Kamerstuk 27789-21

Verslag van een algemeen overleg

Modernisering Successiewetgeving; Verslag van een Algemeen Overleg

Gepubliceerd: 21 juli 2009
Indiener(s):
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27789-21.html
ID: 27789-21

27 789
Modernisering Successiewetgeving

nr. 21
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 13 juli 2009

De vaste commissie voor Financiën1 heeft op 10 juni 2009 overleg gevoerd met staatssecretaris De Jager van Financiën over:

– de brief van de staatssecretaris van Financiën d.d. 15 april 2009 betreffende Partnerbegrip in de fiscaliteit (27 789, nr. 18);

– de antwoorden op vragen van de vaste commissie voor Financiën over partnerbegrip in de fiscaliteit (27 789, nr. 20).

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Blok

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Berck

Voorzitter: Omtzigt

Griffier: Basten

Aanwezig zijn 4 leden der Kamer, te weten: Remkes, Koşer Kaya, Omtzigt, Vos.

en staatssecretaris De Jager, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik heet de staatssecretaris en de Kamerleden welkom bij dit algemeen overleg.

De heer Remkes (VVD): Voorzitter. De staatssecretaris stelt in een van zijn brieven dat hij geen toezegging heeft gedaan in termen van het leefvormneutraal maken van het fiscale stelsel. Dat ben ik met hem eens. Toen ik de eerste brief las, vrucht van een toezegging aan de Kamer, was ik toch teleurgesteld. Ik had namelijk verwacht dat er eens wat breder zou zijn gekeken naar een aantal demografische ontwikkelingen. Ik noem ontwikkelingen op het terrein van de gezinssamenstelling, bijvoorbeeld de enorme groei van de eenpersoonshuishoudens in de afgelopen jaren die onherroepelijk de komende jaren door zal gaan, het steeds economisch zelfstandiger worden van veel vrouwen en ontwikkelingen op het terrein van de sociale zekerheid. Dan is de uniformering van het partnerbegrip een van de elementen die daarbij zeker aan de orde horen te komen. Als het gaat om de zorgplicht en de draagkracht zijn die ontwikkelingen terdege relevante factoren. Ik vind dat de staatssecretaris daar in zijn brieven te nadrukkelijk over zwijgt.

In de eerste brief zegt de staatssecretaris: de vraag is of alleenstaanden ten opzichte van meerpersoonshuishoudens fiscaal in een nadelige positie verkeren. Dat staat als vraagpunt geformuleerd, maar vervolgens ontbreekt ieder begin van een antwoord op die vraag. Even los van de vraag waar je politiek wilt landen, vind ik dat die vraag in analytische zin onder ogen gezien moet worden. Het wetsvoorstel over erf- en schenkbelasting ligt nu op tafel. Ik neem aan dat de Kamer dat vrij snel na het zomerreces plenair zal afronden. Daarin wordt voorgesteld om te komen tot een inperking van de fiscale mogelijkheden langs de lijn van het eisen stellen aan samenwoningsrelaties, de notarieel vastgelegde zorgplicht. Wij komen daar inhoudelijk bij de behandeling van het wetsvoorstel nog wel uitvoerig op terug. Ik ben nog niet overtuigd van het voorstel van de staatssecretaris op dit punt. Dat hoeven wij nu niet uitvoerig uit te praten, want dat doen we direct na het reces. Ik zie het punt dat daar gemaakt wordt, maar ik wil te zijner tijd wel nadere argumenten om een einde te maken aan het als partner kwalificeren van inwonende kinderen.

Positief vind ik dat een eind komt aan de mallotige situatie dat de gemeenschappelijke huishouding niet meer bestaat wanneer mensen in een verzorgings- of verpleeghuis komen. Ik vind het voorstel van de staatssecretaris op dat punt heel goed. Wij zullen dat zeker steunen. De staatssecretaris rept verder in de brief van 15 april van objectieve criteria. In dat verband zegt hij dat ongehuwd samenwonen verder moet gaan dan louter schaalvoordelen. Ik snap wat daar gezegd wordt. In de eerste brief wordt genoemd dat er een kind geboren moet zijn in de relatie. In de tweede brief wordt daaraan toegevoegd dat je elkaar aangewezen hebt als pensioenpartners. Daarnaast wordt gesteld dat het moet gaan langs de lijn van de eigen woning. De staatssecretaris zegt dat hij wat dat betreft in de nadenkfase verkeert. Hij heeft het daarom nog niet vertaald in voorstellen. Mijn vraag is wel wanneer de staatssecretaris uitgedacht is, want daar moet wel enige progressie in zitten.

Voor ongehuwd samenwonenden komt de partnerkwalificatie te vervallen. Ik had mij in dat verband een heel andere route voorgesteld. Geredeneerd vanuit keuzevrijheid had ik mij voor kunnen stellen dat de staatssecretaris meedenkt langs de lijn «als gehuwden». Zouden die ook niet de mogelijkheid van vrijwillige keuze moeten hebben? De staatssecretaris werpt naar mijn gevoel een aantal technocratische argumenten op om daar niet voor te kiezen. Ik vind systemen belangrijk. Het moet allemaal werken en het moet ook uitvoerbaar zijn, maar dat mag nooit het startpunt van een redenering zijn. Zo heb ik dat wel gelezen. Als de staatssecretaris dat anders bedoelt, hoor ik dat graag. Maar als ik lees dat het een verzwarende factor bij het realiseren van vooringevulde formulieren is, dan vind ik dat de staatssecretaris niet het goede uitgangspunt heeft gekozen.

Ten slotte heb ik nog een vraag. Op pagina 3 van de laatste beantwoordingsbrief schrijft de staatssecretaris: ik zie vooralsnog geen mogelijkheid tot verdere harmonisatie. Misschien dat met name op het woordje «vooralsnog» nader ingezoomd zou kunnen worden. Kennelijk ziet de staatssecretaris toch op enigerlei wijze een mogelijkheid om aan het eind van de tunnel qua denken wat verder te zijn, anders had dat woordje er niet in hoeven te staan. Misschien kan de staatssecretaris daarop reageren. Verder komen wij hier bij de behandeling van allerlei wetgeving op terug.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Laat ik beginnen met uit te leggen hoe D66 het woordje «vooralsnog» zou invullen. De overheid moet zo objectief mogelijk zijn en zich zo min mogelijk bezighouden met de manier waarop iemand kiest te leven. Dit zou terug moeten komen in de regelingen en wetten die worden gemaakt. Bij de belastingheffing moet dan ook zo min mogelijk rekening worden gehouden met de manier waarop iemand leeft. Dan zullen mensen zo min mogelijk oneigenlijke redenen aanvoeren om wel of niet bij elkaar te wonen of om ervoor te kiezen om wel of niet partner te zijn. Een zo eenvoudig mogelijk stelsel met zo min mogelijk aftrekposten. Des te minder redenen om je druk te maken over een partnerbegrip, het successierecht uitgezonderd uiteraard.

