De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat op de website van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) de volgende bewering staat: «Wanneer personen of groepen bewust een narratief over een «kwaadaardige elite» verspreiden, creëren ze daarmee een feitelijk onjuist wereldbeeld.»?1
Ja. Dit is onderdeel van het anti-institutioneel-extremistische narratief. Aanvullend staat op dezelfde site dat, volgens aanhangers van dit narratief, deze kwaadaardige elite de bevolking wil onderdrukken, tot slaaf maken of zelfs vermoorden. De aanhangers van dit narratief stellen dat deze elite de controle heeft over de overheid, grote bedrijven, de rechtspraak, de wetenschap en kranten en tv-zenders. En dat hiertegen verzet moet worden gepleegd.
Bent u bekend met de volgende uitspraak van de directeur-generaal van de AIVD, gedaan tijdens een rondetafelgesprek op 28 juni 2023 in de Tweede Kamer, in antwoord op de vraag sinds wanneer Nederland volgens de AIVD dan feitelijk een «goedaardige elite» heeft: «Die vraag laat ik graag aan de historici over. Want wij doen geen onderzoek naar het verleden, wanneer dat moment heeft plaatsgevonden. [...]. Ik kan niet de vraag beantwoorden wanneer de elites goed zijn geworden.»
Ja. De AIVD constateert in zijn onderzoek dat er een narratief over een kwaadaardige elite verspreid wordt. Dit narratief stelt dat er een kwaadaardige elite aan de macht is, bestaande uit rechters, wetenschappers, politieagenten en politici, die erop uit is om mensen in Nederland te onderdrukken, tot slaaf te maken en te vermoorden. De AIVD verricht, op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten, aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de nationale veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. Het anti-institutionele narratief, zoals toegelicht in de publicatie «Anti-institutioneel extremisme in Nederland – Een ernstige dreiging voor de democratische rechtsorde?»1 vormt zowel een mogelijk lange termijn dreiging als een korte termijn geweldsdreiging voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde.2
Bent u ermee bekend dat de AIVD sinds kort een «historisch adviseur» in dienst heeft?2
Ja.
Bent u bereid de directeur-generaal van de AIVD te vragen of hij misschien zou willen overwegen deze «historisch adviseur» van de AIVD (of eventueel andere historici) te verzoeken of hij wellicht kan onderzoeken naar sinds wanneer precies de elite die Nederland bestuurt «feitelijk goedaardig» is geworden, zoals de AIVD beweert?
Nee, ik ben hiertoe niet bereid. Zoals beschreven in beantwoording van vraag 2 doet de AIVD, op basis van de Wiv 2017, onderzoek naar dreigingen voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde. Ook staat in het artikel waar de vraag aan refereert, dat de taak van de historicus is om historisch onderzoek naar de dienst te faciliteren- ook van wetenschappers buiten de AIVD.
Zo nee, waarom niet? Is het immers, voor een goed begrip van het «anti-institutioneel extremisme», niet essentieel te weten sinds wanneer de elite in Nederland precies «goedaardig» en kritiek op een «kwaadaardige elite» dus «feitelijk onjuist» is geworden?
Zie beantwoording vraag 4. Voor een goed begrip van het «anti-institutioneel extremisme» refereer ik graag naar de AIVD publicatie hierover van mei 20232.
Kunnen we er trouwens op vertrouwen dat de AIVD er melding van zal maken als de, volgens de AIVD, huidige goedaardige elite (onverhoopt weer) kwaadaardig wordt?
De AIVD heeft onder andere de wettelijke taak om onderzoek te verrichten naar dreigingen voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde. U kunt erop vertrouwen dat de AIVD doet wat nodig is, in het geval de nationale veiligheid in het geding is.
Zo ja, hoe constateert de AIVD, die immers naar eigen zeggen niet kan aangeven wanneer de elite feitelijk goedaardig is geworden, dat de elite (weer) kwaadaardig is geworden?
Zie beantwoording vraag 6.
Zo nee, hoe kunnen we er dan op vertrouwen dat burgers die van mening zijn dat er een kwaadaardige elite is, door de AIVD niet onterecht worden gekwalificeerd als «anti-institutioneel extremisten» voor een opvatting die in dat geval wellicht dus «feitelijk juist» kan zijn?
Ruimte voor kritiek is een belangrijk onderdeel van een gezonde democratie. Door kritiek te (kunnen) geven, kan een democratie zich verder ontwikkelen. Een kritische boodschap waarin wordt gesteld dat de rechtsstaat niet functioneert, kan bijdragen aan het verbeteren van deze rechtsstaat. Daarvoor is en moet ruimte zijn binnen de democratische rechtsorde. De AIVD richt zich nadrukkelijk niet op burgers die kritiek uiten op het functioneren van de democratische rechtstaat. De AIVD doet, zoals eerder benoemd, o.a. onderzoek naar dreigingen voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde. Een persoon kan een dreiging zijn wanneer sprake is van extremistische gedragingen. De AIVD definieert extremisme als «Het uit ideologische motieven bereid zijn om niet-gewelddadige en/of gewelddadige activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen».
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Waar mogelijk heb ik de vragen afzonderlijk beantwoord.
De berichten dat op sommige plaatsen in Nederland de aanpak van (ondermijnende) criminaliteit doorgeslagen lijkt |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money (FtM) over de aanpak van ondermijnende criminaliteit in Zaanstad-Oost en de eerdere vragen die ik al heb gesteld over deze aanpak?1, 2
Ja.
Wat vindt u van de zorgen die worden geuit door de inwoners dat ze niet meer naar de gemeente durven te gaan, ook voor triviale zaken zoals een rijbewijsverlenging?
Wederzijds vertrouwen tussen overheid en burger is belangrijk voor het functioneren van onze samenleving. Elke burger moet zich vrij en veilig voelen om een gemeentehuis in te stappen voor vragen en het regelen van gemeentelijke zaken.
Hoe kan het dat de huisbezoeken hier zo ingrijpend zijn en vaak ook gebeuren zonder enige vorm van informatie of bescherming voor de bewoner?
Binnentreden in een woning is voor de bewoners een ingrijpende gebeurtenis. Daarom kent de Algemene wet op het binnentreden waarborgen waaraan het bevoegd gezag en functionarissen die daadwerkelijk een woning betreden dienen te voldoen. Het is aan het bevoegde (bestuurs-)orgaan en degenen die het feitelijke binnentreden doen om bij het binnentreden te handelen binnen de kaders van de wet.
Bent u het ermee eens dat de casus die in het artikel wordt genoemd schrijnend is en dat gemeenteambtenaren niet zomaar zonder toestemming en informatieverstrekking en onder de noemer «adresonderzoek» iemands huis mogen betreden en doorzoeken?
Ook bij bestuurlijke maatregelen zijn waarborgen in het leven geroepen door de wetgever om de belangen van burgers te beschermen. Bevoegdheden moeten worden uitgeoefend binnen de wettelijke kaders en met toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De burger kan bezwaar maken tegen een besluit van de burgemeester. De rechter zal dan het voorliggende besluit beoordelen en beslissen of het betrokken bestuursorgaan binnen de wettelijke kaders heeft gehandeld. Over de inzet van bestuurlijke maatregelen dient de burgemeester desgevraagd verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad.
Kunt u reageren op de zorgen geuit door universitair docent staats- en bestuursrecht Fatma Çapkurt dat het al mis gaat omdat ondermijning niet goed wordt afgebakend?
Opsporingsbevoegdheden kunnen enkel worden ingezet op basis van de ruimte die de wet hiervoor biedt. Dit is niet anders voor de inzet van het bestuurlijk instrumentarium voor het beschermen van de openbare orde en het voorkomen van misbruik van legale structuren.
Wanneer een signaal of melding van mogelijk strafbaar handelen wordt ontvangen door een bijvoorbeeld een gemeente of opsporingsdienst, dan wordt gekeken welke bevoegde (bestuurs-)organen of instanties relevante bevoegdheden en instrumenten kunnen inzetten om de gesignaleerde mogelijke overtredingen of misdrijven tegen te gaan. Dat kunnen strafrechtelijke en/of bestuursrechtelijke bevoegdheden betreffen. Welke keuze ook wordt gemaakt, bij de toepassing van die bevoegdheden gelden de daarbij van toepassing zijnde waarborgen die zijn bepaald door de wetgever.
Bent u het eens met de analyse van Çapkurt dat tegenover de harde aanpak van de gemeente voor betrokkenen de bescherming die het strafrecht normaal gesproken biedt ontbreekt?
Ook ingrijpen op basis van bestuurlijke regelgeving kan ingrijpend zijn. Daarom biedt ook het bestuursrecht belangrijke waarborgen ter bescherming van de belangen van betrokkenen.
Wat vindt u er in dit licht van dat de gemeente Zaanstad aangeeft trotse «pionier» te zijn en dat de weerstand uit de wijk laat zien dat het een «succes» is?
Bij de brede aanpak van ondermijning door georganiseerde criminaliteit hebben we iedereen nodig. De inzet vanuit het lokale bestuur is hierbij van groot belang. Het is aan het lokale bestuur om te bezien wat binnen de lokale context nodig is om de aanpak vorm te geven. Daarbij dienen alle betrokken overheden vanzelfsprekend te handelen binnen de kaders van de wet. Of en wanneer de aanpak succesvol is moet blijken uit de eigen monitoring en verantwoording tegenover de gemeenteraad. Wanneer het handelen van de betrokken overheden leidt tot een geschil met een burger dan kan deze zich wenden tot de rechter. Ook staat de weg richting de ombudsman vrij. Specifiek ten aanzien van schade die bij het binnentreden is ontstaan kan daarnaast een verzoek om schadevergoeding worden ingediend bij de instantie die binnentrad.
Wat is uw reactie op de aanpak van handhavers van de gemeente Breda die ook een harde «ondermijningsaanpak» hebben, waaronder het met een koevoet openbreken van 18 garageboxen?3
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u ervan dat ook hier de eigenaren van de garageboxen geen informatie krijgen, geen idee hebben op basis van welke signalen hun bezittingen worden vernield, dat de schade vooralsnog niet is hersteld en het onduidelijk is wie hiervoor opdraait?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u van de reactie van de gemeente Breda dat dit de normale werkwijze is en dat controles van garageboxen wel vaker plaatsvinden? Op basis van welke wetten en regels mag dit precies?
De grondslag voor eventueel binnentreden is vastgelegd in algemene en specifieke wetten als onderdeel van de handhaving van de in die wet gestelde normen. Welke bestuurlijke maatregelen gemeenten treffen wordt niet centraal bijgehouden. Wel dient elk binnentreden aan de wettelijke vereisten te voldoen.
Klopt het dat de gemeente Zaanstad ook garageboxen en bergingen openbreekt? In welke gemeenten wordt deze werkwijze nog meer toegepast?4
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de zorg dat een te repressieve aanpak van criminaliteit juist een averechts effect kan hebben en ontwrichtend kan werken voor bewoners in de wijk en slecht is voor het vertrouwen in de rechtsstaat?
Bij de aanpak van criminaliteit is het van belang dat repressie en preventie hand in hand gaan. Er is daarom altijd aandacht voor een goede balans tussen preventie en repressie. Zaanstad is een van de steden die van mij meerjarig middelen ontvangt om de preventieve aanpak stevig vorm te geven.
Klopt het dat eigenlijk geen taak is van de gemeente maar van de politie en het OM om strafbare feiten op te sporen? Ziet u ook dat een verschuiving dreigt, waardoor mensen niet beschikken over alle waarborgen en bescherming die toepassing van het strafrecht biedt?
Ik zie geen verschuiving in het wettelijk kader, aangezien een duidelijk onderscheid bestaat tussen delicten in het strafrecht en overtredingen in bestuursrechtelijke zin. Ik merk daarbij op dat het bestuursrecht eveneens waarborgen kent en bescherming biedt waar iedere burger zich op kan beroepen.
Is de werkwijze van deze gemeenten überhaupt in lijn met alle wetten en het recht? Zo niet, op welke punten niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan gemeenten, al dan niet in samenwerking met partners binnen een Regionaal Informatie en Expertisecentrum, om passende instrumenten in te zetten bij de aanpak van ondermijnende activiteiten. Bij adresbezoeken is informatieverschaffing een onderdeel dat hoort bij de inzet van dit instrument. Als handhavers of politie zich daar niet aan houden staat voor elke burger de weg richting de rechter open. Wanneer de inzet van een instrument leidt tot onrechtmatig toegebrachte schade ligt vergoeding daarvan in de rede. In voorkomende gevallen is het aan de rechter om daarover een uitspraak doen. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om deze gemeenten aan te spreken op hun aanpak betreffende ondermijning en op zijn minst deze gemeenten te wijzen op het feit dat informatieverschaffing en schadevergoedingen bij vernielingen van iemands eigendom onderdeel zou moeten zijn van de aanpak? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Palantir |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, naar aanleiding van uw beantwoording van eerdere schriftelijke vragen1, wellicht nog nader toelichten wat bedoeld wordt met «actief gebruik» in de zin «Er is in het heden of verleden geen actief gebruik van Palantir (licenties) bij het organisatieonderdeel NCTV2.»? Wordt er wellicht wel op een andere wijze («passief gebruik?») door de NCTV gebruikgemaakt van Palantir? Of kan uit dit antwoord geconcludeerd worden dat er op geen enkele wijze gebruik is gemaakt van Palantir door de NCTV? En los van het («actief» of «passief») gebruik, heeft de NCTV wel of geen (al dan niet via «samenwerkingsverbanden») toegang tot Palantir?
Met de eerdere beantwoording is bedoeld aan te geven dat er op geen enkele wijze gebruik is gemaakt van Palantir door de NCTV en tevens dat de NCTV ook geen toegang heeft tot Palantir.
U schrijft dat de politie, in speciale gevallen, de «informatieproducten» afkomstig uit de Raffinaderij deelt met «ketenpartners»: wie zijn die «ketenpartners»?
In mijn eerdere beantwoording heb ik aangegeven dat informatieproducten afkomstig uit de analyseomgeving «de Raffinaderij» niet worden gedeeld met partijen buiten de politie.
Wel kan de politie op basis van een signaal afkomstig uit een informatieproduct op casusniveau contact leggen met ketenpartners. Dit kan als er sprake blijkt van een concrete verdenking van zware en georganiseerde criminaliteit of een hoge kans op aanslagen. Het informatieproduct zelf wordt niet gedeeld.
Ketenpartners waarmee de politie een signaal kan delen zijn bijvoorbeeld gemeenten of het Openbaar Ministerie. Hierbij worden vanzelfsprekend de verstrekkingsbepalingen uit de Wet politiegegevens (Wpg) in acht genomen.
Welke datasets worden met die ketenpartners gedeeld?
Er worden geen datasets gedeeld met die ketenpartners.
Zoals hiervoor toegelicht kunnen alleen in zeer ernstige situaties de signalen afkomstig uit een informatieproduct vanuit «de Raffinaderij» op casusniveau worden gedeeld.
Welke algoritmen worden door die ketenpartners of binnen de «samenwerkingsverbanden» hiervoor gebruikt en/of ontwikkeld?
Bij het delen van signalen op casusniveau worden geen algoritmen gebruikt en/of ontwikkeld.
Worden deze algoritmen wellicht ook gepubliceerd op https://algoritmes.overheid.nl/nl/algoritme?
In het Algoritmeregister worden impactvolle algoritmes, waaronder hoog risico AI-systemen geregistreerd. De basale algoritmes binnen de software van Palantir die de politie gebruikt kwalificeren niet als AI-systeem. Omdat bij het gebruik van deze Palantir software door de politie ook geen sprake is van impactvolle algoritmes is dit niet in het Algoritmeregister opgenomen.
De ‘politiehandleiding complotdenken’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Is de interne politiehandleiding «Herkennen, duiden, handelen: complottheorieën en anti-institutioneel gedachtegoed» die ongeveer een week geleden op internet is verschenen authentiek? Met andere woorden, bestaat deze politiehandleiding?1
Ja.
Voor wie is deze handleiding bestemd? Alleen voor de politie? Of gebruiken andere organisaties binnen het rijk deze handleiding wellicht ook? Wordt de handleiding ter beschikking gesteld aan alle politieagenten?
Dit document is een interne handreiking van de politie. De politie heeft mij laten weten dat deze ter beschikking is gesteld aan politiemedewerkers en nauwe relevante partners binnen het veiligheidsdomein. Dit document was niet bedoeld voor publicatie. Het is een document om politiemedewerkers te ondersteunen die in hun werk te maken kunnen krijgen met radicalisering en extremisme dat uit complottheorieën kan voortkomen. Hoe bepaalde uitingen geduid moeten worden zal altijd beoordeeld moeten worden aan de hand van alle concrete feiten en omstandigheden.
Overigens heeft de politie laten weten dat zij erkennen dat sommige onderdelen in de handreiking zonder de juiste context voor verwarring kunnen zorgen. Zij zullen de handreiking daarom op sommige punten aanpassen.
Bestaan er volgens u complotten? Staat onze hele geschiedenis eigenlijk niet bomvol van de complotten, van de opstand van de Batavieren en de moord op Caesar tot de Moord op het Groot Eiland?2 En kunnen veel van dit soort «complotten», denk bijvoorbeeld aan een bankoveral gepleegd door de georganiseerde misdaad, redelijkerwijs niet ook bestempeld worden als «kwaadaardig»?
