Kamerstuk 27923-108

Verslag van een algemeen overleg

Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 20 januari 2011, inzake leraren

Gepubliceerd: 10 februari 2011
Indiener(s): Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA), André Rouvoet (CU)
Onderwerpen: onderwijs en wetenschap organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27923-108.html
ID: 27923-108

Nr. 108 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 10 februari 2011

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft op 20 januari 2011 overleg gevoerd met staatssecretaris Zijlstra van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

  • de brief van de minister d.d. 21 september 2010 met de nota Werken in het onderwijs 2011 (27 923, nr. 101);

  • de brief van de minister d.d. 12 november 2010 met de reactie op het onderzoek Dronkers over de relatie met het lerarentekort (27 923, nr. 104);

  • de brief van de staatssecretaris d.d. 11 november 2010 met het verslag van een schriftelijk overleg over de stand van zaken van de omvorming van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel (SBL) tot een coöperatie en over de beëindiging van het Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs (LPBO) (27 923, nr. 98) (27 923, nr. 103);

  • de brief van de staatssecretaris d.d. 19 juli 2010 over de stand van zaken van de omvorming van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel (SBL) tot een coöperatie en over de beëindiging van het Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs (LPBO) (27 923, nr. 98);

  • de brief van de staatssecretaris d.d. 19 mei 2010 over de Voortgangsrapportage Leerkracht (27 923, nr. 97).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van Bochove

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Kler

Voorzitter: Çelik

Griffier: Arends

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Beertema, Biskop, Çelik, Jasper van Dijk, Dijsselbloem, Elias, Van der Ham en Klaver,

en staatssecretaris Zijlstra van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik heet iedereen welkom.

De heer Biskop (CDA): Voorzitter. Robert Marzano maakte een meta-analyse van de uitkomsten van 1100 onderwijsonderzoeken waaronder ook een aantal uit Nederland. Daaruit bleken elf factoren een aantoonbaar positief effect te hebben op leerprestaties en ontwikkeling van leerlingen. Twee van de factoren, pedagogisch handelen en klassenmanagement, zijn echte lerarenfactoren. Maar liefst 67% van het effect van een school op leerlingen wordt bepaald door de leraar, blijkt uit zijn onderzoek. Natuurlijk wisten wij dat intuïtief wel, maar het is heftig om in een onderzoek te zien staan. Het pedagogisch handelen zal niet precies gelijk opgaan met de bevoegdheid van docenten, maar er mag toch worden aangenomen dat het verkrijgen van een bevoegdheid een minimale voorwaarde is om tot een goede kwaliteit van de docent te komen. Voor de kwaliteit van het onderwijs is de kwaliteit van de leraar van doorslaggevend belang, net als voldoende bevoegde leraren. Het signaal dat wij krijgen is dat er eerder een toename is van het aantal onbevoegde docenten dan een afname, vooral in voortgezet onderwijs (vo) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo). De CDA-fractie vindt het dan ook zorgelijk dat in het mbo een daling is te zien van het aantal leraren in hogere schalen en in het personeelsbestand en een stijging van het aantal ondersteuners. Met de extra beschikbare middelen voor professionalisering kan hier toch actief iets aan worden gedaan? Wie niet bevoegd is, kan de bevoegdheid behalen dan wel vervangen worden door een wel bevoegde leraar. Ook daarmee nemen wij het vak docent serieuzer. Hoe gaat de staatssecretaris daarvoor zorgen? Wordt er misschien te veel ruimte aan schoolbesturen gelaten om uitzonderingsposities in te nemen? Worden er te gemakkelijk ondersteuners en assistenten ingezet uit budgettaire overwegingen?

De CDA-fractie kiest voor kwaliteit, maar is ook pragmatisch. Als een school alle moeite genomen heeft een bevoegde leraar te vinden en daar niet in slaagt, heeft zij liever een les door een onderbevoegde, bekwame leraar dan helemaal geen les. De school moet zich inspannen om zoveel mogelijk bevoegde leraren te hebben. Op www.bevoegd.nl kunnen daarover gegevens worden gevonden. Klopt het dat die gegevens niet allemaal correct zijn? Zou een koppeling van de site met het mogelijke register van leraren daarvoor dan geen oplossing zijn?

De CDA-fractie heeft vaker aandacht gevraagd voor de positie van de man binnen het onderwijs. Met name op basisscholen zijn er nauwelijks mannelijke leerkrachten, behalve als schoolleider. Dat is niet alleen slecht voor het beeld voor kinderen van de rolverdeling tussen mannen en vrouwen, maar het heeft ook gevolgen voor hoe er met jongens wordt omgegaan. Dit blijkt ook uit onderzoeken. Mannen vinden het makkelijker om te gaan met jongens, die drukker zijn en meer beweging nodig hebben. Misschien is het wel een uitdaging om met moeilijkere groepen om te gaan. Hoe zit het eigenlijk met de aanmeldingen voor de pabo's en academische pabo's? Wij zijn blij dat in het regeerakkoord staat dat het mogelijk wordt om op de pabo te kiezen tussen het jongere of oudere kind. Dat zou kunnen leiden tot een diverser aanbod van studenten. Toch is er een omgeving waar juist veel mannen als instructeur werken en waar vanwege bezuinigen mensen naar andere loopbanen begeleid gaan worden: het leger. Collega Bruins Slot heeft bij de behandeling van de begroting van Defensie al het idee geopperd om de ex-militairen richting politie te begeleiden. Is het echter geen idee om een loopbaan in het onderwijs onder de aandacht te brengen? Vele van de bijna ex-militairen hebben ervaring in het overbrengen van kennis en vaardigheden.

Met name in het basisonderwijs blijft de ontwikkeling in de schaal van LB (senior leraar) stevig achter. Dat is geen wonder, want de middelen hiervoor zijn pas per augustus 2010 naar het primair onderwijs (po) gegaan. Er wordt wel een heel ferme ambitie voor 2011 afgegeven. Gelet op de voortgang in andere schooltypes rijst dan de vraag waaraan deze ambitie precies is opgehangen. Is de staatssecretaris ervan overtuigd die te gaan halen en waar baseert hij dat op? In het mbo heeft slechts een kwart van de leraren gehoord van de beloningsmaatregel. Hoe kan dat? Kan dit niet beter gecommuniceerd worden? Vanuit de scholen bereiken ons veel, vooral negatieve, signalen over de functiemix. In de brief staat te lezen dat scholen goed van start zijn gegaan. Kan de staatssecretaris aangeven hoe de scholen de functiemix invullen? Het moet niet zo zijn dat alleen leraren in de bovenbouw van het vwo daarvan profiteren. Blijven de kosten voor leerkrachten binnen de beschikbare 1 mld.?

In het po is er voorlopig geen lerarentekort te duchten, maar wel vanaf 2014. In het mbo zijn er op langere termijn geen tekorten en in het vo lopen de tekorten terug. Het valt kennelijk mee, maar uiteindelijk worden wij toch geconfronteerd met een tekort. Dat het mee lijkt te vallen, is geen reden om stil te gaan zitten. Welke inzet gaat de staatssecretaris hierop plegen?

De omvorming van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel (SBL) wordt een coöperatie voor en door leraren met als doel de kwaliteit van docenten te verbeteren en te borgen en het ontwikkelen en herijken van kwaliteitseisen voor leraren. Het Landelijk Platform Beroep in het Onderwijs (LPBO) kan vervallen omdat het SBL aanspreekpunt wordt. Hoe gaat het werk van die coöperatie er in de praktijk uitzien? Welke bevoegdheden heeft zij en hoe wordt het contact met de achterban geregeld? Komt het register van leraren echt van de grond en hoe gaat het er precies uitzien? In de brief wordt aandacht besteed aan de maatregelen die andere landen nemen om de kwaliteit van leraren te verbeteren. In hoeverre worden in de Nederlandse plannen de buitenlandse ervaringen meegenomen over wat wel of niet werkt. Of wordt het wiel opnieuw uitgevonden?

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. Het Convenant LeerKracht biedt schoolbesturen extra geld om meer leraren in een hogere schaal te kunnen belonen en vergroot de loopbaanmogelijkheden en de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep. In de nota Werken in het onderwijs 2011 staat dat in het vo in de Randstad het aandeel leraren in de hogere schalen met 9 procentpunt is gestegen. Dat is goed nieuws. Voor de salarismix, de functiemix voor het mbo, zijn ook middelen verstrekt. In deze vorm van onderwijs de grootste als het gaat om het aantal leerlingen, blijven de ontwikkelingen echter achter, net als in het hbo. De nota stelt dat het nog te vroeg is om een positief effect van die salarismix te kunnen zien; in 2009 was het aandeel leraren in de laagste salarisschaal LB hoger dan in het jaar van de nulmeting, 2008. Op zich snap ik dat wel, want de colleges van bestuur hebben in hun idiote streven naar allerlei vormen van competentieleren mensen geworven als instructeur en niet als leraar. Dat is lekker goedkoop, ze zijn niet te kritisch en ze doen tenminste wat je zegt. Zo bleef er veel geld over voor zaken, die wat de PVV betreft weinig met de kwaliteit van onderwijs te maken hebben, zoals public relations, architectuur, stafmedewerkers etc. Dat beleid is erg schadelijk geweest. Ik heb er zelf als leraar jaren tegen gevochten. Dat destructieve beleid heeft er uiteindelijk toe geleid dat ik gekozen heb voor de politiek om het kwaliteitsverlies op de agenda te krijgen. Ik ben blij dat hiervoor de eerste stappen worden gezet. De uitgangssituatie voor de versterking van de salarismix is voor het mbo minder gunstig geworden. De cijfers van de salarismix van het voorjaar van 2010 zijn nog niet beschikbaar. Dat bevreemdt mij niet, want het mbo is nog steeds berucht om zijn chaotische basisadministratie. Daar zou echt aandacht voor moeten komen. In het mbo is veel onderwijspersoneel onbekend met de beloningsmaatregel. Slechts een kwart geeft aan er iets over vernomen te hebben. In het hbo gaat het om een op de drie docenten die van niets weten. Ook daar zijn de middelen nog niet zo lang beschikbaar en kan er nog geen zichtbaar effect verwacht worden.

Het grootste probleem in het onderwijs is de huidige maar vooral de toekomstige kwaliteit van de leraren. In het primaire onderwijs speelt dit in toenemende mate, in het vo is het probleem nog niet heel manifest maar moeten wij het heel goed in de gaten houden. Met de monitor die het Convenant LeerKracht eigenlijk is, komen wij een eind in de goede richting. In het mbo en het hbo zijn de problemen het grootst. Deelt de staatssecretaris deze conclusie? De PVV legt de focus op de leerkracht. Kijk ook eens goed naar de uitslagen van de tevredenheidsonderzoeken. De algemene tevredenheid van medewerkers in de onderwijssectoren is hoog en aanzienlijk toegenomen in de periode 2007–2009. In alle vijf de onderwijssectoren is de arbeidstevredenheid hoger dan voor het gemiddelde van de marktsector. Ook de tevredenheid met de organisatie is in alle vijf onderwijssectoren flink toegenomen. Dat is mooi. Het mbo scoort echter met 44% verreweg het laagst van de vijf onderwijssectoren en ook aanzienlijk lager dan de 64% van de markt. Dit is het zoveelste signaal dat het beroepsonderwijs nog niet op orde is. Ook voor het hbo geldt dat er te veel signalen zijn die verontrusten. Dat is ernstig omdat de kwaliteitsverbetering van het hele onderwijs begint op de lerarenopleidingen voor primair en voortgezet onderwijs.

In de jaren van de grote afbraak werd het beroep vanzelf minder aantrekkelijk. Ik begon mijn loopbaan als leraar als een zelfbewuste professional die samen met zijn bevoegde en bekwame collega's vormgaf aan het hele onderwijsleerproces, inclusief het pedagogisch klimaat: het curriculum, de lessencyclus, de toetsing, de leermiddelen, de lesvorm, extra begeleiding van de leerlingen, ouders, vervolgopleidingen en stages. Het dienend management ging over de stoelen, tafels en de roosters. Verder viel alles onder de verantwoording van het team. Dat was uitdagend werk en elke dag anders: het mooiste beroep van de wereld. Toen ik vorig jaar vertrok, had ik jaren achter de rug waarin ik alleen maar uitvoerde wat onbekende deskundigen hadden bedacht. Tot in de kleinste details werd voorgeschreven wat er moest gebeuren. Dat kwam vaak letterlijk neer op het invullen van afvinklijstjes. Het tussentijdse gevolg was dat ambitieuze mensen die eisen stelden aan hogere zingeving van hun dagelijks werk, de school verlieten om uitdagender werk te gaan zoeken. De beroepseer was verdwenen en de zelfbewuste professional bestond niet meer.

De onaantrekkelijkheid van het vak leidde tot minder hoge vooropleidingseisen, lagere uitstroomeisen, geen landelijke examens meer, toestroom van onderopgeleide mbo'ers en ongekwalificeerde zij-instromers. Dat de minister en de staatssecretaris dit onderkennen, is de belangrijkste stap in de oplossingsrichting. Sterker nog, met dit coalitieakkoord is de redding van het onderwijs en het vak van leraar ingezet. Deze coalitie heeft in het regeerakkoord en het beleid tot nu toe alle seinen voor een verbetertraject op groen gezet door nadruk op kwaliteit en kennis in plaats van op vaardigheden, herwaardering van de professionaliteit en terugdringen van de invloed van het management, koepels en bestuurders. Ik geloof in de intenties van dit kabinet. Ik geef nog een voorbeeld van een goed initiatief. De onbevoegdheid en onderbevoegdheid van leraren heeft in de kwaliteit een belangrijke rol gespeeld. Om de burger te informeren over het aantal onbevoegde leraren is de site www.bevoegd.nl in het leven geroepen. Die site heeft zijn werk goed gedaan; de discussie op scholen is luid en duidelijk op gang gekomen. Er blijken zich ook problemen voor te doen. Zo'n site kan alleen nut hebben als de gegevens juist zijn. Hier zijn vraagtekens bij te plaatsen net als bij de lastendruk voor scholen om dit allemaal in orde te krijgen. De balans is een beetje zoek. Graag een reactie van de staatssecretaris.

De richting van het kabinet en de vaststelling dat het lerarentekort minder dramatisch uitpakt dan enige tijd geleden werd verondersteld, geeft lucht. De lijn is goed. Beloningsmaatregelen, plannen voor prestatiebeloning in het primaire proces, het aantrekkelijk maken van bij- en nascholing zijn allemaal maatregelen op weg naar eerherstel voor de professionaliteit van de docent. In het beroepsonderwijs zit echter een systeemfout in het bestuursmodel. Het is geënt op het bedrijfsleven en de colleges van bestuur zijn alleen verantwoording schuldig aan raden van toezicht. Tegelijkertijd is de autonomie van de instellingen bijna heilig verklaard. De contouren doemen op van een bestuurscultuur die verworden is tot zogenaamd maatschappelijk ondernemen. De bedrijfseconomische missie wordt dominant en de onderwijskundige missie verdwijnt achter de horizon. Wekelijks worden wij geconfronteerd met het lelijke gezicht van de snelle onderwijsmanagers die slim en ongrijpbaar opzoek zijn naar de mazen. Perverse prikkels zullen er in elk systeem zijn. Zij zitten echter niet in het systeem, maar in de mentaliteit. Ik wil mij graag met mijn collega's buigen over de mogelijkheden om die systeemfout te herstellen. Ik denk dan aan de ontvlechting van de mammoetinstituten, maar ook aan een lerarenraad die naast de medezeggenschapsraden kan bestaan en die de uiteindelijke zeggenschap heeft over het onderwijsdeel van de instelling. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Kwaliteitsverbetering van het onderwijs begint bij kwaliteitsverbetering van de leraar, dus bij de pabo's en de lerarenopleidingen.

De heer Jasper van Dijk (SP): U gebruikt stevige taal, waar ik het grotendeels mee eens ben. Er moet een eind komen aan het grote aantal onbevoegde leraren, zeker in het mbo. Vindt u ook dat wij daar stevige maatregelen voor moeten nemen, zoals het aanpassen van de wet, het verbieden van onbevoegde leraren en onbevoegde vakleraren in het mbo of het maximaal een jaar de tijd hebben om zich daarvoor bij te scholen?

De heer Beertema (PVV): Dat zou een aantrekkelijke optie zijn, ware het niet dat wij dan in de problemen komen. De lessentabellen in het mbo zijn al moeilijk in te vullen en ik ben bang dat er zo een fysiek tekort aan mensen voor de klas ontstaat.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dit vind ik teleurstellend. Dit krijgt de SP al 30 jaar te horen van regeringspartijen: het moet wel zo, want anders staat er niemand voor de klas. Wanneer maken wij dan een eind aan deze neerwaartse spiraal?

De heer Beertema (PVV): Wat mij betreft vandaag.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dan moeten er maatregelen genomen worden.

De heer Beertema (PVV): Ik ben bereid om samen over die maatregelen na te denken. Maar wat dan? Wie gaat er dan voor de klas staan?

De heer Jasper van Dijk (SP): Uw hele betoog is een luchtballon, een lege huls. U vindt het allemaal vreselijk, maar het is nog erger als er niemand voor de klas staat. U moet een streep trekken. Ik stel voor om een eind te maken aan onbevoegde leraren voor de klas, om een maximumpercentage overhead voor het management in te stellen en om de MBO Raad op te heffen. Bent u het daarmee eens?

De heer Beertema (PVV): Ja.

Voorzitter. De kortste weg naar herstel van de kwaliteit van de leraar is het introduceren van landelijke eindtermen per kernvak in de lerarenopleidingen. Die dienen geëxamineerd te worden door een onafhankelijk instituut, zoals het Cito, maar niet door de sector, want die heeft zich uitgebreid gediskwalificeerd. Stelt u zich voor: een diploma met een sterk civiel effect en startende leraren met een bewezen kwalificatie. Outputfinanciering kan dan gewoon blijven, want de perverse prikkel om zo veel mogelijk diploma's te verstrekken, is er niet meer. De instellingen zullen hun knopen tellen aan de poort van de opleiding; gaan deze studenten het redden? Ze zullen hun knopen tellen bij het aannemen van gekwalificeerde docenten; gaat deze docent mijn studenten kwalificeren? Als het gaat om die landelijke normen voor het hbo lijden de minister en de staatssecretaris nog steeds aan koudwatervrees. Deelt de staatssecretaris de mening dat dit een korte, begaanbare weg is naar opwaardering van het vak, van de hele beroepsgroep en van de kwaliteit van het onderwijs over de hele linie? Is hij bereid om op dit onderwerp de regie te herpakken? Ik overweeg een motie hierover in te dienen.

Het zou mij veel waard zijn als de sector zich zelf richt op de bewaking van de kwaliteit van de beroepsgroep vanuit een eigen goed gearticuleerd professioneel bewustzijn op afstand van overheid, werkgevers en werknemers. Men moet de touwtjes in handen nemen voor het inrichten van een netwerkorganisatie inclusief een beroepenregister. Er moet nog veel gebeuren. Tot nu toe zien wij een moeizame samenwerking, vaak met frisse tegenzin, tussen alle zogenaamde stakeholders die de corporatistische onderwijsprovincie rijk is. Nu moet de boel weer worden omgevormd tot een coöperatie, kennelijk het meest haalbare. Dat is een negentiende-eeuws samenwerkingsverband waarin iedereen evenveel zeggenschap heeft over alles en over niets. Alle seinen staan voor de leraar op groen. Ik roep de SBL op om haar kansen te grijpen en voortvarend aan het werk te gaan. Laat de overheid en het parlement, die nu eindelijk eens vooroplopen, niet ongeduldig worden. Laat het niet zover komen dat de werkgevers en werknemers ermee vandoor gaan. Treuzel niet tot deze daadkrachtige staatssecretaris het zat is en zaken dwingend gaat opleggen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Steunt u docenten als zij de straat opgaan en staken omdat zij het eens zijn met uw pleidooi? Of zegt u dan, net als gisteren, dat het een schande is en dat ze maar gekort moeten worden op hun salaris, net als de docenten, studenten en hoogleraren die morgen gaan demonstreren.

