Kamerstuk 28345-134

Verslag van een algemeen overleg

Kindermishandeling/Geweld in afhankelijkheidsrelaties

Gepubliceerd: 8 juni 2015
Indiener(s): Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA)
Onderwerpen: criminaliteit openbare orde en veiligheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28345-134.html
ID: 28345-134

Nr. 134 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 8 juni 2015

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 15 april 2015 overleg gevoerd met Staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Minister van der Steur van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 16 oktober 2014 met reactie op het persbericht van de Kinderombudsman en het Kinderrechtencollectief (Kamerstuk 31 015, nr. 110);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 15 oktober 2014 inzake vervolg op de procedure Nader Onderzoek Doodsoorzaak minderjarigen (NODO-procedure) (Kamerstuk 34 000-XVI, nr. 8);

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 12 november 2014 inzake Zorg voor kinderen na partnerdoding (Kamerstuk 33 552, nr. 13);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 22 december 2014 met aanbieding voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties en midterm review kindermishandeling (Kamerstuk 31 015, nr. 112);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 februari 2015 met (aanvullende) Voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties (Alleen de onderdelen die betrekking hebben op kindermishandeling en geweld in afhankelijkheidsrelaties(GIA)) (Kamerstuk 28 345/31 015, nr. 132);

  • de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 6 maart 2015 met Verslag van een schriftelijk overleg over het vervolg op de procedure Nader Onderzoek Doodsoorzaak minderjarigen (NODO-procedure) (Kamerstuk 34 000-XVI nr. 8) (Kamerstuk 34 000-XVI, nr. 103);

  • de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 7 april 2015 met aanbieding van het rapport «Gezinnen met Geringe Sociale Redzaamheid» (Kamerstuk 31 839, nr. 464).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Lodders

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Teunissen

Voorzitter: Dikkers

Griffier: Sjerp

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bergkamp, Van der Burg, Dikkers, Keijzer, Kooiman, Rebel en Thieme,

en Staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Minister van der Steur van Veiligheid en Justitie, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.

Aanvang 13.15 uur.

De voorzitter: Goedemiddag en welkom bij het algemeen overleg over kindermishandeling en geweld in afhankelijkheidsrelaties. Ik heet de leden van het kabinet en hun gevolg, de mensen op de publieke tribune, de ondersteuning en mijn collega's van harte welkom. Wij hebben een spreektijd van vier minuten per fractie afgesproken. Ik begin met de fractie van de Partij voor de Dieren, met mevrouw Thieme.

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. Ik vind het heel leuk om ook eens hierbij aanwezig te kunnen zijn. Meestal heb ik een algemeen overleg elders in dit huis. Ik kan er helaas maar kort bij zijn, maar ik wil toch graag mijn bijdrage leveren, naar aanleiding van hetgeen er op de agenda staat. In mijn bijdrage kom ik op het belang van vroegtijdige signalering van geweld en kindermishandeling, de relatie tussen huiselijk geweld en dierenmishandeling en tot slot de herstelprogramma's.

De Partij voor de Dieren vindt het belangrijk dat de overheid zich ontfermt over kwetsbare groepen in de samenleving, waarbij zij speciale aandacht heeft voor groepen die niet voor zichzelf kunnen opkomen. Op dit moment wordt er geïnvesteerd in vroegtijdige signalering en in voorkoming van geweld. De Kinderombudsman en het Kinderrechtencollectief maken zich echter ernstig zorgen over de aanpak van kindermishandeling. Uit onderzoeken blijkt dat bijna twee op de drie mishandelde kinderen ondanks de hulp aan hun ouders zelf geen enkele vorm van hulp krijgen aangeboden. Dit is onacceptabel. Het voorkomen van mishandeling in toekomstige generaties begint natuurlijk bij het bieden van de juiste hulp aan de huidige slachtoffers.

Eindelijk erkent dit kabinet de relatie tussen huiselijk geweld en dierenmishandeling. Daar ben ik erg blij mee. Ik sprak vorige week met de directeur van vrouwenopvang Kadera. Zij vertelde dat haar medewerkers bij een verdenking van huiselijk geweld nu standaard rondkijken of er ook huisdieren aanwezig zijn en bekijken hoe het met die dieren is. In de helft van de gevallen van huiselijk geweld is er namelijk ook sprake van dierenmishandeling. Bij een constatering van dierenmishandeling, bijvoorbeeld door de dierenpolitie, is de kans meer dan 30% dat er ook sprake is van huiselijk geweld.

In het gesprek met Kadera werd duidelijk dat de hulpverleners eerst sceptisch aankeken tegen het meenemen van dierenmishandeling en een crisisopvang voor de dieren, maar inmiddels is men er volledig van overtuigd dat het van groot belang is om deze vormen van mishandeling in samenhang aan te pakken. Geweld richting dieren ontaardt vaak in geweld richting mensen. Uit onderzoek blijkt dat bijna de helft van de vrouwen haar vertrek uitstelt, omdat ze dan haar huisdier moet achterlaten. De directeur van Kadera ziet kinderen die beschadigd zijn doordat ze getuige waren van de mishandeling van hun huisdier, of kinderen die ontroostbaar zijn, omdat ze hun huisdier, vaak hun steun en toeverlaat, hebben moeten achterlaten, omdat de opvang geen dieren accepteert. Ik denk bijvoorbeeld aan Amelia van 10 jaar, die met haar moeder vluchtte voor haar gewelddadige vader. Zij had haar kleine hondje stiekem in een tas gestopt, maar moest bij de vrouwenopvang afscheid nemen van het hondje.

Er zijn inmiddels prachtige initiatieven ontwikkeld voor de opvang van huisdieren, zodat vrouwen en kinderen snel kunnen vluchten zonder zich extra zorgen te hoeven maken over hun dieren. Het kabinet schrijft in de voortgangsrapportage dat het de bewustwording en de deskundigheid bij de betrokken professionals verder wil vergroten. Kan het kabinet ons informeren wanneer de relatie tussen huiselijk geweld en dierenmishandeling daadwerkelijk betrokken wordt bij de campagne «Een veilig thuis. Daar maak je je toch sterk voor?»? Het zou namelijk dit jaar al geregeld zijn.

De meeste opvangcentra hebben de kansen voor een betere aanpak nog niet opgepakt. Kadera wil graag behulpzaam zijn bij het opleiden van alle hulpverleners van Veilig Thuis, zodat zij dierenmishandeling kunnen signaleren, de juiste aanvullende vragen kunnen stellen bij de intake en huiselijk geweld meer integraal kunnen bekijken. Is het kabinet bereid hierin een faciliterende rol te spelen? Is het kabinet bereid te bezien in hoeverre het het project Blijf van mijn Dier kan ondersteunen? Dit gaat om de tijdelijke opvang bij gastgezinnen van de huisdieren van de slachtoffers. In andere landen is een dergelijk project al zeer succesvol.

Tot slot kom ik op de herstelprogramma's voor mensen die in hun jeugd geweld hebben meegemaakt. Het zou goed zijn om de herstelprogramma's aan te passen volgens de allernieuwste inzichten. In het buitenland, bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk, wordt al langer de relatie tussen gewelddadig gedrag naar mensen en dierenmishandeling erkend. In een aantal herstelprogramma's is dan ook de omgang met dieren opgenomen, om toekomstig geweld tegen te gaan. Is het kabinet bereid om dit ook in Nederland aan te pakken?

Mevrouw Bergkamp (D66): Voorzitter. Elk mishandeld kind is er een te veel. Jaarlijks worden er bijna 120.000 kinderen mishandeld. Dat zijn er 120.000 te veel. We moeten daar alles aan doen wat mogelijk is. Denk bijvoorbeeld aan het top-teenonderzoek. Dit kan artsen helpen in te schatten of er sprake is van kindermishandeling. Dit belangrijke onderzoek duurt maar tien minuten, maar is helaas onderhevig aan de willekeur van ziekenhuizen. Soms wordt het onderzoek uitgevoerd bij kinderen tot en met 4 jaar, maar soms ook bij kinderen tot 6, 12 of 17 jaar. Dat vinden wij heel zorgwekkend. De veiligheid van een kind verschilt dus per ziekenhuis. Ieder kind heeft recht op dezelfde mate van veiligheid. Daarom wil D66 ook graag dat dit geüniformeerd gaat worden. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij dit zal bespreken met de beroepsgroep en dat hij zal komen met een expliciete en uniforme richtlijn hiervoor?

Graag willen wij ook aandacht besteden aan de preventie van seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg. Door bij een intake bijvoorbeeld de nadruk te leggen op het doorvragen kun je daderschap voorkomen. Hoe kunnen we vervolgens van signalering overgaan naar interventie? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij dit actief op de agenda zal zetten en houden?

Voor de fractie van D66 is waarheidsvinding in de rapportages van Jeugdzorg van groot belang. Feiten en oordelen moeten gescheiden worden. We waren heel blij dat de vorige Staatssecretaris na vragen van de VVD en D66 had toegezegd om een pilot uit te voeren, maar we waren zeer verbaasd en onthutst toen we in het verslag lazen dat er helemaal geen pilot komt, omdat het allemaal goed gaat. Ik krijg hierop graag een uitgebreide reactie. Volgens mij is er op dit moment nog voldoende aan de hand en is waarheidsvinding helaas nog geen feit.

Vrouwenopvang is soms nodig vanwege de veiligheid van vrouwen en kinderen. De Raad voor de financiële verhoudingen heeft op verzoek van D66 een rapport geschreven over het financiële verdeelmodel. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij de aanbevelingen van de Raad voor de financiële verhoudingen zal overnemen? Daarmee worden de financiële middelen voor de vrouwenopvang eerlijk verdeeld.

We hebben het al een aantal keren in overleggen gezegd: de beroepsgroepen maken soms onvoldoende gebruik van de mogelijkheden die ze hebben om mishandeling aan te kaarten. Vaak ligt daar handelingsverlegenheid aan ten grondslag. We waren dan ook blij toen we gisteren hoorden dat er een samenwerking komt tussen Augeo, de LHV (Landelijke Huisartsen Vereniging) en VWS om hier goed actie op te ondernemen. Er zijn bijvoorbeeld nog steeds huisartsen die problemen hebben om kindermishandeling te melden.

Er is heel veel aan de hand over dit onderwerp. Vorige week was er bijvoorbeeld een aangrijpende reportage te zien bij KRO Reporter, waaruit bleek dat niet alle beroepsgroepen getraind zijn om complexe ziektebeelden, zoals Münchhausen by proxy, ook wel bekend als PCF (Paediatric Condition Falsification), te signaleren. Hierbij gaat het om ouders die hun kinderen bewust ziek maken. Het was een erg choquerende reportage. Ik vraag de Staatssecretaris en de Minister wat we nog meer kunnen doen om dit te voorkomen. Ik heb begrepen dat er een soort werkgroep geformeerd is. Wanneer kan deze een implementatieplan presenteren?

Eén gezin, één plan, één regisseur is de doelstelling van de decentralisatie van de Jeugdwet. In het verleden hebben we gezien hoe het tragisch misging bij Daniëlla. Ik heb de rapportage van de inspectie gelezen. Hierin wordt een ontluisterend beeld gegeven van veel verschillende zorgprofessionals die van elkaar niet weten wat ze doen, met alle consequenties van dien. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de lessons learned uit dit soort situaties worden meegenomen in het beleid van de gemeenten?

Tot slot, de zorg voor kinderen moet ook na een geval van partnerdoding gewaarborgd worden. Onderzoek laat zien dat instanties en kinderen een en ander in de acute fase als chaotisch en verwarrend ervaren. Er is vaak weinig sprake van coördinatie. Ik maak me daar grote zorgen over. Hoe kan de Staatssecretaris ervoor zorgen dat die coördinatie beter wordt?

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Jaarlijks worden er tussen de 107.000 en 160.000 kinderen mishandeld, maar er vindt slechts registratie plaats bij 15.000 kinderen. Huiselijk geweld is de meest voorkomende oorzaak voor moord en doodslag. Slechts 0,5% van alle ouderenmishandeling wordt gemeld. Dit zijn zomaar wat cijfers, maar achter die cijfers zit heel veel leed. Dit leed moeten we zien te voorkomen.

Vorig jaar heeft het Verwey-Jonker Instituut onderzoek gedaan naar het effect van de aanpak van huiselijk geweld in de G-4. Daarvan kunnen we leren dat 33% van de getraumatiseerde kinderen klinische en traumatische klachten heeft, maar dat slechts 18% hiervoor een vorm van hulp krijgt. De algemene conclusie is dat 60% van de kinderen die te maken krijgen met ernstig huiselijk geweld, geen enkele vorm van hulp krijgt. Dit zijn beschamende uitkomsten. Ik vraag de bewindspersonen hoe zij dit denken te verbeteren.

Geen hulp is al tijden een probleem. Precies een jaar geleden gaf de SP aan dat veel kinderen die het slachtoffer zijn van mishandeling, geen behandeling krijgen. Driekwart van die groep kinderen heeft bij aanvang van de hulp nog geen stoornis, maar er is wel behandeling nodig om die stoornis te voorkomen. Ik zeg bewust «behandeling», want een gesprek met een huisarts en het maatschappelijk werk is vaak niet voldoende. We kunnen niet wachten tot deze kinderen een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen. Ze moeten recht hebben op behandeling, om erger te voorkomen.

Helaas hebben de gemeenten afgesproken dat er niet meer ggz-behandelingen mogen worden afgegeven dan in de jaren daarvoor. In de jaren daarvoor werd echter driekwart van de kinderen niet behandeld. Hoe gaan deze bewindspersonen ervoor zorgen dat kinderen die het slachtoffer zijn van mishandeling, de juiste behandeling krijgen?

Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat de maatschappelijke opvang, die noodzakelijk is voor de opvang van slachtoffers van huiselijk geweld, niet wordt afgebroken? De regio Brabant heeft bijvoorbeeld al te maken met een halvering van het budget. In Tilburg is er bijvoorbeeld het centrum Kompaan en De Bocht. Dit heeft een landelijk erkende functie voor de opvang van slachtoffers van eergerelateerd geweld en jeugdprostitutie. Het geld dat het kreeg voor deze landelijke taak, wordt nu echter wegbezuinigd. Hoe kan dit, zo vraag ik de Staatssecretaris. Gaat hij dit herstellen? Deze organisatie moet, evenals organisaties als Fier Fryslân, met 400 gemeenten afspraken maken. Dat is een enorm bureaucratische en lastige taak. Zij kunnen ook anoniem declareren, maar gemeenten weten dat niet altijd. Dat moet toch anders kunnen?

Wij kregen van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling altijd een mooi overzicht met informatie over de wachtlijsten en over hoeveel kinderen er behandeld werden. Ik heb gehoord dat de wachtlijsten bij de AMHK's (Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling), die nu zijn opgegaan in de organisatie Veilig Thuis, zich opstapelen. Ik vraag de Staatssecretaris of dat zo is. Ik ben daar nieuwsgierig naar. Komt er een jaarverslag en kunnen wij daar inzicht in krijgen? Het is namelijk wel belangrijk dat die meldingen worden opgepakt.

Bij de aanpak van kindermishandeling en geweld in afhankelijkheidsrelaties kunnen we de thema's «opsporing» en «forensisch onderzoek» ook niet uitsluiten. Waar een slachtoffer is, is er ook een dader. Het is belangrijk dat we die opsporen. Een belangrijke sleutel hierin is forensisch onderzoek. Hiermee kunnen we vaststellen of er sprake is van kindermishandeling. Mensen kunnen worden doorverwezen naar een forensische polikliniek of naar het Nederlands Forensisch Instituut. Kunnen de Minister en de Staatssecretaris aangeven of de organisatie Veilig Thuis voldoende doorverwijst en of zij voldoende op de hoogte is van deze instanties?

Tot slot wil ik graag benoemen dat het onderzoek naar de zorg voor kinderen na partnerdoding er gekomen is na herhaalde verzoeken hiertoe van het CDA en de SP. Ik vind het heel belangrijk dat het kind vooropstaat bij de omgang met de ouder. Ik ben erg blij dat dit onderzoek is uitgevoerd. Ik ben ook blij met de vervolgstappen die worden gezet. Ik eindig dus met iets positiefs.

Mevrouw Rebel (PvdA): Voorzitter. Het is goed dat een aantal zorgpunten al door collega's genoemd zijn. Dan kan ik weer een aantal andere punten toevoegen. Ik kom snel ter zake. Er wordt op veel terreinen hard gewerkt om geweld in afhankelijkheidsrelaties te voorkomen, sneller te signaleren en daar waar het dan toch plaatsvindt, zo snel mogelijk te stoppen. We kunnen op dit dossier echter niet achteroverleunen en genoegzaam worden.

