Kamerstuk 23987-151

Verslag van een algemeen overleg

EU-uitbreiding

Gepubliceerd: 17 februari 2015
Indiener(s): Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA)
Onderwerpen: europese zaken internationaal
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23987-151.html
ID: 23987-151

Nr. 151 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 februari 2015

De vaste commissie voor Europese Zaken en de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken hebben op 10 december 2014 overleg gevoerd met Minister Koenders van Buitenlandse Zaken over:

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 31 oktober 2014 inzake de aanbieding Kabinetsappreciatie uitbreidingspakket 2014 (Kamerstuk 23 987, nr. 146);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 30 september 2014 over ondersteuning van de rechtsstaat in Macedonië (Kamerstuk 23 987, nr. 145);

  • het EU-voorstel: EU-uitbreidingsstrategie en landenrapporten 2014–2015 COM (2014) 700;

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 17 oktober 2014 inzake het protocol bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (Kamerstuk 30 952, nr. 162);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 17 oktober 2014 inzake het Protocol bij de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (Kamerstuk 30 952, nr. 163).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Azmani

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Eijsink

De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken, Van Keulen

Voorzitter: Azmani

Griffier: Beun

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Azmani, Beertema, Van Bommel, Pechtold, Klaver, Omtzigt, Maij en Verheijen,

en Minister Koenders van Buitenlandse Zaken, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 18.00 uur.

De voorzitter: Ik heet de Minister van Buitenlandse Zaken van harte welkom, evenals zijn staf, alle mensen op de publieke tribune en iedereen die dit algemeen overleg op een andere manier volgt.

Het onderwerp heeft prioriteit voor de commissie voor Europese Zaken. Dat betekent dat wij een bijzondere behandeling hebben gegeven aan het voorstel dat de Europese Commissie in oktober heeft gedaan over de voortgang van een aantal aspirant-lidstaten in de Europese Unie. De afgelopen weken heeft de commissie een aantal activiteiten in dat kader verricht ter voorbereiding van dit algemeen overleg. Ik denk dan aan gesprekken met bijvoorbeeld ambassadeurs over de aspirant-raadsleden. Een aantal van hen is vanavond aanwezig op de publieke tribune. Ook hen heet ik van harte welkom.

We hebben twee en een half uur voor dit algemeen overleg. Er is een behoorlijke bezetting, zie ik. Dat is natuurlijk heel goed, maar ik wil de spreektijd daarom wel beperken tot vier minuten. Ik hoor dat dat te weinig is. Dan gaan we het met vijf minuten proberen. Dan beperk ik het aantal interrupties wel tot twee in de termijn van de Kamer.

Ik geef als eerste het woord aan de heer Beertema.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. Ik ben blij dat ik als eerste mag, want dan kan ik meteen het frisse en fruitige PVV-geluid laten horen.

Om meteen maar met de deur in huis te vallen: de PVV was tegen, is tegen en blijft tegen uitbreiding van de Europese Unie, want samen met miljoenen burgers van dit land zien wij, in tegenstelling tot de elite die dit Europese project draagt, dat de EU onze soevereiniteit en onze gedeelde waarden corrumpeert, onze identiteit vernielt en onze welvaart afbreekt. Zo zitten wij erin. Nederland is zijn triple-A-status kwijtgeraakt en de werkloosheid is nog steeds hoog. Ik laat de voorzichtige groei waar het CBS en de IMF over spreken achterwege, omdat wij als PVV uitgaan van de dagelijkse praktijk waar onze burgers mee te maken hebben en die dagelijkse praktijk is helemaal niet zo positief.

Vorige week is tijdens een technische briefing gesproken over verdere uitbreiding van de Europese Unie. De nieuwe voorzitter, Juncker, wil de concurrentie van de EU versterken en de investeringen stimuleren. De gesprekken met potentiële lidstaten, met name op de Balkan, zullen dan ook doorgaan. Maar tegelijkertijd zullen er de komende vijf jaar geen verdere uitbreidingen te verwachten zijn. Dat werd ook in die briefing bekend gemaakt. De PVV vraagt zich af of er in Brussel dan helemaal niemand is die denkt aan een bescheiden pas op de plaats. Kroatië was indertijd nog geen maand lid of de eerste financiële drama's waren al aan de orde. De andere Balkanlanden die in beeld zijn om kandidaat-lidstaat te worden, lijden allemaal onder corruptie en georganiseerde misdaad. Eén blik op de jaarlijkse lijst van Transparency International, de Corruption Perceptions Index (CPI), zegt ons genoeg. Turkije heeft een score van 45, Montenegro 42, Servië 41, Bosnië-Herzegovina 39, Kosovo 33 en Albanië 33, waarbij de scores tussen de 45 en de 30 wijzen op een hoge mate van corruptie. Waar zit toch het bewustzijn dat landen met zo'n hoge score op corruptie niet eens in aanmerking zouden mogen komen voor toetreding tot de EU?

Bovendien is het een feit dat in heel Europa steeds sterkere separatistische bewegingen de kop opsteken. Ik denk dan aan Bosnië en Herzegovina, Servië, Kosovo en Albanië. Als daar één conclusie uit getrokken zou mogen worden, is het dat het op zijn minst wereldvreemd is om te verwachten dat deze landen ooit in een federale EU zouden kunnen functioneren. Ik krijg graag een reactie van de Minister waarom deze landen nog steeds deel uitmaken van het toetredingstraject. Kan de Minister ons uitleggen wat het realiteitsgehalte is dat deze landen, zelfs op langere termijn, zouden kunnen toetreden? En als dat al zo is, wat is dan de toegevoegde waarde van deze landen voor Nederland? Dat is toch geen gekke vraag om te stellen. En wat voor de EU? Leg dat eens uit aan onze kiezers. Is het niet een gebed zonder eind, zo vragen wij ons af.

Om de kloof tussen de burgers en de Europese instituties te verkleinen moeten wij onszelf beter uitleggen, zo zei voorzitter Juncker in juli 2014. Dat is een uitspraak die wij al decennialang horen, vooral, valt mij altijd op, uit PvdA-hoek als die de verkiezingen verloren heeft. Kok deed dat zo, Melkert deed dat zo. We hebben verloren omdat de kiezer ons niet goed begrepen heeft, zeiden zij altijd.

Wij kunnen Juncker vandaag meegeven dat de kiezer hem luid en duidelijk verstaan heeft. Hij hoeft het niet beter uit te leggen. Onze kiezers begrijpen het heel goed. In september 2011 al bleek dat bijna driekwart van de Nederlanders de Europese Unie groot genoeg vond. Nederland was in 2011 kritisch als nooit tevoren en ik heb helemaal geen aanwijzingen dat het vandaag anders zou zijn. Op welke manier is voorzitter Juncker nu van plan om die Nederlandse burgers uit te leggen dat de komende vijf jaar geen nieuwe landen zullen toetreden, maar dat de kans daarop na die periode van vijf jaar wel heel groot is?

Het moge duidelijk zijn dat de PVV onder geen enkele voorwaarde zal instemmen met welke EU-uitbreiding dan ook. EU-uitbreiding staat wat ons betreft voor uitbreiding van corruptie, cohesiesubsidies, immigratie, georganiseerde misdaad en import van nog meer criminaliteit en minder zeggenschap, veiligheid en leefbaarheid.

De positie van Turkije is een heet hangijzer voor de PVV. De PVV heeft zich altijd verzet tegen een Turks lidmaatschap. Dat doen we ook nu weer. Wij steunen uitbreiding van de EU sowieso niet en zeker niet als het gaat om een uitbreiding met islamitische landen die op geen enkele manier onze Europese waarden delen. Integendeel zelfs, zeggen wij, getuige de eeuwenlange oorlogen die de islam tegen Europa heeft gevoerd.

Turkije is sinds 2005 kandidaat-lid en dat kost de EU ongeveer 1 miljard per jaar aan IPA-gelden (Instrument voor Pre-accessie). Dat is die pretoetredingssteun. President Erdogan heeft de afgelopen jaren voor een regeringsstijl gekozen die in toenemende mate autoritair is. Zijn harde optreden tegen critici, zowel binnen als buiten Turkije – ik denk even aan de houding ten opzichte van het recente integratiedebat met Minister Asscher – heeft niet geholpen om een democratischer toekomst voor Turkije dichterbij te brengen. Ook in Nederland heerst wantrouwen en onwil jegens toetreden van Turkije tot de EU en niet alleen bij ons. De kansen op toetreding tot de EU worden kleiner wanneer er in plaats van democratische hervormingen voor centralisatie van macht wordt gekozen. Dat zei D66-Europarlementariër Marietje Schaake.

De heer Klaver (GroenLinks): De heer Beertema had het over de lange arm van Erdogan en de invloed die hij op Nederland uitoefent en hij zei dat Turkije absoluut niet kan toetreden. Ik wil het echter even hebben over de lange arm van Poetin. Om eerlijk te zijn, maak ik mij daar nog veel meer zorgen over. Vorige week berichtte EenVandaag dat Poetin zich probeert in te kopen in politieke partijen in Europa, in partijen van tamelijk rechtse snit. Ik denk dan aan Lega Nord en aan de partij van Marine Le Pen, waaraan een lening van 9 miljoen – soms wordt wel gesproken over 40 miljoen – is gegeven door een van de vriendjes van Poetin. Kan de heer Beertema ons en zijn kiezers verzekeren dat de PVV geen financiering ontvangt uit Rusland?

De heer Beertema (PVV): Daar kan ik als penningmeester van de PVV luid en duidelijk op reageren met een «nee». Wij ontvangen geen financiering van Poetin en niet van andere landen. Laat de heer Klaver daarover gerust zijn.

De heer Klaver (GroenLinks): Het is mooi om te horen dat de PVV niet door Poetin wordt gefinancierd en ook niet door andere landen of mensen uit andere landen. De vraag is dan natuurlijk wel wat de heer Beertema ervan vindt dat bijvoorbeeld Marine Le Pen wel wordt gefinancierd door de vrienden van Poetin en dat op deze wijze de invloed van Poetin, zijn lange arm – daar heb ik veel over gehoord de afgelopen weken, die lange arm van Poetin – reikt tot in politieke partijen waar de PVV graag mee wil samenwerken en waar de leider van PVV graag samen mee op één podium staat. Hoe kijkt de heer Beertema daartegen aan? Als we alle lange armen uit Nederland en uit Europa weg willen hebben, zullen we dan beginnen met Poetin?

De heer Beertema (PVV): Ik ga niet over de financiering van de gelden binnen het Front National. Ik ken de mensen niet persoonlijk, op een enkeling na. Ik heb helemaal geen reden om aan te nemen dat ik daar heel ongerust over moet zijn. Ik weet echter wel dat allerlei ministeries, zoals het Ministerie van godsdienst in Turkije, met een afdeling Diyanet, hier moskeeën en scholen financieren en tot diep in de wijken hun invloed hebben, tot achter de deuren, tot in de huiskamers. Er zijn mij geen gevallen bekend van de Russisch orthodoxe kerk of van stromensen van Poetin of de FSB (Federale Veiligheidsdienst) die in Frankrijk actief zouden zijn om Russische Fransen in de greep te houden. Ik begrijp dan ook eigenlijk niet wat het probleem is dat de heer Klaver hier signaleert.

De voorzitter: Ik stel voor dat u uw betoog vervolgt, mijn heer Beertema. U hebt nog een minuut.

De heer Beertema (PVV): Mevrouw Esther de Lange van het CDA zei dat Turkije wat haar betreft nooit lid van de EU zal worden. Turkije zegt zelf: het EU-lidmaatschap of niks. De dood of de gladiolen als het ware. Wat voor impact gaat dat hebben op het integratiedebat bij ons in Nederland als we dat allemaal laten gebeuren? Er zijn ernstige zorgen over negatieve trends ten aanzien van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Turkije en de bescherming van de fundamentele rechten. Turkije is voor de PVV sowieso een no-go, maar welke instrumenten heeft Nederland voorhanden om de EU-kandidaatstatus van Turkije in te trekken en Turkije dus uit te sluiten als kandidaat-lidstaat? Daar is zeker nu, na die rel rond de integratiediscussie en de lange arm van Erdogan, alle reden toe. Wat de PVV betreft, worden de toetredingsonderhandelingen gestopt en de kandidaatstatus van Turkije ingetrokken en alle IPA-gelden, die inmiddels optellen tot zo'n 6 miljard, teruggehaald. De PVV overweegt een motie hierover, maar zal uiteraard de antwoorden van de Minister eerst afwachten.

Ik heb niet zo veel tijd meer voor de andere potentiële lidstaten. Kosovo heeft wat ons betreft op zijn zachtst gezegd te veel politieke en economische problemen. Het grootste probleem is dat Kosovo ook niet door alle lidstaten wordt erkend, maar volgens de Europese Commissie is dat geen probleem, omdat er ook verdragen bestaan tussen de EU en andere niet algemeen erkende landen, zoals Taiwan en Hongkong. Met de acceptatie van de EU-landen zouden de onderhandelingen, die SAA-onderhandelingen (Stabilisation and Association Agreement), met Kosovo toch mogelijk zijn. Onze vraag is of die geruïneerde economische toestand van dat land nog meetelt als argument.

De voorzitter: Ik wijs de commissie erop dat vandaag niet de bilaterale relatie met Turkije centraal staat. Volgens mij is vorige week hierover een apart debat aangevraagd. Het gaat nu om de toetreding van de eventuele aspirant-lidstaat Turkije tot de EU. Ik denk dat het aan de Minister is om al dan niet antwoord te geven op de desbetreffende vragen. Laten we het echter niet hebben over die bilaterale relatie.

De heer Verheijen (VVD): Voorzitter. Dit is het jaarlijkse uitbreidingsdebat. De commissie lijkt dit jaar daadwerkelijk een nieuwe toon aan te slaan. Ik heet in ieder geval alle ambassadeurs op de publieke tribune van harte welkom bij dit debat, waarin wij ook over hun landen zullen spreken. Ik wil het graag hebben over een viertal thema's: het beleid rondom de EU-uitbreiding in het algemeen, de Westelijke Balkan en een aantal specifieke landen, Turkije en het instrument van pretoetredingssteun.

Met het aantreden van de Commissie-Juncker lijkt er daadwerkelijk iets te zijn veranderd in de prioriteitstelling van de Europese Commissie. Dat geldt zeker ook op het terrein van de uitbreiding. Daar waar de Commissie voorheen nog altijd enorm optimistisch was en er een enorme drive zat achter de toetreding van nieuwe landen, bezigt het nu een nuchtere, meer realistische en meer gematigde toon. In zijn brief aan commissaris Hahn schrijft Juncker dat er een periode van consolidatie aanbreekt, dat de onderhandelingen zich vooral toespitsen op de Westelijke Balkan, maar dat er de komende vijf jaar geen nieuwe landen zullen toetreden. Dit was al niet te verwachten, maar de toon en de realiteitszin laten daadwerkelijk een breuk met het verleden zien.

De uitbreiding met dertien landen in de afgelopen tien jaar heeft de Unie veel energie en ook politiek kapitaal gekost en is niet in alle gevallen gelukkig geweest. De Commissie was altijd de meest optimistische instelling ter aarde. Ze zagen altijd lichtpuntjes en altijd wel een reden om voort te gaan en om de trein op de rails te houden. Die houding lijkt nu plaats te hebben gemaakt voor iets anders. De roze bril van de Commissie lijkt te zijn opgeborgen. Wij steunen de nieuwe inzet en we steunen ook de grotere inzet op bijvoorbeeld de economische criteria en het concurrentievermogen. Mijn vraag aan de Minister is hoe hij zit in die wedstrijd. Hoe ziet hij de rol van de Commissie? Hoe ziet hij de rol van de uitbreidingscommissaris in de komende jaren? Wat zal dit volgens hem allemaal betekenen in de komende tijd?

De heer Pechtold (D66): Dit is de bekende VVD-riedel of Verheijen-riedel. Je legt het probleem bij de Commissie en daarmee is alles wat er in het verleden aan uitbreiding is geweest een Brussels probleem. Maar erkent deze VVD'er niet gewoon dat het de VVD was die de afgelopen jaren met al die uitbreidingen heeft ingestemd? U had daar achteraf weleens spijt van, bijvoorbeeld bij Kroatië, maar de VVD was de afgelopen jaren gewoon de constante factor in het toetredingsbeleid. Dat zijn niet de commissarissen, dat zijn bijvoorbeeld de Ruttes. Wat is de reactie van de heer Verheijen hierop?

De heer Verheijen (VVD): Dat klopt. Voor Roemenië en Bulgarije hebben we achteraf eerlijk toegegeven dat dat geen gelukkige keuze was.

De heer Pechtold (D66): Dus de Nederlandse kiezer, het Nederlandse publiek wordt eerst door de VVD voorgehouden dat de Commissie fout is, maar nu erkent de heer Verheijen vlotjes – dat siert hem – dat het de VVD was die er gewoon mee heeft ingestemd. Er is niet alleen spijt over Kroatië, maar er is ook spijt over Roemenië en Bulgarije. Dat is echter allemaal spijt achteraf waar we niets voor kopen en dat de geloofwaardigheid van de heer Verheijen en daarmee zijn VVD natuurlijk zwaar op de proef stelt.

De voorzitter: Uw vraag is?

De heer Pechtold (D66): Is de heer Verheijen het daarmee eens?

