Het bericht dat een failliete ggz-aanbieder mogelijk wordt overgenomen door een private equity investeerder |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de failliete ggz-aanbieder Phitaal GGZ mogelijk wordt overgenomen door private equity investeerder Apax Partners SAS?1
Het is aan de curator om, in samenspraak met zorgverzekeraars, een afweging te maken over een eventuele overname. Voor mij staat daarbij voorop dat de continuïteit, kwaliteit en toegankelijkheid van zorg voor cliënten geborgd zijn. Een nieuwe eigenaar dient te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en staat onder toezicht van onder andere de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die toezicht houdt op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Mentaal Beter, de overnemende partij die een doorstart maakt met Phitaal onder de naam Mentaal Beter Vitaalpunt, is al langer actief in de Nederlandse ggz en bekend met het wettelijk kader waaraan zij moeten voldoen.
Deelt u de mening dat er grote risico’s kleven aan de verdere groei van private equity binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Het is niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Uit onderzoek blijkt ook niet dat private equity-partijen structureel slechter presteren op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg. Ook niet in de ggz2. Waar het om gaat, is dat zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met publieke middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Zorgaanbieders die de zorg uitsluitend als verdienmodel zien, horen niet thuis in de zorg. Bijvoorbeeld doordat er aan het realiseren van (uitkeerbare) winst een groter belang wordt gehecht dan aan de kwaliteit of toegankelijkheid van zorg. Daarnaast heeft het kabinet eerder ook aangegeven dat de aanwezigheid van private equity partijen in de zorg ook positieve effecten kan hebben. Private equity partijen zorgen voor een alternatieve manier van financiering (anders dan bijvoorbeeld een lening van de bank) voor zorgaanbieders en kunnen daardoor bijdragen aan onder andere innovatie en het optimaliseren van bedrijfsprocessen. Het kabinet wil daarom de voordelen van alternatieve financiering in de zorg behouden, in combinatie met strengere regels om risico’s te voorkomen. Daarom zorgt het kabinet voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Deelt u de zorgen over het feit dat private equity partijen als Apax Partners primair gericht zijn op het maken van zoveel mogelijk winst? Deelt u de mening dat dit onverenigbaar is met het oplossen van de problemen waar de ggz momenteel mee te maken heeft?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag twee, vindt het kabinet dat zorgaanbieders die enkel de zorg als verdienmodel zien niet thuis horen in de zorg, en dus ook niet in de ggz. Zorgaanbieders dienen zich te houden aan de regels, verantwoord om te gaan met collectieve middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Dit geldt voor alle zorgaanbieders, ongeacht de betrokkenheid van private equity financiering. Het kabinet wil daarom de voordelen van alternatieve financiering in de zorg behouden, in combinatie met strengere regels om risico’s te voorkomen. Daarom zorgt het kabinet voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Met het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) is het mogelijk voorwaarden te verbinden aan winstuitkeringen. Dit ziet onder andere op het op orde hebben van de kwaliteit van zorg en het voldoen aan financiële ratio’s voorafgaand en na het voldoen van een winstuitkering. Op dit moment is het kabinet bezig met aanscherpingen op het wetsvoorstel, specifiek gericht op winstuitkeringen en de risico’s van private equity partijen. Daarnaast werkt het kabinet ook aan een wetsvoorstel om de zorgspecifieke fusietoets van de NZa aan te scherpen. Met dit wetsvoorstel kan de NZa fusies en overnames meer inhoudelijk toetsen.
Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag twee blijkt niet dat private equity-partijen structureel slechter presteren op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg, ook niet in de ggz3. Het aanbod van allerlei partijen is dan ook van belang: er wachten veel mensen op een behandeling in de ggz.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is vorig jaar afgesproken dat er meer behandelcapaciteit moet komen voor patiënten met een complexe zorgvraag. Dit gebeurt door binnen het bestaande kader te schuiven met menskracht en middelen, waarbij het zwaartepunt verschuift van de behandeling van lichte zorgvragen naar de behandeling van complexe zorgvragen Dit vraagt iets van de hele ggz-sector, inclusief de ggz-aanbieders die in handen zijn van private equity investeerders.
Weet u hoeveel zorggeld er de afgelopen jaren uit de zorg is geroofd door private equity partijen? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken? Zo nee, waarom bent u niet geïnteresseerd in hoeveel zorggeld weglekt naar op winst beluste investeerders, maar kiest u er wel voor om € 10,3 miljard extra op de zorg te bezuinigen, omdat de zorgkosten anders te hoog zouden worden?
Het kabinet herkent zich niet in de woorden uit deze vraag. Zoals eerder aangegeven kan de aanwezigheid van private equity partijen in de zorg onder de juiste voorwaarden ook positieve effecten hebben. Maar het kabinet vindt ook dat zorgaanbieders met enkel een financieel motief niet thuis horen in de zorg en dat uitwassen en misbruik moeten worden aangepakt.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft op 25 maart j.l. een Informatiekaart gepubliceerd over dividenduitkeringen in de zorg. Het kabinet is erg blij met het inzicht dat de NZa in deze publicatie verschaft over gerapporteerde dividenduitkeringen in de zorg. Het geeft inzicht in de dividenduitkeringen die gedaan zijn door zorgaanbieders. Hierin wordt ook ingegaan op de rol van private equity. De NZa heeft aangegeven dat het niet mogelijk is om de
dividenduitkeringen te specificeren naar private equity partijen. Het is niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Waar het om gaat, is dat zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met collectieve middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Het kabinet vindt het daarom niet nodig en bovendien onhaalbaar om hier nog aanvullend onderzoek naar te doen en wil zicht richten op het aanpakken van onwenselijk gedrag.
De inzichten uit deze informatiekaart gebruikt het kabinet dan ook bij de aanscherpingen van de Wibz. De Kamer wordt hier voor de zomer over geïnformeerd.
Zijn er nog andere mogelijkheden om de mensen die onder behandeling waren bij Phitaal GGZ een voortzetting van hun behandeling te bieden?
Het faillissement van Phitaal betekent niet dat de zorg voor cliënten stopt. Lopende behandeltrajecten kunnen op dit moment bij Phitaal worden voortgezet en zorgvuldig worden afgerond. Dit kan onder andere doordat zorgverzekeraars de zorg blijven vergoeden en hiervoor bevoorschotting hebben verstrekt. Daarnaast hebben zorgverzekeraars ook een boedelkrediet ter beschikking gesteld aan de curator. Hierdoor kan de curator blijven voldoen aan de betalingsverplichtingen die nodig zijn om de zorg te continueren.
De curator heeft, in samenspraak met zorgverzekeraars, onderzocht of Phitaal overgenomen kan worden door een andere partij of dat cliënten overgeplaatst kunnen worden naar omliggende zorgaanbieders. Belangrijke aspecten bij die overweging zijn de continuïteit van zorg, het belang van de patiënt en de belangen van schuldeisers. Zij hebben daarbij de beschikbare alternatieven beoordeeld en de keuze gemaakt voor Mentaal Beter.
Overigens staat het individuele patiënten vrij om zich in te schrijven bij een andere zorgaanbieder dan de overnemende partij.
Hoe gaat u waarborgen dat de zorg voor de cliënten van Phitaal GGZ voortgezet wordt met hun eigen zorgverlener en hoe gaat u ervoor zorgen dat de wachtlijsten niet langer worden, zonder dat zij worden overgeleverd aan private equity?
Gestreefd wordt naar continuïteit van zorg voor patiënten. Een belangrijk onderdeel van effectieve behandeling, en daarmee ook de continuïteit van zorg, in de geestelijke gezondheidszorg is de vertrouwensrelatie tussen cliënt en behandelaar. De curator heeft aangegeven ernaar te streven om zoveel mogelijk behandelaren mee te nemen naar de nieuwe organisatie. Onder het belang van de continuïteit van zorg valt ook het voorkomen van oplopende wachtlijsten.
Bij de doorstart van Phitaal naar Mentaal Beter Vitaalpunt worden zeven behandellocaties voortgezet4, net als de zorg voor alle cliënten die in deze locaties onder behandeling zijn. De specialistische behandelcapaciteit van Phitaal blijft met
de doorstart behouden op deze locaties. Voor de satelliet-locatie in Capelle aan den IJssel zijn zorgverzekeraars bezig om de huidige cliënten door te middelen naar andere zorgaanbieders. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de transfertafel in deze regio.
In algemene zin kan worden gesteld dat veel mensen nu te lang op een passende behandeling in de ggz moeten wachten, ook mensen die zorg hard nodig hebben. In het IZA en AZWA zijn afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de ggz te verbeteren. Zo zijn afspraken gemaakt over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit, het realiseren van pro-actieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor behandeling van mensen met complexe zorgvragen.
Overigens is het niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Waar het om gaat, is of zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met publieke middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.
Wat gebeurt er met het de zorgverleners van Phitaal GGZ? Welke garanties zijn er dat zij hun baan en hun arbeidsvoorwaarden kunnen behouden?
Het streven van de curator is om zoveel mogelijk behandelaren mee te nemen naar de nieuwe organisatie. Na een faillissement zijn daarvoor echter geen garanties. Het is aan de curator om afspraken te maken met zorgverleners en de overnemende partij over arbeidsvoorwaarden.
Bent u bereid om alle vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'En weer bombardeert Israël zorgverleners: het draaiboek van Gaza wordt nu ook in Libanon gevolgd' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuws dat er al tientallen hulpverleners zijn vermoord door Israël in Libanon, waarbij twaalf hulpverleners zijn gedood afgelopen vrijdag?1
Het kabinet is ernstig bezorgd over de impact van de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah op hulpverleners en medische faciliteiten in Libanon, en over de dood van de hulpverleners in het bijzonder. Het kabinet onderstreept dat hulpverleners nooit doelwit mogen zijn en veilig hun werk moeten kunnen doen.
Bent u bereid het doden van deze hulpverleners ondubbelzinnig te veroordelen? Kunt u dit toelichten?
Volgens het humanitair oorlogsecht moeten humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door de strijdende partijen worden ontzien en beschermd. Het kabinet onderstreept dit uitgangspunt en veroordeelt dan ook de doelbewuste aanvallen op hulpverleners en medische faciliteiten.
Tegelijkertijd kan in complexe conflictsituaties niet altijd direct worden vastgesteld wat de precieze omstandigheden zijn. Het is daarom van groot belang om zorgvuldig en op basis van verifieerbare feiten te handelen. Onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht, zoals in dit geval, is uiterst belangrijk.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat onafhankelijk onderzoek wordt ingesteld naar de dood van deze hulpverleners en te zorgen dat de conclusies van dit onderzoek openbaar worden gemaakt? Kunt u dit toelichten?
Nederland dringt waar nodig en mogelijk aan op dergelijk onderzoek en roept betrokken partijen op daar volle medewerking aan te verlenen. Vermeende internationale misdrijven vragen in algemene zin om gedegen en onafhankelijk onderzoek. Dit is ook het geval waar het humanitaire hulpverleners betreft. Het is in eerste instantie aan de meest betrokken staat of staten die rechtsmacht hebben om internationale misdrijven te onderzoeken en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen en te berechten. De internationale gemeenschap komt in beeld als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf op te treden.
De VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) kan de situatie in Libanon reeds monitoren en hierover rapporteren. Het OHCHR landenkantoor in Libanon richt zich onder andere op het rapporteren over mensenrechtenschendingen in het conflict tussen Israël en Hezbollah. Nederland steunt het OHCHR landenkantoor met een bedrag van USD 1,5 miljoen over de jaren 2025–2026, zodat onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Libanon kan worden voortgezet.
Nederland staat momenteel in nauw contact met de Libanese autoriteiten over de vraag of zij het voornemen hebben een feitenonderzoek te starten.
Sluit u zich aan bij de aanbevelingen van het rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) dat ingaat op de bescherming van hulpverleners, zoals recent gepubliceerd? Wat betekent dat voor de reactie van de Nederlandse regering op het recent doden van hulpverleners in Libanon?2
Voor een volledige reactie op het rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV), verwijzen wij u naar de kabinetsreactie die vandaag aan uw Kamer is gestuurd. Het kabinet zet in op normhandhaving en bestrijding van straffeloosheid door onderzoek en versterkte uitwisseling van informatie en bewijsmateriaal, door versterking van internationale, bestaande onderzoeksmechanismen, en door gerichte humanitaire diplomatie. Ook in de context van Libanon zet Nederland zich hier voor in. Graag verwijzen wij naar de volledige kabinetsreactie. Deze antwoorden zijn in lijn daarmee.
Zijn de resultaten van het onderzoek bekend en openbaar naar de dood van de 15 hulpverleners op 23 maart 2025 in de Gazastrook en het wegmaken van de lichamen en de ambulance door het Israëlische leger?
Zoals bekend in uw Kamer vormde de aanval op het humanitaire hulpkonvooi op 23 maart 2025 de hoofdaanleiding voor het ontbieden van de Israëlische ambassadeur in Den Haag. Nederland heeft meermaals bij Israël om opheldering gevraagd over de aanval op het humanitaire hulpkonvooi, ook tijdens de ontbieding van de Israëlische ambassadeur in april 2025 en ook heel recent tijdens het contact van de Nederlandse ambassadeur met het Israëlisch Ministerie van Buitenlandse Zaken op 24 maart jongstleden. De verantwoordelijkheid om de aanval te onderzoeken ligt in eerste instantie bij Israël zelf. De Israëlische krijgsmacht (IDF) publiceerde op 20 april 2025 een verklaring over het onderzoek dat is uitgevoerd. Volgens de laatst beschikbare informatie ligt het onderzoek nu bij de militaire aanklager voor opvolging.
Het kabinet constateert dat er tot op heden beperkt publiek inzicht is in de bevindingen van dit onderzoek. Tegelijkertijd is het van belang dat lopende onderzoeken zorgvuldig worden afgerond en dat relevante informatie, waar mogelijk, wordt gedeeld. De relevante VN Commission of Inquiry heeft eveneens onderzoek gedaan naar deze aanval en in haar juridische analyse van september jl. noemt de Commission of Inquiry de Israëlische respons ontoereikend, onjuist en misleidend.3
Dit onderstreept het belang van de lopende onderzoeken en processen via bestaande onafhankelijke internationale organisaties en onderzoeksmechanismen die zich richten op waarheidsvinding en verantwoording in dergelijke situaties.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Humanitaire hulp op 1 april 2026?
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat er opnieuw asbest gevonden is in speelzand dat online te koop was?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat asbesthoudend speelzand alsnog te koop was, ook nadat verschillende producenten en verkopers aangaven dat ze de verkoop ervan hadden opgeschort?
Het is onwenselijk dat er alsnog asbesthoudend speelzand te koop was. De verantwoordelijkheid om veilige producten op de markt te brengen ligt bij de marktdeelnemers (zoals fabrikanten, importeurs en distributeurs). Uit het krantenartikel blijkt dat de betreffende marktdeelnemers die speelzand hebben aangeboden waarin asbest is aangetroffen, direct actie hebben ondernomen om het betreffende product van de markt te halen. Daarmee handelden zij conform de Europese wet- en regelgeving voor speelgoed, waarin is geregeld dat marktdeelnemers direct maatregelen treffen zodra zij informatie ontvangen dat er iets mis is met het speelgoed dat zij verkopen.
Hoe gaat u bovenstaande in de toekomst voorkomen?
In de speelgoedwetgeving is vastgelegd welke taken en verantwoordelijkheden marktdeelnemers hebben, om te voorkomen dat zij niet-conform speelgoed op de markt aanbieden.
De NVWA zal asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht. Afhankelijk van het risico zal de toezichtintensiteit daar op worden aangepast. Daarbij gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Het kabinet zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de huidige wettelijke limiet.
Ziet u met licht op het bovenstaande de tot nu toe genomen acties als voldoende om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand?
Het kabinet heeft de nodige en mogelijke maatregelen genomen om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand.
Aan (onder andere) ouders en kinderopvangorganisaties is meteen geadviseerd om het speelzand voorlopig even niet te gebruiken totdat het RIVM haar gezondheidskundige risicobeoordeling heeft afgerond.