Ik heb tijdens het vorige AO aan de vorige Staatssecretaris gevraagd om een plan van aanpak voor gegevensuitwisseling en het delen van informatie. Hij had toegezegd dat dit plan er binnen zes maanden zou zijn. Ik moet echter constateren dat er in de midterm review nog niet over wordt gesproken. Via de nieuwe Minister verzoek ik de nieuwe Staatssecretaris om de toezegging van zijn voorganger gestand te doen. De belemmeringen bij de gegevensuitwisseling moeten in beeld gebracht worden en zo veel mogelijk opgeheven worden, om te voorkomen dat we te veel langs elkaar werken, zoals collega Bergkamp al aangaf. Bij de casus van Daniëlla waren er wel signalen, maar die werden niet aan elkaar gekoppeld, met een fatale afloop als gevolg. Privacy mag hierin dus geen excuus zijn. Graag krijg ik via deze Minister een antwoord van de Staatssecretaris op de vraag wanneer hij zijn toezegging gestand zal doen.

Net als de woordvoerder van de D66-fractie ben ik blij dat er gisteren een publiek-private samenwerkingsovereenkomst is getekend. Ik ben blij met de digitale alert, maar ik vraag me wel af wat er vervolgens gebeurt. Daar maak ik me zorgen over. De SP-fractie gaf al aan dat voorkomen beter is dan genezen, maar wat gebeurt er als er nog geen sprake is van een stoornis, maar er wel zorgen zijn over het kind dat via de digitale alert in beeld komt? Ik hoor graag van de Staatssecretaris hoe hij hiertegen aankijkt en welke belemmeringen nog opgeheven moeten worden om ervoor te zorgen dat kinderen die in beeld komen via zo'n alert, ook daadwerkelijk toegang tot hulp krijgen.

Ik ben blij dat de artsenverenigingen zich de kritiek in de vorige AO's hebben aangetrokken. Ze zijn namelijk bezig om de meldcode en de stappen die daarin opgenomen zijn, veel beter voor het voetlicht te brengen bij hun leden. Dat is ook nodig. Met een aantal Kamerleden hebben we een zeer indringend gesprek gehad met de artsenvertegenwoordigers. Ik ben blij dat er een quickscan komt. Wanneer mogen we de uitkomsten ervan verwachten? Mijn partij is van mening dat huisartsen een sleutelrol hebben. Wij constateren dat er nog te weinig gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om vertrouwensartsen in te schakelen, maar dat er ook een probleem is met die mogelijkheid. Ik vraag de Staatssecretaris om voor huisartsen een 24/7-toegang te borgen tot contact met een vertrouwensarts. Juist vanwege hun expertise en de vertrouwensband die huisartsen hebben, zal dit een enorme drempelverlaging zijn voor het opnemen van contact bij een vermoeden van mishandeling.

Dat betekent wel dat er voldoende vertrouwensartsen moeten zijn, zodat er inderdaad een 24 uursdekking is. Ze moeten ook voldoende gekwalificeerd zijn. Ik wil graag dat de Staatssecretaris afspraken maakt met de vertrouwensartsen en andere beroepsverenigingen over de wijze waarop de opleiding, de registratie en de certificering vorm moeten krijgen. De vertrouwensartsen moeten wat ons betreft veel meer een leidende rol spelen bij het overleg met andere partijen, om casuïstiek te bespreken en een terugkoppeling te geven. In een aantal ziekenhuizen gebeurt dit al zo.

Ook ik heb zorgen over de herverdeling van de middelen. Ik krijg dus graag een reactie van de Staatssecretaris hierop.

Er zou een nationale prevalentiestudie komen, maar die hebben we nog niet gezien. Ik vraag hierbij aandacht voor de punten die het Kinderrechtencollectief heeft genoemd.

Tot slot heb ik nog een vraag aan de Minister. Tijdens het AO Gevangeniswezen heeft Staatssecretaris Teeven beloofd om met zijn collega van VWS de casus van Chantal, dus de casus van de gedetineerde moeders, en de ontwikkeling van het factsheet te bespreken. Ik krijg hiervan graag een terugkoppeling van de Staatssecretaris. Is dit gebeurd? Zo nee, dan moet dit nog wel gebeuren. Ik overweeg een motie in te dienen om de ontwikkeling van het factsheet nog voor de zomer rond te krijgen.

Mevrouw Keijzer (CDA): Voorzitter. Op mijn lijstje staan zo'n beetje alle onderwerpen die mijn collega's al hebben behandeld, met uitzondering van één onderwerp. Laat ik daar dan maar mee beginnen. In alle brieven die wij hebben gekregen, lees ik dat er allerlei goede zaken gebeuren die ertoe moeten leiden dat kindermishandeling zo veel mogelijk wordt voorkomen. Ieder jaar gaat het om 118.000 kinderen. Dat is gewoon vreselijk. Je moet weleens denken aan de ellende en het leed dat daarachter zit, maar eigenlijk doe je dat liever niet, want het is afschuwelijk.

Voor het CDA is de volgende vraag in deze discussie altijd heel belangrijk geweest: hoe stel je vast of er sprake is van kindermishandeling? Ook vandaag zal ik wederom pleiten voor voldoende forensische expertise. Ik lees dat er trainingsmogelijkheden zijn voor (huis)artsen, maar zijn die voldoende? Ik vraag mij dat af. Hoe zit de doorverwijzing in elkaar? Dit blijft elke keer een heet hangijzer. Hoe zorg je ervoor dat een kind van wie wordt vermoed dat het wordt mishandeld, op welke manier dan ook, terechtkomt bij echt deskundige artsen? Als je twee keer per jaar een kind ziet met een blauwe plek, ben je niet deskundig. Daarom blijf ik hierop hameren, ook vandaag weer. Ik krijg graag de stand van zaken hierover van de Staatssecretaris.

Collega Bergkamp heeft al gesproken over waarheidsvinding. Ik ben het met haar eens. Met het opnemen van een amendement in de wet zijn niet alle zorgen weggenomen. Een en ander is ook zeer schrijnend omschreven door de Kinderombudsman. Het CDA verwacht er dus ook meer van.

Ik hoor graag wat de Staatssecretaris vindt van het pleidooi om in elke gemeente 24/7 een vertrouwensarts te hebben. Volgens mij zijn er al allerlei varianten van vertrouwensrelaties en artsen aanwezig. Wat zetten we er hiermee nu weer bovenop? Dat moet allemaal betaald worden. Is het effectief? Misschien zie ik iets over het hoofd en dan hoor ik dat graag.

Dan kom ik op de herverdeling van de gelden bij de decentralisaties. Ik ben platgebeld en -gemaild naar aanleiding van de aankomende herverdeling van de jeugdgelden. Ik refereer aan de brief over de herverdeling van de doeluitkering aan gemeenten voor de vrouwenopvang. Gaat dit wel goed? We kennen deze Staatssecretaris als een haastig mens. Hij wil heel snel grote hervormingen doorvoeren. Ik vraag me af of het verstandig is om dit soort grote verschillen te organiseren. Ik krijg hierop graag een reactie.

In het persbericht van 14 april, over de samenwerking tussen de Staatssecretaris, huisartsen en Augeo ter bestrijding van kindermishandeling, wordt gesproken over de digitale alert. Overigens, volgens mij moet de politiek vaker Kamerdebatten en AO's agenderen, want die leiden elke keer weer tot een nieuw elan bij de Staatssecretaris, tot een nieuwe samenwerking, tot een nieuw persbericht en tot nieuwe instrumenten. Dat is dus goed. Dat doet mij deugd. Daar moeten we het maar eens over hebben in de procedurevergadering. Ik heb gelezen dat de huisarts met behulp van een digitale alert binnenkort bij risicosituaties bij volwassenen een signaal binnenkrijgt, zodat hij naar de veiligheid en het welzijn van de kinderen kan vragen. Hoe werkt dat in de praktijk? Hoe zit het met de privacy?

Waar is de Verwijsindex Risicojongeren (VIR) gebleven? Daar zitten miljoenen in. Het is een draaiend systeem, dat volgens mij hetzelfde moest gaan regelen. Wat is ermee gebeurd?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. Dit is een heel belangrijk onderwerp, want gemiddeld wordt één kind per klas mishandeld in Nederland. Er staan ontzettend veel stukken op de agenda, waar ook heel veel goede dingen in staan. Laten we dat ook vermelden. Daar gaan we het vandaag echter niet over hebben, want daar zijn we tevreden over.

Mijn collega's hebben al veel punten aan de orde gesteld. Ik heb vier punten, want ik moest kiezen. De VVD wil dat kinderen die seksueel misbruikt of zwaar mishandeld zijn door een van de ouders, niet door de rechter verplicht kunnen worden om die ouder nog te zien. Dit geldt wat ons betreft ook voor de broertjes en zusjes. Het is voor kinderen die misbruikt of zwaar mishandeld zijn al moeilijk genoeg om hun leven weer op te pakken. Het is me nogal wat als ze dan iedere keer verplicht worden om naar de misbruikende of mishandelende ouder te gaan. Graag krijg ik van de Minister van Veiligheid en Justitie de toezegging dat dit geregeld gaat worden.

Mevrouw Bergkamp (D66): Ik hoorde het voorstel van de VVD al in het nieuws. Dat roept bij mij wel een aantal vragen op. De rechter kan nu toch ook al het gezag ontnemen? De rechter kan nu toch ook al een omgangsregeling verbieden? Wat gaat er met dit voorstel van de VVD veranderen ten opzichte van hetgeen nu al mogelijk is?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Dat is heel simpel. De rechter kan het in een aantal opzichten inderdaad bepalen. Daarbij is het belang van de ouders uiteindelijk leidend. Zij hebben recht op een omgangsregeling. Wij willen dat het kind leidend wordt. Wij willen dat het kind niet verplicht kan worden om de misbruikende ouder te bezoeken.

De voorzitter: Een korte vervolgvraag?

Mevrouw Bergkamp (D66): Nou, een korte ... Ik zal mijn best doen. Dat de rechters het belang van het kind niet op nummer één zetten, klopt natuurlijk helemaal niet. Ik ben er echt verbaasd over, want ik vind dat hiermee ook naar rechters toe de indruk wordt gewekt dat zij niet kijken naar het belang van de kinderen. Ik vraag heel concreet wat er eigenlijk gaat veranderen en de VVD-fractie zegt dat het belang van het kind op nummer één moet staan. Dat delen wij allen, inclusief de rechters. Daar zijn ook afspraken over gemaakt. Ik probeer nogmaals scherp te krijgen wat de VVD wil doen. Ik ben het helemaal met mevrouw Van der Burg eens dat als er sprake is van misbruik of kindermishandeling, er echt zorgvuldig moet worden gekeken of de kinderen terug moeten. Dat doen rechters ook. Ik vraag me echter wel af wat haar voorstel, dat vandaag met veel bombarie in de pers is gekomen, toevoegt aan de huidige werkelijkheid.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Nu hebben ouders recht om omgang met het kind. De rechter kan in zwaarwegende gevallen ertoe overgaan om dit niet toe te staan. Ik heb het over veroordeelde ouders. Laten we daar heel duidelijk over zijn. Anders hebben we een ander probleem. Wij krijgen echter ook signalen van ouders dat kinderen gewoon verplicht worden om op bezoek te gaan bij hun veroordeelde ouders. Rechters maken die afweging dus niet op die manier. Die situatie doet zich ook voor bij partnerdoding. Ouders die in de gevangenis zitten, moeten bezocht worden. Volgens mij wordt er nagedacht over een regeling om te regelen dat dit niet meer hoeft. Het lijkt me prima om dit punt hieraan toe te voegen.

Mevrouw Kooiman (SP): Het verschil tussen het voorstel over partnerdoding en het voorstel van de VVD is dat er bij partnerdoding niet direct actie is ondernomen tegen het kind zelf. Bij incest is dat wel het geval. Er is al een juridische mogelijkheid, namelijk het ontnemen van de voogdij. Bij de ontneming van de voogdij heeft de ouder per definitie geen recht op omgang. Een rechter kan hier een uitspraak over doen, mits een en ander in het belang is van het kind. Welk nieuw voorstel doet de VVD-fractie hier nu?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Wij vinden dat het kind moet kunnen aangeven of het wel of geen omgang wil hebben met de misbruikende ouder. Dat is het verschil. In plaats van «ja, mits», willen wij naar «nee, tenzij». Als het kind wel onder begeleiding contact wil hebben met de ouder, is dat zijn goed recht. Dat spreekt vanzelf. Wij laten de afweging bij het kind. Dat is het verschil.

Mevrouw Kooiman (SP): Dan moet ik toch constateren dat dit een extreme luchtballon is van de VVD-fractie. Datgene wat ze voorstelt, is namelijk juridisch al mogelijk. De rechter weegt af wat in het belang van het kind is. Zeker als de ouder geen voogdij meer heeft – in het voorbeeld dat de VVD gaf in het AD, was er geen sprake van voogdij – heeft de ouder niet per definitie recht op omgang.

De voorzitter: Wat is uw vraag?

Mevrouw Kooiman (SP): Is de VVD van plan de wet te wijzigen? Dan wil ik precies weten om welk artikel het gaat. Zo niet, dan blijft dit gewoon een luchtballon.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ten eerste: ik heb geen voorbeelden genoemd. Dat laat ik graag over aan het AD. Ten tweede: nee, dit is geen luchtballon. Wij willen dit geregeld hebben. Volgens ons kan dit in hetzelfde wetsvoorstel geregeld worden als waarin een regeling wordt getroffen voor kinderen die te maken krijgen met partnerdoding. Zij hoeven dan niet op bezoek te gaan bij de ouder die hun moeder of vader heeft vermoord. Wij vragen dit uiteraard aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Wie weet zien wij een aantal haken en ogen niet. Daarom brengen wij deze vraag in dit debat naar voren.

Mevrouw Rebel (PvdA): Ik sluit mij aan bij mijn collega's. Dit is wettelijk geregeld. Met dit voorstel suggereert u dat u de wet wilt wijzigen of dat u op de stoel van de rechter wilt gaan zitten, omdat deze blijkbaar geen goed oordeel velt. Hoe ziet u dit? Welke veroordelingen leiden ertoe dat een kind leidend moet zijn bij de beslissing om geen contact meer te hebben met de ouder? Dit is in strijd met Europese verdragen voor de rechten van de mens. Dit voorstel heeft dus nogal verstrekkende gevolgen. Hoe uitvoerbaar is dit voorstel?

De voorzitter: Dat zijn al drie vragen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Het waren inderdaad drie vragen. De rechten van de mens worden erbij gehaald, maar volgens mij hebben we ook nog een kinderrechtenverdrag. Wij stellen in dit geval het kind voorop. Wij hebben over praktijksituaties gehoord waarin het kind verplicht wordt om op bezoek te gaan bij de veroordeelde ouder. U vraagt om welke ouders het dan gaat. Het gaat om ouders die veroordeeld zijn wegens seksueel misbruik of wegens zeer zware vormen van mishandeling. Volgens mij is dit af te bakenen in het recht.

Mevrouw Rebel (PvdA): Ik maak me nogal zorgen over de uitwerking. Ik begrijp het principe dat het belang van het kind leidend moet zijn, maar daarvoor hebben we de huidige rechtspraak. Deze biedt voldoende wettige mogelijkheden. Met dit voorstel wekt u de suggestie dat u op de stoel van de rechter gaat zitten, maar misschien moeten we de reactie van de Minister afwachten. Ik maak me er echter wel zorgen over.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Volgens mij ga ik juist niet op de stoel van de rechter zitten. Ik neem als Kamerlid mijn verantwoordelijkheid om deze vraag te stellen. In de praktijk word ik ermee geconfronteerd dat kinderen hiermee te maken hebben. Ik denk dat iedereen hier het ermee eens is dat dit volstrekt onwenselijk is.

Mevrouw Keijzer (CDA): Dat is een juiste aanname. Over dit soort situaties wil je eigenlijk niet nadenken. Denk aan een kind dat misbruikt is door zijn vader en vervolgens die vader moet bezoeken. Dat is natuurlijk complete waanzin. Dat is echter niet het punt. Sinds een tijdje krijgen we luchtballonnetjes, de ene week van de VVD, de andere week van de PvdA. Vanavond hebben we een debat over een luchtballon van de PvdA. Ik wil graag weten welk wetsartikel gewijzigd wordt en hoe dit gewijzigd wordt. Als mevrouw Van der Burg dat niet kan vertellen, krijgen we zo een mooi een-tweetje met de Minister – dat is prima, want dat hoort er een beetje bij – maar de kluit wordt dan wel een beetje belazerd. Welk wetsartikel en hoe?

