Kamerstuk 28345-204

Verslag van een algemeen overleg

Ouderenmishandeling

Gepubliceerd: 2 november 2018
Indiener(s): Helma Lodders (VVD), Post
Onderwerpen: criminaliteit openbare orde en veiligheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28345-204.html
ID: 28345-204

Nr. 204 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 2 november 2018

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 4 oktober 2018 overleg gevoerd met de heer De Jonge, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Vice-Minister-President, over:

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Vice-Minister-President d.d. 12 juni 2018 inzake beleidsreactie prevalentieonderzoek ouderenmishandeling (Kamerstuk 28 345, nr. 188);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Vice-Minister-President d.d. 27 september 2018 inzake reactie op verzoek commissie om een stand-van-zakenbrief inzake ouderenmishandeling en daarbij tevens te betrekken hoe het kabinet uitvoering geeft aan de door de Kamer aangenomen motie van het lid Ellemeet (Kamerstuk 31 765, nr. 300) (Kamerstuk 28 345, nr. 203).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De griffier van de commissie, Post

Voorzitter: Lodders

Griffier: Post

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Agema, Bergkamp, Geluk-Poortvliet, Hijink, Lodders, Sazias en Tielen,

en de heer De Jonge, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Vice-Minister-President.

Aanvang 10.03 uur.

De voorzitter:

Goedemorgen allemaal. Hartelijk welkom bij de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Vanmorgen gaan we met elkaar in debat over ouderenmishandeling. Ik heet de Minister en zijn ondersteuning, de Kamerleden, uiteraard u hier in de zaal en de mensen die dit debat op een andere manier volgen hartelijk welkom. Voordat we gaan beginnen heb ik een drietal mededelingen, allereerst de mededeling dat de heer Hijink na zijn inbreng ons helaas moet verlaten omdat hij nog een ander debat heeft. Dat geldt ook voor mevrouw Bergkamp, maar zij blijft ons vergezellen tot ongeveer halftwaalf. Het is dus van beiden geen desinteresse en het debat wordt ook gevolgd door de medewerkers. Mevrouw Sazias heeft aangegeven dat zij later zal aanschuiven vanwege het verkeer. Volgens mij hebben we daarmee de mededelingen gehad.

Ik wil met de leden afspreken dat we in eerste termijn een spreektijd hanteren van vier minuten met een tweetal interrupties. Ik geef graag als eerste het woord aan mevrouw Bergkamp. Mevrouw Bergkamp spreekt namens de fractie van D66. Gaat uw gang.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Dank u wel, voorzitter. We wisten eigenlijk zo weinig van ouderenmishandeling, maar het is een ernstig probleem. Daarom ben ik blij dat er nu voor het eerst een groot en gedegen onderzoek ligt naar de aard en omvang, in ieder geval een actueler onderzoek, nadat ik hier in 2013 al voor had gepleit. Je moet dus een lange adem hebben bij bepaalde onderwerpen. Maar we hebben het nu wel en de conclusies zijn niet mals. Een op de twintig thuiswonende 65-plussers krijgt te maken met een vorm van ouderenmishandeling: fysiek, psychisch, seksueel of financieel. Het is dus goed dat dit thema hoog op de politieke agenda staat. Het is ook belangrijk om nu door te pakken.

Het feit dat er een nieuwe publiekscampagne van start gaat, vind ik positief. De eerdere campagne heeft volgens mij echt een snaar geraakt bij heel veel mensen, ook in de bewustwording. Want het begint bij bewustwording, bewustwording bij ouderen zodat zij weten dat ze mishandeld worden, maar ook bij professionals, mantelzorgers en gemeentes. De ondersteuning van die mantelzorgers ligt bij de gemeente. Daarvoor is nu de handreiking van Regioplan over mantelzorg. Graag hoor ik van de Minister hoe hij de effecten daarvan wil monitoren.

Dan over de ouderencheck. De kindcheck is een waardevol instrument voor professionals. Een ouderencheck klinkt dus logisch, maar ik vraag mij wel af hoe de Minister dat voor zich ziet. Wanneer kan de Minister daar wat meer duidelijkheid over geven?

Voorzitter. De kwetsbaarheid van ouderen heeft meerdere oorzaken. Een van die kwetsbaarheden is bijvoorbeeld eenzaamheid. Ik wil de Minister dan ook vragen of hij ouderenmishandeling als thema onderdeel wil laten zijn van zijn actieprogramma Eén tegen eenzaamheid.

Nu de kwetsbaarheden van slachtoffers door dit onderzoek goed in kaart zijn gebracht, wil ik ook vragen of de Minister bereid is om te onderzoeken of we risicoprofielen kunnen opstellen. Een gerichte aanpak aan de hand van dergelijke profielen werkt volgens mij beter dan een algemene aanpak. Is de Minister bereid om die risicoprofielen op te stellen of in ieder geval te verkennen of het een goed instrument kan zijn voor het preventief aanpakken en misschien ook wel het voorkomen van ouderenmishandeling?

Daarnaast is het belangrijk dat we ouderenmishandeling op alle fronten gaan aanpakken. Want zoals het onderzoek stelt, is het hele systeem rondom ouderen gebaat bij preventie en interventie. Het is daarom belangrijk dat er ook wordt gekeken naar de plegers en de context. Is de Minister bereid om als het gaat over zijn andere programma's, Langer thuis en Thuis in het verpleeghuis, gebruik te maken van de inzichten uit dit onderzoek en de eerder geopperde risicoprofielen?

Dan over de registratie. Als we ouderenmishandeling aan willen pakken, is preventie van groot belang, maar we kunnen niet alles voorkomen. Wanneer ouderenmishandeling plaatsvindt, is het dus ook van belang dat de juiste instanties gebruikmaken van de gegevens die er zijn en dat zij het ook weten. Ik heb al eerder, in 2015, gevraagd of de politie het systeem op orde heeft als het gaat over de registratie. Wat is er nu gebeurd? In 2015 zou de toenmalige bewindspersoon dat onderzoeken. Hoe staat het nu? Is deze Minister ook van mening dat als dat functioneert na melding van ouderenmishandeling, nu wel de juiste instanties ingeschakeld worden?

Mijn laatste punt gaat over de richtlijn. Zorgprofessionals signaleren ouderenmishandeling helaas nog onvoldoende. Dat is soms heel erg lastig. Dat komt mede door de onbekendheid met dit fenomeen, maar ook door het taboe dat vaak bij patiënt en zorgprofessional bestaat. De richtlijn van de Federatie Medisch Specialisten moet hier verandering in gaan brengen. Graag hoor ik van de Minister of het plan nog steeds is dat deze richtlijn in het vierde kwartaal komt, want in de eerdere plannen zou het in april zijn, begreep ik. Hoe wordt deze richtlijn vervolgens ingezet?

Ik dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Hijink. De heer Hijink spreekt namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.

De heer Hijink (SP):

Voorzitter, dank u wel. 170.000 ouderen hebben te maken met mishandeling. Dat is heel ernstig. Ik ben opnieuw geschrokken van dat hoge aantal. Veel maatregelen zijn eerder ingezet. Ook is er nu breed onderzoek gedaan naar de mishandeling van ouderen dat ons meer inzichten geeft. Dat is heel waardevol. Ik lees in de brief talloze maatregelen die de Minister wil inzetten. Op zichzelf is dat heel goed, want wij mogen geen enkele vorm van mishandeling accepteren. Toch wordt de grote vraag niet echt beantwoord: hoe dringen we ouderenmishandeling uiteindelijk zo veel mogelijk terug? Na jaren beleid hierop van zijn voorganger en ingezette maatregelen worden de cijfers er helaas nog niet minder om. Hoe kijkt de Minister daarnaar? Wat is de afgelopen jaren uiteindelijk concreet veranderd?

Voorzitter. Het allerergste is dat mishandeling ook plaatsvindt door mensen uit de eigen omgeving, niet alleen door kinderen of door familie, maar ook door zorgverleners. Het Waarschuwingsregister Zorg & Welzijn moet daarom zorgverleners die over de schreef zijn gegaan aanpakken. Dit register bestond al wel, maar wordt nu verplicht gesteld als ik de Minister tenminste goed begrepen heb. Uit de brief wordt mij nog niet helemaal duidelijk hoe hij dat precies gaat doen. Hij gaat erover in gesprek, geloof ik. Betekent dat uiteindelijk dat hij van plan is om dat op te gaan leggen? Of moet dat... Wel dus, oké. Nou, dan weten we dat alvast.

