Het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omvang van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden? Hoe beoordeelt u de huidige situatie?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het veel voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden, vind ik zorgelijk.
Deelt u de opvatting dat het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken niet alleen van belang is voor het dierenwelzijn, maar ook kan bijdragen aan lagere dierenartskosten voor huisdiereigenaren?
Ja, die deel ik. Dierenartsen gaven tijdens het rondetafelgesprek «toekomst van de diergeneeskundige zorg» van september 2025 het signaal dat een groot deel van de dierenartsbezoeken voor honden gerelateerd is aan schadelijke erfelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke ziekten. Door het stimuleren van verantwoord fokken van huisdieren kunnen erfelijke ziektes en schadelijke uiterlijke kenmerken voorkomen worden, waardoor voor de eigenaren de dierenartskosten (voor de in Nederland gefokte honden) kunnen afnemen.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om het fokken met schadelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke aandoeningen verder terug te dringen? Acht u deze maatregelen voldoende om de gewenste omslag daadwerkelijk te realiseren?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij fokbeslissingen niet alleen wordt gekeken naar uiterlijke kenmerken, maar juist ook naar gezondheidsgegevens, genetische informatie, inteeltcoëfficiënten, gedrag en overige veterinaire informatie?
Ik heb begrepen dat voor de juiste fokbeslissingen al deze aspecten een rol spelen. Dit blijkt ook uit wetenschappelijke informatie.
Welke rol ziet u voor onafhankelijke veterinaire screening van fokdieren bij het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
Bent u bekend met de stichting Fair2Breed (voorheen FairDog) en de door het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken?
Ik ben bekend met stichting Fair2Breed (voorheen FairDog). Zij ontwikkelen een certificeringssysteem voor een gezonde hond. Daarnaast heeft mijn voorganger het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) een subsidie verstrekt om een systematiek te ontwikkelen voor verantwoord fokken met honden. Als u doelt op deze systematiek dan ben ik daar inderdaad ook bekend mee.
Klopt het dat uw ministerie eerder een opstartsubsidie heeft verstrekt aan FairDog/Fair2Breed om deze systematiek verder te ontwikkelen? Welke resultaten zijn met deze subsidie bereikt?
Indien u doelt op de in de vraag 6 genoemde systematiek voor verantwoord fokken van het EGD, dan klopt het niet. Dit is een apart traject dat los staat van hetgeen dat is ontwikkeld door Fair2Breed. Ik heb een opstartsubsidie gegeven aan Fair2Breed om een privaat certificeringstraject voor het fokken van gezonde honden te ontwikkelen. Hierin staan zaken waar de fokker aan moet voldoen om uiteindelijk een door Fair2Breed gecertificeerde hond te krijgen. Ook wordt er een website ontwikkeld waar een toekomstige eigenaar straks een gezond gefokte pup kan vinden. Voor deze certificering heeft Fair2Breed nu werkprotocollen op het gebied van socialisatie en gezondheid voor pups ontwikkeld. Ook zijn contacten met partners gelegd voor het verwerken van DNA en het opslaan van de informatie in een database. DNA is belangrijk voor de screening op ziekten en voor een goede match van teef en reu.
Bent u bekend met de ambities van Stichting Fair2Breed om de ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken landelijk uit te rollen? Op welke wijze beziet u de mogelijke bijdrage van dit initiatief aan het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren?
Ik ben hiermee bekend. Er zijn meerdere initiatieven in de markt waarmee fokkers zich ervan kunnen verzekeren dat er met een gezond dier wordt gefokt en ik vind dit een mooie ontwikkeling. Een gezondheidscertificaat als dat van Fair2Breed (zoals benoemd in vraag 7) kan toekomstige eigenaren garantie geven dat er naar beste weten is gefokt en zou mensen kunnen helpen om de juiste keuze te maken voor een gezond gefokte hond. In die zin zou dit een bijdrage kunnen leveren om erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren in Nederland terug te dringen.
Op basis van welke criteria beoordeelt u een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed? Welke aspecten, zoals effectiviteit, wetenschappelijke onderbouwing, uitvoerbaarheid en borging van publieke middelen, zijn daarbij leidend?
Ik beoordeel een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed zoals alle aanvragen van subsidie, met een vastgesteld format. Waarbij ik vooral zal kijken hoe de aanvraag aansluit bij mijn beleid en of het een taak van de overheid is om hierin te voorzien. Daarnaast zullen de overige door u genoemde aspecten worden meegenomen.
Deelt u de opvatting dat initiatieven die aantoonbaar bijdragen aan gezondere fokkerij, vermindering van erfelijke aandoeningen en lagere veterinaire zorgkosten serieus moeten worden beoordeeld, ongeacht uit welke organisatie deze afkomstig zijn?
Ik ben van mening dat alle initiatieven serieus beoordeeld moeten worden.
Hoe verhoudt een eventuele landelijke uitrol van een dergelijk systeem zich volgens u tot artikel 3.4 van de Wet dieren, het Dierendagakkoord en de voorgenomen Europese Verordening inzake het welzijn en de traceerbaarheid van honden en katten?
Zoals aangegeven bij vraag 8 kan een dergelijk certificeringssysteem – mits goed uitgevoerd – als wegwijzer dienen voor mensen om een verantwoorde keuze te maken voor een gezond gefokte hond. Dat sluit aan bij de oproep om erfelijke ziektes en aandoeningen te voorkomen uit het Dierendagakkoord, en de intentie van Art 3.4 van het Besluit houders van dieren. Met de EU-Verordening komen er vereisten ten aanzien van fokkerij voor alle honden en katten die in Europa op de markt worden gebracht. Ik ga hier in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober nader op in.
Bent u bereid de Kamer voor het einde van dit jaar te informeren over uw beoordeling van Fair2Breed en de wijze waarop u de verdere verbetering van de gezondheid van gezelschapsdieren wilt stimuleren?
Ja, ik heb in augustus een gesprek met Stichting Fair2breed. Ik zal de Kamer voor het einde van het jaar informeren over de uitkomst van dit gesprek.
Fosfaatrechten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoeveel aanvragen zijn sinds de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) ontvangen en op hoeveel fosfaatrechten hebben deze aanvragen betrekking? Hoe beoordeelt u de belangstelling voor de regeling tot nu toe?
Sinds de start van de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) op 1 juni 2026 zijn tot nu toe 42 aanvragen ingediend. Deze aanvragen hebben betrekking op 598 melkkoeien en 24.287,21 fosfaatrechten. Daarnaast hebben zich tot op heden 8 aanvragers teruggetrokken, met 128,2 koeien en 5058,47 fosfaatrechten. Dat betekent dat op dit moment, minus de intrekkingen, 34 aanvragen actueel zijn, waarvan 33 aanvragen zijn toegewezen en bij één aanvrager op aanvullende informatie wordt gewacht. In totaal nemen deze 33 aanvragers met 459,81 koeien en 19.288,74 fosfaatrechten deel. In relatie tot het beschikbare budget is de belangstelling op dit moment nog beperkt.
Heeft u signalen ontvangen dat het gebruik van 2025 als referentiejaar van invloed is op de deelnamebereidheid van melkveehouders, bijvoorbeeld doordat de actuele bedrijfsomvang afwijkt van de bedrijfsomvang waarop de regeling is gebaseerd?
Hierover heb ik geen signalen ontvangen.
Heeft u signalen ontvangen dat het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden gevolgen heeft voor de mogelijkheden van melkveehouders om deel te nemen aan de regeling, bijvoorbeeld bij bedrijven die hun bouwplan hebben aangepast sinds het wegvallen van de derogatie?
Ik heb vragen ontvangen van potentiële deelnemers hoe wordt omgegaan met het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden. Indien melkveehouders in 2026 minder grasland hebben dan in 2025, dienen zij uiterlijk op 15 mei 2027 de oppervlakte terug te brengen naar de oppervlakte van 2025. Op die manier kunnen melkveehouders het grondgebruik nog wijzigen en worden melkveehouders die in 2026 een lager graslandareaal hebben dan in 2025 niet uitgesloten van deelname aan de Sem.
Heeft u signalen ontvangen dat het verschil tussen de vergoeding van 110 euro per kilogram fosfaatrecht binnen de Sem en de huidige marktwaarde van fosfaatrechten van invloed is op de belangstelling voor de regeling?
Ik herken dat de prijs per fosfaatrecht in de Sem lager ligt dan de huidige marktwaarde. Gezien het Europese steunkader waaronder de Sem is goedgekeurd, moet worden uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs over een langere periode. De prijs van € 110 is vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijs van fosfaatrechten over de afgelopen drie jaar. De huidige marktprijzen van fosfaatrechten kunnen gelet op het Europese steunkader geen invloed hebben op de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem. Het verschil tussen de marktwaarde en de vergoeding in de Sem kan zeker van invloed zijn op de belangstelling voor de regeling. Tegelijkertijd krijgt een melkveehouder die deelneemt aan de Sem, naast een vergoeding voor de doorgehaalde fosfaatrechten, ook compensatie voor de inkomstenderving per verminderde melkkoe.
De openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) is verlengd tot en met 27 januari 2027?1
Ja, van dat bericht heb ik kennisgenomen.
Op 22 juli jl. is de openstellingsperiode van de Sem verlengd tot en met 27 januari 2027 in plaats van de initiële einddatum van 29 juli 2026. In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd om vergunningverlening weer op gang te brengen. Een belangrijk onderdeel daarvan is het ondersteunen van boerenbedrijven bij het nemen van maatregelen die bijdragen aan het verminderen van emissies, waaronder extensivering. De Sem is één van de maatregelen waarmee het kabinet ondernemers ondersteunt. De verlenging van de openstelling van de Sem sluit daarmee aan bij de aanpak van het kabinet om weer ruimte te maken voor vergunningverlening en boeren te ondersteunen naar een toekomstbestendig bedrijf.
Klopt het dat zich tot op heden 42 melkveehouders hebben aangemeld voor de SEM? Zo ja, hoeveel kilogram fosfaatrechten vertegenwoordigen deze aanmeldingen?
Het klopt dat tot op heden 42 melkveehouders zich hebben aangemeld voor de Sem. Zie voor het aantal aanvragers dat zich heeft teruggetrokken en het aantal kilogram fosfaatrechten het antwoord op vraag 1 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Wat is de aanleiding geweest om de openstelling van de SEM te verlengen? In hoeverre houdt deze verlenging verband met de tot nu toe beperkte belangstelling voor de regeling?
Zie voor de aanleiding om de openstelling van de Sem te verlengen het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven welke signalen u uit de sector heeft ontvangen over de beperkte belangstelling voor de SEM?
De sector heeft aangegeven signalen te hebben gehad dat melkveehouders hebben gewacht op de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw» van 26 juni jl. Onder andere de voorgestelde koppeling van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor melkveebedrijven aan fosfaatrechten geeft onzekerheid. De sector geeft aan dat dit onder andere leidt tot het willen behouden van dieren en fosfaatrechten. Daarnaast geeft de sector aan dat een rol speelt dat de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem lager is dan de huidige marktwaarde.
Houdt de beperkte belangstelling naar uw oordeel verband met de knelpunten waarover eerder schriftelijke vragen (Kamerstuk 2026Z15702) zijn gesteld, waaronder het gebruik van 2025 als referentiejaar, de voorwaarden ten aanzien van het graslandareaal en de hoogte van de vergoeding voor fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?
Zie voor het antwoord op deze vraag de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Verwacht u dat de verlenging van de openstelling zal leiden tot een substantiële toename van het aantal aanvragen? Waarop baseert u die verwachting?
