Kamerstuk 29325-60

Verslag van een algemeen overleg

Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 21 maart 2012, inzake Maatschappelijke opvang / Vrouwenopvang / Zwerfjongeren


Nr. 60 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 13 april 2012

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 heeft op 21 maart 2012 overleg gevoerd met staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

  • de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 8 april 2011 over de stand van zaken inzake maatschappelijke opvang en vrouwenopvang (29 325, nr. 53);

  • de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 28 april 2011 met een plan van aanpak maatschappelijke opvang tweede fase en een kosten-batenanalyse van maatschappelijke opvang (29 325, nr. 54);

  • de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 6 juli 2011 over beleidsvoornemens maatschappelijke opvang en zwerfjongeren (32 620, nr. 21);

  • de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 14 december 2011 over aanpak van geweld in huiselijke kring en in afhankelijkheidsrelaties (waaronder vrouwenopvang en binnen een professionele relatie in de zorg of ondersteuning) (28 345, nr. 117).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Smeets

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Teunissen

Voorzitter: Smeets

Griffier: Sjerp

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Bouwmeester, Dijkstra, Joldersma, Kooiman, Smeets, Straus, Voortman en Wiegman-van Meppelen Scheppink,

en staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Ik heet de staatssecretaris, het publiek op de tribune en de geachte afgevaardigden van harte welkom. Wij hebben een spreektijd van vier minuten per fractie afgesproken.

Het woord is aan mevrouw Wiegman.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Het advies van de commissie Stelselonderzoek Vrouwenopvang is al enige tijd geleden verschenen. Op de reactie van het kabinet hebben wij lang moeten wachten. Als deze commissie niet had uitgekeken, was het onderzoek niet eens in deze commissie besproken omdat het kabinet het onderwerp in de sfeer van Veiligheid en Justitie trekt.

Ik wijs de staatssecretaris graag nog eens op mijn amendement, dat tot doel heeft de opvang van tienermoeders te continueren en de opdracht bevat om te onderzoeken of en, zo ja, hoe de financiering van het huidige opvangstelsel structureel moet worden aangepast aan de vraag van specifieke groepen. Daarbij denk ik aan tienermoeders, slachtoffers van loverboys en eergerelateerd geweld en aan licht verstandelijk gehandicapten. Dat was nodig vanwege de spanning tussen de noodzaak om voor specifieke groepen een snelle, passende en veilige opvang te regelen in toegankelijke, landelijk werkende instellingen enerzijds en het gedecentraliseerde stelsel voor vrouwenopvang anderzijds.

De ChristenUnie vindt de kabinetsreactie teleurstellend. De commissie Stelselonderzoek Vrouwenopvang adviseert een sterkere sturing van het Rijk op centrumgemeenten. Er moeten verspreid over het land voldoende opvangvoorzieningen zijn die niet onderhevig zijn aan allerlei lokale bestuurlijke veranderingen of bijzonderheden. Er moet worden samengewerkt. Van wachtlijsten mag geen sprake zijn. Landelijke afspraken zijn nodig in het geval van noodsituaties of acuut ingrijpen. Gemeenten hanteren steeds vaker de eis van regionale binding. Ik onderstreep graag het belang van een landelijke toegankelijkheid. Regiovisies zijn goed, maar mogen de landelijke toegankelijkheid niet in de weg staan. Sommige vrouwen zijn immers in hun eigen regio simpelweg niet veilig. Het is belangrijk om een goed onderscheid te maken tussen generalistisch en specialistisch aanbod. Het opvangen en begeleiden van bijvoorbeeld slachtoffers van loverboys vereist specifieke kennis, die onmogelijk over alle gemeenten kan worden verspreid. Ik ben daarom blij met de brief die de Kamer vanmorgen ontving naar aanleiding van de petitie die Fier Fryslân afgelopen dinsdag heeft gepresenteerd. Ik ben blij dat extra geld beschikbaar is. Mijn vraag is nu wel hoe het zit met de rijkssturing, want dit geld dient ook daadwerkelijk te worden ingezet voor deze bijzondere doelgroepen. Er zal een goed model voor de verdeling van het geld tot stand moeten komen. Het is van belang dat de middelen uit de AWBZ en de jeugdzorg die naar de gemeenten worden overgeheveld, hier ook bij worden betrokken. Ook zal rekening moeten worden gehouden met een extra budget, dat nodig is om deze overheveling goed te laten landen. Wat gaat de staatssecretaris precies doen?

Het begrip «tienermoeders» is breed. Het is te gemakkelijk om deze groep buiten het stelsel van de vrouwenopvang te plaatsen. Meer inzicht in de precieze problematiek achter de vraag van tienermoeders is nodig. Een tiener die ongepland zwanger is geraakt maar een goed sociaal netwerk heeft, zal niet bij de opvang aankloppen. Met de tienermoeders die wel bij de opvang aankloppen, is vaak meer aan de hand. Wat gaat de staatssecretaris met de desbetreffende aanbeveling doen? Wij gaan deze groep toch niet doorverwijzen naar de maatschappelijke opvang?

Een groot aantal kinderen verblijft in de vrouwenopvang. De ChristenUnie wil hier meer aandacht voor. Kinderen in de opvang moeten ook als vragers van hulp worden gezien. Nu is er slechts één euro beschikbaar, ongeacht het aantal kinderen dat met een moeder meekomt. Bureau Jeugdzorg heeft vaak geen geld voor kinderen van buiten de regio, en als geld wordt verstrekt, dan gebeurt dat pas na negen weken. Wat gaat de staatssecretaris hieraan doen?

Volgens de ChristenUnie is gezinsfinanciering hard nodig. Is de staatssecretaris bereid een experiment te starten in het kader van de decentralisatie van de jeugdzorg?

Ik heb begrepen dat er bij VWS nog ongeveer 20 mln. op de plank ligt voor het oplossen van knelpunten bij het uitvoeren van het stelseladvies. Hoe gaat de staatssecretaris dit geld precies inzetten? Of gaat het hier om het extra geld waarover in de brief van vanmorgen wordt gesproken? Gaat de staatssecretaris zich inzetten voor een beter en objectiever verdeelmodel?

Tot slot vraag ik aandacht voor goede trajecten voor nazorg vanaf het moment dat een vrouw met haar kinderen de vrouwenopvang verlaat. Een goed sociaal netwerk en een organisatie zoals Stichting Present zijn dan nodig om te helpen bij het inrichten van en het verhuizen naar een andere woning. Wij hebben het dus over informele zorg. De staatssecretaris kent ons verzoek om het spoedig verschijnen van de beleidsbrief over informele zorg. Graag hoor ik van haar een reactie.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Kinderen horen niet in de opvang. Dat is precies wat de staatssecretaris zei in antwoord op mijn Kamervragen. Helaas mis ik concrete acties om te voorkomen dat kinderen zonder huis, zonder haard en zonder dak boven hun hoofd komen te zitten. Ondertussen neemt het aantal jongeren in de opvang schrikbarend toe. Het afgelopen jaar is het aantal dakloze jongeren tussen 18 en 22 jaar met 16% gestegen. Daarbij gaat het om maar liefst ruim 7000 jongeren. Ook steeds meer jongeren onder 18 jaar hebben geen dak boven hun hoofd. Uit het laatste onderzoek van de Federatie Opvang blijkt dat sinds 2009 regelmatig signalen binnenkomen die erop wijzen dat er steeds meer gezinnen zijn die blijvend onderdak zoeken in de maatschappelijke opvang. Ik heb besloten om zelf op onderzoek uit te gaan en de instanties die te maken hebben met de opvang van zwerfjongeren, te bellen. Ik heb ongeveer 23 instanties gebeld en hun ieder de volgende twee vragen gesteld: a. hoe groot is de wachtlijst voor de jongeren die bij jullie aankloppen en b. hebben jullie nog tips en adviezen? De antwoorden die ik hierop heb gekregen, zou ik graag aan al mijn collega’s willen overhandigen. Ik heb er een kleine factsheet van gemaakt.

Ik ben erachter gekomen hoe moeilijk het voor jongeren is om te achterhalen bij wie zij moeten aankloppen. Daar ben ik van geschrokken. De adressen die op het internet staan, kloppen vaak niet. Ze worden van het kastje naar de muur gestuurd. Vaak weet de instantie zelf niet eens hoe lang de wachttijd is of waar de jongere zich precies moet aanmelden. Ik schrok daar enorm van. Je zou maar een jongere zijn die hulp nodig heeft. De wachtlijsten voor zwerfjongeren lijken meer op een loterij. Het ligt er maar net aan welke organisatie in welke provincie de jongere belt of op welke plek hij aanklopt. De wachttijd kan oplopen tot vier à vijf maanden. Er is ook onvoldoende vervolghuisvesting. Jongeren moeten vaak vier weken wachten op een uitkering. Zij hebben dikwijls schulden, maar vaak zijn er ook andere problemen. Ik noem drugs, maar psychische problemen komen ook voor. Zij worden op dat vlak onvoldoende begeleid, ook nadat zij in de opvang hebben gezeten. Jongeren zeggen vaak zelf dat zij geen perspectief meer hebben, zo van «ik sta strakjes weer op straat, en dan?».

Ik heb een aantal aanbevelingen op een rijtje gezet. Ik zal ze kort noemen: zorgplicht voor gemeenten, geen kind op straat en meer opvangplekken met begeleiding. Vaak is de nachtopvang wel open, maar een kind in de nachtopvang zit dan tussen drugsverslaafden en andere volwassenen, en dat is ook geen lekkere plek. Het maken van afspraken met woningcorporaties is ook een van mijn aanbevelingen. In Groningen is daar een goed voorbeeld van te vinden. De jongere krijgt daar in ieder geval begeleiding en een andere vorm van opvang na de dagopvang. Dat lijkt mij ook zeer logisch, want huisvesting wordt jongeren heel vaak vanwege hun schulden geweigerd. Verder noem ik nog een nazorgplicht voor instellingen en gemeenten. Gemeenten zouden echt meer moeten inzetten op een preventieve jeugdzorg. Daar bezuinigen gemeenten vaak juist op.

Dit is in het kort gezegd wat mij is opgevallen. Ik zou heel graag willen dat de staatssecretaris daarop reageert, zeker in het licht van alle bezuinigingen die nog komen. De Wet werk en bijstand, de Wet werken naar vermogen: ze klinken lief en soft, maar heel wat jongeren worden hierdoor getroffen.

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Ik wil de SP grote complimenten maken voor dit onderzoek. Helaas krijgen zwerfjongeren over het algemeen te weinig aandacht.

Ik ga mevrouw Kooiman van de SP aan extra spreektijd helpen. Als ik dit zo lees, wil ik graag weten wat het allerbelangrijkste punt is dat uit het onderzoek naar voren is gekomen. Welke consequentie verbindt de SP daaraan? Wat zou de staatssecretaris van dit kabinet daaraan moeten doen?

Mevrouw Kooiman (SP): Dat is een heel goede vraag. Gelet op de bezuinigingen waarmee deze jongeren te maken krijgen, is dat behoorlijk wat. Zij moeten momenteel rondkomen van € 230 per maand en dan moeten zij ook nog een eigen bijdrage betalen voor opvang en ziektekosten. Bovendien moeten ze ook naar school, terwijl ze daar niet eens studiegeld voor hebben. Dat zijn bijvoorbeeld zaken die de staatssecretaris bij haar overwegingen moet betrekken.

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Ik ben het hiermee zeer eens. Wat is het tweede belangrijkste punt?

Mevrouw Kooiman (SP): Ik was laatst in Groningen. De gemeente Groningen heeft een heel goede afspraak met de woningcorporaties gemaakt. Als een jongere in de opvang heeft gezeten, zorgt de woningcorporatie voor goede huisvesting na afloop. Dat heeft de gemeente zelf in samenwerking met de woningcorporaties gerealiseerd. Helaas is dat niet overal het geval. Zeker jongeren met schulden wordt heel vaak huisvesting geweigerd, terwijl dat het meest basale is waaraan moet worden voldaan om te voorkomen dat de jongere niet nog een keer in de opvang terechtkomt.

Ik rond af. Op het laatste moment kregen wij nog een brief van Fier Fryslân. Vorige week hebben wij een motie ingediend inzake Asja II. Op basis van Asja II worden meiden opgevangen die problemen hebben door loverboys. Het programma wordt gefinancierd met RUPS-gelden (Regeling Uitstapprogramma Prostituees). Veiligheid en Justitie heeft hiermee ook te maken. Uit de brief bleek mij niet of deze financiering structureel is. In mijn motie heb ik gevraagd om een structurele financiering van Asja II. Deze motie heb ik aangehouden omdat de Kamer hierover een brief zou ontvangen. Ik wil heel graag weten of de financiering structureel is of niet.