De heer Beertema (PVV): Ik vind dat een ander onderwerp. Ik ben er gisteren door GroenLinks van beschuldigd dat ik de vrijheid van meningsuiting wil fnuiken. Als PVV'er voel ik mij daardoor zeer aangesproken. De studenten en docenten hebben het volste recht om op het Malieveld alles te roepen wat ze willen. Ik vind het echter flauw dat vanuit de kennelijk schaarse middelen van de universiteiten en hogescholen bussen betaald worden en salarissen doorbetaald worden van docenten en hoogleraren die colleges opschorten en geen tentamens afnemen om aanwezig te zijn. Betaal het gewoon zelf. Ik heb als leraar volop gebruikgemaakt van mijn stakingsrecht, maar dan kreeg ik geen salaris.

De heer Jasper van Dijk (SP): Wat doet u als mbo-docenten de straat opgaan om op te komen voor het pleidooi dat u zelf ook houdt: geef ons de ruimte, verklein het management en de scholen. Moeten ze dan hun salaris terugbetalen?

De heer Beertema (PVV): Dan ondersteun ik ze van harte, maar de salarissen zouden niet doorbetaald moeten worden.

De heer Elias (VVD): Voorzitter. Ik ken een onbevoegde docent, die lesgeeft als onderwijsassistent onder begeleiding. Volgens mij doet hij het goed. Zijn naam is Mark Rutte. De VVD is op zich geen voorstander van onbevoegde leraren, maar vraagt zich af waarom de discussie vooral om bevoegdheid draait en amper om bekwaamheid. Er zullen zeker onbevoegde en onbekwame docenten zijn, maar bevoegd en onbekwaam komt ook vaak voor, terwijl nog onbevoegd – mensen die vanuit het bedrijfsleven alvast een paar dagen per week beginnen als docent – maar wel bekwaam, beslist ook voorkomt. Laten wij meer aandacht aan de bekwaamheid schenken.

Vandaag spreken wij over het hart van het onderwijs: de leraar. Het is weinigen ontgaan dat ik bij de behandeling van de begroting van Onderwijs harde woorden heb geuit over het leraarschap. De reacties daarop waren tweeledig. Er zijn docenten die zich ten volle bewust zijn van de kwaliteitsslag die gemaakt moet worden en er zijn docenten die in de kramp schieten en zich gaan verdedigen. Ik handhaaf en herhaal mijn stevige woorden over het ontslaan van slechte leraren. Ik heb ze bedoeld als onderdeel van een beleid dat gericht is op een mentaliteitsomslag: weg van het onderwijs als tweeverdienerseldorado, weg van de gemakzucht en het uitzitten van de laatste paar jaar tot het pensioen, meer aandacht voor de goede leraar, voor het stimuleren van talent, voor prestatieverschillen en bijbehorende beloningsverschillen. Het hoofddoel is: kinderen goed lesgeven. Ik heb nogal wat scholen bezocht en heel veel enthousiaste, gedreven leraren gezien die moeilijk maar dankbaar werk hebben en lol hebben in hun vak. Maar ik heb ook sloffende, uitgebluste types gezien, die vinden dat het hun tijd wel duren zal. Ik vind het opvallend dat mijn woorden uit november hier en daar werden afgedaan als gemakkelijke retoriek. Dat is nonsens. Het is een onloochenbaar feit dat de onderwijssector een eigen arbeidsethos kent. Het is een aparte beroepsgroep, net als de medische, maar daar kent men beroepsverenigingen en registratieverplichtingen. Die sector houdt in de gaten wat iemand moet kunnen en wat patiënten mogen verwachten. In het onderwijs heerst een andere sfeer. De kwalitatieve verschillen tussen leraren zijn altijd bekend geweest binnen scholen en lange tijd waren die niet bespreekbaar. Nog steeds ligt het gevoelig, maar wij kunnen alleen van de kwaal af als wij het beestje bij de naam noemen. Er zijn veel goede leraren, maar er lopen te veel zwakke leraren rond die niet in zichzelf investeren en die niet tegen kritiek kunnen. In letterlijke zin lijden goede docenten onder de kwade, want slechte docenten kunnen hun gang gaan en goede docenten worden niet gestimuleerd. Ik citeer professor Coonen, oud-vicevoorzitter van de Onderwijsraad, die in 2007 zei: «Men had in het onderwijs geen plaats voor professioneel talent, een paradoxale situatie voor een organisatie die het ontwikkelen van talent van leerlingen als kerntaak heeft.» Gemotiveerde enthousiaste docenten moeten gestimuleerd worden. Uitblinken mag.

Voor de VVD staat onderwijs hoog op de agenda, net als het leraarschap. De kern zit niet in weer een zak met geld, maar in het creëren van ruimte voor docent en schoolleider. De overheid heeft zeggenschap over wát de kinderen leren, en de docenten en de schoolleiding over het hoe. Onze grote lijn blijft inhoudelijk: goed onderwijs begint met goede leraren. Het kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekort dat dreigt – al lijkt het iets mee te vallen – moet worden voorkomen en opgelost door prestatiebeloning, meer onderscheid tussen functie en salaris, flexibel docentschap, instroom van het bedrijfsleven, verbetering van de lerarenopleidingen en vermindering van papierwerk voor leraren. Vakmanschap moet vooropstaan. Wat een goede leraar is, maakt de schoolleiding uit. Voor ons is dat echter niet de wiskundeleraar die de helft van de klas tot prachtige resultaten opstuwt en de andere helft links laat liggen, tot wanhoop van de kinderen zonder wiskundeknobbel en hun ouders.

De VVD wil niet dat leraren doorgroeien op basis van automatisme of werkzame jaren, maar op basis van prestaties. Wie het goed doet, moet daarvoor beloond worden. Het toepassen van prestatieprikkels vereist het meten van prestaties. Dat moet de kern zijn van prestatiebeloning in het onderwijs. Uit de vergelijking met het buitenland door het Centraal Planbureau (CPB) uit 2004 blijkt zonneklaar dat de beste prestatie-indicator aan de leerprestatie van de scholier de bijdrage van de docent is. Alle studies wijzen dat uit. Scholieren leren ook veel buiten de school waardoor het op zich lastig is om de toegevoegde waarde te meten. In longitudinale cohorttoetsen valt echter een hoop uit te faseren, heb ik mij vanuit wetenschappelijke hoek laten uitleggen. Dezelfde groep leerlingen regelmatig toetsen en observeren door de jaren heen, levert goed bruikbare resultaten op tot aan individueel lerarenniveau toe. De kern voor deze staatssecretaris moet zijn: het ontwikkelen van prestatie-indicatoren, hetgeen zoveel betekent als het vertalen van het begrip leerwinst. Graag hoort de VVD hier meer over. In hoeverre is de staatssecretaris gevorderd?

De heer Jasper van Dijk (SP): Volgens mij leidt dit tot een eindeloze discussie op scholen over hoe die prestatiebeloning gaat uitpakken. Ik heb daar grote zorgen over. U bent er groot voorstander van, maar vervolgens zegt u dat de scholen het zelf moeten bepalen. Dat vind ik niet zo sterk; wij zouden het lef moeten hebben om een aantal harde criteria te noemen. Wat moeten wij nu met die wiskundeleraar die u net als voorbeeld gaf? Als die een minder goede prestatie levert, zou hij een lager salaris krijgen, maar daar schieten de leerlingen toch niets mee op? Moet er niet een heel stevig gesprek met hem gevoerd worden?

De heer Elias (VVD): Ik kom nog op de andere kant van de medaille. Die leraar moet zodanig worden aangesproken dat de andere helft van de klas ook geïnteresseerd raakt. Als hij dat niet doet, heeft hij een probleem.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Wat verwacht u van de staatssecretaris op het punt van de prestatiebeloning?

De heer Elias (VVD): Dat hij het regeerakkoord uitvoert.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Het regeerakkoord zegt daar niet zo veel over. In welke mate moet er ruimte zijn voor de schoolleiding om te beoordelen wat goede docenten zijn en welke extra prestaties zij hebben geleverd die voor beloning in aanmerking komen? Of wilt u een landelijke blauwdruk? U wilt uit het model van longitudinale groepscohortstudies een toegevoegde waarde halen, dat vertalen naar individuele leraren en aan hen toerekenen. Dat komt op mij over als een vaststaand model, dat de staatssecretaris moet ontwikkelen en de scholen moeten uitvoeren.

De heer Elias (VVD): Ik heb een aantal ingrediënten genoemd die ik mee wil geven aan de staatssecretaris als hij het regeerakkoord hierop gaat uitvoeren. Ik wil graag meer van hem weten. Natuurlijk is er bij de beoordeling een belangrijke rol weggelegd voor schoolleiders, maar dat moeten dan wel mensen met pit zijn, die een instrumentarium ter beschikking hebben. Wij maken hier geen blauwdruk en een afvinklijst, zodat er alleen nog maar cijfertjes ingevuld hoeven te worden. Zo hoort het ook te werken in de Kamer: wij hoeven niet van a tot z uit te werken hoe iets moet. De Kamer geeft de richting aan, bekijkt of het haalbaar is en waar het departement mee komt.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Met dat laatste ben ik het zeer eens. Het is belangrijk om te weten of de grootste coalitiefractie vindt dat het vanuit Den Haag ontworpen en opgelegd moet worden of dat er, in uw woorden, instrumenten moeten worden aangedragen om op schoolniveau aan de slag te gaan. Minister-president Rutte heeft dit als een van de drie grootste hervormingen gepresenteerd.

De heer Elias (VVD): Voorzitter. Heeft de lumpsumbekostiging al een zekere dwang en afrekenbaarheid tot gevolg? Dit geldt temeer voor de professionaliseringsslag die de school en het bestuur moeten maken in het personeelsbeleid. Het opstellen en bijhouden van personeelsdossiers is in het onderwijs merkwaardig genoeg pas iets van de laatste jaren. Als het gaat om het beoordelen van leraren ligt er een belangrijke taak bij de schoolleiding. Waar valt slecht functioneren nog te verbeteren en waar houdt het simpelweg op? Dat die vragen lastig zijn, ontslaat de schoolleiding niet van de verplichting om ze te beantwoorden. Schoolleiders moeten hier de ruimte en de professionaliteit voor hebben. Humanresourcespersoneel in de staf is helemaal geen overbodige luxe. Ook besturen moeten achter de wens om te verbeteren staan. Hoeveel scholen hebben de boel op orde waar het de personeelsdossiers betreft? Bestaat daar zicht op? Zo nee, vindt de staatssecretaris dat hij dat zicht behoort te hebben? In het rapport Werken in het onderwijs 2011 gaat het ministerie uit van weinig inzichtelijke gegevens. 74% van de docenten heeft een functionerings- of beoordelingsgesprek, maar de letterlijke tekst is: «wel regelmatig, maar niet vaak per jaar.» Van scholen mag geëist worden dat die dossiers op orde zijn. De school moet wettelijk een bekwaamheidsdossier bijhouden en daarin opnemen hoe de bekwaamheidseisen worden onderhouden. De VVD hoort graag, met de wettelijke verplichting in het achterhoofd, waarom zoveel leraren klagen dat functioneringsgesprekken en personeelsdossiers geen gewoonte zijn in het onderwijs.

Inmiddels is een privaatrechtelijk register voor de beroepsgroep aangekondigd, dat in overleg met de nieuwe beroepsvereniging tot stand moet komen. Bij de stukken zit ook de brief over het omtoveren van de SBL naar een dergelijke nieuwe beroepsvereniging. Het nieuwe orgaan wordt een coöperatie van en voor leraren. Het zal jaarlijks een werkprogramma opstellen waarvan het lerarenregister een onderdeel is. Kan de staatssecretaris hiervan het tijdpad schetsen? Wanneer is die coöperatie een feit en kan het register functioneren? De coöperatie krijgt het voordeel van de twijfel, maar eigenlijk is het weer een heel raar en typisch onderwijsbeest. Daar zitten er heel veel op en om het onderwijs geplakt. Het is een soort koepelkartel waarin alles en iedereen er met elkaar uit moet zien te komen onder de bezielende leiding van een soort Moeder Teresa die de verplichte inschrijving moet afdwingen, inclusief de koppeling aan een periodiek bijscholingsvereiste. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Is hij met mij van mening dat dit in één keer goed moet gaan, want dat hij het anders beter zelf kan inrichten en voorschrijven? Graag hoor ik de bevestiging dat het hier gaat om een verplicht register voor onderwijsgevenden én schoolleiding in het primair én voortgezet onderwijs, inclusief het middelbaar beroepsonderwijs.

Ik vraag aandacht voor de mogelijkheid om ook bestuurders in dit register op te nemen. Sterke schoolleiders lopen te vaak tegen zwakke schoolbestuurders aan. Hierbij speelt uiteraard ook de artikel 23-problematiek, namelijk dat bestuurders van bijzondere scholen een andere status hebben. Kan een kwaliteitsconvenant hier wellicht een uitweg zijn? Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de koppeling van bestuurders in het openbaar onderwijs aan het register en een deal met de bestuurders in het bijzonder onderwijs over hetzelfde? Op basis van de regeling Goed onderwijs, goed bestuur en op basis van de gedragscode primair onderwijs wordt aandacht besteed aan het bestuur als goed werkgever. Is dat misschien een goede weg om afspraken te maken over de kwaliteit en kracht van bestuurders, juist in het bijzonder onderwijs?

Ik hoor graag de visie van de staatssecretaris op de initiatiefwet van CDA en D66 waarin onder meer wordt geregeld dat ambtenaren ontslagen kunnen worden. Graag een reactie in relatie tot het regeerakkoord waarin een vergelijkbare passage staat, en in relatie tot het openbaar onderwijs, waar de leraar ambtenaar is. Waarom ligt het risico van ontslag bij de school? Alle ontslagen in het primair en voortgezet onderwijs dienen achteraf te worden getoetst door het participatiefonds, dat is opgericht door werkgevers en werknemers in het onderwijs en verantwoordelijk is voor de terugdringing van de werkloosheid in het primair onderwijs. Het participatiefonds vergoedt geen uitkeringskosten voor het ontslagen personeelslid als een schoolbestuur zich niet voldoende heeft ingespannen om ontslag te vermijden en geen voldoende alternatief heeft geboden binnen of buiten de school. Op zich kan iedere leraar die aantoonbaar disfunctioneert worden ontslagen, maar er moet dan wel een vlekkeloos en volledig personeelsdossier liggen. In de praktijk komt dat amper voor en dat is de reden waarom – ten principale ten onrechte – de gedachte leeft dat ontslagen onmogelijk zijn. Het feit dat iedereen dat denkt, werkt vervolgens als een self fulfilling prophecy. Die vicieuze cirkel wil de VVD doorbreken. Is de staatssecretaris het daarmee eens?

Studenten van de lerarenopleidingen blijken slechter te rekenen dan de beste leerlingen uit groep 8 van de basisschool. Ik heb dit drie keer teruggelezen om het te kunnen geloven. Dat is volkomen idioot. Verder komt slechts 2% van onze aspirant-onderwijsgevenden van een universitaire lerarenopleiding. De kwaliteitsverhoging van de lerarenopleiding wordt voorgezet: op de pabo moet differentiatie komen die leidt tot een brede bevoegdheid voor de hele basisschool maar tot een specifieke bekwaamheid voor het jongere of oudere kind. Loopt dat nu en, zo ja, hoe? Wat vindt de staatssecretaris van het uitgangspunt dat alle leraren ten minste een masteropleiding op universitair of hbo-niveau moeten hebben? Zou dat niet goed zijn voor het aanzien van het vak? Valt er niet veel voor te zeggen om in de master een onderscheid aan te brengen tussen een opleiding voor de boven- en de onderbouw? Het leraarschap is een mooi vak, maar het kan en moet beter.

De heer Jasper van Dijk (SP): Zegt u dat elke leraar een masteropleiding moet hebben?

De heer Elias (VVD): Nee, ik vraag wat de staatssecretaris vindt van het uitgangspunt: alle leraren tenminste een masteropleiding.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat is heel heldere taal en ik juich die zeer toe. Is dit het standpunt van de VVD?

De heer Elias (VVD): Nee, ik stel een vraag. Als ik een vraag stel, is het bij de VVD – wellicht anders dan bij de SP – de bedoeling om het antwoord te gebruiken om een standpunt in te gaan nemen.

De heer Van der Ham (D66): Het zou goed zijn als er meer diversiteit is in de kwaliteiten en diploma's die docenten hebben. Er is door het vorige kabinet een maatregel getroffen die het volgen van een tweede studie bemoeilijkt door het hoge collegegeld. Dat kan mensen afremmen om een tweede studie te volgen en bemoeilijkt dat er meer mensen masters volgen en bevoegd voor de klas staan. Hoe kijkt u daartegen aan?

De heer Elias (VVD): Ik heb daar weinig zicht op. Ik zou mij daarin moeten verdiepen.

De heer Van der Ham (D66): Daar ben ik blij mee, want het heeft enorme effecten voor de zaken die u zelf aankaart. De link tussen hoger onderwijs en de kwaliteit in het basis- en middelbaar onderwijs is zeker te maken. Ik hoop dat de VVD daar nog eens goed naar kijkt.

De heer Elias (VVD: Misschien kan de staatssecretaris in zijn beantwoording dat element meenemen.

De heer Klaver (GroenLinks): Bekwaamheid is minstens zo belangrijk als bevoegdheid. Ik kom in conflict als ik de opvatting over bekwaamheid tegenover de opvatting over iedere docent een mastertitel zet. Hoe denkt u over die strijdigheid?

De heer Elias (VVD): Wij praten over langetermijnontwikkelingen. Ik heb mijn opmerking over bekwaamheid gemaakt in lijn met wat de heer Beertema heeft gezegd over de huidige situatie. Het is verstandiger om te kiezen voor iemand die wel degelijk wat kan, maar zijn formele papieren nog niet heeft, dan voor kinderen die wat rondhangen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Voorzitter. Het hoeft geen betoog dat de kwaliteit van het onderwijs staat of valt met de kwaliteit van de leraren. Onder het vorige kabinet is daaraan een geweldige schwung gegeven, dankzij de commissie-Rinnooy Kan en minister Plasterk. Extra geld, oplopend tot meer dan 1 mld., werd vrijgemaakt onder andere voor meer leraren in hogere schalen en voor de lerarenbeurs. Het eerste begint goed te lopen en de beurs is elk jaar meer dan uitgeput. De grote vraag is wat het nieuwe kabinet gaat doen. Premier Rutte noemde bij de presentatie van het regeerakkoord prestatiebeloning in het onderwijs een van de drie grote hervormingen. In het regeerakkoord staat slechts: er komt meer ruimte voor prestatiebeloning, zowel voor personen als teams. De bonden zeggen dat in het licht van wat kan in de cao's – ook financieel dankzij het actieplan LeerKracht – onduidelijk is wat de toegevoegde waarde kan zijn. De PvdA staat daar vooralsnog open in en wacht de plannen af. Volgens mijn fractie moet er volop ruimte zijn voor vormen van prestatiebeloning binnen het onderwijs die gebaseerd zijn op goed personeelsbeleid, en als beloning voor opleiding of bijscholing of andere inzet die de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt. Mijn fractie zal zich zeer verzetten tegen grote ingrepen zoals blauwdrukken vanuit Den Haag en technocratische systemen om opbrengsten aan individuele leraren toe te kennen met nieuwe bureaucratie en onvermijdelijke perverse prikkels. Wat ons betreft geen grote hervormingen, maar een pragmatische op effect gerichte aanpak.