In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd. Nu daar meer over bekend is, kunnen melkveehouders de aangekondigde maatregelen betrekken bij de toekomstplannen voor hun bedrijf. Ik verwacht dat er melkveehouders zullen zijn die de langere openstellingsperiode zullen gebruiken voor de keuze om al dan niet deel te nemen aan de Sem. Dit zijn individuele ondernemersbeslissingen. Het is niet in te schatten hoe groot de toename van het aantal aanvragen zal zijn. Het definitief aantal deelnemende veehouders zal na de sluiting van de openstelling bekend zijn.
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Het wettelijk kader voor dierentuinen bestaat uit de Europese dierentuinrichtlijn (Richtlijn 1999/22/EG), die in Nederland is geïmplementeerd in paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). De Europese richtlijn heeft als doelstelling de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit. Iedere dierentuin in Nederland is vergunningplichtig. In artikel 4.10 van het Bhvd geldt als vergunningsvoorwaarde dat dierentuinen een bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van diersoorten onder andere door middel van het deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving. In Nederland zijn geen regels voor populatiemanagement. Dat ligt bij de dierentuinen zelf en dit gebeurt veelal in internationaal verband. Buiten de publiekrechtelijke voorschriften kunnen dierentuinen ook onderling afspraken maken, bijvoorbeeld via de Europese brancheorganisatie voor dierentuinen, EAZA.
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Ja. Dierentuinen moeten continue de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van een individueel dier en het belang van de populatie als geheel in het kader van soortbehoud. In de praktijk betekent dit dat dierentuinen soms moeilijke keuzes moeten maken. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) geeft aan dat in de praktijk het welzijn van individuele dieren en het welzijn en de levensvatbaarheid van de groep en populatie als geheel zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging per soort, per groep en per situatie.
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de diersoort en per situatie. Herplaatsing en aanpassing van groepssamenstellingen zijn hierbij twee van de mogelijkheden, maar zijn niet altijd mogelijk. Andere opties zijn tijdelijke of structurele scheiding, aanpassing van huisvesting, en het voorkomen of beperken van voortplanting via anticonceptie. Deze opties hebben ieder consequenties voor dierenwelzijn en diergezondheid. Samenwerking binnen de sector is belangrijk om de kansen op succesvolle herplaatsing te vergroten. Daarom is er ook veel sprake van internationale samenwerking.
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Binnen de Europese fok- en instandhoudingsprogramma's van EAZA, zogenoemde EEP's (EAZA Ex situ Programmes), houden dierentuinen rekening met beschikbare plekken voor nakomelingen in de toekomst. Elk EEP heeft een coördinator. Er wordt ook rekening gehouden met genetische diversiteit, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding en sociale groepsdynamiek van diersoorten. Toch is niet alles te plannen of te voorspellen. Vooraf weet je vaak niet hoeveel nakomelingen geboren zullen worden en ook weet je niet of de nakomelingen mannetjes of vrouwtjes zullen zijn, terwijl groepen vaak specifieke verhoudingen tussen mannen en vrouwen vereisen. Ook kan de groepsdynamiek veranderen waardoor het noodzakelijk kan zijn om dieren van elkaar te scheiden. Het is niet zomaar mogelijk om afgesplitste dieren te herplaatsen in bestaande groepen. Dit kan de dynamiek namelijk verstoren. Daarom is het onmogelijk om vooraf met zekerheid plekken voor alle dieren te regelen.
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Het behouden van een gezonde populatie kan een dierentuin niet alleen. Daarom is intensieve (internationale) samenwerking en het opdoen van meer kennis en innoveren belangrijk. Dierentuinen geven zelf aan dat onder andere data uitwisseling, verdere ontwikkeling van stamboeken en registratiesystemen, en meer kennis over de gevolgen van anticonceptie hierin een rol spelen.
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Dierentuinen vervullen een belangrijke rol in onze maatschappij en kunnen rekenen op een groot draagvlak. Uit onderzoek van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders (70%) positief tegenover dierentuinen staat. Slechts een klein deel (7%) heeft een afwijzende houding. Mensen vinden het fokken met bedreigde diersoorten en het (financieel) ondersteunen van programma’s die diersoorten beschermen en voorkomen dat diersoorten uitsterven de belangrijkste taken van een dierentuin.2
Mogelijke maatschappelijke kritiek speelt een rol in de terughoudendheid vanuit de sector om informatie rondom populatiebeheer te delen. Ik begrijp die zorgen. Toch is het belangrijk voor de toekomstbestendigheid van dierentuinen, dat ze zorgvuldige, transparante en navolgbare keuzes maken. Transparantie over de onderzochte alternatieven en context van het bredere doel kunnen hieraan bijdragen.
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen grotendeels voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen. Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Het doden van surplus dieren kan in sommige gevallen noodzakelijk zijn voor populatiemanagement, om vergrijzing binnen een populatie tegen te gaan en genetische variatie te behouden. De huidige kaders maken dit mogelijk.
Tegelijkertijd zie ik ook dat de huidige situatie maatschappelijk veel vragen en emoties oproept. Op dit moment werk ik maatregelen uit om uitvoering te geven aan de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). De Kamer wordt hierover vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector en een aantal stakeholders, zoals EAZA, de Europese dierentuinorganisatie die de instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen coördineert. Uit deze gesprekken zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die mee worden genomen in de uitvoering van de motie. Ook deze casus zal ik daarin meenemen.
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). Deze casus zal ik daarin meenemen.
De openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) is verlengd tot en met 27 januari 2027?1
Ja, van dat bericht heb ik kennisgenomen.
Op 22 juli jl. is de openstellingsperiode van de Sem verlengd tot en met 27 januari 2027 in plaats van de initiële einddatum van 29 juli 2026. In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd om vergunningverlening weer op gang te brengen. Een belangrijk onderdeel daarvan is het ondersteunen van boerenbedrijven bij het nemen van maatregelen die bijdragen aan het verminderen van emissies, waaronder extensivering. De Sem is één van de maatregelen waarmee het kabinet ondernemers ondersteunt. De verlenging van de openstelling van de Sem sluit daarmee aan bij de aanpak van het kabinet om weer ruimte te maken voor vergunningverlening en boeren te ondersteunen naar een toekomstbestendig bedrijf.
Klopt het dat zich tot op heden 42 melkveehouders hebben aangemeld voor de SEM? Zo ja, hoeveel kilogram fosfaatrechten vertegenwoordigen deze aanmeldingen?
Het klopt dat tot op heden 42 melkveehouders zich hebben aangemeld voor de Sem. Zie voor het aantal aanvragers dat zich heeft teruggetrokken en het aantal kilogram fosfaatrechten het antwoord op vraag 1 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Wat is de aanleiding geweest om de openstelling van de SEM te verlengen? In hoeverre houdt deze verlenging verband met de tot nu toe beperkte belangstelling voor de regeling?
Zie voor de aanleiding om de openstelling van de Sem te verlengen het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven welke signalen u uit de sector heeft ontvangen over de beperkte belangstelling voor de SEM?
De sector heeft aangegeven signalen te hebben gehad dat melkveehouders hebben gewacht op de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw» van 26 juni jl. Onder andere de voorgestelde koppeling van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor melkveebedrijven aan fosfaatrechten geeft onzekerheid. De sector geeft aan dat dit onder andere leidt tot het willen behouden van dieren en fosfaatrechten. Daarnaast geeft de sector aan dat een rol speelt dat de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem lager is dan de huidige marktwaarde.
Houdt de beperkte belangstelling naar uw oordeel verband met de knelpunten waarover eerder schriftelijke vragen (Kamerstuk 2026Z15702) zijn gesteld, waaronder het gebruik van 2025 als referentiejaar, de voorwaarden ten aanzien van het graslandareaal en de hoogte van de vergoeding voor fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?
Zie voor het antwoord op deze vraag de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Verwacht u dat de verlenging van de openstelling zal leiden tot een substantiële toename van het aantal aanvragen? Waarop baseert u die verwachting?
In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd. Nu daar meer over bekend is, kunnen melkveehouders de aangekondigde maatregelen betrekken bij de toekomstplannen voor hun bedrijf. Ik verwacht dat er melkveehouders zullen zijn die de langere openstellingsperiode zullen gebruiken voor de keuze om al dan niet deel te nemen aan de Sem. Dit zijn individuele ondernemersbeslissingen. Het is niet in te schatten hoe groot de toename van het aantal aanvragen zal zijn. Het definitief aantal deelnemende veehouders zal na de sluiting van de openstelling bekend zijn.
Fosfaatrechten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoeveel aanvragen zijn sinds de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) ontvangen en op hoeveel fosfaatrechten hebben deze aanvragen betrekking? Hoe beoordeelt u de belangstelling voor de regeling tot nu toe?
Sinds de start van de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) op 1 juni 2026 zijn tot nu toe 42 aanvragen ingediend. Deze aanvragen hebben betrekking op 598 melkkoeien en 24.287,21 fosfaatrechten. Daarnaast hebben zich tot op heden 8 aanvragers teruggetrokken, met 128,2 koeien en 5058,47 fosfaatrechten. Dat betekent dat op dit moment, minus de intrekkingen, 34 aanvragen actueel zijn, waarvan 33 aanvragen zijn toegewezen en bij één aanvrager op aanvullende informatie wordt gewacht. In totaal nemen deze 33 aanvragers met 459,81 koeien en 19.288,74 fosfaatrechten deel. In relatie tot het beschikbare budget is de belangstelling op dit moment nog beperkt.
Heeft u signalen ontvangen dat het gebruik van 2025 als referentiejaar van invloed is op de deelnamebereidheid van melkveehouders, bijvoorbeeld doordat de actuele bedrijfsomvang afwijkt van de bedrijfsomvang waarop de regeling is gebaseerd?
Hierover heb ik geen signalen ontvangen.
Heeft u signalen ontvangen dat het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden gevolgen heeft voor de mogelijkheden van melkveehouders om deel te nemen aan de regeling, bijvoorbeeld bij bedrijven die hun bouwplan hebben aangepast sinds het wegvallen van de derogatie?
Ik heb vragen ontvangen van potentiële deelnemers hoe wordt omgegaan met het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden. Indien melkveehouders in 2026 minder grasland hebben dan in 2025, dienen zij uiterlijk op 15 mei 2027 de oppervlakte terug te brengen naar de oppervlakte van 2025. Op die manier kunnen melkveehouders het grondgebruik nog wijzigen en worden melkveehouders die in 2026 een lager graslandareaal hebben dan in 2025 niet uitgesloten van deelname aan de Sem.
Heeft u signalen ontvangen dat het verschil tussen de vergoeding van 110 euro per kilogram fosfaatrecht binnen de Sem en de huidige marktwaarde van fosfaatrechten van invloed is op de belangstelling voor de regeling?
Ik herken dat de prijs per fosfaatrecht in de Sem lager ligt dan de huidige marktwaarde. Gezien het Europese steunkader waaronder de Sem is goedgekeurd, moet worden uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs over een langere periode. De prijs van € 110 is vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijs van fosfaatrechten over de afgelopen drie jaar. De huidige marktprijzen van fosfaatrechten kunnen gelet op het Europese steunkader geen invloed hebben op de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem. Het verschil tussen de marktwaarde en de vergoeding in de Sem kan zeker van invloed zijn op de belangstelling voor de regeling. Tegelijkertijd krijgt een melkveehouder die deelneemt aan de Sem, naast een vergoeding voor de doorgehaalde fosfaatrechten, ook compensatie voor de inkomstenderving per verminderde melkkoe.
Het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omvang van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden? Hoe beoordeelt u de huidige situatie?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het veel voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden, vind ik zorgelijk.
Deelt u de opvatting dat het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken niet alleen van belang is voor het dierenwelzijn, maar ook kan bijdragen aan lagere dierenartskosten voor huisdiereigenaren?
