Kamerstuk 30234-50

Verslag van een algemeen overleg

Het sportbeleid

Gepubliceerd: 25 augustus 2011
Indiener(s): Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD)
Onderwerpen: cultuur en recreatie sport
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30234-50.html
ID: 30234-50

Nr. 50 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 25 augustus 2011

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 heeft op 29 juni 2011 overleg gevoerd met minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

  • de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 4 januari 2011, betreffende de aanbieding van de Rapportage sport 2010 (30 234, nr. 32);

  • de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 27 januari 2011, betreffende de stand van zaken Impuls Brede Scholen, sport en cultuur en het Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs (30 234, nr. 33);

  • de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 22 maart 2011, betreffende de draagvlakmeting Olympische Spelen 2028 (30 234, nr. 34);

  • de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 22 april 2011, betreffende het actieplan Naar een veiliger sportklimaat (30 234, nr. 36);

  • de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 19 mei 2011, betreffende de Beleidsbrief Sport: Sport en bewegen in Olympisch perspectief (30 234, nr. 37);

  • de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 16 mei 2011, betreffende de Beleidsdoorlichting Sport (32 772, nr. 1);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 23 mei 2011, betreffende het kader voor beleid Voetbal en Veiligheid (25 232, nr. 57);

  • de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 24 juni 2011, betreffende de Beleidskaders Sport en Bewegen in de Buurt (30 234, nr. 48).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Smeets

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Teunissen

Voorzitter: Van Gerven

Griffier: Clemens

Aanwezig zijn 5 leden der Kamer, te weten: Bruins Slot, De Liefde, Van Dekken, Dijkstra, Van Gerven,

en minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De voorzitter: Goedemiddag. Welkom bij dit algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het sportbeleid. Ik heet de minister en haar ambtenaren welkom, evenals de Tweede Kamerfracties. Mevrouw Dijkstra van D66 zal iets eerder afscheid van ons nemen vanwege dringende andere verplichtingen. Het is wat hectisch de laatste dagen voor het zomerreces. Zij is bij dezen verontschuldigd. Als zij wegloopt, is dat niet vanwege desinteresse maar vanwege andere verplichtingen.

Er geldt een spreektijd in eerste termijn van vijf minuten per woordvoerder. Er zijn twee interrupties toegestaan.

Als eerste is het woord aan mevrouw Bruins Slot, namens de fractie van het CDA.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Voorzitter. Complimenten voor de minister. Zij heeft een mooie beleidsbrief over sport afgeleverd. Het CDA herkent zich in onderwerpen als sport en bewegen in de buurt, het belang van de betrokkenheid van vrijwilligers en het vergroten van de sportparticipatie van ouderen. Wel vindt de CDA-fractie dat de minister van het onderwerp sport en bewegen in de buurt en van het onderwerp uitblinken in sport twee eilandjes maakt. Het lijkt nu alsof sterke topsport zou kunnen bestaan zonder dat een goede basis in de breedtesport. Dat is onjuist; goede resultaten in topsport enthousiasmeren juist mensen voor breedtesport. Andersom geldt natuurlijk hetzelfde. Hoe verwacht de minister dat haar beleid kan bijdragen aan een goede verbinding tussen breedtesport en topsport?

Sport en bewegen in de buurt klinkt goed. Het CDA maakt zich al jaren hard om meer speelvelden en sportverenigingen in de buurt te krijgen. Op het niveau van gemeenten gebeurt al veel. Veel kennis is ook aanwezig in het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) en in het Mulier Instituut. Hoe zorgt de minister voor een goede bundeling van de al bestaande praktijken, zodat niet opnieuw het wiel wordt uitgevonden? Het CDA ziet hierbij de voordelen van multifunctionele locaties. Een school bouwt in zo’n scenario niet alleen een gymlokaal voor zichzelf, maar ook voor de korfbal-, zaalvoetbal- en voetbalvereniging. Dit is nu nog lastig, omdat het om verschillende budgetten en vaak verschillende regelgeving gaat. Ziet de minister ruimte voor een smeerolieregeling binnen het budget voor sport en bewegen in de buurt om dit te bewerkstelligen?

Meer sporten en bewegen in de buurt behoeft niet alleen hardware, zoals veldjes en voetbaldoelen. Zonder software, zoals het zoeken van binding met de wijk en het betrekken van ouders is er sprake van een lege huls. De Krajicekveldjes zijn een goed voorbeeld van hoe het zou moeten. De minister mag ook de normale voetbalverenigingen en korfbalverenigingen in de buurt niet vergeten. Hoe ziet zij de relatie tussen de soft- en hardware? Het is in dit kader meer dan teleurstellend dat 17% van de gemeenten geen sportbeleid heeft. De minister is daar natuurlijk niet verantwoordelijk voor, maar zij kan die gemeenten wel gericht benaderen. Is zij daartoe bereid? Als CDA’er zeg ik toe dat ik natuurlijk hetzelfde doe bij mijn collega’s.

De ambitie van het Olympisch Plan 2028 is om meer jeugd en ouderen in Nederland aan het sporten te krijgen en om in de top tien van de Olympische medaillespiegel te komen. Steunt de minister deze ambitie volmondig? De minister legt de regie bij Olympisch Vuur, dat nog steeds zonder voorzitter zit. Waarom is er nog geen stevige opvolger van de heer Opstelten bekend? Om de economische betekenis en de ruimtelijke ambitie van sport te versterken, moet de minister in het kabinet zelf op de bok gaan zitten; door niet de regie te nemen en het aan anderen over te laten, verspeelt zij de kans om chef de mission van deze belangrijke sportieve missie te zijn. Het is in dit kader enigszins teleurstellend dat de minister de partners niet onder druk zet om een keuze voor een stad te maken. Nu gaat er geld en tijd op aan de onderlinge concurrentie van twee steden. Dit geldt ook voor de regio; vier provincies zijn op dit moment bezig met het organiseren van een hippisch topsportevenement. Dat komt andere sporten niet ten goede, noch de ontwikkeling van een nieuw Thialf. Maak een keuze voor een stad en verdeel de sporten over Nederland.

De minister maakt wel een keuze in het evenementenbeleid van VWS. Voortaan komt er bij de subsidieverlening meer aandacht voor de economische en maatschappelijke spin-off van grote evenementen. De vraag is of deze twee criteria er niet toe leiden dat de evenementen nog maar in enkele delen van Nederland terecht zullen komen. Het CDA maakt zich hier zorgen over en vraagt zich af of het nieuwe evenementenbeleid rekening houdt met een goede regionale spreiding van sportevenementen. Is de minister bereid om dit criterium in het nieuwe subsidiebeleid op te nemen?

De afgelopen tijd heb ik meermalen gehoord dat gemeenten en andere organisatoren het als een gemis ervaren dat er geen blauwdruk voor een draaiboek voor de organisatie van grote sportevenementen bestaat. Ziet de minister een mogelijkheid om bijvoorbeeld NOC*NSF te vragen een dergelijk draaiboek op te zetten?

Het is goed dat de minister werk maakt van een veilige sportomgeving. Preventie, het voorkomen van ongewenst gedrag vindt het CDA even belangrijk als het afstraffen ervan. Is het niet tijd dat er een zwarte lijst met asociale sportverenigingen komt? Nu weten ouders en jongeren vaak niet van wat voor soort sportvereniging zij lid worden. Het is belangrijk dat de bonden zichtbaar maken welke verenigingen een abonnement op schorsingen, vechtpartijen en ongewenst gedrag hebben.

De CDA-fractie juicht het toe dat de minister een taskforce over belemmerende wet- en regelgeving instelt. Wanneer komt er een rapport met voorstellen?

In een motie van mijn collega Omtzigt is benadrukt dat instellingen die een sociaal belang behartigen, zoals sportverenigingen, onderdeel zouden moeten uitmaken van de geefwet. De eerste resultaten van het kabinet zijn echter niet echt bemoedigend. Is de minister wel betrokken bij het opstellen van deze geefwet waar het het stimuleren van het geven aan sportverenigingen betreft? Welke resultaten wil de minister op dit punt bereiken?

In het regeerakkoord staat stoer dat het kabinet gaat bevorderen dat een groter aandeel van de loterijopbrengsten aan sport wordt besteed. De minister is in de nota echter een stuk voorzichtiger. Staatssecretaris Teeven trapte ook behoorlijk op de rem van de verwachtingen tijdens het algemeen overleg over kansspelen. Hoe realistisch acht de minister het dat 90 mln. extra vanuit de loterijen aan de sport ten goede komt? Hoe zet de minister zich op dit punt in, in relatie tot haar collega van Veiligheid en Justitie?

De heer De Liefde (VVD): Voorzitter. Ik sluit mij graag aan bij de positieve woorden van mijn collega van het CDA aan het adres van de minister betreffende de ambities die uit het nieuwe sportbeleid spreken. Ook de VVD vindt het van belang dat sport in de buurt een volwaardige plek in dit beleid krijgt, en dat het tot uitvoering komt en niet bij mooie woorden op papier blijft.

Mijn fractie vond het rondetafelgesprek dat wij vorige maand hielden over geweld op het veld nuttig en leerzaam maar ook teleurstellend. Teleurstellend, omdat duidelijk werd dat de KNVB en de eredivisieclubs helemaal niet van plan zijn om onderdelen van het actieplan uit te voeren. Dat maakt mij een beetje boos. De KNVB hanteert twee tuchtreglementen; voor amateurs gelden zwaardere straffen dan voor profs. Op mijn vraag om een uniform tuchtreglement te maken, antwoordde de KNVB en eredivisie dat dit niet nodig is, omdat profs geen geweld gebruiken. Als dit zo is, wat is dan het bezwaar om tot één reglement te komen? Deelt de minister de mening van de VVD dat het onwenselijk is om in het tuchtrecht verschillende strafmaten te hanteren voor geweldsincidenten, bij welke sport dan ook? Is de minister bereid om te pleiten voor het beëindigen van het onderscheid tussen profs en amateurs voor wat betreft geweldsincidenten in het KNVB-tuchtrecht? Meer in het algemeen vraag ik de minister of zij bereid is om bij de sportbonden in Nederland te pleiten voor uniforme strafmaten bij geweldsincidenten. Het moet wat de VVD betreft niet uitmaken of je op het voetbalveld, het korfbalveld of het basketballveld een kopstoot uitdeelt; de strafmaat zou bij elke sport even zwaar moeten zijn.

Ik zou nog veel meer voorbeelden kunnen noemen van waarover is gesproken bij dat rondetafelgesprek, maar ik beperk mij tot nog eentje. Onder het kopje «Aanpak van excessen door sport» – kopje 2 uit het actieplan, staat mij bij – staat dat in plaats van het individu ook de sportvereniging aangifte kan doen van geweld op een sportvereniging. Ook artikel 161 van het Wetboek van Strafvordering biedt die ruimte. Op mijn suggestie om profclubs aangifte te laten doen van geweld tegen een van hun contractspelers werd negatief gereageerd door de KNVB en de Eredivisie CV. Ik constateer tot mijn verdriet veel conservatisme, onwil en weerstand bij de KNVB en de Eredivisie CV. Ik roep de minister op om bij deze contractpartners, die mede het actieplan hebben ondertekend, aan te dringen op betekenisvolle maatregelen waaruit blijkt dat het discriminerende onderscheid tussen amateurs en profs verdwijnt en die daadwerkelijk invulling geven aan de belangrijke voorbeeldfunctie van profvoetballers. Ook vraag ik haar erop aan te dringen dat deze contractpartners zich houden aan de afspraken uit het actieplan waaraan zij zich gecommitteerd hebben. Kan de minister dit toezeggen?

