijdwerk, opleidingsduur en werkervaring. Dat zouden de verklaringen zijn voor het feit dat er minder verdiend wordt. Als het zo is dat vrouwen met exact dezelfde functie met exact dezelfde opleiding minder verdienen, dan moet dat uiteraard keihard worden aangepakt want dat is belachelijk.

Mevrouw Smits (SP): Heel goed. Ik laat het eerste deel van het antwoord voor wat het is. Ik begrijp dat wij samen met de PVV kunnen optrekken als wij met voorstellen komen om de minister op het goede pad te krijgen om daar wat aan te doen.

De heer Van Klaveren (PVV): Ik weet niet wat mevrouw Smits verstaat onder het goede pad. Hetgeen de SP tot nu toe doet heb ik nog nooit goed kunnen noemen.

Mevrouw Smits (SP): Voorzitter. We hebben even op deze brief moeten wachten maar de SP is blij dat deze regering uiteindelijk een visie op emancipatie heeft ontwikkeld. Dat vrouwen, homoseksuelen, migranten en andere bevolkingsgroepen nog steeds op achterstand staan in onze samenleving is onverteerbaar. Dat is zeker onverteerbaar voor socialisten die van oudsher de emancipatie van eenieder actief ondersteunen. Het vorige kabinet heeft mooie woorden gesproken over emancipatie maar heeft niet echt doorgepakt. Dat kabinet had echter wel concrete doelstellingen. Die missen we in deze brief van de minister. Er staan goede zaken in het plan maar wij zien graag duidelijker aangegeven wanneer, hoe en hoeveel. Misschien kan de minister daarop een toelichting geven. Inzake sommige onderwerpen is deze regering enigszins dubbelhartig. Zo klinkt het actieplan voor homo-emancipatie goed, maar een aantal wezenlijke problemen blijft ongenoemd. Wat straalt de regering uit als zij zegt discriminatie te willen bestrijden maar een ambtenaar toestaat te weigeren om een homostel te trouwen. En wat laat je als school aan je leerlingen zien als je zegt dat je respect moet hebben voor mensen met een andere seksuele voorkeur dan jezelf maar tegelijkertijd een docent weigert omdat zij lesbisch is en daarnaar leeft? In dit geval geldt «Practice what you preach». Als de minister op deze onderwerpen zo dubbelhartig bezig blijft verandert er natuurlijk niets. Hetzelfde geldt voor de aangenomen motie over seksuele diversiteit en de kerndoelen. Die motie is door de Kamer aangenomen en hoort te worden uitgevoerd. De minister moet die motie uitvoeren want nog veel te veel jonge mensen worstelen met hun seksuele identiteit. Als de minister dat niet van plan is moeten wij als Kamer actie ondernemen. De minister vindt het geen probleem dat ambtenaren homoparen weigeren te trouwen. Mijn fractie vindt dat niet van deze tijd. Gelukkig staat alleen het christelijke smaldeel van de Kamer nog achter de minister. De VVD heeft een duidelijk standpunt en ik stel voor dat wij dit vandaag regelen en hierover een motie indienen. Op het gebied van vrouwenemancipatie meet de minister met twee maten. Aan de ene kant zegt ze dat het belangrijk is de achterstanden van vrouwen aan te pakken. Aan de andere kant schopt dit kabinet vrouwen terug in de armoede. Door de bezuinigingen in de kinderopvang wordt het voor veel vrouwen te duur om te blijven werken. Hoe verhoudt zich dit tot de mooie woorden? Het kabinet doet niets om de combinatie van arbeid en zorg te verbeteren voor ouders. Waarom komen er geen voorstellen om het kraamverlof uit te breiden? Waarom geen betaald ouderschapsverlof? Als je zulke mooie woorden gebruikt over het delen van verantwoordelijkheid dan moet je ook vaders de kans geven. En waarom niet investeren in mantelzorgverlof? Met de bezuinigingen op het pgb zijn die mantelzorgers extra hard nodig. Als het kabinet op deze manier doorgaat, storten we onszelf terug naar de jaren vijftig. Moeder blijft thuis, vader snijdt op zondag het vlees en met een beetje geluk trekt oma er binnenkort ook weer bij in. Het is dubbelhartig. Migrantenvrouwen moeten zich ontwikkelen anders nemen ze niet volwaardig deel aan de samenleving. Maar al het buurtwerk, de projecten voor ouders op school en de inburgering verdwijnen. Er komt niets voor in de plaats. Denkt de minister dat de migrantenvrouwen het zelf wel kunnen of ligt het slecht bij de gedoogpartner om hier plannen voor te maken?

De heer Van Klaveren (PVV): Ik hoorde mevrouw Smits een aantal keren spreken over migrantenvrouwen. Zij startte haar betoog met de opmerking dat de SP zich altijd heeft ingezet voor de emancipatie van allerlei groepen. In de jaren tachtig heeft de SP een brochure doen uitgaan genaamd «Gastarbeid en kapitaal». Daarin stelde de SP dat Turkse en Marokkaanse mensen hoegenaamd kansloos zijn in deze maatschappij als gevolg van hun geloof. Deelt de SP die visie nog steeds en, zo ja, hoe denkt mevrouw Smits dit zodanig te wijzigen dat deze migrantenvrouwen opstomen in de vaart der volkeren?

Mevrouw Smits (SP): Ik ben blij dat de heer Van Klaveren dit vraagt. Wij zeiden inderdaad dertig jaar geleden al dat als je als Nederlandse overheid geen integratiebeleid voert er problemen ontstaan. Die problemen hebben we gezien. We zien een enorme concentratie van kansarme migranten in bepaalde wijken in de grote steden en ook in kleinere steden waar mensen niet meer uit de armoede komen. Dan kun je zeggen dat al die mensen niet deugen omdat ze in een andere God geloven dan ik. Dat is niet onze oplossing. Wij vinden dat je met voorstellen moet komen om mensen gezamenlijk aan het werk te krijgen en gezamenlijk naar school te krijgen. Mijn fractie heeft daar mooie voorstellen voor ingediend. Het zou goed zijn als de PVV die zou steunen. Gezamenlijk aan het werk, gezamenlijk naar school, uit de armoede. Dan zullen de migrantenvrouwen meekomen in die vaart der volkeren maar het ligt niet aan wat ze geloven.

De heer Van Klaveren (PVV): In uw brochure ging het om het islamitisch geloof. Daar ontvang ik graag een reactie op van mevrouw Smits.

Mevrouw Smits (SP): Ik ben er trots op dat ik hoor bij een partij die dertig jaar geleden toen de problemen nog niet waren zoals ze nu zijn, aankaartte dat er iets gedaan moest worden. Dat de PVV dertig jaar na dato roept dat het allemaal niet deugt en dat al die mensen weg moeten, vind ik een beetje gemakkelijk. Wat mij betreft ligt het niet aan het geloof van mensen, noem dat voortschrijdend inzicht na dertig jaar. Het ligt wel aan de positie die we mensen gunnen in onze samenleving. Daar draagt de PVV werkelijk niets goeds aan bij.

Hoe kan het dat in de brief van de minister geen woord wordt gerept over het probleem dat vrouwen in dezelfde positie nog steeds niet hetzelfde verdienen als mannen? Ik hoor graag wat de minister daaraan gaat doen. Met het plan dat nu voorligt krijgen we vrouwen niet aan de bak. De combinatie van bezuinigingen zullen vrouwen treffen die het minste hebben en die straks nog minder mogelijkheden zien om aan het werk te gaan. Is het kabinet bereid te kijken wat de effecten zijn van de bezuinigingen op de kinderopvang, het verlagen van het sociaal minimum, de bezuinigingen op het armoedebeleid, de zorg en de inburgering op de emancipatie van vrouwen?

Ik wil een speciaal woord wijden aan Aisul en Anita, twee studerende meiden die ik te gast had op Prinsjesdag. Twee meiden, moeders, die voor hun kinderen een betere toekomst willen en daarom weer een opleiding zijn gaan volgen. Stoer, slim en ze willen graag hun mbo-opleiding halen. Ik weet dat de minister respect heeft voor dit soort meiden. Waarom stapt de minister niet van idee af dat het krijgen van een aanvullende lening bij DUO hetzelfde is als inkomen? En waarom kan de minister niet toegeven dat de eenoudertoeslag bestemd is voor het kind dus niet in een prestatiebeurs thuishoort? Keer op keer staan de dappere dames van Steunpunt Studerende Moeders hier en keer op keer worden ze met een kluitje het riet ingestuurd. Voor een groep vrouwen die doet wat het kabinet wil zou de minister bewondering en geld moeten hebben. Wat doet de minister om de positie van deze studerende ouders veilig te stellen? Gaat zij afspraken maken met onderwijsinstellingen om beleid op te stellen voor studerende ouders? Gaat zij de kinderopvang voor deze meiden veilig stellen en hoe gaat zij de financiële drempels voor deze mensen wegnemen?

Eigen kracht is mooi maar als je steeds tegen een dichte deur loopt dan heb je er niet veel aan. De overheid heeft de taak om obstakels weg te nemen en voorwaarden te creëren voor emancipatie en gelijke kansen op individuele en maatschappelijke ontwikkeling. Anders hoef je geen emancipatiebeleid te ontwikkelen. Dat kan een keuze zijn maar dat is niet die van ons en daar moet het kabinet wel eerlijk voor uitkomen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Voorzitter. Het is goed dat we hier weer over spreken. Ik zou willen beginnen met een beginopmerking in de brief van de minister als het gaat over emancipatiebeleid. Daarin zegt zij: «De gelijkheid voor de wet en de gelijkwaardigheid voor vrouwen en mannen en van homoseksuelen en heteroseksuelen dient vanzelfsprekend te zijn». Dan komt er toch een addertje onder het gras want dan zegt de minister: «Daarbij hoort ook respect voor verschil en tolerantie voor andersdenkenden. De balans in grondrechten is een van de kernwaarden van de Nederlandse samenleving». Ik ben ten eerste geïnteresseerd in wat ik me moet voorstellen bij de opmerking «respect voor verschil en tolerantie voor andersdenkenden». Een aantal partijen zei vandaag al dat doorpakken van groot belang is. Je moet kunnen zijn wie je bent en helaas gaat dat in het Nederland in 2011 nog niet altijd vanzelf. Dan is de vraag of we ons terughoudend gaan opstellen om iedereen tevreden te stellen of gaan we samen de strijd aan. Helaas is dat nog steeds nodig om toch een aantal zaken beter te regelen. Het onderwijs is daarbij essentieel. De minister moet daarin een echte keuze maken of zij bereid is zich in te zetten voor emancipatie. Respect voor andersdenkenden is mooi maar als mensen daar de dupe van worden dan heeft dat niets meer met respect en tolerantie te maken. Deze minister heeft volgens mij alles in huis om een topminister te worden op emancipatie. Zij is voorzitter geweest van het CDA Vrouwenberaad en het meefeesten op de Gay Pride komt met deze minister wel goed. Zij heeft het in zich om een nieuwe moeder aller homo’s te worden als een stevige minister die opkomt voor gelijke rechten en doorpakt bij haar collega’s om een aantal zaken voor elkaar te krijgen. Het gaat erom dat deze minister met een aantal concrete maatregelen komt. Ik vind het een goed idee dat er een werkprogramma komt voor de thema’s die de minister zelf in haar brief aanreikt. Ook in de brieven van het COC en anderen staat een lijst met zaken die nog niet optimaal geregeld zijn. De overheid moet dit in samenspraak met andere geledingen doen maar het moet wel gedaan worden. Mijn vraag aan de minister is of zij daartoe bereid is. De minister is de coördinerend minister voor emancipatie en dient op te komen voor haar zaken en voor diegene waar het voor bedoeld is. Ik verwacht hierop een forse toezegging van de minister.

