Ontvangen 29 juni 2026
Inleiding
De regering is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor de aandacht die zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken, de prioriteit die zij hieraan geeft en voor de door haar daarover gestelde vragen. De vragen worden, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, beantwoord in de exacte volgorde van het door de commissie uitgebrachte verslag.
Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII) en de Kamerbrief over de bescherming van de consument bij achteraf betalen. Deze leden onderschrijven het belang van een duidelijk beschermingskader bij krediet, in het bijzonder bij «koop nu, betaal later»-diensten voor consumenten. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). Deze leden onderschrijven het belang van goede consumentenbescherming en verantwoord kredietgebruik, zeker nu nieuwe betaalvormen zoals «koop nu, betaal later»-diensten en digitale kredietproducten steeds meer onderdeel uitmaken van het dagelijks betalingsverkeer. Tegelijkertijd achten de leden van de VVD-fractie het van belang dat regelgeving proportioneel en uitvoerbaar blijft, met ruimte voor innovatie en oog voor een goed functionerend Europees speelveld. Deze leden hebben daarom nog enkele vragen aan de regering.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet. Deze leden hebben nog enkele opmerkingen en vragen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ter implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ter implementatie van de CCDII-richtlijn. Deze leden achten het positief dat stappen worden gezet om de regelgeving rondom consumentenkrediet te moderniseren en beter aan te laten sluiten op de huidige praktijk, waarin nieuwe kredietvormen en online aanbieders een steeds grotere rol spelen. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de implementatie lang op zich heeft laten wachten, terwijl de problematiek van schulden en overkreditering de afgelopen jaren juist verder is toegenomen.
Daarnaast signaleren de leden van de CDA-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel nog verschillende lacunes bevat. Daardoor rijst bij deze leden de vraag of de voorgestelde maatregelen voldoende zijn om burgers daadwerkelijk en volledig te beschermen tegen problematische schulden. Die zorg geldt in het bijzonder voor kwetsbare huishoudens en jongeren, voor wie de verleiding van «kopen op de pof» groot is, terwijl de financiële en maatschappelijke gevolgen van schulden vaak nog veel groter blijken. Juist in een tijd waarin kredietverlening steeds toegankelijker, sneller en minder zichtbaar wordt aangeboden, achten deze leden een stevige bescherming van consumenten van groot belang.
Onderstaande inbreng behandelt, aan de hand van de indeling van de memorie van toelichting, de verschillende vragen die de leden van de CDA-fractie aan de regering hebben over het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). Deze leden onderschrijven het belang van consumentenbescherming en het voorkomen van problematische schulden. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang dat de implementatie proportioneel, uitvoerbaar en voorspelbaar blijft voor aanbieders en consumenten. Deze leden hebben daarom nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet. Deze leden achten het van het groot belang dat diensten als «koop nu, betaal later» gereguleerd worden om (jonge) consumenten te beschermen tegen overkreditering en schuldgewenning. Deze leden hebben kennisgenomen van de memorie van toelichting en zijn van mening dat deze in haar huidige vorm ongestructureerd is en onvoldoende inzicht biedt in de gemaakte keuzes en de onderliggende afwegingen, bijvoorbeeld rond de inhoud en gevolgen van de kredietwaardigheidstoetsing en reikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen over het voorliggende wetsvoorstel.
Algemeen
De leden van de CDA-fractie constateren dat de oorspronkelijke implementatietermijn van 20 november 2025 inmiddels ruimschoots is overschreden. Deze leden zijn van mening dat dit onwenselijk is, temeer daar het hier gaat om regelgeving die direct bijdraagt aan betere bescherming van consumenten en het voorkomen van problematische schulden. Deze leden benadrukken dat nu maximale inspanning vereist is om verdere vertraging te voorkomen en te waarborgen dat de regels uiterlijk op 20 november 2026 daadwerkelijk in werking treden.
Hoewel deze leden constateren dat er inmiddels voortgang wordt geboekt, stellen deze leden vast dat de regering eerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Herhaalde oproepen van de leden van de CDA-fractie, zowel via schriftelijke vragen als tijdens debatten, om het implementatietraject te versnellen, hebben niet geleid tot het gewenste resultaat. Dit roept bij deze leden vragen op over de prioritering en sturing binnen de regering.
In de beantwoording van schriftelijke vragen uit oktober 2024 gaf de regering nog aan dat het wetsvoorstel in het najaar van 2025 naar de Kamer zou worden gestuurd. Deze planning is echter niet gehaald. In de Kamerbrief van 2 april 2026 wordt de vertraging verklaard door te wijzen op de omvang en complexiteit van de implementatie van de CCDII. Deze verklaring voelt te algemeen voor de leden van de CDA-fractie. Deze leden vragen of de regering concreet kan uiteenzetten wat de belangrijkste oorzaken zijn van de opgelopen vertraging in het implementatietraject. Ook vragen deze leden waarom het niet is gelukt om dit traject te versnellen ondanks de breed erkende noodzaak en het brede politieke draagvlak voor het voorliggende wetsvoorstel.
Nederland kent een uitgebreid wetgevingsproces, dat gemiddeld ten minste twee jaar in beslag neemt en waarin veel partijen een rol hebben. Dit brengt met zich mee brengt dat het tijdig implementeren van richtlijnen per definitie heel uitdagend is. Dit geldt des te meer als er sprake is van technisch complexe wet- en regelgeving. De regering en beide Kamers der Staten-Generaal zijn betrokken als wetgever maar ook diverse adviescolleges zoals de Raad van State en het Adviescollege toetsing regeldruk hebben een belangrijke rol. De Autoriteit Financiële Markten (AFM), Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) hebben uitvoeringstoetsen dan wel wetgevingsadviezen uitgebracht. Deze adviezen zijn zorgvuldig beoordeeld en verwerkt. De Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: de implementatiewet) is op 10 november 2025 aanhangig gemaakt bij de Raad van State. Het advies van de Raad van State is ontvangen op 28 januari 2026. In de twee maanden die daarop volgden is het nader rapport opgemaakt en is de laatste hand gelegd aan de implementatiewet. Gedurende het proces is er veelvuldig contact geweest met belanghebbenden als marktpartijen, Stichting Bureau Krediet Registratie (BKR) en toezichthouders.
Naast het uitdagende proces, hebben andere factoren ervoor gezorgd dat de implementatiewet niet eerder aan de Tweede Kamer kon worden gestuurd. Allereerst de 23 lidstaatopties die per stuk zorgvuldig zijn geanalyseerd, beoordeeld, en waar nodig besproken met belanghebbenden om een goed beeld te krijgen van de impact en gevolgen. Daarnaast is bekeken welke ruimte er is om buiten deze lidstaatopties regelgeving in te voeren en te handhaven. Zo is onder meer een nadere analyse uitgevoerd naar de mogelijkheden van aanvullende regulering van «koop nu, betaal later»-diensten, naar aanleiding van het politieke draagvlak voor strengere regels. De wensen van de Kamer zijn waar uitvoerbaar verwerkt in de implementatiewet. Ook dit bracht uitdagingen met zich mee, bijvoorbeeld waar het de afbakening betrof van overeenkomsten van krediet in de vorm van uitgestelde betaling. Een nadere uiteenzetting over aanvullende regulering is gedaan in de brief die gelijktijdig met de implementatiewet is verzonden aan de Kamer op 2 april 2026. Een ander complicerende factor is de samenhang met het Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie.1
Er is in de voorbereiding van de implementatiewet contact geweest met andere lidstaten over de keuzes die nationaal gemaakt werden, onder andere via implementatieworkshops. In die fase waren andere lidstaten minder ver in het implementatieproces waardoor tijdens het schrijfproces nog geen gebruik kon worden gemaakt van de keuzes en ervaring van andere lidstaten. Enkele andere lidstaten hebben ook de implementatiedatum van 20 november 2025 niet gehaald. Zo heeft Duitsland de implementatie in mei 2026 afgerond en is in België het wetsvoorstel in mei 2026 naar het parlement gestuurd en het wetgevingsproces ook nog gaande.
Deze vertraging leidt er tevens toe dat de parlementaire behandeling onder toenemende tijdsdruk komt te staan, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Daarnaast betekent dit dat marktpartijen de implementatie van de richtlijn binnen een zeer korte termijn moeten realiseren. In dat licht vragen deze leden of het implementatierisico voldoende in beeld is gebracht. Deze leden vragen of de regering uiteen kan zetten welke risico’s het voorziet voor zowel de uitvoerbaarheid voor marktpartijen als de handhaafbaarheid door toezichthouders bij een dergelijke verkorte implementatieperiode. Ook willen deze leden weten in hoeverre de regering partijen die nu onder tijdsdruk moeten gaan handelen gaat ondersteunen.
Gedurende (de voorbereiding van) het wetgevingstraject is veelvuldig contact geweest met marktpartijen om hen op de hoogte te houden van het proces. De financiële sector kon reeds aan de slag met de implementatie van de richtlijn na publicatie daarvan, maar heeft weinig voorbereidingstijd waar het gaat om nationale keuzes en de daarmee samenhangende verplichtingen. Na inwerkingtreding van de nieuwe regels is de AFM bevoegd om handhavend optreden. Waar het gaat om het aanvragen van een vergunning of registratie kan deze voorafgaand aan de inwerkingtreding worden aangevraagd. De richtlijn biedt geen ruimte voor een alternatieve inwerkingtredingsdatum. De regering heeft wel ruimte gezien voor een uitgestelde implementatietermijn voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering. Deze ondernemingen kunnen zich zodoende beter voorbereiden op de nieuwe regels. Die uitgestelde termijn is opgenomen in de implementatiewet.
De leden van de JA21-fractie hebben zorgen over de korte implementatietermijn van het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat de richtlijn uiterlijk op 20 november 2026 moet zijn geïmplementeerd. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de regering het wetsvoorstel pas laat bij de Kamer heeft ingediend, waardoor de feitelijke voorbereidingstijd voor aanbieders, toezichthouders en uitvoerende partijen aanzienlijk korter wordt dan oorspronkelijk door de Europese Commissie lijkt te zijn beoogd. Deze leden vragen de regering hoe zij haar eigen handelen als wetgever beoordeelt in het licht van een zorgvuldige implementatie. Acht de regering het redelijk dat ondernemers, aanbieders en consumenten mogelijk de gevolgen dragen van een krap tijdpad dat mede door het tempo van de wetgever is ontstaan?
Nederland kent een uitgebreid wetgevingsproces dat gemiddeld twee jaar in beslag neemt en waarin meerdere partijen een rol hebben. De complexiteit van het traject heeft ervoor gezorgd dat het traject langer heeft geduurd, onder andere door onderzoek naar en weging van de 23 lidstaatopties en aanvullende nationale regulering van «koop nu, betaal later»-diensten. In de voorbereiding van de implementatiewet is veelvuldig contact geweest met marktpartijen, het BKR en toezichthouders. De financiële sector kon reeds aan de slag met de implementatie van de richtlijn na publicatie daarvan, maar heeft weinig voorbereidingstijd waar het gaat om nationale keuzes en de daarmee samenhangende verplichtingen. Waar het gaat om het aanvragen van een vergunning of registratie kan deze voorafgaand aan de inwerkingtreding worden aangevraagd. Hoewel het onwenselijk is dat de sector en consumenten nu geconfronteerd worden met een krap tijdspad, is het niet mogelijk om af te wijken van de datum voor toepassing van de richtlijn. De regering heeft wel ruimte gezien voor een uitgestelde implementatietermijn voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, zodat zij langer de tijd krijgen om zich voor te bereiden. Die uitgestelde termijn is opgenomen in de implementatiewet.
De leden van de JA21-fractie vragen welke mogelijkheden de regering ziet om een zorgvuldige overgang naar het nieuwe regime te faciliteren. Is de regering bereid om te voorzien in een overgangstermijn, transitieperiode of tijdelijke terughoudendheid in de handhaving na de invoeringsdatum? Kan de regering daarbij ook ingaan op de mogelijkheid om het uitstel van zes maanden dat geldt voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering breder van toepassing te verklaren op andere aanbieders die aantoonbaar tijdig stappen zetten om aan de nieuwe regels te voldoen?
De richtlijn biedt geen ruimte om af te wijken van de datum voor toepassing van de richtlijn. Waar de regering wel ruimte heeft gezien en ook noodzakelijk heeft geacht is de uitgestelde implementatietermijn voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, zoals opgenomen in de implementatiewet. Het is voorts niet mogelijk en niet doenlijk om een regel of set regels later voor te schrijven voor welwillende aanbieders. Waar het gaat om handhaving is het aan de AFM om te beoordelen of zij vanaf inwerkingtreding handhaaft en met welk handhavingsinstrument. Daarbij kan zij de omstandigheden betrekken en tevens kan zij in overleg treden met marktpartijen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de memorie van toelichting beschrijft dat «koop nu, betaal later»-diensten en kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik van de wet worden gebracht omdat zij vergelijkbare risico’s voor consumenten zouden kennen. Daarbij wordt gewezen op het risico van overkreditering en impulsief koopgedrag. Welke concrete empirische gegevens tonen aan dat kaarten met uitgestelde debitering vergelijkbare risico’s opleveren als «koop nu, betaal later»-diensten, en waarom rechtvaardigt dit een gelijke intensiteit wat betreft regulering?
De aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering hebben toegelicht dat er zich weinig betalingsproblemen voordoen met deze kaarten. Deze kaarten worden echter niet gereguleerd vanwege bestaande betalingsproblemen, maar om consumenten met een kaart met uitgestelde debitering dezelfde manier bescherming te bieden als consumenten van andere soorten consumptief krediet. Ook wordt voorkomen dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten de regels kunnen ontwijken door het uitbrengen van een dergelijke kaart.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering stelt dat regulering van «koop nu, betaal later»-diensten kan leiden tot hogere kosten en mogelijk een beperkter aanbod, maar acht dit aanvaardbaar gelet op de versterking van consumentenbescherming. Daarbij wordt erkend dat kortlopende kredietvormen ook kunnen bijdragen aan budgetbeheer. Hoe weegt de regering het risico dat huishoudens met een smalle beurs door deze regulering juist minder toegang krijgen tot tijdelijk betalingsgemak en welke mitigerende maatregelen worden overwogen?
Aan het samenstel van regels ligt een weging ten grondslag tussen bescherming van de consument enerzijds en toegang van de consument tot krediet en proportionaliteit voor de sector en de consument anderzijds. Zolang een consument een (kortlopend) krediet kan dragen, kan hij of zij dat krediet ook krijgen. Wel vindt de regering het van belang om overkreditering en schuldgewenning tegen te gaan.
Op de meeste punten schrijft de richtlijn dwingend regels voor en is de regering dus verplicht deze te implementeren. Zo schrijft de richtlijn onder meer voor dat een kredietwaardigheidsbeoordeling dient te worden uitgevoerd, die proportioneel mag zijn. Op welke wijze deze wordt uitgevoerd, wordt nader uitgewerkt door aanbieders van krediet en binnen de leennormen van de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (VFN) voor de aanbieders die daarbij zijn aangesloten. De regering heeft binnen de richtlijn ruimte gezien om voor kleine kredieten slechts een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling voor te schrijven, zonder verplichte verificatie van bijvoorbeeld inkomsten. Dit is onderdeel van het Implementatiebesluit herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: het implementatiebesluit) dat recent aan uw Kamer is aangeboden in het kader van een voorhangprocedure.
De leden van de VVD-fractie constateren dat meerdere Europese lidstaten gebruikmaken van de mogelijkheid om kaarten met uitgestelde debitering uit te zonderen van de richtlijn. Nederland kiest ervoor deze producten wel onder het toepassingsbereik te brengen. Kan de regering toelichten waarom voor deze strengere implementatie is gekozen? Welke gevolgen verwacht de regering hiervan voor de concurrentiepositie van Nederlandse aanbieders en de werking van de Europese interne markt? Hoe weegt de regering daarbij het feit mee dat producten met uitgestelde debitering historisch gezien beperkte betalingsproblematiek kennen?
Een lidstaatoptie in een Europese richtlijn of verordening heeft altijd een risico op fragmentatie tot gevolg. Het is denkbaar dat Nederlandse aanbieders worden geconfronteerd met zwaardere lasten dan aanbieders van deze kaarten in andere lidstaten, ervan uitgaande dat Nederland een grotere afzetmarkt is voor Nederlandse aanbieders in vergelijking met deze buitenlandse aanbieders en daarmee een groter aandeel van de dienstverlening wordt gereguleerd. Het gelijk speelveld tussen Nederlandse en buitenlandse aanbieders wordt echter zoveel mogelijk behouden. Het is niet mogelijk voor aanbieders uit een andere lidstaat, zonder vergunning in Nederland krediet aan te bieden. Daarvoor zal de aanbieder eerst een vergunning van de AFM moeten krijgen of in het bezit moeten zijn van een vergunning in een andere lidstaat op grond waarvan het toegestaan is (grensoverschrijdend) krediet aan te bieden in Nederland, bijvoorbeeld een bankvergunning in een andere lidstaat. Heeft een aanbieder in de lidstaat van herkomst wel een vergunning, dan gelden in beginsel op grond van artikel 4:1 Wft de kredietregels uit de Wet op het financieel toezicht (Wft) en is de AFM bevoegd om op toezicht te houden op naleving van deze regels. Dit waarborgt een gelijk speelveld tussen Nederlandse en buitenlandse aanbieders.
Als kaarten met uitgestelde debitering niet worden gereguleerd, dan kan er sprake zijn van onvoldoende en ongelijkwaardige consumentenbescherming. Bij zowel «koop nu, betaal later»-diensten, als bij kaarten met uitgestelde debitering is immers sprake van kopen op afbetaling. De regering heeft ervoor gekozen om beide dan ook gelijkwaardig te reguleren. Deze kaarten niet reguleren zou leiden tot een ongelijk speelveld tussen verschillende aanbieders van consumptief krediet. Een uitzondering voor kaarten met uitgestelde debitering kan ook betekenen dat regulering ontweken wordt, indien aanbieders van bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-diensten een kaart met uitgestelde debitering uitbrengen. Deze kaart met «koop nu, betaal later»-functionaliteit zou dan niet onder de kredietregels vallen. Dat vindt de regering niet wenselijk. Van één bestaande aanbieder van «koop nu, betaal later»-krediet is reeds bekend dat deze een dergelijke kaart heeft uitgebracht. Hoewel het dus juist is dat kaarten met uitgestelde debitering historisch gezien beperkte betalingsproblematiek kennen, heeft de regering, mede gezien dit risico van ontwijking van regulering de afweging gemaakt om kaarten met uitgestelde debitering niet uit te zonderen. Om de lastendruk te beperken, worden in lagere regelgeving (het Besluit kredietvergoeding) wijzigingen voorgesteld die het mogelijk moeten maken voor aanbieders om hun huidige kostenmodel zoveel mogelijk in stand te houden.
Creditcards en andere producten met uitgestelde debitering kennen maandelijkse volledige aflossing zonder rente en zeer lage wanbetalingspercentages en verschillen daarmee wezenlijk van «koop nu, betaal later»-diensten, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Desondanks worden deze producten in de implementatie grotendeels gelijk behandeld. Acht de regering het proportioneel om producten met uitgestelde debitering onder vrijwel hetzelfde regime te brengen als «koop nu, betaal later»-diensten en hoe wordt voorkomen dat goed functionerende betaalmiddelen hierdoor minder toegankelijk worden?
Net als «koop nu, betaal later»-diensten zijn creditcards en andere producten met uitgestelde debitering een vorm van krediet. De regering vindt het daarom proportioneel om deze kaarten te reguleren. Indien deze producten niet worden gereguleerd ontstaat een ongelijk speelveld tussen aanbieders van krediet. Daarnaast bestaat de verwachting, die inmiddels al is gematerialiseerd, dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten kaarten met uitgestelde debitering gaan uitgeven, waardoor regulering ontweken wordt. In lagere regelgeving worden wijzigingen in de huidige kredietregels doorgevoerd, zodat aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering zoveel mogelijk hun bedrijfsmodel kunnen hanteren en daarmee het product betaalbaar en toegankelijk kunnen houden. Het gaat om onder meer de kosten die zij maandelijks in rekening mogen brengen voor de kaart en de opname- en transactievergoeding. Daarnaast mogen kosten voor extra diensten die niet onder krediet vallen, zoals toegang tot lobby's op vliegvelden, ook in rekening worden gebracht. Voorts is ten aanzien van de verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling een zekere mate van proportionaliteit mogelijk. De individuele aanbieder kan die proportionaliteit invullen of daarin de nieuwe Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de Vereniging van Financieringsondernemingen (VFN) volgen, die op dit moment in ontwikkeling zijn. De regering heeft zich beperkt tot het stellen van enkele algemene kaders voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. Er moet altijd een kredietwaardigheidsbeoordeling worden uitgevoerd (conform de eisen van richtlijn). Daarbij is raadpleging verplicht van het BKR op openstaande kredieten en achterstanden en van het Centraal curatele- en bewindregister (CCBR). Daarnaast is, in lijn met de richtlijn, opgenomen dat verificatie dient plaats te vinden van lasten en inkomen indien informatie daarover is opgevraagd in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering erkent dat vrijwel iedere betaal- of serviceoptie die leidt tot hogere conversie of omzet voor ondernemers in zekere zin een financieel voordeel oplevert. Hoe voorkomt de regering dat daarmee een te brede interpretatie van het begrip «financiële beloning» ontstaat?
Het begrip financiële beloning is van belang om te bepalen of er sprake is van bemiddelen in krediet. Het aanbieden van andere betaal- of serviceopties kan in zekere zin een financieel voordeel opleveren, maar dit is niet relevant, zolang het gaat op betaal- of serviceopties die niet leiden tot het aangaan van een kredietovereenkomst. «Koop nu, betaal later» als betaaloptie leidt tot een krediet, maar het aanbieden van bijvoorbeeld een online bankoverschrijving als betaaloptie niet.
De leden van de VVD-fractie steunen het verbod op «koop nu, betaal later»-diensten voor minderjarigen en onderschrijven het belang van leeftijdsverificatie. Deze leden vragen wel welke vormen van leeftijdsverificatie volgens de regering als proportioneel en uitvoerbaar worden beschouwd. Hoe wordt voorkomen dat hierbij onnodig veel persoonsgegevens worden verwerkt?
Aanbieders van krediet verzamelen, afhankelijk van de omvang van de kredietwaardigheidsbeoordeling in mindere of meerdere mate persoonsgegevens. Leeftijdsverificatie is daarvan slechts een onderdeel. Marktpartijen zijn zelf verantwoordelijk voor naleving van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (AVG), zoals het beginsel van minimale gegevensverwerking: persoonsgegevens moeten op grond van artikel 5, lid 1, onderdeel c AVG toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. De implementatiewet schrijft de wijze van leeftijdsverificatie, bovenop de reeds geldende privacynormen, op dit moment niet nader voor, anders dan dat dit aan de hand van een betrouwbare bron dient plaats te vinden, bijvoorbeeld een kopie paspoort of via een koppeling met een bank.
De regering geeft aan dat aanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor het kiezen van een passende methode van leeftijdsverificatie en dat geen specifieke methode wettelijk wordt voorgeschreven. Tegelijkertijd wordt een delegatiegrondslag opgenomen om later nadere eisen te stellen. Daarom vragen de leden van de VVD-fractie hoe wordt voorkomen dat verschillen in leeftijdsverificatiemethoden leiden tot rechtsongelijkheid of handhavingsproblemen en op welk moment de regering het noodzakelijk acht om gebruik te maken van de delegatiegrondslag.
Het is aan de aanbieder om te kiezen met welke bron zij wenst te werken, mits deze betrouwbaar is. Dat kan bijvoorbeeld een kopie paspoort zijn of een koppeling met een bank. In het kader van handhaving worden geen problemen verwacht, nu aanbieders over beleid moeten beschikken ter verificatie van de leeftijd van de consument en moeten kunnen aantonen dat zij leeftijdsverificatie hebben uitgevoerd. Er kan gebruik worden gemaakt van de delegatiegrondslag indien blijkt dat vanuit Europese of nationale wetgeving specifieke sectoroverstijgende eisen worden gesteld die ook op deze doelgroep van toepassing verklaard zouden moeten worden. Er wordt nu geen aanleiding gezien om gebruik te maken van deze grondslag, vanuit het beschermingskarakter van de AVG en het karakter van de overeenkomst waarbinnen reeds persoonsgegevens worden verwerkt in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling en het «ken uw klant»-proces.