Ik verwijs u hiervoor verder naar de jaarverslagen van de AIVD en de Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland van de NCTV.
In de politiehandleiding wordt (meermaals) gesproken over het geloof in een «kwaadaardige elite» dat kenmerkend zou zijn voor «complotdenkers»; kunnen we hieruit concluderen dat u (net zoals de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) trouwens) van mening bent dat het narratief over een «kwaadaardige elite» «feitelijk onjuist» is?3
Het geloof in een «kwaadaardige elite» is een onderkend element van het anti-institutioneel-extremistische narratief. Ik verwijs u hiervoor verder naar de jaarverslagen van de AIVD en de Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland van de NCTV. Tevens verwijs ik naar de beantwoording van de Kamervragen met het kenmerk 2025Z15448.
Indien u dit narratief niet op voorhand «feitelijk onjuist» vindt, waarom wordt, in dat geval dus mogelijke terechte kritiek, op een «kwaadaardige elite» door de politie gecriminaliseerd als een vorm van «complotdenken»? En hoe kijkt u in dat geval aan tegen de constatering van de AIVD dat «een narratief over een «kwaadaardige elite» [...] een feitelijk onjuist wereldbeeld» is?
Zie antwoord vraag 4.
Indien u van mening bent dat de elite (in ons land) wél goedaardig is, mogen we dan wellicht aan het kabinet vragen sinds wanneer precies Nederland gezegend is met zo’n goedaardige elite? Welk jaar vormde het omslagpunt? Of is het kabinet wellicht van mening dat de elite die Nederland regeerde door de eeuwen heen per definitie altijd goedaardig moet zijn geweest? Maar hoe verhoudt zich dit dan bijvoorbeeld tot de excuses die onlangs door het kabinet zijn gemaakt voor de slavernij? Was de elite, die toen verantwoordelijk was voor de slavernij, «goedaardig» volgens het kabinet? Maar waarom dan excuses maken? Met andere woorden, sinds wanneer is de elite in ons land volgens het kabinet goedaardig geworden zoals de AIVD (en indirect ook de politie in dit document) expliciet beweert?
Zie antwoord vraag 4.
In de politiehandleiding wordt, als een thema van complotdenkers, ook het World Economic Forum genoemd, kunnen we daaruit opmaken dat het kabinet van mening is dat het World Economic Forum «goedaardig» is?
Zie het antwoord op vraag 2.
Indien dat niet het geval is, waarom wordt, in deze politiehandleiding, mogelijk dus terechte kritiek op het World Economic Forum, verdacht gemaakt als een vorm van «complotdenken»?
Zie het antwoord op vraag 2.
Indien dat wel het geval is, bent u wellicht bekend met de uitspraak van de (voormalige en recent in opspraak geraakte) oprichter en voorzitter van het World Economic Forum, Klaus Schwab, waarin hij, met trots stelt, dat de «Young Global Leaders» van het World Economic Forum wereldwijd «kabinetten hebben gepenetreerd»?4 Kunt u zich voorstellen dat er mensen zijn die een (globalistische) elite die zichzelf als doel stelt wereldwijd «kabinetten te penetreren», bijvoorbeeld vanuit democratisch oogpunt, als «kwaadaardig» bestempelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt dergelijke kritiek in deze politiehandleiding gecriminaliseerd als een vorm van «complotdenken»? En wat vindt u van de recente onthulling dat de oprichter van het World Economic Forum, Klaus Schwab, opzettelijk data in het «Global Competitiveness Report» van het World Economic Forum liet vervalsen, met als gevolg dat het Verenigd Koninkrijk (VK) niet steeg van plek zeven naar plek vier, maar een plek op deze ranglijst daalde omdat, aldus Schwab, «Het VK niet mag verbeteren» aangezien «Dit kan worden gebruikt door voorstanders van de Brexit.»? Is dit iets wat een «goedaardige» organisatie en elite zou doen? Of is dit wellicht een voorbeeld van een kwaadaardig complot?5
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunnen we uit deze politiehandleiding opmaken dat een oproep om moestuintjes aan te leggen een indicatie is voor «complotdenken»? Zo nee, waarom worden «moestuinen» expliciet genoemd in deze handleiding onder het kopje «complotdenken»? Zo ja, is het advies van oud-staatssecretaris Klijnsma in 2014 aan gepensioneerden om een moestuin te starten6 wellicht volgens deze politiehandleiding een indicatie dat oud-staatssecretaris Klijnsma mogelijk geneigd is tot «complotdenken»? En is het in dat geval volgens u verstandig, zoals de politiehandleiding immers vervolgens voorschrijft, om verdere «signalen van radicalisering» bij oud-staatssecretaris Klijnsma in de gaten te houden? Gaat de politie dat misschien ook doen?
Dat kunt u daaruit niet uit opmaken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
De politie heeft laten weten dat in de richtlijn van deze handreiking staat vermeld dat het geen werkinstructie is, maar dat het voornamelijk gebruikt dient te worden als hulpmiddel om gesprekken te voeren.
Wat betekent «CTER-waardig»? Zijn signaleren van «radicalisering» volgens deze handleiding «CTER-waardig»? Is het correct dat bij signalen van «radicalisering», volgens deze politiehandleiding en een artikel hierover in de NRC,7 de persoon in kwestie in het kader van de vroegsignalering kan worden geregistreerd als een «potentiële terrorist»?
In het tweede halfjaarbericht politie van 7 december 20238, ben ik uitgebreid ingegaan op de procedure om te komen tot registratie van CTER-incidenten bij de politie. Ik verwijs u naar dit Kamerstuk.
Is het correct dat «Fixatie op overheidsinstanties (Belastingdienst, CJIB, (lokale) bestuurders, RIVM, Jeugdzorg, etc.)» volgens deze politiehandleiding een indicatie kan zijn van radicalisering? Zo nee, waarom staat deze hierboven geciteerde zin uit de politiehandleiding dan onder het kopje «Radicalisering»? Zo ja, betekent dit dat burgers met (felle) kritiek (en daarmee waarschijnlijk ook een «fixatie») op bijvoorbeeld de Belastingdienst, het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) of de Jeugdzorg, op basis van deze politiehandleiding, door de politie in het kader van de vroegsignalering kunnen worden geregistreerd als «potentiële terroristen»?
Zie het antwoord op vraag 2, 10 en 11.
Staan er wellicht ook Kamerleden bij de politie geregistreerd als «CTER-waardig» en/of als «potentiële terrorist»?
Ik heb geen beschikking over deze gegevens en kan hier derhalve geen uitspraken over doen.
Kunt u één, slechts één voorbeeld, geven van een «anti-institutioneel extremist» die is veroordeeld door een rechter voor een of andere vorm van fysiek geweld? Zo ja, kan de Kamer het vonnis van de rechter in deze zaak toegestuurd krijgen? Zo nee, hoe verhoudt zich dit dan tot deze politiehandleiding waarin een grote groep burgers wordt gecriminaliseerd als potentieel «anti-institutioneel extremist»?
Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten dat er geen specifieke registratie plaatsvindt of er in zaken sprake is van anti-institutioneel extremisme.
Is (inmiddels) wellicht duidelijk (geworden) voor u hoe problematisch deze politiehandleiding is waarin kritische, zelfdenkende en zelfstandige burgers, door de politie, door de staat dus, vanwege hun denkbeelden, gedachten en gezichtspunten, worden gecriminaliseerd als «complotdenkers» en «potentiële terroristen»? Zo ja, wat gaat u met dit inzicht doen?
Zie het antwoord op vraag 2.
De uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat Nederland verplicht is kinderen te horen in de asielprocedures |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt aangegeven dat de Nederlandse Staat de kinderen tussen de 12 en 15 jaar in de gelegenheid hoort te stellen om gehoord te worden in hun proces volgens de Dublinverordening in de asielprocedure?1
Ja. Tot nog toe werden begeleide minderjarige vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar zonder zelfstandig asielmotief in principe niet zelfstandig en rechtstreeks gehoord, in het kader van door hun ouders mede voor hen ingediende asielaanvragen. Het gehoor vond dus plaats met hun ouders of wettelijke vertegenwoordiger mede voor hen, tenzij de begeleide minderjarige of zijn ouder of wettelijke vertegenwoordiger verzochten om de minderjarige rechtstreeks te horen of als daar volgens de IND goede redenen voor waren. Naar het oordeel van de Afdeling is binnen die werkwijze van de IND onvoldoende gewaarborgd dat begeleide minderjarige vreemdelingen zonder zelfstandig asielmotief op de hoogte zijn van de mogelijkheid om te verzoeken om rechtstreeks te worden gehoord.
Deelt u de mening dat het van groot belang is om kinderen tussen de 12 en 15 jaar in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten?
Ja, op grond van artikel 24, eerste lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van het Kinderrechtenverdrag, hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.
Bent u bekend met het geconstateerde probleem van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat in het beleid weliswaar staat dat kinderen de rechter hierom kunnen vragen, maar zij vaak helemaal niet op de hoogte zijn van deze mogelijkheid?
Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat begeleide minderjarigen de ruimte moet worden geboden om zich vrijelijk te uiten omdat dit volgt uit het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Dat kan in persoon maar de uitspraak biedt ook de ruimte om dat bijvoorbeeld schriftelijk te laten plaatsvinden. De uitspraak van de Afdeling geeft aanleiding om de bestaande werkwijze aan te passen om recht te doen aan het hiervoor genoemde, en meer specifiek op het gebied van de informatieverplichting.
Klopt het dat het verzoek van het kind om gehoord te worden in principe altijd moet worden ingewilligd en dat u hiervan mag afwijken, maar alleen in bijzondere gevallen en alleen als de belangen van het kind het rechtvaardigen dat het niet zelf wordt gehoord?
Ja, dat klopt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 20 augustus 2025 drie uitspraken gedaan waarin geoordeeld is dat minderjarige begeleide kinderen tussen de 12 en 15 jaar die zelf geen asielmotieven hebben in de gelegenheid moeten worden gesteld om gehoord te worden. Dit hoeft geen fysiek gehoor te zijn maar kan ook schriftelijk. Als een begeleide minderjarige verzoekt om te worden gehoord, maar de IND daarvan afziet, zal dit individueel en concreet gemotiveerd moeten worden. Enkel als de belangen van het kind dat rechtvaardigen, mag worden afgezien van het verzoek van het kind om gehoord te worden.
Hoe vaak is het tot nu toe gebeurd dat dergelijke verzoeken werden afgewezen?
Specifieke cijfers kunnen niet systematisch bijgehouden worden. Als een begeleide minderjarige vreemdeling zonder zelfstandig asielmotief of zijn ouder of wettelijke vertegenwoordiger verzoekt om de begeleide minderjarige rechtstreeks te horen, wordt daar in de regel aan tegemoet gekomen.
Waarom worden kinderen onder de 12 jaar nooit gehoord en waarom is er niet voor gekozen om dit in ieder geval wel te motiveren?
In de huidige praktijk wordt het horen van begeleide kinderen onder de 12 jaar die geen zelfstandig asielmotief hebben, onnodig belastend geacht. De Afdeling heeft in een van de uitspraken2 van 20 augustus jl. geoordeeld dat geen beleid is vastgesteld wat betreft het horen van begeleide kinderen onder de twaalf jaar. Op dit punt zal zodoende (nieuw) beleid uitgewerkt worden.
Bent u bereid het beleid spoedig aan te passen zodat kinderen tussen de 12 en 15 jaar standaard op de hoogte worden gesteld over de mogelijkheid om te kunnen inspreken en dus gehoord te worden, waarbij aan kinderen (op een voor hun begrijpelijke manier) wordt uitgelegd waarom apart voor hen belangrijk kan zijn? Zo nee, waarom niet? Gaat u dit ook doen in de nog lopende procedures met kinderen?
Om tegemoet te komen aan de uitspraak van de Afdeling wordt de werkwijze aangepast met het doel om meegereisde kinderen tussen 12 en 15 jaar te wijzen op de gelegenheid om zelf hun mening te uiten.
Bent u bereid op zijn minst om een gemotiveerde verklaring te schrijven voor de kinderen onder de 12 jaar die nu standaard hun verzoek om gehoord te worden afgewezen zien worden? Gaat u dit ook doen in de nog lopende procedures met kinderen?
Vooralsnog kan ik daar niet nader op ingaan, omdat zoals toegelicht in antwoord op vraag 6 (nieuw) beleid wordt uitgewerkt.
Het datalek bij het Openbaar Ministerie |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke herstelstappen sinds de hack zijn gezet om herhaling te voorkomen en hoe u de effectiviteit van deze maatregelen verifieert, specifiek met het oog op bescherming van gevoelige categorieën informatie, zoals adressen van Blijf-van-mijn-lijf-huizen en andere beschermde opvanglocaties, gegevens over kroongetuigen en hun naasten, dossiers over zware georganiseerde misdaad en terrorisme, interne HR-dossiers die officieren van justitie en andere functionarissen mogelijk chantabel of afpersbaar maken?
Er zijn sinds de ontdekking van de ICT-inbreuk meerdere herstelstappen gezet. Hierover is uw Kamer per brief op 23 juli, 4 augustus, 12 augustus en 3 september geïnformeerd.1 Het OM voldoet aan de kaders en richtlijnen voor informatiebeveiliging die door het Rijk en het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden voorgeschreven. Het OM is dit verplicht als zelfstandige organisatie binnen het justitiedomein. Dit zal voor de toekomst ongewijzigd blijven en langs deze kaders en richtlijnen zijn de herstelwerkzaamheden ook verder uitgevoerd.
De livegang van de systemen van het OM vond stapsgewijs plaats zodat per stap extra monitoring en detectie kon plaatsvinden. Elk systeem dient zeker te worden gesteld voordat het weer live kan gaan. Die fasering heeft te maken met de volgorde waarin systemen moeten worden opgestart; die volgorde voorkomt dat werkprocessen met en tussen ketenpartners worden verstoord als informatie uit de verschillende systemen niet in de goede volgorde wordt ingeladen. Over de impact op de strafrechtketen naar aanleiding van de offlinegang van het Openbaar Ministerie (OM) is uw Kamer reeds geïnformeerd.2 Ook is uw Kamer geïnformeerd over het besluit dat samen met het OM is genomen om onderzoek te doen over de ICT-inbreuk.3 Dat onderzoek zal zich onder andere moeten richten op de wijze waarop incidenten in de informatiebeveiliging in de toekomst voorkomen kunnen worden.
In hoeverre kan technisch of forensisch worden vastgesteld of adressen van Blijf-van-mijn-lijf-huizen en andere beschermde opvanglocaties, gegevens over kroongetuigen en hun naasten of dossiers over zware georganiseerde misdaad en terrorisme, daadwerkelijk zijn ingezien of buitgemaakt?
Welke specifieke maatregelen zijn genomen om te achterhalen of HR-dossiers van medewerkers, inclusief aanklagers en officieren van justitie, mogelijk in handen van kwaadwillenden zijn gekomen en hen kwetsbaar maken voor chantage en/of afpersing?
Zijn er signalen of indicaties dat met mogelijk buitgemaakte informatie al pogingen zijn gedaan om procespartijen, getuigen of medewerkers van het Openbaar Ministerie (OM) te beïnvloeden of te intimideren?
Betekent, dat u stelt dat er geen aanwijzingen zijn voor datamanipulatie, ook kunt uitsluiten dat gevoelige gegevens zijn gekopieerd of op termijn kunnen worden misbruikt? Zo nee, welke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen tegen langdurig sluimerend misbruik?1
Kunt u uiteenzetten hoe het OM en het ministerie ervoor zorgen dat ook ketenpartners zoals politie, rechtspraak en opvanginstellingen volledig op de hoogte zijn van de mogelijke risico’s, zodat zij preventief maatregelen kunnen nemen?
De gehele afsluiting van het OM van het internet had impact op het OM zelf en op alle samenwerkingspartners. De samenwerkingspartners werden goed geïnformeerd door het OM. Door alle betrokkenen is dagelijks hard gewerkt om de ontstane knelpunten en effecten zoveel mogelijk op te lossen, met als doel de impact zoveel mogelijk beperken en de mogelijke risico’s mitigeren. Over de impact op de strafrechtketen bent u op 12 augustus jl. geïnformeerd.5
Acht u het zinvol en noodzakelijk om, naar analogie van de kritische financiële sector, zo snel mogelijk de eis neer te leggen dat bij organisaties met een essentiële rol in de rechtsstaat, zoals het OM, een onafhankelijke risicofunctie wordt belegd, met specifieke focus op cyberveiligheid en integriteitsbescherming?
Ik acht het zinvol dat het OM hier op in blijft zetten, vanwege de (digitale) weerbaarheid van deze kritische organisatie binnen de rechtsstaat. Dit vraagt continu aandacht gezien de toenemende dreiging van verschillende actoren. Grotendeels wordt dit vormgegeven door het CIO-stelsel Rijk6 en de compliance structuren die daaruit volgen. Voorbeelden hiervan waar het OM gebruik van maakt zijn de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) en het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIRBI).
Zoals ik onder mijn antwoord op vraag 1 ook heb vermeld, zal ik samen met het OM een onderzoek laten uitvoeren naar de ICT-inbreuk. Hiervoor zal een onafhankelijke commissie van nog aan te stellen deskundigen op het gebied van onder meer cybersecurity, IT en informatievoorziening worden ingesteld. Een deel van het onderzoek zal zich richten op het versterken van de weerbaarheid van de IT en informatievoorziening van het OM, mede in relatie tot de ketenorganisaties. Over de planning en resultaten van het onderzoek zal ik u op een later moment verder informeren.