Kan de Minister wat meer vertellen over hoe dat register nu precies gaat werken? Ik lees in de brief dat werkgevers onderling informatie kunnen delen over medewerkers die ontslagen zijn wegens grensoverschrijdend gedrag. Maar volgens het tucht- en strafrecht moeten zorgverleners dan wel een zeer ernstig misdrijf hebben begaan, als zij niet meer in de zorg mogen werken of ontslagen zijn. Maar als een zorgverlener geld steelt van een oudere in een thuissituatie, wat voor sancties staan daar precies op? Wat wordt in zo'n situatie gedaan? Wat wordt gedaan met meldingen over zorgverleners die wel zaken plegen, maar daarvoor niet ontslagen worden? Worden die wel gemeld? Komen die terecht in het register of juist niet? Geldt het register alleen voor de Wet langdurige zorg? Of is het de bedoeling om het ook voor de Wmo verplicht te gaan stellen? De Minister schrijft in zijn brief dat in Rotterdam is besloten om het nu in de aanbesteding op te nemen. Dat is goed, maar dat is natuurlijk nog niet automatisch een verplichting die voor alle gemeentes gaat gelden. Wij zijn heel benieuwd hoe hij daarmee omgaat. O, de bel.

De voorzitter:

Zullen we even wachten? Voor de mensen die het nog niet eerder hebben gehoord: de aanvangsbel van de plenaire vergadering.

Ik geef graag het woord weer aan de heer Hijink. Gaat uw gang.

De heer Hijink (SP):

Voorzitter. Hoe wordt met situaties omgegaan waarin het helemaal misgaat in de mantelzorg, als ouderen in de problemen komen doordat overbelaste of overvraagde mantelzorgers voor iemand anders zorgen? Wordt dan alleen de overbelasting voorkomen of worden deze mensen hierop aangesproken en aangepakt? Wie is nu de meest aangewezen persoon om melding te maken van dit soort situaties?

Het Jeroen Bosch Ziekenhuis screent sinds 2016 ouderen vanaf 70 jaar op tekenen van ouderenmishandeling. Wat zij zien – dat vond ik een tamelijk schokkend cijfer – is dat bij twee derde van de ouderen die binnenkomen op de spoedeisende hulp mantelzorgers, vaak niet moedwillig, noodzakelijke zorg niet verleend hebben. In 54 gevallen waren er zelfs signalen van mishandeling of ontspoorde zorg. Welke lessen leert de Minister van dit project? Zou het niet goed zijn als meer ziekenhuizen en meer zorginstellingen kijken naar signalen van ouderenmishandeling en dat dat gestructureerd georganiseerd gaat worden? We krijgen graag een reactie van de Minister hierop.

Tot slot. Ik ben erg benieuwd of de Minister een beschouwing kan geven hoe sociale omstandigheden en de veranderingen in de zorg van de afgelopen jaren de mishandeling van ouderen hebben beïnvloed. Speelt overbelasting van mantelzorgers, maar ook het beroep dat in de zorg in toenemende mate gedaan wordt op de omgeving in het kader van de participatiesamenleving een rol? Zijn er meer risico's op mishandeling als ouderen langer thuis blijven wonen? Ik heb vandaag niet de antwoorden op deze vragen, maar ik hoor graag of de Minister ze wel heeft en of hij een analyse kan maken van hoe de veranderingen in de zorg en de samenleving van de afgelopen jaren het risico op mishandeling vergroot hebben.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Tielen. Mevrouw Tielen spreekt namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.

Mevrouw Tielen (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Het houdt niet op, niet vanzelf. De bekendheid van de campagne over huiselijk geweld is groot en dat is positief. Maar ondertussen zie je dat nog steeds niet iedere oudere in Nederland veilig in de omgeving kan zijn waar anderen hem of haar ondersteunen. Uit voorzichtige schattingen – het aantal is al eerder genoemd – blijkt dat ongeveer 170.000 ouderen te maken hebben met een of meerdere vormen van mishandeling. Elke vorm van ouderenmishandeling is uiteraard ontoelaatbaar. In het plan dat de Minister heeft gepresenteerd staan maatregelen, maar we hebben nog wel een aantal vragen over mantelzorg, de meldcode, financiële mishandeling en justitie.

Mantelzorgers. Mensen die zich uit liefde en met de beste intentie inzetten voor hun naasten, maar soms door overbelasting en verdriet tot vormen van mishandeling overgaan. In deze gevallen moet zorgvuldig worden gekeken naar mogelijke overbelasting en hoe deze kan worden verlicht. Het is goed dat de Minister dit onderscheid maakt. Tegelijkertijd moeten we oppassen dat niet elke vorm van mishandeling door mantelzorgers als overbelasting wordt afgedaan. Daarom vraag ik aan de Minister op welke wijze hij dit onderscheid kan maken om de juiste, passende maatregelen te kunnen nemen en wat hij kan doen om te zorgen dat de handreiking voor mantelzorgers in de praktijk kan worden gebruikt.

De VVD heeft de meldcode voor kindermishandeling en geweld thuis altijd ondersteund. We hebben het over ouderenmishandeling, maar we zijn toch wel benieuwd naar hoe het gaat met de afwegingskaders voor de meldcode voor kindermishandeling. Kan de Minister daar nu toevallig wat over zeggen?

De meldcode is ook van toepassing op ouderenmishandeling, maar werkt die daar wel afdoende? Eerlijk gezegd is het onze indruk dat als het om ouderen gaat, deze meldcode nog lang niet bekend is bij alle beroepsgroepen en professionals die met ouderen werken. Heeft de Minister daar gegevens over? Als blijkt dat ons vermoeden klopt, kan hij dan toezeggen dat hij samen met de beroepsverenigingen ervoor gaat zorgen dat de meldcode bekend en gebruikt wordt?

Ook is de vraag of de gemeentes en Veilig Thuis voldoende expertise en aandacht hebben voor de aanpak van ouderenmishandeling. Is het wellicht een idee, ook weer in vergelijking met kindermishandeling, om ook in gemeentes een aandachtsfunctionaris ouderenmishandeling te vragen? Kan de Minister daarover eens een vraag stellen aan de gemeentes?

De meest voorkomende vorm van ouderenmishandeling blijkt financiële benadeling van ouderen. Dat is een mooie ambtelijke term; we zouden het ook gewoon oplichting kunnen noemen. De VVD vindt het goed dat deze vorm van mishandeling wordt opgenomen in het Waarschuwingsregister Zorg & Welzijn, maar dat is wat ons betreft niet voldoende. Oplichting is gewoon strafbaar. Ik vraag de Minister dan ook welke rol het strafrecht hierbij speelt.

Dat brengt me bij een algemenere vraag over de rol van justitie en strafrecht bij ouderenmishandeling. Hoe staat het eigenlijk met aangiftes, de eerder genoemde registraties en vervolging? Wat is er te zeggen over de strafmaat, eventuele beroepsverboden en meldingen van mensen die zich schuldig hebben gemaakt aan welke vorm van mishandeling van ouderen dan ook? We zouden het fijn vinden als de Minister daar wellicht samen met de Minister voor Rechtsbescherming een overzicht maakt van de rol die strafrecht en justitie nu bij ouderenmishandeling spelen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Geluk-Poortvliet. Mevrouw Geluk-Poortvliet spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.

Mevrouw Geluk-Poortvliet (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Jaarlijks hebben we te maken met vormen van mishandeling. Het neemt vormen aan waarvan we niet meer kunnen zeggen «daar bemoei ik me niet mee». Het CDA is blij dat het ministerie stappen zet om fysieke maar ook psychische mishandeling, financiële uitbuiting, verwaarlozing en seksueel misbruik, wat het meest onder ouderen lijkt voor te komen, een halt toe te roepen.

Het CDA is het met de Minister eens dat er flink geïnvesteerd moet worden in goede voorlichting voor ouderen en zorgverleners, trainingen en campagnes. Het moeilijk bespreekbare moet aan het licht komen. Lawaai schrikt af, ook hier.

Daarnaast dienen we de plegers van ouderenmishandeling effectief aan te pakken. Het kan bijvoorbeeld niet zo zijn dat een professional ontslagen wordt vanwege het plegen van ouderenmishandeling of financieel misbruik en elders weer aan de slag kan zonder straf om tot inzicht te komen. Goed dat de Minister de inzet van het Waarschuwingsregister Zorg & Welzijn de komende jaren gaat stimuleren.

Ouderenmishandeling kan ook gepleegd worden door naasten, familie en/of kennissen. We zien ook een taboe bij ouderen om hierover te praten. Het gaat soms om hun eigen kinderen. Slechts drie op de tien slachtoffers maken melding bij Veilig Thuis en/of de politie. Kan de Minister concreet aangeven hoe hij dit taboe onder ouderen wil doorbreken en zo de meldingsbereidheid wil verhogen?

Voorzitter. In december 2017 zijn de eerste lokale allianties financieel misbruik opgestart. Opvallend in het schema van Seastarters waren de lege plekken voor heel Zeeland en grote delen van de noordelijke provincies. In het najaar start een onderzoek naar het vervolg van de allianties vanaf medio 2019. We zien dus dat nog lang niet alle regio's dergelijke allianties hebben. Kan de Minister aangeven wanneer dit over heel Nederland is uitgerold?

