Een reclameverbod voor ultra fast fashion |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de EenVandaag-uitzending over een reclameverbod op ultra fast fashion?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat reclame voor ultra fast fashion-producten via sociale media (zoals TikTok Shop), aanbevelingsalgoritmen en influencermarketing bijdraagt aan overconsumptie van textiel en daarmee op gespannen voet staat met de Nederlandse én Europese doelstellingen op het gebied van circulaire economie en grondstoffengebruik? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het sterk groeiende verdienmodel van ultra fast fashion platforms staan hiermee op gespannen voet en stimuleren het tegenovergestelde. Deze producten bestaan vaak uit textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur en worden tegen lage prijzen aangeboden. Daarnaast zorgt de instroom van grote hoeveelheden laagwaardig textiel ervoor dat hergebruik en hoogwaardige recycling onder druk staat. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport benoemt deze problemen.2Bovendien maken bepaalde platforms gebruik van diverse reclame- en marketingtechnieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, om consumenten te verleiden tot het kopen van grote hoeveelheden trendgevoelige kleding.
In hoeverre acht u het wenselijk dat met name jongeren en financieel kwetsbare consumenten via ultra fast fashion-platforms worden blootgesteld aan koopprikkels voor goedkope kledingproducten? Ziet u een relatie tussen dergelijke verkooptechnieken, impulsaankopen en de financiële weerbaarheid van consumenten?
Het is belangrijk dat consumenten, met name jongeren en financieel kwetsbare groepen, hun keuzes kunnen baseren op duidelijke en betrouwbare informatie en niet worden beïnvloed door misleidende verkooptechnieken. Daarom zetten de ACM3 en Europese toezichthouders4 zich actief in voor de naleving van de consumentenregels en spreken zij deze platforms hierop aan. Eerder hebben Europese consumententoezichthouders vastgesteld dat bepaalde ultra fast fashion-platforms gebruikmaken van technieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, die consumenten kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en in strijd zijn met het consumentenrecht. De consumententoezichthouders roepen de platforms op hun handelspraktijken in overeenstemming te brengen met het consumentenrecht. Omdat deze platforms in meerdere Europese landen dezelfde mogelijke overtredingen begaan, is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van de Europese consumententoezichthouders. Ook de ACM neemt deel aan deze actie. Het overtreden van consumentenregels kan de financiële weerbaarheid van consumenten onder druk zetten.
In hoeverre acht u een benadering voor ultra fast fashion-producten juridisch en beleidsmatig haalbaar, zoals in verschillende sectoren waarbij beperkingen of verboden gelden op reclame wanneer producten of diensten aantoonbaar negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, zoals bij tabak, kansspelen en bepaalde financiële producten?
Het kabinet ziet dat er zorgen bestaan over de impact van ultra fast fashion en de wijze waarop deze producten worden gepromoot. Voor ultra fast fashion ontbreekt op dit moment een dergelijke juridische afbakening. Om een eventueel verbod of vergaande beperking van reclame juridisch houdbaar te maken, is een dergelijke heldere definitie nodig van wat onder ultra fast fashion wordt verstaan en op welke gronden een beperking gerechtvaardigd is.
Daarbij geldt dat reclameregulering een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en daarom alleen mogelijk is wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend algemeen belang bestaat en de maatregel proportioneel en goed afgebakend is. Het kabinet ziet het vaststellen van een duidelijke definitie als eerste stap. Dit onderwerp wordt op Europees niveau opgepakt, gezien het belang van harmonisatie binnen de textielsector. Nederland, Duitsland en Frankrijk brengen een non-paper in bij de Milieuraad waarin wij pleiten voor een Europese definitie van ultra fast fashion.
Daarna worden de juridische mogelijkheden verder onderzocht. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Op het gebied van illegale reclame gelden er Europese regels onder de Digital Services Act (DSA). Deze regels zijn sinds 2024 van kracht. Zij verplichten platforms om illegale content en misleiding tegen te gaan. Ook het gebruik van misleidende verkooptechnieken en zogenoemde dark patterns valt hieronder.
Bent u bekend met de maatregelen die in Frankrijk en Italië zijn genomen of voorgesteld om reclame voor ultra fast fashion te beperken?
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van Frankrijk en Italië, te onderzoeken of een Nederlandse definitie van ultra fast fashion kan worden opgesteld?
Ja, Nederland bepleit samen met andere lidstaten een Europese definitie en gezamenlijke aanpak van ultra fast fashion. Hierbij kan worden gekeken naar bestaande voorbeelden, zoals in Frankrijk.
Wat is uw beleidsambitie op de breed aangenomen motie Stoffer c.s. over voor het begrotingsdebat IenW komen met een actieplan om ultrafast fashion aan te pakken (Kamerstuk 32 852, nr. 372) die oproept om de Franse anti ultra fast fashionwet te vertalen naar Nederland? Wanneer kunnen we concrete beleidsacties verwachten hieromtrent?
In de voortgangsrapportage textiel van 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak ultra fast fashion naar aanleiding van motie Stoffer c.s. Daarnaast heeft de Textieltafel, onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Steven van Eijck, partijen uit de textielketen samengebracht om te werken aan oplossingen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel. In het rapport «Samen verder in Circulair Textiel» doet de Textieltafel aanbevelingen om de circulaire textielketen te versterken. De Kamer ontvangt voor de zomer een kabinetsreactie, inclusief de verdere uitwerking van de aanpak van ultra fast fashion.
Het nieuws dat de Europese Commissie een formele klacht heeft gehonoreerd/opgepakt waardoor de grote verplichtstelling mogelijk in strijd is met EU-recht |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente uitlatingen van prof. van Meerten dat de Europese Commissie in 2026 zijn klacht (ingediend in 2021) over de grote verplichtstelling deelt? Zo ja, hoe luidt de positie van de Europese Commissie precies en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Voordat ik inga op de gedane uitlatingen, geef ik eerst een duiding van de terminologie. De grote verplichtstelling heeft betrekking op de wettelijke verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. De kleine verplichtstelling betreft de contractueel overeengekomen deelneming aan een pensioenregeling op grond van een cao.2 Ik ben op de hoogte van het feit dat de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot (informele pre-infractiefase) is gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds de rechtsvorm van een stichting opgericht naar Nederlands recht dient te hebben (hierna: stichtingsvereiste). In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat Nederland, door te eisen dat een (verplichtgesteld bedrijfstak-)pensioenfonds een Nederlandse stichting moet zijn, een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Ook een entiteit uit een ander EU land zou deze taak moeten kunnen uitvoeren, mits daartoe uitgenodigd door de sociale partners van een bedrijfstak.
Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten3, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de totstandkoming van de Wtp is ook stilgestaan bij en getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie is dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 van de EU-Pilot.4 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.5
Heeft u correspondentie ontvangen van de Europese Commissie of de Europese Ombudsman over deze klacht? Zo ja, wilt u deze correspondentie (eventueel geanonimiseerd) met de Kamer delen, inclusief eventuele termijnen die de Europese Commissie stelt?
Vanuit de Europese Commissie of de Europese Ombudsman is er geen informatie gedeeld over de klacht. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste geldt voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Welke risico’s ziet u voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en lopende transitietrajecten als de grote verplichtstelling inderdaad EU-rechtelijk onhoudbaar blijkt? Moet de wet dan worden aangepast en zo ja, op welke termijn?
Bij de totstandkoming van de Wet toekomst pensioenen is de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel uitgebreid aan de orde geweest6.
De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is. Deze conclusie is onderdeel van het uitgebreide wetgevingsproces geweest, waaronder advisering door de Raad van State. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden.
Bent u het eens dat de kleine verplichtstelling (verplicht pensioen opbouwen) wél gehandhaafd kan blijven, terwijl de grote verplichtstelling (aan één specifiek fonds) wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is hier niet aan de orde, zoals volgt uit het antwoord op vraag 3.
Hoeveel pensioenvermogen (en hoeveel deelnemers) valt momenteel onder de grote verplichtstelling?
Het aantal actieve deelnemers bij alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 6,7 miljoen (2024). Het belegd vermogen van alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 1.624 miljard euro (Q1 2026), waarvan circa 1.285 miljard euro (Q1 2026) bij bedrijfstakpensioenfondsen.7
Heeft het kabinet inmiddels een juridische analyse laten maken (bijv. door de landsadvocaat) over de houdbaarheid van de grote verplichtstelling onder het huidige EU-recht? Wilt u die analyse met de Kamer delen?
Zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is bij de totstandkoming van de Wtp de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel getoetst. De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is.
Wat is precies de strekking en reikwijdte van het oordeel van de Europese Commissie dat de Nederlandse stichting-eis voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) in strijd is met het EU-recht? Welke bepalingen van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) worden geschonden, en welke consequenties trekt het kabinet voor de Wet Bpf 2000 en de verplichtstellingsbesluiten?
In de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 ben ik hierop ingegaan.8 De in 2022 gestarte EU-Pilot had betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste op een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is. In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is de informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. De vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de Wtp is de houdbaarheid van de verplichtstelling, ook vanuit het Europese recht, onderbouwd. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
Voor het punt van het stichtingsvereiste is een wetswijziging in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting. Op deze manier wordt de noodzakelijke bescherming van de pensioendeelnemers – dat pensioengelden inclusief rendementen/winsten ten goede komen aan deelnemers – geborgd.