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik zou deze woorden niet graag voor mijn rekening nemen, gezien de ernst van de situaties waarover wij spreken. Ik vind dat wij ouders en kinderen die hiermee te maken hebben, recht moeten doen. Ik heb net al aangegeven waar ik zelf aan denk, namelijk het wetsvoorstel over partnerdoding dat in voorbereiding is. Hieraan zou dit als afgebakend geheel aan toegevoegd kunnen worden. Het gaat om situaties waarin ouders veroordeeld zijn voor seksueel misbruik of heel zware mishandeling. Ik vraag echter graag aan de Minister van Veiligheid en Justitie of dit de juiste plek is. Misschien is er een betere plek.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik heb toch behoefte aan verduidelijking. De CDA-fractie heeft een initiatiefwetsvoorstel ingediend om omgangsrecht te regelen voor kleinkinderen en opa's en oma's. Bij dit voorstel was een analyse gevoegd van de internationale verbanden: waar moet het gewijzigd worden en hoe? Ik kan me niet voorstellen dat de VVD-woordvoerder wakker is geworden en heeft gedacht: goh, laten we het eens zo doen. Waar staat dit dan? Hoe dan? Dan nemen we deze situaties serieus. Dat deel ik namelijk met mevrouw Van der Burg.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik heb net al twee keer aangegeven dat er een wetsvoorstel ligt om te voorkomen – ook die idiote situatie bestaat namelijk – dat kinderen op bezoek moeten bij de vader of moeder die hun andere ouder heeft vermoord. Volgens mij is dit wetsvoorstel er zelfs gekomen op verzoek van uw collega mevrouw Van Toorenburg en mevrouw Kooiman. Er wordt nu gedaan alsof dit een heel raar voorstel is, maar ik vind het echt onbegrijpelijk dat we dit toelaten. Ik krijg hierover signalen van ouders en ik wil gewoon dat dit niet meer kan. We kunnen dat de kinderen niet aandoen. Daarom vraag ik de Minister van Veiligheid en Justitie hoe we dit kunnen regelen. Ik heb een voorzet gegeven van hoe ik denk dat het kan, maar ik hoor het graag als het op een andere manier moet. Het moet wel worden geregeld, want we kunnen dit kinderen niet blijven aandoen.

De voorzitter: Er zijn nog meer vragen voor u, maar volgens mij gaan die allemaal over hetzelfde onderwerp. Ik kijk even indringend naar de collega's. Als ze nog een vraag toe te voegen hebben aan het rijtje vragen dat net gesteld is, hoor ik die graag. Anders wil ik graag verdergaan met het betoog van mevrouw Van der Burg.

Mevrouw Bergkamp (D66): De leden gaan over hun eigen woorden. Volgens mij hebben we twee interrupties. Ik wil graag nog wat verduidelijking. Mevrouw Van der Burg geeft terecht aan dat het belang van het kind op nummer één moet staan. Het is vreselijk als kinderen misbruikt en mishandeld worden. Volgens mij zijn we het daarover eens. Mevrouw Van der Burg komt echter met een voorstel waarvan het heel onduidelijk is hoe dit in de praktijk moet werken. Wij geven aan dat er al heel veel mogelijk is. Ik heb nog één concrete vraag om het echt te kunnen begrijpen. Wil de VVD dat de stap naar de rechter eruit wordt gehaald en dat er een artikeltje in de wet komt waarin staat dat er bij misbruik en kindermishandeling geen omgangsregeling komt? Wordt de zorgvuldigheid via de toetsing door de rechter eruit gehaald? Gaat het om een generieke maatregel, waarin niet wordt gekeken naar de situatie? Zegt de Staat dan: weg met de omgangsregeling? Als dat zo is, zullen we er alles aan doen om dat tegen te houden. Ik kan me niet voorstellen dat mevrouw Van der Burg zo'n ingrijpende wetswijziging wil. Deze gaat in tegen alle Europese verdragen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Als een ouder zijn kind seksueel heeft misbruikt, kan hij zijn recht op een omgangsregeling verliezen. De omgangsregeling moet in ieder geval beperkt worden. Dat kan volgens mij op dezelfde manier geregeld worden als bij partnerdoding. Ik vind dat we daar serieus naar moeten kijken. Nu wordt het kind wel gedwongen om bij die ouder op bezoek te gaan. Dat kan niet waar zijn. Volgens mij kunnen we het heel scherp afbakenen voor die gevallen waarin deze zware vorm heeft plaatsgevonden. Ik zou niet weten waarom die ouder nog recht zou moeten hebben op omgang met het kind. Waarom kunnen we dan niet regelen dat in die gevallen het kind bepaalt of hij nog omgang wil hebben met de misbruikende ouder?

Mevrouw Bergkamp (D66): Ik denk dat dit loyaliteitsconflicten met zich mee zal brengen. Volgens mij weet mevrouw Van der Burg niet hoe ze het juridisch wil regelen. Dat blijkt namelijk uit haar reactie. Ik heb nog een concrete vraag, die met een ja of nee beantwoord kan worden. Wil de VVD dat de rechter er bij de omgangsregeling helemaal uit wordt gehaald en dat er in de wet een artikel komt waarin staat dat een rechter niet meer nodig is en dat er bij misbruik en kindermishandeling, of het nu om een zwaar geval gaat of niet, nooit meer een omgangsregeling komt? Een ja of een nee, mevrouw Van der Burg.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik ga ook over mijn eigen woorden. Ik heb heel duidelijk aangegeven in welke heel zware gevallen de zaken omgedraaid moeten worden van «ja, mits» naar «nee, tenzij». Bij «ja, mits» heeft de ouder in principe het recht op omgang en kan de rechter dat bepalen. Bij «nee, tenzij» heeft het kind in principe het recht om te bepalen of hij wel of geen omgang wil.

Mevrouw Kooiman (SP): Het is terecht dat mevrouw Van der Burg zegt dat er op verzoek van de CDA-fractie en de SP-fractie onderzoek is gedaan naar partnerdoding. Er was ook sprake van een groot juridisch hiaat. Een rechter kan tegen de ouder namelijk niet zeggen dat hij geen recht meer heeft op omgang, omdat die ouder het kind niet fysiek iets heeft aangedaan. Dat is het probleem. De rechter kan niet op basis daarvan het omgangsrecht beperken. Het gaat daarbij om een andere situatie dan de situatie waar we nu over spreken. In het voorstel van mevrouw Van der Burg kan de voogdij ontnomen worden. Daardoor vervalt ook het recht op omgang. Ik vraag me nog steeds af wat de VVD hiermee wil bereiken. Ik snap het gewoon echt niet.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Ik wil gewoon bereiken dat een kind aan zet is om in dit soort ernstige gevallen, dus niet in den brede, te bepalen of hij wel of geen omgang wil met zijn ouder. Waarom moet je als je seksueel misbruikt bent, iedere keer weer naar die ouder toe en moet je weer dat trauma doorleven? Als het kind wel contact wil onder begeleiding, in het kader van verwerking of anderszins, is dat prima.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik ben zelf gezinsvoogd geweest. Ik denk dus dat ik toch aardig weet hoe dit juridisch in elkaar steekt. Als ik het verkeerd heb, hoor ik dat graag van de Minister. Als ouders de voogdij wordt ontnomen, hebben ze het recht al niet meer. Er wordt gekeken naar het belang van het kind voor de vraag of er wel of geen omgang zal zijn. De juridische mogelijkheden zijn er dus al. Het is echter de vraag of dit in de praktijk wordt uitgevoerd. Ik kan me wel indenken dat we in gesprek gaan met rechters om te bekijken hoe dit beter kan worden uitgevoerd. Daar zie ik nog wel een mogelijkheid.

Mevrouw Van der Burg (VVD): De praktijk is dat wij signalen krijgen dat dit een probleem is, dat kinderen verplicht worden om op bezoek te gaan bij de ouder. Het gaat er niet om wie dit niet goed uitvoert. Het moet gewoon geregeld worden. Een kind moet niet tegen zijn zin verplicht worden om in dit soort ernstige situaties bij de ouder langs te moeten.

De voorzitter: U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Van der Burg (VVD): De Staatssecretaris van VWS en ik hebben vaak gediscussieerd over de positie en de beschikbaarheid van de vertrouwensarts bij Veilig Thuis. Naar aanleiding van deze discussies is wettelijk geregeld dat er altijd een vertrouwensarts aanwezig is, zelfs 24/7. Uit de praktijk en van de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik horen we dat dit niet het geval is. Dat is tegen de wet. Ik krijg graag een toezegging dat de Staatssecretaris dit met de verantwoordelijke gemeenten en regio's gaat regelen. Hoe gaat hij dit doen?

Bij de ziekenhuizen gaat het signaleren, melden en aanpakken van kindermishandeling via het zogenaamde ouderprotocol Haaglanden veel beter dan elders in de zorg of in het onderwijs. Gelukkig is er nu een convenant. Dat is in ieder geval een goede stap. We komen daar later nog wel op terug. Hoe lang krijgen de professionals in het onderwijs en in andere zorgsectoren de tijd om een been bij te trekken?

De IGZ heeft de prestatie-indicator kindermishandeling voor de ziekenhuizen eruit gehaald. Er waren discussies over de onderliggende vragen. Waren die wel goed? Nu heeft de IGZ de hele indicator er maar uit gehaald. Dat is een zeer onwenselijke situatie. Dat betekent namelijk dat je er niet meer op kunt sturen en er geen toezicht meer op kunt houden. Ik krijg graag de toezegging dat de Staatssecretaris hierover in overleg gaat met IGZ, zodat die indicator gewoon terugkomt.

Ten slotte. De VVD heeft in diverse AO's en op andere wijzen al diverse keren aan de orde gesteld dat er, in navolging van de vervolgcommissie-Deetman voor zware mishandeling, ook een vervolgcommissie-Samson moet komen voor het erkennen van en het recht doen aan slachtoffers van disproportionele zware mishandeling in jeugdzorginstellingen. Dat heeft ook te maken met rechtsgelijkheid. Kan de Minister van V en J vandaag toezeggen dat deze commissie er op korte termijn komt?

Mevrouw Thieme (PvdD): Wij hebben net een interessant interruptiedebatje mee mogen maken over het juridische gedrocht dat de VVD wil maken. Dit is helemaal niet nodig, omdat we juridisch gezien het belang van het kind al vooropstellen. Het is al mogelijk om de omgangsregeling naar aanleiding van zware mishandeling of incest te beperken. Als de VVD het zo belangrijk vindt om het kind te beschermen, waarom hoor ik de VVD dan geen plannen presenteren over het hulp bieden aan kinderen? Twee op de drie kinderen die mishandeld worden, krijgen geen hulp. Waarom zijn daar geen plannen voor? Dat zou echt zoden aan de dijk zetten.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Dank voor deze vraag. Ik zei al dat er heel veel stukken op de agenda staan. Je kunt niet alles behandelen. U bent op dit punt ingegaan. Wij vinden dit ook een zorgwekkende zaak, maar wij kunnen ook niet zeggen dat er geen zorg en geen hulp is. Die is er namelijk wel degelijk. Ik heb de cijfers ook gezien. Ik denk dat het goed is om de vraag te stellen hoe wij ervoor kunnen zorgen dat die kinderen betere hulp krijgen.

Mevrouw Thieme (PvdD): Wij hebben wel te maken met een kabinet dat juist drastisch bezuinigt op zorg voor kwetsbare groepen in de samenleving. Vindt de VVD dat dit kabinet het financieel mogelijk moet maken dat alle kinderen hulp krijgen? Dan kunnen we hier in de Kamer pas echt zaken doen. Dan kunnen we kinderen echt een perspectief bieden.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Er zijn partijen die denken dat meer geld altijd de oplossing is. Zo denkt mijn partij er niet over. Soms is het wel zo, maar heel vaak ook niet. Neem het trieste voorbeeld van Daniëlla dat hier al genoemd is. Alle hulpverleners wisten het, maar deden niets. Daar moeten we aan werken. We moeten ervoor zorgen dat die kinderen gesignaleerd worden en dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen om die kinderen de nodige hulp te bieden. Een bak geld erbij helpt niet, want dan zijn er nog meer hulpverleners, zeker in de oude situatie, die langs elkaar heen werken. Dat is mijn reactie op dit punt.

De vergadering wordt van 14.03 uur tot 14.14 uur geschorst.

Staatssecretaris Van Rijn: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng. Net als bij elk debat over dit onderwerp blijkt hieruit dat wij allen hierbij betrokken zijn en dat wij soms verbijsterd en verdrietig zijn over wat kinderen in kindermishandelingssituaties wordt aangedaan. Helaas worden wij af en toe opgeschrikt door gruwelijke verhalen in de media over geweldsdrama's binnen families, waarvan weerloze en afhankelijke kinderen het slachtoffer zijn. Wij zijn het aan onszelf en aan die kinderen verplicht om de aanpak van kindermishandeling niet te laten verslappen, maar juist te versterken. Wij moeten de verantwoordelijkheden niet alleen goed op papier regelen, maar vooral ook in de praktijk.

Ik meen dat mevrouw Bergkamp aandacht vroeg voor de casus-Daniëlla. Dan weet je meteen weer waarom je doet wat je doet. Als je ervoor zorgt dat de informatie aan de voorkant meer bij elkaar gehouden wordt, is de kans groter dat je er eerder bij bent. Dat is geen garantie dat het niet meer misgaat, maar de kans daarop heb je daarmee vergroot. Dat is een van de belangrijkste uitgangspunten die we met elkaar hebben vastgesteld voor de Jeugdwet, namelijk: één gezin, één plan, één regisseur. Laten we ervoor zorgen dat de informatie die er is, zo veel mogelijk ter beschikking wordt gesteld aan alle professionals. Zo kan er geacteerd worden voordat het te laat is. Nogmaals, dat is natuurlijk geen garantie dat het allemaal goed gaat, maar hiermee vergroot je wel de kans dat het niet fout gaat.

Voor de stand van zaken rondom kindermishandeling heeft de Kamer in december 2014 de midterm review ontvangen. Wij hebben met elkaar gediscussieerd over de vraag wie voor wat verantwoordelijk is, over de vraag hoe wij met de meldcode omgaan, over de vraag hoe wij die kindcheck kunnen bevorderen, enz. Met de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik ontwikkelen wij een aanpak. Eigenlijk zitten wij in een volgende fase, waarin de verantwoordelijkheden helderder zijn en waarin de wet is aangepast. De focus moet nu meer op de praktijk komen te liggen. Hoe zorgen wij ervoor dat de plannen die wij hebben ontwikkeld en de verantwoordelijkheden die wij hebben gedefinieerd, goed gaan werken? Hoe verbeteren wij de samenwerking tussen professionals, hoe verdiepen wij waar nodig de kennis, hoe nemen wij handelingsverlegenheid bij kindermishandeling weg? Het vizier moet op de praktijk worden gericht en daarmee op de nieuwe rol van de gemeenten. Ik denk dat in 2015, maar ook in 2016 de focus moet komen te staan op het ondersteunen van professionals, die een heel belangrijke rol moeten vervullen in deze aanpak. Ik noem de huisartsen, de samenwerking tussen artsen in de regio's als het gaat om de forensisch-medische expertise, maar ook de scholen, de leerkrachten en de Veilig Thuisorganisaties.

Gisteren heb ik met de huisartsen en Augeo samenwerkingsafspraken ondertekend. Er wordt door huisartsen geïnvesteerd om in hun dagelijkse praktijk scherper op te letten, meer bewustzijn te hebben voor mogelijke gevallen van kindermishandeling, inderdaad met een digitaal alert. Voor medicijngebruik hebben wij in de systemen ingebouwd dat er een signaal komt als er mogelijk iets aan de hand is. Dan kan niet zomaar een medicijn worden verstrekt. Het is een ondersteuning, een hulpje voor de diagnose door de huisarts. Dat geldt hier ook. Als er een aantal zaken speelt, is er eventjes een alert: let even op, misschien moeten wij hier eens even kijken of wij moeten doorvragen. Het lijkt mij goed om het ook even voor de huisartsen op te nemen. Huisartsen hebben heel veel consulten en hebben soms maar een paar minuten om te beoordelen of er wat aan de hand zou kunnen zijn. Daarbij zou dat alert wel kunnen helpen. Het lijkt mij heel belangrijk dat huisartsen, vertrouwensartsen en Veilig Thuisorganisaties elkaar gewoon kennen. Bij twijfels of bij een niet-pluisgevoel moeten ze elkaar gewoon opzoeken of bellen. Zo kan men elkaar helpen om te bekijken of er iets aan de hand is en, zo ja, om daar actiever in te zijn. Ik vind het heel goed dat huisartsen en Augeo de handen ineen hebben geslagen om ervoor te zorgen dat dit een gewoon alertpunt in de praktijk wordt.

Ik merk op diverse plekken in het land dat kindermishandeling hoger op de agenda komt, zowel bij bestuurders als bij instellingen. Ik denk aan een werkbezoek aan een praktijkschool in Almere die dagbehandeling in huis biedt voor leerlingen die dat nodig hebben. Daar worden onderwijs en zorg goed gecombineerd aangeboden met heel veel aandacht voor vroegtijdig signaleren en het aanpakken van kindermishandeling. In de gemeente Den Haag hebben vertrouwensartsen aan alle huisartsen een bezoek afgelegd om kennis te maken en om expertise uit te wisselen. De komende jaren zal ik met de VNG en met de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik via een heel praktische aanpak ervoor zorgen dat wij van papier naar praktijk komen. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat wij professionals zo goed mogelijk ondersteunen opdat wij vroegtijdig signaleren, opdat wij er heel snel bij kunnen zijn op een moment dat wij nog kunnen ingrijpen? Daarnaast moeten wij zorgen voor goede nazorg.