De heer Elias (VVD): Ik noteer met groot genoegen dat u open in de discussie over de prestatiebeloning staat. Ik noteer uiteraard ook uw afschuw van grote blauwdrukken vanuit Den Haag. Betekent dit dat er ook werkelijk zaken zijn te doen als u wat in de kabinetsplannen ziet? Is dit geen enorme trendbreuk met de socialistische onderwijspolitiek zoals die tot heden is gevoerd?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Het belonen van prestaties is belangrijk in alle sectoren van de samenleving. In het onderwijs vergt het nog een heel werk om er een goede grondslag onder te leggen. Wij zullen ons zeer verzetten tegen geweldig ingewikkelde technocratische systemen die scholen door de strot geduwd worden. Als het gaat om meer pragmatische manieren om daadwerkelijke scholing, bijscholing en kwaliteitsbevordering van de leraar te verbinden aan prestatiebeloning, dan rust daar geen taboe op. Wij zullen de voorstellen afwachten. Wat betreft uw laatste punt kent u mij als een criticaster van grote onderwijshervormingen, dus als u mij in die hoek probeert te drukken, wens ik u veel succes.

De heer Elias (VVD): Bent u met mij van mening dat het omarmen van de prestatiebeloning een trendbreuk is met de socialistische onderwijspolitiek zoals die tot op heden is gevoerd?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik wacht met het omarmen van de prestatiebeloning tot ik weet wat er gaat gebeuren. Ik heb gehoord dat de staatssecretaris dit op termijn gewoon in de lumpsum wil meenemen. Dat klinkt niet als een grote hervorming. Ik heb van u net een heel ingewikkeld verhaal gehoord over longitudinale studies die u wilt toerekenen aan individuele leraren. Tussen het beeld dat de staatssecretaris tijdens de behandeling van de begroting heeft geschetst en het technocratische systeem dat u net schetste, zit een groot gat. Wij wachten de plannen af. Wij weten waar het extra geld vandaan komt dat het kabinet op termijn voor deze grote hervorming vrijmaakt. Dat komt bij de kwetsbare leerlingen in het passend onderwijs vandaan en daar blijven wij groot bezwaar tegen maken. Overal waar ik kom in de sector zeggen docenten tegen mij: laat die prestatiebeloning maar zitten en steek het geld in de klas, waar wij het echt nodig hebben. Dan doelen ze op passend onderwijs; ondersteuning van docenten in het omgaan met soms ingewikkelde groepen en leerlingen die extra aandacht nodig hebben. Die hartenkreet moest er even tussendoor.

Voorzitter. De belofte die besloten ligt in de term prestatiebeloning voor mensen die hard werken – en dat doen de meeste mensen in het onderwijs – wordt al snel onderuitgehaald door het besluit de leraar op de nullijn te zetten. Dat is een bezuiniging die, omgerekend naar het onderwijs, ongeveer 225 mln. per jaar oplevert. Tel uit je winst, zeg ik tegen de coalitie. Ik maak mij daar grote zorgen over, omdat minister Donner heeft gezegd dat het niet bij een jaar zal blijven. Hij sprak al over twee jaar. Ik vraag aan de staatssecretaris de toezegging dat dat niet voor de leraren zal gelden.

De SBLwordt omgezet in een coöperatie. Ik denk dat dit een voortvloeisel is uit het idee van de commissie-Rinnooy Kan, die pleitte voor een beroepsvereniging voor en door leraren. Ik had daar een totaal ander beeld bij, namelijk een beroepsvereniging waarvan leraren rechtstreeks lid konden worden, het bestuur zouden vormen etc. Die club zou het voortouw nemen bij het garanderen van de kwaliteit van leraren. De coöperatie die wordt opgericht is een samenwerkingsverband van organisaties waar leraren lid van kunnen zijn. Het is een moeizaam proces geweest om tot dit vehikel te komen. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris daar zelf tegen aankijkt, want het wordt volledig betaald door de overheid. Men gaat taken verrichten omdat de ambitie is dat het register echt betekenis gaat krijgen en niet vrijblijvend. Wij vinden dat het zeker stellen en registreren van de leraren in Nederland publieke taken zijn. De PvdA wil de eisen ten aanzien van bevoegdheid en bekwaamheid uitbreiden met bijscholing en dat vervolgens verbinden aan het register. Het is de vraag of de SBL dat kan en of deze samenwerkingsvorm, die volgens onze analyse tot stand is gekomen vanwege veel tegenstrijdige belangen van verenigingen, is wat de commissie-Rinnooy Kan beoogde.

De heer Biskop (CDA): U verwijst naar wat de commissie-Rinnooy Kan, maar wat had u zelf graag gezien? Een vereniging met een verplicht lidmaatschap voor leraren?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dan krijg je de discussie weer of je dat register privaatrechtelijk of publiekrechtelijk wilt onderbrengen. Wij vinden inderdaad dat leraren er verplicht lid van moeten zijn en dat er kwaliteitseisen aan moeten hangen, inclusief een bijscholingsplicht. Het CDA en de PvdA zullen gaan zeggen dat het ook mag worden bestuurd door het middenveld, maar ze bedoelen niet hetzelfde. Wat hier gebeurt, is het volgende. De clubs, die allemaal zeggen dat ze voor de leraar staan, elkaar daarin beconcurreren en belangen hebben in verband met de toekomst van de eigen organisatie, komen na veel getouwtrek tot een compromis. Dat compromis is een gezamenlijke façade die ze de coöperatie noemen en waar het geld binnenkomt. Mij is verteld dat het geld verdeeld zal worden over de participerende organisaties. Niet de SBL gaat dat doen, maar de ene keer de ene bond en de volgende keer de andere koepel van vakverenigingen. Dat alles laat bij mij bellen rinkelen. Hebben wij hier te maken met een gedegen club die het register en het aanzien van het vak serieus ter hand gaat nemen of met windowdressing waarbij de oude organisaties vooral bezig zijn hun positie in stand te houden?

De heer Biskop (CDA): Ik snap de vragen die u hebt bij de coöperatiegedachte, maar de vraag was of u zelf een ander idee bij de SBL had om dat op een andere manier te ontwikkelen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): De belangrijkste taak van de SBL is het register. Als je vindt dat alle leraren lid moeten zijn en moeten voldoen aan de eisen die daarmee samenhangen, heb je ook de organisatievorm te pakken, want die leraren kunnen dan gezamenlijk het bestuur van het register ter hand nemen. Daarvoor heb je een juridische club nodig en die noemen wij de SBL. Nu is het een samenwerkingsverband van organisaties en dat is anders dan bedoeld werd. Ik hoor graag hoe de staatssecretaris daartegen aankijkt. Als wij daar allemaal zo kritisch over denken, is dit het moment om ons af te vragen of wij het zo wel moeten doen, want ze staan nu in de startblokken.

Voorzitter. Ik vraag de reactie van de staatssecretaris op de plicht tot bijscholing. Wij hebben eisen vooraf – wanneer ben je bevoegd, wanneer ben je bekwaam? – maar hoe onderhoudt men die bekwaamheid? Wij stimuleren met lerarenbeurzen etc. dat docenten zich bijscholen. Er zijn zelfs suggesties gedaan voor een verplichte master.

Het viel mij in de stukken op dat het verwachte lerarentekort in één keer is gehalveerd. De verklaring daarvoor is de economische crisis. Mijn indruk is dat het grote lerarentekort zich pas over een aantal jaren zal voordoen. Ik neem aan dat de economie op enig moment weer zal aantrekken, dus het verbaasde mij dat de kortetermijnfluctuatie op de arbeidsmarkt zich direct vertaalt naar een halvering van het verwachte lerarentekort op termijn. Graag de reactie van de staatssecretaris hierop.

De heer Jasper van Dijk (SP): Een verplichte masteropleiding is niet van vandaag op morgen geregeld. Er zou met een overgangsregeling naartoe gegroeid moeten worden. Staat de PvdA daar ook positief tegenover?

De heer Dijsselbloem (PvdA): De PvdA pleit voor verplichte bijscholing op termijn voor alle docenten, gekoppeld aan het register en de kwaliteit van het beroep. Dat zou doodnormaal moeten zijn. Ook in andere beroepsgroepen is men verplicht om met enige regelmaat bijscholing te volgen. Natuurlijk moet nog ingevuld worden wat bijscholing is en wanneer men daaraan voldaan heeft. Ik laat me er nu niet over uit of dat per se een master moet zijn, maar de PvdA is voor die richting. Ik wil vastleggen per wanneer, want anders zal het er nooit komen. Dat geldt voor het register, voor de problematiek van onbevoegden voor de klas en voor een eventuele plicht op bijscholing. Er moet vastgelegd worden wanneer het ingaat, anders krijg je die trein niet in beweging.

De heer Jasper van Dijk (SP): U laat ruimte voor allerlei openingen, terwijl u terecht zegt dat men op een gegeven moment moet besluiten welke kant het opgaat. Bent u het ermee eens dat wij op een dag moeten zeggen dat elke leraar een master moet doen?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik ben ervoor dat op korte termijn van kracht wordt dat alle docenten zich met regelmaat moeten bijscholen en dat dit gekoppeld wordt aan het register. Vervolgens moeten wij invullen wat bijscholing is. Dat zou een verplichte master kunnen zijn, maar ook iets anders.

Voorzitter. Er is een veelheid aan subsidiepotjes. Een aantal projecten dat eruit wordt betaald is prima, zoals het programma Krachtig Meesterschap maar ook de waaier aan projecten om de instroom in het leraarschap te bevorderen. Hetzelfde geldt voor de lerarenbeurs. Ik ben drie onderzoeken tegengekomen over de effectiviteit van de lerarenbeurs, maar die zijn vrij snel na de eerste tranche verricht. Wij zitten inmiddels in de vierde tranche en ik vraag de staatssecretaris of daarna opnieuw is gekeken naar de effectiviteit van het type opleidingen en naar de toegevoegde waarde van de beurs. Is de staatssecretaris van plan om het programma Krachtig Meesterschap, de projecten om de instroom in het leraarschap te bevorderen en de lerarenbeurs opnieuw kritisch tegen het licht te houden, er accentverschillen in aan te brengen, nadere prioriteiten te stellen, etc.?

Het regeerakkoord zegt dat de kwaliteitsverhoging van de lerarenopleidingen wordt voorgezet en ik juich dat zeer toe. Volgens mij is die kwaliteitsverhoging een prioritair onderwerp. De vraag is wel hoe wij dit goed monitoren. Ik hoor veel verschillende geluiden over pabo's. Er zijn heel goede pabo's, maar ook pabo's waar de kwaliteit zeer zorgelijk is. Ik heb in de stukken van de onderwijsinspectie geen rapportage over de kwaliteit van onze lerarenopleidingen aangetroffen. De inspectie rapporteert wel in hoofdstuk 11 van het onderwijsverslag over de kwaliteit van de leraar, maar niet over de opleiding. De vraag is: kijken wij daarnaar, wie kijkt daarnaar, hoe kijken wij daarnaar en hoe vormen wij ons een oordeel?

Er is al over gesproken dat de sector zijn eigen kwaliteitsmaatstaven, examens etc. vaststelt. Ik vraag de staatssecretaris waarom overwogen is om dit aan de sector over te laten. De toekomstige concretere eindtermen zijn al een verbetering ten opzichte van de ontstane situatie bij sommige lerarenopleidingen. Maar de vraag is of het zinvol is om dit nog strenger onder publiek toezicht te brengen. Daarmee haal je de lerarenopleiding wel uit het gebruikelijke in het hoger onderwijs: het eigen cv, de eigen examens en de eigen diploma's. Gegeven het cruciale belang van de lerarenopleidingen voor de kwaliteit van het funderend onderwijs vind ik dat wij hierover een discussie moeten voeren en ik daag de staatssecretaris op dit punt graag uit.

Mij staat bij dat toen de taal- en rekentoets werd ingevoerd aanvankelijk 30% van de deelnemers zakte voor de rekentoets en ongeveer eenzelfde percentage voor de taaltoets. Dat is al weer een aantal jaren geleden. Zijn er recente cijfers? Bij die taal- en rekentoets scoorden met name de studenten die instroomden vanuit het mbo naar de pabo heel slecht. Welke gevolgtrekking heeft dat gehad? Het zou consequenties moeten hebben voor het cv en de eisen die wij stellen aan de instroom. Of wij moeten ons afvragen of deze instroomroute wel verantwoord is als wij de kwaliteit van het leraarschap willen verhogen. Dat laatste zou behoorlijk ver gaan, maar ik wil zeker weten dat de instroom op orde komt.

De Onderwijsraad heeft in het verleden veel geschreven over de lerarenopleidingen. Vanmiddag neemt Fons van Wieringen afscheid van die raad met een afscheidssymposium. Ik wil hem van hieruit hartelijk danken voor het werk dat de raad onder zijn leiding voor de Kamer heeft gedaan. Hij heeft bij zijn afscheid kritische woorden richting de Tweede Kamer gesproken. Hij zei dat de Kamer te veel vragen heeft op het gebied van informatie en verantwoording en dat daardoor de kerntaak van de Onderwijsraad, het adviseren over de kwaliteit van het onderwijs, onder druk is komen te staan. Ik erken dat, maar ik herken ook een trendbreuk in de Kamer. Er wordt nu veel meer gesproken over de kwaliteit van het onderwijs. Wij zijn alerter geworden op het almaar nadruk leggen op nog meer verantwoording. Wij moeten het signaal van de heer Van Wieringen ter harte nemen. Het plaatje is bekend: het traditionele driestromenland, de pabo's, de tweedegraadsopleidingen op hbo-niveau en de eerstegraadsopleidingen op academisch niveau. Daar komen al wat differentiaties in. Wij hebben een academische pabo, wij hebben masteropleidingen en er zijn meer initiatieven gaande. In het verleden heeft de Onderwijsraad kritiek gehad op die starre driestromenbenadering. Ik wil de Onderwijsraad vragen om met een advies te komen over de toekomstige inrichting van lerarenopleidingen in Nederland, inclusief de master, de academische pabo en de gedachte van het kabinet om in de pabo-opleidingen meer differentiatie aan te brengen tussen onderbouw en bovenbouw. Graag een reactie van de staatssecretaris op deze gedachte.

De inspectie schrijft in haar onderwijsverslag in hoofdstuk 11 over de kwaliteit van de leraar. Het is de vraag op basis waarvan zij dat doet. De inspectie vermeldt hoeveel bevoegden en onbevoegden er voor de klas staan, maar niet in hoeverre zij daarop handhaaft en hoe vaak er is opgetreden. Dat wil ik voortaan graag in de rapportage van de inspectie terugzien. De inspectie zegt wel wat over het personeelsbeleid op scholen, maar niet in hoeverre zij daar werkelijk op toeziet. Waarnemen en opschrijven is iets anders dan er toezicht op uitoefenen. Wij hebben allemaal al gezegd hoe belangrijk het voeren van goed personeelsbeleid is. Dat is een procesvereiste aan het onderwijs. Ik vraag of de inspectie daar daadwerkelijk op toeziet, of ze daar een wettelijke grondslag voor heeft en of zij dat zou moeten doen.

Er staan te veel onbevoegde docenten voor de klas. Het risico is heel groot dat dat aantal toeneemt naarmate het tekort aan leraren toeneemt. In de verschillende onderwijswetten is dit ook zeer ruim geformuleerd. In sommige sectoren mag je eindeloos opnieuw onbevoegden blijven aanstellen buiten hun vakgebied. De Algemene Onderwijsbond (AOb) heeft op een rijtje gezet hoe dit geregeld is in de onderwijswetten. Los van de conclusies die je eraan kunt verbinden, is dit zeer ruim geregeld. Ik vraag mij af of wij dat strenger moeten maken door in bepaalde situaties onbevoegden tijdelijk voor de klas te zetten, maar de tijdelijkheid scherper te formuleren, en de afspraak te maken dat er onmiddellijk wordt gestart met de verplichte bijscholing. Dat is nu niet geregeld en de inspectie heeft dus geen formele grond om daarop in te grijpen.

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. De voortgangsrapportage die op de agenda staat is van 19 mei 2010, dus er is inmiddels wel wat gebeurd. Ik ben benieuwd wat de staatssecretaris aan nieuwigheden kan melden. Goed onderwijs begint bij een goede docent. De OESO zei dit bij de presentatie van het PISA-onderzoek, de onderzoekers van McKinsey haalden het aan in hun rapport en het actieplan LeerKracht gaat daarvan uit, evenals Alexander Rinnooy Kan. Het ingrediënt voor goed onderwijs is een goede docent. Die kan het onderwijs in Nederland tot de top 5 van de wereld laten behoren, zoals wij graag willen. Ook het nieuwe kabinet heeft dat op papier goed begrepen en daar zijn wij blij mee. Het is goed dat het rapport-Rinnooy Kan wordt voortgezet en dat daar ook nog wat middelen voor zijn. Ik begrijp niet dat dit kabinet tegelijkertijd die plannen ondermijnt door de salarissen te bevriezen. Zo groeit het gat met het bedrijfsleven, terwijl de economische crisis een kans biedt het onderwijs aantrekkelijker te maken. De invoering van de functiemix verloopt daarbij stroef. Leraren lopen daardoor een hoger salaris mis. Ontransparante benoemingen leiden tot spanningen in de lerarenkamer. Daarom vraag ik hoeveel geschillen de Stichting Onderwijsgeschillen behandeld heeft. Welke criteria hanteren scholen voor promotie? Zijn de criteria voldoende duidelijk voor leraren? Kunnen leraren de benoemingen van de schoolbesturen controleren? Hoe zorgt de staatssecretaris dat leraren snel in hogere salarisschalen terechtkomen? In het mbo bleek in 2009 het aantal leraren in de hoogste schalen gedaald. Leraren gingen dus minder verdienen in plaats van meer. Kan de staatssecretaris aangeven of die trend in 2010 is gekeerd?

Het lerarentekort neemt toe. Wij kunnen ons nu rijk rekenen door de huidige economische situatie, maar dat zal hopelijk snel gekeerd worden door een betere. In 2015 komen de basisscholen en middelbare scholen bijna 9000 leraren tekort. Het gebrek aan goede leraren kan desastreus uitpakken voor het onderwijs. Prof. Dronkers toont aan dat met name leerlingen uit arme gezinnen daarvan de dupe zijn. Juist goede leraren zijn van groot belang om het verschil te maken. Is het te verwachten tekort groter dan bij aanvang van LeerKracht werd gedacht? Welke gevolgen heeft de nullijn voor dit tekort? Is de instroom op de pabo van de educatieve masters en van zij-instromers voldoende om de tekorten in de toekomst op te vangen? Uit onderzoek van Regioplan blijkt dat de tekorten het grootst zijn voor Engels, Nederlands en wiskunde. Dat zijn precies die vakken waar wij een landelijk examen voor willen invoeren, omdat de kwaliteit van dat onderwijs cruciaal is. Wat gaat de staatssecretaris precies doen om voor deze vakken het aantal leraren te vergroten?

Maar liefst een kwart van de jonge leraren verlaat binnen vijf jaar het voortgezet onderwijs. Zo lossen wij het lerarentekort natuurlijk niet op. Goede begeleiding zou veel helpen. Hoe organiseren scholen dat? Doen ze daar voldoende aan? Hoe is de atmosfeer bij de ontvangst van nieuwe leraren? Wij kunnen er vanuit Den Haag niet veel aan veranderen, maar het heeft wel iets te maken met de cultuuromslag die nodig is in het lerarenkorps. Hoe spreekt de staatssecretaris de verschillende koepelorganisaties en alles wat daaronder hangt aan? Hoe helpt hij scholen om daar beleid op te ontwikkelen?