Bent u bereid de Kamer periodiek en vertrouwelijk te informeren over de stand van zaken, ook als er geen nieuwe incidenten worden ontdekt, om het vertrouwen in de veiligheid van het OM te herstellen en te behouden?
Ik informeer de Kamer al regelmatig over de stand van zaken.
Het bericht ‘Verdachte aangehouden voor ernstig zedenmisdrijf op Amsterdamse Weesperzijde’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verdachte aangehouden voor ernstig zedenmisdrijf op Amsterdamse Weesperzijde»?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving. Inmiddels is bekend dat de politie een 22-jarige verdachte heeft aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een ernstig seksueel misdrijf aan de Weesperzijde, die ook wordt verdacht van betrokkenheid bij de moord danwel doodslag op een 17-jarige jonge vrouw uit Abcoude en tevens in een derde zaak verdachte is.
Op dit moment vindt het opsporingsonderzoek plaats onder leiding van een officier van justitie. Zonder op de individuele omstandigheden van de zaak in te kunnen gaan, onderstreept deze strafrechtelijke opvolging dat de wet wordt toegepast.
Bent u het eens met de stelling dat de wet voor iedereen geldt en dus ook voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier zorgt u ervoor dat dit in de praktijk ook het geval is?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het eens met de stelling dat er altijd consequenties moeten zijn voor asielzoekers die de wet overtreden, zoals het leefgeld inhouden, vastzetten, asielaanvraag intrekken en uitzetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeveel gevallen wordt er na een veroordeling daadwerkelijk één van deze straffen opgelegd? Waarom niet in alle gevallen?
Ja, uitgangspunt is dat lik-op-stuk wordt toegepast ten aanzien van asielzoekers die verdacht worden van een misdrijf. Voor politie en justitie geldt dat strafrecht voor iedereen gelijk is, ongeacht verblijfsstatus en dat voor vreemdelingen aanvullende wet- en regelgeving geldt.
Wanneer een asielzoeker bij (onherroepelijk) rechtelijk vonnis is veroordeeld voor een misdrijf wordt er altijd onderzocht of de asielvergunning ingetrokken kan worden of dat de verblijfsaanvraag asiel afgewezen kan worden op grond van openbare orde. Bij brief van 18 december 2024 bent u geïnformeerd over het beleid hierover. Zoals in die brief aangegeven, worden op grond van de Kwalificatierichtlijn en jurisprudentie hoge eisen gesteld aan het weigeren en intrekken van internationale bescherming. In voornoemde brief zijn de genomen maatregelen en het beleid ten aanzien hiervan uiteengezet. Dit is nog altijd van toepassing.
Het aantal ingetrokken asielvergunningen en afgewezen asielaanvragen op grond van de openbare orde, wordt jaarlijks gepubliceerd in de Staat van Migratie. In 2024 ging het om 20 intrekkingen en 70 afwijzingen.
Op welke manier zorgt u ervoor dat wanneer een asielzoeker verdacht wordt van een overtreding of misdrijf of ander strafbaar gedrag, tussen vrijspraak of veroordeling niet wederom de fout in gaat?
Voor een asielzoeker die wordt verdacht van een strafbaar feit, moet duidelijk worden gemaakt dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Onder lik-op-stuk beleid wordt verstaan een snelle interventie na aanhouding van de verdachte tot en met de succesvolle tenuitvoerlegging van de straf. Dat zijn bij voorkeur de supersnelrechtzitting bij de politierechter, waarbij de verdachte binnen 72 uur na aanhouding vanuit de inverzekeringstelling wordt berecht en de snelrechtzitting bij de politierechter waarbij de verdachte binnen 17 dagen na aanhouding vanuit de bewaring wordt berecht. In beide situaties wordt een verdachte berecht vanuit de voorlopige hechtenis en kan de rechter bevelen dat de resterende straf direct aansluitend wordt uitgezeten. Zo wordt voorkomen dat veroordeelde vreemdelingen zich aan de tenuitvoerlegging onttrekken. Indien sprake is van een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, gaat de Dienst Terugkeer en Vertrek al tijdens de detentieperiode aan de slag met de voorbereiding van de uitzetting. Streven daarbij is om zoveel als mogelijk de vreemdeling direct aansluitend aan de strafdetentie uit te zetten, maar indien nodig kan vreemdelingenbewaring worden ingezet. Van al het vertrek van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) uit de caseload van DTenV betrof in 2024 79% aantoonbaar vertrek.2 Het lik-op-stuk-beleid is van toepassing op veelvoorkomende criminaliteit en lichte high-impact-crimes.
Bent u het eens met de stelling dat het daarom extra belangrijk is dat het amendement over het sneller kunnen opleggen van een ongewenstverklaring kan helpen bij het straffen van asielzoekers die (ernstige) misdrijven plegen (Kamerstuk 36 704, nr. 52)? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat de uitbreiding van de ongewenstverklaring, in combinatie met artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, een extra middel vormt om niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen tot vertrek te bewegen. Ik kan hier – in algemene zin – aan toevoegen dat vreemdelingen die onder de Terugkeerrichtlijn vallen en veroordeeld worden voor zware misdrijven in de regel thans een zwaar inreisverbod opgelegd krijgen en strafbaar zijn op grond van art. 197 Sr als vertrek wel aan de orde is, maar hun uitzetting niet kan worden gerealiseerd.
Bent u bereid om experts in het vreemdelingenrecht en het strafrecht te consulteren over hoe we ervoor kunnen zorgen dat vreemdelingen vaker de consequenties van hun gedrag ervaren en wilt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Het is reeds uitgangspunt dat lik-op-stuk wordt toegepast bij asielzoekers die verdacht worden van een misdrijf. Dat betekent dat doorlopend wordt bezien of zowel de beschikbare strafrechtelijke maatregelen als de vreemdelingrechtelijke maatregelen optimaal worden toegepast. In het licht van de snelle strafrechtelijke opvolging van voornoemde casus zie ik voor nu geen aanleiding om aanvullend experts te consulteren.
Informatie over strafrechtelijke veroordelingen wordt per individuele casus vanuit de strafrechtsketen doorgegeven aan de IND. Vervolgens vindt er bij de IND altijd een beoordeling plaats of de veroordeling, binnen het beleid zoals beschreven in antwoord 3, aanleiding is om verblijfsrecht te weigeren of in te trekken.
Hoe verloopt het proces van het opleggen van boetes vanwege zwartrijden en ander illegaal gedrag in het openbaar vervoer? Bent u het eens met de stelling dat zulke boetes voor 100% moeten worden doorbelast (desnoods door het inhouden van leefgeld)? Zo ja, in hoeveel gevallen waarin het bekend is voor wie de boete is, wordt de boete ook daadwerkelijk doorbelast? Waarom niet in alle gevallen? Bent u bereid om met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) in gesprek te gaan hierover en de Kamer hierover te informeren voor het commissiedebat vreemdelingen en asielbeleid van 2 oktober?
De boetes en het proces van het opleggen hiervan wordt gedaan door de vervoerdersbedrijven. Het is onwenselijk dat mensen die zwartrijden geen boete krijgen, geen boete betalen of bij herhaaldelijke overtreding geen reisverbod krijgen. Ik ben hierop tegen en vind dat alle vormen van zwartrijden, ongeacht wie hiervoor verantwoordelijk is, aangepakt moeten worden. In 2023 zijn er door NS in totaal 283.450 uitstel van betalingen (UvB’s) uitgeschreven. In 2024 waren dit er 352.969. In 2023 zijn er door Arriva in totaal 35908 UvB’s uitgeschreven. In 2024 waren dit er 53.542. De uitstel van betalingen betreft zwartrijders brede zin, niet enkel asielzoekers. Het inningspercentage is bedrijfsvertrouwelijke informatie en kan voor beide bedrijven niet worden gedeeld. Ik ben en blijf dan ook samen met vervoerders, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en het COA in gesprek om te bezien welke stappen mogelijk zijn om dat te verbeteren.
Recente incidenten rond Joodse Nederlanders. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Voor Joden wordt Nederland onleefbaar» van opperrabijn Binyomin Jacobs en Ronny Naftaniel?1
Ja.
Herkent u de zeer zorgwekkende analyse uit dit stuk, namelijk dat Joodse Nederlanders en Joodse instellingen worden aangesproken op de oorlog in Gaza, óók als zij een andere mening zijn toegedaan, en steeds meer te maken met discriminatie en vormen van intimidatie en geweld?
Ja, ik herken de analyse en ben bekend met de incidenten. Ik vind dit een zeer zorgelijke ontwikkeling. Dergelijke incidenten hebben niet alleen impact op gevoelens van onveiligheid, maar zorgt ook voor angst onder Joodse Nederlanders om zich vrij te uiten in meningen en geloofsovertuiging.
Bent u bekend met de schokkende lijst aan recente incidenten, zoals het hoveniersbedrijf dat weigerde een boom van een Haagse synagoge te snoeien2, Israelische gasten van een Nederlands vakantiepark waarvan stiekem videobeelden worden gemaakt en verspreid3, de bekladding van het gebouw van het Cidi en andere gebouwen en objecten, zoals het Nationaal Monument een paar dagen geleden4, het afpersen van een Joods echtpaar met jonge kinderen die een fors bedrag moesten betalen om «jongens uit een sishalounge» ervan te weerhouden «hun huis te bestoken met brandbommen»5?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn volgens u de gevolgen van dergelijke intimiderende praktijken? Ziet u het risico dat instellingen en organisaties om «risico’s te vermijden» en «gedoe te voorkomen» Joodse Nederlanders te mijden? Wat vindt u van deze vorm van discriminatie, en wat doet u om dit tegen te gaan?
Het intimideren, bedreigen en afpersen van mensen en instellingen om hun Joods-zijn of religie is onacceptabel. Iedere bedreiging is er één te veel. Ik roep slachtoffers uitdrukkelijk op om aangifte te doen, zodat een onderzoek gestart kan worden naar de strafbare feiten en de daders vervolgd kunnen worden. Het doen van aangifte is ook belangrijk om te zorgen dat dit soort incidenten zichtbaar worden en de omvang van antisemitische geweldsincidenten beter beeld komen.
Ook het uitsluiten van groepen vanwege geloof of identiteit is onaanvaardbaar. Iedereen moet zich veilig kunnen voelen en volledig kunnen deelnemen aan het openbare leven. Op 22 november vorig jaar heeft het kabinet de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 aan uw Kamer aangeboden waarin een pakket aan maatregelen is opgenomen. Het voorkomen van uitsluiting in onder meer onderwijs en de culturele sector is één van de speerpunten van de kabinetsstrategie.
Klopt het dat de Joodse gemeenschap op dit moment zelf een deel van de beveiligingskosten moet betalen? Hoe hoog zijn die kosten? Bent u van mening dat gelet op het grote aantal aan incidenten hier een grote rol voor de overheid nodig en rechtvaardig zou zijn?
Ik ben er mee bekend dat de toename van antisemitisme in Nederland ertoe heeft geleid dat er Joodse scholen, instellingen en evenementen zijn die zelf maatregelen treffen ten behoeve van de veiligheid of om zorgen over de veiligheid weg te nemen. Hoewel dit past bij de verantwoordelijkheidsverdeling als het gaat om veiligheid, kunnen de kosten hiervan onevenredig drukken op de gemeenschap. Dit heeft er mede toe geleid om in de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 de maatregel op te nemen om een Veiligheidsfonds in te richten. Met het Veiligheidsfonds kunnen Joodse scholen, instellingen en evenementen financieel worden ondersteund in het treffen van veiligheidsmaatregelen. Per jaar is 1,3 miljoen euro beschikbaar gesteld. Op 9 september jl. is de regeling in de Staatscourant gepubliceerd en vanaf 15 september kunnen aanvragen voor het Veiligheidsfonds worden ingediend.
Ik heb geen landelijk overzicht van alle beveiligingskosten die door de Joodse gemeenschap gemaakt wordt. Het Veiligheidsfonds heeft als doel om vanuit het Rijk een financiële tegemoetkoming te bieden voor de onevenredig hoge kosten die bijvoorbeeld ouders moeten dragen voor de veiligheidsmaatregelen voor de Joodse school waar hun kinderen naar toe gaan.
Bent u bereid alle beveiligingskosten daarom te betalen en is het in te stellen veiligheidsfonds zoals aangekondigd in de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 daarvoor toereikend?
Zie antwoord vraag 5.
Welke concrete stappen heeft u genomen of bent u van plan te nemen om de veiligheid van Joodse Nederlanders te waarborgen, juist ook als het gaat om Joodse instellingen als scholen, synagogen en culturele centra?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt er naar uw oordeel voldoende opgetreden tegen antisemitisme op sociale media? Waar blijkt dat uit en bent u van plan om de aanpak te versterken?
Op 4 juli jl. is aan uw Kamer het Plan van aanpak online discriminatie aangeboden door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.6 Dit plan bestaat uit verschillende onderdelen waarbij ingezet wordt op betere meldingssystemen bij platforms, versterkte handhaving, en uitgebreide ondersteuning voor slachtoffers. Bestrijding van antisemitische uitingen maakt integraal deel uit van de aanpak.
De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding laat, zoals aangekondigd in de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030, jaarlijks een onderzoek uitvoeren naar de ontwikkeling van online antisemitisme in de Nederlandse taal. De resultaten van het onderzoek over de jaren 2021, 2022, 2023 en 2024 worden eind dit jaar verwacht.
Kunt u deze vragen op korte termijn, doch uiterlijk voor Prinsjesdag, beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht dat het Joods Politienetwerk tijdelijk uit het netwerkoverleg van de politie is gestapt. |
|
Ingrid Michon (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «We hebben geen zin meer in politiek»?1
Ja
Wat vindt u ervan dat het Joods Politienetwerk uit het netwerkoverleg is gestapt omdat zij continu op de situatie in Gaza wordt aangesproken?
De politie heeft mij laten weten dat het Joods Politie Netwerk heeft besloten tijdelijk een rustpauze in te willen bouwen, omdat collega’s het gevoel hebben zich in de organisatie te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Ik respecteer net als de Korpschef deze keuze van de medewerkers. Wel wil ik aangeven dat ik het betreurenswaardig vindt dat deze Nederlandse Joodse agenten het gevoel hebben zich te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. We moeten er als samenleving voor waken dat conflicten elders een wig drijven tussen mensen en groepen hier. De politieleiding is goed in contact met het Joods Politie Netwerk en ik heb er vertrouwen in dat de Korpschef hier op een zorgvuldige manier mee omgaat.
Wat vindt u ervan dat Joden in Nederland verantwoordelijk worden gehouden voor acties van de Israëlische regering en wat gaat u direct doen om dit te stoppen?
In het algemeen geldt dat het niet juist is om mensen aan te spreken op zaken waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn omwille van een vermeende band met de verantwoordelijken. Dat werkt polarisatie en stigmatisering in de hand. In gesprekken met Joden door heel het land wordt regelmatig aangegeven dat zij verantwoordelijk worden gehouden voor de acties van de Israël. Dat is niet acceptabel. Joden in Nederland zijn niet verantwoordelijk voor de politiek in Israël, wat je er ook van vindt.
In november 2024 heeft het kabinet de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 aan de Tweede Kamer gestuurd. Op 23 september a.s. zal ik met uw kamer spreken over de voortgang.
Wat vindt u ervan dat bij de politie mensen werken die geen onderscheid kunnen of willen maken tussen Joodse burgers in Nederland en de Israëlische regering?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat gaat u eraan doen om te zorgen dat juist de politie niet bijdraagt aan het grote onveiligheidsgevoel van Joden?
Mij zijn geen signalen bekend dat de politie als geheel in haar handelen bijdraagt aan het onveiligheidsgevoel van Joden. Mochten personen binnen de organisatie zich hier wel schuldig aan maken, dan ga ik er vanuit dat de Korpschef dit stevig aanpakt.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat ook de Joodse burgers van Nederland kunnen vertrouwen op de neutraliteit van de politie en dat de politie ook de Joodse gemeenschap beschermt?
In Nederland moet iedereen zich veilig kunnen voelen en vertrouwen kunnen hebben in de politie. Als mij signalen ter ore komen dat de neutraliteit in het geding is, zal ik dat laten uitzoeken en waar nodig met de Korpschef bespreken.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het Joods Politienetwerk niet meer aangesproken wordt op Gaza, maar juist op vakmanschap?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het plenair debat over antisemitisme in september 2025 beantwoorden?
Ja
Het bericht ‘We hebben geen zin meer in politiek’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «We hebben geen zin meer in politiek»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Wat is uw reactie op de gebeurtenissen zoals beschreven in het bericht?
Het Joods Politie Netwerk heeft besloten tijdelijk een rustpauze in te willen bouwen, omdat collega’s het gevoel hebben zich in de organisatie te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Ik respecteer net als de Korpschef deze keuze van de medewerkers. Wel wil ik aangeven dat ik het betreurenswaardig voor deze Nederlandse Joodse agenten vind dat zij het gevoel hebben zich te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. We moeten er in onze samenleving voor waken dat conflicten elders een wig drijven tussen mensen en groepen hier. De politieleiding is goed in contact met het Joods Politie Netwerk en ik heb er vertrouwen in dat de Korpschef hier op een zorgvuldige manier mee omgaat.