De heer Verheijen (VVD): Ik ben blij dat de VVD de afgelopen jaren heeft ingezet op het daadwerkelijk verhogen van de lat en de toetredingscriteria strenger heeft gemaakt. D66 zat alleen maar te juichen aan de zijkant. Nederland heeft ook echt de kar getrokken om de lat hoger te leggen en de criteria strenger te maken. Wij hebben daar ook daadwerkelijk stappen in gezet. Het had de heer Pechtold gesierd als hij dat soort lessen ook had geleerd, maar D66 heeft die helaas niet geleerd en blijft juichen aan de zijkant. Daar koop ik niet zoveel voor.

De heer Beertema (PVV): Met Albanië is het heel anders gegaan. De heer Verheijen was, misschien ook wel voor de bühne, heel kritisch over de toetreding van Albanië, dat helemaal niet aan al die veelgeprezen criteria voldeed, maar ineens was daar toch die draai. Kan hij daar nog even op ingaan? Wat is er gebeurd waardoor Albanië ineens toch voldeed aan de criteria en waarom dat land ineens wel mee kon doen?

Mevrouw Maij (PvdA): Albanië is niet toegetreden tot de Europese Unie. Albanië is kandidaat-lidstaat geworden. We moeten de discussie wel zuiver houden. Albanië heeft nog niet voldaan aan de criteria.

De heer Beertema (PVV): Dan nog wil ik even aandacht voor de draai.

De heer Verheijen (VVD): Ik dank mevrouw Maij voor de cursus Europa die zij aan de heer Beertema heeft gegeven. We hebben Albanië in eerste instantie juist niet als kandidaat-lid toegelaten omdat het nog niet aan de criteria voldeed. Er zijn toen allemaal extra eisen gesteld, waarna het land zich is gaan ontwikkelen. Vorig jaar hebben we een debat gevoerd over de vraag of het nu wel aan de criteria voldoet. Volgens mij moeten de onderhandelingen nog beginnen. Albanië heeft de status van kandidaat-lid gekregen. Dat hebben we hier destijds afgesproken, maar we hebben op enig moment de lat wel hoger gelegd.

Was de uitbreiding vooral kommer en kwel? Nee. Zo kun je dat niet zeggen. Er zijn zeker successen op geopolitiek en op economisch gebied. Kijk maar naar de Baltische staten en de economische ontwikkeling van Polen, waarvan niet alleen de inwoners van Polen, maar zeker ook de inwoners van Nederland hebben geprofiteerd. Zonder de ogen te sluiten voor de problemen die daar natuurlijk ook mee gepaard gaan, moeten we toch ook zeggen dat we de afgelopen jaren een aantal goede zetten hebben gedaan. Maar zelfs landen als het Verenigd Koninkrijk, dat altijd enorm pro-uitbreiding was, zijn een stuk terughoudender geworden. Ik denk dat de absorptiecapaciteit van de Unie nu wel even op zijn einde is en dat er nu andere prioriteiten zijn. Het is goed dat de Commissie dat ook erkent.

De lat is de afgelopen jaren hoger komen te liggen. Ook voor de komende tijd moeten we blijven nadenken of we wel de juiste criteria hebben, of we wel het juiste doen op de Westelijke Balkan en daar echt wel resultaten bereiken en wat we daadwerkelijk willen bereiken met dat hele verhaal van de EU-uitbreiding. De vraag aan de Minister is of hij die gewijzigde opstelling van de Commissie ziet. Wat betekent die volgens hem voor de komende jaren? Wil hij de komende jaren ook nog blijven kijken of we andere criteria, bijvoorbeeld nieuwe economische criteria, moeten hebben waaraan landen moeten voldoen om uiteindelijk toe te mogen treden tot de EU?

Ik heb een aantal specifieke punten die betrekking hebben op de Westelijke Balkan. Er is bij die landen eigenlijk geen vooruitgang te zien. Op een aantal terreinen worden wel stappen gezet, maar door de bank genomen staat het daar redelijk stil. Ziet de Minister een algemene oorzaak voor deze stagnatie in die hele regio? Ik hoef de verschillende punten niet te noemen, want die staan in het rapport.

Ik heb nog wel een specifieke vraag over Bosnië en Servië. Merkel sprak recentelijk haar zorgen uit over de toenemende Russische invloed in deze landen, met name in Servië. Het is voor ons lastig te achterhalen wat daar nu precies gaande is en of Rusland daadwerkelijk probeert om meer invloed te krijgen in die regio. Kan de Minister er eens op reflecteren of dat zo is en wat dat zou betekenen voor de stabiliteit in die regio?

Over Turkije kan ik dit jaar vrij kort zijn. Het land kachelt snel achteruit op vrijwel alle criteria die gelden voor het EU-lidmaatschap. Rechtsstaat, persvrijheid, corruptie, vrijheid van meningsuiting, de positie van minderheden, er is weinig positiefs te melden. Ook de conceptconclusies richting Turkije zijn zeldzaam hard en duidelijk. De Commissie-Juncker sprak in haar brief ook vooral over de Westelijke Balkan en niet over Turkije. De gesprekken van de buitenlandvertegenwoordiger Mogherini de afgelopen dagen in Turkije gingen vooral over geopolitiek en economie en minder over uitbreiding. Ik denk dat dat heel realistisch en ook een goede ontwikkeling is. Ik zie dat het van Turkije niet meer zo hoeft en dat het van de EU niet meer zo hoeft. Ik zie het er met deze ontwikkeling ook nooit van komen.

Ten slotte heb ik nog een aantal opmerkingen over de pretoetredingssteun. We hebben er vanuit Nederland en ook vanuit dit parlement, succesvol voor gepleit om de hoogte van die bijdrage meer afhankelijk te maken van de voortgang in de landen. We zien daar ook voorzichtige resultaten van, bijvoorbeeld in Bosnië. Ook de komende jaren is er fors minder geld geprogrammeerd voor bijvoorbeeld Turkije. Maar hoe wil de Minister, gezien ook de ontwikkelingen in Turkije, dit instrument nu inzetten richting Turkije? Wil hij nog forser aan die knop gaan draaien? Wil hij de steun nog meer afhankelijk maken van de criteria? Hoe wil hij omgaan met de nieuwe mogelijkheden om de steun afhankelijk te maken van de voortgang?

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Precies tien jaar terug hadden wij de grootste uitbreiding ooit. Tien nieuwe landen, 75 miljoen nieuwe EU-burgers. Wat zien we nu, tien jaar later, ondanks de economische crisis van post-2008? De tien nieuwe landen profiteren, de vijftien oude landen profiteren en de open grenzen zijn goed voor Nederland als handelsland. Nieuwe afzetmarkten bieden nieuwe kansen. Sinds de uitbreiding is onze export naar het Oosten verdubbeld. Toetreding werkt dus. Het maakt Europa veiliger. Het versterkt vrede en stabiliteit. Het verbetert de levens van zijn inwoners en het vergroot de welvaart. Maar dat kan natuurlijk alleen onder strenge criteria.

Mijn fractie wil, als het gaat om de toetredingen twee dingen doen: aan de ene kant harde eisen stellen en aan de andere kant perspectief bieden. Kortom, de stick en de carrot. De Commissie zegt nu: we gaan vijf jaar lang bevriezen; er komen geen nieuwe landen meer bij. Voor mijn fractie had die opmerking niet gehoeven. Er wordt voor die tijd namelijk ook geen uitbreiding verwacht. Maar het kan wel de urgentie tot hervormen aantasten. Wat vindt het kabinet daarvan? Commissaris Hahn zegt dat het technische proces gewoon doorgaat. Wat betekent die bevriezing dan in de praktijk?

De heer Verheijen (VVD): De heer Pechtold zegt hier iets interessants en hij maakt een denkfout die ik ook vaak op de Westelijke Balkan tegenkom. Hij zegt: als wij geen druk zetten op het proces gaan deze landen niet hervormen. Maar is het niet andersom? Moeten die landen niet uit zichzelf willen hervormen omdat zij echt denken dat het beter is om een goede rechtsstaat te hebben en om persvrijheid te hebben en niet zozeer omdat wij aan het einde van de dag klaarstaan met een EU-lidmaatschap? Draait hij het proces niet juist om?

De heer Pechtold (D66): Het komt altijd van twee kanten. Als de VVD geen druk op de PvdA houdt, dan beweegt ze ook niet. Dat is uw dagelijks werk. Je moet dus de stick en de carrot – net zoals u die in de coalitie gebruikt – ook een beetje in dit soort processen gebruiken.

De heer Verheijen (VVD): Wat betreft de stok richting de PvdA: daar hebben ze ons af en toe niet voor nodig. Grapje!

De heer Pechtold (D66): Ik hoop dat het zo wordt opgevat.

De heer Verheijen (VVD): Ik vind de volgorde die de heer Pechtold gebruikt opvallend. Hij sprak van tevoren lovende woorden over de uitbreiding. Ik vraag hem toch om even te reflecteren op de uitbreiding in de afgelopen jaren. Hebben we dan niets geleerd? Hebben we dan geen fouten gemaakt met landen die intrinsiek onvoldoende gemotiveerd waren om te hervormen? Wil hij reflecteren op bijvoorbeeld de casus Roemenië en Bulgarije?

De heer Pechtold (D66): Het is ten overvloede, maar deze Europese Unie is ook niet mijn Europese Unie. Ik vind die te weinig democratisch en hier en daar te snel en soms te langzaam. Ik vind haar soms te veel op de details en te weinig op de hoofdlijnen. Ik denk dat ik een eurokritische houding tot en met kan aannemen, maar er zijn al genoeg varianten van dat geluid in dit parlement. Ik kijk naar de geschiedenis. Een van de meest opmerkelijke dingen is dat de export naar het Oosten, naar de tien landen die er toen bij zijn gekomen, is verdubbeld. Dat zou u als liberaal, dat zou u als iemand die streeft naar werkgelegenheid, ook in dit land, en naar welvaart, als argument moeten gebruiken. Ik hoor de VVD altijd alleen in chocoladeletters kritiek uiten, maar ze heeft toch ingestemd met de toetreding van Kroatië, van Roemenië, van Bulgarije. De VVD heeft daar zelfs mee ingestemd vanuit de machtspositie in een coalitie. Wij doen dat vaak nog vanuit de oppositie. Nu zegt de heer Verheijen: ik heb spijt. Maar hij maakt die fouten morgen weer en is niet in staat om de positieve elementen die eraan vastzitten te gebruiken om de mensen die terecht twijfelen aan de Europese integratie, te overtuigen. Daar kom je niet ver mee.

Ik zal nu ingaan op de diverse landen en begin met Turkije. Daar is hier al vaak over gesproken. De laatste tijd is het ook in het nieuws door de manoeuvres van onze vicepremier. Turkije wil allang lid worden en vroeg in 1987 het lidmaatschap aan. De onderhandelingen werden geopend in 2005. Mijn fractie is er in principe altijd voorstander van geweest dat Turkije uiteindelijk als lid wordt opgenomen in de Europese familie. Maar wat we nu zien – dit is een stukje zelfreflectie voor de heer Verheijen – baart ons grote zorgen. Wij zien nu dingen die we in 2005 niet hadden kunnen voorspellen. De scheiding der machten staat onder grote druk, fundamentele vrijheden zijn aan banden gelegd, journalisten zitten – meer dan waar ook in de wereld, zo lijkt het – in de gevangenis en president Erdogan spreekt serieus over schoolsegregatie tussen jongens en meisjes. Wat wil het kabinet met deze nieuwste ontwikkelingen?

Mijn fractie zou graag hoofdstukken 23 en 24 openen. Dat zijn de rechtsstaathoofdstukken. Het kabinet zegt dat dat niet kan en komt dan met Cyprus en allerlei blokkades. Ik ken het verhaal. Minister Timmermans was niet bereid om als Europese Unie in gesprek te gaan over die blokkades voor het openen van die twee hoofdstukken. Is deze Minister wel bereid om dat te doen? Dan kunnen we Turkije tenminste aanspreken en hebben we houvast.

Servië is op weg, maar de zorgen over corruptie en georganiseerde misdaad blijven. Ik zie ook de lichtpunten, maar zie daar dubbele signalen in. In Belgrado is in september de eerste Gay Pride in vier jaar gehouden. Dat is mooi en hoopvol, maar er moesten special forces ingezet worden om de optocht te beschermen. En Minister-President Vučić wilde er expliciet niet bij zijn. Daarnaast doet Servië militaire oefeningen met Rusland en doet het niet mee aan de EU-sancties richting Rusland. Commissaris Hahn zegt daarover: daar moeten we een beetje begrip voor tonen en we moeten Servië niet pushen. Maar mijn fractie vindt het wel wenselijk dat er zo nu en dan gezegd wordt dat dat zo niet werkt. Ook hier krijg ik graag een reactie op.

Dan kom ik op Albanië. Collega Verheijen zei daarover in november 2013: dat is geen optie. Nederland heeft toen een tijdje de kandidaat-lidstatus tegengehouden. Maar in juni 2014 moest de collega zijn gevecht staken. En wat zien we nu? Albanië heeft in dat halve jaar vooruitgang geboekt. De rechtelijke macht is hervormd en er lijkt wat politieke wil te zijn om de corruptie aan te pakken. Maar het brede plaatje is natuurlijk nog niet positief en Albanië zal nog vele stappen moeten zetten. Ik vraag het kabinet om te reflecteren op die Nederlandse blokkade, die paar maanden dat wij daar alleen stonden. Heeft die geholpen?

Wat betreft Bosnië en Herzegovina is er eigenlijk sprake van een soort stilstand. Er moet natuurlijk eerst een nieuwe regering komen en ze zullen aan de bak moeten, want wat wij nu zien, kan absoluut niet door de beugel. Er is simpelweg geen enkele wil om de criteria uit Europa serieus op te pakken. Alles wat op papier staat, staat ook alleen maar op papier. De Grondwet garandeert bijvoorbeeld persvrijheid, maar politici oefenen nog altijd druk uit op journalisten. Media worden sterk beïnvloed door politieke partijen en bedrijven. We horen geloofwaardige berichten dat journalisten worden mishandeld. Ik weet eigenlijk niet goed wat we met zo'n land aan moeten. Is het nu wachten tot het bereid is om te hervormen? Ik krijg hierop graag een reactie.

Ik rond af. We hebben dit debat ieder jaar en we zien altijd heel kleine stapjes vooruit, heel veel stilstand en zelfs stappen achteruit. Maar dit jaar zien we ook echt iets anders: snelle, zorgwekkende ontwikkelingen in Turkije. Ik roep het kabinet op om daar in Brussel een speerpunt van te maken.

Mevrouw Maij (PvdA): Voorzitter. De PvdA vindt dat iedere kandidaat-lidstaat die voldoet aan de Kopenhagencriteria en het acquis communautaire volledig heeft overgenomen, welkom is om tot de Europese Unie toe te treden. Daarover spraken we de afgelopen dagen met een aantal van de ambassadeurs die hier ook aanwezig zijn. We spraken ook over de voortgangsrapportage die door de Europese Commissie over deze landen is geschreven. We zien dat er in een aantal van deze landen echt veel ruimte voor verbetering is als het gaat om waarden die met de rechtsstaat en met mensenrechten te maken hebben, waaronder de positie van lhbt-personen en de persvrijheid. Ook vragen dit jaar de democratiseringsprocessen, transparantie en anticorruptie extra aandacht.

Hoewel de komende vijf jaar geen van de landen zal toetreden – er is duidelijk nog geen enkel land zover, dat hebben we ook al geconstateerd – moet het proces niet stil komen te liggen. De PvdA vindt het goed dat landen op de Balkan en Turkije transformeren, transparanter en democratischer worden en streven naar welvaart en welzijn. Dat is goed voor die landen zelf, maar ook voor de Europese Unie. Tegelijkertijd, kijkend naar de individuele lidstaten, is het duidelijk dat er weinig vooruitgang is geboekt in de afgelopen periode en dat is zorgwekkend. Er is sprake van corruptie, gebrek aan transparantie, druk op media en fundamentele vrijheden, naast uitdagingen voor goed bestuur, zowel economisch als politiek, en de rechtsstaat. De vraag is hoe die vooruitgang nu wel kan worden geboekt. Dat vergt in ieder geval politieke wil en commitment, financieel en politiek, zowel van de zijde van de kandidaten, als van de zijde van de EU-lidstaten.

De PvdA kan zich grotendeels vinden in de positieve grondhouding van het kabinet ten opzichte van het uitbreidingsproces. Die rust nu op drie pijlers: economie, rechtsstaat en bestuur. Zeker het belang van een goed openbaar bestuur wordt gedeeld. Hoe gaat die nadruk in de praktijk vorm krijgen? Wat betreft de persvrijheid constateert de Commissie dat er in veel van de landen een neergaande trend is. In hoeverre gaat de nadruk op hervorming van openbaar bestuur er nu ook aan bijdragen dat deze trend gekeerd kan worden? Zijn er in dit kader specifieke doelen geformuleerd?

Wat betreft rechtsstaat, democratie en fundamentele rechten wordt terecht gesteld dat het uitbreidingsproces zich moet toespitsen op een geloofwaardig en solide track record en niet alleen op wetgeving. Hoe oordeelt het kabinet over de politieke wil in de betrokken landen om ook tot verandering in die wetgeving te komen en daarna in de praktijk tot verandering te komen? Die twee stappen moeten toch echt samengaan. Kan het kabinet iets meer zeggen over de specifieke Nederlandse inzet hierbij en hoe deze zich verhoudt tot de inzet van andere lidstaten en van de Commissie?