Mevrouw Joldersma (CDA): Voorzitter. Wij hebben ons verdiept in alle stukken die de afgelopen jaren over de maatschappelijke opvang zijn gepubliceerd. Daaruit begrijpen wij dat de staatssecretaris vooral de functie van aanjager wil vervullen en voor de maatschappelijke opvang goede randvoorwaarden wil creëren.

Er zijn al veel dingen over tafel gegaan. Ik wil mij vooral concentreren op de plannen van aanpak voor de eerste fase en de tweede fase.

Het valt mij op dat het plan van aanpak eerste fase tot concrete opbrengsten heeft geleid. Er zijn meer daklozen van straat gehaald en er zijn meer woonvoorzieningen bij gekomen. Mijn collega’s hebben al gewezen op de gezinnen in de opvang. Twee jaar geleden leek dit probleem zich voor te doen, maar nu blijkt dat dit probleem alleen maar groter wordt.

De ChristenUnie heeft net al de tienermoeders genoemd. Wij menen dat je de groep tienermoeders en gezinnen in de maatschappelijke opvang als één bijzondere groep moet zien. Wij horen graag wat de staatssecretaris gaat verzinnen opdat voor deze tieners en gezinnen specifieke opvang wordt gerealiseerd. Er moet toch van alles mogelijk zijn bij de woningbouwcorporaties? Ik kan mij bijvoorbeeld ook iets voorstellen bij time-outhuizen. Met een stukje creativiteit moeten wij daar uit kunnen komen.

Het valt ons op dat er de laatste jaren steeds meer bedelaars op straat zijn. In het verleden waren er veel minder. Heeft de staatssecretaris daar een verklaring voor? Wil zij daar iets aan gaan doen?

Op het vlak van de zwerfjongeren is veel geïnvesteerd in het formuleren van definities, in het vaststellen van het aantal en in het bepalen van de profielen. Het opstellen van profielen vinden wij zinvol, maar de voorzieningen moeten nu wel echt van de grond komen. Ik merk dat er bij het plan van aanpak eerste fase toch nog wel discussie is over de «grensstrook». Dat is nogal een technisch verhaal, maar misschien kan de staatssecretaris de Kamer daar op een andere manier schriftelijk over informeren. Wij hebben niet de indruk dat het zo goed loopt als de bedoeling was.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): De CDA-fractie vraagt de staatssecretaris om een stukje creativiteit ten gunste van gezinnen die in de opvang belanden. Ik wil de CDA-fractie vragen om ook zelf creatief te zijn. Ik wil dan ook graag horen welke oplossingen zij heeft.

Mevrouw Joldersma (CDA): Ik stel voor dat ik deze vraag aan het eind beantwoord. Dan ga ik namelijk in op enkele dingen die in niet terugzie in het plan van aanpak tweede fase. Dan kunnen wij daarover doorborduren.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Bedoelt mevrouw Joldersma dat zij hierop nog terugkomt in haar betoog, of wil zij hiermee zeggen dat zij eigenlijk geen oplossingen heeft?

Mevrouw Joldersma (CDA): Mevrouw Voortman kan aan het eind bepalen of zij een aanknopingspunt ziet. Ik heb net nog de woningbouwcorporaties genoemd. Ik denk dat daar de mogelijkheden zitten. Wij hoeven de staatssecretaris geen precieze voorstellen aan te reiken. Ik zie dat zij van plan is om een aantal dingen voortvarend op te pakken. Ze zegt ook dat ze randvoorwaarden wil creëren. Ik vraag haar om in ieder geval een randvoorwaarde te stellen waardoor de gezinnen niet worden ondergebracht bij de gewone standaarddaklozen, maar in aangepaste voorzieningen. Twee jaar geleden waren die niet voorhanden, terwijl wij toen hetzelfde probleem hadden. Uit de stukken kun je afleiden dat dit probleem alleen maar groter is geworden.

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Mevrouw Joldersma van het CDA maakt zich terecht zorgen over de toename van het aantal bedelaars. Nou is er één al te veel; daarover is de Partij van de Arbeid het met het CDA helemaal eens. Wij hebben berekend wat het kost als je in de maatschappelijke opvang zit en geestelijke gezondheidszorg nodig hebt. Dan ben je per maand € 563 kwijt. Het kabinet kiest ervoor dat mensen ondanks hun lage inkomen toch zo veel geld moeten uitgeven aan zorg. Leidt dat niet tot meer bedelaars?

Mevrouw Joldersma (CDA): Ik snap de relatie met de € 563 niet. Kan mevrouw Bouwmeester mij die uitleggen?

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Als je een laag inkomen hebt, kun je niet zo veel geld aan zorg uitgeven. Je kunt dan verschillende dingen gaan doen. Je kunt bijvoorbeeld gaan bedelen of gaan stelen of afzien van verdere zorg. Dit kabinet creëert dus problemen voor mensen aan de onderkant van de samenleving. Mevrouw Joldersma maakt zich terecht zorgen om bedelaars, maar als zij het echt meent, zou zij voor mensen die geen geld hebben iets aan de eigen bijdrage moeten doen.

Mevrouw Joldersma (CDA): Ik heb gezegd dat het een probleem is dat er meer bedelaars komen en ik heb de staatssecretaris gevraagd mij daarvoor een verklaring te geven. Mevrouw Bouwmeester zegt dat zij die verklaring al heeft en dat het allemaal mensen zijn die geen zorg meer krijgen.

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Dat heb ik niet gezegd.

Mevrouw Joldersma (CDA): Dat hebt u wel gezegd, want u hebt het gehad over de eigen bijdrage en over mensen die de zorg niet kunnen betalen. Zorgmijders hebben wij al heel lang. Die waren er ook toen de eigen bijdrage lager was. Het mijden van zorg heeft dus vast en zeker nog andere oorzaken. Het kan bijvoorbeeld ook met schulden te maken hebben. Ik wil hierover gewoon duidelijkheid. Dan kun je ook nadenken over oplossingen.

Wij vragen ons af wat precies de toegevoegde waarde is van het plan van aanpak tweede fase. Bij het plan van aanpak eerste fase was die helder. Toen zijn er nieuwe instrumentaria gekomen, wat een impuls heeft gegeven aan alle gemeenten. Nu proef ik blijvend herstel en preventie. Het plan kent een hoge ambitie, en dat terwijl alle gemeenten met bezuinigingen te maken hebben. Straks zijn er nieuwe doelgroepen waarvoor zij de begeleiding moeten gaan verzorgen. Nu lijkt het erop dat wij toch alle daklozen, die soms niet eens een woning hebben of scholing krijgen, willen onderbrengen in trajecten en een heleboel zorg willen geven. Moet je niet gewoon basaal beginnen: gaat het bij de dakloze niet nog steeds om financiën, schulden en de woning? Het project Housing First in Amsterdam, waarvan wij het uitgebreide evaluatieverslag hebben gelezen, vinden wij een heel mooi voorbeeld. Mensen krijgen eerst waarmee ze moeten beginnen: een woning. Daaraan worden voorwaarden verbonden. Mensen wordt op hun zelfstandigheid en eigenredzaamheid gewezen. Hun wordt verteld dat ze, als ze er wonen, moeten toestaan dat één keer in de week iemand langskomt voor woonbegeleiding. Dat lijkt ons een heel goede manier om daklozen te laten voelen dat zij zelf iets kunnen, dat zij zelf de regie in handen kunnen nemen, dat naar hen wordt geluisterd en dat zij worden erkend. Zo staat het ook in het verslag. Ze kunnen zijn wie ze willen zijn. Soms heb ik wel eens het gevoel dat wij van onze daklozen bijna een soort modelburgers willen maken, terwijl de zorgmijders, de moeilijk plaatsbaren en Housing First laten zien dat wij te weinig luisteren naar wat de daklozen zelf willen. De kern is steeds de woonproblematiek. Dat komt ook naar voren in het onderzoek naar de gezinnen. Het probleem is vaak dat wonen moeilijk wordt als mensen hun woning moeten verlaten doordat zij schulden hebben. Dat lijkt mij een tweede aanknopingspunt. Ook de woningbouwcorporaties hebben dit als een probleempunt genoemd.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Mevrouw Joldersma houdt een goed en herkenbaar verhaal. Wat moet het Rijk hieraan naar de mening van het CDA doen? Ik hoor mevrouw Joldersma spreken over het probleem met daklozen, de mooie projecten, hoe het allemaal precies zou moeten, een lichte begeleiding en noem maar op. Dat is mooi, maar ik heb de brieven van de staatssecretaris gelezen en ik ken het antwoord dus al een beetje: wij zijn aan het decentraliseren, het is aan gemeenten, daar gaan wij niet meer over. Vindt het CDA dat ook? Of is het CDA het eens met het advies van de commissie Stelselonderzoek Vrouwenopvang, namelijk dat enige sturing door het Rijk zeker nodig is om ervoor te zorgen dat er een landelijk beeld is van wat er gebeurt en dat niet allerlei regionale beperkingen worden ingesteld?

Mevrouw Joldersma (CDA): Ik meen dat het Rijk in het plan van aanpak eerste fase een goede rol had. Toen heeft het Rijk dingen aangestuurd en aangejaagd. Het plan van aanpak tweede fase is toegespitst op de maatschappelijke opvang en ik vraag mij af of dat wel verstandig is. Met de maatschappelijk opvang gebeurt dan in feite precies wat wij willen met de begeleiding: uit de AWBZ naar de gemeente. Gemeenten hebben al veel ervaring met het begeleiden van daklozen. Zij hebben de «ritselruimte» – zo noem ik het altijd – om iets voor de daklozen te regelen. Al die kennis en ervaring kunnen zij inzetten. Het kan natuurlijk altijd beter, maar preventie in algemene zin gaat volgens mij niet alleen om daklozen. De profielen van daklozen lijken precies op de profielen van de mensen in tbs. Zij hebben precies dezelfde problemen. Dat profiel zie ik ook bij criminelen terug. Bij preventie gaat het om een hele groep. Het gaat niet alleen maar om het voorkomen van dakloosheid, maar ook om het voorkomen van criminaliteit. Daarin zit veel meer overlap. Ik vind dat wij de tweede fase van preventie breder moeten aansturen. Wij hebben het wetsvoorstel over begeleiding. Ook op die manier kunnen wij een handje helpen om het een goed aan het ander te verbinden.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Toch begrijp ik het nog niet zo goed. Bij de begeleiding is de kernboodschap juist decentraliseren. Je gaat erover of je gaat er niet over. Vindt mevrouw Joldersma dat wij ook in de toekomst nog over de maatschappelijke opvang gaan?

Mevrouw Joldersma (CDA): Wij hebben het heel mooi geregeld in de Wmo, waar de maatschappelijke opvang ook onder valt. De gemeenten krijgen op basis daarvan optimale beleidsvrijheid. Naar mijn mening zitten de gemeenten niet zo te wachten op alle monitors die ik heb gezien en op alle doelstellingen die zij van het Rijk zo moeten kwantificeren. Laat de gemeenten de samenwerking opzoeken. Laat het de kracht van de gemeenten zijn dat zij zelf inzien hoe zij in hun gemeente de kwetsbare burgers moeten aanpakken. Ik spreek veel liever over preventie en kwetsbaren dan alleen over daklozen of over het creëren van een uitzonderingspositie voor daklozen. De groep daklozen lijkt erg op al die andere groepen waarmee de gemeente straks te maken krijgen. Daarom moet je de overlap zoeken.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik wil mevrouw Wiegman nog een keer bijstaan. Bij de tieneropvang in Gouda bijvoorbeeld ...

De voorzitter: Wat is uw vraag? Dit is geen tweede termijn.

Mevrouw Kooiman (SP): Nee, maar ik wil mijn vraag wel met een voorbeeld inleiden. In Gouda zijn veel tienermoeders in één huis ondergebracht, maar niet alle tienermoeders komen uit Gouda. Juist voor hen is die sturing op opvang van specifieke groepen zo ontzettend belangrijk. De landelijke overheid heeft daarbij ook een rol. Wat vindt mevrouw Joldersma daarvan?

Mevrouw Joldersma (CDA): Ik vind de woorden «aanjagen» en «randvoorwaarden», die de staatssecretaris gebruikt, mooie woorden. Daar kan ik mee uit de voeten. De staatssecretaris heeft in de reactie op de vrouwopvang gemeld dat zij vindt dat specifieke expertise moet worden gewaarborgd. Ik vind het heel belangrijk dat specifieke zaken worden geregeld voor de opvang van gezinnen, maar wij voeren precies dezelfde discussie bij de behandeling van het wetsvoorstel over de begeleiding. Ook dan is er sprake van specifieke, complexe groepen die een bepaalde begeleiding moeten hebben. Waarom zou je nu voor een andere oplossing kiezen dan straks bij het wetsvoorstel? Ik zie heel veel overeenkomsten tussen de groepen.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik zou niet weten wat met «aanjagen» wordt bedoeld, maar dat hoor ik graag van mevrouw Joldersma. Bij de jeugdzorg wisselen provincies niet eens jongeren uit, terwijl dat wel nodig is. Het is al ontzettend moeilijk om een jongere in een andere provincie te plaatsen. Ik meen dat een landelijke sturing echt op zijn plaats is. Daarop hoor ik nog graag een reactie van mevrouw Joldersma.