Daarnaast dient een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaat waarborgen waaronder een governancesysteem te hebben, dat de afbakening van taken en de controle van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden omvat, dat hetzelfde resultaat bereikt als de governance die van toepassing is op een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder. In overleg met de diensten van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders zal worden onderzocht hoe deze op resultaten gebaseerde beoordeling zo effectief mogelijk kan worden uitgevoerd, rekening houdend met de voorwaarden die gelden onder de (herziene) IORP II-richtlijn en het in Nederland gehechte belang aan de adequate bescherming van de belangen van deelnemers en gepensioneerden bij een verplichtstelling. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Is het niet rijkelijk laat, dat het kabinet aangeeft dat de wijziging bij de implementatie van de nieuwe IORP-richtlijn (Institutions for Occupational Retirement Provision-richtlijn) in Nederland gaat gebeuren, terwijl de stichting-eis al sinds 2016 geldt, en dus al tien jaar in strijd is met het EU-recht? Sinds wanneer is het kabinet hiervan op de hoogte (bijvoorbeeld via klachten bij de Europese Commissie of interne analyses)? Waarom handelde het kabinet niet? Volgens EU-recht experts is strijd met EU toch duidelijk? Heeft het kabinet zich laten leiden door het advies van prof. Lutjens en andere door de regering geraadpleegde pensioenexperts die het probleem überhaupt niet zagen? Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de situatie al geruime tijd onrechtmatig is? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze voortdurende inbreuk?
De EU-Pilot is gestart in 2022. In de afgelopen jaren heeft er een informele dialoog in de vorm van meerdere vertrouwelijke gesprekken plaatsgevonden tussen de Europese Commissie en Nederland. In deze gesprekken is de vraag behandeld of er sprake kan zijn van een ongeoorloofde belemmering van de Europese vrijheden. Een EU-Pilot is geen openbare procedure. Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 op de hoogte.9 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.10
Het is goed om vast te stellen dat het aan sociale partners is om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds te bepalen. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. Daarom ben ik van mening dat het voldoende tijdig is dit in de implementatiewetgeving van de IORP II-herziening mee te laten lopen.
Indien de strijdigheid al sinds (in elk geval) 2016 bestaat: welke maatregelen zijn sindsdien genomen om de situatie te herstellen? Hoe beoordeelt het kabinet de mogelijke terugwerkende kracht of aansprakelijkheid voor de periode waarin de stichting-eis onrechtmatig werd gehandhaafd? Worden schadeclaims verwacht van (buitenlandse) partijen of deelnemers?
Zoals onder andere aangegeven bij vraag 8 is de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland.
Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Sociale partners besluiten over de inhoud van de pensioenregeling en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. De kans op schadeclaims acht ik gelet hierop te verwaarlozen.
Zouden buitenlandse pensioenuitvoerders interesse hebben om een verplichtgestelde sectorregeling uit te voeren? Zo zou bijvoorbeeld United Pensions, de Belgische IORP van Aon interesse kunnen hebben. Zo ja, om welke partijen zou het verder kunnen gaan en hoe verloopt dan de beoordeling? Zo nee, waarom verwacht het kabinet dat de praktijk niet zal veranderen?
Het is primair aan sociale partners om verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds aan te vragen. Het is aan sociale partners om desgewenst de interesse bij buitenlandse uitvoerders in kaart te brengen.
Kunnen Premiepensioeninstellingen (PPI’s) en (buitenlandse) verzekeraars nu of binnenkort ook als uitvoerder optreden voor verplichtgestelde regelingen? Zo nee: waarom niet, terwijl PPI’s en verzekeraars in de niet-verplichte sfeer wél pensioenregelingen mogen uitvoeren en de IORP-richtlijn juist diversiteit van uitvoerders en grensoverschrijdende activiteiten beoogt te bevorderen? Hoe verhoudt deze uitsluiting zich tot de uitspraak van de Commissie en tot het EU-recht? Wordt de Wet Bpf 2000 op dit punt alsnog aangepast, en zo ja, binnen welke termijn? Zo ja: welke stappen worden genomen om PPI’s en verzekeraars (Nederlands én buitenlands) daadwerkelijk toe te laten, en hoe wordt voorkomen dat er nieuwe de facto belemmeringen ontstaan?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Voor zover noodzakelijk zullen dergelijke situaties daarin worden meegenomen. De instellingen die een verplichtstelling uitvoeren moeten, zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb aangegeven, wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting.
Is het «invaren» (overheveling van opgebouwde pensioenaanspraken) naar een buitenlandse uitvoerder nu ook mogelijk, of blijft dit beperkt tot Nederlandse Bpf’en? Indien het alleen binnen een Bpf kan: vormt dit geen nieuwe onrechtmatige belemmering van het EU-recht? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de overdracht van pensioenkapitaal naar een erkende buitenlandse entiteit zonder onnodige belemmeringen kan plaatsvinden?
Invaren is het omzetten van bestaande pensioenaanspraken en -rechten van de oude naar de nieuwe Wtp pensioenregeling.11 Invaren gebeurt altijd bij hetzelfde pensioenfonds, dit is een interne collectieve waardeoverdracht, en dus niet een uitgaande waardeoverdracht naar een andere uitvoerder.
Waardeoverdracht naar een buitenlandse pensioenuitvoerder is nu al onder voorwaarden op grond van de Pensioenwet mogelijk.12 Dat gaat ook gelden voor de waardeoverdracht van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, gelet op het wetsvoorstel in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt.
Indien het kabinet meent dat «er niets verandert» en sociale partners in de praktijk toch een Nederlands fonds kunnen aanwijzen: wat zegt dit over de prioriteit die wordt gegeven aan het belang van de deelnemer? Stel dat een buitenlandse partij (of een PPI/verzekeraar) aantoonbaar goedkoper, transparanter of met betere rendement-risico-verhoudingen kan opereren – hoe waarborgt het kabinet dan dat het belang van de deelnemer prevaleert boven het behoud van een Nederlands monopolie?
Het is aan sociale partners om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een pensioenuitvoerder te bepalen. Zij maken daarbij de weging wat in het belang is van alle groepen deelnemers.
Is het kabinet bekend met de rechtspraak van het Hof van Justitie (en latere jurisprudentie over vrijheid van vestiging), zoals Inspire Art Ltd (C-167/01, 30 september 2003) waarin werd geoordeeld dat extra nationale eisen aan een geldig opgerichte buitenlandse vennootschap in strijd zijn met de vrijheid van vestiging? Lidstaten mogen geen «eigen» rechtsvorm eisen of equivalenten opleggen om eigen regels af te dwingen. Hoe ziet het kabinet dit?
Ik ben bekend met de betreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat (o.a.) het stichtingsvereiste zal adresseren, zal ook worden ingegaan op de relevante jurisprudentie voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in het licht van de uitvoering van de pensioenregeling.
Welke concrete voorwaarden, toezichtseisen en waarborgen heeft het kabinet in gedachten voor buitenlandse entiteiten (inclusief PPI’s en verzekeraars) die een verplichtgestelde regeling willen uitvoeren? Hoe worden deze eisen getoetst op proportionaliteit, non-discriminatie en verenigbaarheid met de Inspire Art-doctrine?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Deze herziening volgt de gebruikelijke procedure van een wetgevingstraject, met de bijbehorende toetsen.
Ziet u kansen in een meer open stelsel met verplichte deelname aan een pensioenregeling, maar vrije keuze van uitvoerder? Hoe verhoudt zich dat tot de solidariteit en het polderoverleg met sociale partners?
Die vraag is nu niet aan de orde, de situatie waar het hier om gaat is het stichtingsvereiste bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in relatie tot het EU-recht.
Is het denkbaar dat Nederland een boete- of infractieprocedure krijgt van de Europese Commissie, en dat individuele werkgevers (zoals in de Booking.com-zaak) alsnog geconfronteerd worden met enorme navorderingen?
Onderdeel van de procedure bij een EU-Pilot is dat de Europese Commissie beziet of de gekozen oplossing voldoet. Als dat zo is dan is de kwestie opgelost, indien de Europese Commissie oordeelt dat het onvoldoende is, dan kan alsnog een infractieprocedure worden gestart. Indien die procedure zou eindigen in een boete, is dat een aangelegenheid van de Europese Commissie en de Nederlandse Staat. Individuele werkgevers staan daarbuiten.
Overigens ga ik ervan uit dat met verwijzing naar de Booking.com zaak wordt gedoeld op de rechtszaken tussen Booking.com en Stichting pensioenfonds PGB over de (premievordering in verband met) de verplichte aansluiting van Booking.com bij Stichting pensioenfonds PGB.13 Het vervallen van het stichtingsvereiste brengt geen wijziging aan in de werkgevers die onder de werkingssfeer van een verplichtstelling vallen. De voorgenomen wetswijziging houdt in dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Sociale partners kunnen als gevolg daarvan ook de pensioenregeling onderbrengen bij een verplichtgestelde pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
Welke stappen gaat u nemen om de Tweede Kamer proactief te betrekken bij deze ontwikkeling, bijvoorbeeld via een spoeddebat of een brief met een impactanalyse, voordat eventuele Europese stappen onomkeerbaar worden?