Daarop voortbordurend. In de brief Aanpak huiselijk geweld van 12 juni jongstleden schrijft de Minister dat in centrumgemeenten voldoende aandacht is voor de aanpak van ouderenmishandeling, maar dat die aanpak wel beperkt is. Hoe wil de Minister dit verbeteren voor alle gemeenten in Nederland?

Het stoppen van ouderenmishandeling en de plegers aanpakken is één, maar we mogen absoluut niet vergeten om de ouderen die slachtoffer van ouderenmishandeling zijn of geweest zijn, te ondersteunen. Ik kan me voorstellen dat het voor ouderen lastig is om de draad weer op te pakken, als een van hun naasten, familie en/of vrienden, of een zorgprofessional hem of haar mishandeld heeft. De wereld is voor veel ouderen al klein en kan zo nog kleiner worden. Mijn vraag aan de Minister is dan ook of hij zich voor deze ouderen wil inzetten. Zo ja, welke stappen kan hij zetten om deze ouderen het vertrouwen in anderen weer te laten herwinnen en zich minder eenzaam en zich prettiger te laten voelen in hun woonomgeving om zo toch weer door te kunnen gaan met hun leven?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag mevrouw Agema het woord. Mevrouw Agema spreekt namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.

Mevrouw Agema (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Het is goed dat er na zo veel jaren weer onderzoek gedaan is naar de omvang van ouderenmishandeling. Mevrouw Bergkamp heeft daar vele jaren voor gepleit. Helaas zijn de uitkomsten wat minder mooi. Een op de twintig ouderen heeft of krijgt te maken met ouderenmishandeling. Dat zijn jaarlijks 170.000 ouderen. Dat is een heel groot getal, een veel te groot getal. Vooral thuiswonende ouderen lopen serieus risico om slachtoffer te worden en de dader is veelal een bekende. We weten dat het langer thuis wonen en de nadruk op zelfredzaamheid, eigen kracht en hulp uit het sociale netwerk de problemen kunnen verergeren en dat overbelasting hierbij een rol kan spelen. Een paar jaar geleden hadden we het schokkende verhaal van een echtgenoot die uit pure ellende zijn vrouw met een ketting vastgebonden had aan de verwarming om te voorkomen dat ze ging dwalen.

Dat mantelzorgers uit onmacht kunnen ontsporen in de zorg, is bekend. Wat onbekender is, is dat bij een groot deel van de plegers juist sprake is van dementie of alzheimer. Dan lopen de mantelzorg, de partners, de echtgenoten het risico om slachtoffer te worden. De aanpak van de Minister, herkennen en interventie, is mij wat al te makkelijk. Kan hij het nog wat verder toelichten? Ik vind het nogal een open deur: eerder en beter in beeld, stoppen en duurzaam oplossen, specifieke groepen. Ja, dat willen we allemaal wel, maar de vraag is: hoe dan?

Het zijn de mantelzorgers die de zware lasten van het langer thuis wonen dragen. Het sluiten van de verzorgingshuizen en het schrappen van de huishoudelijke hulp, dagbesteding en begeleiding heeft er niet voor gezorgd dat mantelzorgers het gemakkelijker hebben gekregen. Mantelzorgers moeten goed ondersteund worden. Mijn hoop is dat gemeenten guller worden als het gaat om het verlenen van ondersteuning zoals huishoudelijke hulp.

In het rapport over ontspoorde mantelzorg lezen we dat het wenselijk is dat elke organisatie die in aanraking komt met ouderen moet beschikken over minimaal één aandachtsfunctionaris ouderenmishandeling. De Minister heeft hier in zijn brief van 27 september ook aandacht voor. Hoeveel aandachtsfunctionarissen zijn er dan nodig en op welke termijn zijn deze mensen vakkundig opgeleid?

In het rapport lezen we over een noodbed voor ouderen. Een tijdelijke opname in ziekenhuis of verpleeghuis kan dan nodig zijn. Net zoals mevrouw Bergkamp al jaren pleit voor meer onderzoek, neem ik echt al sinds 2008 mijn eigen tienpuntenplan mee naar elk overleg over ouderenmishandeling. Wij hebben zo vaak gepleit voor meer noodbedden. Vele jaren geleden waren er alleen in Den Haag twee opvangplekken in een verzorgingshuis. Er kwam extra geld, 7 miljoen, voor de aanpak van deze opvang. Het geld werd toegevoegd aan de zogenaamde decentralisatie-uitkering aan 35 centrumgemeenten. Hoeveel van dit geld is daadwerkelijk besteed aan de opvang van ouderen? Hoeveel noodbedden zijn er nu in plaats van die twee van toen?

Ook vele jaren geleden zijn we gekomen tot een zwarte lijst. Daar hebben we vele jaren voor gepleit; het staat op ons lijstje: een zwarte lijst om te voorkomen dat mensen die de boel hebben opgelicht gewoon weer bij een andere werkgever aan de slag kunnen. We zijn gekomen tot het Waarschuwingsregister Zorg & Welzijn. Maar het moet me wel van het hart: ik schrok heel erg bij het mondelinge vragenuur van 25 juni jongstleden, toen de Minister ons vertelde dat dat helemaal niet verplicht was en dat instellingen gewoon zelf kunnen bepalen of ze eraan meedoen of niet. Ja, dan heb je natuurlijk helemaal niks aan een waarschuwingsregister. Ik ben daar verbolgen over, ik ben daar teleurgesteld over. Ik dacht echt dat dat een van de dingen was die we hadden geregeld. De hand gaat in de zak, geld wordt gestolen, ze worden gesnapt, het staat op video. Maar ja, de volgende keer gaan ze weer gewoon bij een volgende instelling aan het werk. Ik vind het echt heel erg verdrietig dat dat niet verplicht is. Ik zou er graag een toezegging over willen.

Ouderenmishandeling stopt niet vanzelf. Door Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten is een goede basis gelegd. Op ons initiatief werd de campagne met 10 miljoen euro verhoogd. Het is dan ook triest om te lezen dat de aandacht rondom ouderenmishandeling wegebt, dat de decentralisatie van Veilig Thuis de aandacht heeft weggetrokken naar andere thema's, dat gemeenten veel taken in de aanpak van ouderenmishandeling bij Veilig Thuis neerleggen, zo veel zelfs dat gemeenten soms nauwelijks op de hoogte zijn van wat er in de aanpak gebeurt. Bovendien zijn nog niet alle Veilig Thuis-organisaties op orde. Het blijft toch een verschrikkelijk woord, voorzitter. Geen mens thuis begrijpt wat Veilig Thuis... Nou ja, voorzitter. Bij hoeveel Veilig Thuis-organisaties zijn er nog problemen?

Gelukkig behelzen de plannen van de Minister uit zijn brief van 27 september om ouderenmishandeling aan te pakken meer dan de twee A4'tjes uit het actieplan. Maar zoals ik al zei, ik vind het nogal een hoop open deuren. Ik vraag van de Minister concrete dingen. Concrete dingen die je kunt vastpakken zoals een verplicht waarschuwingsregister. Dat kun je vastpakken. Dat is geen voornemen; dat is iets wat concreet is. Zoals bedden. Dat was op 26 juni 2018 niet zo. De Minister kan via de krant communiceren, via het AD...

De voorzitter:

U heeft een punt. Maar u bent aan het woord en de Minister mag straks reageren. Dat moet hij niet nu doen, want daarmee lokt hij u uit. Dus u mag uw betoog afmaken.

Mevrouw Agema (PVV):

Ik lees het niet in de stukken, voorzitter. Ik moet het in de krant lezen. De krant krijgt het altijd het eerst. Leuke nieuwspuntjes.

De voorzitter:

Rondt u af, mevrouw Agema?

Mevrouw Agema (PVV):

Maar goed, ik zou willen weten wanneer het gewoon up and running is en wanneer alle instellingen aangesloten zijn. Dat zijn ze niet. Dat was op 26, op 28 juni nog niet het geval.

Voorzitter. Ouderenmishandeling mag nooit het ondergeschoven kindje worden. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Het zou kunnen zijn dat mevrouw Sazias zo meteen binnenloopt. Ik wil voorstellen om nu gewoon te schorsen voor een minuut of tien, dus tot even na vijf over half elf. Ik vraag even aan u of u het goedvindt dat, mocht mevrouw Sazias binnenlopen, ik dan begin met mevrouw Sazias zodat zij haar termijn kan doen.

De vergadering wordt van 10.26 uur tot 10.40 uur geschorst.

De voorzitter:

Goedemorgen. Ik wil graag dit debat heropenen. We zijn eigenlijk toegekomen aan de beantwoording van de Minister in eerste termijn, zij het dat mevrouw Sazias binnen is gekomen. Ik wil mevrouw Sazias graag het woord geven om haar inbreng nog te doen. Zij spreekt namens 50PLUS. Daarna gaan we direct over naar de beantwoording van de Minister. Mevrouw Sazias, het woord is aan u. Gaat uw gang.