Kinderopvangorganisaties zijn daarop gestopt met het aanbieden van dit type speelgoed aan kinderen tijdens hun verblijf op de opvanglocatie. Nu de resultaten van de risicobeoordeling bekend zijn geworden, adviseren de brancheverenigingen in de kinderopvang hun leden om uit voorzorg het speelzand ook nu niet meer te gebruiken. Het kabinet heeft daar begrip voor.
Fabrikanten, webshops en winkeliers hebben vrijwillig, of op verzoek van de NVWA, speelzand van de markt gehaald. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico zal, zoals eerder genoemd, de NVWA asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht en zal het kabinet zich inzetten voor aanscherping van de wettelijke limiet.
Ziet u ook dat terugroepacties op eigen verantwoordelijkheid van bedrijven geen garantie bieden dat potentieel gevaarlijke producten niet langer verkocht worden? Zo ja, hoe ziet u in dit licht de reactie van de voormalige Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport waarin vooral verwezen werd naar de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven?
In Europese wetgeving is de verantwoordelijkheid voor productveiligheid duidelijk geregeld: marktdeelnemers moeten kunnen aantonen dat hun producten veilig zijn en de NVWA houdt daarop streng toezicht. Wanneer sprake is van een ernstig risico kan de NVWA een publiekswaarschuwing of verplichte terugroepactie opleggen. Terugroepacties blijven een belangrijk instrument, maar toezicht blijft uiteraard noodzakelijk om de veiligheid van producten op de markt te borgen. Het is niet volledig te garanderen dat alleen conforme producten op de markt komen.
Deelt u de mening dat de resultaten van het onderzoek dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zelf laat uitvoeren te lang op zich laten wachten? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet deelt deze mening niet. Het kabinet vindt het van groot belang dat dergelijk onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd. Tegelijkertijd onderkent het kabinet dat er vanaf het begin grote behoefte was aan informatie over asbest in speelzand. Daarom heeft de NVWA op 13 maart een tussenrapportage van onderzoeksresultaten naar buiten gebracht. Hieruit bleek dat in 5 producten meer asbest was aangetroffen dan de wettelijke limiet. Deze producten zijn toen direct van de markt gehaald.
Daarnaast is ook een gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door het RIVM. Ook dit onderzoek moest zorgvuldig gebeuren en was tijdrovend. De resultaten van de beoordeling zijn inmiddels openbaar gemaakt via de website van het RIVM.
Ziet u het als een beperking dat de NVWA niet handhavend kan optreden op basis van externe resultaten van geaccrediteerde laboratoria wanneer sprake is van een risico voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is van groot belang dat de monstername (het in bewaring stellen van het product) onder toeziend oog van een inspecteur gebeurt, die de eed of belofte heeft afgelegd. Hiermee kan in juridische zin worden gegarandeerd dat er geen fraude is gepleegd ten tijden van de monstername. De NVWA heeft geaccrediteerde laboratoria benaderd om hun testuitslagen te ontvangen, om op die manier een breder beeld te krijgen van de situatie.
Deelt u de mening dat het lange wachten op onderzoeksresultaten van de NVWA en het uitblijven van aangekondigde instructies voor kinderdagopvangorganisaties kunnen leiden tot een afwachtende houding bij sommige van deze organisaties?
Het onderzoek naar en de risicobeoordeling van asbest in speelzand was erg complex. Het was noodzakelijk om dit zorgvuldig te doen. De brancheverenigingen in de kinderopvangsector hadden al proactief opgeroepen om speelzand op te bergen en voorlopig niet meer te gebruiken. Het beeld van het kabinet is dat de sector gehoor heeft gegeven aan dit signaal. Op basis van de risicobeoordeling door het RIVM en het Buro-advies kan de sector bepalen of zij speelzand willen blijven gebruiken. Zoals eerder aangegeven adviseren de brancheverenigingen hun leden om uit voorzorg het speelzand ook nu niet meer te gebruiken.
Wat vindt u van signalen dat sommige scholen het speelzand nog steeds of weer gebruiken, omdat leveranciers zelf zeggen dat het asbestvrij is?
Een leverancier is ervoor verantwoordelijk dat zijn product aan de wet- en regelgeving voldoet. Zoals aangetoond in het onderzoek van de NVWA bevat het meeste speelzand geen of hele kleine hoeveelheden asbest. Maar het kabinet heeft er begrip voor als ouders of kinderdagverblijven liever het zekere voor het onzekere nemen en voor alternatief speelgoed kiezen.
Wat vindt u van het gegeven dat sommige leveranciers hiervoor buitenlandse laboratoria gebruiken die niet in Nederland geaccrediteerd zijn en die bovendien geen elektronenmicroscopie gebruiken, maar lichtmicroscopie waarmee asbest niet altijd aangetoond kan worden?
Het is van belang dat de juiste methoden op een goede manier wordt uitgevoerd. Voor de bepaling van gehaltes aan asbest in speelzand is een methode nodig met een voldoende lage detectiegrens. Lichtmicroscopie heeft een detectiegrens gelijk aan de wettelijke limiet van 0,1% asbest. Elektronenmicroscopie kan asbest in speelzand tot veel lagere concentraties vaststellen. De combinatie van NEN 5896 en VDI 3866-5 is daarbij de meest geschikte aanpak om een indicatie te geven
van het asbestgehalte in speelzand volgens de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)2. Laboratoria hoeven niet in Nederland geaccrediteerd te zijn om een dergelijke methode goed uit te voeren.
Kunt u bevestigen dat de resultaten afkomstig van laboratoria die niet in Nederland geaccrediteerd zijn in Nederland niet rechtsgeldig zijn?
Nee, als een onderzoek is uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium met de juiste methoden, dan is dat conform wet- en regelgeving acceptabel.
Laat de NVWA naast onderzoek naar asbest in het speelzand zelf ook onderzoek doen naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderdagverblijven en scholen waar dit speelzand gebruikt is, zoals ook in Australië en Nieuw-Zeeland gedaan is?
Nee, er is geen sprake van geweest dat de NVWA zelf onderzoek zou gaan doen naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderopvangcentra en scholen.
De lucht in een klaslokaal wordt continu ververst door mechanische ventilatie. Op basisscholen en kinderopvangcentra houdt het schoonmaakprotocol in dat alle oppervlakken dagelijks nat worden gereinigd, waardoor elke keer veel van de neergeslagen vezels worden verwijderd. Aangezien de bron van de verontreiniging is weggenomen en de klaslokalen meerdere malen nat zijn gereinigd, is professionele sanering van de klaslokalen niet nodig.
Deelt u de mening dat zolang dit probleem niet aan de bron aangepakt wordt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen?
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die ver onder de grenswaarde van 0,1% blijft. Daarnaast heeft het RIVM aangetoond dat het gezondheidsrisico van spelen met verschillende soorten speelzand, waarin minder dan 0,1% asbest is aangetroffen, verwaarloosbaar is.
Desondanks zal het kabinet zich binnen Europa inzetten voor een lagere wettelijke eis voor het asbestgehalte in speelzand. Het kabinet heeft hierover advies gevraagd aan het RIVM.
Deelt u de mening dat de NVWA voldoende capaciteit moet hebben om zelf slagvaardig op te kunnen treden rondom productveiligheid in plaats van de verantwoordelijkheid vrijwel geheel bij de markt te leggen en dat daar een passende bekostiging bij hoort? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Producenten en handelaren zijn zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via onder andere de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om zijn toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS jaarlijks 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Welke vormen van bekostiging voor de NVWA worden onderzocht, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd en op welke manier wordt daarmee voldoende slagkracht voor de NVWA gewaarborgd?
Naar aanleiding van de agentschapsdoorlichting van de NVWA door PricewaterhouseCoopers uit 2024, kijken de departementen met de NVWA naar andere vormen van bekostiging om het risicogericht toezicht door de NVWA beter te waarborgen. Hierover is de Kamer ook geïnformeerd (Kamerstuk 33 835, nr. 257).
Bij deze analyse wordt gekeken welke knelpunten en belemmeringen worden ervaren door de NVWA en welke oplossingen mogelijk zijn, waaronder verschillende bekostigingsvormen. Het is geen doel op zich om tot een andere bekostigingswijze te komen.
De Kamer zal uiterlijk einde van dit jaar worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
Het bericht 'Amerikaanse chantage kost mensenlevens' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amerikaanse chantage kost mensenlevens» van Aidsfonds en Rutgers van 23 januari 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de Amerikaanse beslissing om hulporganisaties, andere overheden, en Verenigde Naties (VN)-agentschappen die Amerikaans geld ontvangen, te verbieden om te werken aan diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, bovenop het verbod op het verlenen van abortuszorg?
Op 23 januari heeft de VS aangekondigd dat ze de bestaande Mexico City Policy gaan uitbreiden. Er zijn drie «rules» gepubliceerd die restricties opleggen in relatie tot alle VS financiering, op het gebied van abortus, «gender ideology» en DEI (Diversity, Equity en Inclusion). Samen wordt dit het «human flourishing in foreign» assistance beleid genoemd. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie van dit beleid, de juridische haalbaarheid ervan, en de uiteindelijke impact. Organisaties weten dus nog niet hoe dit beleid hen precies zal raken. Het kabinet deelt de zorgen van veel organisaties over de potentiële consequenties voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden. Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is uiterst zorgwekkend.
Deelt u de analyse dat deze maatregelen hulporganisaties ernstig belemmeren in het bieden van hulp aan kwetsbare groepen en dat dit zal leiden tot meer onveilige abortussen, moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat er een ontheffing (waiver)mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen. Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van toegang tot veilige abortus, diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, dan zal dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot meer onveilige abortussen, een hogere moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Onderhoudt uw ministerie contact met de Amerikaanse autoriteiten over deze beslissing? Op welk niveau? Wat wordt er in die contacten gewisseld? Bent u van plan om ambtgenoten op deze beslissing aan te spreken?
Nederland is continu in gesprek met de VS, zoals via de Nederlandse ambassade in Washington, zo ook over de uitbreiding van de Mexico City Policy. Het doel van die gesprekken is om zoveel mogelijk te voorkomen dat dit beleid een negatieve impact heeft op vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden en op door Nederland gefinancierde programma’s en organisaties. Gegeven de grote financieringsbehoefte voor mondiale gezondheid zet Nederland, samen met andere donoren, in op een zo efficiënt mogelijke besteding van de nog beschikbare middelen. Voor het kabinet staat de toegang tot gezondheidszorg voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen centraal. De VS blijft een belangrijke donor op het gebied van mondiale gezondheid, waarmee wij in nauwe dialoog blijven over dit thema.
Het kabinet volgt de uitvoering van het «human flourishing in foreign assistance» beleid ook samen met cross regionale coalities zoals de Equal Rights Coalition (ERC). Deze cross regionale coalitie van 44 landen, werkt nauw samen om rechten van lhbtiq+-personen wereldwijd te beschermen en te bevorderen.
Bent u het ermee eens dat Nederland historisch een voortrekkersrol heeft gespeeld in het verdedigen van de rechten en gezondheid van vrouwen, meiden, LHBTI-personen en andere groepen? Onderschrijft u het belang, gezien de terugtrekkende beweging van Amerika, om deze voortrekkersrol stevig te herpakken? Op wat voor manier doet u dat, bijvoorbeeld in Europees en VN-verband?
Ik zie het belang om als Nederland een leidende rol te vervullen op het vlak van SRGR, vrouwenrechten en rechten van lhbtiq+-personen. Dit zijn ook kernprioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid van dit kabinet.
Nederland zal zich nog nadrukkelijker inzetten voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, aangezien we sterker staan als we ons gezamenlijk uitspreken. De Nederlandse inspanningen zijn gericht op het behoud en verder brengen van internationale afspraken op het gebied van SRGR, gendergelijkheid en vrouwenrechten binnen de VN. Nederland nam bijvoorbeeld een leidende rol tijdens de 70e zitting van de Commission on the Status of Women in maart dit jaar. De onderhandelingen over de politieke slotverklaring, werden gekenmerkt door forse tegendruk op bestaande internationale afspraken over vrouwenrechten, gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). De VS diende acht amendementen in op de politieke slotverklaring, die tegen bestaande internationale afspraken in gingen. De leider van de Nederlandse delegatie, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, heeft vervolgens namens de EU een stemming aangevraagd. Daardoor werden de amendementen verworpen en werd de politieke slotverklaring met een grote meerderheid van stemmen aangenomen.
Ook binnen de EU blijft Nederland zich inzetten, samen met gelijkgezinden, voor behoud van bestaande afspraken. Binnen de beschikbare financiële ruimte blijf ik ook inzetten op SRGR (inclusief toegang tot veilige abortus), gendergelijkheid en vrouwenrechten.
Herinnert u zich de leidende rol die Nederland nam tijdens de vorige instelling van de Global Gag Rule, middels het initiatief van toenmalig Minister Ploumen om met SheDecides het financieringsgat op te vullen dat Trump achterliet? Bent u van plan die leidende rol, die door het vorige kabinet is losgelaten, weer te herpakken? Zo nee, waarom niet?
Nederland steunt het platform SheDecides nog steeds, met een bedrag van 900.000 EUR voor drie jaar. SheDecides speelt een belangrijke rol in het beschermen en bevorderen van internationale afspraken op het gebied van SRGR en gendergelijkheid. Tegelijkertijd is de reikwijdte van het «human flourishing in foreign assistance» beleid veel groter dan in 2017. Naast financiering is het bieden van politiek tegenwicht en gezamenlijk optrekken cruciaal. Tijdens mijn recente reis naar de VN heb ik uitgedragen dat Nederland staat voor een sterk multilateraal systeem en dat de VN kan rekenen op steun van Nederland voor normatieve mandaten, zoals op het gebied van gender gelijkheid en SRGR. Nederland wil hierin samen met EU-landen optrekken.
De inzet van het kabinet is om in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen. Het kabinet is bereid hier een leidende rol in te spelen.
Indien het antwoord op vraag 6 «Ja» is, hoe herpakt u die leidende rol? Doet u dit door de bezuinigingen op mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve rechten en gezondheid (54 miljoen in 2026, en 174 miljoen in 2027) terug te draaien?
Zoals beantwoord bij vraag 5 en 6, staat het kabinet pal voor universele mensenrechten en de internationale afspraken die hierover gemaakt zijn in multilateraal verband. Daarbij blijft Nederland zich inzetten voor het recht op gezondheid en SRGR voor iedereen. Het kabinet werkt daarom nauw samen met onze gelijkgezinde partners en de landen waar we werken.
Dit kabinet zal de bezuinigingen van het vorige kabinet op gezondheid en SRGR – EUR 124 miljoen in 2026 en EUR 172 miljoen in 2027 (t.o.v. 2024) – niet volledig ongedaan kunnen maken. Wel heeft het kabinet in de Voorjaarsnota voor 2.026 EUR 11 miljoen extra vrijgemaakt voor de inzet op mondiale gezondheid en SRGR. Daarnaast is het kabinet conform het coalitieakkoord voornemens om vanaf 2027 te blijven bijdragen aan de mondiale gezondheidsstrategie.
Bent u bereid, als Nederland en met gelijkgestemde landen, te zoeken naar alternatieve vormen van financiering voor VN-instanties en organisaties die door deze maatregel worden getroffen?
Nederland onderhoudt nauw contact met VN-organisaties, gelijkgezinde donoren, maatschappelijke organisaties, filantropische instellingen en ontvangende landen, over de mogelijke impact van het VS beleid binnen de VN en hoe wij hier een gezamenlijk antwoord op kunnen geven. In een context van afnemende ODA en tekorten en verstoring in gezondheidsdiensten wereldwijd, lijkt het antwoord vooralsnog te liggen in de kwaliteit van financiering (zoals meerjarige ongeoormerkte financiering), diplomatieke en politieke inspanningen ter bescherming van SRGR, gendergelijkheid en de meest gemarginaliseerde groepen. Nederland is en blijft daarom een stabiele en betrouwbare donor van o.a. de WHO, UNFPA en UNAIDS en van de humanitaire inspanningen van de VN bijvoorbeeld via UNHCR, UNICEF en WFP.