Mevrouw Joldersma (CDA): Ik heb die aanjaagfunctie heel duidelijk gezien in het plan van aanpak eerste fase. Wat er nu staat, vind ik niet zo helder. Ik vind wel dat de aanjaagfunctie in de tweede fase kan worden verbeterd door een koppeling met begeleiding door de gemeente en met het nieuwe stelsel vrouwenopvang. Ik ben dus niet van mening dat de staatssecretaris de vrouwenopvang constant moet aansturen, maar bij het realiseren van een nieuw systeem moet wel een goede overdracht plaatsvinden. Dat vind ik straks ook bij de begeleiding vanuit de AWBZ naar de gemeente. Dat gaat niet een, twee, drie. Het is juist nodig om de deskundigheid die wij hebben, goed over te dragen.

De voorzitter: U wilt een vraag stellen, mevrouw Dijkstra?

Mevrouw Dijkstra (D66): Mijn vraag lijkt erg op de vraag van mevrouw Kooiman. Om te voorkomen dat wij in herhaling vallen, laat ik deze gelegenheid voor een interruptie voorbijgaan.

De voorzitter: Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Bouwmeester.

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Voorzitter. Wij hebben het vandaag over kwetsbare mensen, volwassenen en kinderen die geen eigen woning meer hebben en daarmee geen stabiliteit. Dat heeft invloed op hun leven, op hun werk, op hun inkomen, op hun welzijn. Deze cirkel van kansenarmoede moet worden voorkomen en doorbroken. Te vaak doen wij niks als wij zien aankomen dat iemand dakloos wordt. Vandaag wil de Partij van de Arbeid die barrières beslechten. Weg met de beleidsbrieven en onderzoeken. Het is tijd voor concrete actie.

De afgelopen jaren is er veel gedaan door de gemeenten en door de opvang. Het leek erop dat een volgende stap gezet kon worden: de tweede fase naar het voorkomen van dakloosheid. De crisis en het kabinetsbeleid gooien echter roet in het eten. Mensen raken nu sneller hun baan kwijt, krijgen schulden en worden dakloos of dreigen dakloos te worden. De problemen van mensen worden groter en de toegang tot de zorg wordt beperkt. Dat betekent uitstroom uit de zorg en instroom in de opvang. Deze veranderde situatie vraagt om een daadkrachtige aanpak van de staatssecretaris. Helaas zien wij deze aanpak niet terug in haar beleidsvoornemens. De concrete vraag die voorligt, is hoe zal worden voorkomen dat dakloosheid in deze tijd van crisis toeneemt. Met andere woorden: wat gaat de staatssecretaris meer of anders doen? Wat nu met volle inzet wordt gedaan, is door de gewijzigde omstandigheden immers onvoldoende. De staatssecretaris wijst naar de gemeenten, maar zij zijn hiertoe door de omstandigheden niet in staat. Wij willen de barrière slechten.

Ik sluit mij aan bij de vragen van mijn collega’s over de vrouwenopvang en de loverboys. Mijn collega Arib is daarmee ook druk doende.

Ik ga in op de zwerfjongeren. Onderzoeken, metingen, rapporten met tellingen: er zijn er genoeg. Toen ik tien jaar geleden politiek actief werd, begon ik hiermee. In de praktijk is nog veel te weinig veranderd. Het is dus tijd voor actie. Er moet meer gebeuren dan wat er nu wordt gedaan, want dat is gewoon niet voldoende. Sinds kort coach ik een voormalige zwerfjongere. Dat doe ik via United Voices. Ik zie vertegenwoordigers van United Voices hier op de publieke tribune. Dat toont een grote betrokkenheid. Ik dank hen voor hun komst. Ik word helemaal gek van alle muren waar ik tegenaan loop als ik voor haar iets probeer te regelen. Kun je nagaan hoe het is als iemand dat helemaal in z’n eentje moet doen, maar dat is wel het lot van zwerfjongeren of voormalig zwerfjongeren.

Dit kabinet signaleert, wijst naar de gemeenten en gaat over tot de orde van de dag. De staatssecretaris zegt heel terecht dat jongeren niet in de opvang horen, maar ik hoop dat zij dat ook meent en een aantal praktische toezeggingen doet. Zoals ik deze staatssecretaris ken, wil zij heel graag de moeder van al deze zwerfjongeren zijn. Er mag best even gelachen worden. Ik heb daarom zeven concrete vragen. Dan zullen we daarna bekijken of de staatssecretaris ook echt die moeder mag worden. Dan krijgt zij misschien nog wel een trofee aan het eind van het jaar.

1. Voorkomen moet worden dat jongeren, als zij nog niet zijn uitbehandeld, niet langer de reguliere zorg krijgen die zij soms al jaren krijgen. Wat gaat de staatssecretaris daaraan doen? Het probleem is al veel te lang bekend. 2. Voor deze jongeren moeten er meer speciale woon-zorgvoorzieningen komen, vooral voor de jongeren in de leeftijd van 18 tot 21. Dat deze nodig zijn, is al lang geleden gesignaleerd, maar de voorzieningen zijn er nog niet. Wanneer zijn ze er wel? 3. Er moet voldoende ondersteuning komen voor woonbegeleiding, maar ook voor casemanagement. Dat is immers vaak een voorwaarde voor het krijgen van een huis en stabiliteit. Als je stabiliteit hebt, krijg je werk en inkomen en dan kun je bouwen aan je leven. 4. De inkomenspositie van deze jongeren moet worden verbeterd. De wachttijd van vier weken die door dit kabinet is opgelegd, moet van tafel, want dat kan niet. Iemand die gemotiveerd is, kun je niet naar de sociale dienst sturen om hem daar vervolgens te laten horen dat hij vier weken moet wachten. 5. Er moet een aparte regeling komen voor jongeren met schulden. Doordat deze jongeren schulden hebben, kunnen zij immers geen opleiding volgen en is werk vinden moeilijk. Alles zit vast. 6. Investeer in maatschappelijke participatie van deze jongeren, want ondanks de beperking die ze hebben, hebben ze heel veel talent. Kijk op de tribune: daar zitten ze. 7. Schrap voor deze jongeren de eigen bijdrage voor de ggz. Zij hebben geen inkomen. De zorg wordt daardoor voor hen onbetaalbaar.

Als laatste wil ik ingaan op kinderen die samen met hun ouders in de opvang zitten. Zij zijn heel kwetsbaar. Die situatie is heel ingewikkeld. Op welke manier worden zij ondersteund? Ik denk hierbij ook aan kinderen van ouders met psychiatrische problemen (KOPP) en aan kinderen van verslaafde ouders (KVO).

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Het belang van maatschappelijke opvang staat buiten kijf. Elke euro die wij aan maatschappelijke opvang besteden, verdient zich twee tot drieënhalve keer terug. Ik zou dit soort analyses wel van allerlei zaken willen zien. Te vaak kijken we alleen naar het bedrag dat in de boeken staat. We kijken naar wat iets kost in plaats van dat wij kijken naar wat iets oplevert. Dat elke euro die wij aan maatschappelijke opvang besteden, ruimschoots wordt terugverdiend, blijkt uit de resultaten van de voorgaande jaren. Het aantal mensen dat op straat belandde, nam af. Dit vergt echter wel een continue inzet. Het kabinet lijkt zich dat onvoldoende te realiseren, met als gevolg dat het aantal mensen dat op straat zwerft, toeneemt. De Federatie Opvang schetst een somber beeld. Zo neemt het aantal gezinnen in de opvang toe. GroenLinks stelde hier in 2009 al vragen over. De toenmalige staatssecretaris, Bussemaker, zag het probleem toen nog niet, maar de rapportage van De Vijfde Dag laat zien dat heel gewone zinnen in een situatie terecht kunnen komen waar ze niet meer uit komen. Geen huis betekent vaak geen baan, geen baan betekent oplopende schulden en dus geen huis. Ook heel gewone, hardwerkende mensen met kinderen kunnen dan in een situatie terechtkomen waarin zij in auto’s en dergelijke moeten slapen. Dat zijn situaties die ik voor een rijk land zoals Nederland onwaardig vind. Extra triest is dat diverse kabinetsmaatregelen die in de hand werken. Denk bijvoorbeeld aan de bezuinigingen op de huurtoeslag. Graag hoor ik van de staatssecretaris hoe zij wil voorkomen dat gezinnen in de opvang belanden. Deelt zij de mening van GroenLinks dat gezinnen niet uit elkaar gehaald mogen worden? En, zo ja, wat gaat zij daar dan aan doen? Simpelweg naar gemeenten wijzen, is ons te mager.

Ook jongeren krijgen te maken met een vicieuze cirkel. Jongeren die geen contact met hun ouders hebben, krijgen niet de toelage die zij in de geest van de huidige studiefinancieringswet wel moeten krijgen. Ze kunnen ook geen bijzondere bijstand aanvragen, met als gevolg dat de schulden zich opstapelen. Het volgen van een opleiding wordt onmogelijk en ze belanden op straat. Vervolgens is het nagenoeg onmogelijk om weer uit deze situatie te komen. Is de staatssecretaris bereid om een inventarisatie te maken van de wetgeving die het belemmert om jongeren van de straat te krijgen? Wil zij daar met haar collega’s van onder andere Onderwijs en van Sociale Zaken naar kijken? Het gaat mij daarbij vooral om de ongewenste neveneffecten die ik net heb geschetst.

De landelijke toegang tot de maatschappelijke opvang is belangrijk. Daardoor wordt er immers voor gezorgd dat in ieder geval een eerste opvang beschikbaar is en mensen niet op straat belanden. Verschillende gemeenten hebben echter in strijd met de huidige wet een criterium ingevoerd dat aan de regio bindt. En wat doet het kabinet? Het kabinet beloont dat door dit aan te passen volgens het adagium «eigen daklozen eerst». Alsof een persoon niet meer bestaat als je zegt dat hij, omdat hij niet in Nederland is geboren, geen recht heeft op opvang in gemeente X of ergens anders in Nederland. Ik wil graag van de staatssecretaris horen waar deze mensen volgens haar naartoe gaan als hun de toegang tot opvang wordt ontzegd. Denkt zij dat deze mensen verdampen, opgaan in de lucht? Nee, zij belanden op straat en gaan buiten slapen, met alle problemen van dien. Het gaat om heel verschillende mensen. Het gaat om mensen die in Nederland wonen, vaak verhuisd zijn en dus niet ergens twee jaar gewoond hebben. Waar moeten zij heen? Het gaat ook om MOE-landers. Het beeld is dat mensen uit Midden- en Oost-Europa de opvanginstellingen in Nederland overspoelen, maar dat is onzin. Op landelijk niveau gaat het om een paar procent. De druk op de opvang is hier dus niet door ontstaan. Daarnaast gaat het om mensen die het slachtoffer zijn van mensenhandel. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe zij de opvang van deze groep met een zeer complexe problematiek denkt te waarborgen. Ik zou graag horen op grond van welke overtuiging de staatssecretaris heeft gekozen voor het regiobindingscriterium. Met PVV-praatjes komt zij bij GroenLinks niet weg. Wij zullen dan ook een amendement indienen om de eis van regiobinding te schrappen. Ik nodig alle fracties uit om dat amendement mede te ondertekenen.

Wij komen nog te spreken over de overheveling van de begeleiding van de AWBZ naar de Wmo, maar voor ons staat al wel vast dat de opvang van slachtoffers van eerwraak door Fier Fryslân dusdanig specifiek is, dat wij die op één locatie moeten houden. Ik kan mij aansluiten bij hetgeen mevrouw Wiegman daarover zei.

Mevrouw Dijkstra (D66): Voorzitter. Ieder jaar worden meer dan 200 000 vrouwen en mannen en 119 000 kinderen geslagen, misbruikt of mishandeld, niet door een vreemde, maar door hun partner, ouder of verzorger. Geweld in afhankelijkheidsrelaties is aan de orde van de dag. Wij spreken vandaag onder meer over de kabinetsaanpak van deze praktijken. Ik zal in het bijzonder ingaan op de voorlichting, de opvang en de nazorg. Verder wil ik nog spreken over de opvang van daklozen.

Bij huiselijk geweld is het belangrijk dat familie, vrienden of buren de signalen herkennen. Hoewel minister Schippers landelijke campagnes niet effectief vindt, zet de staatssecretaris deze wel in en dat vind ik een heel verstandige keuze. Ik ben wel benieuwd waar het verschil in inzicht vandaan komt. Gaat de staatssecretaris ook sociale media inzetten voor deze campagnes? Dat lijkt mij ook niet onbelangrijk.