Ik wil het hebben over het streefcijfer van 60% economisch zelfstandige vrouwen. Dat zouden we in 2010 bereikt moeten hebben. We zitten inmiddels op 48%. Een relatie is niet de beste sociale zekerheid. Vrouwen met kinderen die na echtscheiding in de bijstand terechtkomen zijn vaak arm in Nederland. Mijn vraag aan de minister is of wij vrouwen weer terug achter het aanrecht willen. Ik zag een interessante foto in het NRC van de heer Dijkgraaf achter het aanrecht. Het zag er een beetje gekunsteld uit moet ik zeggen. Er gebeurde verder niets in die keuken.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik beantwoord een uitlokking door een uitdaging en nodig mevrouw Van Gent uit om te komen eten. Ik kook elk weekend en alle vakanties, en dat zijn er nogal wat als je Tweede Kamerlid bent. Op het moment dat de foto genomen werd was de pan volkomen leeg maar ik hang er door eigen kracht heel wat boven als de pan vol is.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): De heer Dijkgraaf is de held van de natie. Maar eerst zien dan geloven zou ik erbij willen zeggen.

De heer Dijkgraaf (SGP): Wanneer komt mevrouw Van Gent eten?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): We gaan zo een afspraak maken en dan nodigen we de NRC weer uit. Dan gaan we een goed gesprek met elkaar voeren over emancipatie.

Als het gaat over de economische zelfstandigheid, de maatregelen rondom de kinderopvang en de aanrechtsubsidie wil ik van de minister weten of er een soort emancipatiecheck plaatsvindt op dit soort maatregelen. Ik zie daar niets over terug, terwijl dit natuurlijk wel consequenties heeft. Naast die concrete streefcijfers wil ik ook ambities zien. Dat valt mij toch nog tegen. GroenLinks vindt dat het afgelopen moet zijn met de weigerambtenaren. Kan de minister dit toezeggen? Op 60% van de scholen wordt geen voorlichting gegeven over seksuele diversiteit. Dat moet afgelopen zijn, zo spoedig mogelijk. Ik vertrouw op mijn collega’s dat zij dat doen. Als de minister daar niet helder in is, zal ik daarover een motie indienen. Waarom is lesbisch ouderschap nog niet geregeld? Ligt het wetsvoorstel er inderdaad nog voor de zomer? Ik zie de VVD daarin als bondgenoot om dit zo snel mogelijk te regelen.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Inzake lesbisch ouderschap heeft mevrouw Van Gent zeker een bondgenoot, maar de toezegging van de heer Teeven was buitengewoon helder. Hij is daar met zijn ambtenaren volop mee bezig. Het wetsvoorstel zal spoedig worden gepresenteerd. Ik ben verbaasd dat mevrouw Van Gent twijfelt aan de toezeggingen die op dit punt zijn gedaan.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Dat is natuurlijk niet voor niets. Halverwege 2010 is er ook een motie over aangenomen. Toen is gezegd dat het zo spoedig mogelijk geregeld zou worden. Ik ben blij dat staatssecretaris Teeven daar volop mee bezig is. Ik wil van deze minister de absolute garantie dat we dit meteen na de zomer kunnen regelen. Het belang van emancipatie zit in het DNA van mijn partij. Bij ons is dat ononderhandelbaar. Ik had nog veel meer willen zeggen over het VN Vrouwenverdrag, het vaderverlof, transgenders, het belang van een goede registratie van homofobe incidenten, het enkele feit, Artikel 1, de positie van allochtone vrouwen. Ik sluit mij aan bij anderen maar de essentiële vraag is aan de minister of zij deze punten in overleg met haar collega’s in een werkprogramma met concrete middelen en mogelijkheden uiterlijk in september aan ons doet toekomen.

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. We hebben weinig tijd dus ik val meteen met de deur in huis. De Nederlandse overheid is medeplichtig aan homodiscriminatie. Wij als overheid werken eraan mee dat trouwambtenaren homoseksuele huwelijken mogen weigeren, dat scholen homoseksuele docenten mogen uitsluiten, dat docenten bij seksuele voorlichting de waarheid kunnen verzwijgen namelijk het bestaan van homo’s, lesbiennes en transgenders die wat mij betreft ook schepselen van God zijn.

De heer Dijkgraaf (SGP): De heer Marcouch zegt dat de overheid eraan bijdraagt dat homo’s gediscrimineerd worden omdat ambtenaren uitgesloten worden. Is de heer Marcouch het met mij eens dat de heer Cohen, toen staatssecretaris, destijds heeft gezegd bij de behandeling van de wet over het homohuwelijk dat het uitgangspunt is dat huwelijken gesloten moeten worden, maar dat er volledige vrijheid moet zijn voor ambtenaren die gewetensbezwaren hebben. Het gaat om zijn eigen partij of is de partij nu alweer gedraaid?

De heer Marcouch (PvdA): Ik verkondig hier het standpunt van de PvdA. Wat de heer Cohen als staatssecretaris heeft gedaan dat kan de heer Dijkgraaf beter aan hem vragen.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik hou wel van partijen die consistent zijn in hun visie en hun standpunten. Er is nog een debat op gevolgd over de vraag of het alleen voor de bestaande gewetensbezwaarde ambtenaren geldt of ook voor de nieuwe. De heer Cohen was glashelder toen hij zei: «Ik maak geen onderscheid op basis van het enkele feit dat het zou gaan om huidige versus toekomstige ambtenaren.»

De heer Marcouch (PvdA): Wat mij betreft moeten ambtenaren de wet uitvoeren. Je kiest er niet voor om homo te zijn, je bent homo. Maar je kiest er wel voor om huwelijksambtenaar te zijn. Als je er allerlei bezwaren tegen hebt om bepaalde huwelijken te sluiten, dan moet je een ander beroep gaan uitoefenen.

De heer Van Klaveren (PVV): Ik noemde net twee PvdA-raadsleden die stelden dat homoseks te vergelijken was met liegen. Hoe duidt de heer Marcouch dat?

De heer Marcouch (PvdA): Het zijn onzinnige uitspraken, ik ken die uitspraken van de collega’s niet. Ik wil mijn vijf minuten besteden aan serieuze onderwerpen als homo-emancipatie en vrouwenemancipatie en niet aan dit soort, nergens op gebaseerde, citaten. Wat mij betreft is het verwerpelijk, maar ik ken ze niet en ik ga er ook van uit dat die collega’s dat niet gezegd hebben.

De heer Van Klaveren (PVV): Die uitspraken zijn gedaan. Het is destijds groot nieuws geweest. De heer Marcouch wil daar niet op ingaan maar er zijn talloze homoseksuelen en vrouwen in Nederland die hinder ondervinden van de islam. Door hierop niet te reageren doet de heer Marcouch geen recht aan de werkelijkheid.

De heer Marcouch (PvdA): Ik heb net al aangegeven dat ik dergelijke standpunten verwerpelijk vind. Als citaat van collega’s ken ik ze niet. Ik ben partner van de PVV als het gaat om concrete stappen zetten. Als de PVV werk wil maken van homodiscriminatie, homo-emancipatie, het opkomen voor de rechten van mensen in Nederland, dan moet de partij de moties die we in gaan dienen ondersteunen en de minister eraan houden dat het daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat we werk maken van acties. Daar zie ik de heer Van Klaveren nog niet naar handelen.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Ik wil de heer Marcouch vragen of hij het een redelijk voorstel vindt, ook in lijn met hoe de PvdA heeft geacteerd in de vorige kabinetsperiode, om de minister rustig naar het advies van de Commissie Gelijke Behandeling te laten kijken als het gaat om die gewetensbezwaarde ambtenaar. Juist omdat het advies zo schappelijk en realistisch is. De minister kan daarna bij de Kamer terugkomen om knopen door te hakken.

De heer Marcouch (PvdA): Ik ben daar ontzettend ongeduldig in, want ik vind het een non-discussie. Ik vind dat ambtenaren dienstbaar moeten zijn aan de burgers en iedereen moeten bedienen. Ik laat het aan de minister over of zij daarvoor rust nodig heeft maar wat mij betreft is het kwart over twaalf en had het gisteren en niet morgen geregeld moeten zijn.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Het is geen verrassing dat de VVD het van harte met de heer Marcouch eens is als het gaat om geen ruimte voor weigerambtenaren, zeker omdat het hier gaat om de verhouding ambtenaar tot derden. Wat me wel verbaast, is kwart over twaalf. De partij van de heer Marcouch heeft jarenlang in het kabinet gezeten weigerde er werk van te maken. Ik vind het nogal opportunistisch om nu niet even rustig terug te gaan naar het advies van de Commissie Gelijke Behandeling, maar als een bulldozer hier doorheen te walsen. Ik ben ervoor om het morgen geregeld te hebben. De realiteit is dat we er al tien jaar met zijn allen over praten. Laten we daarom nu even de rust bewaren en de nadere informatie van de minister afwachten.

De heer Marcouch (PvdA): Ik was blij met de uitspraak van mevrouw Hennis-Plasschaert in het Parool vorige week. Wat mij betreft moeten we tempo maken en is er ruimte genoeg geweest om erover na te denken en er studies van te maken. Het rapport van de Commissie Gelijke Behandeling ligt er al. Er is geen reden voor uitstel.

Waarom staat de overheid institutionele discriminatie toe? Om gewetensbezwaren te ontzien. Wat is dat voor een geweten dat homoseksuelen het licht in de ogen niet gunt, dat toestaat dat ambtenaren homo’s hun huwelijksgeluk misgunnen, dat scholen laat wegkomen met nietszeggende seksuele voorlichting die om de hete aardappel heen draait. Dat is het geweten van onze minister van emancipatie, onze minister van onderwijs nota bene. Wij hebben het over de minister die als publieke taak heeft een hele generatie scholieren te vormen tot persoonlijkheden. De minister heeft mij niet lang geleden een staatsprijs voor homo-emancipatie gegeven. Die laissez faire met gewetensbezwaren is zo gevaarlijk. Zoveel fatale seksuele drama’s overspoelen ons. Het lijkt één grote plattegrond van wrede, egoïstische seksincidenten. Alsof wij nu ineens door de deken van taboes heen kunnen kijken. Het valt niet mee wat wij te zien krijgen. De ene keer levenslang getraumatiseerde mannen die misbruikt zijn door pastoors en bisschoppen. Dan weer gestoorde jongens die er in slagen om in alle anonimiteit homoseksuelen gewelddadig te molesteren. De ene keer zien wij gekwelde meisjes door groepen jongens worden verkracht of in schoolpleinen in handen vallen van groepsverkrachters. Dan weer zijn het basisschoolmeisjes die het slachtoffer worden van incest met ongewenste zwangerschappen als gevolg. In die situatie zegt de minister van Onderwijs en Emancipatie: schoolbesturen, kijk maar of jouw gereformeerde, katholieke of islamitische school de misvormde seksuele opvattingen in stand wil houden. Een meerderheid van de Kamer vindt het levensgevaarlijk om seksuele voorlichting alleen af te laten hangen van porno op internet en televisie. Maar de minister denkt door het geven van subsidie aan het COC het eigen hachje te beschermen. Ieder voor zich en God voor ons allen.

De heer Dijkgraaf (SGP): Vanwege de tendentieuze richting waarop de gesuggereerde feiten van de heer Marcouch gaan, wil ik opmerken dat minister Plasterk een heel andere observatie had in de tijd dat hij minister was. Nadat hij bij verschillende scholen op bezoek is geweest heeft hij tijdens een debat in de Kamer letterlijk gezegd dat het best eens zou kunnen dat juist in de wat strengere kringen meer over het onderwerp wordt gesproken. Qua acceptatie is daarmee al een eerste stap gezet. Op veel openbare scholen gebeurt nog niet zoveel. Wat vindt de heer Marcouch van dit citaat van de heer Plasterk?

De heer Marcouch (PvdA): ik weet dat de heer Plasterk achter het standpunt van de partij staat. De vraag is niet hoe je zo’n les vormgeeft. Waar het om gaat is dat het geen vrijblijvendheid wordt. De minister wil het aan de scholen overlaten. De werkelijkheid is dat veel van die scholen het niet doen. Daar moet je werk van maken.

De heer Dijkgraaf (SGP): ik constateer dat de heer Plasterk het met de heer Marcouch eens is. Mijn vraag was of de heer Marcouch het met de heer Plasterk eens is. Dat op die scholen waar hij het over heeft veel serieuzer werk gemaakt wordt van goede voorlichting op dit soort belangrijke thema’s.