Zolang wij er een partnerbegrip op nahouden, ondersteunen wij de uitgangspunten van de staatssecretaris om de partnerbegrippen te stroomlijnen en zo de administratieve last voor burgers en overheid te verminderen. Ook steunen wij het idee, de wetgeving in zijn geheel overzichtelijker te maken. Door het vervallen van de keuzeregeling wordt de wet overzichtelijker, maar ik heb toch een aantal vragen. Er wordt hierdoor namelijk een bepaalde groep mensen uitgesloten. Kan de staatssecretaris aangeven hoe groot de groep mensen is die er nu voor kunnen kiezen om wel of niet partner te zijn? Kan de staatssecretaris aangeven welk deel van deze groep na de wijziging verplicht partner is en welk deel niet? Ook ben ik erg benieuwd naar de financiële consequenties. De staatssecretaris geeft in zijn brief aan dat de financiële gevolgen per geval verschillen, maar hij geeft niet aan in welk opzicht. Aan de hand van een aantal standaardsituaties zou de staatssecretaris, bijvoorbeeld à la de koopkrachtplaatjes, een overzicht kunnen geven van de consequenties.

De heer Remkes (VVD): We zitten hier toch niet te wachten op een herhaling van het verhaal over die koopkrachtplaatjes?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Nee, maar je zou wel een aantal situaties kunnen schetsen en aangeven wat die tot gevolg hebben. Als wij dat niet helder hebben, weten wij ook niet precies wat de staatssecretaris met financiële consequenties bedoelt.

Voordat we akkoord kunnen gaan met een nieuwe regeling moeten de criteria helder geformuleerd zijn. Mijn collega Remkes had het daar ook over. De criteria aan de hand waarvan mensen als partners aangemerkt zullen worden, moeten nog vorm krijgen. Zonder deze criteria hebben we geen zicht op de grootte van de groep en de consequenties. Dat is toch wel noodzakelijk. De staatssecretaris laat de keuze om partner te zijn vervallen. Wel wil hij de keuzevrijheid laten bestaan om tussen partners de aftrekposten, zoals hypotheekrenteaftrek en de persoonsgebonden aftrek, volgens eigen sleutel te verdelen. Waarom wordt hiervoor gekozen? Ook wil de staatssecretaris een uitzondering maken voor de gevallen waarin mensen een huis kopen vanwege de schaalvoordelen. Op welke manier wil hij dit aantonen? Waarom wordt er over het partnerbegrip nagedacht zonder dit af te stemmen met de collega’s van SZW en VWS? Onder andere de AOW en de AWBZ kennen ook het partnerbegrip. Aangezien het doel is, de wetgeving zo overzichtelijk mogelijk te maken en de administratieve lasten te verminderen, begrijp ik niet dat SZW en VWS hierbij niet betrokken zijn. Het is namelijk logisch om ook naar die wetten te kijken. Graag hierop een reactie.

Voorzitter. Dan de zorgplicht. In het verslag gaat de staatssecretaris in op de zorgplicht die ten grondslag ligt aan de vrijstelling voor partners. De vragen die mijn fractie stelde blijven echter onbeantwoord. Kan de staatssecretaris aangeven hoe deze zorgplicht in de wet is gedefinieerd? Op basis van welke veronderstellingen kan deze zorgplicht niet gelden voor andere groepen mensen die nu worden uitgesloten? Graag helderheid hierover.

Dan het punt leefvormneutraliteit. Wij hebben hier bij de behandeling van het Belastingplan naar gevraagd. De staatssecretaris heeft toen een toezegging gedaan. Mijn collega Remkes heeft daarover ook vragen gesteld. Vervolgens kregen wij een brief waar ik eigenlijk vrij weinig mee kon. De staatssecretaris schrijft in zijn antwoord dat hij nooit heeft toegezegd het belastingstelsel meer leefvormneutraal te maken. Maar dat hebben wij ook niet gevraagd. Wij hebben alleen gevraagd te onderzoeken wat daarvoor nodig is. Op de resultaten van dat onderzoek wachten wij nog steeds. Wanneer kunnen wij dat verwachten? De staatssecretaris geeft aan dat het belastingstelsel in balans is. Dat willen wij graag zelf beoordelen. Daarom hebben wij vragen gesteld over het gehanteerde fictieve inkomen in verschillende regelingen. Ik verzoek de staatssecretaris nogmaals, dit in zijn onderzoek mee te nemen. In zijn brief stelt de staatssecretaris: ik heb in de brief het gelijkheidsbeginsel en het draagkrachtbeginsel genoemd als factoren die de balans bepalen. In dit verband noem ik de successiewetgeving. Ik wil het daar nu niet uitgebreid over hebben, want daar hebben we al over gesproken. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat die wetgeving echt anders moet en dat mensen die geen gezin hebben aan geliefden net zo goed iets moeten kunnen nalaten met dezelfde belastingbepalingen. Ik wil het alleen hebben over de opmerking van de staatssecretaris over het gelijkheidsbeginsel en het draagkrachtbeginsel. Is de geliefde van een alleenstaande minder gelijk dan de geliefde van iemand die een gezin heeft? Dat kan ik mij niet voorstellen. Dus ook in die zin begrijp ik niet wat hiermee bedoeld wordt. Is de staatssecretaris bereid, dit breder te onderzoeken en aan te geven hoe het belastingstelsel leefvormneutraal gemaakt kan worden?

De heer Omtzigt (CDA): Ik spreek nu even in mijn rol als Kamerlid. Ik begrijp uw laatste zin niet. Waaruit herleidt u dat iemand met of zonder kinderen anders behandeld wordt? Ik kan niet plaatsen wanneer dat een verschil oplevert.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Bijvoorbeeld wanneer je alleenstaand bent en je kunt niet kiezen aan wie je iets nalaat. Dat punt zijn wij aan het moderniseren, maar het is nog steeds zo dat iemand die aangewezen wordt meer belasting moet betalen dan iemand die de zoon of de dochter is van de overledene. Dat is natuurlijk vreemd. Is die geliefde minder gelijk?