De commissie-De Jong heeft nuttige aanbevelingen gedaan voor het stelsel van vrouwenopvang. Ik deel de opvatting van het kabinet dat gemeenten bij de uitwerking daarvan een belangrijke rol spelen. Zij staan immers het dichtst bij de burgers. Ik maak mij wel zorgen over de opvang van specifieke groepen zoals slachtoffers van loverboys en eergerelateerd geweld. De staatssecretaris wil deze opvang vanaf 2015 decentraliseren, maar vanuit veiligheidsoogpunt is het onwenselijk dat deze groep dicht bij familie wordt opgevangen. D66 vindt dat in het nieuwe stelsel voor deze groepen specialistische opvang en behandeling moet blijven bestaan. In de aangenomen motie van mijn collega Berndsen, die mede namens de VVD is ingediend, wordt verzocht deze opvang structureel te behouden. Deze motie is Kamerbreed aangenomen. Het gaat om structurele opvang, ook na 2015. De staatssecretaris heeft een brief gestuurd, maar daaruit wordt mij niet voldoende duidelijk hoe het structurele karakter ook na 2015 kan worden behouden. Ik zou daar graag iets meer over willen horen.

De dader van huiselijk geweld krijgt tijdens een tijdelijk huisverbod een behandeling tegen agressief gedrag. Een huisverbod duurt maximaal vier weken, maar dat is onvoldoende om gewelddadig gedrag te veranderen. De kans op recidive is groot. Een langer durende behandeling is dan ook nodig. Deelname daaraan is echter vrijwillig. Het kabinet heeft een eigen bijdrage van € 200 per jaar ingevoerd. Dat ontmoedigt de dader om aan zijn gedrag te werken. Hoe gaat de staatssecretaris dat probleem aanpakken?

Een ander gevolg van de eigen bijdrage is dat het aantal daklozen en zwerfjongeren zal toenemen. Dat is hier eerder genoemd. Ik zou haast zeggen dat de keuze tussen een biertje of een sessie bij de psychiater snel is gemaakt. Daardoor belanden kwetsbare mensen sneller op straat. Dat is niet goed voor het welzijn van deze mensen. Dat leidt tot overlast en criminaliteit in de buurt en de druk op de opvang neemt toe. Staatssecretaris Teeven heeft al eerder zijn zorgen hierover uitgesproken. Ik vraag deze staatssecretaris of zij dit probleem onderschrijft. Op welke wijze bereidt het kabinet de opvang en de politie hierop voor?

Deze staatssecretaris heeft het voornemen om het instellingen voor maatschappelijke opvang te verbieden onderdak te geven en opvang te verlenen aan bijvoorbeeld dakloze Polen en Tsjechen die werkloos zijn of hier minder dan drie maanden verblijven. Mevrouw Voortman noemde het al. Ook naar de mening van D66 mag herkomst nooit een criterium zijn voor het verlenen van hulp. Er moet alleen maar gekeken worden naar de situatie waarin iemand verkeert. Het is moeilijk voor te stellen op deze zonnige dag, maar ik houd mijn hart vast voor een strenge winter. Doet de staatssecretaris dit voorstel om de PVV te pleasen? Is zij bereid om hiervan af te zien? Ik hoor dat zo dadelijk graag.

De staatssecretaris heeft nu haar plannen gepresenteerd om geweld in afhankelijkheidsrelaties te bestrijden. Ik hoor graag hoe zij de effectiviteit van dit beleid gaat monitoren.

Mevrouw Straus (VVD): Voorzitter. De decentralisatie heeft de maatschappelijke opvang goedgedaan. De kwaliteit is aanmerkelijk verbeterd. Samenwerking en gemeenschappelijkheid kwamen in de plaats van een wirwar van elkaar soms tegenwerkende instanties. Toch kan het nog steeds veel beter. De VVD is voorstander van decentralisering omdat de regie door de gemeente ervoor zorgt dat zaken dicht bij de mensen kunnen worden georganiseerd en dat maatwerk en concrete afspraken mogelijk zijn. Het allergrootste deel van de doelgroep kun je het beste zo dicht mogelijk bij huis opvangen. Sommige specifieke doelgroepen kunnen echter beter elders worden geholpen. De staatssecretaris kiest ervoor om bijvoorbeeld tienermoeders structureel als specialistische groep te blijven zien en deze ook als zodanig te blijven financieren. De specialistische vorm van opvang bij problemen met loverboys of door eergerelateerd geweld, die bewezen effectief is, wil zij echter overdragen aan gemeenten. Waarom kiest de staatssecretaris daarvoor? Dat was zeker niet de bedoeling van de motie van D66 en collega Van Nieuwenhuizen. Daarin is namelijk expliciet gevraagd om dit type opvang structureel te financieren. Het is ook niet in lijn met de motie-Van der Burg/Dille, die gisteren door de Kamer is aangenomen.

Bij deze specialistische groepen speelt ook het dilemma van de eis van regiobinding versus de wettelijke landelijke toegankelijkheid. Hoe verhoudt zich deze eis van regiobinding met de noodzaak om mensen soms buiten de regio op te vangen? Het mag toch niet voorkomen dat iemand die bijvoorbeeld vlucht voor huiselijk geweld, in een andere regio niet welkom is? Ons bereiken signalen die erop duiden dat de eis van regiobinding door veel gemeenten zo strikt wordt gehanteerd dat de opvangplekken in de gemeenten die de landelijke toegankelijkheid wel vooropstellen, onder druk komen te staan. De staatssecretaris heeft hier in haar brief van november aan de VNG aandacht voor gevraagd. Graag hoor ik van haar welke acties door de VNG worden ondernomen opdat over deze landelijke opnameplicht afspraken worden gemaakt. Ik vrees dat de resterende gemeenten zich anders bijna gedwongen voelen om ook de eis van regiobinding te stellen en volgens mij is dat precies wat wij niet willen.

Ik ga in op de zwerfjongeren. De vraag die hierbij naar de mening van de VVD voorop dient te staan, is hoe wij ervoor zorgen dat deze jongeren weer zo snel mogelijk op eigen benen staan. Belangrijk is dat de hulp aan hen vooral concreet en duidelijk is. Een steuntje in de rug om extra zelfvertrouwen te krijgen, hulp bij het leggen van contacten en het openen van deuren, hulp bij het oplossen van hun schulden, hulp bij het vinden van een nieuwe woning: dat zijn concrete maatregelen waar deze jongeren iets aan hebben. Dat maken zij ook zelf duidelijk in de Monitor Maatschappelijke Opvang.

Mevrouw Joldersma (CDA): Ik probeer de opmerking over de regiobinding en de opmerking over de decentralisatie naar gemeenten aan elkaar te koppelen. Mevrouw Straus is daar een voorstander van, maar zij is tegen het hanteren van de eis van regiobinding. Stel dat een dakloze in een bepaalde gemeente aanklopt bij een pension. Moet hij dan door alle pensions in Nederland geaccepteerd worden? Vindt mevrouw Straus dat dit alleen het geval moet zijn bij de eerste opvang – zojuist is al iets gezegd over de winters – of vindt zij dat elke gemeente alle daklozen die bij haar aanklopt, levenslang moet opvangen?

Mevrouw Straus (VVD): Ik ben in principe niet tegen regiobinding, want ik denk dat het echt het beste is om mensen zo dicht mogelijk bij huis op te vangen, maar voor sommige doelgroepen is het beter om elders geplaatst te worden. Dat is precies mijn punt. Nu zie ik dat de eis van regiobinding door veel gemeenten zo strikt wordt gehanteerd dat zij geen oog meer hebben voor het feit dat het soms in het belang van de persoon beter is als hij elders wordt opgevangen. Dat is het punt dat ik graag wil maken.

Mevrouw Joldersma (CDA): Ik probeer het even te vatten. Mevrouw Straus is dus in principe niet tegen regiobinding, maar wel voor specifieke groepen.

Mevrouw Straus (VVD): Ja, dat heeft daar zeker mee te maken. Het gaat er echter om dat de eis van regiobinding niet zo strikt mag worden gehanteerd dat niet meer wordt gekeken naar wat die persoon daadwerkelijk nodig heeft. De regels waarvoor de gemeenten zelf hebben gekozen – ik heb begrepen dat daar geen wettelijke grondslag voor is – zorgen ervoor dat mensen tussen wal en schip terechtkomen en dat wil ik niet.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik was op zoek naar de visie van de VVD op gemeentelijke verantwoordelijkheid, rijkssturing en noem maar op. Mevrouw Straus heeft zojuist gezegd dat de opvang van tienermoeders structureel gefinancierd lijkt te worden, maar de opvang van andere groepen niet. Ik mag hopen dat dit zo is, want ik heb dat niet direct in de stukken gelezen. Daarom heb ik daar in mijn bijdrage ook naar gevraagd. Zijn tienermoeders naar de mening van de VVD een aparte categorie? De VVD zegt dat je voor speciale groepen afspraken op rijksniveau moet maken over het verdelen over of centreren van de hulpverlening op bepaalde plekken in het land, maar wie zijn deze speciale groepen in de ogen van de VVD?

Mevrouw Straus (VVD): Het is lastig te zeggen welke groepen specifiek zijn en welke niet. Dat kan namelijk in de tijd veranderen. De groep slachtoffers van eergerelateerd geweld vinden wij nu een speciale groep, maar tien jaar geleden hadden wij die groep wellicht niet als zodanig geïdentificeerd. Mij lijkt het niet goed om daarvoor criteria op te stellen, zodat een bepaalde groep voor de eeuwigheid een specialistische groep is. Dat kan immers door de tijd veranderen. Het gaat er mij om dat wij in 95% van alle verzoeken van opvang die worden gedaan, in welke vorm dan ook, de mensen het best dicht in de buurt, in de regio, kunnen opvangen. Er zijn echter groepen – ik heb onder andere tienermoeders genoemd – die gerekend kunnen worden tot een specifieke categorie. De staatssecretaris wil dat specifieke expertise ook langzaam maar zeker naar de gemeenten overgaat, maar wij zullen goed moeten bekijken of dat ook wel mogelijk is. De instellingen waarover ook in de motie-Berndsen/Van Nieuwenhuizen is gesproken, hebben echter bewezen dat zij bijvoorbeeld slachtoffers van eergerelateerd geweld of loverboys beter kunnen opvangen dan andere organisaties in Nederland. Ik vind het de moeite waard om daar specifiek aandacht voor te hebben.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): En welke sturing door het Rijk is dan naar de mening van mevrouw Straus nodig? Aan welke typen afspraken denkt mevrouw Straus om dit te regelen en te borgen?

Mevrouw Straus (VVD): Daar zijn verschillende mogelijkheden voor. Daarom vraag ik ook aan de staatssecretaris waarom zij het bij de ene groep anders wil doen dan bij de andere groep. Er zijn namelijk heel veel manieren om dit te organiseren. Ik ga nu geen uitspraak doen over wat de beste manier is, want misschien is er wel een veel betere manier waar ik nog niet aan heb gedacht. Het gaat er mij om dat specifieke expertise op basis van een landelijke toegankelijkheid beschikbaar blijft.

Met de decentralisaties op het sociale domein komen dakloze jongeren sterker op het netvlies van gemeenten. Gemeenten kunnen voor maatwerk zorgen en hen helpen om weer een normaal bestaan op te bouwen. Dat kan op het vlak van wonen en zorg, maar zeker ook op het vlak van werk of scholing. Bij mijn werkbezoeken heb ik gemerkt dat vooral onderwijs en werk voor dakloze jongeren echt nog onvoldoende uit de verf komen. Er wordt vooral voor jongeren gezorgd in plaats van dat zij worden geholpen om snel weer voor zichzelf te kunnen zorgen. De VVD heeft als uitgangspunt dat jongeren of op school zitten, of aan het werk zijn. Wat gaat de staatssecretaris doen om ervoor te zorgen dat deze jongeren weer terug naar school gaan of veel meer dan nu in de opvang worden begeleid naar werk? Het merendeel van hen wil graag werken. Ze zijn ook gemotiveerd om uit de situatie te komen waarin ze verkeren.

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Ik vertelde net dat ik een voormalige zwerfjongere coach. Zij wil heel graag weer naar school. Zij is dus heel blij met uw betoog, maar zij vertelde mij ook dat je gewoon niet naar school kunt als je schulden hebt. Dat kan niet. Je moet immers werken om de schulden af te betalen. Is mevrouw Straus net als ik van mening dat het een goed idee is om speciaal voor jongeren een schuldenregeling op te stellen waardoor ook zij de kans hebben om onder voorwaarden een opleiding met een diploma af te ronden en daarna de schulden af te betalen?