Dit kabinet bezuinigt fors op hoger onderwijs. Van voormalig minister Plasterk moesten studenten al veel meer gaan betalen voor een tweede studie. Pabo-studenten die een tweedegraadsbevoegdheid willen halen, studenten die een educatieve master willen volgen en leraren die een extra bevoegdheid willen halen, lopen op tegen het collegegeld van soms wel € 7 000. Hogeschool Rotterdam vraagt € 6 500, Leiden ook zoiets en Windesheim € 7 200. Is de staatssecretaris bereid het instellingscollegegeld voor tweede studies tot leraar terug te draaien, in ieder geval voor de leraren? Of neemt hij andere maatregelen om studenten niet te ontmoedigen leraar te worden?

De heer Elias (VVD): Men kan natuurlijk zo'n lerarenopleiding ook als eerste studie volgen. Wat u zegt wringt een beetje; net alsof de pabo niet volwaardig zou zijn.

De heer Van der Ham (D66): Natuurlijk kan men de lerarenopleiding als eerste studie kiezen, maar te weinig mensen doen dat. Wij willen juist mensen motiveren om een educatieve master te volgen of van mening te veranderen tijdens hun studie en toch actief in het onderwijs te worden. Die drempel moet zo laag mogelijk worden gemaakt. Als blijkt dat het volgen van een tweede studie wordt ontmoedigd, vindt mijn fractie en volgens mij ook uw fractie dat bezwaarlijk, want dan missen wij straks misschien heel goede docenten. Moet die tweede studie misschien weer op de ouderwetse manier worden gefinancierd? Daar heeft de heer Van Dijk destijds bij de invoering van dat wetsvoorstel een amendement op ingediend, maar dat heeft het niet gehaald. Wij hebben bij de behandeling van de begroting gesproken over het voor een deel terugdraaien van het collegegeld voor die tweede studie en daar heb ik een dekking voor aangegeven. Nu vraag ik de staatssecretaris of wij het in het belang van dit onderwerp nog verder kunnen beperken en alsnog de keuze kunnen maken om een opleiding tot docent daarvan uit te zonderen. Ik hoop dat de coalitiefracties en de staatssecretaris erover mee willen denken, want het kan de drempel verlagen.

Studenten die een educatieve master volgen hebben nu wel recht op een extra jaar studiefinanciering. Denkt de staatssecretaris aan een uitzondering op het leenstelsel voor studenten die een educatieve master willen volgen? Hoe zorgt hij ervoor dat educatieve minors ook een volledige graad kunnen behalen?

Het aantal onbevoegde leraren stijgt nog steeds. De AOb heeft een uitgebreid actieplan voor het terugdringen van het aantal onbevoegde leraren opgesteld. Wat vindt de staatssecretaris van de voorstellen van de AOb? Wat zijn volgens hem de gevolgen van de voorgestelde aanscherpingen van de wet? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het verplichte lerarenregister? Ik deel ook alle vragen die gesteld zijn over de nieuwe organisatie. Het moet natuurlijk wel effectief blijven. Wat onderneemt de staatssecretaris om de kwaliteitsbeoordeling van leraren uit te werken? Dat hangt samen met de prestatiebeloning. Mijn fractie en andere fracties hebben in het verleden al gezegd dat er veel professioneler moet worden omgegaan met functioneringsgesprekken. Het personeelsmanagement moet sterk verbeterd worden, want dan kan men op basis van feiten bekijken of leraren goed presteren, en afspraken over bijscholing maken. Mijn fractie is er groot voorstander van dat docenten verplicht worden om zich bij te scholen. Het is gek dat zo'n belangrijk vak op dit moment helemaal geen bijscholing vergt.

Alle feiten moeten geobjectiveerd worden, zodat wij kunnen zien of de prestatie werkelijk geleverd wordt en er een verhoging van het salaris tegenover kan staan. Hoe verhoudt zich dit met docenten en schoolbesturen die van moeilijke leerlingen af willen? Het is voor veel scholen onaantrekkelijk om leerlingen met een vlekje aan te nemen, omdat ze bang zijn dat ze kelderen in de statistieken. Soms wordt een docent die zich zou willen specialiseren om dat soort leerlingen te helpen, niet gestimuleerd vanuit het schoolbestuur. Zo'n leerling is toch een risicofactor en wordt eerder naar een andere opleiding geleid waar dat risico niet wordt gelopen.

Wij horen veel berichten over de kwaliteit van leraren en over jongere en oudere kinderen. Er zou op de pabo een splitsing moeten komen in de specialismen die gericht zijn op jongere en oudere leerlingen. Mijn fractie wil graag dat er een leerrecht vanaf tweeënhalf jaar komt voor kinderen met bijvoorbeeld achterstanden. Dat vergt een specialistische kennis van de leraren die voor de klas staan, bijvoorbeeld hoe je op die leeftijd taaleigenschappen en andere problematiek traint. Een aantal universiteiten richt zich daar al op, zoals de Universiteit van Tilburg, maar het is van groot belang dat op dat niveau geen kwakzalverij ontstaat, omdat het heel specialistische kennis vergt. Als een leraar die pedagogische kwaliteiten goed onder de knie heeft, zou er een vergoeding tegenover kunnen staan. Al dat soort expertise moet geobjectiveerd worden in het kader van de prestatiebeloning, waar wij een voorstander van zijn.

Toenmalig staatssecretaris Dijksma beloofde in haar evaluatie van eerste klassen het verzoek van D66 mee te nemen om jonge talentvolle leraren in te zetten op achterstandsscholen, naar Amerikaans en Engels voorbeeld. Daarna hebben wij er nooit meer iets van gehoord. Gaat de staatssecretaris deze leraren inzetten waar zij het hardst nodig zijn?

Wij horen dat er bij de inspectie soms verkeerd wordt gekeken naar de kwaliteit van het onderwijs. Men kijkt te veel naar de cijfertjes aan het begin en met name aan het eind van een onderwijsproces. Het is op sommige scholen met bepaalde leerlingen veel interessanter om te kijken naar de ontwikkeling en de meerwaarde van een docent en van een school. Die bijna oppervlakkige manier waarop soms door de inspectie alleen naar de cijfertjes wordt gekeken – wat te maken heeft met de tijd die zij daarvoor kan benutten – komt de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede. Ik hoop dat de staatssecretaris dat meeneemt in de gesprekken daarover en de eisen die hij aan de inspectie stelt.

De heer Elias (VVD): U ondersteunt mijn opmerkingen en dan specifiek het begrip leerwinst?

De heer Van der Ham (D66): Wij hebben in ons verkiezingsprogramma gezegd dat wij het belangrijk vinden dat de leerlijnen, het ontwikkelingsproces van leerlingen, veel meer meegenomen wordt in de beoordeling van de opleiding, evenals de gevolgen hiervan voor de vervolgopleiding. Er moet niet alleen gekeken worden naar de momentopname, de Cito-toets, maar ook naar wat er daarna met een leerling gebeurt, bijvoorbeeld of hij goed terechtkan op de vervolgopleiding. Daar moeten scholen op afgerekend worden. Op dat punt zijn wij het volslagen eens.

Voorzitter. Ik heb begrepen dat er bij bestuurders en op wetenschappelijk niveau heel weinig expertise meer bestaat over het onderwijsrecht. Dat vak wordt nog maar weinig gegeven, er is weinig aandacht voor en er zijn weinig studenten die dat willen volgen. Wanneer het gaat om complexe zaken die te maken hebben met onderwijsrecht, moet heel vaak expertise worden ingewonnen bij dit soort mensen. Wil de staatssecretaris bekijken hoe bestuurders in het middelbaar en basisonderwijs kunnen worden geassisteerd op dat punt?

De heer Klaver (GroenLinks): Voorzitter. Goede leraren staan aan de basis van goed onderwijs. Het actieplan LeerKracht was onontbeerlijk om meer goede krachten voor het onderwijs te werven en te behouden. Het actieplan is in volle gang en in de verschillende documenten die wij van het ministerie hebben ontvangen worden wij gerustgesteld. De drie kantjes antwoord op het rapport van Dronkers proberen ons te vertellen dat het wel meevalt, maar mij overtuigt het niet. Wij moeten naar actieplan LeerKracht 2.0, want een grote golf babyboomers gaat de komende jaren met pensioen. Het onderwijs heeft eigenlijk mazzel met de crisis, want anders was het lerarentekort nog veel ernstiger geweest. Maar toch, het lerarentekort gaat op een later moment zeker drastisch oplopen. Hoe gaat de staatssecretaris deze dreigende tekorten opvangen? Hij heeft het optimistisch over 3000 leraren. Te optimistisch wat mij betreft, want de voorzichtige ramingen van de lerarentekorten in de nota worden alleen waarheid als de salarissen zich marktconform ontwikkelen. Dat gebeurt dit jaar niet. Dit jaar zullen de contractlonen volgens het CPB met 1,5% stijgen en tegelijkertijd wil het kabinet de lerarensalarissen bevriezen. Leraren zullen aan salaris verliezen en in de komende jaren wordt dit alleen maar erger. Ligt er nu al een gat tussen de beloning van de leraar en iemand met een vergelijkbare opleiding in de marktsector, straks is die kloof nog groter. Een docent talen loopt na tien jaar al 10% achter op iemand die in het middensegment van de dienstverlening, bijvoorbeeld een bank, werkt. Is de staatssecretaris van mening dat dit van invloed is op de aantrekkelijkheid van het vak? Zo ja, is hij dan van mening dat er aanpassingen zouden moeten komen in de bevriezing van de lonen voor docenten? Gaat de staatssecretaris zich ervoor inzetten dat de lerarensalarissen zich meer marktconform ontwikkelen? Kan hij de prognoses over de leraren bijstellen op basis van een niet marktconforme loonontwikkeling in de onderwijssector? Hoe valt deze nullijn te rijmen met het actieplan LeerKracht? Een van de belangrijkste maatregelen was juist een betere beloning van leraren en nu krijgen leraren een sigaar uit eigen doos. Investeringen in hogere salarisschalen worden tenietgedaan door bevriezing van de salarissen.

Een nog zorgwekkender ontwikkeling is het aantal lessen door onbevoegde leraren, dat tussen 2006 en 2008 gestegen is. Of wij het over onbevoegd of onbekwaam moeten hebben, laat ik in het midden. In het mbo daalt het opleidingsniveau van de leraar en de kwaliteit van het onderwijs staat en valt met de kwaliteit van de leraar. Ruim 18% van de lessen wordt gegeven door mensen zonder startkwalificatie of afspraak om zo'n kwalificatie te behalen. Welk beleid gaat de staatssecretaris ontwikkelen om dit tegen te gaan? Is de staatssecretaris het met mij eens dat scholen met deze mensen op korte termijn afspraken moeten maken om een kwalificatie te behalen? Wil de staatssecretaris daar een straf tegenoverstellen als dat niet gebeurt?

De invoering van het lerarenregister zou meer inzicht kunnen geven in de bekwaamheid van leraren en ervoor kunnen zorgen dat leraren zich blijven ontwikkelen in hun beroep. Hoeveel tijd en inspanning zal het bijhouden van dit register voor docenten gaan kosten? Zo'n register moet een hulpmiddel zijn voor docenten en geen blok aan het been. Kan de staatssecretaris gelijktijdig met de invoering in het mbo deze maatregel ook invoeren in het hbo? Ook daar is het van belang dat docenten zich blijven scholen. De geluiden die wij horen over de kwaliteit van het lerarenkorps zijn schrikbarend. Het gebrek aan bevoegde leerkrachten is ook daar groot. In de huidige situatie van grote uitstroom vanwege pensionering en van het hoge aandeel onbevoegde docenten, is het erg belangrijk dat de instroom van nieuwe krachten op orde is. De positie van jonge leerkrachten blijft onder de maat. Zij profiteren het minst van de investeringen. Juist jonge leraren zijn flexibel genoeg om de overstap te wagen naar andere sectoren, zoals in de nota Werken in het onderwijs 2011 staat. Zij zijn niet alleen flexibel omdat ze jong van geest zijn en de toekomst nog voor zich hebben, maar worden er ook toe gedwongen omdat ze minder vaak vaste contracten hebben. Dat geeft grote problemen wanneer je je toekomst aan het opbouwen bent en bijvoorbeeld een huis wilt kopen. Vaak schiet ook de begeleiding tekort. Wil de staatssecretaris werk maken van een aanvalsplan om ervoor te zorgen dat die uitval wordt tegengegaan? Wil hij daarbij, behalve naar voor de hand liggende zaken die ook in de nota werden genoemd, zoals de betere begeleiding van jonge docenten, ook kijken of er gewerkt kan worden met een soort garantieregeling, waardoor het voor jonge docenten met een tijdelijk contract makkelijker wordt om een huis te kopen? Uit de gesprekken die ik voer met jonge docenten blijkt dat een vast contract vaak een reden is om over te stappen naar een andere sector. Een eigen huis is daarin heel belangrijk.

Het beleid dat de staatssecretaris bovenop het actieplan LeerKracht stapelt, is de prestatiebeloning. GroenLinks staat daar kritisch tegenover. Ik ben bang dat de macht van schoolbesturen wordt versterkt. Dat zou ten koste kunnen gaan van kritische leraren. Ik zou alleen een prestatiebeloning willen invoeren als er concrete, objectieve prestaties tegenover staan, zoals extra inzet of het volgen van opleidingen. Het is fantastisch als wij gaan meten wat de leerwinst van leerlingen is, maar ik vraag me af hoe dat objectief is vast te stellen. Ook de ontwikkelingen thuis en de omgeving waarin een kind opgroeit zijn van belang. Veel interessanter dan de output is het kijken naar de input: wat investeert de leraar in zichzelf om een goede docent te blijven en het beste onderwijs te kunnen geven? Dat is makkelijker te meten; wij hoeven daar niet een heel instrumentarium voor op te tuigen en zijn beter in staat om te meten wat wij willen weten, namelijk of wij goede docenten afleveren. Op dit moment zie ik niet hoe een prestatiebeloning een extra impuls zou kunnen geven aan het vak. Ik hoop dat de staatssecretaris een actieplan 2.0 kan formuleren dat recht doet aan de problemen waar wij voor staan. Met een actieplan 2.0 zouden wij de aanval op de onbevoegdheid moeten openen. Wij zouden objectieve criteria moeten opnemen voor een prestatiebeloning en de werkdruk voor jonge leraren moeten verminderen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. De kwaliteit van de leraar bepaalt de kwaliteit van het onderwijs. Dat kan niet genoeg benadrukt worden en ik geloof dat iedereen het gezegd heeft. Het is mooi dat daar Kamerbrede overeenstemming over is. Een goede leraar zal slechts kunnen gedijen als aan een aantal belangrijke randvoorwaarden is voldaan. Die hebben betrekking op zijn beloning, op zijn functioneren als lid van zijn beroepsgroep, op zijn mogelijkheden tot verdere deskundigheidsontwikkeling en op zijn positie binnen de school, aldus Alexander Rinnooy Kan. Dat is ons ideaal.

Maar nu de realiteit. Er is een aantal zorgelijke ontwikkelingen, zoals het aantal onbevoegde leraren. Het hangt van de definitie af hoe je berekent hoeveel onbevoegde leraren er zijn: je kunt kijken naar het aantal lesuren, de graad etc. Volgens mijn cijfers – dank daarvoor aan de AOb – staat in het primair onderwijs 5% onbevoegd voor de klas, in het voortgezet onderwijs circa 25% en in het mbo tussen 30% en 35%. Deelt de staatssecretaris deze opvatting of heeft hij andere cijfers? In ieder geval zijn wij het erover eens dat dit zeer onwenselijk is. Er is een ontwikkeling naar minder universitair opgeleide docenten en minder eerstegraadsdocenten gaande. Die ontwikkeling vind ik buitengewoon slecht. Met name in het voortgezet onderwijs zou men in eerste instantie evenwicht moeten hebben tussen tweedegraads- en eerstegraadsdocenten en in tweede instantie misschien alleen eerstegraadsdocenten moeten hebben. De lerarenbeurs is een goed instrument om leraren bij te scholen.

De heer Van der Ham had een heel goed punt in zijn debatje met de heer Elias. Een tweedegraadsdocent die zich wil opscholen tot eerstegraadsdocent wordt nu geconfronteerd met dat hogere collegegeld omdat hij een tweede studie doet in dezelfde sector. Wij moeten bekijken of dat collegegeld voor de ambitieuze leraar middels een tweede studie op het wettelijk niveau gehouden moet worden. Graag een reactie van de staatssecretaris hierop.

Een andere oplossing van het vorige kabinet was de educatieve minor. Wij hebben daar een debat over gehad en ik heb het toen een lapmiddel genoemd; men wordt geen echte eerstegraadsleraar. De AOb brengt dat goed onder woorden. Er zijn allerlei vormen van onbevoegde en minder bevoegde leraren en die mogelijkheden zijn er nu ook binnen de wet. Het gaat allemaal om downgrading, kwaliteitsdaling, en minder goed opgeleide mensen voor de klas. Stel je voor dat wij de eisen voor piloten zouden versoepelen. Dan zouden veel minder mensen in dat vliegtuig stappen. Wij moeten de lat dus hoog leggen. Lerarenopleidingen moeten uitstekend zijn. Op de Marnix Academie in Utrecht kregen wij klachten van studenten, die maar vier lessen per vak kregen en de rest moesten doen via zelfstudie, zelfevaluatie en persoonlijke ontwikkelingsplannen. Dat lijkt mij niet goed, want zeker in het basisonderwijs moet de leraar deskundig zijn. Onderwijsassistenten staan vaak voor de klas. Daar zitten twee problemen aan: de ondersteuners zijn niet opgeleid voor die taken en ze krijgen er ook niet voor betaald. Kan de staatssecretaris daarop ingaan? 75% van de klassen- en onderwijsassistenten geeft zelfstandig les als vervanging van een zieke leraar. Dat is onwenselijk.

Het actieplan LeerKracht heeft een aantal verbeteringen gebracht voor het salaris van de docent: kortere carrièrelijnen en mogelijkheden om sneller te groeien. De vraag is wel hoe het actieplan LeerKracht uitpakt in het mbo en het hbo. Wij hebben gisteren een brief van de MBO Raad gehad, waarin staat dat het mbo en het hbo een uitzonderingspositie hebben verkregen en zich niet aan al die verschillende opdrachten van de functiemix hoeven te houden; het mbo is een andere sector en moet concurreren met het bedrijfsleven. Gaat het daar dan wel goed met de bestemming van die middelen? Ook in het hbo? Graag een reactie van de staatssecretaris.

De nullijn is al genoemd en deze is buitengewoon in tegenspraak met de wens van het actieplan LeerKracht. Met het bevriezen van lerarensalarissen gaan wij geen extra leraren trekken. De 300 mln. korting op het passend onderwijs maakt het vak van leerkracht er ook niet beter op. De klassen zullen groter worden, met meer moeilijke leerlingen erin.

Met de prestatiebeloning wil de staatssecretaris aan de gang gaan. Hoe het een succes moet worden, blijft nog mistig. De staatssecretaris komt met een kader, maar de scholen moeten het zelf gaan doen. Het schoolmanagement krijgt de facto een dikke vinger in de pap. Het zal met modellen komen, die gemaakt worden door adviesbureaus die er goed geld aan verdienen. Mijn vrees is dat de willekeur zal overheersen, want hoe bepaal je precies wat een goede leraar is? Ook met de beste intenties is dat heel lastig. Is het bijvoorbeeld iemand die hoge cijfers uitdeelt, iemand die het goed kan vinden met de schoolleiding, een hardwerkende wiskundeleraar of een leraar die regelmatig naar conferenties gaat over ICT-innovaties? Wat zijn die criteria? Kan de staatssecretaris voorbeelden geven? Ik vrees dat het een puinhoop wordt, waarbij vriendjespolitiek, ellebogenwerk en scheve gezichten zullen overheersen. Het gaat financieel ook nog eens ten koste van andere docenten en dat leidt tot verdeeldheid.