Mevrouw Vos (PvdA): Voorzitter. Mijn fractie kan heel kort zijn. Wij zijn het eens met de richting die de staatssecretaris inslaat om tot vereenvoudiging te komen. Mijn fractie houdt ook niet van fiscale arbitrage. Daarom ondersteunen wij van harte dat dit minder mogelijk wordt. Er zal veel over worden gesproken als de wetgeving voorligt. Ik ben erg benieuwd naar de antwoorden op de vragen die mijn collega Remkes stelde over de achtergrond van de verschuiving in de samenleving. Je ziet dat er steeds meer alleenstaanden komen. Wat betekent dat voor het partnerbegrip? Ik ben benieuwd of dat snel komt of dat dit pas later komt, wanneer we de wetgeving gaan behandelen.

Ik heb eigenlijk maar een vraag. Waarom vinden wij het redelijk dat fiscale partners bij de inkomstenbelasting hun aftrekposten en vermogens zo gunstig mogelijk mogen verdelen? Dat lijkt ons niet het meest eerlijke systeem, want dat bevoordeelt gezinnen boven alleenstaanden. Is het niet logischer om meer naar rato van het inkomen te belasten?

De heer Omtzigt (CDA): Ik leg mijn voorzittersrol even neer en ik zal zelf een aantal opmerkingen maken namens de CDA-fractie. Het stemt ons tevreden dat er een basispartnerbegrip komt in een aantal wetten: de Wet IB, de Awir en de Successiewet. In aansluiting op de opmerking die mevrouw Koşer Kaya maakte over het partnerbegrip in de AWBZ en de AOW merk ik op dat er ook nog een licht verschil is tussen het partnerbegrip in de AOW en de Wet werk en bijstand. Bestaat de intentie om die ook te harmoniseren? Mevrouw Vos merkte op dat bepaalde vormen van arbitrage mogelijk zijn en dat het voor de burger prettig is om in alle wetgeving hetzij als partner hetzij niet als partner aangemerkt te worden. Nu valt uit het overzicht dat aan de Kamer gestuurd is op te maken dat partners die niet geregistreerd samenwonen maar wel samen een kind hebben voor de Wet IB geen partners zijn, maar voor de toeslagenwetgeving wel.1 Nu krijgt de burger wel twee verschillende kleuren enveloppen voor deze twee zaken, maar enige verwarring kan toch ontstaan. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om een stap verder te gaan in de harmonisatie van het partnerbegrip? Ik heb begrepen dat uitzonderingsposities mogelijk zijn. Dit lijkt mij nu echt een uitzonderingspositie die hieronder valt. Wanneer men gezamenlijk een kind heeft erkend, lijkt het mij toch helder dat men dan elkaars partner is als men op hetzelfde adres woont. Daar is weinig tussen te krijgen. Op het moment dat deze mensen gaan scheiden, moeten zij ouderschapsplannen maken en de hele rimram. Dus zij zijn partner voor allerlei andere wetten, maar dan niet voor de Wet IB. Wat is de achtergrond achter deze keuze?

Voor de CDA-fractie is het heel belangrijk dat er een aantal instituties zijn: het burgerlijk huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen met een notariële akte. Het is logisch om aan die instituties, die wij heel bewust in de wet hebben opgenomen, rechtsgevolgen te verbinden. Hulde voor de manier waarop de staatssecretaris dit heeft gedaan, waarbij men automatisch partner is bij een burgerlijk huwelijk en niet wanneer dit niet het geval is. Bij de Wet IB 2001 treedt er echter een discoördinatie op. Dat komt doordat de heffingskortingen, zoals de alleenstaande-ouderkorting, niet geharmoniseerd worden met het partnerbegrip. Dat blijkt ook uit paragraaf 7 van de beantwoording in de brief van de staatssecretaris. Als twee alleenstaande ouders met hun kinderen gaan samenwonen, zijn zij geen fiscaal partner en ook niet op een andere manier partner. Zij kunnen dan geen gebruikmaken van de heffingskortingen. Dat is een beetje raar. Er zijn kennelijk verschillende definities van het partnerbegrip in de Wet IB. Is de staatssecretaris bereid om te komen met een plan om het partnerbegrip ook op dit punt te harmoniseren, dus in de Wet IB, naast de verdere harmonisatie van het partnerbegrip waar de staatssecretaris samen met SZW en VWS naar zal kijken? Ik kan de staatssecretaris een artikel van mijn hand doen toekomen op dit punt uit Christen Democratische Verkenningen. Ook mevrouw Vos zal ik een exemplaar toesturen, want ik denk niet dat dit voor haar dagelijkse kost is.

De CDA-fractie staat in principe positief tegenover het afschaffen van de keuzeregeling in de Wet IB. Naar aanleiding van de Successiewet heb ik nog een aantal opmerkingen, waarop ik graag nu of later schriftelijk antwoord krijg. Sporadisch komt het voor dat broers en zussen hun levenlang samen blijven wonen. Op dit moment heb je het begrip meerpersoonshuishoudens in de successiewetgeving. Wanneer het om twee personen gaat, is het niet zo moeilijk. Dan kan men een samenlevingscontract bij de notaris afsluiten. Wat raadt de staatssecretaris aan als het gaat om drie personen? Wat adviseert de staatssecretaris deze mensen op het moment dat zij de woning graag in het bezit van hun broers of zussen zouden achterlaten en niet duidelijk is wie er als eerste doodgaat? Wie zou met wie een partnerschap moeten aangaan? Kan de staatssecretaris daar überhaupt een advies over geven?

Met een aantal andere fracties missen wij het overzicht van de voor- en nadelen van eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens. Dat is buitengewoon complex geworden. Het wordt verschillend behandeld in de AOW, de Wet IB en de toeslagenwetgeving. Wij begrijpen dat dit omvangrijk is, maar wij zouden wel graag op papier zien wat dat betekent. We hebben het wel steeds over het draagkrachtbeginsel, maar we kunnen het niet eens in kaart brengen. Kan de staatssecretaris een overzicht geven van de faciliteiten voor verschillende huishoudens, zoals een eenpersoonshuishouden, een alleenstaande ouder, een tweeverdiener met kinderen en een eenverdiener met kinderen?

Mevrouw Vos (PvdA): Een woongroep?

Staatssecretaris De Jager: U wilt toch vereenvoudigen?

Mevrouw Vos (PvdA): Dat moet wel in de context van de complexiteit van de samenleving.

De heer Omtzigt (CDA): Dan voeg ik er een klooster aan toe. Dat is de CDA-vorm van een woongroep.