Ja, die deel ik. Dierenartsen gaven tijdens het rondetafelgesprek «toekomst van de diergeneeskundige zorg» van september 2025 het signaal dat een groot deel van de dierenartsbezoeken voor honden gerelateerd is aan schadelijke erfelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke ziekten. Door het stimuleren van verantwoord fokken van huisdieren kunnen erfelijke ziektes en schadelijke uiterlijke kenmerken voorkomen worden, waardoor voor de eigenaren de dierenartskosten (voor de in Nederland gefokte honden) kunnen afnemen.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om het fokken met schadelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke aandoeningen verder terug te dringen? Acht u deze maatregelen voldoende om de gewenste omslag daadwerkelijk te realiseren?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij fokbeslissingen niet alleen wordt gekeken naar uiterlijke kenmerken, maar juist ook naar gezondheidsgegevens, genetische informatie, inteeltcoëfficiënten, gedrag en overige veterinaire informatie?
Ik heb begrepen dat voor de juiste fokbeslissingen al deze aspecten een rol spelen. Dit blijkt ook uit wetenschappelijke informatie.
Welke rol ziet u voor onafhankelijke veterinaire screening van fokdieren bij het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
Bent u bekend met de stichting Fair2Breed (voorheen FairDog) en de door het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken?
Ik ben bekend met stichting Fair2Breed (voorheen FairDog). Zij ontwikkelen een certificeringssysteem voor een gezonde hond. Daarnaast heeft mijn voorganger het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) een subsidie verstrekt om een systematiek te ontwikkelen voor verantwoord fokken met honden. Als u doelt op deze systematiek dan ben ik daar inderdaad ook bekend mee.
Klopt het dat uw ministerie eerder een opstartsubsidie heeft verstrekt aan FairDog/Fair2Breed om deze systematiek verder te ontwikkelen? Welke resultaten zijn met deze subsidie bereikt?
Indien u doelt op de in de vraag 6 genoemde systematiek voor verantwoord fokken van het EGD, dan klopt het niet. Dit is een apart traject dat los staat van hetgeen dat is ontwikkeld door Fair2Breed. Ik heb een opstartsubsidie gegeven aan Fair2Breed om een privaat certificeringstraject voor het fokken van gezonde honden te ontwikkelen. Hierin staan zaken waar de fokker aan moet voldoen om uiteindelijk een door Fair2Breed gecertificeerde hond te krijgen. Ook wordt er een website ontwikkeld waar een toekomstige eigenaar straks een gezond gefokte pup kan vinden. Voor deze certificering heeft Fair2Breed nu werkprotocollen op het gebied van socialisatie en gezondheid voor pups ontwikkeld. Ook zijn contacten met partners gelegd voor het verwerken van DNA en het opslaan van de informatie in een database. DNA is belangrijk voor de screening op ziekten en voor een goede match van teef en reu.
Bent u bekend met de ambities van Stichting Fair2Breed om de ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken landelijk uit te rollen? Op welke wijze beziet u de mogelijke bijdrage van dit initiatief aan het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren?
Ik ben hiermee bekend. Er zijn meerdere initiatieven in de markt waarmee fokkers zich ervan kunnen verzekeren dat er met een gezond dier wordt gefokt en ik vind dit een mooie ontwikkeling. Een gezondheidscertificaat als dat van Fair2Breed (zoals benoemd in vraag 7) kan toekomstige eigenaren garantie geven dat er naar beste weten is gefokt en zou mensen kunnen helpen om de juiste keuze te maken voor een gezond gefokte hond. In die zin zou dit een bijdrage kunnen leveren om erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren in Nederland terug te dringen.
Op basis van welke criteria beoordeelt u een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed? Welke aspecten, zoals effectiviteit, wetenschappelijke onderbouwing, uitvoerbaarheid en borging van publieke middelen, zijn daarbij leidend?
Ik beoordeel een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed zoals alle aanvragen van subsidie, met een vastgesteld format. Waarbij ik vooral zal kijken hoe de aanvraag aansluit bij mijn beleid en of het een taak van de overheid is om hierin te voorzien. Daarnaast zullen de overige door u genoemde aspecten worden meegenomen.
Deelt u de opvatting dat initiatieven die aantoonbaar bijdragen aan gezondere fokkerij, vermindering van erfelijke aandoeningen en lagere veterinaire zorgkosten serieus moeten worden beoordeeld, ongeacht uit welke organisatie deze afkomstig zijn?
Ik ben van mening dat alle initiatieven serieus beoordeeld moeten worden.
Hoe verhoudt een eventuele landelijke uitrol van een dergelijk systeem zich volgens u tot artikel 3.4 van de Wet dieren, het Dierendagakkoord en de voorgenomen Europese Verordening inzake het welzijn en de traceerbaarheid van honden en katten?
Zoals aangegeven bij vraag 8 kan een dergelijk certificeringssysteem – mits goed uitgevoerd – als wegwijzer dienen voor mensen om een verantwoorde keuze te maken voor een gezond gefokte hond. Dat sluit aan bij de oproep om erfelijke ziektes en aandoeningen te voorkomen uit het Dierendagakkoord, en de intentie van Art 3.4 van het Besluit houders van dieren. Met de EU-Verordening komen er vereisten ten aanzien van fokkerij voor alle honden en katten die in Europa op de markt worden gebracht. Ik ga hier in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober nader op in.
Bent u bereid de Kamer voor het einde van dit jaar te informeren over uw beoordeling van Fair2Breed en de wijze waarop u de verdere verbetering van de gezondheid van gezelschapsdieren wilt stimuleren?
Ja, ik heb in augustus een gesprek met Stichting Fair2breed. Ik zal de Kamer voor het einde van het jaar informeren over de uitkomst van dit gesprek.
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Het wettelijk kader voor dierentuinen bestaat uit de Europese dierentuinrichtlijn (Richtlijn 1999/22/EG), die in Nederland is geïmplementeerd in paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). De Europese richtlijn heeft als doelstelling de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit. Iedere dierentuin in Nederland is vergunningplichtig. In artikel 4.10 van het Bhvd geldt als vergunningsvoorwaarde dat dierentuinen een bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van diersoorten onder andere door middel van het deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving. In Nederland zijn geen regels voor populatiemanagement. Dat ligt bij de dierentuinen zelf en dit gebeurt veelal in internationaal verband. Buiten de publiekrechtelijke voorschriften kunnen dierentuinen ook onderling afspraken maken, bijvoorbeeld via de Europese brancheorganisatie voor dierentuinen, EAZA.
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Ja. Dierentuinen moeten continue de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van een individueel dier en het belang van de populatie als geheel in het kader van soortbehoud. In de praktijk betekent dit dat dierentuinen soms moeilijke keuzes moeten maken. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) geeft aan dat in de praktijk het welzijn van individuele dieren en het welzijn en de levensvatbaarheid van de groep en populatie als geheel zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging per soort, per groep en per situatie.
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de diersoort en per situatie. Herplaatsing en aanpassing van groepssamenstellingen zijn hierbij twee van de mogelijkheden, maar zijn niet altijd mogelijk. Andere opties zijn tijdelijke of structurele scheiding, aanpassing van huisvesting, en het voorkomen of beperken van voortplanting via anticonceptie. Deze opties hebben ieder consequenties voor dierenwelzijn en diergezondheid. Samenwerking binnen de sector is belangrijk om de kansen op succesvolle herplaatsing te vergroten. Daarom is er ook veel sprake van internationale samenwerking.
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Binnen de Europese fok- en instandhoudingsprogramma's van EAZA, zogenoemde EEP's (EAZA Ex situ Programmes), houden dierentuinen rekening met beschikbare plekken voor nakomelingen in de toekomst. Elk EEP heeft een coördinator. Er wordt ook rekening gehouden met genetische diversiteit, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding en sociale groepsdynamiek van diersoorten. Toch is niet alles te plannen of te voorspellen. Vooraf weet je vaak niet hoeveel nakomelingen geboren zullen worden en ook weet je niet of de nakomelingen mannetjes of vrouwtjes zullen zijn, terwijl groepen vaak specifieke verhoudingen tussen mannen en vrouwen vereisen. Ook kan de groepsdynamiek veranderen waardoor het noodzakelijk kan zijn om dieren van elkaar te scheiden. Het is niet zomaar mogelijk om afgesplitste dieren te herplaatsen in bestaande groepen. Dit kan de dynamiek namelijk verstoren. Daarom is het onmogelijk om vooraf met zekerheid plekken voor alle dieren te regelen.
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Het behouden van een gezonde populatie kan een dierentuin niet alleen. Daarom is intensieve (internationale) samenwerking en het opdoen van meer kennis en innoveren belangrijk. Dierentuinen geven zelf aan dat onder andere data uitwisseling, verdere ontwikkeling van stamboeken en registratiesystemen, en meer kennis over de gevolgen van anticonceptie hierin een rol spelen.
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Dierentuinen vervullen een belangrijke rol in onze maatschappij en kunnen rekenen op een groot draagvlak. Uit onderzoek van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders (70%) positief tegenover dierentuinen staat. Slechts een klein deel (7%) heeft een afwijzende houding. Mensen vinden het fokken met bedreigde diersoorten en het (financieel) ondersteunen van programma’s die diersoorten beschermen en voorkomen dat diersoorten uitsterven de belangrijkste taken van een dierentuin.2
Mogelijke maatschappelijke kritiek speelt een rol in de terughoudendheid vanuit de sector om informatie rondom populatiebeheer te delen. Ik begrijp die zorgen. Toch is het belangrijk voor de toekomstbestendigheid van dierentuinen, dat ze zorgvuldige, transparante en navolgbare keuzes maken. Transparantie over de onderzochte alternatieven en context van het bredere doel kunnen hieraan bijdragen.
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen grotendeels voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen. Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Het doden van surplus dieren kan in sommige gevallen noodzakelijk zijn voor populatiemanagement, om vergrijzing binnen een populatie tegen te gaan en genetische variatie te behouden. De huidige kaders maken dit mogelijk.
Tegelijkertijd zie ik ook dat de huidige situatie maatschappelijk veel vragen en emoties oproept. Op dit moment werk ik maatregelen uit om uitvoering te geven aan de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). De Kamer wordt hierover vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector en een aantal stakeholders, zoals EAZA, de Europese dierentuinorganisatie die de instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen coördineert. Uit deze gesprekken zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die mee worden genomen in de uitvoering van de motie. Ook deze casus zal ik daarin meenemen.
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). Deze casus zal ik daarin meenemen.
Ernstige bijtincidenten met honden en preventieve maatregelen rond hoog-risicohonden |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de aanval door een hond op een 7-jarige jongen in Hilversum, waarbij het slachtoffer ernstig gewond is geraakt?1
Dat heb ik, ik ben zeer geschokt door dit incident. Mijn gedachten gaan uit naar het slachtoffer en de familie.
Kunt u aangeven hoeveel ernstige bijtincidenten met honden de afgelopen vijf jaar bekend zijn en in hoeveel gevallen daarbij kinderen betrokken waren?
Hier zijn helaas geen cijfers van beschikbaar. Dat is de reden waarom het Landelijk Meldpunt Hondenbeten begin dit jaar gelanceerd is om beter inzicht te krijgen in de aard en omvang van de incidenten.
Welke ontwikkelingen ziet u in het aantal meldingen van ernstige bijtincidenten met honden?
Ik lees deze vraag zo dat u doelt op de meldingen die zijn binnengekomen bij het Landelijk Meldpunt Hondenbeten. Dit meldpunt is in januari 2026 gelanceerd. Een eerste analyse van de data wordt momenteel uitgevoerd. Dan krijg ik een eerste beeld van de meldingen, maar is het nog te vroeg om uitspraken te doen over ontwikkelingen in het aantal meldingen van ernstige incidenten. Ik verwacht de resultaten van deze analyse voor het eerstvolgende debat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven met de Kamer te delen.