Het parlement wordt via de reguliere wijze meegenomen bij het wetstraject van de implementatiewet herziening van de IORP II Richtlijn. Ik wissel hierover uiteraard graag met uw Kamer van gedachten tijdens de reguliere commissiedebatten pensioenonderwerpen, waarvan de eerstvolgende nu gepland staat op 10 september 2026.
Waarom weigert het kabinet consistent om landsadvocaat-adviezen over het invaren van pensioenen openbaar te maken, terwijl in 2011 al expliciet werd erkend dat er (minstens) twee adviezen waren over het omzetten van oude rechten in een nieuw contract? Kunt u deze adviezen alsnog volledig (ongecensureerd) aan de Kamer doen toekomen?
Het standpunt over het openbaar maken van adviezen van de landsadvocaat is meermaals toegelicht.14 Bovendien staat het geheel los van de situatie rondom het stichtingsvereiste waar het hier om gaat.
Klopt het dat voormalig Minister Koolmees tijdens het debat over het pensioenakkoord in juni 2019 aan het Kamerlid Van Brenk (50PLUS) heeft bevestigd dat «het pensioenakkoord van de baan is» als de verplichtstelling in gevaar komt? Kunt u de consequenties hiervan, in het licht van de huidige inzet van de Europese Commissie, toelichten?
Ik kan het belang van de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel onderschrijven. Zoals ik ook in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is hier bij de totstandkoming van de Wtp uitgebreid bij stilgestaan, ook in debatten met uw Kamer, en is getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie was dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
Het bericht 'Taliban grijpen gewelddadig in bij protest voor vrouwenrechten Afghanistan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Taliban gewelddadig heeft ingegrepen bij een protest voor vrouwenrechten in Afghanistan?1
Hoe bent u van plan deze gewelddadige acties te veroordelen en op te volgen?
Wat gaat Nederland extra doen om Afghaanse vrouwen te beschermen en te ondersteunen tegen geweld en onderdrukking vanuit de Taliban?
Bent u bereid om lokale vrouwenorganisaties extra te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Gaat u, danwel in samenspraak met hulporganisaties danwel in Europees of VN verband, ervoor zorgen dat bewijs wordt verzameld en veiliggesteld zodat misdaden tegen vrouwen worden gedocumenteerd en beschikbaar zijn voor vervolging van daders? Zo ja, welke stappen bent u bereid te nemen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de oproep van The Human Rights Watch om onmiddellijke alle arrestanten vrij te laten en de gewonden medische zorg te bieden? Zo ja, hoe gaat u de druk op de Taliban opvoeren? Zo nee, waarom niet?
Hoe hebben deze berichten invloed op mogelijke onderhandelingen met de Taliban over het al dan niet terugsturen van Afghaanse vrouwen die in Nederland verblijven? Deelt u de mening dat het terugsturen van Afghaanse vrouwen naar de Taliban niet kan?
De invloed van FVD op de publieke omroep ON |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in het televisiedocumentaire De duistere kant van Forum voor Democratie over beïnvloeding van de publieke omroep ON door de politieke partij FVD, mede in het licht van onafhankelijke journalistiek bij publieke omroepen in het algemeen en onafhankelijke nieuwsgaring en verslaglegging in het bijzonder?1
De documentaire gaat in op mogelijke beïnvloeding van ON! door Forum voor Democratie. Het is niet aan mij om te vast te stellen of daar daadwerkelijk sprake van is. Ik kan hier wel het volgende over zeggen. De publieke omroep heeft tot taak om op een redactioneel onafhankelijke manier media-aanbod te verzorgen. In dat media-aanbod mogen politieke en maatschappelijke standpunten aan de orde komen, maar politieke beïnvloeding van redactionele keuzes is in strijd met de wettelijke taakopdracht die de publieke omroepen hebben. De maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke visie van waaruit een omroepvereniging werkt, kan overeenkomsten hebben met standpunten van politieke partijen. Maar dat is iets anders dan wanneer een omroepvereniging een spreekbuis of het propagandakanaal van een politieke partij is of wordt. Dat staat de Mediawet logischerwijs niet toe. De redactionele onafhankelijkheid is vastgelegd in de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep en in de wettelijk verplichte redactiestatuten van de omroepen. Daarnaast geldt voor journalistiek media-aanbod de Code Journalistiek Handelen die de gezamenlijke landelijke omroepen hebben vastgesteld. Het is aan het Commissariaat voor de Media respectievelijk de ombudsman voor de publieke omroep om te beoordelen of er in strijd met de wet respectievelijk de code is gehandeld.
Klopt het beeld dat de omroep deals heeft gesloten met FVD die invloed hebben op welke gasten deze in zijn uitzendingen uitnodigt? Als dit waar is, is dit dan strijdig met de redactionele onafhankelijkheid van de omroep?
Ik heb geen informatie die duidt op het sluiten van deals. Maar als dat het geval zou zijn, dan geldt wat ik in mijn antwoord op vraag 1 heb gesteld. Een publieke omroep hoort zijn redactionele beslissingen onafhankelijk te maken en daar valt ook de keuze van gasten onder. Overigens heeft ON! in zijn eigen redactiestatuut opgenomen dat de redactie de haar opgedragen programmatische journalistieke taken uitoefent zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, en dat de redactie geen directe binding heeft met enige politieke of levensbeschouwelijke groepering of met belangengroepen, anders dan een lidmaatschap.
Klopt het dat het ledenbestand van ON is gestolen?
ON! laat desgevraagd weten op de hoogte te zijn geweest van een mogelijk datalek. Daarop heeft de omroep intern onderzoek laten doen en een melding van een mogelijk datalek gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik kan slechts constateren dat in de documentaire van PowNed wordt gesteld dat een onbevoegd persoon over het ledenbestand van ON! zou beschikken.
In algemene zin kan toegang tot persoonsgegevens door een onbevoegde als een inbreuk op de vertrouwelijkheid gelden. Op grond van het eerste lid van artikel 33 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dient een inbreuk in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalek) door de verwerkingsverantwoordelijke gemeld te worden, tenzij het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
Of heeft de omroep het ledenbestand gedeeld met FVD? Mag dit volgens de regelgeving?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteen zetten hoeveel sancties de omroep heeft opgelegd gekregen en welke overtredingen deze heeft begaan volgens de NPO, de NPO-ombudsman en het Commissariaat voor de Media?
In 2022 heeft de NPO aan ON! twee sancties opgelegd. De eerste sanctie betrof een inhouding van 2,5% op het budget van ON! en volgde op een rapport van de ombudsman van 7 juni 2022 inzake overtredingen van de Code Journalistiek Handelen. De NPO oordeelde dat ON! daarmee onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking binnen de publieke omroep. De tweede sanctie betrof een inhouding van 1,5% van het budget van ON! omdat naar de mening van de NPO ON! door zijn opstelling en gedrag samenwerking belemmert en daardoor onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking. In 2023 heeft de NPO aan ON! een derde sanctie opgelegd in de vorm van inhouding van 3,5% van het budget van ON!, naar aanleiding van een tweede rapport van de ombudsman van 30 november 2022 waarin deze concludeert dat de Code Journalistiek Handelen door ON! structureel wordt overtreden. Volgens de NPO bleek wederom dat ON! onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking. Overigens heeft de NPO in 2024 de eerste twee van de drie sancties om proceseconomische redenen herroepen.
In het jaarverslag van de ombudsman kan men vinden wat de ombudsman binnenkrijgt aan aantallen klachten over de diverse omroepen. Op de website van de ombudsman staan ook de publicaties van de ombudsman naar aanleiding van klachten en vragen van het publiek. Niet elke klacht leidt tot een onderzoek en niet elk onderzoek leidt tot een harde conclusie over het al dan niet schenden van de Code Journalistiek Handelen. In meerdere uitspraken naar aanleiding van klachten over ON! heeft de ombudsman adviezen voor verbetering aangedragen. In een viertal uitspraken heeft de ombudsman scherp geoordeeld dat sprake is van schendingen van de Code. Behalve de reeds genoemde twee onderzoeksrapporten betreft het de volgende twee uitspraken. In de uitspraak van 17 augustus 2023 over de eerste uitzending van het derde seizoen van Ongehoord Nieuws op 31 januari 2023 concludeert de ombudsman onder meer dat presentatoren niet doorvroegen naar onderbouwing van beweringen van sprekers, waardoor voor goed begrip belangrijke context ontbrak en aantoonbaar onjuiste informatie niet werd gecorrigeerd. In een uitspraak van 11 februari 2026 over de uitzending van Ongehoord Nieuws van 14 oktober 2025 concludeert de ombudsman dat op meerdere punten niet aan de Code Journalistiek Handelen is voldaan: feiten, meningen en beweringen liepen door elkaar en belangrijke uitspraken werden niet onderbouwd met controleerbare bronnen. Ik merk hierbij op dat de ombudsman geen bevoegdheden heeft om sancties op te leggen.