Ik zal nu ingaan op een aantal landen. Voor Turkije geldt – daar hebben we al over gesproken – dat er dit jaar niet echt een positieve trend is. Maar Turkije gaf zelf aan dat 2014 het EU-jaar was. Dat wil zeggen dat er in het land extra bestuurlijke aandacht zou zijn voor het toetredingsproces. Hoe beoordeelt het kabinet dit? Deelt het kabinet, net als de PvdA, de analyse van de Commissie en overigens ook van de collega's die voor mij hebben gesproken, dat het beeld sinds de start van de onderhandelingen positief is, maar dat de hervormingen in Turkije nu toch echt stilvallen en op een aantal punten zelfs achteruitgaan? Wat kan Nederland doen om hierbij ondersteuning te bieden, zodat die ontwikkelingen wel de goede kant op gaan?

De PvdA steunt wat de Commissie en het kabinet zeggen over de inzet ten aanzien van Macedonië. Wij vinden het belangrijk dat de formele onderhandelingen met Macedonië nu echt van start gaan. In Macedonië loopt al eindeloos die naamskwestie. Dat is een kwestie die met Griekenland geregeld moet worden, maar al jaren muur- en muurvast zit. En dat terwijl Macedonië voorheen een behoorlijk eind op weg was in die bestuurlijke, economische en juridische transformatie. Maar nu zien we dat die transformatie vastloopt en zelfs op een aantal punten achteruitgaat. Door nu te beginnen met de onderhandelingen over toetreding hoopt de Commissie een nieuw momentum te creëren, een positief momentum. Wij delen die visie. De PvdA ziet veel brood in het creëren van parallelle trajecten. Een voor de oplossing van de naamskwestie en andere dingen die nog spelen met Griekenland en Bulgarije, de buurlanden van Macedonië, en een andere voor het toetredingstraject. Hoe staat de regering hierin?

Albanië is sinds juni 2014 officieel kandidaat-lidstaat. De PvdA is verheugd dat die stap is gezet. Sindsdien is er ook vooruitgang geboekt. Maar het land heeft nog een lange weg te gaan voordat de onderhandelingen ook daadwerkelijk worden geopend. Ook hier uit de Commissie zorgen over rechtsstaat en persvrijheid, maar de stappen die gezet worden, worden mondjesmaat positief beoordeeld. Moet die positieve voortgang niet beloond worden met bijvoorbeeld het more for more-traject?

Tot slot een paar woorden over Bosnië. Het rapport over Bosnië en Herzegovina is het meest kritisch van toon. Ik denk dat we dat allemaal delen. Van de noodzakelijke sociaaleconomische en justitiële hervormingen komt hoegenaamd niets terecht. De Commissie zoekt de oorzaak voornamelijk in de disfunctionele politieke cultuur, die doorbroken moet worden. Kan het kabinet nader toelichten hoe het aankijkt tegen de situatie in Bosnië en Herzegovina? Betekent het principe more for more en less for less niet dat de bestedingen en de pretoetredingsgelden in Bosnië echt tegen het licht gehouden moeten worden, in dit geval dan helaas in het kader van less for less? Het is in de stukken nog onduidelijk hoe en of de IPA-middelen straks zullen worden ingezet. Kan de regering aangeven hoe dat in 2015 gaat gebeuren?

De heer Klaver (GroenLinks): Voorzitter. We spreken vandaag over de EU-uitbreiding. Het moge duidelijk zijn dat mijn partij een pro-Europese partij is. Wij staan zeer positief tegenover uitbreiding van de Europese Unie. Wij vinden inderdaad dat als kandidaat-lidstaten aan de Kopenhagencriteria voldoen, er ook sprake moet zijn van toetreding. Dat is niet alleen economisch belangrijk. Sinds de toetreding van Polen is de export naar Polen bijvoorbeeld verdrievoudigd. Het is echter ook geopolitiek van belang. Juist op dit moment.

In juni spraken we in deze Kamer onder andere over South Stream, de gaspijplijn die via Bulgarije Russisch gas naar Europa zou moeten brengen. Ik heb daarover een motie ingediend. Die werd helaas verworpen, maar de druk vanuit Nederland is ook eigenlijk niet zo nodig gebleken. Ik ben ontzettend blij dat nu wordt afgezien van South Stream. Ik had er net al een kort interruptiedebat over dat Rusland zich probeert in te kopen in Europa om de afhankelijkheid van Europa te vergroten en de Europese landen uit elkaar te drijven. We moeten er alles aan doen om dat te voorkomen. Nu willen Poetin en Gazprom South Stream verleggen naar Turkije en kijken of via Turkije toegang mogelijk is. Ankara wordt gepaaid met een korting op de gasprijs. Zo probeert Poetin nu vrienden te kopen in Europa.

Dat brengt mij op Turkije. Doordat Turkije en Rusland elkaar in toenemende mate lijken op te zoeken, is het wat GroenLinks betreft van strategisch belang om te investeren in goede banden met Turkije en werk te maken van verdere stappen in het toetredingsproces. De Europese Commissie onderschrijft dat Turkije een strategische partner is en dat er in de samenwerking geïnvesteerd moet worden, onder andere op het gebied van energiezekerheid. De Europese Commissie heeft aangekondigd met Turkije een economische dialoog te zullen starten, maar over het openen van het energiehoofdstuk bij de toetredingsonderhandelingen lees ik nog niets terug in de brief aan de Kamer. Waarom zet de Europese Commissie niet in op het openen van het energiedossier? Is de Minister bereid om hierop aan te sturen, zodat Turkije haar energiewetgeving op één lijn brengt met de Europese? Het zou goed zijn als de eisen die de EU stelt aan South Stream, namelijk unbundling en third party access, ook door Turkije gesteld gaan worden, om zodoende een monopolie van Gazprom te voorkomen. Als dat gebeurt, moeten we daarna nog maar zien of die pijpleiding er ook daadwerkelijk gaat komen.

De Europese Commissie stuurt aan op het openen van de hoofdstukken over rechtsstaat en justitie. Mijn fractie is hier groot voorstander van, maar ziet ook dat Cyprus op dit punt al lang dwarsligt. Ziet de Minister mogelijkheden om deze impasse te doorbreken, zodat de EU Erdogan met meer nadruk kan aanspreken op zijn autoritaire machtsmisbruik? We zijn een groot voorstander van toetredingsonderhandelingen met Turkije, maar wij zien ook dat er de afgelopen jaren echt iets is veranderd in dat land. De vraag is op welke wijze we toch weer een positieve draai kunnen geven aan die onderhandelingen en Turkije weer op het juiste spoor kunnen krijgen en het als een strategische partner kunnen gaan zien.

Dan Servië. De Duitse regering is bezorgd over de Russische invloed op de Balkan. Als Poetin ook daar onrust wil stoken, dan is Servië volgens mij het bruggenhoofd. Laat de EU ditmaal proactief optreden door Servië de hand te reiken, zou ik willen zeggen. Uit de Europese gasstresstest is gebleken dat dit land het het moeilijkst krijgt, mocht de gastoevoer uit Rusland worden onderbroken. Dit kan ten dele worden opgevangen door met buurlanden samen te werken. De pro-Russische houding van Servië vind ik uit het oogpunt van gaszekerheid tamelijk goed te verklaren. Maar de samenwerking ontbreekt, zo constateert de Europese Commissie. Met de interconnector tussen Servië en Bulgarije schiet het bijvoorbeeld niet op. Is de regering bereid om in de Raad aan te dringen op goede afspraken tussen landen als Servië, Hongarije en Bulgarije inzake samenwerking bij gastekorten? Nederland is een gasland. Misschien kunnen wij onze expertise op dat specifieke gebied aanbieden? Het is natuurlijk in de allereerste plaats een vertrouwenskwestie, maar ook op technisch gebied liggen een aantal uitdagingen. Kan Nederland op dat punt de hand reiken aan deze landen? Zijn we dus bereid om bilateraal goede diensten aan te bieden?

Tot slot – ik zoek het er een beetje bij, maar kan er echt niet omheen – maak ik me zorgen over de lange arm van Poetin en de wijze waarop hij probeert Europese landen tegen elkaar uit te spelen en partijen te financieren. Ik ben geschrokken over die berichten. Ik wil de Minister toch vragen hoe Europa hiernaar kijkt. Wordt bijvoorbeeld bij de partijen onderzocht of er sprake is van financiering door oligarchen die ook op de zwarte lijst staan voor de sancties? Ik vind het zeer onwenselijk als je ziet dat dit soort oligarchen Europese partijen financieren.

De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Klaver. Ik complimenteer u met het feit dat u binnen de vijf minuten bent gebleven.

De heer Van Bommel (SP): Ik stel vast dat er dus wat meer tijd is.

Voorzitter. We houden jaarlijks een debat over de uitbreiding en het uitbreidingsproces van de Europese Unie. Vandaag kunnen we het ook wel het debat noemen van het voorlopig niet uitbreiden van de Europese Unie. De voorzitter van de Europese Commissie, de heer Juncker, heeft namelijk vastgesteld dat er de komende vijf jaar geen nieuwe lidstaten zullen toetreden. Ik denk dat dat een realistische kijk is op de stand van zaken die niemand zal verrassen. Zeker wanneer we kijken naar de situatie in de Westelijke Balkanlanden en Turkije op vlakken als openbaar bestuur, rechtsstaat, democratie, persvrijheid en een aantal andere fundamentele rechten, dan is er nog heel veel werk te doen in deze staten. Wat de SP betreft, moeten landen wanneer ze voldoen aan de eisen, op toetreding kunnen rekenen, zeker als er afspraken gemaakt zijn. Dat geldt voor de meeste van deze landen.

Tegelijkertijd is er sprake van nieuwe ontwikkelingen, ook als gevolg van de nieuwe kijk op het uitbreidingsproces, bijvoorbeeld door de Eurocommissaris voor uitbreidingsonderhandeling Hahn. Hij heeft al aangegeven zich meer te willen concentreren op het economisch bestuur. Daarmee komt het Europees Semester, waarin de nadruk ligt op structurele hervormingen van de economie, eigenlijk op een nieuwe wijze aan de orde in het Europese uitbreidingsproces. De suggestie is zelfs al gedaan om in het uitbreidingsproces met de IPA-gelden, de pre-accessiegelden, te werken. Dan kunnen, eventueel met gebruikmaking van sancties en instrumenten die behoren tot het Europees Semester, de structurele hervorming van landen die nog in het toetredingsproces zitten, worden bevorderd en de ontwikkelingen die daar haaks op staan, worden afgeremd. Dat kan dan door het verlenen van steun of het onthouden van steun via de pre-accessiegelden. Daarmee wordt naar onze opvatting de soevereiniteit van deze landen aangetast. Het zijn processen en beslissingen waar deze landen zelfstandig toe moeten kunnen beslissen. Ik ben het eens met de heer Verheijen dat heel veel van deze landen hun economieën zullen willen hervormen. Ze zullen hun rechtsstaat en de democratie willen hervormen en willen verbeteren, maar het is wel hun soevereine recht om dat te doen op een wijze en in een tempo dat hen goeddunkt.

Hoe denkt de Minister over deze, wat ik dan toch maar zie als een uitbreiding van de lange arm – om die term dan maar te gebruiken – van Brussel in de richting van staten die nog in het toetredingsproces zitten? Wij maken ons daar zorgen over. De regering lijkt de lange arm van het Europees Semester, dus buiten de eigen grenzen, toe te juichen. De regering schrijft namelijk: wanneer potentiële kandidaat-lidstaten in zekere zin ook langs de lat van het Stabiliteits- en Groeipact en de macro-economische onevenwichtighedenprocedure worden gelegd... Daarmee geeft het kabinet dus aan dat het een uitbreiding van het toetredingsproces op deze wijze, dus met bemoeienis van Brussel, wenselijk vindt. Mijn fractie vindt dat niet wenselijk. Wij zien het bovendien als een bedreiging van het democratisch draagvlak voor het gemeenschapsrecht ex ante. Dat wordt daarmee ondermijnd.

De heer Klaver (GroenLinks): De SP is altijd ontzettend kritisch op toetreding van nieuwe landen tot de Europese Unie en ook op de landen die reeds zijn toegetreden. Nu gaat Europa zich op dat punt ook wat kritischer opstellen en zich er wat meer mee bemoeien. Waar zit dan precies het probleem van de heer Van Bommel?

De heer Van Bommel (SP): Wij hebben problemen met het proces als zodanig. Natuurlijk zijn we kritisch op de situatie en de ontwikkelingen in een aantal landen. Wij waren in het verleden ook kritisch op het uitbreidingsproces, omdat landen te gemakkelijk toe konden treden. We hebben bij de tien en in 2007 bij de twee, Roemenië en Bulgarije, gezien dat we soms, ook al wisten wij dat niet aan alle eisen werd voldaan, te gemakkelijk de hoop uitspraken dat als ze eenmaal toe waren getreden, ze wel aan de eisen zouden gaan voldoen. Dat blijkt een onterechte verwachting te zijn geweest. Wat er nu gebeurt, gaat nog een stap verder. Nu probeert commissaris Hahn met de instrumenten die we hebben voor landen in de Europese Unie, de economische hervormingsinstrumenten en het Europees Semester, staten die nog in het toetredingsproces zitten al in dat economische neoliberale gareel te krijgen. Daar zit wat ons betreft de pijn. Dat wordt door heel veel mensen hier toegejuicht. Misschien ook door de fractie van de heer Klaver, dat weet ik niet, maar dat gaat hij misschien nog zeggen. Wij hebben daar echter bezwaar tegen. Wij vinden dat landen niet op deze wijze, nog voordat zij langs de lat van de Kopenhagencriteria worden gelegd, al moeten worden gedwongen in de neoliberale pas mee te stampen.

De heer Klaver (GroenLinks): Als ik het goed begrijp, zegt de heer Van Bommel: we waren kritisch op de landen die zijn toegetreden, want eigenlijk waren ze daar nog helemaal niet klaar voor. Nu zegt de Europese Commissie: laten we nog wat extra stappen zetten en laten we ervoor zorgen dat ze zich vooral op economisch gebied aanpassen. Maar dan zegt de heer Van Bommel: dat moeten we niet doen, want dat is allemaal neoliberaal geneuzel en dat is onacceptabel voor de SP, behalve als ze al aan de Kopenhagencriteria hebben voldaan. Ze zijn al toegetreden tot de Europese Unie en dan moeten ze alsnog in de pas gaan lopen. Ik begrijp werkelijk niet waar deze kritiek vandaan komt. Dit klinkt voor mij als kritiek op de EU hebben om maar kritiek uit te kunnen uitoefenen. Dat is volgens mij linkse politiek onwaardig.

De heer Van Bommel (SP): Hieruit blijkt dat de heer Klaver er niets van begrijpt. Het gaat ons erom dat we in het verleden belangrijke criteria hebben opgesteld, waarbij het gaat om waardegemeenschap, democratie, rechtsstaat, die belangrijke hoofdstukken in het toetredingsproces. Daar voldeden die landen niet aan. Dat hebben we in het toetredingsproces gezegd. Dat hebben we bij Roemenië en Bulgarije ook gezegd. Daarom hebben wij daar ook tegen gestemd. U was daar voor. Nu blijkt dat Europa dus eigenlijk iets anders belangrijker vindt, namelijk dat men economisch in de pas loopt. In het verleden knepen we op die belangrijke punten van democratie, rechtsstaat et cetera een oogje dicht en dat dreigt nu, met het toevoegen van deze belangrijke economische criteria, eigenlijk weer te gebeuren. Het wordt veel belangrijker gevonden dat men in de pas loopt, met de toevoegingen die gedaan zijn, het Europees Semester, de hervormingen, de macro-economische onevenwichtigheidsprocedure. Dat zijn allemaal economische aspecten, terwijl volgens mij in het debat altijd centraal stond dat we een waardegemeenschap zijn en dat men daaraan moet voldoen, evenals aan de belangrijke Kopenhagencriteria. Ik stel vast dat wij op dit punt wezenlijk van opvatting verschillen met GroenLinks. Dat mag, maar wij zijn daarin wel consistent geweest.

De heer Klaver (GroenLinks): Een van de Kopenhagencriteria is dat een land een openmarkteconomie moet hebben. Dat heeft de SP dus blijkbaar ook omarmd. Er wordt mij gezegd dat ik het niet goed heb begrepen. Dat zal ook best. Maar dan moet de heer Van Bommel mij toch eens uitleggen waar ik precies in de stukken kan vinden dat economische argumenten en Europese criteria plotseling belangrijker zijn geworden dan de juridische of die voor de mensenrechten. Waar kan ik dat precies vinden?

De heer Van Bommel (SP): Dat mag blijken uit de lidstaten die al zijn toegetreden en het proces dat we nu met de Kopenhagencriteria volgen. Kijk in Roemenië, Bulgarije, Hongarije naar corruptie, naar rechtsstaat, naar democratie. Daar zijn grote problemen mee. Als we dat met elkaar werkelijk zo belangrijk hadden gevonden, dan waren die landen niet toegetreden. Dan had u daar geen steun aan gegeven. Wat ik vaststel, is dat economische instrumenten die we hebben voor de lidstaten die in de Unie zitten, nu ook van toepassing zijn op lidstaten die nog in het toetredingsproces zitten. Daar heb ik bezwaar tegen.

