Het nieuws dat er een deal is gesloten tussen het kabinet en de NAM over de gaswinning bij Ternaard |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de overeenkomst tussen u en de NAM tot stand zijn gekomen?
Welke afspraken heeft u wanneer met wie gehad om tot deze deal te komen en wat is daar besproken?
Kunt u de voorbereiding en verslagen van deze onderhandelingen delen? Zo nee, waarom niet?
Hoe zijn de bedragen waarmee deze overeenkomst gepaard gaan berekend en welke gegevens en berekeningen heeft u gebruikt om te beoordelen of dit bedrag gerechtvaardigd is? Kunt u een toelichting geven op het rekenmodel dat u hiervoor heeft gebruikt?
Om tot een marktconforme waardering te komen is een nauwkeurig proces doorlopen. Hierbij zijn de potentiële baten van toekomstige gaswinning in Ternaard als basis genomen. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat een deel van de opbrengsten van gaswinning via EBN en via belastingafdrachten van NAM en EMPN terug zouden vloeien naar de staat. Hiertoe is een rekenmodel opgesteld. Dit rekenmodel gaat uit van onderbouwde aannames voor het winningsprofiel, de gasprijs, discontovoet, de kapitaalinvesteringen en de operationele kosten in de periode 2026–2037. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er grote onzekerheden zijn, waardoor een aanpassing in aannames tot grote veranderingen in de uitkomst kan leiden. In de berekening zijn de kosten en baten met elkaar verrekend en de geldende afdrachtensystematiek toegepast. Dit resulteert in een jaarlijkse vrije kasstroom. Deze toekomstige kasstroom is vervolgens tot één bedrag in het heden verdisconteerd. Het resultaat is de netto contante waarde van het Ternaard gasveld.
Wat waren de hoogste en laagste mogelijke waarden die uit de scenario’s van KPMG en TNO kwamen?
TNO heeft zich geconcentreerd op het beoordelen van de mogelijk winbare volumes. Hierbij hebben zij gegeven de huidige gebruiksruimte per winningsprofiel (laag/midden/hoog) bepaald hoeveel gas er binnen de gebruiksruimte gewonnen kan worden. Daarnaast is er per profiel gerekend met een «open» en een «gesloten» breukscenario, waarbij er veel dan wel weinig gas tussen de breukblokken stroomt. Het resultaat van drie profielen met elk twee variaties levert zes verschillende waardes op in de bandbreedte 0,7 t/m 2,1 bcm. KGG heeft deze zes waardes teruggebracht tot een gewogen gemiddelde van 1,67 bcm.
KPMG heeft deze 1,67 bcm als gegeven aangenomen. KPMG heeft opgemerkt dat, vergeleken met de volumescenario’s uit het winningsplan, dit volume aan de lage kant is. KPMG heeft in haar doorrekeningen geen verschillende scenario’s gepresenteerd die tot een heldere bandbreedte leiden. Wel heeft KPMG voor een aantal elementen een gevoeligheidsanalyse gemaakt. Het meest van invloed is de gehanteerde discontovoet. Een discontovoet van 10% leidt tot een netto contante waarde (NCW) voor NAM van 55,8 mln. Een discontovoet van 15% leidt tot een NCW voor NAM van 40,5 mln. Deze laatste discontovoet is in de uiteindelijke waardering gehanteerd.
Gezien u stelt dat NAM en EMPN vinden dat de commerciële waarde «veel hoger» ligt dan de huidige compensatie van 163 miljoen, heeft u deze hogere waardering gezien? Zo ja, kan dit met de Kamer worden gedeeld?
In één van de ambtelijke gesprekken is door NAM mondeling een indicatie gegeven van de commerciële waarde die NAM aan het project toe kent. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie.
Waarom is gekozen voor een bedrag dat volledig de door het kabinet ingeschatte winst compenseert, terwijl het commerciële risico normaal geheel bij de onderneming ligt?
In de waardering is bij voorbaat al uitgegaan van een hoog commercieel risicoprofiel. Dit heeft een significante neerwaartse druk gegeven op het totaalbedrag. Dit zit hem in de gehanteerde (hoge) discontovoet van 15% waarmee als het ware reeds een afslag is gemaakt voor het commerciële risico van deze operatie. Het commerciële risico zit dus verwerkt in de waardering.
Waarom is het eerdere plan voor het Gebiedsfonds volledig komen te vervallen, en is overwogen alsnog een vorm van natuurinvestering te koppelen aan de beëindiging van de gaswinning?
De afspraken rondom batendeling waren gekoppeld aan daadwerkelijke winning. Wel heeft NAM aangegeven de dwangsom (€ 75.000) (die de Staat NAM nog verschuldigd was in verband met het niet tijdig nakomen van de laatste uitspraak van de Raad van State) te verdubbelen en (wederom) aan het gebied ter beschikking te zullen stellen.
Hoe verhoudt deze deal zich tot andere gesprekken en procedures tussen u en de NAM?
De overeenkomst over Ternaard staat geheel los van de andere gesprekken en procedures met NAM en/of haar aandeelhouders.
Heeft u het in de onderhandelingen voor deze overeenkomst enkel gehad over Ternaard of is het ook gegaan over andere activiteiten van de NAM?
Bij het sluiten van deze overeenkomst is enkel Ternaard besproken.
Welke wederzijdse belangen zijn besproken en welke (financiële) verzoeken zijn in die bredere gesprekken door NAM, Shell of ExxonMobil op tafel gelegd, gezien u schrijft dat de gesprekken eerder deel uitmaakten van een bredere onderhandeling over onder meer Groningen?
In het voorjaar van 2025 zijn verkennende gesprekken gevoerd met Shell en ExxonMobil in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hierbij is gesproken over het schadeherstel en de versterkingsoperatie in Groningen, de inzet van de gasopslagen en de gaswinning in Ternaard. Die verkennende gesprekken hebben niet geleid tot onderhandelingen, zie het antwoord op vragen 1 tot en met 3.
Vanaf de zomer van 2025 is door het Ministerie van Klimaat en Groene Groei separaat doorgesproken met Shell en ExxonMobil over de gasopslagen en Ternaard. Hierna is met Shell en ExxonMobil afgesproken dat over Ternaard afzonderlijk zou worden verder gesproken tussen de staat en NAM. Daar is de huidige overeenkomst uit voortgekomen. Deze staat dus geheel los van de overige dossiers.
Kunt u uitsluiten dat deze deal effecten heeft gehad op andere lopende dossiers, zoals de schadeafhandeling in Groningen?
Ja. Het dossier Ternaard is geheel in isolatie behandeld. Dit blijkt ook uit de vaststellingsovereenkomst: deze gaat over Ternaard en niet over enig ander onderwerp.
Hoe voorkomt u dat deze deal als precedent gebruikt wordt door andere vergunninghouders die in (ecologisch) gevoelige gebieden actief zijn en straks eveneens compensatie zullen eisen om van winning af te zien?
De overeenkomst betreft een in de ogen van de staat marktconforme transactie en geen compensatie. Op die manier kan er dus geen precedentwerking werking zijn voor compensatie voor andere vergunninghouders.
Kunt u garanderen dat voor andere bestaande aanvragen of winningsplannen geen vergelijkbare financiële compensatieregelingen zullen worden overeengekomen? Zo nee, waarom niet?
De gesprekken en uiteindelijke overeenkomst tussen de staat en NAM zijn tot stand gekomen omdat het kabinet op grond van de wet en de weging van de ontvangen adviezen instemming met het winningsplan niet kon weigeren en er tegelijk politiek en maatschappelijk geen draagvlak is voor instemming. Daarbij weegt mee dat de gaswinning plaats zou vinden onder een wereldwijd uniek getijdengebied dat bovendien Unesco werelderfgoed is. Het kabinet is tegen gaswinning onder de Waddenzee, maar staat ook voor een betrouwbare overheid die geen onrechtmatige besluiten neemt. Om dit dilemma op te lossen is het kabinet met NAM in gesprek gegaan, hetgeen een intensief proces is geweest. Zoals ook in het antwoord op vraag 13 gemeld, betreft het in de ogen van de staat een marktconforme transactie en geen compensatie.
Heeft u juridisch advies ingewonnen over de houdbaarheid van deze deal? Zo ja, kunt u dit advies delen? Zo nee, waarom niet?
De landsadvocaat heeft in mijn opdracht de conceptovereenkomst opgesteld, was bij alle gesprekken met NAM over de vaststellingsovereenkomst aanwezig en heeft naar aanleiding van de gesprekken de definitieve overeenkomst opgesteld. Op specifieke elementen heeft de landsadvocaat schriftelijk geadviseerd. Deze procesadviezen van de landsadvocaat worden niet openbaar in verband met de procespositie van de staat.
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere gas- en zoutwinningprojecten onder de Wadden en in de Noordzeekustzone bij de Waddeneilanden?
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere mijnbouwactiviteiten op de Noordzee?
Wat zijn de gevolgen van deze overeenkomst voor andere mijnbouwactiviteiten op land?
Betekent deze overeenkomst dat u geen gaswinning en andere vormen van mijnbouw, zoals zoutwinning, zal gaan vergunnen?
Bent u bereid op korte termijn het Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden te herzien?
Het gebruiksruimtebesluit is op 25 april 2024 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 vastgesteld op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze geldt tot 1 januari 2029. Indien er tussentijds nieuwe inzichten zijn, kan het kabinet deze eerder aanpassen. Deltares heeft een studie uitgevoerd naar het meegroeivermogen van de kombergingen gerelateerd aan de kritische zeespiegelstijgingssnelheid voor verdrinking in de Nederlandse Waddenzee. Tevens heeft TNO een verkenning uitgevoerd naar de haalbaarheid van een zuiver probabilistische gebruiksruimtetoets. U bent hier eerder over geïnformeerd in de Kamerbrief «Stand van zaken gebruik diepe ondergrond Waddenzee»2. De huidige «hand-aan-de-kraan»- methode is op deze punten conservatiever (veiliger) dan eerder gedacht. Het is aan een volgend kabinet hoe om te gaan met deze nieuwe inzichten die meer ruimte lijken te geven voor activiteiten in de Waddenzee dan het huidige vastgestelde »hand-aan-de-kraan»-beleid. Daarbij worden de adviezen van SodM en TNO vanzelfsprekend betrokken.
Daarnaast wordt verwacht dat in 2026 de Raad van State zitting zal plaatsvinden voor het huidige gebruiksruimtebesluit, omdat meerdere partijen tegen dit besluit in beroep zijn gegaan. Als de Raad van State aangeeft dat de gebruiksruimte (tussentijds) moet worden herzien dan zal het kabinet dat natuurlijk doen.
Bent u bereid aan het KNMI te vragen een actualisatie van het Gebruiksruimtebesluit Waddenzee te laten maken op basis van de meest recente wetenschappelijk inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging?
Zie antwoord op vraag 20. Een actualisatie van het zeespiegelstijgingsadvies zal, naar verwachting, niet leiden tot een significant andere gebruiksruimte omdat de nieuw beschikbare data en modellen beperkt zijn of niet toegespitst op de Nederlandse situatie.
Gelden de uitgangspunten van het huidige Gebruiksruimtebesluit Waddenzee nog wel nadat op de COP30 duidelijk werd dat het doel van het Parijsakkoord (opwarming van de aarde beperken tot 1,5 graad) uit zicht raakt, doordat klimaatverandering sneller gaat dan verwacht en de zeespiegel sneller stijgt?
In het advies onderliggend aan het gebruiksruimtebesluit geven de wetenschappers aan dat ze uitgegaan zijn van een scenario waarbij de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 2,7 graden in 2100. Het uitgangspunt voor het gebruiksruimtebesluit is daarmee hoger dan de 1,5 graden die hierboven wordt genoemd.