Voor andere vormen van consumptief krediet blijft het mogelijk dat minderjarigen, met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger en soms de kantonrechter, krediet aangaan. De regering stelt dat hiervoor geen aanleiding bestaat voor een totaalverbod. Hoe beoordeelt de regering het risico dat minderjarigen via deze route alsnog schulden opbouwen en acht de regering het huidige civielrechtelijke beschermingskader hiervoor voldoende robuust?
Met de implementatiewet wordt geregeld dat krediet in de vorm van uitstel van betaling nooit zelfstandig door minderjarige consumenten kan worden aangegaan (de voorgestelde artikelen 3:34b Wft en artikel 7:75 BW). De regering vindt het niet nodig om een om een totaalverbod voor regulier krediet voor minderjarigen in te voeren. Er zijn immers redenen denkbaar op grond waarvan het voor (ondernemende) minderjarigen nuttig en bovendien leerzaam kan zijn om een regulier krediet af te sluiten. De noodzaak en aanleiding voor een verbod om elke vorm van krediet aan minderjarigen aan te bieden ontbreken op dit moment. In de praktijk hebben zich voor de komst van nieuwe vormen van uitgestelde betaling geen problemen voorgedaan en is ook niet bekend dat minderjarigen hierdoor schulden opbouwen. Handelingsbekwaamheid is een van de kernbeginselen van het civiele recht. Het is dan ook voldoende robuust voor het aangaan van regulier krediet. Jongeren zijn en blijven hierbij beschermd, want voor het aangaan van deze kredietovereenkomsten zal altijd toestemming nodig zijn van de wettelijke vertegenwoordiger van de jongere en die toestemming zal een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende handeling vereisen. De rechtshandeling is vernietigbaar wanneer die wordt aangegaan door een handelingsonbekwaam persoon.
De leden van de VVD-fractie lezen dat uitsluitend «onder toezicht staande instellingen» toegang mogen hebben tot databanken zoals het BKR. Hoe voorkomt de regering dat nieuwe kredietaanbieders of buitenlandse partijen buiten effectief Nederlands toezicht toch toegang verkrijgen tot deze gevoelige consumentengegevens?
Artikel 19, eerste lid, van de richtlijn schrijft voor dat elke lidstaat ervoor zorgt dat kredietgevers uit andere lidstaten toegang hebben tot de databanken die in de betrokken lidstaat worden gebruikt om de kredietwaardigheid van consumenten te beoordelen. De voorwaarden voor toegang tot dergelijke databanken mogen daarnaast op grond van dit lid niet discriminerend zijn. Vanuit het beginsel van de interne markt is het niet mogelijk om toegang te beperken voor buitenlandse aanbieders. Uiteraard moeten deze partijen wel onder toezicht staan van een nationale bevoegde autoriteit, dus een toezichthouder in een andere lidstaat.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn en het wetsvoorstel een uitgebreidere kredietwaardigheidsbeoordeling voorschrijven, waarbij de proportionaliteit wordt gekoppeld aan aard, duur, waarde en risico’s van het krediet. Tegelijkertijd blijft sprake van een open norm. Hoe wordt in de praktijk geborgd dat kredietaanbieders de proportionaliteitstoets op een uniforme en voorspelbare wijze toepassen zodat rechtszekerheid voor zowel aanbieders als consumenten ontstaat?
De richtlijn schrijft een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling voor. Daarmee zal de beoordeling in de Europese Unie per definitie niet uniform worden uitgevoerd. De huidige Nederlandse praktijk is dat aanbieders zich conformeren aan de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN. Deze methodiek wordt jaarlijks geactualiseerd, onder andere op basis van cijfers van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). De VFN werkt op dit moment aan nieuwe leennormen, onder de nieuwe regels, in samenspraak met de sector, de AFM en het Ministerie van Financiën. Dit zal de proportionaliteit inkleuren en daarmee duidelijkheid bieden aan aanbieders over de omvang van de uit te voeren kredietwaardigheidsbeoordeling. Het staat aanbieders vrij om zich niet te conformeren aan deze leennormen en een eigen beleid hierop te voeren. De AFM ziet ook dan uiteraard toe op het naleven van de verplichting tot het uitvoeren van een passende kredietwaardigheidsbeoordeling.
De leden van de VVD-fractie lezen dat wordt erkend dat kredietwaardigheidsbeoordelingen kunnen leiden tot extra administratieve lasten voor consumenten, bijvoorbeeld door het aanleveren van financiële gegevens. Tegelijkertijd wordt gesteld dat dit het doenvermogen niet wezenlijk aantast. Waarop baseert de regering de aanname dat het doenvermogen van consumenten hierdoor niet significant wordt belast, met name bij laagdrempelige en kortlopende kredietvormen?
Het is juist dat consumenten vaker, bijvoorbeeld bij «koop nu, betaal later»-krediet en kaarten met uitgestelde debitering, een kredietwaardigheidsbeoordeling krijgen. Die kredietwaardigheidsbeoordeling is zwaarder naar gelang de risico’s groter zijn voor de consument en waarbij dus informatie zal moeten worden opgevraagd. Daarvoor zullen consumenten – in hun eigen belang – inspanningen moeten verrichten door het aanleveren van financiële gegevens. Dit gaat om dezelfde inspanningen voor een kredietwaardigheidsbeoordeling als bij andere, reeds gereguleerde vormen van krediet. Er zijn geen aanwijzingen dat consumenten de gevraagde handelingen onvoldoende begrijpen of niet kunnen uitvoeren. Daarom is het niet de verwachting dat het doenvermogen van de consument significant zal worden belast. Dit onderwerp is ook aangestipt op blz. 23 van de memorie van toelichting.
Hoewel het wetsvoorstel expliciet spreekt over een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling, signaleren marktpartijen dat in de praktijk alsnog wordt uitgegaan van het verplicht verzamelen en mogelijk verifiëren van inkomens- en uitgavengegevens bij alle transacties, ongeacht bedrag of risico. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering borgt dat kredietverstrekkers daadwerkelijk ruimte krijgen om de kredietwaardigheidsbeoordeling proportioneel in te richten, en niet verplicht worden tot een uniforme en zware toets bij laag-bedrag en laag-risico kredieten?
De eisen aan de kredietwaardigheidsbeoordeling worden niet bij of krachtens wet voorgeschreven, behalve de minimumverplichting dat in alle gevallen het BKR geraadpleegd dient te worden en de grens van € 100 waaronder een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling volstaat. Beide elementen zijn onderdeel van het implementatiebesluit. De proportionaliteit is verder aan de aanbieder om toe te passen, daardoor gesteund door de richtlijn. Daarnaast wordt die proportionaliteit op dit moment nader uitgewerkt in nieuwe Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN, specifiek voor kleine kredieten. Waar informatie wordt opgevraagd dient deze geverifieerd te worden, zo is verduidelijkt in het implementatiebesluit.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat perverse prikkels bij kredietverlening moeten worden voorkomen, maar vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat nieuwe regels over beloningsbeleid niet leiden tot onnodige administratieve lasten of beperking van gezonde commerciële prikkels binnen de sector.
De regels omtrent het beloningsbeleid volgen uit artikel 32 van de richtlijn. Een voorbeeld is dat het beloningsbeleid in overeenstemming moet zijn met en bijdraagt aan de risicobeheerstrategie van de aanbieder en maatregelen omvat ter voorkoming van belangenconflicten, door met name te bepalen dat de beloning niet afhankelijk is van het aantal of het percentage aanvaarde kredietaanvragen. Lidstaten hebben geen ruimte om af te wijken van de normen uit deze bepaling. De richtlijn spreekt van «beginselen» en vereist ook dat aanbieders deze beginselen naleven. Aanbieders gaan zelf over het beloningsbeleid en moeten zelf risico's inschatten op onder andere langetermijnbelangen en belangenverstrengeling. Dat zal immers afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, zoals de diensten die de aanbieder verleent. Omdat de eisen volgen uit de richtlijn heeft de regering geen invloed op deze regels en eventuele administratieve lasten die gepaard gaan met de naleving hiervan. De aanbieder heeft voorts zelf in de hand hoe het beleid wordt vormgegeven, mits daarbij de genoemde beginselen worden nageleefd.
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het principe van maximumharmonisatie voordelen oplevert voor de uniformering van de interne markt. Echter constateren deze leden ook dat onder andere België en Spanje additionele maatregelen nemen bovenop de CCDII. Deze leden vragen hoe de regering deze ontwikkelingen duidt in het licht van het uitgangspunt van maximumharmonisatie. Daarnaast vragen deze leden welke juridische ruimte de CCDII biedt om, bovenop de bestaande lidstaatopties, aanvullende nationale maatregelen te treffen. Deze leden vragen of de regering deze juridische ruimte inzichtelijk kan maken. Ten slotte vragen deze leden op dit punt hoe beoordeeld wordt of afwijkingen binnen de proportionaliteits- en harmonisatiekaders van het Unierecht blijven, met name omdat de wet op onderdelen werkt met open normenkaders waardoor interpretatieruimte ontstaat.
De richtlijn heeft het karakter van maximumharmonisatie, maar bevat tegelijkertijd 23 lidstaatopties en diverse open normen of onbepaalde begrippen. Dit is een keuze geweest in het Europese wetgevingsproces. Het risico is dat dit divergentie in de hand werkt, ofwel in het toezicht, ofwel in regelgeving. Bevordering van de interne markt is een van de hoofddoelen van de richtlijn, maar vervolmaking van de interne kredietmarkt onder volledig dezelfde spelregels zal hierdoor mogelijk moeilijk blijken. Voor de ruimte die de richtlijn biedt voor aanvullende nationale maatregelen wordt verwezen naar de Kamerbrief van 2 april 2026.2 Over het algemeen geldt dat de regering bij de omzetting van de richtlijn ook de richtlijntekst volgt. Hier en daar is echter een vertaalslag nodig naar de Nederlandse situatie of is nadere invulling noodzakelijk. Voor de kredietwaardigheidsbeoordeling heeft de regering zich beperkt tot het stellen van enkele algemene kaders. Er moet altijd een kredietwaardigheidsbeoordeling worden uitgevoerd (conform de richtlijn), raadpleging is verplicht van het BKR op lopende kredieten en langdurige achterstanden (in overeenstemming met artikel 18, elfde lid, van de richtlijn) en raadpleging is verplicht van het CCBR (in overeenstemming met civielrechtelijk beginsel van handelingsbekwaamheid). Daarnaast is de proportionaliteit nader ingevuld door een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling voor te schrijven voor kredieten tot € 100,–.
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de samenloop met aanbieders uit andere Europese lidstaten die weliswaar onder de CCDII vallen, maar gebruikmaken van andere lidstaatopties, bijvoorbeeld doordat zij geen verbod op BNPL voor minderjarigen hanteren. Deze leden maken zich zorgen dat strengere Nederlandse regelgeving op deze wijze in de praktijk kan worden omzeild doordat aanbieders vanuit een andere lidstaat, met een vergunning uit dat land, alsnog actief diensten aanbieden aan Nederlandse consumenten.
Deze leden vragen de regering om toe te lichten hoe het bijvoorbeeld werkt als een 16-jarige online een spijkerbroek door middel van BNPL koopt via een aanbieder uit respectievelijk Duitsland, België of Frankrijk. Ook vragen deze leden wat de gang van zaken is als een Nederlandse 16-jarige in het buitenland in een fysieke winkel een spijkerbroek koopt met BNPL. Deze leden vragen of dit valt onder het respectievelijke buitenlandse regime of onder het Nederlandse regime.
Voor aanbieders uit andere lidstaten geldt artikel 4:1 Wft. De gedragsnormen uit Deel 4 van de Wft zijn van toepassing op aanbieders waaraan het ingevolge hoofdstuk 2.2 Wft is toegestaan in Nederland financiële diensten te verlenen. Dit is bijvoorbeeld het geval als aanbieders uit andere lidstaten een vergunning hebben in die lidstaat waaronder het toegestaan is krediet aan te bieden in Nederland of een verklaring van ondertoezichtstelling hebben van De Nederlandsche Bank (DNB). Heeft een aanbieder een vergunning in Nederland, dan gelden de gedragsregels, waaronder leeftijdsverificatie bij het aangaan van een kredietovereenkomst. Die gelden dus ook in de situatie van een vergunning in een andere lidstaat of een verklaring van ondertoezichtstelling, bijvoorbeeld indien een aanbieder met een bankvergunning krediet aanbiedt in Nederland en als zodanig staat geregistreerd. Ook dan gelden de Nederlandse verplichtingen.
Voor aanbieders uit andere lidstaten die niet over een vergunning beschikken in een andere lidstaat, waaronder het toegestaan is krediet aan te bieden in Nederland, of verklaring van ondertoezichtstelling van DNB, geldt in beginsel dat op een kredietovereenkomst met een in Nederland woonachtige consument Nederlands civiel recht van toepassing is, op grond van artikel 6 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). Dat is zo in het geval de aanbieder zich kort gezegd richt op de Nederlandse markt (artikel 6 Rome I).
Ook op dit moment, nog voor inwerkingtreding van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: de implementatiewet), is artikel 1:234 BW van toepassing, waaruit volgt dat een minderjarige slechts handelingsbekwaam is als hij toestemming heeft van de wettelijke vertegenwoordiger, waarbij toestemming wordt geacht te zijn verleend voor «maatschappelijk gebruikelijke» handelingen. Als hier geen sprake van is, is de rechtshandeling vernietigbaar, ook als het krediet is aangeboden door een aanbieder uit een andere lidstaat.
Voor de situatie waarin een Nederlandse 16-jarige in het buitenland in een fysieke winkel een spijkerbroek koopt met «koop nu, betaal later» geldt in beginsel het recht van de EU-lidstaat in kwestie, inclusief de toezichtsrechtelijke (gedrags)normen. In dit kader is wel relevant of er al voorafgaand aan de aankoop in de lidstaat een kredietovereenkomst in Nederland is aangegaan, bijvoorbeeld met een limiet voor besteding met uitgestelde betaling. In dat laatste geval zal eerder het Nederlandse recht van toepassing zijn, dus artikel 1:234 BW.
Over het algemeen geldt wel dat handelingsbekwaamheid een vergelijkbare benadering kent in EU-lidstaten waarbij in beginsel de leeftijdsgrens van 18 jaar geldt, met enkele uitzonderingen voor aankopen die voor een minderjarige normaal worden geacht, zoals het kopen van een ijsje of een bioscoopkaartje.
Daarnaast geldt dat uitgestelde betaling, onder het toepassingsbereik van de richtlijn is komen te vallen. Dat betekent dat het in alle nationale stelsels is geïmplementeerd. Daarmee is ook de kredietwaardigheidsbeoordeling voor uitgesteld betalen in alle lidstaten verplicht gesteld, die proportioneel dient te worden uitgevoerd.
Tot slot bevat de implementatiewet de mogelijkheid voor de AFM om in uiterste gevallen productinterventiebevoegdheden in te zetten en daarmee bijvoorbeeld een product of marktpraktijk ten aanzien van consumentenkrediet te beperken of verbieden.
De leden van de CDA-fractie vragen welke gedragsinzichten, zoals toegelicht in de memorie van toelichting, ten grondslag liggen aan de aanscherping van de precontractuele informatie. Op welke wijze zijn inzichten uit de gedragswetenschappen betrokken bij de vormgeving van deze informatieverplichtingen.
De aanscherping van de precontractuele informatieverplichtingen volgt uit de richtlijn. In een consumentenuitvraag in het kader van de evaluatie van de oude richtlijn (CCDI)3 kwam naar voren dat niet iedereen het standaardinformatieformulier nuttig vond. In uitvragen en gesprekken met stakeholders kwam daarnaast naar voren dat de lengte en complexiteit van precontractuele informatie soms het daadwerkelijk begrijpen van de inhoud van de overeenkomst kan bemoeilijken.4 In de preambule van de richtlijn staat niet expliciet welke inzichten uit de gedragswetenschappen zijn betrokken bij de vormgeving van de informatieverplichtingen, maar uit de formulering blijkt wel wat belangrijk is bevonden. Dat is bijvoorbeeld dat consumenten alle essentiële informatie in één oogopslag moeten kunnen zien, ook indien zij die op het scherm van een mobiele telefoon bekijken.5
Daarnaast vragen deze leden welke onderdelen van het ESIC-formulier de regering aanmerkt als «noodzakelijke informatie» voor consumenten. Deze leden vragen of de regering dit concreet kan specificeren. Daarnaast vragen deze leden hoe deze informatieverplichting specifiek bij BNPL-aanbieders wordt geïmplementeerd. Deze leden vragen op welke wijze wordt gecontroleerd of BNPL-aanbieders daadwerkelijk voldoen aan de informatie- en wachttijdvereisten en welke sancties er op niet-naleving staan.
De verplichting om precontractuele informatie te verschaffen via het Europees standaardformulier inzake consumentenkrediet staat opgenomen in artikel 112 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo). Het Europees standaardformulier inzake consumentenkrediet is een bijlage bij het BGfo, namelijk bijlage D. Het Europees standaardformulier inzake consumentenkrediet wordt gewijzigd in het implementatiebesluit, dat recent aan uw Kamer is aangeboden in het kader van een voorhangprocedure. De regering heeft bij het voorschrijven van deze standaardinformatie de richtlijn gevolgd. Op het formulier staat duidelijk welke noodzakelijke informatie op de eerste pagina vermeld moet worden tijdens de precontractuele fase. Het gaat om de identiteit van de aanbieder van krediet en indien van toepassing de identiteit van de kredietbemiddelaar. Daarnaast gaat het om het totale kredietbedrag, de duur van de kredietovereenkomst, de (verschillende) debetrentevoet(en), het jaarlijks kostenpercentage, het totaal door de consument te betalen bedrag, indien van toepassing de naam van het goed/de dienst en de contante prijs daarvan en de kosten in geval van een betalingsachterstand.
Daarnaast moet na de precontractuele fase in de kredietovereenkomst in duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie worden opgenomen. In artikel 7:61 BW staat om welke informatie dit gaat. Het gaat onder meer om de hiervoor genoemde informatie op het Europees standaardformulier inzake consumentenkrediet. Deze precontractuele informatie dient ook door «koop nu, betaal later»-aanbieders verstrekt te worden via het Europees standaardformulier inzake consumentenkrediet. De AFM houdt hier toezicht op en op andere vereisten rondom het aangaan van een kredietovereenkomst. De AFM kan op grond van artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs) een bestuurlijke boete opleggen in de tweede categorie bij overtreding van artikel 112 BGfo.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de gedragsregels uit CCDII interpreteert met betrekking tot beloningsbeleid. Deze leden vragen welke vormen van variabele beloning, commerciële targets of provisies de regering verenigbaar acht met de verplichting om in het belang van de consument te handelen en overkreditering te voorkomen. Breed geldt dat veel van de gedragsregels relatief open normen zijn zoals «eerlijk handelen», «voldoende toelichting», «passend» en «rekening houden met belangen van consumenten». Daardoor krijgen toezichthouders en beleidsmakers aanzienlijke interpretatieruimte. Deze leden vragen waarom de regering van mening is dat dit passend is bij de voorliggende wetgeving.
Hoewel de gedragsregels uit de richtlijn ten aanzien van de omgang met consumenten relatief open normen betreffen, zijn de beloningsregels uit artikel 32 van de richtlijn voor een gedeelte specifieker. Zo wordt bijvoorbeeld voorgeschreven dat het beloningsbeleid in overeenstemming is met en bijdraagt aan de risicobeheerstrategie van de aanbieder en maatregelen omvat ter voorkoming van belangenconflicten, door met name te bepalen dat de beloning niet afhankelijk is van het aantal of het percentage aanvaarde kredietaanvragen. Ook mogen aanbieders en bemiddelaars die adviseren de beloningsstructuur niet zodanig inrichten dat ze afdoet aan het vermogen van de betrokken personeelsleden om in het belang van de consument te handelen. De beloningsstructuur mag ook niet afhangen van het behalen van verkoopdoelen. De richtlijn spreekt daarnaast van «beginselen» en vereist ook dat aanbieders deze beginselen naleven. Aanbieders gaan zelf over het beloningsbeleid en moeten zelf risico's inschatten op o.a. langetermijnbelangen en belangenverstrengeling. Dat zal immers afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, zoals de diensten die de aanbieder verleent. Het is aan aanbieders en bemiddelaars om te beoordelen welke vormen van beloningen in lijn zijn met de voorgeschreven normen uit de richtlijn. Waar het gaat om provisies, gelden de provisieregels uit artikel 4:74 Wft en 155 BGfo.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering invulling geeft aan de bepalingen in CCDII inzake financiële educatie en financiële geletterdheid. Deze leden vragen of de regering aanvullende nationale initiatieven noodzakelijk acht om consumenten, en in het bijzonder jongeren, beter bewust te maken van de risico’s van consumentenkrediet en BNPL-diensten. Ook vragen deze leden of hierbij bestaande en succesvolle initiatieven, zoals de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid en SchuldenlabNL, actief worden betrokken.
Zoals vermeld continueert de regering (in aanvulling op de implementatiewet) de maatregelen die zij heeft genomen ter ondersteuning van de educatie van consumenten met betrekking tot het verantwoordelijk lenen van geld en beheren van schulden. Dit doet zij onder meer via het platform Wijzer in geldzaken en de publieke campagnes en de lespakketten die in dat kader worden verstrekt. Zo is er tijdens de jaarlijkse Week van het geld structureel aandacht voor leren omgaan met geld. Tijdens gastlessen en bij gebruik van themapakketten worden docenten aangemoedigd om specifiek in te gaan op de risico’s van financiële producten, zoals achteraf betalen.
Tot slot adresseren specifieke campagnes de gevolgen van risicogedrag onder jongeren, zoals de campagne «Je geld de baas – Hoe voorkom jij een Betaal Later Kater?», die is opgezet door Wijzer in geldzaken en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze campagne omvat onder meer praktische tips, sociale mediacontent (Instagram, YouTube, Snapchat) en wordt ondersteund door influencers, met als doel jongeren handelingsperspectief te bieden en risicovol betaalgedrag te voorkomen. Nederland behoort op basis van internationaal onderzoek tot de koplopers op het gebied van financiële geletterdheid onder jongeren. Meer dan de helft van de Nederlandse 15-jarigen heeft op school les gekregen over omgaan met geld, en uit onderzoek blijkt dat jongeren in Nederland relatief goed op de hoogte zijn van financiële risico’s en belang hechten aan verstandig financieel gedrag. Tegelijkertijd haalt bijna een vijfde van de Nederlandse leerlingen het basisniveau financiële geletterdheid niet. Daarom vindt de regering het van belang om blijvende aandacht te schenken aan actuele risico’s, zoals het gebruik van «koop nu, betaal later». Het onderwerp krijgt jaarlijks aandacht tijdens de Week van het geld en via gerichte campagnes. Continue bewustwording en educatie zijn essentieel om te voorkomen dat jongeren ongewenste schulden opbouwen door ondoordacht gebruik van consumentenkrediet of «koop nu, betaal later»-diensten.
Bestaande en succesvolle initiatieven worden nadrukkelijk betrokken en ingezet. Zo werkt Wijzer in geldzaken samen met de Stichting Financieel Gezond Nederland (SFGN), de opvolger van SchuldenlabNL en de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid. Dankzij deze samenwerking, waaraan overheid en financiële sector gezamenlijk bijdragen, kunnen krachten op het gebied van financiële educatie en bewustwording optimaal worden gebundeld.
Een voorbeeld is het delen van campagnes als de «Betaal Later Kater» over de risico’s van achteraf betalen via banken en andere partners. Ook zetten SFGN en Wijzer in geldzaken een campagne op om Nederlanders aan te moedigen een minimale spaarbuffer op te bouwen.
Deze leden lezen daarnaast dat de kredietgever verplicht is om een redelijke mate van respijt te geven voordat hij overgaat tot het innen van krediet. Deze leden vragen hoe geborgd wordt dat de maatregelen beschreven in artikel 7:70 BW ook worden nageleefd. Deze leden vragen wat het toezicht hierop is.