Mevrouw Maij (PvdA): In de stukken die naar ons toe zijn gestuurd, staat in de eerste alinea dat de Commissie bijzondere nadruk heeft gelegd op drie pijlers: 1. de rechtsstaat, 2. het economisch bestuur en 3. hervorming van het openbaar bestuur. Ik begrijp heel goed dat de heer Van Bommel tegen de Europese Unie en tegen uitbreiding is, maar dit zijn de drie pijlers waar de Europese Commissie in elk geval de meetlat op heeft gelegd en waar ze in het uitbreidingsproces de landen die kandidaat-lidstaat zijn, langs leggen. Tegelijkertijd weet de heer Van Bommel ook dat dat is, omdat we hebben gezien dat het met de vorige uitbreiding – hij noemt de landen Bulgarije en Roemenië terecht – misschien niet helemaal 100% goed is gegaan. Juist daarom wordt het nu nog scherper gesteld, niet alleen op het punt dat de heer Van Bommel noemt, maar juist ook op het punt van de rechtsstaat, van het openbaar bestuur en van de fundamentele rechten. Ik denk eigenlijk dat er aan de vraag van de heer Van Bommel wordt voldaan, maar dat hij zich daar nogal ongemakkelijk bij voelt, omdat hij gewoon tegen uitbreiding is.

De voorzitter: En wat is uw vraag?

De heer Van Bommel (SP): Er was geen vraag, maar ik wil wel graag reageren. Mevrouw Maij weet heel goed dat wij niet tegen de Europese Unie zijn en zelfs niet tegen uitbreiding. Dat zegt mevrouw Maij hier allemaal zomaar even. Zij moet om te beginnen zichzelf serieus nemen, want dan kunnen wij dat ook doen. Als zij zichzelf niet serieus neemt en dergelijke beweringen doet over het standpunt van mijn partij, dan is het heel moeilijk om de beweringen die daarop volgen serieus te nemen. Toch zal ik er nader op ingaan.

Er worden hier twee premissen naar voren gebracht waar ik me niet in herken en waarvan mevrouw Maij als zij daar langer over nadenkt, ook zal zeggen dat dat niet de juiste weergave van het standpunt van de SP is, maar mevrouw Maij zit hier niet om het standpunt van mijn partij weer te geven, daar zit ik hier zelf voor.

Dan over die drie pijlers, rechtsstaat, economisch bestuur en openbaar bestuur. Dat zijn allemaal terreinen die ook vallen onder de Kopenhagencriteria. Het is echter een nieuwe ontwikkeling als wordt gesproken over zaken die direct horen bij het Europees Semester, over werken met pre-accessiesteun en over die steun eventueel, wanneer men de economische hervormingen niet conform het Europees Semester toepast, als sanctie weer intrekken. Als het kabinet zegt dat het het toejuicht dat ook langs de lat van het Stabiliteits- en Groeipact en de macro-onevenwichtigheidsprocedure wordt gewerkt, dan is dat nieuw beleid in het kader van de uitbreiding. Daar maak ik bezwaar tegen. Dat lijkt mij ook mijn goed recht, zo niet mijn verplichting.

Mevrouw Maij (PvdA): Het is geen verplichting van de SP om bezwaar te maken. Ik dacht dat u daar ook vanaf was. Ik heb dan wel weer zoveel van de SP begrepen, dat het niet meer automatisch «nee» is. In de stukken staat echter heel duidelijk – misschien niet in de samenvatting die u voor uzelf hebt gemaakt – dat rechtsstaat, hervorming van openbaar bestuur, maar ook mensenrechten en fundamentele rechten van heel groot belang zijn. Daar komt iets anders bij, dat ben ik met u eens, maar u doet nu alsof de rest over de schouder weggeworpen wordt en dat is echt klinkklare onzin.

De heer Van Bommel (SP): Dat heb ik natuurlijk helemaal niet beweerd. Ik zeg dat al die andere zaken wel worden genoemd, maar dat die in de praktijk helemaal niet belangrijk genoeg blijken te zijn. Dat is de makke van de Europese Unie: het wordt allemaal met de mond beleden, een waardegemeenschap en mensenrechten, maar als we kijken naar de situatie in sommige lidstaten die er al sinds 2004 bij zitten, dan zien we dat dat praatjes voor de vaak zijn. Daarom maak ik mij daar wel degelijk zorgen over. Wanneer ik dan bovendien vaststel en dat doe ik hier vandaag, dat er nog iets bijkomt dat eigenlijk veel meer raakt aan de kern van het Europa van nu, namelijk die gemeenschappelijke markt, de concurrentie, de hervormingen et cetera, dan maak ik mij zorgen. Dan zie ik namelijk dat dit aspect buiten beeld is geraakt en dat het andere eigenlijk het dominante aspect is geworden van niet alleen de bestaande Unie, maar ook van de uitbreiding. Daar moet ik als linkse politicus bezwaar tegen maken. Ik vind het jammer dat ik u niet aan mijn zijde tref.

Mevrouw Maij (PvdA): Mag ik heel kort reageren op deze uitlokking?

De voorzitter: Ik wil er wel op wijzen dat we nog anderhalf uur te gaan hebben en dat we ook een debat voeren met de Minister van Buitenlandse Zaken. Mevrouw Maij kort dan nog even.

Mevrouw Maij (PvdA): Dank u, voorzitter. Ik denk dat het heel duidelijk is dat we hier met twee zaken te maken hebben. Er wordt wel degelijk gekeken naar de rechtsstaat, naar fundamentele hervormingen, naar mensenrechten, en dat vinden wij ook heel belangrijk. Daar heb ik net ook een aantal vragen over gesteld. Maar het een sluit het ander niet uit en we hebben ook geleerd van datgene wat er in het verleden is gebeurd. Daarom dat juist deze stappen op het terrein van de rechtsstaat, maar ook op het terrein van hervorming van het openbaar bestuur, worden gezet.

De heer Van Bommel (SP): Er zat wederom weer geen vraag in, maar ik zal er nu niet weer op reageren.

De voorzitter: Dank u, mijnheer Van Bommel. Er is nog een vraag van de heer Verheijen.

De heer Verheijen (VVD): Ik steun de heer Van Bommel in ieder geval op één punt. Hij ziet een wijziging van beleid en ik zie die ook. Economische criteria worden belangrijker, we gaan meer nadruk leggen op concurrentiekracht – ik sprak daar ook over in mijn eigen termijn – en op het economisch bestuur. Ik ben niet van mening dat dat de autonomie van de toetredingslanden aantast. Ze kunnen zelf kiezen of ze daarin meegaan. Wij stellen hier de eisen voor toetreding. Zij kunnen er dan voor kiezen om daarin mee te gaan. Ik wil de heer Van Bommel iets anders vragen. We hebben hier vorig jaar gesproken over hoeveel verschillen je kunt hebben in een Unie. Hoeveel economische ontwikkeling moet een toetredingsland doormaken voordat het kan toetreden? De heer Van Bommel zegt: ik vind het niets wat de Commissie nu wil gaan doen. Ziet hij dan een andere methode om landen, voordat ze kunnen toetreden, zich economisch te laten ontwikkelen? Of vindt hij het geen enkel probleem dat zij heel ver achterlopen op de rest van de Unie op het moment dat ze toetreden? Ziet hij dus nog, buiten de criteria die wij nu stellen, andere methoden om landen in de economische vaart der volkeren mee te nemen?

De heer Van Bommel (SP): Laat ik eerst met grote vreugde constateren dat wij, na lezing van de stukken, hebben gezien dat er sprake is van nieuw beleid. Daar waar de Partij van de Arbeid dat nog niet had ontdekt, hebben wij dat wel ontdekt. Dat is een goede zaak en die erkenning moet hier wel gedaan worden.

Dan het reële vraagstuk van de achterstand die de landen economisch hebben ten opzichte van het Europees gemiddelde. Dat is wel degelijk een probleem, zeker als het erom gaat je eigen markt overeind te kunnen houden in de concurrentiestrijd met de landen die reeds deel uitmaken van de Europese Unie. Dat is ook een criterium, overeind kunnen blijven in de concurrentie die er Europees is. Dat is al onderdeel van de Kopenhagencriteria. Maar dat Europa nu de instrumenten zo aanscherpt dat men, weliswaar vrijwillig, zichzelf verplicht om mee te kunnen doen aan de procedure, waarbij men langs de lat van het Stabiliteits- en Groeipact en de macro-onevenwichtigheidsprocedure wordt gelegd, dat gaat mij net een tandje te ver. Dat gaat mij te snel. De heer Verheijen heeft gelijk dat deze landen het vrijwillig doen, maar er is natuurlijk in dat toetredingsproces een vragende en een biedende partij. De landen die willen toetreden zijn de vragende partij en Europa is de biedende partij. Wij bieden het lidmaatschap en men heeft maar aan de eisen te voldoen. De kern van mijn betoog is dat dat volgens mij het draagvlak ondermijnt, niet alleen in die lidstaten, want zij hebben te maken met instrumenten die ook daar pijn zullen doen, bijvoorbeeld een oplopende werkloosheid of andere zaken, maar ook in de bestaande Unie. Dat is een groot probleem. Het draagvlak, althans het afbrokkelende draagvlak voor de Europese Unie is het grootste probleem van de Europese Unie.

De heer Verheijen (VVD): Ik stel mijn vraag nog een keer. Wat is dan een manier om die landen zich economisch te laten ontwikkelen? Ik sluit mij op dit punt aan bij de heer Klaver en mevrouw Maij. Wat is dan de oplossing om te zorgen dat die landen versnellen, dat er economische ontwikkeling is? Dat is ook goed voor de rechtsstaat en de democratie, maar dat is vooral goed voor die landen op het moment dat ze toetreden, want dan kunnen ze meedoen en kan de interne migratie in de EU in de hand worden gehouden. Wat is de SP-oplossing voor de economie in die landen? In ons land weet ik het al niet.

De heer Van Bommel (SP): Je kunt geen ijzer met handen breken. Het probleem is dat de EU te snel is uitgebreid. Wij willen kennelijk nog steeds vasthouden aan tempo maken in het uitbreidingsproces. Dat moeten we niet willen.

De heer Verheijen (VVD): Dat is geen antwoord op mijn vraag.

De heer Van Bommel (SP): Er zijn instrumenten, er is pre-accessiesteun. Er is van alles en nog wat mogelijk om deze landen zich te laten ontwikkelen. We moeten dat proces echter niet willen versnellen. Als we dat wel doen, dan blazen we de Unie op. Daar zijn we overigens al een hele tijd mee bezig. Ik ben niet zo anti-Europees zoals sommigen hier, die dat een mooie uitkomst zouden vinden. Ik wil de Europese Unie niet opblazen. Ik denk dat we daar heel veel profijt van hebben met elkaar. Maar als we er in dit tempo mee doorgaan, dan blazen we de Unie op.

Voorzitter. Mijn tweede punt betreft het absorptievermogen. We hebben in het verleden gezegd dat dat ook een criterium is en we hebben dat toegevoegd aan de Kopenhagencriteria. In de praktijk zie ik er echter weinig van terug. Wat zijn nou de lessen die geleerd zijn uit de toetreding van Roemenië, Bulgarije en Kroatië? Wat zijn de lessen die geleerd zijn op het punt van bijvoorbeeld de arbeidsmarkt, de verdringing, de uitbuiting? Welke lessen zijn er geleerd op het punt van de bestuurbaarheid van de Europese Unie? Men heeft de Europese landen niet in die wezenlijke zin kunnen hervormen als men wilde met de Europese Grondwet. Die is niet doorgegaan. Men wilde op die manier de Europese Unie beter bestuurbaar maken. Wat is nu de kijk van de Nederlandse regering op tegelijkertijd steeds verdere uitbreiding en het beter bestuurbaar maken van de Europese Unie? Dat is nodig, maar het is niet gebeurd, ook omdat er geen draagvlak voor was. Dat draagvlak is een probleem. Wat komt er nou terecht van het samenwerken op regionaal niveau? De regio's in Europa zijn met het wegvallen van de grenzen natuurlijk veel belangrijker geworden. Dat regionale niveau heeft in Europa onvoldoende plaats gekregen. Ik krijg hierop graag een reactie van de regering.

Ik zal kort een paar landen langsgaan. Een land dat veel genoemd is de afgelopen maanden, maar dat wat mij betreft geen toetredingsperspectief heeft, terwijl die suggestie wel wordt gewekt, is Oekraïne. Ik vind dat in de Europese discussie over uitbreiding glashard gezegd moet worden, ook tegen de mensen in Oekraïne en de bestuurders in Oekraïne: er is voor u geen perspectief op toetreding. Ik vraag deze Minister om dat uit te spreken. De indruk die nu wordt gewekt bij de Oekraïners is dat zij op termijn, wanneer het allemaal wat rustiger is en de problemen zijn opgelost, kunnen toetreden. Op grond daarvan worden er in dat land beslissingen genomen. Als we dat niet gaan meemaken, dan vind ik dat we dat ook gewoon moeten zeggen. Dat is ook eerlijkheid.

In Turkije zal een separate economische dialoog plaatsvinden die meer politiek en strategisch van aard is, onder meer vanwege de goede banden met de Europese Unie. Hoe ziet het kabinet die dialoog? Er zijn in Turkije, naast de economische problemen, problemen op het gebied van openbaar bestuur, rule of law, fundamentele vrijheden, onafhankelijke rechtelijke macht, censuur van sociale media en de problematiek in het Koerdische vraagstuk. In een eerder overleg vandaag zei de Minister: er is vooruitgang geboekt in het vredesproces. Ik zie dat echter niet. Volgens mij is dat tot een totale stilstand gekomen. Ik krijg hierop graag een reactie van de Minister. Is dat niet veel belangrijker dan een separate economische dialoog? Hoe zit het met het probleem van Cyprus en het Ankaraprotocol dat niet wordt nageleefd? Zou dat niet in plaats van de hoofdstukken 23 en 24, het eerste en misschien voorlopig wel enige agendapunt voor Turkije moeten zijn? Als dat niet wordt opgelost, kunnen we namelijk niet verder met Turkije. We hebben dat probleem de Unie ingehaald met Cyprus. Dat moet worden opgelost voordat we verdergaan met Turkije.

De voorzitter: Wilt u tot een afronding komen?

De heer Van Bommel (SP): Dat zal ik doen met twee zinnen. De eerste is dat voor de naamskwestie met Macedonië wordt verwezen naar de VN, maar er is toch ook een bijzondere taak voor Europa. Ik deel die opvatting, maar we weten ook dat er voor Griekenland geen echte dwang ligt om dit op te lossen en dat er in het verlengde daarvan allerlei problemen in Macedonië zelf ook niet opgelost worden omdat men niet op korte termijn dat perspectief van toetreding heeft.

Ten slotte nog iets over Bosnië, een ander echt zorgkindje. De Europese Commissie heeft voor dat land een complete stilstand geconstateerd. Het Daytonakkoord is uitgewerkt, corruptie tiert welig en de vraag is of de politieke situatie hier eerst moet verbeteren, om te komen tot economische vooruitgang, of dat economische vooruitgang nodig is om die politieke situatie te kunnen verbeteren. Ik verneem hierover graag de opvatting van de Minister.

De heer Omtzigt (CDA): Voorzitter. Dit is inderdaad een interessant debat, zoals mijn collega's net ook al aangaven. Het is namelijk meer een intern Nederlands debat, soms zelfs een intern links Nederlands debat, als ik de afgelopen 25 minuten zo heb gehoord, dan dat wij het hebben over wat er nu eigenlijk op de Westelijke Balkan gebeurt.

Mevrouw Maij (PvdA): U hebt onze inbreng niet gehoord.

De heer Omtzigt (CDA): Ik heb gedeeltelijk meegeluisterd. Ik heb me van tevoren verontschuldigd, omdat ik nu uit de Raad van Europa kom.

De voorzitter: U hoeft geen verantwoording af te leggen aan mevrouw Maij. Vervolgt u uw betoog.

De heer Omtzigt (CDA): Ik heb u van tevoren gevraagd om het mee te delen, maar dat is niet gebeurd en daarom zeg ik het nu even.

De voorzitter: Het is helemaal gerechtvaardigd dat u iets later binnen bent gekomen.

De heer Omtzigt (CDA): In plaats van een aantal vragen hier over te doen – de collega's hebben zeer relevante vragen gesteld over de individuele lidstaten – wil ik een aantal meer algemene punten aan de orde stellen.

Ik wil graag het standpunt van de regering horen, nu zelfs de Europese Commissie een voor haar doen extreem sceptisch rapport over toetreding heeft geschreven. Tot nu toe zag men altijd overal lichtpuntjes en een gloeiende kerstboom; dit is het eerste rapport in jaren waarin de Commissie een zeer uitgebalanceerd evenwicht ziet. Dat is op zich zorgwekkend, want dit is ongeveer het meest optimistische orgaan dat er rondloopt als het gaat om EU-uitbreiding. Dat betekent ook dat een heel aantal dossiers eigenlijk aan het vastlopen is. Wat gaat er in zijn algemeenheid gebeuren om ervoor te zorgen dat die hervormingsprocessen, die an sich noodzakelijk zijn, goed worden doorlopen? Of ze nu wel of niet toetreden tot de Europese Unie, het is wenselijk dat een aantal landen, zeker met de geschiedenis van de Westelijke Balkan van de afgelopen 25 jaar, een wat grotere rechtsstatelijkheid gaan ontwikkelen.

Economische vooruitgang is belangrijk, want met 20%-25% werkloosheid wordt de sociale onrust alleen maar groter. Hoe gaat dat zich de komende vijf jaar ontwikkelen, ook wetend dat er geen perspectief is? We kunnen hier intern een discussie voeren of het wenselijk is, maar er treedt de komende vijf jaar niemand toe en de komende zes of zeven jaar treedt er ook niemand toe. Dat moeten we wel in ons achterhoofd houden.