De woordvoerder van het CDA sprak over een zwarte lijst van clubs waar veel geweldsincidenten zijn. In aansluiting daarop vraagt de VVD zich af hoe omgegaan moet worden met sporter die via tuchtrechtspraak voor langere tijd geschorst dan wel geroyeerd zijn vanwege een geweldsincident. Wat vindt de minister van de gedachte om in het actieplan een centraal register van schorsingen en royementen voor geweldsincidenten op te nemen? Zo kunnen we voorkomen dat mensen met losse handjes zich bij een andere sportbond aanmelden en op dezelfde voet verdergaan.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): De heer De Liefde zegt dat er een register moet komen voor individuele sporters ter bevordering van de inzichtelijkheid in geval dat sporters naar een andere vereniging gaan. Deelt de heer de Liefde de gedachte van het CDA dat het goed zou zijn als bij de bonden inzichtelijk wordt welke verenigingen het erg bont maken met schorsingen, stilgelegde wedstrijden en geweld tegen scheidsrechters?

De heer De Liefde (VVD): Ik vind dat zeker een interessante gedachte. Je moet er immers van uit kunnen gaan dat jijzelf en je kind in een veilige omgeving kunnen sporten.

De heer Van Dekken (PvdA): Er wordt gezegd dat er een centraal register moet komen waarin namen van individuen en eventueel ook sportclubs worden genoemd. Het wil weleens voorkomen dat er gedoe is met spelers binnen een vereniging. Dat leidt vaak tot een slecht imago, soms dusdanig slecht dat de KNVB besluit om een complete voetbalvereniging uit de competitie te zetten. Is het de bedoeling van het CDA en de VVD om ervoor te zorgen dat die club per definitie een onaantrekkelijk karakter krijgt en niet aantrekkelijk is voor kinderen en anderen uit de buurt? Het gaat immers vaak om een elftal of een individu en hopelijk niet om een complete vereniging.

De heer De Liefde (VVD): Ik acht het van belang dat voorkomen wordt dat individuele sporters die zich ernstig misdragen – ik doel op geweldsincidenten waarvoor zij via het tuchtrecht en eventueel ook het strafrecht worden veroordeeld – lid kunnen worden van een andere sportbond gedurende hun schorsing of royement. Immers, wie zegt mij dat die persoon bij de andere bond niet dezelfde losse handjes vertoont? Die mensen ziet de VVD graag in een centraal register opgenomen worden.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): In antwoord op de heer Van Dekken: je moet niet te lichtvaardig aan registratie beginnen. Echter, slecht gedrag meer in de openbaarheid trekken kan juist externe druk op de vereniging leggen om haar cultuur te veranderen. Ik doel dan op een situatie waarin in een korte periode een aantal zaken spelen. Zo kom je weer terecht bij de plannen die de minister heeft neergelegd. Die zijn ook aan de preventieve kant. Als een dergelijke registratie als stok achter de deur ligt, als wangedrag openbaar kan worden gemaakt, is er juist een extra impuls bij de verenigingen om met dit soort zaken aan de slag te gaan. Op het moment dat de vereniging wel op de hoogte is van wangedrag maar de omgeving niet, is er minder druk om de cultuur van die vereniging te veranderen.

De heer Van Dekken (PvdA): Het lijkt mij heel moeilijk om het binnenskamers te houden als je midden op een voetbalveld staat. Het voorstel betekent dat het imago van die voetbalvereniging om zeep wordt geholpen en die vereniging per definitie niet aantrekkelijk is voor anderen die willen sporten. Dat is de consequentie. Zo mag ik mevrouw Bruins Slot toch begrijpen?

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Nee, dat is niet de consequentie. Natuurlijk gaat er bij zo’n korfbal-, zaalvoetbal- of hockeyvereniging – laten we het niet alleen op voetbalverenigingen betrekken – een hele geschiedenis aan vooraf. Voordat het zover komt, moet er al het nodige hebben plaatsgevonden. Die vereniging kan in een eerder stadium al werken aan wat er gebeurt. Wanneer een vereniging op zo’n lijst terechtkomt, moet zij echt stappen in de verkeerde richting hebben gezet. Ook hier zit de gedachte van preventie achter.

De heer De Liefde (VVD): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de oproep van het CDA om snelheid te maken bij de keuze van een speelstad voor de Olympische Spelen. Nu is het stil en daar profiteert Nederland niet van. Op het moment worden inderdaad erg veel geld en energie gestopt in het elkaar beconcurreren; ik heb in ieder geval al vrij veel lobby’s aan mijn bureau gehad. Ik weet niet of dat wel de meest effectieve manier is om met je energie om te gaan.

Sport moet meer dan nu het geval is een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven worden. Hoe groter de groep breedtesporters, hoe meer topsporters daaruit voortkomen. De goudenmedaillewinnaars van 2028 zitten nu in de luiers op de crèche, behalve de turnsters dan; zij zijn nog niet geboren. De VVD onderschrijft de ambitie van de regering om de Olympische Spelen van 2028 binnen te halen. Echter, zonder sterke basis is er geen Olympisch niveau. Draagvlak onder de bevolking is daarbij een belangrijk gegeven. Hoe denkt de minister de komende jaren het nu nog beperkte draagvlak onder de Nederlandse bevolking te vergroten? Ook moet er nog het nodige gebeuren om de topsportmentaliteit in Nederland te vergroten.

In het regeerakkoord is afgesproken dat het kabinet streeft naar meer lesuren sport in het basisonderwijs, beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs. Dit is voor de VVD een belangrijk onderdeel. Wij ontvangen dan ook graag deze zomer of uiterlijk met Prinsjesdag van de regering concrete informatie hoe dit onderdeel van het regeerakkoord wordt uitgevoerd. Ik krijg hier graag een toezegging over.

Last but not least zijn ook wij benieuwd hoe het staat met de extra middelen voor sport uit de loterijen. Dat is ook een afspraak uit het regeerakkoord. De VVD spreekt ook hier de verwachting uit dat nog deze zomer of met Prinsjesdag concrete voorstellen hiervoor de Kamer zullen bereiken. Ook hier krijg ik graag een toezegging over.

De heer Van Dekken (PvdA): Voorzitter. Dank aan de minister voor het geleverde werk. Ik ga in hoog tempo door mijn punten heen, want er is een strakke regie.

De minister heeft het stimuleren van sport in de buurt uitgeroepen tot prioriteit. Daar zijn we het van harte mee eens. In het plan zijn de gemeenten een van de belangrijkste uitvoerders van het sportbeleid van de overheid. Als ik de brief van de VNG goed lees, kunnen de gemeenten de ambities van de minister niet waarmaken. Op welke wijze blijven de mooie plannen uit de brief van de minister overeind nu de gemeenten forse kortingen opgelegd krijgen? Wat blijft er nog over van de notitie als de gemeenten, de belangrijkste partner van de minister, zeggen hun aandeel niet rond te kunnen krijgen?

Veilig buitenspelen en buiten sporten zijn van groot belang voor de sportieve ontwikkeling van kinderen. Ook dit thema sluit uitstekend aan bij het onderwerp sporten in de buurt. De PvdA heeft dit punt in een motie naar voren gebracht, naar ik meen op 29 november 2010. Op aandringen van de minister hebben we die motie weer ingetrokken, omdat de minister dit voorjaar met een nulmeting naar de Kamer zou komen. Het voorjaar is voorbij en als ik mij niet heel sterk vergis, heb ik geen nulmeting gezien. Is die nulmeting er? Komt die nulmeting er? Streeft de minister naar meer speelruimte in de steden?

De sportbrief besteedt weinig aandacht aan het stimuleren van sporten door mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Mijn fractie ervaart dit als een groot gemis. Wij zien graag een verdieping van het beleid op dit punt. Wat heeft de minister deze mensen te bieden?

De sportbrief kent een bescheiden financiële paragraaf. Daarin geeft de minister aan dat zij een deel van het geld dat eerder bestemd was voor kinderen en breedtesport wil inzetten voor de Olympische ambitie; er moet worden gezorgd dat men wil uitblinken in sport. De PvdA is het hier echt niet mee eens. Elk kind dat wil sporten, moet kunnen sporten. Dat is nu nog lang niet het geval. Ik doel op kinderen van bijstandsouders en kinderen uit andere arme gezinnen. Wij willen voorkomen dat de bezuinigingen ertoe leiden dat die kinderen aan de kant komen te staan. Hoe krijgt de minister deze doelgroep definitief aan het sporten?

Ik heb een aantal opmerkingen over het actieplan voor een veilig sportklimaat, maar die sla ik over. Mijn complimenten voor dit actieplan, dat door de PvdA wordt gesteund.

Ik kom terug op de Olympische ambitie. Uiteraard moet het WK-bid op orde worden gebracht. De PvdA wil een open en transparante procedure hiervoor aanbesteden. Een stel oude mannen in een zaal en een procedure waarbij niemand weet of er veel geld uit Rusland of Qatar mee gemoeid is, is echt niet meer van deze tijd. De huidige wijze van lobbyen is wat ons betreft onaanvaardbaar. Het is jammer dat we het vandaag niet in die zin over het WK-bid kunnen hebben. Dat moeten we echt een andere keer doen, want ook daarover heb ik vanochtend het nodige gelezen. Hoe het ook zij, al veel langer geleden is er een motie ingediend door mijn collega Timmermans, samen met D66-collega Pechtold. Daarin staat dat er een gedragscode moet worden afgesproken voor de wijze waarop ngo’s, sportkoepels en bonden in- en extern verantwoording afleggen. Ik denk erover om deze motie opnieuw in te dienen, maar ik wil eerst weten hoe de minister staat tegenover een transparante procedure.

Een ander punt van belang is het wereldkampioenschap vrouwenvoetbal, dat deze week is begonnen en nu al een groot succes is. Het is een fantastisch evenement met miljoenen toeschouwers op de tribune en voor de televisie. Ook ik kijk ernaar. Ik heb mij de afgelopen dagen eens flink verdiept in de manier waarop Duitsland dit WK heeft georganiseerd. Wat blijkt: het WK vrouwenvoetbal wordt in Duitsland vooral gebruikt om de etnische en sociale integratie te bevorderen en om het meiden- en vrouwenvoetbal stevig op de kaart te zetten. Er is door de Duitse voetbalbond stevig geïnvesteerd: trapveldjes, gemeenschappelijke initiatieven van scholen en clubs, belangrijke ambassadeurs en een inspirerend project, voetbal zonder buitenspel genaamd, waarin meiden van 9, 10 en 11 jaar meedoen aan voetbalwedstrijden, vaak samen met hun moeder. Het zal u niet verbazen, voorzitter, dat de PvdA enorm gecharmeerd is van deze aanpak. Is de minister bekend met deze aanpak? Voelt zij voor het opstellen van een plan van aanpak samen met de KNVB om het meiden- en vrouwenvoetbal van breedtesport naar topsport te krijgen? Nederland was deze editie van het WK immers niet gekwalificeerd en dat zou wel moeten.

De voorzitter: Mijnheer Van Dekken, kunt u tot een afronding komen?

De heer Van Dekken (PvdA): Zeker. Ik heb nog een paar vragen over het kader voor het beleid Voetbal en veiligheid en een opmerking over Thialf Heerenveen.

Waarom gaat het kabinet niet uitvoerig in op het belang van de voetbalwet? Waarom is er geen expliciete keuze voor het afschaffen van de combiregelingen en de clubcard? Minister Opstelten wil toe naar een top tien van hooligans per regio. Is het de bedoeling dat deze hooligans publiek bekend worden? Als dat zo is, is de minister dan niet bang voor een aanzuigende werking? Het kan immers heel stoer staan om op zo’n website genoemd te worden, iemand kan bijvoorbeeld op nummer 18 staat en graag op nummer 3 komen, omdat hij dan beter meedoet met zijn vrienden. Ik vind het een vreemd verhaal.