De verplichting om waar passend respijtmaatregelen aan te bieden volgt uit de Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU (richtlijn kredietservicers en kredietkopers). Dit is reeds geïmplementeerd in artikel 4:35a Wft en artikel 7:70a BW. De richtlijn bevat enkel een aantal beperkte wijzigingen ten opzichte van het artikel uit de richtlijn kredietservicers en kredietkopers. Omdat de verplichting om artikel 7:70a BW na te leven expliciet staat opgenomen in de bepaling van de Wft, samen met de verplichting om hier beleid op te voeren, kan de AFM toezicht houden op de naleving van deze verplichting bij de kredietaanbieders en kan, indien nodig, gebruikmaken van diverse maatregelen in haar toezichtsinstrumentarium. De AFM kan in het zwaarste geval een boete opleggen van de derde categorie, op grond van artikel 10 van het Bbbfs, dat wordt gewijzigd met het implementatiebesluit.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de zorg- en respijtverplichtingen uit CCDII zich verhouden tot de bestaande verplichtingen onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening. Deze leden vragen of er sprake is van overlap, aanvullende normering of een verschillend toetsingskader. Deze leden vragen of de regering kan toelichten welke toezichthouder verantwoordelijk is voor handhaving indien zowel kredietverleningsnormen als incassonormen in het geding zijn.
Er kan sprake zijn van samenloop vanuit de richtlijn met de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki) wanneer een aanbieder van krediet ook beroepsmatig buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht voor een derde of na overdracht van een vordering bij een natuurlijk persoon in Nederland. Aanbieders die in het kader van hun activiteiten ook incassowerkzaamheden verrichten of aanbieden, en die voldoen aan de daarvoor in de Wki gestelde voorwaarden, dienen zich in te schrijven in het daartoe gehouden openbaar register. De wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit de Wki gelden naast de verplichtingen die de richtlijn voorschrijft.
Er is sprake van overlap of samenloop, in de zin dat aanbieders die volgens de reikwijdte van de Wki actief zijn zowel een vergunning bij de AFM voor het aanbieden van krediet nodig hebben, en ook een registratie bij Dienst Justis onder de Wki en onder toezicht van de Inspectie Justitie en Veiligheid staan. Ook geldt zowel als gevolg van de richtlijn als de Wki dat partijen een klachtenprocedure moeten hebben, aan bepaalde kwaliteitseisen moeten voldoen, zoals vakbekwaamheidseisen van personeel. Deze eisen komen met elkaar overeen en vullen elkaar aan. Beide toezichthouders hebben hun eigen bevoegdheid tot handhaving bij overtreding van onder hun bevoegdheid vallende gestelde regels. De Wki bevat in artikel 19 een samenwerkingsbepaling tussen de toezichthouders waaruit volgt dat de toezichthouders met elkaar een samenwerkingsprotocol opstellen.6
In het verleden is gebleken dat een BNPL-aanbieder feitelijk incassoactiviteiten verrichtte zonder onder het daarvoor bedoelde toezichtregime te vallen. De leden van de CDA-fractie vragen welke lessen de regering heeft getrokken uit deze casus. Deze leden vragen of naar aanleiding daarvan aanvullende maatregelen, verduidelijkingen of toezicht instrumenten ontwikkeld zijn om herhaling te voorkomen.
Het is de verantwoordelijkheid van een incassodienstverlener om te voldoen aan de wettelijke eisen. Op de naleving van deze wettelijke eisen wordt toezicht gehouden door de Inspectie JenV op grond van de Wki en, voor zover sprake is van activiteiten die onder de Wft vallen, door de AFM. Bij overtredingen kunnen deze toezichthouders handhavend optreden. Daarnaast is het verrichten van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden onder de reikwijdte van de Wki zonder registratie of met een geschorste registratie een economisch delict. Hierop kan strafrechtelijk worden gesanctioneerd op basis van de Wet op de economische delicten.
De leden van de CDA-fractie merken op dat bij BNPL-aanbieders incasso- en aanmaningskosten in korte tijd relatief hoog kunnen oplopen, met name door het wettelijke minimum van 40 euro. Bij kleinere bedragen leidt dit tot een hoge kostenratio. Deze leden wijzen erop dat bij reguliere leningen doorgaans wordt gewerkt met een systematiek van vertragingsrente, die proportioneel als percentage van de openstaande schuld oploopt. De leden vragen in hoeverre het gerechtvaardigd is om bij BNPL in plaats daarvan of hierboven vaste incassokosten in rekening te brengen. Deze leden vragen of het mogelijk is om primair aan te sluiten bij een systematiek van vertragingsrente in plaats van vaste incassokostencomponenten.
Voor «koop nu, betaal later» geldt vanaf inwerkingtreding van de implementatiewet een maximale vertragingsvergoeding van EUR 20,– per aanmaning tot een maximum van EUR 60,– per kalenderjaar. Hiermee wordt voorkomen dat consumenten in de toekomst worden geconfronteerd met hoge niet-nakomingskosten bij een aanvankelijk kleine openstaande schuld. Het berekenen van dubbele incassokosten, dus een «kredietvergoeding» voor incassoactiviteiten én incassokosten op grond van het Besluit buitengerechtelijke incassokosten (BIK) is niet toegestaan. De vertragingsrente gaat uit van krediet waarbij rente wordt gerekend. Deze reguliere systematiek past minder goed bij de incassokosten die een aanbieder bij «koop nu, betaal later»-diensten in rekening brengt.
Daarnaast uiten deze leden de zorg dat het toestaan van incassokosten een prikkel kan vormen voor aanbieders om krediet te verstrekken aan hoog-risicoklanten, omdat kosten bij wanbetaling kunnen worden doorbelast. Deze leden vragen of de regering deze zorgen herkent en welke maatregelen worden overwogen om dit te voorkomen.
De regering is bekend met deze zorgen over het rekenen van incassokosten als onderdeel van het verdienmodel bij «koop nu, betaal later»-diensten. Als gevolg van de richtlijn dienen aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten onder andere een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren en het BKR te raadplegen. Ook hebben zij een vergunning nodig van de AFM en komen zij onder toezicht te staan. Deze eisen gaan overkreditering van financieel kwetsbare consumenten tegen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er met het voorliggende wetsvoorstel mede wordt ingezet op vroegsignalering. Deze leden vragen of er een beeld is van hoeveel extra signalen hierdoor naar gemeenten zullen gaan en of er overleg met gemeenten heeft plaatsgevonden over de eventuele extra werkdruk die dit met zich mee gaat brengen en of gemeenten dit ook aankunnen/waar kunnen maken.
De aanbieder van krediet heeft de verantwoordelijkheid om ook na het sluiten van de overeenkomst alert te zijn op terugbetalingsproblemen van de consument. De aanbieder is verplicht de consument bij terugbetalingsproblemen door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. In de praktijk betekent dit dat de aanbieder contact opneemt met de consument en de consument doorverwijst naar de gemeente waarin de consument woont. Het is daarna aan de consument om al dan niet contact op te nemen met de schuldhulpverlening voor hulp.
De gemeente is op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) verantwoordelijk voor schuldhulpverlening. Het is niet mogelijk om een inschatting te maken tot hoeveel extra aanmeldingen of hulpvragen dit leidt bij gemeenten. Niet alle consumenten in financiële moeilijkheden zullen zich immers voor hulp wenden tot de gemeente en soms zijn consumenten al gebaat bij (kortstondige) lichte hulp.
Het beleid rondom het oplossen van problematische schulden is er de laatste jaren steeds meer op gericht om te zorgen dat mensen met (mogelijk) problematische schulden sneller in beeld zijn bij gemeenten. In 2024 is door het kabinet, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de branchevereniging voor schuldhulp en financiële hulpverlening (NVVK) de «basisdienstverlening schuldhulpverlening» afgesproken. Invoering van de basisdienstverlening moet ervoor zorgen dat mensen kwalitatieve hulpverlening krijgen en sneller perspectief hebben op een schuldenvrije toekomst. Het Rijk stelt sinds 2024 structureel € 40 miljoen extra beschikbaar aan gemeenten om onder andere de basisdienstverlening te implementeren. De mogelijke extra toestroom aan signalen kan er juist aan bijdragen dat het bereik van schuldhulpverlening wordt verbeterd en meer mensen met problematische schulden geholpen worden. Het is dan ook niet de verwachting dat gemeenten deze potentiële extra toestroom niet zouden aankunnen. Het Ministerie van SZW spreekt op periodieke basis met de NVVK en de VNG over de implementatie van de afspraken basisdienstverlening en mogelijke knelpunten daarbij.
Deze leden vragen of de regering aanbieders van BNPL kan oproepen om, aanvullend op de wettelijke vereisten, een vrijwillig koopstopregister in te stellen voor consumenten die zichzelf willen beschermen. Deze leden vragen of de regering hierover in gesprek is met BNPL-aanbieders en wat de actuele stand van zaken is.
Binnen de sector zijn al initiatieven ontwikkeld om zelfuitsluiting van achteraf betalen mogelijk te maken en dit wordt door de betrokken ministeries besproken met de aanbieders. Zo beschikt de «koop nu, betaal later»-aanbieder Billink over een zogenoemd «Schulden Preventie Register», dat voorziet in de mogelijkheid tot individuele zelfuitsluiting, zowel op verzoek van de consument als op verzoek van een hulpverlener. «Koop nu, betaal later»-aanbieders Riverty, Klarna en in3 hebben aangegeven positief te staan tegenover deelname aan dit register en zijn hierover in gesprek met Billink. Klarna beschikt daarnaast al over een eigen opt-outfunctionaliteit, waarmee consumenten via de Klarna-app kunnen kiezen om geen gebruik (meer) te maken van de kredietproducten «Betaal binnen 30 dagen» of «Betaal in 3 delen» en alleen de optie «Betaal nu» mogelijk blijft. De regering heeft uw Kamer hierover geïnformeerd in de brief van 2 april 2026. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen sindsdien.
De leden van D66-fractie steunen het verbod op het aanbieden van uitstel van betaling aan minderjarigen. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat aanbieders over adequate processen dienen te beschikken om de leeftijd van de consument vast te stellen. Welke verificatiemethoden volstaan als adequaat proces? Hoe wordt voorkomen, en omgegaan met, gevallen waarbij een minderjarige gebruik maakt van een account op naam van een meerderjarige? Kan hier een bepaalde aansprakelijkheid af worden gedwongen bij de aanbieder?
Het is aan marktpartijen om (al dan niet) in samenspraak met de AFM te kiezen voor een geschikte methode van leeftijdsverificatie. De verificatiemethode wordt niet wettelijk voorgeschreven. Verificatie van de leeftijd dient in ieder geval plaats te vinden aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bronnen, bijvoorbeeld een kopie paspoort of een koppeling met een bank. De AFM houdt toezicht en kan in geval van niet-naleving handhavend optreden. In de situatie waarin een minderjarige een account gebruikt op naam van een meerderjarige geldt dat het de verantwoordelijkheid is van de betrokken meerderjarige om zijn accountgegevens te beschermen.
De leden van de D66-fractie lezen dat in artikel 7:68a BW de verplichting wordt opgenomen voor de kredietgever om consumenten in financiële moeilijkheden door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. Deze leden zijn benieuwd of hier verdere eisen aan worden gesteld, dan wel kunnen worden gesteld. Onder welke omstandigheden moet een kredietgever overgaan tot verwijzing en aan welke eisen dient een dergelijke verwijzing te voldoen?
Op grond van de richtlijn dienen kredietgevers de consument bij financiële moeilijkheden door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. Dat kan een bericht zijn, gericht aan de consument, om bij financiële moeilijkheden aan te kloppen bij de gemeente. Er worden geen verdere eisen gesteld. Wel volgt uit de bepaling dat de consument dient te worden benaderd op het moment van signalering van financiële moeilijkheden. Algemene communicatie op het moment van aangaan van de kredietovereenkomst volstaat niet. In de memorie van toelichting is daarom verduidelijkt dat de kredietgever in de praktijk contact op moet nemen met de consument en deze moet doorverwijzen naar de gemeente waar de consument woont. De gemeente is op grond van de Wgs verantwoordelijk voor schuldhulpverlening.
Er is bewust aangesloten bij de brede term financiële moeilijkheden. Zo is het aan de aanbieder om signalen te duiden die hierop kunnen wijzen. Bijvoorbeeld als een consument ook na herinneringen een achterstand blijft houden, of als een consument vraagt om een limietverhoging terwijl de betaalhistorie achterstanden kent. Dit zijn slechts enkele voorbeelden die tot doorverwijzing kunnen leiden.
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe bij de implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet rekening is gehouden met de samenhang met andere Europese richtlijnen op het terrein van de energietransitie, waaronder de Energy Efficiency Directive (EED) en de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Deze leden wijzen erop dat in Europees verband expliciet wordt opgeroepen juridische obstakels voor energieprestatiecontracten weg te nemen teneinde investeringen in woningverduurzaming mogelijk te maken.
Artikel 17 van de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) bepaalt dat lidstaten moeten voorzien in passende financiering, ondersteunende maatregelen en andere instrumenten waarmee marktbelemmeringen kunnen worden aangepakt om ervoor te zorgen dat de nodige investeringen worden gedaan met het oog op de transformatie van het nationale gebouwenbestand tot emissievrije gebouwen tegen 2050. De EPBD schrijft niet een bepaalde financieringsvorm of instrument voor om investeringen in verduurzaming te stimuleren. Op dit moment kunnen consumenten op verschillende manieren verduurzamingsmaatregelen financieren. Bijvoorbeeld door het verhogen van de hypotheek. Op grond van de Tijdelijke Regeling hypothecair krediet kan voor het verduurzamen van een woning en voor het treffen van energiebesparende maatregelen meer worden geleend. Verder kan de consument verduurzamingsmaatregelen financieren via een consumptief krediet, een lening bij het Nationaal Warmtefonds of via het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn gemeentelijke of nationale subsidies beschikbaar. Derhalve zijn er reeds meerdere financieringsmogelijkheden voor consumenten om hun woning te verduurzamen.
Deze leden constateren dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontracten in Nederland momenteel nauwelijks van de grond komen doordat de AFM dergelijke constructies interpreteert als persoonsgebonden consumentenkrediet onder de Wet op het financieel toezicht (Wft). Deze leden vragen of de regering onderschrijft dat hierdoor onzekerheid ontstaat voor investeerders, aanbieders en woningeigenaren, waardoor innovatieve verduurzamingsconstructies worden belemmerd.
Gebouwgebonden verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontracten waarbij energiebesparende maatregelen worden betaald uit de te verwachte energiebesparing kwalificeren als consumptief krediet aangezien sprake is van het verstrekken van een geldsom aan de consument voor het genot van een roerende zaak (bijvoorbeeld zonnepanelen) tegen een of meer betalingen. Derhalve dient altijd een kredietwaardigheidstoets te worden uitgevoerd. Innovatieve verduurzamingsconstructies zouden hierdoor niet hoeven te worden belemmerd omdat duidelijk is dat voor bovengenoemde verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontracten een vergunning bij de AFM dient te worden aangevraagd.
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat gebouwgebonden energieprestatiecontracten zich juist onderscheiden van reguliere consumptieve kredietvormen doordat kosten, verantwoordelijkheden en prestaties gekoppeld zijn aan de woning in plaats van uitsluitend aan de persoon van de eigenaar. Bij verkoop van de woning gaan de afspraken over op de volgende eigenaar, vergelijkbaar met bijvoorbeeld een warmteaansluiting of verplichtingen binnen een VvE. Kan de regering reflecteren op deze vergelijking en uiteenzetten in hoeverre deze kenmerken volgens hen aanleiding geven tot een andere juridische beoordeling dan regulier consumentenkrediet?
Bij gebouwgebonden verduurzamingsdiensten/financiering gaat de lening bij verkoop van de woning in principe over op de volgende woningeigenaar. De volgende woningeigenaar dient wel de lasten van hypotheek en de gebouwgebonden financiering te kunnen dragen. Verkoper en koper kunnen ook overeenkomen dat de verkoper de openstaande lening aflost of dat de koper deze lening herfinanciert met de hypotheek. In het laatste geval zal een hypotheekverstrekker een kredietwaardigheidstoets uitvoeren en beoordelen of de hypotheek verantwoord is voor de consument.
Deze leden vragen de regering voorts of is onderzocht of binnen de implementatieruimte van Richtlijn (EU) 2023/2225 expliciet kan worden verduidelijkt dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten, mits voldaan wordt aan vooraf vastgelegde voorwaarden rondom transparantie en consumentenbescherming, buiten de reikwijdte van de Wft en titel 2A van Boek 7 van het BW kunnen vallen. Indien dit niet mogelijk wordt geacht, verzoeken deze leden de regering om uiteen te zetten welke juridische belemmeringen daarvoor bestaan.
Bij brief van 18 november 2022 heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toegezegd om gebouwgebonden financiering mogelijk te maken via een juridische constructie die gebruikmaakt van een uitzondering beschreven in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel a, van de Wft.7 Om van de uitzondering in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel a, gebruik te maken, dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: (1) het krediet dient krachtens een wettelijke bepaling te worden aangeboden aan een beperkt publiek, (2) met een doelstelling van algemeen belang, (3) tegen een lagere rente dan op de markt gebruikelijk of een rente die niet hoger is dan de marktrente en onder gunstigere voorwaarden. In de brief aan de Tweede Kamer is daarnaast aangegeven dat de financiering dient plaats te vinden op basis van een woonlastenimpacttoets en de consumentenbescherming gelijkwaardig dient te zijn aan de bescherming bij reguliere kredietverlening. Adviesbureau KPMG is gevraagd om een adviesrapport op te stellen dat de uitgangspunten uitwerkt voor gebouwgebonden financiering. Dit rapport zal voor de zomer gedeeld worden met de Tweede Kamer. Een reactie op dit rapport zal na de zomer naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe de regering voorkomt dat de implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet onbedoeld leidt tot extra barrières voor verduurzaming van particuliere woningen. Deze leden wijzen erop dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten juist kansen kunnen bieden voor huishoudens die onvoldoende middelen hebben om zelf grote investeringen in isolatie of warmtepompen te financieren en daarmee tevens kunnen bijdragen aan het verminderen van energiearmoede.
Met de nieuwe regels wil de regering overkreditering als gevolg van consumptief krediet voorkomen. Dit is ook van belang als een consumptief krediet wordt gebruikt voor verduurzaming van de woning. Daarnaast zijn er buiten (de regels voor) consumptief krediet verschillende mogelijkheden voor consumenten om verduurzamingsmaatregelen te financieren, zoals het verhogen van de hypotheek, een lening via het Nationaal Warmtefonds (ook voor consumenten die op grond van de leennormen niet in aanmerking komen voor een lening) en verschillende subsidies.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie op dit punt of de regering bereid is om gezamenlijk met de Ministeries van Klimaat en Groene Groei en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening nader te bezien of aanvullende wettelijke verduidelijking noodzakelijk is om gebouwgebonden financiering en energieprestatiecontracten beter mogelijk te maken.
De regering zal bezien of verduidelijking noodzakelijk is om gebouwgebonden financiering en energieprestatiecontracten beter mogelijk te maken. Het eerdergenoemde rapport van KPMG over de gebouwgebonden financiering zal hierbij worden betrokken. Een reactie op dit rapport zal na de zomer naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van maatregelen tegen overkreditering en problematische schulden. Deze leden constateren echter dat het wetsvoorstel verschillende kredietvormen onder hetzelfde regime brengt, terwijl de risico’s tussen producten aanzienlijk kunnen verschillen. Kan de regering toelichten hoe wordt gewaarborgd dat onderscheid blijft bestaan tussen langlopende kredieten met een hoger risicoprofiel en kortlopende betaalfaciliteiten met een beperkt risico? Op welke wijze wordt voorkomen dat de regelgeving disproportioneel uitwerkt voor kleine en alledaagse transacties?
De richtlijn voorziet in een proportionaliteitstoets die toegepast dient te worden door de aanbieder van krediet waarbij de omvang van de toets afhangt van onder andere de omvang en duur van de overeenkomst. Deze proportionaliteit is ook ingebed in de open norm die geldt voor het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling in de implementatiewet. Het is aan aanbieders om deze norm passend in te vullen, waardoor er wel degelijk onderscheid gemaakt kan worden in de omvang van de beoordeling afhankelijk van het type krediet. Daarbij kunnen aanbieders zich aansluiten bij de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN, die momenteel in het kader van de richtlijn worden herzien in samenspraak met de AFM en het Ministerie van Financiën. In het kader van proportionaliteit is in het implementatiebesluit een € 100-grens opgenomen waaronder slechts een beperkte toets hoeft plaats te vinden.
Ook voor kleine, kortlopende kredieten in de vorm van uitgestelde betaling geldt dat aanbieders ruimte hebben voor inrichting van een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling om zo de balans te vinden tussen het voorkomen van overkreditering en bescherming van de consument, zonder dat dit gepaard gaat met disproportionele (administratieve) belemmeringen.
De leden van de VVD-fractie maken zich dan ook zorgen over de brede reikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat mogelijk ook telecomdiensten, parkeerapps, mobiliteitsdiensten en andere vormen van dagelijks uitgesteld betalen geraakt kunnen worden door de nieuwe regelgeving. Kan de regering verduidelijken welke diensten precies onder het toepassingsbereik vallen? Hoe wordt voorkomen dat gebruikelijke maandfacturatie of praktische betaaloplossingen onbedoeld onder zware kredietregelgeving komen te vallen?
Met de implementatiewet worden alle vormen van uitstel van betaling gereguleerd als krediet, tenzij er sprake is van een uitzondering. Uit overweging 17 van de preambule van de richtlijn volgt dat het niet de bedoeling is geweest in het Europese wetgevingsproces om alle vormen van uitstel van betaling onder het toepassingsbereik van de richtlijn te plaatsen. Denk hierbij aan gangbare handelspraktijken die ook gunstig zijn voor de consument. Dit zijn gevallen, waarbij de leverancier van roerende zaken of de dienstverlener, zonder een derde partij die krediet aanbiedt of overkoopt, de consument tijd geeft om voor een goed of dienst te betalen, de betaling volledig moet worden verricht binnen een beperkte termijn van 14 of 50 dagen na de levering van de roerende zaak of de verlening van de dienst, zonder rente of andere kosten, met uitzondering van beperkte kosten voor betalingsachterstand overeenkomstig het nationale recht.8 Deze uitzondering volgt dwingend uit artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn.
Het gaat bijvoorbeeld om een meubelzaak, waarbij na levering wordt gefactureerd en een loodgieter waarbij na het verrichten van de diensten een factuur wordt gestuurd waarbij de consument veelal binnen 14 of 30 dagen dient te betalen. Betaling op factuur geschiedt momenteel op grote schaal en er zijn geen misstanden binnen deze praktijk bekend. De regering wil zo veel mogelijk het normale handelsverkeer ontlasten waar geen of slechts een beperkt risico is op het ontstaan van problematische schulden. Daarom wordt op dit punt aangesloten bij het toepassingsbereik zoals voorgeschreven door de richtlijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel nieuwe uitzonderingen toevoegt voor «koop nu, betaal later»-diensten. Een eerste uitzondering betreft MKB-ondernemingen die uit worden gezonderd van het toepassingsgebied van de Wft als de leverancier of dienstverlener van de betreffende zaak of dienst zélf uitstel van betaling verleent. Deze leden vragen of de regering nader kan duiden welke MKB-ondernemingen nu zelf uitstel van betaling verlenen, op welke schaal dit gebeurt en of de regering op de hoogte is van misstanden binnen deze praktijk. Kan deze uitzondering leiden tot een verschuiving van «koop nu, betaal later»-diensten? Waarom wordt er niet gekozen voor het harmoniseren door alle aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten onder de Wft te brengen?
Mkb-ondernemingen die zelf uitstel van betaling verlenen zijn bijvoorbeeld de hierboven genoemde meubelzaak, waarbij na levering wordt gefactureerd en een loodgieter waarbij na het verrichten van de diensten een factuur wordt gestuurd waarbij de consument veelal binnen 14 of 30 dagen dient te betalen. Betaling op factuur geschiedt momenteel op grote schaal en er zijn geen misstanden binnen deze praktijk bekend. De regering wil zo veel mogelijk het normale handelsverkeer ontlasten waar geen of slechts een beperkt risico is op het ontstaan van problematische schulden. Daarom wordt op dit punt aangesloten bij het toepassingsbereik zoals voorgeschreven door de richtlijn. Een mogelijke verschuiving van «koop nu, betaal later»-diensten wordt in beperkte mate verwacht, namelijk dat ondernemingen mogelijk hun betalingstermijn naar 14 dagen inkorten, om zo binnen de uitzondering te blijven.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State opmerkt dat bij onderdelen zoals het verbod op krediet aan minderjarigen onvoldoende blijkt hoe deze zich verhouden tot de CCDII. Kan de regering per onderdeel dat niet direct voortvloeit uit de richtlijn – zoals het specifieke verbod op uitstel van betaling voor minderjarigen – expliciet motiveren waarom dit noodzakelijk wordt geacht, terwijl de Raad van State vraagtekens zet bij de juridische basis hiervan?