Mijn volgende opmerking gaat over Rusland. Het is inderdaad een interessant geopolitiek gebied waar Rusland zich niet alleen wat gas betreft in zou kunnen mengen. Daar kan ik me op zich nog wel wat bij voorstellen, want het is een gasleverancier met historische banden met dat gebied. Het kan zich echter ook mengen in het conflict tussen Kosovo en Servië. Dat zou zeer onwenselijk zijn bij kandidaat-lidstaten. Hoe wordt vermeden dat naast de proxy-oorlog die de EU en Rusland feitelijk al aan het voeren zijn in Oekraïne en waarbij ze verschillende partijen gesteund hebben in het conflict in Syrië, zich een derde frontlinie gaat vormen, waarbij het ene land de kant van Rusland kiest en het andere land binnen Europa een andere kant? Over Kosovo wordt namelijk nog heel verschillend gedacht. Vijf landen hebben dat land nog steeds niet erkend. Voor langdurige stabiliteit zou dat het slechtste scenario zijn voor die regio.

Ik heb een aantal specifieke vragen. Ik sluit me aan bij de vragen die de collega's hebben gesteld en ik stel nu alleen nog de vragen die niet gesteld zijn. De Commissie beoogt met Turkije een dialoog te starten over de werkgelegenheid en de sociale hervormingen, zo staat in de brief. Hoe ziet de Minister de recente uitlatingen van de Turkse regering over het Nederlandse sociale beleid? Een dialoog betekent namelijk ook dat we gaan praten over wat zij van ons vinden. Laat ik het zo zeggen: ze hebben zich de afgelopen weken nogal assertief opgesteld in de richting van Nederland. In mijn optiek mag Nederland daar ook iets van zeggen. Bij de opening van de toetredingsonderhandelingen is de motie-Rouvoet hier unaniem aangenomen. Is deze Minister bereid om niet meer te spreken van «de kwestie van de Armeense genocide», maar gewoon van «de Armeense genocide» wanneer hij met zijn Turkse collega spreekt, zoals 150 Kamerleden hier destijds beoogd hebben?

Tot slot iets dat nog niet aan de orde is geweest. Sorry dat ik een aantal landen tekortdoe, maar ik sluit mij op dat punt aan bij voorgaande vragen. Het opbouwen van een rechtsstaat is heel lastig. Dat heeft de EU zelf ook ondervonden met EULEX (European Union Rule of Law Mission) in Kosovo, waar Maria Bami op dit moment geschorst is, omdat ze geprobeerd heeft intern aan te geven dat een aantal EULEX-mensen zelf zodanig corrupt was dat zij zaken deed met corrupte Kosovaren en dat, laten we het maar gewoon zeggen, de EU geen positieve bijdrage leverde aan de opbouw van de rechtsstaat zelf. Het eerdere onderzoek is ook door de Europese ombudsman gezien als een schaamlap. Feitelijk doet de Europese Unie dus zelf niet wat zij van een aantal andere landen verlangt. Op welke wijze zal de Nederlandse regering eraan bijdragen dat zij gesteund wordt en dat EULEX zelf boven elke verdenking verheven is? Laat ik helder zijn, er is de afgelopen vijf jaar door EULEX niemand veroordeeld vanwege de corruptie die daar aangepakt moet worden.

De voorzitter: U kwam iets later binnen, mijnheer Omtzigt, maar u was verontschuldigd, laat dat duidelijk zijn. U had vandaag een belangrijke taak in Parijs te vervullen. Ik ben in ieder geval blij u hier ook te zien.

Een ander punt is – ik heb het al eerder heb aangegeven – dat het vandaag niet gaat om de bilaterale relatie tussen Nederland en Turkije, maar om toetreding van Turkije als aspirant-kandidaat-lidstaat van de Europese Unie. We hebben een apart debat geagendeerd, onder andere met de Minister van Buitenlandse Zaken, maar ook met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verantwoordelijk voor integratie, over dit bijzondere punt.

De vergadering wordt van 19.15 uur tot 19.20 uur geschorst.

Minister Koenders: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de gestelde vragen. Ik begrijp dat de commissie elk jaar een debat heeft over de uitbreiding van de EU en dat het de bedoeling is om per land even goed naar de stand van zaken te kijken. Er zijn veel vragen gesteld. Met uw welnemen, zal ik eerst een aantal algemene opmerkingen maken over waar het uitbreidingsproces nu staat en hoe de regering daartegen aankijkt. Daarna zal ik een aantal vragen beantwoorden van meer algemene aard over het instrumentarium van de steun, over de onderhandelingen en over hoe we omgaan met hoofdstukken. Vervolgens zal ik ingaan op de situatie in de verschillende landen.

Het is nu 25 jaar na de Koude Oorlog. In die jaren zijn veel lessen geleerd, op allerlei vlakken, maar ook op het terrein van de verdieping en de verbreding van de Europese Unie. Die lessen moeten toegepast worden. De nieuwe Commissie is daarmee bezig en doet dat op een manier die in het belang is van de welvaart en het welzijn van onze burgers, maar ook van de geopolitieke zekerheid van ons continent. Ik vind dat een interessant aspect. Dat heeft ook te maken met deze uitbreidingsdiscussie. Dat betekent niet dat deze geopolitieke discussie scherper is dan een aantal jaren geleden en dat men sneller of minder snel tot uitbreiding moet overgaan. Maar dit is wel een element dat in de discussie meegenomen moet worden.

We zitten op een historisch scharnierpunt. Ik denk dat het goed is dat even naar die lessons learned wordt gekeken en naar de principes. Waarom wilden we die uitbreiding eigenlijk, wat is er vastgesteld door de lidstaten die er al zijn en voor welke strategie is er in meerderheid besloten? Het is goed om te zien dat de Commissie het strikte en faire beleid heeft omarmd. Die omarming heb ik ook gezien in dit Nederlandse parlement. Dat zijn de twee manieren, waarop we kijken naar de uitbreiding van de Europese Unie. Strikt als het gaat om de Kopenhagencriteria en om de onderhandelingen. Fair als het gaat om een aantal afspraken die zijn gemaakt met kandidaat-lidstaten.

De heer Beertema heeft gezegd dat het belangrijk is om een pas op de plaats te maken. Die wordt ook gemaakt. Het is niet voor niets dat de Commissie, los van of dat in de verwachting lag of niet, heeft gezegd dat in de volgende vijf jaar geen toetreding zal plaatsvinden.

De VVD-fracties noemde termen als realistisch, timide, reële toon, consolidatie. Over het algemeen heb ik veel waardering gehoord voor de wijze waarop de Commissie heeft gekeken naar de landensituaties. Daar is eigenlijk geen verschil van mening over in de Kamer. Het is een verhaal over wat er op het ogenblik gebeurt in de meeste toetredingslanden. Ik heb weinig gehoord dat men het daar mee oneens was. De vraag is dan welke conclusies je daaruit trekt.

Ik juich het zeer toe dat de Commissie dit jaar, juist ook onder druk van Nederland, op twee punten – rechtsstaat en economie – bijzondere aandacht heeft besteed aan de hervorming van het openbaar bestuur. Ik kom straks nog terug op een aantal specifieke vragen van mevrouw Maij. Het is ontegenzeggelijk waar dat voor de problemen die we in de Westelijke Balkan zien, maar ook in andere landen, een professioneel, niet gepolitiseerd en niet corrupt ambtenarenapparaat essentieel is. Voor de vooruitgang in de richting van associatie en samenwerking en eventueel lidmaatschap van de Europese Unie, zijn rechtsstaathervormingen en structurele economische hervormingen essentieel. Dat is overigens geen nieuwe conditionaliteit. Het gaat om het overnemen van het acquis. Er wordt niets extra gedaan of minder gedaan dan daarvoor. Het overnemen van het acquis is een van de elementen voor kandidaat-lidstaten. Dat is geen ideologische discussie. Landen kunnen en horen op democratische principes hun eigen keuzes te maken.

Die structurele aanpassing is echter wel essentieel. Ze moeten zich voorbereiden – dat is ook een van de Kopenhagencriteria – op het lidmaatschap van een grotere Europese Unie. We hebben in Kroatië gezien wat voor problemen het kan opleveren als dat niet op de goede manier gebeurt. De economie gaat natuurlijk ook gewoon verder, in positieve of negatieve zin. Daarom zijn die aanpassingen essentieel, gezien de manier waarop met eventuele toetreding wordt omgegaan.

Het is misschien goed om nog even te zeggen waarom we dit allemaal doen en waarom er eigenlijk een pas op de plaats wordt gemaakt. Ieder Europees land mag een lidmaatschapsaanvraag doen als het de democratische waarde van de EU respecteert en gecommitteerd is deze te bevorderen. Dat is een artikel van het verdrag waar alle landen mee ingestemd hebben, ook Nederland. U kent de toetredingscriteria van Kopenhagen. Die gaan over instituties, democratie, rechtsstaat, mensenrechten en respect voor de bescherming van minderheden. Ik denk dat dat essentieel is. Je ziet ook – we zijn misschien niet altijd voldoende tevreden – dat in ieder geval de landen die nu toegetreden zijn tot de Europese Unie, dat pas konden doen toen er een aanmerkelijke vooruitgang was geboekt op deze gebieden. Dat heeft de burgers van die landen veel opgeleverd, zoals het ons ook veel opgeleverd heeft. Het heeft niet alleen gezorgd voor meer stabiliteit, een uitbreiding van de rechtsstaat en meer kansen voor mensen, maar het heeft ook enorme economische voordelen opgeleverd, vanwege die stabiliteit en die groeiende markt. Dit geldt zeker voor een exporteconomie als de Nederlandse. Commissaris Hahn heeft daar niets aan toegevoegd, wat niet al onderdeel was van de Kopenhagencriteria.

Verder moet een toetredend land het vermogen hebben om de lidmaatschapsverplichtingen op zich te nemen en toe te passen. Dat is niet eenvoudig. Voor heel veel landen, die een tijd in oorlog hebben verkeerd of in een geostrategisch moeilijk gebied zitten of niet veel traditie hebben op dit terrein en zich in de afgelopen periode fors hebben moeten aanpassen aan een nieuwe wereldorde of wanorde, is dat een ingewikkelde weg. Die balans van wat er goed en wat er slecht gaat, heeft in dit rapport niet geleid tot een heel positieve evaluatie van heel veel landen. De duivel zit echter in de details en ik vind dan ook dat we dit echt per land moeten bespreken. Je kunt hier geen algemene karakterisering aan geven.

De heer Van Bommel heeft er terecht op gewezen dat het ook gaat om het absorptievermogen van de Europese Unie. Dat heeft ook iets te maken met die vijf jaar die is genoemd door commissaris Juncker. Dat geeft iedereen een zekere rust, zowel binnen de Europese Unie als daarbuiten, om serieus verder te werken aan het perspectief dat die landen gegeven is, in verschillende vormen.

Voor de Westelijke Balkan zijn er nog additionele politieke voorwaarden in het kader van het stabilisatie- en het associatieproces. Die hebben vooral betrekking op regionale samenwerking en goede betrekkingen met de buurlanden. Dat is, gezien de recente geschiedenis in de jaren negentig en de eerste jaren van dit millennium, voor een aantal landen best ingewikkeld. Het is ook heel begrijpelijk dat het ingewikkeld is. We vinden het allemaal te langzaam gaan, maar laten we niet vergeten dat de geschiedenis daar een heel ingewikkelde is na het uiteenvallen van Joegoslavië. Er zijn criteria en er zijn regels afgesproken, ook met de Kamer, over wie kan toetreden en wie niet en welke criteria daarvoor gelden. We doen dat via een strikte en faire behandeling. Daar bestaat op zich geen verschil van mening over. U kunt dan wel tot verschillende keuzes komen. De PVV zegt bijvoorbeeld in feite: het kan wel afgesproken zijn, maar wij zijn daar tegen. Dat is een legitieme positie, maar dat is niet de positie van de regering.

Zijn er lessen geleerd uit de afgelopen jaren? Jazeker. Dat is volgens mij een van de redenen waarom Juncker heeft gesproken, zoals hij heeft gesproken. In de afgelopen jaren zijn een aantal dingen naar voren gekomen die ook in de Kamer steeds naar voren zijn gekomen en die door de Nederlandse regering worden omarmd. Allereerst zijn de toetredingsvoorwaarden leidend en niet het tijdpad. Vroeger werd weleens gezegd: ja, maar het moet per se in dat jaar. Je zou dan kunnen zeggen dat je die vijf jaar dan eigenlijk ook niet zou moeten noemen. Je zou je theoretisch namelijk kunnen voorstellen dat er binnen die vijf jaar een lidmaatschapsperspectief zou zijn voor een land, maar dat lijkt niet erg waarschijnlijk. Laten we daar dan ook maar geen probleem van maken. We zijn nu echter wel af van de kalenderfixatie.

De heer Pechtold (D66): Ik heb dit niet voor niets gevraagd. Ik vond het overbodig om het te zeggen. Ik heb ook het gevoel dat het het proces ontmoedigt. Door iets wat eigenlijk al niet te verwachten was, zo stevig te stellen, demotiveer je die landen. Is de Minister dat met mij eens?

Minister Koenders: Ik begrijp de redenering, maar ik ben het niet met u eens. Ik denk dat het verstandig is dat de nieuwe Commissievoorzitter heeft gezegd dat er veel emotie is en dat er veel druk is op landen. Er is een enorm scherpe toetredingsdiscussie gaande. Ik merk dat vandaag ook in dit parlement. Laten we daarom reëel zijn. Het zit er niet in dat in de volgende vijf jaar een land kan toetreden. Dat kunnen we dan ook beter gewoon benoemen en de rust en de tijd nemen om een goed debat te voeren over de toetreding. Ik denk dat het niet meer en niet minder is dan dat. Ik zie het dan ook niet echt als een ontmoediging. De Nederlandse regering ziet het in ieder geval niet zo.

De tweede les is dat er geen groepsgewijze uitbreiding moet plaatsvinden. De eigen merites moeten de basis zijn. Dat vind ik ook een belangrijke les die is geleerd. Dat is een goede zaak.

Het derde punt is dat de voortgang niet alleen moet zijn gericht op wetgeving, maar ook op implementatie, op een track record. Er ligt op dat punt een goed rapport van de Europese Commissie. Dat vinden velen van u met mij.

Het vierde punt, dat ik echt belangrijk vind, is dat de kernwaarde van de Unie centraal staat. Die is nog belangrijker dan de economie. Rechtsstaat, democratie en fundamentele rechten zijn de kern van het toetredingsproces gaan vormen, nog meer dan de andere aspecten. Landen moeten vanaf het prille begin ingrijpende hervormingen doorvoeren en toepassen. De praktijk gaat boven het papier.

Het laatste punt betreft het economische bestuur en het belang van structurele hervormingen, evenals de hervormingen van het openbaar bestuur. Die zijn ook een belangrijke rol gaan spelen. Daar zijn ook een aantal vragen over gesteld. Mevrouw Maij heeft gevraagd hoe je dat verder in de praktijk gaat brengen. Voor het openbaar bestuur zijn de speciale werkgroepen een platform waar wordt gesproken over problemen, uitdagingen en de gewenste aanpak en actie. Er moet ook worden gekeken of de aanbevelingen uit de voortgangsrapportage afdoende zijn opgepakt. Die werkgroepen vormen tegelijkertijd de basis voor de gerichte inzet van IPA-middelen. Ik kom nog specifiek terug op de IPA-middelen. Maar er zit een element in van – ik moet oppassen met dit woord – prestatiebeloning en van veel meer nadruk op de rechtsstaat. Dat is een probleem dat de heer Omtzigt aan de orde heeft gesteld. Dat is op het ogenblik een van de moeilijkst op te lossen problemen in een groot gedeelte van de regio waar we het over hebben. Daar wordt dan ook relatief meer geld aan besteed. Ik zal straks met cijfers nader aangeven hoe dat zit.

Die werkgroepen vormen dus de basis voor die gerichte inzet van de IPA-middelen. Dat zal de komende tijd nader vorm krijgen. Dat is overigens al gebeurd bij Albanië, Kosovo, Macedonië, Montenegro en Servië. De Commissie zal in de volgende uitbreidingspakketten rapporteren over de voortgang.

Verder is gevraagd in hoeverre de nadruk op hervorming van het openbaar bestuur, zoals voorgesteld, gaat bijdragen aan het keren van de neergaande trend als het gaat om persvrijheid. In de rechtsstaathoofdstukken wordt specifiek aandacht besteed aan de vrijheid van meningsuiting en de media. Volgens mij is dat belangrijk. Misschien moeten we ook nog eens naar dingen kijken die er niet zo duidelijk in staan, zoals de financiering van de media. Dat is iets wat ons dan ook meteen zelf aangaat. Ook daar zijn een aantal zaken aan de orde gekomen die van belang zijn voor de onafhankelijkheid van redacties et cetera. De actieplannen gaan daarover en over een verscherping van de IPA-fondsen. Natuurlijk kunnen hervormingen van het openbaar bestuur hierbij helpen, want die raken immers het functioneren van de rechtsstaat.