De heer Marcouch (PvdA): Mijn waarneming is dat de scholen waar ik over sprak het COC de toegang ontzeggen voor de voorlichtingslessen. Als het inderdaad is zoals de heer Dijkgraaf aangeeft, wat is dan het bezwaar om de motie te ondersteunen en het te regelen in de kerndoelen van het onderwijs? Dan is het duidelijk wat de Kamer van het onderwijs verwacht.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik blijf het een heel belangrijke discussie vinden dat kinderen voldoende meekrijgen. Ik ben iedere dag blij als mijn kinderen thuiskomen met «Leefstijl» waarin het gaat over respect voor elkaar. Ik zou toch nu de PvdA willen vragen waarom we niet samen kunnen kijken op welke manier kerndoel 43 wordt ingevuld: respect voor verschil en voor elkaar. Dat kan op veel verschillende punten zijn. Je mag niet homo’s discrimineren op school. Net zoals je mensen die dik zijn niet mag discrimineren op school. Er zijn veel meer aspecten waar we in het onderwijs aandacht aan willen besteden om ervoor te zorgen dat kinderen met respect en fatsoen met elkaar omgaan. Is de PvdA het niet met ons eens dat het breder moet en dat de inspectie er bovenop moet zitten? Indien een school zich er niet aan houdt moet dit consequenties hebben voor de bekostiging. Moeten we niet over veel meer zaken scherp zijn met de inspectie dan alleen op dit ene, verscherpte doel?

De heer Marcouch (PvdA): Het kan zijn dat je in de kerndoelen van het onderwijs over bepaalde zaken helderder moet zijn. Waar het nu om gaat, is om de motie die eerder door een grote Kamermeerderheid is aangenomen en waarvan de minister heeft gezegd dat ze hem niet wil uitvoeren toch te laten uitvoeren. Die motie stelt juist dat je duidelijk moet zijn in wat je van de scholen verwacht inzake seksuele voorlichting, seksuele opvoeding en seksuele diversiteit. Dan moeten we het homo zijn of lesbisch zijn niet vergelijken met andere excessen die met gezondheid te maken hebben. Obesitas is toch een heel ander probleem. Het gaat hier om het zijn van mensen, het gaat hier om het vormen waarvoor de minister van Onderwijs medeverantwoordelijk is, om het ontwikkelen en bouwen aan persoonlijkheden die met respect en acceptatie omgaan met homo’s en lesbiennes in onze samenleving. Dat is in werkelijkheid een probleem. Daarom moeten wij het als Kamer regelen. De Kamer heeft het al geregeld, de minister moet de motie uitvoeren.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): De Kamer heeft het misschien geregeld maar niet met de steun van het CDA dus sta mij toe om de heer Marcouch toch uit te dagen om er opnieuw naar te kijken. De reden daarvoor is dat wij van mening zijn dat er op veel punten respect moet worden bijgebracht aan kinderen, respect voor anders-gelovigen, respect voor homo’s, respect voor iedereen. Daarom is het belangrijk om aan te geven dat wij willen dat andere partijen daar opnieuw naar kijken, omdat er breder in de kerndoelen gekeken moet worden naar respect voor elkaar. Zou de PvdA er in die zin opnieuw naar willen kijken?

De heer Marcouch (PvdA): Wat mij betreft staat die motie en moeten we de discussie niet heropenen. De motie dient wat ons betreft uitgevoerd te worden. Het is de taak van het onderwijs zelf om in te vullen hoe het wordt uitgevoerd. Ze moeten het echter wel doen. Dat is waarin de motie helderheid verschaft. Daarop moeten we niet afdingen. Zeker niet gezien de problemen die ik zojuist heb geschetst.

Er ligt dus geen bodem onder dit werk zolang de minister homo-discriminatie toestaat. Het is een nota op hoofdlijnen. Toch is het zaak om op een aantal terreinen aan te geven waar we de minister of het kabinet op af kunnen rekenen. Dat geldt voor de homo-emancipatie maar ook voor de vrouwenemancipatie. Als je kijkt naar de visieloze bezuinigingen op de kinderopvang, op de sociale werkplaatsen en op inburgering. Dat zijn instrumenten die nodig zijn voor emancipatie. Emanciperen doe je door dingen te ondernemen. De vraag aan de minister is hoe zij die werkende ouders die zich een slag in de rondte organiseren om werk en gezin te combineren, gaat helpen door goede vitale voorzieningen te realiseren die betaalbaar zijn maar ook aansluiten op de werkelijkheid van het combineren van werk en gezin. Heel vaak is dat ontoereikend. Hoe gaat de minister jonge moeders en alleenstaande moeders met kinderen faciliteren en ondersteunen? Wat is de reactie van de minister op de brief van Stichting Steunpunt Studerende Moeders? Uiteindelijk is onderwijs dé sleutel voor emancipatie. Hoewel de man een factor is in het emancipatieproces wordt er in de nota niets over de man genoemd. Wat zijn de beelden van de minister over de rol van de man in het emancipatieproces en hoe zit het met initiatief van de PvdA «Het plan van de man»? Is dat al in uitvoering? Hoe krijgt de minister het voor elkaar dat dit plan een regeringsplan wordt voor de emancipatie zodat op al die terreinen recht wordt gedaan aan de ambities van deze hoofdlijnennotitie op het gebied van emancipatie. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de zaken die ik net noemde zoals sociale werkplaatsen en kinderopvang maar ik denk ook aan het feit dat dit kabinet blijkbaar onder druk van de PVV het diversiteitbeleid heeft afgeschaft. Hoe verhoudt dat zich tot de ambities van de minister?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik zei in mijn bijdrage dat ik voor een emancipatiecheck zou zijn als het gaat om bezuinigingen van het kabinet zoals kinderopvang en de aanrechtsubsidie. Is de heer Marcouch het daarmee eens? In het geval de minister ons niets toe wil zeggen kunnen we daar gezamenlijk initiatief op nemen.

De heer Marcouch (PvdA): Wat mij betreft zijn beleid en politieke ambitie ook daadkracht, dus we moeten inderdaad bekijken of dat wat dit kabinet met de mond belijdt ook terug te zien is in de acties die worden ondernomen. Ik steun dit voorstel dan ook en we moeten de minister hieraan houden.

De heer Dijkgraaf (SGP): Voorzitter. Bij het lezen van de stukken bekroop mij een tweeslachtig gevoel. Enerzijds is er een aantal serieuze problemen die de aandacht van het beleid vragen, maar anderzijds zijn we in Nederland anno 2011 wat de SGP betreft de fase van de zieligheid voorbij. Emancipatie betekent wat ons betreft dat je stevig in je schoenen staat om volwassen om te kunnen gaan met hen die een andere mening hebben dan jij. Dat is heel wat anders dan pas tevreden zijn als iedereen het met je eens is. Daar mag je best naar streven maar je eigen positie hoort daarvan niet afhankelijk te zijn. Het wordt kwalijk als je eist dat anderen het met je eens zijn omdat je anders op een achterstandspositie zou staan. Nederland is groot geworden door allerlei groepen met heel diverse meningen die elkaar respecteerden. Bij de acceptatie van homoseksualiteit haalt het kabinet alles van stal om de overtuiging van burgers te veranderen. De overheid wil dat alle mensen in binnen- en buitenland homoseksualiteit normaal vinden. Wij vinden dat een grensoverschrijdende ambitie. Met cultuurverandering moet de overheid altijd terughoudend zijn, zeker als het deze kant op gaat. Voor de SGP staat de unieke waarde van seksualiteit binnen het huwelijk van man en vrouw centraal. Veel Nederlanders hebben moeite met homoseksualiteit. Daarvoor moet in ieder geval ruimte zijn. Voor de SGP is dat een belangrijk ijkpunt bij de plannen. Heeft het kabinet voldoende respect voor mensen die zijn mening niet delen? Veiligheid en respect voor iedereen zouden centraal moeten staan in het beleid, niet het idee dat iedereen de zelfde mening is toegedaan.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Ik ben het helemaal met de heer Dijkgraaf eens dat niet iedereen de zelfde mening hoeft te hebben. Als je zegt iedereen moet kunnen zijn wie hij is, dan moet je daar geen drempels opleggen om dat mogelijk te maken. Ik zeg tegen de heer Dijkgraaf dat hij niet met een man hoeft te trouwen. Het moet echter wel kunnen. Het is een individuele keuze maar de wet moet wel die mogelijkheid geven. Ik ben benieuwd hoe de heer Dijkgraaf daartegen aankijkt. Niet de wil opleggen is het uitgangspunt maar wel dat mensen vrij zijn.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik constateer dat er anno 2011 een wet is waarin dat huwelijk mogelijk is. Wij vinden dat wetten uitgevoerd moeten worden. Dat is de discussie waar ik later op terugkom. Is het de eis aan elke ambtenaar om de volledige wet uit te oefenen? Nee, de wet is zo geformuleerd dat elke gemeente ervoor moet zorgen dat die wet uitgevoerd wordt.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): De kwestie van de weigerambtenaren is een heel andere discussie. Ik constateer dat wij het daarover niet eens zijn. Het gaat mij om de principiële vraag vanuit de SGP. De heer Dijkgraaf zegt dat je het niet met iedereen eens hoeft te zijn en je anderen niet je wil moet opleggen. Ik ben het daarmee eens. Maar het kan toch niet zo zijn dat je in Nederland niet kunt zijn wie je bent en dat de overheid onvoldoende regelt dat dit georganiseerd is. Het homohuwelijk hebben we nu, maar hoe kijkt de heer Dijkgraaf bijvoorbeeld aan tegen het lesbisch ouderschap? Het hoeft niet maar het moet wel kunnen.

De heer Dijkgraaf (SGP): Je kunt natuurlijk hele discussies voeren over wat er nodig is om jezelf te kunnen zijn. Ik constateer dat er veel landen zijn waar allerlei groepen prima veilig en gerespecteerd kunnen leven zonder dat deze zaken geregeld zijn. U kunt voorbeelden noemen waar dat niet zo is. Maar er zijn ook voorbeelden waar veiligheid en respect wel degelijk gegarandeerd zijn. Daar zijn verschillen. Dat betekent niet per definitie dat de overheid alles moet regelen.

De heer Marcouch (PvdA): Respect is een heel mooi woord maar het is een loos begrip op het moment dat het niet verbonden wordt aan daden. Voor de helderheid, ook als basis voor de discussie, begrijp ik het goed dat de heer Dijkgraaf het homozijn ziet als een cultureel fenomeen? Gaat het om een cultureel fenomeen of gaat het om het zijn van mensen? Dat is wel fundamenteel voor de discussie die we met elkaar voeren.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik begrijp niet helemaal wat de heer Marcouch bedoelt. Wat zou dat met cultuur te maken hebben? Alsof het nu voorkomt en vroeger niet? Ik weet niet waarop de heer Marcouch dit baseert. Zo onnozel kijken wij niet tegen dit fenomeen aan.

De heer Marcouch (PvdA): Als het gewoon een mening is en je kunt kiezen of je homo wilt zijn of niet, dan krijg je een andere discussie. Ik begreep dat uit de inleiding van de heer Dijkgraaf. Het is vaak fundamenteel, ook bij andere religieuzen in een discussie, dat gezegd wordt «je hoeft geen homo te zijn». Is de SGP van mening dat het zijn van homo een keuze is of is het een schepsel van God en een mens zoals u en ik?

De heer Dijkgaaf (SGP): De heer Marcouch gaat er nu allerlei zaken bij halen die ik helemaal niet gezegd heb. Ik heb niet gezegd dat je zo gemakkelijk daarvoor zou kiezen. In alle visiedocumenten die de heer Marcouch ongetwijfeld niet gelezen heeft als hij het heeft over reformatorisch onderwijs en dergelijke. Daarin staat nu juist dat er rekening moet worden gehouden met de geaardheid van mensen. Geaardheid wil al zeggen dat het in die mensen zit. Hoe je daar vervolgens mee omgaat is een ander verhaal en daar kun je wel degelijk keuzes in maken.