Bent u er van op de hoogte dat elke euro die bezuinigd wordt op dit thema, leidt tot meer ongeplande zwangerschappen, onveilige abortussen, hiv-doden, en hiv-besmettingen? Wat doet u om dit scenario te voorkomen?
Ja. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord blijft de Mondiale Gezondheidsstrategie leidend voor dit kabinet. Een van de prioriteiten in deze strategie is dat Nederland zich inzet voor gezondheidssysteemversterking. Verbeterde dienstverlening op het gebied van SRGR is daar een belangrijk onderdeel van. Zie verder mijn antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Herinnert u zich dat de Nederlandse inzet op vrouwenrechten en gender – die door het vorige kabinet werd gestopt – alleen door een ingreep van de Kamer nog tot en met 2027 wordt gecontinueerd? Wat doet u om dit budget ook na 2027 te herstellen en door te kunnen gaan met het steunen van vrouwen- en LHBTI-rechtenverdedigers wereldwijd?
Ja. Als gevolg van amendement Hirsch c.s. (Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 21) komt – na aanname van de Ontwerpbegroting BHO 2027 in zowel de Eerste als Tweede Kamer – in 2.026 EUR 22 miljoen en in 2.027 EUR 21 miljoen beschikbaar voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Daarnaast heeft het kabinet in de Voorjaarsnota aanvullend EUR 5 miljoen in zowel 2026 en 2027 beschikbaar gemaakt voor de inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid. Conform het coalitieakkoord zet dit kabinet zich internationaal actief in voor de bescherming van de rechten van vrouwen en is het voornemens hier vanaf 2027 opnieuw in te investeren. In lijn met deze ambitie zal bij het opstellen van de BHOS begroting 2027 worden bezien wat de mogelijkheden zijn tot herstel van artikel 3.2.
Welke rol ziet u voor uzelf wat betreft het bevorderen van de internationale toegang tot abortuszorg en het internationaal tegengaan van bijvoorbeeld moedersterfte en hiv-infecties?
Nederland is en blijft een betrokken en actieve speler op veilige abortus, het tegengaan van moedersterfte en hiv-infecties. Ik zie hier een belangrijke rol voor mijzelf als Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Als Minister zal ik mij actief blijven inzetten voor de bescherming van gelijke rechten voor iedereen, zowel via partnerschappen met maatschappelijke organisaties en multilaterale instellingen als binnen multilaterale fora zoals de VN Mensenrechtenraad. Tijdens de voorjaarsvergadering van de Wereldbank in april 2026 zal ik aandacht vragen voor de gezondheid van vrouwen en meisjes en de Nederlandse steun hiervoor uitspreken bij een bijeenkomst van het Global Financing Facility dat met dit doel is opgericht.
Naast de diplomatieke inzet via de VN en de EU, investeert Nederland in organisaties zoals International Planned Parenthood Federation (IPPF), het Safe Abortion Action Fund (SAAF) en Ipas. Nederland is de grootste donor aan UNAIDS en we zijn de zesde donor van UNFPA. Daarnaast is het kabinet dit jaar gestart met een nieuw financieringsinstrument, onderdeel van het bredere FOCUS kader, dat inzet op de preventie en bestrijding van hiv-infecties in Zuidelijk Afrika.
Bent u van plan publiekelijk steun uit te spreken voor de overheden en organisaties die niet het contract ondertekenen dat hen door de Amerikaanse overheid wordt voorgelegd om te stoppen met alle werkzaamheden rond gendergelijkheid en diversiteit?
Nederland kiest voor een zo effectief mogelijke inzet. Het Amerikaanse beleid zal voor elk type organisatie anders uitpakken en het kabinet zal daarom niet ingaan op individuele partners en wat zij doen. Zo kunnen overheden, die geld aannemen van de VS, mogelijkerwijs nog steeds werken op abortus, gender, diversiteit, inclusie en gelijkheid, met andere financieringsbronnen. Het kabinet wil graag in gesprek blijven met deze overheden. De ervaring met de vorige Mexico City Policy leert namelijk dat er een neiging is tot over-implementatie en zelfcensuur. Daarnaast is het van belang om te noemen dat veel partners die essentieel zijn voor de uitvoering van ons SRGR beleid, geen Amerikaanse financiering meer ontvangen. Deze financiering stopte met het opheffen van USAID.
Bent u bekend met de verklaring van 2 maart 2026 van 10 landen, waaronder Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, waarin zij deze nieuwe regels veroordelen en opkomen voor het recht van iedereen op zelfbeschikking? Waarom ontbreekt Nederland onder deze verklaring? Is Nederland gevraagd om mee te tekenen? Zo ja, waarom heeft Nederland niet meegetekend? Steunt Nederland de inhoud van deze verklaring?2
Het kabinet is bekend met de verklaring en Nederland is gevraagd om mee te tekenen. Het kabinet heeft gekozen niet te tekenen omdat dit een bredere afweging vereist. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie en daarmee over de impact van het beleid van de VS. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet om duidelijker in beeld te krijgen hoe dit beleid de gezondheid raakt van vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen. Nederland is hierover in contact met de VS, de landen waar Nederland mee samenwerkt op deze thema’s, gelijkgezinde donoren en partners. De verklaring is op 2 maart gepubliceerd op de website van SheDecides. Zoals reeds beantwoord, staat het kabinet pal voor mensenrechten en blijft het kabinet inzetten op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen.
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Kabinet overtrad beperking wapenexport die schending mensenrechten moest voorkomen' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuws dat verschillende Ministers van Buitenlandse Handel wapenexportvergunningen uitgaven aan de Verenigde Aribische Emiraten (VAE), ondanks afspraken met de Tweede Kamer en overduidelijke risico’s?1
Hoe verantwoordt u dat, ondanks de gesloten presumption of denial (POD) en aangegeven waarschuwingen voor risico’s, er toch vergunningen zijn verleend aan de VAE? Op welke gronden zijn besluiten genomen en kunnen deze gedeeld worden met de Kamer?
Zijn er andere schendingen van de presumption of denial in deze periode of daarna? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer? Zo nee, hoe bent u daar zo zeker van?
Waarom is de informatie over de vergunningen niet gedeeld met de Kamer?
Deelt u de mening dat, gezien de grootschalige investeringen in Defensie, het belangrijk is om een debat te kunnen voeren over de inzet en implicaties van de investeringen? Zo ja, hoe gaat u dit implementeren? Zo nee, waarom niet?
Hoe bent u van plan de Kamer beter mee te nemen in de beslisnota’s van wapenexportvergunningen, zeker nu we steeds meer aan militaire middelen gaan uitgeven?
Hoe bent u van plan de mensenrechten te beschermen en immorele exportvergunningen in de toekomst tegen te gaan, zeker gezien het belang van het internationaal recht zoals aangegeven in het coalitieakkoord?
Nederland toetst alle aanvragen voor de uitvoer van militaire goederen zorgvuldig aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole, waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht tot een afwijzing gebieden. In de toetsing worden alle belangen meegenomen, waarbij juridische verplichtingen en veiligheidsbelangen boven economische belangen staan.
Als er vanuit het ministerie vergunningen worden verleend, is dat dan eenmalig of ook voor toekomstige orders? Indien dat laatste, hoe weegt het ministerie dat met de wapenexportcriteria indien blijkt dat, na het vergeven van de vergunning, het wapenbedrijf mensenrechtenschendingen begaat?
Nederland kent afhankelijk van het type uitvoer en overdracht individuele vergunningen, globale vergunningen en algemene vergunningen.
Het kabinet heeft de bevoegdheid om, wanneer nieuwe omstandigheden zich voordoen, een verleende vergunning opnieuw te beoordelen, al is het daartoe niet verplicht. Dit heeft in het verleden ook geleid tot een intrekking van een eerder afgegeven vergunning.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat niet alleen economische belangen meespelen in het verlenen van vergunningen, maar ook morele en juridische factoren?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe staat het op heden met de wapenexportvergunningen naar de VAE, gezien de grootschalige genocide die plaatsvindt in Soedan en het aandeel van de VAE hierin?2 Kunt u inzage geven in welke vergunningen zijn verleend en op welke beslispunten dit is gebaseerd?
Nederland toetst alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval conform het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole, waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht leiden tot een afwijzing van de vergunningaanvraag. Daarin is er verder specifieke aandacht voor het risico op omleiding van de goederen naar ongewenste eindgebruikers. Dit geldt ook voor het omleidingsrisico naar Soedan. Er zijn bij de regering geen aanwijzingen bekend dat dergelijke omleiding onder Nederlandse vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen plaatsgevonden heeft.
Voor de actuele kerngegevens over alle afgegeven vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen verwijs ik u graag naar het overzicht hierover op rijksoverheid.nl.5
Staat u achter de redenen die gegeven zijn in 2025 voor het afschaffen van de POD? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft op 14 juli 2023 het aanvullend nationaal beleid in de vorm van de presumption of denial afgeschaft6. De presumption of denial kon ertoe leiden dat ook transacties die niet duidelijk in verband konden worden gebracht met ongewenste inzet in Syrië en Jemen, maar tegemoetkwamen aan een legitieme veiligheidsbehoefte, moesten worden afgewezen.
In de praktijk bleek de presumption of denial evenmin noodzakelijk om te voorkomen dat Nederlandse strategische goederen in Jemen of Syrië worden ingezet. Een toets van de transactie aan de acht criteria van het wapenexportbeleid, in het bijzonder aan criteria 2 «risico op schendingen van het humanitair oorlogsrecht en/of mensenrechten» en 4 «bijdrage aan regionale conflicten», had dezelfde uitkomst in geval van ongewenste transacties.
Naast de hierboven genoemde effecten past het voeren van aanvullend nationaal beleid in de vorm presumption of denial ook niet goed bij de systematiek van het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als het Verdrag van Aken) waar Nederland zich bij wil aansluiten. In dat Verdrag vertrouwen verdragspartners op elkaars exportcontroletoets aangezien alle verdragspartijen aan dezelfde of zeer vergelijkbare toetsingskaders gebonden zijn. Voortzetting van depresumption of denial zou kunnen leiden tot een ongewenste situatie waarin Nederland dergelijke transacties onder dit Verdrag zou tegenhouden.
Vindt u het van belang dat wapenexportcriteria een belangrijke overweging zijn in het uitgeven van vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zie gebundelde antwoord op vraag 7 en 9.
Bent u van mening dat criteria een hoge standaard moeten zetten en ervoor moeten zorgen dat militaire middelen die Nederland exporteert niet tot mensenrechtenschendingen mogen leiden? Zo nee, waarom niet?
Zie gebundelde antwoord op vraag 7 en 9.
Als u bovenstaande twee vragen positief heeft beantwoord, bent u dan van plan om opnieuw een POD in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie antwoord op vraag 11.
Bent u van plan de keuze tot toetreding van het verdrag van Aken te heroverwegen, gezien de woorden van Minister Schreinemacher aantonen dat de wapenexportcriteria afnemen door toetreding van dit Verdrag?
Conform het coalitieakkoord wenst het kabinet toe te treden tot het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als het Verdrag van Aken). Geopolitieke ontwikkelingen maken het noodzakelijk dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid. Het kabinet zet daarom in op het verdiepen van de Europese defensiesamenwerking. Het Verdrag bevordert Europese defensiesamenwerking, specifiek de ontwikkeling en productie van defensiematerieel. Toetreding tot het Verdrag zal de bredere nationale en Europese veiligheidsbelangen dienen.
Dit verdrag berust op het vertrouwen dat verdragspartijen hebben in elkaars wapenexportcontrolesystemen, onder andere omdat deze zijn gestoeld op toetsing aan de gezamenlijk overeengekomen EU-wapenexportcriteria in het EUGS. Als verdragspartijen een uiteenlopende risico-inschatting hebben bij de uitvoer van militaire goederen naar een derde land hebben zij de mogelijkheid om elkaar te consulteren. Verdragspartijen kunnen in uitzonderlijke gevallen bezwaar maken tegen een voorgenomen export als deze in strijd wordt geacht met de nationale veiligheid of een direct nationaal belang. Ook zijn alle verdragspartijen gehouden aan de bepalingen van het VN-Wapenhandelsverdrag.7
Deelt u de mening van Frank Slijper dat radar- en communicatiesystemen niet louter defensief zijn, gezien deze apparatuur gebruikt kan worden om in kaart te brengen welke mogelijke doelwitten er zijn. Zo ja, waarom is dat argument dan wel in de casus van het artikel gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven is er in het kader van de legitieme veiligheidsbehoefte van de landen in kwestie in specifieke gevallen weloverwogen besloten het PoD-beleid niet doorslaggevend te laten zijn. Het ging hier bijvoorbeeld om afweer van inkomende projectielen op zee en ontmijningsdrones voor trainingsdoeleinden. In alle gevallen was sprake van een positieve toetsing op de criteria van het EUGS.
Is er volgens u sprake van een medeplichtigheid van Nederland in het schenden van het internationaal recht in Jemen, zoals VN-experts duiden3, door het leveren van militaire middelen aan de VAE?
Nee. Medeplichtigheid onder het internationaal recht kan niet ontstaan wanneer hulp of bijstand bijdraagt aan de algemene militaire capaciteit van een staat, aangezien dat geen internationaal onrechtmatige daad inhoudt. Zie voor verdere toelichting de Kamerbrief van 12 januari 2024 betreffende de Zienswijze op het concept van medeplichtigheid onder internationaal recht.9
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) zou initieel eindigen in december 2025 en de termijn van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: RC) in medio 2025. Bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2024 heeft het toenmalige kabinet besloten het NAP en de termijn van de RC te verlengen tot en met 31 december 2026 en hiervoor aanvullende middelen vrij te maken. Dit is toegelicht in de eerste suppletoire begroting OCW 2024 en daarnaast middels een persbericht bekendgemaakt2. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie heeft na overleg met de RC dit voorjaar besloten om binnen de eigen begroting aanvullende middelen vrij te maken om het bureau van de RC tot eind 2026 te financieren. Hiermee heeft de RC meer ruimte en capaciteit om haar activiteiten goed te bestendigen en over te dragen. Het kabinet kiest ervoor seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag te bestrijden in een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en zal het NAP en de termijn van de RC dus niet nogmaals verlengen.
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Het kabinet blijft werken aan het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Het is onacceptabel dat vrouwen nog altijd niet veilig zijn in Nederland. Zoals beschreven in het coalitieakkoord kiest het hierbij voor het opstellen van een nieuw Nationaal Actieplan Stop Geweld tegen vrouwen. Dit betreft een bredere aanpak, gericht op alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals opgenomen in het Verdrag van Istanbul. Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld worden hier nadrukkelijk onderdeel van. Het kabinet stelt een Nationaal Coördinator (hierna: NC) aan om dit actieplan te coördineren.3
Daarnaast zal het kabinet conform de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een orgaan of organen aanwijzen voor rapportage, aanbevelingen, informatie-uitwisseling en systematische statistiekvorming.4
Met deze structuur zorgt het kabinet voor duidelijkheid, effectiviteit en samenhang in de aanpak. Wij zullen de werkzaamheden, kennis en projecten van het NAP en de RC zo goed mogelijk bestendigen in de bredere aanpak. De RC adviseert het kabinet hierover en zij stelt haar kennis en expertise beschikbaar om de overgang goed te laten verlopen.
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Het bestrijden van geweld tegen vrouwen is een prioriteit van dit kabinet. Daarbij zullen wij ons houden aan het Verdrag van Istanbul.5 De evaluaties van GREVIO bieden waardevolle aanknopingspunten voor verbeteringen van de Nederlandse aanpak. Zo zal het kabinet conform deze aanbevelingen de coördinatie van de aanpak versterken en de verschillende geweldsvormen tegen vrouwen in samenhang bestrijden.