Mij is gevraagd of er in de betrokken landen een politieke wil is om tot verandering in wetgeving in de praktijk te komen. Dat moet ik toch echt per land bespreken, want dat is niet eenduidig, zoals dat ook in ons land of in België of in Duitsland of in Hongarije niet hetzelfde is. Een eensgezinde inzet binnen de EU om de focus te leggen op implementatie en niet alleen op wet- en regelgeving is echter essentieel. Daar blijkt dan ook de politieke bereidheid uit. Daarom speelt het opbouwen van een solide track record zo'n belangrijke rol.

Er is specifiek gesproken over de Westelijke Balkan. Ik heb al iets gezegd over de geschiedenis van die regio. Goede nabuurbetrekkingen zijn essentieel voor de stabilisatie- en associatie-elementen van onze samenwerking met die landen. De problemen met persvrijheid daar zijn niet nieuw, zo zeg ik in de richting van mevrouw Maij. De Commissie maakte hier vorig jaar ook melding van. Een nieuwe aanpak en focus op de rechtsstaat en fundamentele rechten legt de pijnlijke plekken bloot en dat is goed. Er zijn verschillende oorzaken en er is daarom geen eenduidige lijn te trekken. Het heeft te maken met de grote rol en invloed van overheden, geconcentreerd en intransparant eigenaarschap en intransparante financieringsstromen, politisering en lage professionele standaarden bij de media. Daar zijn overigens heel goede programma's voor, ook van de Europese Unie en van Nederland, zoals het Matra-programma. De problemen zijn legio en verschillen per land. Het is ook niet zo dat betere regel- en wetgeving daar altijd een rol bij speelt. Dat is maar een element. Het gaat ook om de cultuur, de financiering en de opleiding. De Commissie besteedt daar terecht veel aandacht aan, zowel in de dialoog en de onderhandelingen, als door de inzet van het pretoetredingsinstrument. We moeten niet verwachten dat hier een one size fits all-programma op past. Dat is ook een politiek element van discussie in die landen. Ze moeten ook zelf bepalen of er op dat punt voortgang wordt geboekt of niet.

Voor ik naar de verschillende landen ga, wil ik eerst ingaan op wat is gezegd over de invloed van de Russische Federatie. Ik wil niet de term van de heer Omtzigt overnemen en zeggen dat er in Europa sprake is van een soort proxy-oorlog. Dat gaat mij echt veel te ver. Niettemin zie ik wel risico's. Die risico's moeten we goed benoemen en bekijken, maar die zijn nog niet overal even helder. We zien dat de Russische Federatie zich actiever en assertiever opstelt ten aanzien van landen in de Westelijke Balkan. U herinnert zich waarschijnlijk dat Rusland zich dit jaar voor het eerst in de VN-Veiligheidsraad onthouden heeft bij de stemming over het jaarlijkse mandaat van EUFOR, de missie van de Europese Unie in Bosnië.

De Westelijke Balkan heeft historisch gezien altijd betrekkingen gehad met verschillende delen van de wereld om hen heen. Er is daar sprake van een Russische invloed, een Europese invloed en een Turkse invloed. Rusland probeert de banden nu economisch, politiek en cultureel strakker aan te halen, zeker in landen waar het uitbreidingsperspectief vervaagt of zwakker is. Daar moeten we goed naar kijken. Ik zeg niet dat dat een reden op zich moet zijn, maar daar moeten we wel goed naar kijken. Ik denk hierbij aan Macedonië en Bosnië. Maar ook in Servië kan dat natuurlijk effect gaan sorteren, aangezien er onder de bevolking vaak een grote sympathie heerst. Ik vind dat we daar dus genuanceerd naar moeten kijken, maar niet naïef. De manier waarop we met uitbreiding of associatie en met de middelen omgaan, ook als er niet besloten wordt tot uitbreiding of associatie, kan een onderdeel vormen van de discussie. Dan moet je de dialoog eigenlijk verscherpen. Ik heb vorige week gesproken met de Minister van Buitenlandse Zaken van Servië, die de nieuwe voorzitter van de OVSE wordt. Gaat dat een brugfunctie worden in het kader van toch weer een nieuwe samenwerking op het Europese continent? Of gaat dat leiden tot een verscherping van tegenstellingen? Het is nog te vroeg om daar een oordeel over te vellen, maar ik denk dat het wel van belang is om het te noemen. Ik vind het terecht dat de Kamerleden ook dit element in de uitbreidingsdiscussie naar voren hebben gebracht.

Uiteindelijk moeten kandidaat-lidstaten zich uiteraard aansluiten bij de EU-positie, zoals bij de crisis in Oekraïne. We hebben natuurlijk ook een acquis op het terrein van het buitenlands beleid. Pas op het moment van toetreding moet die aansluiting volledig zijn. In de tussentijd verwacht je natuurlijk wel dat er een zekere alignment is, een zekere toenadering als het gaat om de buitenlandse politieke posities van de Europese Unie. Uiteraard moet die Europese Unie er dan ook voor openstaan om dat met die landen te bespreken. Dat is ten aanzien van Servië en Turkije zeker niet altijd het geval. Dat hoeft ook niet, want het is een soort verordening voor die landen dat ze het met ons eens moeten zijn. Dat is een vrijheid voor iedereen. Maar je mag van een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie wel verwachten dat die zich in ieder geval aansluit bij de buitenlandse politieke prioriteiten van de Europese Unie.

Naar aanleiding van de opmerkingen over geostrategie en energie zeg ik in de richting van de fractie van GroenLinks dat de afhankelijkheid van Russisch gas sommige EU-lidstaten natuurlijk kwetsbaar maakt. Daar zeg ik niets nieuws mee. Het vraagt om een sterk energiebeleid, extern en intern. Dat is misschien iets voor een apart debat. Daar wordt in deze commissie ook regelmatig over gesproken. Die kwetsbaarheid geldt ook voor sommige van de kandidaat-lidstaten. Dat geldt in ieder geval voor Servië. Vanuit het pretoetredingsinstrument gaat de Europese steun ook juist naar die Servische energiesector. Die IPA's zijn daar dus ook juist van belang. Het is een punt van aandacht en dat steun ik, maar het is niet iets dat van de een op de andere dag kan worden opgelost of met die toetredingsgelden kan worden veranderd. Ik denk echter dat er een aantal landen zijn in de Westelijke Balkan die zich nu in een moeilijke positie bevinden en die het recht hebben om hun bevolking straks van goede energie te voorzien. Daar moeten we begrip voor hebben. Er zijn dus historische relaties en die zijn gevoelig. Daar hebben we alle respect voor en we moeten dat goed meenemen in de discussie waar we het zojuist over hadden.

Er is nog één vraag van algemene aard en die gaat over het welvaartscriterium. Die vraag werd gesteld door de heer Verheijen. Ik ben er geen voorstander van om voor kandidaat-lidstaten een welvaartscriterium in te voeren. We gaan het spel niet halverwege veranderen, om het zo maar te zeggen. De les is juist dat landen na toetreding een economische sprong maken. De heer Pechtold noemde Polen. Anderen noemden Tsjechië en de Balten. Dat zijn landen die het economisch heel goed doen, en waar de Nederlandse economie ook enorm garen bij spint, omdat dat nieuwe exportmarkten zijn. Het proces behelst vaak grote economische hervormingen, waar pas later de vruchten van kunnen worden geplukt. Het zijn vaak hervormingen die verder gaan dan in veel landen die al langer lid zijn van de Europese Unie. De voorbereiding hierop maakt wel deel uit van de Kopenhagencriteria, zo zeg ik in de richting van de heer Verheijen. Landen moeten een functionerende markteconomie hebben die bestand is tegen concurrentiedruk en de krachten van de interne markt. Aangezien die ook veranderen, zeg ik in de richting van de heer Van Bommel, is dat niet een extra conditionaliteit, maar een aanpassing aan de nieuwe realiteit.

De achterliggende gedachte is dat economische groei volgt op een solide en evenwichtig economisch beleid. Kopenhagencriteria als systeemcriteria bieden bovendien geen aanknopingspunt voor het instellen van een welvaarts- of een inkomensondergrens. Een aanvullend welvaartscriterium zou voor Nederland als exportland ook niet verstandig zijn, aangezien een vergroting van de interne markt belangrijk is voor onze eigen economische groei. Ik ben overigens wel voorstander van een strenge toetsing op economische criteria in het toetredingsproces. Als daarop wordt gedoeld, dan zitten we op één lijn. Ik ben ervoor om potentiële kandidaat-lidstaten zo vroeg mogelijk in het EU-toenaderingsproces bewust te maken van de zich snel ontwikkelende afspraken over bestuur en Europese economie.

Ik wil nu overgaan tot een aantal punten die betrekking hebben op de landensituaties. Die opmerkingen kunnen op zich vrij kort zijn, omdat ik het met de woordvoerders eens ben dat het rapport dit jaar goed is. Ik wil niet zeggen dat de rapporten andere jaren niet goed was, maar ik zit er net en ik vind het rapport dit jaar gewoon goed. Maar u kunt het wellicht veel beter dan ik vergelijken met vorig jaar. Misschien had ik die van de afgelopen jaren allemaal moeten lezen, maar dat heb ik niet gedaan. Ik ben het eens met datgene wat in de rapporten van de Commissie wordt gezegd over de balans. Ik ben niet iemand van dat het glas halfvol of halfleeg is, maar de heer Pechtold heeft terecht gewezen op een aantal dingen die wel goed gaan en waar grote vooruitgang geboekt wordt. Ik denk bijvoorbeeld aan een land als Albanië. Daar zijn een aantal verbeteringen zichtbaar. Het issue van de Gay Pride is genoemd. Je kunt je afvragen of dat iets is dat duurzaam is. Dat zullen we bekijken op de manier zoals ook eerder is aangegeven. Dit zijn echter wel belangrijke punten. Het is niet allemaal zwart. Integendeel, ik denk dat er enorme ontwikkelingen zijn in de maatschappijen en de bevolkingen van die regio. Zij willen ook graag verandering zien. Dat schuurt dan wel eens met de politieke structuren. Dat geldt zeker voor het eerste land waar we allemaal over hebben gesproken, Bosnië.

Het gaat niet goed met de Bosnische toenadering tot de Europese Unie. Ik ben het met de heer Omtzigt en anderen eens dat je de zaak niet kunt laten liggen als het moeilijk gaat. Dat betekent echter niet dat je ineens de regels van het spel moet veranderen. Die conditionaliteit van strikt en fair houden we vast. Ik denk echter wel dat het Europese beleid wat effectiever kan zijn. Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben ook een benadering van strikt en fair. Die zitten daar niet heel anders in dan wij. In ieder geval Duitsland niet. Volgende week zal in de Raad Buitenlandse Zaken worden besproken hoe we de dynamiek in Bosnië kunnen helpen. We moeten ons realiseren dat de Dayton-overeenkomst een bepaalde structuur geschapen heeft, die moeilijk veranderbaar is. Ik ben ervoor om samen met Duitsland en Engeland op te trekken om de EU-inzet te versterken, zodat we de leiders in Bosnië niet alleen kunnen verleiden, maar ook echt kunnen laten instemmen met het afgesproken pakket maatregelen. Mevrouw Mogherini is daarvoor naar Bosnië geweest en er wordt ook door de Engelse en Duitse collega's aan gewerkt.

Het conditionaliteitscriterium voor de toetreding moet niet worden veranderd, maar we moeten er wel voor zorgen dat er nu op het terrein van de speciale associatieakkoorden meer kan gebeuren. Overigens zeg ik er direct bij dat de IPA-gelden echt worden ingezet om druk op de ketel te houden. De Commissie heeft, met Nederlandse steun, besloten om de IPA-middelen voor 2014 tot 2017 met de helft te bekorten. Het is niet anders. Als er op een gegeven moment geen sprake meer is van vooruitgang, dan kun je er wel geld in blijven stoppen, maar dan heeft dat niet zoveel zin.

Voor Bosnië wordt nu een dynamiek gezocht, zonder de conditionaliteit aan te pakken. Het is een belangrijk land. Het is ook een land waar wij vriendschapsbanden mee hebben. In de jaren negentig heb ik daar een jaar gewoond, na de Dayton-akkoorden. Het is van belang om Bosnië te betrekken bij de stabilisatie van de Balkan. Ik vind het belangrijk dat we daarbij betrokken zijn op de manier die ik zojuist aangaf. Er zijn hier nog andere zaken over op te merken, maar gezien de tijd zal ik het hierbij laten.

Dat geldt in zekere zin ook voor Servië. Daar zijn niet heel veel vragen over gesteld. Ik heb begrepen dat men het op dat punt eens is met het rapport van de Commissie. Servië is sinds 1 maart 2012 een kandidaat-lidstaat. De toetredingsonderhandelingen zijn gestart op 21 januari. Er zijn nu nog geen hoofdstukken geopend. De nieuwe methodiek van de Commissie steun ik en de commissie volgens mij ook. Er wordt begonnen met de rechtsstaathoofdstukken – dat geldt overigens ook voor Turkije – en misschien zelfs met het energiehoofdstuk. Er is op dat punt wel een probleem, maar er is geen blokkade van Nederland. Integendeel. Er ligt echter wel een blokkade van Cyprus. Ik kan wel zeggen dat er geen blokkade is, maar die ligt er en die kan ik niet zomaar wegnemen. We kunnen in de Europese Unie wel kijken naar de blokkades van Cyprus en de legitimiteit daarvan en kijken of de discussie daarover kan leiden tot een deblokkering op juist die hoofdstukken. Daar ligt de blokkering van Nederland dus niet. Maar ik zeg er wel bij – dat is ook iets dat dit parlement volgens mij hoog heeft – dat ieder land moet kunnen instemmen met elke stap. Dat willen we ook voor Nederland. Het wordt dan echter wel ingewikkeld als één land zegt: dat willen we nu niet. Uiteraard spreken we daarmee, maar dat maakt het wel moeilijk om, bijvoorbeeld in het geval van Turkije, daar verder mee te komen.

De toetreding tot de Europese Unie is een prioriteit van de regering-Vučić. Ik denk dat dat een heel positieve ontwikkeling is. Het streven van de regering is afronding van de toetredingsonderhandelingen in 2018 en toetreding in 2020. Dan heb ik het dus over de regering van Servië. Het werkelijke tijdpad zal afhangen van de voortgang.

Wat bespreken we vandaag? Er zijn kandidaat-lidstaten en er is een perspectief. We hebben met elkaar regels afgesproken. Vervolgens hebben we met elkaar een manier gecommuniceerd waar een aantal lessen uit getrokken zijn. Die heb ik net geformuleerd. Vervolgens is het aan de landen zelf om het vorm te geven of niet, en te kijken of er wordt voldaan aan die hoofdstukken of niet. Wij gaan daar, zoals ik zei, strikt en fair mee om. Wij volgen in die zin dus ook de criteria die zijn gebruikt door de Europese Commissie, omdat die onzes inziens uitgebalanceerd zijn.

Wat betreft Macedonië is nog een vraag gesteld over de naamskwestie. De Commissie heeft overigens in 2012 en 2013 voorgesteld om die naamskwestie onderdeel van de onderhandelingen te maken. Wij konden daarmee instemmen, maar er is geen overeenstemming over in de Raad. U weet waarschijnlijk wel waarom. In ieder geval één lidstaat is het daar namelijk niet mee eens. We moeten echter alle lidstaten mee hebben. Ik kan daar niet veel aan veranderen. Ondertussen is er in Macedonië wel sprake van een aantal risico's omdat het proces zo lang duurt. Dat geeft namelijk geen incentive om verder te komen. Dat zien we op het terrein van persvrijheid en mediadiversiteit en ook op het terrein van de rechterlijke macht.

Mevrouw Maij (PvdA): Het is duidelijk dat het niet gaat lukken om het onderdeel te laten zijn van het onderhandelingsproces, aangezien niet alle 28 lidstaten daarachter staan. Het voorstel is om het twee parallelle processen te laten zijn. Hoe zou dat eventueel ingestoken kunnen worden, zodat het momentum, dat nu verloren lijkt te gaan, toch vast kan worden gehouden en weer een positieve slinger kan krijgen?

Minister Koenders: Ik kijk voor elk voorstel wat voor dynamiek dat zou kunnen opleveren. We hebben nu voor twee methodes gekozen, maar die werken allebei niet. Die worden misschien ook wel als excuus gebruikt om geen vooruitgang te boeken. Daar ligt op het ogenblik een Grieks veto op. Ik kan daar dan ook niet zo heel veel mee verder.

Mevrouw Maij (PvdA): Het voorstel is niet om het integraal onderdeel van de onderhandelingen te laten zijn, maar om twee parallelle processen naast elkaar te laten lopen, waarbij het ene proces zich alleen met de onderhandelingen bezighoudt, terwijl het andere proces, onder VN-vlag dan wel met wat meer steun vanuit de Europese Unie, met die andere kwesties aan de slag gaat.

Minister Koenders: Ik begrijp nu wat u bedoelt. Dat is een volstrekt legitieme methode, maar ook daar ligt een veto op. Dus ook daar komen we niet verder mee, want niet alle lidstaten stemmen daarmee in. Dat is vervelend. Degenen die zich hier al langer mee bezighouden weten dat deze zaak eigenlijk al sinds het begin van Macedonië speelt. Er zijn daar VN-vertegenwoordigers geweest, special representatives, ook van de OVSE. Het zal niet aan Nederland liggen dat opnieuw wordt gekeken of er mogelijkheden zijn of compromisformules, want dit werkt zo niet. Maar op een gegeven moment hebben we iets met elkaar afgesproken. Nederland kan ook een blokkade op iets hebben, waar de rest van Europa niets van begrijpt en dan ook zeggen dat het geen doorgang mag vinden. Op dit moment zie ik geen mogelijkheden om daar meer dynamiek in te brengen.