Staatssecretaris De Jager: Ik ben bang dat het steeds ingewikkelder wordt. Dat is altijd in de overleggen met de Kamer.

De heer Omtzigt (CDA): Is de staatssecretaris bereid om met een dergelijk overzicht te komen? Ik heb namelijk het gevoel dat er zoveel regelingen zijn dat wij niet meer weten hoe ingrijpend het is en wat de voor- en nadelen zijn. Het zou goed zijn als de Kamer dat overzicht na het zomerreces krijgt. Dit laat onverlet dat wij buitengewoon tevreden zijn met het feit dat er een forse vereenvoudiging plaatsvindt. Wij zien uit naar de wetgeving. Wanneer wordt het voorstel aan de Kamer gestuurd?

Ik hervat mijn taak als voorzitter en ik schors de vergadering om de staatssecretaris gelegenheid te geven zijn antwoord voor te bereiden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Staatssecretaris De Jager: Voorzitter. Ik begin met een mededeling naar aanleiding van een verzoek van mevrouw Koşer Kaya. Ik heb hier een aantal rekenvoorbeelden die ik wil toevoegen aan het verslag1. Ik zal er straks in algemene zin op ingaan hoe je kunt omgaan met aftrekposten en dergelijke.

De heer Remkes vraagt wanneer wij zijn uitgedacht over het partnerbegrip. Het is mijn voornemen, mede naar aanleiding van de uitkomst van dit debat, om deze harmonisering van het partnerbegrip mee te nemen in de vereenvoudigingswet die meeloopt op het komende Belastingplan. Dus dat is vrij snel. Ik hoop bij het komende Belastingplan, afhankelijk van het oordeel van deze Kamer, te komen tot een uitwerking van de harmonisering en vereenvoudiging van het partnerbegrip. Een aantal van de zaken die hier aan de orde zijn gesteld, kan ik in de toelichting daarop meenemen.

De heer Remkes vraagt ook of nog verdergaande harmonisatie van het partnerbegrip in de Successiewet en Awir mogelijk is. Mijn inzet is om tot een vereenvoudiging te komen. Dat was ook de inzet van de Kamer, maar ik zie vandaag al de eerste uitzonderingen de revue passeren, de kloosters en zo.

Die vereenvoudiging houdt in zo veel mogelijk harmonisatie van de partnerbegrippen.

Wij denken dat dit in vergaande mate gaat lukken tussen de Wet IB en de Awir, dus tussen de inkomstenbelasting en de toeslagen. Dan zou het voorbeeld van de heer Omtzigt tot de verleden tijd kunnen behoren. De uitgangspunten van de Successiewet wijken wel heel erg af ten opzichte van de Wet IB en de Awir. Wij hebben niet voor niets aangekondigd dat wij met een basispartnerbegrip komen dat geharmoniseerd is, met afwijkingsmogelijkheden. De Successiewet zal op een enkel punt, om tegemoet te komen aan maatschappelijke vragen of politiek gewenste elementen, kunnen afwijken. Het kan echter heel goed zijn dat de ervaringen met de nieuwe Successiewet tot herijking van de uitgangspunten zullen leiden. Het verschil met nu is dat de Successiewet aangrijpt bij het civiele recht. Als daar sprake is van afdwingbare wederzijdse zorgplicht zijn er faciliteiten in de sfeer van tarief en vrijstelling aan verbonden, terwijl de Wet IB en de Awir in zijn algemeenheid aangrijpen bij de draagkracht op het niveau van de leefeenheid. Dat leidt tot een ruimer partnerbegrip. Het kan dus zijn dat wij moeten constateren dat wij op basis van de uitgangspunten van die twee wetsystematieken een verschil van mening hebben. Wij moeten echter geen deuren dichtgooien. Al naar gelang de maatschappij zich ontwikkelt, moet je ook openstaan voor een andere invulling van het partnerbegrip.

Bij mij staat allereerst voorop dat wij een stevige poging moeten doen om tot een uniformering te komen van het partnerbegrip in verschillende fiscale wetten. Ten tweede wil ik dat wij daarbij op een aantal elementen dichter bij de maatschappelijke definitie komen te staan. Het is dan bijvoorbeeld voor de Successiewet niet zo vreemd dat een inwonend kind dan niet meer als partner geldt maar als kind. Laten we eerlijk zijn, dat sluit gewoon dicht aan bij het maatschappelijke begrip van partnerschap. Als je dan tot zo veel mogelijk harmonisering moet komen, moet je proberen om zo dicht mogelijk bij het maatschappelijk begrip te blijven. Het derde element is de leefvormneutraliteit. Ik heb het idee dat er verwarring kan ontstaan over wat daaronder wordt verstaan. Betekent het bijvoorbeeld dat je in de inkomstenbelasting geen enkel onderscheid maakt tussen een leefeenheid van partners en een alleenstaande of betekent het dat je sec moet komen tot een volledige individualisering van het belastingrecht, waarbij je geen recht doet aan het draagkrachtbeginsel bijvoorbeeld? Ik heb van mevrouw Koşer Kaya de vorige keer begrepen dat het zo veel mogelijk leefvormneutraal moet zijn. Daarbij worden twee partners van hetzelfde geslacht die heel veel om elkaar geven en samenwonen fiscaal precies hetzelfde behandeld als gehuwden. Wanneer zij samen een kind adopteren moet dat kind ook fiscaal als kind gelden voor de successiebelasting. Dat heb ik zo begrepen. Het is in ieder geval niet mijn bedoeling om het fiscaal stelsel te individualiseren, want dan kan niet worden voldaan aan het draagkrachtbeginsel.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Natuurlijk moet niet zodanig geïndividualiseerd worden dat geen verschil meer mogelijk is. Soms moet er juist verschil zijn om gelijkheid te kunnen krijgen. Tegelijkertijd geef ik wel aan dat het leefvormneutraal moet zijn, zodat de verschillen niet dusdanig zijn dat de een onevenredig meer met bepaalde consequenties te maken heeft dan de ander. Met mijn opmerking over de successiewetgeving bedoelde ik de situatie waarin een alleenstaande iemand aanwijst. Dan moet die geliefde hetzelfde behandeld worden als de geliefde van iemand die niet alleenstaand is, dus die moet ook dezelfde belasting betalen. Alleenstaanden moeten voor de ABWZ en andere soorten wetgeving naar draagkracht meebetalen. Als je dit bij elkaar optelt, kun je al bijna niet meer van een evenredige draagkracht spreken. Daar moet wel degelijk oog voor zijn. Bekeken moet worden hoe wij ervoor kunnen zorgen dat alleenstaanden niet substantieel meer moeten betalen dan samenwonenden.