Mijn inbreng over de harde kern van voetbalsupporters zal ik overslaan. Ik vind het wel van belang dat het nieuw opgerichte supportersplatform van de betaaldvoetbalorganisaties volwaardig gaat meedoen in elk overleg met de KNVB. Ze zijn gisteren bij elkaar geweest. Ze bestaan weer. Ik feliciteer ze daar van harte mee.

Tot slot. Wat wil de minister nou eigenlijk met Thialf? Hoe zit het met het overleg met de provincies en de gemeenten? Hoe zit het met ambities? Ik vraag dit natuurlijk in het kader van de Olympische ambitie die we met zijn allen voorstaan.

Mevrouw Dijkstra (D66): Voorzitter. Ik begin bij de betaaldvoetbalorganisaties. Dit zijn private ondernemingen waarin voetballers miljoenensalarissen verdienen. De Groene Amsterdammer heeft berekend dat er 1,1 mld. belastinggeld naar de voetbalclubs is gegaan. Wat mij betreft is dit onwenselijk. Deelt de minister de mening dat dit wel een onsje minder mag? De wet verbiedt staatssteun aan ondernemingen, maar gemeenten kunnen dit via sluiproutes omzeilen. Subsidiëring via voordelige rentes is hier een voorbeeld van, evenals het opkopen van stadions tegen hoge bedragen. Deze sluiproutes zijn overzichtelijk samengevat door de overheid; het ministerie van BZK heeft samen met het ministerie van VWS en de VNG een rapport uitgebracht waarin ze allemaal beschreven staan, een soort staatssteunontduiking voor beginners. Kent de minister dit rapport uit november 2008? Waarom stimuleert het Rijk dat gemeenten deze sluiproutes gebruiken? We moeten de gemeentelijke autonomie respecteren en zo lang er dergelijke gaten in de wet zitten, kunnen we gemeenten niet verbieden om clubs te steunen. Wel moet deze wet eens goed tegen het licht worden gehouden, het liefst op Europees niveau zodat we een gelijk speelveld houden. Kan de minister toezeggen, eens goed naar deze wet en de richtlijnen te kijken? Kan zij ook toezeggen dat zij in gesprek gaat met haar Europese collega’s om op Europees niveau paal en perk te stellen aan dergelijk gedrag?

De toon en ambities van de sportnota zijn heel goed. De minister ondersteunt echter haar woorden niet altijd met daden. Ik lees dat de vijf speerpunten – roken, schadelijk alcoholgebruik, overgewicht, diabetes en depressie – in het gezondheidsbeleid worden vastgehouden. Dat klinkt mij als muziek in de oren. Tegelijkertijd echter gaan de antirookmaatregelen uit het pakket. Hoe rijmt de minister haar ambitie met deze maatregel?

Dan kom ik op het onderwerp sporten in de buurt en de rol van gemeenten. Gemeenten krijgen te maken met veel bezuinigingen, bijvoorbeeld op de sociale zekerheid. De kans bestaat dus dat zij om hun tekorten te compenseren, ook zullen bezuinigen op hun sportbeleid. Ziet de minister dat risico? Vindt zij een dergelijke bezuiniging wenselijk? Hoe voorkomt zij dat het sportbeleid de dupe wordt van andere bezuinigingen waarmee gemeenten te maken krijgen?

Ik sluit mij graag aan bij de opmerkingen van collega’s over het Olympisch Plan 2028 en de loterijopbrengsten. Ook het pleidooi van mijn buurman over het vrouwenvoetbal ondersteun ik warm.

Ten slotte kom ik te spreken over Thialf. Hoe kijkt de minister aan tegen de plannen voor een nieuw stadion, in relatie met de toekomst vaan de schaatssport in Nederland?

De heer De Liefde (VVD): Ik denk dat bijna alle partijen in dit huis Thialf en de schaatssport een warm hart toedragen. De crux zit erin dat Thialf om een miljoeneninvestering in het nieuwe stadion vraagt. Heeft D66 daar zelf al ideeën over?

Mevrouw Dijkstra (D66): Ik vraag expliciet naar de mening van de minister. Ook wij zien natuurlijk dat dit een heel dure aangelegenheid is. D66 ziet echter ook de noodzaak om de schaatssport en haar positie in Nederland te houden zoals zij zijn. Ik vraag dus oprecht, zonder vooringenomenheid, naar de mening van de minister. Ik wil horen waar zij staat.

Voorzitter: Bruins Slot

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Sport verbindt mensen, zorgt voor een gezonde leefstijl en leert kinderen belangrijke waarden. Een kind dat veel sport zal gezonder leven. Dat slechts de helft van de kinderen de beweegnormen haalt, vindt de SP zorgwekkend. Dat in groene wijken 15% minder kinderen met overgewicht leven, is voor de SP zowel een alarmerend bericht als het begin van een oplossing. Een alarmerend bericht omdat hieruit weer blijkt dat rijke kinderen gezonder leven dan arme, dat het voor de gezondheid van mensen belangrijk is waar hun wieg heeft gestaan en dat kinderen in Nederland geen gelijke kansen hebben. Het is tekenend voor het beleid van dit kabinet dat het rigoureus maatregelen schrapt om die sociaaleconomische gezondheidsverschillen tegen te gaan. Het kabinet is er niet voor iedereen, maar vooral voor de mensen die het al breed hebben.

In het sportbeleid hoopten wij een andere houding. Zien wij die? Het groener maken van de wijken waarin kinderen wonen die niets vanzelf krijgen, geeft die kinderen meer kansen, meer bewegingsmogelijkheden, meer speelplekken en meer sportfaciliteiten. Het verbeteren van de verkeersveiligheid verbetert de gezondheid van kinderen en is een effectief middel om de bestrijding van overgewicht onder kinderen te steunen. Vindt de minister dit ook? In dit verband vraag de SP zich af waarom de suggestie van een speel- of sportruimtenorm niet is overgenomen. De minister was hier in eerdere debatten zeer enthousiast over. Waarom vinden wij daar niets van terug? Wij kennen de waarde van speel- en sportmogelijkheden in de wijken; de SP voert al heel lang lokaal acties voor meer speelplekken en meer verkeersveiligheid in de wijken, voetbaltoernooien et cetera. Dergelijke kleine ingrepen hebben een groot rendement hebben voor het leefklimaat en bevorderen de gezondheid en saamhorigheid in een wijk.

De minister wil pilots toestaan die door private partijen worden ontwikkeld. Waarom doet zij dat niet via de gemeenten? In de jaren 90 was er een succesvolle subsidie voor gemeenten die samen met kinderopvanginitiatieven plekken in de kinderopvang creëerden. Op deze wijze was de gemeente ook aanwezig bij de spreiding van locaties. De SP wil geen private subsidiëring maar vindt dat het via gemeenten moet. De SP krijgt hier graag een positief antwoord op. Als dat niet komt, zullen wij een motie hierover indienen. Laat van dergelijke maatregelen niet de goedgeorganiseerde, hoger opgeleide bevolking profiteren, maar zet in op aandacht waar deze niet is. Daarin speelt de gemeente een cruciale rol.

Niet alleen moeten kinderen in hun eigen wijk kunnen bewegen en sporten, ook op de basisscholen moeten zij hiertoe worden gestimuleerd. Wij begrijpen dan ook niet waarom sporten op school zo moeizaam wordt opgepakt. Het is echt noodzakelijk dat daar nu snel een actieplan voor komt, zowel in het basisonderwijs als op de middelbare scholen, de roc’s en de hbo’s. Komt de minister met een dergelijk actieplan? Wat vindt ze van de voorstellen van de Koninklijke Vereniging van Leraren Lichamelijke Opvoeding en met name van het voorstel in de campagne 3+2=een fit idee om elke leerling per week drie uur gym van een vakleerkracht te geven met daarnaast twee uur naschools sportaanbod?

De Olympische gedachte, wie kan daar tegen zijn? De SP is er net als andere partijen voor, maar er leven wel twijfels over dit plan. Ik doel dan bijvoorbeeld op het organiseren van grote promotionele evenementen. Wat vindt de minister van het WK turnen en het WK tafeltennis die in Rotterdam zijn gehouden? Waren zij een succes? Hebben deze evenementen ons dichter bij de Olympische Spelen gebracht?

Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Leijten over de stad die naamdrager van de Olympische Spelen wordt? Waarom is deze motie nog niet uitgevoerd? Betracht de minister volledige transparantie bij het besluit om al dan niet te bieden op de organisatie van de Olympische Spelen in 2028? Hoe staat het met het draagvlak? Slechts 41% van de Nederlanders steunt een bid op de Olympische Spelen. Kan de minister toezeggen dat er geen geldverslindende draagvlakcampagne georganiseerd wordt? Wil de minister als uitgangspunt nemen dat de Olympische Spelen geen belastinggeld mogen kosten?

De sportontwikkeling zucht onder tijdelijke projectsubsidies die geen duurzame ondersteuning voor de sportontwikkeling bieden. Stop hiermee en werk voor het ontwikkelen van sport in de buurt niet langer met tijdelijke subsidies maar met duurzame financiering.

De heer De Liefde (VVD): Kan de heer Van Gerven uitleggen wat hij bedoelt met zijn uitspraak dat er geen belastinggeld mag gaan naar de Olympische Spelen dan wel naar het op Olympisch niveau brengen van Nederland? Meent hij werkelijk dat er nul euro naar sport mag gaan?

De heer Van Gerven (SP): Nee, maar de Olympische Spelen moeten zichzelf bedruipen. Dat is ons uitgangspunt. Dat is iets anders als het organiseren van de breedtesport en ervoor zorgen dat de turnsters die nog geboren moeten worden straks Olympisch goud halen. Dat is immers onderdeel van de breedtesport. Als het echter gaat om het organiseren van de Olympische Spelen vinden wij, met een meerderheid van de Nederlandse belastingbetaler, dat die spelen zichzelf moeten bedruipen.

De heer De Liefde (VVD): Kan ik dus concluderen dat de Socialistische Partij geen investeringen wil doen in Nederland op het gebied van ruimtelijke ordening of het verbeteren van het openbaar vervoer of de snelwegen die dergelijke Olympische Spelen noodzakelijk maken? Mag daar geen belastinggeld aan worden uitgegeven? Daarmee zegt de heer Van Gerven de facto dat de Olympische Spelen niet naar Nederland moeten komen.

De heer Van Gerven (SP): Dat is een voorbarige conclusie van de VVD. Dat zeggen wij helemaal niet. Wij zeggen alleen dat de Olympische Spelen zichzelf moeten bedruipen. Als er geld wordt besteed aan de organisatie van de Olympische Spelen, moet dat geld terugvloeien uit de opbrengsten van die spelen. Als er infrastructuur moet worden aangelegd, moet je bezien of die ook nut heeft wanneer de Olympische Spelen afgelopen zijn. Als dat zo is, kun je er een bepaalde maatschappelijke waarde aan toekennen. Als die infrastructuur echter allen noodzakelijk is voor de Olympische Spelen en daarna geen nut meer heeft, als het gebouwde stadium na de Olympische Spelen leeg blijft staan, zijn wij daar niet voor.

Voorzitter. Ik heb nog één punt, namelijk veiligheid en voetbal en respect op het veld. De SP heeft genoeg van de zelfregulering. Er is een hoorzitting geweest waarin werd gesproken over voetbal, eredivisie, KNVB en scheidsrechters, Scheidsrechters worden beschimpt, maar er gebeurt niets. Vindt de minister met ons dat de KNVB zijn scheidsrechters moet beschermen en bij belediging, bedreiging of geweld standaard aangifte moet doen? Scheidsrechters verdienen respect en bescherming wat de SP betreft.

Voorzitter: Van Gerven

De voorzitter: Ik ben vergeten te vertellen dat de heer De Mos van de PVV zich wegens privéomstandigheden heeft afgemeld. Vandaar dat de PVV geen inbreng geeft in dit AO.