Mevrouw Sazias (50PLUS):

Dank u wel, voorzitter. Excuses voor mijn late aankomst. Ik was vanmorgen te gast bij Goedemorgen Nederland. Daar heb ik in elk geval al uitgebreid aandacht gevraagd voor het onderwerp ouderenmishandeling. Maar ik moest wel om 5.00 uur opstaan. Dat is eigenlijk al ouderenmishandeling op zich. Maar goed, ik ga beginnen.

Te veel ouderen hebben te maken met een vorm van mishandeling en dat is schokkend en schrijnend. Door de vergrijzing, zo is de verwachting, wordt dat probleem in de toekomst alleen maar groter. Er is de afgelopen jaren hard gewerkt om dit probleem aan te pakken, maar toch is het onvoldoende geborgd binnen het beleid van de gemeenten. Dat heeft ervoor gezorgd dat er een opleving was in aandacht voor ouderenmishandeling, maar dat het daarna weer is afgenomen. Dat was een van de conclusies van de onderzoekers van het Regioplan. Hoe gaat de Minister er nou voor zorgen dat de aandacht bij de gemeenten niet verslapt en dat ouderenmishandeling deze keer wel een prioriteit op de agenda blijft? Graag een reactie.

De Minister geeft in zijn brief aan dat hij vrijwilligers wil gaan trainen om signalen van mishandeling te herkennen en om daar vervolgens op te handelen. 50PLUS is hier blij mee en denkt ook dat dat goed is, maar zou graag zien dat er in die trainingen ook aandacht zal zijn voor de communicatie tussen Veilig Thuis en de vrijwilligers. We horen uit de praktijk dat vrijwilligers hier niet altijd over worden geïnformeerd en daardoor het idee krijgen dat het toch geen zin heeft om een melding te maken. In het Regioplan komt naar voren dat er een aantal gemeenten is die vrijwilligers opleiden. Onze vraag is of die trainingen succesvol zijn. Trekken vrijwilligers daar vaker aan de bel als ze ouderenmishandeling signaleren? Daar willen we graag een antwoord op, als dat kan.

Wat 50PLUS zich ook afvraagt, is hoe het opleiden van die vrijwilligers in de praktijk er gaat uitzien. Om al die vrijwilligers op te leiden moeten er ook docenten zijn. Die moeten ook weer opgeleid worden. Er zijn oudereninstanties zoals de KBO, die een pool heeft van vrijwillige docenten die hiervoor ingezet kunnen worden. Gaat de overheid dan bijdragen in het opleiden en voldoende toerusten van die docenten?

Ook geeft de Minister aan dat hij een nieuwe publiekscampagne gaat starten om het bewustzijn van het publiek te vergroten. In het verleden is er al een campagne geweest. Die had een groot bereik en was ook echt effectief in de bewustwording om omstanders en ouderen bewust te maken van signalen. Maar ik ben dan wel benieuwd of ook gebleken is dat er meer meldingen kwamen tijdens zo'n campagne.

Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik geef graag de Minister de gelegenheid voor de beantwoording in eerste termijn. Met de leden wil ik afspreken een tweetal interrupties toe te staan. Ik vraag de Minister om even aan te geven op welke wijze de beantwoording zal plaatsvinden. Het woord is aan de Minister.

Minister De Jonge:

Voorzitter. Ik wil eerst een aantal algemene opmerkingen maken. Daarna wil ik een paar onderwerpen die eigenlijk door alle fracties zijn aangeraakt rondom bewustwording, financieel misbruik en het waarschuwingsregister even eruit lichten. Daarna doe ik gewoon de vragen per fractie.

Om te beginnen de inkadering van dit onderwerp. In het kader van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling hebben we gezegd: een van de bijzondere of eigenlijk verbijzonderde doelgroepen rondom het thema geweld en afhankelijkheidsrelaties huiselijk geweld en kindermishandeling is het thema ouderenmishandeling. Meerderen van u, onder anderen mevrouw Agema, mevrouw Sazias en volgens mij ook mevrouw Bergkamp... In het vorige AO hebben we met elkaar vastgesteld dat de aandacht voor ouderenmishandeling eigenlijk onvoldoende is. De concreetheid van de maatregelen in de aanpak zoals we die hadden, is eigenlijk onvoldoende stevig om daadwerkelijk een trendbreuk te realiseren. Toen wij het vorige AO hadden, hadden we het prevalentieonderzoek nog niet dat er op initiatief van mevrouw Bergkamp is gekomen. Dat prevalentieonderzoek onderstreept nog een keer de noodzaak om met ouderenmishandeling aan de slag te gaan. Ouderenmishandeling is een groot probleem, een complex probleem. Het hangt samen met veel factoren. De 170.000 die door ieder van u wordt genoemd, is een getal om van te schrikken. Overigens moet ik erbij zeggen dat ik wel een verschrijving had in mijn brief. Ik schreef «jaarlijks», maar u heeft natuurlijk het onderzoek gelezen. Het is niet jaarlijks. Het zijn ouderen die op enig moment na hun 65ste in aanraking zouden kunnen komen met ouderenmishandeling. Dan gaat het inderdaad over 5,5%, 170.000. Jaarlijks gaat het over 2% van de ouderen, 1 op de 50, zo'n 60.000. Dat zijn enorme aantallen. Dus dat prevalentieonderzoek drukt ons opnieuw met de neus op de feiten.

Over die feiten zeg ik eerst in de richting van mevrouw Bergkamp: natuurlijk moeten we de kennis uit dat landelijk onderzoek meenemen in de programma's Verpleeghuiszorg en Langer thuis. Absoluut! Soms is er sprake van opzet – daar is ook aan gememoreerd – bijvoorbeeld een zorgmedewerker die bewust geld achteroverdrukt. Maar heel vaak is er helemaal geen sprake van opzet, als het gaat over een overbelaste mantelzorger. Trouwens, niet altijd als het gaat over een mantelzorger is er sprake van een overbelaste mantelzorger. Want ook in familiale kring komt financieel misbruik voor, schrijnend als het is. Ouderen kennen daar natuurlijk ook schaamte en angst over. Dat maakt het ook nog een keer ontzettend lastig om niet alleen de totale omvang van het vraagstuk goed in beeld te krijgen, maar ook vervolgens te acteren. Dat is nu juist omdat het gaat over een vorm van misbruik, een vorm van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Als het je zoon is, van wie je ook wel weet dat hij niet alleen de boodschappen doet maar ook nog andere dingen uit de portemonnee, dan is het toch heel erg lastig om dat als oudere zelf aanhangig te maken, wetend dat daarmee misschien het contact met je zoon verbroken wordt, wetend dat... Nou ja, echt een ingewikkeld vraagstuk.

Dat maakt denk ik ook dat we in het verleden wel in staat zijn geweest om telkens weer dat vraagstuk onder de aandacht te brengen. Zeker als dat werd gedaan, dan gaf dat ook wel weer nieuwe meldingen, hogere urgentie en hogere alertheid. Maar daarmee is het niet genoeg en zijn we ook nog niet in staat geweest om het tij te keren. Dus hebben we alle reden om extra aan de slag te zijn. Ik heb bij de bespreking van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling in het AO toegezegd een nieuwe brief te zullen sturen. Die brief heb ik vorige week gestuurd. Daarin is een serie aan nieuwe acties opgenomen naast de bestaande acties die we voortzetten en intensiveren. Ik kom daar zo op terug.

Ik denk dat het goed is om even een paar blokjes eruit te lichten, eerst het onder de aandacht brengen en de bewustwording die nodig is. Elke keer als we een campagne deden, dan stond het belang van het thema ouderenmishandeling echt wel weer op het netvlies. Alleen, als we dat taboe bij ouderen willen doorbreken, als we de meldingsbereidheid omhoog willen krijgen, dan is het doen van een campagne eigenlijk niet genoeg. Dan zullen we die campagne opnieuw moeten vormgeven. Dat heb ik vorige week ook toegezegd in de richting van mevrouw Agema. Die campagne wordt op dit moment ontwikkeld. Wij hopen dat die nog eind van dit jaar met spotjes en al live kan gaan. Daarbij zitten ouderen gewoon in de campagne rondom huiselijk geweld en kindermishandeling. Die campagne komt eraan, maar het is niet genoeg.

Wat we ook zullen moeten doen, is de borging bij gemeenten op een goede manier doen. Daar heeft u een aantal vragen over gesteld. Mevrouw Sazias vroeg bijvoorbeeld: hoe zorgen we voor die borging? Mevrouw Geluk vroeg ernaar en ook mevrouw Bergkamp vroeg ernaar, met name: hoe bereiken we dat die handreiking op een goede manier wordt gebruikt? Aan alle gemeenten en alle regio's wordt gevraagd, in het kader van de Regiovisie aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling, daar ook ouderenmishandeling in op te nemen. We hebben gezien dat dat lang niet overal het geval is op dit moment, maar dat is wel de bedoeling. Wij willen gewoon 100% dekking van een aanpak van ouderenmishandeling in ieder regio. Dat is één.