Staatssecretaris De Jager: Helder is dat wij oog moeten hebben voor de verschillen, ook als het gaat om de draagkracht. De draagkracht is daar een belangrijk element in. Over de successiebelasting komen wij te spreken bij de behandeling van de wetgeving. De geliefde van een alleenstaande moet natuurlijk hetzelfde worden behandeld als de geliefde binnen een huwelijk. Mevrouw Koşer Kaya had het ook over het kind, dat een lager tarief krijgt dan een niet-kind. Het kind kan dan gezien worden als geliefde van de ouder. Ik begrijp dat zij dat opmerkt en ik wijs erop dat de tarieven voor de derde-verkrijgers in mijn voorstellen het meest naar beneden gaan. Het voordeel ligt daar voor een belangrijk deel. Maar inderdaad is er nog steeds een verschil tussen een derde-verkrijger en een kind. Er zijn mensen die vinden dat er geen onderscheid moet zijn tussen kinderen en niet-kinderen, maar in het maatschappelijk verkeer vinden mensen over het algemeen dat kinderen in een lager tarief ondergebracht moeten kunnen worden. In het algemeen overleg over de plannen voor de successiewetgeving is besproken dat kleinkinderen er op achteruit konden gaan. Op verzoek van de Kamer heb ik een extra categorie gemaakt om kleinkinderen een extra tariefgroep te gunnen. Liever had ik het iets eenvoudiger gehouden, maar het is nog steeds een belangrijke vereenvoudiging. Wij hebben dus toch een extra categorie in dit wetsvoorstel. Dus je kunt niet altijd in theoretische zin stellen dat iedereen gelijk is. Soms moet je ook recht doen aan de gevoelens die er zijn. Ik heb geprobeerd, zoveel mogelijk recht te doen aan het gevoel dat derde-verkrijgers op dit moment te veel betalen, maximaal 68%. Dat gaat nu omlaag naar 40%. Dat tarief gaat het meest omlaag. Tegelijkertijd wordt het tarief voor kinderen lager dan dat voor derde-verkrijgers. Daartussen moet ik schipperen. Ik wil daar bij de behandeling van het wetsvoorstel over successiebelasting verder over debatteren.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Wij komen inderdaad nog te spreken over de successiewetgeving. Ik vind nog steeds dat iemand die door een alleenstaande is aangewezen niet als derde-verkrijger zou moeten worden gezien, maar hetzelfde moet worden behandeld als een zoon of dochter aan wie een erfenis wordt nagelaten. Het andere punt dat betrekking heeft op de alleenstaande blijft nog steeds staan. Alleenstaanden moeten als je al die wetten naast elkaar zet – ik heb de AWBZ genoemd, waarin bepaalde eigen bijdragen gevraagd worden van alleenstaanden – veel meer bijdragen dan partners. Leefvormneutraal betekent dat alleenstaanden in dezen uiteindelijk niet meer moeten bijdragen dan in een gezin of in een relatie, geregistreerd dan wel gehuwd.

Staatssecretaris De Jager: Ik probeer mij te richten op datgene waar ik over ga, dus fiscaliteit en toeslagen. Voor fiscaliteit heb ik de gehele verantwoordelijkheid en voor toeslagen heb ik medeverantwoordelijkheid. Wat dat betreft moeten wij zoveel mogelijk recht doen aan de principes van het gelijkheidsbeginsel, draagkrachtbeginsel en leefvormneutraliteit, maar dan op de manier zoals ik het heb ingevuld, waarbij twee verschillende partnerschappen hetzelfde worden behandeld. In de fiscaliteit bestaan er nog steeds verschillen tussen de mogelijkheden van de alleenstaande en de samenwonende. In de rekenvoorbeelden die ik heb laten uitdelen, wordt dat aangegeven, bijvoorbeeld als het gaat om de terecht door mevrouw Koşer Kaya genoemde aftrekposten. Ik moet er wel bij zeggen dat de wettelijk geboden mogelijkheid voor de optimale toerekening van aftrekposten of bijvoorbeeld de overdracht van heffingsvrij vermogen van box 3 niet beoogt om partners te bevoordelen ten opzichte van alleenstaanden. Uitgangspunt van de Wet IB is nog steeds individualisering, maar bij partners, waarbij inkomen en vermogen verweven is, leidt een strikte toepassing van de individualisering tot uitvoeringsproblemen. Neem de giftenaftrek. Hoe kun je aantonen wie van de twee samenwonende partners aan het Rode Kruis een gift heeft overgemaakt? Dat kunnen wij als overheid niet controleren en dat moeten wij ook niet willen. Dus vraag je maar aan de partners om dat toe te delen. Hetzelfde geldt voor een gezamenlijk banksaldo of op wie de doktersrekening van een minderjarig kind drukt. Uit dat oogpunt zijn bepaalde keuzes mogelijk die dan inderdaad tot voordeel zouden kunnen leiden voor partners, maar er zijn ook andere elementen waarbij partners juist geen voordeel hebben. Het is heel moeilijk om dat tegen elkaar af te wegen. Het gaat niet om gigantische bedragen, omdat het normale uitgangspunt van de Wet IB individualisering is. Alleen in de randen van de wet zijn er mogelijkheden, ofwel toedelingsmogelijkheden ofwel nadelen voor partners. Met rekenvoorbeelden kunnen we daar wel de spotlight op zetten om zaken te accentueren, maar dat uitgangspunt is er niet voor niets.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Als ik de staatssecretaris beluister, pleit hij er net als ik voor om helder te krijgen wat nodig is om de leefvormneutraliteit zo veel mogelijk naar draagvlak en gelijkheid te introduceren. Ik vraag de staatssecretaris nogmaals om dat te onderzoeken, zodat de Kamer kan bepalen of het stelsel in balans is of niet.