De heer Van der Ham (D66): Ik heb al gezegd dat het zo objectiveerbaar mogelijk moet zijn. Het is echter niet zo erg als een scheef gezicht ontstaat bij iemand die minder doet, zich minder laat bijscholen of minder prestaties levert en een ander krijgt meer of wordt meer gewaardeerd. Als een leraar evident niet goed presteert, moet men daar een goed gesprek mee voeren en als het niet beter wordt, zal hij uiteindelijk moeten vertrekken. Er werd vastgesteld dat dat nu al kan als de school aan goede dossiervorming doet. Ik vind het bizar om te zeggen dat wij de goede leraren meer geld gaan geven en de minder goede leraren laten zitten met een lager salaris. Ik vind dat niet goed uit te leggen. Er zit natuurlijk een groot verschil tussen iemand die niet presteert en iemand die heel goed presteert. De meeste leraren zullen daar tussenin zitten en er zal heel veel diversiteit zijn. Die diversiteit in het lerarenkorps mag wel worden beloond. Echt slechte docenten moeten een stevig gesprek krijgen, gedreigd worden met korten op hun salaris en natuurlijk vooral worden gebracht tot verbetering van hun prestaties.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik denk dat ik met D66 en andere partijen van mening verschil. Ik zie een school waar je verschillende docenten hebt met verschillende salarissen niet zitten. Dit komt natuurlijk in de docentenkamer tot uiting. Ik hoor steeds criteria die ik buitengewoon arbitrair vind. Een leraar die veel buitenschoolse activiteiten doet kan heel goed zijn, maar die hardwerkende wiskundeleraar die dag in dag uit klassikaal lesgeeft, waar die leerlingen buitengewoon blij mee zijn, zou wel eens een kruisje kunnen krijgen omdat hij te weinig buitenschoolse activiteiten organiseert. Het blijft willekeur.

De heer Van der Ham (D66): Dat is een beetje rare vergelijking. Iemand die uitstekend wiskunde geeft en goede prestaties levert, zal goed gewaardeerd worden. Dat is vanzelfsprekend. Voor de docent die Nederlands geeft en daarnaast het schooltoneel leidt, zou er ook iets tegenover kunnen staan. Het schooltoneel valt weliswaar buiten de normale werkzaamheden, maar is belangrijk voor de kwaliteit van het onderwijs op die school in brede zin. Los hiervan moet hij natuurlijk zijn arbeid goed verrichten tijdens de lessen Nederlands. U doet net of er nog helemaal geen verschillen zijn. Die zijn er al op een aantal punten. Bovendien doet u of dat slecht zou zijn. Een heleboel docenten accepteren dat iemand die daadwerkelijk meer doet, ook iets meer krijgt. Dat is logisch. Dat is in de hele samenleving zo.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik ontken juist niet dat er verschillen zijn. Leraren die niet goed functioneren, moeten door een gesprek gemaand worden tot beter functioneren. De ultieme sanctie is dat hij moet vertrekken. Het is nog maar de vraag of die hardwerkende wiskundeleraar die voor de klas staat, daadwerkelijk dat goede salaris krijgt. Vaak hebben leraren grote problemen met de schoolleiding. Ze krijgen te horen dat ze veel te veel voor de klas staan en dat ze meer aan zelfstandig leren moeten doen, het nieuwe leren, innovatie en ICT. Wij hebben hiernaar zelfs een parlementair onderzoek gedaan. Wij hebben geconcludeerd dat wij volkomen zijn doorgeslagen. Ik wil de leraar veel meer zeggenschap geven.

De heer Klaver (GroenLinks): Misschien begrijp ik u verkeerd. U doet het voorkomen alsof er nu nog geen verschillen in salarissen zijn op scholen. Er is al een verschil tussen het salaris van een eerste- en een tweedegraadsdocent. Het salaris van iemand met veel dienstjaren verschilt van het salaris van iemand die net binnenkomt. Dat zijn toch verschillen? Niemand heeft hetzelfde salaris.

De heer Jasper van Dijk (SP): Zeker, maar dat zie ik niet als prestatieloon maar als een hard criterium. Mijn fractie is een groot voorstander van een harde koppeling tussen beloning en opleiding. Als een leraar academisch geschoold is, krijgt hij een eerstegraadssalaris. De docent weet dan waar hij aan toe is.

De heer Klaver (GroenLinks): Dan is het voor mij helder. Volgens mij is dat ook een soort prestatiebeloning. Een docent met een eerstegraadsbevoegdheid heeft immers beter gepresteerd, en krijgt dus een hogere beloning. Maar wat zijn de objectieve criteria op basis waarvan je meent dat een docent meer verdient? Ik vind anciënniteit niet het beste criterium om te beoordelen of een docent meer moet verdienen of minder. Het gaat over de kwaliteit die iemand levert, of in ieder geval de inspanning die iemand doet om op een bepaald niveau, bijvoorbeeld een mastergraad, te komen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik garandeer u dat die harde koppeling beloning-opleiding niet is wat de heer Elias of het kabinet in gedachten heeft. Het zou mooi zijn als ze dat wel vinden. Ik heb er namelijk al heel lang om gevraagd. De staatssecretaris heeft bij de begrotingsbehandeling uitgelegd dat hij een instrumentarium gaat maken waarmee de scholen aan de slag kunnen.

De heer Klaver (GroenLinks): Voordat er misverstanden ontstaan: ik heb me kritisch uitgelaten over de wijze waarop het kabinet deze prestatiebeloning wil invoeren. Ik dacht op te merken dat u geheel tegen verschillen in beloning was.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voor alle helderheid en voordat dit een semantische kwestie wordt: ik zie een harde koppeling beloning-opleiding niet als prestatieloon.

De heer Beertema (PVV): Hebt u een principieel bezwaar tegen het werken met incentives in het onderwijs? Hebt u principiële bezwaren tegen incentives in iedere beroepsgroep en is het een kwestie van mens- en maatschappijvisie? In dat geval kunnen wij ophouden met deze discussie omdat wij toch niet nader tot elkaar komen. Als u geen principieel bezwaar hebt, begrijp ik dat u het niet wilt omdat het management niet deugt. Dat is toch geen argument om ertegen te zijn? Dat management moet wel degelijk geacht worden in staat te zijn tot een instrument te komen om het wel objectief te doen. Ik vind het nog steeds raadselachtig.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het woord «incentives» is erg vaag. Ik had hierover al een discussie met de heer Klaver. Als u een harde koppeling beloning-opleiding als een incentive ziet, ben ik daar een voorstander van. Ik ben tegen prestatieloon als incentive. Hierbij gaat het management aan de slag met arbitraire en zorgelijke criteria zoals de innoverende docent, of de docent die veel excursies maakt, of de docent die de leerling veel zelfstandig laat werken. Ik ben zeer tegen dat soort incentives. Ik hoop dat de u daar ook tegen bent.

De heer Beertema (PVV): Dat deel ik absoluut. Ik kom uit die wereld. In de regionale opleidingscentra (roc's) zijn op dit moment bewegingen gaande dat verantwoordelijkheden zo laag mogelijk worden neergelegd, bijvoorbeeld bij een team. Het is mijn ervaring dat elk team kan benoemen welke docenten het beter doen. Ik zie het fundamentele bezwaar niet.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik zie het fundamentele bezwaar wel. Wij hebben dus inderdaad een principieel meningsverschil. Ik zie namelijk niet in wat de toegevoegde waarde is van een dergelijk team. Van een team verwacht je samenwerking en eendracht. Dat team zou dan moeten zeggen dat Pietje en Jantje een structureel hoger salaris krijgen dan Klaasje en Wiesje omdat ze innoverender zijn. Ik heb die modellen gezien en daarmee wordt gewerkt.

De heer Elias (VVD): Ik stel vast dat het flink opschiet met de eenheid op links over onderwijspolitiek en prestatiebeloning. U zegt dat de ultieme sanctie in het onderwijs het vertrek van de docent is. Hebt u dan geen oog voor de problemen die ik uitvoerig in mijn bijdrage heb genoemd? Over het precieze percentage gaan wij niet hakketakken, maar vanuit het onderwijs zelf wordt vastgesteld dat het bijna niet voorkomt dat een leraar aantoonbaar zo slecht functioneert dat hij beter zou kunnen vertrekken. Bent u hiervoor dan bewust blind?

De heer Jasper van Dijk (SP): Integendeel, maar u haalt twee discussies door elkaar. Het onderwerp van de ene discussie is wat wij doen met slecht functionerende leraren. Kunnen zij vertrekken? De andere discussie gaat over prestatieloon. U kwam vorig jaar met uw luchtballonnetje. Ik heb toen vastgesteld dat uw voorstel volstrekt geen inhoud had. Het enige wat u in De Telegraaf riep was dat leraren sneller ontslagen moesten kunnen worden. Toen u gevraagd werd naar het voorstel dat u hierover ging doen, kwam er een vaag verhaal over het houden van meer functioneringsgesprekken door de scholen. Ik heb nog geen voorstel hierover gezien. Ik ben het met u eens dat een leraar die slecht functioneert, beter aangepakt moet worden door de school. Maar dat is aan de school zelf.

De heer Elias (VVD): Los van het feit dat ik ook in november hierover uitvoerig gesproken heb, heb ik net uitgebreid stilgestaan bij de problemen die samenhangen met het ontslaan van leraren.

De heer Jasper van Dijk (SP): U hebt geen voorstellen gedaan. U doet alleen aan management by speech.

Voorzitter. Ik doe een aantal voorstellen om de kwaliteit van de docenten en het onderwijs te verbeteren. Ik heb al eerder opmerkingen gemaakt over onbevoegde leraren. Wil de staatssecretaris ingaan op de constructieve voorstellen van de AOb, bijvoorbeeld het voorstel dat iemand die zonder bevoegdheid voor de klas staat, binnen één jaar wel zijn bevoegdheid moet halen?

Een bekende discussie gaat over het apart houden van geld voor salarissen. In de lumpsumbekostiging hebben de scholen één budget. Mijn fractie ziet graag dat het personele budget gescheiden wordt van het materiële budget. De docenten weten dan zeker dat het geld bij hen terechtkomt. Ik wijs op een artikel in het Onderwijsblad van 15 januari: «Een groeiend deel van de uitgaven van scholen gaat naar materiële zaken zoals onderhoud en administratie, terwijl het aandeel personeelsuitgaven afneemt». Dat is een zorgelijke ontwikkeling. Kan de staatssecretaris iets zeggen over de motie-Smits om een pilot uit te voeren om het geld rechtstreeks naar de scholen te brengen? Deze is tijdens de begrotingsbehandeling ingediend en aangenomen.

Ik ben de eerste om toe te geven dat de discussie over overhead altijd een lastige discussie is. Wat vindt de staatssecretaris ervan om te kijken naar een harde grens voor de overheadkosten binnen het schoolbudget? Van het budget gaat dan bijvoorbeeld maximaal 15% naar de overheadkosten en de rest gaat direct naar het primaire onderwijsproces.

Ik heb al een discussie gehad over de wenselijkheid dat iedere leraar een masteropleiding heeft. Ik wil tot een constructief voorstel komen. Ik snap heus wel dat wij vandaag niet regelen dat iedere leraar een masteropleiding heeft. Het is een mooi streven als wij daar geleidelijk naar toe werken om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Wij hebben dan een soort Fins model. Graag hoor ik een reactie van de staatssecretaris hierop. Tot slot wil mijn fractie dat het wettelijke collegegeld geldt voor de opscholing voor de docenten die een lerarenbeurs aanvragen.

Staatssecretaris Zijlstra: Voorzitter. Laat het om te beginnen duidelijk zijn dat dit kabinet blijft investeren in leraren. Dat is door de leden van de Kamer ook helder gezegd. Wij doen er een schep bovenop. Omdat dit het eerste AO over leraren is sinds het aantreden van dit kabinet, wil ik er even bij stilstaan dat er al achtenswaardige stappen zijn gezet. Mijn voorganger heeft het actieplan LeerKracht in het leven geroepen. Je kunt hierover allerlei op- en aanmerkingen maken met betrekking tot bijsturen ervan, maar het is wel een heel positieve impuls geweest voor het vak van leraar en alles daaromheen. Dat wil ik aan het begin van mijn periode benadrukken. In het regeerakkoord staat duidelijk dat dit plan wordt voortgezet. De heer Klaver noemde het actieplan LeerKracht 2.0, maar wij zullen nog een leuke titel verzinnen, Misschien wordt het actieplan Professionalisering of iets dergelijks, want de kern van het nieuwe actieplan is het maken van een professionaliseringsslag. Wij zullen dit nieuwe actieplan in het voorjaar aan de Kamer sturen. Hierin gaan wij in op allerlei onderwerpen die ook vandaag gepasseerd zijn, zoals prestatiebeloning, kwaliteit, register et cetera. Ik zou dus kunnen zeggen dat ik hier een punt zet en dat ik de commissie aan het eind van het voorjaar wel terugzie. Dat zal ik niet doen. Financieel loopt het actieplan gewoon door. De lijn loopt van 639 mln. in 2010 op naar 1,1 mld. in 2020. Bovenop dit bedrag komen extra middelen voor kwaliteitsagenda, professionalisering en prestatiebeloning. De belangrijkste doelen van het lopende actieplan zijn een betere beloning voor leraren en een versterking van het beroep, het opleidingsniveau en de scholing. Wij gaan nog een lijn invoeren: een professionelere school. Wij doelen dan niet alleen op een professionelere leraar maar ook op een professionelere schoolleider en schoolbestuur.

Wat betekent de nullijn voor de aantrekkelijkheid van het beroep? Heeft deze consequenties voor de ramingen? Dat weten wij nog niet. Deze zomer komt er een nieuwe raming waarin dat inzichtelijk wordt gemaakt. Onze verwachting is dat het effect zal meevallen. Er heeft een duidelijke inhaalslag ten opzichte van de markt plaatsgevonden bij de ontwikkeling van de lerarensalarissen. De afgelopen jaren heeft de economische crisis in de marktsector een zeer drukkend effect op de salarissen gehad, terwijl er in het vo via de cao salarisverhogingen van jaarlijks ruim 3% zijn geweest. Ik breng onmiddellijk de nuance aan dat dat per sector verschilt. Wij zullen de Kamer deze zomer informeren over het specifieke effect van de nullijn.

De heer Dijsselbloem (PvdA): De staatssecretaris noemde het zelf al een inhaalslag, dus er was iets in te halen. Er worden leraren op de nullijn gezet. Het kabinet boekt over het totaal van de beroepsgroep die op de nullijn wordt gezet, 800 mln. in. Kan de staatssecretaris zeggen welk deel daarvan toe te rekenen is aan het onderwijs? Mijn inschatting is dat ruim 200 mln. per jaar ten koste gaat van de loonruimte in het onderwijs. Klopt dat? Het kabinet gaat ervan uit dat dit structurele bedragen zijn. Het CPB betwist dat, maar het kabinet heeft het wel structureel ingeboekt. Daarmee slaan dus wij een gat dat structureel blijft.

Staatssecretaris Zijlstra: Een salaris dat niet omhooggaat, gaat structureel niet omhoog. In de discussies is de vraag eerder of er op een later moment een compenserend effect plaatsvindt. Daar zijn wij vervolgens ook zelf bij. Het kabinet wil de rijksbegroting op orde brengen en een nullijn voor rijksambtenaren inzetten. Het kabinet vindt het dus ook belangrijk dat wij doorgaan met wat wij met actieplan LeerKracht hebben ingezet: specifieke maatregelen nemen om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken. De leraar zit op de nullijn qua salarisontwikkeling. Die loopt mee in de algemene lijn. Ik ken het exacte bedrag niet, maar dat kunnen wij de commissie toezenden. Het beeld dat er niets voor de leraar in het vat zit, is niet juist. Er zit nog van alles in het vat zoals de functiemix waarbij opschaling binnen het vak van leraar wordt verbeterd en prestatiebeloning. Ook de scholingsbehoefte, een secundaire arbeidsvoorwaarde, zit nog in het vat. Ik noemde al de 1,1 mld. naar 2020 toe. Dat is extra en structureel. Ik snap best dat een aantal partijen in deze Kamer graag had gezien dat er voor ambtenaren – en specifiek voor leraren – een specifieke wet zou zijn. Ik bestrijd het beeld dat de nullijn betekent dat leraren stil blijven staan. Juist voor leraren wordt er heel veel gedaan.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Het CPB redeneert inderdaad dat die 800 mln. aan bezuinigingen door de nullijn niet structureel zijn. Er zal gecorrigeerd worden. Je kunt geen gat slaan ten opzichte van concurrerende sectoren op de arbeidsmarkt en denken dat dat niet op een gegeven moment in onderhandelingen ingehaald moet worden. Die rekening komt dus weer terug. Het CPB zegt wel degelijk dat hiermee een gat wordt geslagen ten opzichte van de concurrerende sectoren. En dat gebeurt dan in het onderwijs waar wij aankijken tegen een geweldige vergrijzing en uitstroom in de komende jaren.

Staatssecretaris Zijlstra: Het CPB zegt het net iets anders. Het CPB zegt dat de mogelijkheid bestaat en niet dat het zeker is. Dat is een essentieel verschil. Het CPB benoemt dat bezwaar. Wij zijn van mening dat wij daar altijd zelf bij zijn. Wij zijn ervan overtuigd dat dat bedrag structureel ingeboekt kan worden. Dat is ook nodig in de huidige situatie om de rijksfinanciën onder controle te krijgen.

Voorzitter. Het Finse model is in de bijdragen van de woordvoerders al langsgekomen. Finland is vaker op het gebied van leraren aangegeven als een rolmodel. Het Finse model heeft allerlei achtenswaardige punten die wij soms wel en soms niet overnemen. Een van die punten is dat het vak van leraar niet alleen aantrekkelijk wordt vanwege de beloning. Sterker nog: leraren in Finland verdienen minder dan in Nederland. Daarom proberen wij ook het vak van leraar aantrekkelijker te maken door allerlei aanvullende zaken. Het vorige kabinet is daarmee begonnen en wij gaan ermee door. Het beeld dat leraren de komende jaren blijven stilstaan, is dus niet correct. Ja, ze draaien wel mee in de nullijn, maar hun salaris verbetert in het algemeen ten opzichte van hun medeambtenaren. Het is wel weer zo dat heel veel leraren geen ambtenaar zijn omdat ze bij bijzondere scholen werken. Er wordt dus wel degelijk op allerlei gebieden ingezet op het verbeteren van de positie van de leraar.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik hecht eraan een antwoord te krijgen op de vraag welk deel van de ingeboekte 800 mln. uit de loonruimte van het onderwijs komt. Het kabinet heeft een extra bedrag opgevoerd voor de prestatiebeloning. Bovendien is er in de komende jaren nog ruimte in het actieplan LeerKracht. Het is belangrijk te weten wat er aan extra ruimte is om de positie van de leraar te verbeteren. De staatssecretaris zegt immers dat ook in zijn nieuwe actieplan een betere beloning een van de drie speerpunten blijft.

Staatssecretaris Zijlstra: De prestatiebeloning, dat klopt.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dan wil ik graag weten wat dan de optelsom is van de nullijn, het extra geld voor de prestatiebeloning en de ruimte die er nog in het actieplan LeerKracht zit. Dat is niet veel.

Staatssecretaris Zijlstra: U maakt nu een vergelijking tussen een plus en een min die niet in relatie met elkaar staan. Actieplan LeerKracht is een plus ten opzichte van wat docenten in hun reguliere situatie verdienen. Daarin doen wij allerlei dingen zoals de functiemix. Hierdoor kunnen leraren verder en sneller opschalen in hun salaris en sneller meer verdienen. Ze kunnen dus carrière maken in het vak van leraar. Dat is een veel gekoesterde wens van veel partijen. Je hoeft geen manager meer te worden om meer te verdienen als docent. Wij hebben ook de beurzen. Dat zijn zaken bovenop de loonontwikkelingen. Wij creëren geen plus-minsituatie als wij daarmee doorgaan. Het bedrag is in 2011 trouwens 307 mln.