Twee. In die regiovisie, in die regionale aanpak staat ook de verdeling van taken en verantwoordelijkheden opgenomen. Die aanpak moet zo concreet mogelijk vorm krijgen in het uitvoeringsplan dat op basis van die regiovisie wordt gemaakt. Dan gaat het over alle aspecten van de aanpak: over preventie, over vroegsignalering, over hulpverlening, over nazorg, over de plegeraanpak en de strafrechtelijke opvolging, waar ik zo nog even op terugkom, en ook over ontspoorde mantelzorg, dus ook het doen landen van die handreiking in de gemeenten. Om te zorgen dat we zeker weten dat dat gebeurt, wordt dat niet alleen een vraag aan gemeenten, maar zullen we ook vanuit het programma Veilig Thuis projectleiders aanstellen die in de regio zullen zorgen voor die aanpak. Dan gaat het natuurlijk niet alleen over ouderenmishandeling, maar over de brede aanpak Veilig Thuis. Zij zullen zorgen dat ook ouderenmishandeling daar een plaats in krijgt. Zo willen we structureler dan in het verleden zorgen dat die aanpak daadwerkelijk bij gemeenten geborgd is. Zoals ik zei: we gaan dus door met de bewustwording en ook met de training van vrijwilligers. Zo willen we zorgen dat het taboe daadwerkelijk doorbroken wordt.

Dan ga ik naar het tweede blokje, het blokje financieel misbruik. Zoals u ook zelf zegt, is dat eigenlijk een van de meest voorkomende vormen van ouderenmishandeling, althans afgaande op de meldingen van ouderen zelf. Er zijn heel veel verschillende vormen van financiële uitbuiting: het wegnemen van geld, verkoop van eigendommen, het misbruik maken van machtigingen, kopen op naam van het slachtoffer, wijzigingen van testamenten of wilsbeschikkingen, het gewoon telkens financieel korthouden, het misbruik maken van leningen. De variëteit waarin het voorkomt is echt groot. Daarom is het van belang dat we daar stevig op inzetten. Dat is niet alleen vanuit het idee van ontspoorde mantelzorg. Want als het gaat over financieel misbruik is er helemaal geen sprake van ontspoorde mantelzorg. Dan is er gewoon sprake van een economisch delict. Zo moet je het willen zien.

Mevrouw Tielen vraagt terecht hoe de strafrechtketen kan worden ingezet om dat financieel misbruik aan te pakken. Eerst is er sprake van dat er goed wordt gesignaleerd en dat dingen worden gezien zoals ze zijn. Het werken met de lokale allianties is daarvoor ontzettend belangrijk. Banken kunnen dingen zien, notariskantoren kunnen dingen zien, zorginstellingen kunnen dingen zien. Als er signalen zijn, dan moeten ze die met elkaar wel oppakken als een signaal van financieel misbruik en er ook op die manier naar handelen. Laat ik zeggen dat daar veel gebeurt. Ik vind ook dat men steeds alerter wordt. Maar mevrouw Geluk heeft natuurlijk gelijk dat die lokale allianties nog niet dekkend zijn. Dat moeten we wel willen met elkaar. Er zijn er nu 55. Ze draaien al of ze zijn in oprichting, maar ze zijn nog niet helemaal dekkend. Ons streven is om het helemaal dekkend te maken.

Dan het verder vormgeven van de rol van het strafrecht. Justitie geeft aan: het begint met een aangifte, dus er moet aangifte worden gedaan. Die aangiftes beginnen vaak weer ofwel bij een werkgever – ik kom daar zo nog even op terug in het kader van het waarschuwingsregister – of bij een melding in de richting van Veilig Thuis, als het bijvoorbeeld uit die lokale financiële allianties komt. Vervolgens is het de taak van Veilig Thuis om aangiftewaardige zaken ook daadwerkelijk als aangiftewaardige zaken te zien en te zorgen dat die aangifte gebeurt, ofwel door de melder ofwel ambtshalve door Veilig Thuis zelf.

Wat wij niet kunnen zien – dat was een vraag van mevrouw Bergkamp – is ouderenmishandeling apart gekwalificeerd in het kader van huiselijk geweld. Dat kunnen wij niet zien. Wat wij ook niet kunnen zien, is financieel misbruik bij ouderen als apart gekwalificeerde strafrechtelijke overtreding. Wat wij zien is ofwel huiselijk geweld ofwel een economisch delict. Dat is wat wij terugzien uit de politieregistraties. Hoe vaak er aangifte van wordt gedaan, kunnen wij niet zien. In de brief van 12 september, sorry 27 september, heeft u kunnen lezen dat we de plegeraanpak willen intensiveren. Dat betekent eigenlijk, zoals dat al wat verder is ontwikkeld als het gaat over huiselijk geweld en als het gaat over kindermishandeling – de plegeraanpak vanuit de Veiligheidshuizen – dat we dat ook ten aanzien van financieel misbruik steviger moeten vormgeven. Dus daar hebben we gewoon werk te doen. Dat pak ik op samen met mijn collega Sander Dekker. Ik stel u eigenlijk voor dat ik er bij een volgende voortgangsrapportage in het kader van de aanpak huiselijk geweld in de richting van uw Kamer op terugkom welke stappen we op dat punt zetten. Dat als toezegging in de richting van mevrouw Tielen. De toezegging in de richting van mevrouw Geluk is dus dat we die lokale financiële allianties inderdaad landelijk moeten uitrollen. Ook daar kom ik op terug in een voortgangsrapportage.

De voorzitter:

Dat roept een vraag op bij mevrouw Geluk.

Mevrouw Geluk-Poortvliet (CDA):

Dit roept niet een vraag op, want die vraag was er al. Is het zo dat de gemeenten er zelf over kunnen besluiten en dat het vrijblijvend is?

Minister De Jonge:

Ja, dat is natuurlijk zo. Het is inderdaad een gemeentelijke keuze, maar ik heb gezegd dat we in de richting van de gemeenten met name het thema ouderenmishandeling binnen de regionale aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling wel verder moeten verstevigen. Dat betekent dat wij zelf eigenlijk projectleiders vanuit onze landelijke aanpak naar voren schuiven in de richting van de regio's om de regio's daar ook bij te helpen. Uiteindelijk is het een keuze van gemeenten maar we kunnen ze wel helpen om de goede keuze te maken. En dat doen we dus ook.

Er is een aantal vragen gesteld over het waarschuwingsregister door met name de SP en de PVV. Om elk misverstand te voorkomen: ik herken de discussie die we hadden bij de mondelinge vragen. De verbazing die u daarbij uitsprak, deel ik ook. We hebben nu een waarschuwingsregister dat tot stand is gekomen op initiatief van RegioPlus, de werkgeversorganisatie in Zuid-Holland en dan met name in Haaglanden. Daar doet inderdaad inmiddels best een aantal werkgevers aan mee, maar het werkt natuurlijk pas echt op het moment dat het landelijk dekkend is. In de detailhandel is er een niet verplicht maar wel heel veel gebruikt waarschuwingsregister voor medewerkers die bijvoorbeeld zijn betrapt op winkeldiefstal. Dat is dusdanig dekkend dat het daar heel goed werkt. Het waarschuwingsregister in de zorg van de kant van de werkgevers die hun vergewisplicht eigenlijk vergemakkelijken op het moment dat zij ook een waarschuwingsregister hebben ten aanzien van wie er al eerder bij een ander is uitgegooid door grensoverschrijdend gedrag, is op dit moment geen landelijk dekkend register. Het is het initiatief geweest van RegioPlus; VWS heeft het meebetaald en RegioPlus heeft het gemaakt. Vervolgens heeft de gemeente Rotterdam dat verplicht gesteld voor alle instellingen in de ouderenzorg. Dat zijn natuurlijk nog niet de Wlz-instellingen want dat kunnen alleen de Wmo-instellingen zijn. Verder is het eigenlijk niet heel erg groeiende op dit moment. Met u ben ik van mening dat we er een verplicht en verplichtend register van moeten maken omdat het anders niet werkt. Dat is ook het besluit dat ik als voornemen in deze brief heb opgenomen, namelijk om te zorgen voor een verplicht en verplichtend waarschuwingsregister met een landelijke dekking waaraan alle werkgevers deelnemen.

Mevrouw Agema (PVV):

Ik ben hier heel blij mee. Het is meer informatie dan wat we in de krant hebben kunnen lezen. Wat is de termijn waarop dit landelijk dekkend netwerk er moet zijn en dus ook de verplichting effectief is?