Minister Schippers: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng. Ik ben heel blij te horen dat de toon, de ambitie en de breedte van de nota breed gedragen worden. Dat past in een traditie in de Kamer. Het is belangrijk dat sport breed gedragen wordt. Dat was onze ambitie bij het schrijven van de nota.

Het is de leden waarschijnlijk opgevallen dat ik veel dingen van het vorige kabinet laat doorlopen of uitbreid. Dingen die goed lopen en succesvol zijn, moet je niet veranderen want dan krijg je knipperlichtenbeleid waarbij voortdurend dingen worden gestopt en weer worden gestart als er een nieuw kabinet aantreed. In het sportbeleid lopen er ieder jaar een aantal programma’s af. We starten nieuwe programma’s heel geleidelijk of we intensiveren programma’s die aflopen.

Er wordt momenteel samen met partners gewerkt aan het opzetten van het programma Sport en Bewegen in de Buurt. De daadwerkelijke uitvoering start in 2012. Eind 2011 zal ik een uitgewerkt programma naar de Tweede Kamer sturen. In dit programma wordt ingezet op het stimuleren van veel meer verbindingen tussen publieke, private en lokale partners. Daarbij valt heel breed te denken aan gemeenten, sportverenigingen, fitnesscentra, fysiotherapiepraktijken, scholen, naschoolse opvang, zorginstellingen, welzijnsorganisaties, woningcorporaties en bedrijven. Als er ergens een maatschappelijk belang is en er verbindingen liggen waarmee de sportiviteit of de mogelijkheid tot bewegen en sporten in de buurt opgestart kunnen worden, willen wij het aanpakken. Wij willen het initiatief vanuit de mensen zelf aanpakken.

Het hoeft niet elitair te zijn als private partijen dergelijke dingen doen. Achter partijen als de Johan Cruyff Foundation en de Krajicek Courts zitten vaak sterke organisaties die heel erg praktisch dingen opstarten en vooruitbrengen. We moeten juist die initiatieven bekijken en bezien hoe we die verder kunnen krijgen. Samenwerking zien wij als de basis van een vernieuwend en aantrekkelijk sport- en bewegingsaanbod. Samenwerking kan ook een impuls geven aan gebieden waar het beweging- en sportaanbod verschraald is, zoals achterstandswijken en plattelandsgebieden, of waar het sportaanbod niet is toegesneden op de plaatselijke bevolking, bijvoorbeeld doordat de bevolking vergrijsd is of doordat het groepen betreft waarvoor onvoldoende passend aanbod is.

Een belangrijk onderdeel van dit programma is de uitbreiding van het aantal combifunctionarissen en de verbreding van hun taken. Combifunctionarissen zijn in dienst van een sportvereniging, een school of een gemeente. Zij staan in het middelpunt en kunnen daarom daadwerkelijk iets van de grond krijgen. Ik vind «combifunctionaris» een vreselijke naam. Iemand die zich niet met deze materie bemoeit, weet ook niet wat een combifunctionaris is, terwijl het toch zo’n leuke en belangrijke job is. Het is een soort bredesportcoach. Die term zal ook wel op verzet stuiten; eigenlijk zou ik een andere naam willen hebben. Ik vind deze functionarissen heel belangrijk. Wij willen het aantal combifunctionarissen graag uitbreiden en hun pakket verbreden. Ook willen we kijken hoe we hun administratieve lasten kunnen verminderen. Die zijn helaas relatief groot.

In het programma Sport en Bewegen in de Buurt is ook aandacht voor de vraag hoe we optimaal en creatief gebruik kunnen maken van al bestaande plekken, gebouwen, kennis en organisaties, en van mensen die het hart vormen van hun buurt. Voor belemmeringen hierbij die lokaal niet kunnen worden opgelost, zal ik een taskforce instellen. Het is doodzonde dat je sportclubs hebt waar legioenen kinderen in hun eigen tijd sporten maar dat dit niet via de naschoolse opvang mag, omdat de kantine de haakjes verkeerd om heeft of de trap gevaarlijk is. Ik ben in Den Haag bij sportclubs geweest die het gewoon niet van de grond krijgen als zij niet hun gehele kantine verbouwen. Daar moeten we naar kijken. Heel veel kinderen zitten op de naschoolse opvang. Zij zouden heel goed kunnen sporten op bestaande sportclubs maar er zijn veel belemmeringen die dat verhinderen.

Deze taskforce wordt na de zomer ingesteld en zal voor het einde van het jaar met resultaten komen. Ik zal proberen er druk op te zetten, want het is ontzettend belangrijk om dit van de grond te krijgen. We zien in Nederland erg aardige activiteiten van de naschoolse opvang samen met sportclubs, maar ze lopen tegen heel bureaucratische problemen aan. Ieder normaal mens vindt het zonde dat het zo moet gaan.

De heer Van Gerven vraagt of ik vooral ga inzetten op buurten waar nog onvoldoende sport- en bewegingsmogelijkheden zijn. Daar is de behoefte en de noodzaak natuurlijk het grootst. Gemeenten weten dat goed. Wij werken nauw samen met de VNG en de VSG. Juist daar waar het aanbod onvoldoende is en aanbod en vraag niet op elkaar aansluiten, is het het meest nodig en zal het het meest gebeuren.

Er zit veel meer geld voor sportbeleid bij gemeenten dan bij het Rijk. Mijn hele sportbegroting is 120 mln. Gemeenten hebben jaarlijks 1 mld. aan sportbeleid te besteden, waarvan 90% aan accommodaties. Gemeenten zijn echt de sterke partij. Overdag staat heel veel accommodatie leeg. Toch zijn er, zeker in vergrijzende gemeenten, veel mensen die er op dat moment gebruik van zouden kunnen maken. Ook hebben gemeenten met een krimpend budget soms verschillende voetbalclubs binnen hun gemeentegrenzen die best accommodaties of faciliteiten kunnen delen. Daar is dus nog ontzettend veel te halen. In sommige gemeenten worden sportactiviteiten en culturele activiteiten samengevoegd. Gemeenten kunnen enorm veel winst behalen door intensiever gebruik van de ruimtes.

De nulmeting voor accommodaties wordt nu afgerond en zal in oktober naar de Kamer worden gezonden, kan ik in antwoord op een vraag van de heer Van Dekken zeggen.

Mevrouw Bruins Slot vraagt hoe ik de relatie zie tussen software en hardware, met andere woorden tussen de veldjes en de verenigingen. Beide zijn ongelofelijk nodig. Als je geen mensen hebt die ergens aan willen trekken, gebeurt er niets, maar je moet ook ruimte hebben waar je dat kunt laten gebeuren. Wat ik het aardige vindt is dat je bijvoorbeeld ook een schoolplein kunt gebruiken. Als een school in een omgeving die moeders te gevaarlijk vinden om hun kinderen na schooltijd te laten spelen kan zeggen dat er een combifunctionaris is die op het schoolplein onder toezicht de kinderen laat sporten, ziet de situatie er opeens heel anders uit. Het kan die ouders de geruststelling geven om de kinderen wel te laten gaan. Het gaat er mij dus om, de samenwerking tussen hardware en software beter van de grond te krijgen. Ik ben voor een bundeling in de praktijk.

Mevrouw Bruins Slot vraagt hoe ik voorkom dat het wiel opnieuw wordt uitgevonden. Ik probeer er goed op te letten dat de lopende programma’s verbeterd worden. Ik vraag de mensen wat er volgens hen aan schort en hoe het anders moet. Ik probeer te leren van wat er is gebeurd. Inmiddels is het NISB gestart met een database van kansrijke interventies.

Gemeenten hebben het financieel minder ruim en moeten bezuinigen. Daar zitten zeker risico’s aan vast voor het sportbeleid, want zoals ik zojuist al zei, zijn gemeenten juist erg belangrijk voor het sportbeleid. We hebben daarom de eisen die aan gemeenten gesteld worden voor de combifunctionarissen verlaagd, zodat gemeenten eerder gebruik kunnen maken van dergelijke functionarissen. Verder is het programma Sport en Bewegen in de Buurt samen met de VNG en de gemeenten opgesteld. Ook proberen wij om met de taskforce de hobbels die er zijn bij het benutten van elkaars faciliteiten weg te werken. Een tijd van bezuinigen vraagt altijd extra creativiteit – dat is helemaal niet verkeerd – om dingen voor elkaar te krijgen en nieuwe wegen te bewandelen.

17% van de gemeenten heeft geen sportbeleid. Mevrouw Bruins Slot wil weten of ik deze actief wil benaderen. Enerzijds doe ik dat met de landelijke preventienota waarin bewegen een van de prioriteiten is. Anderzijds vind ik het een goed idee om deze gemeenten ook actief te benaderen, bijvoorbeeld in een brief, om ze duidelijk te maken wat het Rijk kan betekenen en wat we samen kunnen doen. In feite doen we dat natuurlijk al, doordat de VNG betrokken is bij de ontwikkeling van de plannen. We willen het echter ook actief doen, met specifieke VNG-leden. We moeten even bezien hoe dit binnen het budget past, maar ik zeg toe dat het gebeurt.

Er zijn vragen gesteld over onderwijs. Het programma Sport en Bewegen in de Buurt heeft te maken met onderwijs. Ook is de sportnota natuurlijk een kabinetsnota en niet alleen een nota van de minister van sport. In die nota staat het kabinetsbeleid; hoe het kabinet denkt dat sport vorm moet worden gegeven in de komende jaren. Het programma Sport en Bewegen in de Buurt zoekt expliciet aansluiting bij het onderwijs en de buitenschoolse opvang. Het is van groot belang dat we daarin creativiteit betrachten. We zitten nu eenmaal in tijden waarin het geld niet over de plinten klotst, maar we willen wel dat jongeren veel meer gaan sporten. Ik vind dat wij daarom niet alleen in maar ook rondom de school moeten kijken. Dat gebeurt in de nota. Wij zoeken aansluiting bij scholen door aansluitend aan school sporten en bewegen aan te bieden.

De heer van Gerven vraagt hoe we kinderen uit lage-inkomensgezinnen aan het sporten krijgen. Met Sport en Bewegen in de Buurt trachten wij om mensen die geen lid zijn van een sportvereniging de mogelijkheid te geven toch te sporten. Als er een combifunctionaris in de wijk is, is er iemand die toezicht houdt op de kinderen. Dan moet er ruimte gevonden worden, bijvoorbeeld een schoolplein, een ander plein of een veldje. Zo proberen we juist op die plekken waar weinig wordt bewogen de mensen in actie te laten komen. Ik wil benadrukken dat dit niet alleen achterstandswijken in de steden betreft. In veel landelijke gebieden is veel groen en ruimte maar wordt er toch weinig gesport. Ik weet dit uit eigen ervaring. Ik heb mijn tienertijd in een Drents dorp doorgebracht. Je trekt niet zo gauw in je eentje je loopschoenen aan om een rondje te lopen. Ik niet, in ieder geval. Het is goed als dat gestimuleerd wordt. Het is goed als we kijken hoe het ook in dergelijke gebieden zit met obesitas en hoe we ook daar de kinderen aan het sporten en bewegen kunnen krijgen.

De SP vraagt om een structurele impuls in plaats van tijdelijke subsidies. Wij doen beide. Een voorbeeld van tijdelijke subsidie is het actieplan. Als we dat hebben afgerond, moet het ingebed zijn in de sport en kun je er op een gegeven moment mee ophouden. Een voorbeeld van structurele subsidie zijn de combifunctionarissen. Via hen bieden we een structureel perspectief door voort te borduren op wat het vorige kabinet heeft gedaan.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Ik sloeg aan bij de opmerking van de minister over obesitas bij jongeren. Vandaag stond in de krant dat 73% van de jongeren niet voldoet aan de beweegnorm. Dat is een enorm hoog percentage. Zij worden allemaal ouder en bewegen dan misschien nog steeds niet. Hoe gaat de minister om met dit signaal? Hoe wil zij hierin stimulerend optreden?