Wanneer komt de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer?
Het demissionair kabinet werkt aan de herziening van de Mijnbouwwet. Het doel van deze herziening is onder andere een herijkt wettelijk kader voor veilig en financieel, maatschappelijk en ruimtelijk verantwoord gebruik van de diepe ondergrond, met meer regie bij de overheid, dat past bij afwegingen met betrekking tot de schaarse ruimte, de veranderde rol van de diepe ondergrond en het maatschappelijk perspectief op het gebruik ervan. Er wordt hard gewerkt aan de inhoudelijke uitwerking van de verschillende beleidsthema’s en de afstemming van concept-wetteksten met alle betrokken partijen en adviseurs. Daarna zal nog tijd nodig zijn voor het voldoen aan de verschillende verplichtingen (bv. regeldruk en notificatie) en om de formele stappen te doorlopen. Het doel is om in Q2 van 2026 het wetsvoorstel open te stellen voor internetconsultatie. Het demissionair kabinet heeft als streven dat de herziening van de Mijnbouwwet medio 2027 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. De precieze timing en het moment van indienen van de herziene Mijnbouwwet is aan een nieuw kabinet.
Kunt u deze vragen ruim voor de behandeling van de suppletoire begroting beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja. Zie onderstaande beantwoording op vragen over dit artikel.
Kunt u specifiek reageren op de bevindingen van Pointer waaruit blijkt dat de Indonesische marine wel degelijk een rol speelt bij mensenrechtenschendingen, zoals illegale uithuiszettingen en martelingen?
Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag individueel aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole2 waarbij per ingediende aanvraag wordt gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) het land van eindbestemming. De toetsing wordt gedaan op grond van de actuele situatie waarbij alle relevante ontwikkelingen, waaronder de mensenrechtensituatie in het land van eindbestemming, worden meegenomen.
Daaruit volgt dat om te komen tot een negatieve toetsing van het EUGS (waaronder het criterium dat ziet op het bestaan van een duidelijk risico dat de goederen gebruikt worden voor het begaan van ernstige schendingen van mensenrechten en/of het humanitair oorlogsrecht) er een duidelijk (potentieel) verband moet bestaan tussen de uit te voeren goederen en de geconstateerde zorgen. Algemene zorgen over bepaalde ontwikkelingen in een land van eindbestemming leiden niet direct tot een afwijzing van een vergunningaanvraag. Dat geldt eveneens voor de betrokkenheid van een dienstonderdeel van een krijgsmacht bij dergelijke punten van zorg. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen met als eindgebruiker de Indonesische marine niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in het artikel van Pointer genoemde vergunningaanvragen.
Is dit nieuwe informatie voor u of was u al op de hoogte van de in het artikel genoemde aanwijzingen voor betrokkenheid van de marine bij mensenrechtenschendingen?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen werken diverse directies binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken nauw samen, in afstemming met de betrokken ambassade(s) en waar relevant ook met andere departementen. Ook openbare bronnen en informatie die voortvloeit uit het lokale netwerk van de ambassade(s) worden in de toetsing meegenomen.
Het ministerie is op de hoogte van de genoemde punten van zorg in de door Pointer aangehaalde bronnen. Om te komen tot een negatieve toetsing moet echter sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. In dat licht en gelet op de specifieke aard van de goederen en het eindgebruik is in de toetsingen voor eerdere afgegeven vergunningen een dergelijk risico niet vastgesteld.
Kunt u toelichten hoe u in het verleden bent gekomen tot de conclusie, zoals verwoord in brieven aan de Tweede Kamer, dat de Indonesische marine, «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen? Welke bronnen zijn geraadpleegd en leidden tot deze conclusie? Is de publiekelijk beschikbare informatie geraadpleegd door Pointer hierbij meegewogen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u zich ervan bewust dat het zeer moeilijk is om informatie over de situatie in West-Papoea te krijgen, omdat internationale journalisten West-Papoea niet binnen komen, lokale journalisten worden geïntimideerd, en ook de VN-mensenrechtencommissaris niet welkom is? Is het u bekend dat West-Papoea om deze reden door experts een «black box» wordt genoemd, vergelijkbaar met Tsjetsjenië, Xinjiang en Tibet?
Het is bekend dat het voor internationale journalisten lastig kan zijn om een vergunning te krijgen om naar de Papoea provincies van Indonesië te reizen. Er zijn echter verschillende organisaties die rapporteren over de mensenrechtensituatie in Indonesië, bijvoorbeeld de organisaties die worden aangehaald in het betreffende artikel van Pointer. Daarnaast heeft de ambassade een uitgebreid netwerk in de verschillende regio’s van Indonesië, inclusief de Papoea provincies, waarmee Nederland de mensenrechtensituatie in Papoea nauwlettend kan en blijft volgen.
Als er zo weinig informatie over de situatie in West-Papoea beschikbaar is, vindt u het dan van gepaste zorgvuldigheid getuigen om export toe te staan omdat de Indonesische marine «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen?
Wapenexportcontrole bestaat uit een zorgvuldige risicoanalyse van alle beschikbare informatie die op het moment van toetsing beschikbaar is. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in deze vraag genoemde vergunningaanvragen met betrekking tot de uitvoer van schepen en scheepsonderdelen. Ter illustratie: in het geval van de uitvoer van scheepsonderdelen is na zorgvuldige analyse geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type goed gezien de aard en specificaties zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover wordt bericht.
Bent u het eens dat Europese regelgeving vraagt om uitvoer niet toe te staan bij alleen al het risico op mensenrechtenschendingen? Hoe is uw ministerie in tegenstelling tot mensenrechtenexperts tot de conclusie gekomen dat dit risico niet bestaat?
Nee. Het EU Gemeenschappelijk Standpunt vraagt van lidstaten onder meer te onderzoeken of er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologie kunnen worden gebruikt voor het toepassen of faciliteren van binnenlandse onderdrukking, ernstige daden van op gender gebaseerd geweld of ernstige daden van geweld tegen vrouwen en kinderen of andere ernstige schendingen van de mensenrechten. Het kabinet erkent in algemene zin dat naleving van de, ook in de Indonesische Grondwet vastgelegde, mensenrechten op verschillende terreinen een punt van zorg is, bijvoorbeeld in de Papoea provincies van Indonesië. Ten aanzien van de voor uitvoer naar Indonesië afgegeven vergunningen geldt echter dat vanwege de aard van de uit te voeren goederen er bij de toetsingen op grond van toepasselijke juridische kaders geen duidelijk risico op ongewenst eindgebruik is vastgesteld dat deze goederen gebruikt zullen worden voor het begaan van de schendingen waarover wordt gerapporteerd.
Wapenexportbeleid is geen sanctiebeleid, waarmee eventuele afkeuring van het beleid van een ander land kenbaar wordt gemaakt. Om een dergelijk gesprek vorm te geven gebruikt het kabinet andere kanalen.
Is het onderzoek van Pointer aanleiding voor u om de uitvoer van materiaal naar de Indonesische marine te heroverwegen? Zo ja, hoe gaat u de kamer over het herbeoordelingsproces informeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat het staande wapenexportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Met inachtneming van de algemene punten van zorg ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Indonesië is het kabinet, gelet op de aard van de onder lopende vergunningen uit te voeren goederen, niet voornemens om lopende vergunningen voor uitvoer naar Indonesië opnieuw te beoordelen.
Wordt het onderzoek van Pointer bij toekomstige beoordeling van uitvoer naar Indonesië meegewogen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen maakt het kabinet gebruik van diverse informatiebronnen. Op het moment dat nieuwe informatie zich aandient, wordt ook deze informatie meegewogen; dat geldt ook voor het onderzoek van Pointer.
Bent u van plan uw Indonesische ambtsgenoot te spreken over de bevindingen uit het onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De bilaterale relatie met Indonesië is breed en hecht, wat het bespreken van de mensenrechtensituatie vergemakkelijkt. Op verschillende niveaus wordt de mensenrechtensituatie besproken, zowel in bilateraal, EU- als multilateraal verband. Daarbij kijkt het kabinet nadrukkelijk naar wat de meest effectieve wijze is om zorgen over mensenrechten over te brengen, dat geldt ook voor de bevindingen uit het onderzoek.
Deelt u de zorgen van de inzet van drones voor mensenrechtenschendingen in West-Papoea, bijvoorbeeld doordat burgers ermee worden aangevallen?2
In algemene zin deelt het kabinet de zorgen over de inzet van drones door de Indonesische strijdkrachten daar waar deze inzet door onafhankelijke berichtgeving in verband wordt gebracht met mensenrechtenschendingen. In het geval van de eerder verleende exportvergunning voor de uitvoer van drones is na zorgvuldige analyse echter geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type drone, gezien de aard en specificaties, zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover is bericht. Op grond van de wapenexporttoets heeft het ministerie geen gronden voor afwijzing gevonden. Ook hier geldt dat het feit dat drone-inzet heeft plaatsgevonden niet een op een wordt vertaald naar een exportverbod op alle typen drones. Die weging wordt per geval gedaan.
Kunt u uitsluiten dat door Nederland geleverde drones in Indonesië worden ingezet bij mensenrechtenschendingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u het ermee eens dat ook dual use exportvergunningen voor drones heroverwogen dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
De uitvoer van dual-use goederen voor militair eindgebruik wordt langs dezelfde lijnen beoordeeld als de uitvoer van militaire goederen. Daarmee geldt dat het kabinet van mening is dat het staande exportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de termijn van drie weken beantwoorden?
De vragen zijn binnen een termijn van drie weken beantwoord. Daar waar dit passend werd geacht zijn enkele vragen gebundeld.
De situatie in en rondom Venezuela en de rol daarin van de overzeese gebieden van het Nederlandse koninkrijk |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Rijkaart , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het escalerende conflict tussen de Verenigde Staten en Venezuela?
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet deze situatie op dit moment beoordeelt en welke risico’s het ziet voor de rijksdelen in de regio?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in en rond Venezuela nauwgezet. Op dit moment is er geen sprake van een acute militaire dreiging voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Venezuela verkeert al geruime tijd in een situatie van aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit. Gezien de geografische nabijheid is er bijzondere aandacht voor mogelijke indirecte gevolgen voor de Benedenwindse eilanden. Deze kunnen samenhangen met oplopende regionale en geopolitieke spanningen, waaronder een (gedeeltelijke) sluiting van zee- en luchtruim, verstoringen in logistieke verbindingen en risico’s voor kritieke infrastructuur, zoals energie- en brandstofvoorziening. Daarnaast blijven migratie- en veiligheidsvraagstukken in de regio een belangrijk aandachtspunt.
Aruba, Curaçao en Bonaire bereiden zich daarom voor op verschillende scenario’s die uit dergelijke spanningen kunnen voortvloeien. Nederland treft eveneens voorbereidingen om, waar nodig, bijstand en ondersteuning te kunnen verlenen. Daarbij wordt rekening gehouden met mogelijke veranderingen in migratiestromen en met bredere implicaties voor de veiligheid en stabiliteit in de regio.
De genoemde risico’s worden continu gemonitord en betrokken bij de actualisering van scenario’s, evenals in de reguliere en intensieve samenwerking binnen het Koninkrijk op het terrein van crisisbeheersing.
Is er op dit moment contact met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten over de veiligheidssituatie in de regio? Hoe beoordeelt het kabinet de huidige risico’s voor deze rijksdelen (en de bijzondere gemeenten, indien van toepassing)?
Het kabinet houdt de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. Ik sta in nauw contact met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en houdt hen op de hoogte van de ontwikkelingen.