Het Commissariaat voor de Media heeft op 18 september 2025 een bestuurlijke boete opgelegd aan ON! van in totaal € 40.000 omdat ON! op twee manieren de Mediawet 2008 heeft overtreden. Allereerst doordat in twee gevallen (de schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan, namelijk doordat een bestuurder van ON! verantwoordelijk is geweest voor personeelsaangelegenheden van een familielid en doordat er vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker heeft plaatsgevonden. Ten tweede heeft het Commissariaat geconstateerd dat ON! haar eigen redactiestatuut niet heeft nageleefd omdat een lid van de redactie van ON! directe binding had met een politieke partij (verdergaand dan alleen een lidmaatschap). Verder heeft het Commissariaat nog een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting. Deze last is door ON! opgevolgd en de dwangsom is niet geïnd.
Klopt het dat u volgens de Mediawet als enige bevoegd bent om de licentie van een publieke omroep in te trekken?
Het klopt dat op grond van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 alleen de Minister bevoegd is om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken.
Hoeveel van zulke «gele kaarten» kan ON zich uws inziens nog permitteren, voordat u het gepast vindt de zendmachtiging in te trekken?
Intrekken van een (voorlopige) erkenning is een zeer ingrijpende beslissing waarvoor een zeer zware motiveringsplicht geldt. Een (voorlopige) erkenning kan dan ook alleen ingetrokken worden op in de wet vastgelegde limitatieve gronden (artikel 2.33 Mediawet 2008). De wet onderscheidt daarbij gevallen waarbij er geen afwegingsruimte voor de Minister is en een (voorlopige) erkenning moet worden ingetrokken (artikel 2.33, lid 1) en gevallen waarin een (voorlopige) erkenning kan worden ingetrokken en er dus afwegingsruimte voor de Minister is (artikel 2.33, lid 2 tot en met 4). In die laatste gevallen heeft de Minister een belangenafweging te maken, waarbij in elk geval het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) toepassing vindt. Dit betekent dat de Minister moet beoordelen of intrekking van de erkenning, gelet op het doel van de Mediawet 2008, een geschikt, noodzakelijk en proportioneel middel zou zijn. In 2023 heeft toenmalig Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onvoldoende juridische grond gezien om tegemoet te komen aan een verzoek van de raad van bestuur van de NPO om op grond van artikel 2.33, lid 4, Mediawet 2008 de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Bij de vraag of de opgelegde sancties van het Commissariaat inmiddels voldoende grondslag zijn om de voorlopige erkenning in te trekken, moeten de aard en ernst van de overtredingen en de overwegingen van het Commissariaat daarbij worden meegewogen. Ook de overwegingen en conclusies van de evaluatiecommissie NPO kunnen in de afwegingen worden betrokken. Naar aanleiding van het rapport van de evaluatiecommissie, hebben omroepen de NPO verzocht mij te vragen passende maatregelen te nemen. De NPO beraadt zich nu op dat verzoek.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over de landelijke publieke omroep van 24 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht «Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op»?1
De tekorten op de instandhoudingsopgave maken onderdeel uit van de grote financiële opgave op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds. Daarover is de Tweede Kamer op 16 maart jl. geïnformeerd. Zo kan Rijkswaterstaat op dit moment de benodigde vernieuwingsprojecten alleen nog starten door de uitvoering van andere noodzakelijke vernieuwingsprojecten te vertragen of uit te stellen. Ook is gemeld dat voor exploitatie en onderhoud Rijkswaterstaat nu al scherpe keuzes moet maken en werkzaamheden in tijd naar achteren moet schuiven om binnen de financiële kaders te blijven voor 2026–2030. Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is hier een concreet voorbeeld van. Eerder dit jaar heeft Rijkswaterstaat ook groot onderhoud op de A12 stopgezet en het werk naar achteren geschoven. Het gaat om niet acuut noodzakelijk onderhoud. De veiligheid is door het uitstellen van het onderhoud niet in het geding en er is daarom geen sprake van snelheidsverlagende maatregelen en afsluitingen. Daar waar de veiligheid wel in het geding is neemt Rijkswaterstaat altijd de noodzakelijke maatregelen. Dit jaar net als vorig jaar is en wordt er veel groot onderhoud gepleegd aan de wegen in Noord Nederland. De werkzaamheden die in uitvoering zijn gaan gewoon door.
Kunt u toelichten waarom juist deze wegen in Noord-Nederland zijn geschrapt van de lijst voor groot onderhoud?
Er is geen sprake van het definitief schrappen van groot onderhoud van deze wegen. Wel is gekozen voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding en het herprioriteren van de planning. Het betreft preventieve onderhoudswerkzaamheden die gepland stonden voor 2027 en 2028, waaronder werkzaamheden in:
Is het toeval dat dit uitstel van onderhoud terechtkomt bij wegen in één regio, of is Noord-Nederland om strategische redenen van de lijst gehaald?
De uitgestelde werkzaamheden worden meegenomen in het bredere afweegkader. Door te herprioriteren willen we de basis van onze infrastructuur weer op orde krijgen. Zo werken we aan een stevig fundament voor de bereikbaarheid en de economie van ons land, waar we daarna op verder kunnen bouwen. Dit is in lijn met het Coalitieakkoord en de lijn om de prioritaire inspanning te richten op de instandhouding van de infrastructuur.
Welke afwegingen zijn er gemaakt om het groot onderhoud in het Noorden uit te stellen?
Zie het antwoord bij de vragen 1 en 3.
Is bij deze keuze rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio? Is rekening gehouden met de verkeersveiligheid? En met alternatieve routes?
Bij de keuze voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is uiteraard rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio, de verkeersveiligheid en de beschikbaarheid van alternatieve routes. Zoals in antwoord 1 aangegeven gaat het om niet acuut noodzakelijk onderhoud. Daar waar de veiligheid en bereikbaarheid in het geding is neemt Rijkswaterstaat de noodzakelijke maatregelen.
Wat zijn de langetermijnmeerkosten van het uit- of afstellen van onderhoud aan wegen?
Het uitstellen van onderhoud kan leiden tot hogere kosten op de langere termijn. Naarmate de staat van de infrastructuur verder verslechtert, kunnen zwaardere en daarmee kostbaardere onderhouds- of vervangingsmaatregelen noodzakelijk worden. De omvang van deze eventuele meerkosten verschilt per project en is niet eenvoudig te kwantificeren. De omvang van het uitgesteld onderhoud is de afgelopen jaar gestegen naar € 2.525 mln (stand jaarverantwoording 2025) waarvan 1.133 mln voor het hoofdwegennet.
Tegelijkertijd maakt de huidige budgettaire situatie het noodzakelijk om onderhoudsmaatregelen zorgvuldig te prioriteren en te faseren. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt daarom aan een herprioritering van onderhouds- en vervangingsopgaven binnen de beschikbare financiële kaders.
Bij deze afweging wordt steeds gezocht naar een balans tussen de gevolgen op korte en lange termijn, de risico’s voor de infrastructuur en het borgen van een veilig, beschikbaar en betrouwbaar netwerk. De staat van de infrastructuur wordt daarbij continu gemonitord, zodat waar nodig tijdig aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voor het a.s. commissiedebat Strategische bereikbaarheid?
Ja.
Het bericht 'Torenhoge salarissen omroepbazen stegen nóg verder, terwijl gewone medewerkers vrezen voor hun baan' |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat salarissen van omroepbestuurders sterker zijn gestegen dan die van het overige personeel terwijl tegelijkertijd sprake is van bezuinigingen en ontslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke loonontwikkeling waarbij bestuurders relatief sterker vooruitgaan dan medewerkers een onwenselijk signaal afgeeft in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd? Zo nee, waarom niet?
Voor de bezoldiging van bestuurders gelden heldere regels. De bezoldiging van bestuurders en toezichthouders in de publieke sector zijn gemaximeerd door de Wet Normering Topinkomens (WNT). De maximale bezoldiging van de WNT wordt ieder jaar geïndexeerd met het percentage van de ontwikkeling van de contractuele loonkosten voor de overheid.
Dit voorkomt dat de bezoldiging te hoog wordt of te sterk stijgt.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot het uitgangspunt dat publieke middelen sober, doelmatig en maatschappelijk verantwoord moeten worden besteed?
De loonontwikkeling van de bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris is gemaximeerd door de WNT. Die maximering is juist gebaseerd op het uitgangspunt van een sobere, doelmatige en maatschappelijk verantwoorde besteding van publieke middelen. Ik ben van mening dat organisaties die een publieke taak hebben en die bekostigd worden met publiek geld, hun bestuurders en toezichthouders ordentelijk behoren te betalen. Ordentelijk betekent: evenwichtig, maatschappelijk verantwoord en niet exorbitant.
Klopt het dat bestuurdersbeloningen veelal meestijgen met het maximum van de Wet normering topinkomens (WNT)? Acht u het wenselijk dat dit maximum in de praktijk als richtpunt fungeert in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd?
De WNT kent bewust alleen maxima, daarbinnen is het aan de bestuurder als topfunctionaris en de instelling als werkgever om tot afspraken over de bezoldiging en de overige arbeidsvoorwaarden te komen. Als partijen een bezoldiging op het maximum afspreken, is dat dus niet verboden door de WNT. Het is dan aan partijen zelf om ervoor te zorgen dat de bezoldiging niet boven dat maximum uitkomt, zo zal bijvoorbeeld bij verhoging van één component van de bezoldiging een of meer andere componenten dienovereenkomstig moeten worden verlaagd. Overigens geldt voor de bestuurders in de publieke mediasector dat er aparte, verlaagde, maxima zijn afgesproken die afhankelijk zijn van de bestuurlijke complexiteit van de instelling.
Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen uitgaven aan bestuur, toezicht en management enerzijds en het programmabudget anderzijds over de afgelopen vijf jaar?
De financiële verantwoording van de omroepen is niet ingericht op de termen bestuur, toezicht en management. Wel wordt bij de omroepen een onderscheid gemaakt tussen organisatiekosten en kosten voor media-aanbod. Bij de NPO-organisatie wordt een onderscheid gemaakt tussen bestuur en beheer, ondersteuning aan de ene kant en gemeenschappelijke activiteiten (o.a. kosten voor rechten en distributie) aan de andere kant. Op basis van dit onderscheid is het aandeel organisatiekosten in de totale kosten van het bestel circa 14%.
In de Mediabegrotingsbrief 2027 zal ik een meerjarenoverzicht van de afgelopen jaren opnemen.
In hoeverre acht u het verdedigbaar dat bij bezuinigingen primair wordt gesneden in programmering en redactionele capaciteit terwijl bestuurlijke lagen relatief worden ontzien?
De landelijke publiek omroep is onafhankelijk. Het is dan ook primair aan de NPO en de omroepen om te bepalen hoe de bezuinigingen worden ingevuld. Het uitgangspunt daarbij is wel om de programmering zoveel als mogelijk te ontzien. Om die reden wordt er bij de invulling van de bezuinigingen ook bespaard op de organisatiekosten van de NPO en de omroepen.
Deelt u de opvatting dat een publieke omroep bij bezuinigingen bij zichzelf dient te beginnen en dat dit impliceert dat ook de top van de organisatie naar rato bijdraagt aan besparingen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
In hoeverre verwacht u dat de hervormingen binnen de publieke omroep leiden tot lagere overhead en een beperking van bestuurlijke kosten?
De voorgenomen hervorming gaat leiden tot minder organisaties en minder bestuurlijke afstemming. Dat leidt ook tot een lagere totale overhead en minder bestuurlijke kosten.
Waarom is er voor gekozen om pas in het vierde kwartaal van 2026 een voorstel te doen voor een benchmark voor overheadkosten? Waarom is er niet gekozen voor versnelling, gelet op de actuele maatschappelijke en politieke discussie over bezuinigingen en bestedingen binnen de publieke omroep?2
De keuze voor het vierde kwartaal is gebaseerd op benodigde tijd voor afstemming, in een periode waarin er al veel tijd en aandacht nodig is om de voorgenomen hervorming en bezuinigingen goed vorm te geven en uit te werken.
Ook zonder benchmark bestaan er al afspraken en regelingen voor de hoogte en transparantie van de verschillende kosten. Omroepen rapporteren op basis van het handboek financiële verantwoording3 al jaarlijks over de hoogte van de organisatiekosten. De vergoeding voor organisatiekosten die omroepen ontvangen is genormeerd in de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO, waarmee de vergoeding voor organisatiekosten wordt bepaald, gerelateerd aan de hoogte van het programmabudget. De NPO rapporteert jaarlijks over de kosten van de eigen NPO-organisatie en maakt daarbij een onderscheid tussen kosten voor gemeenschappelijke activiteiten voor het gehele bestel (o.a. rechten en distributiekosten) en kosten voor bestuur en beheer en ondersteuning.
Kunt u uiteenzetten welke concrete definities en afbakeningen u hanteert voor «overhead» zodat inzichtelijk wordt welke kosten wel en niet onder deze toekomstige norm vallen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik een benchmark wil vormgeven en toepassen. Het uitgangspunt is om daarbij zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de al bestaande definities uit het handboek financiële verantwoording en het onderscheid dat daarin voor de financiële verantwoording voor omroepen al wordt gemaakt tussen kosten voor media-aanbod en organisatiekosten.
Hoe wordt gewaarborgd dat de voorgenomen benchmark daadwerkelijk vergelijkbaarheid en transparantie oplevert tussen omroepen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik de benchmark wil vormgeven en toepassen. Het borgen van vergelijkbaarheid en transparantie is daar onderdeel van. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door vastlegging van definities en van rapportageafspraken.
Waarom wilt u, gezien de aanzienlijke hoeveelheid publieke middelen, geen koppeling maken tussen bezuinigingen op het mediabudget en besparingen op bestuur en toezicht vanwege de onafhankelijkheid van de publieke omroep? Hoe voorkomt u in dat licht dat bezuinigingen in de praktijk onevenredig neerslaan bij programma’s en makers?
Een directe koppeling vanuit de overheid tussen de hoogte van het totale mediabudget en de hoogte van uitgaven aan een specifieke kostencategorie is onwenselijk. Dat geldt voor alle uitgaven, ook de uitgaven aan bestuur en toezicht. De publieke omroep moet daarin onafhankelijk keuzes kunnen maken, binnen de kaders en randvoorwaarden die de wet- en regelgeving, waaronder de WNT, daaraan stellen. Zoals ook gesteld bij het antwoord op vraag 6 wordt bij de invulling van de huidige bezuinigingen ook bespaard op organisatiekosten bij de NPO en de omroepen.
Welke andere instrumenten of prikkels ziet u om te bevorderen dat ook binnen bestuur, toezicht en management kritisch wordt gekeken naar kostenreductie?
De kaders en randvoorwaarden uit wet- en regelgeving vormen tezamen het instrumentarium en de prikkel om te bevorderen dat kritisch wordt gekeken naar kostenreductie. Daarbij gaat het onder andere om de WNT, om de wettelijke opdracht om middelen doelmatig te besteden en om de organisatie sober, doelmatig en evenwichtig in te richten en om de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO. Ook een transparante verantwoording en gebruik van een benchmark kan hieraan bijdragen.
In hoeverre acht u het voldoende dat bestuurdersbeloningen enkel worden begrensd via de WNT, gegeven het feit dat binnen dat kader alsnog sprake kan zijn van aanzienlijke salarisstijgingen?
Ik acht het voldoende dat de WNT alleen de maximale bezoldiging begrenst. Binnen die normen is het aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Tot hoe ver reikt de onafhankelijkheid van de NPO wanneer het gaat over de invulling van bezuinigingen? Waar zit de grens voor u om te besluiten in te grijpen bij disproportionele salarissen/beloningen van individuele medewerkers, bestuurders of toezichthouders?
De onafhankelijkheid van de NPO en de omroepen is een groot goed, die wat mij betreft ver reikt. Dat geldt ook voor de invulling van de bezuinigingen, zolang dat gebeurt binnen de kaders en randvoorwaarden van de wet- en regelgeving, waaronder de WNT.
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een koppeling tussen bezuinigingen en de bijdrage van de bestuurlijke top het risico vergroot dat het draagvlak voor de publieke omroep onder druk komt te staan?
Die opvatting deel ik niet. Ik vind het voor het draagvlak wel belangrijk dat de NPO en de omroepen transparant rapporteren over de manier waarop de beschikbare middelen worden ingezet en welke keuzes daarbij worden gemaakt. Het gebruik van een benchmark voor overhead kan daaraan bijdragen.
Hoe verhoudt uw standpunt dat de overheid geen partij is bij individuele beloningsafspraken zich tot de systeemverantwoordelijkheid voor doelmatige besteding van publieke middelen?
De systeemverantwoordelijkheid van de overheid voor doelmatige besteding van publieke middelen wordt onder andere ingevuld door de maximering van bezoldigingen van topfunctionarissen door de WNT. Dat verhoudt zich goed tot het standpunt dat het daarbinnen aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever is om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Kunt u toelichten hoe de Kamer tijdig wordt betrokken bij de uitwerking van de overheadnorm en de onderliggende keuzes?
Uw Kamer wordt geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking en de onderliggende keuzes in de Mediabegrotingsbrief 2027. Het is daarna ook aan uw Kamer zelf om te bepalen of en hoe uw Kamer zich daarin kan vinden en welke uitwerking en betrokkenheid gewenst is.
Bent u bereid om, vooruitlopend op de definitieve benchmark, tussentijds inzicht te geven in de huidige overheadpercentages en mogelijke bandbreedtes voor een norm?
Zie het antwoord op vraag 5.
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Het wettelijk kader voor dierentuinen bestaat uit de Europese dierentuinrichtlijn (Richtlijn 1999/22/EG), die in Nederland is geïmplementeerd in paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). De Europese richtlijn heeft als doelstelling de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit. Iedere dierentuin in Nederland is vergunningplichtig. In artikel 4.10 van het Bhvd geldt als vergunningsvoorwaarde dat dierentuinen een bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van diersoorten onder andere door middel van het deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving. In Nederland zijn geen regels voor populatiemanagement. Dat ligt bij de dierentuinen zelf en dit gebeurt veelal in internationaal verband. Buiten de publiekrechtelijke voorschriften kunnen dierentuinen ook onderling afspraken maken, bijvoorbeeld via de Europese brancheorganisatie voor dierentuinen, EAZA.