Staatssecretaris De Jager: Belangrijk voor mij is om tot harmonisering van het partnerbegrip en tot vereenvoudiging van de wetgeving te komen. Dat was ook een wens van de Kamer. Iedereen heeft zich daarvoor uitgesproken. Ik zal de Kamer dan ook met het vereenvoudigingswetsvoorstel een onderbouwd voorstel doen toekomen. Dan kan ik daarbij aangeven wat de voor- en nadelen zijn voor verschillende leefvormen. Bijvoorbeeld bij een eenpersoonshuishouden heb je geen extra heffingskorting. Bij alleenstaande ouders is er de aanvullende alleenstaande-ouderkorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de kindertoeslag in box 3. Een tweeverdiener met partners heeft weer een inkomensafhankelijke combinatiekorting bij een van de beide partners en de kindertoeslag in box 3. Een eenverdiener met kinderen heeft een uitbetaling van de heffingskorting aan de niet-verdienende partner, die we overigens gaan uitfaseren. Ik kan in het voorstel een tabelletje opnemen met die gegevens. Dat geeft dan in ieder geval een beeld. Ik ben er echter niet op voorhand van overtuigd dat dit onbedoelde elementen zijn die het stelsel te weinig leefvormneutraal zouden maken, aangezien ik van mening ben dat de huidige diffusiteit in de partnerbegrippen zo veel mogelijk tot een einde gebracht moet worden via harmonisering. Maar goed, daar kan de Kamer een oordeel over geven bij de behandeling van het vereenvoudigingsvoorstel.

Mevrouw Koşer Kaya vraagt naar de groep die nu een keuzerecht heeft. Dat is niet bij ons bekend, omdat bij de Belastingdienst alleen het feit dat iemand partner is bekend is en niet de reden daarvoor. We kunnen dat niet uit het systeem halen. We weten wel om welke types het gaat. Ik geef het voorbeeld van zes studenten die samenwonen op een etage en die uitrekenen welke combinaties zij moeten vormen om optimaal te profiteren van de aftrekposten en heffingen. Dat is bij de Belastingdienst allemaal niet bekend, maar ik hoor met regelmaat uit die kringen dat dit gebeurt. Vaak weten studenten in steden waar een economische of fiscale faculteit gevestigd is dat beter dan in steden waar alleen maar technische faculteiten gevestigd zijn. Daar wordt heel veel gebruik van gemaakt. Het aantal weten we niet, maar daar was het partnerbegrip natuurlijk niet voor bedoeld. Dus het is niet erg als die mogelijkheden er bij de harmonisering van het partnerbegrip uitvallen. Het gaat overigens voor die studenten niet om heel veel geld, maar zij vinden het prachtig om op die manier een paar honderd euro met elkaar te besparen per jaar. Daar kun je toch weer een paar kratten bier voor kopen.

De heer Omtzigt (CDA): Dat komt ook weer terug bij jullie.

Staatssecretaris De Jager: Dat klopt. Ik zal de heer Omtzigt er maar niet aan herinneren dat zijn fractie mede de wijnaccijns een klein beetje had verhoogd. Dat wilde ik toen liever niet.

De heer Omtzigt (CDA): Dank u wel partijgenoot.

Staatssecretaris De Jager: Ik ben dienaar van de Kroon.

Hiermee ben ik bij de heer Omtzigt aanbeland. Hij vraagt of ik fiscaal advies heb voor drie broers of zussen die op hoge leeftijd samenwonen. Het past allereerst natuurlijk een staatssecretaris niet om fiscaal advies te geven. Ik ben geen belastingadviseur. Ik geef geen tips om belasting te besparen. Het is mogelijk dat twee broers of zussen een samenlevingsovereenkomst sluiten. Dat mogen zij ook successievelijk doen. Dat staat het wettelijk regime niet in de weg. Belangrijker is dat er niet noodzakelijkerwijs sprake hoeft te zijn van het maatschappelijk begrip van partners. Dat geldt ook bij het inwonende kind. Dus het is op zichzelf goed dat men bij successiebelasting aansluit bij bijvoorbeeld een samenlevingsovereenkomst.

De heer Remkes (VVD): Ik begrijp wat de staatssecretaris zegt, maar ik wil toch proberen een contra-argumentatie te vinden. Stel dat er sprake is van een nadrukkelijk mentaal aangegane zorgplicht, even los van juridische termen, van de ene broer ten opzichte van de andere broer of van het kind ten opzichte van de ouder. Dan is in belangrijke mate voldaan aan de filosofie die de staatssecretaris op tafel legt. Dan is voor mij de vraag of je daar niet een objectieve maatstaf voor zou kunnen vinden.

Staatssecretaris De Jager: Dat zou die samenlevingsovereenkomst kunnen zijn, want die volgen wij. Als die twee broers, twee zussen of een zus en een broer een samenlevingsovereenkomst sluiten, zullen wij die volgen in mijn huidige voorstel. Alleen zal dit, net zoals het nu in de Wet IB en de Awir geregeld is, uitsluitend gelden voor tweerelaties. Wij spreken ons niet uit over de vorm van die tweerelatie. Een samenlevingsovereenkomst is dan voldoende om die band te bevestigen.

Mevrouw Vos (PvdA): Dat kan dus niet met zijn drieën?

Staatssecretaris De Jager: Nee, dat kan in de Wet IB en de Awir nu al niet. Dat kan in de huidige successiebelasting wel. Om de begrippen meer te stroomlijnen, zal dat in de successiebelasting straks ook beperkt worden tot tweerelaties. We geven dan geen kwalificatie of dat man-man, broer-broer, broer-zus, man-vrouw, gehuwd of niet is. Gehuwden hoeven natuurlijk geen samenlevingsovereenkomst te sluiten, maar anderen kunnen dat wel. Net als in de huidige Wet IB en de Awir kennen we in dat nieuwe regime inderdaad alleen maar tweerelaties.

De heer Omtzigt (CDA): Nog een aanvullende vraag. Kunt u dat een keer uiteenzetten samen met uw collega van SZW? Het gaat hier maar om een zeer kleine groep mensen, maar het blijkt in elke regeling een beetje mis te lopen. Je kunt bijvoorbeeld als je met zijn drieën bent onder bepaalde omstandigheden in aanmerking komen voor drie keer alleenstaanden-AOW, dus drie keer de 70%-AOW. Overlijdt een van de drie, dan word je automatisch aangemerkt als partner en krijg je de 50%-AOW. Hoe kan dat worden gestroomlijnd? Als ik de brieven van die mensen lees, kan ik daar geen fatsoenlijk antwoord op formuleren. Het zou prettig zijn als de overheid daar eens naar kijkt. Is de staatssecretaris bereid om samen met de ministeries van SZW en VWS nog een stap verder te gaan en te bekijken hoe er in de socialezekerheidswetgeving en de AWBZ-wetgeving, waar ook een heel groot verschil zit in de eigen bijdrage die je moet betalen op het moment dat je in een verpleeghuis wordt opgenomen, een verdergaande stroomlijning mogelijk is? Dan zullen er wel allerlei problemen en haken en ogen naar voren komen, maar dat is juist goed.