Voorzitter. Op dit moment zie ik een tekort aan leraren in de toekomst dat lager is dan gedacht. Dat is leuk maar er wordt terecht op gewezen niet te vroeg te juichen. Dat zijn wij niet van plan. Net als de Kamer zien wij de noodzaak op volle kracht door te gaan met het positioneren van allerlei zaken om het tekort aan leraren op te vangen. Dat is geen sinecure. Dat is ook de reden waarom wij met het actieplan doorgaan en er aanvullingen op maken. Wat zijn de oorzaken van het cijfermatig lagere tekort? Belangrijk is de economische crisis. Er is echter een kans op een omgekeerde beweging als de crisis voorbij is. Daarmee houden wij dus rekening. Wij rapporteren wel op basis van de huidige situatie, maar in ons beleid kijken wij een stapje verder. Een andere belangrijke oorzaak van het teruglopen van het tekort is dat leraren langer doorwerken omdat bijvoorbeeld de VUT gewijzigd is. Ook de beleidsmaatregelen zoals het actieplan hebben een impact op de mogelijke tekorten in de toekomst. Hierdoor zijn de cijfers naar beneden gegaan. Wij zien natuurlijk de conjunctuurgevoeligheid ook. Hiermee houden wij in ons beleid rekening zodat wij niet voor verrassingen komen te staan. Dan nog blijft het een enorme opgave om in te vullen. Meer mensen zullen in de lerarenopleidingen moeten instromen. Dat zien wij gelukkig al gebeuren. Zij-instromers moeten blijven komen et cetera.

De heer Klaver (GroenLinks): Op welke manier houdt u in het beleid rekening met de conjunctuurgevoeligheid?

Staatssecretaris Zijlstra: Dat doen wij door niet te denken dat wij er komen als wij de huidige getallen precies invullen. Wij hebben ook ambities om met actieplan LeerKracht 2.0 – als ik bij uw terminologie blijf – stevig te blijven inzetten. Dat zal de Kamer in het voorjaar zien. Daarom geven wij aan het eerste actieplan LeerKracht een extra schwung met extra maatregelen. Wij zien nog steeds die enorme uitdaging. Wij blijven nu niet rusten omdat het probleem cijfermatig wat kleiner is geworden.

De heer Klaver (GroenLinks): Het is dus nog geen beleid maar een ferme ambitie.

Staatssecretaris Zijlstra: Het zijn inderdaad nog niet concrete beleidsmaatregelen. Het wordt in het regeerakkoord genoemd als ambitie. Wij hebben er de middelen voor staan. In het voorjaar krijgt de Kamer het overkoepelende plan. Dat gaat over de verschillende onderwijssectoren heen. Het heeft relaties met allerlei dossiers. Passend onderwijs» kwam bijvoorbeeld al voorbij. De differentiatie in de klas is een belangrijke taak van de leraar. Dat zal nog meer dan nu ondersteund moeten worden. Special Educational needs is een heel populaire opleiding in het beursprogramma. Daarin wordt ingegaan op verschillen in de klas. Hoe dit soort zaken zich tot elkaar verhoudt, zal in de professionaliseringsagenda tot uitdrukking komen.

De heer Van der Ham (D66): Wij constateren dat in de eerste vijf jaar de meeste docenten afvloeien. Wij hebben een conjuncturele dip waarvan wij voordeel hebben voor de korte termijn. Hadden wij geen dubbelslag gemaakt als wij de bezuiniging door het bevriezen van de lerarensalarissen niet hadden doorgevoerd? Dan hadden wij een veel grotere toestroom van onderwijzers gehad. De kans is nu verkeken dat er meer van hen overblijven als de conjunctuur weer aantrekt. Het zou een enorme kans zijn geweest en een mazzeltje voor het kabinet. Het had dan een grote reserve gehad waarvan wij veel voordeel kunnen hebben als de conjunctuur weer aantrekt.

Staatssecretaris Zijlstra: Dat is niet zo. Als wij optimistisch denken, hebben wij die conjunctuurdip net gehad. De lijn omhoog moet wel doorzetten. Daarop hopen wij ook met zijn allen. Die conjunctuurdip was in de afgelopen jaren. Toen zaten de leraren qua salarislijn stevig in de plus ten opzichte van de medeambtenaren en zeker ten opzicht van de markt. Het mazzeltje is een deel van het verhaal over de economische crisis waardoor de cijfers een tikje gunstiger zijn geworden.

De heer Van der Ham (D66): Ik hoop met u en iedereen hier dat de economie weer aantrekt. Wij zien met de vorige investeringen nog steeds een voordeel voor onderwijzers ten opzichte van het bedrijfsleven. Als je nu die investeringen wel, of in elk geval het bevriezen van die salarissen niet doorvoert, blijft het voordeel. Alleen al het afgeven van het signaal dat de inkomens worden bevroren, heeft een mogelijke negatieve werking op dat effect. Het is misschien heel gemakkelijk gerekend om die bevriezing door te voeren, maar het kan erg tegenvallen als de economie echt is aangetrokken. Dan hebt u een kans laten liggen om een grotere reserve te creëren.

Staatssecretaris Zijlstra: Dat zien wij anders. Er zijn al een aantal maatregelen genomen in het actieplan LeerKracht. Wij nemen aanvullende maatregelen in het kader van de professionaliseringsagenda. Deze moeten een positieve schwung met zich meebrengen. Ook aan zaken rond lerarenopleidingen geven wij flinke impulsen die de status van het vak omhoog moeten brengen. Nogmaals, ik wil de illusie wegnemen dat alleen het salaris zaligmakend is.

Voorzitter. Over de functiemix zijn verschillende vragen gesteld. Hoe is de voortgang in de verschillende sectoren? Op dit moment is 92% van de schoolleiders in het po bezig de functiemix vorm te geven. Wij zijn op verschillende momenten in verschillende sectoren begonnen. Op de vraag van de heer Van Dijk kan ik zeggen dat ook het mbo aan de afgesproken voorwaarden moet voldoen. Ik ken de brief niet die hij noemde, maar de voorwaarden gelden voor elke sector. In oktober 2011 wordt er getoetst of er voldaan wordt aan de afgesproken voorwaarden en of de tweede tranche functiemixgelden wordt vrijgegeven. Daarover zijn wij ook met het hbo, het mbo en het po in gesprek geweest. Wij zagen daar toch wat zorgwekkende signalen. De seinen staan nu veel meer op groen. Men is veel gerichter bezig. Wij moeten nog zien of ze het allemaal gaan halen. Wij zullen in onze professionaliseringsagenda van dit voorjaar verder ingaan op de punten waarop wij het actieplan LeerKracht willen bijsturen. Dat zullen wij overigens ook doen op het gebied van lerarenbeurzen. Ook daarbij zullen wij kijken naar wat goed is en wat veel gebruikt wordt. Van welke opleidingen wordt gebruikgemaakt, terwijl dat eigenlijk niet de bedoeling was? Ik ben het met de heer Dijsselbloem eens dat dit een continu proces moet zijn van toetsen en zo nodig bijsturen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Komt u hierop terug in het nieuwe actieplan?

Staatssecretaris Zijlstra: De professionaliseringsagenda is een herijking. Wij gaan het actieplan niet helemaal ondersteboven gooien. Wij gaan door met wat er goed gaat en verbeteren waar dat nodig is. Het nieuwe actieplan zal ingaan op de voortgang van de functiemix en op de vraag of wij de tweede tranche moeten bijstellen. Het zal bovendien ingaan op aanvullende zaken binnen de huidige budgetten van de scholen. Vooral de scholen zelf moeten hun belonings- en personeelsbeleid vormgeven. Ik sluit dan ook aan bij wat verschillende woordvoerders hebben gezegd: geen blauwdruk uit Den Haag. Ik heb ook niemand horen zeggen dat deze er zou moeten komen.

Voorzitter. Het is een verkenningstocht. Laat ik daarin heel helder zijn. De vormgeving zal ik in het voorjaar in uitgewerkte vorm aan de Kamer doen toekomen. Ik kan de Kamer nu al meegeven dat het zal gaan in de vorm van experimenten. Hierbij proberen wij verschillende dingen uit. Het kan van alles zijn. Ik geef als voorbeeld individuele prestatiebeloning. Dat hoeft overigens niet allemaal in salaris te zijn. Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat een goede tweedegraadsdocent bekostigd een eerstegraadsopleiding kan gaan volgen. Er kunnen specifieke trajecten ingezet worden. Wij zullen het ook op teambeloning gaan bekijken. Als je individueel kijkt, is er al weer een groot verschil tussen vo en po. Op po-scholen heb je geen reservoir aan docenten. Dan wordt het moeilijker om het individueel te doen. Al deze aspecten zullen wij meenemen.

Wij kijken naar leerwinst. Ook dat is geen sinecure. Die winst moet vastgesteld worden. Wij zullen kijken naar die scholen die al met een leerlingvolgsysteem meten wat de prestaties van de leerlingen zijn. Ik ben het ermee eens dat het in het onderwijs uiteindelijk gaat om de toegevoegde waarde, de leerwinst. Een zwarte school in Kanaleneiland kan veel meer toegevoegde waarde aan leerwinst genereren dan een gymnasium in Wilhelminapark in Utrecht-Oost. De leerling in Wilhelminapark kan uiteindelijk veel hogere cijfers halen en eindigen met een mooie bul, terwijl die school in Kanaleneiland leerkundig een veel grotere prestatie heeft geleverd. Als je in de toekomst beter in staat bent de leerwinst objectief te meten, moet dat niet alleen in de beloning van de leraren tot uitdrukking komen maar ook in de bekostiging van de scholen. Dit is nog toekomstmuziek. Het kabinet kijkt hoe het beste uit de leerlingen en de scholen gehaald kan worden. De Kamer zal hetzelfde ongetwijfeld vanuit haar eigen rol doen. Wij gaan kijken naar wat de individuele leerwinst is. Wij willen ook kijken naar de winst voor de school waar de prestatiebeloning wordt ingevoerd als geheel.

Ik was in het kader van de functiemix onlangs bij de Atlasgroep in Rijswijk, het Rijswijks Lyceum. Dat is een goed voorbeeld van een school die goed en gestructureerd met die functiemix bezig is. Die heeft een eenvoudig maar zeer doorwrocht systeem opgezet om vast te stellen of leraren goed functioneren en in het kader van de functiemix in aanmerking komen voor een schaalophoging. Er wordt gekeken wat de leerlingen van de docenten vinden. Er wordt gekeken bij de collega's, de schoolleiding en externe partijen die met de school te maken hebben. Er wordt een zogenaamde 360 gradenevaluatie gedaan. Dat gebeurt gefundeerd. Het mooiste vond ik dat een leraar zei: «Ik ben nu 37 jaar leraar en in die 37 jaar is er in de lerarenkamer nog nooit gevraagd: wat doe je anders en wat kan ik van je leren? Sinds wij deze evaluatie hebben gedaan in het kader van de functiemix zijn die gesprekken op gang gekomen». De leraren raken geïnteresseerd in de vraag hoe ze het zelf beter kunnen doen. Ze hebben hierbij ook een belang gekregen. Dat beogen wij met de prestatiebeloning. Er is echter geen eenduidig instrument voor. Het is een verkenningstocht. Het zal ook de komende jaren zo vormgegeven worden.

Voor een deel is de prestatiebeloning iets wat er al lang had moeten zijn. Op sommige scholen is het er ook al lang. Een prestatiebeloning gaat om een incidentele prestatie. Het is dus geen structurele beloning. Het is niet zo dat je het voor de eeuwigheid krijgt. Voor iets wat je gedaan hebt, krijg je een bedrag, een opleiding of wat dan ook. Dat is eenmalig. Waarom gaat een docent op een school een schaal omhoog? Verschillende woordvoerders hebben erop gewezen dat het een anciënniteitprincipe is geworden. Ieder jaar een periodiek erbij. Dat vind ik ook ongelijkheid. Er waren al scholen die hiernaar kritischer keken. Het onderscheid dat de heer Van Dijk een beetje weg probeerde te poetsen, is er altijd al geweest. Heel veel scholen pasten het niet toe. Wij proberen het nu zo te veranderen dat het op alle scholen veel breder wordt toegepast. De rol van de schoolleider is daarbij ook belangrijk, evenals de rol van het bestuur. Die zullen het allemaal moeten dragen. In het bedrijfsleven is het net zo. Hoe wordt daar bepaald wie de goede werknemer is? Is het allemaal objectief meetbaar en met checklists vast te stellen? Nee, maar ze weten wel wie de goede en wie de slechte zijn. Zo wordt dus ook een stukje beloning toegewezen. Voor de prestatiebeloning zal je geobjectiveerd moeten meten om het te kunnen bewijzen. Anders is het een beetje nattevingerwerk. In de toekomst zal het een integraal onderdeel moeten worden van het beleid van een school en van het beloningsbeleid.

De heer Beertema (PVV): Ik wil graag de juiste naam van die school hebben. Ik wil graag eens met de heer Van Dijk langsgaan om met die docent in gesprek te gaan.

Staatssecretaris Zijlstra: Het is de Atlasgroep. De heer Beertema krijgt de contactgegevens en de naam van de contactpersoon van ons. Toen ik nog aan de zijde van de woordvoerders aan de tafel zat, werd het altijd zeer gewaardeerd als een Kamercommissie op bezoek kwam. Ik geef de suggestie maar mee.

De heer Jasper van Dijk (SP): U noemt het een verkenningstocht en gaat experimenten doen. Ik vind de verwarring van de Kamer terecht. De Kamer vraagt zich af wat het kabinet nu precies gaat doen. U zegt zelf dat u geen blauwdruk gaat maken. In het regeerakkoord staat wel een hard bedrag, namelijk 250 mln. voor prestatieloon. Dat wekt een beetje de indruk dat er een wet, een maatregel of een richtlijn komt. Dat noemen wij dan prestatiebeloning en die voeren wij dan in. U hebt net uitvoerig uitgelegd dat het op zijn minst wat ingewikkelder ligt. Mijn zorgen blijven overigens recht overeind staan. Bent u het met mij eens dat heel veel dingen al kunnen?

Staatssecretaris Zijlstra: Dat ben ik met u eens. De vraag is dan ook hoe wij de omslag krijgen dat dit geïntegreerd beleid wordt. Bij een school zoals de Atlasgroep is het dat feitelijk al. Daar kun je een aantal aanvullende dingen bieden. Je ziet dat er gekeken wordt naar verschillen tussen docenten. Wie doet het goed, wie doet het slecht? Als je het slecht doet, moet het consequenties hebben. Daarover is iedereen het eens. Mag het ook consequenties hebben als iemand iets heel goeds doet? Dat is namelijk de andere kant van het verhaal. Je moet niet alleen het negatieve benadrukken: als het slecht gaat, ontslaan. Als het goed gaat, mag er ook wat tegenover staan. Dat willen wij bereiken. U zegt dat dit qua mentaliteit al voor een belangrijk deel kan. Ja, men kan inderdaad in de opschaling en dergelijke deze principes toepassen. Het gebeurt alleen niet. Dat beogen wij met de experimenten. De middelen die werken, willen wij structureel invoeren.

Voorzitter. Hoe zit het met de lumpsum? Ons sturingsmodel in het onderwijs is een besturing op afstand. De scholen en besturen hebben beleidsvrijheid. Dat is een belangrijk gegeven. Op termijn moet je naar dat besturingsmodel toe. Je moet er bij de structurele invoering eerst een instrument tegenover zetten. Je kunt dan eerst zeggen dat het goed gaat, dat het kantelt. Dan kun je op termijn – en dan heb ik het over een aantal jaren – de lumpsum inschuiven. Dan moet het in de genen van de scholen zitten. Tot dat moment wil je een vliegwielfunctie en wil je die omslag vormgeven. Daarvoor heb je deze experimenten die culmineren in een set van instrumenten nodig.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dan stel ik vast dat u al bezig bent heel goed rond te kijken wat u precies wilt en gaat doen. Dat is de verkenningstocht. Dat zou er ook toe kunnen leiden dat u zelf geen maatregelen gaat nemen. Er zijn immers al heel veel mogelijkheden binnen het huidige stelsel. Alleen die cultuuromslag binnen de scholen moet beter gehanteerd worden.

Staatssecretaris Zijlstra: In theorie zou dat kunnen. De vraag is alleen waarom het de afgelopen 40 jaar niet gebeurd is. Wat zou mij het vertrouwen moeten geven dat het nu wel gebeurt? Dat is een van de belangrijkste redenen waarom wij doen wat wij doen. Als morgen het hele onderwijsveld deze systematiek toepast, ben ik een uitermate gelukkige staatssecretaris. Dan kom ik bij de Kamer en zeg ik dat wij een debat gehad hebben op 20 januari en dat het gelukt is. Vergeef mij, maar ik denk dat er meer nodig is dan dit. Daarom gaan wij deze experimenten aan om de tools aan te reiken om die omslag daadwerkelijk te maken. Dat zal veel breder uitwaaieren dan alleen die experimenten. Als men het op die experimenten en instrumenten doet, zal men het op gegeven moment institutioneel op het hele beleid gaan doen. Dan krijgt het de body die ik wil en vervolgens komt de omslag die wij beogen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik stel vast dat de grote hervorming een verkenningstocht met experimenten is geworden. Dat spreekt me al een stuk meer aan. Ik begrijp dat het bedrag dat het kabinet hiervoor apart heeft gezet, wordt gekoppeld aan al dan niet nieuwe instrumenten om de scholen aan te jagen het ook te gaan doen. Als dat op termijn dan gewoon is, daalt het bedrag. Zo heb ik het althans begrepen.

Staatssecretaris Zijlstra: Hierop wil ik een correctie aanbrengen. Het is geen grote hervorming in de zin van een basisvorming of zaken die u herkent uit uw eigen rapport. Het is wel een heel grote omvorming in het onderwijs. Dit is een van de grootste omslagen die wij in het onderwijs teweeg moeten brengen. Wij komen niet met een enorm pakket aan regels en blauwdrukken. Wij willen voor elkaar krijgen dat die enorme omslag plaatsvindt. Is het dan een hervorming in de ouderwetse zin van grootschalig overheidsingrijpen? Nee, het is het ook van onderaf stimuleren. Dit werd in het rapport van de Commissie Onderwijsvernieuwingen zeer aanbevolen. De voorzitter is de woordvoerders bekend.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Het spreekt mij allemaal heel erg aan. Ik kwam hier een beetje getriggerd door mijn collega met het beeld dat er blauwdrukken en grote ingrepen aankwamen, want het is een van de grotere hervormingen. Ik ga hier voorlopig met een heel ander beeld weg. Dat is dus prima. Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord op mijn vraag over de nullijn. Ik begrijp dat van de 800 mln. ingeboekte bezuinigingen, 307 mln. bij het onderwijs neerdalen. Dat is dus 307 mln. minder loonruimte voor het onderwijs. Minister Donner heeft gesproken over een tweede jaar nullijn. Gaat u voorkomen dat dit ook voor het onderwijs gaat gelden? Anders stapelen wij op die 307 mln. nog een keer een vergelijkbaar bedrag.

Staatssecretaris Zijlstra: U moet de goede terminologie gebruiken. Het is niet minder loonruimte. Er komt geen 307 mln. bij.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Zo ken ik er nog een paar. Wij kennen allemaal de basispaden die in de begrotingen staan en waarbij de berekening van de financieringstekorten en de verkiezingsprogramma's is uitgegaan. Ten opzichte van dat basispad is er gewoon 307 mln. minder beschikbaar voor het onderwijs. Zo is het toch?