Minister De Jonge:

Dat stond in de brief. U verwijst naar de krant, maar het stond al in de brief. Voorafgaand aan wat u in de krant las, had u de brief al kunnen lezen omdat die toen al in het bezit was van de Kamer. In die brief staat dat ik met RegioPlus, andere zorgorganisaties en de VNG wil bekijken wat we in de tussentijd kunnen doen totdat er een wettelijke verplichting is. Mijn voornemen is gewoon een wettelijke verplichting. Dat wil ik zo snel als mogelijk tot stand brengen, maar wetgeving kost nu eenmaal tijd. We hoeven overigens niet op wetgeving te wachten om toch de dekkingsgraad al heel veel groter te krijgen. Dus mijn voornemen is wetgeving. Daar zullen vast nog allerlei haken en ogen aan zitten. Ik denk dat ik volgend jaar die wet aan de Kamer kan sturen, maar dan zal die pas een jaar later ingaan. Dus moeten we in de tussentijd ook nog iets anders doen, namelijk zorgen voor een veel hogere dekkingsraad voor het huidige waarschuwingsregister. Je hoeft niet op wetgeving te wachten om het toch al effectiever te maken.

De voorzitter:

Ik geef mevrouw Agema de gelegenheid voor een afrondende interruptie.

Mevrouw Agema (PVV):

Dit staat dus niet in de brief van de Minister.

De voorzitter:

Ik geef u zo het woord. Een jaar duurt lang, dus als de Minister dit zo meteen nader kan definiëren in het kader van de toezeggingen die wij noteren, heel graag.

Mevrouw Agema (PVV):

Daarom stelde ik die vraag ook zo en dan is het flauw dat de Minister zegt dat het in de brief staat, want er staat niet in wanneer het landelijk dekkend en effectief moet zijn.

Minister De Jonge:

Er staat: hoe we in 2019 tot een verplichting van dit register kunnen komen. Natuurlijk, dat moet ik uitzoeken en er valt ook een en ander uit te zoeken, maar mijn voornemen is om te komen met een wettelijke verplichting. Die wet zal ik volgend jaar aan de Kamer sturen. Dat zal dan omstreeks de zomer zijn. Ik denk dat ik er echt even voor nodig heb om de technische uitvoering van dat wetsvoorstel vorm te geven vanwege de relatie met het tuchtrecht en het strafrecht en vanwege de vraag in hoeverre je mensen van wie nog niet bij een rechter vast is komen te staan dat er daadwerkelijk een veroordeling is geweest, wettelijk kunt weerhouden om dat werk weer uit te oefenen. Er zijn echt wel mogelijkheden voor. Alleen, dat is technisch wel een flinke uitzoekerij. Dus dat wetsvoorstel komt omstreeks de zomer. Ter voorbereiding daarop wil ik met al die partijen die het huidige waarschuwingsregister al veel breder in kunnen zetten, aan de slag gaan.

Verder is gevraagd of er sprake moet zijn van een strafrechtelijke veroordeling dan wel of alleen een aangifte voldoende is. Dat is echt een kwestie van goed uitzoeken. Ik meen dat, zoals ook bij het huidige waarschuwingsregister, een aangifte voldoende is voor opneming ervan, maar alles moet natuurlijk wel gewoon keurig in overeenstemming zijn met de AVG. En dat zullen we ook op een goede manier vormgeven. Kortom, ik kom er bij u op terug omstreeks de zomer in de vorm van een wet maar ik hoop al in de voortgangsrapportages te melden dat ik door afspraken met de VNG, ActiZ en andere organisaties al verder ben gekomen in de dekkingsgraad van het huidige waarschuwingsregister.

Vervolgens ga ik in op de vragen die per fractie zijn gesteld. Dan begin ik met de vragen van mevrouw Bergkamp van D66. Haar eerste vraag ging over de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie. Twee jaar geleden is de vereniging gestart met die richtlijn in het medisch-specialistische domein. Mij is verzekerd dat die er echt einde van het jaar komt. De richtlijn bevindt zich nu in de autorisatiefase en zal eigenlijk naar verwachting nog deze maand worden gepubliceerd. Dus die tekst op de site is dan achterhaald.

Dan de vraag: hoe helpt het nou? Er worden verschillende vormen van ouderenmishandeling besproken, inclusief aanbevelingen voor hoe te handelen. Relevante wet- en regelgeving wordt genoemd. Dat geldt ook voor het stellen van de signaliseringsvraag. Daarmee wordt systematisch bewustwording gecreëerd. Ook is er een mantelzorgverleningscheck opgenomen, waarbij de arts checkt of de volwassene die verantwoordelijk is voor de verzorging van een of meer zorgbehoevende ouderen, die zorg voldoende kan geven. Dat lijkt eigenlijk op het thema dat ik zelf in mijn brief noem. In het kader van de meldcode kennen we de kindcheck. Als bijvoorbeeld een psychiater iemand in zijn behandelkamer heeft zitten met een ernstige psychiatrische stoornis, heeft die psychiater zich af te vragen, wetend dat de persoon die voor hem zit straks de deur uitloopt om bij de kinderopvang zijn kind op te halen, of dat wel goed gaat. Dat is de kindcheck. Daar is van alles over te zeggen en er is ook nog heel veel aan te doen om die echt heel erg goed geïmplementeerd te krijgen, maar het is wel een mooie manier om het ene zorgdomein verantwoordelijk te maken voor signalen die je in een ander zorgdomein tegenkomt. Een equivalent daarvan is het volgende. Stelt u zich eens voor dat diezelfde persoon geen kind op de kinderopvang heeft om op te halen maar bijvoorbeeld een stevig verslavingsvraagstuk of een permanente schuldenproblematiek, wetend dat hij ook iedere week de boodschappen voor zijn oude moeder doet. Dan heb je je als hulpverlener wel af te vragen: gaat dat goed? Dat is wat we bedoelen met die ouderencheck. Het is eigenlijk de equivalent van de kindcheck, zoals die nu bestaat, en lijkend op de mantelzorgverleningscheck zoals die in de richtlijn zit. Er valt ook nog een hele hoop aan uit te zoeken, hoor, maar dat is wel een gedachtelijn waar we graag mee aan de slag gaan.

Dan de vraag of het verstandig is om te werken met risicoprofielen. Als ik u goed begrijp zegt u: uit het onderzoek dat we nu hebben gedaan, zijn een aantal risicofactoren te destilleren en kun je in plaats van een «one size fits all»-benadering voor de gehele groep dan niet beter een risicogerichte benadering kiezen en kunnen die risicoprofielen daarbij helpen? Ik denk dat dit een verstandige gedachte is, ook vanwege de gerichte inzet van mensen. Ik ga er dan ook graag met gemeenten en anderen over in gesprek om te kijken hoe we dat op een goede manier kunnen gebruiken. Daar kom ik op terug in een van de voortgangsrapportages.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Ik dank de Minister voor deze toezegging. Het rapport geeft heel veel informatie over de kwetsbaarheden van de slachtoffers. Dus het zou heel mooi zijn als dat vertaald kon worden in een risicoprofiel, waar vervolgens gemeenten, maatschappelijke organisaties en professionals mee kunnen werken. Dus ik ben blij dat de Minister dit toezegt en dat hij hierover in gesprek gaat. In een van de volgende voortgangsrapportages komt de Minister daarop terug. Ik vroeg mij even af welke dat dan is.

Minister De Jonge:

In december komt de eerstvolgende. Ik heb u al gezegd dat ik er dan ook een monitor bij zal doen die overigens nog niet helemaal gevuld met getallen zal zijn, zodat u ook kunt zien hoe wij dit programma gaan monitoren. Dus in december komt er een voortgangsrapportage over alle acties, inclusief een monitor. Ik zal ook zorgen dat de toezeggingen die ik vandaag heb gedaan, allemaal terugkomen in de voortgangsrapportage, zodat u de laatste stand van zaken, de update, heeft ten aanzien van uw eigen vragen en uw eigen inzet.

De voorzitter:

Nog een vervolgvraag van mevrouw Bergkamp.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Ik denk dat dat mooi is, want dan heb je aan de ene kant die ouderencheck, waarbij je wat meer gaat kijken naar de plegerskant en heb je aan de andere kant de risicoprofielen ten aanzien van de slachtoffers. Volgens mij zijn we het eens, dus dank.

Minister De Jonge:

Dank, we zijn het inderdaad eens.