Er is geen sprake van een acute militaire dreiging voor de eilanden. Desondanks werken Aruba, Bonaire en Curaçao aan verschillende scenario’s ter voorbereiding op mogelijke indirecte effecten, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, waaronder logistieke vraagstukken. De eilanden kunnen daarbij rekenen op ondersteuning van de Nederlandse departementen. Ook Nederland treft voorbereidingen om, waar nodig, hulp en bijstand te kunnen verlenen. Dit alles maakt onderdeel uit van de reguliere samenwerking binnen het Koninkrijk op het gebied van crisisbeheersing.
Heeft het kabinet aanwijzingen dat de spanningen kunnen leiden tot migratiestromen richting de Caribische delen van het Koninkrijk? Zo ja, welke voorbereidingen worden getroffen?
Op dit moment is er geen verhoogde instroom vanuit Venezuela. De landen in het Koninkrijk houden de migratiestromen richting Aruba, Curaçao en Bonaire goed in de gaten. De vier landen van het Koninkrijk werken op grond van het protocol versterking grenstoezicht in de Caribische landen van het Koninkrijk en de onderlinge regeling vreemdelingenketen al nauw samen op het gebied van grenstoezicht. Het Ministerie van Asiel en Migratie verricht in samenwerking met de betrokken ketenpartners zoals de Koninklijke Marechaussee, Korps Politie Caribisch Nederland, IND en de openbare lichamen de nodige activiteiten om het huidige (nood)scenario in het geval van een bovenmatige instroom van migranten, te actualiseren.
Welke belangen spelen er voor (de overzeese gebieden van) Nederland in dit conflict?
Allereerst is het van belang dat lucht- en zeeverbindingen veilig en betrouwbaar blijven. Dit is essentieel voor zowel de lokale voedselvoorziening als de economische continuïteit, waarbij het toerisme een belangrijke pijler vormt van de economieën van de eilanden.
Voor een nadere duiding van mogelijke indirecte effecten verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Hoe waarborgt het kabinet dat Nederland niet ongewild partij wordt in een conflict tussen de Verenigde Staten en Venezuela, terwijl tegelijkertijd de veiligheid van het Koninkrijk moet worden gegarandeerd?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS. Op dit moment is er geen acute militaire dreiging voor het Koninkrijk: de acties vinden plaats buiten de territoriale grenzen van het Koninkrijk en er is geen indicatie dat Aruba, Curaçao of Bonaire betrokken raakt in een eventueel conflict. Wat betreft de veiligheid van het luchtruim van Curaçao en Aruba is op verschillende niveaus met de Verenigde Staten gesproken om herhaling te voorkomen.
Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november 2025 ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
Kunt u de Kamer een actuele risicoanalyse toezenden over de impact van dit conflict op het Koninkrijk, inclusief mogelijke gevolgen voor veiligheid, migratie, economie en diplomatieke relaties?
De actuele risicoanalyse gaat over (mogelijke) impact als gevolg van de spanningen in en rond Venezuela, zoals ook hierboven beschreven. Deze analyses bevatten vertrouwelijke informatie over dreigingsinschattingen. Om die reden zijn de onderliggende stukken niet geschikt voor openbare toezending aan de Kamer.
Kunt u deze vragen zo volledig en spoedig mogelijk beantwoorden, gezien de snelle ontwikkelingen?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Bent u van mening dat het toezicht voldoende is, gezien het feit dat er jaarlijks vele klachten over hygiëne- en gezondheidsregels die niet worden nageleefd bij geboekte overnachtingen in bijvoorbeeld hotels, hostels en campings zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Erkent u dat het voor consumenten nu vaak niet duidelijk is waar ze zich bij de overheid kunnen melden met klachten die een gevaar zijn voor de gezondheid zoals plaagdieren of schimmels? Kunt u uw antwoord toelichten?
Erkent u dat problemen met voedselbereiding in de horeca worden gecontroleerd, maar dat het erop lijkt dat controle op hygiëne- en gezondheidsregels in slaapvertrekken en badkamers veel minder aandacht krijgt?
Deelt u voorts de mening dat problemen met voedselbereiding in de horeca eenvoudig kunnen worden gemeld door consumenten bij de NVWA maar dat het melden van problemen met hygiëne- en gezondheidsregels in slaapvertrekken en badkamers veel ingewikkelder is? Herkent u het beeld dat melders soms van de ene naar de andere toezichthouder worden verwezen zonder dat hun klacht wordt opgepakt?
Bent u van mening dat toezichthouders voldoende zijn toegerust om bij overnachtingshoreca voldoende toezicht te houden op hygiëne- en gezondheidsregels? Kunt u uw antwoord toelichten?
Erkent u dat het niet altijd duidelijk is welke toezichthouder verantwoordelijk is voor welk hygiëne- en gezondheidsprobleem in overnachtingshoreca? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u aangeven hoe vaak er inspecties plaatsvinden gericht op hygiëne- en gezondheidsregels bij verschillende soorten overnachtingshoreca?
Kunt u aangeven hoe vaak er inspecties plaatsvinden gericht op hygiëne- en gezondheidsregels bij sauna’s?
Waarom grijpen het RIVM en de GGD niet in wanneer er signalen zijn dat er bedwantsen zijn in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken?
Klopt het dat er geen beeld is van hoe vaak bedwantsen in Nederland voorkomen omdat er geen meldplicht is?
Erkent u dat er, ondanks het ontbreken van een meldplicht, signalen zijn, bijvoorbeeld van Platform Plaagdierbeheersing Nederland, dat de bedwants in Nederland in opmars is? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Bent u bereid een meldplicht in te stellen voor bedwantsen in Nederlandse overnachtingshoreca?
Hoe vaak heeft een toezichthouder afgelopen jaren ingegrepen wanneer er meldingen werden gemaakt van bedwantsen?
Deelt u onze mening dat het voorkomen van bedwantsenplagen beter is dan het verhelpen en er daarom vroegtijdig moet worden ingegrepen wanneer bedwantsen worden geconstateerd?
Erkent u dat hetzelfde geldt voor kakkerlakken die toeristen aantreffen in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken? Erkent u dat het onduidelijk is waar mensen zich bij de overheid kunnen melden wanneer ze kakkerlakken aantreffen in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken?
Hoe vaak heeft een toezichthouder afgelopen jaren ingegrepen wanneer er meldingen werden gemaakt van kakkerlakken?
Hoe vaak is er na melding bij de GGD niet ingegrepen wanneer er plaagdieren werden geconstateerd in hostels, hotels of andere overnachtingshoreca?
Is het toezicht op de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels op orde, gezien het feit dat het aantal bed and breakfasts (B&B’s) in Nederland groeit? Is er voldoende capaciteit bij toezichthouders om te voldoen aan de groei?
Hoe vaak is er de afgelopen jaren bij hoeveel B&B’s toezicht gehouden op de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels? Welk percentage van de B&B’s is het afgelopen jaar bezocht door toezichthouders? Welk percentage van de B&B’s is de afgelopen vijf jaar bezocht door toezichthouders?
Erkent u dat schimmels in kamers en badkamers een gezondheidsprobleem kunnen zijn ook in overnachtingshoreca?
Wordt er gericht toezicht gehouden op het voorkomen van schimmels in overnachtingshoreca? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de bevindingen met de Kamer delen?
Het RIVM heeft een hygiënerichtlijn voor kampeergelegenheden, jachthavens en groepsaccommodaties, hoe vaak en door wie wordt toezicht gehouden of die richtlijn daadwerkelijk wordt nageleefd?
Klopt het dat het toezicht op hygiëne- en gezondheidsregels op campings maar zeer beperkt plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Waar kunnen mensen zich bij de overheid melden wanneer ze klachten hebben over de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels op campings en bijvoorbeeld plaagdieren zoals ratten aantreffen?
Hoe vaak en door wie wordt toezicht gehouden of die richtlijn daadwerkelijk wordt nageleefd, gezien het feit dat het RIVM een hygiënerichtlijn heeft voor sauna's, wellnesscomplexen en zwembaden?
Klopt het dat het toezicht op hygiëne- en gezondheidsregels in sauna’s maar zeer beperkt plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Waar kunnen mensen zich bij de overheid melden wanneer ze klachten hebben over de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels in sauna’s?
Deelt u de mening dat het toezicht op verschillende aspecten betreffende hygiëne- en gezondheidsregels is versnipperd?
Werken verschillende inspectiediensten en overheidsdiensten voldoende samen om altijd effectief toezicht te houden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Is er bij alle betrokken toezichthouders voldoende capaciteit om effectief toezicht te houden?
Bent u bereid te komen tot één duidelijke plek waar mensen zich bij de overheid kunnen melden waanneer ze aanwijzingen hebben dat de inspectie moet handelen wanneer hygiëne- en gezondheidsregels in de horeca in het gedrang lijken te zijn? Wilt u tevens zorgen dat melders ook een terugkoppeling krijgen van wat er met hun melding is gedaan?
Kunt u deze vragen binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht 'Bedrijven zetten recherche in bij ziekmeldingen werknemers: ’Toen bleek hij ergens anders aan het werk te zijn’' |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de oorzaak van het feit dat Nederland meer (deels) arbeidsongeschikten heeft dan de meeste andere Europese landen? Bent u het ermee eens dat er in ons stelsel in Nederland juist «prikkels» zijn die erop gericht zijn om dit te voorkomen? Welke van dit soort prikkels zijn er aanwezig in ons stelsel? Welke hiervan liggen bij werkgevers, welke bij werknemers en welke bij uitvoeringsinstanties?1 2 3 4
In hoeverre is het hoge verzuimniveau te verklaren door macrotrends, zoals een stijging van mentale klachten, de «hypernerveuze» samenleving, deeltijdcultuur met voltijdse taaklast, een krappe arbeidsmarkt en toegenomen werkdruk?
Houdt uw ministerie een integraal en actueel overzicht bij van knelpunten in het stelsel van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, zoals ervaren door werkgevers? Zo ja, kunt u dit overzicht, inclusief eventuele oplossingsrichtingen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog structureel te gaan monitoren?
Treft de regering aanvullend beleid om ziekteverzuim in Nederland terug te dringen?
Beschikt de regering over cijfers of schattingen van misbruik van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon- of WIA-voorschotten? Indien dergelijke cijfers ontbreken: waarom worden deze niet systematisch verzameld en bent u bereid dit te verbeteren?
Bent u het ermee eens dat de rechten die ziekte meebrengt voor werknemers, en de plichten die ziekte meebrengt voor werkgevers soms tot complexiteit en mogelijk misbruik leiden? Zijn u cijfers bekend van misbruik van ziekmeldingen en het recht op doorbetaling?
Klopt het dat er in de praktijk beperkt sancties worden uitgedeeld aan werknemers die hun re-integratieverplichtingen niet nakomen? Hoe verhoudt dit zich tot sancties die aan werkgevers opgelegd worden? Kunnen werkgevers loonsancties opgelegd krijgen door verwijtbaar handelen van de werknemer? Zo nee, zijn er signalen (zoals uit het artikel) dat dit wel gebeurt? Bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Hoe duidt u de scherpe stijging van mentale klachten als verzuimreden, onder zowel werknemers als zelfstandigen? Kunt u aangeven in hoeverre deze klachten volgens wetenschappelijke inzichten werkgerelateerd zijn, dan wel voortkomen uit privéomstandigheden of maatschappelijke druk?
Zijn de re-integratietrajecten die toegepast worden op mentale problematiek in lijn met de wetenschappelijke inzichten die we hebben over mentale klachten? Hoe worden werkgevers hierbij betrokken? Hebben zij inspraak in de re-integratieaanpak? Is dat wat u betreft voldoende effectief?