Staatssecretaris Zijlstra: Als u de CPB-technologie volgt, klopt dat. Het is niet zo dat er minder loonruimte is. Dat impliceert bijna dat u zegt dat de lonen achteruitgaan. Als wij de lonen zouden hebben verhoogd, had dat 307 mln. extra gekost. Dat bedrag kunnen wij nu aan andere zaken besteden. Ik denk dan aan aanvullende maatregelen, kwaliteit van de docenten en niet aan loonruimte. Wij maken dus de keuze dat salaris voor ons niet de primaire drive is voor kwaliteit van docenten. Dat heb ik al eerder aangegeven. Daarover kunnen wij fundamenteel van mening verschillen. In het regeerakkoord gaan wij uit van een tweejarige nullijn, dus ook voor het onderwijs. Dat staat in de financiële bijlage.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dus twee maal 307 mln.

Staatssecretaris Zijlstra: Ik weet niet hoe het dan uitkomt. Dat zien wij dan wel. Laten wij afspreken dat wij de cijfers helder op een rijtje zetten voor de Kamer zodat duidelijk is wat de implicaties zijn van de nullijn op de loonruimte, basispaden, investeringen et cetera. Daarvan wilt u een beeld hebben. Daarna zullen wij er ongetwijfeld nog een keer over spreken.

De heer Klaver (GroenLinks): Hoor ik nog wat twijfel over de mogelijkheden om de leerwinst te meten? Gaat u dat door middel van experimenten proberen?

Staatssecretaris Zijlstra: Een van de onderdelen van de experimenten die wij gaan uitzetten is het meten van de leerwinst. Daarvoor heb je natuurlijk wel een leerlingvolgsysteem nodig en dat is niet op elke school even goed ontwikkeld, dat beperkt dus de groep waarbij je dat kunt doen. Maar het is uitdrukkelijk een doel van de experimenten.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik heb nog een vraag over de nullijn. U zei dat er in de zomer nieuwe prognoses komen inzake het lerarentekort. Wordt daarbij meegenomen dat er nu sprake is van zo'n nullijn en wat daarvan de effecten zijn? U gaf aan dat u dat niet weet.

Staatssecretaris Zijlstra: Met mijn antwoord beoogde ik te melden dat de prognoses uitgaan van de feitelijkheid van de situatie zoals die dan is, en daarmee is de nullijn in die prognoses verwerkt.

De heer Van der Ham (D66): Wij zijn voorstander van het idee prestatiebeloning. U gaat nu wat pilots doen. Juist vanuit de ervaring van de commissie-Dijsselbloem en door het doen van pilots is gebleken dat het van groot belang is dat je diverse soorten pilots doet. U zei daarnet dat zaken als het leerlingvolgsysteem op sommige scholen beter ontwikkeld is. Ik hoop niet dat u alleen maar pilots gaat doen met deze vorm van prestatiebeloning op scholen waar de basis om dit een succes te laten worden fantastisch is. Wij moeten ook bekijken hoe wij scholen die tot nu toe helemaal niets hebben bijgehouden over functioneringsgesprekken et cetera, expliciet de mogelijkheid kunnen geven om dit te doen, zodat die een systeem in die richting kunnen ontwikkelen. Wij krijgen anders een pilot waarvan wij heel mooie resultaten zien, maar die niets met de werkelijkheid te maken heeft. Ik hoop dat de pilots op een goede manier worden ingericht. De tweede vraag is hoeveel geld de pilots gaan kosten; welk bedrag moet geïnvesteerd worden om dit allemaal te begeleiden?

Staatssecretaris Zijlstra: Wij zullen het evidence based moeten doen en het moet zodanig vormgegeven worden dat de resultaten betrouwbaar zijn. Het CPB helpt ons daarbij. Wij hebben dus oog voor dat aspect, sterker nog; als wij dat niet zouden doen, kunnen wij op geen enkele wijze aantonen hoe prestatiebeloning het doet. Kamerleden zullen dan ongetwijfeld zeggen dat het een mooi verhaal is, maar dat het helemaal niet goed getoetst is. Het antwoord op die vraag is dus: ja, dat gaan wij doen.

De heer Van der Ham (D66): Als je zo'n school hebt die helemaal geen ervaring heeft met de dingen die wij hier in de Kamer al graag willen zien, zoals functioneringsgesprekken, kortom de basis waarop een vorm van prestatiebeloning zou kunnen lukken, dan neem ik aan dat je extra moet investeren om hen daarin te trainen en dat goed te laten werken. Dan weet je wat voor soort beleid je wellicht moet maken rond prestatiebeloning. Wat kost dat?

Staatssecretaris Zijlstra: Uit mijn hoofd is dat voor dit jaar niets, voor volgend jaar 10 mln., dan 20 mln., dan 40 mln., en dan 200 mln. oplopend naar 250 mln. Dat is de reeks die in het regeerakkoord staat, daarvoor zullen wij dit moeten doen. In 2015 komt de grote hoeveelheid geld vrij en richting dat jaar willen wij naar de eerste bewijsvoering toe. In dat traject moeten wij zorgen dat wij dingen goed meten. Leerwinst meet je bijvoorbeeld op scholen waar een leerlingvolgsysteem is. Dat is niet om te bewijzen dat die school het beter doet dan de school daarnaast, maar bekeken wordt bij welke docent, met welke prestaties de meeste leerwinst behaald wordt. Met de uitwerking van een veelheid van zaken zijn wij nu bezig en die zal terug te vinden zijn in de professionaliseringsagenda die wij dit voorjaar aan de Kamer zullen voorleggen. Maar het moet evidence based zijn.

Voorzitter. De kwaliteit van leraren is een onderwerp dat regelmatig voorbijkomt. Wij hebben het steeds over bevoegd en bekwaam; de wet kent de term bevoegd op zich niet, maar laten wij dit onderscheid toch blijven gebruiken daar het de discussie wel verheldert. Door meerdere commissieleden is verwezen naar de brief van de AOb; hoe zit het nu met docenten die lesgeven zonder dat zij bevoegd zijn? Dit zie ik even los van de vraag of zij bekwaam zijn. Je ziet dit bijvoorbeeld veel in de Haagse regio, waar het lerarentekort een prangender probleem is dan in andere regio's. Ik heb bij een les aardrijkskunde gezeten die gegeven werd door een lerares die was opgeleid om geschiedenis te geven. Zij volgde een opleiding om ook bevoegd te worden voor het geven van aardrijkskunde. Over dat soort mensen heb je het dus. Ik ben het echter met de AOb eens dat dit niet oneindig moet kunnen doorgaan. De commissie vraagt zich af of de regels niet te ruim zijn; iemand kan jaren achtereen in een uitzonderingspositie zitten. In de professionaliseringsagenda zullen wij ook aan dit punt aandacht besteden. Zo vinden wij dat na een jaar opgeleid zal moeten gaan worden richting een bevoegdheid. Ik ben er niet voor dat men na een jaar al bevoegd moet zijn, er moet een ventiel in het systeem zitten. Er zullen altijd incidenteel tekorten blijven op een school, in een regio, en die moeten opgevangen kunnen worden. Daar zal men dan onbevoegde docenten voor moeten hebben, maar als dat neigt naar een structurele situatie moet dat onderbouwd worden met bevoegdheden. Daar zijn wij het over eens en wij zullen dat opnemen. Het geeft de inspectie ook meer handvatten om het toezicht op dat punt vorm te geven.

Betreffende de vraag of alle docenten een master zouden moeten hebben, weet ik niet of wij zover moeten gaan. In het mbo bijvoorbeeld is het van grote toegevoegde waarde dat mensen uit de praktijk, die weten hoe het daar werkt, dit tot uitdrukking brengen in praktijklessen. Moeten die per definitie een master halen? Dat vind ik echt te ver gaan. Ik onderschrijf wel dat opleidingseisen en bijscholing belangrijk zijn. Leraren zullen in de professionalisering van hun beroep bepaalde acties moeten ondernemen. Daarbij is het register belangrijk; analoog aan hoe dit gaat bij medici. Inzake dit register zal men naar een situatie toe moeten groeien dat men, om bevoegd te blijven, zich fatsoenlijk moet bijscholen en zaken moet ondernemen om in dat register geregistreerd te blijven. Dat is eigenlijk een heel normale gang van zaken. Het heeft naar mijn mening geen zin om dit nu al helemaal wettelijk in te kaderen, daar wij het aantal onbevoegde leraren nu nog niet eens kunnen wegwerken. Men zou dan dus voor het register verplicht moeten bijscholen omdat men anders onbevoegd kan raken, terwijl wij aan de voorkant nog aan het sturen zijn om het aantal bevoegde leraren omhoog te krijgen. Ik ben het met de heer Dijsselbloem eens dat je dat punt aan de horizon inderdaad zult moeten schetsen, en dat zullen wij ook gaan doen. De sector moet weten waar het naartoe gaat, ook wat de vormgeving van het register betreft.

Over de coöperatie SBL is door de commissieleden verschillend gesproken. Ik denk dat wij dat een serieuze kans moeten geven. De meeste of alle commissieleden weten hoe complex het onderwijsveld is, degenen die in de commissie-Dijsselbloem hebben gezeten kunnen zich ongetwijfeld de gesprekken met de vakverenigingen herinneren. Als men bekijkt hoe dan een schoolweek zou moeten worden ingevuld en alle wensen van de vakdocenten op zou tellen, dan zou een leerling niet meer in bed komen, want elk vak was natuurlijk even belangrijk. Zo heeft ieder zijn belangen in het onderwijs, de vakbonden hebben bepaalde gedachten, iedereen heeft wat. Dat is in de afgelopen jaren ook een reden geweest dat heel veel zaken niet echt van de grond kwamen. Iedereen bleef toch weer op zijn eigen belangetje zitten, hoe gerechtvaardigd ook. Naar onze mening is het goede aan de ontwikkelingen rond de coöperatie SBL dat alle partijen nu de intentie uitgesproken hebben het samen te gaan doen. In de uitvoering betekent dat niet dat de SBL alles overneemt, maar daarin kan een lidorganisatie van de SBL namens allen dingen gaan doen. De gemeenschappelijkheid is daarbij leidend, in plaats van dat een collega-vereniging weer gaat zeggen er vanuit hun deelbelang toch anders over te denken, waarna er uiteindelijk niets van de grond komt. Dat zal zich moeten bewijzen en dat is een wankel evenwicht. Op 4 februari is er een belangrijke ledenvergadering en ik denk dat wij de mensen vanuit de politiek de kans moeten geven. Ik ben dat als staatssecretaris in elk geval van plan. Wij weten allemaal hoe wankel het evenwicht in deze beroepsgroep is, maar ze zullen het moeten bewijzen. Ik zeg heel helder en ronduit dat, als ze het niet bewijzen, wij niet meer subsidiëren. Dat heeft dan namelijk geen enkele zin.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Vertrouwen zou makkelijker zijn als een aantal opdrachten die men meekrijgt, bijvoorbeeld het register, wel goed zouden zijn vastgelegd. Daarna kan dan nog getwist worden over de juridische vorm van de organisatie en hoe de bestuursstructuur in elkaar moet zitten, maar dat betreft de uitvoering. Het vastleggen van de taak, die vervolgens aan die particuliere club gegeven kan worden, hebben wij echter nog niet gedaan. Ik zou mee kunnen gaan met het vertrouwen dat ons wordt gevraagd als ik zou weten dat de opdracht op een aantal essentiële punten – met name het register en wat daaraan vast zal zitten – gewoon vastgelegd gaat worden. Je regelt het publiekrechtelijk, je geeft het waar nodig een wettelijke basis en vervolgens kun je de uitvoering uitbesteden aan een organisatie van organisaties, want dat is het.

Staatssecretaris Zijlstra: Ook hiervoor geldt dat ik er met u in meega dat de kaders helder moeten zijn. Voor ons zijn de volgende zaken belangrijk. Eerst moet nu de coöperatie SBL tot stand komen. Dat is geen sinecure geweest en dat moet zijn beslag ook nog krijgen op 4 februari. Ik hoop oprecht dat de beroepsgroep dat voor elkaar krijgt. Het zou overigens een slecht teken zijn als dat niet zo zou zijn. Dan gaat de coöperatie aan de slag met het lerarenregister; daarover zijn wij met hen in gesprek. Wij zullen daar doelstellingen aan hangen die gehaald moeten worden; hoeveel procent van de leraren moet in welk jaar in het register zijn opgenomen? Wanneer willen wij die 100% deelname hebben? Wij kunnen dat wel wettelijk vastleggen en zeggen dat morgen iedereen mee moet doen, maar dan heb je het ook niet voor elkaar. Wij hebben liever dat de groep het zelf oppakt, maar wij zullen daar wel heel strak op zitten. Deze commissie wordt daar natuurlijk bij betrokken en voorzien van tijdpaden, zodat zij precies weet wanneer wij waar willen zijn. Het bewijzen van toegevoegde waarde zit hem voor een belangrijk deel in hoe het wordt vormgegeven. Kunnen zij de randvoorwaarden die wij meegeven om het goed te laten functioneren op een goede wijze invullen? Ook daarvoor geldt: laat hen dat wel doen. Laten wij niet in de val trappen om als politiek de zaken helemaal te gaan voorschrijven, want ik denk dat het dan al in elkaar stort nog voor het begonnen is.

De heer Biskop (CDA): Op mijn eigen vakgebied, de psychologie, worden de registers ook bij de eerstelijnspsychologen door de eigen vakvereniging beheerd en dat gaat prima.

U zei iets over de combinatie bevoegdheid, register en 100% deelname. Dat is denk ik van tweeën één, want je zult altijd onbevoegde mensen hebben. Dus óf alle docenten zitten in het register, en daarin kan men zien of en in hoeverre iemand bevoegd is, óf het register is voorbehouden aan bevoegde docenten. Welke keuze maakt de staatssecretaris daarin?

Staatssecretaris Zijlstra: Ik heb al aangegeven dat er altijd een ventielfunctie nodig is. Het is een illusie dat in het onderwijs 100% van de docenten bevoegd zal zijn. Uitzonderingen moeten uitzonderingen zijn vanwege frictie bij een school of in een regio. Als men wil naar 100% van de docenten in het lerarenregister, kan dat alleen als de problemen inzake onbevoegdheid zijn opgelost. Daarom moet men niet te snel willen gaan. Het heeft geen zin om in het register allerlei eisen te stellen, als je aan de voorkant rond bevoegdheid niet eens klaar bent. Ik ben het wel eens met het puntje aan de horizon dat de heer Dijsselbloem schetste, want men moet weten dat wij op een gegeven moment wel op dat punt willen belanden. Als wij de lijn niet neerzetten, ben ik bang dat wij daar nooit komen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Over dat ventiel zijn wij het volgens mij allemaal wel eens, niemand verwacht 100% of een betonnen, vastgelegde situatie. Natuurlijk kan een leraar uitvallen en tijdelijk vervangen worden, daar is niks geks aan. Ik wil graag wat meer helderheid, want het zou jammer zijn als dit grote onderwerp nu wegloopt in vage toezeggingen of geen toezeggingen. Wat staat u precies voor? Wilt u alles aan dat register gaan koppelen, of zegt u toch nog eens serieus te gaan kijken naar bijvoorbeeld de voorstellen van de AOb over het binnen een jaar halen van de bevoegdheid, waarbij het ventiel in stand blijft? Inzake het behalen van een master noemt u het probleem voor het mbo, wat ik natuurlijk heel goed snap. De wens blijft bij partijen wel staan, bijvoorbeeld bij het voortgezet onderwijs. Waarom zouden wij dat daar niet gaan proberen en kijken hoe wij dat dan kunnen uitbreiden? Kortom, wat is het concrete plan?

Staatssecretaris Zijlstra: Wacht nu even tot die professionaliseringsagenda voorligt. Daarin worden heel veel van de zaken die wij hier nu al proberen te bespreken echt uitgewerkt en dan kunnen wij de discussie fundamenteel voeren. Wij nemen op dit moment naar mijn mening te snel een aantal afslagen. U spreekt over vage toezeggingen; volgens mij zijn er toch een paar heldere punten neergezet die u zouden moeten aanspreken.

De voorzitter: Wanneer komt de professionaliseringsagenda naar de Kamer?

Staatssecretaris Zijlstra: Die komt dit voorjaar.

De heer Van der Ham (D66): Inzake de stip aan de horizon; daar moet men heen en er mag inderdaad een druk gevoeld worden door de nieuwe club om er echt werk van te maken. Hangt daar een tijdpad aan? Wanneer valt de bijl: nu moet het goed geregeld zijn en anders gaan wij sterkere maatregelen nemen?

Staatssecretaris Zijlstra: Ik geef hetzelfde antwoord als daarnet; het zijn allemaal zaken die in de professionaliseringsagenda naar voren zullen komen.

De heer Van der Ham (D66): Wordt er in die agenda wel een datum genoemd?

Staatssecretaris Zijlstra: In die agenda zal een tijdpad staan.

De heer Elias (VVD): Ik heb een aantal concrete vragen gesteld, bijvoorbeeld op wie dat register nu precies slaat. Komt dat ook in die brief of geeft u daar nu antwoord op?

Staatssecretaris Zijlstra: Het docentenregister gaat over docenten. U hebt gevraagd of dat verbreed kan worden. Over schoolleiders hebben wij het tijdens de begroting al gehad; daar moeten wij zeker ook mee aan de slag. De feitelijke vraag was nu of dat ook met besturen kan. Ik zeg eerlijk dat ik dat moeizaam vind. Docenten hebben bevoegdheden, maar op basis waarvan wordt een bestuurslid geregistreerd als goed bestuurslid? Ik zie dat niet. Ik zeg nergens nee op, ik ben altijd in voor goede ideeën, maar in dezen leg ik de bal terug. Als u met iets meer invulling komt, heb ik een indruk van welke kant u op wilt.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Hetzelfde type discussie is ook aan de hand in de wereld van de commissariaten in het bedrijfsleven en de toezichthouders in de publieke sector. Daar worden verenigingen opgericht, bestuurscodes en kwaliteitscodes ontworpen en schrijven mensen zich in bij een bestand van toezichthouders dat vervolgens een bepaalde kwaliteitsbewaking behelst.

Staatssecretaris Zijlstra: Helder. Ook met dat soort zaken zijn wij al bezig; hoe kunnen wij dat bevorderen? Hoe krijgen wij ook wat betreft deskundigheid en onderwijsrecht meer vat op wat goed bestuur is? Maar hoe registreer je dat in een register? Een code? Als de vraag is of ik, ook in de uitwerking van de professionaliseringsagenda, nog eens kan bekijken hoe wij het bestuur van onderwijsinstellingen handvatten kunnen geven bij het professionaliseren van hun taak, dan ben ik best bereid om daarnaar te kijken. Als ik het in die zin mag lezen, dan gaan wij dat doen. Maar ik proefde een andere vraag.

De heer Elias (VVD): Als u zegt dat u dat niet voor zich ziet en het een moeilijk begaanbare weg vindt, is dat ook goed. Als wij maar proberen om een oplossing te vinden voor wat ik heb genoemd: sterke schoolleiders lopen soms tegen zwakke besturen aan als ze die, in elk geval door mij gewenste, maatregelen op de school willen nemen. Bijvoorbeeld bij het ontslaan en alle technische problemen rond het participatiefonds van dien. Misschien komt u hier mondeling dan wel per brief nog op terug.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik heb inzake het register een vraag gesteld over de hbo-docenten; kunnen die ook meegenomen worden in dat register, tegelijk met de mbo-docenten?