Mevrouw Straus (VVD): Mijn collega Azmani heeft de schuldhulpverlening in zijn portefeuille. Hij heeft tijdens de Kamerdebatten die daarover gaan, echt heel veel aandacht gevraagd voor preventie van schuldenopbouw en voor schuldhulpverlening. Als gemeenten kiezen voor een specifieke aanpak van jongeren, wil ik elk geval graag weten wat die specifieke aanpak dan precies inhoudt en op welke gebieden deze wellicht voordelen biedt ten opzichte van een generieke aanpak. Daar zouden wij dan zeker serieus naar moeten kijken. Wellicht kunnen wij die dan als een best practice in het land promoten.

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Ik ben blij dat mevrouw Straus mijn intentie deelt, maar hiervoor is een wetswijziging nodig. Je hebt immers te maken met landelijke regelingen zoals de WSNP (Wet schuldsanering natuurlijke personen), het wettelijke schuldtraject. Die is zo «one size fits all» dat zwerfjongeren per definitie buiten de boot vallen. Steunt mevrouw Straus ons voorstel om deze wet te wijzigen?

Mevrouw Straus (VVD): Om daarop te kunnen antwoorden zou ik eerst de precieze voor- en nadelen van dat voorstel moeten onderzoeken, maar ik sta daar in principe niet afwijzend tegenover.

De voorzitter: Mevrouw Straus gaat verder met haar betoog.

Mevrouw Straus (VVD): De kinderen die in de maatschappelijke opvang verblijven, gaan mij ook als moeder erg aan het hart. Hoe kunnen wij voorkomen dat zij daar terechtkomen? Vaak zijn hun moeders vrouwen zonder inkomen die door hun man, soms van het ene op het andere moment, uit huis zijn gezet. Hoe komt het toch dat er in Nederland anno 2012 nog steeds zo’n grote groep vrouwen is die economisch onzelfstandig is? Ook hier kan de gemeente het verschil maken, allereerst door ook deze vrouwen aan het werk te helpen, maar bijvoorbeeld ook, zoals in Gouda, door vroegtijdig op te treden als mensen op straat dreigen te komen staan. In dit kader wil ik aandacht vragen voor lotgenotencontact en voor de inzet van ervaringsdeskundigen. Zij werken heel goed, kennen weinig bureaucratie en hebben korte lijnen, veel actie en een grote betrokkenheid. Door dit op gemeentelijk niveau te organiseren, kun je ook een appel doen op de mensen in de buurt, het dorp of de stad om als vrijwilliger ondersteuning te bieden bij het realiseren van activiteiten voor deze kinderen. De VVD hoort graag van de staatssecretaris wat haar inzet op dit punt is.

De voorzitter: Voordat ik het woord geef aan de staatssecretaris, deel ik mede dat mevrouw Dijkstra de zaal heeft moeten verlaten vanwege persoonlijke omstandigheden.

Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Voorzitter. Ik dank de woordvoerders voor hun inbreng. Vanuit veel verschillende invalshoeken zijn mij adviezen gegeven en vragen gesteld. Als wij over dit soort zaken praten, probeer ik zo veel mogelijk om niet te labelen. Ik ga ervan uit dat ieder van ons, als hij maar genoeg tegenslag krijgt, op een gegeven moment zo wanhopig kan worden, dat hij alle aansluiting met de maatschappij kwijtraakt. Dat wordt ook bevestigd in gesprekken die ik bijvoorbeeld heb gevoerd met mensen van het Leger des Heils. Dan ben je een van de mensen die schuilgaan achter een getal dat staat voor het aantal bedelaars of zwerfjongeren of voor het aantal mensen in de maatschappelijke opvang. Als je nagaat hoe dat nou is gekomen, dan blijkt inderdaad dat allerlei dingen al klaar lagen – een gezin waarin dit al veel vaker was voorgekomen, een gezin waarvan de ouders problemen hebben met alcohol of drugs, of waar sprake is van beperkingen – en dat het voorzien had kunnen worden. Er zijn echter ook veel volwassenen en kinderen waarbij je denkt: dat had mij ook kunnen overkomen. Vanuit die invalshoek wil ik er graag naar kijken.

Als wij spreken over groepen – tienermoeders of zwerfjongeren of slachtoffers van eergerelateerd geweld – praten wij al vanuit de oplossingen die in het beleid zijn opgenomen of die door de zorgverleners zijn bedacht. De mensen over wie wij spreken, hebben zelf vaak niet het gevoel dat zij onderdeel zijn van de vereniging van vrouwen die slachtoffer zijn geworden van eergerelateerd geweld. Ik zal mijn best doen om datgene wat nu op tafel ligt, zo veel mogelijk te zien als een, naar ik hoop, korte episode in het leven van een medeburger. Of het nou gaat om maatschappelijke opvang of om opvang van slachtoffers van geweld, beide vormen van opvang zie ik als een time-out, als een tijdelijke voorziening. Het doel daarvan is dat deze mensen, doordat wij hun op deze manier aandacht geven, even kunnen uitrusten. Met hen wordt een gesprek gevoerd waarin wordt nagegaan hoe het allemaal zo is gekomen, wat kan worden gedaan om het weer in orde te maken en welke eerste stap kan worden gezet. Dat geldt voor alle mensen in de verschillende vormen van opvang. Dat kun je met een technisch woord «trajectbenadering» noemen. Je kunt ook spreken over experimenten die zijn uitgevoerd en wetenschappelijk zijn onderbouwd, maar laten wij het alsjeblieft terugbrengen tot de kern. Het gaat om mensen aan wie wij graag willen vragen hoe een en ander is gekomen en met wie wij samen willen bekijken hoe de dingen weer in orde kunnen komen. In dat licht wil ik graag de vraag beantwoorden die tot mijn verbazing aan mij is gesteld, namelijk hoe ik denk dat het komt dat iemand anders steeds meer bedelaars signaleert. Ik word inderdaad ook vaak aangesproken en gevraagd of ik wat geld overheb. Ik vraag aan die persoon dan altijd even wie hij is, waarvoor hij het geld nodig heeft en hoe hij in die situatie is beland. Er zit een scala aan verschillende verhalen achter. Inderdaad, de laatste tijd zie ik heel vaak vrouwen, soms met kinderen bij zich, die mij niet in het Nederlands kunnen antwoorden en die mogelijk uit een ander land komen. Wellicht voorzien zij op deze manier in hun broodwinning omdat dit hun normale manier van leven is. Ik denk bijvoorbeeld aan de Roma. Ik heb daar geen pasklaar antwoord op. Ik zie alleen dat dit beweegt en dat ik inderdaad vaker dan ik gewend was, word aangesproken en word gevraagd of ik nog wat geld voor hen heb. Nederland heeft op dit moment 300 mln. beschikbaar voor de opvang. De oplossingen voor de individuele mensen over wie wij praten, in welke opvang ze ook zitten, willen wij dicht bij die mensen zoeken. Dat doen wij door dit soort gesprekken. Wij noemen dat «keukentafelgesprekken». Nederland is een rijk land en heeft een ongelooflijk goed stelsel. Het barst hier van de voorzieningen. Tegelijkertijd moet ik echter constateren dat de voorzieningen, ondanks dat alles, zo ontzettend verkokerd en ingewikkeld zijn dat de mensen in de opvang niet zozeer klagen over armoede, maar verstrikt zijn geraakt in allerlei regels en wetgeving en in de verkokering van de verschillende onderdelen van de zorg. Alle voorstellen die de leden hebben gedaan om dat probleem te slechten, zal ik onmiddellijk bij mijn overwegingen betrekken. Ik heb van de SP een echt lijstje gekregen. De Partij van de Arbeid en andere partijen hebben mondeling punten genoemd. Ik ga deze zaken zeker betrekken bij het jeugdbeleid.

Ik ga eerst in op het jeugdbeleid. Ik ben bezig met een nieuwe wet op de jeugdzorg. Met deze wet worden drie doelen nagestreefd. Het eerste doel is dat ieder kind in Nederland een dak boven zijn hoofd heeft als het volwassen wordt. Het moet voorts iets om handen hebben waarin het goed is en waardoor het mee kan doen in de samenleving. Verder moet het kunnen liefhebben en relaties kunnen aangaan, want in deze samenleving heb je elkaar nodig. Dit zullen ook de drie doelstellingen zijn die genoemd worden in een gesprek met zwerfjongeren, in mijn gesprek met de Federatie Opvang en in mijn gesprek met de gemeenten. Er kan dus geen sprake van zijn dat opvanginstellingen of gemeenten tegen iemand zeggen dat hij op grond van dit of dat criterium of op grond van een regiovisie niet in aanmerking komt voor opvang. De opvang moet mensen immers een helpende hand bieden, juist als ze het zelf niet gekund hebben. Dat regel ik. Niet in de wet op de zorg voor jeugd, maar in de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daaraan zijn aandachtsgebieden toegevoegd. In artikel 7 staat heel nadrukkelijk dat er een verplichting is voor deze opvang. Er komt ook heel nadrukkelijk in te staan hoe wij willen dat er gekeken naar het fenomeen geweld en afhankelijkheidsrelaties en het onderaan de maatschappelijke ladder komen. Je moet het voorkomen, preventie dus. Als je het kunt signaleren, moet je dat ook doen. Als het gesignaleerd is, moet je het stoppen. Als je voor tijdelijke opvang hebt gezorgd, moet je ook zorgen voor nazorg. Die vier elementen staan in mijn brief over geweld en afhankelijkheidsrelaties. Je kunt deze een-op-een doortrekken als het gaat om de maatschappelijke opvang. Of iemand nu geslagen is, verkracht is of zo in de steek gelaten is door zijn eigen netwerk of de maatschappij dat hij in de opvang terechtkomt, in mijn opinie verschilt dat niet zo veel voor wat dit met een individu doet.

Tot zover mijn algemene inleiding. Ik wil nu verdergaan met de maatschappelijke opvang. Daarna zal ik praten over geweld en afhankelijkheidsrelaties. Nogmaals, het kunnen best dezelfde mensen zijn.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Is de staatssecretaris hiermee ingegaan op de opmerking over zwerfjongeren?

De voorzitter: Dat komt nog. Dit was een algemene inleiding.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Ja. Zwerfjongeren vallen in dit debat onder maatschappelijke opvang.

Hoe is de maatschappelijke opvang geregeld? Wij hebben hiervoor een zogenaamd stedelijk kompas laten ontwikkelen. In 2010 heeft de monitor aangegeven dat dit uitermate succesvol is. Ik kan mij voorstellen dat dit soort woorden nog helemaal niets betekent. Het komt erop neer dat er in een groter gemeentelijk verband, namelijk beginnend bij de vier grootste gemeenten, in onderlinge afspraak in 2006 een manier van werken gestart is. Toen ik hiervan voor het eerst hoorde, heette het tot mijn grote schrik Daklozen van de straat. Dat zegt al wat. Het resultaat van dit traject is ook dat er minder daklozen op straat zijn. Ik word wel verdrietig van dit soort getallen en bewoordingen. Het heeft echter wel iets opgeleverd. Als iemand zich aanmeldde bij de opvang, vond er een gesprek plaats om te kijken wat die persoon in huis had om wel mee te kunnen doen in de samenleving. Dat is de enorme winst die gemaakt is. Dat heeft met een andere manier van denken te maken. Lof dus voor degenen die dit hebben gedaan. In getallen heeft het 7500 mensen in een inmiddels stabiele situatie gebracht: stabiele huisvesting, een geregeld en legaal inkomen en een stabiel contact met de hulpverlening. Dat zijn de drie doelen die je ieder kind gunt.

Dit is een heel stabiele situatie. Wij willen daar echter heel nadrukkelijk niet tevreden mee zijn. Wij willen de volgende fase in van dit landelijke project: de fase van het voorkomen dat risicogroepen in zo’n situatie terechtkomen. Alle nu nog bestaande regels willen wij slechten.

Op rijksniveau kan ik een heleboel regels niet afschaffen. Ik zal nooit zeggen: ik ga er niet over, de gemeente gaat erover. Als wij onze stelselwijzigingen doorzetten kunnen de gemeenten alle potjes geld bijeenbrengen die nu apart worden aangewend voor één plan en één gezin. Ze kunnen ook kijken welke regelgeving belemmerend is om te komen tot een goede oplossing. Daarmee is men in het kader van die stedelijke kompassen goed bezig. Wij zijn intensief in gesprek om te bezien waar wij vat kunnen krijgen op de contraproductieve regels, ook als gaat om wetten op het terrein van de minister van Sociale Zaken of van Onderwijs. Ik doe dat samen met de andere bewindslieden. De kansen liggen bij de gemeenten, maar ik zeg nadrukkelijk niet dat ik er niet over ga. Ik houd nadrukkelijk wel een vinger aan de pols.

