‘Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarbij goede doelen op basis van minimale input (zoals enkel een gedeelde postcode en huisnummer) persoonsgegevens verrijken met buurtkenmerken, WOZ-waarden en leefstijlen zonder dat donateurs hiervan op de hoogte zijn of hier vooraf toestemming voor hebben gegeven?
Goede doelen opereren bij de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In de casus zoals deze wordt geschetst in de vraag zou sprake kunnen zijn van gegevensverrijking en profilering ten behoeve van directe marketing. Het verwerken van persoonsgegevens is alleen toegestaan als daarvoor een grondslag bestaat. Artikel 6 van de AVG noemt in dit verband toestemming van de betrokkene, maar ook gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Hiervan kan sprake zijn als de verwerking van gegevens noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang en als de rechten en vrijheden van de betrokkenen niet zwaarder wegen. Of hier sprake is van een gerechtvaardigd belang en of is voldaan aan de overige vereisten die de AVG stelt, is niet aan mij om vast te stellen. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval, in de eerste plaats door de goededoelenorganisatie zelf als verwerkingsverantwoordelijke. De Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en uiteindelijk de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houden toezicht op de naleving van de AVG.
Daarnaast geldt dat – ongeacht de verwerkingsgrondslag – de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikelen 12–14 AVG verplicht is transparantie te bieden over de gegevensverwerking. Dit gebeurt doorgaans met een privacyverklaring, waarin onder andere staat welke gegevens worden verwerkt, voor welke doelen dat gebeurt, welke grondslag van toepassing is, hoe lang de gegevens bewaard worden en met wie deze worden gedeeld. Zoals aangegeven is het toezicht hierop belegd bij de FG en uiteindelijk de AP. Ook daarin is voor mij geen rol weggelegd.
Voor ruim zevenhonderd erkende goede doelen geldt dat het CBF, de onafhankelijke toezichthouder op de goededoelensector, het privacy- en informatiebeveiligingsbeleid van de organisaties controleert en handhaaft waar nodig.2 Het CBF kan daarbij vragen naar de onderbouwing van het beroep op gerechtvaardigd belang. Sinds 2026 houdt het CBF hier scherper toezicht op en doet dat, waar nodig, in afstemming met de AP.
Deelt u de mening dat het gebruik van voorspellende AI-software (zoals Dataro) om specifiek de «nalatenschapsbereidheid» of toekomstige erfenissen van individuele donateurs te voorspellen, een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer die nooit onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)-grondslag «gerechtvaardigd belang» mag vallen? Acht u het ethisch verantwoord dat goede doelen dergelijke technologie inzetten?
De AVG is technologie-neutraal en kent aan artificiële intelligentie (hierna: AI) geen aparte status toe. Wel verplicht artikel 35 van de AVG tot het doen van een DPIA (Data Protection Impact Assessment) als de verwerking waarschijnlijk een hoog risico inhoudt, zoals bij systematische en grootschalige profilering of innovatie met nieuwe technologie. Daarvan kan sprake zijn bij AI-toepassingen. Of sprake is van verantwoord gebruik van technologische verwerkingsmiddelen of -methoden moet in eerste instantie worden beoordeeld door de goededoelenorganisatie als verwerkingsverantwoordelijke, aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval. Artikel 5 van de AVG kent daarbij een verantwoordingsplicht, op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke het voorgaande moet kunnen aantonen. De AP houdt daarop toezicht.
Met de inzet van AI door organisaties of bedrijven is in principe niets mis, ook niet als goede doelen dat doen. Sterker nog, AI kan in bepaalde situaties juist helpen om dienstverlening of bescherming van consumenten, donateurs en burgers te verbeteren. De inzet van AI dient daarbij plaats te vinden binnen de wettelijke kaders. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders om te bepalen of de inzet rechtmatig plaatsvindt.
Hoe beoordeelt u het belangenconflict dat kan ontstaan wanneer goede doelen via investeringsfondsen financieel deelnemen in commerciële AI-bedrijven die worden ingezet voor het analyseren van hun eigen donateurs? Deelt u de zorg dat hierdoor maatschappelijke en commerciële belangen met elkaar verstrengeld raken, ten koste van de privacy van donateurs?