De decentralisatie van de jeugdhulp naar de gemeenten kan een belangrijke impuls zijn om huiselijk geweld en kindermishandeling eerder op te sporen en te bestrijden. Je zou kunnen zeggen: wij hebben er misschien wel 400 ogen bij. Er moet van alles en nog wat geregeld worden. Alles zal vast nog niet zo lopen als wij willen, maar preventie, signalering, het stoppen van geweld en een samenhangend hulpaanbod krijgen veel meer kans. Decentralisatie betekent voor mij niet: er zijn wetten door het parlement en nu moet een ander het doen. Een ander moet het doen, maar zeker als het gaat om kwetsbare mensen die slachtoffer zijn van geweld in afhankelijkheidsrelaties, vereist het permanente aandacht om ervoor te zorgen dat de praktijk werkt zoals wij met zijn allen willen dat hij werkt. Ik merk dat dit in ook de houding van bestuurders van gemeenten. De Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik kan daarin een belangrijke rol spelen.

Bijna 400 lokale bestuurders hebben dit onderwerp op hun netvlies of moeten het op hun netvlies krijgen. Zij kunnen simpelweg het verschil maken met ondersteuning, met vroegsignalering, met een goede samenwerking met huisartsen en met het Veilig Thuis. Wij pakken dit niet alleen op papier aan, maar juist lokale bestuurders kunnen op dit punt het verschil maken.

De Veilig Thuisorganisaties zijn een aantal keren genoemd. Ik denk dat deze inderdaad een vrij cruciale rol spelen in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Zij onderzoeken vermoedens van geweld en proberen ervoor te zorgen dat het geweld stopt. Zij geven adviezen aan professionals en hebben contacten met lokale wijk- en gebiedsteams. Dat is ook heel essentieel voor die vroegsignalering. Er is ook een adviserende rol voor de professional en het lokale hulpverleningsveld, zodat het niet-pluisgevoel wordt versterkt en omgezet in daadwerkelijke hulp. De Veilig Thuisorganisaties zijn per 1 januari van start gegaan. Er wordt heel veel van hen verwacht. Het is een tijd van opbouw – er moet een nieuwe organisatie worden gemaakt – maar men begint gelukkig niet bij nul. Er zijn medewerkers die al ervaring op dit gebied hebben en die verder worden opgeleid door medewerkers die hun expertise meenemen.

Ik zie dit jaar als hét jaar voor de kwaliteitsslag van de Veilig Thuisorganisaties. Er is al het nodige geïnvesteerd. Er is een handelingsprotocol opgesteld waarin het gaat om het herstelplan en het veiligheidsplan. Veilig Thuis moet pas loslaten als die hulpverlening op gang is gekomen. Het moet gecheckt worden of de stappen die in gang zijn gezet, ook worden uitgevoerd. Ik denk dat er met dit protocol een heel belangrijk richtsnoer is voor het handelen van de professionals van Veilig Thuis. Het biedt houvast en het is een belangrijk kennispunt voor de wethouders die verantwoordelijk zijn voor deze kwaliteitsslag. Ik wijs erop dat er een eerste ronde opleidingen is gestart om met het protocol te werken. Wij hebben niet alleen veel verwachtingen van Veilig Thuis, maar ik reken er ook op dat de Veilig Thuisorganisaties en de wethouders ervoor zorgen dat alle medewerkers de kansen krijgen en goed geschoold zijn. Ik wil de ontwikkelingen rond deze kwaliteitsslag op de voet volgen. De inspecties zullen in de tweede helft van dit jaar uitgebreid onderzoek doen naar 26 Veilig Thuisorganisaties. Het protocol zal als toetssteen gelden. Met het onderzoek beginnen de inspecties als het ware weer bij de basis. Ik ondersteun de VNG bij de doorontwikkeling van Veilig Thuis en de deskundigheidsbevordering bij de medewerkers.

Een belangrijk aandachtspunt bij Veilig Thuis is en blijft de samenwerking met sociale wijkteams, maar ook met de politie, het omgaan met burgers die een melding doen en andere zaken die op tafel kunnen komen. Ik heb de betrokken wethouders uitgenodigd en ik zal ze ook blijven uitnodigen voor overleg om te kijken hoe wij de kwaliteitsslag bij de Veilig Thuisorganisaties kunnen volgen, maar ook om knelpunten op te lossen en successen te bespreken die wij veel breder kunnen uitrollen. Ik ga hier even uitgebreid op in omdat ik denk dat het een heel belangrijk schakelpunt is, zowel voor mensen die iets signaleren en die bij Veilig Thuis ook een aanspreekpunt moeten hebben, waarin ook gevoeld wordt dat er iets gebeurt met je melding of je vraag om advies, als voor professionals aan wie teruggekoppeld moet worden in de zin van «waar hebben wij wat aan en hoe kunnen wij dat doorkoppelen».

Er is ook gevraagd naar de vrouwenopvang.

Mevrouw Van der Burg (VVD): De Staatssecretaris gaat over naar een ander onderwerp. Ik heb net als collega Rebel indringende vragen gesteld over de vertrouwensartsen. Ik verbaas mij er een beetje over dat die nu niet meegenomen worden.

De voorzitter: Ik hoor van de Staatssecretaris dat hij zo meteen nog dieper ingaat op de vragen. Dit is zijn inleiding.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik wil dit inderdaad straks nog even uitgebreid bespreken, omdat er meerdere specifieke vragen over zijn gesteld.

Ik kom op de vrouwenopvang in relatie tot de capaciteit. Er is een nieuwe verdeling gemaakt rondom die vrouwenopvang. Ik heb structureel 10 miljoen extra toegevoegd aan de decentralisatie-uitkering en daarbovenop iets meer dan 2 miljoen per jaar voor pilots voor specifieke groepen en 1,2 miljoen voor de mannenopvang. In totaal is het budget van 100 miljoen per jaar gegroeid naar 115 miljoen per jaar. Er is een afspraak gemaakt over een kwaliteitsimpuls voor de bestrijding van huishoudelijk geweld. Wij hebben natuurlijk ook het verdeelvraagstuk. Daarbij speelt de bijzonderheid dat wij ook hebben afgesproken dat de VNG een gedeelte van het budget beheert. Dat zien wij terug in de brief van Tilburg en Kompaan en De Bocht: eerst kregen wij het budget rechtstreeks en nu loopt het via het landelijk budget van de VNG. Dat is misschien vervelend, maar het geld is niet weg. Het is nog steeds beschikbaar voor Kompaan en De Bocht. Als er landelijk wordt ingekocht, zijn er ook daar plekken beschikbaar. Ik snap ook dat gemeenten die het nadeel van die verdeling ondervinden, bekijken hoe dat zorgvuldig kan worden afgebouwd. Het is natuurlijk logisch dat er soms moet worden afgebouwd en soms moet worden opgebouwd. Dat is inherent aan een verdeelmodel. Maar in code-roodgevallen moet er natuurlijk altijd crisisopvang zijn, ook buiten de eigen regio. De VNG heeft dat ook benadrukt. Het komt er nu op aan dat er met de desbetreffende wethouders goede afspraken worden gemaakt. Wij zitten daar bovenop en wij zullen het heel nauwlettend volgen. Het inspelen op de nieuwe situatie en het nieuwe verdeelmodel zal van iedereen veel vragen, maar wij moeten blijven opletten dat crisisopvang altijd geborgd blijft. De VNG heeft mij desgevraagd nog eens verzekerd dat zij er ook bovenop zit.

Ik kom op een aantal specifieke vragen.

De voorzitter: Voordat u daartoe overgaat, herinner ik aan de afspraak dat er twee interrupties per fractie mogen worden geplaatst. En dat aantal van twee geldt voor beide bewindslieden samen.

Mevrouw Rebel (PvdA): Volgens mij hebben meerdere collega's gevraagd naar de kritiek van de Raad voor de financiële verhoudingen en de reactie daarop van de Staatssecretaris. Het afbouwen zou niet in 2015 plaatsvinden. Het is in strijd met de gemaakte afspraken, maar de Staatssecretaris noemt het nu wel. Ik pleit ervoor dat de Kamer een overzicht krijgt van de afbouw en de plannen die nu voorliggen. Ik vind dit een zorgelijke ontwikkeling.

Staatssecretaris Van Rijn: Het vraagstuk is nog wel ietsje ingewikkelder. In samenspraak met de zorgaanbieders vindt ook een beweging naar ambulante hulp plaats. Wat willen wij opvangen en wat willen wij meer in de thuissituatie ondersteunen? Er wordt ingespeeld op het nieuwe verdeelmodel en er zijn nieuwe zorg- en ondersteuningsarrangementen, die ook leiden tot acties. Je kunt niet zomaar zeggen: het andere verdeelmodel heeft deze gevolgen. Soms zijn de bewegingen ook het gevolg van de afspraken die gemaakt worden over de mate van zorg en ondersteuning. Samen met de VNG houden wij heel goed in de gaten of die vrouwenopvang voldoet aan de gestelde eisen. Ik heb gezegd dat ik extra geld ter beschikking wil stellen, maar dat er wel voor moet worden gezorgd dat de gemaakte afspraken worden nagekomen. Ik wil dit volgen. In de voortgangsrapportages die ik hierover regelmatig naar de Kamer stuur, zal ik er extra aandacht aan geven hoe het proces loopt. De Federatie Opvang is trouwens ook bij dat overleg betrokken. Wij bekijken goed of het proces van verandering van de capaciteit als gevolg van die andere verdeling, goed verloopt. Er mag geen onverantwoorde afbouw plaatsvinden.

Mevrouw Rebel (PvdA): Ik dank de Staatssecretaris voor zijn toezegging om hier extra aandacht aan te besteden. Misschien is het een suggestie om met de betrokken partijen te kijken naar het instellen van een maximumkorting, met name voor de nadeelgemeenten.

Staatssecretaris Van Rijn: Om even te illustreren dat wij hier bovenop zitten, zeg ik nog dat ik aanstaande vrijdag zal overleggen met de betrokken wethouders van de centrumgemeenten. Dan zullen wij bekijken hoe het gaat en of aanvullende afspraken nodig zijn.

Mevrouw Kooiman (SP): Het is goed dat de Staatssecretaris een gesprek heeft met de wethouders. Uit Midden-Brabant hebben wij het signaal ontvangen dat daar twee afdelingen zijn gesloten en dat er nog twintig afdelingen op de nominatie staan om gesloten te worden. Kan de Staatssecretaris ons naar aanleiding van het overleg informeren? Mevrouw Rebel vraagt terecht om een overzicht van de consequenties voor de opvangplekken, maar ik wil niet zo lang wachten. Wanneer krijgen wij dat overzicht?

Staatssecretaris Van Rijn: Dat wil ik graag met de wethouders bespreken. Ik zei al dat een paar bewegingen tegelijk plaatsvinden. Enerzijds wordt er ingespeeld op de nieuwe verdeling, waarvan wij met zijn allen gezegd hebben dat die eerlijker is, gezien de behoeften en de problematiek. Veel wethouders zijn daarnaast met zorgaanbieders afspraken aan het maken over het ondersteuningsaanbod, waar ook veranderingen in optreden. Ik zal met de wethouders bespreken wanneer wij daar een goed beeld van kunnen hebben. Ik ben alleszins bereid om de Kamer daarover te informeren.

Mevrouw Kooiman (SP): Wij overleggen achter de schermen natuurlijk weleens over de vraag of een motie nodig is om zoiets te regelen. Het zou ons heel erg helpen als de Staatssecretaris de Kamer in ieder geval informeert over de afspraken met de wethouders. Dan kunnen wij inschatten of een motie nodig is.

Staatssecretaris Van Rijn: In het besef dat ik nooit een motie kan of wil voorkomen, wil ik die toezegging wel doen.

De voorzitter: Wanneer gaat u dat doen?

Staatssecretaris Van Rijn: Ik wil dit eerst met de wethouders bespreken. Ik zal er in ieder geval bij de volgende rapportage in juni over kunnen berichten, maar ik hoop eigenlijk dat dat veel eerder gebeurt.

De voorzitter: Uiterlijk juni en waarschijnlijk eerder.

Staatssecretaris Van Rijn: Mevrouw Thieme heeft een aantal vragen gesteld over het samengaan van kindermishandeling en dierenmishandeling. Zouden wij daar niet meer aandacht aan moeten geven? Die samenhang blijkt er te zijn. Wij bekijken of wij er in artikelen in huis-aan-huisbladen aandacht aan kunnen besteden. Ook hier moeten wij alert zijn. Dierenmishandeling kan een belangrijk signaal zijn dat ook kindermishandeling voorkomt. Wij willen daarbij gebruikmaken van ervaringen in het buitenland. De pilots zijn uitgebreid naar Heerlen, Groningen, Friesland, Roosendaal en Zaandam. In de eerstvolgende voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties zal ik aandacht geven aan de stand van zaken. De koppeling met dierenmishandeling die ook in het buitenland wordt gelegd, zal daarin worden meegenomen.

Mevrouw Bergkamp vroeg wat er gebeurt met de conclusies en verbetermaatregelen die naar aanleiding van het onderzoek in de zaak-Daniëlle zijn voorgesteld. De verbetermaatregelen zijn voorgesteld aan de professionals en de instellingen en de gemeente Groningen. De samenwerkende inspecties zullen de verbetermaatregelen en het actieplan volgen en toezien op de uitvoering daarvan. Het klopt inderdaad dat wij hiervan ook veel kunnen leren: wat gebeurt er en wat hebben andere gemeenten eraan? Ik zei daarnet al dat dit heel belangrijke informatie is voor organisaties zoals Veilig Thuis. Wij zullen het daar ook onder de aandacht brengen bij de invoering van het handelingsprotocol. Je kunt lokaal ook allerlei andere maatregelen nemen. Wat mij betreft passen zij in het ondersteuningsprogramma van Veilig Thuis. Ik zal de resultaten van het onderzoek onder de aandacht brengen van de gemeenten en de VNG en alle andere betrokkenen, zodat gewoon geleerd kan worden van dit casusonderzoek. Het is een casusonderzoek dat ook algemene conclusies heeft opgeleverd, die het waard zijn gedeeld te worden.

Mevrouw Bergkamp stelde een specifieke vraag over Münchhausen by proxy. Er is specifieke expertise aanwezig. Vertrouwensartsen werken met een interne richtlijn om de herkenning en het bewustzijn ervan te bevorderen. Alle kinderartsen worden er in hun opleiding op getraind. Daarnaast zijn er e-learningprogramma's voor professionals om te zien hoe het syndroom snel herkend kan worden. Het denken staat niet stil. In de komende maanden organiseren de professionals op initiatief van het Openbaar Ministerie een expertbijeenkomst om samen door te nemen hoe er gesignaleerd kan worden en hoe de behandeling en het signaleren van Münchhausen by proxy beter kan. Ook de vraag of dan aanvullend psychiatrisch onderzoek nodig is, kan dan aan de orde komen. Verder worden de lijnen tussen vertrouwensartsen, kinderartsen en forensisch artsen kort gemaakt, zodat zij elkaar sneller weten te vinden bij elk vermoeden van kindermishandeling en dus ook bij Münchhausen by proxy. Het heeft naar ik meen voldoende aandacht bij de professionals.

Mevrouw Bergkamp (D66): De professionals zelf komen met het initiatief voor zo'n expertmeeting. Ik geloof wel dat er veel aandacht voor is, maar uit de schokkende rapportage bleek ook duidelijk dat meer aandacht nodig is, bij professionals maar ook bij verpleegkundigen. De Staatssecretaris geeft aan dat die expertmeeting er komt. Wil hij dit onderwerp, inclusief de uitkomsten van de expertmeeting, meenemen in de voortgangsrapportage?

Staatssecretaris Van Rijn: Dat zeg ik toe.

Er is ook specifiek gevraagd om een uniforme werkwijze bij spoedeisendehulpdiensten bij de beoordeling of sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling, in aanvulling op de kindcheck. Dit wil ik bekijken en bespreken met de beroepsgroep. Ik heb niet het beeld dat er heel veel differentiatie in zit, maar evenmin dat er heel veel uniformering is. Het lijkt mij een goed punt om met de beroepsgroep te bespreken.

Mevrouw Bergkamp (D66): Ik vind het belangrijk om van de Staatssecretaris te horen wat hij hiervan vindt. Wij hebben een onderzoek gedaan naar de spoedeisende hulp van ziekenhuizen en daar zie je echt heel veel diversiteit in de leeftijdsgrenzen en in de communicatie met ouders: soms met posters, soms op de site, soms helemaal niet. Ik mis de sense of urgency bij de Staatssecretaris om dit echt op te pakken en te zorgen voor uniforme richtlijnen. Het kan niet zo zijn dat het afhangt van een ziekenhuis hoe er naar een kind wordt gekeken.