Heeft u contact gehad met de korpsleiding over de beslissing van het Joods politienetwerk om zich terug te trekken uit het netwerkoverleg?
De politie heeft mij hierover geïnformeerd.
Wat is volgens u het gevolg van deze terugtrekking voor de politieorganisatie en de werkwijze van het netwerkoverleg?
De politie heeft mij laten weten dat het Joods Politie Netwerk heeft aangegeven tijdelijk niet deel te nemen aan reguliere overleggen van de Netwerken Divers Vakmanschap. Daarbij is ook aangegeven dat de leden van het Joods Politie Netwerk hun reguliere politiewerk blijven doen en dat zij inzetbaar zijn op hun specifieke expertise. Ik heb er vertrouwen in dat de Korpschef haar verantwoordelijkheid op een goede en zorgvuldige manier invult en daarbij in nauw contact blijft met het Joods Politie Netwerk.
Op welke manier worden Joodse politieagenten voldoende beschermd tegen haat en geweld van buitenaf én binnenuit, en op welke manier wordt het dialoog hierover verbeterd?
De Netwerken Divers Vakmanschap, als onderdeel van Politie voor Iedereen, zijn een interne aangelegenheid van de politie. Het is aan de Korpschef om er voor zorg te dragen in het kader van haar werkgeversverantwoordelijkheid dat medewerkers zich veilig voelen en vanuit professionaliteit hun werk kunnen doen.
Bent u van mening dat de terugtrekking uit het netwerkoverleg ertoe kan bijdragen dat de dialoog juist niet wordt gevoerd? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit een zorgelijke situatie is binnen het politiekorps?
Zoals ook aangegeven in het antwoorden op vraag 2 en 5 respecteer ik de keuze van de medewerkers van het Joods Politie Netwerk, maar vind ik het betreurenswaardig voor deze Nederlandse Joodse agenten dat zij het gevoel hebben zich te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. We moeten er als samenleving voor waken dat conflicten elders een wig drijven tussen mensen en groepen hier.
Deelt u de mening dat Joden in Nederland niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor het beleid van de regering Netanyahu, en dat ze niet onder druk mogen worden gezet om zich daarover uit te spreken? Zo ja, bent u dan ook van mening dat dit ook voor agenten binnen het politiekorps moet gelden?
In het algemeen geldt dat het niet juist is om mensen aan te spreken op zaken waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn omwille van een vermeende band met de verantwoordelijken. Dat werkt polarisatie en stigmatisering in de hand. In gesprekken met Joden door het hele land wordt regelmatig aangegeven dat zij verantwoordelijk worden gehouden voor de acties van de Israël. Dat is niet acceptabel. Joden in Nederland zijn niet verantwoordelijk voor de politiek in Israël, wat je er ook van vindt.
Asielaanvragen van lhbtqia+ personen uit de Verenigde Staten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van het aantal personen dat in de afgelopen vijf jaar in Nederland asiel heeft aangevraagd op grond van hun seksuele geaardheid of gender, uitgesplist naar land van herkomst? Kunt u daarbij ook vermelden hoe vaak aanvragen zijn afgewezen?
Asielmotieven, zoals seksuele geaardheid of gender, worden niet systematisch geregistreerd en zijn dus niet op geaggregeerd niveau te reproduceren.
Klopt het dat het aantal aanvragen vanuit de Verenigde Staten (VS) de laatste maanden fors is toegenomen, zoals wordt aangegeven door diverse belangenorganisaties en NRC?1 Zo ja, wat vindt u daarvan?
Tot en met juli 2025 heeft de IND 35 eerste aanvragen asiel ontvangen van vreemdelingen afkomstig uit de Verenigde Staten. Dat is een toename ten opzichte van 2022, 2023 en 2024 toen er respectievelijk 17, 18 en 9 eerste aanvragen asiel werden ingediend door vreemdelingen uit de Verenigde Staten. Dat aantallen aanvragen fluctueren is niet uitzonderlijk. Daarbij zijn vooral in januari relatief veel aanvragen ingediend en lijkt de situatie daarna wat te zijn gestabiliseerd.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de regering Trump of de Amerikaanse ambassade over de toename van het aantal aanvragen en de onveilige situatie voor lhbtqia+-personen in de VS?
Voor een dergelijk gesprek over het aantal asielaanvragen zie ik nu geen aanleiding. Dat neemt niet weg dat Nederland op bilateraal niveau zich voortdurend inspant om gelijke rechten te bevorderen.
Klopt het dat aanvragen worden afgewezen omdat de VS volgens u en de Immigratie- en Naturalisatiedienst, nog steeds veilig is? Zo ja, waar baseert u deze informatie op?
Als iemand asiel aanvraagt in Nederland beoordeelt de IND of deze persoon bescherming nodig heeft omdat diegene een gegronde vrees heeft voor vervolging, zoals volgt uit het Vluchtelingenverdrag, of omdat diegene risico loopt onderworpen te worden aan folteringen of onmenselijke behandelingen en bestraffingen als in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM).
De ontwikkelingen in de Verenigde Staten zijn op dit moment geen aanleiding om in algemene zin aan te nemen dat lhbtiq+ personen uit de Verenigde Staten een gegronde vrees voor vervolging hebben. Dit neemt niet weg dat iedere asielaanvraag altijd op zijn eigen merites wordt beoordeeld en dat bij elke beoordeling recente landeninformatie betrokken wordt.
Bent u ervan op de hoogte dat ook in de VS het aantal geweldsdelicten tegen lhbtqia+-personen is gestegen en jaarlijks mensen worden vermoord omdat ze transpersoon zijn? Bent u bereid om op basis van actuele informatie de veiligheidssituatie van lhbtqia+-personen opnieuw te beoordelen?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er voldoende specifieke opvangplekken voor lhbtqia+-personen die in de reguliere opvang niet veilig zijn of onveilige situaties meemaken? Zo nee, bent u bereid dit aantal op te hogen?
Het COA heeft geen landelijk beleid voor het categoraal opvangen van (lhbtiq+) asielzoekers. Wel vindt het COA het belangrijk dat elke asielzoeker in een veilige omgeving opgevangen wordt. Daarom houdt het COA bij plaatsing van asielzoekers zo veel als mogelijk rekening met kwetsbaarheid. Voor lhbtiq+ bewoners kan dit in de praktijk bijvoorbeeld betekenen dat wanneer aangegeven wordt dat een lhbtiq+ bewoner vanuit diens kwetsbare positie behoefte heeft aan plaatsing met andere lhbtiq+ bewoners, het COA deze bewoners samen plaatst in een unit. In de praktijk wordt dit dan vaak een lhbitq+ unit of roze unit genoemd. Deze units zijn afhankelijk van de in-, door- en uitstroom van bewoners, de behoefte van bewoners die op dat moment op de locatie verblijven en de ruimte die de locatie op dat moment heeft. Van een vast aantal plekken voor lhbtiq+ bewoners is dus geen sprake. Wanneer de capaciteitsdruk laag is, is er meer ruimte voor het COA om aan individuele behoeften te voldoen. Op dit moment is de ruimte beperkt, vanwege de hoge capaciteitsdruk bij het COA.
De aankondiging van Netanyahu dat migratiestromen uit Gaza zullen ontstaan |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Netanyahu: we zullen Palestijnen toestaan om Gaza te verlaten»?1
Ja.
Deelt u de mening dat onze samenleving op geen enkele manier een nieuwe migratiestroom aankan, zoals de eerdere stromen uit Syrië, Afghanistan en Oekraïne, waar Netanyahu op hint en dat het noodgedwongen verlaten van Gaza geen oplossing is voor dit conflict en ook zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het kabinet van mening dat de omvang van migratie naar Nederland ingeperkt moet worden. Dat geldt ook voor asielmigratie. Om de druk op de asielketen te verlagen werkt het kabinet aan plannen om te zorgen dat er minder asielzoekers naar Nederland komen en meer afgewezen asielzoekers terugkeren, zoals door samen te werken met landen langs de migratieroutes.
Voor het Nederlands beleid staat buiten kijf: Gaza is van de Palestijnen. Voor de toekomstige situatie in de Gazastrook blijven de G7-principes uit 2023 leidend. Onderdeel daarvan is geen gedwongen tijdelijke of permanente verplaatsing van Palestijnen vanuit de Gazastrook. Het tegenovergestelde zou indruisen tegen het internationaal recht.
Deelt u de mening dat als er migratiestromen ontstaan vanuit Gaza, het risico levensgroot is dat Hamas strijders zich daar tussen zullen mengen en ook zij zullen proberen asiel aan te vragen in landen als Nederland en we dat koste wat kost moeten voorkomen?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de nationale veiligheid van Nederland te waarborgen. Zo heeft Nederland een sterke en brede aanpak van wetgeving, bevoegdheden, specialistische teams en organisaties die erop gericht zijn om eventuele internationale misdrijven tijdig te onderkennen en verdachten hiervan op te sporen, te vervolgen en te straffen.
Tijdens de asielprocedure, waaronder het identificatie- en registratieproces, wordt specifiek aandacht besteed aan het onderkennen van signalen die wijzen op betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen, mensenhandel, openbare orde of signalen die de nationale veiligheid raken. Voor alle asielzoekers vanaf 12 jaar geldt dat de IND een screening uitvoert na de aanmeldfase van het asielproces. Bij deze screening is er specifieke aandacht voor signalen die kunnen wijzen op betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven of mensenrechtenschendingen (zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
Naast deze screening, kunnen ook tijdens en ná afloop van de procedure signalen bij de IND binnenkomen over mogelijke strafbare feiten of signalen waaruit 1F-indicaties naar voren komen (klik- of tipbrieven van burgers, slachtoffers/getuigen van 1F-misdrijven, meldingen vanuit de migratieketen), waarna een 1F-onderzoek kan worden opgestart. Als dit aanwijzingen zijn dat iemand (mogelijk) een gevaar vormt voor de nationale veiligheid dan wordt de asielaanvraag behandeld door het Team Speciale Zaken en wordt het signaal gedeeld met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Ondanks alle inspanningen, betrachte zorgvuldigheid en alertheid op signalen is niet volledig uit te sluiten dat personen misbruik maken van de asielprocedure.
Hoe kunt u ervoor zorgen dat al aan de buitengrens van de Europese Unie (EU) wordt vastgesteld dat deze terroristen geen recht hebben op asiel in de EU en zij dus per ommegaande worden teruggestuurd?
Het beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie is een gedeelde verantwoordelijkheid van de Europese Unie en de lidstaten. Lidstaten zijn verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen. Databanken, onder meer het Schengeninformatiesysteem (SIS), maken het mogelijk om gevaarlijke personen te onderkennen die door andere lidstaten zijn geregistreerd. Wanneer een persoon aan de buitengrens internationale bescherming aanvraagt en er aanwijzingen zijn voor terrorisme of internationale misdrijven, dan wordt de asielaanvraag geregistreerd en volgt een vervolgonderzoek. De asielaanvraag kan dan in een grensprocedure, waar nodig onder vrijheidsbeperkende maatregelen, worden afgehandeld.
Deelt u de opvatting dat het Nederlandse kabinet naast het aandringen op humanitaire hulp via Arabische landen, ook actief en publiekelijk druk moet uitoefenen op de regering-Netanyahu om onmiddellijk een staakt-het-vuren in te stellen en onbeperkte toegang voor humanitaire hulp te verlenen, en daarbij in de gaten te houden welk effect beslissingen van de regering Netanyahu kunnen hebben op migratie richting de EU? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich onverminderd in voor een staakt-het-vuren om daarmee het lijden van de gijzelaars en de Gazanen te verlichten, en een weg naar een duurzame oplossing voor het conflict in te slaan. Het kabinet voert via diplomatieke kanalen druk uit om onbeperkte toegang en distributie van humanitaire hulp in Gaza te bewerkstelligen. De principes voor de toekomst van Gaza die door de G7 zijn uitgedragen blijven voor Nederland leidend, waaronder geen reductie van grondgebied, geen gedwongen verplaatsingen van Palestijnen en geen permanente aanwezigheid van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook.
Is er zicht op een doorbraak in de situatie door de zeer benodigde vrijlating van alle gijzelaars door Hamas en zo ja op welke wijze? Zo nee waarom niet?
Voor het vrijlaten van alle gijzelaars, het lenigen van de humanitaire noden en een duurzame oplossing blijft het essentieel dat er een onmiddellijk en permanent staakt-het-vuren komt tussen Israël en Hamas. Israël en Hamas moeten beide hun verantwoordelijkheid hiervoor nemen. Helaas constateert het kabinet dat de onderhandelingen zijn vastgelopen. De posities van Hamas en Israël over een permanent einde aan het conflict liggen nog ver uit elkaar. Het kabinet heeft het belang van een staakt-het-vuren meermaals bij Israël benadrukt. Het kabinet staat in nauw contact met partners die een bemiddelende rol spelen in de onderhandelingen.
Hoe werkt het kabinet, in het licht van het recht van Palestijnen om op hun eigen grondgebied te blijven wonen, concreet aan het beëindigen van het conflict en het realiseren van een tweestatenoplossing, en bent u bereid om daarbij de regering-Netanyahu expliciet te houden aan het beëindigen van disproportioneel geweld en het opheffen van blokkades als essentiële stap, naast het erkennen van Israël door omliggende landen en het ontmantelen van Hamas?
De oorlog in de Gazastrook moet stoppen. De inzet van het kabinet is daarop gericht, door een combinatie van dialoog en druk. Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer over de situatie in de Gazastrook van 28 juli2 en 9 september3 jl., en de recente Kamerdebatten op 7, 21 en 22 augustus en op 10 september jl., probeert het kabinet nationaal en in EU verband de Israëlische autoriteiten te bewegen om de situatie in de Gazastrook te verbeteren. Het kabinet zet zich ook onverminderd in voor een door beide partijen gedragen tweestatenoplossing. Nederland heeft daarom de New York Declaration ondertekend en een voorstem uitgebracht op de ondersteunde VN-resolutie.
Het kabinet zet grote vraagtekens bij de proportionaliteit van het optreden van Israël in de Gazastrook. Nederland spreekt de Israëlische regering consequent aan op het belang van de naleving van internationaal recht en veroordeelt de blokkade van humanitaire hulp en levering van elektriciteit. Tegelijkertijd is er geen rol voor Hamas in de toekomst van Gaza en moeten zij worden ontwapend.
Op welke manier zet Nederland zich in om een grotere hongersnood of grootschalige migratie te voorkomen?
Zie ook het antwoord op vraag 7. Er is momenteel sprake van een hongercrisis in de Gazastrook vanwege de maandenlange blokkade van humanitaire hulp door Israël en de aanhoudende belemmeringen voor toevoer en distributie van hulp. Dit wordt ook onderstreept in het gepubliceerde IPC-rapport op 22 augustus jl., waarin hongersnood wordt vastgesteld in delen van de Gazastrook.
De Nederlandse inzet is gericht op diplomatieke inzet enerzijds, en financiële en andersoortige ondersteuning van humanitaire organisaties in de Gazastrook en omliggende landen anderzijds.
Op welke manier zetten Nederland en de EU zich in wat betreft noodhulp en opvang in de regio in de regio rond Gaza? Kan de inzet in EU-verband op beide punten vergroot worden?
Zie de beantwoording van vraag 8. Verdere opvang van Palestijnse ontheemden in de regio zou het gevolg zijn van een uiterst onwenselijk scenario, zijnde de etnische zuivering van de Gazastrook, waarover ik niet kan speculeren. Zoals bekend zet het kabinet wel in op het ondersteunen van de opvang, behandeling en zorg voor zoveel mogelijk patiënten in de regio en het vergroten van capaciteit daartoe. Hiervoor zijn de noden hoog en op dit gebied kan Nederland snel een concrete en zinvolle bijdrage leveren.
Hoe onderneemt u momenteel actie vanuit Nederland en in de EU om te waarborgen dat eventuele vluchtelingen uit Gaza in de regio worden opgevangen en niet massaal naar de EU komen om asiel aan te vragen?
Zie de beantwoording van vraag 9 voor de verdere opvang van Palestijnse ontheemden in de regio.
UNRWA is daarnaast gemandateerd door de AVVN om basisdiensten te verlenen aan Palestijnse vluchtelingen in de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever, Libanon, Syrië en Jordanië. UNRWA verleent diensten aan Palestijnse vluchtelingen zoals UNHCR dat doet voor andere vluchtelingen. Zo zijn zij verantwoordelijk voor onder andere gezondheidszorg en onderwijs, waarmee ze bijdragen aan stabiliteit in de regio. Nederland geeft in 2025 15 miljoen euro aan UNRWA zoals vastgelegd in het aangenomen amendement 36 600 XVII, nr. 50, en heeft recent tevens ingestemd met een EU-bijdrage uit NDICI-middelen aan UNRWA (begroting 2025) ter waarde van 82 miljoen euro. Ook zet Nederland in op diversificatie van humanitaire hulp in de Gazastrook door ook middelen beschikbaar te stellen voor onder andere de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en WFP.
Bent u bereid de Arabische landen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om opvang in de regio te bieden alsmede te voorkomen dat door hun landen illegale migratieroutes ontstaan richting Europa?