Hoort bij alle mentale klachten automatisch het advies tot volledige arbeidsongeschiktheid, of is er sprake van een mismatch tussen klachten en de feitelijke medische noodzaak van ziekmelding? Hoe wordt voorkomen dat ziekmelding een «toevluchtsoord» wordt bij conflicten, werkdruk of privéproblemen? Welke rol mogen werkgevers hierin spelen?
Klopt het dat werkgevers niet mogen vragen naar de aard of oorzaak van de ziekte, maar wel volledig verantwoordelijk zijn voor re-integratie en voor naleving van alle verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter? Zijn er signalen bij u bekend dat werkgevers problemen ervaren met de privacywetgeving omtrent zieke werknemers? Hoe beoordeelt u deze asymmetrie? Kunt u aangeven welke informatie een werkgever minimaal zou moeten kunnen krijgen om effectief en verantwoordelijk te kunnen re-integreren zonder de privacywetgeving te schenden?
Klopt het dat werkgevers geen inspraak hebben in de door UWV opgelegde stappen in het plan van aanpak, maar wel aansprakelijk zijn voor het niet tijdig of volledig uitvoeren hiervan? Bent u bereid te onderzoeken of de positie van werkgevers hierin evenwichtiger kan worden ingericht?
Hoe beoordeelt u de praktijk waarin arbeidsongeschikten een voorschot houden wanneer UWV bij de uiteindelijke beoordeling vaststelt dat de werknemer niet of minder arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen? Geldt dit ook wanneer sprake is van aantoonbare misleiding of kwade trouw? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, hoe waarborgt u dat misbruik wordt aangepakt?
Het sectoraal uitzendverbod en initiatieven van de Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) om de omstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u een voorstander van de toepassing van het sectorale uitzendverbod als beleidsinstrument? Waarom wel/niet?
Alle arbeidskrachten moeten goed behandeld worden. Er zijn verschillende instrumenten om hier toezicht op te houden en op te handhaven. Uit de verkenning naar een sectoraal in- en uitleenverbod komt naar voren dat in sectoren waar arbeidswetten wijdverspreid en stelselmatig worden overtreden, een aanvullende maatregel kan worden overwogen naast de Wtta. Ook is in de verkenning naar voren gekomen dat er in de vleessector wijdverspreide en stelselmatige overtredingen van arbeidswetten zijn. Het kabinet heeft daarom besloten om als stok achter de deur een in- en uitleenverbod voor te bereiden voor de vleessector.
Volgens de vleessector blijven de omstandigheden die faciliterend zijn aan misstanden ook bij een sectoraal uitzendverbod nog altijd bestaan, omdat uitzendkrachten enkel een andere contractvorm zouden krijgen, bent u het eens met deze stelling? Kunt u toelichten waarom wel/niet?
In grote gedeelten van de vleessector is sprake van hoge percentages flexwerk (rond de 70%) en met name uitzendkrachten. Indien een uitzendbureau betrokken is zijn er meer dan twee keer zo veel overtredingen van arbeidswetten. De aanwezigheid van een uitzendconstructie is zelfs de belangrijkste voorspeller voor deze vorm van overtredingen. Ook voor overtredingen van arbeidswetten die toezien op arbeidsomstandigheden is de aanwezigheid van een uitzendbureau een belangrijke voorspeller. Een sectoraal in- en uitleenverbod richt zich naast de uitlener ook specifiek op de inlener die oneigenlijk drukken van de prijs en daarmee de misstanden faciliteert. Bij de uitwerking van het in- en uitleenverbod voor de vleessector wordt er gekeken naar weglekrisico’s. Het gaat hier om de situatie dat arbeidskrachten via een andere flexibele arbeidsrelatie worden ingehuurd om het in- en uitleenverbod te omzeilen. Daarnaast dient deze maatregel te worden bezien als een mogelijke aanvulling op de bestaande mogelijkheden om te handhaven op overtredingen van arbeidswetten.
De Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) richt zich naar eigen zeggen op verbetermaatregelen voor de sector zoals het opzetten van onboardingprogramma’s om arbeidsmigranten wegwijs te maken in hun werkomgeving en rechten en het implementeren van preventieve maatregelen om bedrijfsongevallen te voorkomen, ziet u deze inzet ook?
Op (hoog)ambtelijk niveau worden er gesprekken gevoerd met VleesNL (de nieuwe naam van COV) over de stappen die zij kunnen zetten om echt impact te hebben. Ook in die gesprekken maken zij duidelijk dat ze hier als sector mee bezig zijn. Op basis van de voortgang van deze gesprekken zal de Kamer op de hoogte worden gebracht over de stand van zaken in de sector.
Klopt het dat de COV u actief een verzoek heeft gedaan voor een gesprek?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de COV over de gang van zaken rond eventuele verbeterprocessen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om af te zien van de optie tot een sectoraal uitzendverbod en zich met sectorpartijen als de COV in te zetten voor het tegengaan van misstanden, gegeven de vermeende beperkingen van een sectoraal uitzendverbod?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat bijna een kwart van het personeel weg moet bij ABN AMRO |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna kwart van personeel moet weg bij ABN AMRO, AI neemt werk over: «Dit slaat in als een bom»? 1
Ja.
Wat is de verklaring voor de nieuwe strategie van ABN AMRO, waarbij een kwart van de banen bij ABN AMRO wordt geschrapt? Hoe beoordeelt u dit bezuinigingsplan?
Bij het aantreden van de nieuwe CEO van ABN AMRO, Marguerite Bérard, op 23 april 2025 is aangekondigd dat in november 2025 een strategie-update zou worden gepresenteerd aan beleggers.
Een bezuinigingsplan en bijbehorende processen hebben een grote impact op de medewerkers van de bank. Het verlies van banen doet pijn. Tegelijkertijd heb ik er vertrouwen in dat ABN AMRO zich als een goed werkgever opstelt. De gepresenteerde strategie moet ervoor zorgen dat de bank toekomstbestendig en kostenefficiënt is, zodat de bank weer volledig op eigen benen kan staan.
Welke invloed heeft u gehad op de totstandkoming van dit plan en waarom is de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
De strategie is een aangelegenheid van de Raad van Bestuur onder toezicht van de Raad van Commissarissen van de bank. Noch NLFI, noch de staat hebben invloed gehad op de totstandkoming van het bezuinigingsplan en de strategie. Op grond van maatregelen van de ACM mogen NLFI en de staat ook geen invloed uitoefenen op de commerciële strategie van de bank.
Het is aan de vennootschap om informatie over de strategie openbaar te maken. Ik kan uw Kamer daardoor alleen achteraf informeren op basis van de informatie die de vennootschap al heeft verstrekt. Daarom is het staand beleid dat ik uw Kamer niet informeer bij dergelijke aangelegenheden. In het geval van ABN AMRO geldt daarnaast in algemene zin dat ik vanwege de beursnotering terughoudend moet zijn in de informatievoorziening.
Wordt met deze kostenbesparing voorgesorteerd op een mogelijke overname van ABN AMRO? Wat zijn de verdere gevolgen voor de dividenduitkeringen in 2025 en 2026 aan de Staat?
Ik kan en ga niet speculeren of dat ABN AMRO zich hiermee klaar maakt voor een mogelijke overname. Het is van belang dat ABN AMRO een gezonde en toekomstbestendige bank is.
Of er gevolgen zijn voor het dividend in 2025 en 2026, en zo ja, welke, kan ik niets zeggen. Een eventueel dividend is afhankelijk van onder meer de gemaakte winst en het voorstel dat wordt gedaan voor bestemming van de winst.
Met welk doel heeft ABN AMRO de NIBC Bank van Blackstone overgenomen? Waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd en welke invloed heeft u hierop gehad?
ABN AMRO heeft in haar persbericht over de voorgenomen overname van NIBC aangegeven dat met de overname haar retailbankactiviteiten worden uitgebreid en haar sterke positie op de markt wordt verstevigd.
Noch NLFI, noch de staat hebben invloed gehad op de overname. Op grond van maatregelen van de ACM mogen NLFI en de staat ook geen invloed uitoefenen op de commerciële strategie van de bank. Daarnaast valt de investering onder de drempel waarvoor goedkeuring nodig is van de vergadering van aandeelhouders voor het doen van een investering.
Het is aan de vennootschap om informatie over onder meer investeringen en overnames openbaar te maken. Ik kan uw Kamer daardoor alleen achteraf informeren op basis van de informatie die de vennootschap al heeft verstrekt. Daarom is het staand beleid dat ik uw Kamer niet informeer bij dergelijke aangelegenheden. In het geval van ABN AMRO geldt daarnaast in algemene zin dat ik vanwege de beursnotering terughoudend moet zijn in de informatievoorziening.
Hoeveel winst heeft Blackstone gemaakt met deze verkoop?
ABN AMRO heeft aangegeven dat de geschatte overnameprijs rond de EUR 960 miljoen zal zijn. Dit bedrag is onder voorbehoud van aanpassingen bij de afronding van de transactie.
Bent u bereid om de overige ABN AMRO aandelen in handen van de staat op korte termijn te verkopen, aangezien de koers de hoogste stand in 10 jaar heeft bereikt?
ABN AMRO wordt zo snel als verantwoord mogelijk is, volledig naar de markt gebracht. De timing van dergelijke transacties wordt bepaald op basis van verschillende factoren, zoals de ontwikkeling van de aandelenprijs, open en gesloten periodes, interesse bij investeerders en de marktomstandigheden. NLFI weegt deze factoren voordat zij mij adviseert om aandelen te verkopen.
Ik heb uw Kamer op 9 september 2025 geïnformeerd dat een nieuw aandelenverkoopprogramma is gestart, waarmee het belang in ABN AMRO wordt afgebouwd van 30,5% tot circa 20%. Dit verkoopprogramma loopt nog. Ik kan geen mededelingen doen over de rationale van de timing of de omvang van de verdere verkoop van het aandelenbelang in ABN AMRO. Deze informatie zou koersgevoelig kunnen zijn en openbaarmaking daarvan zou een negatief effect op voorgenomen transacties kunnen hebben.
Het artikel 'Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?' |
|
Maes van Lanschot (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Tieman , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op. Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?» van Follow the Money?1
Kunt u een reactie geven op de in het artikel genoemde casus en daarbij ook ingaan op gevolgen voor de jachtbouwers wiens bedrijfsgevoelige gegevens bij de desbetreffende keuringsinstantie bekend waren?
Kunt u aangegeven hoeveel private keuringsinstituten, ook wel notified bodies, geprivatiseerde controleurs of aangemelde instanties, zijn er in Nederland?
Kunt u aangegeven hoeveel hiervan in buitenlandse handen zijn, uitgesplitst in Europese Unie (EU), niet-EU en Chinees?
Erkent u dat er risico’s zijn ten aanzien van onder andere kennislekkage bij verkoop van private keuringsinstanties aan buitenlandse actoren?
Welke mate van toetsing of screening vooraf geldt er op dit moment bij de verkoop van private keuringsinstituten aan buitenlandse actoren?
Welke inzet pleegt u in Europees verband om de overname van private keuringsinstituten door buitenlandse bedrijven aan banden te leggen?
Opvang op locaties op het water |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opvang gaat te water, veiligheid blijft aan wal: een op de vijf asielschepen voldoet niet aan de eisen»?1
Wat vindt u ervan de desbetreffende vastgoedondernemer in Terneuzen zich actief heeft gemengd met het verzet tegen het openen van een asielzoekerscentrum (azc), specifiek met winstbejag als doel, terwijl de gemeente al had gekozen voor een leegstaand bedrijfspand als opvanglocatie?