Ik ga in op enkele concrete vragen. Mevrouw Joldersma vraagt of mensen in de tweede fase niet te veel zorg geboden wordt. Ontneem je ze dan niet de mogelijkheid om weer op eigen benen te gaan staan? De meeste gemeenten zoeken heel goed de klik met de persoon die ze weer op de been aan het helpen zijn. Als je met zwerfjongeren spreekt, blijken zij van energie te barsten. Heel vaak gaat die gepaard met een prachtige illustratie van de uitdrukking «van het kastje naar de muur» en van de idiote behandeling die ze soms hebben gekregen. Dat levert ook weer energie op. In ieder verhaal zit ergens een stukje waaruit blijkt wat het kind graag wil bereiken. Vaak begint het met een dak boven het hoofd. Dit geeft goede aanknopingspunten voor de tweede fase. Als je hoort hoe een en ander gekomen is, kun je preventieve maatregelen nemen. Ik stel hiervoor de kaders. Ik spreek hierover ook met de Federatie Opvang en met de gemeenten. Maar ik kan veel slechter beoordelen wat jonge mensen, zoals de jonge mensen die hier aanwezig zijn op de publieke tribune, specifiek nodig hebben. Ik wil graag dat een persoon in de gemeente met hen praat en de problemen oplost. Krijg ze in beeld, houd ze in beeld en geef ze aandacht totdat ze echt weer op eigen benen staan. In die zin is casemanagement inderdaad heel belangrijk.

De voorzitter: Mevrouw Bouwmeester wil interrumperen. U hebt maar één interruptie. Weet u dat?

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Ja, ik heb er maar één. De staatssecretaris is met haar mooie woorden goed op weg om moeder van alle zwerfjongeren te worden. Zij zei iets heel belangrijks: krijg ze in beeld, houd ze in beeld en geef ze wat ze nodig hebben. Tegelijkertijd horen wij van de jongeren zelf en van de mensen die hen begeleiden dat er drie grote problemen zijn: geen inkomen, onvoldoende begeleiding en schulden. Daardoor krijgen ze vaak geen huis. Als je geen huis hebt, heb je geen stabiliteit en geen werk. Die cirkel moet doorbroken worden. Deze drie kernproblemen zijn eigenlijk al jaren bekend. Er moet een doorbraak komen. Wat gaat de staatssecretaris hieraan doen?

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Op zeer korte termijn heb ik een overleg met staatssecretaris De Krom en minister Van Bijsterveldt. De vorige keer hebben wij met alle landelijke organisaties en belangengroepen gesproken over jeugdwerkloosheid. Uit die overleggen – gemeenten zijn daar vaak bij aanwezig – komen deze problemen dikwijls naar voren. Twee van de problemen die mevrouw Bouwmeester noemt, liggen op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik zal ze daar zeker agenderen. Als iemand in de jeugdzorg geweest is en hij wordt niet op tijd bij het UWV aangemeld, krijgt hij te maken met die vervelende vier weken wachttijd alvorens een uitkering te krijgen. Je kunt dat ook vier weken van tevoren doen. Dat kan ik doen in de jeugdzorg om ervoor te zorgen dat de inkomenspositie verbeterd wordt.

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): De problemen zijn erkend. Dat is al een belangrijke eerste stap. De grote vraag is nu: wie gaat wat doen? Deze belangrijke problemen liggen op tafel, de staatssecretaris neemt haar verantwoordelijkheid op het terrein van de jeugdzorg, maar nu moeten Van Bijsterveldt en De Krom actie ondernemen. Als zij dat doen, komt het goed met deze jongeren. Doen zij dat niet, dan blijven wij nog heel lang in een cirkeltje ronddraaien. Op welke manier kunnen wij de staatssecretaris helpen om ervoor te zorgen dat de andere bewindslieden ook bewegen? Dan kunnen wij die cirkel doorbreken. Wij zien allemaal dat de staatssecretaris het wil. Ik hoop dat zij ons een goed antwoord kan geven.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Ik inventariseer over welke maatregelen deze jongeren struikelen. Dat neem ik mee in het overleg. Overbodige maatregelen kunnen wij op vrij korte termijn afschaffen. Ik moet natuurlijk wel eerst met de andere bewindspersonen in overleg. De Kamer helpt mij al door dit in het debat in te brengen. Mevrouw Bouwmeester helpt mij ook met haar zeven concrete punten. Om aan te geven dat ik dit op de agenda wil houden, stel ik voor om de Kamer met enige regelmaat te laten weten wat ik op dit terrein heb gedaan. In een eerder stadium heb ik gezegd dat ik ieder half jaar zal rapporteren over geweld en afhankelijkheidsrelaties. Ik wil dat namelijk geïntegreerd aanpakken. Ik kan dit ook doen voor opvang. De specifieke vragen in verband met zwerfjongeren kunnen wij hierin meenemen. Op die manier houd ik ze op de agenda.

De voorzitter: Ik ga u onderbreken en ik zal ook zeggen waarom. Wij hebben nog maar drie kwartier en er liggen nog heel veel vragen. Wij moeten een beetje tempo gaan maken.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Als mevrouw Bouwmeester tevreden is, hebben wij het goed gedaan.

Ik zal er in ieder geval voor zorgen dat de club jongelui die er bovenop gekrabbeld is, ondersteuning kan blijven geven aan de eigen doelgroep. Ik zet de subsidie dus door. Ik zie ze als een belangrijke partner, als ervaringsdeskundigen. Adopteren gaat mij eerlijk gezegd wat ver, maar ze zijn welkom.

Ik wil apart stilstaan bij de dakloze gezinnen. Vaak praten wij over individuen. Op tv hebben wij het voorbeeld gezien van een heel gezin in een auto. Eerst dacht ik dat ze in die auto voor de school geslapen hadden, maar dat was gelukkig niet waar. Het feit dat een heel gezin aanklopt bij de opvang, betekent dat deze mensen de onderlinge relatie proberen vast te houden. Ze proberen nog net het laatste stukje veiligheid bij elkaar te vinden. Ik zal hier een apart agendapunt van maken. Dit is namelijk net even iets anders dan individuele mensen over wie wij het tot nu toe hebben gehad. Met de Federatie Opvang en de gemeenten zal ik hiervan een agendapunt maken. Ik hoop dat het niet al te vaak voorkomt. Als het voorkomt, moeten wij natuurlijk kijken hoe dat komt, maar vooral ook hoe wij ervoor kunnen zorgen dat ze bij elkaar blijven. Dat had men van mij ook kunnen verwachten, gezien mijn achtergrond.

Wat de woningbouwcorporaties betreft: die kunnen wij daarbij inschakelen. Ik kan mij heel goed voorstellen dat het begint met een plek voor jezelf. Wij zullen dit punt meenemen.

Van lotgenotencontact is sprake bij zwerfjongeren. Ik kan mij voorstellen dat het troostend is om te merken dat anderen, die hetzelfde hebben meegemaakt, er weer bovenop gekrabbeld zijn. In de tweede fase is lotgenotencontact onderdeel van het versterken van de eigen kracht; daar past het regelrecht in. Je moet niet een sticker krijgen waarvoor je je moet schamen, integendeel.

Over de landelijke toegang tot maatschappelijke opvang kan ik kort zijn: dat is wettelijk bepaald. Als gemeenten zich hieraan niet houden, komen wij in de sfeer van sancties terecht. Vooralsnog gaat het om betrekkelijk kleine aantallen. Het staat op de agenda van de VNG, want gemeenten gaan wel heel onnozel met veel geld om als ze mensen over de schutting willen gooien in plaats van opvang als een gemeenschappelijke taak te zien. Ik ga ervan uit dat dit goed gebeurt. Zo niet, dan staat dit haaks op de bedoeling.

Afgelopen winter heeft het op een nacht 22 graden gevroren. Ik weet van de mensen van de opvang dat ze overal geweest zijn, in alle schuurtjes waarvan ze wisten dat sommigen daar een fles verstopt hadden. Helaas zijn drie mensen aan de aandacht ontsnapt. Een was gaan zitten in een bijgebouwtje van een woning waarvan de bewoners niet thuis waren. Een is in de auto blijven zitten en een heeft de opvang weer verlaten, heeft een borreltje gedronken en is vervolgens op een bankje gaan zitten. Alle drie zijn door de kou om het leven gekomen. Ik heb medewerkers van het Leger des Heils gezien die deze mensen kenden. Ik kan u verzekeren dan niemand in welke opvang dan ook onder dit soort omstandigheden wordt weggestuurd. Dat zal ook niet gebeuren, zeker niet door ons.

Bij «grensstrook» denken wij over het algemeen aan grenzen tussen landen. In dit geval gaat het om iets anders: de grensstrook tussen twee regelingen. Het is afschuwelijke ingewikkeld en ik ga een en ander dan ook in een brief verwoorden.

Wij zijn een rijk land. Wij hebben een stapeling van ongelooflijk veel regelingen. Pratend over dit onderwerp zie ik veel geld en veel mogelijkheden bij de decentralisaties. Daardoor kunnen wij het geld veel beter inzetten, op voorwaarde dat slechts één iemand zich bezighoudt met een persoon en er niet twintig mensen over de vloer komen bij één gezin. Er valt een wereld te winnen. Ik wil niet de koppeling maken tussen een stapeling van maatregelen en dit onderdeel van mijn portefeuille. Ik erken dat de mensen die hierin terecht kunnen komen, vaak dezelfde achternaam hebben. Vaak komen ze op dezelfde lijstjes terecht, in het kader van dezelfde maatregelen, omdat ze proberen om aansluiting te vinden bij de onderste sport van de maatschappelijke ladder. Dat fenomeen zal ik in de gaten houden. Dat is iets anders dan een direct verband tussen maatschappelijke opvang en een stapeling van maatregelen.

Mevrouw Kooiman (SP): Een beetje in de gaten houden vind ik te mager. Zoals de staatssecretaris terecht constateert, hebben wij te maken met een grote stapeling van maatregelen die dit kabinet neemt: in de Wajong, in de WSW, de ggz-bijdrage, bezuinigingen op de jeugdzorg, enzovoorts. Dat zijn allemaal bezuinigingen waar juist deze jongeren heel hard door getroffen worden. Hoe gaat de staatssecretaris dit volgen?

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Door middel van de monitor en gesprekken. Vaak zie je hetzelfde fenomeen terug. Jongeren kunnen inderdaad last hebben van het feit dat maatregelen als de Wajong op dit moment overhoop liggen. Als wij dit horen van gemeenten, nemen wij dit mee. Dat is een beleidsspeerpunt van de afgelopen twee jaar. Wij kijken welke dingen wij tegenkomen en welke landelijk opgelost kunnen worden. Als hieruit naar voren komt dat het gaat om de Wajong-uitkering, zet ik deze onmiddellijk op de agenda. Neem die vier weken tussen het moment van werkloos worden en het ontvangen van geld. Dan kijken wij hoe een prikkel inbouwen om te solliciteren zonder een jongere daardoor tussen wal en schip te laten vallen.

Mevrouw Kooiman (SP): Over die vier weken gesproken: wij weten dat jongeren niet in de opvang met begeleiding terechtkunnen als ze geen inkomen hebben. Dan kunnen wij die vier weken voor deze jongeren afschaffen, lijkt mij. Wij hebben dit geconstateerd. De Stichting Zwerfjongeren constateert het. Ik constateer het in mijn onderzoek bij 23 instellingen. Waarom schaffen wij dit niet af?

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Wij hebben gekozen voor een andere tegemoetkoming. Onder andere om dit probleem op te lossen heeft het kabinet – minister Kamp is hierin de voortrekker – de bijzondere bijstand verruimd voor gevallen waarin zich een stapeling van maatregelen kan voordoen. Mocht dit voorkomen, dan zijn er mogelijkheden om een beroep te doen op de bijzondere bijstand. Hiervoor is 90 mln. beschikbaar. Het gat kan dan gevuld worden met geld uit de bijzondere bijstand. Op gemeentelijk niveau kan hiermee creatief omgegaan worden. Er hoeft dus geen gat te vallen. Als wij structureel tegenkomen dat kinderen eerder tussen wal en schip vallen dan dat ze geprikkeld worden om te gaan solliciteren, hebben wij iets verkeerds bedacht. In dat geval heeft mevrouw Kooiman gelijk. Zover ben ik echter nog lang niet.

De voorzitter: De staatssecretaris vervolgt haar betoog. Wij hebben nog een tweede termijn.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Mevrouw Voortman heeft gevraagd naar de huurtoeslag. Huurtoeslag valt natuurlijk onder Binnenlandse Zaken. Het betekent niet dat er automatisch meer dakloosheid zal zijn. Het is wel een van de fenomenen waar ik op zal letten in het kader van zwerfjongeren. Ik heb al gezegd dat ik het gevaarlijk vind om een directe correlatie met maatregelen te zien. Een van de drie dingen die ik ieder kind gun, is een dak boven het hoofd. Ik wil kijken wat dit betekent.

Housing First is een principe en een methodiek. Onder een aantal voorwaarden word je geholpen met een dak boven je hoofd. Uit onderzoek van de Radboud Universiteit blijkt dat meer dan drie kwart van de jongeren die op deze manier weer onder dak geholpen zijn, duurzaam een dak boven het hoofd heeft. Het is een van de goede voorbeelden van het weer op de been helpen van jonge mensen via trajectbenadering.