Het kabinet zet in op samenwerking met landen langs migratieroutes richting de Europese Unie om irreguliere migratie tegen te gaan en terugkeer te bevorderen. Hiervoor heeft het kabinet een beleidsagenda voor de Interdepartementale Taskforce Internationale Migratie opgesteld.4 Het bevorderen en ondersteunen van opvang in de regio is eveneens een prioriteit van dit kabinet, en is een terugkerend gespreksonderwerp met onze partners in de regio.
Bent u bereid dit onderwerp in relatie tot mogelijke migratiestromen op de agenda te zetten van de volgende Europese Raad en uw bilaterale gesprekken met de regering-Netanyahu, alsmede de regeringen van de Arabische landen?
Het kabinet steunt de structurele bespreking van migratie op de agenda van de Europese Raad en, waar opportuun, wordt migratie ook besproken in diverse bilaterale contacten.
Bent u bereid om met Europese collega’s te kijken welke onderdelen van het EU Migratiepact versneld in uitvoering kunnen worden gebracht om zo snel als mogelijk meer grip te krijgen op de buitengrenzen van Europa? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet steunt het voorstel van de Europese Commissie dat regelt dat lidstaten enkele onderdelen van het asiel- en migratiepact voor de toepassingsdatum van 12 juni 2026 vrijwillig vervroegd kunnen toepassen5. Dat betreft ten eerste de nationale bevoegdheid om bij het aanmerken van een land als veilig land van herkomst of veilig derde land uitzonderingen te maken voor bepaalde gebiedsdelen of specifieke categorieën personen. Ten tweede krijgen lidstaten de mogelijkheid om de versnelde procedure of de asielgrensprocedure vervroegd toe te passen als een aanvrager afkomstig is uit een land waarvoor het inwilligingspercentage Uniebreed 20% of lager is. De onderhandelingen over dit voorstel tussen de lidstaten binnen de Raad, en vervolgens met het Europees Parlement, zijn nog niet afgerond. Het kabinet roept op tot een snelle afronding.
Bent u bereid deze vragen een voor een en binnen twee weken te beantwoorden?
De beantwoording duurde langer dan verwacht. Vandaar dat er reeds een uitstelbrief is gestuurd op 8 september.
Het datalek van medische en persoonlijke gegevens bij het laboratorium van Clinical Diagnostics in Rijswijk. |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
van Marum , Daniëlle Jansen (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoe bestaat het dat het anno 2025, in tijden dat we maximaal weerbaar moeten zijn, mogelijk is om bij een zorgpartij van een half miljoen Nederlanders uiterst gevoelige medische gegevens en persoonsgegevens te stelen?
Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) heeft een onafhankelijk onderzoek ingesteld naar de exacte omvang en de oorzaak van deze hack. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zijn een onderzoek gestart. Los daarvan markeer ik hierbij het grote belang van adequate technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van persoonsgegevens, in het bijzonder als het gaat om gezondheidsgegevens. Zorgaanbieders zijn daartoe wettelijk verplicht, onder andere op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Ik betreur het dan ook ten zeerste dat gezondheidsgegevens zijn bemachtigd bij een hack bij Clinical Diagnostics.
Wanneer werd het datalek bekend bij de Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland en bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Kunt u een tijdlijn maken met de belangrijkste gebeurtenissen en wanneer zij ontdekt zijn? Kunt u daarop zeggen wanneer de diefstal plaatsvond, wanneer mensen en de Autoriteit Persoonsgegevens geïnformeerd zijn, wanneer het ministerie/de bewindspersonen geïnformeerd zijn en alle andere relevante gebeurtenissen?
BVO NL is op woensdag 6 augustus door het laboratorium Clinical Diagnostics geïnformeerd over de hack, nadat het laboratorium de hack op 6 juli heeft ontdekt. BVO NL heeft op 6 augustus een melding gemaakt bij de AP en heeft op dezelfde dag het RIVM, de opdrachtgever van BVO NL, geïnformeerd. Het Ministerie van VWS is op donderdag 7 augustus geïnformeerd door het RIVM. BVO NL heeft op zaterdag 9 augustus een melding gedaan bij de IGJ.
Op maandag 11 augustus heeft BVO NL een nieuwsbericht uitgebracht over de hack en is uw Kamer geïnformeerd. Op maandag 11 augustus heeft ook Z-Cert, het expertisecentrum voor cybersecurity in de zorg, bij het Ministerie van VWS melding gemaakt over de hack.
In de week van 18 augustus heeft BVO NL de eerste groep deelnemers waarvan vaststaat dat zij betrokken zijn bij de hack, per brief geïnformeerd.
Nadien heeft het laboratorium desgevraagd aan mij aangegeven dat het onderzoek naar de aantallen bijna is voltooid en dat de betrokken zorgaanbieders nader zullen worden geïnformeerd.
Zoals ik vrijdag 29 augustus en vandaag in aparte brieven aan uw Kamer heb laten weten, blijkt uit dit onderzoek dat nog meer deelnemers aan het bevolkingsonderzoek zijn getroffen door de hack. BVO NL heeft hier op 29 augustus ook een nieuwsbericht over gepubliceerd. Deze deelnemers ontvangen van BVO NL een brief.
Waarom wordt het lekken van persoonlijke en medische gegevens van een half miljoen Nederlanders pas meer dan vier weken later openbaar gemaakt? Klopt het dat er al eerder een lek bij dit laboratorium was gesignaleerd maar daar niet naar werd gehandeld, er geen consequenties waren?
In situaties als deze rust op verwerkingsverantwoordelijken de verplichting datalekken aan de AP en betrokkenen te melden binnen de termijnen die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) noemt. Of en waarom dat hier niet gebeurd zou zijn, is ter beoordeling van de AP die inmiddels een onderzoek is gestart.
Bent u het ermee eens dat dit het vertrouwen van Nederlanders in het bevolkingsonderzoek, waar al steeds minder in wordt deelgenomen, ernstig ondermijnt?
Ik begrijp heel goed dat (potentiële) deelnemers aan het bevolkingsonderzoek zich zorgen maken en vragen hebben na het bericht over de hack. Meedoen aan een bevolkingsonderzoek kan al spanning met zich meebrengen. Als je dan ook nog hoort dat je persoonsgegevens mogelijk zijn bemachtigd, is dat een ontzettende schok. Deelnemers aan bevolkingsonderzoeken moeten er immers op kunnen vertrouwen dat hun persoonlijke gegevens veilig zijn. Dat er nu persoonlijke gegevens zijn gestolen door hackers, vind ik ontzettend betreurenswaardig. Ik kan me voorstellen dat dit mensen aan het denken zet over deelname aan het bevolkingsonderzoek. Ikwil benadrukken dat het vroeg opsporen van kanker ervoor zorgt dat de behandeling minder belastend is en een betere uitkomst heeft, waardoor sterfgevallen door de betreffende vorm van kanker voorkomen worden. Deelname is dus in ieders belang.
Hoe kan het dat er met één hack zoveel gegevens van zoveel mensen in één keer buit kunnen worden gemaakt? Waarom worden medische uitslagen in combinatie met burgerservicenummers en adresgegevens opgeslagen? Wordt er in deze laboratoria gewerkt met het gespreid en versleuteld opslaan van een minimaal benodigde hoeveelheid gegevens? Welke concrete inspanningen worden er geleverd om te voldoen aan het beginsel van dataminimalisatie conform artikel 5 AVG?
De diverse aspecten waarnaar gevraagd wordt, moeten blijken uit de verschillende lopende onderzoeken naar de hack en het datalek dat daarop volgde.
In algemene zin markeer ik het grote belang dat bij de verwerking van bijzondere persoonsgegevens zoals medische persoonsgegevens aan de wettelijke vereisten wordt voldaan, waaronder in ieder geval de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens die zijn neergelegd in artikel 5 AVG (o.a. rechtmatigheid, transparantie, doelbinding en het principe van dataminimalisatie). Aanvullende (informatiebeveiligings)normen gelden ingeval van verwerking van persoonsgegevens met een hoog risico voor rechten en vrijheden van burgers. Het is aan de organisatie die verantwoordelijk is voor verwerking van persoonsgegevens (de verwerkingsverantwoordelijke) om aan te tonen dat zij voldoet aan de toepasselijke normen en uiteindelijk aan de AP om te beoordelen of dat het geval is (geweest).
Valt dit lab, één van de grootste van Nederland, onder toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Zo ja, wanneer heeft de Inspectie voor het laatst dit laboratorium bezocht en wat waren toen de bevindingen?
Op het gebied van de informatiebeveiliging in de zorg is er sectorspecifieke wet- en regelgeving (onder andere de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz)) en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)). De IGJ is belast met het toezicht op de naleving van die wet- en regelgeving.
De IGJ heeft mij laten weten dat dit laboratorium nog niet eerder bezocht is in het kader van informatieveiligheid. De IGJ is inmiddels een onderzoek gestart bij het laboratorium en is voornemens om mede naar aanleiding van dit incident extra aandacht te besteden aan informatiebeveiliging bij medische laboratoria.
Wat zijn de minimumvereisten voor dataveiligheid van Stichting bevolkingsonderzoek? Aan welke standaarden moeten laboratoria voldoen om grootschalig labonderzoek te mogen verrichten?
Wat betreft de eerste vraag geldt dat voor zover BVO NL persoonsgegevens verwerkt ten aanzien waarvan BVO NL geldt als verwerkingsverantwoordelijke, BVO NL zich in ieder geval moet houden aan de AVG. Op grond van de AVG dient BVO NL in dat geval organisatorische en technische maatregelen te treffen ter beveiliging van persoonsgegevens. De AP houdt hierop toezicht. Daarbij betrekt het informatiebeveiligingsnormen als de NEN7510. Die normen gelden als gezaghebbende uitwerking van de algemene beveiligingsnorm uit de AVG. Die sectorspecifieke informatiebeveiligingsnormen zijn voor zorgaanbieders overigens verplicht gesteld in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders.
Wat betreft de tweede vraag geldt dat voor laboratoria wet- en regelgeving op het gebied van kwaliteit van de zorg en dataveiligheid kan gelden. Welke wet- en regelgeving dat precies betreft, hangt af van de concrete omstandigheden (zoals de aard van de werkzaamheden). De schaalgrootte van de labonderzoeken speelt hierbij in principe geen rol.
Hoe was het gesteld met de datahuishouding en -veiligheid bij dit lab? Beschikte het laboratorium over de NEN 7510 certificering voor databeveiliging? Klopt het dat alle zorgpartijen die met bijzondere persoonsgegevens werken verplicht zijn om aan de NEN7510 richtlijn te voldoen? Voldeed dit lab hieraan? Gaan medische laboratoria onder de NIS-2 wetgeving vallen?
Het antwoord op deze vragen zal voortvloeien uit de verschillenden lopende onderzoeken naar de hack en het datalek. Algemeen geldt, in het kader van goede en veilige zorg, dat zorgaanbieders die persoonsgegevens verwerken in een zorginformatiesysteem, moeten kunnen laten zien dat ze werken volgens de daarvoor geldende informatiebeveiligingsnormen, waaronder de NEN 7510. De IGJ houdt hier toezicht op en de AP, voor zover het gaat om de bescherming van persoonsgegevens.
Er bestaat binnen de NIS2-richtlijn of het wetsvoorstel Cyberbeveilingswet (Cbw), dat de Minister van Justitie en Veiligheid op 2 juni 2025 aanhangig heeft gemaakt in uw Kamer, geen categorie die zich specifiek richt op medische laboratoria. Een medisch laboratorium zou onder de NIS2-richtlijn kunnen vallen indien het bijvoorbeeld handelingen uitvoert die vallen onder de Wkkgz of wanneer het (deels) onderzoek doet naar geneesmiddelen en voor zover zij voldoen aan de eisen in de NIS-2-wetgeving op het gebied van omvang personeelsbestand en omzet. Het hangt dus af van de dienstverlening of een medisch laboratorium onder een van de categorieën van de NIS2-richtlijn of Cbw valt.
Worden er vandaag nog steeds samples gestuurd vanuit het bevolkingsonderzoek of andere medische diagnostiek naar laboratoria waar deze data niet veilig zijn en worden verwerkt door systemen die niet aan de richtlijnen voldoen?
BVO NL heeft de samenwerking met het laboratorium tot nader order opgeschort. Bij de andere laboratoria betrokken bij de bevolkingsonderzoeken worden door Z-Cert extra checks gedaan op informatieveiligheid.
Bij hoeveel Eurofins laboratoria speelt dit? Bij hoeveel andere medische laboratoria?
Er zijn bij mij geen signalen bekend dat de informatiebeveiliging bij andere laboratoria niet op orde zou zijn.
Welke andere zorgpartijen beschikken over de medische en persoonsgegevens van honderdduizenden Nederlanders zonder dat de dataveiligheid op orde is?
Ik heb geen inzicht in de hoeveelheid gezondheidsdata waar de verschillende zorgpartijen over beschikken. De zorg digitaliseert in toenemende mate en dit brengt grote voordelen met zich mee, maar ook risico’s. Zorgpartijen zijn verantwoordelijk voor informatieveiligheid. Zij zijn verplicht te voldoen aan de wettelijke normen voor informatiebeveiliging in de zorg.
Zorginstellingen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de risico’s te beperken en de impact van incidenten zo klein mogelijk te maken wanneer deze toch plaatsvinden. Dit neemt echter niet weg dat ik me ook inzet op het verkleinen van de risico's en de impact hiervan. Dit doe ik door te zorgen voor meer bewustwording met het programma informatieveilig gedrag in de zorg, door duidelijke normen en kaders te stellen en door hulpmiddelen aan te bieden om deze te implementeren. Daarnaast biedt Z-Cert gespecialiseerde ondersteuning aan zorgaanbieders.
Op welke termijn kunt u dit in kaart brengen?
Zie antwoord vraag 11.
Wat bent u van plan om te doen als blijkt dat deze onveilige situatie bij andere zorgpartijen speelt?
Zie antwoord vraag 11.
Wat verwacht u van de effecten van dit massale datalek voor de veiligheid van Nederlanders en hoe beoordeelt u de risico’s op onder andere identiteitsfraude, chantage of zorgmijden als gevolg hiervan? Hoe worden mensen met gevoelige adresgegevens, zoals penitentiaire inrichtingen, blijf-van-mijn-lijf-huizen en psychiatrische klinieken geholpen?
Hacks waarbij zoveel data worden bemachtigd vergroten het risico op gerichte en overtuigende phishingaanvallen, juist omdat kwaadwillende beschikken over persoonlijke informatie waarvan het slachtoffer zich mogelijk niet bewust is dat deze is buitgemaakt.
BVO NL informeert de getroffen deelnemers van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. In de brief van BVO NL wordt ook gewezen op het risico op fraude. De betrokken (ex-)gedetineerden worden via een informatiebrief van Clinical Diagnostics over de hack geïnformeerd, met daarbij een begeleidende brief van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). In deze brieven is onder meer opgenomen wat betrokkenen kunnen doen.
Kunt u deze vragen los van elkaar, zo snel mogelijk en zeker binnen drie weken beantwoorden?
Daar zet ik mij voor in.
De artikelen 'Kantoor CIDI in Den Haag beklad: ’De waanzin dendert door’, 'Gebouw CIDI beklad met ketchup en bloem, gebeurde tijdens Gazadebat' en 'Zijn deze kunstenaars al gepakt?' |
|
Claudia van Zanten (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande artikelen?1 2 3
Ja.
In welke fase bevindt zich het lopende politieonderzoek naar de bekladding van het CIDI-gebouw tijdens het Gaza-debat in Den Haag op 7 augustus 2025?
Ik begrijp dat dit een ingrijpende situatie is, maar zoals gebruikelijk kan ik niet ingaan op individuele casuïstiek. Het Openbaar Ministerie gaat over de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Zijn de personen waarvan duidelijke beelden van bestaan van dat zij het CIDI-gebouw bekladden, waarvan hun namen circuleren op internet en waarvan hun namen bekend zouden zijn bij de politie reeds aangehouden, of tenminste verhoord? Zo ja, worden zij vervolgd en waarvoor precies? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt ook expliciet gekeken naar degenen die de privéwoning van een CIDI-bestuurslid in Amsterdam hebben beklad met pro-Palestijnse stickers? Zo ja, welke prioriteit krijgt dit aspect van intimidatie?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen worden genomen om medewerkers van maatschappelijke organisaties te beschermen en specifiek wanneer hun privéwoningen doelwit worden?
Een deel van de verantwoordelijkheid voor het treffen van veiligheidsmaatregelen ligt bij de werkgever. Deze kunnen zich uitstrekken tot de privéwoning van medewerkers. Op het moment dat er sprake is van een (hoog) risico en/of een dreiging ligt het in de rede om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen. Pas wanneer een medewerker en een organisatie/bedrijf op eigen kracht geen weerstand kan bieden tegen de dreiging, komt de overheid in beeld. Wel wordt het raadzaam geacht in alle gevallen dreigingen te melden bij de politie.
Is er afstemming met lokale autoriteiten (gemeente, politie) om de veiligheid van deze medewerkers te waarborgen?
De aanpak van veiligheidssituaties op lokaal niveau is primair de verantwoordelijkheid van de burgemeester als lokaal gezag. Ik heb er alle vertrouwen in dat de betrokken instanties – politie, gemeente en mogelijke andere partners – in gezamenlijkheid en met de benodigde zorgvuldigheid handelen.
Hoe positioneert u de beide vormen van bekladding met ogenschijnlijk antisemitisch dan wel anti-Israëlisch motief?