Staatssecretaris De Jager: Ik begrijp de vraag heel goed. Ik kan het verzoek wel overbrengen aan mijn collega’s, maar ik kan nu alleen ingaan op de harmonisering en stroomlijning van de partnerbegrippen binnen de fiscale wetgeving en de Awir, waar overigens ook al verschillen in zijn. Het is al een belangrijke vereenvoudiging. Dat geldt zowel voor de blauwe als voor de rode brieven. Wij hebben wel uitvoerig overleg gevoerd met de collega’s van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wij hebben bijvoorbeeld bekeken of het mogelijk is om de vereenvoudiging in één keer voor socialezekerheidswetgeving mee te nemen. Gebleken is dat er een fundamenteel verschil is tussen belasting heffen en algemene inkomensregelingen – dus toeslagen – enerzijds en de socialezekerheidswetgeving anderzijds. De sociale zekerheid lijkt niet te kunnen werken met een verplicht partnerbegrip. Het voeren van een gezamenlijke huishouding is dan doorslaggevend. De feitelijke omstandigheden die getoetst moeten worden, wegen dan heel zwaar. Dat zou een vereenvoudiging in de fiscaliteit in de weg staan. Ons is verzekerd dat het in de sociale zekerheid nodig is om met het voeren van een gezamenlijke huishouding te werken en met het toetsen van feitelijke omstandigheden. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen, want het is een heel ander begripskader. Dat doen we op heel veel andere punten, als we het over de grondslag hebben, in de fiscaliteit ook. In de fiscaliteit is het echter wel mogelijk om tot een zo objectief mogelijk partnerbegrip te komen en een min of meer objectieve keuze te maken, zodat je dat begrip kunt voorinvullen. Mevrouw Koşer Kaya vroeg of dat voorinvullen wel zo belangrijk is. Naar mijn mening is het voor burgers een enorme vereenvoudiging als wij het partnerbegrip kunnen voorinvullen in het systeem. Wij streven er binnen de Belastingdienst naar om de aangifte straks zodanig te maken dat het alleen een kwestie van een akkoord is, een kwestie van een sms’je bij wijze van spreken. Je krijgt een heel vooringevuld verhaal. Het partnerbegrip ligt heel ingewikkeld en het is voor burgers moeilijk om dat te toetsen. Dus dat zou een vereenvoudiging zijn. In de sociale zekerheid ligt dat anders. Ik kan het verzoek van de Kamer wel overbrengen, maar het lijkt mij zo complex dat dit een keer met de betreffende commissie en bewindspersonen aan de orde gesteld moet worden. Meer kan ik daarover niet toezeggen.

De heer Omtzigt (CDA): U zit hier namens het kabinet als staatssecretaris van Financiën. U geeft net aan dat er uitgebreid over nagedacht is. Ik zou het heel prettig vinden als dat in een brief aan de Kamer wordt verwoord. Dan kan de Kamer bekijken hoe zij daarmee omgaat. Ik geef maar één denkrichting aan. Ik kan mij heel goed voorstellen dat op het moment dat iemand onder de fiscaliteit verplicht partnerschap heeft, dat ook gevolgen heeft voor de socialezekerheidswetgeving. Ik zie wel dat er allerlei uitzonderingen zullen komen, maar ik zou graag zien dat begonnen wordt om die slag te maken. Wij hebben nu van allerlei ministeries verschillende stukken over partnerschap. We hebben bijvoorbeeld socialezekerheidswetgeving voorliggen over het controleren, met alles wat daarbij komt kijken. Dat grijpt helemaal niet hierop aan. Dan komen er mensen bij ons die zeggen: in het ene geval ben ik wel partner en in het andere geval niet. Het zal die mensen een zorg zijn van welk ministerie dat precies afkomstig is. Ik krijg graag een brief waarin de staatssecretaris dat samen met zijn collega’s uiteenzet.

Staatssecretaris De Jager: Op mijn terrein is al het nodige gedaan, maar ik zal de bewindspersonen van SZW en van VWS verzoeken om een reactie te geven op de vraag of dit aanleiding is om aan hun kant ook tot harmonisering te komen. Ik zeg er meteen bij: in het overleg is al heel duidelijk naar voren gekomen dat dit dusdanig andere terreinen zijn, dat het niet vreemd is als daar een ander partnerbegrip zou gelden. Het is al moeilijk genoeg om één partnerbegrip binnen de fiscaliteit te krijgen. Maar dat doe ik van harte en dat zal ik ook voorstellen aan de Tweede Kamer. Dan zullen we de discussie nog aangaan of er wel of niet uitzonderingen moeten zijn. Ik zie dus niet op voorhand in dat de collega’s van SZW en van VWS die harmonisering zullen volgen. Ik kan hen echter wel vragen om uit te leggen waarom dat wel of niet kan.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb een aanvullende vraag op dit punt. Ik kan mij voorstellen, omdat het in de sociale zekerheid om verschillende wetten gaat, dat er andere partnerdefinities gehanteerd moeten worden. Het resultaat is echter vaak dat het onevenredig nadelige dan wel positieve gevolgen heeft in belastingrechtelijke zin. Dat is een cruciaal punt. Wellicht kunnen we daar wel iets aan doen. Dus we kunnen misschien niet juridisch eenzelfde partnerbegrip regelen, maar misschien kan er wel iets aan de uitkomsten worden gedaan. Dat is een heel belangrijk punt dat in die brief kan worden meegenomen. Is de staatssecretaris daartoe bereid?

Staatssecretaris De Jager: De belastingrechtelijke fiscale aspecten zal ik meenemen in de tabel die ik net heb toegezegd, ook van eventuele andere regelingen. Ik zal proberen de fiscale aspecten breed op te nemen. Wanneer het op het terrein ligt van de AWBZ of van Sociale Zaken zullen de betrokken bewindspersonen daarop reageren.

Hiermee heb ik mijn antwoord in eerste termijn afgerond.

De voorzitter: Zijn er nog vragen blijven liggen?

De heer Remkes (VVD): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Wij komen hier wat mij betreft bij de wetgevingstrajecten na de zomer op terug.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. De staatssecretaris is nog niet ingegaan op de zorgplicht. Ik heb vragen gesteld over de zorgplicht die ten grondslag ligt aan de vrijstelling voor partners, of daar invulling aan gegeven kan worden. Ook wil ik weten waarom ervoor gekozen is de hypotheekrenteaftrek en persoonsgebonden aftrek volgens eigen sleutel te verdelen.