Het staat stichtingen en verenigingen vrij om investeringen te doen mits de opbrengst daarvan volledig ten goede komt aan het statutaire doel. Stichtingen en verenigingen kunnen ook een ANBI (algemeen nut beogende instelling) status hebben wanneer zij aan verschillende voorwaarden voldoen. Zo moet de organisatie zich onder andere voor minstens 90% inzetten voor het algemeen nut, geen winstoogmerk hebben, en aan strikte integriteits- en transparantie-eisen voldoen. Het is bij investeringen in leveranciers van data- en AI-diensten van belang dat schijn of feitelijke verstrengeling worden voorkomen via transparantie, strikte functiescheiding, onafhankelijke toetsing van privacy- en ethische risico’s en naleving van de toepasselijke wettelijke en sectorspecifieke normen. Dit is vastgelegd in het normenkader van het CBF waaraan erkende goede doelen moeten voldoen (normen 5.3.1 en 5.3.2).
Hoe beoordeelt u de praktijk dat sommige goede doelen na opzegging van een periodieke schenking wel de incasso beëindigen, maar de relatie met de voormalige donateur voortzetten door deze te blijven benaderen voor nieuwe donaties?
Het moet eenvoudig zijn voor donateurs om relaties met en periodieke donaties aan goededoelenorganisaties te beëindigen of aan te passen. Sinds 1 januari 2025 geldt hiervoor ook een aparte norm voor erkende goededoelenorganisaties, inclusief voor commerciële bureaus die werken in opdracht van erkende goede doelen. Hier houdt het CBF toezicht op.4 Daarbij kijkt het onder andere naar de aanwezigheid, vindbaarheid en laagdrempeligheid van de opzegmogelijkheden. Goede doelen hebben daarnaast onder de AVG en Reclame Code de mogelijkheid om oud-donateurs te benaderen na het opzeggen van de relatie, mits dit binnen de door de Reclame Code gestelde klanttermijn valt. Onder de Code Telemarketing geldt bijvoorbeeld een maximum klanttermijn van drie jaar.5 Donateurs en voormalige donateurs hebben daarbij altijd de mogelijkheid van bezwaar.
Donaties aan goede doelen vallen niet onder het algemene consumentenrecht. Dit zijn namelijk overeenkomsten zonder tegenprestatie en kwalificeren niet als dienst in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, onderdeel d, Burgerlijk Wetboek. Ik zie geen aanleiding om het consumentenrecht uit te breiden naar goededoelenorganisaties. Uw Kamer heeft ook in 2024 en 2026 verzocht om goede doelen uit te zonderen van aanscherpingen ter bevordering van consumentenbescherming.6
De Wet Van Dam2 beschermt consumenten tegen onnodige belemmeringen bij het beëindigen van doorlopende overeenkomsten. Hoe beoordeelt u het feit dat goede doelen, die hun fondsenwerving veelal uitbesteden aan commerciële bureaus, in de praktijk drempels hanteren die in de commerciële sector juist zijn uitgebannen? Deelt u de opvatting dat donateurs dezelfde bescherming zouden moeten genieten als consumenten en dat ook op deze praktijken op vergelijkbare wijze zou moeten worden toegezien?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om samen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te bezien of de huidige consumentenbescherming voldoende aansluit bij de werkwijze van goede doelen en de commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan zij gebruikmaken? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat een donateur een periodieke donatie net zo eenvoudig kan beëindigen als een consument een commercieel abonnement? 2 Burgerlijk Wetboek, boek 2, artikelen 35, 36 en boek 6, artikelen 236, 237.