De SGP is blij om te horen dat het geweld tegen homo’s hard wordt aangepakt. Het waarborgen van de fysieke veiligheid van burgers is een kerntaak van de overheid. Onderscheid tonen is wat dat betreft onacceptabel. Het kabinet wil geweld dat voortkomt uit discriminatie van homo’s zelfs dubbel bestraffen. Wij vragen of deze uitzondering voldoende onderbouwd kan worden en voegen daaraan toe dat als dat zo is, wellicht alle vormen van geweld voortkomend uit discriminatie die dubbele straf zouden moeten krijgen.

Een wijziging van de kerndoelen voor het basisonderwijs vindt de SGP overbodig. De huidige kerndoelen geven voldoende richting om ook opvattingen over homoseksualiteit ter sprake te laten komen. Het is eenzijdig om met allerlei maatschappelijke belangen en opvattingen alleen homoseksualiteit te kiezen bij de aanscherping. De SGP steunt daarom de nuchtere lijn van het kabinet om dit niet te doen.

De heer Marcouch (PvdA): Ik hoor de heer Dijkgraaf zeggen dat je keihard moet optreden tegen geweld, maar is hij het met mij eens dat veiligheid over meer gaat dan alleen maar non-geweld, dat het er ook over gaat over dat je niet de angst hoeft te hebben voor ontdekking, dat je niet gedwongen wordt om je binnen bepaalde gemeenschappen te verstoppen. Veiligheid gaat ook over het zichtbaar mogen zijn als homo.

De heer Dijkgraaf (SGP): De heer Marcouch heeft allerlei beelden van problemen die niet bestaan. Ik moet oplossingen aandragen voor problemen die de heer Marcouch creëert op basis van een niet bestaande werkelijkheid. Als ik kijk naar hoe er in het onderwijs dat ik ken wordt omgegaan met het onderwerp dan heb ik een heel ander beeld. Er wordt wel degelijk gewerkt aan een veilig klimaat in alle aspecten. Dat is de uitdaging in het onderwijs.

De heer Marcouch (PvdA): Ik krijg geen antwoord op mijn vraag. Is veiligheid meer dan alleen gevrijwaard zijn van geweld? De werkelijkheid van veel homo’s is dat ze binnen bepaalde gemeenschappen of in bepaalde regio’s niet uit de kast durven komen omdat het onveilig is. Niet omdat ze bang zijn geslagen te worden maar om verstoten of misschien wel religieus gesanctioneerd te worden. Veiligheid is meer dan het vrijwaren van geweld. Het is ook een context creëren waarin je zichtbaar jezelf kunt zijn.

De heer Dijkgraaf (SGP): Als het christelijk geloof, in zijn goede uitingsvormen, zich ergens door kenmerkt is het liefde voor elke naaste. Hoe die ook is en wie die ook is.

Mevrouw Smits (SP): Ik heb niet de illusie dat de SGP en de SP vandaag tot elkaar komen over de kerndoelen en de seksuele diversiteit daarin. Ik ken de SGP wel als een partij die staat voor het keurig uitvoeren van wetten en respect voor het gezag van de Kamer. Die motie is door een meerderheid van de Tweede Kamer aangenomen. Vindt de heer Dijkgraaf dan ook niet dat die motie uitgevoerd dient te worden?

De heer Dijkgraaf (SGP): In principe vinden wij altijd dat moties moeten worden uitgevoerd. Uit principe vinden wij dat wij het stelsel zo hebben ingericht in Nederland dat er wel degelijk een mogelijkheid is voor het kabinet om bij elke motie te toetsen of het past binnen de grote lijnen van het kabinetsbeleid. Zo is het stelsel ingericht. Het is niet een soort automatisme dat de regering per definitie elke motie moet uitvoeren. Dat zou soms gekke situaties opleveren. Dat het kabinet zelfstandig de eigen afweging maakt en dit terugkoppelt naar de Kamer maakt integraal onderdeel uit van hoe wij het hebben ingericht in dit systeem.

Mevrouw Smits (SP): Goed, dus in principe uitvoeren, uit principe niet. Dan kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de SGP een inhoudelijke afweging maakt. In dit geval spelen toch inhoudelijke overwegingen een rol om die motie niet uit te voeren. Dat vind ik teleurstellend van een keurige partij als de SGP.

De heer Dijkgraaf (SGP): ik ken de SP ook als een partij die de wetsgeschiedenis goed kent. Het is nu precies het punt dat het kabinet altijd gehouden is om elke motie inhoudelijk te wegen of deze uitgevoerd moet worden of niet. Past het binnen de grote lijnen van het beleid zoals wij dat consistent uitzetten? Hoe ga je om met kerndoelen in het onderwijs. Ga die kerndoelen niet misbruiken voor dat waarvoor ze niet bedoeld zijn. Wij gaan niet over het hoe, wij gaan over het wat en we proberen kerndoelen te beperken tot de essentiële kenmerken waarvoor het bedoeld is. Dat is het debat waarin we elkaar vaak vinden en dan vind ik het dat het kabinet een volstrekt terechte afweging maakt.

Wat betreft de positie van trouwambtenaren moet wat ons betreft een zorgvuldige afweging van belangen gemaakt worden. Trouwambtenaren die in hun geweten bezwaard zijn om homohuwelijken af te sluiten, moeten gewoon kunnen functioneren. Mits de gemeente waarborgt dat de wettelijke taken probleemloos worden uitgevoerd. Zo is dat tijdens de behandeling van de wet ronduit toegezegd door de heer Cohen in het tweede paarse kabinet, waarvan D66 onderdeel uitmaakte. Zo is dat in het kabinet besloten. De grote broek die hier door verschillende partijen wordt aangetrokken, verbaast mij dan ook. Dat is niet hoe de wet destijds in dit land van tolerantie is aangenomen. Juist vanwege het feit dat het zo gevoelig lag bij gewetensbezwaarde ambtenaren, heeft Cohen keer op keer op vragen uit zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer gezegd dat centraal staat dat gemeenten die wet moeten uitvoeren. Dat geldt niet voor elk individu, mits het maar uitgevoerd wordt.

Tot slot, in de hoofdlijnenbrief valt ook op wat er niet staat. Het kabinetsbeleid bevat wat ons betreft een aantal missing links.

  • 1. De waarde van onbetaald werk. Ouders die er bewust voor kiezen om zelf voor hun gezin te zorgen zijn goud waard voor de samenleving. Op dit sociaal kapitaal moeten we zuinig zijn. Wat doet de minister hier concreet aan? Waarom wil het kabinet de samenleving dwingen om een tweeverdienersamenleving te worden, terwijl uit vele rapporten blijkt dat de samenleving met anderhalf tevreden is en er genoeg huishoudens zijn die het eenverdienerschap combineren met veel onbetaald werk? Waarom houden we het beleid overeind dat evidence based niet werkt? De SGP pleit er voor om de keuze bij ouders te leggen.

  • 2. De beeldvorming van de vrouw. De verwrongen beeldvorming in de samenleving waarin de vrouw vooral als lustobject wordt gezien, is uiterst vrouwonvriendelijk en zeer schadelijk. Het is de bron van veel maatschappelijke problemen, zo zeg ik tegen de heer Marcouch. Daar zit het punt vaak. Het vorige kabinet heeft terecht ingezet op het tegengaan van seksualisering van de samenleving. In Engeland trekt de regering ook aan de bel. Deelt de minister deze urgentie en welke concrete acties kunnen we van dit kabinet verwachten?

  • 3. In ons land worden basale rechten van vrouwen geschonden. Er is sprake van schrijnende uitbuiting van vrouwen door de seksindustrie. Waarom neemt het kabinet het onderwerp niet op in haar emancipatie-agenda? Dat zou wat ons betreft standaard moeten gebeuren. Zou dit niet een internationaal speerpunt moeten zijn? Denk bijvoorbeeld aan de mensenhandel vanuit voormalige Oostbloklanden. Kan de minister toezeggen dat deze missing links de volgende keer wel present zijn?

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Met betrekking tot de gewetensbezwaarde ambtenaar heb ik nog een korte vraag. Is de heer Dijkgraaf van mening dat gewetensbezwaarden ook aan de orde kunnen komen als het gaat om een paar waarbij sprake is van aanzienlijk leeftijdsverschil, een paar van een bepaalde afkomst of een paar met een bepaalde geloofsovertuiging?

De heer Dijkgraaf (SGP): Deze vraag valt voor mij in de categorie «Wat gaan we met ons mobiliteitsprobleem doen op het moment dat we constateren dat de wielen ineens vierkant zijn geworden?» Dan moeten we allerlei problemen gaan oplossen. Waar het om gaat is of wij in Nederland constateren dat er problemen zijn bij het sluiten van huwelijken. Zo ja, dan moeten we dat oplossen want de wet moet uitgevoerd worden. Dan kan ik ingaan op allerlei mogelijke situaties maar als een probleem zich niet voordoet hoef ik het ook niet op te lossen. Ik constateer dat alle gemeenten gehouden zijn om de Gemeentewet uit te voeren en als ze dat niet zouden doen dan moet het kabinet ze daaraan houden.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. Wij spreken onze steun uit aan de stukken die wij ontvingen van deze minister over het emancipatiebeleid. Er wordt gesproken van kiezen in vrijheid en veiligheid. Iedereen heeft recht op een leven zonder geweld binnenshuis en buitenshuis en op een gelijke kans op participatie. Voor de wet is iedereen gelijk. De insteek die deze minister kiest, spreekt ons aan namelijk de eigen kracht en het talent van mensen aanspreken. De uitdaging is en blijft respect te hebben voor verschil, maar ook tolerant zijn voor andersdenkenden, ook hen in hun waarde laten. Het CDA onderschrijft het doel van het emancipatiebeleid namelijk het vergroten van de veiligheid en de participatie. We moeten constateren dat die doelen nog altijd niet bereikt zijn. Denk bijvoorbeeld aan het nog altijd voortdurende geweld tegen homo’s en de nog altijd aanzienlijke beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen. Er is inderdaad een cultuurverandering nodig die niet maakbaar maar wel te stimuleren is. Het is goed dat het kabinet de emancipatie-infrastructuur wil versterken. Wij lezen dat het kabinet één sterk instrument voor vrouwenemancipatie en vrouwengeschiedenis wil ondersteunen. We begrijpen dat daarom de samenwerking tussen Equality en Aletta wordt aangemoedigd. Dat klinkt heel positief maar we begrijpen dat deze organisaties wel met 30% gekort worden. Daar zouden wij graag een uitleg op hebben. Natuurlijk kan de efficiency worden verbeterd en moeten er scherpere keuzes worden gemaakt maar de vraag is of niet een deel van de opbrengst van die korting zou kunnen worden gehaald door op het ministerie zelf iets minder te doen en meer over te laten aan het maatschappelijk middenveld waar wij altijd onze mond van vol hebben. Wij hebben vaak gesprekken over verantwoordelijkheid leggen in het maatschappelijk middenveld, maar als puntje bij paaltje komt verrichten we veel werk dubbel. Is het niet verstandiger om te zeggen dat op het emancipatiepunt minder wordt gedaan op het ministerie? Het wordt kritisch neergelegd bij organisaties die zich daar hard voor maken. Dat lijkt het CDA een manier om dit probleem op te lossen. Hierop ontvang ik graag een reactie van de minister.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Het klinkt prachtig als je maatschappelijke organisaties meer laat doen. Wat zou volgens mevrouw Van Toorenburg weg moeten bij het ministerie? Op het gebied van concreet beleid gebeurt al niet zo veel. Wat bedoelt mevrouw Van Toorenburg daar precies mee?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Dat is precies waarom wij dit aan de minister vragen. Wij hebben intensieve gesprekken gevoerd met de organisaties die zich hiermee bezig houden en wij signaleren dat er veel dubbel werk wordt verricht. Er wordt zelden onderzoek gedaan, er worden zelden brieven geschreven, er worden zelden dingen bedacht. Ik vraag me af of dat wel zo nodig is. Wanneer je zegt dat een maatschappelijke organisatie de motor moet zijn om het aan te jagen, leg daar dan meer taken neer en voeg er de budgetten aan toe. Ik denk dat dit heel reëel is. Ik wil hierop graag van de minister een reactie. Zij kan dat concreter maken, ik niet.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Een motor zonder auto rijdt niet zo goed. Ik vind het van belang dat, als het gaat om coördinatie van emancipatiebeleid of een emancipatiecheck op maatregelen die het kabinet uitvoert, dit wel ergens moet gebeuren. Mijn vraag aan mevrouw Van Toorenburg is waar dat volgens haar gaat gebeuren. Ik weet dat mevrouw Van Toorenburg zo niet is, maar het neigt naar populisme om te zeggen daar halen we wat weg en dat investeren we daar. Ik wil graag wat meer duidelijkheid over hoe mevrouw Van Toorenburg dat ziet.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Misschien is dat wel een heel mooi voorbeeld die mevrouw Van Gent aangeeft. Ik word er een beetje onrustig van als ieder beleidstuk op het ministerie gecheckt moet worden op de waarde van emancipatie. Maar ik zou me goed kunnen voorstellen dat je dat neerlegt bij de nieuwe organisatie als resultaat van de fusie van Equality en Aletta. Ik zou van de minister willen horen hoe dit vormgegeven kan worden. Ik denk dat je veel meer moet neerleggen bij het veld en veel minder bij die ministeries moet oplossen. Dat is het standpunt van het CDA. Iedere keer proberen wij het meer concreet te maken. Dan lijkt het of alles in die ministeries moet worden geduwd. Wij denken dat daar niet de kracht vandaan komt. Daarom hebben wij het aan de minister gevraagd.