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is in de memorie van toelichting verduidelijkt hoe het verbod op krediet aan minderjarigen zich verhoudt tot de richtlijn en dat dit is gegrond op artikel 6 van de richtlijn. Dit artikel maakt het mogelijk om onderscheid te maken bij toegang tot krediet, indien de verschillende voorwaarden voor toegang tot krediet (zoals het hebben van een bepaalde leeftijd) door objectieve criteria worden gerechtvaardigd. In het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State zet zij geen (verdere) vraagtekens bij de juridische basis van onderdelen van de implementatiewet. In de implementatiewet staan ook geen onderdelen zonder basis in de richtlijn.
Naar aanleiding van het verslag van het gesprek dat de wetgevingsrapporteurs hebben gevoerd met de AFM, merken de leden van de PVV-fractie op dat de regering heeft besloten betaalkaarten met uitgestelde debitering niet buiten het toepassingsgebied van de richtlijn te plaatsen. Kan de regering toelichten waarom hier niet is gekozen voor de lidstaatoptie om deze buiten de scope te laten, aangezien de AFM zelf aangeeft dat deze kredietvorm momenteel niet tot veel problemen leidt? Ziet de regering in dat dit wederom een verzwaring van de regeldruk is die niet strikt noodzakelijk is vanuit de richtlijn?
Het uitzonderen van kaarten met uitgestelde debitering kan leiden tot onvoldoende en ongelijke consumentenbescherming. Daarnaast wordt er in dat geval een ongelijk speelveld gecreëerd tussen aanbieders van vergelijkbare kortlopende kredietproducten. Een uitzondering voor kaarten met uitgestelde debitering kan tot gevolg hebben dat regulering ontweken wordt indien aanbieders van bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-diensten een kaart met uitgestelde debitering uitbrengen.
De leden van de CDA-fractie waarderen dat aanbieders worden verplicht om vroegtijdig betalingsproblemen bij consumenten te signaleren en dat dit wordt verankerd in artikel 4:35b Wft. Tegelijkertijd vragen deze leden hoe deze verplichting in de praktijk concreet wordt ingevuld door aanbieders.
Enerzijds dient de aanbieder beleid en processen te hebben inzake het doorverwijzen naar schuldadviesdiensten. Daarnaast is er de plicht tot doorverwijzing naar schuldadviesdiensten. Op beide elementen kan de AFM toezicht houden.
Daarnaast vragen deze leden in hoeverre wordt voorkomen dat deze signaleringsverplichting verwordt tot louter «afvinkgedrag» door aanbieders. Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat signalering van betalingsproblemen niet slechts formeel wordt ingericht, maar daadwerkelijk leidt tot tijdige interventie richting consumenten. Ook vragen zij op welke wijze de toezichthouder toezicht houdt op de effectiviteit van deze verplichting in plaats van uitsluitend op de procedurele naleving.
Op grond van overweging 81 van de preambule van de richtlijn hebben kredietgevers een rol te spelen bij het voorkomen van overmatige schuldenlast door consumenten die financiële moeilijkheden ondervinden, vroegtijdig op te sporen en te ondersteunen. Die ondersteuning wordt nader ingevuld door de richtlijn en behelst onder andere doorverwijzing naar schuldadviesdiensten en het treffen van respijtmaatregelen. Een aanbieder dient processen in te richten voor vroegtijdige signalering van consumenten die financiële moeilijkheden ondervinden, ook wel «preventief beheer» genoemd, en daarvoor beleid op te stellen. Dit betreft de fase voordat er sprake is van een betalingsachterstand en hierbij dient de aanbieder zich in te spannen om zoveel mogelijk betalingsachterstanden te voorkomen of beperken. Als een aanbieder problemen signaleert, zal hij ook actie moeten ondernemen om achterstanden te voorkomen, door bijvoorbeeld contact op te nemen en/of respijtmaatregelen aan te bieden afhankelijk van het beleid. Samen met de consument moet de aanbieder dus eerst op zoek naar een oplossing. Ook is doorverwijzing naar schuldadviesdiensten aan de orde. De AFM houdt toezicht op deze verplichtingen en heeft haar verwachtingen ten aanzien van achterstandsbeheer en preventief beheer al eerder kenbaar gemaakt in de Leidraad Consumenten en Incassotrajecten. Deze nieuwe verplichting geeft de AFM een extra waarborg om eisen te stellen aan vroegsignalering door aanbieders. De AFM kan deze verplichting betrekken in haar toezicht en onderzoek en waar nodig toezichtmaatregelen nemen, indien de vroegsignalering te beperkt is ingericht.
De leden van de JA21-fractie hebben vragen over de proportionaliteit van de gekozen reikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden begrijpen dat de herziene richtlijn beoogt consumenten beter te beschermen tegen problematische schulden, maar vragen of de gekozen implementatie voldoende onderscheid maakt tussen wezenlijk verschillende vormen van kredietverlening. Doorlopende consumptief kredieten, creditcards, kaarten met uitgestelde debitering, achteraf-betalingen bij een webshop en korte betalingstermijnen bij een dienstverlener kennen niet hetzelfde risicoprofiel. Kan de regering toelichten of en hoe bij de implementatie per kredietvorm en per maatregel is gewogen of de verplichting proportioneel is?
De richtlijn voorziet in geharmoniseerde regels over krediet en bevat slechts zeer beperkt bepalingen die toegespitst zijn op de verschillende vormen van kredietverlening. In de implementatiewet is dan ook beperkte ruimte om onderscheid te maken tussen de verschillende vormen van kredietverlening. Wel is bijvoorbeeld gebruik gemaakt van een aantal lidstaatopties om zo proportionaliteit toe te passen waar mogelijk. Een voorbeeld is de lidstaatoptie uit artikel 2, vierde lid, aanhef en b, van de richtlijn, die lidstaten de ruimte biedt om kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding9 uit te zonderen van de verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling. Ook is gebruik gemaakt van de lidstaatoptie uit artikel 2, achtste lid, van de richtlijn waardoor een aantal precontractuele informatieverplichtingen niet gelden voor i) kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan € 200, (ii) kredietovereenkomsten waarbij krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend of (iii) kredietovereenkomsten waarbij krediet binnen drie maanden moet worden afgelost en waarbij slechts onbetekenende kosten verschuldigd zijn. Verschillende vormen van krediet die nu voor het eerst onder de richtlijn zijn gebracht kennen inderdaad een ander risicoprofiel dan bijvoorbeeld een persoonlijke lening. Het belangrijkste thema waarin de richtlijn en dus ook de implementatiewet differentieert is de kredietwaardigheidsbeoordeling. Deze is immers afhankelijk van onder andere de omvang en duur van de overeenkomst. Er geldt een open norm voor het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Er geldt geen door de wetgever vastgesteld regime voor elke kredietsoort. Aanbieders kunnen zich aansluiten bij de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN, die momenteel in het kader van de richtlijn worden herzien voor nieuwe kortlopende kredietvormen, in samenspraak met de AFM en het Ministerie van Financiën.
Deze leden vragen in het bijzonder aandacht voor achteraf-betalingsconstructies bij derden. Kan de regering bevestigen of de voorgestelde reikwijdte ook situaties kan raken waarin geen sprake is van een klassiek kredietproduct, maar van een praktische betaaltermijn of betaalregeling, zoals bij parkeerapps, facturen voor onverzekerde zorg of andere dienstverlening waarbij betaling achteraf plaatsvindt? Acht de regering het wenselijk dat dergelijke situaties onder hetzelfde regime kunnen vallen als commerciële kredietverlening? Zo nee, hoe wordt dit in de wet of lagere regelgeving uitgesloten?
Met de implementatiewet worden alle vormen van uitstel van betaling gereguleerd als krediet, tenzij er sprake is van een uitzondering. De richtlijntekst is uiteindelijk leidend. Uit overweging 17 van de preambule van de richtlijn volgt dat het niet de bedoeling is geweest in het Europese wetgevingsproces om alle vormen van uitstel van betaling onder het toepassingsbereik van de richtlijn te plaatsen. De regering vindt het ook onwenselijk dat deze situaties onder hetzelfde regime vallen van commerciële kredietverlening. Denk hierbij aan gangbare handelspraktijken die ook gunstig zijn voor de consument. Dit zijn gevallen waarbij de leverancier van de goederen of de dienstverlener de consument tijd geeft om voor een goed of dienst te betalen zonder rente of andere kosten, met uitzondering van beperkte kosten voor betalingsachterstand overeenkomstig het nationale recht. Deze gevallen zijn uitgezonderd indien er geen derde partij is, zoals bij «koop nu, betaal later»-regelingen, die krediet aanbiedt voor het goed of de dienst en de betaling volledig moet worden verricht binnen een beperkte termijn van 14 of 50 dagen na de levering van het goed of de verlening van de dienst. Het is de verantwoordelijkheid van de aanbieder om te controleren of de producten of diensten onder het toepassingsbereik vallen.
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat Duitsland kennelijk een pragmatische benadering hanteert waarbij betalingstermijnen korter dan 14 dagen niet als krediet, maar als betaalregeling worden beschouwd. Is de regering bereid een vergelijkbare benadering te hanteren, zodat kortlopende betaaltermijnen met een beperkt risico niet onnodig onder een zwaar regime komen te vallen terwijl dat in omringende landen niet hoeft? Hoe weegt de regering dit in het licht van het gelijke speelveld binnen de interne markt?
In Nederland geldt hetzelfde regime als in Duitsland wat betreft uitgestelde betaling met een termijn van korter dan veertien dagen, omdat dit volgt uit de richtlijn. In de richtlijn worden bepaalde vormen van uitstel van betaling uitgezonderd van het toepassingsbereik. Het gaat onder andere om uitstel van betaling verleend door een mkb-onderneming of door een grootbedrijf met een fysieke winkel onder de voorwaarden dat binnen 50 dagen de betaling volledig moet zijn verricht en er geen rente of andere kosten worden gerekend (met uitzondering van redelijke kosten bij niet-nakoming). Een andere uitzondering is uitstel van betaling verleend door een grote webwinkel onder de voorwaarden dat binnen 14 dagen de betaling volledig moet zijn verricht, er geen rente of andere kosten worden gerekend (met uitzondering van redelijke kosten bij niet-nakoming) en er geen factoring plaatsvindt, dat wil zeggen dat de betalingsvordering niet wordt overgedragen aan een derde partij. De genoemde uitzondering voor kredieten korter dan 14 dagen volgt dus uit de richtlijn en is ook zo opgenomen in de implementatiewet, waarbij wel de genoemde voorwaarden gelden om buiten het toepassingsbereik te vallen. Op dit punt is sprake van een gelijk speelveld. In de implementatiewet is wel, aanvullend op de richtlijn, krediet in de vorm van uitgestelde betaling binnen het toepassingsbereik van de wetgeving gebracht waar het gaat om uitstel van betaling verstrekt door een platform, zoals een grote online webshop die zelf uitstel van betaling aanbiedt voor eigen producten, maar ook voor derde leveranciers. Voor de platforms geldt dezelfde uitzondering voor kredieten korter dan 14 dagen. Dit is ook schematisch weergegeven op blz. 66 van de memorie van toelichting en conform de richtlijn.
Deze leden vragen of de regering voldoende onderscheid maakt tussen BNPL-producten enerzijds en creditcards en andere betaalproducten anderzijds. Kan de regering toelichten waarom producten met aantoonbaar verschillende risicoprofielen op onderdelen toch gelijk worden behandeld? Acht de regering het proportioneel dat betaalproducten waarbij de consument doorgaans iedere maand volledig afrekent of waarbij reeds bestaande waarborgen gelden onder dezelfde verplichtingen komen te vallen?
In de implementatiewet is geen onderscheid gemaakt tussen «koop nu, betaal later»-producten en kaarten met uitgestelde debitering. De twee producten kennen op dit moment andere achterstandcijfers. Dat komt waarschijnlijk doordat aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering een strenger afwijzingsbeleid voeren en online betalen met «koop nu, betaal later» in recente jaren een opmars heeft gemaakt. Dat betekent niet dat het risicoprofiel in alle gevallen anders is. In beide gevallen gaat het immers om uitstel van betaling voor de aankoop van producten of diensten. Het is de verwachting dat het onderscheid tussen deze aanbieders zal gaan vervagen en dat ook huidige «koop nu, betaal later»-aanbieders kaarten met uitgestelde debitering gaan aanbieden. De regering vindt het daarom niet gewenst om een onderscheid tussen die kredietvormen te maken, zowel vanuit het belang van een gelijk speelveld als voor de bescherming van de consument.
De leden van de fractie van JA21 hebben vragen over de wijze waarop de kredietwaardigheidsbeoordeling in het wetsvoorstel wordt ingevuld. Deze leden juichen toe dat in het wetsvoorstel een proportionaliteitsvereiste is opgenomen, maar vragen of de concrete uitwerking daar voldoende bij aansluit. Kan de regering toelichten hoe het proportionaliteitsvereiste in de praktijk moet worden toegepast bij verschillende kredietbedragen, looptijden en producttypen?
De concrete uitwerking is aan de aanbieder zelf en vindt daarnaast plaats in nieuwe Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN. Op dit moment worden de leennormen herzien om ook nieuwe vormen van krediet, zoals kortlopende kredieten daarin op te nemen. De leennormen komen tot stand in samenspraak met de sector, de AFM en het Ministerie van Financiën. De AFM houdt toezicht op de toepassing van het proportionaliteitsvereiste. De AFM communiceert aan de sector wat de randvoorwaarden zijn om een proportionele krediettoets in te richten. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van nadere regels die zijn gesteld in lagere regelgeving.
Deze leden lezen dat kredietaanbieders inkomsten- en uitgavengegevens moeten betrekken bij iedere kredietwaardigheidsbeoordeling. Deze leden vragen of dit betekent dat bij iedere transactie, ongeacht het bedrag of het risico, gegevens over inkomsten en uitgaven moeten worden verzameld. Acht de regering het proportioneel dat een consument voor een beperkte betaalfaciliteit of een kleine aankoop gevoelige financiële gegevens moet delen, terwijl het risico voor consument en kredietgever beperkt kan zijn?
De richtlijn schrijft voor dat voorafgaand aan elk krediet een kredietwaardigheidsbeoordeling wordt uitgevoerd op basis van relevante en nauwkeurige informatie over het inkomen en de uitgaven van de consument en andere financiële en economische omstandigheden, die noodzakelijk is en evenredig met de aard, duur, waarde en risico's van het krediet voor de consument. Het is dan ook onvermijdelijk dat gegevens van de consument ook voor kleine kredieten worden opgevraagd. Het is echter voor aanbieders op basis van deze norm wel mogelijk om proportionaliteit toe te passen in de omvang van deze kredietwaardigheidsbeoordeling. Bij een klein krediet met een relatief laag risico betekent dit, dat volstaan kan worden met minder gegevens. Indien het passend is naar de omstandigheden, hoeven voor een kredietwaardigheidsbeoordeling dus niet altijd inkomsten- of uitgaveninformatie te worden opgevraagd. Bij hele kleine kredieten in de vorm van uitgestelde betaling is dat voorstelbaar. Indien informatie over inkomsten en lasten van de consument wel noodzakelijk is om een passende kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, dient dit wel te worden opgevraagd en geverifieerd. In het kader van proportionaliteit is in het implementatiebesluit een € 100-grens opgenomen waaronder slechts een beperkte toets hoeft plaats te vinden.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is om meer ruimte te bieden voor een risicogebaseerde invulling van de kredietwaardigheidsbeoordeling zonder afbreuk te doen aan effectieve bescherming tegen overkreditering, met name bij kwetsbare consumenten en jongeren. Kan de regering ingaan op een model waarbij voor lage kredietbedragen een klantverklaring kan volstaan, voor een middencategorie beperkte verificatie kan plaatsvinden, bijvoorbeeld met een recente loonstrook, en pas bij hogere bedragen of verhoogde risico’s een volledige beoordeling op basis van inkomsten- en uitgavengegevens noodzakelijk is? Is de regering bereid een dergelijke differentiatie in te passen?
De richtlijn schrijft een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling voor, juist omdat daarmee in de praktijk een balans kan worden gevonden tussen de bescherming van de consument tegen overkreditering en een doenlijke beoordeling. De risicogebaseerde invulling zal in de praktijk door de aanbieder zelf dan wel in de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN worden uitgewerkt. In het kader van proportionaliteit is in het implementatiebesluit een € 100-grens opgenomen waaronder slechts een beperkte toets hoeft plaats te vinden.
Deze leden vragen voorts of in kaart is gebracht wat het effect is op consumenten die vanwege privacyzorgen afzien van een aankoop of betaalfaciliteit wanneer zij voor relatief beperkte transacties inkomens- en uitgavengegevens moeten delen. Is onderzocht of deze verplichtingen zullen leiden tot minder gebruik van gereguleerde betaalfaciliteiten of uitwijk naar minder transparante alternatieven?
Met de proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling dient er een balans gevonden te worden tussen de bescherming van de consument tegen overkreditering en dataminimalisatie. Indien een consument dit punt van privacy bezwaarlijk vindt, bijvoorbeeld in het kader van een aankoop van kleding door middel van «koop nu, betaal later», dan staat het de consument vrij om via een andere wijze de aankoop te voltooien, bijvoorbeeld door middel van een directe overboeking. Een mogelijk effect is dat consumenten in mindere mate gebruik zullen maken van dit soort diensten. Op dit moment is er nog geen uitwijkrisico in beeld, in de zin van ongereguleerde alternatieven voor deze gereguleerde producten.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe volledig geautomatiseerde besluitvorming binnen de kredietwaardigheidsbeoordeling wordt beoordeeld. In hoeverre staat het wetsvoorstel toe dat kredietaanvragen volledig geautomatiseerd worden goedgekeurd of afgewezen? Welke waarborgen gelden voor consumenten bij een negatieve uitkomst en wanneer bestaat recht op menselijke tussenkomst, uitleg of herbeoordeling?
De regels voor geautomatiseerde besluitvorming volgen uit de AVG en de Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie (AI-verordening) en vallen dus buiten het regelgevend kader van de richtlijn en de implementatiewet.
Wel volgt uit artikel 18, achtste lid, van de richtlijn dat het aanbieders van krediet is toegestaan dat de kredietwaardigheidsbeoordeling het gebruik van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens omvat. Als de kredietaanvraag wordt afgewezen, dient de aanbieder van krediet de consument onverwijld in kennis te stellen van de afwijzing en, indien van toepassing, de consument door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. De aanbieder moet de consument onverwijld in kennis stellen van het feit dat de beoordeling van de kredietwaardigheid is gebaseerd op geautomatiseerde verwerking van gegevens, van het recht van de consument op een menselijke beoordeling en van de procedure om de beslissing aan te vechten. Het recht op menselijke tussenkomst, uitleg en herbeoordeling bestaat in alle gevallen. De richtlijn schrijft voor dat een consument daarbij het recht heeft op een zinvolle, begrijpelijke toelichting van de verrichte beoordeling en van de werking van de gebruikte geautomatiseerde verwerking, met inbegrip van de belangrijkste variabelen, de logica en de risico's die daarbij komen kijken, en het recht om hun standpunt kenbaar te maken en om herziening te vragen van de kredietwaardigheidsbeoordeling en van het besluit om al dan niet krediet te verlenen. Ook moet de consument geïnformeerd worden over de rechten die hij heeft nadat hij naar behoren informatie heeft ontvangen over de te volgen procedure.
Deze leden wijzen erop dat de voorgestelde kredietwaardigheidsbeoordeling kan leiden tot meer verzameling en verwerking van gevoelige financiële gegevens. Gelet op de recente zorgen over datalekken vragen deze leden welke aanvullende waarborgen gelden voor de beveiliging van deze gegevens. Hoe voorkomt de regering dat wetgeving die aanbieders verplicht tot meer gegevensverzameling, tegelijkertijd het risico vergroot dat consumenten slachtoffer worden van datalekken of misbruik van financiële persoonsgegevens?
Door de in de wet ingebedde proportionaliteitsnorm bij de kredietwaardigheidsbeoordeling zullen aanbieders van krediet naar verwachting niet meer informatie opvragen van de consument dan nodig is. Daarbij heeft de AP op grond van de AVG de taak om toezicht te houden op de naleving van de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens. Uit de richtlijn volgen geen specifieke waarborgen ten aanzien van de beveiliging van deze gegevens.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Nederlandse invulling van de kredietwaardigheidsbeoordeling zich verhoudt tot de implementatie in omringende landen. Kan de regering toelichten of Nederland op dit punt strenger implementeert dan Duitsland en België? Is de regering bereid zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij ons omringende landen, mede met het oog op het gelijke speelveld en het Nederlandse investeringsklimaat?
Elke lidstaat zal de richtlijn inpassen in de bestaande nationale systematiek van regels die consumenten onder meer moeten beschermen tegen overkreditering, het voorkomen van schuldenproblematiek en onevenredige incassokosten. Deze regels zijn breder dan enkel de regels die deze richtlijn voorschrijft, waardoor ook verschillen mogelijk zijn tussen lidstaten. De regering maakt steeds de afweging tussen de nodige mate van consumentenbescherming enerzijds en proportionaliteit ten aanzien van aanbieders anderzijds. Wel geldt voor alle lidstaten een proportionaliteitsnorm ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Ten opzichte van onze buurlanden zijn er enkele overeenkomsten en verschillen ten aanzien van de implementatie van de regels voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. In Duitsland en in Zweden is, net zoals in Nederland, verificatie van de opgevraagde informatie in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling verplicht en deze vindt in Duitsland en Zweden «op een passende wijze» plaats. Niet duidelijk is hoe in Duitsland «op een passende wijze» wordt ingevuld, maar dit zal op grond van de richtlijntekst ook proportioneel zijn. In Zweden is voor de passende wijze van doorslaggevend beland dat de informatie actueel en nauwkeurig is. In België is het implementatiewetsvoorstel in mei jl. aangeboden aan het parlement en is dus nog niet definitief. In het voorstel staat in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling dat de informatie wordt verkregen uit relevante interne of externe bronnen, met inbegrip van de consument. De consument is ertoe gehouden daarop juist en volledig te antwoorden. Hier lijkt een zelfverklaring van de consument voldoende te kunnen zijn in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Daarnaast is raadpleging van een databank in België ook voorgeschreven (de Centrale voor Kredieten aan Particulieren). In Duitsland is geen sprake van een verplichte raadpleging van een stelsel van kredietregistratie. In Nederland is en blijft raadpleging bij het BKR verplicht. Het BKR is waardevol bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van een consument om betalingsproblemen te voorkomen.
De leden van de JA21-fractie lezen dat volledige harmonisatie het uitgangspunt van de richtlijn is en dat lidstaten daar niet van mogen afwijken. In dat kader hebben deze leden een vraag over de uitleg en implementatie van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Kan de regering bevestigen dat artikel 18 van de richtlijn voorschrijft dat een kredietwaardigheidsbeoordeling louter plaats mag vinden bij het sluiten van de kredietovereenkomst en bij een significante verhoging van het totale kredietbedrag? Zo ja, kan de regering dan verduidelijken of de voorliggende wet ruimte biedt om een periodieke herbeoordeling van doorlopende kredieten in lagere wetgeving te verankeren?
Op basis van een nadere analyse van de richtlijn is de verplichting tot een jaarlijkse herbeoordeling in het implementatiebesluit geschrapt. De grondslag voor een dergelijke verplichting ontbreekt namelijk in de richtlijn. In plaats daarvan is de verplichting opgenomen voor de aanbieder om een doorlopend krediet opnieuw te beoordelen indien dit volgt uit zijn actualisatiebeleid. In dit beleid staat in welke situaties, bijvoorbeeld bij bepaalde signalen, de aanbieder opnieuw dient vast te stellen of het krediet nog aansluit bij de financiële situatie van de consument. Dit is een uitwerking van de verplichtingen uit artikel 36 van de richtlijn.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Wet stelsel kredietregistratie gelijktijdig met het voorliggende wetsvoorstel in voorbereiding is. Kan de regering toelichten wat de inhoud van dit voorstel zal zijn, in hoeverre dat wetsvoorstel samenhangt met voorliggend wetsvoorstel en wat de planning van indiening, behandeling en beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel is?