Deelt u de opvatting dat verantwoord hondenbezit vraagt om duidelijke verantwoordelijkheid van eigenaren, zeker wanneer sprake is van honden met een verhoogd risico op agressief gedrag?
Die opvatting deel ik. In het rapport «The Safe Dog project» (2019) en uit internationaal onderzoek komen eigenaar-gerelateerde factoren naar voren als de belangrijkste risicofactor bij het ontstaan van bijtincidenten. Ik vind het dan ook belangrijk dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen als het om het houden van een huisdier gaat, en helemaal in het geval van honden die ernstig letsel kunnen veroorzaken.
Hoe beoordeelt u de werking van de huidige Nederlandse aanpak rond hoog-risicohonden en ernstige bijtincidenten?
In Nederland zijn adequate waarborgen ingesteld dat honden die ernstige incidenten veroorzaken niet zomaar terug de maatschappij in gaan. Als er sprake is van een ernstig incident waar de politie bij ingeschakeld is, wordt de hond in beslag genomen. Er volgt dan altijd een beoordeling van de hond en het incident. Op basis daarvan bepaalt de rechter wat er met de hond gebeurt. In ernstige gevallen kan worden besloten de hond in te laten slapen. Ook gemeenten hebben bevoegdheden om in te grijpen wanneer zich gevaarlijke situaties of bijtincidenten voordoen. Zij staan dicht bij de burger en kunnen daardoor inschatten wat in specifieke gevallen nodig is.
In hoeverre verschillen gemeentelijke beleidsregels en handhaving momenteel als het gaat om hoog-risicohonden en acht u deze verschillen wenselijk?
Een belangrijk deel van de bevoegdheden bij het opvolgen van bijtincidenten ligt bij de gemeenten. In de Model Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) is bijvoorbeeld de bevoegdheid opgenomen voor de burgemeester om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen in de openbare ruimte, dan wel op het eigen erf. Er kunnen daarnaast verschillen zijn in de mate waarin binnen gemeenten nadere beleidsregels zijn opgesteld rondom bijtincidenten. Sommige gemeenten hebben bijvoorbeeld een meldpunt opgezet, en/of aanvullende bevoegdheden rondom sancties na inbeslagname opgenomen. Ik kijk waar landelijke kaders eventuele ongewenste verschillen tussen gemeentelijk beleid weg kunnen nemen, zoals met de landelijke aanlijn- en muilkorfplicht. Daarnaast werk ik aan een bevoegdheid van burgermeesters om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen die ook buiten de gemeentegrenzen van toepassing is.
Welke mogelijkheden bestaan momenteel om eerder in te grijpen wanneer sprake is van signalen van gevaarlijk gedrag van honden of onverantwoord eigenaarschap?
Hier zijn verschillende mogelijkheden. Bij signalen van gevaarlijk gedrag heeft de burgemeester de bevoegdheid om een aanlijn- en muilkorfplicht of een last onder dwangsom op te leggen om erger te voorkomen. Ook kan lokaal een gedragstest of een verplichting worden opgelegd om een hondencursus te volgen, indien een gemeente dat heeft opgenomen in beleidsregels. Wanneer onverantwoord houderschap leidt tot verwaarlozing of mishandeling kan een houder via het strafrecht strafbaar worden gesteld of kunnen door het OM maatregelen worden opgelegd, zoals een houdverbod voor dieren, om de verwaarlozing aan te pakken. Het aanhitsen van honden is verboden en strafbaar. Wanneer mensen zorgen hebben over gevaarlijk gedrag van een hond in hun omgeving, en vinden dat er opvolging nodig is, kunnen ze daarvan melding doen bij de politie, of de gemeente.
Welke rol ziet u voor preventieve maatregelen, zoals gedragsbeoordelingen, trainingen voor eigenaren, socialisatie of aanvullende voorwaarden bij honden met een verhoogd risico?
Preventie maakt onderdeel uit van de maatregelen om bijtincidenten tegen te gaan. Ik werk aan een theoriecursus voor toekomstig hondeneigenaren, waarmee zij getraind worden in het veilig en verantwoord houden van honden. Ik deel de opvatting dat met name houders van honden die een verhoogd risico geven op het veroorzaken van een ernstig bijtincident een extra verantwoordelijkheid hebben. Om hier eventueel gericht actie op te kunnen ondernemen wordt op dit moment door een onderzoeksbureau gekeken naar de fysieke kenmerken, die in de literatuur geassocieerd worden met een verhoogd risico, en of deze kenmerken ook terugkomen in de Nederlandse populatie inbeslaggenomen honden.
Ook de bij het antwoord op vraag 6 genoemde landelijke aanlijn- en muilkorfplicht heeft een preventief karakter. Ik vind het belangrijk dat honden die deze maatregel opgelegd hebben gekregen in hun gemeente ook buiten gemeentegrenzen aangelijnd moeten blijven en een muilkorf moeten dragen.
Wordt momenteel voldoende ingezet op verantwoord fokken en voorlichting aan hondenbezitters om agressief gedrag zoveel mogelijk te voorkomen?
Er worden op verschillende fronten stappen gezet die zullen bijdragen aan het verantwoord fokken. Met de in vraag 8 genoemde cursus wordt beoogd dat alle hondeneigenaren straks de benodigde kennis hebben over het verantwoord en veilig houden van honden. Denk aan informatie over het veilig uitlaten van honden en hoe te handelen wanneer een incident plaatsvindt.
Voor honden fysieke kenmerken die worden geassocieerd met een verhoogd risico op een ernstig bijtincident is het daarnaast extra belangrijk dat er zorgvuldige fokkerij en goede socialisatie plaatsvindt, omdat dit ook belangrijke factoren zijn die het ontstaan van gevaarlijk gedrag beïnvloeden. Er zijn reeds verschillende nationale initiatieven die zich hiervoor inzetten, zoals Fairdog. Ook in EU-verband worden belangrijke stappen gezet voor betere fokkerijomstandigheden, zie de nieuwe EU-Verordening inzake welzijn en traceerbaarheid van honden en katten die recent is aangenomen en 2028 van toepassing wordt. In deze Verordening staan regels opgenomen die zien op geschikte huisvesting en leefomstandigheden, welzijn en traceerbaarheid. Deze regels gelden voor alle honden die worden gefokt in de EU, maar ook voor alle honden die van buiten de Unie worden geïmporteerd. Maar hoe dan ook: de belangrijkste verantwoordelijkheid ligt bij eigenaren zelf. Zeker bij dit soort honden moet je je van te voren afvragen of een hond past bij je leefomgeving en thuissituatie, en is het belangrijk dat je op zoek gaat naar een verantwoord gefokte hond.
Heeft u kennisgenomen van buitenlandse voorbeelden, zoals in Ierland, waar voor specifieke hoog-risicohonden aanvullende regels gelden zoals een muilkorf- en aanlijnplicht in de openbare ruimte?
Dat heb ik. Bij het uitwerken van beleid wordt literatuur en ervaringen die reeds zijn opgedaan in het buitenland meegenomen.
Welke lessen ziet u in dergelijke buitenlandse aanpakken voor Nederland waar het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten?
De contacten met andere lidstaten inzake hun aanpak van bijtincidenten zijn heel waardevol bij de uitwerking van de voorgestelde maatregelen in Nederland. Ik zie overeenkomsten bij (delen van) lidstaten als Duitsland en Zwitserland die al enige tijd ervaring hebben met een theoriecursus voor toekomstig hondeneigenaren. Ook kennen een aantal lidstaten voorwaarden voor het houden van aangewezen honden. We leren ook dat sommige ras specifieke maatregelen die men in het buitenland neemt, niet zorgen voor een afname in het aantal bijtincidenten zoals het verbieden van rassen.
In hoeverre acht u aanvullende landelijke kaders voor hoog-risicohonden, zoals duidelijke regels rond aanlijnen, muilkorven of verantwoordelijkheid van eigenaren, wenselijk of effectief?
Dat acht ik effectief, vandaar dat ik mij inzet voor een landelijk geldende aanlijn- en muilkorfplicht voor honden die hebben gebeten of zich gevaarlijk hebben gedragen, en een theoriecursus voor alle toekomstige hondeneigenaren.
Waar ziet u op dit moment de belangrijkste tekortkomingen in wet- en regelgeving of handhavingsmogelijkheden als het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten met honden?
Zoals aangegeven bij vraag 6 ligt een belangrijk deel van de handhavende bevoegdheid bij bijtincidenten bij gemeenten. Ik denk dat het goed is dat dit bij gemeenten ligt, omdat zij het beste kunnen inschatten wat er lokaal speelt en in specifieke gevallen nodig is. Dat kan niet op landelijk niveau. Ik zie echter wel op dit moment een praktische beperking, omdat de bevoegdheid om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen bij een hond die heeft gebeten of zich gevaarlijk gedraagt alleen geldt binnen de grenzen van een gemeente. Daarom werk ik aan de invoering van een wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters om deze plicht op te leggen die vervolgens, voor de betreffende hond, in heel Nederland van toepassing is.
Om te bezien óf en waar er eventuele tekortkomingen zijn in wet- of regelgeving is echter een beter beeld van de aard en omvang van het probleem nodig. Het in januari gelanceerde Landelijk Meldpunt Hondenbeten is hiervoor ingericht.
De meldingen uit dit meldpunt worden alleen gebruikt voor analyse. Hoe meer bij het landelijk meldpunt wordt gemeld, hoe beter het beeld van de problematiek wordt. Ik roep dan ook iedereen op om gevaarlijke situaties of incidenten – naast melding bij de politie of gemeente voor meldingen die opvolging nodig hebben – te melden bij het landelijk meldpunt.
Welke mogelijkheden ziet u om deze tekortkomingen weg te nemen en de bescherming van omwonenden, voorbijgangers en in het bijzonder kinderen verder te versterken?
Zoals aangegeven bij vraag 13 is het van belang dat er eerst een beter beeld komt van de aard en omvang van het probleem. Ook noem ik de aangekondigde wettelijke bevoegdheid van burgermeesters om een landelijke aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen.
Uit die maatregel blijkt ook hoe belangrijk het is dat gemeenten samenwerken en informatie met elkaar delen. Met dit doel is een aantal jaar geleden in opdracht van LVVN het Landelijk Honden Dossier opgericht, waar gemeenten gratis gebruik van kunnen maken. In dit systeem kunnen gemeentelijke handhavers informatie met elkaar delen en inzien of een bepaalde hond een maatregel opgelegd heeft gekregen in een naburige gemeente. Ook het samenwerkingsverband DierVizier biedt gemeenten een platform waarin het uitwisselen van ervaringen op dit vlak mogelijk is.
Hoe beoordeelt u de huidige mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij fatale incidenten? Acht u het bestaande instrumentarium voldoende effectief en afschrikwekkend?
Het huidige systeem biedt verschillende mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij dodelijke incidenten. Vanuit het strafrecht kan een eigenaar worden bestraft wanneer hij of zij onvoldoende controle houdt over een gevaarlijke hond. Hiervoor kan bijvoorbeeld een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal zes maanden worden opgelegd. Daarnaast zijn sinds 1 januari 2024 de mogelijkheden uitgebreid door wetgeving, waardoor in ernstige gevallen ook een zelfstandig houdverbod kan worden opgelegd. Dit betekent dat iemand tijdelijk of langdurig geen dieren meer mag houden. Vanuit het bestuursrecht kunnen gemeenten daarnaast maatregelen nemen, zoals het in beslag nemen van de hond.
Deelt u de opvatting dat van eigenaren van honden die een verhoogd risico vormen voor hun omgeving een grotere verantwoordelijkheid mag worden verwacht en dat daar waar nodig passende consequenties tegenover moeten staan wanneer die verantwoordelijkheid onvoldoende wordt genomen?