Staatssecretaris Van Rijn: Er zitten eigenlijk twee aspecten aan. Enerzijds is er de kindcheck zelf: is een ziekenhuis voldoende alert op een mogelijk gevaar voor een kind als een ouder wordt opgenomen? Wij hebben lang met elkaar gediscussieerd voordat wij een uniforme werkwijze met de kindcheck hebben ingevoerd. Anderzijds hebben wij de kwestie van het onderzoek zelf. Het is primair aan de beroepsgroep om te bepalen waarnaar gekeken wordt. Het verbaast mij dat er kennelijk zo veel verschil zit in de aanpak. Dan moet je nadenken over de vraag of de richtlijn wel zodanig is dat iedereen zich er voldoende in herkent. Dat is precies de reden waarom ik dit wil bespreken. Ik vind het heel belangrijk dat de beroepsgroepen zelf nadenken over een goede professionele manier om hiernaar te kijken. Als er zoveel verschillen in de praktijk worden geconstateerd, is dat zeker een aanleiding om daar eens even in te duiken. Ik onderschrijf de verbazing van mevrouw Bergkamp en ga ermee aan de slag.

Mevrouw Bergkamp (D66): Kan de Staatssecretaris daarover terugkoppelen in zijn voortgangsrapportage?

Staatssecretaris Van Rijn: De voortgangsrapportage wordt een enorm werkstuk.

Mevrouw Bergkamp (D66): Het onderwerp is belangrijk genoeg, lijkt mij.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik heb al gezegd dat ik er met de beroepsgroep over zal spreken en ik zal het dús meenemen in de voortgangsrapportage.

Er is gevraagd naar het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen. Wij hebben om advies gevraagd over de ingroei van de aan het verdeelmodel vrouwenopvang toegevoegde middelen. De raad zegt: wij brengen er advies over uit, maar je moet misschien ook kijken naar de middelen die vanuit de AWBZ zijn overgekomen. Als je dat doet, betekent dat natuurlijk het nodige voor alle andere gemeenten, die met het oude verdeelmodel hadden gerekend op die middelen. Het advies ligt er. Het wordt op 17 april binnen de VNG besproken. Op basis daarvan zal ik met de VNG bekijken wat wij moeten besluiten. Ik vind het fair en correct om het advies met de gemeenten te bespreken, omdat het gevolgen heeft voor alle gemeenten. Vervolgens zal ik bekijken wat wij ermee kunnen gaan doen.

Ik kom op de preventie van seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg. Mevrouw Bergkamp vroeg hoe wij dit punt op de agenda houden. Inmiddels is er een risicotaxatie-instrumentbeoordeling voor seksueel en grensoverschrijdend gedrag bij jeugdzorg beschikbaar. Dat instrument is ontwikkeld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) in opdracht van VWS en Jeugdzorg Nederland. Het ziet zowel op het risico van seksueel misbruik door opvoeders, medewerkers en jeugdigen in of buiten een organisatie als op het risico om als jeugdige zelf overschrijdend verdrag te gaan vertonen. Zowel de dader- als de slachtofferkant krijgt aandacht. Het instrument moet de professional informatie opleveren op grond waarvan maatregelen kunnen worden genomen. Op die manier kunnen wij het onderwerp heel goed op de agenda houden.

Mevrouw Kooiman en anderen vroegen hoe wij in beeld houden of er voor alle kinderen van wie het AMK of Veilig Thuis constateert dat er sprake is van gezinsgeweld, een goed herstelplan is en, zo ja, of dat tot passende zorg leidt. Gemeenten zijn conform de Jeugdwet gehouden om passende hulp te bieden. Dat geldt uiteraard ook voor slachtoffers van kindermishandeling. Veilig Thuis stelt een veiligheidsplan en een herstel- en hulpverleningsplan op voor kind en gezin. Daarmee is geborgd dat er hulp komt, niet alleen voor de ouders, maar ook voor het kind. Een nieuw element in het protocol is dat Veilig Thuis pas loslaat als de overdracht aan de hulpverlening heeft plaatsgevonden. Daarmee is er een belangrijke borg dat niet alleen gesignaleerd wordt dat er iets aan de hand is, maar ook geconstateerd wordt dat er hulpverlening plaatsvindt. Ik wil onderzoeken of daar voldoende regie op plaatsvindt. Dan wordt ook gekeken naar het hulpaanbod van de gemeenten in de diverse beleidsnota's. Voorzitter, u kunt het al voorspellen: ik ben zeer bereid om in de eerstvolgende rapportage over geweld in afhankelijkheidsrelaties hierover de Kamer nader te informeren.

Onderdeel van de afspraken die ik heb gemaakt in het stelsel van vrouwenopvang is dat wij ook nadenken over de zorg die heel vaak nodig is voor moeder en kind. Kinderen worden in de opvang begeleid volgens een beproefde methodiek. Er is extra geld beschikbaar gekomen. Ik heb de VNG en de Federatie Opvang aangesproken op signalen die in de media naar voren kwamen dat in sommige gemeenten geen geld beschikbaar wordt gesteld. Dat is niet conform de afspraak.

Krijgen jeugdige slachtoffers van kindermishandeling wel voldoende aandacht in de jeugd-ggz? Het ontwikkelen van een stoornis kan dan voorkomen worden. Ik zei daarnet al dat gemeenten gehouden zijn om kinderen met psychische problemen passende hulp te bieden. Ook als er geen diagnose is van een ggz-stoornis, maar die wel vermoed wordt, zijn gemeenten gehouden om kinderen met een hulp- of zorgvraag passende hulp te bieden. In de hulp aan en zorg voor slachtoffers van kindermishandeling en seksueel geweld kan bijvoorbeeld ook het sociaal wijkteam, waar de ggz-expertise soms rechtstreeks en soms op enige afstand vertegenwoordigd is, een rol spelen. Om de ggz-professional in een eerder stadium bij de beoordeling van een situatie te kunnen betrekken, hebben gemeenten bovendien een zogenoemde consultatie-dbc in het leven geroepen, een betaaltitel om een consultatie te kunnen vragen op het moment dat je denkt dat zich een stoornis zou kunnen ontwikkelen. Ik wees al op het modelhandelingsprotocol voor de Veilig Thuisorganisaties, waarin een hulpverleningsplan wordt gemaakt met een landelijk dekkende multidisciplinaire aanpak. Het is dus niet zo dat kinderen verstoken hoeven te blijven van hulp omdat er een stoornisvereiste is, maar wij moeten er natuurlijk wel goed op blijven letten dat het in de praktijk ook zo werkt. Ik heb al toegezegd dat ik mij hierover nader zal verstaan met de VNG en de Federatie Opvang.

Kan er anoniem gedeclareerd worden? Die vraag speelde bij Fier Fryslân, maar ook bij Kompaan en De Bocht. Ja, dat kan. Ten overvloede zal ik aan de VNG vragen om daarover nog duidelijker te communiceren. Het gaat erom dat op de declaratie de verblijfplaats van bedreigde personen niet mag worden achterhaald. Wij zullen er nog eens extra aandacht voor vragen.

Mevrouw Kooiman vroeg naar het bestaan van wachtlijsten bij Veilig Thuis. Recent hebben wij daarover overleg gevoerd met de VNG. Daar kwam niet het beeld uit dat er wachtlijsten waren. In het begin van het jaar waren er wel berichten dat er bijvoorbeeld in de regio Haaglanden een wachtlijst zou zijn. De gemeente Den Haag heeft daarop actie ondernomen, waarna de signalen zijn verminderd. Wij blijven dit natuurlijk in de gaten houden. Veilig Thuis rapporteert hierover aan het CBS. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde, maar wij willen die lijn wel vervolgen. Dat betekent dat ook de doorlooptijden in beeld komen. Ook voor de behandeling van de melding en het onderzoek gelden maximale termijnen. Voorzitter, u raadt het al, wij zullen aan dit soort doorlooptijden aandacht besteden in de komende rapportages.

Mevrouw Rebel vroeg wanneer wij de resultaten van de quickscan mogen verwachten. Die quickscan wordt in twee fasen uitgevoerd. In de eerste helft van dit jaar wordt een onderzoek onder huisartsen uitgevoerd. Ik zou bijna zeggen: daarover zal ik de Kamer informeren bij de voortgangsrapportage in juni. In de tweede helft van dit jaar wordt de quickscan uitgevoerd in andere sectoren. De resultaten daarvan worden eind dit jaar verwacht.

Er zijn veel vragen gesteld over de 24/7-dekking van vertrouwensartsen. Er waren signalen dat niet in alle Veilig Thuisregio's sprake is van een 24/7-bereikbaarheid. Ook tijdens kantooruren zou er niet continu een vertrouwensarts aanwezig zijn. Dat is natuurlijk nog weer wat anders dan beschikbaarheid. Het gaat ook niet om een wettelijk voorschrift. Vóór 2015 was dat ook niet aan de orde. Er moet bereikbaarheid zijn, maar een vertrouwensarts hoeft uiteraard niet altijd op kantoor aanwezig te zijn. Conform de Jeugdwet zijn gemeenten verplicht om ervoor te zorgen dat jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is, ook in situaties waarin een onmiddellijke uitvoering van een taak is geboden. Alle gemeenten hebben een regionale crisisdienst ingericht die nauw samenwerkt met en soms ook is ondergebracht bij de Veilig Thuisorganisaties. Ik onderschrijf het grote belang van de deskundigheid van vertrouwensartsen die nodig is om tijdig te signaleren en van advies te dienen als dat nodig is. Vertrouwensartsen zijn ook heel erg betrokken geweest bij het handelingsprotocol Veilig Thuis en bij de samenwerkingsovereenkomst tussen Veilig Thuis, de politie en het Openbaar Ministerie. Ik zal vanuit de inspectie onderzoek laten doen naar de kwaliteit van de Veilig Thuisorganisaties. Daarin zal ik ook meenemen de beschikbaarheid en de aanwezigheid van de vertrouwensartsfunctie. Ik zeg toe dat ik samen met de VNG zal bekijken hoe wij de invulling van de vertrouwensartsfunctie verder kunnen versterken. Als er signalen zijn, reageren wij daarop.

De voorzitter: Ik hoor een collega vragen of daarover gerapporteerd wordt, maar daar ga ik nu voetstoots van uit.

Staatssecretaris Van Rijn: Als er één rode draad in dit debat is, dan is het de regelmatige verwijzing naar komende rapportages over van alles en nog wat.

Dan de planning van het prevalentieonderzoek huiselijk geweld en kindermishandeling. Dat is in 2005 en 2010 verricht. Het lijkt mij heel goed om in 2015 weer onderzoek te doen naar de omvang van kindermishandeling en huiselijk geweld. Wij praten over cijfers uit het verleden die wij zo goed mogelijk extrapoleren, maar wij gaan dit onderzoek aanbesteden, zodat nog dit jaar gestart kan worden. De ervaring leert dat het langdurige onderzoeken zijn. Er moeten trendanalyses worden gemaakt en er moeten allerlei data worden verzameld. Ik verwacht dat de resultaten in 2016 beschikbaar komen. Het is heel belangrijk om deze cijfers te blijven verzamelen en vergelijkbaar te maken met de cijfers uit het verleden. Wij voeren daarover heel goede gesprekken met de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik. De cijfers en trends moeten goed worden verzameld. Wij moeten niet alleen acties ondernemen, maar ook goed meten of het helpt.

Mevrouw Keijzer stelde een aantal vragen over de forensische artsen. Het is echt heel belangrijk dat wij een aantal afspraken hebben gemaakt en dat de artsen daar nu zelf in het veld uitwerking aan geven. Zij zijn verdergegaan met het netwerk van artsen in de regio en maken zelf een monitor. Het NFI leidt forensische artsen op. Laatst heeft de nieuwe Staatssecretaris van V en J daartoe het initiatief genomen. Ook de huisartsen pakken dit op. Ik wijs op de afspraken die wij met Augeo hebben gemaakt om te zorgen dat de band tussen huisartsen en vertrouwensartsen steviger wordt. Eind april komt de landelijke werkgroep bij elkaar om de voortgang te bespreken. Het lijkt mij goed dat wij het resultaat van de meting of het goed loopt, de stand van zaken rond de opleiding van forensisch artsen, de contacten tussen huisartsen en forensisch artsen, en de vraag of het netwerk functioneert, meenemen in de voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties.

Mevrouw Keijzer (CDA): Neemt de Staatssecretaris daar dan ook in mee of er voldoende forensisch-medische capaciteit is? Daar gaat het uiteindelijk om. Om te kunnen vaststellen of sprake is van kindermishandeling heb je deskundigheid nodig. Die moet dan ook wel in voldoende mate aanwezig zijn.

Staatssecretaris Van Rijn: Dat is overigens in ontwikkeling. Die expertise was een aantal jaren geleden heel erg dun gezaaid. In specialistische centra is heel veel kennis en kunde opgebouwd, waar heel veel anderen van kunnen leren. Wij zitten nu middenin het proces van het maken van afspraken over de vraag wanneer je wel en wanneer je niet verwijst. Het is heel belangrijk om ook andere forensisch artsen op te leiden, zodat wij de kennis en kunde veel breder kunnen verspreiden, zodat wij in heel Nederland een netwerk krijgen van forensisch artsen die elkaar kunnen consulteren en die kunnen acteren op het moment dat er snelle actie nodig is. Er worden ook nieuwe forensisch artsen opgeleid. Wij moeten met elkaar in de gaten blijven houden of het voldoende is, maar ik constateer dat wij nu twee slagen aan het maken zijn. Enerzijds maken wij in een netwerk gebruik van de landelijk aanwezige expertise. Anderzijds zorgen wij voor verbreding van de kennis en kunde en voor voldoende opgeleide forensisch artsen. Wij willen daar simpelweg meer oog voor krijgen. Ook dit proces moeten wij heel goed volgen. Ik zal erover blijven rapporteren.

Mevrouw Keijzer (CDA): Ik beluister de betrokkenheid van de Staatssecretaris, maar het zijn wel heel veel algemene woorden: voldoende, genoeg, breed verspreid. Wil de Staatssecretaris in zijn rapportage wat specifieker zijn? Hoeveel hebben wij er nodig? Hoeveel zijn er inmiddels opgeleid? Hoe wordt daar gebruik van gemaakt? Dan krijgen wij er wat meer grip op. Ik ben nu tweeënhalf jaar Kamerlid en ik heb niet het gevoel dat het concreter en tastbaarder wordt. En daar heb ik gezien het belang van het onderwerp wel behoefte aan.

Staatssecretaris Van Rijn: Ik kan me dat gevoel heel goed voorstellen, want dat heb ik zelf ook weleens. Het is heel erg in ontwikkeling. Wij komen met een aanpak kindermishandeling, waardoor het bewustzijn moet toenemen, waardoor er meer alertheid komt. Wij gaan de alertheid en het bewustzijn bij heel veel professionals vergroten. Dat betekent dat de vraag naar forensische expertise mede afhankelijk is van hoe dit zich ontwikkelt. Wij komen uit een situatie waarin die expertise heel dun gezaaid was. Wij waren echt met elkaar aan het vechten om te zorgen voor voor iedereen snel beschikbare expertise. Langzaam neemt die forensische expertise toe en kunnen wij er meer gebruik van maken. Wij zullen veel meer in netwerken moeten gaan denken. Mevrouw Keijzer heeft gelijk. Wij zullen heel goed in de gaten moeten houden hoe de vraag naar forensisch-medische expertise zich ontwikkelt om te bekijken of het voldoende blijft. Ik weet niet zeker of wij nu al zo ver zijn dat wij cijfers kunnen geven, maar het is goed om te bekijken hoe wij de vraag kunnen duiden. Ik wil die poging wel wagen, wetend dat dit nog heel erg in ontwikkeling is. Kinderen die wij eerst niet zagen, gaan wij nu mogelijk wel zien. Dat leidt tot een grotere vraag.

Mevrouw Keijzer (CDA): Dit ervaar ik toch als een toezegging om in ieder geval een poging te wagen om meer handen en voeten te geven aan waar wij met elkaar naar toewerken. Wij moeten voorkomen dat wij over een tijdje nog praten over «meer» en «voldoende». Als de Staatssecretaris daarop ja zegt, kunnen wij in de nabije toekomst komen tot praktischere, afrekenbare afspraken. Daar moeten wij uiteindelijk naar toewerken.

Staatssecretaris Van Rijn: Mevrouw Keijzer mag dit ervaren als een toezegging.

Wij hebben al gesproken over de digitale alert die huisartsen kan aansporen om door te vragen. Het is echt een ondersteuning voor de huisarts, die bij kindermishandeling in een unieke positie zit. Het is letterlijk en figuurlijk de vertrouwensarts in de eerste lijn. Die vertrouwensfunctie moet je koesteren. Het geeft je de mogelijkheid om eerder dingen te zien en te bespreken. Artsen willen die vertrouwensband met de patiënten koesteren, maar krijgen tegelijkertijd een vergroot bewustzijn dat zij soms met bepaalde informatie iets anders moeten doen om kinderen voor een onveilige situatie te behoeden. Uit mijn gesprekken met huisartsen weet ik dat zij heel sterk bezig zijn met dit onderwerp. Zij willen hun bewustzijn op dit onderwerp graag versterken.