Minister Schippers: Feitelijk staat de samenvatting daarvan in de sportbrief. Die maakt duidelijk hoe de rijksoverheid dit wil tegengaan, hoe zij bewegen en sporten ziet als een van de prioriteiten die de andere prioriteiten kan meetrekken. Iedereen weet dat sporten goed is voor lijf en geest. Mensen klaren ook geestelijk op van sporten. Iedereen weet dat het aan alle kanten goed is voor een mens om een gezonde levensstijl te hebben en mee te doen aan een competitie. In de sportbrief leggen wij neer hoe we dat willen doen.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Is de minister ook van plan om over een tijdje te kijken of het beleid vruchten afwerpt?

Minister Schippers: Ik denk dat dat heel nuttig is. We zijn nu al met een nulmeting bezig, zoals ik zojuist zei in antwoord op de heer Van Dekken. Het is goed om je beleid te monitoren en te kijken waar je het kunt bijstellen. Het is ook goed om te bezien of het beleid dat je voert, voldoet aan de verwachting. Bij de combifunctionarissen hebben we dat geconstateerd. Dan is het dus goed om dat beleid door te zetten.

De heer De Liefde (VVD): Een van de mogelijkheden om het schrikbarende obesitaspercentage tegen te gaan, ligt bij de lesuren sport op scholen. Daarover is een afspraak gemaakt in het regeerakkoord. Ik hoor de minister zeggen dat het geld niet over de plinten klotst. Wil zij toch toezeggen dat we deze zomer of uiterlijk met Prinsjesdag concrete voorstellen krijgen van haarzelf en de minister van OCW over de uitvoering van dit onderdeel van het regeerakkoord?

Minister Schippers: Met deze sportnota wil ik aangeven hoe ik het probeer te verbinden en te stimuleren. Als de heer De Liefde specifiek voorstellen over de situatie in bedrijven en in scholen wil, zal hij zijn vraag moeten aankaarten bij die betreffende bewindslieden. Ik ga niet over het schoolprogramma noch over het aantal rekenuren of gymuren. Ik heb wel in overleg met mijn collega van OCW gekeken hoe je meer verbinding kunt leggen met de school om het mogelijk te maken na school te sporten, hoe je op iedere school die dat wil die verbinding kunt leggen. Dat is meer dan alleen een combifunctionaris voor dat ene uurtje, want die combifunctionaris is vaak ook weer verbonden aan een sportclub. Zo krijg je nieuwe leden voor zo’n club of kunnen er verschillende sporten worden aangeboden.

De heer De Liefde (VVD): ik begrijp dat één persoon niet alle departementen kan bestrijken maar ik spreek nu gewoon «de» regering aan. De minister van sport zit hier nu. Als zij de toezegging niet kan of wil doen, maak ik graag gebruik van het VAO dat al in potlood op de plenaire agenda staat. Mijn fractie vindt dit een belangrijk onderdeel van het regeerakkoord en krijgt graag voor of uiterlijk op Prinsjesdag concrete voorstellen.

Minister Schippers: Ik kan niet anders dan deze opmerking doorgeleiden naar mijn collega van OCW. Een eventuele motie van de heer De Liefde zal ik ook aan haar doorgeleiden.

De voorzitter: Ik heb zelf nog een vraag over speelgelegenheden, de groene ruimte, in met name de steden. Minder groene ruimte betekent meer adipositas. We spraken al eerder over de speelruimtenorm, over een groene norm van bijvoorbeeld 3%. De minister stond daar toen niet onwelwillend tegenover en zou erover nadenken. Is er al duidelijkheid of het kabinet die norm wil overnemen?

Minister Schippers: Het is van groot belang dat mensen in hun omgeving parken, groen en bewegingsvrijheid hebben, en vrijheid en ruimte om te spelen. Tot dusverre was dit altijd een bevoegdheid van de gemeenten. In deze nota kies ik ervoor om gemeenten niet vanaf rijksoverheidsniveau allerlei zaken op te leggen, maar om vanuit de rijksoverheid met een uitgestoken hand richting gemeenten te gaan en te kijken hoe we het aantal veldjes en pleinen kunnen vergroten en de bestaande hoeveelheid beter kunnen gebruiken. Als je een veldje hebt dat vol ligt met hondenpoep, gebeurt daar immers niets. Wij willen het positief insteken bij de gemeenten.

De voorzitter: De minister vertrouwt heel erg op particulier initiatief. Ze komt met een voorbeeld over een veldje met hondenpoep dat niet wordt gebruikt. Dat doet echter niets af aan het algemene gegeven dat als er minder speelruimte voor kinderen is en minder groen, dat leidt tot meer adipositas. We weten allemaal, vaak uit eigen ervaring van vroeger toen er meer ruimte was, dat er toen meer buiten gespeeld werd. Moet je dat niet gewoon vastleggen in regelgeving? De minister zegt de ruimte aan de gemeente te laten, maar de landelijke overheid legt heel veel regels op. Bijvoorbeeld in het verslavingsbeleid ligt ook een stuk uitvoering bij de gemeenten maar stelt de rijksoverheid toch landelijke normen. Is dat voor speelruimtenormen niet ook te verkiezen?

Minister Schippers: Zoals gezegd hebben we gekozen voor de positieve insteek richting gemeenten. Wij doen dit niet alleen via de combifunctionarissen en het vergroten van de mogelijkheden om sporten en bewegen in buurten en wijken mogelijk te maken. Wij hebben ook via het NISB een pilot lopen in de gemeenten Rotterdam, Amsterdam, Deventer, Bergen op zoom, Heerhugowaard en Echt-Susteren om sport en sportvoorzieningen daadwerkelijk integraal onderdeel te laten uitmaken van wijkplannen. Er is nog ruimte voor twee gemeenten in deze pilot. Ik onderstreep en onderschrijf de constatering van de heer Van Gerven. Wij proberen dat op een positieve manier naar de gemeenten te brengen.

De heer Van Dekken (PvdA): Ik steun het pleidooi van de SP betreffende de ruimte. Ik heb er zelf ook al iets over gezegd. Ik begrijp dus dat er een nulmeting in oktober ligt? Dat moet dan ook echt in oktober er zijn. Mag ik daar van uit gaan?

Minister Schippers: Ja.

De heer Van Dekken (PvdA): Iets anders is de brief van de VNG waarin wordt gezegd dat de ambities van de minister misschien niet helemaal waargemaakt kunnen worden. Misschien vergis ik mij, maar de minister had het erover dat we er creatief mee moeten omgaan. Ik heb het over de brief van de VNG over ambities van de minister betreffende het sportbeleid die misschien niet waar te maken zijn vanwege het geld.

Minister Schippers: Het is altijd lastig reageren op brieven die je niet kent.

De heer Van Dekken (PvdA): O, kent u die niet?

Minister Schippers: Nee, ik ken deze brief niet. Het is wel zo dat wij deze nota samen met de sportcommissie van de VNG hebben gemaakt. Die is dus betrokken bij de onderdelen die met name plaats moeten hebben in gemeenten.

De voorzitter: Kan de heer Van Dekken de datum van de brief noemen?

De heer Van Dekken (PvdA): Op dit moment niet. Ik heb de brief wel, maar niet paraat. Hij bestaat echt en is ook naar de Kamer gestuurd.

De voorzitter: Niet paraat? Anders zou de minister er in tweede termijn op terug hebben kunnen komen.

De heer Van Dekken (PvdA): Ik zal proberen te puzzelen, voorzitter.

De voorzitter: Kijkt u eens of u hem boven tafel kunt krijgen. Dat is goed voor het debat.

Minister Schippers: Voorzitter. De sportcommissie van de VNG is partner bij de uitwerking van het beleid. Het is handig om met elkaar om de tafel te zitten, want dan kun je de brieven gewoon geven, en hoef je ze niet eens te versturen.

De heer Van Dekken (PvdA): Ik heb nog een vraag over de lagere inkomens en hun sport en niet-sportbeleving of sportactiviteit. Begrijp ik goed dat we die alleen maar gaan stimuleren via die nieuwe functionaris, die ontzettend veel taken krijgt als ik het allemaal zo hoor? Het gaat mij veel meer om de vraag hoe kinderen en anderen uit milieus met lage inkomens actief, maar dan ook echt actief, kunnen worden binnen sportverenigingen en welke andere dan de bestaande methodes daarvoor te benutten zijn. Nog steeds kunnen bijna 380 000 kinderen niet sporten, puur vanwege het feit dat zij een sociaaleconomische achterstand hebben. Dat mag gewoon niet in een beschaafd land als Nederland.

Minister Schippers: Primair is dit een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Het Jeugdsportfonds levert een belangrijke bijdrage aan het feit dat kinderen kunnen sporten. Dit fonds krijgt de komende drie jaar subsidie voor de laatste slag om zelfstandig te kunnen functioneren. De komende drie jaar zit er dus nog subsidie in. Uiteindelijk wil ik de sportdoelen bereiken via het toegankelijk maken en beschikbaar krijgen van sport en sportmogelijkheden in de buurt. De inkomenspolitiek wil ik hierin niet betrekken.

Voorzitter. Ik kom te spreken over een veiliger sportklimaat. Wij hebben daar natuurlijk een actieplan voor gemaakt. Er is vandaag een aantal aanvullende voorstellen gedaan. Ik moet eerlijk zeggen dat ik die niet eerder heb gehoord en het dus moeilijk vind om er nu een reactie op te geven. Bijvoorbeeld ten aanzien van een zwarte lijst zie ik zowel voor- als nadelen. De voordelen heeft de heer De Liefde zelf al geschetst. Ik zie echter ook nadelen, bijvoorbeeld ten aanzien van privacy of de mogelijkheid dat supporters het prettig vinden om zo bekend te staan. Dergelijke neveneffecten zouden kunnen optreden. Ik was van plan om aan het begin van het aankomende parlementaire jaar een uitwerking te geven van het actieplan. We zijn daar nu ambassadeurs voor aan het zoeken. Bij die uitwerking zal ik ook een reactie geven op de plannen die vandaag zijn gedaan door verschillende woordvoerders, om een zwarte lijst op te stellen en namen bekend te maken.

De heer De Liefde zegt verder dat hij negatieve signalen heeft ontvangen bij het rondetafelgesprek. Ik zou het zeer betreuren als de steun voor een gezamenlijk opgesteld actieplan niet 100% is. Bij de uitwerking van het actieplan zitten we weer rond de tafel. Dan zal ik dit punt ter sprake brengen bij de betrokken clubs.

Het is, kortom, mijn plan om alle voorstellen die in het kader van een veiliger sportklimaat zijn gedaan en alle twijfels die erover zijn geuit te betrekken bij de verdere concretisering van het actieplan.

De heer De Liefde (VVD): Ik heb er begrip voor dat de minister zorgvuldig wil reageren op de voorstellen die zijn gedaan. Mag ik haar dan wel zo verstaan dat de aanvang van het parlementaire jaar ook echt de eerste week van september is en dat zij op dat moment met die voorstellen komt? Niet alleen het parlementair jaar vangt dan aan, maar ook het nieuwe sportseizoen. Ik hecht eraan dat de bonden en sportclubs dan enige duidelijkheid hebben.

Minister Schippers: We hebben net een actieplan gemaakt, dat gezamenlijk wordt uitgewerkt. Ik hecht eraan om toch te zegen «aan het begin van het parlementaire jaar». Een aantal zaken moet ik namelijk met collega’s bespreken en sommige dingen lopen via het kabinet. Met alle begrotingsraden waarvan ik het bestaan ook niet wist, ben je zo ongeveer twee maanden verder voordat je iets behandeld krijgt. Ik kan het dus gewoon niet toezeggen. Het begin van het parlementaire jaar kan ik beloven. Dat is dus niet het einde van dit kalenderjaar, maar de eerste week van september vind ik echt te smal geformuleerd.