Ik vind het verwerpelijk als kantoren worden beklad met iets wat er uit zou moeten zien als bloed. Het is echter niet aan mij om een juridisch oordeel te vellen.
Overweegt u wet- of beleidsaanpassingen om escalatie naar de privésfeer te voorkomen en worden er maatregelen genomen zoals cameratoezicht, specifieke meldpunten en bescherming voor bedreigde medewerkers?
Nee, deze voornemens zijn er niet noch overweeg ik die. Ik acht het bestaande instrumentarium dat organisaties dan wel de overheid ter beschikking staat om escalatie naar de privésfeer te voorkomen, waaronder begrepen cameratoezicht, specifieke meldpunten en het ter beschikking stellen van verdere beschermingsmiddelen, afdoende.
In hoeverre is de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 en het Werkplan van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), die maatregelen omvatten zoals bescherming, preventie en monitoring, direct ingezet na de bekladdingen van het CIDI-gebouw en de woning van een medewerker?
De Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 noch het Werkplan van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding zijn geëigend om direct in concrete situaties, zoals de bekladding van gebouwen, in te zetten. Wel is de inrichting van het Veiligheidsfonds één van de maatregelen uit de Strategie. Het Veiligheidsfonds is een subsidieregeling die een financiële tegemoetkoming kan bieden aan Joodse scholen, instellingen en evenementen in het treffen van veiligheidsmaatregelen. Subsidieaanvragen kunnen sinds 15 september jl. ingediend worden.
Kan concreet worden aangegeven of en hoe het veiligheidsfonds van € 1,3 miljoen wordt ingezet voor beveiligingsmaatregelen rond maatschappelijke organisaties zoals CIDI, of specifiek voor medewerkers die persoonlijk zijn bedreigd?
Maatschappelijke organisaties kunnen voor dit jaar een aanvraag doen om de veiligheid van de deelnemers aan een activiteit van een Joodse instelling of van de bezoekers van een Joods evenement te bevorderen en/of ter voorkoming van vernieling, beschadiging, of onbruikbaarmaking van een roerende of onroerende zaak waarvan een Joodse instelling of een organisator van een Joods evenement eigenaar, huurder of gebruiker is. Het gaat hier om te plannen inzet, niet als oplossing voor een calamiteit. Voor de regeling 2026 en verder wordt op dit moment bezien of een deel van dit fonds wel meer voor calamiteiten moet worden ingezet. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op de vragen 5 en 6.
In hoeverre kan de dit jaar ingerichte taskforce hierin een rol spelen?
Het is niet voorzien dat de taskforce hierin een rol kan spelen. De opdracht aan de taskforce is om gerichte voorstellen te doen, die passen binnen het kader van de bestaande wet- en regelgeving, voor maatregelen ten behoeve van a) de veiligheid van Joodse studenten op hogescholen en universiteiten; b) het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten en; c) maatregelen die een handelingsperspectief bieden ten aanzien van de veiligheidsconsequenties van sit-ins op OV-stations.
Worden instrumenten met betrekking tot verhoging van de pakkans, repressieve instrumenten zoals snelrecht en intrekken van Nederlanderschap bij ernstig antisemitisch geweld ook geactiveerd in gevallen zoals bekladdingen als voorbeeld van strafbare antisemitische intimidatie?
Vernieling en beschadiging zijn strafbaar gesteld in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht. Zo daar aanknopingspunten voor zijn zal bekladding in de regel echter eerder op grond van een bepaling in de lokale Algemene Plaatselijke Verordening worden aangepakt.
Wanneer snelrecht mogelijk is, wordt daarvoor gekozen. Randvoorwaarde is dat het moet gaan om «bewijstechnisch» eenvoudige zaken, bijvoorbeeld waarbij een verdachte op heterdaad is betrapt of het strafbare feit bekent en waar de maximale strafeis niet hoger is dan 1 jaar gevangenisstraf.
Intrekking van het Nederlanderschap is niet aan de orde noch bestaat hier een wettelijke grondslag voor, bij een verdenking van bekladding.
Zijn er concrete beleidsplannen voor prioriteit in strafrechtelijke vervolging bij antisemitische intimidatie die zich richt op individuele medewerkers of hun privéomgeving?
Nee, die zijn er niet. In voorkomende gevallen zal door het Openbaar Ministerie terug worden gegrepen op richtlijnen voor vervolging.
Worden maatschappelijke organisaties zoals CIDI actief betrokken bij preventiecampagnes of veiligheidstrainingen, bijvoorbeeld met betrekking tot het onderwijs?
Afhankelijk van het onderwerp en de behoefte maakt de overheid gebruik van de inhoudelijke expertise van relevante maatschappelijke organisaties bij de ontwikkeling van instrumenten ten behoeve van preventie of veiligheid. Zo ontwikkelt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) momenteel samen de NCAB en diverse maatschappelijke organisaties waaronder het CIDI handreikingen voor het herkennen van en omgaan met antisemitisme in het hbo en wo. Voor het po en vo is in mei 2024 al de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten» gepubliceerd. Deze handreiking heeft het Ministerie van OCW in samenwerking met het CIDI en de NCAB ontwikkeld.
Bestaat er voor dergelijke organisaties onder de post «onderwijs en preventie» een gerichte ondersteuning, bijvoorbeeld voor medewerkers die onderwerp zijn van intimidatie?
Vanuit het Ministerie van OCW wordt breed ingezet op versterking en ondersteuning van veiligheid binnen de onderwijssector. In het funderend onderwijs wordt Stichting School en Veiligheid structureel gefinancierd, om scholen hulp te bieden bij het realiseren van een goed en veilig schoolklimaat.
Welke stappen zijn de afgelopen maanden genomen om te komen tot verduidelijking of aanscherping van wetten rondom haatzaaien en discriminatie, zodat criteria transparanter en consistenter worden toegepast?
Op 1 juli jl. is artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden, waarmee een juridische grondslag is gecreëerd om bij delicten waarbij sprake is van een commuun feit met een discriminatoir aspect, de op dat feit gestelde tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis met een derde te verhogen.
Kunt u de vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ik heb getracht de vragen, met inachtneming van zorgvuldigheid, zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De meer dan 2500 ontvangen meldingen van discriminatie na online bericht van Wilders |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het landelijk discriminatiemeldpunt meer dan 2.500 meldingen heeft ontvangen over een afbeelding die door PVV-leider Geert Wilders is verspreid via sociale media?1
Ja.
Deelt u de mening dat het polariserend, racistisch en discriminerend is dat een afbeelding wordt gedeeld waarin een jonge blonde vrouw tegenover een oudere vrouw met hoofddoek wordt geplaatst met daarboven de tekst «Aan u de keuze op 29/10»? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij om individuele uitingen van politici of burgers te kwalificeren. In ons land geldt de vrijheid van meningsuiting, die mede inhoudt dat ook scherpe of kwetsende uitlatingen mogelijk moeten zijn. Grenzen aan die vrijheid zijn vastgelegd in de wet, en de beoordeling of een uiting discriminatoir of strafbaar is, is primair aan de rechter.
Vindt u dat deze uiting binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting valt, of is er, mede gezien eerdere soortgelijke uitingen van deze politicus, sprake van een patroon dat duidt op aanzetten tot haat of discriminatie?
Het is aan het Openbaar Ministerie (OM) om te beoordelen of er sprake is van een strafbare uiting en, zo ja, of vervolging wordt ingesteld. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht dat slechts in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden kan worden beperkt. Ik doe daar als Minister geen uitspraken over, juist omdat dit een onafhankelijke beoordeling door het OM en de rechter vereist.
Heeft het Openbaar Ministerie (OM) deze uiting inmiddels in behandeling genomen, en zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet?
Het OM beoordeelt onafhankelijk of er aanleiding is om een onderzoek te starten naar aanleiding van meldingen of aangiftes. Over individuele zaken doet het OM geen inhoudelijke mededelingen zolang er geen besluit tot vervolging is genomen. Ik kan hier dan ook niet nader op ingaan.
Welke risico’s ziet u voor het maatschappelijke klimaat en de veiligheid van groepen die door dit soort beeldvorming worden gestigmatiseerd, en hoe weegt u dat tegen de uitingsvrijheid van politici?
Ik onderken in het algemeen dat stigmatiserende uitingen kunnen bijdragen aan gevoelens van onveiligheid en uitsluiting bij bepaalde groepen in de samenleving. Tegelijkertijd is de vrijheid van meningsuiting een van de fundamenten van onze democratische rechtsstaat. Het is belangrijk om beide belangen zorgvuldig te wegen. Vanuit de rijksoverheid wordt gewerkt aan het bevorderen van inclusie, het tegengaan van discriminatie en het ondersteunen van meldvoorzieningen waar burgers hun zorgen kunnen uiten.
Welke stappen bent u bereid te zetten om te waarborgen dat stigmatiserende, racistische en discriminerende uitingen niet straffeloos genormaliseerd raken in het publieke debat, in het bijzonder in verkiezingscampagnes?
Zie antwoord vraag 5.
Vernielingen bij de As-Soennah moskee in Assen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat in korte tijd twee keer een ruit is ingegooid bij de As-Soennah Moskee in Assen?1
Ik heb vernomen uit de media dat in korte tijd twee keer een ruit is ingegooid bij de As-Soennah Moskee in Assen.
Deelt u de zorgen van de moskee dat er mogelijk sprake is van een gericht en islamofoob motief? Wordt dit in het politieonderzoek serieus meegenomen?
Ongeacht het motief kan ik me heel goed voorstellen dat dergelijke incidenten zorgen voor gevoelens van onveiligheid, en deel ik de zorgen. De politie en het Openbaar Ministerie voeren een actief opsporings- en vervolgingsbeleid ten aanzien van discriminatiedelicten en bij delicten waarbij sprake is van een commuun feit met een discriminatoir aspect. Uitgangspunt is dat waar door middel van een aangifte om vervolging wordt verzocht, het Openbaar Ministerie (OM) daartoe bij bewijsbare en strafbare discriminatie opportuniteit aanwezig acht en dus in beginsel tot vervolging zal overgaan. Of in dit specifieke geval sprake is van een vernieling met mogelijk discriminatoir aspect zal uit het opsporingsonderzoek moeten blijken. Ik kan niet ingaan op individuele zaken.
Klopt het dat de eerste aangifte van vernieling vrijwel direct is afgesloten zonder opvolging? Zo ja, acht u dit passend bij een incident gericht tegen een gebedshuis?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen in individuele zaken. Ik vertrouw hierin op het oordeel van de politie en het OM ten aanzien van de behandeling van een zaak. Het is ook niet aan mij om een uitspraak te doen over de strafbaarheid van een handeling in concrete zaken.
Wat is er inmiddels gedaan naar aanleiding van het tweede incident? Hoe waarborgt u dat bij herhaalde incidenten ook herhaalde inzet volgt van politie en justitie?
Door de politie zijn na de meldingen maatregelen getroffen om soortgelijke incidenten in de toekomst te voorkomen. Vanwege de veiligheid kan hier niet verder op worden ingegaan.
Het is van belang dat al het mogelijke wordt gedaan om incidenten te voorkomen en in te grijpen wanneer deze zich voordoen. Een klimaat van angst en intimidatie richting moslims, of andere gelovigen, is onacceptabel. Ik sta voor een land waarin eenieder in vrijheid zichzelf kan zijn, ongeacht levensovertuiging, etniciteit of geslacht. Indien nodig worden door het lokaal bevoegd gezag passende beveiligingsmaatregelen getroffen op basis van dreiging en risico. Bij het nemen van deze maatregelen moet in het oog gehouden worden of het middel gegeven de omstandigheden passend en proportioneel is. Ik heb er alle vertrouwen in dat het lokale gezag daar waar nodig passende maatregelen treft. Veel gemeenten werken daarnaast samen met de politie en gebedshuizen om de veiligheid rondom gebouwen te verbeteren. De Handreiking Veilige Moskee en het Handboek Veiligheid Religieuze Instellingen ondersteunen lokale overheden en moskeeën hierbij. In het handboek staan concrete aanbevelingen die religieuze instellingen kunnen doorvoeren.
Erkent u dat deze vernielingen niet op zichzelf staan, maar passen in een breder patroon van intimidatie en geweld tegen moskeeën in Nederland? Wordt dit landelijk bijgehouden?
Uit de cijfers hierover blijkt inderdaad dat dit incident niet op zichzelf staat. Zo blijkt uit het jaarlijkse rapport van onder meer de politie en lokale antidiscriminatievoorzieningen over discriminatiecijfers «Discriminatiecijfers in 2024» dat in de afgelopen jaren circa 3 à 4% van de bij de politie gemelde discriminatie-incidenten betrekking heeft op de grondslag godsdienst. Dat waren in 2024 386 casussen. Vrijwel alle casussen (91%) hadden betrekking op moslimdiscriminatie, te weten 350 casussen. Bij de antidiscriminatievoorzieningen is het percentage van discriminatie-incidenten dat betrekking heeft op de grondslag godsdienst iets hoger: 9% (1.325 meldingen) in 2024, waarbij het slachtoffer in 61% van de gevallen moslim was (811 meldingen). Dit rapport noch het jaarlijkse rapport van het Openbaar Ministerie, «Strafbare discriminatie in beeld 2024», bevat cijfers hoe vaak moskeeën of moskeegangers slachtoffer zijn van discriminatie.2
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om moskeeën beter te beschermen tegen herhaalde aanvallen, met name in de bouw- en afbouwfase wanneer gebouwen kwetsbaarder zijn?
De veiligheid van moskeeën is een lokale verantwoordelijkheid. Lokaal kan de beste inschatting gemaakt worden of op basis van dreiging en risico aanvullende beveiligingsmaatregelen getroffen moeten worden.
Hoe werkt u aan het herstel en behoud van vertrouwen bij islamitische gemeenschappen die het gevoel hebben dat zij minder serieus worden genomen bij aangiftes van haatincidenten?
Zowel mijn departement als ik en andere leden van het kabinet zijn in gesprek met de moslimgemeenschap over gevoelens van onveiligheid en discriminatie binnen om beter zicht te krijgen op de omvang van het probleem. Op basis hiervan beoordelen we of het nodig is om aanvullend beleid te formuleren.
Ik roep iedereen daarom ook op aangifte te blijven doen van geweld, vernielingen, intimidatie, bedreiging, beledigingen, haatuitingen en andere strafbare feiten vanwege hun religie. Ieder feit is er één te veel. Het doen van aangifte is niet alleen belangrijk om een onderzoek te kunnen starten naar de strafbare feiten en om de verdachten te kunnen vervolgen, maar het doen van aangifte is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat dit soort incidenten zichtbaar worden en de omvang van deze delicten beter in beeld komt.
Over zowel discriminatie als gevoelens van onveiligheid is ook gesproken tijdens de Catshuissessie met moslimjongeren op 26 augustus jl. De sessie zal op herhaalde, structurele basis zal plaatsvinden. De kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie zal binnenkort door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar uw Kamer worden gestuurd, waarin ook wordt ingegaan op veiligheid.
Het bericht dat Douwe Bob een kortgeding aanspant tegen VVD-leider Dilan Yesilgöz om Jodenhaat-tweet |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat zanger Douwe Bob een kort geding heeft aangespannen tegen VVD-leider Dilan Yeşilgöz vanwege een uitlating op X, waarin zij hem beschuldigt van antisemitisme?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het feit dat een voormalig Minister van Justitie en Veiligheid en huidig politiek leider van een regeringspartij iemand publiekelijk beschuldigt van Jodenhaat, zonder dat daar een rechterlijk oordeel of feitelijke onderbouwing aan ten grondslag ligt?
Als Minister spreek ik mij niet uit over individuele casussen.
Deelt u de mening dat dergelijke uitspraken kunnen worden gekwalificeerd als smaad en laster, gelet op artikel 261 en 262 van het Wetboek van Strafrecht?
Of uitspraken gekwalificeerd kunnen worden als smaad en laster is niet aan mij maar aan het Openbaar Ministerie en – uiteindelijk – aan de rechter.
Bent u bereid het Openbaar Ministerie (OM) aan te sporen tot een toetsing of zelfs strafrechtelijk onderzoek, mede gelet op de precedentwerking die dit kan hebben op het maatschappelijk en politiek debat?
Nee, het OM opereert zelfstandig. Bovendien is smaad een klachtdelict, dus het OM komt pas in actie als er ook daadwerkelijk om vervolging wordt gevraagd door het slachtoffer.2
Deelt u de mening dat het ondermijnt aan het vertrouwen in de rechtsstaat wanneer politici zonder bewijs individuen publiekelijk beschuldigen van antisemitisme, met alle gevolgen van dien voor hun reputatie en veiligheid?
Wanneer mensen menen slachtoffer te zijn van het al dan niet met opzet beschuldigd worden van iets dat men niet kan bewijzen, zijn er mogelijkheden tot aangifte, mocht men er onderling niet uit (willen) komen. Alhoewel politici een voorbeeldfunctie hebben, wil dit nog niet per se zeggen dat dit de rechtsstaat ondermijnt.
Welke waarborgen bestaan er momenteel om ervoor te zorgen dat ook politieke ambtsdragers zich aan de juridische en ethische grenzen houden van hun publieke uitlatingen, zeker wanneer zij spreken over antisemitisme of andere vormen van discriminatie?