De evaluatie van de Verwijsindex Risicojongeren wordt op korte termijn naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarover vindt nog afstemming met de VNG plaats.

De voorzitter: Wat is korte termijn in uw beleving?

Staatssecretaris Van Rijn: Ik heb geen flauw idee. Nee, vóór de zomer.

De voorzitter: Dan houden we het daar op.

Staatssecretaris Van Rijn: Mevrouw Van der Burg heeft een vraag gesteld over het ouderprotocol. Ik heb al aangegeven dat ik goede hoop dat er met de afspraken die wij met Augeo hebben gemaakt, ook een impuls in de huisartsenzorg ontstaat. In de voortgangsrapportage van februari heb ik toegelicht hoe ik probeer uitvoering aan de motie te geven. Bij crisissituaties wordt bij Veilig Thuis gemeld. Bij niet acute situaties wordt de eigen huisarts ingeschakeld. De KNMG heeft aangegeven meer zicht te willen hebben op de manier waarop huisartsen omgaan met de meldcode. Dat doen wij met twee onderzoeken: de quickscan en het onderzoek naar de voortgang en de implementatie van de kindcheck bij de huisartsenposten. Ik zal daar kond van doen in de voortgangsrapportage.

Hoe zorgen wij ervoor dat onderwijsmensen en andere professionals met die meldcode aan de slag gaan en er door de jaren heen mee blijven werken? De inspectie zou de motor moeten zijn in die stimulering. Dit jaar doet de onderwijsinspectie samen met andere inspecties onderzoek naar de meldcode. In mei komen de resultaten over de artsen en in november over de andere beroepsgroepen. Ik denk dat wij dan goed zicht krijgen op de vraag naar de werking van de meldcode.

Mevrouw Van der Burg vroeg ook waarom er geen toezicht meer wordt uitgeoefend op de indicator kindermishandeling. De inspectie heeft deze indicator uit de basisset indicatoren gehaald, omdat het aantal gemelde vermoedens van kindermishandeling vanuit ziekenhuizen lijkt te stabiliseren. Het is niet omdat wij denken dat dat iets zegt over de kindermishandeling, maar omdat het in de bedrijfsvoering van ziekenhuizen zijn plekje heeft kunnen vinden. De indicator heeft misschien wel zijn doel bereikt: hij is onderdeel van het bedrijfsproces geworden. De inspectie houdt kindermishandeling wel in de gaten. Het aantal meldingen bij Veilig Thuis zal gevolgd blijven worden. Als er een terugval is, is dat een reden om de indicator weer in het leven te roepen. De IGZ is in gesprek met de Nederlandse Vereniging van Kindergeneeskunde om dit onderwerp echt op de agenda te houden. Ik zal mij verstaan met de inspectie om dit scherp in de gaten te houden. Er mag geen daling van het bewustzijn optreden. Wij moeten juist vasthouden wat wij hebben bereikt.

Minister Van der Steur: Voorzitter. Mag ik allereerst de commissie van uw Kamer danken voor de gastvrijheid die mij ten deel valt om onderdeel te zijn van dit algemeen overleg? Dit zal overigens naar het zich laat aanzien ook wel meteen de laatste keer zijn dat ik dat doe; niet vanwege de inhoud, haast ik mij daarop te zeggen, maar vanwege het feit dat de Staatssecretaris en ik een nadere verdeling hebben gemaakt van onze portefeuilles. Dat betekent dat nagenoeg alle onderwerpen die hier vandaag op de agenda staan vallen onder de portefeuille van de Staatssecretaris, zoals ook al door een aantal van uw woordvoerders is opgemerkt. Dat zal dan ook betekenen dat mijn aanwezigheid hier niet meer nodig zal zijn.

Dat ik er vandaag ben, heeft een bijzondere reden, namelijk dat de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie optreedt als een van de gastheren van de GCCS-conferentie die op dit moment plaatsvindt in Den Haag. Om die reden is hij daar dus voornamelijk aanwezig.

Laat ik vanuit het domein van Veiligheid en Justitie opmerken dat de aanpak van de problematiek van kindermishandeling en huiselijk geweld ons ook na aan het hart ligt. Ook ik moet vaststellen, in navolging van de Staatssecretaris van VWS, dat ondanks alle initiatieven om het aantal gevallen van kindermishandeling te verminderen jaarlijks nog steeds veel te veel kinderen er slachtoffer van worden. Een veilige omgeving, die een kind nodig heeft voor zijn ontwikkeling en ontplooiing, wordt in dat geval niet aan het kind geboden. Zulke kinderen kennen het gezin niet als een veilige haven. Wij zijn het met elkaar eens dat dat wel zo zou moeten zijn. Daarom is het aanpakken van kindermishandeling iets wat onze structurele aandacht vraagt op lange termijn.

Ik wil hierbij wel alvast opmerken dat de heel goede stappen die wij hebben genomen, door veel meer aandacht te geven aan kindermishandeling, ook via de campagnes op radio en televisie, zullen betekenen dat het aantal meldingen van kindermishandeling naar verwachting toeneemt. Dat is geen slecht nieuws, zeg ik er alvast maar even bij, want het kan zomaar zijn dat dat als slecht nieuws zou worden gepercipieerd. Wij gaan ervan uit dat meer aandacht voor het fenomeen en het bewustwordingsproces vergroten, ook zal betekenen dat er meer meldingen komen. Ik denk dat dat goed nieuws is, ook al is het tegelijkertijd slecht nieuws. Het goede nieuws zou dan in ieder geval moeten zijn dat we steeds beter in beeld krijgen wat er aan de hand is, zodat we ook steeds beter maatregelen kunnen nemen.

Laat ik beginnen met het onderwerp dat mevrouw Van der Burg onder de aandacht heeft gebracht. Zij heeft gevraagd naar de stand van zaken en de positie van kinderen die seksueel misbruikt zijn door hun vader of moeder en die dan toch nog omgang moeten hebben met die ouder. Zij stelt voor dat de omgang alleen nog mogelijk moet zijn als het kind expliciet aangeeft dat het ook echt deze ouder wil ontmoeten. Ik denk dat iedereen het erover eens is dat dit zeer schrijnende situaties zijn en dat we moeten willen dat dit verandert. Het probleem is dat ik op dit moment niet helder voor ogen heb wat de omvang van dit probleem is. Het is ook een beetje het onderwerp geweest van het debat dat ik binnen uw commissie heb beluisterd. Ik zal serieus naar het probleem kijken, in eerste instantie door te onderzoeken wat de aard en de omvang daarvan is. Dat wil dus zeggen dat wij gaan bekijken of en zo ja, hoe vaak kinderen zonder dat zij aangeven dat zij dat willen toch omgang moeten hebben met de ouder die hen seksueel misbruikt heeft, ondanks de situatie dat ook de rechterlijke macht uiteraard het belang van het kind tot uitgangspunt neemt.

Mevrouw Kooiman zei het ook al: ga eens kijken of het probleem zo groot is als wij denken. Dat lijkt mij op zichzelf een goed idee. Ik denk dat ik daarmee ook tegemoetkom aan de behoefte die mevrouw Van der Burg naar voren heeft gebracht. Over de uitkomst van dit onderzoek zal ik – ik durf het bijna niet te zeggen – de Kamer in de eerstvolgende voortgangsrapportage informeren. Dat zal ik dan overigens niet zelf doen, maar ik zal ervoor zorgen dat mijn Staatssecretaris dat doet.

Hierbij meld ik nog even dat mevrouw Van der Burg heeft gezegd: als je dit dan onderzocht hebt, neem het dan ook meteen op in het wetsvoorstel dat al in ontwikkeling is en dat ziet op daders van seksueel geweld. Het probleem daarbij is dat ik niet zeker weet of ik daarmee niet te veel het wetsvoorstel zou wijzigen en dus niet te veel de voortgang van dat wetsvoorstel zou belemmeren als ik dat aspect daarbij betrek. Dus als de eerste stap gezet is en de tweede stap leidt tot de conclusie dat er iets moet gebeuren, dan is nog even de vraag – dat is gewoon een technische vraag waarover ik in ieder geval mevrouw Van der Burg op de hoogte zal houden – of het verstandig is om dat in dat wetsvoorstel te doen. Maar het uitgangspunt dat iedereen deelt, is dat het hier primair gaat om het belang van het kind en dan pas subsidiair om het belang van de ouder om omgang met het kind te hebben. Daarin moeten de wensen van het kind een belangrijke rol spelen. Uiteindelijk zoeken wij natuurlijk naar de juiste balans tussen die twee belangen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Prima dat de Minister dit verder gaat uitzoeken. In sommige gevallen is een probleem heel belangrijk. In dit geval is het een principezaak dat kinderen in zo'n situatie niet ook nog eens moeten worden gedwongen. Dat wil ik hier duidelijk gezegd hebben. Ik beluister dit als een toezegging om te kijken of dit kan in het wetsvoorstel dat ik als suggestie heb aangeduid, maar als het ergens anders beter kan, kijken wij daar met een open vizier naar. Graag willen wij dat dit op zo kort mogelijke termijn gebeurt.

Minister Van der Steur: Dat is duidelijk. Wat natuurlijk zou kunnen, is dat blijkt dat het misschien wel voorkomt, maar dat de problematiek niet zozeer wettelijk is als wel te maken heeft met de gedachtegang binnen de rechtelijke macht of de bewustwordingsproces daar. In dat geval zou het voldoende kunnen zijn om het niet wettelijk te regelen, want ook de wet moet uiteindelijk weer worden uitgevoerd, maar om bijvoorbeeld te kijken naar het bewustwordingsproces binnen de rechterlijke macht op dit punt. Maar dat is een kwestie van kijken wat de uitkomsten van het onderzoek zijn.

Mevrouw Kooiman (SP): Deze Minister is jurist, dus hij weet ook heel goed welke wettelijke mogelijkheden er wel of niet zijn. Is het dan niet juist om te stellen dat dit voorstel eigenlijk niet nodig is omdat de juridische kaders op zichzelf al voldoende zijn maar dat het op zich misschien nog wel wenselijk is om met de Raad voor de rechtspraak en met de bureaus Jeugdzorg in gesprek te gaan over de vraag in hoeverre zij hier tegen aanlopen?

Minister Van der Steur: Volgens mij heb ik ook gezegd dat ik niet uitsluit dat dat de conclusie zou kunnen zijn. Maar dat is wel een kwestie van eerst kijken wat er aan de hand is. Het signaal is serieus, want als het zo zou zijn, net als bij partnerdoding, waarvan wij met elkaar hebben gezegd dat dat zodanig ernstig is dat het een wetswijziging vergt, dan is het ook mogelijk dat dit fenomeen toch op de een of andere manier om dezelfde reden spaak loopt. Dan is de vraag of het is op te lossen met een cultuurverandering of met meer aandacht, zoals mevrouw Kooiman zegt, of middels een wetswijziging. In dat geval geldt dat overigens waarschijnlijk ook voor het tweede deel, want ook al ben ik jurist, dat een wet meteen alle problemen oplost, is natuurlijk niet zo. Die wet moet natuurlijk ook worden uitgevoerd, dus het is een kwestie van goed kijken wat het probleem is. Mocht dat nu langer duren dan gewenst is, dan gaan we wel door met het wetsvoorstel partnerdoding, omdat we daarvan vinden dat dat verder geen uitstel kan verdragen.

Mevrouw Kooiman (SP): Dat laatste moet natuurlijk gebeuren omdat dat een heel ander wettelijk kader is, aangezien het kind daarbij niet het slachtoffer is en vaak alleen maar een voogd wordt ingezet om twee families uit elkaar te halen. Dat is een heel ander aspect dan bij een veroordeling wegens incest. Ik wil wel van deze Minister horen, want hij is nota bene jurist, dat de wettelijke mogelijkheden er al liggen en dat wij geen bureaucratie gaan optuigen omdat de VVD-fractie toevallig vandaag een luchtballonnetje wilde oplaten.

Minister Van der Steur: Het is niet aan mij om kwalificaties te verbinden aan de zorgen die mevrouw Van der Burg heeft. Laten we wel zijn, zij zegt volgens mij terecht dat als het voorkomt, het wel een probleem is. De vraag is hoeveel het voorkomt en wat we daar nu vervolgens aan moeten doen. Ik laat het wat dit betreft bij de opmerking die ik gemaakt heb: ik zal dit onderzoeken. Ik zal bekijken wat de ernst, de aard en de omvang van het probleem is en wat daaraan het beste gedaan kan worden. Als dat in een wet moet, ben ik op zichzelf daartoe bereid als de omvang daartoe leidt, maar als dat niet hoeft, ben ik het net als mevrouw van der Burg eens met mevrouw Kooiman. Als iets niet wettelijk hoeft te worden geregeld omdat wij het probleem op een eenvoudige manier kunnen oplossen, zou het mij verbazen als de VVD-fractie zou zeggen dat dat voor haar onvoldoende is.

Voorzitter, als u het mij toestaat, ga ik verder met het punt van de gemeenten.

De voorzitter: Dat sta ik u toe!

Minister Van der Steur: Dank. Wij praten vandaag natuurlijk ook over de tussentijdse rapportage kindermishandeling. Die noem ik maar gewoon zo, hoewel de term Engels is, maar ik weet dat uw Kamer het niet zo op prijs stelt als wij te veel Engelse termen gebruiken. In die tussentijdse rapportage wordt de aanpak voor de komende twee jaar beschreven. Zoals men weet, zijn er twee pijlers en zeven landelijke speerpunten. Het is vooral ook de taak van de rijksoverheid om de gemeenten te ondersteunen in de praktijk.

Vanaf 1 januari hebben de gemeenten de belangrijke verantwoordelijkheid bij de aanpak van kindermishandeling gekregen. Vanuit de regio kan de gemeente op lokaal niveau dat verschil ook maken. Kinderen wonen in wijken, gaan naar school, naar de huisarts en de sportclub. Juist in dit dossier kun je het belang zien van de decentralisatie. De gemeente is de bestuurslaag die het dichtst bij de kinderen staat en die dus ook het best in staat is om maatwerk te leveren. Daarom slaan de VNG en onze departementen, zoals zij hier vandaag aanwezig zijn, maar ook dat van OCW, de handen ineen om de praktijk te versterken en de gemeenten in positie te brengen. Die gemeenten kunnen ons dan vervolgens invliegen voor onze landelijke kennis, ervaring en inzet, maar hun behoefte is leidend.

Bij die praktische aanpak van de bestrijding van kindermishandeling maken we dankbaar gebruik van de ervaringen van burgemeester Van der Laan en zijn Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik, waarvoor ook al de Staatssecretaris van VWS aandacht heeft gevraagd en waaraan hij ook al aandacht heeft gegeven. We geven ook gehoor aan de oproep van die taskforce om juist nu, samen met de verschillende beroepsgroepen, kindermishandeling op lokaal niveau aan te pakken.

In haar casusonderzoek heeft de taskforce heel praktisch bekeken waar zij nu tegen aanloopt en wie er aan de lat staat om dat op te pakken. Die praktische benadering van onderaf in het werkveld is een belangrijke inspiratiebron voor de praktische aanpak van kindermishandeling. Overigens is het de Kamer wellicht bekend dat Hugo de Jonge recent is toegetreden tot de taskforce. Uw Kamer kent hem wellicht als wethouder in Rotterdam. Daarmee zit er ook vanuit de gemeentelijke hoek een stevige bestuurder aan tafel. Ik ben daarover dan ook zeer verheugd.

De twee speerpunten die uit de tweede pijler voortvloeien, zijn de speerpunten die betrekking hebben op de portefeuille van Veiligheid en Justitie. Aan de ene kant is dat de inzet van het strafrecht en aan de andere kant is dat het huisverbod. Ik zal het laatste deel niet behandelen maar over het eerste nog wel kort iets zeggen. Want binnen de politie en het Openbaar Ministerie staat de aandacht voor deze problematiek goed op de kaart. Huiselijk geweld en kindermishandeling zijn door mijn ambtsvoorganger als – daar ben ik weer, maar nu kom ik er niet onderuit – high impact crimes expliciet benoemd op de gemeenschappelijke veiligheidsagenda van de politie, het Openbaar Ministerie en de regioburgemeesters voor de jaren 2015–2018. Dankzij de toenemende aandacht voor kindermishandeling in de strafrechtketen is de instroom bij het Openbaar Ministerie van huiselijkgeweldzaken waarvan kinderen het slachtoffer waren de afgelopen jaren toegenomen. Ik verwacht naar aanleiding van wat ik al eerder heb gezegd dat het aantal meldingen zal toenemen, zodat ook het aantal zaken verder zal toenemen.