De heer Van Dekken (PvdA): Ik ben zelf voetballer en ik moet ongeveer half augustus weer een wedstrijd spelen. Het bestaande beleid kunnen we nu dus benutten en alles wat nieuw is, komt veel later. Dat is eigenlijk wat de minister zegt over een veiliger sportklimaat.

Minister Schippers: In het actieplan hebben we een aantal zaken met elkaar afgesproken. Als je afspraken maakt, is het in de regel zo dat iedereen zich daaraan houdt. Ik wil goede juristen laten kijken naar de dingen die nog moeten worden uitgewerkt en naar de voorstellen die vandaag zijn gedaan. Die hebben immers consequenties voor de privacy. Ook hebben ze consequenties voor sportclubs. Wat betekent het voor een sportclub om op zo’n lijst te staan? Wat betekent dat voor de toekomst van zo’n club? Als het de enige sportclub in de wijk is, kunnen de wijkbewoners niet kiezen voor een andere. Wat betekent dat? Ik wil dat goed kunnen doorgronden. Ik wil er ook over praten met andere betrokken partijen. Ik heb gewoon tijd nodig om dit zorgvuldig te doen.

De voorzitter: Kan de ministers iets zeggen over het voorstel van de SP om in principe altijd aangifte doen bij bedreigingen of molest van de scheidsrechters?

Minister Schippers: Dat ondersteun ik. Het hele actieplan ademt de sfeer dat we het niet meer tolereren als er over de schreef wordt gegaan. Als je over de schreef gaat, volgt er actie. Als je consequent zo handelt, heeft dat een preventieve werking.

De voorzitter: Mag ik concluderen dat de minister vindt dat er aangifte moet worden gedaan in geval van ernstige bedreiging en zeker in geval van molest en dat soort zaken?

Minister Schippers: Ja. Als iemand zelf aangifte wil doen, is dat prima. Als dat moeilijk ligt, hebben wij in het actieplan opgenomen dat een ander dat kan doen, bijvoorbeeld de club.

De heer De Liefde (VVD): Ik heb er begrip voor dat de minister ergens «aan het begin van het parlementaire jaar» met de uitwerking komt van een aantal voorstellen dat vandaag is gedaan. Kan zij nu wel kort haar mening geven over de stelling dat er in principe geen onderscheid moet zijn tussen amateurs en profs daar waar het gaat om geweldsincidenten?

Minister Schippers: Ik zal er wat dieper induiken. Het punt bij tuchtrecht is dat het geen recht is waarbij de overheid is betrokken. Het is iets wat onderling wordt afgesproken en dat via de bonden intern wordt bepaald. De strafmaten lopen veelal redelijk gelijk op. Er zitten wel wat verschillen. Ik kan dit overnemen als gespreksonderwerp, dan wel een inventarisatie laten maken om te bezien of er daadwerkelijk veel licht tussen zit. De ambitie om het tuchtrecht over alle sportbonden gelijk te trekken, is wel een heel grote ambitie. Je moet daarbij ook rekening houden met het feit dat sportbonden niet altijd zo krachtig zijn dat ze batterijen mensen in dienst hebben die dit allemaal kunnen. Ik wil zeker bekijken wat er allemaal over gezegd is. Ik zal dat meenemen bij de uitwerkingen. Misschien dat we een niet volledige maar wel snelle inventarisatie kunnen doen om te bezien waar de verschillen liggen en hoe we de oplossingen voor ons zien. Ik vind het belangrijk om daar ook met de bonden en sportclubs zelf over te spreken en hun inbreng en argumenten te horen.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): De minister maakt een goed punt over het tuchtrecht. Bij het rondetafelgesprek zei een van de vertegenwoordigers van NOC*NSF dat de kwaliteit van het tuchtrecht, het bestaan ervan en de actualiteit ervan heel erg verschillen per sportbond. Dat lijkt mij een aandachtspunt. Ik wil dit graag aan haar meegeven als zij met het onderwerp tuchtrecht aan de gang gaat.

Minister Schippers: Dat zal ik meenemen. Het is belangrijk om ook te bezien wat de karakteristieken en kenmerken zijn van bepaalde sportbonden. Biljarten is geen voetbal. Er zit een range tussen. Er zullen verschillende kenmerken zijn waar het tuchtrecht op in wil spelen. Ik vind het belangrijk om het gesprek aan te gaan met de bonden zelf. Daarna kom ik met een standpunt naar de Kamer.

De heer De Liefde (VVD): Dit behoeft enige toelichting. Ik doelde niet op het tuchtrecht in den brede. Ik heb expliciet aandacht gevraagd voor één aspect in het tuchtrecht, namelijk geweldsincidenten waaraan geen enkele spelsituatie of anderszins te relateren is. Ik doel gewoon op de vuistslag, de kopstoot, de beet of de schop. Ik heb de minister expliciet gevraagd of zij vind dat het streven moet zijn om daarvoor dezelfde strafnorm te hanteren bij welke sport dan ook. Het maakt immers niet uit op welk veld dit gebeurt.

Minister Schippers: Zoals gezegd, ik zal een standpunt formuleren en dat aan het begin van het parlementaire jaar aan de Kamer laten weten.

Voorzitter. We komen bij de topsport. Breedtesport is de basis voor topsport. Iedereen zal dat onderkennen en iedereen weet hoe belangrijk het is om te investeren in breedtesport, wil Nederland op topsportniveau een deuk in een pakje boter kunnen slaan. NOC*NSF heeft ambities geformuleerd die het kabinet ondersteunt.

Ik heb een aantal aanpassingen gedaan in het evenementenbeleid. Ik neem die heel serieus voor nieuwe evenementen.

Er is gevraagd of het WK turnen in Rotterdam een succes was. 800 vrijwilligers per dag hebben daaraan gedurende 14 dagen – het was dus een hele stoot vrijwilligers – hun vakantiedagen opgeofferd. De organisatie heeft kinderen die misschien nog nooit van turnen hadden gehoord uit hun wijken gehaald en naar de hal gebracht waar ze allemaal hebben kunnen turnen. Dat vind ik belangrijk. Ik vind het belangrijk dat wanneer er een groot evenement in Nederland wordt georganiseerd waar belastinggeld naartoe gaat, dat niet in het stadion blijft. Het is belangrijk dat men probeert om mensen die er niets mee van doen hebben naar binnen te trekken of om de sport in de samenleving te brengen, zoals bij de Fanny Blankers-Koen Games waar het onderdeel kogelstoten op het marktplein plaatsvond. Zo weten de mensen dat er in hun stad iets aan de hand is. Misschien worden zij erdoor geïnspireerd om die sport ook te gaan doen. Het is leuk dat je kunt hardlopen tegen een topsporter die virtueel op een scherm met je meeloopt. Dergelijke zaken vind ik belangrijk. Ik vind het belangrijk dat de mensen weten dat er iets dergelijks wordt georganiseerd in hun gemeente. Als je alles binnen de muren houdt, wat ik ook wel heb gezien, merkt de rest van Nederland er niets van terwijl die er wel aan bijdraagt. Dat vind ik zonde. De maatschappelijke spin-off, de inspiratie voor nieuwe lichting sporters, vind ik erg belangrijk.

Ik vind het ook belangrijk dat er een economische spin-off is, dat we kijken of er met een evenement geld binnen te halen is, zodat er weer iets nieuws georganiseerd kan worden. Het is goed om te kijken of je iets kunt financieren door extra activiteiten op te zetten of extra verbintenissen te leggen. Wees daar creatief in.

Zowel de economische spin-off als de maatschappelijke spin-off zijn nieuwe criteria voor evenementen. Ik ben helemaal niet bang die evenementen zich vanwege die criteria in de Randstad zullen concentreren. Ik heb namelijk menig evenement bezocht dat zich ruim buiten de Randstad afspeelde. Daar zijn andere voordelen zoals ruimte en bepaalde faciliteiten die je elders niet hebt. Ik denk dat er in Nederland op natuurlijke wijze een spreiding is ontstaan. Daar maak ik me geen zorgen over.

Er is een vraag gesteld over een draaiboek. In die korte tijd dat ik minister ben, heb ik gemerkt dat als er een groot evenement wordt organiseert dat vaak al eerder is gedaan en dan is er nog een draaiboek. Ook krijgt de organisatie vaak internationaal draaiboeken door van de eigen sportorganisatie. Er is ook wel degelijk een modelaanpak. Deze is met subsidie van VWS ontwikkeld door Olympisch Vuur. Je ziet echter dat grote steden sowieso eigen draaiboeken hebben. Ook bijvoorbeeld de atletiekvereniging heeft een draaiboek dat organisatoren van evenementen krijgen doorgespeeld.

De zoektocht naar een voorzitter voor Olympisch Vuur heeft enige hapering opgelopen. Wij zitten er bovenop om er weer wat tempo in te krijgen.

Ik ben het eens met degenen die zeiden dat het niet verstandig is om nog jaren te wachten met de keuze voor een stad. Dit is een van de dingen waar wat tempo in moet komen.

In het kader van de Olympische ambitie gaat het ook om de Paralympische Spelen. In het traject naar de Olympische Spelen is breedtesport nodig, maar ook grote evenementen die een opbouwen naar de Spelen toe. Afgelopen weekend was ik bij de Special Olympics in Griekenland. Het was een geweldig feest dat heel veel zelfvertrouwen aan sporters gaf. Ondanks de crisis was het echt fantastisch opgepakt, moet ik de Grieken nageven. Ook dit soort evenementen vind ik ongelofelijk belangrijk, zowel voor hun maatschappelijke betekenis als voor hun betekenis voor het organiseren van evenementen. Ik heb subsidie verleend om ook daar een kosten-batenanalyse te maken. Zo kunnen we bezien of het voor ons überhaupt mogelijk is om zoiets te organiseren en wat daarbij komt kijken. Waaraan moet je voldoen, wat zijn de ups en downs van een dergelijk evenement? In dat kader heb ik tijdens die Special Olympics gesproken met het comité dat dit evenement bestuurt en gevraagd hoe het in andere landen is gegaan, wat daar de betekenis ervan was en wat ervoor nodig is.

In mijn nota heb ik geprobeerd om sporters met een handicap de broodnodige aandacht te geven. Ik moet daarbij mijn voorganger complimenteren. Bijvoorbeeld het programma Special Heroes is heel uniek en prachtig. Het betekent dat op 85% van de benaderde scholen Nederlandse gehandicapte kinderen gewoon op school kunnen sporten. In vergelijking met andere landen is dit uniek. Onze ambitie is om dit in 2012 op 100% te brengen. Het is echt een prachtig programma. Ik heb er niet veel woorden voor nodig: het is er immers al en ik wil het doorzetten. We openen ook loketten bij revalidatiecentra. Het is ontzettend belangrijk om tijdens je revalidatie te sporten. Als je dat sporten daarna volhoudt, kan dat enorm veel betekenen voor wat je nog kunt doen en kunt opbouwen. Wij zijn druk doende om ook dit programma verder te ontwikkelen en uit te rollen in Nederland.

Als er een evenement is op dit terrein of op andere terreinen zie ik dat als onderdeel van het algemene sportbeleid. Ik vind het dan ook ontzettend goed dat je zowel bij het WK zwemmen als bij de Fanny Blankers-Koen Games steeds meer zag dat sporters met één been en sporters met twee benen werden gemixt in hun wedstrijden. Vroeger zag ik dat nooit. Er is mee gestart bij het zwemmen. Ik vind het ontzettend mooi om te zien. De sporters die ik erover heb gesproken zeggen dat het een enorme kick geeft omdat ze serieus meedoen. Ze hebben net als iedereen publiek. Het werkt ontzettend goed, ook voor de acceptatie van het feit dat niet iedereen hetzelfde is. Ik heb veel affiniteit met de Paralympische Spelen en de gehandicaptensport. Ik vind dat daar fantastische dingen gebeuren die ik zeker van plan ben om uit te bouwen.