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijft van groot belang. Het kabinet kiest ervoor dit onderdeel te maken van een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en hierin de lessen uit het NAP mee te nemen. In het verlengde daarvan kiezen wij voor de aanstelling van een NC die dit bredere programma zal coördineren, en niet voor het nogmaals verlengen van de termijn van de RC. U bent op 18 december 2025 geïnformeerd over deze bredere aanpak en het voornemen een NC aan te stellen.6 De NC en RC zijn wezenlijk andere functies. Zij verschillen onder andere qua mandaat, opgave, inhoudelijke scope, takenpakket en benodigde competenties.
De RC is een boegbeeld van de gewenste cultuurverandering ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Zij is een onafhankelijk adviseur van het kabinet en aanjager van het maatschappelijk gesprek. Er is veel winst geboekt ten aanzien van het bespreekbaar maken van dit onderwerp en het vergroten van de bewustwording. Zo is zij een aanjager van het gesprek in de media en samenleving, heeft diverse producten gecreëerd die houvast geven bij het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en is zij een luisterend oor en een stem voor slachtoffers. Daarnaast heeft zij een begin gemaakt met de daadwerkelijke cultuurverandering door via allianties verschillende maatschappelijke aanpakken te initiëren, bijvoorbeeld in verschillende arbeidsmarktsectoren, in het onderwijs en binnen de studentenverenigingen.
We gaan echter een volgende fase in, waarin de gegroeide bewustwording en gestarte gedragsverandering verder moet worden bestendigd. Dit wil het kabinet doen door middel van samenhangend beleid, een heldere rolverdeling en duidelijke afspraken tussen het rijk, gemeenten, maatschappelijke partners en andere betrokkenen. Er is door diverse betrokkenen, experts en belangengroepen geconstateerd dat de aanpakken van verschillende vormen van geweld tegen vrouwen momenteel versnipperd zijn en dat betere coördinatie en samenhang noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren in de gesprekken met uw Kamer en in diverse moties die u heeft ingediend. De focus van de werkzaamheden van de NC ligt op het coördineren van het opstellen en uitvoeren van een Nationaal actieplan voor de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Belangrijke taken hierin zijn: samenwerking stimuleren, afstemming verbeteren, toezien op de uitvoering, zorgdragen voor samenhang en het nakomen van afspraken. Het kabinet werkt het exacte mandaat van de NC momenteel nader uit en zal dit openbaar maken zodra dit is vastgesteld.
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet is voornemens om de NC voor de zomer van 2026 aan te stellen. De termijn van de RC loopt tot en met 31 december 2026. Daarmee is er voldoende tijd voor een goede overdracht van kennis en expertise. Zoals toegezegd aan uw Kamer zal de NC contact hebben met de RC over een goede overdracht en bestendiging. Daarnaast zal de RC een advies uitbrengen over een goede bestendiging van het programma en haar activiteiten. Dit advies zal worden meegenomen bij het vormgeven van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
Zie antwoorden op de vragen 4, 7, 8, 9, 10 en 11.
Gebruik van de C7NLD door het Russische Vrijwilligerskorps |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Is de Minister bekend met het item «Nederlandse wapens in handen van Russische extreemrechtse militie»?1
Ja.
Heeft u nagetrokken of deze berichtgeving klopt? Zo ja, zijn Nederlandse wapens inderdaad in handen van deze extreemrechtse militie die los van het Oekraïense leger staat? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennis genomen van deze berichtgeving, maar kan hier geen uitspraken over doen. De oorlogssituatie maakt het complex om dergelijke berichtgeving te verifiëren.
Acht u het wenselijk dat Nederlandse wapens in handen komen van niet-gouvernementele militaire organisaties met extreemrechts en zelfs openlijk Neonazistisch gedachtegoed?
Nee.
Aangezien u als antwoord aan Leftlaser schrijft «Voor de rest is het aan Oekraïne hoe militair gezien het voormalige Nederlandse materieel wordt ingezet en bij welke eenheden», vallen hier wat u betreft ook militaire organisaties onder die los staan van het Oekraïense leger?
Om Oekraïne te steunen in de strijd tegen de grootschalige en nietsontziende Russische agressie levert Nederland militair materieel aan Oekraïne. Voor alle geleverde militaire goederen aan Oekraïne wordt per geval zorgvuldig getoetst aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), waarbij onder andere specifiek aandacht is voor het risico op omleiding van de goederen naar ongewenste eindgebruikers. Alleen na positieve uitkomst van die toets aan de Europese wapenexportcriteria wordt een uitvoervergunning verleend. Voor alle leveringen van militair materieel aan Oekraïne wordt afgesproken dat Oekraïne zich bij de inzet van geleverd materieel houdt aan het internationaal recht inclusief het humanitair oorlogsrecht. Daarnaast wordt bij elke levering een eindgebruikersverklaring ondertekend door de Oekraïense autoriteiten waarin zij verklaren de enige gebruiker van de goederen te zijn en deze enkel ten behoeve van zelfverdediging in te zetten. Die voorwaarde wordt altijd opgenomen bij leveringen aan Oekraïne. Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie dat Oekraïne deze voorwaarden schendt.
Staat het kabinet achter de politieke doelstellingen van het Russische vrijwilligers korps, zijnde het afzetten van de Russische president en het installeren van een militaire regering onder hun leiding?
Nederland steunt de verdediging van Oekraïne en heeft de afgelopen jaren politiek, militair, economische en diplomatieke steun geleverd om de Russische agressie tegen te gaan. Nederland richt zich uitsluitend op de veiligheid van Oekraïne en Europa en houdt zich daarbij strikt afzijdig van de interne politieke aangelegenheden in Rusland.
Hoe wordt in algemene zin voorkomen dat de wapens die Nederland aan Oekraïne levert in verkeerde handen vallen?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat deze organisatie zich schuldig heeft gemaakt aan schendingen van het humanitair oorlogsrecht, waaronder het openlijk vernederen van krijgsgevangenen?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatiepositie over mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht door het Russisch vrijwilligerscorps.
Indien het antwoord op vraag 5 nee is, deelt u dan de mening dat het onwenselijk is deze groep te bewapenen?
Zie de antwoorden op vragen 3, 4, 5 en 9.
Bent u bereid de Oekraïense regering te verzoeken Nederlandse wapens niet langer aan eenheden te verschaffen die niet tot het Oekraïense leger behoren en te vragen deze wapens af te nemen van het Russische vrijwilligerskorps? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het burgerinitiatief ‘My Voice, My Choice’ |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat op 26 februari de Europese Commissie zal spreken over het burgerinitiatief «My Voice, My Choice», gericht op het instellen van een financieel mechanisme waarmee iedereen in de Europese Unie (EU) toegang krijgt tot abortuszorg? Bent u ook bekend met het feit dat negen Europese lidstaten (Estland, Oostenrijk, Finland, Frankrijk, Luxemburg, Polen, Slovenië, Spanje en Zweden) de Europese Commissie (EC) hebben aangeschreven om hun steun te betuigen voor het initiatief?
Ja, het kabinet is bekend met het feit dat de Europese Commissie het voornemen heeft om op 26 februari een reactie te geven op het burgerinitiatief «My Voice, My Choice». Daarnaast is het bekend met de steunbetuiging van een aantal Europese lidstaten middels een door Spanje opgestelde brief aan de Europese Commissie.
Bent u het eens dat iedereen binnen de EU recht zou moeten hebben op toegang tot veilige, goede abortuszorg?
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd, inclusief keuzevrijheid en toegang tot veilige abortus. Tegelijkertijd respecteert het kabinet de vrijheid van lidstaten om eigen keuzes te maken rondom abortus beleid, aangezien dit een nationale competentie behelst.
Steunt u het burgerinitiatief «My Voice, My Choice» en de oproep die daarin gedaan wordt voor toegang tot abortuszorg binnen de gehele EU? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om net als de negen andere lidstaten die dat al gedaan hebben, de EC aan te schrijven voor 26 februari a.s. en in deze brief uw steun te uiten voor het initiatief?
Het initiatief roept op om lidstaten financieel te ondersteunen bij het aanbieden van abortuszorg aan vrouwen die in hun eigen land geen toegang hebben tot abortus. Zo zouden bijvoorbeeld vrouwen die vanuit een ander EU-land naar Nederland komen voor een abortus, de behandeling vergoed kunnen krijgen. Het kabinet heeft waardering voor de inspanningen van de initiatiefnemers en lidstaten om de toegang tot veilige abortus in de EU te verbeteren.
Voordat het kabinet steun kan uitspreken voor een dergelijk initiatief, is het belangrijk dat de mogelijke implicaties van veranderend beleid in beeld zijn. Aangezien de EC nog niet heeft gereageerd op het burgerinitiatief is het op dit moment nog niet duidelijk wat de (financiële) impact van het voorstel zou kunnen zijn voor Nederland.
Op 26 februari maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen. Naar aanleiding hiervan zal het kabinet het Nederlandse standpunt, indien nodig, interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer wordt hier sowieso nader over geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 25 februari voor 17.00 uur beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Ambtenaren verzwegen Palestijnse dodentallen voor Schoof' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van Vrij Nederland, over het verzwijgen van Palestijnse dodentallen door ambtenaren voor de Minister-President?1
Het beeld dat moedwillig informatie wordt achtergehouden is onjuist. Ik ervaar de advisering binnen het ministerie als professioneel en volledig, waarbij alle relevante invalshoeken en feiten worden meegenomen. Over de oorlog in de Gazastrook is er een constante informatiestroom, ook richting het Ministerie van Algemene Zaken. Daarin zijn met grote regelmaat cijfers over aantallen slachtoffers (ongeacht nationaliteit) opgenomen. Er zijn verschillende manieren waarop bewindslieden geïnformeerd worden over een kwestie, een gespreksfiche is daar één van.
Kunt u inzage geven in het proces van het opstellen van het desbetreffende gespreksfiche uit het artikel? Klopt het dat meerdere malen de cijfers over de Palestijnse en Libanese slachtoffers uit het feitenrelaas zijn gehaald?
Een gespreksfiche bestaat onder meer uit spreekpunten en achtergrondinformatie. In de achtergrondinformatie dient de informatie te staan die nodig is om het gesprek inhoudelijk goed te kunnen voeren. De gesprekspunten bieden een basis voor de manier waarop het gesprek gevoerd kan worden. Met het opstellen van de gesprekspunten wordt de afweging gemaakt op welke wijze het meest effectief een boodschap wordt overgebracht. Dat is mede afhankelijk van de gesprekspartner in kwestie, zijn of haar kennis over een situatie of onderwerp, en de relatie van een land ten opzichte van het te bespreken onderwerp. Hierdoor is het niet altijd nodig of opportuun in de gesprekspunten een situatie te beschrijven om er wel over te spreken. Naast de gesprekspunten zelf, wordt tijdens het gesprek ook gebruik gemaakt van de achtergrondinformatie.
Het artikel in Vrij Nederland refereert aan een gesprek van de Minister-President met een Arabische leider in het najaar van 2024. Hoewel er geen duidelijkheid bestaat over het exacte gesprek waar het artikel aan refereert, is naar aanleiding van de publicatie nagegaan welk gesprek het mogelijk kan betreffen. Hierbij kwam een specifiek gesprek naar voren, waarbij slachtofferaantallen in de achtergrondinformatie stonden. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Hoe kan het dat relevante feitelijke informatie uit een gespreksfiche wordt gehaald? Wat zijn de vereisten bij het opstellen van zo’n fiche en wie controleert dit? Is er sprake van een vier-ogen principe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Bij het opstellen van een gespreksfiche zijn diverse personen betrokken, zowel op het departement in Den Haag als op de Nederlandse posten in de regio. Het aantal betrokkenen hangt met name af van de inhoud van het gesprek en het aantal gespreksonderwerpen. Daarnaast wordt een gespreksfiche op verschillende niveaus geaccordeerd. Waar nodig ook op politiek niveau. In ieder geval kijken altijd meer dan twee mensen.
Hoe verantwoordt u dat Israëlische doden een hogere status krijgen op het Ministerie van Buitenlandse zaken, dan Palestijnse of Libanese doden?
Daarvan is geen sprake. Het kabinet werpt deze aantijging verre van zich.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de dubbele moraal en mogelijke angstcultuur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom?
Nee. Buitenlandse Zaken hecht aan een open en veilige werkcultuur, waarbinnen ruimte bestaat voor kritisch intern debat. De ambtelijke leiding draagt deze norm actief uit, evenals de norm van brede en deskundige ambtelijke advisering. Het departement investeert in een inclusieve werkomgeving, met ruimte voor diversiteit van perspectieven, en de ontwikkeling van vaardigheden als luisteren en het voeren van een open dialoog. De effecten van die inzet worden regulier gemeten in o.a. het tweejaarlijkse medewerkerstevredenheidsonderzoek, het jaarlijkse arbojaarverslag en Rijksbrede instrumenten als de nieuwe Inclusiemonitor. De uitkomsten uit deze metingen bieden voldoende inzicht voor de verdere ontwikkeling van de organisatie.
Het bericht 'Trumps armada richting Iran: Zoon van Opperste Leider sluist alvast miljoenen weg naar Dubai' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de informatie, ingezien door Bloomberg en Iran International, over de Iraanse elite die miljoenen wegsluist?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving, maar kan deze berichten niet bevestigen. Deze berichtgeving past echter binnen een breder beeld van kapitaalvlucht uit Iran als gevolg van de slechte economische situatie en de toegenomen geopolitieke spanningen met o.a. de Verenigde Staten, die inmiddels zijn geëscaleerd tot een militair conflict.
Worden sancties tegen personen in Iran uitgebreid naar eenieder voor wie bewijs bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt of medeplichtig zijn, of daarvan verdacht worden, aan gewelddadige repressie tegen demonstranten of andere mensenrechtenschendingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet veroordeelt de mensenrechtenschendingen in Iran en streeft ernaar verantwoordelijken aan mensenrechtenschendingen in Iran op de EU mensenrechtensanctielijst te plaatsen. Ook tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart jl. heeft de EU – mede op Nederlands initiatief – weer nieuwe mensenrechtensancties aangenomen tegen Iran. De praktische beperking hierbij is dat de bewijslast juridisch in orde dient te zijn, hetgeen een arbeidsintensief proces is. Hierbij wordt prioriteit gegeven aan de belangrijkste mensenrechtenschenders.
Is bekend of het wegsluizen van geld door de Iraanse elite ook gebeurt door mensen die op sanctielijsten staan, en op bankrekeningen in Nederland of Europa staat? Zo niet, bent u bereid dit te laten onderzoeken en hier in Europa voor te pleiten?
Het kabinet kan niet ingaan op individuele gevallen, maar in algemeenheid kan worden gezegd dat alle tegoeden van gesanctioneerde personen en entiteiten in de EU bevroren zijn en dat het verlenen van goederen en diensten (inclusief financiële diensten) vanuit de EU aan gesanctioneerde personen strafbaar is.
Is het mogelijk om tegoeden van Iraniërs die mogelijk medeplichtig zijn aan de gewelddadige repressie tegen demonstranten of andere mensenrechtenschendingen te bevriezen als deze tegoeden op bankrekeningen in Nederland of Europa staan? Zo niet, welke stappen moeten dan gezet worden om dit tot resultaat te krijgen?
Dit is reeds mogelijk middels mensenrechtensancties en vormt een belangrijk onderdeel van de Nederlandse inzet ten aanzien van mensenrechtenschendingen in Iran. Naar aanleiding van de protesten in Iran in 2009 is, mede op Nederlands initiatief, het EU sanctieregime tegen mensenrechtenschendingen in Iran ingesteld. Dit regime is ook ingezet in reactie op de protesten in 2019 en sinds de dood van Mahsa Amini heeft de EU – met actieve Nederlandse steun, nog twaalf mensenrechtensanctiepakketten aangenomen onder dit regime. Inmiddels zijn 247 personen en 50 entiteiten via dit regime gesanctioneerd. Daarnaast is de wereldwijde sanctieregeling voor de mensenrechten ingezet voor sancties tegen Iraanse verantwoordelijken voor mensenrechtenschendingen buiten Iran, zoals de intimidatie en moord op dissidenten.