Ik kom nu op Albanië. De heer Pechtold heeft gevraagd of de druk heeft geholpen. Nederland stond destijds overigens niet alleen bij het uitstellen van het precieze toetredingsmoment van Albanië. Ook Duitsland en vier andere landen waren daarbij. We hebben gezien dat in de periode tussen december 2013 en juni 2014 voortgang is geboekt door de toenmalige regering-Rama. Die voortgang was voldoende om kandidaat-lidstaat te kunnen worden. Daarvoor voldeed men in de praktijk onvoldoende aan de toetredingscriteria. Dat Albanië nu deel is van dit proces, is natuurlijk geen reden om te verslappen. Er is nog veel werk te verzetten. Dat concludeert de Commissie ook. Ik denk dat het belangrijk is om te zien dat er vooruitgang wordt geboekt in Albanië. Dat land is nu sinds 27 juni inderdaad kandidaat-lidstaat. De start van de onderhandelingen is nog niet aan de orde. Albanië is bezig om veel werk te verzetten om te voldoen aan de twaalf voorwaarden voor de opening van de toetredingsonderhandelingen. Dat is indrukwekkend. De regering-Rama heeft ook de aanpak van de georganiseerde criminaliteit serieus ter hand genomen, met name de bestrijding van de grootschalige cannabisteelt. Dat zijn elementen die van belang zijn.

Er is nog een aantal vragen gesteld over Turkije. We zullen nog een apart debat voeren over de bilaterale relatie, dus ik zal mij op dit punt nu beperken. Turkije is al sinds 1995 kandidaat-lidstaat. De onderhandelingen gaan heel langzaam. Er was een periode waarin we heel veel vooruitgang hebben gezien. Dat was in het begin van de periode van de regering-Erdogan. We hebben ook gezien dat er in de laatste periode op veel terreinen geen sprake is van vooruitgang, maar zelfs van achteruitgang. Ik refereer nu gemakshalve even aan het rapport van de Commissie, waarin een aantal punten staat waarop vooruitgang is geboekt, maar ook heel veel punten waar dat niet het geval is.

Ik heb formeel nog geen verslag gekregen van het bezoek van mevrouw Mogherini aan Turkije. Ik kan daar dus alleen met een zekere restrictie over spreken. We hebben dat bezoek bevorderd, juist om te kijken waar we nu staan. Ik ben benieuwd wat zij daarover zal melden in de komende Raad Buitenlandse Zaken of op een ander moment. Mijn indruk is dat de discussies vooral gingen over de belangrijke relatie die we hebben met Turkije en over de vluchtelingenproblematiek. Ik herinner me ook dat ze aan de grens zijn geweest. Verder ging de discussie over een gemeenschappelijke buitenlandse politiek en in hoeverre er aansluiting is met datgene wat de Europese Unie vindt. We hebben natuurlijk ook belang bij een goede samenwerking met Turkije op het terrein van foreign fighters, vooral voor ons eigen land. Ik denk dat dat punt ook aan de orde is geweest. Als ik meer informatie heb, zal ik de Kamer nader inlichten. Het is een beetje risicovol voor mij om nu interpretaties weer te geven als ik nog niet precies weet hoe het ligt. Mevrouw Mogherini is daar nog maar net geweest.

Er is tijdens het bezoek van mevrouw Mogherini denk ik ook gesproken over het punt van de toetreding. Ik heb begrepen dat daar in Turkije een groot belang aan wordt gehecht. Dat is van belang als het gaat om de opening van de hoofdstukken. Er dienen 35 hoofdstukken te worden geopend, terwijl er nu nog maar slechts veertien zijn geopend en er één is gesloten. Het verzoek van een deel van de Kamer was om nu vooral de rechtsstaatelementen voorop te zetten, omdat daar de grootste problemen liggen. Daar ligt nu echter een beslag van Cyprus op. Dat maakt het ingewikkeld. Ik zal goed kijken naar hetgeen is gezegd. De fractie van GroenLinks sprak over hoofdstuk 17, dat gaat over energie, maar daar ligt hetzelfde beslag op. Er is dus een blokkade om dat hoofdstuk te openen.

Turkije is een kandidaat-lidstaat. De toetredingsonderhandelingen zijn gestart in 2005. Ik heb net gezegd wat de stand van zaken is. Het is een vrij moeizaam proces. U hebt de balans die de Commissie heeft gemaakt, gelezen. De Nederlandse regering is het daarmee eens. De blokkades op die acht hoofdstukken is vanwege het niet uitvoeren van het Ankara-protocol. Verder zijn er unilaterale blokkades en weigert Turkije om te voldoen aan de opening van benchmarks op enkele andere hoofdstukken. Daarom is het niet zo makkelijk om een duidelijk volgend hoofdstuk aan te wijzen. Bovendien heeft Cyprus aangegeven de opening van alle hoofdstukken te zullen blokkeren zolang er een Turks schip aanwezig is in de EEZ-wateren (exclusieve economische zone) van Cyprus. De meeste lidstaten pleiten voor de opening van de rechtsstaathoofdstukken 23 en 24. Daar is dus geen verschil van mening over, ook niet met de Nederlandse regering.

Nog even iets over de balans. Wat is er nu eigenlijk gezegd in 2014? Er is gezegd dat er zorgen zijn over de wetswijziging met betrekking tot internetvrijheid en de Hoge Raad voor rechters en officieren van justitie, de massale overplaatsing en ontslagen in de rechterlijke macht en de politie en de toegenomen druk op de media. Dat hebt u kunnen lezen in het verslag van de Commissie. Er zijn ook een aantal positieve stappen gezet. Dat moet ook worden gezegd. Die stappen zijn een verkorting van het maximale voorarrest, de afschaffing van speciale rechtbanken, de instelling van een ombudsman, de implementatie van de wet inzake buitenlanders en internationale bescherming, de Terug- en Overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije, waar de Kamer zeer aan hechtte, en de nieuwe EU-strategie die het EU-toetredingsproces weer hoger op de Turkse agenda lijkt te plaatsen. Mijn inschatting is echter dat er op dit moment niet heel grote stappen voorwaarts te maken zijn.

De PVV-fractie en de VVD-fractie hebben vragen gesteld over de IPA-steun. Daar is ook een motie-Segers over aangenomen. Inmiddels is de jaarlijkse IPA-steun voor de periode 2014–2020 met 50 miljoen teruggebracht tot 636 miljoen. Als je dat per hoofd van de bevolking bekijkt, is dat € 7,80 per persoon in Turkije. In de Westelijke Balkan gaat het per Kosovaar om bijna € 50. Wat belangrijker is, is dat nu 19% meer naar de hoofdstukken over de rechtsstaat en betere bescherming van de mensenrechten gaat. In 2017 en 2020 wordt de Turkse voortgang op deze en andere dossiers gemeten. Afhankelijk daarvan zal gekeken worden naar de verdere betaling van die gelden; de zogenaamde performance reward. De toetredingsonderhandelingen met Turkije blijven dus van belang voor de Nederlandse regering. Ik heb ook de indruk dat er in Turkije een nieuwe wens is om daarmee verder te gaan. Maar of dat mogelijk is of niet, is afhankelijk van de vraag of men voldoet aan de criteria. Dat is echt het belangrijkste punt om voortgang te kunnen boeken. Daarvoor refereer ik aan het rapport van de Europese Commissie.

De heer Verheijen (VVD): Ik heb twee vragen. De Minister zegt dat Turkije nog altijd de wil heeft om toe te treden. Waaruit blijkt dat? Ik zie dat in statements van Turkije staan. Mevrouw Maij zei volgens mij dat 2014 voor Turkije het jaar van de EU-toenadering was. Ik zie echter geen enkel praktisch feit, geen enkele toenadering, geen enkele woordkeuze van Erdogan, van Turkije waaruit dat zou blijken. Kan de Minister aangeven waaruit zijn geloof dat Turkije het wil, blijkt? Ik denk dat Turkije gewoon weg wil bij de EU en het zelf ook niet meer ziet zitten. Het publieke support daar neemt ook af.

Mijn tweede vraag is hoe de Minister dat instrument van pretoetredingssteun concreet wil inzetten. Hij zegt dat de steun aangepast kan worden. Ik ben bang dat het vooral more for more is, dus dat er meer geld naartoe gaat als ze het goed doen. Is de Minister bereid om, zoals de steun nu naar beneden is aangepast, de komende jaren, als ze niet leveren, die steun verder naar beneden te schroeven?

Minister Koenders: Het antwoord op de laatste vraag is uiteraard ja. Ik heb net al aangegeven dat we dat in een ander geval al hebben gedaan, daar is de steun verlaagd met 40%. Dat kan ook voor andere landen gelden en dus ook voor Turkije. Ik vind het belangrijk dat dat element er nu ook in zit. Dat geldt voor alle kandidaat-toetreders. Ik kan verder alleen maar afgaan op de wens die Turkije heeft geuit. Ik heb begrepen dat men dat tijdens de laatste bezoeken van mevrouw Mogherini naar voren heeft gebracht. Het is uiteraard aan de Turkse regering om de keuzes te maken die noodzakelijk zijn om die onderhandelingen verder te brengen.

De heer Verheijen (VVD): De Minister zegt: ik ga af op de woorden. Volgens mij is een zinvollere benadering: we gaan af op de daden. Als we de daden in de afgelopen jaren zien, dan zien we dat ze gewoon achteruit kachelen op alle gebieden waarop wij voorwaarden hebben voor toetreding tot de EU. Dat is niet erg, want dat is hun keuze, maar volgens mij moeten wij als EU neutraal zijn en zeggen dat we niet aan een dood paard gaan trekken. Het is niet erg in het kader van de EU-toetreding, maar als het gaat om de mensenrechten en dergelijke is het natuurlijk wel erg voor de Turken. Als het gaat om toetreden tot de EU, is het aan hen om te laten zien dat ze dat willen. Ik zie dat echter niet.

Minister Koenders: Volgens mij verdraait u een heel klein beetje mijn woorden. U vroeg mij of ik aanleiding had om te geloven dat de Turkse regering verder wil met toetreding. Mijn antwoord daarop is ja. En dat zeg ik naar aanleiding van de opmerkingen van de president van Turkije. Verder heb ik over de opening van hoofdstukken en de vraag of je dat perspectiefvol in kunt vullen, gezegd dat dat afhankelijk is van de hervormingen waar we het over hebben. Ik heb daar net een oordeel over gegeven en aangegeven hoe we daartegen aankijken. Dat is een kritische benadering. Dat blijkt ook uit de rapportage van de Commissie, waar de Kamer mee instemt. Daar heb ik niet zoveel aan toe te voegen. Ik heb ook gezegd dat de toetredingssteun gebruikt kan worden en dat deze nu ook gebruikt gaat worden. Op een aantal elementen die u van belang vindt, zoals de hervorming van de rechtsstaat, maar ook zaken die u ook graag met Turkije af wil spreken, zoals Terugkeer- en Overnameovereenkomsten, is sprake van de situatie die ik beschreven heb. Ik denk dat dat een vrij precies antwoord is op uw vraag.

De heer Beertema (PVV): Ik begrijp dat het traject van kandidaat-lidstaat naar volwaardig lid alleen maar vooruit kan. Daar zijn scenario's voor. Er kan een pas op de plaats gemaakt worden, enzovoort. Zijn er ook scenario's denkbaar dat we teruggaan in de tijd en dat we het helemaal terugdraaien en misschien wel op een moment gaan zeggen: we stoppen er helemaal mee, want het is inderdaad trekken aan een dood paard; laten we aan deze lijdensweg een einde maken, voor alle partners die erbij betrokken zijn.

Minister Koenders: Dat is niet de positie van de Nederlandse regering. De Nederlandse regering is ervan overtuigd dat wij ons horen te houden aan hetgeen we gezamenlijk hebben afgesproken. Behalve uw fractie heeft vandaag ook niemand gezegd dat de kandidaat-status van Turkije zou moeten worden ingetrokken. Als u dat zou willen, is dat legitiem. Dat mag. De enige manier waarop dat zou kunnen – dan moet ik wel even kijken naar de verdragsrechtelijke kant van de zaak – is dat alle lidstaten unaniem zouden zeggen: wij willen daar niet mee verder.

De heer Beertema (PVV): Dat is mijn vraag niet. Ik begrijp dat dat de positie is van de Nederlandse regering. Mijn vraag is puur technisch van aard. Is er sprake van een eenrichtingsverkeer naar het eindpunt van volwaardig lid of zijn er ook instrumenten om bij slecht gedrag en slechte rapporten enzovoort terug te gaan in de tijd en met wederzijds goedvinden uiteen te gaan?

Minister Koenders: Er is een voorbeeld en dat is IJsland. Dat heeft ervoor gekozen om niet verder te gaan met de onderhandelingen. Er zijn dus theoretische mogelijkheden.

De heer Omtzigt (CDA): Ik had een vraag gesteld over de motie-Rouvoet, die in 2004 unaniem is aangenomen bij het debat over de Europese Raad. Misschien herinnert Minister Koenders zich dat nog, want hij was op dat moment zelf Kamerlid. In die motie wordt de regering gevraagd om binnen het kader van deze dialoog – dat is de dialoog over de toetreding; het is expliciet in die dialoog gezet en daarom stelde ik die vraag ook – voortdurend en nadrukkelijk de erkenning van de Armeense genocide aan de orde te stellen. Is de regering daartoe bereid en is zij ook bereid om afstand te nemen van woorden van «de kwestie van de Armeense genocide» en het als zodanig over «de Armeense genocide» te hebben?

Minister Koenders: Het antwoord is nee. Ik heb in antwoord op Kamervragen ook gezegd dat de kwalificatie van hetgeen in 1915 is gebeurd, wat zeer ernstig is, afhankelijk is van wat nu uit wetenschappelijk onderzoek komt. Daar gaat de Nederlandse regering niet apart een positie over innemen. Dat neemt niet weg dat iedereen weet wat voor verschrikkelijke toestanden daar plaats hebben gevonden. Ik betreur die ook zeer. U hebt daar inmiddels een antwoord op Kamervragen op gekregen.

De heer Omtzigt (CDA): Dit betekent dus dat de regering afstand neemt van de Armeense genocide en dat weer terugbrengt tot een academisch debat. Daar kan de Minister vervolgvragen over verwachten, dat kan ik hem verzekeren. Dit betekent namelijk dat de Minister niet bereid is om de Armeense genocide als zodanig aan de orde te stellen bij de regering van Turkije, zoals is gevraagd in deze unaniem aangenomen motie, dus ook met steun van de Partij van de Arbeid.

Minister Koenders: Dat is een onjuiste interpretatie. Uiteraard kunnen alle elementen die van belang zijn, in de onderhandelingen met Turkije aan de orde worden gesteld en die kunnen ook betrekking hebben op datgene wat er in 1915 is gebeurd. Of we dat gaan doen of niet, dat is een ander punt. Ik kom nu echter niet terug op de beantwoording van een Kamervraag die ik net deze week aan de Kamer heb gestuurd. Ik denk dat we anders een herhaling van zetten gaan krijgen.

De heer Omtzigt (CDA): Is deze Minister niet eens meer bereid om de woorden Armeense genocide uit te spreken? Hij heeft het nu over een gebeurtenis in 1915. Is dit de manier waarop we hiermee omgaan?

Minister Koenders: Ik heb niets toe te voegen aan mijn eerdere beantwoording.

Er is nog een aantal vragen gesteld over de situatie in Kosovo. De heer Beertema stipt twee verschillende dingen aan ten aanzien van Kosovo. Ten eerste de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst (SAO). Die is uitonderhandeld door de Europese Unie en Kosovo, met instemming van de vijf niet-erkenners. Dat betreft alleen EU-competenties. Nationale parlementen hoeven niet te ratificeren. Wel is er unanieme instemming van de Raad vereist voordat het akkoord kan worden ondertekend. Zover zijn we nog niet. Als het gaat om de economische situatie in Kosovo, kan ik zeggen dat dat land nog geen aanvraag heeft gedaan voor het toetredingstraject. De stap van de SAO is slechts het begin van een traject dat nog heel veel tijd zal kosten. Kosovo zal in dit traject aan alle scherpe criteria moeten voldoen, inclusief grote, structurele economische hervormingen. Die SAO kan daarbij een rol spelen.

De heer Omtzigt heeft nog een vraag gesteld over de EULEX. Ik deel zijn grote zorgen daarover. Het is toch wel tamelijk slecht dat een organisatie die zich inzet voor de rechtsstaat, zelf wordt beschuldigd van corruptie. Dat is een slechte zaak en dit moet zo snel mogelijk opgehelderd worden, want anders loopt de geloofwaardigheid gevaar. Ik weet dat er om een onafhankelijk onderzoek is gevraagd en dat die wordt uitgevoerd door de nieuwe Europese Hoge Vertegenwoordiger. Dat is een serieus onderzoek. We moeten nu even afwachten wat daar precies uit gaat komen. Het is essentieel om de uitkomsten daarvan zo snel mogelijk te krijgen en te zien wat voor consequenties daaruit moeten worden getrokken.

De heer Omtzigt (CDA): Ik ken deze Minister ook uit zijn eerdere functies en weet dat hij de rechtsstaat belangrijk vindt. Daarom ook de vraag om erop aan te dringen het onderzoek een bredere scoop te geven. Er liggen namelijk nogal wat beschuldigingen. Wil hij de Kamer rapporteren op het moment dat er een uitkomst van het onderzoek ligt, met een soort appreciatie of het onderzoek voldoende geweest is of niet? Ik snap dat het lastig is om dat gaande het onderzoek te doen. Daarna zou het kunnen.