Er is al gesproken over het vergroten van de forensische expertise. Ook in het licht van het debat dat ik hier recentelijk heb gevoerd over het Nederlands Forensisch Instituut merk ik op dat juist daar extra financiering beschikbaar is gesteld om trainingen over kindermishandeling aan meer dan 50 regionaal werkende forensisch artsen gratis te kunnen aanbieden. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 8 april deze trainingscyclus geopend. Voor complexe mishandelingsvraagstukken blijft het landelijk aanbod beschikbaar bij het NFI. Dit aanbod heb ik eveneens voor de komende twee jaar versterkt door een uitbreiding van het team van artsen dat bij het NFI dit forensisch-medisch onderzoek bij kinderen uitvoert.

Mevrouw Bergkamp heeft gevraagd hoe ik ga borgen dat er een betere coördinatie van hulp is na partnerdoding. We hebben samen met de ketenpartners een protocol gemaakt ...

De voorzitter: Ik onderbreek u even, Minister. Er is een vraag van mevrouw Keijzer. Heeft die betrekking op het voorgaande?

Mevrouw Keijzer (CDA): Ja, ik heb een informatieve vraag over de uitbreiding van dat team. Zijn die artsen echt alleen maar bezig met kindermishandeling, of zijn zij ook bezig met ander forensisch onderzoek?

Minister Van der Steur: Nee, die artsen zijn alleen maar bezig met kindermishandeling.

Mevrouw Keijzer (CDA): Hoeveel waren dat er?

Minister Van der Steur: Het mooiste antwoord is 25% groei. Daarmee bent u dan ongelofelijk blij, maar het waren er drie en het zijn er nu vier, dus er is er één bijgekomen.

Mevrouw Keijzer (CDA): Dat klinkt dan toch weer anders!

Minister Van der Steur: Omdat ik anders het risico loop dat ik u statistisch verkeerd zou informeren, dacht ik: dan geef ik u ook de absolute aantallen.

Mevrouw Bergkamp heeft een vraag gesteld over partnerdoding. We hebben samen met de ketenpartners een protocol gemaakt dat het proces en de zorg voor het kind na partnerdoding uniformeert en dat zorgt voor betere samenwerking. Ook hier geldt, zoals ik wel eens vaker in de Kamer heb gezegd, dat verbeteringen bij dit soort ingewikkelde aspecten met zoveel partijen erop neerkomen dat praktisch de koppen bij elkaar worden gestoken. Ons beleid op allerlei terreinen, ook binnen het domein van Veiligheid en Justitie, is eigenlijk altijd heel goed. Alleen zien wij dat het vaak schort aan samenwerking. Ik noem dat «praktisch de koppen bij elkaar steken». Dat geldt ook op het gebied van kindermishandeling, partnerdoding en de aspecten die wij vandaag in dit algemeen overleg met elkaar behandelen. De evaluatie van dat protocol is overigens inmiddels gestart en wordt naar verwachting in juni van dit jaar al afgerond.

Daarnaast wordt ook een minisymposium georganiseerd om de resultaten van het WODC-onderzoek beter bekend te maken in het veld. Hierin wordt ook het protocol meegenomen. U raadt het al, voorzitter: in de volgende tussenrapportage wordt de Kamer ook hierover geïnformeerd.

Mevrouw Bergkamp en mevrouw Keijzer hebben gevraagd hoe het zit met de pilot rond de klachten over waarheidsvinding. Tijdens het algemeen overleg van 11 juni 2014 is gesproken over een mogelijke pilot, gericht op klachten over waarheidsvinding. De haalbaarheid van een dergelijke pilot is de afgelopen maanden verkend. Daarbij is gebleken dat het merendeel van de klachten bij gecertificeerde instellingen gaat over de bejegening van cliënten. Daarnaast gaat het vaak om situaties van vechtscheidingen waarin men zich bijvoorbeeld niet kan vinden in de karakterisering van de ex-partner. In zo'n geval is het naar mijn verwachting toch wel gerechtvaardigd dat de ex-partners het nooit eens zullen worden en dat zelfs de verslaglegging onderdeel wordt van de strijd. Dat is in ieder geval de praktijk die wij zien. Deze factoren bemoeilijken dan het opzetten van een pilot op het gebied van waarheidsvinding die zich richt op die klachten. Met het amendement van de Kamerleden Van der Burg en Bergkamp is de waarheidsvinding in het nieuwe jeugdstelsel verankerd. Ik wijs op artikel 3.3 van het nieuwe jeugdstelsel. Verbetering van de algehele kwaliteit van de rapportages is overigens wel een continu aandachtspunt, onder meer door diverse cursussen en trainingen die worden aangeboden aan professionals met als doel de kwaliteit te verbeteren. De kwaliteit van het feitenonderzoek en de rapportage vallen onder het toezicht van de Inspectie Jeugdzorg. In het toetsingskader van de Inspectie Jeugdzorg is als expliciete indicator opgenomen dat de instelling moet streven naar waarheidsgetrouwe verslaglegging. Daarmee hebben wij er vertrouwen in dat de kwaliteit van het feitenonderzoek voldoende is geborgd.

We houden overigens wel een vinger aan de pols en stellen voor dat na de zomer een bijeenkomst wordt georganiseerd om te zorgen dat de kwaliteit van het feitenonderzoek hoog op de agenda blijft. Daarbij kijken wij ook expliciet naar de aanbevelingen van de Kinderombudsman en naar de voortgang van de implementatie daarvan.

Mevrouw Rebel heeft gerefereerd aan de toezegging van voormalig Staatssecretaris Teeven om te onderzoeken welke privacybelemmeringen en mogelijke oplossingsrichtingen er zijn bij de gegevensuitwisselingen. Onderlinge informatie-uitwisseling tussen professionals is van essentieel belang om vermoedens van kindermishandeling te signaleren. In de uitvoering van de praktische aanpak van kindermishandeling krijgt dit thema dan ook een prominente plek. Het is van groot belang dat er bij professionals duidelijkheid over bestaat welke informatie gedeeld mag worden en dat goed georganiseerd wordt dat privacyaspecten tegelijkertijd zijn geborgd.

Overigens zit er natuurlijk altijd een duidelijk spanningsveld tussen die twee. De living labs, om maar weer eens een mooie term te geven, bieden de mogelijkheid om met een aantal gemeenten en professionals in te zoomen op de knelpunten die zijn ervaren in de informatiedeling en om oplossingen en ervaringen breder te delen. Samen met de Staatssecretaris van VWS wordt een analyse gemaakt van de wet- en regelgeving in de verschillende fases om te bezien wat daar de knelpunten zijn. Ook daarover zal ik de Kamer samen met mijn collega van VWS nader informeren bij de tussenrapportage.

Mevrouw van der Burg heeft gevraagd welke gevolgen ik geef aan het thema ...

Mevrouw Rebel (PvdA): Ik kijk nu al uit naar de voortgangsrapportage, want die wordt vrij lijvig, vermoed ik. De toezegging die hier gedaan is door de voormalig Staatssecretaris en die wordt bevestigd door de nieuwe Minister was een vrij uitgebreide toezegging. Die was inderdaad gericht op een overzicht van de wet- en regelgeving met de belemmeringen en ook eventuele mogelijke oplossingsrichtingen voor de gegevensuitwisseling. Ik wil wel benadrukken dat ik eraan hecht dat dat niet één alinea in de voortgangsrapportage wordt, maar wat mij betreft een aparte brief van beide Staatssecretarissen, omdat dit meer behelst dan een enkel stukje over wat niet mag. Dat zeg ik juist omdat mijn partij er zo aan hecht dat de privacyaspecten en de mogelijke miskenning daarvan geen belemmering mogen zijn bij het belang van gegevensuitwisseling. Graag krijg ik dus nog de toezegging dat het iets uitgebreider wordt dan één alinea.

Minister Van der Steur: Ik herinner mij dat de laatste rapportage meer dan 30 pagina's telde. Ik beloof dat wij ons uiterste best zullen doen om minstens datzelfde aantal te halen, om mevrouw Rebel een plezier te doen. Laat ik vaststellen dat uit dit aspect heel duidelijk is gebleken dat het probleem niet zozeer zit in de wet- en regelgeving zelf als wel in de uitvoering daarvan en in de wijze waarop die wet- en regelgeving wordt toegepast binnen de uitvoeringsorganisaties. Dat betekent dat als wij aan de vraag van mevrouw Rebel willen voldoen, wij vanzelfsprekend daarbij voorbeelden moeten geven waaruit blijkt waar de knelpunten zaten en hoe ze zijn opgelost. Ik denk dan ook dat ik niet anders kan dan op die manier ook samen met mijn collega aan de Kamer te rapporteren.

Mevrouw Rebel (PvdA): Het gaat mij niet zozeer om het aantal pagina's; de dikte van de vorige rapportage hoeft niet te worden geëvenaard, maar het gaat mij wel om de volledigheid. Ik wil daarbij ook opmerken dat een van de knelpunten die wordt ervaren, zoals door de Staatssecretaris en door de Minister ook al genoemd ...

De voorzitter: Mevrouw Rebel, u hebt zo dadelijk ook nog een tweede termijn, dus u kunt nu een korte vervolgvraag stellen maar niet opnieuw een hele verhandeling houden.

Mevrouw Rebel (PvdA): Het is ook goed om met name die oplossingsrichtingen daarin ook volledig op te nemen.

Minister Van der Steur: Laat ik vooropstellen dat de Kamer altijd volledig moet worden geïnformeerd over alle oplossingsrichtingen, ook de kleintjes. Dat zal ik doorgeven aan mijn Staatssecretaris. De andere Staatssecretaris heeft het al gehoord. Wij zullen ons uiteraard, gegeven onze staatsrechtelijke verplichting, inspannen om mevrouw Rebel op haar wenken te bedienen.

Dan kom ik toe aan de vraag die mevrouw Van der Burg nog heeft gesteld, namelijk welk vervolg gegeven wordt aan het thema fysiek geweld in de jeugdzorg. In november 2014 heeft de voormalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gesproken met de lotgenotenorganisaties KLOKK, de Koepel Landelijk Overleg Kerkelijk Kindermisbruik, en SKIP, de Stichting Seksueel Kindermisbruik Instellingen Pleeggezinnen. Hieruit kwam naar voren dat slachtoffers vooral op zoek zijn naar transparantie over hetgeen is gebeurd en naar erkenning van het leed. Ik kan zelf als voormalig woordvoerder op het terrein van seksueel misbruik binnen de katholieke kerk ook bevestigen dat dit ook daar voor een groot deel het uitgangspunt was. Naar aanleiding daarvan hebben de voormalige Staatssecretaris en Staatssecretaris Van Rijn over dit onderwerp gesproken. De uitkomst hiervan is dat wij ervoor kiezen om door een commissie wetenschappelijk onderzoek te laten doen naar dit onderwerp, vooral gericht op de vraag wanneer geweld geweld is. Wanneer is het onacceptabel geweld? In het kader van dat onderzoek wordt teruggekeken over een reeks van jaren. De vraag rijst hoe je in je regelgeving verdisconteert dat er in de loop der jaren steeds anders werd gedacht en dat steeds andere maatstaven zijn aangelegd ten aanzien van de vraag welke vormen van geweld in de jeugdzorg acceptabel waren. Ik denk dat ik niets geks zeg als ik opmerk dat 30 jaar geleden de corrigerende tik nog volledig geaccepteerd was, terwijl we daar tegenwoordig toch gelukkig anders naar kijken. Als je op de een of andere manier een regeling wilt kunnen treffen, moet die helder zijn. Die poging is ook ondernomen van de zijde van de katholieke kerk. Onafhankelijk onderzoek daar is buitengewoon lastig gebleken. Hier is precies de gedachte om ook een commissie in te stellen die wetenschappelijk onderzoek doet naar dit onderwerp. Die commissie zal voor de zomer starten met haar onderzoek. De Kamer ontvangt nader bericht over de invulling en de taakomschrijving van de commissie.

Daarmee ben ik gekomen aan het einde van mijn beantwoording. Alle vragen die in mijn domein zijn gesteld, heb ik hiermee hopelijk naar behoren beantwoord.

De voorzitter: Ik kijk even naar de zijde van de Kamer. Zijn er vragen blijven liggen? We hebben een korte tweede termijn met een spreektijd van anderhalve minuut per fractie. Mevrouw Keijzer maakt daar geen gebruik van en verlaat de vergadering.

Mevrouw Bergkamp (D66): Voorzitter. Ik dank de Minister en de Staatssecretaris voor hun beantwoording. Ik ben blij om te horen dat de vrouwenopvang in ieder geval gewaarborgd blijft, dat ook serieus wordt gekeken naar de aanbeveling van de Raad voor de financiële verhoudingen en dat we na medio april weten of ook de VNG daarmee akkoord gaat. Ik zou het wel graag vernemen als de aanbevelingen niet worden overgenomen door de Raad voor de financiële verhoudingen.

Ik ben ook blij om te horen dat de leerpunten uit de trieste casus-Daniëlla worden meegenomen.

Ik ben tevreden dat het risicotaxatie-instrument preventie signalering interventie in de residentiële jeugdzorg ook op de agenda blijft staan.

Ook ben ik blij met de toezegging dat de Staatssecretaris het top-teenonderzoek bij de spoedeisende hulp in ziekenhuizen actief gaat bespreken met de beroepsgroepen en dat hij daarover ook terugrapporteert aan de Kamer, net als over het feit dat er over Münchhausen by proxy een terugkoppeling komt van de expertmeeting.

Ik heb daarover nog wel een vervolgvraag aan de Minister. De Staatssecretaris gaf aan dat psychiatrische vervolghulp ook wordt meegenomen, maar wij hebben in de rapportage gezien dat vervolging heel lastig is. Daarop krijg ik dan ook nog graag een reactie van de Staatssecretaris.

Even kort over het voorstel van de VVD. Ik moet constateren dat dat net zo vaag blijft na de reactie als bij de lancering. Er is geen analyse. Het is onduidelijk of er een probleem is en als er een probleem is, is het onduidelijk wat de oplossing is. Ik signaleer wel dat er onrust is ontstaan. Dat is niet de bedoeling geweest, maar die onrust is ontstaan doordat mensen denken dat kinderen zomaar bij ouders worden geplaatst bij misbruik en kindermishandeling en dat er geen onderzoek plaatsvindt door de Raad voor de Kinderbescherming en de rechter. Ik betreur dat en ik hoop dan ook dat Minister kan aangeven hoe lang dit in de lucht blijft hangen. Ik vind dat die onzekerheid door de suggestie die onbedoeld gewekt is snel van de baan moet zijn.

Over de waarheidsvinding ben ik niet tevreden. De pijlers hebben wij na een uitgebreide discussie met moeite voor elkaar gekregen. Het is heel goed dat er in de zomer een expertmeeting komt. De inspectie zit er bovenop. Wanneer gaat de inspectie hier echt toezicht op houden en de Kamer daarover informeren? Dit is een belangrijk thema. Mocht het zo zijn dat de Minister dit niet kan toezeggen, dan overweeg ik een motie op dit punt in te dienen.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. We krijgen een heel groot boekwerk, dat wacht ik met belangstelling af. Dat betekent natuurlijk ook heel veel werk voor alle ambtenaren, die ik daarmee heel veel succes wens, net als het werkveld dat er ook heel veel werk aan zal hebben.

Ik heb gezegd dat slechts 18% van alle getraumatiseerde kinderen hulp krijgt, terwijl de rest niet de noodzakelijke behandeling krijgt. Nu heeft de Staatssecretaris gezegd dat hij daarnaar gaat kijken en erover in gesprek gaat met de VNG omdat hij dit echt graag wil oplossen. Kan de Staatssecretaris ook bekijken of in de afspraken hierover met de gemeenten belemmeringen zitten? De gemeenten hadden namelijk afgesproken niet meer ggz-behandelingen in te kopen dan in de jaren hiervoor. Dat kan mogelijk een knelpunt zijn. Ik hoop dat de Staatssecretaris dit zal meenemen in zijn gesprek.

Ik ben blij dat de Staatssecretaris gaat kijken naar de verdeelsleutel voor opvangplekken. Ik weet bijvoorbeeld dat opvang EVA van Kompaan en De Bocht nu echt onder druk staat doordat men daar mogelijk twintig plekken moet gaan sluiten. Ik maak me daar zorgen over. Nu spreekt de Staatssecretaris vrijdag de wethouders. Kan hij de Kamer daar snel over informeren? Ik zou heel graag willen dat dat wordt opgelost.

Ik sluit me graag aan bij de wijze woorden van mevrouw Bergkamp over de luchtballon van de VVD-fractie.

Iets wat is blijven liggen, is het dubbele toestemmingsvereiste. Daar heb ik de Staatssecretaris al vaker op gewezen. Als bijvoorbeeld een ouder de mishandelaar is in het gezin en als de moeder het kind wel graag zou willen hebben, is daar vaak toestemming van beide ouders voor nodig. Nu heeft de Staatssecretaris gezegd dat er een heel protocol komt. Maar ik vroeg destijds niet om een protocol. Er waren mensen voor de tuchtrechter gekomen, die heeft gesproken met allemaal deskundigen in het land. Ik wil heel graag weten wat daar nu uit is gekomen.