De keuze voor een stad voor de Olympische Spelen is vastgesteld voor deze kabinetsperiode. Dat lijkt mij veel te lang duren, vanuit de argumentatie die alle sprekers vandaag hebben aangevoerd. Als je zoiets wilt, moet je daar veel sneller mee zijn. Ik zal het dus zeker proberen te versnellen.

Dan kom ik op de bidprocedures. Met het WK-bid hebben we een thema geagendeerd dat we allemaal belangrijk vinden, namelijk good governance. Inmiddels is dat op Europees niveau geagendeerd. Het is een vast agendapunt geworden dat zal worden uitgewerkt. Voor mij en voor de Kamer is dit een belangrijk punt. We zullen een actieve rol vervullen op Europees niveau en kijken of Nederland in de commissie die op Europees niveau hiermee aan de slag gaat een actieve bijdrage kan leveren.

In het kader van het accommodatiebeleid vragen de heer Van Dekken en mevrouw Dijkstra naar Thialf. Ik weet dat men in de gemeente, met de schaatsbond, met de provincie en met anderen druk nadenkt, inventariseert en bekijkt of een nieuw stadium mogelijk is, dan wel of je het oude stadion moet updaten. Ik heb daar verschillende plannen voor gezien. Ik weet dat de discussie nog steeds gaande is. Ik ontvang ook nog steeds mensen die over Thialf willen spreken. Het is wel goed om ons te realiseren dat de 120 mln. die ik in mijn budget heb en het bedrag dat nodig is voor een stadium, niet in elkaars verlengde liggen. Het gaat echt om heel grote bedragen. Schaatsen is een belangrijke sport in Nederland en wij zijn zeer bereid om mee te denken, om mee te kijken naar wat haalbaar is, om te bezien of we partijen aan elkaar kunnen knopen, of we dingen kunnen stimuleren en of we misschien ergens net een zetje kunnen geven – ook financieel – om dingen voor elkaar te krijgen. Laten we het echter zien in de proportie van wat wij in totaal te besteden hebben aan sport.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): De minister zegt terecht dat het te lang duurt om de gehele kabinetsperiode te nemen om een stad aan te wijzen voor de Olympische Spelen. De vraag is natuurlijk wat «te lang» is. Iemand die ongeduldig is, zal zeggen dat hij het volgende week wil weten, iemand die meer geduld heeft, vindt het prima als het over een jaar of twee bekend wordt. Het is niet alleen de keuze voor een stad. Momenteel zijn verschillende regio’s bezig met grote evenementen en beconcurreren elkaar daarin. Dat is zonde, want uiteindelijk gaat het Olympisch plan erom dat je probeert om de sport als geheel op een hoger niveau te brengen in geheel Nederland. Ik krijg dus graag een nadere precisering over wanneer het bekend moet zijn.

Minister Schippers: Ik ben niet de baas van deze beweging. Er is gesuggereerd dat de minister van VWS voorzitter zou moeten worden. Enkele leden hebben gevraagd of ik meer de regie kan nemen. Als we de Olympische Spelen in Nederland willen organiseren is het belangrijk dat dit maatschappelijk gedragen wordt. Daartoe is een maatschappelijke club opgericht waarin heel veel partijen zitten. Deze maken met elkaar uit hoe we het aanpakken, wat het plan is, wie de voorzitter wordt en dergelijke. Natuurlijk zitten wij daar ook in. Ik ben er onderdeel van, maar ik ben één van de groep. Dat wil ik ook blijven. Als ik voorzitter zou worden, wordt het mij te politiek. Ik zou het jammer vinden als het onderdeel wordt van de politiek. Ik wil mijn bijdrage leveren. Daarop ben ik ook aanspreekbaar. Wat doet de overheid, doet ze genoeg of teveel, wat is het tempo? Wij zijn echter wel één van de groep. Dat wil ik echt zo houden.

Ik zie niet alleen tegenwerking. Als je zoiets groots als de Olympische Spelen wilt organiseren in Nederland, moet iedereen met iedereen samenwerken. In alle steden die een beetje bereisbaar zijn zullen sportevenementen plaatsvinden. Dit is zo’n gigantisch groot evenement. Ik ben het eens met iedereen die zegt dat je niet te lang moet wachten met een stad aan te wijzen, omdat zo’n aanwijzing een bepaalde betekenis krijgt. Ik wil mij er zeker voor inzetten. Ik wil mij er hard voor maken, zowel in de council als in het kabinet, dat we het gaan doen. Ik wil echter ook benadrukken dat ik niet de baas van het spul ben. Dit is iets dat we in Nederland met zijn allen willen en willen doen en waar we dus allemaal onze eigen rol in moeten spelen.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Dat is een helder antwoord. Ik deel het standpunt dat de kracht van het Olympisch Plan 2028 is dat het gedragen is door velen. In de woorden van de minister hoor ik dat ze op een aantal punten wel de regie pakt vanuit haar eigen positie.

Minister Schippers: Op een aantal punten waarvan ik vind dat het niet verstandig is om ze langer te laten lopen, zal ik zeker duwen, maar ik blijf één van de groep.

Ik zie dat ik een vraag van de SP vergeten ben te beantwoorden, namelijk of de overheid campagnes gaat stimuleren. Dat is niet het geval. Ik vind wel dat wij de positieve ambitie kunnen uitdragen dat het geweldig zou zijn als we het kunnen organiseren. We moeten ons hoofd erbij houden en goed berekenen wat het voor de belastingbetaler betekent, maar ook bezien wat het betekent voor het sportklimaat en wat voor katalysator het in het land kan zijn als we het zouden mogen organiseren. Dat is ook prachtig. Ik zal echter geen «OS best wel belangrijk»-campagne organiseren.

De heer Van Dekken (PvdA): De brief van de VNG is alleen aan Kamerleden gestuurd en was gedateerd 26 juni. Collega De Liefde kan hem naar de minister e-mailen.

In het kader van de bidprocedure neem ik aan dat de niet-uitgevoerde motie-Timmermans/Pechtold alsnog wordt uitvoeren? Moet ik toelichten wat er in die motie staat?

Minister Schippers: Ik heb uit mijn hoofd niet scherp waar die motie over gaat.

De heer Van Dekken (PvdA): Het is een heel goede motie.

De voorzitter: Het is een prachtige motie, maar ik stel voor dat deze vraag in tweede termijn wordt beantwoord.

De heer Van Dekken (PvdA): Ik heb nog één vraag, over Thialf. Ik begrijp dat er een beperkt budget is en dat we leven in sobere tijden. Ik heb echter ook begrepen dat het hele project rond Thialf nogal innovatief – lees ook: duurzaam – zou moeten zijn. Ik vraag de minister om met haar collega’s binnen het kabinet te kijken welke financieringsmogelijkheden er wel zijn en wat de gemeente Heerenveen en de provincie Fryslân zoal in het vat hebben zitten. Ik weet namelijk één ding zeker: dat verzuurt daar niet zo heel snel.

De voorzitter: Ik begrijp dat er steun is vanuit Groningen voor Friesland.

De heer Van Dekken (PvdA): Er is steun van de PvdA voor elk belangrijke ontwikkeling op het gebied van breedtesport en op den duur ook topsport, mijnheer de voorzitter.

Minister Schippers: Ik vind het belangrijk om voor dit soort dingen een concreet plan te krijgen. Dat hebben we nog niet ontvangen. Wel heb ik binnenkort een afspraak met mensen die op provinciaal niveau een betrokkenheid hebben. Het zou kunnen zijn dat zij een plan meenemen; dat sluit ik niet uit. Schaatsen is echt een Nederlandse sport. Wij zijn er top in op internationaal niveau, maar we zijn er ook top in dat zodra het vriest heel Nederland de schaatsen onderbindt. Een positieve grondhouding is er dus al. We moeten kijken wat wij kunnen doen en hoe we het zakelijk kunnen houden. Natuurlijk, als er mogelijkheden zijn om op andere terreinen een duit in het zakje te doen, ben ik zeker bereid om die te verkennen en om mee te denken. Vanuit mijn eigen begroting kan ik alleen zeggen dat ik het ook heel belangrijk vind om de breedtesport in de buurt et cetera van de grond te tillen en dat er dus dat bescheiden middelen voor dit plan op mijn begroting staan.

De heer Van Dekken (PvdA): Dat vind ik een heel mooi sociaaldemocratisch principe, maar we moeten natuurlijk de rollen niet omdraaien. Ik ben blij met wat de minister hier uitspreekt.

Minister Schippers: Voorzitter. Mevrouw Dijkstra van D66 heeft een vraag over staatssteun van gemeenten aan voetbalverenigingen. De Europese Unie heeft toenemende belangstelling voor steun van gemeenten aan betaaldvoetbalorganisaties. Hoewel gemeenten autonoom zijn, is het Rijk het aanspreekpunt voor Brussel. Mede daarom heeft het Rijk – de ministeries van BZK en VWS, mevrouw Dijkstra refereerde er al aan – in 2010 met de Europese Commissie overlegd over een actualisering van het Nationaal referentiekader Steun aan betaald voetbal. Met deze actualisering wordt in ieder geval gewacht totdat de Europese Commissie zich heeft uitgesproken over een aantal klachten en notificaties op het terrein van sport. Nederland is daarbij niet het enige land dat verduidelijking zoekt over de vraag wat wel en niet mag met betrekking tot steun aan sportorganisaties. Het is belangrijk dat er helderheid komt. Wij kunnen die helderheid niet op rijksniveau geven maar proberen die zo snel mogelijk uit Europa te krijgen.

Over de loterijgelden die in de stukken zijn aangekondigd zal ik meer helderheid kunnen verschaffen met Prinsjesdag.

De motie waarnaar de heer Van Dekken verwees, gaat over transparantie bij bidprocedures, hoor ik nu van mijn buurman. Wij hebben vandaag of gisteren de eigen evaluatie van de KNVB op het WK-bid kunnen lezen. Van tevoren hebben we gezegd dat we die evaluatie wilden hebben om zelf het proces te kunnen evalueren. Die evaluatie start zeer binnenkort. Wij zullen daar in september mee klaar zijn.

Ten aanzien van de geefwet is op mijn uitdrukkelijke verzoek sport ook genoemd in het convenant. In het convenant wordt aangekondigd dat vakdepartementen deelconvenanten kunnen sluiten met hun sectoren. Ik overweeg om dit voor gezondheid, welzijn en sport te doen. De sportsector heeft aangegeven hieraan behoefte te hebben.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Dank voor het antwoord op mijn vraag over de geefwet. Even voor mijn duidelijkheid, want dit staat niet in de brief. De minister kan dus een deelconvenant sluiten op het gebied van gezondheid, welzijn en sport. Is zij ook van plan om dat te doen? Binnen welke termijn kan zij dat dan op poten zetten?

Minister Schippers: Dat hangt mede af van convenantspartijen. Wij proberen het zo snel mogelijk op poten te krijgen, want het levert mogelijkheden op, zeker als een sector zelf aangeeft er behoefte aan te hebben. Ik kom schriftelijk terug op de vraag wat een redelijke termijn is om de ambitie waar te maken. Ik ben daarbij afhankelijk van andere partijen.

De voorzitter: De minister is klaar met haar eerste termijn. Ik zie dat er bij de Kamerleden behoefte bestaat aan een tweede termijn. Daarvoor geldt een spreektijd van twee minuten per woordvoerder. Het woord is aan mevrouw Bruins Slot.

Mevrouw Bruins Slot (CDA): Voorzitter. De minister heeft buitengewoon uitgebreid geantwoord. Dank daarvoor.