Dan kom ik bij de vragen van de VVD. Zo is gevraagd wat de stand van zaken is ten aanzien van het werken met de meldcode. Er loopt op dit moment een groot implementatietraject om de verbeterde meldcode onder de aandacht te brengen. Het traject voor de veldnormering, zoals die de afgelopen periode heeft plaatsgevonden, is gereedgekomen rond de zomer en op dit moment vindt implementatie plaats. De e-learningmodules voor de meldcode zijn aangepast voor de professionals en alle beroepsgroepen zijn eigenlijk in de eigen beroepsgroep heel erg bezig om die meldcode goed onder de aandacht te brengen. Mijn indruk is dat dit goed gaat, ook samen met Veilig Thuis. Zelf heeft Veilig Thuis een verbeterprogramma waar men allerlei stappen in zet, waarvan ouderenmishandeling een belangrijk onderdeel is. Dus mijn indruk is dat dit «work in progress» is, maar ik denk dat ik het wat preciezer zal uitschrijven in de voortgangsrapportage, ook omdat het in december al bijna januari is als de nieuwe meldcode ingaat. De zorg is eigenlijk de volgende. Stel dat er heel veel meldingen uit naar voren komen, is Veilig Thuis dan op dat moment geëquipeerd om al die meldingen goed op te pakken? Daar wil ik graag op terugkomen in de voortgangsrapportage in december. Daarbij speelt ook het personele vraagstuk, dat overigens overal in de zorg speelt. Lukt het Veilig Thuis om voldoende de vacatures vervuld te krijgen?

Mevrouw Agema heeft gevraagd bij welke Veilig Thuis-organisaties er nog issues zijn. Veilig Thuis Noord-Holland staat onder verscherpt toezicht. Er is nog een aantal andere Veilig Thuis-organisaties waarover ook zorgen zijn. Die spelen met name op het gebied van personele problemen. Daar zit de inspectie bovenop. Maar misschien dat ik ook ten aanzien daarvan nog eventjes een goede voortgangsschets moet geven in december.

Mevrouw Tielen (VVD):

De Minister noemt het een zorg dat er dan meer meldingen komen, maar ik zie nog een andere zorg. Als we in december lezen dat een aantal beroepsgroepen eigenlijk nog niet met hun afwegingskader en meldcode aan de slag kan terwijl we vanaf 1 januari verwachten dat ze dat allemaal doen, dan is er niet zo heel veel meer aan te doen. Ik begrijp best dat de Minister een goede indruk heeft, maar over het algemeen kunnen we er niet echt al te grote keuzes op maken. Dus hoe kan de Minister die zorg echt minimaliseren en wat doet hij als blijkt dat er toch beroepsgroepen zijn die het niet voor elkaar hebben?

Minister De Jonge:

Daar hebben we eerder over gesproken. Die veldnormen, die afwegingskaders zijn allemaal afgerond rond de zomer. Vervolgens heeft iedere deelsector – het zijn er zeven – een implementatieplan gemaakt voor de sector. Er zijn bovendien tal van bijeenkomsten georganiseerd. Daarnaast zijn er e-learningmodules, nascholingscursussen et cetera. Dat loopt nu allemaal. Heeft iedere leraar de nieuwe werkwijze tussen zijn oren per 1 januari? Daarvoor ben ik natuurlijk erg afhankelijk van hoe die implementatie vorm krijgt. Mijn indruk is wel dat er al heel erg veel gebeurt. Als het mevrouw Tielen geruststelt dat ik dit wat eerder dan in die voortgangsrapportage van december apart aan haar schets, dan wil ik dat graag doen. Zal ik dat doen? Dan doe ik dat voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Jeugd, die in de eerste week van november is.

De voorzitter:

Is dat voldoende antwoord, mevrouw Tielen? Goed, dan is het woord aan de Minister.

Minister De Jonge:

Dan ga ik verder met de vragen van de SP.

De voorzitter:

Er is nog een vraag van mevrouw Bergkamp.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Nog een nabrander. Ten aanzien van de registratie door de politie gaf de Minister zo-even aan dat apart registreren niet kan wat betreft ouderenmishandeling maar dat het dan gaat over huiselijk geweld. Op 17 februari 2017 heeft de vorige Staatssecretaris aangegeven dat het wel degelijk de bedoeling was om te onderzoeken of het apart registreren van een vorm van ouderenmishandeling zou kunnen. Ik wil de Minister vragen om daar toch nog even in te duiken. Hij komt er toch al op terug in de rapportage, want dat is toen eigenlijk ook gewisseld in dat AO. Anders wordt het namelijk wel een heel grote stapel van wat verstaan kan worden onder huiselijk geweld, terwijl je uiteindelijk wel een actie wil zien.

Minister De Jonge:

Ik snap de vraag. Ik weet ook hoe ongelofelijk complex het is om in de registraties van de politie iets te veranderen, zeker ook gelet op de hoeveelheid tijd die het kost om dat weer geïmplementeerd te krijgen. Laat ik gewoon nagaan wat er met de vraag die toen is gesteld en met de toezegging die toen is gedaan, is gebeurd. Die vraag ga ik ook eventjes doorgeven aan mijn zeer gewaardeerde collega Sander Dekker.

Dan de screening op de SEH naar aanleiding van het Jeroen Bosch Ziekenhuis. Die pilots doen we met vier of vijf SEH's en die proberen we ook te laten valideren door de wetenschap. De vraag was of we dat ook in andere ziekenhuizen dan het Jeroen Bosch Ziekenhuis doen. Het antwoord is dus: ja, daar gaan we mee door.

Verder is met betrekking tot de mantelzorg gevraagd of je alleen de overbelasting moet aanpakken of dat je ook de pleger moet aanspreken. Als het gaat om overbelasting moet je een ander type inzet plegen dan wanneer het gaat om een zaak waarin een heldere pleger aan de orde is. Veel komt voort uit overbelasting van mantelzorg maar zeker niet alles. Het zou echt te vergoelijkend zijn om het allemaal op die manier te zien. Dus dat moeten we niet doen.

Verder is gevraagd of ik erop zou willen reflecteren dat de veranderingen in de zorg een bijdrage zouden kunnen hebben geleverd aan de prevalentie van ouderenmishandeling. Ik denk dat dat nooit op die manier te zeggen is. Juist omdat ouderen langer thuis blijven wonen en we heel veel meer ouderen krijgen, denk ik wel dat we de manier waarop we onze signalen in beeld krijgen, heel veel beter zullen moeten inrichten dan we tot op heden hebben gedaan, maar meer dan dat is er denk ik niet over te zeggen, ook niet ten aanzien van de veranderingen in de zorg gedurende de laatste jaren.

Mevrouw Tielen heeft specifiek gevraagd naar de mantelzorgondersteuning. In het programma Langer thuis gaat de tweede actielijn eigenlijk helemaal over hoe we mantelzorgers kunnen ondersteunen. Dat begint eigenlijk bij het bewust maken van mantelzorgers dat ze mantelzorger zijn. De meeste zorg door mantelzorgers begint eigenlijk gewoon als normale ondersteuning in een gezin, zoals je elkaar helpt in een gezin. Dat wordt echter van lieverlee steeds zwaarder, zelfs zo zwaar dat je dat als mantelzorg moet zien en mantelzorgers daarbij ondersteund moeten worden. Dat is vaak iets wat mensen naar zichzelf toe niet graag willen toegeven, omdat ze vinden dat het hoort en dat ze het moeten doen. Dus het begint eigenlijk bij de bewustwording ervan. Het tweede is de bekendheid bij de gemeenten van de typen mantelzorgondersteuning die door gemeenten worden geboden. Ten derde is er de vraag of de mantelzorgondersteuning die door gemeenten wordt geboden, ook een adequate vorm van ondersteuning is voor de hele diverse vraag die mantelzorgers kunnen hebben. Dus we gaan met die mantelzorg ook stevig aan de slag met gemeenten, niet alleen wat betreft de handreiking zoals die is gemaakt maar bijvoorbeeld ook wat betreft een aanjager op het gebied van de respijtzorg. Er zijn heel veel vormen van respijtzorg maar we denken dat met name de zwaardere kant van de respijtzorg nog wat onvoldoende ontwikkeld is of op z'n minst heel divers is bij gemeenten. Kortom, we hebben echt nog flink wat werk te doen in de mantelzorgondersteuning. Dat is allemaal inzet die helpt om de gevallen van ouderenmishandeling die voortkomen uit ontspoorde mantelzorg, aan te pakken.

Mevrouw Agema heeft gevraagd wat er is gebeurd met het budget van 7 miljoen en hoeveel noodbedden daarvoor zijn ingericht. Ik vind dat niet zo'n gemakkelijke vraag om te beantwoorden. Die Agema-gelden zijn destijds in het kader van een decentralisatie-uitkering uitgekeerd. Ik moet even goed rubriceren hoe dat is terug te halen en wat er exact mee is gebeurd. Dus ik zou die vraag eigenlijk liever schriftelijk beantwoorden. Ik krijg nu wel een getal onder mijn neus maar dat is mij iets te «free stylend». Ik ga het dus even checken en zal er vervolgens schriftelijk op terugkomen.

De voorzitter:

Kunt u ook aangeven wanneer we die brief ongeveer kunnen verwachten?

Minister De Jonge:

Binnen een maand sowieso, maar snel.