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Ja. Dierentuinen moeten continue de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van een individueel dier en het belang van de populatie als geheel in het kader van soortbehoud. In de praktijk betekent dit dat dierentuinen soms moeilijke keuzes moeten maken. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) geeft aan dat in de praktijk het welzijn van individuele dieren en het welzijn en de levensvatbaarheid van de groep en populatie als geheel zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging per soort, per groep en per situatie.
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de diersoort en per situatie. Herplaatsing en aanpassing van groepssamenstellingen zijn hierbij twee van de mogelijkheden, maar zijn niet altijd mogelijk. Andere opties zijn tijdelijke of structurele scheiding, aanpassing van huisvesting, en het voorkomen of beperken van voortplanting via anticonceptie. Deze opties hebben ieder consequenties voor dierenwelzijn en diergezondheid. Samenwerking binnen de sector is belangrijk om de kansen op succesvolle herplaatsing te vergroten. Daarom is er ook veel sprake van internationale samenwerking.
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Binnen de Europese fok- en instandhoudingsprogramma's van EAZA, zogenoemde EEP's (EAZA Ex situ Programmes), houden dierentuinen rekening met beschikbare plekken voor nakomelingen in de toekomst. Elk EEP heeft een coördinator. Er wordt ook rekening gehouden met genetische diversiteit, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding en sociale groepsdynamiek van diersoorten. Toch is niet alles te plannen of te voorspellen. Vooraf weet je vaak niet hoeveel nakomelingen geboren zullen worden en ook weet je niet of de nakomelingen mannetjes of vrouwtjes zullen zijn, terwijl groepen vaak specifieke verhoudingen tussen mannen en vrouwen vereisen. Ook kan de groepsdynamiek veranderen waardoor het noodzakelijk kan zijn om dieren van elkaar te scheiden. Het is niet zomaar mogelijk om afgesplitste dieren te herplaatsen in bestaande groepen. Dit kan de dynamiek namelijk verstoren. Daarom is het onmogelijk om vooraf met zekerheid plekken voor alle dieren te regelen.
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Het behouden van een gezonde populatie kan een dierentuin niet alleen. Daarom is intensieve (internationale) samenwerking en het opdoen van meer kennis en innoveren belangrijk. Dierentuinen geven zelf aan dat onder andere data uitwisseling, verdere ontwikkeling van stamboeken en registratiesystemen, en meer kennis over de gevolgen van anticonceptie hierin een rol spelen.
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Dierentuinen vervullen een belangrijke rol in onze maatschappij en kunnen rekenen op een groot draagvlak. Uit onderzoek van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders (70%) positief tegenover dierentuinen staat. Slechts een klein deel (7%) heeft een afwijzende houding. Mensen vinden het fokken met bedreigde diersoorten en het (financieel) ondersteunen van programma’s die diersoorten beschermen en voorkomen dat diersoorten uitsterven de belangrijkste taken van een dierentuin.2
Mogelijke maatschappelijke kritiek speelt een rol in de terughoudendheid vanuit de sector om informatie rondom populatiebeheer te delen. Ik begrijp die zorgen. Toch is het belangrijk voor de toekomstbestendigheid van dierentuinen, dat ze zorgvuldige, transparante en navolgbare keuzes maken. Transparantie over de onderzochte alternatieven en context van het bredere doel kunnen hieraan bijdragen.
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen grotendeels voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen. Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Het doden van surplus dieren kan in sommige gevallen noodzakelijk zijn voor populatiemanagement, om vergrijzing binnen een populatie tegen te gaan en genetische variatie te behouden. De huidige kaders maken dit mogelijk.
Tegelijkertijd zie ik ook dat de huidige situatie maatschappelijk veel vragen en emoties oproept. Op dit moment werk ik maatregelen uit om uitvoering te geven aan de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). De Kamer wordt hierover vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector en een aantal stakeholders, zoals EAZA, de Europese dierentuinorganisatie die de instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen coördineert. Uit deze gesprekken zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die mee worden genomen in de uitvoering van de motie. Ook deze casus zal ik daarin meenemen.
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). Deze casus zal ik daarin meenemen.
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Don Ceder (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Simon Ceulemans (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Het bericht dat de dader van de kunstroof Assen in de gevangenis een kledinglijn opzet met gouden helm als logo |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dader kunstroof Assen zet in gevangenis kledinglijn op met gouden helm als logo»?1
Wat vindt u ervan dat een gedetineerde een webshop kan oprichten en kennelijk kan exploiteren vanuit de gevangenis?
Waarom mag een gedetineerde het postadres van de gevangenis gebruiken voor een webshop?
Wat vindt u ervan dat iemand die procesafspraken maakt met het Openbaar Ministerie en altijd heeft gezwegen over zijn rol, een webshop opricht en/of daarbij betrokken is, met T-shirts over het strafbare feit dat hij heeft gepleegd?
Waarom is het oprichten van een rechtspersoon vanuit de gevangenis, of het betrokken zijn bij die oprichting daarvan, toegestaan?
Wat is er gebeurd sinds de toezegging van de toenmalig Minister in de Kamerbrief van 22 november 2021 dat het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden zou worden gelegd (Kamerstuk 29 911, nr. 339)?
Bent u bereid om het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden te leggen? Zo ja/nee, waarom?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gedetineerden niet betrokken kunnen zijn bij het exploiteren van ondernemingen terwijl zij hun straf ondergaan?
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg , Berendsen , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische uitlatingen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme was een onafhankelijk adviescollege dat voor vier jaar, op verzoek van de Tweede Kamer, is ingesteld. De staatscommissie had als opdracht wetenschappelijk onderzoek te doen en op basis daarvan advies te geven over beleid, wet- en regelgeving om discriminatie en racisme tegen te gaan. Deze adviezen richten zich zowel op de overheid alsook op het parlement en de samenleving. De Staatscommissie heeft om invulling te geven aan deze opdracht een werkprogramma opgesteld. Hierin stond de werkwijze en inhoudelijke lijnen beschreven waarlangs de staatscommissie gedurende vier jaar haar onderzoek vormgaf en uitvoerde.
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren» zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben. Politici moeten kritiek kunnen uitoefenen op het beleid en standpunten over de inrichting van de samenleving kunnen uitdragen. Kamerleden kunnen niet strafrechtelijk vervolgd worden voor wat zij in de vergaderingen van het parlement zeggen. Dit vind ik zelf ook belangrijk.
Aan de andere kant heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook gezegd dat politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.
Woorden doen er immers toe, in het bijzonder die van politici. Onze uitspraken kunnen een grote invloed hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen met elkaar omgaan. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid, als kabinet en parlement, om het goede voorbeeld te geven. Dit draag ik ook uit.
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de rechter en het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel te vellen over de vraag of er in een specifiek geval sprake is van discriminatie of racisme. Wel zie ik het als taak van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme om, als onafhankelijk adviescollege, met algemene aanbevelingen te komen voor het kabinet, alsook voor de samenleving als geheel. Uit het onderzoek van de staatscommissie blijkt dat uitlatingen van Kamerleden invloed hebben op uitingen in kranten en op sociale media en omgekeerd.
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden, Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers? Zo ja, waarom?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting op geven?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme noemt in haar eindrapport een aantal recente voorbeelden van uitingen en handelingen waarvan zij constateren dat die (direct of indirect) bijdragen aan structurele patronen van discriminatie en racisme in de Nederlandse samenleving. De staatscommissie beschrijft deze voorbeelden niet om individuele politici aan te spreken, maar om een breder patroon van politieke terughoudendheid te illustreren. Er worden daarbij voorbeelden van verschillende politici en politieke partijen aangehaald.
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Het is nog te vroeg om op specifieke aanbevelingen van de staatscommissie in te gaan. Dit vraagt om nadere bestudering, overleg en afstemming. Tijdens het Commissiedebat discriminatie, racisme en mensenrechten van 21 mei 2026 heb ik toegezegd met een kabinetsreactie te komen op het eindrapport van de staatscommissie en op enkele van de voortgangsrapportages. In deze kabinetsreactie zal ik ook ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. Goede beheersing van de Nederlandse taal blijft van belang voor de kwaliteit van dienstverlening en communicatie met burgers.
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Zoals meermaals is aangegeven in recente debatten en in antwoord op Kamervragen, gelden bij het Rijk geen streefcijfers of voorkeursbeleid bij werving en selectie. Het beleid binnen het Rijk ziet toe op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie, op basis van de functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie.
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme heeft op 8 juni 2026 haar eindrapport gepresenteerd. De staatscommissie was voor vier jaar ingesteld en de commissie is na het presenteren van haar eindrapport en het afronden van haar onderzoek opgeheven. Dit is ook zo opgenomen in het instellingsbesluit.
Het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen |
|
Jimmy Dijk (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen?1, 2
Bent u het ermee eens dat deze enorme gezondheidsachterstanden onacceptabel zijn?
Wat gaat u doen om de hoge babysterfte en de andere gemeten achterstanden in Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)-wijken tegen te gaan?
Erkent u dat de crisis in de kraamzorg en het daardoor veroorzaakte tekort in de kraamzorg extra risicovol zijn in deze wijken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is om de acute verloskundeafdeling in Heerlen te sluiten, terwijl baby’s die in Heerlen-Noord geboren worden zo’n 25 procent vaker een te laag geboortegewicht hebben en dus kwetsbaarder zijn?