Deelt u de zorgen dat commerciële aanbieders door actieve beïnvloeding van bewoners en lokale politici besluiten over asielopvang kunnen sturen richting voor hen financieel aantrekkelijke, maar mogelijk minder veilige of realistische alternatieven? Acht u dit een risico voor de integriteit van het proces en voor de zorgvuldige democratische besluitvorming op lokaal niveau?
Bent u bereid om met gemeenten het gesprek aan te gaan over het risico van campagnes door commerciële scheepsexploitanten of vastgoedeigenaren die reguliere azc-plannen frustreren om hun eigen diensten te promoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de concurrentiestrijd door de toenemende vraag naar asielboten ten koste gaat van de veiligheid op de opvanglocaties op water? Zo ja, welke concrete stappen neemt u hiervoor?
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers en hoeveel statushouders op dit moment verblijven in een locatie op water?
Kunt u aangeven hoeveel kinderen op dit moment verblijven op opvanglocaties op water en kunt u daarbij aangeven welke locaties dit zijn en of deze allemaal voldoen aan de wettelijke veiligheids- en pedagogische eisen?
Klopt het dat volgens de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ongeveer een vijfde van de gecontroleerde asielboten niet voldoet aan de veiligheidsregels, en dat in de afgelopen drie jaar in totaal 664 gebreken zijn geconstateerd? Zo ja, kunt u toelichten om welke typen veiligheidsrisico’s het hierbij gaat?
Hoe is de deskundigheid van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) sinds 2022 versterkt als het gaat om de kwaliteit van de asielopvang op locaties op water? Is er hierbij specifiek aandacht voor de veiligheid van kinderen? Zo ja, op welke manier?
Klopt het dat exploitanten van cruiseboten jaarlijks gemiddeld 63.000 euro per opgevangen asielzoeker ontvangen en dit vele malen duurder is dan opvang in een azc? Zo ja, wat vindt u van de situatie waarbij het COA vanwege hun wettelijke taak noodgedwongen is om bij commerciële scheepsexpoitanten plekken af te nemen en de gestegen kosten voor rekening van de samenleving komen. Bent u het met ons eens dat dit ook afbreuk doet aan het draagvlak voor opvang?
Wat is uw appreciatie van het feit dat doordat boten niet openbaar worden aanbesteed, onderhandelaars hogere prijzen kunnen vragen en bent u hierover in gesprek met het COA?
Deelt u de mening dat het voor zowel de veiligheid van asielzoekers, maar ook vanwege kostenaspect en draagvlak, zeer wenselijk is om asielopvang op het water af te schalen? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u daartoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het artikel 'Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?»?1
Ja.
In het artikel wordt gesproken over een vaccin tegen het vogelgriepvirus voor kippen dat door de European Medicines Agency (EMA) is goedgekeurd, is dit goedgekeurde vaccin wellicht een «mRNA-vaccin»?
Het in het artikel genoemde vaccin is geen mRNA-vaccin, maar een vectorvaccin, INNOVAX-ND-AI, van MSD Animal Health. Dat is een vaccin dat na een beoordeling door het Europees Medicijnagentschap (EMA), door de Europese Commissie is toegelaten in de Europese Unie, voor gebruik bij kippen. Dit vaccin is door het EMA beoordeeld op werkzaamheid en veiligheid voor dier, mens en milieu.
Betreft dat misschien dit door de EMA goedgekeurde (mRNA-)vaccin, gezien het feit dat er wordt gesproken over één pluimveehouderij in Nederland die zijn kippen heeft gevaccineerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waar worden de eieren van deze pluimveehouderij in Nederland verkocht? Kan de Nederlandse consument op de verpakking zien dat de kippen die deze eieren hebben gelegd met dit (mRNA-)vaccin zijn gevaccineerd? Zo nee, waarom wordt dit voor de Nederlandse consument (bewust?) verborgen gehouden?
De eieren worden sinds eind juli 2025 via de bestaande afzetkanalen op de markt gebracht. Er is geen noodzaak om te melden in welke winkels de producten liggen, aangezien de eieren van gevaccineerde hennen veilig zijn.
Vindt u het belangrijk dat consumenten goed kunnen worden geïnformeerd over het voedsel dat ze eten?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat, zeker als consumenten daar prijs op stellen, pluimveehouders, te allen tijde, vrij zijn om aan te geven, op hun pak eieren, of de eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo nee, waarom niet? Waarom mogen consumenten niet weten of eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen de volgende zin in het genoemde artikel: «Je wit niet, zegt hij, dat in andere landen eieren op de markt worden gebracht van kippen die «ongevaccineerd» zijn, als een soort keurmerk.?»; waarom zou men dat niet willen? Wat is erop tegen om consumenten, die dat graag willen weten, in staat te stellen te achterhalen of de eieren op hun bord wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Hoe gaat u deze consumenten beschermen en garanderen dat Nederlandse pluimveehouders, die dat willen, op hun doosje eieren wel degelijk kunnen (blijven) aangeven dat de eieren afkomstig zijn van (on)gevaccineerde kippen?
Consumenten eten al decennia eieren en vlees van gevaccineerde kippen. Kippen worden tegen veel ziekten gevaccineerd, ook met vergelijkbare vaccins. Voorbeelden van ziekten waartegen wordt gevaccineerd zijn infectieuze bronchitis, infectieuze bursitis, infectieuze larynhgotracheitis, Newcastle disease, Salmonella Enteritidis en coccidiose. Dit gebeurt met vaccins die op de markt zijn toegelaten na een beoordeling op werkzaamheid en veiligheid voor mens, dier en omgeving. De eieren en het vlees van gevaccineerde kippen zijn veilig voor humane consumptie. Op verpakkingen van eieren en vlees staat niet welke vaccins zijn toegediend. Dit geldt ook in het geval van de eieren en het vlees van de kippen uit de pilot. Ik wil u er ook op wijzen dat het Voedingscentrum Nederland informatie geeft over voedsel afkomstig van gevaccineerde dieren2.
Het bericht 'Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden»?1
Hoe bekijkt u deze maatregelen van de Zweedse regering die juist bedoeld zijn om vrouwen en meisjes te beschermen tegen schadelijke en onbewezen praktijken?
Kunt u bevestigen dat maagdelijkheidstests volgens de Nederlandse professionele standaard niet binnen de reguliere zorg thuishoren en dat artsen geacht worden deze verzoeken af te wijzen? Zijn er desondanks aanwijzingen dat dergelijke verzoeken toch worden gedaan bij huisartsen, gynaecologen of andere zorgprofessionals? Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang hiervan is, hoe deze signalen momenteel worden geregistreerd of opgevolgd en of deze verzoeken aanleiding vormen voor toezicht door de IGJ? Indien geen cijfers beschikbaar zijn, bent u bereid hierover structurele monitoring te laten plaatsvinden?
Deelt u de mening dat maagdelijkheidstests geen enkele medische grondslag hebben en dat een dergelijke praktijk kan bijdragen aan het onderdrukken en controleren van meisjes en vrouwen? Zo ja, hoe wilt u dit toepassen in Nederland? Zo niet, waarom niet?
Is er recentelijk onderzoek gedaan in hoeverre maagdelijkheidstests voorkomen in Nederland in de privésfeer? Zo ja, kunt u de resultaten van dit onderzoek delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid om dit in kaart te laten brengen? Is het in Nederland op dit moment strafbaar om een maagdelijkheidstests uit te voeren of een maagdelijkheidsverklaring af te geven door niet-medische personen?
In Zweden wordt het ook strafbaar om geen melding te maken van gedwongen huwelijken en kindhuwelijken, in het licht hiervan hoe staat het met de uitvoering van de motie-Dral c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 293) die toeziet op een meldplicht?
Welke concrete stappen acht u op korte termijn haalbaar om ervoor te zorgen dat meisjes en vrouwen in Nederland niet langer worden geconfronteerd met pseudomedische claims, sociale druk of dwang rondom «maagdelijkheid», inclusief handhaving, voorlichting, regelgeving en mogelijke strafbaarstelling?
Welke stappen worden er op dit moment vanuit het kabinet nog meer ondernomen om meisjes en vrouwen in Nederland beter te beschermen tegen schadelijke praktijken die hun lichamelijke integriteit, autonomie en rechten aantasten?
De verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat kinderen in krimp- en grensregio’s een bovengemiddelde kans hebben om in energiearmoede op te groeien?1
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen in krimp- en grensregio’s een grotere kans hebben om in energiearmoede op te groeien?
Hoe bent u van plan te waarborgen dat gezinnen met kinderen in krimp- en grensregio’s toegang houden tot betaalbare energie?
Deelt u het inzicht dat krimpregio’s zoals Zuid-Limburg en Noord-Groningen te maken hebben met een dubbele kwetsbaarheid, namelijk (1) slechtere energetische kwaliteit van de woningvoorraad en (2) demografische achteruitgang?
Bent u bereid concrete maatregelen te nemen om in aansluiting op het rapport «Elke regio telt!» deze regionale ongelijkheden te verkleinen, zo ja welke en zo nee waarom niet?
Op welke wijze wordt met betrekking tot de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s de regiotoets uitgevoerd, zodat de gevolgen voor regio’s en plattelandsgebieden expliciet worden meegewogen, in lijn met de aangenomen motie van het lid Van der Plas over onderzoeken hoe een plattelandstoets nader uitgewerkt kan worden en een rol kan spelen bij overheidsbeleid en wet- en regelgeving (Kamerstuk 36 410, nr. 121)?
Kunt u een actuele uitsplitsing geven van energiearmoede naar regio, inclusief het aantal huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie (het structureel uitzetten of laag houden van verwarming)?
Klopt het dat beleid rondom energiearmoede momenteel versnipperd is over meerdere ministeries (Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en dat hierdoor een overkoepelende visie ontbreekt?
Bent u bereid een langetermijnstrategie energiearmoede op te stellen met duidelijke doelen, indicatoren en interdepartementale coördinatie?
Herkent u de signalen dat de private sector – zoals netbeheerders en energiebedrijven – bereid is een grotere rol te spelen in het opsporen en oplossen van energiearmoede?
Bent u bereid deze rol te verankeren, bijvoorbeeld door afspraken over vroegsignalering, datadeling en lokale samenwerking?
Bent u bereid de rol van energiecoöperaties en energiecoaches te versterken in de aanpak van energiearmoede, gelet op hun nabijheid en het grotere vertrouwen dat zij genieten in wijken?
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen in het benutten van bestaande buurtpunten en wijkcentra bij het bereiken van moeilijk bereikbare groepen, waaronder bewoners met diverse culturele achtergronden?
Hoe voorkomt u dat huurders opgescheept blijven met torenhoge energierekeningen als gevolg van slechte woningkwaliteit waar zij zelf niet in kunnen of mogen investeren?
Wilt u de Kamer uiterlijk eind december dit jaar informeren over wat u gaat doen met de aanbevelingen uit het rapport van TNO?
Personen die ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt en gecompenseerd in het kader van de toeslagenaffaire |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen zijn er tussen 26 maart van dit jaar – toen u de Kamer informeerde1 naar aanleiding van berichtgeving in NRC een dag eerder – en nu gezet om in kaart te krijgen hoeveel personen ten onrechte als gedupeerde van de toeslagenaffaire zijn aangemerkt en gecompenseerd en welk bedrag daarmee gaat gepaard?
Op 26 maart 2025 heb ik de Kamer geïnformeerd over de verzend- en ontvangstadministratie van de massaal door Dienst Toeslagen verzonden brieven. Ik heb toen ook aangekondigd dat de Auditdienst Rijk (ADR) is gevraagd de juistheid en volledigheid van de administratie te onderzoeken. Zodra het onderzoek is afgerond zal ik de Kamer het onderzoeksrapport, inclusief mijn reactie, doen toekomen.