Staatssecretaris De Jager: Op die laatste vraag heb ik al antwoord gegeven. Ik heb gezegd dat dit een historische reden heeft en dat het niet gaat om het bevoordelen of benadelen van partners ten opzichte van individuele personen. Het is niet mogelijk om deze vormen van aftrek te traceren tot een individuele aftrekpost. Ik heb het voorbeeld gegeven van een gift, maar het geldt ook voor de hypotheekrenteaftrek.

Mevrouw Vos (PvdA): Ik had dezelfde vraag. Het antwoord is dus dat het niet mogelijk is omdat het niet na te trekken is. Over de vraag of dit type fiscale arbitrage redelijk is, zijn wij het misschien met elkaar wel stiekem eens.

Staatssecretaris De Jager: Misschien wel. Ik wijs er wel op dat wij met elkaar hadden kunnen besluiten om automatisch voor de verdeling 50/50 te kiezen. Ik veronderstel, zeker ook vanwege vragen uit de Kamer, dat de toenmalige staatssecretaris hiervoor heeft gekozen omdat de belastingplichtige een voor zichzelf gunstig regime kan invullen. Het is natuurlijk denkbaar dat je het op 50/50-basis zou verdelen, maar dat kan ertoe leiden dat de een geen aftrek heeft voor 50% en de ander wel over de drempel heengaat. Ik denk dat de toenmalige wetgever er daarom voor gekozen heeft om het de belastingplichtige zelf in te laten vullen.

De zorgplicht is inderdaad niet gedefinieerd. De betekenis is gewoon naar maatschappelijk gebruik ingevuld. Je zou kunnen zeggen dat wij proberen aan te sluiten bij wat wij in maatschappelijk opzicht als zorgplicht zien. Het is een algemeen beginsel dat verder niet door de wetgever is ingevuld.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik probeer de staatssecretaris hierin te volgen, maar het is mij nog niet helemaal helder. Je zou dat toch echt in de wet wat objectiever moeten definiëren willen wij daarmee kunnen werken. De uitleg van de staatssecretaris dat aangesloten wordt bij wat in het algemeen als zorgplicht wordt gezien, kan ik niet helemaal volgen.

Staatssecretaris De Jager: Een open norm of een norm die naar maatschappelijk gebruik wordt ingevuld, is heel gebruikelijk, ook in de fiscaliteit. Het is heel moeilijk om de zorgplicht te codificeren. Ik weet ook niet of het nodig is. Mij zijn in ieder geval geen problemen bekend. Maar als die er wel zijn, hoor ik het graag. Dan kan ik daar bij het wetsvoorstel nog aandacht aan geven als er problemen zijn vanwege het feit dat dit wettelijk niet helemaal is dichtgetimmerd.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Op zichzelf begrijp ik dat.

De heer Remkes (VVD): Dat moet je ook niet willen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dat moet je misschien ook niet willen, maar dan is de vraag toch van wiens maatschappelijke gebruik wordt uitgegaan. Dat zou toch helder moeten zijn om dit op een werkbare manier in te kunnen vullen.

Staatssecretaris De Jager: Ik heb erkend dat er allerlei problemen zijn met betrekking tot de diffusiteit in partnerbegrippen. Daar wil ik graag iets aan doen, maar volgens mij is er weinig misverstand rondom het begrip zorgplicht. Dat speelt met name in de successiebelasting waarover wij binnenkort komen te spreken. Ik wil afspreken dat ik daarbij op nadere vragen van D66 zal ingaan. Het is namelijk gemakkelijker om ergens invulling aan te geven als je het over iets concreets hebt, over wat het in het kader van de successiebelasting betekent, in plaats van over iets abstracts.

De heer Omtzigt (CDA): Dan heb ik nog twee nagekomen vragen in mijn hoedanigheid als Kamerlid. De eerste is of nu definitief geharmoniseerd wordt tussen de Wet IB en de Awir op twee partners die op hetzelfde adres ingeschreven staan en een kind hebben dat uit die relatie erkend is. Dat is mij niet geheel duidelijk. De tweede betreft een verdergaande harmonisatie in de IB, omdat een aantal heffingskortingen, zoals de alleenstaande-ouderkorting, niet geharmoniseerd is op basis van het partnerbegrip maar op basis van de leefsituatie. Ik vind het prima als de staatssecretaris daarop schriftelijk ingaat.

Staatssecretaris De Jager: Op de eerste vraag kan ik heel duidelijk ja antwoorden. Op de tweede vraag wil ik graag bij de behandeling van de vereenvoudigingswet terugkomen.

De voorzitter: Dan zijn wij gekomen aan het einde van dit overleg. Ik som de toezeggingen van de staatssecretaris op. Er komt een vereenvoudigingswet die gaat meelopen met het Belastingplan over fiscale maatregelen en dergelijke in 2010, waarin de harmonisatie van het partnerbegrip wordt vastgelegd. Bij dat wetsvoorstel komt een overzicht met alle fiscale en andere voor- en nadelen van de verschillende leefvormen die zijn opgesomd tijdens dit overleg. De staatssecretaris zal het verzoek aan SZW en VWS overbrengen om met een brief te komen over de verdere stroomlijning van het begrip partnerschap in de socialezekerheidswetgeving en de AWBZ. Ik doel op intramurale opnames. Tevens zal de staatssecretaris deze bewindslieden verzoeken om na te gaan wat de wettelijke consequenties zijn van het voeren van een driepersoonshuishouden dat bestaat uit broers of zussen. De harmonisatie van een erkend kind wordt toegevoegd. Op de vereenvoudiging in de IB komt de staatssecretaris terug bij de behandeling van het wetsvoorstel.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik ben blij met de toezeggingen.

De voorzitter: Dan dank ik de staatssecretaris, de hem vergezellende ambtenaren en de leden van de vaste commissie voor hun aanwezigheid en sluit ik de vergadering.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Blok (VVD), voorzitter, Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Weekers (VVD), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Kalma (PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (ChristenUnie), Van der Burg (VVD), Tony van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Tang (PvdA), Vos (PvdA), Bashir (SP), Sap (GroenLinks) en Linhard (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Remkes (VVD), Pieper (CDA), Aptroot (VVD), Jan de Vries (CDA), Van Hijum (CDA), Mastwijk (CDA), Elias (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Van der Veen (PvdA), Smilde (CDA), Anker (ChristenUnie), Nicolaï (VVD), De Roon (PVV), Kuiken (PvdA), Karabulut (SP), Thieme (PvdD), Heijnen (PvdA), Roefs (PvdA), Van Gerven (SP), Vendrik (GroenLinks) en Smeets (PvdA).

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.