Staatssecretaris Zijlstra: Bevoegdheden in het hbo zijn van een heel andere slag, die zijn wettelijk heel anders geregeld. Ik kan dus niet zomaar zeggen dat wij dit in het register gaan meenemen, omdat de grondslag voor het lesgeven in het hbo een heel andere is. Ik ben best bereid te bekijken hoe wij op het gebied van de hbo-docenten tot meer borging en een upgrading van de onderwijskwaliteit kunnen komen. Ook in het hbo is het een goede zaak dat hbo'ers lesgeven aan hbo'ers. Het is geen eerlijke vergelijking als ik zeg dat iemand met een basisschoolopleiding lesgeeft op de basisschool, maar het beeld wordt er wel helder door. Met dat aspect zijn wij natuurlijk ook bezig. Het zomaar opnemen in het lerarenregister is moeizaam, dan gooien wij nogal wat overhoop. Als u mij niet euvel duidt, houd ik dat nog even aan de kant als een separaat probleem. De kwaliteit van de docenten in het hbo en hoe wij dat kunnen borgen, is voor ons een punt van zorg en dat gaan wij ook oppakken.

De heer Klaver (GroenLinks): Is het een toezegging dat u bekijkt hoe wij de kwaliteit van de docenten in het hbo kunnen borgen? En binnen welke termijn komt u daarop terug?

Staatssecretaris Zijlstra: Ja. Wij hebben het over een professionaliseringsagenda en dat beperkt zich niet tot een sector. Ik zie het middel van een lerarenregister daarbij niet direct zitten, in elk geval niet zoals dat nu wordt vormgegeven door de SBL. Dat wij dat willen borgen is duidelijk, dat is ook onze taak en dat zal dus in die agenda naar voren komen.

De voorzitter: Ook hier geldt dus: in het voorjaar.

De heer Klaver (GroenLinks): Valt het mbo daar ook onder?

Staatssecretaris Zijlstra: Voor elke sector geldt dat wij in de professionaliseringsagenda zullen aangeven hoe wij vinden dat allerlei zaken rond de professionalisering moeten worden geregeld.

Voorzitter. De heren Elias en Biskop vroegen hoe het zit met ambtenarenrecht, ontslagrecht et cetera. Bij bijzondere scholen is geen sprake van ambtenaren, dus als wij het ambtenarenrecht vereenvoudigen wat betreft ontslag, dan heeft dat betrekking op de openbare scholen. Daar zit dan de grote verandering op het gebied van ontslagrecht. Ik juich dat ook toe. Als ik weer even kijk naar de Atlasgroep: daar heeft men van personeelsbeleid serieus werk gemaakt. Er zijn in de afgelopen vijf jaar 40 docenten – op een groep van 300 – ontslagen wegens disfunctioneren. Daar is men heel rigoureus; er wordt gewoon goed bekeken of iemand functioneert of niet. Het betreft ook vaak beginnende docenten. Men heeft dan last van bijvoorbeeld een jaarcontract dat moet worden uitgediend en uitbetaald, en gedurende die tijd kan men geen vervanging aannemen. De druk op de rest van de docentenstaf neemt dus toe. Het is daarom ook in het belang van goede docenten en van leerlingen dat er enige snelheid in zit daar waar sprake is van disfunctioneren en ultimo ontslag. Niemand heeft er belang bij dat iemand een halfjaar doorbetaald thuis zit, terwijl er geen vervanging geregeld kan worden. Ook dat soort zaken moeten wij in de gaten houden in discussies rond dit onderwerp.

Inzake de kwaliteit van lerarenopleidingen is de kernvraag: waarom laten wij het aan de sector over om de landelijke toetsen te gaan instellen? Wij hebben ervoor gekozen de sector dit zelf te laten oppakken vanuit de autonome rol die men heeft, maar niet tot het eind. Wij hebben dit bij de sector neergelegd en die heeft dat serieus opgepakt, maar wij hebben wel aangegeven dat wij externe validering willen. Daar zijn wij nu ook mee bezig. Het kan dus niet zo zijn dat wat de sector oplevert ook door de sector zelf van een stempel «goedgekeurd door onszelf» wordt voorzien. Wij hebben bekeken of wij dat kunnen doen via het College voor Examens (CvE), dat dat ook in de vo-sector doet. Daar zitten veel juridische haken en ogen aan omdat dit college geen andere partijen dan de overheid als klant mag hebben, dus nu bekijken wij hoe wij de expertise van het CvE, via een aparte tak van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) of anderszins, zouden kunnen aanwenden. Voor ons staat een externe validering van de toetsing van de kennisbasis en van de eisen die wij daaraan stellen voorop. Zo ook van de uitkomst van de toetsing; heeft men die op de goede manier beoordeeld? Dat is daarvan natuurlijk ook een onderdeel. Wij willen de cirkel die in het vo is rondgemaakt, ook in het hbo bij de lerarenopleidingen rondmaken. Daarmee beginnen wij aanstaand schooljaar, dus dat van 2011–2012, bij de lerarenopleidingen. Bij de pabo's zullen wij dit gaan doen met rekenen, taal en geschiedenis. Wij beginnen bij de tweedegraadslerarenopleidingen op zeven vakgebieden, waaronder geschiedenis, wiskunde, Nederlands en Engels. Uit mijn hoofd weet ik de andere drie niet, maar de lijst is ook nog niet definitief vastgesteld. Dat gebeurt op basis van kennistoetsen en dat betekent dus dat alle lerarenopleidingen aan het eind van de opleiding dezelfde uitkomst hebben. Terecht werd door meerdere commissieleden opgemerkt dat het vanwege de bestaande autonomie mogelijk is dat, waar wij opleiden tot hetzelfde vak namelijk docent, of dat nu bij een pabo of tweedegraadsopleiding is, de uitkomst op dit moment verschillend kan zijn. De autonomie heeft op dat punt iets te grote vormen aangenomen. Ik begreep van de heer Elias dat daar wat de VVD betreft een einde aan moet komen; wat deze staatssecretaris betreft ook. Als overheid moeten wij datgene wat in de grondwet in artikel 23 is geregeld, onze continue zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, waarmaken binnen de autonomie van het systeem. Daarom vind ik de externe validering heel belangrijk en daar gaan wij zeer op sturen. Wij zullen om dit vorm te geven ook doorschakelen naar de rest van de tweedegraadsopleidingen. Ik kan dit belang ook niet genoeg benadrukken inzake de beeldvorming over het vak van leraar; de lerarenopleidingen worden nu eigenlijk voorlopers, een voorbeeld van hoe het moet. In het verleden hadden wij discussies in dit huis en in de krant over allerlei problemen bij lerarenopleidingen, die overigens veelal veroorzaakt werden door vooropleidingen. Laten wij dat ook eerlijk zeggen; het is natuurlijk niet fijn als hbo pabo dat 30% van je aanstaande leerlingen voor de rekentoets zakt. Is dat de schuld van die pabo's? Nee, dat komt omdat zij leerlingen krijgen uit het voortgezet onderwijs die dat niet goed genoeg geleerd hebben. De hbo pabo's zijn er in de beeldvorming echter wel op afgerekend. In die zin is beeldvorming helaas vaak heel belangrijk. Maar nu worden de lerarenopleidingen front runners, koplopers, en die voorbeeldfunctie gaan wij ze ook geven, dat is echt een belangrijk streven voor mij. Wij gaan ze daarbij ondersteunen, zodat ze daarmee het vak van leraar ook weer van meer status en gewicht kunnen voorzien.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Met dit punt van de externe toetsing bedient u niet alleen de VVD, maar ook de PvdA en ik geloof ook de PVV. Ik vraag mij wel af of u daar de goede club voor uitkiest, de accreditatieorganisatie. De eerdergenoemde organisatie, die toeziet op de kwaliteit van examinering, vind ik daar veel beter voor passen. Wij horen het wel als het definitief is, maar ik geef in overweging dit neer te leggen bij een club die echt verstand heeft van kwaliteit van examinering.

Ik had gevraagd of het zinvol zou zijn om de Onderwijsraad te vragen een advies te maken over de toekomstige inrichting van het veld van lerarenopleidingen. Dat is sterk in beweging; wij hadden het klassieke driestromenland en daar wordt al het nodige aan gesleuteld. Je zou eens een keer een stapje terug kunnen doen en bezien wat nu het toekomstige plaatje daarvan is. De gedachte van sommigen om de zaak naar een veel hoger niveau te tillen, past daarbij, en dat zou maar een variant zijn. De tweede vraag ging over de instroom. U zei zelf dat de kwaliteit van de pabo's ook te maken heeft met de kwaliteit van de instroom. Je krijgt dan de discussie over de instroomroute via het mbo, omdat met name de mbo-leerlingen heel slecht scoorden op de reken- en taaltoets. Zijn of worden daar nog conclusies aan verbonden?

Staatssecretaris Zijlstra: De Kamer heeft de mogelijkheid om onderwerpen bij de Onderwijsraad op de agenda te zetten, dus ik raad u aan dit ook zelf op te pakken. Ik vind het een interessante gedachte. Overigens komt de Onderwijsraad in maart met een advies over excellente leraren. Ook dat zullen wij meenemen in de vormgeving van de professionaliseringsslag met de leraren.

Voorzitter. Inzake de mbo-route zullen wij, mede in het kader van de commissie-Veerman, kijken naar een aantal trajecten waar zich kwaliteitsproblemen voordoen in stapeling. Er is een risicoroute van havo en daarna hbo-propedeuse naar wo; daar zijn heel veel langstudeerders, om er even een ander onderwerp bij te pakken. Een ander probleem is inderdaad de doorstroom van mbo naar hbo, ook bij lerarenopleidingen, dus wij gaan kritisch bekijken hoe wij kunnen borgen dat aansluiting tussen de vooropleidingen en de lerarenopleidingen op een goede manier plaatsvindt. Als wij daar aanvullende eisen moeten stellen, zullen wij daar niet voor terugschrikken, want de kwaliteit van de docent bepaalt wat in de toekomst uit het voorgezet en primair onderwijs aan kwaliteit van leerlingen komt.

De heer Biskop (CDA): Wij hebben de referentieniveaus voor niveau 4 mbo. Het probleem zou zichzelf dan toch moeten oplossen?

Staatssecretaris Zijlstra: Ja, dan zou het probleem zich inderdaad zelf moeten oplossen. De vraag is of het dat gaat doen, dus wij gaan zeer kritisch bekijken – overigens in een veel breder verband – of de aansluitingen tussen de diverse stromen die er in dat heel brede onderwijskader zijn overal even goed gaan en of er nadere eisen nodig zijn.

Wij hebben inmiddels de laatste cijfers inzake de instroomtoetsen bij de pabo's. In het studiejaar 2008–2009 slaagde van de instromers afkomstig uit het mbo 69%, vanuit havo 84% en vanuit vwo 98% voor het onderdeel taal. Dit betreft dus de mensen die aan de opleiding beginnen. Voor rekenen zijn die cijfers als volgt: vanuit het mbo 62%, vanuit havo 84% en vanuit vwo 97%.

Van de heer Beertema was er nog de vraag over een lerarenraad die over het onderwijskundige deel van de besluitvorming zou moeten gaan. Binnenkort bespreken wij het wetsvoorstel voor de versterking van de positie van leraar. Ik zie problemen wat betreft de hiërarchische verhouding in het vehikel dat de heer Beertema aangeeft. Een school neemt docenten aan en daar is sprake van een hiërarchische verhouding. Wij moeten ervoor oppassen dat te doorbreken in de vormgeving, want dan krijgen wij heel gekke situaties. Ik proef dat het de heer Beertema er vooral om gaat dat de leraar meer greep krijgt op het onderwijskundig programma. Dat is ook de essentie van het wetsvoorstel. Als hij daarin nog iets mist, kunnen wij er in dat kader over spreken.

De heer Biskop vroeg of wij in het onderwijs wellicht wat kunnen met militairen. Dat is een goed, opbouwend idee; iedereen die kan instromen in het onderwijs moeten wij zeker gebruiken. Ik wil daar wel een scheiding in aanbrengen. In het militaire apparaat zijn er instructeurs, mensen die bezig zijn met het opleiden van militairen, en zij hebben natuurlijk docerende vaardigheden. Misschien zullen zij hier en daar wat moeten worden bijgeschoold. Het lerarentekort is een serieus probleem en wij moeten alle mogelijkheden die er zijn bekijken. Deze suggestie pakken wij dus ook op, want het zou zonde zijn als wij kansen laten liggen.

De heer Klaver ging in op een garantieregeling voor beginnend docenten die geen vast contract krijgen, met name in de krimpregio's, voor bijvoorbeeld de aankoop van een huis. Dit geeft echter toch een soort «vastcontractachtige» constructie. Als de school garant staat voor de aankoop van een huis, en men is na een half, een of twee jaar weg, dan staat de school nog steeds garant voor dat huis. Wij vinden dat wij dat niet moet doen. Er worden via een soort U-bochtconstructie vastcontractsituaties gecreëerd waar dat niet was beoogd. De hele positie van de leraar, de flexibiliteit in het beroep en de borging van de kwaliteit van het beroep moet bekeken worden en dat zullen wij doen.

De vraag van de heer Van Dijk betrof een motie van mevrouw Smits tijdens de begrotingsbehandeling. Begin februari komen wij met een brief naar de Kamer waarin wij ingaan op alle bij de begrotingsbehandeling ingediende moties. Daarin wil ik deze vraag meenemen, want het betreft de portefeuille van de minister.

De heer Jasper van Dijk (SP): Mijn vragen zijn niet allemaal beantwoord. Komen die antwoorden schriftelijk? Het gaat om collegegeld tweede studie en onderwijsassistenten.

Staatssecretaris Zijlstra: Inzake collegegeld tweede studie: dit geldt ook voor de masterfase. De suggestie werd geopperd iets te doen voor deze specifieke vakken. Naar onze mening is het zo dat een generieke regel ook generiek moet blijven. Vanuit onze semi-werkgeversrol – laat ik het zo maar even huiselijk zeggen – moeten wij zorgen dat er voldoende docenten zijn. Wij kunnen dat stimuleren door daar in die rol als werkgever stimuleringsprogramma's op te zetten. Er zullen in dezen creatieve oplossingen gezocht moeten worden.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het gaat er nu om dat het collegegeld voor een tweede studie echt recht ingaat tegen de lerarenbeurs. Het collegegeld voor de tweede studie gaat fors omhoog voor een docent die van een tweede- naar een eerstegraadsdiploma wil gaan, omdat hij al een onderwijsbevoegdheid heeft. De logica van de staatssecretaris is: hij heeft al een bevoegdheid, dus mag het collegegeld omhoog. Dat werkt contraproductief, dat werkt tegen het systeem van de lerarenbeurs, dat botst met elkaar. Veel leraren maken daar terecht bezwaar tegen. Het zijn maatregelen die tegen elkaar ingaan: het vrijgeven van het collegegeld voor de tweede studie aan de ene kant, en aan de andere kant de lerarenbeurs waarbij leraren worden aangespoord om een extra bevoegdheid te halen.

Staatssecretaris Zijlstra: Aan welke kant los je een probleem op? Als er vanuit sectoren – en dat kunnen ook heel andere zijn dan het onderwijs – gerichte wensen komen om extra mensen op te leiden, kunnen die bijvoorbeeld bevorderen dat een tweede opleiding op dat gebied wordt vormgegeven. Moet er dan een algehele vrijstelling van verhoogd collegegeld zijn in de aanbiedende kant of juist in de vragende kant, vanuit dat werkgeverschap? Het is mijn mening dat je het ook in dit laatste moet zoeken, en daarom past de lerarenbeurs wel degelijk in dat programma. Het is niet voor niets dat wij in dat kader bekijken in hoeverre er wat moet worden gedaan met bijvoorbeeld het opplussen. De tegenstrijdigheid die u daarin ziet vind ik juist bijna vanzelfsprekend, omdat ik het niet als een uitzondering op de generieke regel wil neerzetten. Anders kunnen wij voor allerlei studies uitzonderingen gaan bepalen. De generieke regel is: de maatschappij heeft voor iemand een studie betaald vanuit het belang dat er hogeropgeleiden zijn. Een tweede studie, wat de motivatie ook is, betaalt men in principe gewoon zelf, want men wordt er zelf ook beter van. Als een sector zegt toch wat te willen bijdragen om extra te stimuleren, dan moet die sector dat vooral doen. In dit geval spelen wij daar met de lerarenbeurs een rol.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat is helemaal waar, maar u hebt zelf een uitzondering gemaakt voor de sectoren onderwijs en gezondheidszorg omdat daar tekorten zijn. U zegt: als iemand daar een tweede studie in wil doen, blijft het wettelijk collegegeld gelden, behalve als diegene al een graad heeft in die sector. En dát botst met het idee van de lerarenbeurs, waarmee de staatssecretaris juist wil dat de tweedegraadsleraar zich opschaalt. Dat is het punt.

Staatssecretaris Zijlstra: Het gaat erom dat wij meer mensen binnenhalen voor het onderwijs. Volgens mij willen wij hetzelfde, ik zie die botsing niet. Misschien praten wij langs elkaar heen, maar ik zie de tegenstellingen die u schetst niet.

De heer Jasper van Dijk (SP): Veel leraren zijn erg teleurgesteld omdat zij nu € 10 000 moeten betalen, omdat zij zich via het actieplan LeerKracht opscholen. De hele lerarenbeurs gaat dus op aan collegegeld.

De heer Van der Ham (D66): De vraag is hoe het in de praktijk uitwerkt. Het zou prettig zijn dat eens op papier te krijgen. Hoe gaat het in de praktijk, met die verschillende soorten van instromen en verschillende trajecten om te komen tot onderwijsgevenden. Er zijn mensen die al leraar zijn en een beurs van een school krijgen, maar ook die een carrièrestap naar het onderwijs overwegen. Hoe stimuleer je dat? Ook financieel zou ik dat voorgerekend willen hebben. Kunt u dat toezeggen?

De heer Biskop (CDA): Ik ondersteun dit idee van de heer Van der Ham graag. Kan de staatssecretaris dan bijvoorbeeld ook de basisschoolleerkrachten meenemen, die opgeschoold willen worden naar tweedegraadsleraar? Of mensen die, na het behalen van een pabodiploma, in het bedrijfsleven zijn gaan werken en via die bocht terug naar het onderwijs zouden kunnen?

Staatssecretaris Zijlstra: Als het verzoek is om nog eens te bekijken in hoeverre wij gewild of ongewild – in dit geval ongewild – ons eigen systeem ondergraven, ben ik daar gaarne toe bereid. Als ik mogelijke perverse prikkels kan voorkomen, doe ik dat natuurlijk. Daar hebben wij zelf ook alleen maar belang bij. Maar het gaat wel vanuit generieke regels. Ook bij het bevoegd zijn, en bijvoorbeeld van tweede- naar eerstegraads willen, heeft de docent zelf belang omdat hij dan in schalen omhoog kan. Op de vraag of je dat volledig bij de werkgever neer moet leggen, kun je van alles zeggen, maar nogmaals: ik ben gaarne bereid om te bekijken in hoeverre er perverse prikkels zijn en hoe die weggenomen kunnen worden.

De heer Jasper van Dijk (SP): Precies hierover heb ik in de zomer schriftelijke vragen gesteld; daarin wordt dit heel helder uitgelegd.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik heb een aantal vragen gesteld over de taak van de inspectie. Over een paar weken is er een AO over de inspectie. Als u voor die tijd deze vragen schriftelijk kunt beantwoorden, zal ik het onderwerp weer oppakken bij dat AO.

Staatssecretaris Zijlstra: Het lijkt mij goed dat op die manier te doen.

De voorzitter: De vragen die niet beantwoord zijn, zullen door de staatssecretaris schriftelijk beantwoord worden. Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd:

  • De minister bekijkt of er tegenstrijdigheden zijn in het systeem van de lerarenbeurs en de regel collegegeld tweede studie en, zo ja, hoe deze weggenomen kunnen worden.

  • De Kamer ontvangt dit voorjaar de professionaliseringsagenda.

  • De Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de raming die in de zomer wordt gemaakt.

  • De Kamer wordt geïnformeerd over de cijfers inzake twee keer nullijn, dit jaar en volgend jaar.

  • De Kamer ontvangt begin februari een brief over alle moties, ingediend tijdens de begrotingsbehandeling.