Zoals ik al eerder aan de Kamer heb gemeld in de brief van 26 maart 2025, vind ik het belangrijk om te benadrukken, ook richting de ouders, dat de gegevens die nu worden onderzocht geen invloed zullen hebben op reeds door UHT genomen besluiten in de eerste toets en integrale beoordeling. Bij ouders die in de eerste toets of integrale beoordeling in de hersteloperatie zijn aangemerkt als gedupeerde vordert UHT uitgekeerde compensatie niet terug. Het ouderverhaal is en blijft leidend. Dit is alleen anders in gevallen van evidente fraude, maar daar ziet het onderzoek van de ADR niet op.
Wat is de status van het onderzoek door de ADR, waarover in de Kamerbrief van 4 juli 2025 werd gemeld dat afronding voorzien was aan het einde van het derde kwartaal van 20252?
Het onderzoek bevindt zich op dit moment in de afrondende fase. Dit moment is later dan voorzien in de brief van 4 juli 2025. Ik deel met de Kamer dat ik graag zo snel mogelijk de uitkomsten ontvang. Echter acht ik het belangrijk dat de ADR de tijd krijgt het onderzoek goed af te ronden. Als het onderzoek is afgerond zal ik de Kamer het onderzoeksrapport, inclusief mijn reactie, doen toekomen.
Wanneer gaan de uitkomsten van dit onderzoek met de Kamer gedeeld worden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat bedoelde u met uw uitspraak in WNL op Zondag van 30 november 2025 dat u niet weet hoeveel geld er ten onrechte is uitgekeerd en dat u zich daarmee ook niet gaat bezighouden3? Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot het genoemde onderzoek dat hiernaar momenteel wordt uitgevoerd?
Eerder in datzelfde interview heb ik benoemd dat aan de hand van de onderzochte administratie niet gesteld kan worden dat mensen onterecht compensatie hebben ontvangen. Dit is immers ook niet wat de ADR onderzoekt. De ADR onderzoekt momenteel enkel de juistheid en volledigheid van de administratie. Ik kan nu niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek en de mogelijke gevolgen.
In algemene zin geldt dat rondom oneigenlijk gebruik en misbruik van herstelregelingen een proces is ingericht voor het verzamelen, verwerken en beoordelen van signalen, zoals ook gedeeld met uw Kamer4. Als achteraf blijkt dat een herstelbetaling door misbruik is verkregen wordt deze teruggevorderd. De mogelijkheid daartoe is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen.
Betekent uw uitspraak dat u op voorhand al besloten heeft dat de uitkomsten van het onderzoek niet tot vervolgstappen zullen leiden? Zo ja, waarom?
Nee, ik kan niet vooruitlopen op de conclusies uit het onderzoek.
Bent u, ongeacht de reikwijdte en uitkomsten van het lopende ADR-onderzoek, bereid de Kamer te voorzien van een zo accuraat mogelijke inschatting van het aantal ten onrechte gecompenseerde personen en de totale kosten die hiermee gemoeid zijn? Zo nee, waarom niet?
De ADR onderzoekt niet of en zo ja, hoe veel ouders ten onrechte zijn gecompenseerd. Echter wil ik de uitkomsten van het onderzoek wel afwachten voordat ik kan bepalen wat de gevolgen zijn voor de hersteloperatie. Zodra het onderzoek is afgerond zal ik de Kamer het onderzoeksrapport, inclusief mijn reactie, doen toekomen. Op dit moment kan ik niet vooruitlopen op de conclusies uit het onderzoek.
Geldt het besluit zoals vermeld in uw brief van 26 maart om onterecht uitgekeerde compensaties niet terug te vorderen voor alle gevallen? Zo nee, in welke gevallen kan of zal hiertoe wel overgegaan worden?
Zie antwoord vraag 1.
Het artikel 'Tweede Kamer zaait twijfel over abortuszorg met twee aangenomen moties' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Becking , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er op dit moment onderhandeld wordt tussen de Raad en het Europees Parlement over de Richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten?1
Ja, dat klopt.
Kunt u de Nederlandse positie in de Raad ten aanzien van die richtlijn toelichten? Kunt u specifieke toelichting geven op het Nederlandse standpunt ten aanzien van artikel 9(3) die betrekking heeft op de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg voor slachtoffers?
De Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel voor herziening van de richtlijn is neergelegd in het BNC-fiche van 6 oktober 20232.
Met betrekking tot het Nederlandse standpunt ten aanzien van artikel 9 (3) is Nederland groot voorstander van het beschermen en ondersteunen van slachtoffers van seksueel geweld. Daaronder valt de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en tevens toegang tot abortuszorg. Wij steunen het expliciet benoemen van toegang tot abortuszorg in de overweging bij artikel 9 (3) met een verwijzing naar het nationale recht. Het genoemde artikel en de bijbehorende overweging leiden niet tot harmonisering van wetgeving op EU-niveau.
Klopt het dat Nederland zich op ambtelijk niveau heeft uitgesproken tegen het opnemen van toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg voor slachtoffers in deze richtlijn en het expliciet benoemen van abortus in de overweging die correspondeert met dit artikel? Zo ja, waarom?
Nee, dat is niet correct. In het kader van de onderhandelingen en het meest recente voorstel van het Europese Parlement (hierna: EP) om abortus expliciet te noemen in de overweging bij artikel 9 (3), heeft Nederland aangegeven het voorstel van het EP te kunnen steunen mits wordt aangegeven dat dit een onderwerp is van nationaal recht. De juridische basis van deze richtlijn3 biedt geen grondslag om toegang tot gezondheidszorg, waaronder seksuele en reproductieve gezondheidszorg, te harmoniseren binnen de Europese Unie. Het expliciet benoemen van abortuszorg ligt echter gevoelig bij een aantal lidstaten. Nederland wil ook deze lidstaten aan boord houden om zo tot een onderhandelingsakkoord met betrekking tot een herziene richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten te komen. Daarom is de suggestie gedaan om aan te sluiten bij artikel 26 lid 2 van de reeds vastgestelde richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.4
Deelt u de mening dat Nederland als voorvechter van progressieve waarden juist voorop zou moeten lopen met het beschermen van slachtoffers van seksueel geweld, en dat toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en specifiek abortuszorg daar een onlosmakelijk onderdeel van is?
Ja, deze mening deel ik.
Bent u bereid om dan wel op ambtelijk niveau, dan wel op ministerieel niveau van standpunt te veranderen ten aanzien van artikel 9(3) en de corresponderende overweging, in de richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en het Deens voorzitterschap daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Nee, dat is niet nodig in het licht van bovenstaande beantwoording.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk, het liefst voor 10 december 2025 te beantwoorden?
Ik heb uw vragen conform uw verzoek voor 10 december 2025 beantwoord.
Het FD-artikel ‘Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarah El Boujdaini (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Italië een btw-aanslag heeft opgelegd aan Meta, LinkedIn en X?
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie van oordeel is dat er omzetbelasting geheven mag worden over sociale media als gebruikers de instellingen kunnen aanpassen waardoor de aanbieders persoonlijke data niet zomaar mogen verkopen en de gebruikers zelf minder functionaliteiten ter beschikking hebben?
Kunt u uiteenzetten wanneer en onder welke voorwaarden er volgens de Europese Commissie omzetbelasting mag worden geheven over de data die aanbieders van sociale media van hun gebruikers krijgen?
Bent u van mening dat het verstrekken van persoonlijke data ten behoeve van gratis toegang tot sociale media een belastbare transactie vormt?
Is het voor de Belastingdienst ook mogelijk in Nederland btw te heffen bij aanbieders van sociale media over de data, die zij van gebruikers krijgen en is de Belastingdienst voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn er voor nodig om dit te gaan doen en per wanneer zou de Belastingdienst hiertoe kunnen overgaan?
Hoe hoog zou de jaarlijkse opbrengst zijn indien ook in Nederland btw wordt geheven over sociale media conform het Italiaanse voorbeeld?
Hoe kijkt u naar het Italiaanse voorbeeld waar aanbieders van sociale media een naheffing opgelegd krijgen over eerdere jaren waarin geen btw is betaald? Kan dit met inachtneming van een betrouwbare overheid met terugwerkende kracht?
Het toenemende aantal hiv-diagnoses |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u onze zorgen over de trendbreuk dat het aantal hiv-diagnoses niet meer afneemt en zelfs stijgt in de komende jaren?
Ja, ik deel uw zorgen. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een aantal jaar niet meer. Stichting hiv monitoring geeft op basis van haar berekeningen aan dat het aantal nieuwe diagnoses de komende jaren mogelijk zelfs weer zal stijgen.
Welke stappen gaat u ondernemen om juist Nederlanders met een laag inkomen, een migratieachtergrond en/of die gebruik maken van geestelijke gezondheidszorg met een verhoogde kans op een hiv-diagnose en die nu minder gebruik maken van PrEP, te helpen?
Op 28 november jl. gaf ik in mijn brief1 aan uw Kamer aan dat ik mij zorgen maak om groepen die meer kans hebben op een hiv-infectie, bijvoorbeeld vanwege een lager inkomen, een migratieachtergrond en/of psychische problemen. Voor deze groepen is de zorg door GGD’en vanuit de Regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG-regeling) bedoeld, maar nog niet iedereen wordt bereikt. Daarom wil ik meer zicht krijgen op drempels die mensen ervaren om met hun soa-gerelateerde vragen of klachten naar de GGD of huisarts te gaan, zodat deze drempels kunnen worden verlaagd of weggenomen. Ik werk hierin samen met het RIVM, Soa Aids Nederland en enkele coördinerende GGD’en.
Ondertussen blijf ik Soa Aids Nederland ondersteunen om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa Aids Nederland richt zich hierbij ook specifiek op groepen met minder toegang tot soa- en PrEP-zorg.
Waarom maakt u PrEP-zorg niet gratis toegankelijk voor risicogroepen?
Het preventieve hiv-medicijn PrEP (Pre-Expositie Profylaxe) levert een onmisbare bijdrage aan het tegengaan van hiv en de ambitie om Nederland naar 0 nieuwe hiv-infecties te brengen. PrEP-zorg bij de GGD’en is gratis voor personen met een verhoogd risico op hiv. Deze zorg bestaat uit de soa-testen die horen bij PrEP, de reguliere behandeling na een positieve soa-uitslag en de begeleiding bij het (correct) gebruiken van PrEP door een zorgprofessional. De PrEP-medicatie moeten mensen zelf betalen. Het dagelijks gebruiken van PrEP kost ongeveer tussen de € 16 en € 30 per maand. Door PrEP-gebruikers deze kosten zelf te laten dragen, kunnen de GGD’en meer mensen helpen met PrEP-zorg. De evaluatie van het RIVM laat zien dat de overgang van de tijdelijke PrEP-pilot naar het structurele PrEP-programma de toegankelijkheid en flexibiliteit van PrEP-zorg aanzienlijk heeft vergroot. Het aantal nieuwe PrEP-deelnemers is toegenomen van 468 in het tweede kwartaal van 2024 naar 968 in het tweede kwartaal van 2025. Het totaal aantal mensen dat PrEP-zorg krijgt, is gestegen van 8.500 in juli 2024 naar 11.762 in juli 2025.
Deelt u de oproep van Soa Aids Nederland om te investeren in betere toegang tot PrEP, zonder wachtlijsten en financiële drempels? Zo nee, waarom niet?