Het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie maakt het beheer van het stelsel van kredietregistratie een wettelijke taak, toe te wijzen aan de stichting BKR. Het legt daarmee voorwaarden vast voor een bestendig, hoogwaardig en objectief stelsel van kredietregistratie. In het wetsvoorstel worden onder meer de eisen opgenomen die aan het BKR zullen worden gesteld en worden regels opgenomen ten aanzien van de verwerking van (persoons)gegevens (welke gegevens worden geregistreerd, de registratietermijnen en wie er toegang heeft tot de gegevens en de wijze waarop betrokkenen kunnen verzoeken de gegevens te verwijderen). Wegens inhoudelijke wijzigingen naar aanleiding van de consultatie is het wetsvoorstel voor een tweede keer bij de AP voor advies voorgelegd. Dit advies is recent ontvangen en wordt bestudeerd. Hierna wordt advies gevraagd aan de Raad van State. De verwachting is dat het wetsvoorstel begin volgend jaar bij de Tweede Kamer wordt ingediend.
Deze leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat veel van de details van de wet zullen worden neergelegd in lagere regelgeving. Deze leden vragen de regering een overzicht te verschaffen van de inhoud van lagere regelgeving en de planning hiervan.
Naast de implementatiewet wordt gewerkt aan een implementatiebesluit en een implementatieregeling. Het implementatiebesluit wijzigt het BGfo, het Besluit Kredietvergoeding, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen. Dit implementatiebesluit is recentelijk aan beide Kamers der Staten-Generaal aangeboden in het kader van een voorhangprocedure. Nadat uw Kamer heeft ingestemd met de implementatiewet, zal het implementatiebesluit worden voorgelegd aan de Raad van State ter advisering.
Belangrijkste onderdeel van de implementatieregeling is de wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft, waarmee mkb-bemiddelaars die bemiddelen in uitstel van betaling worden vrijgesteld van de vergunningplicht. Deze regeling is momenteel in voorbereiding. De lagere regelgeving zal tegelijk met de implementatiewet in werking treden.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de gekozen reikwijdte van het implementatiewetsvoorstel. Deze leden vragen de regering duidelijker uiteen te zetten wat de exacte reikwijdte van het wetsvoorstel is. Deze leden vragen de regering om te bevestigen dat de implementatiewet in de reikwijdte van het kredietbegrip geen expliciet materieel onderscheid maakt tussen traditioneel consumptief krediet enerzijds en kortlopend renteloos betalingsuitstel anderzijds en dat ook bij renteloos en kosteloos betalingsuitstel sprake kan zijn van consumentenkrediet wanneer een derde partij de betaling voorschiet, het uitstel faciliteert of de vordering overneemt en dat het ontbreken van rente of een kredietvergoeding op zichzelf onvoldoende is om buiten de reikwijdte van CCDII te blijven.
De implementatiewet is van toepassing op alle kredietovereenkomsten die zijn gesloten met een consument, tenzij er sprake is van een uitzondering zoals volgt uit artikel 2 van de richtlijn en artikel 1:20 Wft en 7:58 BW. Er wordt noch door de richtlijn, noch in de implementatiewet onderscheid gemaakt in verschillende soorten krediet. Het klopt verder dat het ontbreken van rente of een kredietvergoeding op zichzelf niet voldoende is om buiten het toepassingsbereik van de richtlijn te vallen. Het is slechts een van de cumulatieve voorwaarden voor toepassing van een uitzondering. Factoring – het overdragen of verkopen van de betalingsvordering aan een derde partij – door mkb of grootbedrijven die leverancier zijn van goederen en diensten en deze aanbieden in een fysieke winkel, is uitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn. Het gaat bijvoorbeeld om het doorverkopen van een vordering door een tandarts. Is de vordering echter doorverkocht door een grote online leverancier van goederen of diensten, dan is de dienst niet uitgezonderd van het toepassingsbereik. Zie voor deze uitzondering ook artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn en overweging 17 van de preambule.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de overwegingen om kortlopende renteloze betalingsuitstellen binnen de reikwijdte van het wetsvoorstel te laten vallen. In hoeverre signaleert de regering betalingsproblemen bij dergelijke producten die aanleiding zijn om dergelijke producten onder de reikwijdte van de implementatiewet te laten vallen? Kan de regering uitleggen op grond van welke lidstaatoptie dergelijke producten (geheel of gedeeltelijk) buiten de reikwijdte van de implementatie wet kan laten vallen?
Welke typen uitstel van betaling binnen de reikwijdte van de implementatiewet vallen volgt niet uit een lidstaatoptie, maar uit de geharmoniseerde bepalingen uit artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn. De regering kan er niet voor kiezen om bepaalde onder de richtlijn vallende vormen van uitstel van betaling van het toepassingsbereik uit te zonderen.10 Kortlopende renteloze betalingsuitstellen vallen niet onder het toepassingsbereik van de implementatiewet, behalve als uitstel van betaling door een derde wordt verleend of uitstel van betaling langer dan 50 (bij mkb of niet online leveranciers) of 14 dagen (bij grote online leveranciers) wordt verleend. Het is dus niet zo dat alle kortlopende renteloze betalingsuitstellen onder het toepassingsbereik vallen.
«Koop nu, betaal later»-krediet is een vorm van kortlopende renteloze vormen van uitstel van betaling. De problematiek bij deze producten is bekend, onder meer uit onderzoek van de AFM. Over andere kortlopende renteloze vormen van uitstel van betaling, bijvoorbeeld door een mkb-onderneming zonder betrokkenheid van een derde partij met een maximale betalingstermijn van 50 dagen, zijn geen misstanden bekend.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de afbakening van de implementatiewet. Deze leden zijn ervan overtuigd dat regulering van «koop nu, betaal later»-diensten zeer noodzakelijk is (inclusief kredietwaardigheidstoetsing en registratie), omdat bekend is dat dergelijke producten leiden tot schuldenproblematiek en schuldgewenning. Deze leden hebben echter begrepen dat met de implementatiewet ook gekozen is om andere producten die gebruikmaken van automatische incassomachtiging of het voorschieten van bijvoorbeeld parkeerkosten door een derde partij aan de consument onder de reikwijdte van de implementatiewet vallen. Deze leden vragen in hoeverre er met de implementatie van de richtlijn onderscheid behouden en of gemaakt is tussen kredietovereenkomsten die aan te merken zijn als «koop nu, betaal later»-diensten en producten die met een automatische incassomachtiging worden betaald, zoals parkeerapps of ongecontracteerde zorg? In hoeverre geldt er voor deze partijen een vergunningsplicht op grond van artikel 2:60 van de Wft? Acht de regering dit proportioneel en doelmatig?
Er is niet expliciet een onderscheid tussen verschillende soorten diensten opgenomen in de implementatiewet. Op blz. 47 van de memorie van toelichting staat wel opgenomen dat bepaalde vormen van uitstel van betaling, die gangbare handelspraktijken zijn, niet onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen. In overweging 17 van de preambule van de richtlijn wordt dit genoemd en in artikel 2, tweede lid, onderdeel h van de richtlijn staan de voorwaarden. Indien aan de voorwaarden is voldaan (i.e. aangeboden zonder derde, zonder rente of andere kosten en een betaaltermijn binnen 14 of 50 dagen, afhankelijk van de omvang en het type dienstverlener), dan vallen producten niet onder het toepassingsbereik. Indien er geen sprake is van het aanbieden van krediet, geldt voor deze partijen ook geen vergunningsplicht op grond van artikel 2:60 Wft. De voorwaarden zijn dwingend voorgeschreven in de richtlijn. Daar kan niet van af worden geweken in de omzetting van de richtlijn.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of de regering inzichtelijk heeft welke betaalvormen en sectoren met voorliggend wetsvoorstel onder de reikwijdte van de CCDII komen te vallen. In hoeverre acht de regering het proportioneel en wenselijk wanneer producten als parkeerapps, ongecontracteerde zorg of het automatisch opladen van de OV-kaart onder de reikwijdte van het wetsvoorstel (inclusief kredietwaardigheidstoetsing en kredietregistratie) vallen? Wat is de omvang van het aantal dagelijkse betaalmomenten van dit soort producten? Zijn aanbieders van deze producten geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van de CCDII voor hun producten? Zo ja, wat was hun reactie? Zo nee, is de regering dit voornemens te gaan doen?
Met de implementatiewet komen ten opzichte van de oude richtlijn kredietovereenkomsten tot € 200 ook onder de reikwijdte van de richtlijn te vallen. Daarnaast komen huur- of leasingovereenkomsten met een optie tot koop, kredietovereenkomsten die in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening worden verleend en die binnen een maand moeten worden afgelost, kredietovereenkomsten waarover geen rente of andere kosten moeten worden betaald en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en waarvoor slechts onbeduidende kosten worden gerekend onder de reikwijdte van de richtlijn te vallen. Hiermee vallen nieuwe kredietproducten, waartoe bijvoorbeeld ook «koop nu, betaal later»-diensten en kaarten met uitgestelde debitering behoren, onder het toepassingsgebied.
Betaling op factuur geschiedt momenteel op grote schaal en er zijn geen misstanden binnen deze praktijk bekend. De regering wil zo veel mogelijk het normale handelsverkeer ontlasten waar geen of slechts een beperkt risico is op het ontstaan van problematische schulden. Op dit punt wordt aangesloten bij het toepassingsbereik zoals voorgeschreven door de richtlijn. Een mogelijke verschuiving van «koop nu, betaal later»-diensten wordt in beperkte mate verwacht; mogelijk wijzigen ondernemingen hun betalingstermijn van bijvoorbeeld 60 dagen naar 14 dagen, om zo binnen de uitzondering te blijven. Het is niet bekend hoeveel facturatie- of betalingsvormen in de praktijk onder de implementatiewet zullen vallen, omdat dit afhankelijk is van de wijze waarop de betaling in de praktijk wordt vormgegeven.
Zowel de implementatiewet als het bijbehorende implementatiebesluit zijn openbaar geconsulteerd, waardoor marktpartijen in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren. Daarnaast is gedurende het wetgevingsproces doorlopend met marktpartijen en brancheorganisaties gesproken, waarbij de gevolgen van de implementatiewet ter sprake zijn gekomen. Het blijft de verantwoordelijkheid van marktpartijen zelf om te voldoen aan de eisen van de wet en een inschatting te maken van de gevolgen daarvan.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om duidelijk te maken in hoeverre de gekozen reikwijdte, waarbij ook renteloze en kosteloze betalingsuitstellen onder de reikwijdte van de CCDII komen te vallen, overeenkomt met de gekozen reikwijdte van de door ons omliggende landen. In hoeverre kunnen Nederlandse consumenten en/of Nederlandse bedrijven de bepalingen uit de wet omzeilen door goederen aan te schaffen in andere lidstaten of hun bedrijfsactiviteiten te verplaatsen naar andere lidstaten?
Er is geen sprake van een door Nederland of een andere lidstaat gekozen reikwijdte, maar van een door de richtlijn voorgeschreven reikwijdte. De richtlijn bepaalt in artikel 2, tweede lid welke kredietovereenkomsten zijn uitgezonderd van het toepassingsbereik. In het artikel 2, tweede lid onder h en j staat welke vormen van kredietovereenkomsten, waarbij kosteloos uitstel van betaling wordt verleend zijn uitgezonderd. Dit geldt voor alle lidstaten. Wel geldt dat in de implementatiewet platforms die zelf krediet aanbieden in de vorm van uitgestelde betaling onder het toepassingsbereik zijn gebracht, alsmede kaarten met uitgestelde debitering. Voor de beweegredenen hiervoor wordt verwezen naar de memorie van toelichting en de eerdere beantwoording van vragen hierboven. De richtlijn biedt expliciet ruimte om bepalingen van de richtlijn toe te passen op gebieden die er niet onder vallen (overweging 14 van de preambule van de richtlijn). Als een aanbieder vanuit het buitenland een kredietovereenkomst aan een Nederlandse consument aanbiedt die in Nederland wel is gereguleerd, geldt het Nederlands recht op grond van artikel 6 van de Rome I-verordening, waarin is geregeld welk recht van toepassing is op consumentenovereenkomsten. Daarmee zijn ook de Nederlandse kredietregels in het BW van toepassing. Daarnaast zijn de bepalingen uit Deel 4 van de Wft van toepassing op aanbieders indien sprake is van een situatie genoemd in artikel 4:1 Wft. Is geen sprake van een situatie genoemd in artikel 4:1 Wft en is sprake van diensten van de informatiemaatschappij, dan geldt artikel 1:16 Wft.
Artikel 2:81 van de Wft introduceert een verplichting voor aanbieders om een kredietbemiddelaar aan te melden bij de AFM, zo constateren deze leden. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering een nadere duiding, dan wel een voorbeeld, te geven van situaties wanneer deze verplichting van toepassing is.
Bedrijven die niet kwalificeren als micro-, kleine of middelgrote onderneming, als bedoeld in Aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie11, vallen onder een licht registratieregime als die grootbedrijven als nevenactiviteit voor een of meerdere aanbieders bemiddelen in kredietovereenkomsten die voorzien in uitstel van betaling van ten hoogste drie maanden na de levering van de roerende zaak of dienst. Men kan denken aan grote woonwinkels of elektronicawinkels die gebruik maken van derde partijen die krediet aanbieden. Bemiddelen in krediet is niet de hoofdactiviteit, dat is de verkoop van producten en diensten. Koop op afbetaling langer dan drie maanden valt buiten dit lichte registratieregime.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering nader kan uitleggen, bijvoorbeeld aan de hand van een voorbeeld, wat de voorwaarde uit de richtlijn betekent dat er ook sprake is van bemiddelen in krediet of een kredietbemiddelaar indien de bemiddelaar economisch voordeel ondervindt van de bemiddelingsactiviteiten, ook als daar geen vergoeding van de kredietaanbieder tegenover staat.
Een voorbeeld van economisch voordeel zonder het vragen van een financiële vergoeding door de kredietbemiddelaar volgt bijvoorbeeld uit het Rapport Buy Now, Pay Later van de AFM12, waaruit blijkt dat het aanbieden van «koop nu, betaal later» als betaaloptie de omzet van winkels kan verhogen en daarmee een economisch voordeel met zich brengt.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat een tweetal uitzonderingen worden toegevoegd aan artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, van de Wft. Deze leden vragen of deze uitzonderingen de bedoelde bedrijven voldoende duidelijkheid biedt over of hun diensten voldoen aan de uitzondering? Is hierover overleg gepleegd met het midden- en kleinbedrijf? Kan de regering nader uiteenzetten voor wat voor soort diensten de uitzondering is bedoeld, dan wel kan de regering hier voorbeelden bij geven?
In de memorie van toelichting is bij de artikelsgewijze toelichting nadere duiding gegeven in overeenstemming met overweging 17 van de preambule van de richtlijn. Ter illustratie is met een aantal voorbeelden inzichtelijk gemaakt welke vormen van uitgestelde betaling in ieder geval onder het toepassingsbereik vallen van de Wft en welke vormen mogelijk onder een uitzondering vallen. Het gaat bijvoorbeeld om een fietsenmaker die de optie biedt om de factuur binnen 50 dagen te betalen of een tandarts die zijn vorderingen verkoopt aan een derde partij waarbij de betaling na 30 dagen moet zijn verricht. Daarnaast is er in het kader van de implementatie onder andere met brancheorganisaties van de detailhandelsector gesproken, alsmede met meerdere platforms.
Deze leden vragen aanvullend ook hoe de situatie voor deze bedrijven was onder de oude richtlijn. Hoe verandert de situatie als gevolg van de implementatiewet van de nieuwe richtlijn?
Onder de oude richtlijn was uitstel van betaling van drie maanden uitgezonderd. Dit betekent dat bedrijven drie maanden uitstel van betaling konden aanbieden, zonder onder de kredietregels te vallen. De uitzondering is door de nieuwe richtlijn beperkt. Bedrijven die niet meer onder de uitzondering vallen zullen onder andere de gedragsbepalingen uit Deel 4 van de Wft moeten naleven en de AFM zal toezicht houden op de naleving. Voor grootbedrijven die «koop nu, betaal later» van een derde partij als betaaloptie aanbieden geldt daarbij dat zij geregistreerd moeten worden als bemiddelaar in krediet bij de AFM. De aanbieder van krediet (de «koop nu, betaal later»-aanbieder) dient de registratie te verzorgen voor de bemiddelaar.
De leden van de ChristenUnie-fractie achten het verstandig dat de regering een bepaling voorstelt om een verbod op om kredietovereenkomsten met een minderjarige consument aan te gaan. Deze leden vragen de regering naar de huidige wettelijke situatie rond het aangaan van een kredietovereenkomst met een minderjarige. Was dit in alle gevallen volstrekt legaal of via andere bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek in beginsel nietig?
Een minderjarige kan op grond van artikel 1:234 BW in beginsel geen rechtsgeldige overeenkomst aangaan, tenzij sprake is van toestemming van een wettelijke vertegenwoordiger of van een rechtshandeling die gebruikelijk is in het maatschappelijk verkeer. Voor kredietovereenkomsten wordt over het algemeen aangenomen dat deze niet als zodanig worden beschouwd. In recente jaren hebben minderjarigen echter op grote schaal gebruik gemaakt van «koop nu, betaal later»-diensten. In de praktijk zijn deze overeenkomsten vernietigbaar op grond van artikel 3:40 BW. Een minderjarige of wettelijke vertegenwoordiger van die minderjarige dient hierop dan een beroep te doen en de aanbieder hierop aan te spreken.
In de memorie van toelichting wordt door de leden van de ChristenUnie-fractie en uitgebreide uitleg van de vereisten en overwegingen over de gemaakte keuzes rond kredietregistratie gemist. Deze leden vragen de regering om dit alsnog toe te lichten.
Registratie wordt geregeld in het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie en is dus geen onderdeel van de richtlijn die door middel van dit wetsvoorstel geïmplementeerd wordt. Totdat deze wet gaat gelden, geldt de huidige praktijk van registraties. Deze is als volgt. Overeenkomsten met een kredietbedrag vanaf € 250 met een looptijd van meer dan één maand worden geregistreerd bij het BKR (positieve registratie). Daarnaast worden betalingsachterstanden bij BKR geregistreerd in het geval van meerdere achterstallige termijnen (negatieve registratie).
Voorts vragen deze leden naar het verwachte effect van voorliggend wetsvoorstel. Deze leden verwachten een verschuiving van veel kortlopende kredietfaciliteiten (zoals «koop nu, betaal later») naar doorlopende kredietfaciliteiten. Is dit ook de verwachting van de regering? Kan de regering dit nader toelichten of onderbouwen?
Er is geen onderzoek gedaan naar de verwachte effecten, maar het is de verwachting dat er een gedeeltelijke verschuiving zal plaatsvinden van kortlopende kredieten (die nu nog ongereguleerd zijn) naar doorlopend krediet. Anders moet immers op het niveau van elke transactie aan alle verplichtingen, bijvoorbeeld de kredietwaardigheidsbeoordeling, maar ook de verstrekking van precontractuele informatie, te worden voldaan. Eén aanbieder van «koop nu, betaal later»-diensten heeft echter aangegeven niet over te stappen naar het aanbieden van doorlopend krediet.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om te bevestigen dat een consument onder de huidige leennormen meerdere kortlopende kredietfaciliteiten naast elkaar kan aanhouden en benutten zolang de toetslasten binnen de toepasselijke normen blijven? Is de aanname van deze leden dan terecht dat voorliggend wetsvoorstel een stapeling van kredietruimte mogelijkerwijs maar beperkt voorkomt?
Het klopt dat onder de huidige leennormen meerdere kleine kredieten naast elkaar kunnen worden aangeboden als dit past binnen de totale leenruimte. Kleine kredieten onder de € 250,– met een looptijd van meer dan een maand worden niet geregistreerd bij het BKR, tenzij sprake is van een langdurige achterstand. Die kleine kortlopende kredieten waar geen achterstand op is zijn daarmee niet zichtbaar voor andere kredietaanbieders en worden dus niet als maandlast meegenomen in de berekening van de leenruimte.
De huidige Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN worden op dit moment herzien om ook kortlopende kredieten daaronder te vatten. De normen dienen zo opgesteld te worden dat overkreditering zo goed mogelijk wordt voorkomen, maar tegelijkertijd met ruimte voor proportionaliteit. Stapeling van kortlopende kredieten is een omstandigheid die in de leennormen zal worden meegewogen.
De leden van de ChristenUnie-fractie achten het huidig systeem van kredietregistratie niet optimaal. Registratie van betaalfaciliteiten signaleert namelijk daadwerkelijke betalingsproblemen niet eerder omdat negatieve signalen pas ontstaan nadat een consument al betalingsachterstanden heeft opgebouwd. Deze leden zien graag een reactie van de regering op deze stellingname.
Het is juist dat betalingsachterstanden niet direct zichtbaar zijn in het huidige systeem van kredietregistratie. Betalingsachterstanden worden bij BKR geregistreerd in het geval van meerdere achterstallige termijnen (negatieve registratie). Dit komt onder meer omdat de consument eerst, met aanmaningen van de aanbieder, alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om de achterstand in te lopen.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien, naast registratie van verschillende openstaande kredieten, een meerwaarde in een systeem dat actuele problematische betalingsachterstanden signaleert op basis waarvan kredietaanbieders zien of iemand een betalingsachterstand heeft («ja» of «nee») zodat zij kunnen beoordelen of zij een consument een krediet kunnen verstrekken. Hoe ziet de regering dit? Is de regering bereid om een dergelijk systeem vlot te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het BKR registreert betalingsachterstanden in het geval van meerdere achterstallige termijnen (negatieve registratie). De registratietermijn wordt bij of krachtens het Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie geregeld en kan eventueel in dat kader worden herzien. Over het algemeen is het wenselijk als er door middel van een actuele negatieve registratie zo snel mogelijk inzicht is in een achterstand. Tegelijkertijd is het zo dat het missen van een betalingstermijn of zelfs een betalingsherinnering niet meteen betekent dat sprake is van een problematische achterstand. In een eventuele aanpassing van het registratiemoment – die in het kader van dit wetsvoorstel dus niet aan de orde is – moet dit daarom zorgvuldig worden afgewogen.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien het risico dat met de implementatie van voorliggend wetsvoorstel wat zal leiden tot een enorme toename aan kredietregistraties en A-coderingen, ook voor relatief lage vorderingen die een consument te laat heeft betaald. Wanneer een consument een bestelling bij een kledingwinkel ter waarde van 100 euro te laat heeft betaald, staat de consument voor vijf jaar geregistreerd bij BKR. Deze consument zou dan vijf jaar lang geen hypotheek kunnen afsluiten. De leden van de ChristenUnie-fractie zien dit als een onaanvaardbaar disproportioneel gevolg. Hoe ziet de regering dit? Acht de regering het, net als de leden van de ChristenUnie-fractie, noodzakelijk dat de huidige handelingspraktijk van BKR wordt aangepast als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?
De registratie van achterstandsbetalingen is onderdeel van het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie. Een achterstand wordt op basis van de huidige praktijk geregistreerd in het geval van meerdere achterstallige termijnen (negatieve registratie). Een negatieve registratie kan inderdaad gevolgen hebben voor andere kredietaanvragen. Het hoeft echter niet meteen te leiden tot afwijzing van een aanvraag. Dit is ook verboden op grond van het voorgestelde artikel 4:34 Wft, eerste lid, dat ook van toepassing is op hypothecair krediet. Zeker waar het gaat om een aanvraag van een hypothecaire lening, zal breder de financiële positie van de aanvrager in beeld worden gebracht. De coderingen van het BKR kunnen daarin worden meegenomen, maar hebben geen doorslaggevende rol.
In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat artikel 4:34 van de Wft wordt aangevuld met een uitzondering op de verplichting van de kredietwaardigheidsbeoordeling. De leden van de ChristenUnie-fractie achten de frase op pagina 11 van de memorie van toelichting onduidelijk. Kan de regering deze tekst verhelderen?
De uitzondering op de kredietwaardigheidsbeoordeling zoals met de implementatiewet wordt toegevoegd in artikel 4:34, vierde lid, Wft volgt direct uit artikel 35, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn. De uitzondering speelt in de situatie waarin de kredietaanbieder respijtmaatregelen treft en daarbij een nieuwe kredietovereenkomst tot stand zou komen. Deze overeenkomst kan dan voor de consument gunstigere voorwaarden bevatten. Strikt genomen zou dan op grond van artikel 4:34, eerste lid, opnieuw een kredietwaardigheidsbeoordeling moeten worden uitgevoerd. Dit is echter niet logisch en niet de bedoeling geweest in het Europese wetgevingsproces. De kredietwaardigheidsbeoordeling hoeft in dat geval dus niet uitgevoerd te worden, onder de voorwaarde dat geen sprake is van een belangrijke verhoging van de kredietlimiet, dan wel van de som van de bedragen die aan de consument ter beschikking zijn gesteld. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel K.