Bent u bekend met het artikel «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: «Dit is niet uit te leggen»»?1
Deelt u de mening dat het belangrijk is zorginnovaties met overheidsbeleid te ondersteunen zodat de kwaliteit van zorg hoog blijft, wachtlijsten worden teruggedrongen en economische groei wordt aangewakkerd?
Ziet u mogelijkheden om doorlooptijden van regelgeving voor medische innovaties, zoals vergunningen, te verkorten? Zo ja, op welke manier?
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Martens-America over het verbeteren van deal terms voor intellectueel eigendom (Kamerstuk 32 637, nr. 744), welke verzoekt om deal terms te verbeteren, bijvoorbeeld door medische universiteiten bij deal terms aan te laten sluiten? Gaat u de deadline halen om uiterlijk einde van dit jaar over verbeteringen aan de Kamer te rapporteren?
Bent u bereid een meer coördinerende rol op zich te nemen voor investeringen in innovaties vanuit de markt in de zorg, zodat bijvoorbeeld zorgverzekeraars worden verleid samen te investeren in innovaties en verzekeraars hier niet van afzien uit angst dat andere verzekeraars op hun innovaties «meeliften», zoals in het aangehaalde artikel beschreven?
Ziet u een rol weggelegd voor de nieuwe Nationale Investeringsinstelling met betrekking tot het stimuleren van medische innovaties en zo ja, welke?
Het bericht ‘Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat de positie van aanklager Karim Khan onhoudbaar is en zal Nederland, als één van de beslissende staten, daarom ook voor zijn ontslag stemmen? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld moet worden dat de beschuldigingen aan het adres van de Aanklager van het Internationaal Strafhof (ISH) zeer verontrustend zijn. De Aanklager moet aan de hoogste standaarden worden gehouden. Het oordeel van het dagelijkse bestuursorgaan van de Vergadering van verdragspartijen – het zogenaamde Bureau, waar 21 van de 125 verdragspartijen zitting in hebben2 – dat er sprake is geweest van «ernstig wangedrag» en «ernstig plichtsverzuim» roept ernstige vragen op voor wat betreft de houdbaarheid van de positie van de Aanklager.
De vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop het Bureau zijn beslissing heeft gebaseerd zullen zorgvuldig worden bestudeerd door Nederland en in overleg met andere verdragspartijen zal worden bezien welke conclusies hier aan moeten worden verbonden. Uw Kamer zal per brief worden geïnformeerd over de Nederlandse inzet tijdens de Speciale Zitting van de Vergadering van verdragspartijen die in het kader van deze procedure zal worden gehouden op 24 juli 2026 in New York.
Zal Nederland het arrestatiebevel gericht tegen leden van de Israëlische regering handhaven, gelet op het feit dat dit mogelijk door valse intenties tot stand is gekomen? Zo ja, waarom?
Het systeem van het Hof is zo ingesteld dat de verschillende organen van het Hof onafhankelijk van elkaar opereren, waarbij het aan de rechters is om arrestatiebevelen en vonnissen uit te vaardigen volgens de standaarden die zijn vastgelegd in het Statuut van Rome. Dit betekent dat de arrestatiebevelen van het ISH niet worden uitgevaardigd door de Aanklager, maar door de Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) die bestaat uit drie onafhankelijke rechters. De Aanklager kan slechts een verzoek om een arrestatiebevel bij de Kamer van Vooronderzoek indienen en het is vervolgens aan de rechters om te beoordelen of er voldoende bewijs is voor het uitvaardigen van een arrestatiebevel. Aan de hand van de door de rechters uitgevaardigde arrestatiebevelen kan het ISH landen verzoeken om aanhouding en overlevering.
Voor Nederland geldt dat – conform de verplichtingen onder het Statuut van Rome – elk verzoek om aanhouding en overlevering dat Nederland ontvangt van het ISH direct in behandeling wordt genomen, zoals ook is opgenomen in de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.
Hoe beoordeelt Nederland deze (seksuele) wanpraktijken bij het Internationaal Strafhof en welke consequenties voor de geloofwaardigheid van het Hof heeft dit?
Zie het antwoord op vraag 2. Nederland staat als gastland en verdragspartij achter het ISH en de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. De geloofwaardigheid van het Hof staat niet ter discussie. Het kabinet acht het van groot belang dat de procedures van het ISH voor het onderzoeken en beoordelen van aantijgingen van wangedrag tegen individuele ambtsdragers van het Hof worden gevolgd.
Welke consequenties verbindt Nederland aan de geloofwaardigheid en de bindende kracht van het Internationaal Strafhof, gezien het feit dat vergaande beslissingen klaarblijkelijk op arbitraire gronden genomen worden?
Het kabinet herkent niet het beeld dat het ISH vergaande beslissingen op arbitraire gronden neemt. Zie ook de antwoorden op de vragen 3 en 4.
Welke stappen kan Nederland, en zult u specifiek als Minister, ondernemen tegen deze ambtsbekleder die waarschijnlijk strafbare feiten heeft gepleegd op Nederlandse bodem?
Zie het antwoord op vraag 2. De Vergadering van verdragspartijen zal zich tijdens de speciale zitting buigen over de beslissing van het Bureau en de onderliggende rapporten om te bezien welke conclusies hier aan verbonden moeten worden. Nederland zal hier als een van de 125 verdragspartijen aan deelnemen en na beoordeling van de onderliggende informatie naar behoren handelen.
Voor wat betreft eventuele mogelijkheden van strafrechtelijke vervolging voor vermeende feiten die zijn gepleegd op Nederlands grondgebied dient te worden opgemerkt dat het aan het Openbaar Ministerie is om te bezien of het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over individuele gevallen.
Welke consequenties zal Nederland eraan verbinden indien het merendeel van de leden niet voor ontslag stemt en daarmee de bindende en overtuigende kracht van het Internationaal Strafhof diskwalificeert?
Daar kan het kabinet niet op vooruitlopen. Eerst zullen de beslissing van het Bureau en de vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop die beslissing is gebaseerd zorgvuldig moeten worden bestudeerd en zal met andere verdragspartijen moeten worden bezien welke conclusies daaraan moeten worden verbonden.
Het artikel 'Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8»?1
Hoe beoordeelt u de signalen van vmbo- en praktijkscholen dat het beleid van zogenoemd kansrijk adviseren leidt tot grote aantallen afstromende leerlingen, extra werkdruk, stijgend ziekteverzuim en organisatorische problemen binnen scholen?
Deelt u de opvatting dat een beleid dat bedoeld is om kansen te vergroten, maar in de praktijk leidt tot teleurstelling, faalervaringen en gedwongen schoolwisselingen voor duizenden kinderen, zijn doel voorbijschiet? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel leerlingen zijn sinds de invoering van het beleid rond kansrijk adviseren alsnog afgestroomd naar een lager onderwijsniveau en bent u bereid inzichtelijk te maken welke gevolgen dit heeft gehad voor de personele inzet, de ondersteuningsbehoefte en de kosten binnen het vmbo en praktijkonderwijs?
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt hoeveel leerlingen die op basis van een kansrijk advies instromen uiteindelijk binnen één, twee of drie jaar alsnog afstromen naar een lager onderwijsniveau? Zo ja, kunt u deze gegevens, uitgesplitst naar schoolsoort en schooljaar sinds de invoering van dit beleid, met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt de effectiviteit van dit beleid niet systematisch gemonitord?
Erkent u dat het streven naar kansengelijkheid nooit ten koste mag gaan van realistische schooladviezen, onderwijskwaliteit en het welzijn van leerlingen? Zo ja, bent u bereid het beleid rond kansrijk adviseren te heroverwegen en te onderzoeken hoe het professionele oordeel van leraren weer zwaarder kan gaan wegen?
Het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de afdeling ArtScience die gezamenlijk vormgegeven wordt door de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en het Koninklijk Conservatorium per september opgeheven wordt?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat met het opdelen en elders onderbrengen van de opleidingen van ArtScience de structuur verdwijnt die deze opleidingen met elkaar verbindt en waarvoor studenten zich expliciet hadden ingeschreven?
De Hogeschool der Kunsten Den Haag (hierna: de hogeschool) heeft mij geïnformeerd dat besloten is tot een organisatorische wijziging van het onderwijs. De variant ArtScience binnen de bachelor Fine Arts wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst (KABK) en de variant ArtScience binnen de Master of Music wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijk Conservatorium (KC) van de hogeschool. De interfaculteit ArtScience wordt daarmee opgeheven.
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor het stelsel van het hoger onderwijs. De instelling is zelf verantwoordelijk voor de inrichting en kwaliteit van het onderwijs, waarbij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) periodiek de kwaliteit van de opleidingen in het hoger onderwijs toetst. Het is vanuit mijn stelselrol niet passend dat ik als Minister uitspraken doe over de wenselijkheid van organisatorische wijzigingen in het onderwijs binnen een instelling.
Wat vindt u ervan dat het besluit tot opheffing er plotseling toe geleid heeft dat studenten van het ArtScience-programma sommige cursussen niet meer kunnen volgen, geen toegang meer hebben tot faciliteiten en geen duidelijke informatie ontvangen over de toekomst van hun studie?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, wordt de interfaculteit ArtScience opgeheven en het onderwijs in respectievelijk de KABK en het KC ondergebracht. Door deze organisatiewijziging kunnen volgens de instelling zowel de bachelorvariant ArtScience als de mastervariant ArtScience duurzamer worden ingericht met behoud van de interdisciplinariteit, experimentele cultuur en identiteit van het onderwijs. Wat met name wijzigt is de plaats van het onderwijs binnen de organisatie.