Verder heeft mevrouw Agema gevraagd hoeveel extra aandachtsfunctionarissen er nodig zijn. Zoals we überhaupt in het kader van het werken met huiselijk geweld en kindermishandeling geloven dat aandachtsfunctionarissen werken, zo zien we dat de inzet van aandachtsfunctionarissen in relatie tot ouderenmishandeling eigenlijk nog best een onontgonnen terrein is. Onze stelling is dat er in iedere instelling een aandachtsfunctionaris nodig is. Er zijn al best een aantal aandachtsfunctionarissen getraind, te weten 1.350, maar als je op je netvlies hebt hoeveel instellingen er zijn in de ouderenzorg, dan zijn dat er natuurlijk duizenden. Dus we hebben op dit punt echt een hoop te doen. Vanuit het programma Huiselijk geweld ga ik dat ook verder stimuleren en financieren.

De voorzitter:

Er is nog een vraag van mevrouw Tielen.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ik had over de aandachtsfunctionaris nog specifiek gevraagd aan de Minister of hij met de gemeenten in gesprek wil gaan over de vraag of het niet verstandig is om ook in het gemeentelijk domein zo'n functionaris aan te wijzen.

Minister De Jonge:

U bedoelt bij de gemeenten. Ja, dat is zeer wel denkbaar. Dat lijkt mij een heel goed idee. Die vraag neem ik graag eventjes mee.

De voorzitter:

Dan heeft mevrouw Geluk nog een vraag.

Mevrouw Geluk-Poortvliet (CDA):

Ik had een vraag gesteld over de inzet van de Minister ten behoeve van de nazorg.

Minister De Jonge:

Daar zijn we over in gesprek. Waar het gaat over alles wat gerelateerd is aan ontspoorde mantelzorg, is er ook voldoende aandacht voor de nazorg. Als het bijvoorbeeld gaat om gevallen van financieel misbruik die via Veilig Thuis binnenkomen, speelt dat misschien wat minder. De vraag is gesteld in relatie tot kindermishandeling, hoe we in het kader van de nazorg, nadat een melding bij Veilig Thuis is opgepakt, een check kunnen inbouwen dat die nazorg ook op een goede manier vorm zal krijgen. In het geval van slachtoffers van ouderenmishandeling hangt het heel erg af van de aard en de plek van die ouderenmishandeling, hoe de zorg er vervolgens uitziet. Iemand die financieel misbruik meemaakt, bijvoorbeeld in de vorm van diefstal door een van de eigen kinderen, moet natuurlijk het vertrouwen in de mensheid weer een beetje terugkrijgen. Het verschilt van geval tot geval, zodanig dat ik er ook niet één antwoord op kan geven. Wat we wel moeten doen, is sowieso met Veilig Thuis het gesprek aangaan over hoe we de nazorg na een melding in de richting van slachtoffers op een goede manier vorm kunnen geven.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Geluk.

Mevrouw Geluk-Poortvliet (CDA):

Ik denk bijvoorbeeld aan het betrekken van ouderenorganisaties of kerken hierbij. Je hebt natuurlijk met het privacy-aspect te maken, maar het zou toch uit te zoeken moeten zijn of we het op die manier kunnen organiseren, zodat de ouderen weer verder kunnen met hun leven.

Minister De Jonge:

Ik snap heel goed wat u bedoelt. Soms kunnen ouderenorganisaties of kerken erbij betrokken zijn maar dat hangt dus heel erg af van de aard van het geval en van wat je in het vervolg moet doen. Als het bijvoorbeeld gaat om iemand in een instelling, zal het vervolg eigenlijk als vanzelf in die instelling vorm krijgen. Dan behoef je er niet zo heel veel extra's voor te organiseren. Maar het kan ook anders zijn. Dan is de vraag hoe we via Veilig Thuis inregelen dat als er geen andere zorg omheen is, er voldoende aandacht voor het vervolg is in de richting van slachtoffers.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we daarmee gekomen aan het einde van de eerste termijn. Is er behoefte aan een tweede termijn? Bij mevrouw Bergkamp en mevrouw Sazias in ieder geval niet. Dan is het woord aan mevrouw Tielen.

Mevrouw Tielen (VVD):

Dank aan de Minister voor zijn toelichtingen en toezeggingen. Er worden nu heel veel dingen in gang gezet en die komen ook overtuigend en goed over, maar ik ben dan wel benieuwd wanneer de Minister tevreden is. Welk verschil gaan we zien over een paar jaar waarvan de Minister denkt: zie je wel, we hebben het goed gedaan?

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Geluk, heeft u behoefte aan een tweede termijn?

Mevrouw Geluk-Poortvliet (CDA):

Voorzitter, mijn vragen zijn voldoende beantwoord. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Agema? Zij heeft ook geen behoefte aan een tweede termijn. Dan geef ik het woord aan de Minister.

Minister De Jonge:

Het is een zeer terechte vraag van mevrouw Tielen. Het liefst zou ik het antwoord geven dat ik daadwerkelijk uit de prevalentiecijfers bij een volgend prevalentieonderzoek zie dat het aantal ouderenmishandelingen of het aantal ouderen dat ooit te maken krijgt met ouderenmishandeling, daadwerkelijk is gedaald. Want daar gaat het om. Dat verschil wil je maken. Prevalentieonderzoek houdt natuurlijk niet in dat we bij iedere voordeur turven of er iets wel of niet is gebeurd. Prevalentieonderzoek is ook het maken van een onderbouwde inschatting van de mate waarin een vraagstuk wel of niet voorkomt. Dat maakt dus dat het niet zo heel erg makkelijk is om daar je enige succes aan op te hangen, maar we zullen wel een bewijs van succes moeten hebben. Ik denk dat we dat in dit geval circumstantial zullen moeten opbouwen. Dan gaat het eigenlijk vooral over een toegenomen alertheid. Met andere woorden: kunnen we bewijzen dat we de dingen eerder en beter in beeld krijgen? Dan gaat het bijvoorbeeld over het aantal meldingen dat bij Veilig Thuis rondom ouderenmishandeling binnenkomt. Dat vind ik een heel belangrijke. Dat aantal meldingen moet namelijk gewoon omhoog, want dat is nu nog echt veel te weinig. Dan zal het misschien lijken dat ouderenmishandeling dus toeneemt, maar, nee, dan is een groter deel van de ijsberg in beeld. Dat gaat bijvoorbeeld over het aantal gemeenten dat een concrete aanpak heeft op het gebied van ouderenmishandeling, namelijk landelijk dekkend. Het gaat dan bijvoorbeeld ook over het aantal gemeenten waarin er daadwerkelijk een lokale financiële alliantie is, namelijk landelijk dekkend. Het gaat dan bijvoorbeeld ook over het aantal werkgevers dat daadwerkelijk meedoet in dat waarschuwingsregister, namelijk zo veel als mogelijk in de tussentijd en straks gewoon landelijk verplicht. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Mijn veronderstelling is dat het eigenlijk een optelsom zal zijn van circumstantial evidence dat we én eerder en beter ouderenmishandeling in beeld hebben én daadwerkelijk in staat zijn om die ouderenmishandeling te doorbreken. Ik wil u in december dus die monitor meesturen over het hele programma Huiselijk geweld en kindermishandeling. Daar zit ouderenmishandeling als een van de bijzondere doelgroepen ook in. Daarin wil ik u ook laten zien op basis van welke indicatoren we het effect van de aanpak in beeld zullen brengen. Dus laten we het debat op dat moment vervolgen. Ik stuur u bewust een soort dummy van die monitor toe. Dan is die nog niet helemaal gevuld en af, maar dan kunt u zien of u dat voldoende vindt om als Kamer uw controlerende taak in te vullen.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn.

Voordat ik dit algemeen overleg beëindig wil ik met u de toezeggingen doornemen. Dat zijn de toezeggingen die in dit debat zijn gedaan. De eerdere toezeggingen noem ik dus niet.

  • De eerste toezegging is dat in de volgende voortgangsrapportage Huiselijk geweld die in december naar de Kamer wordt gestuurd, ingegaan zal worden op de samenwerking met Justitie en Veiligheid bij financieel misbruik, het dekkend regionaal netwerk, de dekkingsgraad van het huidige waarschuwingsregister en de risicoprofielen.

  • De tweede toezegging luidt: volgend jaar rond de zomer wordt een wetsvoorstel over de meldplicht naar de Kamer gestuurd.

  • De derde toezegging is dat voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Jeugd de stand van zaken met betrekking tot de voorbereiding door de beroepsgroepen die de meldcode per 1 januari 2019 gaan gebruiken, wordt toegestuurd.

  • Ten vierde: de vraag van mevrouw Agema over het aantal bedden wordt schriftelijk beantwoord binnen een maand.

Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit algemeen overleg. Ik wil de Minister zeer bedanken voor zijn inbreng en de ambtenaren voor hun ondersteuning. Dank ook aan de Kamerleden. Ten slotte dank aan de mensen op de publieke tribune en de mensen die thuis dit debat hebben gevolgd voor hun belangstelling.

Sluiting 11.25 uur.