Het bericht dat het Alrijne Ziekenhuis oogcontroles afbouwt en naar de privékliniek van eigen oogartsen verwijst |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Alrijne Ziekenhuis oogcontroles afbouwt en naar de privékliniek van eigen oogartsen verwijst?1
Het Ziekenhuis van Alrijne heeft patiënten die op de wachtlijst staan voor oogcontroles laten weten dat de wachtlijsten erg lang zijn en dat zij voorlopig niet bij het Ziekenhuis van Alrijne terecht kunnen. Zij vragen patiënten na te denken over andere oog-zorgverleners, bijvoorbeeld zelfstandige behandelcentra. In één van deze zelfstandige behandelcentra zijn oogartsen werkzaam die ook in het Ziekenhuis van Alrijne werken.
De komende jaren zullen mensen in toenemende mate een beroep doen op de zorg zonder dat het aantal zorgprofessionals in dezelfde mate meegroeit. Om de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden, moet de zorg slimmer worden georganiseerd. In de regio moeten partijen daarom samenwerken en afspraken maken over het toekomstbestendig inrichten van de zorg. Zowel de reguliere ziekenhuizen als zelfstandige behandelcentra zijn nodig om de zorg toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit te houden. Om dit te realiseren focust het Ziekenhuis van Alrijne zich op (hoog)complexe oogzorg. Patiënten die minder complexe zorg nodig hebben, kunnen vaak sneller terecht bij andere oog-zorgverleners. Deze manier van organiseren draagt bij aan de toegankelijkheid voor zowel de (hoog)complexe oogzorg, als de reguliere oogcontroles.
Deelt u de analyse dat de opkomst van privéklinieken vooral zorgt voor verplaatsing van ziekenhuiszorg naar commerciële zorg?
Het medisch-specialistische zorglandschap is in ontwikkeling. Zowel de reguliere ziekenhuizen als zelfstandige behandelcentra zijn nodig om de zorg toegankelijk, betaalbaar en innovatief te houden. Het kabinet signaleert echter ook bepaalde risico’s in de ontwikkeling van het medisch-specialistische zorglandschap. Om deze reden is in het coalitieakkoord afgesproken om te werken aan een gelijker speelveld tussen ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra. Daarnaast is er in het coalitieakkoord afgesproken om de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg af te schaffen. Ook werkt het kabinet samen met partijen aan een eerlijk speelveld binnen de AZWA-afspraak E4 «We zorgen dat iedereen een eerlijke bijdrage levert».
Tegen deze achtergrond heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) recent een advies over prestatiedifferentiatie in de medisch specialistische zorg2 opgeleverd en werkt Gupta Strategists in opdracht van de Nederlandse Zorgautoriteit aan een feitenbasis om de problemen kwalitatief en kwantitatief te duiden.
Het kabinet wil het rapport van de Nederlandse Zorgautoriteit en de feitenbasis die wordt uitgewerkt door Gupta Strategists afwachten. Het kabinet verwacht de Kamer in het tweede kwartaal van 2026 te informeren over de vervolgstappen.
Hoe kan het dat oogartsen van het Alrijne ziekenhuis geen tijd hebben om controles in hun eigen ziekenhuis uit te voeren, maar wel om dezelfde controles uit te voeren in een commerciële privékliniek?
De oogartsen van het Ziekenhuis van Alrijne zijn gecontracteerd voor een vast aantal uur door het ziekenhuis. Het staat oogartsen vrij om naast deze uren oogzorg te leveren bij andere aanbieders. Het is aan de zorgverzekeraars en het Ziekenhuis van Alrijne om afspraken te maken over de capaciteit van oogzorg. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 6.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat patiënten uit Alphen aan den Rijn nu vaker moeten reizen naar artsen die ook voor het ziekenhuis met een vestiging in hun eigen woonplaats werken?
Verder reizen voor een behandeling kan voor patiënten vervelend en belastend zijn, maar is soms nodig om de kwaliteit of de toegankelijkheid van zorg te kunnen borgen. Voorheen konden patiënten voor oogzorg ook niet altijd op de locatie Alphen aan den Rijn van het Ziekenhuis van Alrijne terecht. Het Ziekenhuis van Alrijne heeft aangegeven dat de inzet is deze reisbewegingen voor patiënten zo beperkt mogelijk te houden.
Wat betekent het verplaatsen van deze niet-complexe zorg naar privéklinieken voor de financiële positie van het Alrijne Ziekenhuis?
Volgens het Ziekenhuis van Alrijne is de financiële impact beperkt. De ruimte die ontstaat in de afspraken met zorgverzekeraars wordt opgevuld met tweedelijnszorg die moet plaatsvinden in een ziekenhuis.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met het Alrijne Ziekenhuis om te voorkomen dat deze zorg wordt verplaatst naar de commerciële privéklinieken?
Het kabinet ziet geen reden om in gesprek te gaan met het Ziekenhuis van Alrijne. Het ziekenhuis heeft zelf een verantwoordelijkheid om patiënten te helpen. Het ziekenhuis kan met zorgverzekeraars afspraken maken over prioriteiten en wachtlijsten. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht. Dit betekent dat hun verzekerden binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang moeten hebben tot zorg uit het basispakket. Zorgverzekeraars moeten daarom voldoende zorg inkopen of bemiddelen als iemand niet snel genoeg bij een zorgaanbieder terecht kan (wachttijdbemiddeling). De Nederlandse Zorgautoriteit controleert of zorgverzekeraars zich hieraan houden.
Deelt u de mening dat het een zorgwekkende ontwikkeling is dat steeds meer zorg wordt verplaatst van ziekenhuizen naar op winst gerichte klinieken, zeker gezien er tegelijkertijd bezuinigd wordt op de zorg omdat de zorg te duur zou worden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven bij antwoord 2 werkt het kabinet aan het realiseren van een gelijker speelveld voor ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra. Ook is in het coalitieakkoord afgesproken om de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg af te schaffen. Daarnaast wil het kabinet benadrukken dat er in de zorg geen plek is voor zorgaanbieders of investeerders die puur en alleen in de zorg actief zijn voor financieel gewin. Financiële belangen mogen nooit ten koste gaan van het bieden van passende zorg aan de patiënt. Daarom werkt het kabinet aan het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). In de Wibz is onder andere opgenomen dat aanbieders alleen onder voorwaarden winst mogen uitkeren. De NZa krijgt de bevoegdheid om op hierop toe te zien en waar nodig te handhaven.
Het bericht 'Vier Afghaanse vrouwen mogen nu in Nederland blijven. ‘Maar voor duizenden anderen verandert dit niets’' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuws dat duizenden Afghaanse vrouwen worden gedeporteerd terwijl het land onveilig is?1
De berichten over de deportatie uit Pakistan en Iran van duizenden Afghaanse vrouwen zijn zeer zorgwekkend. De situatie in Afghanistan is onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden.
Sinds 2022 zet Nederland zich in voor opvang van Afghaanse vluchtelingen in de regio Afghanistan, in Pakistan en Iran, overeenkomstig de motie-Piri en Van der Lee (Kamerstuk 27 925, nr. 906). Deze programmering richt zich onder andere op de bescherming van Afghaanse vluchtelingen.
Daarnaast bekleedt Nederland sinds 2024 het voorzitterschap van het internationale platform Solution Strategy for Afghan Refugees (SSAR). Dit platform fungeert als het voornaamste gremium om, samen met verschillende partijen en met UNHCR als secretariaat, duurzame oplossingen te bereiken voor de Afghaanse vluchtelingensituatie. Pakistan en Iran behoren tot de grootste opvanglanden ter wereld en krijgen binnen dit platform ook de gelegenheid om hun prioriteiten te formuleren. Ook deportaties vanuit Iran en Pakistan worden in dit verband regelmatig aan de orde gesteld.
Hoe is het mogelijk dat personen met dezelfde omstandigheden, andere visum-beoordelingen krijgen, zoals Lafita aangeeft?
In het artikel gaat het om de visumbeoordeling door de Duitse autoriteiten. Nederland heeft geen inzicht in de achterliggende redenen waarom een persoon wel of niet in aanmerking komt voor visumverlening in Duitsland. Voor Nederland geldt dat elke visumaanvraag op basis van de individuele omstandigheden wordt beoordeeld. Personen in exact dezelfde omstandigheden zouden dan in de regel ook dezelfde beoordeling moeten krijgen. Tegelijkertijd geldt dat de individuele omstandigheden wel degelijk kunnen verschillen hoewel de zaken oppervlakkig bezien hetzelfde lijken.
Kunt u inzage geven in het proces van het verlenen van de verblijfsvergunning van de betreffende vier vrouwen?2
Zoals uw Kamer bekend ga ik niet in op individuele zaken. Op 4 december 2025 is tevens gereageerd op de ingediende Kamervragen (kenmerken 2025Z192697 en 2025Z19541) over het asielbeleid ten aanzien van vrouwen uit Afghanistan.
Op welke oordelen baseert u de veiligheid van Afghanistan voor Afghaanse vrouwen, als blijkt dat er geen westerse soldaten, camera’s of opvang is, zoals Fawzia Koofi aangeeft?
Het landenbeleid Afghanistan gaat in op de positie van verschillende categorieën, waaronder Afghaanse vrouwen. Dit is gebaseerd op het algemeen ambtsbericht over Afghanistan. In het beleid is rekening gehouden met de slechte positie van vrouwen en meisjes in Afghanistan. Op 19 december 2025 is het nieuwe algemene ambtsbericht over Afghanistan gepubliceerd. Op basis van de informatie in het ambtsbericht wordt momenteel gekeken welke beleidsconsequenties dit met zich meebrengt. Uw Kamer zal hierover binnenkort worden geïnformeerd.
Bent u bereid Afghanistan als onveilig land te bestempelen, nu het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het laatste ambtsbericht de positie van vrouwen onder de Taliban ziet verslechteren? Zo nee, waarom niet?
In de systematiek van het tot stand komen van landgebonden asielbeleid wordt er op basis van de informatie uit het door Buitenlandse Zaken gepubliceerde ambtsbericht gekeken welke (groepen) personen risico lopen op vervolging of ernstige schade. Afhankelijk van de mate van vervolging kan er worden geoordeeld dat er sprake is van groepsvervolging of kan een risicoprofiel worden aangewezen. Uiteindelijk gaat het om een individuele beoordeling waarbij geldt dat ook personen die niet onder groepsvervolging vallen of niet zijn aangemerkt als risicoprofiel nog steeds in aanmerking kunnen komen voor bescherming. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Als blijkt dat Afghanistan het Vrouwenverdrag blijft schenden en niet in onderhandeling gaat, ondanks het aansprakelijk stellen door Australië, Canada, Duitsland en Nederland, is dat dan reden om alle Afghaanse vrouwen standaard asiel te verlenen? Zo nee, waarom niet?
Op 25 september 2024 heeft Nederland – samen met Australië, Canada en Duitsland – Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Door Afghanistan aansprakelijk te stellen, zet Nederland zich samen met de bovengenoemde staten in om naleving van de internationale verplichtingen van Afghanistan onder het Vrouwenverdrag af te dwingen en toekomstige schendingen te voorkomen. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten hun rechten op grond van het Vrouwenverdrag kunnen uitoefenen. In het bijzonder moet het recht op onderwijs en deelname aan het openbare leven voor Afghaanse vrouwen en meisjes worden gerespecteerd en gewaarborgd.
Op basis van het geldende beleid komen vrouwen uit Afghanistan in vrijwel alle gevallen in aanmerking voor bescherming en een verblijfsvergunning. Er is daarnaast altijd sprake van een individuele beslissing waarbij gekeken wordt naar de specifieke omstandigheden van het geval, met oog op de situatie in Afghanistan. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd over de beleidsconsequenties van het op 19 december 2025 gepubliceerde algemene ambtsbericht over Afghanistan.
Als zowel de UNHCR, het Ministerie van Buitenlandse zaken als uzelf3 onderkent dat de positie van Afghaanse vrouwen en meisjes ernstig onder druk staat, is het dan niet gegrond om alle asielaanvragen van deze groep goed te keuren? Zo niet, hoe kunt u dit verantwoorden?
De situatie in Afghanistan is onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden. Het niet naleven van deze leefregels kan voor vrouwen en meisjes verstrekkende gevolgen hebben voor hun veiligheid, bewegingsvrijheid, toegang tot onderwijs, werk en maatschappelijke participatie. Tegelijkertijd geldt binnen het Nederlandse en Europese asielrecht dat iedere asielaanvraag individueel wordt beoordeeld aan de hand van de criteria uit het Vluchtelingenverdrag en de relevante EU-richtlijnen. In vrijwel alle gevallen zal dit voor Afghaanse vrouwen en meisjes leiden tot vergunningverlening, maar een individuele toets blijft juridisch noodzakelijk. Nederland blijft zich in EU- en VN-verband inzetten voor het beschermen van mensenrechten, en roept in deze gremia de Taliban op om mensenrechten te beschermen, in het bijzonder de rechten van vrouwen en meisjes, te respecteren in overeenstemming met internationale verdragsverplichtingen.
Op welke manier gaat u druk uitoefenen op de Europese ambassade in Afghanistan om de hulpvragen van vrouwen serieuzer te nemen en beter te behandelen, gezien de schendingen van het VN-Vrouwenverdrag door de Taliban?
Nederland zet zich actief in voor de bescherming van vrouwen en meisjes in Afghanistan. In contacten met de Delegatie van de Europese Unie in Kaboel worden consequent mogelijkheden onderzocht om de positie van vrouwen en meisjes in Afghanistan te verbeteren. De Europese Unie steunt meerdere organisaties die zich in Afghanistan inzetten voor vrouwen en meisjes.
De behandeling van hulp- en beschermingsverzoeken vindt plaats binnen de geldende Europese en internationale juridische kaders.
Erkent u het oordeel van de VN dat we aan de vooravond staan van een hongersnood in Afghanistan? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De humanitaire noden in Afghanistan blijven onverminderd hoog. Daarom maakt Nederland humanitaire hulpverlening in Afghanistan mogelijk door flexibele financiering via meerdere kanalen: VN-organisaties, de Rode Kruis en Rode Halve Maanbeweging, en de Dutch Relief Alliance. Deze vorm van financieren stelt organisaties in staat om hulp te leveren in geval van (verergering van) crises, zoals in Afghanistan. Daarnaast is Nederland een van de grootste donoren van het humanitaire landenfonds van de VN voor Afghanistan en het VN-noodhulpfonds CERF. Deze fondsen maken, mede dankzij onze financiering, regelmatig geld vrij voor hulpverlening in Afghanistan, waarmee o.a. voedselhulp aan hulpbehoevende Afghanen kan worden geleverd, of hulp na de aardbevingen.
Deelt u de mening dat Nederland, als de op één na grootste landbouwexporteur ter wereld, een bijzondere rol heeft in het ondersteunen van het Wereldvoedselprogramma? Zo ja, hoe gaat u bijdragen aan de tekorten? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse humanitaire inzet blijft, conform de Kamerbrief over de financiële invulling van humanitaire hulp in 2026 d.d. 12 januari 2026 (Kamerstuk 36 180, nr. 189), voornamelijk gestoeld op meerjarige, flexibele financiering. Nederland staat met deze vorm van financiële steun te boek als een betrouwbare donor die organisaties in staat stelt snel en efficiënt te reageren bij crises. Dat wil zeggen dat Nederland onder andere een aantal humanitaire VN-organisaties dat reeds betrokken is bij de hulpverlening in Afghanistan, waaronder WFP, UNICEF en UNHCR, ondersteunt via deze vorm van financiering. WFP is Nederland zeer erkentelijk voor de voorspelbaarheid en efficiëntie van deze manier van financieren.
Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe (SP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Ja.