De vrijheid van meningsuiting geldt voor alle burgers en dus ook voor politiek ambtsdragers. Voor leden van de Staten-Generaal geldt bovendien parlementaire onschendbaarheid waardoor de rechter hen niet kan vervolgen voor uitspraken tijdens een parlementaire vergadering (artikel 71 Grondwet). Indien er geen sprake is van de parlementaire setting, dan geldt dus het algemene recht van vrijheid van meningsuiting. Voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben omdat zij standpunten over de inrichting van de samenleving moeten kunnen uitdragen. Dit recht is niet oneindig. Uit jurisprudentie van het EHRM volgt evenwel ook dat politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.
Mensen die menen slachtoffer te zijn van smaad, laster, discriminatie enzovoorts kunnen hiervan aangifte doen en vervolging is mogelijk. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een strafbaar feit is aan het OM en uiteindelijk aan de rechter. De juridische waarborgen zijn dus voorhanden. Daarnaast kan er melding worden gemaakt van vermeende (online) discriminatie bij de daarvoor bedoelde meldinstanties, zoals de Antidiscriminatievoorzieningen of Meld.Online Discriminatie. Het kabinet heeft in de afgelopen jaren actie ondernomen om de meldings- en aangiftebereidheid voor sommige vormen van grensoverschrijdende meningsuiting (bijvoorbeeld discriminatie) te verhogen door de drempels hiertoe te verlagen.
Het bericht ‘TikTok-kalifaat lokt piepjonge kinderen in val’. |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TikTok-kalifaat lokt piepjonge kinderen in val» in De Telegraaf van 6 augustus 2025?1
Ja
Klopt het dat propaganda zolang het geen directe oproep tot geweld bevat in principe geen illegale content is?
Of online materiaal illegaal is, hangt af van Nederlandse en Europese wetgeving. Zo definieert de Europese Verordening inzake het tegengaan van terroristische online-inhoud (TOI-verordening) terroristische inhoud als online materiaal dat terroristische daden verheerlijkt, aanzet tot of instrueert, of oproept tot deelname aan terroristische activiteiten. Propaganda van terroristische organisaties, waaronder onthoofdingen, voldoet in algemene zin aan deze definitie en kan leiden tot inzet van bevoegdheden door de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). Op basis van de TOI-verordening kan de ATKM deze content laten verwijderen of ontoegankelijk laten maken. Terroristische content moet na het ontvangen van een verwijderbevel binnen één uur verwijderd worden. Iedere casus wordt op zijn eigen merites beoordeeld, waarbij de context altijd wordt meegenomen. De ATKM werkt hierin nauw samen met haar partners om de aanpak van terroristische content verder te versterken.
Klopt het dat het tonen van terroristische daden, zoals onthoofdingen, in veel gevallen eveneens niet als illegale content wordt aangemerkt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de constatering dat dit type content, hoewel juridisch mogelijk «legaal» ernstige psychologische en ideologische schade kan toebrengen aan met name minderjarigen?
Ik deel de zorgen rond dit type content en de impact die dit met name kan hebben op minderjarigen. Deze worden ook onderstreept in het laatste Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland2 en de publicatie van de AIVD «Een web van haat – De online grip van extremisme en terrorisme op minderjarigen»3. Zij zijn in een vormende levensfase wat hen ontvankelijker kan maken voor zorgelijke ideologieën die sterke, duidelijke antwoorden lijken te bieden op complexe vragen.
Hoe wordt binnen het kader van de Digital Services Act (DSA) omgegaan met online content die valt onder de categorie «legal yet harmful»?
Ik maak mij zorgen over de verspreiding van «legal yet harfmul»-content, omdat deze content kan bijdragen aan het online radicaliseringsproces en aan de normalisering van extremistisch gedachtegoed. De aanpak van dergelijke content is complex, omdat deze raakt aan de vrijheid van meningsuiting. De DSA hanteert regels voor platformen op het gebied van het tegengaan van illegale content, maar verbiedt «legal yet harmful» content als zodanig niet. De DSA verplicht zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms – VLOPS) zoals Meta, X en TikTok, wel om te onderzoeken of het ontwerp of de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen zogenaamde systeemrisico’s met zich meebrengt. Daarbij gaat het om eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op fundamentele rechten (zoals menswaardigheid, non-discriminatie, privacy en vrijheid van meningsuiting), schade aan het maatschappelijke discours en de integriteit van verkiezingen. Ook «legal yet harmful» content kan dergelijke systeemrisico’s met zich meebrengen. Als dergelijke risico’s bestaan, dan moeten zeer grote online platformen maatregelen nemen om die risico’s te mitigeren. Risico-mitigerende maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn dat zulke content niet (meer) wordt versterkt door de aanbevelingsalgoritmes van het platform of dat content wordt voorzien van een label en extra informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een link naar officiële bronnen of een korte toelichting op het label.
Aangezien IS een terroristische organisatie is en op de terrorismelijst staat, zal de ATKM IS-propaganda, gelet op de criteria voor terroristische content in de TOI-verordening, als terroristisch en dus illegaal beoordelen. In de praktijk ziet de ATKM daarom vaak voldoende grond om tot de uitvaardiging van verwijderbevelen te komen.
Valt de verspreiding van IS-propaganda via TikTok en andere platforms zoals beschreven in het Telegraaf-artikel onder dit «legal yet harmful»-begrip?
Zie antwoord vraag 5.
Voert u gesprekken met de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) over manieren om sneller of steviger tegen dergelijke content op te treden?
De ATKM is een cruciale organisatie in de strijd tegen online terrorisme waarmee het Ministerie van Justitie en Veiligheid regelmatig constructief contact heeft. De ATKM kan verwijderbevelen sturen op basis van de TOI-verordening4. De ATKM kan enkel optreden tegen online materiaal dat terroristisch of kinderpornografisch van aard is. Dit brengt uitdagingen met zich mee in de aanpak van «online materiaal dat niet als zodanig kan worden gekwalificeerd, zoals «legal yet harmful» content. Daarom vraag ik in Europees verband voortdurend aandacht voor de (on)mogelijkheden rondom wet- en regelgeving inzake «legal yet harmful» content in het kader van terrorisme en extremisme en trek daarin samen met de ATKM op. De ATKM staat bovendien in goed contact met haar Europese collega-diensten over de mogelijkheden in de gezamenlijke aanpak van deze problematiek. Omdat de afbakening in welke gevallen precies sprake is van «legal yet harmful» content in de praktijk complex is, heb ik het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) eerder gevraagd te onderzoeken of het haalbaar is een duidingskader voor dit type content te ontwikkelen. Een dergelijk kader kan platformen helpen maatregelen te treffen tegen dergelijke content. Het onderzoek is naar verwachting voor het einde van het jaar gereed. De resultaten zal ik met uw Kamer delen. Op dit moment voert het WODC bovendien een wetsevaluatie uit op de uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud. Daarin wordt de juridische reikwijdte van verwijderbevelen onderzocht, waaronder de juridische mogelijkheid en wenselijkheid van bevoegdheden ten aanzien van «legal yet harmful» materiaal. Deze evaluatie is naar verwachting volgend jaar gereed. Ook hiervan worden de resultaten met uw kamer gedeeld.
De ATKM is een relatief jonge toezichthouder. Het is belangrijk dat zij de tijd krijgt om verder te groeien en een ervaren autoriteit te worden op het gebied van de bestuursrechtelijke aanpak van online terroristisch en kinderpornografisch materiaal. Samen kijken we hoe we het beleid tegen online terrorisme verder kunnen ontwikkelen en hoe de ATKM – binnen haar wettelijke taken – daaraan kan bijdragen.
Wat zijn volgens u de belangrijkste belemmeringen in de huidige wet en regelgeving bij de bestrijding van online radicalisering, zeker wanneer deze zich buiten het strafrechtelijke kader voltrekt?
Het huidige wettelijke instrumentarium, zoals de Digital Services Act (DSA) en de TOI-verordening, stelt duidelijke grenzen aan de aanwezigheid van terroristische en illegale content op onlineplatformen. Deze instrumenten vormen een belangrijke basis voor het tegengaan van illegale content.
Desalniettemin blijft online radicalisering toenemen. Bij de bestrijding van illegale content ligt de nadruk in de huidige wet- en regelgeving vooral op het verwijderen of tegengaan van de content zelf, terwijl de verspreiders van deze content daarmee niet altijd effectief worden aangepakt. Verspreiders kunnen vaak eenvoudig nieuwe accounts aanmaken, waardoor maatregelen deels hun werking verliezen.
De detectiemogelijkheden online zijn beperkt. Hoewel de ATKM effectief kan optreden tegen terroristische content, heeft de ATKM alleen bevoegdheden op open platformen. Op dit moment hebben alleen de AIVD en (bij strafbare feiten) de politie onder voorwaarden bevoegdheden om kennis te nemen van content in besloten groepen, terwijl juist dit de groepen zijn die door terroristen en extremisten veelvuldig worden benut om hun gedachtegoed te verspreiden.
Ook de vraag of geduid kan worden wanneer bepaalde uitingen «legal yet harmful» zijn, is een blijvend aandachtspunt. De afbakening hiervan is complex. Zoals hierboven vermeld onderzoekt het WODC of het haalbaar is een duidingskader voor dit type content te ontwikkelen en evalueert het WODC de Nederlandse uitvoeringswet terroristische online inhoud. Daarin wordt ook de juridische reikwijdte van verwijderbevelen onderzocht, waaronder de juridische mogelijkheid en wenselijkheid van bevoegdheden ten aanzien van «legal yet harmful» materiaal.
Ten slotte zijn er belemmeringen ten aanzien van vroegsignalering in het lokale domein. Gemeenten hebben in Nederland een cruciale rol in de preventie en aanpak van radicalisering, maar hebben beperkte bevoegdheden om online radicalisering te signaleren. Hierdoor zijn zij in veel gevallen afhankelijk van signalen vanuit de politie of de inlichtingendiensten om een lokale persoonsgerichte aanpak te kunnen starten. Het is van belang dat zorgelijke signalen in een zo vroeg mogelijk stadium binnenkomen en geschikte preventieve maatregelen getroffen kunnen worden. Daarom wordt bekeken of de huidige wettelijke kaders, in combinatie met het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde dat 4 juli jl. in internetconsultatie is gegaan, voldoende grondslag bieden aan politie en veiligheidsdiensten om signalen die zij ontvangen uit het open of besloten online domein tijdig met gemeenten en/of de weegploeg5 te delen.
Hoewel ik mij zal blijven inzetten voor een sterke aanpak, is het belangrijk om te benadrukken dat dit onderwerp zeer complex is en niet alle knelpunten (direct) weggenomen kunnen worden.
Hoe beoordeelt u de opbrengsten van het in 2025 afgeronde project Procom in het licht van de actuele zorgen over online radicalisering via platforms als TikTok, mede gelet op de aangenomen motie Michon-Derkzen van 19 december 2024 waarin is verzocht om een overzicht van de resultaten en juridische belemmeringen?2
Het Project Online Content Moderatie (PrOCoM) heeft bijgedragen aan het versterken van de aanpak van illegale content in het algemeen. Het project was niet specifiek gericht op online radicalisering of terrorismebestrijding. De ontwikkelde instrumenten kunnen wel bijdragen aan het tegengaan van illegale terroristische inhoud. Met de oprichting van de publiek-private samenwerking is een structureel overlegplatform tot stand gekomen, onder neutraal voorzitterschap van het Platform van de InformatieSamenleving (ECP), waar publieke en private partijen uitdagingen, zorgen en ontwikkelingen op het gebied van online content moderatie met elkaar kunnen bespreken. Deze bredere dialoog ondersteunt de gezamenlijke aanpak van diverse vormen van ongewenste en illegale online content. Voor het domein van terrorismebestrijding kan dit vooral als aanvullend worden beschouwd aangezien de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) reeds langere tijd contacten onderhoudt met online platformen over deze problematiek.
In hoeverre bieden de inzichten uit Procom handvatten voor een nationale of Europese aanpak van legal yet harmful-content, zoals jihadistische propaganda gericht op minderjarigen?
Daar waar het de inzet van meerdere stakeholders betreft, biedt het overlegplatform onder voorzitterschap van ECP, zoals geschetst in het antwoord op vraag 9, de mogelijkheid om op nationaal niveau met verschillende partijen verder de dialoog te voeren over passende maatregelen om «legal yet harmful» content tegen te gaan.
Daarnaast is Nederland een actief lid van het EU Internet Forum. Het EU Internet Forum is een samenwerkingsverband waar EU-lidstaten, EU-instellingen en online platformen samenkomen om terroristische en onwenselijke, waaronder «legal yet harmful», online content tegen te gaan. Het EU Internet Forum heeft onder andere een handboek borderline content ontwikkeld, waarin definities, casestudies en concrete voorbeelden worden beschreven die online platformen en contentmoderatoren helpen contentmoderatie aan te scherpen. Het EU Internet Forum is ook het forum waar Nederland in samenspraak met gelijkgezinde landen de platformen wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van deze problematiek en waar draagvlak wordt gecreëerd voor aanvullende maatregelen.
Hoe ondersteunt u docenten en scholen bij het herkennen en melden van signalen van online radicalisering, met name wanneer minderjarigen worden blootgesteld aan verheerlijking van IS?
Gelet op de grote uitdagingen waar we voor staan is het van belang om als overheid samen met andere partijen op te trekken bij het tegengaan van online extremisme en terrorisme. Het is noodzakelijk dat maatschappelijke partijen, overheden, rechtshandhavingsautoriteiten en de internetsector samenwerken en ieder zijn of haar eigen verantwoordelijkheid en rol pakt.
Ook docenten en scholen kunnen hier een rol in spelen. Ik ondersteun daarom gemeenten in het opleiden van docenten om signalen van (online) radicalisering te kunnen herkennen en hiernaar te handelen, onder andere door het beschikbaar stellen van trainingen. Het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering heeft de serious game «Botsende Ideeën» speciaal ontwikkeld voor docenten die met extreme uitspraken, radicale ideeën of polarisatie te maken kunnen krijgen in hun werk en willen weten hoe daarmee om te gaan. Een workshop online radicalisering is op dit moment in ontwikkeling.
Daarnaast biedt de Stichting School en Veiligheid (SSV) ondersteuning, kennis en informatie aan zoals het Niet-pluis instrument en de E-learning Dialoog onder Druk. Met de E-learning Dialoog onder Druk krijgen docenten concrete ondersteuning bij het voeren van lastige gesprekken in de klas. Het Niet-pluis instrument kan worden ingezet als een jonge leerling gedrag vertoont dat bij de docent het gevoel oproept dat er iets niet in orde is. Dit kan helpen bij doorverwijzen en melden.
Welke juridische en beleidsmatige mogelijkheden ziet u om content die «legal yet harmful» is en met name gericht is op het aanwakkeren van kalifaatverheerlijking onder jongeren actief in te perken?
Ik onderken de zorgen over online uitingen die, hoewel juridisch toegestaan, maatschappelijk schadelijk kunnen zijn. De juridische ruimte om hiertegen op te treden is echter beperkt, omdat het aanpakken van zogenoemde «legal yet harmful»-content direct raakt aan fundamentele rechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Het beschermen van die vrijheid is een grondrecht dat bij iedere beleids- en wetsontwikkeling nadrukkelijk in acht wordt genomen. Daarom zet ik mij in om online radicalisering tegen te gaan, maar altijd binnen de kaders van deze fundamentele rechten en vrijheden.
Ik blijf mij inzetten op preventie, educatie en samenwerking met lokale en internationale partners, binnen de kaders van de wet.De inzichten van PrOCoM bieden daarbij handvatten voor een nationale aanpak, terwijl deelname aan het EU Internet Forum handvatten biedt voor de internationale aanpak, zoals ook geschetst in het antwoord op vraag 10. Daarnaast kijken wij uit naar de uitkomsten en aanbevelingen van het eerdergenoemde WODC-onderzoek, die van groot belang zullen zijn voor eventuele verdere beleidsontwikkeling op dit terrein.
Wie is primair aan zet om te interveniëren in de online dynamiek waarin jongeren worden blootgesteld aan extremistische content, voordat sprake is van strafbare feiten?
Het tegengaan van online extremisme en terrorisme is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Online platformen hebben hierin een bijzondere rol, omdat zij als aanbieders en beheerders van de digitale infrastructuur direct kunnen ingrijpen in de online dynamiek. Zij zijn in eerste instantie aan zet om te zorgen dat hun gebruikers online veilig zijn. De DSA legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan online platformen om bij te dragen aan het creëren van een veilige online omgeving. Met de platformen blijven we in dialoog over de uitdagingen die daarmee samenhangen. Daarnaast werk ik aan effectieve interventiemogelijkheden die deze online dynamieken kunnen verstoren en zoeken we de samenwerking op met de sector, zoals de ReDirect-methode. Met de ReDirect-methode worden gebruikers die online zoeken naar terroristische of extremistische content geconfronteerd met een informatieveld om hen door te geleiden naar online hulp.