De hogeschool heeft mij tevens laten weten dat de kwaliteit en continuïteit van de twee varianten de hoogste prioriteit heeft en het belangrijk te vinden met de studenten in gesprek te zijn en blijven over de veranderingen in het onderwijs. De hogeschool heeft aangegeven dat de studenten toegang blijven houden tot alle faciliteiten.
Bent u bereid stappen te ondernemen om het gesprek tussen studenten, medewerkers en het bestuur op gang te brengen om tenminste te kijken wat er gedaan kan worden voor de studenten wiens studievoortgang door dit besluit bedreigd wordt?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De hogeschool heeft mij laten weten dat kwaliteit en continuïteit van de twee varianten de hoogste prioriteit heeft en met de zittende bachelor- en masterstudenten hierover reeds in gesprek te zijn. Dit is ook de verantwoordelijkheid van de instelling en ik constateer dat de instelling die ook neemt.
Vindt u het een wenselijke gang van zaken dat het besluit tot opheffing van een 35 jaar oude afdeling in één vergadering tot stand lijkt te zijn gekomen en door het hoofd Marketing aan studenten is gecommuniceerd via een bericht op hun online portal?
De instelling gaat over de organisatorische inrichting van het onderwijs en doorloopt hiervoor de gebruikelijke interne besluitvormings- en communicatieprocessen. Zo ook in dit geval. De hogeschool heeft mij geïnformeerd dat zorgvuldig de tijd is genomen om tot het besluit te komen. Het docententeam en de studenten zijn gedurende het proces meegenomen in de voorgenomen veranderingen. Het uiteindelijke besluit is genomen na positief advies van de medezeggenschapsraad.
Kunt u een overzicht geven van of nagaan welke opleidingen in 2026 en 2027 vanwege de bezuinigingen van het kabinet Schoof – inclusief de nog voor 2026 staande bezuinigingen – worden ingekrompen, samengevoegd of geheel verdwijnen?
Het ministerie beschikt niet over een dergelijk overzicht. Hogescholen en universiteiten bepalen zelf hoe zij de middelen voor onderwijs en onderzoek inzetten; ze hebben hierin bestedingsvrijheid.
In de vraag wordt gerefereerd aan de nog voor 2026 staande bezuinigingen. Ik neem aan dat dan gedoeld wordt op de bezuiniging gekoppeld aan internationale studenten. Deze is grotendeels ingevuld met de afname van het aantal niet-Nederlandse EER-studenten die volgde uit de referentieraming. In het hbo resteert in 2026 daardoor een opgave van € 2 miljoen in totaal.2 Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de rijksbijdrage van instellingen, deze zal daardoor op instellingsniveau beperkt afnemen.
Het betekent natuurlijk ook dat er minder internationale studenten ingeschreven staan bij de instellingen en als gevolg van demografische ontwikkelingen tevens het totaal aantal studenten daalt. Dit kan ervoor zorgen dat instellingen genoodzaakt zijn keuzes te maken en bezuinigingen door te voeren om de organisatie daarmee financieel gezond te houden.
Ik heb echter van de hogeschool begrepen dat het besluit omtrent ArtScience geen bezuinigingsoperatie is, maar juist is bedoeld om het onderwijs een duurzame borging te geven.
Begrijpt het kabinet dat het wrang voelt dat er alsnog drastische bezuinigingen worden doorgevoerd op hogescholen en universiteiten terwijl bij de presentatie van het coalitieakkoord bij studenten en medewerkers de hoop werd gewekt dat de bezuinigingen en de gevolgen daarvan zouden worden teruggedraaid?
Dit kabinet investeert in het hoger onderwijs en draait een aantal bezuinigingen van het vorige kabinet terug. Naast de hierboven genoemde € 2 mln. in het hbo kunnen instellingen te maken hebben met dalende studentenaantallen als gevolg van demografische ontwikkelingen waardoor ze minder studentgebonden financiering ontvangen, en kunnen instellingsspecifieke factoren en gestegen kosten een rol spelen bij dergelijke keuzes om hun instelling financieel gezond te houden.
In het geval van het opheffen van de interfaculteit ArtScience benadrukt de hogeschool dat dit niet door bezuinigingen is ingegeven maar juist een investering is in een duurzaam toekomstperspectief voor zowel het bachelor- als het masteronderwijs ArtScience.
Waarom is ervoor gekozen een jaar te wachten met het terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen van het kabinet Schoof?
Het resultaat van de onderhandelingen van de coalitiepartijen is dat dit kabinet vanaf 2027 extra investeert in onderwijs. Deze investering loopt op van € 1 miljard tot € 1,5 miljard structureel.
Erkent u dat nieuwe investeringen daarmee voor sommige opleidingen en studenten te laat zullen komen?
In zijn algemeenheid kan ik hier geen antwoord op geven. Wijzigingen in het opleidingsaanbod, zoals het stoppen of samenvoegen van opleidingen, kunnen het gevolg zijn van bezuinigingen, maar voor het hbo resteert enkel een bezuiniging van € 2 miljoen in 2026. Er kunnen daarom ook andere redenen zijn zoals teruglopende studentenaantallen, een veranderende behoefte van de arbeidsmarkt of instellingsspecifieke redenen en algemeen gestegen kosten. Het is daardoor niet uit te sluiten dat er ergens opleidingen stoppen, ook na eventuele investeringen.
Zoals hiervoor reeds aangegeven is dat voor wat betreft ArtScience niet het geval. Bovendien stopt de opleiding niet, maar betreft het een organisatorische wijziging met als doel het onderwijs duurzaam in te richten.
Bent u van plan om maatregelen te treffen om opleidingen die geheel of als opzichzelfstaande opleiding verdwijnen vanwege de staande bezuinigingen financieel te ondersteunen om zo de periode tot het daadwerkelijk terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen te overbruggen?
Dit kabinet investeert in 2027 € 1 miljard in onderwijs en dit loopt op tot structureel € 1,5 miljard vanaf 2031. Zoals ik in het antwoord op vraag 6 en 7 heb aangegeven resteert in het hbo in 2026 een bezuiniging van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt op een minimale daling van de rijksbijdrage per instelling. Hier komen geen extra middelen voor beschikbaar. Dalende studentenaantallen of instellingsspecifieke factoren kunnen ook leiden tot keuzes van instellingen om opleidingen stop te zetten.
Vanuit mijn stelselrol ben ik verantwoordelijk voor een landelijk dekkend, doelmatig opleidingsaanbod. Dit opleidingsaanbod is altijd in beweging, er komen opleidingen bij, er worden opleidingen stopgezet en opleidingen worden gewijzigd. Om te borgen dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit op de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten in toenemende mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Ik stimuleer deze afstemming omdat er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
In hoeverre wordt bij de in uw Beleidsbrief 2026–2030 genoemde «lastige keuzes» voor een nieuwe verdeling van middelen specifiek rekening gehouden met het voortbestaan van kleine of niche studies of studies die anderszins grote gevolgen hebben ondervonden aan de onderwijsbezuinigingen?
Ervan uitgaande dat de vragensteller doelt op de passage in de Beleidsbrief
2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die gaat over de verdeling van de middelen van onderzoek en wetenschapsbeleid:3 Het kabinet investeert in bestaande instrumenten van het onderzoek en wetenschapsbeleid. Deze bestaande instrumenten zijn praktijkgericht onderzoek, sectorplannen, infrastructuur en Europese samenwerking. Kleine of niche opleidingen zijn geen primair beleidsdoel van deze instrumenten.
Om te borgen dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit op de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten in toenemende mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Hierbij is specifiek aandacht voor kleine of niche studies. Ik stimuleer deze afstemming omdat er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
Wanneer gaat u duidelijkheid geven over deze nieuwe verdeling en bent u het ermee eens dat als dit niet voor de zomer gebeurt studenten geen goed geïnformeerde keuzes kunnen maken over hun studie en onderwijsinstellingen in onzekerheid blijven over het onderwijs dat ze komende jaren kunnen bieden?
De verdeling van het geld over de instrumenten is opgenomen in de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.4
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om studenten goed te informeren over de opleidingen en het onderwijs dat zij aanbieden. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit ook gebeurt.
Indien u de hierboven genoemde maatregelen zoals het alsnog terugdraaien van de bezuinigingen voor 2026, het financieel ondersteunen van instellingen ter overbrugging, of het bij de herverdeling van middelen rekening houden met studies die geraakt zijn door de bezuinigingen niet gaat nemen, welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om studenten die hierdoor geraakt zijn te helpen?
Zoals bij het antwoord op vraag 10 is aangegeven resteert in het hbo een bezuiniging van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt op een minimale daling van de rijksbijdrage per instelling. Hier komen geen extra middelen voor beschikbaar.
In het geval een instelling heeft besloten een opleiding – om welke reden ook – stop te zetten, dan is de instelling verplicht de in de opleiding ingeschreven studenten de mogelijkheid te bieden de opleiding binnen een redelijke termijn af te ronden.