Volgens mij heb ik al toegezegd dat ik de vragen van mevrouw Kooiman, de factsheet, over een dak boven het hoofd meeneem, inclusief regelgeving. Dat laatste voeg ik er zelf aan toe.

Dan kom ik bij geweld en afhankelijkheidsrelaties. Mevrouw Wiegman begon haar betoog met een verwijzing naar de commissie-De Jong. Zij deed dat terecht, want zij heeft het onderzoek van de commissie-De Jong geïnstigeerd. De commissie-De Jong heeft belangrijke aanbevelingen gedaan over de opvang. Ik neem deze ook over. Er wordt in ketensamenwerking gewerkt. Verder wil ik de positie van slachtoffers versterken, met name door deze wettelijk te verankeren in de Wmo.

Mevrouw Wiegman vraagt voorts waarom ik niet nog meer aanstuur vanuit het Rijk. Ik wil nogmaals schetsen dat ik alles zal steunen wat leidt tot een betere dienstverlening op individueel cliëntniveau. Als ik zeker weet dat een bepaald initiatief effectief is voor tienermoeders, zwerfjongeren of vrouwen die eergerelateerd geweld hebben ondergaan, zal ik die methodiek of die vorm van opvang ten volle steunen. Soms worden er bijvoorbeeld op een universiteit of in een bepaalde pilot methoden ontwikkeld die landelijk nodig zijn. Ik zal er altijd naar streven dat iedereen die iets nodig heeft, dat kan krijgen op de meest geschikte plek. Vaak is dat dicht bij huis, maar soms is het juist ook niet dicht bij huis, bijvoorbeeld bij eergerelateerd geweld. Ik wil differentiëren in de verschillende vormen van hulp die een individuele hulpvrager nodig heeft. Ik zal het systeem niet vast timmeren op aanbiederniveau door te zeggen: deze aanbieder heeft iets zo goed ontwikkeld dat alleen deze aanbieder mag leveren, voor het hele land en tot in de verre toekomst. Dat is vaak het visieverschil als wij spreken over de individuele financiering van individuele voorzieningen. Ik heb zo-even mijn algemene beleid aangegeven.

Tot nu toe waren dingen landelijk geregeld. Door de transitie kunnen zaken op gemeentelijk niveau terechtkomen. Er is met de transitie een verhuizing gaande. Op een van de verhuisdozen staat «fragiel». Dat gaat nadrukkelijk om een aantal groepen dat nu onder de landelijke opvang valt. Ze gaan straks naar een gemeentelijk aandachtsgebied. Wij willen niet dat ze tussen wal en schip raken in de warrige fase van de transitie. Er zijn een heleboel groepen. Een ervan is net door mevrouw Wiegman genoemd: de tienermoeders. Wij hebben de subsidie voortgezet. Afgelopen week hebben wij in het debat waar ook staatssecretaris Teeven bij was, gesproken over Asja II. Wij hebben gezegd: wij zorgen ervoor dat het bij deze kleine groep zachtjes landt, opdat dit niet al te veel verwarring geeft tussen nu en 2015. Ik houd vast aan het principe van passende zorg op de plek waar mensen die nodig hebben. Ik wil niet dat er in de transitie van centraal naar decentraal dingen verloren gaan die nu verwezenlijkt zijn. Soms zijn er in de transitie heel kleine hulpvragen, kleine groepjes. Ik denk aan mensen die zowel doof als blind zijn, aan tienermoeders of aan mensen met een antroposofische achtergrond. Het gaat om kleine groepen, maar deze willen wel kunnen rekenen op een landelijke aanbieder. Dat is inderdaad een aandachtsgebied in alle transities. Of het nu gaat om de jeugd, de Wmo of dit punt, ik heb een lijst van kwetsbare groepen waar wij extra alert op zijn. Allemaal illustreren ze het feit dat «one size fits nobody». Voor de individuele hulpvrager is het individuele aanbod passend. Ook al komt het maar 100 keer per jaar voor, het aanbod hoort er te zijn.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): De beantwoording van de staatssecretaris geeft mij wel wat hoop. Door haar brief ben ik echter behoorlijk in verwarring gebracht. Enkele citaten. «Gedecentraliseerd beleid moet ook echt decentraal vorm krijgen.» «Alle gemeenten verantwoordelijk voor de hele ketenaanpak.» Neem tienermoeders, neem slachtoffers van loverboys. Ik vind het lastig om voor mij te zien hoe dat precies moet. Het principe is mooi, maar wij weten allemaal dat het niet te doen is. Het is ook niet slim om alle gemeenten op de een of andere manier een opvang voor slachtoffers van loverboys te laten realiseren. Hoe kan de staatssecretaris garanderen – dan is er toch rijkssturing nodig – dat er opvang is voor die specifieke groepen op terreinen die eigenlijk regio- en gemeente-overstijgend zijn? In de brief staat dat zij geen strakke prestatieafspraken zal maken. Hoe kan zij garanderen dat er op deze terreinen wel strakke prestatieafspraken gemaakt worden?

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Dat zijn twee verschillende dingen. Ik zeg dat gemeenten allemaal verantwoordelijk zijn voor een ketenaanpak. Dat is een organisatorische eis aan gemeenten. Met «ketenaanpak» bedoel ik preventie, signaleren en opvang. Je wilt niet dat in de gemeente Bieberadeel, om maar wat te noemen, heel sterk wordt ingezet op preventie en in een andere gemeente niet. Dan krijg je verschuivingen waardoor gemeenten die het goed doen, misschien de dupe worden van gemeenten die het niet goed doen. Ik wil dat alle gemeenten de ketenaanpak hanteren, vandaar die opmerking in de brief. Tegelijkertijd vind ik dat al die individuele vragen beantwoord moeten blijven worden, ook al is er maar een heel kleine vraag naar. Ik denk dat mevrouw Wiegman gerustgesteld kan zijn dat dit een gezamenlijke doelstelling is bij de transitie die overigens nog enkele jaren duurt. In deze transitie werken de gemeenten nauw met mij samen. In zekere zin is er dus een rijkssturing van het transitieproces. Mogelijk heb ik de zorgen van mevrouw Wiegman kunnen wegnemen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Het is duidelijk geworden hoe ik het organisatorisch moet zien. Je kunt er echter niet omheen dat je uiteindelijk wel tot strakke prestatieafspraken moet komen. Je kunt immers niet zeggen: wij laten het wel aan de gemeenten over om te bepalen wat ze precies aan preventie gaan doen. Dan krijg je namelijk vervelende verschuivingen. Je moet dus een paar keiharde randvoorwaarden hebben. «Dit moet er minimaal aan preventie gedaan worden.» Wij gaan strakke afspraken maken. Wij inventariseren hoe groot landelijk de behoefte is aan bijvoorbeeld de opvang van slachtoffers van loverboys en waar expertise aanwezig is. Dan gaat het dus niet om behoud van organisaties, maar om behoud van expertise. Uiteindelijk moet je deze zien te centreren. Ik denk dus niet zozeer aan organisatie maar aan uitvoering.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Ik heb de Federatie Opvang en de VNG gevraagd om aan te geven hoe ze een en ander het liefst zouden willen inrichten, gegeven de vragen die er op dit moment zijn. Zij komen – zij moeten het immers ook uitvoeren – met voorstellen en adviezen. Binnen dat geheel is ook in beeld waar het specifieke aanbod is. Op een gegeven moment komt dat netjes bij elkaar.

De voorzitter: Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Zeg maar iets: in de eerstvolgende brief of zodra de VNG met een aanbod komt. Ik ga dat navragen. Zo snel mogelijk.

De voorzitter: Misschien kunt u ons dat nog in de tweede termijn melden. U vervolgt uw betoog.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Wat ga ik precies met het extra geld voor geweld en afhankelijkheidsrelaties doen? Ik heb hiervoor 34 mln. uitgetrokken. Dat is breed verdeeld, niet alleen over de opvang maar ook over de app voor social media, de app voor de verplichte meldcode, en de bijscholing van medewerkers opdat ze mishandeling kunnen signaleren. Verder is het geld bedoeld voor maatschappelijke instrumenten om kindermishandeling op tijd te signaleren. Het geld is dus verdeeld over een flink aantal aanjagende initiatieven die voor een groot deel uit de Kamer zijn voortgekomen.

Mevrouw Wiegman vraagt mij om een pilot te starten voor gezinsfinanciering. Het antwoord is «ja»: één gezin, één plan.

Asja en Zahir zijn twee opvangvoorzieningen die wij warm willen overdragen. Wij zullen erop letten dat er in de transitieperiode niets fout gaat. Over Asja 2 heb ik al een toezegging gedaan, samen met staatssecretaris Teeven.

Wat de vraag van mevrouw Straus betreft: het gaat om wat de groep nodig heeft. Soms gaat het om de borging in de transitie.

De brief over informele zorg heb ik geknipt. Ik weet niet of dat zomaar mag, maar ik heb het wel gedaan. Op mijn agenda stond een brief over informele zorg. Deze brief ging voor de helft over mantelzorg en voor de andere helft over vrijwilligers. Ik kreeg beide zaken niet gecombineerd. Mantelzorger, zo heb ik een aantal keren zelf ervaren, is iets wat je wordt zodra je relatie iets vreselijks overkomt en je onvrijwillig – niemand heeft hiervoor gekozen – in die positie terechtkomt. Vrijwilligerswerk is iets anders. Je wilt dan een extra bijdrage leveren zonder daarvoor geld terug te willen. In mijn opinie zijn dat volstrekt verschillende dingen. In het kader van de Wmo ben ik veel met mantelzorg bezig. Het stuk over mantelzorg behandel ik apart. Over vrijwilligers ontvangt de Kamer een brief van minister Spies en mij.

De voorzitter: Zijn er vragen blijven liggen?

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): De vraag over kinderen van ouders in de maatschappelijke opvang. Wat wordt hieraan preventief gedaan? Of denk aan KOPP/KVO-kinderen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik heb gevraagd naar de toegang tot maatschappelijke opvang voor bijvoorbeeld MOE-landers. Dit punt is toegevoegd aan de Wmo. Waarom? Wij komen hierover nog te spreken in de Kamer, maar ik zou graag een visie van het kabinet ontvangen. Het gaat immers maar om een paar procent.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Wat mij betreft hoeft een gezin niet uit vier of vijf kinderen te bestaan. Kinderen die met hun moeder meekomen, beschouw ik samen als een gezin.

Wat de MOE-landers betreft: ik ben ongeveer een half jaar geleden intensief bezig geweest om het gebruik van de maatschappelijke opvang als een soort bed and breakfast door met name vrachtwagenchauffeurs tegen te gaan. Wij vonden dat oneigenlijk gebruik. Inmiddels komt het bijna niet meer voor. Wat het wettelijk aanpassen van de toegang betreft, verwijs ik naar het wetsvoorstel dat in de Kamer ligt. Ik heb dit heel uitdrukkelijk op verzoek van gemeenten voorbereid. De maatschappelijke opvang, die 300 mln., moet beschikbaar zijn voor degenen die dat het hardst nodig hebben. Dat is mijn punt op de horizon.

Mevrouw Joldersma (CDA): Over die vrachtwagenchauffeurs zegt de staatssecretaris: het komt nu bijna niet meer voor. Twee jaar geleden is het in de Kamer aan bod gekomen. Toen is steeds gezegd dat het heel erg meeviel met die problematiek. Er is een wetswijziging gekomen die wij hopelijk binnenkort gaan bespreken. Zegt de staatssecretaris eigenlijk dat deze wetswijziging niet nodig is?

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: De gemeenten zijn veel strenger geworden. Zij hebben zelf selectiecriteria toegepast. Je hoeft niet voor alles een wet te maken, gemeenten kunnen heel veel dingen zelf regelen. Ik heb er recentelijk nog naar gevraagd: hoe zit het met dat fenomeen, moet ik er nog wat mee? Hierop antwoordde men dat het eigenlijk niet voorkomt.

Mevrouw Joldersma (CDA): Wij hadden een wetsvoorstel liggen. Vervolgens is er een nota van wijziging gekomen. Zegt de staatssecretaris hiermee dat de nota van wijziging overbodig was?

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Wij leven in een heel rijk land. Wij hebben een heel goede maatschappelijke opvang. Als wij oneigenlijk gebruik – dat was het in dit geval – in één geval hebben opgelost, wil dat toch niet zeggen dat het nooit meer voorkomt? In veel landen bestaat zo’n mooie voorziening helemaal niet. Ik ga ervan uit dat de maatschappelijke opvang altijd gevonden zal worden door mensen die uit armere delen van Europa komen waar die rijkdom niet bestaat. Dat zal altijd zo blijven.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Het is wel heel interessant. De oorspronkelijke wijziging ging over de eigen bijdrage. Later is er dit punt aan toegevoegd, zoals mevrouw Joldersma terecht aangeeft. Blijkbaar vroegen gemeenten daar om. Nu geeft de staatssecretaris aan dat er eigenlijk geen probleem meer is. Dan is de vraag wat hiermee wordt opgelost. Waarom zegt de staatssecretaris nog steeds dat er mensen zijn die ten onrechte gebruikmaken van die opvang? Waarop baseert zij dat?