De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie van toelichting een uiteenzetting van wat de nieuwe kredietwaardigheidsbeoordeling inhoudt, wat de overwegingen zijn voor de keuzes die de regering heeft gemaakt en wat de gevolgen van de kredietwaardigheidsbeoordelingen zijn voor zowel consumenten als bedrijven. Deze leden vragen de regering om dit alsnog (uitgebreid) toe te lichten.
De richtlijn schrijft een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling voor die in de implementatiewet in de vorm van een open norm is verwerkt. Deze open norm schrijft alleen de verplichting voor om een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren. In het implementatiebesluit is enkel bepaald dat opgevraagde informatie in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling geverifieerd moet worden, dat de aanbieder voorafgaand aan het verstrekken van een krediet altijd het BKR dient te raadplegen en dat voor hele kleine kredieten een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling geldt. Voor kredieten met een som kleiner dan € 100 wordt namelijk bepaald dat raadpleging volstaat van het BKR en van het CCBR. Daarboven mogen aanbieders de proportionaliteit zelf invullen. Daarbij kunnen aanbieders zich aansluiten bij de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN, die momenteel in het kader van de richtlijn worden herzien in samenspraak met de AFM en het Ministerie van Financiën. De uitwerking van de kredietwaardigheidsbeoordeling vindt dus grotendeels plaats in de praktijk. Hierdoor zijn de gevolgen van de kredietwaardigheidsbeoordeling niet verder te specificeren.
Met artikel 4:35b van de Wft worden aanbieders verplicht om betalingsproblemen bij een consument vroegtijdig te signaleren. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarheen aanbieders deze signalen moeten zenden en of de ontvangende partij(en) voorbereid zijn op mogelijke toestroom van dergelijke signalen.
Als gevolg van vroegsignaleren kan een aanbieder van krediet bijvoorbeeld overgaan tot verlaging van de kredietfaciliteit of met de consument in gesprek gaan over het treffen van eventuele respijtmaatregelen, alvorens een incasso- of invorderingsprocedure in te leiden. Ook geldt een verplichting om de consument door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. Het is daarna aan de consument om al dan niet contact op te nemen met de gemeente voor hulp. Aanbieders van schuldadviesdiensten zullen geen rechtstreekse signalen van kredietverstrekkers ontvangen, want kredietverstrekkers wijzen de consument op de schuldadviesdiensten in de gemeente waar de consument woont. De mogelijke extra toestroom aan signalen kan er juist aan bijdragen dat het bereik van schuldhulpverlening wordt verbeterd en meer mensen met problematische schulden geholpen worden. Het is niet de verwachting dat gemeenten deze potentiële extra toestroom niet aankunnen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er een nieuwe definitie komt van gebundelde verkoop en koppelverkoop. Kan de regering duidelijk uiteenzetten wat er materieel gaat veranderen met de koppelverkoopbepaling ten opzichte van de huidige wetgeving? Wat was eerst wel toegestaan en straks niet meer?
In de huidige wetgeving is al een koppelverkoopbepaling opgenomen in Titel 2a, afdeling 2, van Boek 7 BW, maar ter implementatie van de richtlijn is een specifiekere koppelverkoopbepaling opgenomen die van toepassing is op consumentenkrediet in de zin van Titel 2a, afdeling 1, van Boek 7 BW. Het uitgangspunt in de wet blijft dat koppelverkoop in beginsel is verboden. Koppelverkoop van een betaal- of spaarrekening is slechts toegestaan in de in artikel 7:60a, tweede lid BW genoemde gevallen, bijvoorbeeld indien de rekening wordt gebruikt ter aflossing van het krediet of ter verschaffing van bijkomende zekerheden. Dit is grotendeels in lijn met de huidige wetgeving, alleen zijn de gebruiksdoelen van de rekening nauwer omschreven.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in hoeverre, dan wel in welke vormen ongevraagde kredietverlening nu voorkomt, met het oog op het expliciete verbod uit artikel 7:58a BW.
Artikel 7:58a BW implementeert artikel 15 en 17 van de richtlijn en betreft zuivere implementatie. Op dit moment zijn er geen signalen bekend dat ongevraagde kredietverlening door gereguleerde kredietaanbieders of bemiddelaars plaatsvindt.
Het voorliggende wetsvoorstel introduceert bredere reclameregels ten aanzien van kredietovereenkomsten met consumenten. De leden van de ChristenUnie-fractie juichen dit toe. Echter wordt uit de memorie van toelichting geenszins duidelijk wat deze bredere reclameregels behelzen. Kan de regering dit toelichten?
De bredere reclameregels worden onder meer opgenomen in artikel 7:59 BW. Daarin is bepaald dat reclame- en marketingcommunicatie niet misleidend, onduidelijk of oneerlijk mag zijn. Dat is het geval wanneer reclame valse verwachtingen schept over de beschikbaarheid van het krediet, de kosten van een krediet of het totale door de consument te betalen bedrag. Daarnaast gelden de reclameverboden en reclameverplichtingen die staan opgenomen en worden uitgebreid in artikel 53 BGfo. Deze wordt met het implementatiebesluit gewijzigd. Daarnaast worden er verplichtingen gesteld ten aanzien van de waarschuwing en standaardinformatie die bij reclame voor krediet moet worden opgenomen, waarin een rentevoet of cijfers over de kredietkosten worden vermeld. Kredietaanbieders moeten in reclame voor krediet een duidelijke waarschuwing opnemen: «Let op! Geld lenen kost geld». Dit volgt uit artikel 2:2 Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo).
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over de gewijzigde bepaling ten aanzien van geoorloofde debetstand. Wat is nu de termijn waarbinnen het opgenomen bedrag moet worden terugbetaald voordat een procedure van incasso of invordering wordt gestart? Of was dit in de huidige wetgeving niet geregeld? De wet introduceert een verplichting om een «ruime» termijn te hanteren. Wat is volgens de regering «ruim»? Deze leden vragen de regering of de wetgever hier een open norm laat of dit wel nader invult?
Wanneer een aanbieder de geoorloofde debetstand (roodstandlimiet) op een rekening verlaagt of beëindigt, moet de aanbieder de consument de gelegenheid geven om het opgenomen bedragen binnen 12 maanden terug te betalen, voordat de aanbieder een incasso- of invorderingsprocedure inleidt. De richtlijn schrijft dit voor in artikel 24, vierde lid, van de richtlijn, welke wordt geïmplementeerd in artikel 7:63, vijfde lid (nieuw) BW. In de huidige wetgeving is deze twaalfmaandentermijn niet voorgeschreven.
Alvorens invordering op te starten en daarvoor kosten in rekening te brengen is de kredietverlener verplicht om de consument eerst in kennis te stellen van een verhoging van de debetrentevoet of kosten, geruime tijd voordat deze wordt doorgevoerd. Dit volgt uit artikel 7:60, tweede lid BW. In de memorie van toelichting bij de implementatiewet wordt verwezen naar de wetshistorie bij artikel 7:60 BW, waar deze term «geruime tijd» ook terugkomt. Daaruit volgt dat van geval tot geval moet worden uitgemaakt wat hier precies onder moet worden verstaan. De regering vult deze norm niet nader in. De termijn van 14 dagen uit artikel 6:96 lid 5 BW is niet van toepassing. In een gerechtelijke procedure kan de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordelen of er rauwelijks gedagvaard is. Indien de rechter van mening is dat daar sprake van is kan de kredietverlener veroordeeld worden in de kosten van de procedure.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of er nader in kan worden gegaan op de keuze om kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik van de richtlijn te scharen. Wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse consument op dit punt? Is er bijvoorbeeld sprake van hogere kosten voor consumenten die dergelijke kaarten aanhouden? Waarom is er gekozen om juist op dit punt geen gebruik te maken van de uitzondering, daar waar voor MKB-aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten juist wel een uitzondering wordt gemaakt? Kan de regering toelichten in hoeverre kaarten met uitgestelde betaling een soortgelijke of andere werking hebben op consumentengedrag dan «koop nu, betaal later»-diensten zoals Klarna? Met name als het gaat om de beschikbaarheid onder jongeren?
In de implementatiewet worden kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik van de kredietregels gebracht. Hiervoor is voornamelijk gekozen om de consument te beschermen. Indien deze kaarten buiten het toepassingsbereik worden gelaten van de regels, betekent dit dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten naar deze dan ongereguleerde diensten kunnen uitwijken. De consument wordt dan niet beschermd bij het aangaan van krediet in de vorm van een kaart met uitgestelde debitering, waar deze bij andere vormen van krediet wel wordt beschermd. Bovendien leidt het uitzonderen van deze kaarten van het toepassingsbereik tot een ongelijk speelveld tussen aanbieders van consumptief krediet. De keuze om kaarten met uitgestelde debitering niet uit te zonderen, is een nationale keuze. De uitzondering voor mkb-aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten daarentegen, zoals genoemd in het verslag is geen nationale keuze, maar volgt dwingend uit de richtlijn. In de richtlijn staat in artikel 2, tweede lid, onder h dat uitstel van betaling verleend door MKB-aanbieders (onder de in dat artikel genoemde voorwaarden) uitgezonderd is van de richtlijn.
Op dit moment worden «koop nu, betaal later»-diensten niet op dezelfde manier gebruikt als kaarten met uitgestelde debitering. Dit heeft ermee te maken dat «koop nu, betaal later»-diensten op dit moment makkelijk beschikbaar zijn voor jongeren boven de 18 jaar dan kaarten met uitgestelde debitering. «Koop nu, betaal later»-diensten kunnen, zeker waar het gaat om het eerste gebruik, op dit moment vaak zonder enige kredietwaardigheidstoets worden afgenomen. De oorspronkelijke aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering voeren op dit moment al een vorm van kredietwaardigheidsbeoordeling uit voorafgaand aan het verstrekken van een kaart, waardoor deze producten minder makkelijk toegankelijk zijn. Dit ongelijke speelveld gaat met de nieuwe regels veranderen en de regels voor beide producten worden gelijkgetrokken. De gevolgen voor de consument zullen zijn dat zij dezelfde bescherming krijgen bij een kaart met uitgestelde debitering als bij andere vormen van consumptief krediet. Bij het aangaan van de kredietovereenkomst is de aanbieder van een kaart net als andere aanbieders verplicht om te beoordelen of het verantwoord is het krediet te verstrekken. De nieuwe regels kunnen tot gevolg hebben dat de kaart met uitgestelde debitering duurder wordt en minder toegankelijk wordt voor de consument. De kosten die in rekening mogen worden gebracht aan de consument worden gemaximeerd, maar de regering heeft wel ruimte gelaten voor het zo veel mogelijk in stand houden van het huidige bedrijfsmodel.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom aan de AFM een nieuwe «productinterventiebevoegdheid» wordt toegekend die verder gaat dan wat de CCDII minimaal vereist. In hoeverre leidt dit type bevoegdheden tot rechtsonzekerheid bij bedrijven en een verstikkend werkklimaat?
De richtlijn bevat een lidstaatoptie om een productinterventiebevoegdheid toe te kennen aan de nationale toezichthouder. De richtlijn vult dit niet nader in maar laat dit aan lidstaten om nader in te vullen. De voorwaarden zijn in de implementatiewet en het implementatiebesluit nader uitgewerkt. De verwachting is dat de productinterventiebevoegdheid van de AFM niet zal leiden tot rechtsonzekerheid bij bedrijven. Deze bevoegdheid mag immers uitsluitend worden uitgeoefend indien aan strenge voorwaarden wordt voldaan. Ook mag de AFM in het geval van een significante reden tot bezorgdheid de bevoegdheid pas uitoefenen als andere bevoegdheden uit haar instrumentarium niet toereikend zijn. In lagere regelgeving wordt deze bevoegdheid verder uitgewerkt, namelijk in het BGfo. Daarin wordt een niet limitatieve opsomming van factoren opgesomd die de AFM in aanmerking kan nemen om te bepalen of er sprake is van een significante reden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming.
Deze voorwaarden worden gesteld om schadelijke marktpraktijken aan te pakken die anders niet kunnen worden tegengegaan. De bevoegdheid is toegekend aan de AFM, omdat de markt van kredietproducten zich snel ontwikkelt. Daarom is het wenselijk dat de AFM ook voor bepaalde kredieten, kredieten met bepaalde kenmerken of bepaalde marktpraktijken bij krediet, kan beoordelen of ingrijpen nodig is. Hierbij valt onder meer te denken aan producten die voor schuldenproblematiek zorgen, zoals flitskredieten of marktpraktijken waarbij het gemak waarmee het krediet wordt aangegaan reden tot bezorgdheid voor bescherming van de consument vormen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat kaarten met uitgestelde betalingen onder het toepassingsbereik van de richtlijn komen te vallen. Deze leden vragen of dit betekent dat alle kaarten met een bepaalde vorm van uitgestelde betaling hieronder komen te vallen of dat er uitzonderingen zijn.
Alle kaarten met uitgestelde debitering komen onder het toepassingsbereik te vallen. Daarop zijn geen uitzonderingen. In de praktijk worden ook reguliere betaalpassen uitgegeven met mogelijkheden om bedragen te laten reserveren op het banksaldo. Dit kwalificeert niet als krediet omdat de betaling niet later plaatsvindt. Het bedrag (bijvoorbeeld borg voor een huurauto) wordt direct van het saldo afgehaald. De bestedingsruimte op de betaalrekening moet dus toereikend zijn. Het bedrag kan zolang het is gereserveerd niet ergens anders voor worden gebruikt. Indien het bestede bedrag lager uitvalt, valt dat deel vrij op het saldo. Dit is een ander product dan geoorloofde debetstand (roodstand). Hierbij wordt immers wel krediet verstrekt. De consument krijgt de mogelijkheid om geleend geld te besteden, waarbij het saldo negatief kan worden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering gebruikmaakt van de lidstaatoptie om de richtlijnbepalingen ten aanzien van standaardinformatie, reclame en precontractuele informatie niet van toepassing te laten zijn op bepaalde kredietovereenkomsten, zijnde kredietovereenkomsten van minder dan 200 euro, zonder rente en korter lopend dan drie maanden. BNPL-diensten vallen de facto onder deze uitzonderingscategorie. Deze leden vragen of de regering inhoudelijk inzichtelijk kan maken, bij voorkeur in tabelvorm, welke informatieverplichtingen in deze situaties nog wel van toepassing blijven en welke verplichtingen door het gebruik van deze lidstaatoptie komen te vervallen.
In het voorgestelde artikel 7:60, zesde lid (nieuw) BW staat welke verplichtingen vervallen door gebruik van de lidstaatoptie. Het gaat om de verplichtingen uit artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn. Voor het overige dienen «koop nu, betaal later»-aanbieders aan al de verplichtingen ten aanzien van standaardinformatie, reclame en precontractuele informatie te voldoen.
Deze leden vragen daarnaast of de regering kan verduidelijken of deze informatieverplichtingen op transactieniveau of op accountniveau gelden. Met andere woorden: wordt de betreffende informatie bij iedere afzonderlijke transactie verstrekt of uitsluitend bij het aanmaken van een account of het aangaan van een eerste kredietrelatie met de aanbieder.
De informatieverplichtingen gelden bij het aangaan van iedere kredietovereenkomst. Indien sprake is van een doorlopend krediet, gelden bij transacties binnen de limiet niet opnieuw deze informatieverplichtingen. Het is aan de aanbieder om daarin een afweging te maken.
Daarnaast lezen deze leden dat de regering stelt dat het verstrekken van precontractuele informatie niet het belangrijkste element ter voorkoming van overkreditering is. Deze leden ontvangen graag een toelichting op de grondslag van deze uitspraak, alsmede welke elementen volgens de regering wel als de belangrijkste worden beschouwd en welke maatregelen vervolgens specifiek op die belangrijkste elementen worden genomen.
Precontractuele informatie is belangrijk. Tegelijkertijd is niet de verwachting dat alle consumenten bij bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-kredieten deze informatie tot zich gaan nemen. Het belangrijkste element ter voorkoming van overkreditering is de verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling en raadpleging van het BKR-register bij het aangaan van de kredietovereenkomst. Hierdoor wordt voorkomen dat een onverantwoord krediet wordt aangegaan. Gezien het voorgaande en de daarbij behorende lastendruk voor de kredietaanbieder en kredietbemiddelaar om deze informatie te verstrekken, is gekozen voor deze specifieke uitzondering op deze verplichtingen.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe deze uitzondering op de reclamevoorschriften zich verhoudt tot de breed aangenomen motie van het Lid Welzijn (Kamerstuk 24 515, nr. 810), waarin juist wordt opgeroepen om reclame voor BNPL-diensten te verbieden. Deze leden vragen waarom er desondanks voor wordt gekozen om BNPL (deels) uit te zonderen van de reclamevoorschriften. Deze leden vragen hoe de regering deze keuze weegt in het licht van de duidelijke wens van de Kamer om reclame voor deze diensten juist te beperken of te verbieden.
De uitzondering ziet op enkele precontractuele informatieverplichtingen bij reclame en niet op reclameverboden. De reclameverboden die gelden voor consumptief krediet, gelden ook voor «koop nu, betaal later»-diensten. Nederland maakt voor wat betreft de reclameverboden juist gebruik van de lidstaatoptie om extra strenge verboden te regelen en die gelden ook ten aanzien van «koop nu, betaal later»-aanbieders en gaat daarmee zo ver als de richtlijn toelaat.
Bij de lidstaatoptie om bepaalde kredieten uit te zonderen van precontractuele informatieverplichtingen gaat het om de standaardinformatie die moet worden opgenomen bij reclame voor krediet. Bij reclame voor krediet dient bijvoorbeeld informatie te worden gegeven over het totale kredietbedrag en het jaarlijkse kostenpercentage. Door de uitzondering hoeft bij drie typen kredietovereenkomst een deel van de standaardinformatie niet te worden verschaft bij het maken van reclame. Het gaat bijvoorbeeld om de duur van de kredietovereenkomst. Dit geldt alleen voor het maken van reclame; indien een kredietovereenkomst wordt aangeboden dient deze informatie wel te worden verschaft. Ratio achter deze lidstaatoptie is dat voor «koop nu, betaal later»-diensten geldt dat deze overeenkomsten online en in korte tijd worden afgesloten. Het is niet de verwachting dat de consument in die situaties de genoemde aanvullende precontractuele informatie tot zich zal nemen en de extra hoeveelheid informatie kan bovendien de kans vergroten dat de consument de kernelementen van de overeenkomst over het hoofd ziet.
Voorts vragen deze leden of de regering alsnog wil inzetten op een (verdergaand) verbod op reclame voor BNPL-diensten mogelijk is. Zo nee, waarom niet.
De richtlijn bevat specifieke en gedetailleerde bepalingen over reclame voor krediet, waaronder «koop nu, betaal later»-diensten voor zover deze onder de richtlijn vallen. In de artikelen 7 en 8 van de richtlijn zijn zowel inhoudelijke eisen aan kredietreclame opgenomen als expliciete verboden, bijvoorbeeld ten aanzien van misleidende of agressieve reclame en reclame die suggereert dat krediet de financiële situatie van de consument zal verbeteren. Hiermee beoogt de richtlijn consumenten te beschermen tegen onverantwoorde kredietprikkels, terwijl ruimte blijft voor feitelijke en evenwichtige informatievoorziening. De richtlijn heeft het karakter van een maximumharmonisatierichtlijn. Dit betekent dat lidstaten in beginsel geen verdergaande of strengere nationale regels mogen stellen dan de richtlijn toestaat. De richtlijn biedt geen ruimte om alle reclame voor kredietproducten zoals «koop nu, betaal later» volledig te verbieden. Een algeheel reclameverbod zou verder gaan dan het Europese kader toestaat en is daarmee juridisch niet toegestaan voor «koop nu, betaal later»-diensten die onder de reikwijdte van de richtlijn vallen. Wel biedt de richtlijn een lidstaatoptie om extra reclameregels in te stellen. Nederland heeft gebruikgemaakt van deze lidstaatoptie, waardoor het verboden is reclame te maken voor krediet, waaronder «koop nu, betaal later», waarin bijvoorbeeld de snelheid of het gemak waarmee krediet kan worden verkregen wordt benadrukt of wordt vermeld dat een korting alleen maar geldig is indien er een krediet wordt opgenomen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat gebruik is gemaakt van de lidstaatoptie om micro-, kleine en middelgrote bemiddelaars die als nevenactiviteit bemiddelen in krediet, vrij te stellen van de vergunnings- of registratieplicht. Deze leden vragen allereerst wat de precieze definitie is van «micro, kleine en middelgrote bemiddelaars» in dit kader. Daarnaast constateren deze leden dat (web)winkels die BNPL-diensten aanbieden via een derde partij op deze wijze buiten de registratieplicht kunnen vallen. Deze leden vragen wat de verwachte impact zou zijn indien deze bemiddelaars wél onder een registratieplicht zouden vallen.
Voor deze definitie verwijst de richtlijn naar de Aanbeveling van de Europese Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen. Van een micro-onderneming is sprake als er minder dan 10 medewerkers zijn en in het geval van een balanstotaal of jaaromzet van maximaal EUR 2 mln. Van een kleine onderneming is sprake als er minder dan 50 medewerkers zijn en in het geval van een balanstotaal of jaaromzet van maximaal EUR 10 mln. Van een middelgrote onderneming is sprake als er minder dan 250 medewerkers zijn en bij een balanstotaal van maximaal EUR 43 mln. of jaaromzet van maximaal EUR 50 mln.
Materieel zou het voorschrijven van een registratieplicht voor deze bemiddelaars weinig uitmaken. Het ontbreken van een registratieplicht ontslaat ook kleine winkels nu niet van naleving van de gedragsregels uit Deel 4 Wft en toezicht door de AFM. Dit betekent bijvoorbeeld dat reclameregels over achteraf betalen onverminderd van toepassing zijn en de AFM toezicht op naleving kan houden. De consument is op dezelfde wijze beschermd. De impact op de bemiddelaar, bij een eventuele verbreding van de registratieplicht, is dus klein en voor de consumentenbescherming of vanuit toezichtsperspectief maakt het weinig verschil.
De impact op aanbieders en de AFM is echter wel groot, indien deze kleine bemiddelaars wel onder de registratieplicht zouden vallen. Het gevolg zou zijn dat elke winkelier in Nederland (dus ook een kleine boetiek met één medewerker) die achteraf betalen aanbiedt als betaaloptie zich als kredietbemiddelaar zou moeten registreren bij de AFM. De aanbieder moet deze registraties verzorgen. De AFM dient vervolgens alle registraties te verwerken.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de regering verwacht dat een dergelijke verplichting leidt tot een afname van het aanbod van BNPL-diensten in de winkelstraat. Ook vragen deze leden hoe de regering dit effect weegt ten opzichte van het belang van consumentenbescherming en toezicht op deze vorm van kredietverlening.
Indien ook kleinere winkels onder het zwaardere registratieregime gebracht zouden worden, zal dit naar verwachting niet leiden tot een afname van «koop nu, betaal later»-diensten. In theorie zou een aanbieder met minder winkeliers willen samenwerken, omdat zij dan elke winkelier moeten registreren als bemiddelaar. Of die afweging zo wordt gemaakt is niet te voorspellen. Zoals eerder toegelicht is de materiële impact verder beperkt, maar zullen de lasten stijgen voor aanbieders en de AFM als gevolg van de extra registraties van bemiddelaars zonder dat daar noemenswaardige voordelen tegenover staan.
De leden van de CDA-fractie waarderen dat het instrumentarium van de AFM wordt uitgebreid met betrekking tot productinterventie. Tegelijkertijd lezen deze leden dat, alvorens direct ingrijpen mogelijk is, eerst het overige handhavingsinstrumentarium moet worden doorlopen. Deze aanvullende waarborg lijkt op gespannen voet te staan met de benodigde snelheid van optreden. Deze leden vragen hoe de regering borgt dat de AFM, indien nodig, tijdig en doelgericht kan ingrijpen. Daarnaast vragen deze leden of de regering bereid is om te bezien of het handhavingsinstrumentarium zodanig kan worden ingericht dat de AFM in urgente situaties sneller kan handelen, zonder onnodige procedurele vertragingen.