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
De in het bericht van de Consumentenbond genoemde cijfers geven een belangrijk signaal af over maatschappelijke zorgen rond gokken. Ik neem dergelijke signalen serieus en betrek deze bij de uitwerking van de door mijn voorganger aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand.3
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
De Wet op de Kansspelen, zoals deze in 2021 is gewijzigd met de Wet kansspelen op afstand (hierna: Wet koa), biedt onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. Dit is ook de algemene conclusie in de evaluatie van de Wet koa.4 Daarin concluderen de onderzoekers dat de invoering van de Wet koa tot op heden (nog) niet heeft bijgedragen aan een verantwoord en controleerbaar kansspelaanbod. Ook heeft het beleid volgens de onderzoekers geleid tot een grote groep nieuwe spelers, waaronder relatief veel jongvolwassenen. De Wet koa heeft wel geleid tot een betrouwbaar aanbod en tot een mate van controleerbaarheid en controle die groter is dan bij illegaal aanbod het geval is, aldus de onderzoekers. Daarnaast blijkt uit een analyse van TNO dat online gokken een systeem is met een sterke neiging tot escalatie, aangedreven door positieve feedbackloops in zowel vraag als aanbod. Volgens TNO zijn de beschermende maatregelen tegen onmatig speelgedrag en ter preventie van verslaving niet in staat gebleken deze zelfversterkende feedbackloops afdoende te bedwingen.5
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Zoals ik hiervoor in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, biedt de Wet koa onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. De Wet koa ging uit van de eigen verantwoordelijkheid van de speler en de bescherming beperkte zich daarbij tot consumenten en het voorkomen van kansspelverslaving. De toen gekozen insteek blijkt problematisch te zijn, zo blijkt uit de evaluatie van de Wet koa, en betere bescherming is nodig.
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Onderzoeksbureau Behavioural Insights heeft in opdracht van de Ksa onderzoek gedaan naar gedragsbeïnvloeding op bepaalde online kansspelplatformen. Uit het rapport, dat in september 2025 is opgeleverd, komt naar voren dat online kansspelaanbieders zowel op positieve als negatieve wijze gebruik maken van gedragsbeïnvloeding om het gedrag van consumenten te sturen. Positieve gedragsbeïnvloeding zijn bijvoorbeeld ontwerptechnieken om mensen te helpen weloverwogen keuzes te maken. Negatief bijvoorbeeld als de beslisomgeving wordt ingericht met als doel om mensen zo veel mogelijk te laten inzetten of zo lang mogelijk te laten spelen. Dit laatste is kwalijk en onwenselijk in het kader van bescherming van mensen tegen gokschade.
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Bij de uitwerking van de aangekondigde maatregelen wordt ook gekeken naar de gedragsbeïnvloedende technieken die worden toegepast en of het noodzakelijk is om daar de wet- en regelgeving op aan te passen. Hier kan ik nu nog niet op vooruitlopen.
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Het onderzoek van de Consumentenbond waarin extreem hoge speellimieten en oneerlijke standaardinstellingen werden vastgesteld is gepubliceerd in november 2023. Inmiddels is de regelgeving op dit onderwerp aangepast en zijn op 1 oktober 2024, vooruitlopend op de evaluatie van de Wet koa, maatregelen ingevoerd op het gebied van speellimieten en spelersbescherming.6 Op basis van de Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag en de Beleidsregel Verantwoord Spelen 2024 van de Ksa gelden stortingslimieten waarbij spelers worden verplicht contact op te nemen met de vergunninghouder wanneer zij een maandelijkse stortingslimiet van 350 euro of hoger willen instellen (150 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar) en waarbij de vergunninghouder verplicht is de financiële draagkracht van een speler na te gaan wanneer deze meer dan 700 euro in de maand stort (300 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar). Daarnaast geldt op basis van deze maatregelen dat het instellen van limieten plaats dient te vinden in een neutrale keuzearchitectuur, waarbij de speler zo min mogelijk wordt beïnvloed door gedragsbeïnvloedingstechnieken. Oneerlijke standaardinstellingen of extreem hoge speellimieten zijn binnen deze regelgeving niet meer toegestaan. Verder dienen limieten verplicht in euro’s te worden weergegeven en gelden verplichte pop-ups tijdens het spelen. Uit de effectmetingen van de Ksa blijkt dat deze maatregelen effect hebben omdat spelers bij vergunde aanbieders minder hoge limieten instellen en minder verliezen na de genoemde wijziging van de regelgeving. Dit is uiteengezet in de brief aan uw Kamer op 3 juli 2025.7
De Ksa houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en treedt op bij overtredingen, zoals bij de recente bindende aanwijzing voor Hillside in het kader van de zorgplicht en nagaan van de draagkracht van spelers.8
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
In 2023, 2024 en 2025 heeft de Ksa het volgende aantal waarschuwingen gegeven en boetes opgelegd aan vergunde aanbieders:
Interventie
2025
2024
2023
Waarschuwingen
38
37
16
Boetes
5
2
8
Een groot deel van het aantal waarschuwingen aan de legale aanbieders had betrekking op de zorgplicht. Ook hebben alle vijf boetes in 2025 betrekking gehad op overtredingen van de zorgplicht. Gezien de lange doorlooptijden van boetetrajecten, hebben de boetes van 2025 betrekking op overtredingen van de zorgplicht die plaatsvonden na de opening van de markt in 2021 t/m 2023. Een aantal onderzoekdossiers in het kader van de zorgplicht wacht nog op een mogelijke handhavingsactie van de Ksa. Naast waarschuwingen en boetes maakt de Ksa ook gebruik van lasten onder dwangsom, aanwijzingen en normoverdragende gesprekken als handhavingsopties om ervoor te zorgen dat de legale aanbieders zich houden aan de zorgplichtregels. Als in de vraagstelling met «vergunningsmaatregelen» intrekking van de vergunning wordt bedoeld, dan is het antwoord dat dit niet heeft plaatsgevonden.
Het is aan de Ksa of en hoe zij in een individueel geval handhaven. Ik kan geen uitspraken doen over of de huidige handhavingspraktijk al dan niet voldoende afschrikwekkend is. Wel erken ik dat het instrumentarium van de Ksa voor toezicht en handhaving op vergunde aanbieders verbetering behoeft. In het traject tot wijziging van wet- en regelgeving van online kansspelen wordt dit meegenomen. Daarnaast kan de aanscherping van de zorgplicht waaraan ik eveneens werk ook bijdragen aan verbeterde toezicht en handhaving.
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Dit zal per individueel geval moeten worden bekeken en hangt af van hetgeen, bijvoorbeeld ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding, daadwerkelijk wordt geëist in een juridische procedure. Een oordeel hierover is aan de rechter. In het kader van het traject tot wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van kansspelen op afstand onderzoek ik in hoeverre de rechtspositie van spelers van online kansspelen kan worden verbeterd bij (gestelde) schending van de zorgplichtregels en regels rond verslavingspreventie.
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Het is niet aan mij is om te besluiten over het schorsen of intrekken van een vergunning. Deze besluiten zijn aan de Ksa, als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan.
Zoals ook in de beantwoording van eerdere Kamervragen is genoemd, kan de Ksa besluiten een vergunning in te trekken indien nieuwe informatie of antecedenten met betrekking tot een vergunninghouder leiden tot het inzicht dat de vergunning toentertijd niet zou zijn verstrekt.9 Daarnaast zal de Ksa de toezichtservaring over de voorgaande vergunningsperiode met betrekking tot een vergunninghouder meewegen in de beoordeling van verlengingsaanvragen. Onder andere worden overtredingen en het gedrag van vergunninghouders tijdens de huidige vergunningsperiode mee gewogen in de beoordeling.
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Momenteel werk ik de aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand uit, waaronder aanscherping van de zorgplicht. Mijn voorganger heeft met de Kamer het streven gedeeld om uw Kamer dit voorjaar te informeren over richtinggevende keuzes die in het kader van de maatregelen zijn gemaakt. Daarbij wordt uw Kamer ook geïnformeerd over de planning van het wetgevingstraject. Wat betreft de zorgplicht geldt dat een onafhankelijke expertgroep werkt aan het doen van aanbevelingen op dit terrein. Deze aanbevelingen worden in de zomer van 2026 verwacht en meegenomen in het wetgevingstraject.
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Het kabinet begrijpt dat de resultaten van het onderzoek van het AD tot zorgen hebben geleid. Daarom is het goed dat de risicobeoordeling van de NVWA beschikbaar is. Hierin concludeert de NVWA dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die onder de grenswaarde van 0,1% blijft.
In de gevallen waar sprake was van overschrijding van de norm, heeft de NVWA handhavend opgetreden en producten uit de schappen gehaald.
Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
In Nederland, maar ook in de rest van Europa, zijn marktdeelnemers, zoals fabrikanten, importeurs en verkopers, zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van het speelgoed en moeten zij die veiligheid kunnen aantonen. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd. De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzandmonsters waarin meer dan 0,1% asbest is geconstateerd, is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel hebben gehaald.
Daarom is het kabinet niet bereid een algemeen verkoopverbod voor speelzand in te stellen.
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
De NVWA werkt samen met SGS Search te Heeswijk, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’s), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA). De gezamenlijke expertise m.b.t. asbest binnen deze organisaties is ruim voldoende om een zorgvuldig onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen.
Een zorgvuldige bemonstering, analyse en risicobeoordeling van de NVWA is cruciaal om besluiten te nemen die bestuurs- of strafrechtelijk houdbaar zijn. Daarom kan de NVWA niet handhavend optreden op basis van laboratoriumresultaten van derden, bijvoorbeeld in opdracht van particuliere partijen. De NVWA heeft echter wel 14 Nederlandse laboratoria benaderd om hun onderzoeksresultaten met de NVWA te delen om zo een breder beeld te krijgen van de mogelijke aanwezigheid van asbest in speelzand.
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Het is begrijpelijk dat de aanwezigheid van asbest in speelgoed, zeker op plekken waar kinderen spelen, veel zorgen oproept. We kunnen geen betrouwbare inschatting geven van het aantal kinderen, ouders of medewerkers dat mogelijk is blootgesteld. Daarvoor ontbreken essentiële gegevens, zoals de exacte omvang van het gebruik van het vervuilde speelzand en de verspreiding van de betrokken producten.
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
De arbeidsinspectie is onafhankelijk. Daarom kan geen opdracht worden gegeven om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen en kinderopvangcentra, waar dit speelzand is gebruikt.
Bij vermoedens over gezondheids- en veiligheidsrisico’s van werkenden kan altijd een melding worden gedaan bij de arbeidsinspectie. De arbeidsinspectie pakt meldingen op basis van risicoanalyse en urgentie op. Meldingen worden met voorrang behandeld als er sprake is van direct gevaar, ernstig letsel of structurele misstanden. De arbeidsinspectie weegt dit per melding af.
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
De NVWA concludeert in haar rapport dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Uit een uitgebreid onderzoek naar asbest in cosmetische producten met talk door NVWA uit 2018 bleek dat slechts een klein aantal van de producten vervuild is met asbest. Uit de risicobeoordeling bleek het hierbij te gaan om een beperkt gezondheidsrisico.
Gezien de geconstateerde geringe gezondheidsrisico’s voor asbest in speelzand en cosmetische producten ziet het kabinet geen aanleiding voor een onderzoek naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest voorkomt.
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
In de brief van de toenmalig Staatssecretaris van 20 februari 2026 (Kamerstukken 2025–2026 25 834, nr. 201) is toegelicht welke acties de NVWA heeft genomen naar aanleiding van de berichten uit Australië en Nieuw-Zeeland over asbest in speelzand. De asbest analyses binnen dit onderzoek zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium SGS Search te Heeswijk. Aan de hand van deze analyseresultaten heeft het RIVM een risicobeoordeling gemaakt op basis waarvan het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek (Buro) van de NVWA een advies geformuleerd heeft. De risicobeoordeling van het RIVM en het Buro advies zijn op 8 april 2026 openbaar gemaakt via hun eigen websites.
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
De conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de aanwezigheid van asbest in speelzand zijn via de website van de NVWA openbaar gemaakt. Daarnaast maakt de NVWA de onderliggende resultaten actief openbaar volgens de daartoe opgestelde procedures.
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestverontreiniging in hun woning door het betreffende speelzand, kunnen in eerste instantie contact opnemen met de GGD van hun gemeente voor advies over gezondheidsrisico’s en mogelijke vervolgstappen. Als zij de aanwezigheid van asbest willen laten vaststellen, kan
dat via een gecertificeerd asbestlaboratorium of een geaccrediteerd inspectiebureau dat materiaalonderzoek uitvoert. Deze partijen kunnen monsters nemen en analyseren volgens de daarvoor geldende normen.
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Met asbest-vervuild speelzand dient, net als ander asbesthoudend afval, veilig gestort te worden op een stortplaats die asbest mag accepteren. Verkopers van speelzand dat met asbest vervuild is, dienen zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar over de veilige afvoer en verwerking van hun afval. Zij zijn gehouden aan de (strenge) geldende asbestregelgeving die als doel heeft om de leefomgeving en burgers en de werknemers te beschermen. Dit geldt ook voor andere bedrijven en instellingen (zoals kinderopvangcentra en scholen). Indien deze partijen zich willen ontdoen van asbest-vervuild speelzand, dan dienen zij zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar.
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Fabrikanten en importeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn1, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzand monsters waarbij meer dan 0,1% asbest is geconstateerd is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel halen en terugroepen bij klanten.
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
Naar aanleiding van dit incident heeft Nederland het voortouw genomen bij de gezondheidskundige risicobeoordeling van asbest in speelzand. Zo’n risicobeoordeling voor speelzand was nog niet eerder uitgevoerd, waardoor een uniforme aanpak binnen de Europese lidstaten ontbreekt.
De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen zal verder gewerkt worden aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en meervoudig gehandicapte kinderen hun deuren moeten sluiten. Dit is zeer ingrijpend en buitengewoon vervelend voor de betrokken kinderen en hun ouders of verzorgers, die dagelijks afhankelijk zijn van intensieve en gespecialiseerde zorg. Ook voor de medewerkers, die zich met grote betrokkenheid inzetten voor deze kwetsbare groep, brengt dit veel onzekerheid met zich mee.
Juist bij deze vorm van zorg is continuïteit van groot belang. Wanneer die onder druk komt te staan, leidt dat begrijpelijkerwijs tot zorgen. Het is daarom essentieel dat betrokken partijen zorgvuldig handelen, ouders en medewerkers goed informeren en alles op alles zetten om passende oplossingen te vinden, waarbij het belang van het kind steeds vooropstaat.
Begrijpt u dat het een enorme impact heeft als deze kinderen straks zijn aangewezen op zorgvilla’s die veel verder weg liggen of op thuiszorg, indien hier überhaupt al plek is?
Ik begrijp dat ouders en hun kinderen in onzekerheid verkeren over waar hun kind zorg kan krijgen. Ik hecht daarom grote waarde aan het belang van continuïteit van zorg, en begrijp dat de huidige situatie veel vraagt van kinderen, hun ouders en medewerkers van Villa ExpertCare.
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Deelt u de analyse dat de tarieven die door de zorgverzekeraars worden gerekend voor deze vorm van zorg tekortschieten en dat dit de reden is voor het sluiten van deze villa’s?
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting2. De NZa heeft mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»3. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u bereid om de tarieven te laten herijken via een kostprijsonderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Is bekend of ExpertCare de afgelopen jaren verlies of winst heeft gemaakt op de zorgvilla’s?
Uit de openbare jaarverantwoordingen van Villa ExpertCare valt op te maken dat in 2022 en 2024 een negatief resultaat is behaald en in 2023 een positief resultaat. De jaarverantwoording over 2025 is nog niet gepubliceerd.
Welke alternatieven zijn er voor gezinnen die nu gebruik maken van deze zorgvilla’s en is daar voldoende capaciteit om al deze gezinnen de juiste zorg te kunnen bieden?
In februari 2026 is overleg geweest tussen de Branchevereniging integrale kindzorg (Binkz), zorgverzekeraars en de NZa. Mogelijk kan één van de zeven andere leden van Binkz die 24-uurs kindzorg leveren een oplossing bieden. Maar het hoeft niet altijd intramuraal te zijn. Er wordt voor ieder kind gekeken wat passend is.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze villa’s open kunnen blijven en dat gezinnen een goede gespecialiseerde opvangplek blijven houden?
ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Op dit moment is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Het bericht dat er vier Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Rummenie |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er Nederlandse baby’s ziek zijn geworden na het drinken van Nestlé-voeding, en dat er zich tot op de dag van vandaag nog meer gevallen melden?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat onveilige levensmiddelen op de markt zijn gekomen en begrijpt heel goed de ongerustheid die ouders hierover kunnen hebben. Het kabinet volgt de situatie nauwgezet en heeft hierover nauw contact met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA houdt intensief toezicht op het opsporen en het van de markt halen van deze producten.
Deelt u de mening dat een besmetting van babyvoeding met de toxine cereulide een groot risico kan vormen voor baby’s? Zo ja, bent u bereid zo snel mogelijk een publieke waarschuwing uit te doen om ouders te waarschuwen?
Ja, die mening deelt het kabinet. Cereulide in zuigelingenvoeding kan een risico vormen voor baby’s. Vanuit de producenten (Nestlé en Danone) zijn publieke waarschuwingen uitgegaan om ouders te waarschuwen en de NVWA heeft eveneens veiligheidswaarschuwingen afgegeven.
Hoe kan het dat er pas 5 januari 2026 een veiligheidswaarschuwing door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) werd geplaatst, terwijl de eerste verontreiniging al op 9 december 2025 aan de NVWA werd gemeld?2
Begin december 2025 werd de eerste verontreiniging gemeld bij de NVWA. De oorzaak leek een enkele verontreinigde productielijn bij de productielocatie van Nestlé in Nederland te zijn. De producten van deze lijn waren wel in Nederland geproduceerd, maar niet in Nederland verkocht. In landen waar de producten verkocht zijn, is een veiligheidswaarschuwing afgegeven.
Op 5 januari jl. meldde Nestlé dat uit de oorzaakanalyse bleek dat niet de productielijn, maar een verontreinigde grondstof de oorzaak leek te zijn. Daarop is de terugroepactie uitgebreid naar andere producten vanuit de productielocatie in Nederland als ook vanuit Nestlé productielocaties in andere lidstaten. Een tweetal van die producten bleken wel in Nederland te zijn verkocht en dus heeft de NVWA op 5 januari een veiligheidswaarschuwing geplaatst.
Is het juist dat de NVWA geen Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF) melding heeft gedaan over de aangetroffen cereulide in babymelk, omdat de melk weliswaar in Nederland werd geproduceerd, maar niet werd verkocht? Zo ja, deelt u de mening dat er bij besmettingen van babyvoeding altijd onmiddellijk een Europese melding moet worden gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet juist. De NVWA heeft zowel begin december na de eerste melding, als begin januari na de aanvullende melding van mogelijk onveilige zuigelingenvoeding geproduceerd in Nederland, een RASFF melding gedaan.
Hoe kan het dat er tot deze week nog terugroepacties van babymelk zijn en de Nederlandse overheid tot nu toe niet ingreep?3
Als er een stof in een product wordt gevonden dat een risico vormt voor de volksgezondheid, dan is de producent verplicht een terugroepactie uit te voeren. Na een eerste vondst worden vaak vervolgonderzoeken uitgevoerd. Als daar uit komt dat meer producten in aanmerking komen voor terugroepacties, dan kan het zijn dat in verloop van tijd meerdere terugroepacties nodig zijn. Zo riep Nestlé eerst zuigelingenvoeding terug vanwege mogelijke aanwezigheid van cereulide. Nadat de veilige grens voor cereulide werd aangescherpt, volgde een terugroepactie van Danone voor Nutrilon-producten. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven heeft de NVWA direct ook acties ondernomen, zoals het plaatsen van veiligheidswaarschuwingen op de website van de NVWA en het doen van RASFF meldingen om andere Europese landen te waarschuwen. De prioriteit van de NVWA ligt momenteel bij het traceren van producten met de betreffende grondstof en het actief weren van die producten op de markt. Daarnaast wordt door de NVWA en het Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) onderzoek gedaan naar de oorzaak, de risicobeoordelingen en maatregelen van de betrokken bedrijven.
Wat is de reden dat er in het buitenland massaal terugroepacties zijn, maar niet in Nederland?4
In Nederland zijn ook terugroepacties geweest. Zie het antwoord op vraag 5 voor een toelichting op terugroepacties.
Waarom plaatst de NVWA enkel terugroep acties van producten die in supermarkten te koop zijn en niet die van online producten, zoals het teruggeroepen Babybio Optima 1? Deelt u de mening dat ook ouders die online kopen gewaarschuwd moeten worden?
Het kabinet deelt de mening dat ook ouders die online producten kopen geïnformeerd dienen te worden over onveilige producten. Het online platform beschikt over contactgegevens van een consument die producten heeft gekocht en moet de koper rechtstreeks benaderen en waarschuwen. De NVWA controleert of dat ook gebeurt en als hierbij overtredingen worden geconstateerd, wordt handhavend opgetreden.
Deelt u de mening, nu de terugroepacties massaal in heel Europa plaatsvinden, dat deze kwestie van besmetting met cereulide niet langer kan worden overgelaten aan de producenten zelf? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deelt het kabinet niet. In de Europese Algemene Levensmiddelenverordening is vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid primair bij het levensmiddelbedrijf ligt. Die verantwoordelijkheid omvat ook het nemen van passende maatregelen wanneer onveilige levensmiddelen zijn geproduceerd en in de handel gebracht, als ook maatregelen om herhaling te voorkomen. In dit stelsel controleren de NVWA en het COKZ of de levensmiddelenbedrijven zich aan de wettelijke regels houden en de juiste maatregelen nemen. Er vindt intensief toezicht plaats door de NVWA en COKZ op dit incident. Zie ook het antwoord op vraag 5 over de acties die door de toezichthouders worden uitgevoerd.
Bent u bekend met het feit dat de overheid in België de regie heeft gepakt en bezorgde ouders via de overheidssite waarschuwt?5 Bent u tevens bekend met het feit dat de Britse overheid momenteel 36 gevallen van zieke baby’s onderzoekt en de Franse overheid de dood van twee baby’s? Zo ja, wanneer gaat de Nederlandse overheid stappen ondernemen om de ouders gerust te stellen en de onderste steen boven te krijgen van dit voedselschandaal?
Het kabinet is bekend met het feit dat in België, als ook in andere lidstaten binnen de Europese Unie, aandacht is voor deze situatie. In België, en andere lidstaten, speelt hetzelfde incident, waardoor ook in België de nationale toezichthouder hierop toeziet. Dat gebeurt op dezelfde wijze als de NVWA in Nederland doet. Het kabinet kan zich de zorgen van ouders van een kind dat dergelijke voeding krijgt ook goed voorstellen, zeker wanneer onderzoek wordt gedaan naar verontreinigde zuigelingenvoeding als mogelijke oorzaak van het overlijden van drie baby’s. Daarom is het belangrijk dat voeding die onveilig blijkt zo snel als mogelijk wordt teruggeroepen.
Zoals in eerdere antwoorden op de vragen aangegeven heeft de NVWA naast publiekswaarschuwingen meermaals actief extra informatie gedeeld via persberichten, als ook op hun website.6 De NVWA heeft veelvuldig informatie gedeeld, mede gericht op ouders, en zijn vragen van de media beantwoord. Daarbij is ook de oproep gedaan om melding te maken van kinderen met klachten die overeenkomen met consumptie van cereulide en waarbij zuigelingenvoeding die nog niet is teruggeroepen, mogelijk de oorzaak van die klachten is.
Daarnaast doen zoals ook in antwoord op vraag 5 aangegeven, de NVWA en het COKZ vanaf de eerste melding onderzoek naar de oorzaak, de risicobeoordelingen en maatregelen van de betrokken bedrijven. Verder heeft in Nederland ook het Voedingscentrum een taak in het voorlichten van het publiek over voedselveiligheidsrisico’s.7 Het Voedingscentrum heeft gerichte informatie voor ouders en verzorgers naar aanleiding van dit incident gepubliceerd op zijn website en via sociale media.
Hebben de producenten inmiddels volledige openheid gegeven over de bron van besmetting en de garantie dat ze dit probleem daadkrachtig hebben aangepakt?
Hier kan pas iets over worden geconcludeerd wanneer het onderzoek van de NVWA en het COKZ is afgerond.
De prioriteit van de NVWA ligt momenteel bij het traceren van producten met de betreffende grondstof en het actief weren van die producten op de markt. Daarnaast wordt ook gekeken of meldingen van bedrijven tijdig en volledig zijn gedaan. Wanneer overtredingen worden geconstateerd, wordt handhavend opgetreden.
Bent u bereid om te zorgen voor één centraal, volledig en actueel overzicht (door NVWA zelf of in afstemming met COKZ/Nestlé) met alle betrokken producten, batches/lotnummers, verkooppunten/kanalen, distributieperiode en gezondheidsinformatie, zodat consumenten en zorgprofessionals niet afhankelijk zijn van versnipperde updates?
Een volledig en actueel overzicht van betrokken producten en partijen is terug te vinden op de website van de NVWA (https://www.nvwa.nl/actueel/actuele-onderwerpen/5-vragen-over-cereulide-in-zuigelingenvoeding), evenals gezondheidsinformatie (veiligheidsinformatie) voor ouders. Het is bijna onvermijdelijk dat informatie over verkooppunten/-kanalen ook bij de NVWA gefragmenteerd bekend wordt. Voor de distributieperiode geldt dat die per individuele verkooplocatie kan verschillen. Om de informatie duidelijk te houden en niet gefragmenteerd door te geven is er bewust voor gekozen om communicatie gericht te houden op het product zoals de consument dat in huis kan hebben staan.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden, gezien de onrust bij ouders en het zich uitbreidende schandaal?
Ik heb me ervoor ingespannen om de antwoorden zo snel mogelijk na het aantreden van het kabinet te sturen.
Het bericht ‘Langer thuiswonen? ‘Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp’’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Langer thuiswonen? «Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp»»?1
Ik vind het heel verdrietig om te lezen dat er ouderen zijn die vies en verwaarloosd op de eerste hulp komen.
Bent u het ermee eens dat we nooit ouderen zover achteruit mogen laten gaan dat zij in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
Ik ben het ermee eens dat ouderen niet in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis zouden mogen belanden. Ik kan niet direct uit het artikel afleiden wat de oorzaak is dat er mensen verwaarloosd in het ziekenhuis komen. Bijvoorbeeld dat het zou gaan om mensen die zorg hebben gevraagd maar niet hebben gekregen.
Ik heb daarbij verder geen signalen dat zorg thuis niet toegankelijk is en niet kan worden verleend aan ouderen die thuis wonen. Recent onderzoek2 laat zien dat de toegankelijkheid van de wijkverpleging over het algemeen goed is. De meeste cliënten ontvangen binnen de gewenste termijn zorg. De wachttijden zijn over het algemeen kort, zo ontvangt volgens data van 15 ziekenhuizen 84% van de cliënten binnen één dag na de gewenste ontslagdatum wijkverpleging.
Ook zetten we bij de zorg thuis in op tijdige signalering door de samenwerking in de wijk te versterken. Een zorg- of hulpverlener die verwaarlozing en/of eenzaamheid signaleert kan in samenwerking met andere professionals in de wijk hulp bieden. Ook kunnen mensen met dementie, van beginnend tot vergevorderd, altijd gebruik maken van casemanagement dementie. Een casemanager kan helpen om zorg en ondersteuning voor de cliënt en de omgeving goed te organiseren.
Daarnaast ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bezig met de bouw van 120.000 geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook die kunnen helpen in het extra oogje in het zeil, zeker als daar ook een levende gemeenschap is waar mensen naar elkaar om kijken.
Bent u het ermee eens dat dit soort verhalen duidelijk maken dat het huidige beleid van mensen zo lang mogelijk dwingen thuis te blijven wonen tegen zijn grenzen aanloopt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel zou er geïnvesteerd moeten worden in de zorg om ervoor te zorgen dat er wel voldoende passende plekken komen waar deze mensen de juiste zorg kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u zicht op om hoeveel ouderen het gaat die in verwaarloosde toestand of eenzaam thuis leven?
Van alle 75-plussers voelt 51% zich eenzaam.3 Ik heb geen cijfers over de vraag hoeveel mensen er in verwaarloosde toestand thuis wonen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze ouderen de zorg krijgen die ze nodig hebben, en hoe gaat u verwaarlozing en eenzaamheid in de toekomst voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak gebeurt het per jaar dat ouderen in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
In de ziekenhuisregistraties wordt niet specifiek vastgelegd of sprake is van verwaarlozing als reden van opname. Het kabinet kan daardoor niet aangegeven hoe vaak het gebeurt dat ouderen in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden.
Hoeveel zal dit de komende jaren toenemen als de plannen van de nieuwe coalitiew orden doorgezet?
In het coalitieakkoord wordt ingezet op een gezondere samenleving. Daarbij investeert het kabinet in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een beperking langer thuis kunnen wonen met passende ondersteuning. Dit gaat gepaard met nieuwe woonvormen en zorgzame buurten waar ontmoeting, de aanpak van eenzaamheid en zorg voor elkaar centraal staat.
Het bericht dat er een humanitaire crisis dreigt in Kobani |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de mogelijke humanitaire ramp die zich voltrekt in Kobani, nu deze stad is omsingeld door het Syrische leger en overspoeld is met gevluchte mensen?1
De situatie in Noordoost-Syrië, inclusief in en rond Kobani, is de afgelopen periode zeer volatiel en complex geweest. Door de gevechten tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500 mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water, voedsel en elektriciteit ernstig beperkt geweest. Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie welke verantwoordelijkheid voor de geschetste problemen in en rondom Kobani draagt.
Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien van VN-organisaties en partnerorganisaties Kobani, Qamishli en Al-Hasakah via drie humanitaire corridors. Het kabinet beschikt niet over indicaties dat er nu sprake zou zijn van een totale blokkade van Kobani. Volgens de VN zijn er de afgelopen weken twee VN-konvooien met 52 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Ook is elektriciteit in het gebied sinds 9 februari hersteld, volgens het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC). Basisvoorzieningen zijn echter nog steeds ernstig ontregeld, geëxplodeerde mijnen beperken bewegingsvrijheid en distributie, en goederen en brandstof komen slechts beperkt binnen via commerciële routes.
Het is van groot belang dat de hulp verder wordt opgeschaald en brede toegang tot de getroffen gebieden wordt verleend, aangezien de beperkte humanitaire middelen, toegang en volatiele situatie er voor zorgen dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom via de EU en rechtstreeks bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor alle hulporganisaties. Ook het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) staat hierover in contact met de Syrische overgangsautoriteiten.
Bent u bekend met de signalen dat de Koerden zijn afgesloten van eten, elektriciteit en water in Kobani? Zo ja, hoe wilt u een escalatie hiervan voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u onderschrijven dat de problemen in Kobani veroorzaakt zijn en worden door het regeringsleger of zijn er andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap hier niet van mag wegkijken? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld in het antwoord op voorgaande vragen is er ruime internationale aandacht voor het conflict in Syrië, en meer in het bijzonder de situatie in het noordoosten. Ook het kabinet kijkt niet weg van de humanitaire situatie in noordoost-Syrie, waaronder Kobani, maar staat in nauw contact met humanitaire partners ter plekke. Steun aan deze organisaties om hun werk te blijven verrichten zal worden voortgezet.
Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen in Syrië zijn zeer ernstig. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet. Geweld tegen burgers wordt daarbij altijd ondubbelzinnig veroordeeld en Nederland zet zich daarbij internationaal actief in voor berechting van geweldplegers. Zie ook de beantwoording op vragen 7 en 8.
Het kabinet maakt zich verder binnen de EU hard voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken te treffen en de Syrische bevolking of economie zodoende te ontzien. Het kabinet en de EU blijven de situatie in Syrië nauwlettend volgen en nemen waar nodig passende en proportionele maatregelen.
Veroordeelt u het geweld en de oorlogsmisdaden die plaatsvinden in Syrië sinds de nieuwe regering aan de macht is?2 Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet keurt elke vorm van geweld tegen burgers in Syrië af en onderstreept, ook in EU-verband, dat consequenties dienen te worden verbonden aan schendingen van het internationaal recht. Het kabinet brengt dit consequent op zowel in bilaterale contacten met de Syrische overgangsautoriteiten, als multilateraal via de diverse EU- en VN-mechanismen.