Die opvatting deel ik. Zie hiervoor het antwoord op vraag 15.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de aangekondigde maatregelen rondom hoog-risicohonden, waaronder het landelijk meldpunt, de ontwikkeling van een houdercursus en overige preventieve maatregelen?
De Kamer wordt hierover geïnformeerd in de Verzamelbrief Dieren buiten de Veehouderij, die u voor het Commissiedebat «dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 3 september ontvangt.
Welke resultaten zijn sinds de aankondiging van deze maatregelen bereikt en op welke wijze wordt gemonitord of deze daadwerkelijk bijdragen aan het terugdringen van ernstige bijtincidenten?
Dit zal worden meegenomen als onderdeel van de Verzamelbrief Dieren buiten de Veehouderij, die u voor het Commissiedebat «dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 3 september ontvangt.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van mensen en in het bijzonder van kinderen altijd voorop moet staan bij beleid rond hoog-risicohonden?
Elk bijtincident is er één teveel. Het staat dan ook voorop dat veiligheid van mens én dier het primaire doel van beleid rond bijtincidenten is. Het terugdringen van bijtincidenten kan echter niet alleen met het opleggen van strengere maatregelen. Ik blijf benadrukken dat mensen zich goed moeten realiseren wat voor hond ze in huis halen.
De praktische organisatie en naleving rond het Offerfeest 2026 |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over het toezicht tijdens het Offerfeest 2026?1
Ja. Een dergelijk nieuwsbericht wordt iedere jaar voorafgaand aan het Offerfeest gepubliceerd.
Kunt u toelichten welke lessen uit eerdere edities van het Offerfeest concreet zijn verwerkt in de aanpak voor 2026, zowel ten aanzien van dierenwelzijn als handhaving en preventie van overtredingen?
Het Offerfeest wordt jaarlijks voorbereid in een samenwerkingsverband van LVVN, NVWA, Vereniging van Zelfslachtende Slagers (VZS), VleesNL, Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) en politie. Na afloop volgt in dit verband een evaluatie, waarbij iedere organisatie de verbeterpunten meeneemt voor het procesverloop van het Offerfeest. Er is gewerkt aan een betere aansluiting tussen het aangeboden aantal te slachten dieren en de planning van de toezichtscapaciteit. Zo wordt voorkomen dat het slachthuis meer dieren aanvoert dan geslacht kunnen worden. Ook heeft de NVWA de afgelopen jaren haar toezicht in algemene zin versterkt door invoering van verscherpt toezicht en three strikes out. Herhaalde overtredingen en ook misdragingen jegens toezichthouders van voorgaande jaren worden beter meegewogen bij de keuze van te nemen maatregelen. Daarnaast zet ik mij in voor een herziening van het boetestelsel, met onder meer hogere en omzetgerelateerde boetes, zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 18 juni 2026 (Kamerstuk 33 835, nr. 262). Tot slot wordt door de NVWA op bedrijfsniveau na elk offerfeest een evaluatie uitgevoerd, die meeweegt in de toestemming en het toezicht voor het jaar erop. Zo kijkt de NVWA elk jaar waar het beter kan.
Gelet op het feit dat de NVWA meldt dat in 2025 een groter aandeel dieren bedwelmd is geslacht, welke factoren hebben volgens u aan deze ontwikkeling bijgedragen en ziet u mogelijkheden om deze ontwikkeling verder te versnellen?
In Nederland is bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De redenen om een dier onbedwelmd ritueel dan wel bedwelmd te laten slachten zijn divers en niet eenduidig vast te stellen; dit kan samenhangen met keuzes van religieuze gemeenschappen, slachthuizen en afnemers, en met de praktische organisatie rondom het Offerfeest. Mijn inzet blijft gericht op een zorgvuldige uitvoering binnen de geldende wettelijke kaders, met toezicht door de NVWA op dierenwelzijn, diergezondheid, voedselveiligheid en hygiëne. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden.
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van vermijdbaar dierenleed altijd leidend moet zijn bij beleid rondom rituele slacht?
Dat deel ik. Het verbeteren van dierenwelzijn tijdens de onbedwelmde rituele slacht was in 2012 een belangrijk uitgangspunt van het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. In de evaluatie van het Convenant door Deloitte uit 2021 (Kamerstuk 28 286, nr. 1232) is geconcludeerd dat het Convenant doelmatig en doeltreffend functioneert in de praktijk en heeft geleid tot een verbetering van het dierenwelzijn ten opzichte van de nulmeting in 2014. Tegelijkertijd geldt dat rituele slacht zonder voorafgaande bedwelming binnen Europese regelgeving onder voorwaarden is toegestaan en beperking hiervan raakt aan de vrijheid van godsdienst. Daarom is de inzet erop gericht om binnen de geldende huidige wettelijke kaders de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. Dat gebeurt onder meer via aanvullende voorschriften in het Besluit houders van dieren, permanente aanwezigheid van de NVWA bij onbedwelmde rituele slacht en handhaving wanneer regelgeving niet wordt nageleefd.
Hoe beoordeelt u vanuit dierenwelzijnsperspectief het feit dat dieren bij onverdoofde slacht aantoonbaar langer bij bewustzijn kunnen blijven en daarbij meer stress en pijn ervaren?
De algemene wetenschappelijke opvatting is dat de halssnede bij een dier dat bij bewustzijn is pijn veroorzaakt en dat het dier stress ervaart in de periode tot het als gevolg van het verbloeden het bewustzijn verliest. Om die reden zijn in het convenant onbedwelmde slacht volgens religieuze riten concrete afspraken gemaakt om het welzijn van deze dieren te verbeteren. De normen uit het convenant die betrekking hebben op dierenwelzijn zijn opgenomen in het Besluit houders van dieren. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en grijpt waar nodig in om het dierenwelzijn te waarborgen. Bij de totstandkoming van het convenant is ook een afweging gemaakt tussen dierenwelzijn en godsdienstvrijheid.
Bent u bekend met signalen van dierenartsen en dierenwelzijnsorganisaties dat dieren tijdens onverdoofde slacht langdurig worden gefixeerd, worden gekanteld in zogenoemde kantelboxen en in sommige gevallen herhaaldelijk moeten worden aangesneden voordat bewustzijnsverlies optreedt?2
Ik ben bekend met deze signalen. Het beeld dat dieren bij de onbedwelmde rituele slacht structureel langdurig worden gefixeerd, onjuist worden gekanteld of herhaaldelijk moeten worden aangesneden, herken ik echter niet. Fixatie en het gebruik van kantelapparatuur zijn aan strikte dierenwelzijnsvoorschriften gebonden en bij deze slacht is sprake van permanent toezicht door de NVWA. De NVWA ziet daarbij toe op de duur en wijze van fixatie, het gebruik van de apparatuur en een correcte uitvoering van de halssnede. Wanneer een handeling niet overeenkomstig de geldende voorschriften wordt uitgevoerd, grijpt de NVWA direct in en wordt waar nodig handhavend opgetreden. Er zijn geen aanwijzingen dat de dierenwelzijnsvoorschriften hierbij structureel niet worden nageleefd.
Hoe wordt tijdens het Offerfeest gecontroleerd dat dieren direct na de halssnede voldoende bewustzijnsverlies vertonen en welke maatregelen worden genomen wanneer dat niet het geval is?
Tijdens het Offerfeest worden niet alle dieren onbedwelmd geslacht. Uit de voorlopige cijfers blijkt dat tijdens het Offerfeest dit jaar 32% van de geslachte dieren onbedwelmd is geslacht en 68% van de dieren bedwelmd is geslacht. Bij bedwelmde slacht is er sprake van bewustzijnsverlies voordat de halssnede gezet wordt.
De NVWA ziet erop toe dat medewerkers van het slachthuis de controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid bij alle dieren die onbedwelmd geslacht worden, correct uitvoeren. De afwezigheid van corneareflex en ooglidreflex zijn betrouwbare indicatoren om te controleren op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid. Andere tekenen zijn de afwezigheid van ademhaling, een negatieve dreigtest of reactie op een toegediende pijnprikkel.3 De controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vindt plaats voordat het dier de fixatie verlaat, of in ieder geval na 35 seconden waarbij in geval van tekenen van bewustzijn de dieren bedwelmd moeten worden binnen 40 seconden na de halssnede.
Zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, wordt bij geconstateerde overtredingen handhavend opgetreden. Ook worden corrigerende maatregelen genomen zoals een directe aanwijzing tot nabedwelmen en/of het niet meer toestaan van onbedwelmd ritueel slachten.
Bent u bekend met wetenschappelijke kritiek op de zogenoemde waterbadmethode bij pluimvee, waarbij dieren wel bewegingsloos maar niet volledig buiten bewustzijn zouden zijn?3
Ik ben bekend met de wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp en de risico’s die worden geschetst ten aanzien van de waterbadmethode.
Hoe beoordeelt u het risico dat dieren bij toepassing van de waterbadmethode alsnog bij bewustzijn de halssnede ondergaan of levend in verdere slachtprocessen, zoals de broeibak, terechtkomen?
Het bedwelmen met de waterbadmethode is toegestaan op grond van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Voor het gebruik van het waterbad als bedwelmingsmethode zijn in deze verordening specifieke voorschriften vastgelegd.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de naleving van deze voorschriften tijdens de slacht. Een verbod op of beperking van een toegestane bedwelmings- of dodingsmethode kan alleen in Europees verband worden gerealiseerd. Ik heb mij eerder in Europees verband ingezet voor een verbod op de waterbadmethode, mede naar aanleiding van de aangekondigde herziening van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Ik zal mij hiervoor op daartoe geschikte momenten blijven inzetten. Ook wil ik na de zomer in gesprek met de sector om te kijken of er afspraken gemaakt kunnen worden om zaken op het gebied van dierenwelzijn in slachthuizen te verbeteren. Daarbij wil ik ook kijken naar bedwelmingsmethodes.
Deelt u de opvatting dat technieken waarbij dieren langdurig bij bewustzijn blijven, zichtbaar stress ervaren of hun eigen slachtproces meemaken, zo veel mogelijk moeten worden uitgebannen?
Ja. Ik vind dat dieren tijdens het houden, transporteren en doden zo min mogelijk stress, pijn en vermijdbaar lijden mogen ondervinden. Tegelijkertijd geldt dat de beoordeling van specifieke slacht- en bedwelmingsmethoden plaatsvindt binnen de bestaande nationale en Europese wettelijke kaders. Voor toegestane methoden gelden voorschriften die erop gericht zijn de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. De NVWA ziet toe op de naleving daarvan. Waar uit nieuwe wetenschappelijke inzichten of praktijkervaring blijkt dat verdere verbeteringen mogelijk zijn, ben ik bereid deze te betrekken bij de verdere ontwikkeling van het dierenwelzijnsbeleid, zowel nationaal als in Europees verband.
In hoeverre acht u het wenselijk dat uitzonderingen voor religieuze slachtmethoden telkens opnieuw worden verlengd, terwijl het maatschappelijke en politieke draagvlak voor verdere verbetering van dierenwelzijn groeit?
Ik onderken dat over dit onderwerp maatschappelijk en politiek debat bestaat. Dat debat over de wenselijkheid en reikwijdte van de uitzondering voor religieuze slachtmethoden kan vanzelfsprekend in de Kamer worden gevoerd. Zolang de huidige wettelijke kaders gelden, richt ik mij op een zorgvuldige uitvoering daarvan, het minimaliseren van dierenleed, de naleving van de voorschriften en toezicht door de NVWA.
Deelt u de opvatting dat de overheid een duidelijke norm moet uitdragen dat bedwelmde slacht de standaard is en het onverdoofd slachten of koken van dieren verboden hoort te zijn?