Mevrouw Rebel (PvdA): Voorzitter. Ik zal voordat ik beide bewindspersonen dank voor de volledige beantwoording van onze vragen in ieder geval het factsheet nog even meegeven. Daarop heb ik nog geen reactie gekregen. Die is echt blijven liggen.

Ik ben het met de Staatssecretaris eens dat we van papier naar praktijk moeten. Ik zie ook de bewegingen bij de artsen. Ik denk dat het inderdaad belangrijk is om te zorgen voor die netwerken, waarbij er voldoende borging is van de vertrouwensartsen. Het is ook belangrijk dat artsen leren om advies te vragen. Daarbij is het van belang dat de inspectie ook goed gaat monitoren op de adviesplicht die in de meldcode van de KNMG is opgenomen. Daarop krijg ik graag nog een reactie.

Wat de aanbesteding van de nationale prevalentiestudie betreft, doe ik het dringende verzoek aan de Staatssecretaris om de aanbevelingen van de kinderrechtermonitor mee te nemen.

Aan de Minister geef ik via zijn Staatssecretaris mee dat het van belang is dat bijvoorbeeld ook een pilot wordt gedraaid bij het registreren van adviesvragen. Het grote probleem zijn niet zozeer de meldingen als wel de adviesvragen die niet gekoppeld worden en waarvan we vaak achteraf moeten constateren dat er vele adviezen zijn geweest die niet bij elkaar gekomen zijn. De burgemeester van Tilburg heeft aangegeven dat hij de Staatssecretaris graag uitnodigt om op het veiligheidshuis daarover in gesprek te gaan. Ik dank bij dezen de Minister van harte voor zijn toezegging om de Kamer, en mij met name, volledig te informeren. Wat mij betreft is hij van harte welkom om dat wederom te doen bij volgende overleggen over dit onderwerp.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Voorzitter. In de eerste plaats dank ik beide bewindslieden voor hun toezeggingen en voor de beantwoording van de vragen.

Wat het voorstel betreft om uit te zoeken of het wettelijk geregeld kan worden dat we gaan van een «nee, tenzij»-principe naar een «ja, mits»-principe voor kinderen die seksueel misbruikt en zwaar mishandeld zijn, dank ik de Minister voor zijn toezegging om dat uit te zoeken.

Ik neem afstand van de opmerkingen van de collega's op dit vlak, want ik denk dat we nu echt de kant van het slachtoffer moeten kiezen en niet die van de daders in dit soort ernstige gevallen. Ik zie uit naar de berichtgeving over wat er mogelijk is, want de signalen dat dit gebeurt zijn er en dat is ernstig genoeg.

Ik kom bij de commissie-Samson, ook al zo'n ernstig onderwerp, en de mensen die echt erkenning verdienen nadat ze die jarenlang van de samenleving niet hebben gekregen en die nu eindelijk wel krijgen. Ik dank de Minister en met hem ook de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van VWS dat dit vervolgonderzoek naar zwaar fysiek geweld er komt, zodat ook deze mensen worden herkend, die voor hun leven getekend zijn. Ik zie uit naar de opzet, die naar ik aanneem in goed overleg met de lotgenotenorganisaties wordt opgesteld, ook voor het punt dat ik al eerder heb genoemd van de bejegening. Ik ga ervan uit dat daar een goed gesprek over komt waarin wordt erkend wat er allemaal fout is gegaan en wat we allemaal nooit meer goed kunnen maken. Want deze mensen dragen die tekenen voor hun leven met zich mee.

Staatssecretaris Van Rijn: Voorzitter. Mevrouw Bergkamp vroeg of ik de Kamer wil informeren als wij iets anders zouden besluiten dan de Raad voor de financiële verhoudingen. Dat wil ik graag doen. Begrijp ik uit de opmerking van mevrouw Bergkamp dat zij eigenlijk vind dat het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen dient te worden gevolgd? Dit wil ik echt zo bekijken en dat heeft natuurlijk gevolgen voor de budgetten voor de andere gemeenten, los van het proces en wat daarmee gebeurt. Dat heb ik ook uitgelegd. Het is misschien ook interessant om te weten wat het standpunt daarover is, want ik ben nu juist van plan om te zeggen dat we een advies vragen van de gemeenten rondom verdeelvraagstukken en dat ik daarbij ook in overleg met alle gemeenten wil optreden. Denken wij daar wellicht verschillend over? Ik weet niet of het gebruikelijk is om een vraag te stellen, maar volgens mij kan dat via de voorzitter.

Mevrouw Bergkamp (D66): Ik vind de volgorde waarin de Staatssecretaris dit aanpakt prima, namelijk om te overleggen met de VNG om te horen wat die vindt van het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen. Dat lijkt mij een logisch advies, maar als daar consequenties aan zitten die wij nu nog niet kunnen overzien, lijkt me dat heel goed. Mij ging het erom dat wij een terugkoppeling krijgen van de uitkomsten van dat overleg.

Staatssecretaris Van Rijn: Dat lijkt mij geen probleem, dat zullen wij doen.

Mevrouw Kooiman vroeg of er belemmeringen zijn in de zorg. Er moet altijd passende zorg worden verstrekt, die natuurlijk altijd voor een deel afhankelijk is van de zorgvraag en de manier waarop die zich gaat ontwikkelen. Ik vind het te vroeg om nu te concluderen dat het te veel of te weinig is. Er zijn veel nieuwe afspraken en nieuwe argumenten, ook in de ggz-sector. Ik ben het er zeker mee eens om dat in de gaten te houden en niet alleen maar te bekijken hoe de aantallen zich ontwikkelen.

Het punt van Kompaan en De Bocht wil ik graag meenemen in het overleg dat ik met de wethouders ga voeren om te kijken of dit nu echt een knelpunt is, dan wel of het via een andere route wordt ingekocht. Ik zeg toe dat ik dit met de wethouders zal bespreken die ik onder andere hierover binnenkort spreek.

Wat het dubbele toestemmingsvereiste betreft, in de vorige voortgangsrapportage heb ik aangegeven dat er een stappenplan wordt opgesteld in samenwerking met de KNMG, die heel actief betrokken wil zijn bij de ontwikkeling daarvan. Ik krijg het idee dat dat nog niet gereed zal zijn voor de volgende voortgangsrapportage, maar dat dat nog wel een maand of twee of drie in beslag zal nemen. Dat is ongeveer de termijn waarop ik het stappenplan rondom het dubbele toestemmingsvereiste verwacht.

Dan de stand van zaken rond het factsheet kindcheck. Laat ik even toetsen of ik het goed zie, dat gaat erover hoe het zit met de kindcheck waarbij sprake is van gedetineerde moeders. Of is dat niet zo?

Mevrouw Rebel (PvdA): Daar is eerder over gesproken, ook met de voormalige Staatssecretaris Teeven. Hij zou met u bij een specifieke voetbalwedstrijd hierover in gesprek gaan. Ik heb dat niet teruggehoord. Er zijn mogelijk wijzigingen in het programma geweest. Het gaat met name om een duidelijke positie van de nazorgcoördinator en om beleid ten aanzien van achtergebleven kinderen van gedetineerde ouders. Die toezegging wil ik graag hebben, want ik wil dit graag voor de zomer gerealiseerd zien. Dit probleem ligt er al ruim twee jaar.

Staatssecretaris Van Rijn: Die voetbalwedstrijd moet mateloos interessant zijn geweest, want anders hadden we daar wel andere afspraken over gemaakt. Het factsheet wordt inderdaad gemaakt als best practice voor de gemeenten. Daarin speelt de gemeentelijke coördinator nazorg een belangrijke rol. Aan mij is gerapporteerd dat dat factsheet nagenoeg klaar is maar nog niet is verzonden. Ik wil met de VNG en de gemeenten in gesprek om te zien hoe wij kunnen stimuleren dat de gemeentelijke nazorgcoördinator dit daadwerkelijk oppakt. Ik zal de precieze stand van zaken nagaan. Ik hoor dat de factsheet nagenoeg gereed is. Dat betekent dat die ook op korte termijn naar de Kamer zou kunnen worden gezonden.

Mevrouw Rebel heeft gevraagd of de IGZ bij de monitoring wil meenemen wat de werking van het advies en de adviesplicht is. Dat zal ik zeker doen. Ik zal dit bij de inspectie onder de aandacht brengen in het kader van haar onderzoek.

Mevrouw Rebel heeft verder gevraagd om de kinderrechtenmonitor hierbij te betrekken. Dat zal ik vanzelfsprekend doen. Ik ben daarover ook regelmatig in overleg met betrokkenen en ik zal deze monitor daar ook bij betrekken.

Volgens mij heb ik daarmee alle vragen beantwoord.

Minister Van der Steur: Voorzitter. Mevrouw Bergkamp vroeg nog naar vervolging van Müchhausen by proxy. Ik stel voorop dat Müchhausen by proxy juridisch vaak leidt tot mishandeling of poging tot mishandeling. Juridisch voorziet de wet al in de opsporing en vervolging van mishandeling, wat ook de oorzaak daarvan mogen zijn. Maar mevrouw Bergkamp heeft wel gelijk dat ze hier aandacht voor vraagt omdat op zichzelf dit specifieke fenomeen vaak moeilijk te bewijzen is. Kennis bij professionals voor de herkenning hiervan is dan ook essentieel. Tot mijn plezier kan ik de Kamer melden dat bij officieren van justitie het belang hiervan dan ook hoog op de agenda staat. Het Openbaar Ministerie organiseert al expertmeetings over Müchhausen by proxy omdat men ook weet dat het risico bestaat dat het niet of niet tijdig herkend wordt. Het doel van die bijeenkomsten is om expertise bijeen te brengen en dan samen te bezien hoe je de signalen kunt voorspellen en vervolgens de vervolging beter kunt laten verlopen. Het is goed om vast te stellen dat het Openbaar Ministerie dit volledig heeft opgepakt.

Mevrouw Bergkamp sprak uit dat zij teleurgesteld was over mijn reactie over de pilot rond de waarheidsvinding. Ik kan mij die teleurstelling op zichzelf voorstellen. Men heeft oprecht gedacht dat we een grote stap zouden kunnen zetten door op dat terrein een pilot te houden. Maar we zien wat er gebeurd is, namelijk dat we ons realiseren dat er een stap gezet moet worden op dat punt en dat vervolgens cursussen en trainingen worden aangeboden, dat de kwaliteit van het feitenonderzoek en de rapportage expliciet onder het toezicht van de Inspectie voor de Jeugdzorg valt en dat ook in het toetsingskader van de inspectie expliciet is opgenomen dat die waarheidsgetrouwe verslaggeving een indicator is voor de kwaliteit van een instelling. Dat zijn allemaal waarborgen die er in ieder geval voor zorgen dat we misschien het onderzoek zelf niet kunnen doen in het kader van de pilot, maar dat wel de effecten van het probleem worden weggenomen. Mochten er signalen zijn van de inspectie dat zich in het nieuwe stelsel toch problemen op dit punt zouden voordoen op het gebied van de waarheidsvinding, dan zal mijn Staatssecretaris uiteraard stappen ondernemen om te bezien wat er dan vervolgens nodig is. Ik hoop dat ik daarmee de teleurstelling van mevrouw Bergkamp heb kunnen wegnemen.

De voorzitter: Dat zullen we nu horen!

Mevrouw Bergkamp (D66): Mevrouw Bergkamp is nog wel een beetje teleurgesteld, maar misschien kan dat helemaal worden weggenomen. Dit is onderdeel van het kader van de inspectie. Betekent dit dat aan het einde van dit jaar dit punt specifiek wordt meegenomen en dat we dan ook weten hoe het ervoor staat met de waarheidsvinding? Dan weten we namelijk wat de effecten zijn, wat de feiten zijn en of men geleerd heeft, met name gelet op het rapport van de Kinderombudsman.

Minister Van der Steur: Ja. Als de inspectie vaststelt dat zich hier een probleem voordoet, dan zal de inspectie daarover rapporteren. Als de inspectie niet rapporteert, betekent dat ook dat er geen problemen zijn.

Mevrouw Bergkamp (D66): Dan nog een verduidelijkende vraag. Gaat de inspectie ernaar zoeken en er gericht naar vragen? Als dat zo is, vinden we dat terug in de rapportage en krijgen we een oordeel of het goed gaat of niet goed.

Minister Van der Steur: Dat is precies de strekking van het antwoord dat ik al gaf. Omdat het in de waarheidsvinding als een expliciete indicator is opgenomen in het toetsingskader van de Inspectie Jeugdzorg, is het de taak van de inspectie om daarnaar te kijken. Ziet ze niets, dan is het er ook niet in principe. Als zich een probleem voordoet bij sommige of bij alle instellingen, dan zal ze daar ook over rapporteren en dan komen wij vervolgens bij de toezegging die ik net gedaan heb, dat de Staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie stappen zal nemen om het probleem weg te nemen.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Dit punt is al eerder aangekaart, juist omdat we dachten dat wetgeving niet voldoende zou zijn. Daarom wilden wij de inspectie hierop zetten. Wij verwachten dan ook dat de inspectie eind van dit jaar hierover in haar jaarverslag gewoon rapport uitbrengt. Ik begrijp ook uit gesprekken die ik heb met de inspectie dat zij er bovenop zit. Dat jaarverslag komt volgens mij altijd in oktober, dus ik neem aan dat die toezegging gedaan kan worden.

Minister Van der Steur: Het goede nieuws is ook dat de Kamer de aandacht van de inspectie op korte afstand van wat hier gebeurt heeft. Als wij goed om ons heen kijken, kunnen wij dat vaststellen. Alle opmerkingen die hierover zijn gemaakt, zijn dan ook zonder enige twijfel genoteerd en zullen tot een verdere uitkristallisatie van de werkzaamheden van de inspectie kunnen leiden.

Dan kom ik bij het laatste punt van mevrouw Van der Burg, die naar aanleiding van de commissie die wij zullen instellen heeft gevraagd hoe wij geweld in de jeugdzorg gaan classificeren, waarderen en categoriseren. Ik ben heel blij met de opmerking die ze maakte, want ik denk dat iedereen die zich in het dossier verdiept heeft het ermee eens is dat wat zich in jaren heeft voorgedaan in de jeugdzorg er absoluut toe geleid heeft dat zeer veel mensen daar zeer beschadigd uitgekomen zijn. Dat is extra wrang aangezien het doel juist was om die kinderen, die minderjarigen, juist voor beschadiging te beschermen.

Daarmee ben ik aan het eind gekomen van mijn bijdrage aan dit algemeen overleg.

De voorzitter: Ik kijk even naar de collega's of er nog vragen zijn blijven liggen.

Mevrouw Bergkamp (D66): Wanneer komt de Minister terug op het voorstel van de VVD? Wij hebben gezegd dat wij niet willen dat dit onderwerp lang boven de markt blijft hangen.

Minister Van der Steur: Het antwoord daarop is dat ik heb toegezegd dat ik het probleem zal onderzoeken en dat ik zodra ik dat gedaan heb onmiddellijk de Kamer daarover zal informeren, niet in de voortgangsrapportage maar separaat. Ik weet pas wanneer ik de Kamer kan informeren als ik weet wanneer het onderzoek klaar is. Ik beloof dat ik de Kamer onverwijld na afloop van het onderzoek over de uitkomsten daarvan zal informeren. Mijn voorganger zei altijd: ik kijk even om mij heen; dat is altijd heel nuttig, zo heb ik geleerd van mijn ambtsvoorganger. Ik streef ernaar om uiterlijk kort na het zomerreces die informatie aan de Kamer te kunnen toezenden.

De voorzitter: Daarmee is een eind gekomen aan de beantwoording van vragen in tweede termijn van de zijde van het kabinet.

Er zijn een aantal toezeggingen gedaan. Collega's, met uw toestemming ga ik niet alles opnoemen wat in de voortgangsrapportage terugkomt, heel veel dingen die de leden hebben behandeld, komen daarin terug. Er zijn een paar dingen die daaruit springen:

  • Na de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de aard en omvang van de problematiek van de omgangsregeling misbruikte kinderen met veroordeelde ouders; het factsheet daarover is op korte termijn gereed.

Mevrouw Van der Burg (VVD): Volgens mij was de vraag hoe dat geregeld kan worden. Dat is ook gezegd, want dat maakt onderdeel uit van het onderzoek. Volgens mij is dat namelijk de essentie.

De voorzitter: Ja, dat is bekend bij het ministerie. Wij kijken uit naar een heel uitgebreide voortgangsrapportage van de zijde van het kabinet.

Ik dank de leden van het kabinet en hun ondersteuning voor de aanwezigheid, ik dank het publiek voor de belangstelling, ik dank de ondersteuning van de Kamer voor de aanwezigheid en mijn collega's voor hun inbreng. Er is geen VAO aangevraagd.

Sluiting 15.45 uur.