De productinterventiebevoegdheid wordt aan de AFM toegekend voor situaties waarin de bestaande handhavingsmogelijkheden niet toereikend zijn en het krediet of de marktpraktijk een significante reden vormen tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. De gestelde voorwaarden aan een voor de AFM bij dit product nieuwe bevoegdheid borgen dat het reguliere toezicht via het reguliere handhavingsinstrumentarium wordt uitgeoefend. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de AFM door de waarborgen die er zijn niet tijdig en doelgericht kan optreden. Integendeel, deze bevoegdheid geeft de AFM meer mogelijkheden, met behoud van waarborgen in het gebruikmaken van het toezichtsinstrumentarium. De regering ziet dus ook geen aanleiding om het instrumentarium van de AFM anders in te richten.
De leden van de JA21-fractie constateren dat CCDII-lidstaten ruimte biedt om bepaalde kredietvormen uit te zonderen of lichter te behandelen. Deze leden vragen waarom Nederland niet kiest voor een ruimere benutting van die mogelijkheden, bijvoorbeeld voor creditcards of andere vormen van kredietverlening waarbij het risico op problematische schulden beperkter of anders van aard is. Kan de regering toelichten waarom zij op deze punten niet aansluit bij lidstaten die wel gebruikmaken van dergelijke uitzonderingen? Ziet de regering het risico dat Nederland door een strengere implementatie afwijkt van andere lidstaten, met mogelijke gevolgen voor het vestigingsklimaat en de beschikbaarheid van betaalproducten voor Nederlandse consumenten?
Alleen voor de kredietvorm van kaarten met uitgestelde betaling biedt de richtlijn expliciet de mogelijkheid om deze vorm uit te zonderen van het nationale toepassingsbereik. Andere vormen die de richtlijn onder het toepassingsbereik brengt kunnen lidstaten niet uitsluiten. De keuze om kaarten met uitgestelde debitering niet uit te zonderen is bovenal gemaakt ter bescherming van de consument. Indien deze kaarten buiten het toepassingsbereik worden gelaten van de regels, betekent dit dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten naar deze dan ongereguleerde diensten kunnen uitwijken. De consument wordt dan niet beschermd bij het aangaan van krediet in de vorm van een kaart met uitgestelde debitering, waar deze bij andere vormen van krediet wel wordt beschermd. Bovendien leidt het uitzonderen van deze kaarten van het toepassingsbereik tot een ongelijk speelveld tussen aanbieders van consumptief krediet.
De kans bestaat dat de nationale keuze gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van kaarten met uitgestelde debitering voor Nederlandse consumenten, omdat Nederlandse partijen voornamelijk de Nederlandse markt zullen bedienen en daarmee aan meer regels moeten voldoen dan partijen die consumenten uit andere lidstaten bedienen. Tegelijkertijd vindt de regering het risico dat de kaart met uitgestelde debitering de nieuwe vorm van ongereguleerde «koop nu, betaal later» wordt zwaarder wegen. De regering heeft in het implementatiebesluit wel wijzigingen voorgesteld om de impact op de creditcardbranche te verzachten. Er is zoveel mogelijk rekening gehouden met het producttype van de kaart met uitgestelde debitering, zodat de aanbieders van deze kaarten hun bedrijfsmodel kunnen blijven hanteren. Het Besluit kredietvergoeding wordt bijvoorbeeld gewijzigd zodat bepaalde kosten (zoals kosten voor een additionele pas of kosten voor wisselkoersopslag bij transacties in vreemde valuta) buiten het Besluit Kredietvergoeding vallen en dus in rekening mogen worden blijven gebracht aan consument.
Deze leden vragen of de regering heeft onderzocht welke onbedoelde neveneffecten kunnen ontstaan als relatief laagrisico-betaalproducten onder een zwaarder regime worden gebracht. Bestaat het risico dat aanbieders bepaalde producten staken, kosten doorberekenen aan consumenten of de toegang tot betaalfaciliteiten beperken? Is in kaart gebracht of consumenten daardoor zullen uitwijken naar minder gereguleerde of minder transparante vormen van krediet?
De richtlijn schrijft dwingend voor dat bepaalde kredietovereenkomsten onder het toepassingsbereik van de kredietregels vallen. Waar het krediet in de vorm van uitgestelde debitering betreft en dus een nationale keuze, is door aanbieders daarvan gewezen op eventuele effecten op de markt. De kans bestaat dat de nationale keuze gevolgen heeft voor de kosten en de beschikbaarheid van kaarten met uitgestelde debitering voor Nederlandse consumenten alsmede de toegang daartoe. Tegelijkertijd vindt de regering het risico dat de kaart met uitgestelde debitering de nieuwe vorm van ongereguleerde «koop nu, betaal later» wordt zwaarder wegen. De regering heeft in het implementatiebesluit wijzigingen voorgesteld om de impact op de creditcardbranche te verzachten. Er is zoveel mogelijk geprobeerd rekening te houden met het producttype van de kaart met uitgestelde debitering, zodat de aanbieders van deze kaarten hun bedrijfsmodel kunnen blijven hanteren. Het Besluit kredietvergoeding wordt bijvoorbeeld gewijzigd zodat bepaalde kosten (zoals kosten voor een additionele pas of kosten voor wisselkoersopslag bij transacties in vreemde valuta) buiten het Besluit Kredietvergoeding vallen en dus in rekening mogen worden blijven gebracht aan consument. De regering ziet op dit moment geen evident ontwijkingsrisico naar ongereguleerde kredietvormen als alternatief voor de kaart met uitgestelde debitering. Het is de vraag of de gemiddelde consument die bijvoorbeeld de kaart met uitgestelde debitering gebruikt voor vakanties, voor dergelijk gebruik zich gaat wenden tot ongereguleerde kredietvormen.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat het noodzakelijk is om het onwenselijk onderscheid tussen wanneer een consument iets van een platform zelf koopt of via een aangesloten partij op te heffen. Deze leden vragen de regering welke keuzes omliggende landen hier maken? Maken deze landen ook deze keuze? Kan de regering toelichten waarom hier door de Richtlijn de mogelijkheid is geboden om hier onderscheid te kunnen maken?
Overweging 14 van de preambule van de richtlijn biedt aan lidstaten de ruimte om het toepassingsbereik van de richtlijn uit te breiden. Van deze mogelijkheid is in de implementatiewet gebruik gemaakt door ook kredietovereenkomsten in de vorm van uitgestelde betaling door platforms onder het toepassingsbereik te brengen. De regering heeft hiertoe besloten omdat anders de vreemde situatie kan ontstaan dat een consument die via een platform producten koopt, soms wel en soms niet wordt beschermd. Duitsland en Frankrijk reguleren platforms niet expliciet.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen de keuze om creditcards onder het toepassingsbereik van de richtlijn te laten vallen. Welke keuze maken de ons omringende landen? Kunnen Nederlandse consumenten dan een creditcard krijgen via een andere lidstaat om de wettelijke voorwaarden te kunnen omzeilen? Zo ja, wat zijn hiervan de mogelijke gevolgen en risico’s?
De richtlijn brengt krediet in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik. Lidstaten hebben de mogelijkheid om deze kaarten uit te zonderen op grond van artikel 2, vijfde lid, van de richtlijn. Zweden reguleert kaarten met uitgestelde debitering wel, maar schrijft geen verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling voor. Duitsland, Frankrijk en België reguleren de kaarten met uitgestelde debitering niet. Zij zonderen de kaarten uit van het toepassingsbereik van de richtlijn. In de implementatiewet worden deze kaarten in Nederland wel gereguleerd. Nu de richtlijn expliciet uitgaat van de mogelijkheid van regulering van deze kaarten door lidstaten, dienen aanbieders van deze kaarten die deze aanbieden op de Nederlandse markt de Nederlandse regels na te leven. Indien een aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering dus krediet in de vorm van een kaart met uitgestelde debitering aanbiedt aan consumenten in Nederland, valt dit onder de Nederlandse kredietregels in het BW en de Wft. De risico’s voor omzeiling worden daarom beperkt ingeschat.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen niet goed waarom kaarten met uitgestelde debitering via een lidstaatoptie onder toepassingsbereik van de Richtlijn kunnen worden gebracht. Deze leden achten het gezien de argumenten van de regering (onvoldoende en ongelijke consumentenbescherming en een ongelijk speelveld) onwenselijk wanneer hierover binnen de Unie verschillen ontstaan. Hoe ziet de regering dit?
Het is inderdaad onwenselijk als verschillen ontstaan tussen lidstaten als gevolg van de keuze om wel of niet gebruik te maken van de lidstaatoptie. De regering had liever gezien dat kaarten met uitgestelde debitering in de hele Europese Unie verplicht onder het toepassingsbereik van de richtlijn werden gebracht. Maar nu het een optie is, vindt de regering het zoals eerder en in de memorie van toelichting toegelicht van belang dat Nederland gebruik hiervan maakt.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de exacte invulling van de wetgeving voor kaarten met uitgestelde debitering. Klopt het dat de wet (en/of lagere regelgeving) voorschrijft dat aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering jaarlijks een controle moeten doen op kredietwaardigheid? In hoeverre acht de regering dit proportioneel gezien de huidige beperkte omvang van consumenten die betalingsachterstanden oplopen via hun kaart met uitgestelde debitering?
De wetgeving voor kaarten met uitgestelde debitering is hetzelfde als voor andere kredietvormen. Net als voor andere vormen van consumptief krediet gaat een verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling met een raadpleging bij het BKR gelden bij het aangaan van een kredietovereenkomst. Daarnaast zullen de regels met betrekking tot reclame, inclusief de reclameverboden, de precontractuele informatieverplichtingen en de standaardinformatie gelden. Ook gaat het besluit kredietvergoeding gelden voor kaarten met uitgestelde debitering. Hierin is geregeld dat de aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering bij een regelmatige afwikkeling jaarlijks maximaal € 60 aan kosten in rekening mogen brengen, bijvoorbeeld in de vorm van kaartkosten. Daarnaast mag een overboekings- en opnamevergoeding in rekening worden gebracht, maar die mag niet meer bedragen dan 2 of 3% van het opgenomen of overgeboekte bedrag. Bij niet nakoming geldt een ten hoogste toegelaten vertragingsvergoeding van € 20 tot een maximum van € 60 per kalenderjaar per kredietnemer.
In de consultatieversie van het implementatiebesluit stond opgenomen dat kredietaanbieders van consumptief krediet, waaronder de aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, jaarlijks een controle moeten doen op kredietwaardigheid. Dit is inmiddels aangepast naar aanleiding van de consultatie. In plaats van een jaarlijkse verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling wordt een actualisatiebeleid verplicht voor aanbieders van doorlopend krediet. Uit het beleid volgt in welke situaties er opnieuw een kredietwaardigheidsbeoordeling wordt uitgevoerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er gebruik gemaakt wordt van een lidstaatoptie om enkele precontractuele informatieverplichtingen niet van toepassing te verklaren op kaarten met uitgestelde debitering, «koop nu, betaal later»-diensten en kleine kredieten tot 200 euro. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om deze keuze nader te motiveren.
Er is gekozen voor deze lidstaatoptie met een uitzondering op de informatieverplichtingen, omdat dit volgens de regering vanuit het oogpunt van proportionaliteit en lastendruk toelaatbaar is. Voor kaarten met uitgestelde debitering geldt dat er op dit moment in de praktijk geen sprake is van grote achterstanden op deze kredietovereenkomsten. Dit geeft aanleiding voor een verlicht regime van precontractuele informatieverplichtingen. Voor «koop nu, betaal later»-diensten geldt dat deze overeenkomsten online en in korte tijd worden afgesloten, zodat het niet de verwachting is dat de consument in deze situaties de genoemde aanvullende precontractuele informatie zal lezen. De extra hoeveelheid informatie kan bovendien zelfs de kans vergroten dat de consument de kernelementen van de kredietovereenkomst over het hoofd ziet. Dit laatste geldt ook voor kleine kredieten tot een bedrag van € 200. Daarnaast is het ontvangen van precontractuele informatie niet het belangrijkste element ter voorkoming van overkreditering, maar de verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling en raadpleging van het BKR-register bij het aangaan van de kredietovereenkomst.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering voorbeelden te schetsen van micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet die als nevenactiviteit krediet aanbieden waarvoor de regering regelt dat zij een uitzondering krijgen van de verplichting om een vergunning aan te vragen bij de AFM? Wat is de schaal van een middelgrote aanbieder? Wat is een nevenactiviteit? Hoe klein moet deze nevenactiviteit zijn om tot nevenactiviteit te behoren?
Het gaat bijvoorbeeld om een kledingboetiek die uitstel van betaling via een «koop nu, betaal later»-aanbieder als betaaloptie aanbiedt in de winkel of webshop. Van een middelgrote onderneming is sprake als er minder dan 250 medewerkers zijn en bij een balanstotaal van maximaal EUR 43 mln. of jaaromzet van maximaal EUR 50 mln. Het begrip «nevenactiviteit» wordt niet gedefinieerd in de richtlijn. Het uitgangspunt bij een nevenactiviteit zoals beschreven in de memorie van toelichting is dat het verrichten van de activiteit niet de hoofdactiviteit is van de bemiddelaar in krediet en meer het karakter heeft van een ondersteunende activiteit. Een voorbeeld is een winkel die als hoofdactiviteit zich bezighoudt met het verkopen van kleding of andere goederen. De nevenactiviteit in het kader van bemiddelen in krediet is dan het aanbieden van achteraf betalen via een «koop nu, betaal later»-aanbieder als betaaloptie in de winkel.
De uitwerking van de nieuwe productinterventiebevoegdheid vindt plaats in lagere regelgeving, zo lezen de leden van de ChristenUnie-fractie. In welke regelgeving wordt dit uitgewerkt? Wat voor soort zaken worden neergelegd in de lagere regelgeving om de productinterventiebevoegdheid nader in te vullen en waarom heeft de regering gekozen dit niet op wetsniveau te doen?
In de implementatiewet is bepaald dat voor de uitoefening van de productinterventiebevoegdheid onder meer sprake moet zijn van een significante reden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. In het implementatiebesluit wordt vervolgens een (niet-limitatieve) opsomming van factoren opgenomen die de AFM in aanmerking kan nemen bij het bepalen of er sprake is van een significante reden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. Voorbeelden van factoren zijn de omvang van potentieel nadelige gevolgen voor de consument, het soort consument dat bij een gedraging of beleid betrokken is en aan wie het krediet wordt aangeboden. De uitwerking van deze nieuwe productinterventiebevoegdheid vindt plaats in een nieuw artikel in het BGfo (in artikel 115ad BGfo) dat wordt voorgesteld in het implementatiebesluit. De reden voor uitwerking in lagere regelgeving is dat eventuele wijzigingen in de nadere regels – indien noodzakelijk – sneller kunnen worden doorgevoerd. De hoofdvoorwaarden volgen echter uit de wet.
De leden van de D66-fractie begrijpen dat andere Europese landen ervoor kiezen om minder aanvullende maatregelen te treffen. Verwacht de regering dat dit negatieve effecten heeft voor de uitvoering van de maatregelen in Nederland?
De richtlijn heeft het karakter van maximumharmonisatie. Hierdoor zijn de regels in de lidstaten voor het overgrote deel gelijk en kan daarop toezicht worden gehouden. Tegelijkertijd biedt de richtlijn soms ruimte om andere keuzes te maken. Het is niet uit te sluiten dat regels tussen lidstaten als gevolg hiervan kunnen verschillen. Tegelijkertijd acht de regering de gemaakte keuzes uitvoerbaar voor de sector en ook de toezichthouders hebben dit bevestigd. Hierdoor verwacht de regering dat eventuele negatieve effecten beperkt zijn. Verder zullen verschillen in nationale implementatie in de contacten tussen de sector en toezichthouder aan de orde komen. De verschillen zullen ook, zoals genoemd in artikel 46, derde lid, van de richtlijn, onderwerp zijn van de evaluatie van de richtlijn door de Europese Commissie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen toe dat er eindelijk een wettelijk verbod komt op uitstel van betalingen voor jongeren. Deze leden vragen de regering hoe de regering effectief het verbod zal handhaven en hoe de sanctionering eruit ziet voor overtreders.
Het voorgestelde artikel 4:34b, waarin het publiekrechtelijk verbod staat opgenomen en de verplichting tot leeftijdsverificatie, wordt in artikel 10 Bbbfs beboetbaar gesteld met een boete van de derde categorie. Tevens staan de AFM andere minder zware handhavingsinstrumenten ter beschikking. Het Bbbfs wordt gewijzigd met het implementatiebesluit dat recent aan uw Kamer is aangeboden in het kader van een voorhangprocedure.
De leden van de CDA-fractie stellen vast dat aanbieders op grond van de richtlijn verplicht zijn deel te nemen aan het stelsel van kredietregistratie (in Nederland het BKR). De nadere voorwaarden voor registratie in het BKR worden echter geregeld in het wetsvoorstel Stelsel kredietregistratie, dat nog in behandeling moet worden genomen in het parlement. In dat licht vragen deze leden wat de voorgenomen inzet van de regering is ten aanzien van BKR-registraties in het kader van de implementatie van de CCDII. Deze leden vragen wanneer krediet precies wordt geregistreerd en of hierbij een minumumdrempelwaarde geldt en zo ja, welke. Daarnaast vragen deze leden hoe lang deze kredieten geregistreerd blijven. Ook vragen deze leden of bij deze registratie gekeken wordt naar het effect van stapeling van verschillende kleine kredieten. Als laatste vragen deze leden of elke vorm van krediet ongeacht de hoogte van het krediet wordt getoetst.
Registratie wordt geregeld in het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie, en is dus geen onderdeel van de richtlijn die door middel van de implementatiewet geïmplementeerd wordt. Totdat de wet stelsel kredietregistratie gaat gelden, blijft de huidige werkwijze van het BKR van kracht, zoals vastgelegd in het algemeen reglement van het BKR. Overeenkomsten met een kredietbedrag vanaf € 250 met een looptijd van meer dan één maand worden geregistreerd bij het BKR (positieve registratie). Daarnaast worden betalingsachterstanden in het geval van meerdere achterstallige termijnen geregistreerd (negatieve registratie). De gegevens met betrekking tot overeenkomsten met een kredietbedrag vanaf € 250 met een looptijd van meer dan één maand worden vijf jaar geregistreerd na afloop van de kredietovereenkomst. De gegevens met betrekking tot betalingsachterstanden worden vijf geregistreerd na het aflossen van de achterstand.
Het gevolg van de drempelwaarde is dat kleine kortlopende kredieten niet in alle gevallen worden geregistreerd in het BKR, omdat een consument bij meerdere aanbieders kredieten onder de € 250 kan aanvragen waarna deze niet positief worden geregistreerd bij het BKR. Daar kan dus stapeling optreden. Tegelijkertijd kan niet bij dezelfde aanbieder worden gestapeld en worden achterstanden wel vanaf € 0 geregistreerd.
Voor raadpleging van het BKR geldt dat in het implementatiebesluit, via wijziging van artikel 114 BGfo, wordt bepaald dat een kredietaanbieder bij ieder te verstrekken krediet het BKR dient te raadplegen. Eerst bestond er een grens voor raadpleging van kredieten vanaf € 250, maar deze komt te vervallen.
Naast mogelijke onduidelijkheid voor kredietnemers voorzien de leden van de CDA-fractie ook implementatieproblemen voor kredietverstrekkers indien deze parameters bij inwerkingtreding van de CCDII nog niet volledig zijn uitgekristalliseerd. Deze leden vragen op welke wijze deze samenloop tussen beide trajecten wordt gemitigeerd en hoe geborgd wordt dat dit niet leidt tot uitvoeringsproblemen of inconsistenties in de praktijk.
De implementatiewet heeft een toepassingsdatum die niet kan worden uitgesteld. Ondertussen wordt verder gewerkt aan het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie, waarop recent een tweede wetgevingstoets van de AP is ontvangen. Totdat de wet stelsel kredietregistratie in werking is getreden geldt de huidige situatie. Hiermee wordt voorkomen dat beide wetsvoorstellen door elkaar heen gaan lopen.
De leden van de CDA-fractie staan achter een verbod op BNPL-diensten aan minderjarigen. Alleen wanneer er sprake is van toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger (ouders, voogd) is er een uitzondering. Deze leden vragen echter op welke wijze wordt geborgd dat een dergelijke toestemmingsverklaring daadwerkelijk ondubbelzinnig, expliciet en verifieerbaar door de ouder zelf wordt afgegeven en niet kan worden omzeild of gefingeerd.
Een toestemmingsverklaring volstaat niet voor krediet in de vorm van uitstel van betaling van roerende zaken of diensten. Minderjarigen kunnen deze overeenkomsten dus niet gebruiken, ook niet met toestemming.
Deze leden benadrukken dat een wettelijk verbod op BNPL voor minderjarigen uiteindelijk staat of valt met effectieve handhaving en naleving in de praktijk. Hoewel verankering in de Wft en het BW hierbij een belangrijke basis vormt, achten deze leden het van belang dat ook de platforms zelf een actieve en controleerbare rol vervullen in de naleving. Deze leden vragen op welke wijze hier concreet op ingezet wordt. Deze leden vragen ook welke eisen gesteld worden aan de verificatie van ouderlijke toestemming en hoe gecontroleerd wordt dat aanbieders deze verplichtingen niet slechts formeel, maar ook materieel naleven.
Het voorgestelde artikel 4:34b Wft, waarin het publiekrechtelijk verbod staat opgenomen en de verplichting tot leeftijdsverificatie bij «koop nu, betaal later», wordt in artikel 10 Besluit bestuurlijke boetes beboetbaar gesteld met een boete van de derde categorie. Tevens staan de AFM andere, minder zware handhavingsinstrumenten ter beschikking. Toestemming van een wettelijke vertegenwoordiger is bij krediet in de vorm van uitgestelde betaling uitgesloten. Ook met die toestemming is het aangaan van een dergelijk krediet met een minderjarige niet toegestaan. Waar het gaat om andere vormen van krediet is dit wel toegestaan. Artikel 4:34b Wft vereist als lex specialis een ondubbelzinnige en duidelijke bevestigende handeling. Dit is een zwaar vereiste en legt het risico van onvolledige controle van de leeftijd bij de aanbieder.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er nog recenter onderzoek beschikbaar is over hoeveel transacties er zijn gedaan via rekeningen op naam van een minderjarige aan BNPL-aanbieders dan het onderzoek uit 2023 wat genoemd wordt in de memorie van toelichting? Is bekend of de gedragscode materieel effect heeft gehad? Aanvullend vragen deze leden of er ook cijfers beschikbaar zijn over het gebruik door minderjarigen van «koop nu, betaal later»-diensten via platforms die uitgestelde betaling aanbieden?
Voor zover bekend is er geen recenter openbaar onderzoek beschikbaar dat opnieuw heeft gemeten hoeveel transacties via rekeningen op naam van minderjarigen zijn gedaan bij «koop nu, betaal later»-aanbieders. De meest recente gepubliceerde meting is het onderzoek van de AFM, gepubliceerd in april 2024.
De AFM heeft in haar Buy Now, Pay Later Marktupdate 202513 geen nieuwe cijfers gepubliceerd over het aantal transacties door minderjarigen. Wel verwijst zij daarin opnieuw naar de eerder vastgestelde circa 600.000 mogelijke «koop nu, betaal later»-transacties door minderjarigen in 2023 en constateert zij dat aanbieders inmiddels aanvullende maatregelen hebben genomen om minderjarigen uit te sluiten. Voor zover bekend zijn geen afzonderlijke cijfers beschikbaar over het gebruik van uitgestelde betaalmogelijkheden door minderjarigen via e-commerceplatforms die zelf achteraf betalen aanbieden. De AFM heeft wel onderzoek gepubliceerd naar het gebruik van «koop nu, betaal later» door minderjarigen bij «koop nu, betaal later»-aanbieders en heeft daarnaast in haar Buy Now, Pay Later Marktupdate 2025 gerapporteerd over het gebruik van achteraf betalen via grote e-commerceplatforms. De AFM heeft daarbij echter geen uitsplitsing naar minderjarige gebruikers van deze platformdiensten gepubliceerd.
Er zijn aanwijzingen dat de Gedragscode BNPL effect heeft gehad. Uit de jaarlijkse zelfevaluatie van de bij de gedragscode aangesloten aanbieders blijkt onder meer dat het aandeel transacties waarbij incassokosten in rekening zijn gebracht is gedaald van 4,0% naar 2,59% en dat het aandeel transacties dat is doorgezet naar een incassobureau is afgenomen van 0,84% naar 0,75%. Daarnaast is het aantal afgewezen transacties van consumenten die eerder een ingebrekestelling hebben ontvangen gestegen van circa 0,9 miljoen naar circa 1,8 miljoen. Dit laatste hangt samen met de in de gedragscode opgenomen afspraak dat aan deze consumenten geen nieuwe «koop nu, betaal later»-diensten worden verleend.