Mevrouw Dijkstra (D66): Ik wil graag van mevrouw Van Toorenburg weten of zij niet vindt dat de verschillende onderwerpen bij de verschillende ministeries thuishoren. Wij hebben allemaal gevraagd om een werkplan en afrekenbare doelen zodat we kunnen kijken wat er per ministerie op deze terreinen is gebeurd. Is mevrouw Van Toorenburg van mening dat je onderwerpen als kinderopvang of arbeidsparticipatie, dat weer bij een ander ministerie thuishoort, bij het maatschappelijk middenveld neergelegd kan worden?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Wat ik heb gevraagd is het volgende. Zou je niet kunnen kijken naar hoeveel werk op het ministerie wordt verricht op dit dossier en hoeveel werk er bij het maatschappelijk middenveld neergelegd kan worden? Ik zie twee organisaties die zich zeer verdienstelijk maken op dit terrein en ik vraag of we niet meer zaken die nu op het ministerie worden gedaan bij deze organisatie neer kunnen leggen. We zijn het erover eens dat we minder ambtenaren willen en dat we meer bij de samenleving zelf moeten neerleggen. Dat is de toon van de brief. Nu probeer ik het een keer concreet te maken en dan schiet iedereen in de stress. Dat vind ik jammer. Ik zou graag willen dat de minister hier goed naar kijkt. Dan komt ze met een voorstel en kan de Kamer er naar kijken.

Een ander onderwerp waarvoor veel steun is voor het kabinet is om eindelijk een einde te maken aan de ongelijkheid op bepaalde terreinen, de juridische of praktische discriminatie. Zo is bijvoorbeeld in de eerste plaats het belang van het kind dat het niet uitmaakt of het geboren is in een gezin van een paar met gelijk geslacht of uit een heteroseksuele relatie. Wij zien het voorstel lesbisch ouderschap daarom met veel belangstelling tegemoet. Ook is het heel goed dat de zogeheten sterilisatie-eis voor het wijzigen van de geslachtsaanduiding eindelijk wordt geschrapt. Daar had Hirsch Ballin al een voorschot op genomen. We zijn blij dat het snel wordt uitgevoerd. Ik heb in het interruptiedebat met D66 al aangegeven hoe wij kijken naar bloeddonatie van homo’s. Wij denken dat er één reden mag zijn om het niet te doen: gezondheidsrisico’s. Als die er niet zijn, en die blijken er in het buitenland niet te zijn, waarom schrappen we het dan niet meteen na een kritische check? Het mag nooit gaan over discriminatie. Ook veel steun voor de inzet van het beleidsprogramma veiligheid en weerbaarheid van homoseksuelen, transgenders en vrouwen. Laat dit wel het niveau van mooie woorden overstijgen. Wij kennen ook de situaties zoals in Leidsche Rijn waar een homostel het leven zuur wordt gemaakt. Men stond erbij en men keek ernaar. Zo mag het niet gaan. Mensen moeten zich veilig weten. Overlast- en geweldplegers moeten effectief worden aangepakt. Natuurlijk is het niet altijd gemakkelijk om de echte kwaden te onderscheiden, maar met de wet in de hand en gelezen jurisprudentie kunnen we ook mensen die zich niet van die geweldplegingen distantiëren aanpakken. Wanneer gebeurt dat nou? Kunnen we met de Voetbalwet in de hand niet veel meer bereiken? Laten we niet alleen maar spreken met mooie woorden maar er ook voor zorgen dat deze mensen veilig zijn.

De heer Van Klaveren (PVV): Mevrouw Van Toorenburg spreekt over Leidsche Rijn. Hoe denkt zij dat die problemen daar zijn ontstaan en welke groep is verantwoordelijk geweest voor die terreur?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Misschien is het goed om gewoon op een PVV-manier antwoord te geven op de vraag. Ik verwijs gewoon naar het eigen verhaal van de heer Van Klaveren. Hij weet het al en wil mijn antwoord helemaal niet en krijgt het daarom ook niet. Mag ik gewoon verder gaan?

De heer Van Klaveren (PVV): Dus mevrouw Van Toorenburg erkent hetgeen net geschetst werd. Dat is wel bijzonder. Het CDA is het met de PVV eens dat de problematiek hier voornamelijk islam is.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): De PVV heeft niet geluisterd naar wat ik zei. Ik heb gezegd dat dit niet zo is en volgens mij heb ik daar genoeg over gezegd. Als de heer Van Klaveren een antwoord wil hebben, dan krijgt hij dat, maar het zal nimmer een bevredigend antwoord zijn.

We hoeven hier niet in te gaan op het onderdeel huiselijk geweld. We zijn daar samen met de PvdA goed in opgetrokken om ervoor te zorgen dat er betere opvang komt, maar het thema huiselijk geweld blijft natuurlijk onverminderd hoog op de agenda staan.

Wij lezen in de brief dat de minister van plan is om de kracht van sociale media en jongerennetwerken te benutten. De vraag is of daarbij aansluiting kan worden gezocht bij de initiatieven van Hyves? Onlangs op de radio hebben wij uitvoerig horen vertellen over wat daar gedaan wordt om ervoor te zorgen dat kinderen weerbaarder worden op internet. Zou de minister met Hyves in gesprek willen gaan om te kijken wat zij voor de minister zouden kunnen betekenen?

De paragraaf over veilige scholen is een beetje vaag. We willen verwijzen naar het commentaar van Edudivers. Er zijn veel pakketten en lesprogramma’s. Kan er helderheid komen over wat het meest effectief is? Maar wij zijn geen voorstander van het opnemen in kerndoelen, omdat wij vinden dat het absoluut een plek moet krijgen maar naast andere zaken die over respectvol met elkaar omgaan gaan.

Een ander belangrijk punt dat in de brief beschreven staat is de arbeidsparticipatie.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Mevrouw Van Toorenburg houdt een hartstochtelijk betoog dat het van belang is om op scholen voorlichting te geven over diversiteit maar ze wil dit niet opleggen. Op 60% van de scholen wordt die voorlichting niet gegeven. Dat gaat dus niet vanzelf. De suïcidecijfers van jongeren die met een aantal zaken worstelen nemen toe. Wat gaat het CDA daar nou concreet aan doen? Het gaat niet vanzelf.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik ben er echt van overtuigd dat die schrijnende gevallen niet zonder meer verdwijnen wanneer je iets in een kerndoel propt. Het is van belang om op alle terreinen kinderen te leren dat je met respect met elkaar omgaat. Er zijn ook mensen die anderszins op een school zich niet gelukkig voelen en met zelfmoordgedachten rondlopen. Dan zou je ieder onderwerp in een kerndoel moeten zetten. Wat ons betreft staat het in het kerndoel. Als de school ziet dat er problemen zijn dan moet men optreden en moet de inspectie erop toezien. Dat is zoals wij er mee om willen gaan. We willen niet dat dit serieuze probleem alleen wordt behandeld en er dan gedacht wordt dat daarmee alle problemen van opgroeiende kinderen zijn opgelost. Dat is niet zo. Wij vinden het heel belangrijk en een school moet daar aandacht aan besteden maar niet op de manier waarop het door de Kamer is voorgesteld. Daarom konden wij dat ook niet steunen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): De vraag is dan wel op welke manier dan wel? Het is mij iets te gemakkelijk om te zeggen als we het voor de ene groep dan hebben we ook nog allerlei andere groepen. Het gaat erom dat kinderen op een veilige en goede manier kunnen opgroeien, dat ze kunnen zijn wie ze zijn en dat ze daardoor niet gepest worden waardoor zij met zelfmoordneigingen komen te zitten. Mijn concrete vraag blijft wat mevrouw Van Toorenburg daar precies aan gaat doen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik vind het heel erg belangrijk dat er aandacht aan besteed wordt. Als wij zien dat kinderen op school daaronder gebukt gaan, dan moet de school optreden. Daar ben ik het helemaal mee eens. Als dat niet gebeurt, heeft de inspectie ernaar te kijken en moeten er maatregelen worden getroffen. Dat gaat niet alleen hierover. Ik kom ook op scholen waar geadopteerde kinderen gruwelijk worden gepest omdat ze een andere huidskleur hebben. Ook daar heeft een school aandacht aan te besteden. Ik kom op scholen waar meisjes zelfmoordpogingen doen, omdat ze zichzelf te dik voelen. Ik vind het belangrijk dat daar aandacht voor is. Daarom zijn wij als CDA ook voor normen en waarden. Daarom zijn wij ook altijd de uitdrager van respect. Het gaat over meer dan alleen dit geïndividualiseerde probleem. Het is serieus, iedere school moet er aandacht aan besteden. Als ze dat niet doen dan moeten ze daarop aangesproken worden door de inspectie. Maar op veel meer punten dan alleen op dit punt moeten wij leren met respect met elkaar om te gaan.

De heer Marcouch (PvdA): Mevrouw Van Toorenburg zegt dat de inspectie daarop moet toezien. De motie ligt er juist omdat de vrijheid die de scholen tot dan toe hebben gekregen niet gebruikt is om seksuele diversiteit op te nemen in het onderwijsprogramma. Er zijn scholen die dit vanuit hun religieuze overtuiging weigeren te doen. Een van de punten die uit het rapport van de commissie-Dijsselbloem naar voren kwam, is dat de politiek heel duidelijk moet zijn in wat zij van het onderwijs verwacht. Dan kan de inspectie gevraagd worden daarop toe te zien. Deze motie voorziet daarin en ik begrijp niet waarom mevrouw Van Toorenburg zegt dat de inspectie erop moet toezien, terwijl zij niet aangeeft wat zij van het onderwijs verwacht.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Het is wel leuk dat wij deze voorzitter hebben, want hij gaat nu erg kritisch luisteren. Wij hebben de commissie-Dijsselbloem namelijk heel anders begrepen. Wij hebben daarin juist begrepen dat wij het onderwijs niet met detailzaken moeten opzadelen, maar ervoor moeten zorgen dat er breed aandacht wordt besteed aan de problemen die er zijn. Er moet aandacht besteed worden aan het respectvol met elkaar omgaan. Daarop zal de inspectie moeten toezien. Ik geloof niet dat je dit ene punt eruit moet halen. Ik weet goed dat de motie is aangenomen door de Kamer. Ik heb begrepen dat de minister daar weinig voor voelt. De discussie moet gevoerd worden, maar ik wil goed uitleggen waarom wij er geen steun aan hebben verleend.