Dit wordt uitgedragen. In Nederland is namelijk bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De mogelijkheid om, voor religieuze doeleinden, dieren zonder voorafgaande bedwelming aan te snijden vormt daarop een uitzondering die rechtstreeks voortvloeit uit de Verordening 1099/2009. Het aantal dieren dat in Nederland onbedwelmd ritueel wordt geslacht is beperkt in verhouding tot het totaal aantal geslachte dieren. Uiteraard zullen we blijven uitdragen dat bedwelmde slacht de norm is.
Welke aanvullende mogelijkheden ziet u om dierenwelzijn tijdens het Offerfeest verder te verbeteren en het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen, bijvoorbeeld via reversibele bedwelming of strengere voorwaarden aan slachtmethoden?
De bestaande regelgeving, de gezamenlijke voorbereiding van het Offerfeest en het permanente toezicht door de NVWA hebben de afgelopen jaren tot verbeteringen ten aanzien van dierenwelzijn geleid. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders, inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden. Daarbij kan worden gedacht aan het in overleg met de betrokken partijen verder bevorderen van het gebruik van bedwelming bij religieuze slacht.
Bent u bereid om na afloop van het Offerfeest 2026 de aanpak te evalueren met de NVWA, gemeenten, slachthuizen en betrokken maatschappelijke en religieuze organisaties en de Kamer daarbij expliciet te informeren over mogelijkheden om het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, vindt jaarlijks overleg plaats tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), vertegenwoordigers van slachthuizen en vertegenwoordigers van de betrokken religieuze gemeenschappen over het verloop van het Offerfeest. Tijdens deze evaluaties, maar ook in de overleggen in aanloop naar het Offerfeest, staat primair de correcte uitvoering van de geldende wettelijke voorschriften centraal ten aanzien van dierenwelzijn, diergezondheid en voedselveiligheid, evenals de capaciteit voor toezicht en communicatie rondom het Offerfeest. Daarbij wordt niet gesproken over het actief terugbrengen van het aandeel onbedwelmde rituele slacht. De cijfers over onbedwelmd ritueel geslachte dieren, waaronder aantallen per diercategorie en gegevens over nabedwelming, worden jaarlijks aan de Tweede Kamer verstrekt en, conform de toezegging T03706 van 11 juli 2023, ook aan de Eerste Kamer toegezonden.
Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht dat VanDrie zijn belofte over de import van Ierse kalveren verbreekt |
|
Renate den Hollander (VVD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kalverslachter VanDrie verbreekt belofte over import Ierse kalveren»?1
Klopt het dat VanDrie Group eerder heeft aangekondigd vanaf 2026 te stoppen met de import van kalveren uit Ierland, maar dat het bedrijf nu toch doorgaat met deze import? Kunt u toelichten hoe deze situatie precies zit?
Hoeveel kalveren worden jaarlijks vanuit Ierland naar Nederland vervoerd voor de kalverhouderij? Kunt u aangeven hoeveel transporten het betreft en hoelang deze transporten gemiddeld duren?
In hoeverre voldoen deze transporten aan de huidige Europese regels voor diertransport, met name ten aanzien van transportduur, rusttijden en het verstrekken van voeding aan jonge dieren?
Deelt u de opvatting dat langeafstandstransporten van zeer jonge kalveren vanuit andere Europese Unie (EU) lidstaten (en overige landen) onwenselijk zijn vanuit het oogpunt van dierenwelzijn? Zo ja, welke stappen zet u om deze transporten te beperken? Zo nee, waarom niet?
Worden er momenteel controles uitgevoerd op transporten van jonge kalveren vanuit Ierland naar Nederland? Zo ja, hoe vaak vinden controles plaats en wat zijn de bevindingen van deze controles in de afgelopen jaren?
In hoeverre ziet u mogelijkheden om op Europees niveau strengere regels te bepleiten voor het transport van jonge kalveren? Wat kan Nederland hier zelf in doen?
Deelt u de mening dat de Nederlandse kalversector toekomstbestendig moet zijn en dat de afhankelijkheid van geïmporteerde kalveren niet past binnen een dierwaardige veehouderij? Welke stappen zet het kabinet om hier een einde aan te maken?
Bent u bereid om met een plan te komen voor het verder verbeteren van dierenwelzijn in de kalverhouderij en hierbij ook in gesprek te gaan met de sector over het beëindigen van langeafstandstransporten van jonge dieren?
Bent u bereid om ook in gesprek te gaan met dierenwelzijnsorganisaties die dit thema al jaren agenderen en ook oplossingen en aanbevelingen hebben?
Het houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, maar wel nog worden geïmporteerd |
|
Ines Kostić (PvdD), Renate den Hollander (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2021 een motie van de Partij voor de Dieren (PvdD), VVD en CDA heeft aangenomen (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 64) waarmee de regering wordt verzocht om te onderzoeken hoe de handel in en import van doorgefokte gezelschapsdieren, zoals dieren met extreem korte snuiten, verboden kan worden?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2024 opnieuw een motie heeft aangenomen, ditmaal van de PVV en PvdD (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36), waarmee de regering wordt verzocht om een handel- en houdverbod in te stellen voor dieren die niet mogen worden gefokt in Nederland?
Ja, deze motie is aangenomen met de interpretatie dat het houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten kan worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar (Begrotingsbehandeling LVVN 2025, 17 oktober 2024, Vergaderjaar 2024–2025, nr. 15, item 8).
Erkent u dat honden en katten met schadelijke uiterlijke kenmerken, zoals extreme kortsnuitigheid, hun hele leven lang vermijdbaar en ondraaglijk lijden, zoals ook opnieuw wordt bevestigd in de recente uitzending van EenVandaag?1
Ja, dit erken ik.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman dat circa 60 procent van het werk van dierenartsen te maken heeft met genetische of uiterlijke rasgebonden kenmerken, en dat dit dierenleed grotendeels voorkomen had kunnen worden als deze dieren niet zo waren doorgefokt? Onderschrijft u deze uitspraak? Wat vindt u hiervan?2
Ja, ik heb kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman. Ik kan deze uitspraak zelf niet onderschrijven vanwege het ontbreken van verifieerbare cijfers, maar uiteraard vind ik dat dierenleed daar waar mogelijk voorkomen moet worden. Hier ligt dus een grote verantwoordelijkheid voor fokkers.
Bent u ervan bewust dat schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder kortsnuitigheid, extreem kleine lichaamsbouw, kaalheid en afwijkingen aan de staart, gepaard gaan met verhoogde dierenartskosten gedurende het hele leven van deze dieren?
Ik ben me ervan bewust dat dieren met schadelijke uiterlijke kenmerken in veel gevallen meer (specialistische) diergeneeskundige zorg nodig hebben dan dieren zonder deze kenmerken. Daarom worden mensen hier op gewezen, onder andere met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»3.
Deelt u de analyse dat een houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, kan leiden tot een substantiële daling van dierenartskosten voor eigenaren? Zo nee, waarom niet?
Een houd- en handelsverbod kan alleen worden opgesteld voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar zijn. Een houd- en handelsverbod kan dus lang niet alle erfelijke ziekten en afwijkingen omvatten. Ik verwacht dat een houd- en handelsverbod bij kan dragen aan een daling van dierenartskosten, omdat het voorkomt dat mensen dieren met die kenmerken aanschaffen. Het risico op hoge dierenartskosten wordt echter pas echt verkleind wanneer mensen kiezen voor een verantwoord gefokte hond of kat. Om mensen te helpen om de juiste keuze te maken en om verantwoorde fokkerij te stimuleren, ontvangen het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG), Stichting Fairdog en het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) van de Universiteit Utrecht subsidie. Daarnaast is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt, de zogenaamde fokscreening. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zullen gedeeld worden met de Kamer.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat honden en katten die in Nederland niet meer mogen worden gefokt, wel nog steeds vanuit het buitenland naar Nederland worden geïmporteerd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik, deze dieren mogen in Nederland niet meer worden gefokt omdat hun welzijn en integriteit onnodig worden aangetast. Ik vind dat mensen hier een grote verantwoordelijkheid hebben om voor een gezond dier, zonder schadelijke kenmerken te kiezen. Met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»4 worden mensen bewust gemaakt van de gevolgen van schadelijke kenmerken bij gezelschapsdieren én worden mensen geholpen om de juiste keuze te maken voor een gezond huisdier van een betrouwbare fokker. Voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, en waarvoor een houdverbod goed kan worden onderbouwd en goed handhaafbaar is, voer ik een houdverbod in. Ik ben dan ook blij dat het houdverbod voor katten met vouworen en voor naaktkatten op 1 januari 2026 in werking is getreden en dat het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde onderzoek doet naar de schedelontwikkeling van kortsnuitige puppy’s5. Aan de hand van de resultaten van de risico-inventarisatie van het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA zal ik kijken voor welke aanvullende schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten een houdverbod ingevoerd kan en moet worden.
Daarnaast ziet het er naar uit dat vaststelling van de EU-verordening welzijn en traceerbaarheid van honden en katten nabij is. Deze toekomstige verordening bevat verboden ten aanzien van het fokken met en tentoonstellen van honden en katten met (nog nader aan te wijzen) schadelijke kenmerken. Ook mogen honden en katten uit derde landen onder deze verordening alleen binnen de EU worden verhandeld wanneer ze zijn gefokt en gehouden volgens voorwaarden die overeenkomen met de voorschriften uit de EU-verordening.
Kunt u aangeven wat de reden is voor het door u aangekondigde aanvullende onderzoek naar pups van kortsnuitige honden? Deelt u de mening dat dit onderzoek niet moet leiden tot uitstel van het houd- en handelsverbod met ten minste twee tot drie jaar, waardoor vermijdbaar dierenleed van deze talloze (geïmporteerde) honden voortduurt? Zo nee, waarom niet?3
Zoals in de verzamelbrief welzijn dieren buiten de veehouderij – overig (Kamerstuk 28 286, nr. 1397) en in de Kamerbrief van 28 januari 2026 (Kamerstuk 28 286, nr. 1416) is aangegeven is een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden ingewikkeld. Dit komt omdat niet alle kortsnuitige honden lijden als gevolg van deze kenmerken én omdat er momenteel geen kenmerk is waaraan extreem kortsnuitige honden jonger dan 1 jaar oud aan herkend kunnen worden. Het onderzoek dat het EGD doet naar de voorspellende waarde van uiterlijke- en DNA-kenmerken bij kortsnuitige pups beoogt dit kennishiaat op te vullen. Er is dus zeker geen sprake van uitstel, maar een noodzakelijk onderzoek om een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden te kunnen realiseren. Een houdverbod kan immers alleen worden opgesteld voor een kenmerk dat bij elk individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, op iedere leeftijd objectief vast te stellen is én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar is. Het onderzoek is in december 2025 gestart en zal twee jaar duren. Deze tijd is nodig omdat de puppy’s die nu worden geworven over een jaar weer moeten worden opgemeten, waarna de data geanalyseerd kan worden. Ik verwacht de resultaten van het onderzoek in het eerste kwartaal van 2028, die ik dan direct met de Tweede Kamer zal delen. Als uit het onderzoek blijkt dat er een of meerdere geschikte kenmerken zijn waarop een houdverbod kan worden gebaseerd, zal hiervoor een houdverbod worden ingevoerd.
Hoe kijkt u aan tegen een handelsverbod waarbij bij de import van pups verplicht meetformulieren van de ouderdieren moeten worden overlegd, zodat alleen pups worden geïmporteerd waarvan beide ouderdieren aantoonbaar voldoen aan de geldende fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving? Heeft u deze optie onderzocht? Zo ja, kunt u de inzichten hierover naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Deze optie is onderzocht. Het meetformulier voor kortsnuitige honden is echter alleen in Nederland bekend. Het meetformulier is bovendien geen officieel document en de reu is vrijwel nooit aanwezig bij de pups. Dit laat zeer veel ruimte voor misleiding door fokkers en handelaren. Het is voor een koper of importeur niet betrouwbaar na te gaan of beide ouderdieren voldoen aan de fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving. De conclusie is dan ook dat het echt noodzakelijk is om aan de hand van de pup zelf te kunnen vaststellen of het dier geïmporteerd mag worden of niet.