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder. De ACM houdt geen toezicht op (de fondsenwervingsactiviteiten van) goede doelen omdat deze niet onder het algemene consumentenrecht vallen. Het CBF houdt wel toezicht op de werkwijzen van goede doelen, waaronder de wervingsmethoden van commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan goede doelen gebruik maken. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 5 en 6, geldt sinds 1 januari 2025 een aparte norm voor het gemakkelijk kunnen opzeggen van een donateursrelatie of periodieke donatie. Ik heb nauw contact met het CBF, onder andere over haar toezicht en ontwikkelingen in de filantropische sector.
Het bericht 'Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: ‘Je houdt je hart vast’' |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: «Je houdt je hart vast»»?1
Ja.
Hoeveel van deze krimp komt door hoge energieprijzen en klimaatbeleid? Kunt u dat concreet per sector inzichtelijk maken?
Er zijn verschillende factoren die het productieniveau van de Nederlandse industrie beïnvloeden, waaronder energieprijzen, internationale concurrentie en de conjunctuur. Door dit complexe samenspel van factoren en het verschil in energie- en CO2-intensiteit tussen sectoren is het niet mogelijk om het afzonderlijke effect van hoge energieprijzen en klimaatbeleid op de industrie en haar verschillende subsectoren exact inzichtelijk te maken.
Het kabinet heeft sinds 2019 wel jaarlijks een speelveldtoets laten uitvoeren om inzicht te geven in de effecten van het Nederlandse energie- en klimaatbeleid op de concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie. De speelveldtoets biedt zo wel enig inzicht in belangrijke factoren waar vervolgens het beleid op kan worden aangepast. Eerdere toetsen concludeerden bijvoorbeeld dat bepaalde nationale beleidsmaatregelen kunnen leiden tot CO2-weglekrisico’s, doordat deze hogere kosten met zich meebrengen ten opzichte van andere (Europese) landen. Mede daarom is ervoor gekozen om de CO2-heffing af te schaffen.
Hoe beoordeelt u het risico dat verdere productie uit Nederland verdwijnt richting landen met lagere kosten en minder regelgeving, en dat hetzelfde gebeurt met investeringen?
Het verplaatsen van industriële productie naar een ander land met lagere kosten is voor bedrijven soms noodzakelijk om concurrerend te blijven op de wereldmarkt. Nederland is een geavanceerde economie met hoge lonen. Daardoor kunnen we niet in elke internationaal opererende markt concurrerend zijn.
Tegelijkertijd is bekend dat het Nederlands concurrentievermogen op onderdelen onder druk staat. Het Wennink rapport «De route naar toekomstige welvaart»2 benadrukte dit in december nog. Ik werk dan ook aan een versterking hiervan. Zo werkt het kabinet onder andere aan het verminderen van regeldruk met een aanpak om per jaar 500 regels te vereenvoudigen of te schrappen.
Daarnaast neem ik de urgentie en aanbevelingen uit het Wennink rapport om het concurrentievermogen te versterken zeer serieus. Daarom kiest dit kabinet expliciet voor economische groei, en nemen we de inzet op 1,5% structurele economische groei over in het kabinetsbeleid en het versterken van randvoorwaarden. Dat is een kabinetsbrede opgave, en het kabinet is bereid om hiervoor de noodzakelijke keuzes te maken. Met de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat maken we snel stappen om een hoogproductieve economie met sterke randvoorwaarden mogelijk te maken. De prioriteiten hierbij liggen op het voeren van strategisch industriebeleid, het verbeteren van de economische randvoorwaarden en het versterken van de Nederlandse (durf)kapitaalmarkt.
Specifiek ten aanzien van de energieprijzen en het klimaatbeleid werkt het kabinet aan het verbeteren van een gelijk speelveld voor de energie-intensieve industrie. Allereerst wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft. Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten om elektrificatie aantrekkelijker te maken en te zorgen voor een gelijker speelveld. Hiervoor heeft het kabinet vanaf 2026 tot en met 2035 significante middelen gereserveerd, oplopend tot 1 miljard per jaar vanaf 2029. Als eerste stap breidt het kabinet de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met de door de EC geboden nieuwe mogelijkheden. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. Het kabinet informeert de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag over de besteding van deze middelen en de uitwerking van de IKC-ETS.