De heer Marcouch (PvdA): De commissie-Dijsselbloem heeft duidelijk aangegeven dat de politiek moet formuleren «wat» en zich verder weg moet houden van «hoe». Daar kunnen we elkaar in vinden, maar we moeten wel duidelijk zijn in de eindterm over wat wij van het onderwijs verwachten en vervolgens de ruimte laten aan de professionals om dat op hun manier te doen. Maar zij moeten het wel doen en dat is waar de motie in voorziet. Als inspectie kun je erop toezien dat het gebeurt.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Daarom vinden wij dat scholen de plicht hebben om kinderen bij te brengen dat je respectvol met elkaar omgaat, dat je respect hebt voor verschillen en dat je elkaar op een fatsoenlijke manier steunt in het opgroeien. Als scholen daaraan niet tegemoet komen dan hebben ze een probleem. Wij vinden niet dat je het oplost door specifiek dit ene punt op te nemen in een kerndoel. Daarover verschillen wij van mening en niet over de ernst van de problematiek.

Pas op met het doorschieten om van een anderhalf- naar een tweeverdienersamenleving te gaan, want een samenleving waarin iedereen verplicht is om fulltime te werken met twee jonge kinderen is niet ons ideaal. Ik hoop dat ook de minister heeft gelezen hoe men in de Scandinavische landen inmiddels hieronder gebukt gaat omdat gezinnen totaal geen rol meer spelen in de samenleving.

Wij missen in de brief een passage over de loonkloof tussen mannen en vrouwen. Dat is een groot probleem, met name in de zorg en de minister van VWS verwees naar de minister van emancipatie en daar willen we dan ook graag een reactie van.

Wij hebben er herhaaldelijk voor gepleit om het recht op ouderschapsverlof door te laten lopen tot het achttiende levensjaar van een kind. Ik zie het dagelijks om mij heen. Vriendinnen die altijd hebben gezegd meer te gaan werken zodra hun kind naar de middelbare school gaat, denken daar niet aan op het moment dat hun kind naar de middelbare school gaat. Omdat ze zien dat ze dan heel erg nodig zijn. Wij zouden eindelijk een plan van het kabinet willen hebben dat ervoor zorgt dat ouderschapsverlof niet verplicht opgenomen hoeft te worden voordat het kind acht jaar is, maar dat het mogelijk maakt ouderschapsverlof op te nemen tot de leeftijd van achttien jaar. Ook dan zijn het gewoon nog je kinderen voor wie je graag wilt zorgen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Dank voor de reactie van de leden van de Tweede Kamer in de eerste termijn en de discussie die gevoerd is. Het geeft de betrokkenheid van de Kamerleden bij dit onderwerp aan. Ook van mijn kant kan de Kamer rekenen op betrokkenheid. Dat is de reden dat we in een korte tijd een Emancipatienota hebben neergelegd. Dit kabinet is met schwung aan de slag gegaan. Ik ben ook blij dat collegaministers hun bijdrage hebben willen leveren, zodat er daadwerkelijk sprake is van een breed gedragen inzet op allerlei terreinen waar het gaat om mensen uiteindelijk tot hun recht te laten komen. Daar hebben we het bij emancipatie over. Daarom vond ik het belangrijk om geen deelonderwerpen voor te leggen maar een integrale notitie. Het is een korte en krachtige notitie geworden, omdat ik er niet voor kies om zoals de vorige keer zo’n honderd bladzijden aan de Kamer voor te leggen. Het is inderdaad een notitie geworden waarin kort en krachtig aangegeven staat wat ik en mijn collega’s in het kabinet de komende tijd willen gaan doen op het punt van emancipatie van homo’s, lesbiennes, biseksuelen, transgenders, vrouwen, jongens en meiden en ook de mannen. Emancipatie is een belangrijke waarde in onze samenleving. Dat maakt dat mensen daadwerkelijk tot hun recht kunnen komen. Ik merk dat er veel engagement en betrokkenheid is in de samenleving, want in de afgelopen tijd heb ik, ondanks het feit dat ik een brede portefeuille heb, veel gesprekken met mensen kunnen voeren over dit onderwerp. Je ziet een groot engagement bij de organisaties, ze zitten hier ook in de zaal. Vanuit de LHBT-groepen maar ook vanuit de vrouwen. Je merkt dat er veel liefde en passie is voor datgene waar men mee bezig is. Dat inspireert mij ook. Ik was heel trots dat bij het uitreiken van de staatsprijs voor homo-emancipatie we juist het COC hebben kunnen onderscheiden, omdat het zo duidelijk maakt dat de eigen kracht van mensen tot heel veel in staat is. Veel meer dan de overheid kan bewerken. Daar ben ik van overtuigd en daarvan is ook het kabinet overtuigd. Dat is de reden dat wij willen aansluiten bij de kracht van mensen zelf en bij organisaties die actief zijn in de samenleving en hen willen ondersteunen. Dat doen we wat betreft het LHBT-emancipatiebeleid. Dat doen we ook voor wat betreft het vrouwenemancipatiebeleid. Dat is de reden dat we één sterke organisatie van Equality en Aletta willen maken. Dat is ook de reden dat we, waar het gaat om homo-emancipatie, de subsidie willen verhogen om de organisaties die nog slagen te maken hebben – er is soms nog sprake van schrijnende achterstand – ook daadwerkelijk slagen te laten maken. Dat is de reden waarom we de organisaties op allerlei vlak van COC tot de jongerenplatforms extra steun in de rug willen geven. Dat even als inleiding. Laat één ding helder zijn: het gaat om alle organisaties binnen de groep die wij noemen. We spreken in Nederland veel over homo’s en vrouwen, maar ik wil benadrukken dat het evengoed gaat om transgenders en biseksuelen. Het is goed om ons dat te realiseren. Een maatregel rondom discriminatie is zeker niet alleen bestemd voor homoseksuelen, maar juist voor die hele groep. Het gaat om een strafeis, inmiddels al verhoogd, die voor alle vormen van discriminatie gelden en dus ook voor geweld tegen biseksuelen, transgenders en lesbiennes.

– Ik heb een paar blokken in mijn beantwoording: algemeen emancipatiebeleid; veiligheid opgedeeld in de volgende aspecten: homojongeren in het onderwijs, veiligheid en acceptatie van mannen en vrouwen LHBT in het algemeen, en veiligheid en acceptatie van vrouwen; arbeidsparticipatie; gelijke rechten.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): De minister gaat met schwung hiermee aan de slag. Wat houdt dit in? Is er bijvoorbeeld een emancipatiecheck op de bezuinigingen op kinderopvang en ouderschapsverlof? Wat houdt die coördinerende taak precies in en wat is de positie van deze minister ten opzichte van haar collega’s? Heeft minister Kamp zijn bezuinigingen op de kinderopvang bijvoorbeeld besproken met deze minister?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Sterker nog. Ik heb mijn handtekening onder die ombuiging gezet omdat we zien dat de uitgaven voor de kinderopvang enorm uit de hand lopen. Bovendien is ooit een 1/3-regeling afgesproken die onvoldoende door werkgevers en werknemers is vervuld. Minister Kamp heeft het Centraal Planbureau gevraagd het effect van de maatregelen voor de arbeidsparticipatie van vrouwen laten onderzoeken. Het betekent 0,1% achteruitgang. Om dat effect te elimineren zet hij het geld specifiek in op echt gewerkte uren en de hogere inkomens betalen wat meer. Dat vind ik een buitengewoon goede houding van deze minister van de VVD. Er is getoetst en ik wist ervan.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Mijn vraag aan de minister was niet om nog eens op te lepelen wat de bezuinigingsvoorstellen van minister Kamp inhouden maar wat de schwung van deze minister is als het gaat om emancipatie. 0,1% betekent 7 000 vrouwen die de arbeidsmarkt gaan verlaten. Daarbij speelt ook nog een discussie of vrouwen nog wel meer gaan toetreden naar de arbeidsmarkt. Ik wil weten of de minister bereid is om een echte emancipatiecheck op dit soort plannen te laten uitvoeren. Wat is precies de positie van de minister behalve het ondertekenen van het totale kabinetsbeleid zonder dat haar uitzonderlijke positie als emancipatiecoördinator daarbij een rol speelt?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Natuurlijk ben ik scherp op emancipatie, maar ik hecht ook in dezen aan gespreide verantwoordelijkheid. Ook dat past bij dit kabinet. Ik vind het belangrijk dat mijn collega’s zaken oppakken zoals we dat hebben afgesproken in deze notitie. In dit bondige stuk staan veel concrete acties die wij verder aan het uitwerken zijn. Ik wil de Kamer rond november/december informeren door middel van een voortgangsrapportage waarin ik concreet aangeef waar we mee bezig zijn, welke doelen we willen bereiken en wat de stand van zaken is. Dat is een praktische aanpak die voorkomt dat we een tweede werkplan gaan ontwikkelen. De Kamer houdt grip op de uitwerking van een en ander. Ik vind bijvoorbeeld het punt over het lesbisch ouderschap buitengewoon belangrijk en ben blij met de reactie van mevrouw Van Toorenburg. Ik heb mijn collega gevraagd ervoor te zorgen dat het onderwerp is aangekondigd in de notitie. De twitters van mevrouw Van Gent over dit onderwerp kwamen goed aan. Ik heb van mijn collega Teeven de toezegging gekregen dat hij er in de zomer mee komt. Minister Opstelten was direct enthousiast om vorm en inhoud te geven aan het punt aan veiligheid en heeft concreet gekeken wat hij kon doen tegen het geweld tegen deze groepen. Hij heeft dit inmiddels al gerealiseerd. Ik ben heel blij met deze collega’s maar houd zelf uiteraard ook een vinger aan de pols.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Kan de voortgangsrapportage per ministerie inzichtelijk worden gemaakt?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ja, wij kunnen er uiteraard achter zetten wie verantwoordelijk is. Ik zou het wel prettig vinden als de Kamer zelf ministers aanspreekt op de acties. Wat ik erbij wil zeggen, is dat er op een aantal onderdelen concrete doelen zijn opgesteld. Op een aantal onderdelen is het cultuurverandering en is het een samenhang van maatregelen die uiteindelijk een beweging in gang moeten zetten. Ik wil heel concreet enkele doelen noemen. Ik heb op dit moment 18 koplopersgemeenten en ik wil naar minimaal 36. Daar ben ik nu mee bezig. Met die koploperactiviteiten gebeurt er ontzettend veel op lokaal niveau. We hebben op dit moment 150 GayStraight-allianties op de scholen. Dat wil ik uitbreiden naar 300. Dat zijn voorbeelden waarmee ik aan wil geven dat ik daadwerkelijk stappen wil zetten. Ik realiseer me dat mijn inzet iets is in een breder netwerk, maar dit zijn twee voorbeelden van doelen waar ik heel hard aan werk.

Een paar punten van concreet beleid. Het verhogen van de strafeis is reeds gerealiseerd. Het wetsvoorstel lesbisch ouderschap komt in de zomer. De taskforce loverboys is concreet bezig onder leiding van de minister van Veiligheid en Justitie. Hij zal de Kamer daarover informeren. Er zitten in de zes programma’s heel concrete zaken. Ik heb met de ANBO een gesprek gehad over het ouderenbeleid. Ik vind het heel erg als ouderen niet zichzelf kunnen zijn omdat ze zich niet veilig voelen in de omgeving. Ik wil het gesprek aangaan met de PCOB en de KBO. Ik vind dat die bonden de plicht hebben om dit op te pakken. Ook zij hebben mensen met een LHBT-achtergrond in hun achterban en ik denk dat zij hierin een goede rol kunnen vervullen. Eigenlijk wil ik dat ze aansluiten bij het Roze Loperbeleid, zodat alle organisaties de mogelijkheid krijgen om actief mee te doen met dat beleid.