Ik heb een vraag over de taskforce die ze gaat instellen voor het slim gebruikmaken van accommodaties. Wil zij in haar plan het feit meenemen dat er vaak schotten zitten tussen de begrotingen van de verschillende partijen, bijvoorbeeld scholen en sportverenigingen? Daardoor is het moeilijk voor die partijen om er onderling op een slimme manier gebruik van te maken.

Het is goed dat de minister wil gaan zorgen voor een betere spin-off van evenementen, zodat niet alleen de sportliefhebber van een evenement geniet, maar bijvoorbeeld ook de inwoners van de stad waarin het zich afspeelt. Ik ben er iets minder zeker van dan de minister dat de regionale spreiding vanzelf komt. Volgens mij is dat iets waarmee je bewust rekening moet houden. In het antwoord van de minister hoor ik niet dat zij regionale spreiding als een apart punt opneemt in haar subsidiebeleid. De CDA denkt dat het heel waardevol is om dat wel te doen, als een stok achter de deur.

De ambtenaren van de minister gaan mijn voorstel voor een zwarte lijst verder uitwerken. Ik wil het daarom graag toelichten. Ik pak daar dus wat tijd voor, voorzitter. De lijst is bedoeld als aanvulling op sportiviteit en respect. Ook is het de bedoeling dat deze lijst inzicht biedt aan ouders en aspirant-leden over het karakter van de sportvereniging en een impuls is voor de vereniging om aan haar cultuur te werken. Dat moet niet vanaf een laag niveau al gebeuren. Het moet echt gaan om verenigingen die keer op keer het te bont maken. De rol van de bonden vind het CDA hierbij heel belangrijk. Die kunnen immers goed inschatten welke verenigingen tot de zwarte schapen behoren en wanneer verenigingen echt de grens overschrijden. Het gaat dus niet om brandmerken, maar om een stok achter de deur om inzicht te bieden aan mensen die lid willen worden en om de bonden opener te maken over wat er op zo’n vereniging gebeurt.

Goed dat de minister enthousiast is over Thialf.

De minister spreekt terecht over de hardware en software. Dat is precies waar het om gaat. Veldjes neerleggen kan altijd; het gaat erom dat die veldjes een binding met de wijk hebben. Uit het recent verschenen rapport van het SCP blijkt dat dit in de krachtwijken minder goed is gegaan. Men legde wel veldjes neer, maar er was geen aanvullende actie om echt verbindingen te leggen. Dat wil ik de minister meegeven bij het uitwerken van de plannen.

De heer De Liefde (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar beantwoording.

Ik ben blij dat de zij heeft toegezegd, in te gaan op de voorstellen die vandaag zijn gedaan door mijzelf en mijn collega’s, dat zij die serieus zal bespreken met de partners in het actieplan en dat zij waar nodig die partners zal aanspreken op het achterblijven van hun handelingen. Ik kijk dan ook met belangstelling uit naar de brief die aan het begin van het parlementaire jaar naar de Kamer wordt gestuurd. Ik hoop dat dit nog in de warmere maanden van het jaar zal gebeuren.

Ik ben in eerste termijn één onderwerp vergeten, namelijk de Centra voor Topsport en Onderwijs, de CTO’s. Deze worden in 2012 geëvalueerd en waar nodig geoptimaliseerd. Het is toch zo dat de middelen voor het oplossen van de problematiek in het onderwijs in de CTO’s bedoeld zijn voor het voortgezetonderwijsdeel van die CTO’s en dus niet voor mbo, hbo of wetenschappelijk onderwijs?

Tot slot. Ik heb per interruptie al aangekondigd dat mijn fractie behoefte heeft aan een VAO, want wij willen graag een Kameruitspraak over het belangrijke punt in het regeerakkoord dat er meer lesuren sport op school moeten komen.

De heer Van Dekken (PvdA): Voorzitter. De minister laat zich kennen als een groot – weliswaar passief – sportliefhebber. Zij is een echte minister voor sport. Daar ben ik erg blij om, maar wat mij dan ontzettend verbaast en opvalt, is dat zij in haar beantwoording het WK vrouwenvoetbal en mijn voorstel om te komen tot een actieplan mist, terwijl dat toch een van de belangrijkste voorstellen in dit overleg is. Ik hoor dus nog graag haar reactie daarop. Ik hoop dat zij ook in dit geval een positieve grondhouding heeft.

Ik begrijp dat we nog wat vragen kunnen stellen aan minister Opstelten via deze minister. Dat klopt toch?

De voorzitter: Stelt u de vragen maar dan ...

De heer Van Dekken (PvdA): Die vragen had ik gesteld.

De voorzitter: Dan worden ze doorgeleid naar de heer Opstelten.

De heer Van Dekken (PvdA): Is dat zo?

De voorzitter: De minister zal het zo meteen al dan niet bevestigen.

De heer Van Dekken (PvdA): Dat begrijp ik heel goed voorzitter. Het gaat om het belang, de noodzaak en de voetbalwet, bijvoorbeeld.

Ik heb ook vragen gesteld over supportersverenigingen en het nieuw opgerichte supportersplatform. Hoe kunnen deze organisaties worden ingebed in de beleidsvorming? Daar is ontzettend veel behoefte aan. Dat geldt trouwens ook voor de harde kern van een aantal supportersverenigingen. Dat lijkt mij ook belangrijk om te weten, zeker in relatie tot spreekkoren en andere sfeeracties, zoals ze dat noemen.

Ik had nog een aantal andere vragen maar die sla ik over. Ik hoop dat we een apart debat over voetbal en veiligheid kunnen voeren met de heer Opstelten.

Voorzitter: Bruins Slot

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. De minister zegt dat ze niet zo van knipperlichten houdt. Als je op een paard zit dat goed rijdt, moet je daarop blijven rijden, hoewel de relatie tussen paarden en het kabinet ietwat vertroebeld is de afgelopen tijd, zeker als het gaat om ministers ... Zij is dan niet erg consequent. Stoppen met roken is al genoemd door mevrouw Dijkstra. Daarvoor bestaan uitstekende antirookmaatregelen. Deze zijn net gestart maar de minister schaft ze nu alweer af. Zou ze dat willen heroverwegen?

De middelen voor het realiseren van de Olympische droom moeten effectief zijn. We moeten er heel goed naar kijken. Het is makkelijk om te dobbelen met andermans geld, maar we moeten doen alsof het eigen geld is. Dat geldt ook voor degenen die de Olympische Spelen naar Nederland willen halen.

Er ligt nog een motie van het Kamerlid Leijten waarin wordt uitgesproken dat de stad die naamdrager wordt voor de Olympische Spelen 2028 in 2010 bekend had moeten zijn. Deze motie is vrijwel unaniem gesteund door de Kamer. Ik wil daarom aandringen op spoed, zodat we snel weten welke stad naamdrager wordt.

De SP wil dat in principe de KNVB aangifte doet in geval van geweld tegen scheidsrechters en dat niet laat afhangen van de scheidsrechter zelf. Wil de minister dit standpunt overnemen?

Voorzitter: Van Gerven

Minister Schippers: Voorzitter. Ik zal de taskforce meegeven dat er schotten tussen scholen en sportverenigingen zouden bestaan.

Er ligt nog een vraag over de regionale spreiding van het evenementenbeleid. De hippische sport speelt zich af in de regio, evenals zwemmen, schaatsen en atletiek. Ik zie dus spreiding. Ik probeer veel sportwedstrijden bij te wonen en moet dan vaak een eind rijden. Ik heb daarom het idee dat de grote sportevenementen echt verspreid zijn over het land.

Ik dank mevrouw Bruins Slot voor haar toelichting op de zwarte lijst. Ik neem die mee, ook bij de gesprekken met de bonden. Het is van belang dat wij die bonden meenemen en bevragen op dit punt.

Ik ben het helemaal eens met mevrouw Bruins Slot dat de combinatie tussen hard- en software cruciaal is. Dat blijkt ook uit de evaluatie.

De heer De Liefde spreekt over de CTO’s. Het gaat vooral om het voortgezet onderwijs, dus niet exclusief vo maar wel vooral vo.

De heer De Liefde (VVD): Dan doelt u op de middelen?

Minister Schippers: Ja.

Sorry dat ik het vrouwenvoetbal heb overgeslagen. Ik ken de aanpak van Duitsland niet. Ik ben zeker bereid om daarin te duiken en in contact te treden met Duitsland over deze aanpak. Ik draag het vrouwenvoetbal net als de heer Van Dekken een warm hart toe. Het is de grootst groeiende vrouwen/meisjessport. Ik kom er zeker op terug, maar moet me eerst goed informeren over hoe ze het daar hebben aangepakt en wat wij daarvan kunnen leren.

De vragen die de heer Van Dekken via mij aan de her Opstelten heeft gesteld, zullen wij aan hem doorgeleiden, want ze betreffen specifiek het ministerie van Veiligheid en Justitie. Ik zal hem verzoeken om schriftelijk te antwoorden. Dat zal ik eveneens doen met de vragen die de heer De Liefde heeft gesteld aan de minister van OCW.

Zo lang als ik in de landelijke politiek zit, als minister dan wel als Kamerlid, hebben we al felle discussies over stoppen met roken. Je kunt er verschillend over denken, Ik ben van mening dat stoppen met roken ontzettend gezond is en dat je er ook nog veel rijker van wordt, want je houdt behoorlijk wat geld over.

De inzet van middelen voor de Olympische Spelen besluiten we hier. Het is dus ondenkbaar dat ik allerlei investeringstoezeggingen doe of mij grote dingen op de hals haal voordat ik die plannen naar het parlement heb gestuurd en de Kamer heeft kunnen laten weten of zij daarover een debat wil. Het is evident dat de inzet van de middelen effectief moet zijn. De vraag is wat «effectief» is. Uiteindelijk nemen we daarover gezamenlijk een beslissing.

Ik ben het eens met de Kamer dat snel duidelijk moet worden welke stad naamdrager wordt. Ik heb het goed in mijn oren geknoopt en zal het in de gremia die erover gaan neerleggen.

Wij hebben gezegd: laat de club aangifte doen van geweld als iemand daar zelf niet toe in staat is of als dat beter is. Ook op dit punt zullen wij op de opmerking van de Kamer over de rol van de KNVB meenemen. In de brief die gaat over de uitwerking van het convenant wordt natuurlijk ook aandacht besteed aan dit punt.

Ik moest nog antwoord geven aan mevrouw Bruins Slot over de termijn die het convenant nodig heeft. De betrokken partijen spreken af om uiterlijk in het tweede kwartaal van 2012 voor de hiervoor genoemde beleidsterreinen afspraken per departement te hebben gemaakt.

De voorzitter: Zijn alle vragen van de Kamer beantwoord?

De heer De Liefde (VVD): Wat mij betreft wel. Voor de orde heb ik nog het voorstel om de schriftelijke ronde die is toegezegd aan de heer Van Dekken breder te trekken en om over de nota veiligheid en sport een algemene schriftelijke ronde te houden.

De voorzitter: Dit is iets voor de procedurevergadering. Dat hoeven we niet in dit algemeen overleg te bespreken.

De heer De Liefde (VVD): Als u ervoor kunt zorgen dat het op de procedurevergadering komt, heel fijn.

De voorzitter: Dat gaat via de griffier, dus dat zal zeker gebeuren. U stuurt die zelf aan.

Dit algemeen overleg nadert het einde. Er zal morgenavond in een VAO een plenaire afronding zijn waarin moties kunnen worden ingediend. Stemmingen zullen morgennacht volgen. Mevrouw Leijten had al een vooraankondiging gedaan. We zullen kijken hoe het procedureel precies ligt, maar dat VAO komt er in ieder geval.

Ik sluit de vergadering onder dankzegging voor ieders inbreng.