Sinds augustus 2024 wordt PrEP-zorg regulier aangeboden door GGD’en in plaats van in een pilot. Deze overgang van pilot naar regulier programma ging onder andere gepaard met een structurele extra investering van 1 miljoen euro per jaar. Sindsdien is het aantal wachtenden voor PrEP-zorg bij de GGD’en afgenomen. Zoals in mijn brief van 28 november jl. genoemd, krijgen de GGD’en per 2027 middelen vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA). Dit zal naar verwachting helpen om de wachttijden te verminderen per 2028.
Daarnaast ondersteun ik Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa Aids Nederland biedt betrouwbare informatie over seksuele gezondheid, hiv, soa’s, condoomgebruik en PrEP met een breed palet aan interventies en ondersteunende activiteiten zoals online keuzehulpen, websites, infolijnen en deskundigheidsbevordering van professionals. Dit jaar zal Soa Aids Nederland op het platform Sense.info meer en extra aandacht besteden aan het onderwerp PrEP. Soa Aids Nederland lanceert dit jaar ook een campagne voor en door transpersonen om hen te informeren over PrEP en, in geval van risico op hiv, PrEP gebruik te stimuleren. Ook GGD’en informeren personen met een verhoogd risico op hiv over (correct gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige) hiv-testen.
Omdat PrEP niet de enige manier is om hiv te voorkomen, start ik dit jaar een campagne om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.2
Kunt u concreet toelichten wat u gaat doen ter promotie van PrEP, zodat meer mensen weten dat het een veilige manier is om hiv te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verklaart u de afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken?
Uit de evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid blijkt géén afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken. Wel is een lichte verschuiving van dagelijks naar intermitterend gebruik zichtbaar. Er is geen wetenschappelijk onderzoek beschikbaar over de bereidheid om PrEP te gebruiken. GGD’en, het RIVM, Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging geven aan dat mensen het dagelijks slikken van de PrEP-medicatie, of het steeds rekening moeten houden met eventuele seksuele activiteit (bij zogenaamd event-driven gebruik) soms belastend vinden.
Waarom is er in het PrEP-programma voor gekozen om deelnemers zelf hun medicatie te laten halen bij de apotheek? Werkt dit niet drempelverhogend?
Dit is allereerst nodig om de veiligheid beter te borgen. Apothekers controleren op onjuist gebruik en de werking van PrEP in combinatie met andere medicijnen. Het is dus van belang dat apothekers op de hoogte zijn van het PrEP-gebruik van hun cliënten. Daarnaast is landelijke inkoop van PrEP en distributie via de GGD’en niet conform staatssteunregels, omdat er geen sprake is van marktfalen. Bovendien kunnen en willen apothekers deze zorg ook bieden.
Er zijn mogelijkheden om, indien gewenst, gebruik te maken van een online apotheek. Een online apotheek biedt meer anonimiteit en kan daardoor als laagdrempeliger worden ervaren. Overigens blijkt uit de evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid niet dat het zelf afhalen van de medicatie heeft geleid tot een verminderde toegang tot PrEP.
Bent u van mening dat het huidige beleid afdoende is om iedereen in staat te stellen om keuzes te maken over de eigen seksualiteit, zoals u in uw brief als doel stelt? Zo nee, waarom niet?
In ieder geval is het mijn ambitie, om iedereen in staat te stellen keuzes te maken over de eigen seksualiteit. Daarvoor zet ik mij samen met partners in het veld volop in. Op diverse manieren, zoals omschreven in de beleidsvisie op seksuele gezondheid3, wordt dan ook hard aan dit doel gewerkt. Er gaan gelukkig veel dingen goed. Nederland heeft van oudsher een stevige infrastructuur voor seksuele gezondheid, met laagdrempelige en goede soa- en seksualiteitszorg via huisartsen, GGD’en en tweedelijnszorg. Voor de meeste mensen is er goede toegang tot anticonceptie. Er is goede monitoring van soa’s en hiv en een toegankelijk aanbod aan betrouwbare informatiebronnen en ondersteuningsmogelijkheden over anticonceptie, soa’s en seksualiteit. Nederland is internationaal koploper in relationele en seksuele vorming, waardoor jongeren, passend bij hun leeftijd, kennis en vaardigheden opdoen om bewuste en veilige keuzes te maken.4
Ik zie echter ook de nodige uitdagingen. De GGD’en staan al lange tijd onder druk en kunnen niet iedereen die dit nodig heeft aanvullende soa-zorg bieden. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een aantal jaar op rij niet meer en zal mogelijk de komende jaren gaan stijgen. Het gebruik van condooms neemt af. En onder bepaalde groepen heteroseksuele jongeren neemt gonorroe toe. Tot slot maak ik me grote zorgen om de negatieve invloed van mis- en desinformatie over bijvoorbeeld relationele en seksuele vorming.
Welke concrete maatregelen neemt u om dit streven te behalen?
In mijn brief van 28 november jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de acties die ik in gang heb gezet, bovenop bestaande activiteiten. Het gaat om de volgende acties:
Kunt u nader toelichten hoe het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) gaat bijdragen aan betere en toegankelijke PrEP-zorg, waar u in uw brief naar refereert?
In mijn brief van 28 november jl. informeerde ik uw Kamer over de extra middelen vanuit het AZWA voor de ASG-regeling en de PrEP-zorg. Dankzij het AZWA komt er vanaf 2027 budget beschikbaar voor de ASG-regeling, waaronder PrEP-zorg. Vanaf 2028 betekent dit ook een verbetering ten opzichte van de beschikbare middelen zoals deze vóór de 10% korting op de ASG-SPUK bestonden. Met deze extra middelen kunnen GGD’en wachttijden verkorten, meer mensen PrEP-zorg bieden en/of meer investeren in outreach en de verbetering van de samenwerking met ketenpartners.
Onderdeel van de afspraken in het AZWA over samenwerking op het snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein is ook de ontwikkeling van een ketenaanpak seksuele gezondheid. Daarin werken professionals vanuit verschillende domeinen samen om mensen met (een risico op) een seksuele gezondheidsachterstand tijdig te signaleren en hen hulp en ondersteuning te bieden.
In mijn antwoord op vraag 9 gaf ik aan dat ik, aanvullend op het huidige beleid, extra actie onderneem om de druk op de soa- en PrEP-zorg te verminderen, waaronder promotie van condoomgebruik en de verbetering van de samenwerking tussen huisartsen en GGD’en.
Wat gaat u er concreet aan doen om de lange wachtlijsten voor PrEP-zorg in te korten?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe wilt u meer zicht krijgen op de drempels die mensen ervaren om zorg omtrent soa’s op te zoeken?
De soa-zorg die door GGD’en wordt geboden vanuit de ASG-regeling is aanvullend op de huisartsenzorg. GGD’en constateren een grotere vraag naar soa-zorg dan zij op basis van de beschikbare financiële middelen kunnen bieden. Er is eerder dit jaar besloten om in de ASG-regeling te verduidelijken dat de soa-zorg bedoeld is voor personen uit specifieke doelgroepen die een verhoogd risico lopen op soa’s en een drempel tot de reguliere zorg hebben.
In de praktijk blijkt het soms lastig voor GGD’en om te bepalen in hoeverre iemand een drempel tot de reguliere zorg ervaart. Bovendien geven GGD’en aan nog niet alle mensen te bereiken waarvoor de ASG-regeling juist bedoeld is. Daarom heb ik het RIVM gevraagd onderzoek te doen naar drempels die mensen tot soa-zorg kunnen ervaren. Wat kenmerkt deze groep? En wat maakt dat zij een drempel tot reguliere (huisartsen)zorg of aanvullende soa-zorg ervaren? Wat is er nodig om deze drempels te verminderen of weg te nemen? Het RIVM werkt in dit onderzoek samen met Soa Aids Nederland en enkele GGD’en.
Wat gaat u concreet doen om het kennisniveau omtrent SOA’s en condoomgebruik bij jongeren die lager en middelbaar zijn opgeleid te verhogen en het stigma en taboe rondom PrEP te verlagen?
Ik ondersteun Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Binnen de activiteiten van Soa Aids Nederland is specifiek aandacht voor jongeren op het praktijkonderwijs of het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Zo zijn alle websites, waaronder sense.info (speciaal gericht op jongeren), doorgelicht en herschreven naar B1-taalniveau om ervoor te zorgen dat de taal voor iedereen begrijpelijk is. De projectweek Lang Leve de Liefde wordt ingezet bij mbo-instellingen. En Soa Aids Nederland is actief op sociale media, waarbij op een visuele en toegankelijke manier allerlei vragen rond seksuele gezondheid aan bod komen.
Ook GGD’en informeren personen met een verhoogde kans op hiv, waaronder jongeren, over (correct gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige) hiv-testen. Jongeren kunnen met al hun vragen over seksualiteit en relaties terecht bij Sense: via de website wordt informatie gegeven en jongeren kunnen appen, bellen, chatten of langskomen op het sense-spreekuur.
Zoals aangegeven in mijn brief van 28 november jl. start ik in 2026 met verschillende activiteiten voor jongeren om het gebruik van condooms te promoten.
Tot slot is er in het onderwijs, ook op het speciaal onderwijs en mbo, aandacht voor relationele en seksuele vorming, waaronder het maken van gezonde en veilige keuzes om soa te voorkomen en om de regie op een kinderwens te vergroten.
Agressie in de zorg |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Is u bekend dat het Erasmus MC zich distantieert van een observatie, namelijk dat agressie in de zorg vaker voorkomt bij migrantenfamilies, gedaan door een IC-arts werkzaam in het Erasmus MC?1
Hoe kan het Erasmus MC zich distantiëren van een waarneming verricht door een arts? Is het management van het Erasmus MC misschien ook dagelijks aanwezig op de IC en neemt het management daar zelf iets heel anders waar?
Vindt u het wenselijk dat het management van een ziekenhuis zich «distantieert» van waarnemingen die artsen verrichten? Begint een analyse, onderzoek en waarheidsvinding niet bij het doen van waarnemingen? Wordt deze waarheidsvinding niet geweld aan gedaan als het management van een ziekenhuis zich gaat «distantiëren» van waarnemingen? Zorgt dat er immers niet logischerwijs voor dat artsen zich niet langer zomaar vrij durven uit te spreken over datgene wat ze op de werkvloer zelf met hun eigen ogen zien en meemaken? Brengt een dergelijke (angst)cultuur daarmee de patiëntveiligheid uiteindelijk niet in gevaar?
Wat gaat u hieraan doen? Bent u bereid hierover met het Erasmus MC in gesprek te gaan? Bent u bereid aan het Erasmus MC te vragen waarom (en op welke gronden, zijn er aanwijzingen, is er ook maar enig bewijs dat de gewraakte waarneming feitelijk onjuist is) het management zich blijkbaar geroepen voelt zich publiekelijk «te distantiëren» van een waarneming die is verricht door een arts die werkt in het Erasmus MC?
Het Young Global Leader programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u dit jaar toegetreden tot het zogenaamde «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum?1
Ja.
Door wie en wanneer bent u uitgenodigd toe te treden tot de 2025 «Young Global Leaders» klas van het World Economic Forum? Was dit een schriftelijke uitnodiging? Zo ja, kan de Tweede Kamer deze uitnodiging ontvangen?
De uitnodiging is in januari 2025 per e-mail ontvangen vanuit The Forum of Young Global Leaders Foundation (YGL Foundation).
Is het correct dat u bent uitgenodigd in uw hoedanigheid van Minister? Zo nee, waarom staat dit dan letterlijk zo aangegeven op de «Young Global Leader» website? Is het kabinet op de hoogte van deze nevenfunctie?2
Nee, de nominatie voor en deelname aan het Young Global Leaders programma is op persoonlijke titel. Dat de huidige functie van deelnemers wordt vermeld op de website van het programma doet daar niets aan af. Deelname aan het programma betreft geen nevenfunctie.