Een handelsverbod is bovendien niet de meest geschikte optie om de aanschaf van gezelschapsdieren met schadelijke kenmerken tegen te gaan. Voor een rechtmatige beperking van het vrij verkeer van goederen moet vanuit het EU-recht worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, geschiktheid en proportionaliteit. Een handelsverbod is zeer moeilijk handhaafbaar vanwege de open grenzen binnen de EU en omdat veel kenmerken niet eenvoudig vast te stellen zijn (Kamerbrief van 14 april 2022, Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit maakt dat er kan worden getwijfeld aan de geschiktheid van een handelsverbod voor doorgefokte gezelschapsdieren. Daarom is ervoor gekozen om een houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten in te voeren. Dit verbod kan goed worden onderbouwd en is goed handhaafbaar, omdat deze kenmerken bij ieder individueel dier voor lijden zorgen, op iedere leeftijd objectief vast te stellen zijn en omdat er enkel hoeft te worden vastgesteld dat het dier gehouden wordt. Zoals eerder aangegeven kan het houdverbod worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar.
Bent u bereid om vooruitlopend op bredere regelgeving een houd- en handelsverbod in te stellen voor schadelijke uiterlijke kenmerken die wel al zichtbaar zijn op een leeftijd van circa 7 tot 15 weken, zoals kaalheid bij honden, extreem korte poten of afwezigheid van een functionele staart, gezien de grote gevolgen van deze kenmerken voor het welzijn en de levenskwaliteit van de dieren? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de interpretatie van de motie Graus en Kostić (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36) is aangegeven kan het houdverbod, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar, worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken. Voor de benodigde onderbouwing wacht ik op de resultaten van de risico-inventarisatie die het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA uitvoert. Aan de hand hiervan kan worden bepaald welke kenmerken nog meer in aanmerking komen voor een houdverbod, of voor maatregelen ten aanzien van de fokkerij en deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen en keuringen. Hierbij is het van belang dat een houdverbod alleen kan worden ingevoerd voor kenmerken die objectief bij het individuele dier vast te stellen zijn en waarvan voldoende wetenschappelijk onderbouwd kan worden dat ieder dier met dat kenmerk hieronder lijdt.
Klopt het dat het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA een onderzoek heeft uitgevoerd naar welke uiterlijke kenmerken lijden veroorzaken bij individuele dieren (Kamerstuk 28 286, nr. 1324 en Kamerstuk 28 286, nr. 1397)? Wanneer gaat u dit onderzoek naar de Kamer sturen, aangezien eerder werd aangegeven dat dit eind 2024 en vervolgens na de zomer van 2025 zou gebeuren?
Het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA legt momenteel de laatste hand aan de risico-inventarisatie van schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten. Helaas duurt het onderzoek langer dan voorzien. Zodra het definitieve rapport is opgeleverd, zal dit met de Kamer gedeeld worden.
Kunt u aangeven wat de status is van de invulling van artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren in de context van overige schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder criteria voor kortsnuitige katten, lichaamsformaat, (onwenselijke) staartlengte en ontbrekende haarbedekking?
Ik vind het uiteraard belangrijk dat dieren gezond gefokt worden en niet lijden onder schadelijke erfelijke kenmerken en erfelijke ziekten. Ik ben dan ook blij dat er een beleidsregel voor het fokken met kortsnuitige honden is. Het is echter niet doenlijk om voor alle kenmerken en ziektes een dergelijke beleidsregel te maken. Daarom is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt. Er is eerst ingezet op het ontwikkelen van een systeem voor honden, wanneer dit succesvol is zal verder worden gekeken naar een systeem voor katten. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zal ik delen met de Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten» en van de recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:130) (ECLI:NL:RBNNE:2026:129)?1
Ja, ik heb kennis genomen van de recente uitspraken.
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak grote gevolgen heeft voor de verhouding tussen omwonenden, agrariërs en de overheid?
De kern van de uitspraken is dat de Minister van LVVN op grond van artikel 67, eerste lid, van de Verordening gewasbeschermingsmiddelen (1107/2009) bevoegd en gehouden is om een professionele gebruiker te verzoeken informatie te verstrekken uit hun registers over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, indien een derde partij een verzoek tot inzage heeft ingediend. Derde partijen zijn in ieder geval drinkwaterindustrie, detailhandelaren en omwonenden. De uitspraken zorgen ervoor dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (m.n. telers) vaker informatie zullen moeten verstrekken over dat gebruik aan partijen buiten de overheid.
Bent u voornemens om uitvoering te geven aan deze rechterlijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voornemens om hoger beroep in te gaan stellen. Dit zal een pro-forma beroep zijn om de opties open te houden voor mijn ambtsopvolger om een keuze te maken aan de hand van een nader onderzoek naar de uitspraken en deze niet bij voorbaat te beperken. Een van de overwegingen daarbij is dat de uitleg van een Europese Verordening is voorbehouden aan het Europese Hof van de EU, dit ook met het oog op een gelijk speelveld tussen lidstaten.
Daarnaast ben ik voornemens om een voorlopige voorziening te vragen. Daarmee wordt voorkomen dat de opdracht van de rechtbank om alsnog te beslissen moet worden uitgevoerd, voordat op het hoger beroep is beslist.
Ik heb reeds een aantal verzoeken om toegang tot spuitgegevens ontvangen. Ik ga deze verzoeken, en de mogelijke verzoeken die nog volgen, aanhouden tot er juridische duidelijkheid is. De indieners van deze verzoeken stel ik hiervan op de hoogte.
Bent u voornemens om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe gaat u het recht wat omwonenden op basis van deze uitspraak hebben om inzicht te krijgen in spuitgegevens praktisch en zorgvuldig vormgeven?
Er zullen hier twee sporen uitgewerkt moeten worden. Een juridisch spoor voor de korte termijn en een beleidsmatig spoor voor de lange termijn. De precieze uitwerking voor de korte termijn ben ik nu aan het vormgeven. Het spoor voor de lange termijn laat ik over aan mijn ambtsopvolger.
Ik kan me goed kan voorstellen dat we uiteindelijk toegaan naar een ander systeem, dat veel meer inzicht geeft in de individuele toepassing door bedrijven. Zo’n systeem zou vergelijkbaar van opzet kunnen zijn zoals in de diergeneeskunde, waar het al heel gebruikelijk is dat toegepaste middelen worden verantwoord en geregistreerd.
Hoe voorkomt u dat individuele boeren worden geconfronteerd met een opeenstapeling van verzoeken en discussies met afzonderlijke omwonenden over hun dagelijkse bedrijfsvoering?
Mijn beleid is altijd gericht op het «goed nabuurschap». Hierbij stimuleren we professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen om in gesprek te gaan met hun omgeving. Goede gesprekken tussen buren zullen de frequentie van dit soort formele verzoeken via mijn ministerie tot een minimum beperken. Ook verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze kan volgens u transparantie worden ingevuld, zonder dat dit leidt tot onwerkbare situaties voor agrariërs of tot een verdere verharding van de relatie tussen boer en omgeving?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat is volgens u de verwachte impact van deze uitspraak op de agrarische sector, in het bijzonder voor telers die werken met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorg dat het vrijgeven van spuitgegevens aan leken kan leiden tot onbegrip, onrust of onterechte conclusies over de veiligheid van middelen die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) zijn toegelaten?
Het is van belang om deze gegevens in de juiste context te plaatsen. De professionele gebruiker kan dit het beste zelf doen, zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 6. Hoe dit gewaarborgd kan worden in het geval dat er verzoeken bij mijn ministerie ingediend worden, wordt onderdeel van het proces dat voor de lange termijn vormgegeven wordt zoals vermeld in het antwoord op vraag 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de informatie die op verzoek van omwonenden wordt verstrekt begrijpelijk, duidbaar en is voorzien van context, zodat deze niet leidt tot misinterpretatie of onrust?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om samen met de sector, toezichthouders en gezondheidsinstanties te verkennen hoe deze informatie op een gestandaardiseerde en toegankelijke manier kan worden ontsloten?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Hoe borgt u dat de bescherming van de gezondheid van omwonenden hand in hand gaat met rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en vertrouwen voor boeren?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Dit heb ik gedaan.
Het bericht 'Wolven verdrijven Leidse derdeklassers uit bossen bij Dwingeloo: winterkamp geannuleerd' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wolven verdrijven Leidse derdeklassers uit bossen bij Dwingeloo: winterkamp geannuleerd»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zeer onwenselijk is dat scholen hun onderwijs- en buitenschoolse activiteiten moeten aanpassen of annuleren vanwege de aanwezigheid en het gedrag van wolven?
Ik vind het inderdaad onwenselijk dat mensen zich genoodzaakt voelen om zich aan te passen aan de aanwezigheid van wolven in plaats van andersom. Daarom zet ik me via de Landelijke Aanpak Wolven in om incidenten met wolven tegen te gaan en adequaat ingrijpen mogelijk te maken en heb ik uw Kamer meermaals opgeroepen zo spoedig mogelijk in te stemmen met de bijbehorende AMvB.
Hoe beoordeelt u het feit dat scholen, ouders en leerlingen zich genoodzaakt voelen ingrijpende veiligheidsmaatregelen te nemen terwijl wolven in Nederland een beschermde status hebben?
De veiligheid van kinderen moet altijd gegarandeerd zijn. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij burgemeesters. Ik heb me, om te kunnen voldoen aan de Europese regelgeving en om lokale overheden meer mogelijkheden te geven om in te grijpen bij incidenten, ingezet om de beschermde status van wolven te verlagen. Helaas heeft de Kamer mij niet de ruimte gegeven de verlaagde status zo snel mogelijk in te voeren.
Klopt het dat provincies en terreinbeheerders weliswaar aangeven dat kamperen mogelijk is, maar dat de vereiste voorzorgsmaatregelen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn voor scholen?
Navraag bij de provincies heeft uitgewezen dat hierover geen advies is gegeven. Ook andere adviezen over eventuele voorzorgsmaatregelen zijn mij niet bekend.
Bent u van mening dat het huidige wolvenbeleid voldoende rekening houdt met de veiligheid van kinderen, recreanten en onderwijsinstellingen in gebieden waar wolven zich permanent vestigen? Kunt u het antwoord toelichten?
Nee. Het aantal wolven dat zich permanent gevestigd heeft in Nederland is in de afgelopen jaren toegenomen. Een toename van het aantal meldingen en incidenten is daarbij helaas onvermijdelijk gebleken. Ik heb gesproken met schaapherders die de wanhoop nabij zijn en met visueel beperkten wiens blindengeleidehond, en daarmee bewegingsvrijheid, ernstig bedreigd wordt. Daarnaast heb ik meerdere signalen ontvangen, bijvoorbeeld in de vorm van een brandbrief van Gelderse burgemeesters en eind januari een petitie uit de gemeente Barneveld, dat de situatie ernstig uit de hand dreigt te lopen. Om die reden had ik de AMvB in voorbereiding, om lokale overheden meer mogelijkheden te geven bij incidenten.
In hoeverre acht u het acceptabel dat langdurige onderwijs- en sporttradities, zoals schoolkampen en buitenactiviteiten, onder druk komen te staan door de aanwezigheid van wolven?
Ik acht dat onacceptabel.
Welke concrete maatregelen worden op dit moment genomen om te voorkomen dat wolven zich blijven ophouden in de nabijheid van dorpen, scholen en recreatiegebieden?