Daarnaast onderneemt het kabinet actie op de gestegen energieprijzen vanwege de situatie in het Midden-Oosten, zoals gecommuniceerd in de kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» van 20 april. Gegeven de huidige ontwikkelingen die zich materialiseren in de economie, neemt het kabinet een aantal maatregelen die burgers en bedrijven een steun in de rug geven, de weerbaarheid op lange termijn vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland verminderen. Deze maatregelen zijn tijdig, tijdelijk en toegepast op de knelpunten die zijn ontstaan door de schok in het energieaanbod en de economische gevolgen daarvan. Daarnaast schaalt het kabinet op naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie om goed voorbereid te zijn op ernstigere verstoringen in het aanbod van energie. Met dit pakket erkent het kabinet de ernst van de situatie en blijft het kabinet voorbereid op scenario’s waarin de situatie verder verslechtert en die om een andere mate en manier van overheidsingrijpen vragen.
Deelt u de zorgen over de huidige krimp in de industrie? Welke concrete maatregelen neemt u om deze ontwikkeling te keren en verdere de-industrialisatie van Nederland te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u, gelet op de huidige geopolitieke en economische ontwikkelingen, aanleiding om in te grijpen in de energiekosten voor de industrie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel ‘Nieuwe keiharde klap voor truckers: cruciale brug gaat op slot vanwege gevaarlijke scheurtjes’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe keiharde klap voor truckers: cruciale brug gaat op slot vanwege gevaarlijke scheurtjes»1?
De Houtribdijk, de Merwedebrug en inmiddels meerdere andere plekken laten zien dat de staat van onze infrastructuur steeds verder verslechtert; beseft u dat het inmiddels vijf over twaalf is als het gaat om de staat van onze infrastructuur? Wanneer dringt tot u door dat hier sprake is van een serieus nationaal probleem?
Hoeveel bruggen en wegen moeten er nog worden afgesloten, hoeveel vrachtwagens moeten er nog uren omrijden en hoeveel economische schade moet er nog ontstaan voordat u daadwerkelijk in actie komt?
Erkent u dat de grootschalige achterstand in het onderhoud van bruggen en wegen onze economie uiteindelijk miljarden euro’s kan kosten, doordat vrachtverkeer moet omrijden, bedrijven slechter bereikbaar worden en transportkosten alsmaar blijven oplopen?
Waarom is er nog altijd geen concreet noodplan om de grootste onderhoudsachterstanden zo snel mogelijk weg te werken? Bent u bereid alsnog met een plan te komen en de Kamer hierover op korte termijn te informeren?
Kunt u de Kamer zo snel mogelijk duidelijkheid geven over hoe het kabinet deze onderhoudsachterstanden gaat aanpakken, voordat we opnieuw in het nieuws moeten lezen dat er nog meer cruciale routes worden afgesloten en onze economie verder in de problemen komt?
‘Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarbij goede doelen op basis van minimale input (zoals enkel een gedeelde postcode en huisnummer) persoonsgegevens verrijken met buurtkenmerken, WOZ-waarden en leefstijlen zonder dat donateurs hiervan op de hoogte zijn of hier vooraf toestemming voor hebben gegeven?
Goede doelen opereren bij de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In de casus zoals deze wordt geschetst in de vraag zou sprake kunnen zijn van gegevensverrijking en profilering ten behoeve van directe marketing. Het verwerken van persoonsgegevens is alleen toegestaan als daarvoor een grondslag bestaat. Artikel 6 van de AVG noemt in dit verband toestemming van de betrokkene, maar ook gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Hiervan kan sprake zijn als de verwerking van gegevens noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang en als de rechten en vrijheden van de betrokkenen niet zwaarder wegen. Of hier sprake is van een gerechtvaardigd belang en of is voldaan aan de overige vereisten die de AVG stelt, is niet aan mij om vast te stellen. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval, in de eerste plaats door de goededoelenorganisatie zelf als verwerkingsverantwoordelijke. De Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en uiteindelijk de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houden toezicht op de naleving van de AVG.