Welke concrete stappen heeft u gezet of bent u bereid te zetten om de door de ATKM bepleite gecoördineerde aanpak met politie, jeugdzorg, gemeenten en platforms te organiseren, zolang duidelijke strafrechtelijke kwalificaties vaak ontbreken?3
De NCTV werkt middels de Versterkte Aanpak Online aan een gecoördineerde aanpak van specifiek online terrorisme en extremisme, waarvan ik uw Kamer recentelijk van op de hoogte heb gebracht8. Daarin wordt intensief samengewerkt met partners binnen het veiligheidsdomein, maar ook in het jeugddomein en met de online platformen. Samen met gemeenten zet ik in op het verhogen van de digitale weerbaarheid van jongeren via lesprogramma’s, waarin jongeren kritisch leren denken, om te gaan met desinformatie en online bedreigingen. Met de online platformen bekijk ik, zoals geschetst in het antwoord op vraag 10 en 13, waar interventiemogelijkheden in online dynamieken nodig en mogelijk zijn.
Bij signalen van radicalisering richting extremisme of terrorisme kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak radicalisering. Het is van groot belang om te zorgen dat signalen van radicalisering worden herkend door eerstelijnsprofessionals, ook als het gaat om online radicalisering. Met ketenpartners is bekeken of de bestaande aanpak daarin voldoende is en hoe we knelpunten rondom signalering – ook in het online domein – kunnen wegnemen. Samen met ketenpartners gaan wij de komende periode de mogelijke oplossingen uitwerken. Zo wordt onder meer bekeken of de huidige wettelijke kaders voldoende mogelijkheden bieden aan bijvoorbeeld de politie om signalen uit het online domein met gemeenten en/of de weegploeg te delen.
Tot slot ondersteun ik onze lokale partners in het vergroten en versterken van het netwerk, waaronder op het gebied van signalering en kennis en vaardigheden over online radicalisering. Denk hierbij aan bijeenkomsten, de eerdergenoemde trainingen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering en de online symbolenbank. Daarnaast zit Nederland samen met Frankrijk een internationale werkgroep voor om ervaringen uit te wisselen en concrete handvatten te ontwikkelen voor de preventie van online radicalisering, waar zowel lokale professionals als handhavingsautoriteiten aan deelnemen.
Kunt u deze vragen nog voorafgaand aan het commissiedebat Terrorisme en Extremisme van 3 september 2025 beantwoorden?
Nee, dit is helaas niet gelukt.
Het (structureel) gebruik van het controversiële Amerikaanse softwaresysteem Parlantir |
|
Nicolien van Vroonhoven-Kok (CDA), Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de Wet Open Overheid (WOO)-verzoeken waaruit blijkt dat Nederland al in 2011 software van Palantir heeft aangeschaft?1
Ja
Kunt u aangeven a) welke (semi)overheidsorganisaties (in de breedste zin van het woord, dus inclusief bijvoorbeeld de politie, Defensie-onderdelen, de NCTV, de diensten, zorgorganisaties of onderwijsorganisaties) gebruik maken van Palantir en b) om welke softwarepakketten en functionaliteiten van Palantir het precies gaat?
In de beantwoording op de onlangs gestelde Kamervragen door het lid Van Houwelingen heb ik aangegeven dat geen organisatieonderdelen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en/of aan Justitie en Veiligheid gelieerde samenwerkingsverbanden gebruik maken van Palantir software, met uitzondering van de politie en in het verleden de zes veiligheidsregio’s.2 Voor het gebruik bij organisaties buiten het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijs ik naar de beantwoording van andere ministeries op de Kamervragen van het lid Van Houwelingen.
Kunt u per gebruiker, die hierover wordt beschreven, aangeven:
Voor het gebruik van de producten door de politie in de analyseomgeving «de Raffinaderij» verwijs ik naar de beantwoording op de vragen van het lid Van Houwelingen over het gebruik van Palantir software.3 Ik hecht eraan om te benadrukken dat «de Raffinaderij» geen registratiesysteem is, maar enkel een analyseomgeving waarbinnen alleen politiegegevens worden geanalyseerd.
Het gaat om gegevens die door de politie rechtmatig verkregen zijn.
Over het (kortstondige) gebruik van Palantir software door de zes zuidelijke Veiligheidsregio’s ten behoeve van informatiegestuurde veiligheid is uw Kamer op 21 juni 2021 geïnformeerd.4 Dit gebruik is reeds in 2021 beëindigd en was op geen enkele wijze gelieerd aan de analyseomgeving «de Raffinaderij». Alleen openbare en publiek toegankelijke data zijn door zes Veiligheidsregio’s gebruikt, er zijn hierbij geen persoonsgegevens geanalyseerd.
De politie analyseert alleen politiegegevens. Voor de grondslag voor het gebruik door de politie verwijs ik naar de beantwoording op vraag 10. Betrokkenen kunnen met een beroep op artikel 25 van de Wet Politiegegevens (Wpg) inzage krijgen of er persoonsgegevens over hem/haar/hen worden verwerkt. Dit gaat volgens een standaard proces dat is vermeld op de privacyverklaring die te vinden is op de website van de politie. Een inzageverzoek gaat via de regionale Privacydesk. De Privacydesk geeft echter geen inzage op systeemniveau.
Indien de voor het beantwoorden van vraag 3 benodigde informatie niet bij u bekend is, kunt u (de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) de verantwoordelijk bewindspersoon conform artikel 6 Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst, verzoeken deze informatie aan de Kamer te verstrekken?
Met de beantwoording van vraag 3 is deze informatie verstrekt.
Heeft voor ieder gebruik een directe aanbesteding plaatsgevonden? Zo nee, voor welke onderdelen niet en waarom niet? Kunt u garanderen dat bij ieder gebruik een juiste aanbestedingsprocedure is gevolgd? En kunt u aangeven hoeveel geld gemoeid is met de Palantir contracten?
Voor een toelichting op de overeenkomst tussen de zes zuidelijke Veiligheidsregio’s en Palantir voor een pilot binnen het samenwerkingsproject Fieldlab Zuid6 verwijs ik naar de beantwoording die in 2021 hierover aan uw Kamer is gestuurd.5
De verwerving van Palantir software door de politie heeft in 2018 heimelijk plaatsgevonden met een beroep op art. 2.23, lid 1 sub e van de AW 2012. Voor een nadere toelichting op de aanbestedingsprocedure verwijs ik naar de beantwoording op de Kamervragen van het lid Van Houwelingen. De financiële details met betrekking tot het betrokken contract zijn vertrouwelijk en kunnen niet openbaar worden gemaakt.
Is het juist dat veel gebruik van Palentir in Nederland indirect plaatsvindt, via Europese samenwerkingen of internationale netwerken zoals Europol, Frontex of NAVO? Hoe beoordeelt u de risico’s daarvan? Hoe zit het met de (parlementaire) controle hierop?
Nee. Europol en Interpol maken op dit moment geen gebruik van Palantir software. De software van Palantir wordt binnen de Nederlandse politie enkel gebruikt in de analyseomgeving «de Raffinaderij». Er is dan ook geen sprake van indirect gebruik via Europese samenwerking of internationale netwerken. Informatieproducten afkomstig uit «de Raffinaderij» worden niet gedeeld met partijen buiten de Nederlandse politie. Wel kan het zijn als op basis van een signaal afkomstig uit een informatieproduct vanuit de analyseomgeving «de Raffinaderij» sprake blijkt van hetzij een concrete verdenking van zware en georganiseerde criminaliteit dan wel een hoge kans op aanslagen, dat de politie op basis van dit signaal op casuïstiek niveau contact legt met haar ketenpartners. Het informatieproduct zelf wordt niet gedeeld.
Zoals door de Minister van Defensie gemeld6 wordt binnen de Nederlandse krijgsmacht gebruik gemaakt van de Palantir software in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners tijdens militaire inzet.
Kunt u een lijst geven van indirect gebruik via internationale organisaties waarbij data van Nederlandse burgers geanalyseerd wordt?
Zie de beantwoording op vraag 6.
Is onderzocht of het risico bestaat dat gegevens van Nederlandse inwoners op een of andere manier lekken naar de ontwikkelaar in de Verenigde Staten, dan wel elders? Indien wel, hoe schat u dit risico in? Indien niet, bent u het met ons eens dat de regering de zorgplicht heeft dit te onderzoeken en op welke wijze gaat u daarin voorzien?
Bij het kortstondige gebruik van Palantir software door de zes Veiligheidsregio’s is geen gebruik gemaakt van persoonsgegevens.
De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt op geen enkele manier met de leverancier gedeeld. Politiedata heeft nooit in een publieke cloud van Palantir gestaan, maar altijd bij de politie zelf. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra in een private cloud. Indien noodzakelijk is er incidentele ondersteuning mogelijk van gescreende medewerkers van Palantir die enkel onder toezicht en ter plaatse werkzaamheden verrichten. Deze medewerkers hebben geen toegang tot de politiedata.
Hoe hebben de lessen van de Parlementaire onderzoekscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) invloed gehad op het gebruik van Palantir en de waarborgen daaromtrent?
Naar aanleiding van de Parlementaire onderzoekscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft de politie deelgenomen aan het JenV-brede verbetertraject Informatiehuishouding op orde, waarbij verbeteringen op het gebied van datavoorziening zijn en worden doorgevoerd. In dit traject zijn geen bevindingen naar voren gekomen wat betreft het gebruik van Palantir software. De waarborgen dat de data alleen toegankelijk is en blijft voor politiefunctionarissen en op eigen dataservers van de politie wordt opgeslagen was reeds in de periode voor POK het geval.
Is u bekend dat het Duitse Bundesverfassingsgericht al in 2023 heeft bepaald dat het gebruik van Palantir in strijd is met de Duitse Grondwet? Zo ja, hoe is hier te lande daarop dan geacteerd?2
Het grondwettelijk hof in Duitsland heeft in 2023 de wetten van Hessen en Hamburg die de inzet van deze software mogelijk maakte ongrondwettig verklaard. Het betreft een uitspraak over de wetten die over de inzet van de software gaan en niet zozeer over dat het gebruik van de software zelf ook (altijd) ongrondwettelijk zou zijn. De wetten hadden volgens het grondwettelijk hof niet voldoende waarborgen en waren niet voldoende specifiek over in welke gevallen de software ingezet mocht worden. Uit de uitspraak volgt dat dergelijke software op zich niet verboden is, maar dat de wetten op basis waarvan dit mag dan wel voldoende specifiek moeten zijn over in welke gevallen en onder welke voorwaarden dit mag als het gaat om een inbreuk op de privacy / gegevensbeschermingsrechten van burgers.
Dat wetgeving op basis waarvan inbreuk op de privacy van burgers voldoende specifiek, voorzienbaar en proportioneel moet zijn -bijvoorbeeld met waarborgen omkleed- volgt ook uit rechtspraak van bijvoorbeeld het EHRM en het HvJEU. Deze uitgangspunten gelden daarom ook voor Nederland.
De Nederlandse politie heeft op grond van de Wet Politiegegevens (Wpg) deze verwerkingen gedaan. «De Raffinaderij» verwerkt politiegegevens op grond van Wpg artikel 11 lid 1 en 2 door politiegegevens geautomatiseerd te vergelijken ter ondersteuning van de opsporing. De politiegegevens die in aanmerking komen om onder deze grondslag verwerkt te worden zijn uitsluitend politiegegevens als bedoeld in artikel 8, 9 en 10 Wpg. Deze politiegegevens zijn eerder in een andere context rechtmatig verkregen. Gebruikers van «de Raffinaderij» mogen daarbij ten behoeve van dat onderzoek op basis van het Besluit Politiegegevens (Bpg) artikel 2:11 in «de Raffinaderij» door Wpg artikel 8, 9 en 10-registraties in de verwerkingstermijn zoeken. Dit is beperkt tot het autorisatieniveau waarvoor gebruikers zijn geautoriseerd. Daarnaast voorziet artikel 2:11 Bpg ook in het achterwege laten van bepaalde politiegegevens voor gegevensvergelijking indien deze zijn gecodeerd als een vertrouwelijke verwerking. Deze politiegegevens worden dan ook niet verwerkt binnen de Raffinaderij.
Bent u, in het licht van de controverse die bestaat omtrent dit bedrijf en haar software, bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van Palantir en wilt u de AP daartoe inzage geven in al het gebruik?
De Autoriteit Persoonsgegevens gaat zelf over welke zaken zij in onderzoek nemen. Het staat de Autoriteit Persoonsgegevens vrij om – indien zij dat aangewezen acht – een onderzoek te doen naar het gebruik van Palantir software bij de politie. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft de bevoegdheid om daartoe gegevens op te vragen.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen 3 weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht dat meerdere moorden op gewone Nederlanders zijn besteld via het dark web |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL Nieuws van 5 augustus 2025 waarin wordt vermeld dat ten minste zeven moorden op gewone Nederlanders zijn besteld via het dark web?1
Ja.
Was de politie al eerder op de hoogte van deze praktijken? Zo ja, heeft dit tot opsporing en vervolging van verdachten geleid en wat was de uitkomst daarvan? Zo nee, waarom niet?
De politie heeft mij laten weten ervan op de hoogte te zijn dat via allerlei oplichtingssites op het dark web opdrachten aangeboden en geplaatst worden voor uiteenlopende criminele activiteiten. Het digitale domein kent geen landsgrenzen en vergt een internationale aanpak. Derhalve wordt in internationaal verband opsporingsonderzoek gedaan naar deze criminele praktijken. Zo ook in Nederland.
De zeven concrete zaken uit het bericht van RTL zijn nog onder de aandacht van de politie met als primaire doel de potentiële Nederlandse slachtoffers te identificeren, lokaliseren en te benaderen. De opsporingsonderzoeken zijn nog onder de aandacht van de politie, wat maakt dat ik daar geen uitlatingen over kan doen.
Klopt het dat in vier van deze zaken ook daadwerkelijk is betaald aan de zogenoemde huurmoordwebsites? Hoe beoordeelt u de ernst van deze situatie, ook al zijn de moorden uiteindelijk niet uitgevoerd?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat – indien er concrete aanwijzingen zijn voor een poging tot moord – de politie potentiële slachtoffers waar mogelijk informeert over een mogelijke dreiging op hun leven.
Hoeveel onderzoeken lopen er momenteel naar aanleiding van dit soort moordopdrachten via het dark web? Zijn alle potentiële slachtoffers op de hoogte gesteld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen worden er of zijn reeds genomen om slachtoffers die doelwit zijn geweest van deze moordopdrachten te beschermen?
Met het oog op de veiligheid van individuen kan ik geen uitspraak doen over genomen of te nemen beveiligingsmaatrelen.
Wat zijn op dit moment de (on)mogelijkheden van de politie en het OM (Openbaar Ministerie) om opdrachtgevers te identificeren, met name in gevallen waarin zij gebruikmaken van cryptobetalingen en anonieme netwerken?
Om te voorkomen dat opsporing en vervolging van strafbare feiten in lopende onderzoeken mogelijk wordt gefrustreerd, wordt door politie en het openbaar ministerie geen inzicht gegeven in gehanteerde onderzoeksstrategieën en methodieken.
Hoe staat het met de digitale recherchecapaciteit die opsporing in dit soort zaken kan versnellen? Indien er tekorten zijn, welke acties worden ondernomen om de digitale recherchecapaciteit uit te breiden?
Digitale recherche is een specialisatie binnen de opsporing. Sinds 2019 zijn er specialistische zij-instromers bij de politie ingestroomd, waarvan een aanzienlijk deel een digitale expertise heeft. Deze specialisten werken samen met andere rechercheurs aan de opsporing van strafbare feiten.
De korpschef en ik werken met de vakbonden aan een structurele route voor directe instroom in de Tactische Opsporing, om de bezetting in de opsporing op orde te krijgen. Op 5 juni 2025 heeft besluitvorming hierover plaatsgevonden: het vakgebied Tactische Opsporing wordt hybride. Dit houdt in dat het vakgebied toegankelijk is en blijft voor breed opgeleide politiemensen (doorstroom) en daarnaast ook toegankelijk wordt voor directe instroom van buiten de politie. Er zijn daarmee vier instroomroutes in de opsporing. Ten eerste de doorstroom vanuit andere vakgebieden. Deze route bestond van oudsher en zal blijven bestaan. Ten tweede via de bachelor rechercheur, de hbo-instroom via de Politieacademie. Ten derde de nieuwe directe instroomroute in de opsporing op mbo-niveau. Ten vierde blijft het ook mogelijk om als specialist in te stromen in de opsporing, op o.a. de terreinen digitaal, financieel-economisch, forensisch, milieu en zeden (executief specifieke inzet).
Vanuit de strategische personeelsontwikkeling zal de korpschef sturen op de gewenste mix vanuit deze verschillende instroomroutes.
Bent u bereid om nader onderzoek te laten doen naar het functioneren van huurmoordplatforms op het dark web en hun impact op de veiligheid in Nederland?
De aanpak van digitale infrastructuren dient in internationaal verband uitgevoerd te worden. Het gaat tenslotte om het world wide web. Derhalve wordt in het Europol Programma 2025–2027 een onderdeel opgenomen dat zich richt op criminaliteit op het dark web en aanverwante platforms. Doelstellingen hiervan zijn bijvoorbeeld het ondersteunen van lidstaten bij opsporing en onderzoeken, de opsporing van «high-value targets» en het verbeteren van digitale forensische tooling, ontcijferen en analyseren van data afkomstig van het dark web.
Wordt er op Europees niveau samengewerkt in de opsporing van dit soort ernstige digitale criminaliteit? Zijn er initiatieven binnen Europol om dergelijke praktijken gezamenlijk te bestrijden? Zo ja, welke? Zo nee, bent u voornemens om dat te initiëren?
Zie antwoord vraag 8.