Wat waren uw beweegredenen om (op deze uitnodiging in te gaan en) lid te worden van de 2025 klas met «Young Global Leaders» van het World Economic Forum?
Ik heb positief gereageerd op de uitnodiging, omdat ik het eervol vind hiervoor te zijn genomineerd en het een kans biedt om internationaal van gedachten te wisselen met getalenteerde leiders.
Kan de Tweede Kamer dit driejarige «ontwikkelingsprogramma» van de 2025 «Young Global Leader» klas waar u (namens het kabinet) onderdeel van uitmaakt ontvangen? Bij welke «thematische bijeenkomsten» bent u aanwezig geweest? Welke «academische modules» van het World Economic Forum heeft u gevolgd?
Er is geen formeel ontwikkelingsprogramma, op de website van het Young Global Leaders programma kunt u meer lezen over de bijeenkomsten en modules waar men optioneel aan kan deelnemen. Ik ben (nog) niet bij een thematische bijeenkomst van het programma aanwezig geweest en heb geen academische module gevolgd.
Het «Young Global Leader» programma verschaft daarnaast, «opportunities to contribute to strategic initiatives aligned with the World Economic Forum’s mission», op welke manier heeft u, als WEF «Young Global Leader» bijgedragen aan welke specifieke doelstellingen van het World Economic Forum? Kan de Tweede Kamer hiervan een overzicht ontvangen?
Ik heb niet bijgedragen aan specifieke doelstellingen van het World Economic Forum. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe zou het kabinet de «doelstellingen van het World Economic Forum» omschrijven?
De WEF biedt een nuttig platform voor de uitwisseling van ideeën, onderzoeksresultaten en inzichten over actuele thema’s tussen politici, wetenschappers, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het bedrijfsleven en ngo’s. Het biedt ook een goede gelegenheid om in bilaterale gesprekken met internationale leiders en het bedrijfsleven specifieke onderwerpen te bespreken die van belang zijn voor Nederland.
Het doel van het WEF is het bijeenbrengen van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties om gezamenlijk bij te dragen aan een betere wereld.
Kan uit het feit dat u, als Minister van Defensie, bent toegetreden tot het «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum logischerwijs worden geconcludeerd dat het kabinet de doelstellingen van het World Economic Forum steunt? Zo nee, waarom niet?
Nee, deelname aan dit programma geschiedt op persoonlijke titel. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 7.
Is het correct dat Klaus Schwab, de inmiddels omstreden oprichter van het World Economic Forum, op 20 september 2017 op de Harvard Kennedy School, in het openbaar te kennen heeft gegeven trots te zijn dat het World Economic Forum het Young Global Leader programma wereldwijd gebruikt om, in zijn woorden, «kabinetten te penetreren»?3
Het is niet aan mij om de woorden van dhr. Schwab te recenseren.
Vindt het kabinet het wenselijk als leden van het kabinet deelnemen aan een programma waarvan de bedenker zélf aangeeft dat het bedoeld is om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Zie antwoord op vraag 9.
Is het correct dat de Koning ook een WEF «Young Global Leader» is (geweest)? Ja of nee?4
Nee.
Kunt u de bovenstaande simpele en feitelijke ja-nee-vraag met alleen «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom bent u daartoe maar niet in staat?
Ja.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Certificering boa’s. |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de stelling dat het geen zin heeft om buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) te voorzien van extra bevoegdheden en middelen, zoals bijvoorbeeld een korte wapenstok en pepperspray als de boa’s hier door middel van een examen niet het vereiste certificaat kunnen halen?
Ik deel de mening dat de toetsing voor het gebruik van de bevoegdheden en middelen voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) op orde moet zijn. Daarnaast hecht ik waarde aan het ingezette beleid zoals uiteengezet in de Kamerbrief over de rol van de boa van 2 oktober jl. Het is belangrijk dat de boa met zijn uitrusting goed geëquipeerd wordt voor zijn taak en voor de omstandigheden waarin die taak wordt uitgeoefend. De boa als professionele partner in handhaving moet toegerust zijn om zijn taak goed en veilig uit te voeren, ook als hij onvoorzien (en ongewenst) wordt geconfronteerd met agressie en geweld tijdens zijn werk. In de Kamerbrief wordt benoemd dat er in het nieuwe bestel daarom een standaarduitrusting van bevoegdheden en middelen zal komen, gekoppeld aan de opsporingsbevoegdheid. Daarbovenop kan, indien aan de eisen is voldaan, de boa beschikken over aanvullende uitrusting.
Bent u bekend, met het bericht dat gestuurd is naar de commissie Veiligheid en Justitie met het onderwerp «Bezorgdheid over Regeling Toetsing Geweldbeheersing Buitengewoon Opsporongsambtenaar (RTGB)-certificering van BOA’s», waarin vermeld wordt dat er naar schatting 500 boa’s op de wachtlijst staan voor dat examen de zogenaamde RTGB-toets? Zo ja, klopt deze berichtgeving?
Ik ben niet bekend met dit bericht dat gestuurd is naar de VKC Veiligheid en Justitie. De boa-werkgevers zijn verantwoordelijk voor het laten toetsen van hun boa’s conform de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Buitengewoon Opsporingsambtenaar (RTGB) indien zij beschikken over politiebevoegdheden of geweldsmiddelen. De Politieacademie is verantwoordelijk voor het samenstellen van de RTGB-toetsen en de certificering van de RTGB-toetsers. De Politieacademie is bereid om voor het einde van het jaar een inhaalslag te organiseren om zoveel mogelijk van de boa-werkgevers, die de afgelopen jaren bij de Politieacademie toetsing hebben afgenomen, te helpen hun boa’s alsnog getoetst te krijgen. Het zal gaan om twee dagen (22 en 23 december), en indien nodig ook in de laatste week van december. De politieacademie heeft hierbij aangegeven dat tijdens deze sessies de toetsingscapaciteit dermate is dat de boa’s die eerder werden afgewezen voor een toets-aanvraag alsnog terecht zouden kunnen. Hierover is inmiddels door de Politieacademie een bericht aan de betreffende boa-werkgevers verzonden. Ook zijn de boa-werkgevers aangeschreven die zich niet bij de Politieacademie hebben gemeld maar wel eerder zijn getoetst door de Politieacademie.
Bent u het ermee eens dat de handhaving van de openbare orde en veiligheid in het geding kan komen als deze berichtgeving juist is? Het kan toch niet zo zijn dat 500 opgeleide boa’s niet hun taken kunnen uit oefenen omdat zij geen mogelijkheid krijgen om het vereiste certificaat te behalen, terwijl er een grote behoefte is aan meer veiligheid op straat?
Het handhaven van de openbare orde is primair een taak van de politie, niet van de boa. Zoals hierboven is aangegeven, is de Politieacademie bereid om voor het einde van het jaar een inhaalslag te organiseren. Hierdoor worden de betreffende boa’s alsnog getoetst, zij blijven dan beschikken over de politiebevoegdheden en geweldsmiddelen.
Bent u het eens met de stelling dat er zo snel mogelijk een einde moet komen aan deze ongewenste situatie?
Zie het antwoord op vraag 2.
Ziet u een snelle en/of structurele oplossing voorhanden om de boa’s die op de wachtlijst staan te certificeren? Bent u bijvoorbeeld bereid om artikel 1 van de regeling «Toetsing geweldsbeheersing BOA» te wijzigen, zodat instructeurs die bevoegd zijn te toetsen en niet in vaste dienst zijn bij de betrokken werkgever, ook kunnen certificeren?
Zie het antwoord op vraag 2. Ook zal er in het komende jaar gekeken worden naar de aanpassing van de RTGB voor een structurele oplossing. Daarom acht ik het op dit moment niet nodig om ook private partijen die niet in dienst zijn bij een boa-organisatie als toetser als bedoeld in de RTGB te laten optreden en boa’s te laten certificeren. Voor een structurele oplossing zal, ook in samenspraak met de Politieacademie en andere partijen, gekeken worden naar het aanpassen van de RTGB om voor de toekomst zeker te stellen dat er genoeg toetsingscapaciteit zal zijn.
Daarnaast wil ik op de huidige mogelijkheid wijzen voor boa-werkgevers van het hebben van eigen toetsers. Mits gecertificeerd door de Politieacademie kan een toetser, naast de ambtenaar van Politie, een persoon zijn die in vaste dienst is bij een boa-werkgever.
Kunt u inzichtelijk maken wat een RTGB-toetsing de Politieacademie jaarlijks oplevert?
Voor de uitvoering van RTGB-toetsing berekent de Politieacademie een tarief, waarbij enkel de kosten van inzet van de toetsers worden verrekend. Hierbij gaat het om 5.000 boa’s waar de Politieacademie jaarlijks ca. 1,1 miljoen euro voor ontvangt.
Kunt u ook inzichtelijk maken hoeveel tijd een dergelijke RTGB-toetsing in beslag neemt?
De RTGB-toetsing bestaat uit de toets Aanhoudings- en Zelfverdedigingsvaardigheden en de toets Geweldsbeheersing. Deze toetsen worden gecombineerd geëxamineerd. De toetsing van twaalf boa’s neemt ongeveer drie uur in beslag. Voor de toetsing zijn twee toetsers nodig. Een klein gedeelte van de boa’s is bewapend met een vuurwapen. Zij dienen ook getoetst te worden voor de toets Schietvaardigheid Pistool. Eén toetser mag maximaal vier schutters tegelijk examineren. Dit neemt ongeveer 30 minuten in beslag. De training en voorbereiding van de boa’s en de toetsers zijn hierbij niet meegenomen.
Kunt u een percentage afgeven in hoeveel gevallen de Politieacademie zorgdraagt voor de RTGB-toetsing ten opzichte van de werknemer bij een particuliere werkgever van buitengewoon opsporingsambtenaren?
Elke boa die over politiebevoegdheden beschikt moet voldoen aan de verplichtingen binnen de RTGB. Voor de Domeinen I, II en IV gaat het om zo’n 6500 boa-aktes met politiebevoegdheden en/of geweldsmiddelen waarbij moet zijn voldaan aan de regels als gesteld in de RTGB. Een deel daarvan, bijvoorbeeld de boa’s van HTM, RET en NS worden door de werkgever zelf conform de RTGB getoetst. In domein VI gaat het om ongeveer 4200 RTGB-plichtige boa’s, de politie-boa’s daarbij niet meegerekend, waarbij een aanzienlijk deel van de boa’s binnen de eigen organisatie wordt getoetst. Voor de Domeinen III en V gaat het om enkele boa’s met politiebevoegdheden. Er wordt geen overzicht bijgehouden van het totaal aantal getoetste boa’s en waar deze dan zijn getoetst, bij een particuliere boa-werkgever dan wel bij een overheidsinstantie die opsporingsambtenaren in dienst heeft. De politieacademie geeft aan boa’s van ongeveer 140 werkgevers te toetsen en dit jaar ca. 6000 (her)certificeringen te hebben uitgevoerd. Van het totaal aantal RTGB-plichtige boa’s heeft de Politieacademie daarmee ongeveer 56% getoetst. Voor de overige 44% van de toetsen is niet vast te stellen of deze toetsen zijn afgenomen door een toetser in dienst van de betreffende (particuliere) boa-werkgever, of door een toetser in dienst van een andere (particuliere) boa-werkgever. Zoals hierboven staat aangegeven wordt hiervan geen overzicht bijgehouden.
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.