Daarnaast geldt dat – ongeacht de verwerkingsgrondslag – de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikelen 12–14 AVG verplicht is transparantie te bieden over de gegevensverwerking. Dit gebeurt doorgaans met een privacyverklaring, waarin onder andere staat welke gegevens worden verwerkt, voor welke doelen dat gebeurt, welke grondslag van toepassing is, hoe lang de gegevens bewaard worden en met wie deze worden gedeeld. Zoals aangegeven is het toezicht hierop belegd bij de FG en uiteindelijk de AP. Ook daarin is voor mij geen rol weggelegd.
Voor ruim zevenhonderd erkende goede doelen geldt dat het CBF, de onafhankelijke toezichthouder op de goededoelensector, het privacy- en informatiebeveiligingsbeleid van de organisaties controleert en handhaaft waar nodig.2 Het CBF kan daarbij vragen naar de onderbouwing van het beroep op gerechtvaardigd belang. Sinds 2026 houdt het CBF hier scherper toezicht op en doet dat, waar nodig, in afstemming met de AP.
Deelt u de mening dat het gebruik van voorspellende AI-software (zoals Dataro) om specifiek de «nalatenschapsbereidheid» of toekomstige erfenissen van individuele donateurs te voorspellen, een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer die nooit onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)-grondslag «gerechtvaardigd belang» mag vallen? Acht u het ethisch verantwoord dat goede doelen dergelijke technologie inzetten?
De AVG is technologie-neutraal en kent aan artificiële intelligentie (hierna: AI) geen aparte status toe. Wel verplicht artikel 35 van de AVG tot het doen van een DPIA (Data Protection Impact Assessment) als de verwerking waarschijnlijk een hoog risico inhoudt, zoals bij systematische en grootschalige profilering of innovatie met nieuwe technologie. Daarvan kan sprake zijn bij AI-toepassingen. Of sprake is van verantwoord gebruik van technologische verwerkingsmiddelen of -methoden moet in eerste instantie worden beoordeeld door de goededoelenorganisatie als verwerkingsverantwoordelijke, aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval. Artikel 5 van de AVG kent daarbij een verantwoordingsplicht, op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke het voorgaande moet kunnen aantonen. De AP houdt daarop toezicht.
Met de inzet van AI door organisaties of bedrijven is in principe niets mis, ook niet als goede doelen dat doen. Sterker nog, AI kan in bepaalde situaties juist helpen om dienstverlening of bescherming van consumenten, donateurs en burgers te verbeteren. De inzet van AI dient daarbij plaats te vinden binnen de wettelijke kaders. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders om te bepalen of de inzet rechtmatig plaatsvindt.
Hoe beoordeelt u het belangenconflict dat kan ontstaan wanneer goede doelen via investeringsfondsen financieel deelnemen in commerciële AI-bedrijven die worden ingezet voor het analyseren van hun eigen donateurs? Deelt u de zorg dat hierdoor maatschappelijke en commerciële belangen met elkaar verstrengeld raken, ten koste van de privacy van donateurs?
Het staat stichtingen en verenigingen vrij om investeringen te doen mits de opbrengst daarvan volledig ten goede komt aan het statutaire doel. Stichtingen en verenigingen kunnen ook een ANBI (algemeen nut beogende instelling) status hebben wanneer zij aan verschillende voorwaarden voldoen. Zo moet de organisatie zich onder andere voor minstens 90% inzetten voor het algemeen nut, geen winstoogmerk hebben, en aan strikte integriteits- en transparantie-eisen voldoen. Het is bij investeringen in leveranciers van data- en AI-diensten van belang dat schijn of feitelijke verstrengeling worden voorkomen via transparantie, strikte functiescheiding, onafhankelijke toetsing van privacy- en ethische risico’s en naleving van de toepasselijke wettelijke en sectorspecifieke normen. Dit is vastgelegd in het normenkader van het CBF waaraan erkende goede doelen moeten voldoen (normen 5.3.1 en 5.3.2).