Minister Koenders: Dat lijkt mij een reëel verzoek. Ik zal mevrouw Mogherini er ook op aanspreken en de Kamer vervolgens inlichten over de uitkomsten daarvan.

Ik heb bijna alle landensituaties waarnaar gevraagd is, besproken. Tegen de heer Van Bommel wil ik nog zeggen dat de criteria van het Europees Semester niet worden opgelegd aan kandidaat-lidstaten. Dat zou ook niet kunnen. Die criteria gelden pas na de toetreding. Dat is dus niet opeens een nieuwe conditionaliteit. Zoals ik zojuist al zei, gaat het om het acquis. Daar moet men aan voldoen, voordat men lid kan worden, als men al zover is.

De heer Van Bommel (SP): Ik heb de Minister toch wel juist geciteerd, wanneer ik stel dat in de brief staat: wanneer potentieel kandidaat-lidstaten in zekere zin ook langs de lat van het Stabiliteits- en Groeipact en de macro-economische onevenwichtigheidsprocedure worden gelegd. Dat «in zekere zin» roept natuurlijk wel de nodige vragen op. Daarmee lijkt het kabinet namelijk de nodige speelruimte, althans voor de partners in Brussel, te willen creëren. Moet het ook zo worden opgevat?

Minister Koenders: Het is geen formeel criterium. Het is met de woorden «in zekere zin» misschien niet echt gelukkig geformuleerd, nu ik goed naar u luister. Het woorden «in zekere zin» betekenen hier dat als landen toe willen treden, ze toetreden tot een economische situatie in de Europese Unie die aanmerkelijk veranderd is vanwege die economische samenwerking. Dat is het punt. Als je aan de concurrentiekracht of de toetredingsvoorwaarden wilt voldoen, zijn die aan verandering onderhevig omdat de economische situatie in Europa ook verandert. Het is echter niet dat men ineens aan de criteria van het Groeipact moet voldoen.

De heer Van Bommel (SP): Dat is het probleem met een formulering als «in zekere zin». Als je die woorden weglaat, moet je er dus volledig aan voldoen. Als je zegt «in zekere zin er ook aan voldoen» dan wordt onduidelijk wat je precies bedoelt.

Minister Koenders: Daarom zeg ik tegen de heer Van Bommel dat de formulering misschien niet de beste is. Ik geef hem nu de interpretatie die waarschijnlijk een betere is dan die in de brief staat. Waar ik als Minister een betere formulering kan kiezen, geleid door een Kamerlid, zal ik dat ook graag doen.

Ten slotte wil ik nog zeggen dat de economische dialoog met Turkije niet door Nederland wordt gevoerd, maar door de Europese Commissie.

De voorzitter: We hebben nog een kwartier. De tweede termijn zal dan ook heel kort moeten zijn en wel één minuut per spreker.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. Ik dank de Minister voor zijn beantwoording. Er wordt weliswaar een pas op de plaats gemaakt wat betreft de toetreding van de landen waar we nu over spreken, maar de Minister concludeert terecht dat wij nu noch over vijf jaar of daarna zullen instemmen met welke uitbreiding dan ook.

De handelsbetrekkingen zullen toenemen, dat geef ik onmiddellijk toe, en aan de export verdienen we wat geld, maar die positieve effecten voor onze schatkist wegen wat ons betreft absoluut niet op tegen de nadelen die de open grenzen met zich brengen, nu en in de toekomst. Verdringing van laaggeschoold werk, import van criminaliteit, uitkeringsafhankelijkheid, nu en op termijn, dat zijn allemaal buitengewoon ontwrichtende effecten die vooral hun weerslag zullen hebben in de wijken waar niet de mensen wonen die zich druk maken over de mate van persvrijheid in deze landen of de kwaliteit van de rechtsstaat van die landen. Deze mensen, onze mensen zeg ik even bij, worden direct geraakt in hun bestaan door de uitdijende Unie.

Als het gaat om Turkije, dan begrijpen wij oprecht niet dat na de ontwikkelingen die we nu zien, de EU nog altijd niet de politieke moed heeft om eens en voor altijd de juiste keuze te maken, namelijk om te stoppen met dit traject. Er is geen reverse positie, vandaar dat wij een VAO willen om onze traditionele motie te dienen.

De voorzitter: Er komt nog een plenair debat en de besluitvorming ten aanzien van dit uitbreidingspakket ligt bij de Europese Raad. Dat debat wordt volgende week gevoerd. Dan kunnen ook eventuele moties die uit dit debat voortkomen, worden ingediend. Ik denk dat dat ook efficiënt voor de plenaire agenda, die al heel erg vol is.

De heer Beertema (PVV): Laten we dat doen.

De voorzitter: Dank u wel.

De heer Verheijen (VVD): Voorzitter. Een nieuwe commissie, een nieuwe periode, een nieuwe toon en ook andere prioriteiten. Dat zien we ook in de brief die er nu ligt over het uitbreidingsdossier. Dat is een nuchtere analyse van de voortgang in de verschillende landen. Wat er ook gebeurt, dat wil zeker niet zeggen dat we als Europa geen belang hebben bij stabiliteit en bij economische ontwikkeling in de landen om ons heen. Daarom blijven we in gesprek en moeten we in gesprek blijven met landen en moeten we landen blijven stimuleren om te hervormen. Bij sommige landen zal dat ooit leiden tot een EU-lidmaatschap, bij andere landen, zoals Turkije, zie ik het daar zelf nooit van komen. Dat wil echter niet zeggen dat we er geen belang bij hebben. Ik denk dat de nuchtere analyse van de Commissie een heel goede manier is om in gesprek te blijven met die landen en hen te blijven stimuleren om te hervormen, in hun belang en in ons belang.

Mevrouw Maij (PvdA): Voorzitter. Er is een vraag, waarvan ik niet helemaal zeker ben of die is beantwoord. Misschien heb ik het gemist. Dat is mijn vraag over de IPA-middelen voor Bosnië. Die worden in de brief niet genoemd. Ik hoor dat daarop is geantwoord en dat die worden gehalveerd.

Ik zit toch nog een klein beetje met die pas op de plaats. Pas op de plaats betekent wat mij betreft namelijk stilstand en ik hoop toch echt dat het hier niet om stilstand gaat. Als wordt gezegd dat de kandidaat-lidstaten in de komende vijf jaar niet zover zullen komen dat ze lidstaat kunnen worden en er geen uitbreiding van de Europese Unie zal plaats vinden, dan is dat voor mij een beetje een gratis bier-opmerking, omdat we allemaal weten dat dat niet gaat gebeuren. Als we zeggen dat we een pas op de plaats maken, hoop ik dat dat vooral betekent dat we heel hard blijven werken aan hervormingen in die landen en dat er ook de politieke wil is, zowel bij de lidstaten als bij Commissie, om daar heel hard aan te gaan werken.

De heer Klaver (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording van de gestelde vragen. Ik wil even terug naar het begin van zijn betoog, toen hij zei dat hij het goed vindt dat de nadruk wordt gelegd op de geopolitieke dimensie van uitbreiding, maar dat dat nooit mag betekenen dat daarmee ook toelatingseisen worden versoepeld. Het is echter wel belangrijk.

In dat kader heb ik een aantal vragen gesteld over Turkije en over de opening van de twee dossiers waarbij Cyprus nu al een hele tijd dwars ligt. Als ik de Minister goed heb verstaan, dan belemmert Cyprus ook de opening van het energiedossier. Dat heeft volgens mij vooral te maken met de gasvoorraden waar nu ook een twist over is tussen Cyprus en Turkije. Mijn vraag aan de Minister was niet om een uiteenzetting te geven of er een probleem ligt met Cyprus, maar om aan te geven welke stappen ondernomen kunnen worden om Cyprus daar toch toe te bewegen. Ik wil niet zeggen dat dit de oplossing is, maar wellicht kan worden gekeken naar koppelingen die gemaakt kunnen worden met de onderhandelingen over de steun die wordt gegeven aan de Griekse overheid.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De Minister bemerkte in zijn eerste termijn zelf al dat hij iets zei dat met elkaar in tegenspraak was. Hij zei dat we geen tijdpad meer moeten noemen, terwijl tegelijkertijd de eerste constatering bij de bespreking van vandaag was dat er een tijdpad is genoemd, namelijk dat er de komende vijf jaar geen landen zullen toetreden. Ik vind die duidelijkheid wel wenselijk. Mijn partij zou zelfs verder willen gaan en ook op het punt van Oekraïne die duidelijkheid verschaffen. Voor Oekraïne is geen plaats in de Europese Unie. Die duidelijkheid moet je willen geven, zeker nu we in de afgelopen periode te maken hebben gehad met politici, ook uit Nederland, die min of meer zeggen dat als het allemaal van een leien dakje gaat, Oekraïne straks wel bij de EU kan komen. Volgens mij is daar geen draagvlak voor en daar moet je dan ook eerlijk over zijn. Ik roep de Minister op om dat hier vandaag ook te zijn. Ik weet dat hij impliciet iets gezegd heeft over landen in Europa. Zij kunnen een aanvraag doen. Maar het is ook aan ons om ons standpunt daarover duidelijk te maken, ook aan de Nederlandse regering.

Over Turkije heb ik gezegd dat Cyprus eigenlijk bovenaan het lijstje zou moeten komen. Door de nieuwe werkwijze kijken we nu prioritair naar de hoofdstukken 23 en 24. Wat mij betreft zou in de casus Turkije juist dat vraagstuk van Cyprus bovenaan moeten staan, omdat we het dan hebben over erkenning van de Europese Unie zoals wij die nu hebben vormgegeven. Daarmee zouden we een fout die we in het verleden hebben gemaakt, namelijk een conflict de Unie inhalen, kunnen compenseren.

Voor Servië wordt normalisering als voorwaarde gesteld, terwijl mij nog in geen enkel debat volledig duidelijk is geworden wat die normalisering precies inhoudt. Kan de Minister daar nog een zin aan wijden?

De heer Omtzigt (CDA): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de heldere uiteenzetting. Ik hoop dat we volgende week in de brief over de Europese top helder krijgen wat de Nederlandse inzet is bij de conceptconclusies die ook betrekking zullen hebben op de uitbreiding. Ik vermoed dat dat geen lang stuk met conclusies zal zijn, maar dan weten we in ieder geval wel wat er voorgesteld wordt. Ik krijg daarbij ook graag een kleine appreciatie van welke voorstellen kansrijk of kansloos zijn. De Minister is er vrij duidelijk over geweest dat Griekenland Macedonië zal blokkeren, maar ik wil ook graag weten welke zaken er verder nog voorliggen en welke zaken er, helaas, slechts voor de vorm voorliggen.

Ik dank de Minister voor de toezegging om op EULEX en Kosovo terug te komen, want het raakt ook de geloofwaardigheid van de Europese Unie als ze niet zelf het voorbeeld geeft van hoe je corruptie aanpakt. Dan sta je een heel stuk zwakker ten opzichte van deze landen.

Ik hoop, en dat meen ik oprecht, dat ik niet weer het antwoord ga krijgen dat we de «kwestie» van de Armeense genocide gaan herdenken, zoals in antwoord op Kamervraag 9 werd gezegd. Het gaat hier om de Armeense genocide. Die is erkend door de Tweede Kamer middels die motie-Rouvoet. Het zou de regering sieren om dat ook zo in de mond te nemen.

Minister Koenders: Voorzitter. Gezien de tijd, zal ik in telegramstijl antwoorden op de gestelde vragen. Ik ben het eens met de kwalificaties over een nuchtere benadering en consensus. Er ligt een duidelijk rapport van de Commissie. Ik zie geen probleem met die vijf jaar. Ik denk ook niet dat dat een pas op de plaats betekent. Ik denk dat het een reële inschatting is die gebaseerd is op iets dat ook zeer consensusvol uit dit debat vandaag komt. Het werk gaat ook gewoon door. Ik heb eerder in het debat naar voren gebracht dat het een rustperiode is die gebruikt kan worden om een aantal dingen op een rijtje te zetten, terwijl het werk gewoon doorgaat, zoals het open en sluiten van hoofdstukken. In die zin betekent deze pas op de plaats niet dat we helemaal niets meer zouden doen. Dat zou inderdaad een verkeerd signaal zijn.

De gelden voor Bosnië zijn met 40% verminderd. Dat geldt echter niet voor de fondsen voor de rechtsstatelijkheid.

In antwoord op de vraag over Oekraïne kan ik zeggen dat op basis van artikel 49 van het EU-verdrag elke Europese staat die de fundamentele beginselen van de EU onderschrijft en in staat is deze waarden uit te dragen, het EU-lidmaatschap kan aanvragen. Dit geldt ook voor landen als Oekraïne, Moldavië en Georgië. Het kabinet vindt het echter onverstandig hen hiertoe aan te moedigen. Voor deze landen is een perspectief op lidmaatschap nu niet aan de orde. Het zou bovendien geen antwoord zijn op de huidige problematiek in deze landen. Ik denk dat de EU dient vast te houden aan haar eigen strategie, en deze landen door middel van een associatieakkoord en vrijhandelszone een bijzondere en sterke band met de EU moet geven. Met de uitvoering van de associatieakkoorden zal de toenadering van Oekraïne, Moldavië en Georgië tot de Europese normen en standaarden al een flinke impuls krijgen.

Ik wil nog even iets zeggen, voordat er een misverstand ontstaat, over de uitvoering van moties en dergelijke. Ik heb het boek van Samantha Power destijds gelezen over wat er in Turkije is gebeurd. Er is geen verschil van mening over de ernst van de situatie. In de contacten met Turkije, maar ook met Armenië wordt dat consequent aan de orde gesteld. Dat doen we ook in de Wittenburg Conferentie. Dat is ook een belangrijk debat. Ik blijf erbij, en ik vind dat ook verstandig, dat het niet direct aan anderen is om te bepalen hoe men daarmee om moet gaan. Daar moeten de landen onderling gezamenlijk uitkomen. Dat is ook de manier waarop wij dat stimuleren, in actie, in gesprekken en in samenwerking. Daar kunt u met mij van mening over verschillen, dat is legitiem, maar ik zie dat op die manier en dat is ook een positie die de regering al sinds 2004 inneemt, ook als het gaat om de manier waarop de motie wordt uitgevoerd. Ik weet dat u daar anders in zit. Ik zou u alleen willen vragen aan te nemen dat er geen verschil is in de afschuw over de gebeurtenissen die destijds hebben plaatsgevonden.

Dan de geopolitieke discussie, de vragen over Turkije en de hoofdstukken 25, 27, 17 et cetera. Ik zou er toch echt voor willen uitkijken om nu ineens te zeggen dat we een steunplan voor Cyprus gaan verbinden aan de vraag of men die hoofdstukken wil openen. Dat gaat mij echt wat ver. Die conditionaliteiten zijn er. Ik denk dat er ook legitieme belangen een rol spelen. Die kunnen wij misschien wel secundair vinden, in het licht van de grotere belangen met betrekking tot de energie. Natuurlijk zal binnen de Europese Unie alles gedaan worden om te helpen dat probleem op te lossen. Dat zou kunnen leiden tot een mogelijkheid om in ieder geval de rechtsstaathoofdstukken te openen. Ik denk dat het geostrategisch van belang is om in ieder geval met Turkije te spreken, even los van of dat via de toetredingsonderhandelingen moet of niet.

Dan de vraag over Kosovo. Ik vind het heel moeilijk om te zeggen wat duurzame relaties zijn. Dat kun je wel mooi op papier zetten. Men spreekt altijd over duurzaam en onomkeerbaar, maar het gaat er natuurlijk om dat landen die deze geschiedenis hebben meegemaakt, met zo veel moord en doodslag en zo veel tragiek, weer relaties met elkaar moeten opbouwen om de goede kant op te gaan. Daar komt het op neer. Ik zie dat dat ook mogelijk is en dat Europa daar een belangrijke rol in kan spelen. Juist het feit dat wij met deze landen spreken, zoals we spreken in het kader van die associatie en toetreding, is behulpzaam. Daar zijn de VVD-fractie en ik het gewoon over oneens. Maar dat mag ook. Ik denk echter wel dat dit de juiste beantwoording is van de vraag.

Tegen de heer Omtzigt wil ik nog zeggen dat ik ervoor zal zorgen dat de vragen nog voor het debat over de Europese Unie zullen worden beantwoord. Ik zal in de RAZ (Raad Algemene Zaken) aanwezig zijn en daar krijgt de Kamer een verslag van voor de Europese Raad, zodat de Kamer dat in het debat daarover aan de orde kan stellen.

De voorzitter: De volgende toezeggingen zijn gedaan:

  • De Minister zal de Kamer terugkoppelen over het recente bezoek van de EU Hoge Vertegenwoordiger Mogherini aan Turkije.

  • De Minister zal de Kamer informeren over de uitkomsten van het onafhankelijke onderzoek dat op dit moment wordt uitgevoerd door de EU Hoge Vertegenwoordiger inzake EULEX in Kosovo.

Ik dank de Minister van Buitenlandse Zaken en zijn staf. Ik dank ook de commissieleden en de mensen op de publieke tribune en in het bijzonder de ambassadeurs die bereid zijn geweest om twee en een half uur aanwezig te zijn bij dit debat over de EU-uitbreiding. Ik wens iedereen een fijne avond.

Sluiting 20.30 uur.