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Ik heb zo-even gezegd dat het probleem dat afgelopen winter speelde, niet meer voorkomt. De gemeenten hebben de verantwoordelijkheid genomen om met de mogelijkheden die ze hebben, die mensen te bedienen die dat het hardst nodig hebben. Ik noemde het om aan te geven dat gemeenten instrumenten in handen gekregen hebben om het goed te organiseren.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Als wij met het wetsvoorstel instemmen, wordt er volgens mij een stukje overbodige regelgeving gecreëerd. Bovendien is een en ander in strijd met Europese regels, maar daar zal ik in mijn tweede termijn op ingaan.

De voorzitter: Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van de eerste termijn. Voor de tweede termijn stel ik een spreektijd van één minuut per spreker voor.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. De staatssecretaris deed een heel mooie uitspraak: het had mij ook kunnen overkomen. Ik realiseerde mij dat ook, toen ik afgelopen vrijdag meeging met de Soepbus.

Ik ben blij met de toezegging dat wij vat moeten krijgen op contraproductieve regels. Ik wil hieraan toevoegen: graag uit het perspectief van de hulpvrager. Ik kan mij voorstellen dat de regionale binding door een gemeente als uitkomst gezien wordt maar voor de hulpvrager juist contraproductief is. Daar zullen wij van af moeten.

Ik kijk uit naar het voorstel van de VNG en de Federatie Opvang, ook wat het verdeelmodel betreft. Wij zullen daarover dit jaar duidelijkheid moeten hebben. Het biedt perspectief op de toekomst. Vervolgens dient zich de belangrijke vraag aan welke vorm van rijkssturing wij kunnen verwachten.

Over gezinsfinanciering zegt de staatssecretaris: ja, één gezin, één plan. Ik vraag mij echter af hoe dat op dit moment werkt in de vrouwenopvang. Ik ben zeer recentelijk op werkbezoek geweest. Van «één gezin, één plan» was geen sprake. Het was trekken aan geld. Er was slechts één euro beschikbaar, of er nu een vrouw zat met één kind of een vrouw met vijf kinderen. Jeugdzorg was in die regio niet actief voor dit gezin. Ik zou hierover meer willen horen. Anders overweeg ik een motie. Dan lijkt een VAO mij een goed idee.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Ik heb zo’n mooi onderzoek gedaan onder 23 instellingen ... Ik heb dat samen gedaan met mijn medewerker die op de publieke tribune zit. Hij heeft er uren werk in gestopt. Wij doen een aantal aanbevelingen. De staatssecretaris zegt: wij nemen het mee. Naar mijn idee kun je ze zo overnemen. Ik sluit mij aan bij mijn collega die zegt: anders regelen wij het wel per motie. Mogelijk moeten de bewindslieden van Sociale Zaken en van Onderwijs ook bij het VAO aanwezig zijn.

Ik kreeg zo-even een kaart van de ex-zwerfjongeren die bij ons te gast zijn. Een van hen schrijft: ik hoop te kunnen blijven hopen. Ik vind dat een mooie afsluiting van dit debat; dat hoop ik ook.

Mevrouw Joldersma (CDA): Voorzitter. Ik ben blij met dit overleg en ook met de toezegging van de staatssecretaris. Ik ben een beetje gerustgesteld dat de ambities realistisch zijn. Ik ben blij dat de staatssecretaris zegt dat het in de tweede fase vooral gaat om het slechten van regels en het creëren van ritselruimte, met behulp van zo’n casemanager. Wij gaan een eerste stap vooruit zetten.

Ik heb nog twee vragen. Als ik alle stukken lees over regiovisies en wat dies meer zij, kom ik steeds prachtige doelstellingen tegen. Wij weten echter eigenlijk al dat wij die doelstellingen niet gaan halen. Dan kom ik terecht bij de vraag van mevrouw Wiegman: hoe gaat de staatssecretaris dit sturen? Gemeenten zullen immers zeggen: wij moeten bezuinigen en wij gaan het niet redden.

Over preventie heb ik gezegd dat ik een grote overlap zie wat de doelgroepen betreft. Over daklozen zegt de staatssecretaris: het had mij ook kunnen overkomen. Je kunt dakloos worden, je kunt crimineel worden of je kunt tbs’er worden. Dat had ons misschien ook allemaal kunnen overkomen. Zit er niet een grote overlap in de achterliggende oorzaken? Moeten wij niet een beetje af van dat hokjesdenken? Er zit immers zo’n overlap in zorgmijders en psychiatrische patiënten. Dat was ook mijn pleidooi in eerste termijn. Het ligt allemaal zo dicht bij elkaar, laten wij dit in de preventie op een goede manier benaderen.

Mijn laatste punt gaat over de opmerking van de staatssecretaris over de MOE-landers. Ik denk dat wij hierop terug moeten komen bij de behandeling van het wetsvoorstel eigen bijdrage maatschappelijke opvang.

Mevrouw Bouwmeester (PvdA): Voorzitter. Ik kan mij aansluiten bij de woorden van mevrouw Joldersma. Wij weten vaak waarom het misgaat met iemand. Wij weten het en toch gebeurt het voor onze ogen. Dat is super frustrerend.

Ik wil de staatssecretaris een compliment maken. Zij zei: ik ken de rapporten, ik ken de oorzaken, ik weet waar de knelpunten liggen en ik neem ze mee. De staatssecretaris is wel zo eerlijk om te zeggen dat zij niet namens staatssecretaris De Krom kan bepalen dat de schuldenproblematiek nu opgelost wordt. Zij neemt het echter mee en daarmee neemt zij een grote verantwoordelijkheid op zich. Ik vind dat heel positief. Mijn collega’s hebben al een beetje gedreigd met een motie. Volgens mij moet de staatssecretaris dat op een positieve manier zien. Wij helpen haar. Anders dwingt de Kamer die andere bewindslieden om hun werk te doen. Ik vind het positief dat de staatssecretaris zegt: hup, aan de slag.

Dan kom ik toe aan mijn vragen. Kan de staatssecretaris een brief sturen over de uitkomst van het overleg met haar collega’s? Waar liggen de kansen? Dan kunnen wij namelijk afvinken wat al geregeld is en wat er nog moet gebeuren. De staatssecretaris voert de regie. Zij is de moeder van de zwerfjongeren, maar bij welke staatssecretaris moeten wij verder nog flink gaan zeuren?

Mijn laatste vraag gaat over de kinderen van ouders in de maatschappelijke opvang. Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen problemen krijgen?

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Ik ben heel blij met de toezegging van de staatssecretaris dat zij gaat inventariseren welke neveneffecten van wetgeving jongeren belemmeren om uit de problemen te komen. Ik denk aan studiefinanciering, bijstand, et cetera. De staatssecretaris heeft toegezegd dat zij met een halfjaarlijkse rapportage komt. Dat klinkt op zich mooi. Dan krijg je elk half jaar zo’n rapportage. Die moet dan weer opgesteld worden. Dat kost ook wat ambtelijke inzet. Ik vraag mij af of wij het niet bij één lijst kunnen laten: wat zijn de belemmeringen op het terrein van werk, onderwijs, schuldenproblematiek en wonen, wat is daar de oplossing voor en wanneer komt de staatssecretaris hierop terug? Ik denk eigenlijk dat dit net zo gemakkelijk is als een halfjaarlijkse rapportage waar wij dan steeds op moeten wachten.

Mijn volgende punt gaat over de MOE-landers. Ik heb al gezegd dat het om een heel klein percentage gaat. De staatssecretaris heeft dat ook met zoveel woorden erkend. Realiseert het kabinet zich dat de voorgestelde wetswijziging in strijd is met het Europees Sociaal Handvest? Gezien de toch al belabberde reputatie van Nederland in Europa, is de kans reëel dat Europa Nederland terug zal fluiten. Dan wordt het eigenlijk een beetje symboolwetgeving. Ik hoor nu ook behoorlijk wat twijfels van andere fracties. Ik wil de staatssecretaris dan ook vragen of zij voor de behandeling van de wetswijziging een brief naar de Kamer kan sturen waarin zij aangeeft hoe deze wijziging zich verhoudt tot Europese regels.

Mevrouw Straus (VVD): Voorzitter. Ik ben blij dat de staatssecretaris begint met het uitgangspunt van kijken naar wat mensen nodig hebben. Zo zouden wij het volgens haar moeten inrichten. In dat kader ben ik blij met de toezegging van de staatssecretaris dat zij regels wegneemt die contraproductief zijn en dat zij ervaringsdeskundigen en lotgenoten inzet. Verder heeft zij de Federatie Opvang en de VNG gevraagd om een voorstel voor de opvang van specifieke groepen. Ik ben benieuwd hoe dat voorstel eruit zal zien. Ik zal er geïnteresseerd naar kijken.

Daarmee kom ik bij mijn vragen. Juist voor die specifieke groepen is het uitermate belangrijk dat die methodes of best practices vooral ook gedeeld worden in de sector. Hoe kijkt de staatssecretaris daartegen aan?

Landelijke toegankelijkheid is inderdaad wettelijk verankerd. Helaas is de praktijk anders. De staatssecretaris heeft dit punt bij de VNG op de agenda laten zetten. Wij blijven graag op de hoogte over de voortgang. Gemeenten worstelen hiermee.

Mijn laatste punt, dat mijns inziens te weinig aan de orde komt in de hele aanpak, gaat over toeleiding naar werk of onderwijs. De staatssecretaris zegt dat zij overlegt met haar collega-staatssecretaris en de minister van Onderwijs. Mij gaat het erom dat het ook in de praktijk van de maatschappelijke opvang tot uiting komt. De ketenaanpak mag zich niet beperken tot zorg en wonen; werk en scholing horen er ook bij.

Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner: Voorzitter. Mevrouw Wiegman heeft gevraagd naar het voorstel van de VNG en de Federatie Opvang. Voorjaar 2013 kan ik hierover rapporteren. In de voortgangsbrief over de transitie kan ik alvast een antwoord geven op enkele van haar vragen, zonder het hele rapport af te wachten. Ik kan mij voorstellen dat de Kamer anders denkt dat de oplossingen pas komen als de transitie afgerond is.

Mevrouw Joldersma vraagt of de transitie realistisch is. De opvang in verband met geweld in huiselijke kring gaat onder de compensatieplicht vallen. Dat wordt dus wettelijk geregeld. In de maatschappelijke opvang is al een aantal methodieken ingezet. Wat mevrouw Joldersma voorstelt, is allang niet meer projectmatig. Het is allang in de tweede fase van de transitie opgenomen. Ik ben hierover dan ook optimistischer.

Wat de brief over zwerfjongeren betreft: natuurlijk komt die voor de zomer. Volgende week hebben wij het overleg. Ik neem aan dat het verslag van het overleg openbaar is en dat ik het de Kamer kan toesturen; ik zie geen enkel probleem.

Mevrouw Voortman vraagt naar de relatie met Europese regelgeving, in het bijzonder het Europees Sociaal Handvest. Ik zal deze vraag meenemen en de Kamer hierover per brief informeren.

Ervaringen met methodiek delen wij heel nadrukkelijk. Wij hebben zeer regelmatige bijeenkomsten om best practices onderling te delen. Wij zullen daar heel nadrukkelijk mee doorgaan. Je kunt dit nauwelijks wetenschappelijk onderzoeken, je moet het hebben van best practices. Bij de transitie moeten wij het hebben van de gemeenten, van de ervaringen van de medewerkers aldaar en van de aanbieders.

Mevrouw Bouwmeester heeft specifiek gevraagd naar KOPP/KVO. Aan de uitvoering van de motie over het maken van een handreiking voor gemeenten wordt momenteel gewerkt. De Kamer wordt hierover binnenkort geïnformeerd.

Mevrouw Wiegman vroeg naar gezinsfinanciering. Wij gaan een experiment daarmee starten in Amsterdam. Dit punt hangt niet in de lucht. Het is in Mokum verankerd in een «mouwen opstropend» experiment.

De voorzitter: Ik constateer dat er een VAO is aangekondigd. De eerste spreker zal mevrouw Wiegman zijn.

Ik dank de staatssecretaris en haar ambtenaren. Ik dank ook de aanwezigen op de publieke tribune, speciaal de jongeren die hiernaartoe zijn gekomen. Zij hebben het twee uur volgehouden; dat is ook niet altijd gemakkelijk. Verder dank ik de leden voor hun medewerking om het AO tijdig af te ronden.