Voor een beoordeling of er sprake is van een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Op welke manier bent u van plan om de druk op te voeren richting de Syrische regering om te zorgen voor directe toegang tot humanitaire hulp, en de blokkade en mensenrechtenschendingen tegen te gaan?
Het kabinet spreekt in directe contacten en via de VN en EU de Syrische overgangsregering consequent aan op haar verantwoordelijkheden, waaronder het bieden van volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor hulporganisaties en het waarborgen van de rechten en veiligheid van alle Syriërs, ongeacht religie of etnische achtergrond.
Hoe wordt op dit moment in kaart gebracht welke oorlogsmisdaden er worden gepleegd en op welke manier deze vervolgd kunnen worden, zoals bijvoorbeeld Amnesty International aangeeft?3
Het kabinet acht zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek door de Syrische overgangsautoriteiten naar vermeende oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen van essentieel belang. Het kabinet dringt hier consequent op aan, zowel in bilaterale contacten met de Syrische overgangsautoriteiten, als in multilateraal verband.
Daarnaast spelen VN-instanties – zoals de VN-Bewijzenbank IIIM, de Commission of Inquiry en het OHCHR Veldkantoor in Damascus – een belangrijk rol in het onderzoek en documenteren van mensenrechtenschendingen in Syrië. Het kabinet steunt IIIM en het OHCHR landenkantoor in Damascus zowel politiek als financieel met respectievelijk € 1 miljoen en € 2,5 miljoen. Ook zet Nederland zich in de VN-Mensenrechtenraad actief in voor de verlening van het mandaat van de Commission of Inquiry voor Syrië, zodat onderzoek naar mensenrechtenschendingen wordt voortgezet.
Tot slot dragen verschillende internationale organisaties en het Syrisch maatschappelijk middenveld ook bij aan het in kaart brengen van de vermeende oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen. Nederland steunt Impunity Watch en het International Center for Transitional Justice in hun inspanningen om samen te werken met de Syrische transitieregering en hun expertise in te zetten ten behoeve van het tegengaan van straffeloosheid (waaronder documentatie van mensenrechtenschendingen).
Op welke manier gaat u onderzoek ondersteunen dat de feiten op een rij zet, zodat vervolging van oorlogsmisdadigers mogelijk wordt gemaakt?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Zorgen in gemeente Zutphen over toegankelijkheid bevolkingsonderzoek’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Zorgen in gemeente Zutphen over toegankelijkheid bevolkingsonderzoek»?1
De toegankelijkheid en deelname aan de bevolkingsonderzoeken zijn belangrijke uitgangspunten in het medische preventiebeleid. Ik begrijp de oproep tot een screeningslocatie in de nabije omgeving en de zorgen van inwoners uit Zutphen. Tegelijkertijd, is het simpelweg niet mogelijk in alle gemeenten in Nederland een unit te plaatsen voor het bevolkingsonderzoek borstkanker.
Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) maakt voor het bevolkingsonderzoek gebruik van vaste en mobiele units («bussen»). Zoals ik in mijn beantwoording2 van de vragen van de leden Vliegenthart en Bushoff (beiden GL-PvdA) van 11 december 2025 heb toegelicht, zijn de bussen bedoeld om het bevolkingsonderzoek zo goed mogelijk bereikbaar te maken, vooral in regio’s waar geen vaste screeningsunit beschikbaar is. Er worden niet minder bussen ingezet, maar BVO NL zoekt continu naar de meest efficiënte inzet en routes van de bussen, waarbij ook rekening wordt gehouden met het beschikbare personeel. Voor sommige deelnemers komt het onderzoekscentrum daardoor misschien dichter bij huis te staan dan in vorige screeningsrondes, terwijl voor anderen de locatie iets verder weg kan zijn. Dat doet niet af aan het feit dat het voor genodigden zeker vervelend is als een onderzoekslocatie verder weg komt te staan, of vervangen wordt door een vaste locatie verderop, zoals nu in Deventer. Vanwege de aanhoudende personeelstekorten is het inzetten van meer mobiele units op dit moment geen optie.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat het aantal deelnemende vrouwen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker aanzienlijk is afgenomen sinds vrouwen uit Zutphen hiervoor naar Deventer moeten?
Ik begrijp van BVO NL dat sprake lijkt van een daling in de gemeente Zutphen. Volgens het RIVM zijn de cijfers hierover echter niet eenduidig te interpreteren. Deelname verschilt sterk tussen wijken en fluctueert gedurende een kalenderjaar, ook in de maanden dat een mobiele unit daar staat. Het is daarom moeilijk te concluderen wat de invloed van de wijziging van een onderzoekslocatie is op de deelname. Temeer omdat de keuze tot deelname aan het bevolkingsonderzoek afhankelijk is van meerdere factoren dan alleen nabijheid.
Zoals in de meest recente monitorbrief3 is toegelicht, is de algehele deelnamegraad van het bevolkingsonderzoek borstkanker in 2024 licht gedaald ten opzichte van 2022, van 66,7% in 2022 naar 65,3% in 2024. Deze dalende landelijke trend baart mij zorgen.
Het is bekend dat (grote) verschillen bestaan tussen wijken en gebieden, waarbij de deelname lager is in wijken waar meer mensen wonen met een lager inkomen. Deze verschillen wil ik zoveel mogelijk terugdringen, door deelname in deze wijken te verbeteren. Daarom is het Project Toegankelijkheid van het RIVM opgezet. Dit bestaat uit een wijkgerichte aanpak waarbij voorlichting wordt gegeven in wijken waar de opkomst bij de bevolkingsonderzoeken laag is, zodat voorlichting laagdrempeliger en beter begrijpelijk is. Ook is begin 2026 een campagne van het RIVM in samenwerking met KWF en BVO NL gestart specifiek gericht op het bereiken van mensen met lage gezondheidsvaardigheden in postcodegebieden met structureel lage deelname.
Deelt u de mening dat bevolkingsonderzoek ontzettend belangrijk is voor vrouwen om borstkanker en het daardoor veroorzaakte leed te voorkomen, levens te redden en dat nabijheid van dat onderzoek daarin een belangrijke rol speelt?
Vanzelfsprekend deel ik de mening dat het bevolkingsonderzoek borstkanker ontzettend belangrijk is voor vrouwen. Dankzij dit onderzoek worden jaarlijks duizenden vrouwen met borstkanker opgespoord, en kunnen veel borstkanker-gerelateerde stergevallen voorkomen worden. Uit de jaarlijkse monitor2 blijkt dat in 2024 bij 6.303 vrouwen borstkanker is gedetecteerd. Daarnaast laten modelleringen zien dat met het bevolkingsonderzoek borstkanker ongeveer 1300 sterfgevallen per jaar worden voorkomen.4 Ik zie daarbij ook het belang van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van het screeningsaanbod. Daarom wordt ernaar gestreefd om de bevolkingsonderzoeken zo laagdrempelig en toegankelijk mogelijk aan te bieden. Dit betekent ook dat het bevolkingsonderzoek met de mobiele units zoveel mogelijk in de nabijheid van deelnemers wordt aangeboden. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk dat sommige deelnemers verder moeten reizen, omdat de schaarse personeelscapaciteit zo efficiënt mogelijk moet worden ingezet om de gehele doelgroep goed te kunnen bedienen.
Bent u bereid om de petitie vanuit Zutphen persoonlijk te ontvangen?
Ik ben altijd bereid te luisteren naar signalen en zorgen over het screeningsaanbod, en daar waar mogelijk iets aan te doen. Tegelijkertijd roept deze petitie op tot het terugplaatsen van een mobiele unit in Zutphen, en dat is niet aan mij als Staatssecretaris maar aan BVO NL, die als uitvoerende partij primair verantwoordelijk is voor de inzet van de mobiele units. Ik heb begrepen dat op 29 januari jl. de petitie is aangeboden aan BVO NL en dat een gesprek heeft plaatsgevonden met de aanbieders van de petitie. Ik ga ervan uit dat BVO NL dit signaal serieus meeneemt in de afwegingen om het bevolkingsonderzoek zo goed mogelijk te organiseren voor de gehele doelgroep.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat het weer mogelijk wordt om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker in Zutphen zelf? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, hoe bent u dan van plan om de dalende trend aan deelname te keren?
BVO NL weegt de inzet van de mobiele units continu en zorgvuldig af op basis van onder andere het uitnodigingsinterval, de reisafstand voor deelnemers en personele beschikbaarheid. Het doel hiervan is om steeds zo effectief mogelijk de schaarse capaciteit te benutten en de gehele doelgroep zo goed mogelijk te bedienen. Het is aan BVO NL om te beslissen waar de mobiele units precies ingezet worden.
Om ook in de toekomst een toegankelijk aanbod van bevolkingsonderzoeken te kunnen blijven bieden, is in samenwerking met het RIVM de ontwikkelagenda bevolkingsonderzoek opgesteld.5 In deze agenda zijn ambities en prioriteiten richting 2035 vastgelegd, waaronder het verlagen van drempels tot deelname. Toegankelijkheid vormt een centraal uitgangspunt van deze agenda. Daarnaast lopen er verschillende initiatieven om de informatievoorziening beter te laten aansluiten in postcodegebieden met een lage deelname, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2. Het is belangrijk dat mensen een goedgeïnformeerde keuze kunnen maken over wel of geen deelname aan de bevolkingsonderzoeken, het blijft immers altijd een eigen keuze om al dan niet deel te nemen.
Het bericht dat er aanhoudend agressie en geweld wordt gepleegd tegen verschillende minderheden in Syrië. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het aanhoudende geweld tegen minderheden zoals de Alawieten en de Koerden in Syrië door de regering?1
Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen in Syrië zijn zeer ernstig. Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Syrië nauwgezet. Geweld tegen burgers wordt daarbij door het kabinet altijd ondubbelzinnig veroordeeld.
Bent u op de hoogte van het rapport van Amnesty International dat ingaat op de structurele ontvoering van Alawitische vrouwen en meisjes? Zo ja, gaat u mee in de oproep van Amnesty om het Syrische regime op te roepen onafhankelijk onderzoek te doen naar deze misstanden en te luisteren naar meldingen?2 Zo nee, waarom niet?
Dergelijke berichten over ontvoeringen van Alawitische vrouwen en meisjes zijn bij het kabinet bekend en zijn zeer verontrustend. In alle contacten, zowel bilateraal als in EU-verband, onderstreept het kabinet het belang van het borgen van de rechten en veiligheid van álle Syrische gemeenschappen. Ook zet het kabinet zich, eveneens in EU-verband, in voor het bevorderen van de mensenrechten en het tegengaan van straffeloosheid in Syrië. Hiertoe dragen wij bij aan het monitoren, documenteren en onderzoeken van mogelijke mensenrechtenschendingen, onder meer via het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International Impartial and Independent Mechanism. Duidelijkheid ten aanzien van deze berichten over ontvoeringen kan op verschillende manieren worden bereikt, waaronder via deze bestaande mechanismen.
Is er naar aanleiding van de demonstratie in Den Haag door Druzen in juli jongstleden, contact gelegd tussen de Syrische diaspora, en specifiek de etnische minderheden, en het ministerie?3 Zo ja, wat is daaruit voortgekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat doorlopend in contact met alle Syrische gemeenschappen en diaspora, waaronder de Druzische. In recente contacten, waaronder op 5 februari met de Minister-President, hebben diverse vertegenwoordigers van deze gemeenschappen hun zorgen geuit en vragen gesteld over het beleid van het kabinet. In deze gesprekken werden deze zorgen erkend en is dezerzijds het kabinetsbeleid gedeeld ten aanzien van de bescherming van (religieuze) gemeenschappen in Syrië, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief van d.d. 19 september jl.
Wat is uw reactie op de berichten dat de Syrische troepen mogelijk tracht IS-gevangenen te bevrijden, gezien de banden tussen de gevangenen en Ahmad Al-Sharaa?4 Hoe zorgt u ervoor dat dit geen effect heeft op het de veiligheid van zowel de Nederlandse als de internationale en Syrische veiligheid?
Het kabinet is bekend met dergelijke berichtgeving, maar heeft op dit moment geen indicaties dat sprake is van doelgerichte vrijlatingen van IS-gevangenen door het Syrische leger.
Ten aanzien van de veiligheid geldt dat het kabinet, met alle betrokken nationale- en internationale partners, de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houdt, specifiek ten aanzien van de IS-gevangenen.
Hoe draagt u bij aan de bescherming van minderheden in Syrië? Ligt hier al een diplomatiek plan op klaar en zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinet draagt op verschillende manieren bij aan de bescherming van de diverse gemeenschappen in Syrië, waaronder via bilaterale en multilaterale contacten, door onze bijdragen aan stabilisatie, door het ondersteunen van mechanismen die mensenrechtenschendingen monitoren en onderzoeken, en door gerichte inzet van sancties middels de EU.
Binnen het nieuwe FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» is voor de periode 2026–2.031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. Dit instrument richt zich onder meer op Syrië en heeft als doel religieuze minderheden te beschermen en lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen.
Voor meer over het kabinetsbeleid ten aanzien van de bescherming van Syrische minderheden verwijs ik u graag door naar de eerder genoemde Kamerbrief van 19 september jl.
Wordt er overwogen om in EU-verband maatregelen tegen de ex-HTS groepen te nemen, zoals Reuters aangeeft dat wel gebeurd is bij andere terroristische groepen?5
Op Nederlands initiatief zijn sancties ingesteld tegen groepen en individuen die zich schuldig hebben gemaakt aan sektarisch geweld. Mocht geverifieerde berichtgeving of onderzoek hiertoe aanleiding geven, dan kan het kabinet zich, via de EU, opnieuw hard maken voor het instellen van aanvullende gerichte sancties.
Deelt u de mening dat hier sprake is van schending van het internationaal recht en mogelijke etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
De recente gebeurtenissen in noordoost-Syrië zijn met grote zorg door het kabinet gevolgd. Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen zijn zeer ernstig.
Ten aanzien van het grootschalige geweld in Latakia van maart 2025 en in Sweida van juli 2025 acht het kabinet van groot belang dat de verantwoordelijken voor sektarisch geweld en mensenrechtenschendingen ter verantwoording worden geroepen. Het kabinet verwelkomt in dit kader de publicatie van het rapport van de VN Commission of Inquiry van 14 augustus 2025 en acht het van belang dat de aanbevelingen worden opgevolgd en de daders gestraft. Het kabinet blijft dit proces nauwlettend volgen en wacht in dit kader het rapport van de VN Commission of Inquiry ten aanzien van de gewelddadigheden in Sweida af.
Welke maatregelen tegen het regime bent u bereid te nemen, zowel in nationaal als internationaal verband, om het aanhoudende geweld te stoppen? Ligt er een escalatieladder klaar die de Syrische bevolking en humanitaire organisaties ontziet? Zo ja, kan deze worden toegelicht? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland, via de EU, bewust ingezet op sanctieverlichting voor Syrië, juist omdat economisch herstel en wederopbouw essentieel zijn voor de stabiliteit en veiligheid, iets waar álle Syrische gemeenschappen bij gebaat zijn. Tegelijkertijd heeft het kabinet zich binnen de EU hard gemaakt voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken te treffen en de bredere Syrische bevolking of economie zodoende te ontzien. Het kabinet en de EU blijven de situatie in Syrië nauwlettend volgen en zal – waar nodig – passende en proportionele maatregelen nemen.
Op welke manier gaat u, samen met de internationale gemeenschap, ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren standhoudt, nu we zien dat het bestand al meerdere keren geschonden is?
Op 30 januari jl. zijn de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) tot een overeenkomst gekomen, onderdeel hiervan is een permanent staakt-het-vuren en integratie van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat. De betrokken partijen zijn sindsdien begonnen met de praktische implementatie van deze overeenkomst, waarbij sprake lijkt van een relatief rustige en gestabiliseerde situatie in het noordoosten. Het kabinet verwelkomt de overeenkomst van 30 januari en heeft, samen met landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk consequent opgeroepen tot een duurzame oplossing en het belang van dialoog om die te bereiken.