Om te voorkomen dat wolven zich blijvend ophouden in de buurt van mensen, wordt o.a. door het Landelijk Informatiepunt Wolven gecommuniceerd wat men kan doen als men een wolf ziet en dat wolven niet moeten worden gevoerd voeren.
Ook werk ik aan een ruimtelijke visie gericht op wolven in Nederland. Deze visie geeft antwoord op de vraag welke ruimte primair wenselijk is voor wolven (en welke niet), waarbij zowel rekening wordt gehouden met de ecologie van de soort als met maatschappelijk draagvlak. Deze ruimtelijke visie betreft een visie op landelijke schaal en dient met het oog op de bevoegdheidsverdeling dan ook als ondersteuning voor aan provincies en gemeenten bij het formuleren van hun ruimtelijk beleid en/of het nemen van ruimtelijke maatregelen. Door de visie vast te stellen in nauwe samenspraak met deze andere overheden, wordt mogelijk gemaakt dat deze werken aan verdere uitwerking in ruimtelijk beleid en ruimtelijke maatregelen. De visie wordt geschreven binnen het juridische kader van wat mogelijk is binnen de beschermde status van de wolf. De ruimtelijke visie wolf biedt plaats voor de verschillende opvattingen van de verschillende provincies en agrarische en ecologische experts. In deze visie worden de onvermijdelijke keuzes benoemd in situaties waarin dierhouderij, recreatie of ander intensief menselijk gebruik niet samengaat met de aanwezigheid van wolven. De ruimtelijke visie beschouwt hiertoe de ruimte bestemd voor wolven door de lens van de ecologie, landbouw, recreatie en veiligheid en plaatst deze verschillende perspectieven naast elkaar. De visie brengt belangrijke keuzes in kaart die aan de hand van de visie genomen kunnen worden.
Kunt u aangeven wat op dit moment de economische gevolgen zijn voor recreatiegebieden en toeristensector? Heeft u inzicht in de financiële schade van deze ondernemers? Kunt u het antwoord toelichten?
Als uitvoering van de motie-Van Campen/Eerdmans die de regering verzoekt zowel de directe economische impact van wolvenaanvallen, zoals sterfte van landbouwhuisdieren, als de indirecte impact, zoals op de recreatiesector, in kaart te brengen (Kamerstuk 33 576, nr. 426) wordt op dit moment door Wageningen Social & Economic research onderzoek uitgevoerd naar de economische gevolgen van de aanwezigheid van de wolf op de agrarische en toeristische sector. De uitkomsten van dit onderzoek worden voor de zomer opgeleverd.
Bent u of is het ministerie inmiddels in gesprek gegaan met de betreffende scholen, sectoren, ondernemers en bewoners?
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, ben ik reeds in gesprek geweest met groepen mensen die zich zorgen maken en hebben mij meerdere signalen bereikt over de ernst van de situatie.
Welke handelingsperspectieven kunnen scholen op korte termijn verwachten wanneer zij worden geconfronteerd met wolven in de directe omgeving van geplande activiteiten?
De VNG heeft het Handelingsperspectief voor burgemeesters gepubliceerd.2 Hierin staan de op dit moment geldende mogelijkheden beschreven voor burgemeesters om op te treden bij incidenten met wolven.
Wat zijn op dit moment de laatste cijfers rondom het aantal wolven(roedels) wat actief is in Nederland? Ziet u een verspreiding verder over Nederlandse provincies?
Het aantal wolvenleefgebieden in Nederland wordt geschat op 15 tot 16, bestaande uit 13 tot 14 roedels en twee solitaire wolven. Voor de verspreiding over Nederland verwijs ik u naar de website van BIJ12.3
Wanneer kan de Kamer inzicht krijgen in het nader onderzoek naar de staat van instandhouding voor de wolf?
In mijn brief over het onderzoek Staat van Instandhouding wolven in Nederland van 19 september 2025 (Kamerstuk 33 576, nr. 466) heb ik aangekondigd aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar de Staat van Instandhouding van wolven in Nederland, door een internationale deskundige onderzoekspartij. De opdracht hiertoe is verleend en de onderzoeker werkt hard aan een spoedige afronding, naar verwachting in Q2 van dit jaar.
Deelt u de mening dat de jonge zwervende wolven een groot risico vormen voor de verkeersveiligheid en dat het onwenselijk is het ingrijpen van een dierenarts om een wolf uit zijn lijden te verlossen kan leiden tot een tuchtzaak tegen de betreffende dierenarts? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Dieren in de natuur die zich verplaatsen over wegen, zoals wolven, vormen een risico voor de verkeersveiligheid. Ik vind het in het belang van het dierenwelzijn als een dierenarts een wolf uit zijn lijden verlost. Dit zou geen klacht bij het veterinair tuchtcollege moeten opleveren.
Een klacht bij het veterinair tuchtcollege kan worden ingediend tegen een dierenarts (of andere diergeneeskundige) als men twijfelt of aan de zorgplicht is voldaan. De zorgplicht staat beschreven in artikel 4.2 van de Wet dieren. De klacht kan worden ingediend door degene die als gevolg van het handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen of door de klachtambtenaar. Of de klacht ontvankelijk is bepaald het veterinair tuchtcollege. Ten aanzien van de vraag of een klacht wenselijk is of niet, geldt dat bij wet geregeld is wie een klacht mag indienen en op welke gronden. Het veterinair tuchtcollege beoordeelt inhoudelijk of de desbetreffende dierenarts in zijn of haar veterinair handelen juist gehandeld heeft of tekort is geschoten. Dit oordeel is aan het veterinair tuchtcollege.
Bent u bekend met de hernieuwde hulpvraag vanuit provincies en gemeenten die behoefte hebben aan een duidelijk handelingskader, zodat ze zonder risico voor rechtsvervolging kunnen optreden als de situatie uit de hand loopt?
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ik snap de zorgen die lokaal leven heel goed. Provincies en burgemeesters die te maken hebben met incidenten met wolven willen kunnen handelen als de veiligheid van mensen in het geding komt, en dat begrijp ik. Ook ik wil dat we zo snel mogelijk kunnen ingrijpen om confrontaties tussen mensen, dieren en probleemwolven te voorkomen en, als ze toch ontstaan, direct en daadkrachtig op te treden. In december 2024 ben ik daarom samen met provincies gestart met de Landelijke Aanpak Wolven (LAW). Sindsdien zijn er vorderingen gemaakt met verschillende onderdelen van de LAW waar ik u onlangs over heb geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 474). Onderdeel van de LAW was de AMvB die meer duidelijkheid had kunnen bieden voor het ingrijpen bij incidenten met wolven.
Het uitblijven van een verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom u tegen de wens van de Kamer in gaat door niet het verbod op de toegezegde datum naar de Kamer te sturen?1
Begin dit jaar is het ontwerpbesluit voor een verbod op het gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij ter notificatie aan de Europese Commissie voorgelegd. Gedurende de stand-still van 3 maanden heb ik geen opmerkingen van de Europese Commissie ontvangen, daarmee is de standstill-periode geëindigd.
Ik heb daarna advies bij de Afdeling advisering van Raad van State aangevraagd. De streefdatum van inwerkingtreding op 1 juli 2025 is helaas niet gehaald, omdat ik nog het advies van de Afdeling advisering van Raad van State afwachtte. Op 28 juli 205 is het advies van de Afdeling advisering openbaar gemaakt2.
Naar aanleiding van het ontvangen advies van de Raad van State heb ik vervolgens nog wijzigingen verwerkt in het ontwerpbesluit en de bijbehorende nota van toelichting. Dit proces heeft enige tijd in beslag genomen.
Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad voor akkoord worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Kunt u toelichten waarom er nog steeds geen wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd, ondanks de lang verstreken termijn van 1 juli 2025?
Er is geen wetsvoorstel dat naar de Kamer zal worden verstuurd. Het verbod wordt door middel van een algemene maatregel van bestuur vormgegeven. Het ontwerp van die AMvB is in het kader van de voorhang aan de Kamers voorgelegd. Voor de stappen die daarna hebben plaatsgevonden verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 1.
Zijn er op dit moment juridische bezwaren of beperkingen, bijvoorbeeld door de Europese Commissie of andere instanties die de publicatie vertragen? Zo ja, welke? Zo nee, kunt u toelichten op welke manier het verbod technisch of financieel niet uitvoerbaar is, gezien er verder geen reden is om de wens van de Kamer niet te honoreren?
Er zijn op dit moment geen juridische bezwaren of beperkingen die in de weg staan aan de bekendmaking van het verbod.
Kunt u de Kamer volledig informeren over de stand van zaken met betrekking tot het verbod?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Welke rol zal de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben bij toezicht op de naleving van het verbod zodra het van kracht is?
De NVWA is de bevoegde autoriteit voor het toezicht op het gebruik van elektrische veedrijfmiddelen.
Tegelijkertijd ligt de verantwoordelijkheid voor het naleven van wet- en regelgeving in de eerste plaats bij de bedrijven zelf. Voor het welzijn van de dieren is het cruciaal dat medewerkers die met dieren omgaan goed opgeleid zijn en zich bewust zijn van hoe menselijk handelen het dierenwelzijn kan beïnvloeden. Ik verwacht van de sectorpartijen dat zij in deze voorwaarden voorzien.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat overtredingen effectief kunnen worden bestraft en dat herhaling wordt voorkomen?
Omdat overtredingen op dit verbod fysiek en op heterdaad vastgesteld moeten worden, heeft de NVWA in haar handhaafbaarheid-, uitvoerbaarheid- en fraudebestendigheidstoets aangegeven dat dit verbod slechts beperkt handhaafbaar is. Daarbij komt dat bij het laden en lossen van dieren bij nationale transporten (waar deze wetswijziging betrekking op heeft), geen toezichthouder van de NVWA aanwezig is, omdat bedrijven niet verplicht zijn deze transporten aan de NVWA te melden. De NVWA heeft daardoor geen zicht op wanneer deze transporten plaatsvinden.
Welke alternatieven voor het gebruik voor stroomstoten, zoals diervriendelijke methoden, ondersteunt uw ministerie en hoe stimuleert u de sector om die alternatieven te implementeren?
Alternatieven voor het voortdrijven van dieren zijn onder meer opdrijframmelaars, drijfschotten, plastic zakken, vlaggen en stokken met plastic linten. Onderzoek van de Amerikaanse professor Temple Grandin heeft aangetoond dat ongewenst stilvallen van dieren zoveel mogelijk kan worden voorkomen, door logische looplijnen en het creëren van een rustige omgeving tijdens het laden. Dit omvat bijvoorbeeld ook het vermijden van afleidingen zoals reflecties, en het voorkomen van geluidsoverlast. Deze hulpmiddelen worden in de praktijk al gebruikt, naast het gangbare elektrische veedrijfmiddel en zijn binnen de sector reeds bekend.
Welke concrete afspraken zijn er gemaakt met transporteurs, veehouders en andere betrokkenen over de overgang naar alternatieven vóór de inwerkingtreding van het verbod?
Sinds 2021 hebben gesprekken met de sector plaatsgevonden over alternatieven voor het elektrisch veedrijfmiddel. Deze gesprekken hebben niet kunnen voorkomen dat nieuwe incidenten met onjuist gebruik van de elektrische veedrijfmiddel geconstateerd werden, die ook het nieuws haalden. Om die reden heeft mijn voorganger het verbod aangekondigd3. De totstandkoming van dit verbod, en het feit dat hieraan gewerkt werd, is al geruime tijd bekend binnen de sector en dit is ook meermaals in gesprekken met de sector langsgekomen. Van de sector verwacht ik dat zij zich actief zullen blijft inzetten om het gebruik van de eerder beschreven alternatieven te stimuleren.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken het wetsvoorstel naar de Kamer sturen voor behandeling?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken deze vragen beantwoorden?
Ja.