De heer Dijkgraaf geeft aan evenwicht relevant te vinden. Ik hecht aan emancipatie maar ik hecht ook aan tolerantie. Als wij zeggen dat iedereen moet kunnen trouwen met een partner van het gelijke geslacht, dan moet dat kunnen. Dat is de wet. De gemeente is verantwoordelijk om dat uit te voeren. Dat laat onverlet dat het mogelijk is dat je vanuit je geloof, ondanks het feit dat je het respecteert, er grote problemen mee hebt om de handeling te verrichten. De heer Cohen heeft daar in het verleden wijze woorden over gezegd. Ik vind het passen in Nederland dat iemand die mening heeft. De gemeente is in staat om te voldoen aan de wettelijke plicht. Ik hecht aan het evenwicht. Dat heb ik dan ook nadrukkelijk in het eerste hoofdstuk van de nota laten opnemen. Ik geloof oprecht dat als we dat evenwicht in stand houden, er veel ruimte is voor mensen met hun eigen ideeën, overtuigingen en hun eigen zijn.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): We hebben sinds tien jaar het homohuwelijk. Dat is toen een bizarre omstandigheid geweest dat ambtenaren niet mensen van het gelijke geslacht hoeven te trouwen. Wat doet de minister als een ambtenaar niet mee wil werken aan een huwelijk tussen partners met een groot leeftijdsverschil? Is dat dan ook de tolerantie en het evenwicht dat wij in Nederland moeten houden?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik vind dat geen vergelijkbaar voorbeeld. Ik hoor van geen enkele gemeente dat het niet mogelijk is om te trouwen. Als dit wel aan de orde zou zijn, zou ik bovenop die gemeente gaan zitten en haar dwingen het te regelen. Maar elke gemeente regelt het ook daadwerkelijk en dat is de basis van de wettelijke afspraak die we hebben gemaakt.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Waarom word je ambtenaar van de burgerlijke stand als je weigert de wet volledig uit te voeren? We zijn nu tien jaar verder met het homohuwelijk. Is het niet bizar dat we dat met de mantel der liefde bedekken zodat ambtenaren van de burgerlijke stand kunnen zeggen dat zij geen homohuwelijken willen sluiten. Waar ligt de grens van dat evenwicht en wat je wel of niet als overheid moet uitvoeren en de opdracht die je aan ambtenaren geeft. Hoe lang gaat de minister dit nog tolereren?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De ambtenaar die deze afweging maakt heeft een wet met een wetsgeschiedenis achter zich. In die wetsgeschiedenis is er gesproken zoals er gesproken is door de heer Cohen als staatssecretaris. Dus is er dat recht om zonder dat je iemand schaadt te kunnen zeggen: vanuit mijn geloof heb ik daar grote moeite mee. Dat laat onverlet dat er vervolgens wel onderling respect moet zijn. Ik vind het belangrijk dat gemeenten de mogelijkheid om te trouwen bieden. Dat heeft de prioriteit. Op het moment dat dit in het geding is, spreek ik gemeenten daarop aan.

De heer Marcouch (PvdA): Dit is erg belangrijk voor de geloofwaardigheid van de rest van het programma. Wat zeg je als overheid als het signaal is dat je homo’s mag discrimineren? Want dat is wel de boodschap. Ik wil de minister meegeven dat er een verschil is tussen Bijbelteksten die moeilijk te veranderen zijn, en wetten die ooit in het verleden aangenomen zijn. Laat ons als overheid niet aan die Bijbelse teksten komen maar laat ons als overheid ervoor zorgen dat we de wet voor iedereen uitvoeren. Het gaat om de voorspelbaarheid en de dienstbaarheid van de overheid. Als een burger bij het loket komt, moet hij erop kunnen rekenen dat er non-discriminatie is en dat hij gewoon bediend wordt. Nu gaat het om homo’s maar ik kan me voorstellen dat, als de heer Van Klaveren ambtenaar is bij het loket Burgerzaken, hij vrouwen met een hoofddoek niet meer helpt omdat hij daar gewetensbezwaren tegen heeft. Want dat is wel de opening die de minister hiermee geeft. Als de minister de inhoud van dit programma serieus neemt en de homo-emancipatie daadwerkelijk hoog op de agenda heeft staan, dan zorgt zij ervoor dat dit soort signalen niet meer worden afgegeven door de overheid.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik ben het gewoon niet eens met de heer Marcouch dat het daartoe leidt. Het is al tien jaar de situatie en gedurende die tien jaar heb ik dit soort gevolgen niet gezien. Het is heel scherp in de wetgeving gespecificeerd en ik heb nog niet gehoord dat op basis hiervan bepaalde mensen bij het loket worden geweigerd. Ik ben het niet eens met de heer Marcouch dat het daartoe leidt. We moeten maatwerk durven uitvoeren in onze wetgeving en dat doen we op dit punt.

De heer Marcouch (PvdA): Ik wil een overheid die niet discrimineert. Als een homostel aan het loket komt, dan moeten ze door een ieder bediend worden en dan mag het niet zo zijn dat er gezegd wordt dat er een andere ambtenaar komt omdat de eerste ambtenaar geen homo’s trouwt. Dat kan de minister toch niet menen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De overheid als zodanig dient inderdaad niet te discrimineren. De gemeente moet de gelegenheid bieden om een homohuwelijk te sluiten. Dat is in Nederland zo en ik heb tot op heden niet gehoord dat dit in een gemeente niet kon. In die zin vervult de overheid zijn taak conform de wetgeving.

Mevrouw Dijkstra (D66): Ik zou willen vragen of we de discussie over dit onderwerp nu gaan afmaken of dat de minister er later nog op terugkomt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik heb al veel over het onderwerp gezegd. Ik vind het een taak voor de VNG om zich over het advies van de Commissie Gelijke Behandeling te buigen en daarover met de verbonden gemeenten te bespreken. Als wetgever zeg ik dat er in elke gemeente van Nederland een homohuwelijk gesloten moet kunnen worden en gewetensbezwaarden moeten de ruimte hebben om het voltrekken van een homohuwelijk te weigeren en dit over te laten aan een andere ambtenaar. Die mogelijkheid moet er zijn. Daar heb ik niet zoveel aan toe te voegen.

Mevrouw Dijkstra (D66): Kan de minister aangeven waarom gewetensbezwaren alleen gelden als het om seksuele geaardheid gaat?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Toen de wetgeving aan de orde is geweest, is specifiek vastgelegd dat men dit op deze manier wil behandelen. Ik vind het belangrijk dat we dit evenwicht naar deze kwestie toe op een goede wijze vorm en inhoud geven. Uiteindelijk heeft een gemeente de wettelijke plicht om ruimte te bieden voor het homohuwelijk. Ik ben er trots op dat we dat doen. Maar rondom de behandeling van de wet is aangegeven dat er ruimte is voor mensen die gewetensbezwaren hebben. Overigens wordt die groep steeds kleiner. Ik wijk niet zoveel af van hetgeen er toen gezegd is hierover door het tweede paarse Kabinet. Ik ben het nog steeds eens met die afweging.

Mevrouw Dijkstra (D66): Die afweging is tien jaar geleden gemaakt. We spreken over ambtenaren van de burgerlijke stand die toen dat werk uitvoerden en geconfronteerd werden met de openstelling van dit huwelijk. Ik vind het logisch dat er toen begrip was voor ambtenaren die hiermee problemen hadden. Daartegen hebben we toen ook geen bezwaar gemaakt, maar de vraag is of je dat vervolgens moet blijven volhouden. We zijn tien jaar verder, er worden nieuwe mensen aangenomen, er kunnen nog steeds trouwambtenaren worden aangenomen die dit principiële bezwaar hebben. Dat is geen belemmering om die functie uit te voeren. Wat ons betreft is dat nu afgelopen en moeten we verder. Ik wil daar graag de reactie van de minister op hebben.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik begrijp dat mevrouw Dijkstra vindt dat het geweest is maar ik kijk er anders tegenaan. Daarbij vraag ik om de zaak te relativeren omdat de groep aantoonbaar vermindert en we zien dat in elke gemeente van Nederland de huwelijken gewoon plaatsvinden. Dat vind ik het allerbelangrijkste.

Mevrouw Smits (SP): Tien jaar geleden was er een voldongen feit voor ambtenaren. Vindt de minister dat nieuwe ambtenaren mogen weigeren om stellen van gelijke sekse te trouwen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Er is ook veel ruimte voor de gemeente zelf, maar ik heb mijn mening gegeven over mensen die ambtenaar zijn en er moeite mee hebben. Ik kan er niet zoveel aan toevoegen.

Mevrouw Smits (SP): Goed, dus de conclusie is dat als ik morgen solliciteer bij een gemeente en zeg ik weiger homostellen te trouwen, dan vindt de minister dat de gemeente volledig in zijn recht staat om mij in dienst te nemen. Ik vind dat een achterhaald standpunt. Wat vindt de minister van de gemeente Amsterdam, die er actief werk van maakt om deze houding te bestrijden bij trouwambtenaren. Wij juichen dat van harte toe. Wij vinden dat elke gemeente alleen maar ambtenaren in dienst moet hebben die homo’s willen trouwen. Vindt de minister dat een goede ontwikkeling?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat is een taak van de gemeente. Een gemeente kan iemand aannemen met gewetensbezwaren. Voor mij als wetgever en verantwoordelijke voor de controle op de wet is het belangrijk dat het huwelijk gesloten kan worden. De gemeente kan een gewetensbezwaarde ambtenaar aannemen mits de huwelijken binnen die gemeente conform de wet worden gesloten. Het kan ook zijn dat de gemeente Amsterdam dat zoveel mogelijk wil voorkomen en daar een andere afweging in maakt. Het is uiteindelijk aan de gemeente. Er komt geen wettelijke regeling om die vrijheid in te perken.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD): Ik ben me zeer bewust van de geschiedenis en de totstandkoming van dit alles en heb daar ook begrip voor, maar we krijgen een beetje last van de remmende voorsprong. Waar we eerst een voortrekkersrol hadden, zie je nu dat andere landen de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht overnemen, maar niet het fenomeen gewetensbezwaarde ambtenaar. Ik begrijp niet waarom we niet tot een ander inzicht kunnen komen. Ik verwees in mijn eerste termijn naar het advies van de Commissie Gelijke Behandeling. Dat is een heel realistisch en schappelijk advies. De minister doet het nu af als een zaak van de VNG. De VNG heeft zich daar al lang en breed over uitgesproken en heeft dat advies omarmd. Vanuit dat advies wordt wel degelijk een beroep gedaan op de regering. Dus nogmaals een vriendelijk verzoek aan de minister om even rustig dat advies te bestuderen en daarna de Kamer nader te informeren.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dit advies is ons als kabinet bekend. Mijn collega van Binnenlandse Zaken kan hierover een beleidsnotitie opstellen, maar beide ministers hebben aangegeven hoe het kabinet er tegen aankijkt. Mevrouw Hennis-Plasschaert zal geen nieuwe reactie horen. Het is dan ook zonde van de tijd om daarover opnieuw een antwoord op papier te zetten.

De heer Dijkgraaf (SGP): Is de minister het met mij eens dat het tweede paarse kabinet bestaande uit VVD, D66 en PvdA destijds welbewust en weloverwogen heeft gezegd dat die uitzonderingspositie, mits huwelijken gesloten kunnen worden, zowel voor bestaande als nieuwe gevallen mogelijk moet zijn, voor nu en in de toekomst?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik ga daar absoluut vanuit dat dit de intentie is geweest. Dat is ook de reden dat ik op de vraag van mevrouw Smits antwoordde dat ook een nieuwe ambtenaar met gewetensbezwaren aangenomen kan worden, mits de gemeente voorziet in het kunnen sluiten van een homohuwelijk. Dat blijf ik heel belangrijk vinden. Op het moment dat het niet gebeurt, hebben ze een groot probleem met mij.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik lees letterlijk voor uit het werk van de heer Cohen: «De heer Van Schijndel vroeg in dit verband om het beroep op gewetensbezwaren van godsdienstige aard alleen toe te staan aan huidige ambtenaren van de burgerlijke stand en niet aan toekomstige. Ik zie niet in dat in dit opzicht onderscheid gemaakt zou moeten worden».

De heer Van Klaveren (PVV): Ook de PVV zou graag zien dat de minister nogmaals het advies doorneemt en de Kamer informeert over de precieze beweegredenen en de visie op het geheel.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dan moet ik correct zijn. Het is de primaire verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ik wil deze vraag doorspelen aan de minister en zal vragen hoe hij daarop reageert. In de tweede termijn kom ik daarop terug naar aanleiding van de vraag van de VVD die door de PVV wordt ondersteund.