Hoe beoordeelt u de praktijk dat sommige goede doelen na opzegging van een periodieke schenking wel de incasso beëindigen, maar de relatie met de voormalige donateur voortzetten door deze te blijven benaderen voor nieuwe donaties?
Het moet eenvoudig zijn voor donateurs om relaties met en periodieke donaties aan goededoelenorganisaties te beëindigen of aan te passen. Sinds 1 januari 2025 geldt hiervoor ook een aparte norm voor erkende goededoelenorganisaties, inclusief voor commerciële bureaus die werken in opdracht van erkende goede doelen. Hier houdt het CBF toezicht op.4 Daarbij kijkt het onder andere naar de aanwezigheid, vindbaarheid en laagdrempeligheid van de opzegmogelijkheden. Goede doelen hebben daarnaast onder de AVG en Reclame Code de mogelijkheid om oud-donateurs te benaderen na het opzeggen van de relatie, mits dit binnen de door de Reclame Code gestelde klanttermijn valt. Onder de Code Telemarketing geldt bijvoorbeeld een maximum klanttermijn van drie jaar.5 Donateurs en voormalige donateurs hebben daarbij altijd de mogelijkheid van bezwaar.
Donaties aan goede doelen vallen niet onder het algemene consumentenrecht. Dit zijn namelijk overeenkomsten zonder tegenprestatie en kwalificeren niet als dienst in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, onderdeel d, Burgerlijk Wetboek. Ik zie geen aanleiding om het consumentenrecht uit te breiden naar goededoelenorganisaties. Uw Kamer heeft ook in 2024 en 2026 verzocht om goede doelen uit te zonderen van aanscherpingen ter bevordering van consumentenbescherming.6
De Wet Van Dam2 beschermt consumenten tegen onnodige belemmeringen bij het beëindigen van doorlopende overeenkomsten. Hoe beoordeelt u het feit dat goede doelen, die hun fondsenwerving veelal uitbesteden aan commerciële bureaus, in de praktijk drempels hanteren die in de commerciële sector juist zijn uitgebannen? Deelt u de opvatting dat donateurs dezelfde bescherming zouden moeten genieten als consumenten en dat ook op deze praktijken op vergelijkbare wijze zou moeten worden toegezien?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om samen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te bezien of de huidige consumentenbescherming voldoende aansluit bij de werkwijze van goede doelen en de commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan zij gebruikmaken? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat een donateur een periodieke donatie net zo eenvoudig kan beëindigen als een consument een commercieel abonnement? 2 Burgerlijk Wetboek, boek 2, artikelen 35, 36 en boek 6, artikelen 236, 237.
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder. De ACM houdt geen toezicht op (de fondsenwervingsactiviteiten van) goede doelen omdat deze niet onder het algemene consumentenrecht vallen. Het CBF houdt wel toezicht op de werkwijzen van goede doelen, waaronder de wervingsmethoden van commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan goede doelen gebruik maken. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 5 en 6, geldt sinds 1 januari 2025 een aparte norm voor het gemakkelijk kunnen opzeggen van een donateursrelatie of periodieke donatie. Ik heb nauw contact met het CBF, onder andere over haar toezicht en ontwikkelingen in de filantropische sector.
Het bericht 'Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: ‘Je houdt je hart vast’' |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: «Je houdt je hart vast»»?1
Ja.
Hoeveel van deze krimp komt door hoge energieprijzen en klimaatbeleid? Kunt u dat concreet per sector inzichtelijk maken?
Er zijn verschillende factoren die het productieniveau van de Nederlandse industrie beïnvloeden, waaronder energieprijzen, internationale concurrentie en de conjunctuur. Door dit complexe samenspel van factoren en het verschil in energie- en CO2-intensiteit tussen sectoren is het niet mogelijk om het afzonderlijke effect van hoge energieprijzen en klimaatbeleid op de industrie en haar verschillende subsectoren exact inzichtelijk te maken.