Even terug naar het blok algemeen. Daar lag nog de vraag van mevrouw Van Toorenburg rondom Equality en Aletta. Het klopt dat ik beide organisaties kort, maar de winst is dat zij samen bezig zijn met een integratievoorstel. Zij hebben dat met heel veel inzet opgepakt en inmiddels een plan van aanpak ingediend. Het blijkt dat 30% bezuinigen niet lukt, maar 25% wel. Ik vind het best om het met 25% te doen, want ik wil ook zo min mogelijk ingrijpen in het inhoudelijke deel, maar aan overhead en huisvesting kan er echt bezuinigd worden. Ik wil het uitvoeren conform het plan dat men heeft neergelegd en zal de organisaties zo nodig gezamenlijk steunen als er frictiekosten zijn. Het overnemen van taken vanuit het ministerie door Equality en Aletta is erg lastig. Zij hebben hun eigen taak. Er werken slechts 15 ambtenaren aan dit onderwerp. Gelet op het aantal vragen zouden dit er wel 30 moeten zijn. Op een aantal vragen moet ik dan ook «nee» zeggen, omdat ik het ambtelijke apparaat er niet voor heb. Die 15 mensen hebben het behoorlijk druk met het coördineren en het stimuleren van de acties die voortkomen uit alle actielijnen. Dat is een taak om vanuit het ministerie te doen. Ik heb de indruk dat Equality en Aletta met hun eigen plan heel goed uit de voeten kunnen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voor ons was het uiteraard geen nieuwtje dat de opdracht 30% was en dat men tot 25% zou komen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Wel dat ik daarmee instem. Dat is een verschil.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Dat maakt een verschil, want wij hebben aangegeven dat wij vinden dat zij die 30% niet kunnen opbrengen als ze vervolgens die rol niet krijgen. Met deze toezegging kunnen wij hier goed mee leven.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Graag gedaan. Ik maak het punt van de gelijke rechten af. Dit is inderdaad een wezenlijk punt van dit kabinet. We willen ons daarvoor inzetten. Op heel veel punten is het punt van de gelijke rechten ook al stevig geregeld zoals in de Grondwet. Het is heel duidelijk dat er geen discriminatie mag zijn vanwege geslacht en andere zaken die daar genoemd worden. Daar wil het kabinet dit punt nadrukkelijk onder scharen. Toch zijn er nog zaken die rechtgetrokken moeten worden. Ik heb met veel mensen gesproken over het lesbisch ouderschap. Dat is iets waar reikhalzend naar uitgekeken wordt. Ik ben blij dat het wetsvoorstel er nu ligt en dat het inmiddels langs de Raad van State is gegaan en dat het in de zomer naar de Kamer gaat. Ik ben er heel blij mee en ik blij dat ik overwegend een brede steun voor dit wetsvoorstel bespeur.

Mevrouw Dijkstra (D66): Er wordt steeds gezegd dat in de zomer het wetsvoorstel lesbisch ouderschap naar de Kamer komt. Er is toegezegd dat het voor de zomer zou komen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: In de brief staat in de zomer. Als het in de zomer er is dan is het aan de Kamer om het zo snel mogelijk in te plannen in de procedure. Ik heb van mijn collega in de zomer doorgekregen.

De vraag of genderidentiteit in de Algemene wet gelijke behandeling zou moeten worden opgenomen. Dat is eigenlijk niet nodig omdat de grond van sekse daarin eigenlijk al voorziet. Het Europees Hof van Justitie heeft in jurisprudentie vastgelegd dat genderidentiteit daaronder valt. Daarmee is het punt dat mevrouw Hennis-Plasschaert aangeeft bevestigd en daarmee ook gewoon onderdeel van het recht.

Ik kom op het punt rondom de vergoeding van de borstimplantaten. Ik ben op de hoogte van de wens die er bij de transgenderbeweging leeft. Ik heb daarover intensief met mijn collega’s van gedachten gewisseld in de ministerraad. Ik begrijp heel goed dat je zo’n situatie helemaal wilt afronden. We zitten op dit moment met de situatie dat we in de zorgpakketten scherp moeten kijken wat we nog wel en niet kunnen bekostigen. Er zullen zaken uitgaan waar veel mensen veel moeite mee hebben. Gelet op de bezuinigingen en de noodzaak daartoe brengen we op dit moment geen wijzigingen aan in het basispakket van de Zorgverzekeringswet. Dat is de uitkomst van het overleg en dat wordt veroorzaakt door de situatie waarin we nu verkeren. We moeten veel weghalen bij mensen die daar absoluut niet zonder willen. Dat is de reden waarom ik dat klip en klaar in deze notitie heb opgeschreven.

Een ander punt is het punt van de bloedvoorziening. Mevrouw Van Toorenburg heeft een heel helder statement gemaakt, namelijk dat het moet kunnen, tenzij het voor de veiligheid niet kan. Dat is ook het standpunt van de ministerraad. We willen daarmee aan de slag, maar willen wel de Raad van Europa afwachten wat betreft de aanbevelingen omdat we het ook evenwichtig willen oppakken. Dan zal het overleg met Sanquin op dit aspect bekeken worden, omdat we niet willen discrimineren. Ik wacht eerst op de aanbevelingen van de Raad van Europa. Daarna hoort de Kamer hierover meer van mij.

Mevrouw Dijkstra (D66): Welk tijdspad heeft de minister dan voor ogen. Als zij eerst de Raad van Europa afwacht en dan pas met Sanquin hierover gaat praten, ben ik bang dat we het binnen deze regeerperiode niet halen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: ik begrijp het punt van mevrouw Dijkstra. Wij verwachten de aanbevelingen nog dit jaar, maar ik kan best eerder in gesprek gaan met Sanquin. Ik kom met voorstellen nadat ik die aanbevelingen heb gezien, omdat ik het wezenlijk vind om daar op te wachten.

Dan kom ik bij het laatste punt namelijk de Europese Richtlijn Gelijke Behandeling. Nederland heeft zich steeds actief opgesteld op dit punt, maar wel afhankelijk van de EU-voorzitter. Het blijkt dat de huidige en de volgende voorzitter vanwege de kosten niet een enorme schwung maken met dit punt. Er wordt op dit moment gekeken of er behandeling mogelijk is zonder onnodig hoge aanpassingskosten. Als de Kamer daar verdere vragen over heeft, is het beter om daar de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar te vragen. Het punt is wel in beeld maar gelet op de tijden waarin we verkeren ligt het lastig bij een aantal landen.

De veiligheid rondom homoseksuele jongeren kent wat mij betreft een brede aanpak omdat ik ongelooflijk hecht aan het feit dat de jongeren in Nederland veilig zijn, zich gerespecteerd weten en zichzelf kunnen zijn. Daar zet ik op allerlei manieren in. Concreet begin ik met de seksuele diversiteit in de kerndoelen. Ik vind dat iedereen overal zichzelf moet kunnen zijn, of je nu een tachtigjarige lesbienne bent in een verzorgingshuis of een homoseksuele tiener die net uit de kast gekomen is op een middelbare school. Daar waar intolerant gedrag plaatsvindt of mensen belemmerd worden in het zichzelf zijn, moet de maatschappij zich dat aantrekken. Dat kan niet en dat mag niet. Dat is het principe waar ik als mens en als minister diep in geloof. Ook ik zie dat daar nog slagen te maken zijn. Dat is ook de reden dat we op het vlak van aanpak van geweld, op het vlak van emancipatie, op het vlak van intolerantie dat met geweld wordt beantwoord, korte metten maken. Daar zetten we ons ten volste op in. U vindt mij volledig aan uw zijde laat dat duidelijk zijn. Ik heb eerder kenbaar gemaakt dat ik geen heil zie in de motie ten aanzien van het wijzigen van de kerndoelen. De huidige kerndoelen geven ruimte aan de wens van de Kamer ten aanzien van seksuele voorlichting en weerbaarheid. In kerndoel 34 staat seksualiteit letterlijk genoemd. Het is aan de school om daar vorm en inhoud aan te geven. Dat geldt altijd. Het is uiteindelijk aan de school om rondom seksualiteit vorm en inhoud te geven. Dat past bij de globaal geformuleerde kerndoelen van basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Daarnaast zijn er andere zaken die ook met respect en het aanvaarden van waarden en normen te maken hebben. Dat zit ook in andere kerndoelen die we kennen en dat zit ook in het aspect van burgerschap. Aspecten van het accepteren en respecteren van verschillende leefwijzen en welbevinden zijn letterlijk woorden die daarin terugkomen. Het expliciet toevoegen van een aspect is naar mijn idee niet nodig en ik vind het een papieren maatregel. Naar mijn gevoel werkt dat niet. Dat vind ik als minister van emancipatie maar ook vanuit mijn rol als minister van onderwijs. In een tijd waarin meer focus wordt aangebracht in het onderwijs moet je buitengewoon terughoudend zijn in wat je expliciteert. De aanpassing van de kerndoelen biedt mijns inziens geen enkele garantie dat het wel gebeurt op een manier zoals de Kamer het wil. Op dit moment bieden de punten seksualiteit, welbevinden en onderling respect voor andere levenswijzen voldoende aanknopingspunten om dat werkelijk te doen.

De voorzitter: De plenaire vergadering gaat zo weer beginnen. Dat zal voor sommige leden een reden zijn om te vertrekken. Ik vraag de minister om dit punt af te ronden.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik hecht er erg aan om het punt wel goed neer te zetten. Ik wil duidelijk maken dat ik wel degelijk voor de jongeren sta en wel degelijk een aanpak heb waarin aan deze jongeren recht wordt gedaan. Maar deze oplossing is toch het creëren van een schijnwerkelijkheid. Uiteindelijk zullen scholen ermee aan de slag moeten. Daarom kies ik voor een andere aanpak die meer effect zal bewerkstelligen. Ik wil het punt van de veiligheid noemen. We hebben hier met een aantal Kamerleden een debat gehad over veiligheid op school. We hebben met elkaar geconstateerd dat er veel acties plaatsvinden om de veiligheid op school te vergroten. Een van de belangrijke zaken die daarbij aan de orde komen, is de nieuwe wetgeving registratie incidenten. Een belangrijk onderdeel daarvan is discriminatie van homoseksuele jongeren. Een tweede punt is dat er veel aanbod is van lesmateriaal voor seksuele diversiteit. Het Centrum School en Veiligheid biedt veel mogelijkheden en Gay en School ook. Dat soort aspecten zijn er en ik kom daar nog op terug. Ook het punt van het burgerschap is belangrijk. Ik heb de Onderwijsraad gevraagd dit punt in ondersteunende zin voor de scholen uit te werken. Dat advies verwacht ik in 2012. We hebben Gay Straight-allianties. Op dit moment zijn daar 150 scholen aan verbonden. Dit wil ik uitbreiden naar 300 scholen, zodat daar het gesprek daadwerkelijk op gang komt. Ik steun de inzet van het COC wat betreft de voorlichting op school. Ook ik vind het punt rond suïcideneiging van homoseksuele jongeren heel ernstig. In dat kader heb ik geprobeerd heel gericht in samenwerking met het COC en Movisie een plan van aanpak te ontwikkelen. COC en Movisie komen daar binnenkort mee met een subsidieaanvraag en dat wil ik gaan ondersteunen omdat ik vind dat we dat echt moeten aanpakken.

We zullen inderdaad een brede social media campagne gaan uitvoeren waarin Hyves, Facebook en Twitter betrokken worden om het te hebben over respect onderling en het waardevol met elkaar omgaan.

Ik realiseer me goed dat de Kamer wil dat scholen er aandacht aan besteden. Dat regel je niet met een specificatie binnen een kerndoel. Ik wil een brief schrijven aan alle scholen en in die brief wil ik deze problematiek sec neerzetten en aangeven dat het me grote zorgen baart. Vanuit de algemene verantwoordelijkheid van de school en niet vanuit de leerdoelen roep ik de scholen op om hier gericht aandacht aan te besteden. Ik wil hen in de brief wijzen op alle mogelijkheden ten aanzien van voorlichting en informatie die daarover te vinden is. Daarmee rond ik op dit moment dit punt af. Ik ben buitengewoon betrokken bij dit thema maar niet via de kerndoelen, omdat ik dat geen echte oplossing vind.

De voorzitter: We zullen dit algemeen overleg op een later moment voortzetten. Ik dank de aanwezigen voor hun inbreng.