Het kabinet heeft sinds 2019 wel jaarlijks een speelveldtoets laten uitvoeren om inzicht te geven in de effecten van het Nederlandse energie- en klimaatbeleid op de concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie. De speelveldtoets biedt zo wel enig inzicht in belangrijke factoren waar vervolgens het beleid op kan worden aangepast. Eerdere toetsen concludeerden bijvoorbeeld dat bepaalde nationale beleidsmaatregelen kunnen leiden tot CO2-weglekrisico’s, doordat deze hogere kosten met zich meebrengen ten opzichte van andere (Europese) landen. Mede daarom is ervoor gekozen om de CO2-heffing af te schaffen.
Hoe beoordeelt u het risico dat verdere productie uit Nederland verdwijnt richting landen met lagere kosten en minder regelgeving, en dat hetzelfde gebeurt met investeringen?
Het verplaatsen van industriële productie naar een ander land met lagere kosten is voor bedrijven soms noodzakelijk om concurrerend te blijven op de wereldmarkt. Nederland is een geavanceerde economie met hoge lonen. Daardoor kunnen we niet in elke internationaal opererende markt concurrerend zijn.
Tegelijkertijd is bekend dat het Nederlands concurrentievermogen op onderdelen onder druk staat. Het Wennink rapport «De route naar toekomstige welvaart»2 benadrukte dit in december nog. Ik werk dan ook aan een versterking hiervan. Zo werkt het kabinet onder andere aan het verminderen van regeldruk met een aanpak om per jaar 500 regels te vereenvoudigen of te schrappen.
Daarnaast neem ik de urgentie en aanbevelingen uit het Wennink rapport om het concurrentievermogen te versterken zeer serieus. Daarom kiest dit kabinet expliciet voor economische groei, en nemen we de inzet op 1,5% structurele economische groei over in het kabinetsbeleid en het versterken van randvoorwaarden. Dat is een kabinetsbrede opgave, en het kabinet is bereid om hiervoor de noodzakelijke keuzes te maken. Met de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat maken we snel stappen om een hoogproductieve economie met sterke randvoorwaarden mogelijk te maken. De prioriteiten hierbij liggen op het voeren van strategisch industriebeleid, het verbeteren van de economische randvoorwaarden en het versterken van de Nederlandse (durf)kapitaalmarkt.
Specifiek ten aanzien van de energieprijzen en het klimaatbeleid werkt het kabinet aan het verbeteren van een gelijk speelveld voor de energie-intensieve industrie. Allereerst wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft. Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten om elektrificatie aantrekkelijker te maken en te zorgen voor een gelijker speelveld. Hiervoor heeft het kabinet vanaf 2026 tot en met 2035 significante middelen gereserveerd, oplopend tot 1 miljard per jaar vanaf 2029. Als eerste stap breidt het kabinet de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met de door de EC geboden nieuwe mogelijkheden. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. Het kabinet informeert de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag over de besteding van deze middelen en de uitwerking van de IKC-ETS.
Daarnaast onderneemt het kabinet actie op de gestegen energieprijzen vanwege de situatie in het Midden-Oosten, zoals gecommuniceerd in de kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» van 20 april. Gegeven de huidige ontwikkelingen die zich materialiseren in de economie, neemt het kabinet een aantal maatregelen die burgers en bedrijven een steun in de rug geven, de weerbaarheid op lange termijn vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland verminderen. Deze maatregelen zijn tijdig, tijdelijk en toegepast op de knelpunten die zijn ontstaan door de schok in het energieaanbod en de economische gevolgen daarvan. Daarnaast schaalt het kabinet op naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie om goed voorbereid te zijn op ernstigere verstoringen in het aanbod van energie. Met dit pakket erkent het kabinet de ernst van de situatie en blijft het kabinet voorbereid op scenario’s waarin de situatie verder verslechtert en die om een andere mate en manier van overheidsingrijpen vragen.
Deelt u de zorgen over de huidige krimp in de industrie? Welke concrete maatregelen neemt u om deze ontwikkeling te keren en verdere de-industrialisatie van Nederland te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u, gelet op de huidige geopolitieke en economische ontwikkelingen, aanleiding om in te grijpen in de energiekosten voor de industrie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.