Op basis van deze cijfers lijkt de gedragscode bij te dragen aan het terugdringen van betalingsachterstanden en incassotrajecten. Tegelijkertijd kan niet vastgesteld worden in welke mate de waargenomen verbeteringen rechtstreeks aan de gedragscode zijn toe te schrijven omdat geen onafhankelijke evaluatie is uitgevoerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat een overeenkomst die gesloten is met een minderjarige die niet voldoet aan artikel 7:75, vierde lid, van het BW vernietigbaar is. Deze leden vragen in hoeverre deze vernietigbaarheid ook geldt voor de andere wettelijke voorwaarden die aan kredietovereenkomsten worden gesteld, bijvoorbeeld rond kredietwaardigheidsbeoordelingen?
De verplichtingen in de Wft zijn in beginsel toezichtrechtelijk van aard en zijn via die weg gesanctioneerd. De rechter moet op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie toetsen of bij de totstandkoming van de kredietovereenkomsten aan bepalingen inzake voorkomen van overkreditering is voldaan. Als blijkt dat sprake is van schending van informatieplichten of de kredietwaardigheidstoets, dan kan dit leiden tot vernietiging van de kredietovereenkomsten. In de rechtspraak heeft in individuele gevallen een ontoereikende kredietwaardigheidsbeoordeling geleid tot vernietiging van de rechtshandeling.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de kredietwaardigheidstoets verder wordt uitgebreid. Deze leden begrijpen het belang van een zorgvuldige toetsing, maar vragen tegelijkertijd aandacht voor proportionaliteit en privacy. Kan de regering verduidelijken of bij iedere kleine transactie inkomens- en uitgavengegevens moeten worden verzameld? Hoe verhoudt dit zich tot het principe van dataminimalisatie en het beperken van administratieve lasten voor consumenten en ondernemers? Is de regering bereid om ruimte te bieden voor een risico-gebaseerde en proportionele benadering bij laag-risico kredieten?
Er wordt niet voorgeschreven om bij iedere kleine transactie inkomens- en uitgavengegevens te verzamelen. Indien het passend is naar de omstandigheden, hoeven voor een kredietwaardigheidsbeoordeling geen inkomsten of uitgaveninformatie te worden opgevraagd. Bij hele kleine kredieten in de vorm van uitgestelde betaling is dat voorstelbaar. Indien informatie over inkomsten en lasten van de consument wel noodzakelijk is om een passende kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, dient dit wel te worden opgevraagd en geverifieerd. In het implementatiebesluit is daarnaast opgenomen dat bij kredieten onder de € 100 een kredietwaardigheidsbeoordeling volstaat waarbij het BKR wordt geraadpleegd en het CCBR.
De ruimte die de richtlijn en de implementatiewet geeft voor het toepassen van proportionaliteit bij de kredietwaardigheidsbeoordeling, maakt dat aanbieders, samen met de toezichthouder, kunnen beoordelen welke gegevens van de consument nodig zijn per soort krediet. Daarbij zal een aanbieder de afweging maken tussen informatie die daadwerkelijk bijdraagt aan de risicobeoordeling en informatie geeft over de kredietwaardigheid van de consument versus de administratieve lasten die daarmee gepaard gaan voor zowel de aanbieder zelf als de consument.
In diverse position papers wordt breed gewaarschuwd dat standaard externe verificatie van financiële gegevens leidt tot grootschalige verwerking van gevoelige persoonsgegevens, terwijl het merendeel van deze kredieten probleemloos wordt terugbetaald. Dit raakt volgens de leden van de VVD-fractie aan het AVG-beginsel van dataminimalisatie. Hoe verhoudt de verplichte gegevensverzameling en -verificatie zich tot het beginsel van dataminimalisatie onder de AVG en is overwogen de Autoriteit Persoonsgegevens hierover expliciet te betrekken?
De AP heeft een wetgevingstoets uitgevoerd op de implementatiewet. De AP heeft in haar advies op de implementatiewet geschreven dat het beginsel van dataminimalisatie geldt in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling zal de aanbieder dan ook dit beginsel moeten wegen, naast de weging welke informatie daadwerkelijk nodig is om tot een gedegen beoordeling te komen over de kredietwaardigheid van de consument.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel toestaat dat bijzondere categorieën van persoonsgegevens tijdelijk worden verwerkt om deze te «lakken» voordat zij worden gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. Dit wordt gerechtvaardigd vanuit een zwaarwegend algemeen belang. Hoe wordt voorkomen dat deze tijdelijke verwerking in de praktijk leidt tot ruimere gegevensverzameling dan strikt noodzakelijk en hoe wordt hier effectief toezicht op gehouden?
De richtlijn verbiedt in artikel 18, derde lid dat de kredietwaardigheidsbeoordeling wordt uitgevoerd met informatie die bestaat uit bijzondere categorieën van persoonsgegevens en wordt geïmplementeerd met een voorgesteld nieuw artikel 4:34a Wft. Het artikel schrijft verder voor dat het lakken van deze gegevens dient te gebeuren door een aparte afdeling van de aanbieder van krediet of een derde die niet betrokken is bij de totstandkoming van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Voor de partij of afdeling die de informatie opvraagt geldt, ook in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling, het beginsel van dataminimalisatie. De hierboven genoemde verwerking mag alleen plaatsvinden onder strikte voorwaarden. De verwerking mag er alleen toe dienen om de van de consument voor de kredietwaardigheidsbeoordeling verkregen informatie te controleren op de aanwezigheid van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en deze, waar aanwezig, te verwijderen. Deze verwerking moet bovendien als doel hebben dat de geschoonde informatie uiteindelijk wordt gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling (de informatie mag dus niet ergens anders voor worden gebruikt). De AFM houdt toezicht op de norm voor verantwoorde kredietverstrekking in de Wft en de AP is de bevoegde toezichthouder wat betreft de verwerking van persoonsgegevens conform de AVG.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de voorgestelde gegevensverzameling zich verhoudt tot het beginsel van gegevensminimalisatie onder de AVG. Kan de regering toelichten welke gegevens minimaal noodzakelijk zijn voor de kredietwaardigheidsbeoordeling en welke gegevens aanbieders juist niet zouden moeten opvragen? Hoe wordt voorkomen dat aanbieders uit toezichtsvrees meer persoonsgegevens verzamelen dan noodzakelijk?
De AP heeft in haar advies op de implementatiewet geschreven dat het beginsel van dataminimalisatie geldt in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling zal de aanbieder dan ook dit beginsel moeten wegen, naast de weging welke informatie daadwerkelijk nodig is om tot een gedegen beoordeling te komen over de kredietwaardigheid van de consument. De bepaling in zowel de richtlijn als implementatiewet ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoordeling betreft een open norm. Uit deze norm volgt enkel dat de kredietwaardigheidsbeoordeling wordt uitgevoerd op basis van relevante en nauwkeurige informatie inzake het inkomen en de uitgaven van de consument en andere financiële en economische omstandigheden, die noodzakelijk is en evenredig met de aard, duur, waarde en risico's van het krediet voor de consument. Welke gegevens minimaal noodzakelijk zijn is aan de aanbieder van krediet om te bepalen, eventueel samen met de toezichthouder. In dat kader worden op dit moment door de VFN nieuwe leennormen ontwikkeld, in overleg met de AFM en het Ministerie van Financiën. De leennormen worden in beginsel sectorbreed gedragen, maar het staat aanbieders die niet zijn aangesloten bij de VFN om een eigen beleid over leennormen te voeren. Er dient een balans te worden gevonden tussen enerzijds het beginsel van dataminimalisatie en anderzijds een zinvolle kredietwaardigheidsbeoordeling. Die balans kan worden gevonden in de open norm van een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling. Zowel de AFM als de AP zijn bevoegd als toezichthouder om toe te zien op het naleven van deze normen. Dit verkleint het risico dat de balans naar één kant doorslaat. Tot slot hebben aanbieders ook een commercieel belang om niet meer informatie bij de consument op te vragen dan noodzakelijk. Bijvoorbeeld omdat consumenten kiezen om niet over te gaan tot het sluiten van het krediet wanneer te veel informatie versterkt moet worden of het verstrekken van het krediet door de hoeveelheid informatie niet snel genoeg kan worden gedaan.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of er informatie bekend is over het aantal transacties en de omvang daarvan van de 10 aanbieders van krediet in de subcategorie «koop nu, betaal later»-diensten? Voorts vragen deze leden of het doel van deze implementatiewet is om de omvang hiervan terug te dringen?
In de memorie van toelichting wordt gesproken van tien aanbieders die actief zijn in Nederland, waarvan drie platforms. Deze aantallen zijn aan verandering onderhevig gezien de concurrentie op de markt. Er is informatie bekend over het aantal transacties en de omvang daarvan van vier aanbieders van krediet in de categorie «koop nu, betaal later»-diensten. Deze informatie komt uit de Buy Now Pay Later Marktupdate 2025 van de AFM. Deze marktupdate is gebaseerd op vier aanbieders die zich hebben gecommitteerd aan de Gedragscode BNPL, te weten Billink, in3, Klarna en Riverty. Bekend is dat er in 2024 zo'n 53 miljoen «koop nu, betaal later»-transacties plaatsvonden met een gemiddelde waarde van € 96,60. Deze vier kredietaanbieders hadden zo'n 5,5 miljoen gebruikers in 2024. In dezelfde marktupdate is ook aandacht besteed aan drie grote e-commerce platforms die achteraf betalen aanbieden: Amazon, Bol en Zalando. De drie e-commerceplatforms hadden in 2024 zo'n 4,4 miljoen (niet unieke) gebruikers, waardoor de AFM concludeerde dat in termen van gebruikersaantallen de drie e-commerceplatforms op het gebied van achteraf betalen bijna even groot zijn als de «koop nu, betaal later»-sector. Het doel van de implementatiewet is niet om de omvang van het aantal partijen, aantal transacties of omvang van transacties terug te dringen. Het doel van de implementatiewet is het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming en het bevorderen van de interne markt.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat aanbieders die bekend staan om hun «koop nu, betaal later»-diensten andere wegen zoeken om hun producten aan de man te brengen, waaronder kaarten met uitgestelde debitering (ofwel creditcards). Deze leden vragen de regering uiteen te zetten in hoeverre de kosten en de wettelijke vereisten overeenkomen dan wel verschillen voor het te laat betalen van het tegoed op de creditcard ten opzichte van de kosten voor het te laat betalen van de «koop nu, betaal later»-vordering?
Met het implementatiebesluit wordt het Besluit kredietvergoeding gewijzigd zodat aanbieders die krediet aanbieden zonder rentevaste kredietkosten mogen rekenen, inclusief vaste kosten voor niet-nakoming. Voor aanbieders die krediet aanbieden en daarbij rente rekenen blijven de bestaande regels van de maximale kredietvergoeding uitgedrukt in een rentepercentage van toepassing. Aanbieders kunnen afhankelijk van de kredietvorm (mét of zonder rente) kiezen voor één van deze twee regimes.
Met deze wijziging is beoogd het voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering mogelijk te maken zowel de gebruikelijke kaartkosten, als de transactiegerelateerde kosten (gedefinieerd als de overboekings- of opnamevergoeding) te blijven rekenen. Wel worden de kaartkosten gemaximeerd op een totaal van € 60 per jaar, en de overboekings- of opnamevergoeding op 3% per overboeking of opname. Deze regels gaan ook gelden voor «koop nu, betaal later»-krediet, waardoor aanbieders hiervan deze kosten ook in rekening mogen brengen.
Voor uitstel van betaling (dus zowel kaarten met uitgestelde debitering als «koop nu, betaal later»-diensten), waarbij geen rente in rekening wordt gebracht, is in het Besluit Kredietvergoeding een maximumvertragingsvergoeding in de vorm van (i) een maximumbedrag van € 20 per keer dat een kredietnemer niet nakomt en in gebreke is gesteld en (ii) een maximumbedrag van € 60 dat een kredietgever in totaal per jaar per kredietnemer in rekening mag brengen opgenomen. Een vertragingsvergoeding mag bovendien pas in rekening worden gebracht als de betalingstermijn is verstreken en de kredietnemer schriftelijk is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen na aanmaning. Het implementatiebesluit is recentelijk aangeboden aan beide Kamers der Staten-Generaal in het kader van een voorhangprocedure.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat consumenten gebruik maken van het leasen van witgoed. Deze leden achten dat onverstandig en onwenselijk. Hoe beschouwt de regering dit? Wat is de verwachting van de regering over het gebruik van deze huur- en leasingsovereenkomsten nu zij onder toepassingsgebied van de richtlijn worden gebracht?
Private lease voor witgoed betreft veelal operational lease, oftewel, een soort huurovereenkomst waarbij het goed niet in eigendom komt van de consument na afloop van de overeenkomst. Operational lease of financial lease zijn geen termen in de wet. Het verschil zit erin dat bij financial lease de eigendomsoverdracht aan het einde van de overeenkomst plaatsvindt en bij operational lease in beginsel niet. Operational lease zonder optie tot koop is en blijft uitgezonderd van de Wft op grond van de richtlijn. In de richtlijn is het toepassingsgebied wel uitgebreid in die zin dat operational lease met optie tot koop daaronder is gebracht. Naar verwachting zal het gebruik van de huur- en leasingovereenkomsten met betrekking tot witgoed niet sterk beïnvloed worden door de implementatie van de richtlijn, omdat die dus veelal operational lease zonder optie tot koop behelst en dus uitgezonderd blijft van het toepassingsbereik van de wet.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat huur- of leasingsovereenkomsten zonder optie tot koop al onder toepassingsbereik van de richtlijn waren gebracht? Deze leden vragen aanvullend wat de redenering is achter het onderscheid tussen een optie met of zonder koop?
Alleen financial lease (leasingovereenkomst met verplichting tot koop) viel al onder het toepassingsbereik van de vorige richtlijn en valt onder de huidige kredietregels. Operational lease werd in zijn geheel niet gereguleerd door de richtlijn. Met de nieuwe richtlijn is het toepassingsbereik uitbreid naar operational lease indien sprake is van een optie tot koop. Als ook geen sprake is van optie tot koop, is er sprake van een huurovereenkomst. Huurovereenkomsten kwalificeren niet als krediet in de zin van de richtlijn en de Wft.
Wat zijn de huidige wettelijke vereisten aan aanbieders van autolease en op welke belangrijke punten gaat de wetgeving voor hen veranderen?
Voor autolease waarbij sprake is van financial lease (dus eigendomsoverdracht) geldt reeds op grond van de oude richtlijn dat de dienst kwalificeert als krediet en de Wft van toepassing is op aanbieders van deze leasevorm. Als gevolg van de implementatiewet is de Wft straks ook van toepassing op operational autoleaseovereenkomsten met intentie of optie tot koop. Dit betekent onder meer dat aanbieders van dit type overeenkomsten een vergunning moeten aanvragen bij de AFM en onder toezicht komen te staan. Verder zijn onder andere diverse informatieverplichtingen en reclameregels van toepassing, is een BKR-check verplicht en een kredietwaardigheidsbeoordeling. Waar geen optie tot koop wordt geboden en geen sprake is van een intentie van de aanbieder dat de consument op enig moment het object in eigendom verkrijgt, valt de overeenkomst buiten het toepassingsbereik van de kredietregels en zijn deze dus niet van toepassing. Overigens geldt momenteel wel voor 98% van de Nederlandse autoleasemaatschappijen dat zij zijn aangesloten bij het Keurmerk private lease (zelfregulering). Dit keurmerk mag alleen door deze maatschappijen worden gedragen als zij enkele consumentenbeschermende maatregelen nemen, zoals het aanbieden van uniforme, redelijke algemene voorwaarden en het opnemen van een bedenktijd van veertien dagen.
Nieuwe en bestaande aanbieders van krediet worden met de implementatiewet verplicht een mate van respijt aan te houden alvorens een tenuitvoerleggingsprocedure te beginnen. De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd wat de huidige wettelijke bepalingen hieromtrent zijn? Zijn bestaande aanbieders nu in het geheel niet wettelijk verplicht een mate van respijt aan te houden? Welke eisen worden gesteld aan deze «mate van respijt»?
De verplichting om waar passend respijtmaatregelen aan te bieden volgt uit de Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 betreffende kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van Richtlijn 2008/48/EG (richtlijn kredietservicers en kredietkopers). Deze zijn reeds geïmplementeerd in artikel 4:35a, Wft en artikel 7:70a BW. De richtlijn bevat enkel een aantal beperkte wijzigingen ten opzichte van het artikel uit de richtlijn kredietservicers en kredietkopers. Ten aanzien van consumentenkrediet golden voor de inwerkingtreding van de richtlijn kredietservicers en kredietkopers geen specifieke verplichtingen tot respijtmaatregelen. Wel gold de algemene zorgplicht voor financiële dienstverleners uit de Wft op grond van artikel 4:24a Wft en een algemene, contractuele zorgplicht op grond van artikel 7:401 BW. Uit de Wft-zorgplicht volgt de verplichting om de consument op een eerlijke, billijke en professionele wijze te behandelen en het belang van de consument of de begunstigde bij die dienst centraal te stellen. Het bieden van respijtmaatregelen bij betalingsproblemen kan volgen uit deze zorgplicht. De mate van respijt die wordt geboden aan de consument hangt af van de individuele omstandigheden van de consument, zoals de belangen en rechten van de consument, zijn of haar vermogen om het krediet af te lossen en redelijke kosten van levensonderhoud van de consument. De aanbieder van krediet moet de kosten voor consumenten bij niet-nakoming beperken. De respijtmaatregelen die geboden kunnen worden zijn bijvoorbeeld: een totale of gedeeltelijke herfinanciering van een kredietovereenkomst, of een wijziging van de bestaande voorwaarden van een kredietovereenkomst, die bijvoorbeeld betrekking hebben op verlenging van de duur van de kredietovereenkomst, wijziging van het soort kredietovereenkomst, uitstel van betaling voor de volledige of een deel van de aflossing van krediettermijnen gedurende een bepaalde periode, verlaging van de debetrentevoet, het aanbieden van een betalingsvrije periode, gedeeltelijke aflossingen, valutaomrekeningen, gedeeltelijke kwijtschelding en schuldconsolidatie.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of aanbieders voor elke transactie die via «koop nu, betaal later»-diensten worden gedaan een toets moet doen bij BKR en het krediet moet registreren bij BKR?
Bij elk aangaan van een kredietovereenkomst, waaronder een «koop nu, betaal later»-krediet dient een BKR-toets plaats te vinden. Indien de kredietaanbieders van «koop nu, betaal later»-krediet een doorlopend krediet aanbieden waarbij sprake is van een kredietlimiet, dan is alleen bij het aangaan of een verhoging van het kredietbedrag raadpleging van het BKR verplicht omdat dan een nieuwe kredietovereenkomst tot stand komt. Registratie van een krediet vindt pas plaats bij kredieten met een looptijd langer dan een maand en met een som van meer dan € 250. De registratie van krediet volgt echter niet uit de richtlijn, maar is al de huidige praktijk en wordt onderdeel van het wetsvoorstel stelstel kredietregistratie.
Deze leden missen in de memorie van toelichting een nadere beschouwing op de rol van BKR in het licht van dit wetsvoorstel. Ze verzoeken de regering de rol van het BKR nader toe te lichten. Wat is de totale verwachte toename van het gebruik van BKR? In hoeverre is BKR hierop voorbereid en in staat om aan de verwachte vraagtoename te kunnen voldoen?
Het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie geeft wettelijke waarborgen voor de huidige praktijk van kredietregistratie door van het beheer van het stelsel van kredietregistratie een wettelijke taak te maken. Dit wetsvoorstel beoogt de wettelijke taak van het beheer van het stelsel van kredietregistratie te beleggen bij het BKR, zodat het BKR de kredietregistratie blijft uitvoeren. De kaders waarbinnen BKR deze werkzaamheden kan uitvoeren en de voorwaarden waaronder een krediet geregistreerd moet worden, komen in dit wetsvoorstel aan de orde.
De implementatiewet leidt mogelijk tot een toename van de raadpleging van het register door aanbieders van krediet. Het is op dit moment niet mogelijk om een meer kwantitatieve duiding te geven voor een toename van het gebruik van het BKR. Dat hangt samen met verschillende factoren, zoals het feit dat de Nederlandse implementatiewet inclusief de lagere regelgeving nog niet definitief is vastgesteld. De precieze Nederlandse invulling bepaalt uiteindelijk in belangrijke mate welke producten, aanbieders en raadpleegmomenten daadwerkelijk onder de verplichtingen gaan vallen en of daarbij sprake zal zijn van een transitieperiode voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering. Daarnaast streven sommige aanbieders van uitgesteld betalen mogelijk naar impactminimalisatie door in de dienstverlening een doorlopend krediet aan te bieden met een bestedingslimiet en andere niet. Het BKR houdt daarom mede rekening met een initiële piek in het aantal raadplegingen op het kredietregister ten behoeve van de acceptatiebeoordelingen.
Op basis van dit samenstel van factoren en ontwikkelingen werkt het BKR vooralsnog met scenario’s en bandbreedtes in plaats van met één vastomlijnd eindbeeld. Tot op heden heeft het BKR nog geen formele verzoeken ontvangen van nieuwe partijen om zich aan te sluiten bij het kredietregister. Het BKR geeft aan voorbereid te zijn en blijft zich tijdens de verdere implementatieperiode adequaat voorbereiden op een toename van het gebruik van het kredietregister.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het klopt dat onder de huidige Wft conform artikel 4:32, eerste lid, en artikel 11, vierde lid, van de BGfo kredietaanbieders enkel verplicht zijn deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie? Klopt het dat de wet Stichting BKR niet bij naam aanwijst, noch een wettelijke taak toekent? Deze leden vragen de regering om een nadere beschouwing van de taak en rol van Stichting BKR in het licht van voorliggend wetsvoorstel. Klopt het tevens dat de Hoge Raad in 2021 expliciet heeft geoordeeld dat registratie door BKR berust op zelfregulering door de financiële sector en niet op een wettelijke plicht?
Onder de huidige Wft zijn kredietaanbieders van consumptief krediet verplicht deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. In de praktijk is er één stelsel van kredietregistratie in Nederland, namelijk het BKR. In de Wft en het BGfo wordt het BKR niet bij naam aangewezen. Het BKR is in 1965 opgericht door de banken en financiële dienstverleners in Nederland. De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 december 2021 inderdaad geoordeeld dat het Centraal Krediet Informatie Systeem van het BKR, waarin de betalingsachterstanden bij kredietovereenkomsten worden vermeld, berust op zelfregulering door de financiële sector en niet op een wettelijke plicht.14 In het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie wordt van het beheer van een stelsel van kredietregistratie een wettelijke taak gemaakt. Het legt de voorwaarden voor een bestendig, hoogwaardig en objectief stelsel van kredietregistratie vast. De wettelijke taak zal met een aanwijzingsbesluit worden toegewezen aan het BKR.
De leden van de VVD-fractie lezen dat voor mkb-ondernemingen verschillende uitzonderingen en lichtere regimes worden gehanteerd, met name bij bemiddeling in krediet als nevenactiviteit. Tegelijkertijd worden grote online aanbieders strenger gereguleerd. Hoe wordt voorkomen dat de grens tussen mkb en grootbedrijf leidt tot strategisch gedrag of ontwijkconstructies?
De richtlijn verwijst naar de definities in de Aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen. De grens om tot mkb in de zin van de richtlijn te behoren is duidelijk. Het gaat om ondernemingen met maximaal 250 medewerkers en een balanstotaal van maximaal EUR 43 mln. of EUR 50 mln. omzet. Pas boven die grenzen kwalificeert een onderneming tot het grootbedrijf. Er zullen dus veel ondernemingen onder lichte regimes vallen. Waar het gaat om aanbieders is de grootte relevant in het kader van de uitzondering van artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, van de Wft. Waar het gaat om mkb-bemiddelaars zijn zij uitgezonderd van een vergunningplicht en waar zij kwalificeren als grootbedrijf, dienen zij geregistreerd te zijn als bemiddelaar. De aanbieder is verantwoordelijk voor de registratie van deze bemiddelaar. Het is niet mogelijk om in het kader van de registratieplicht of vrijstelling van bemiddelaars van deze definities van mkb-ondernemingen af te wijken.
Deze leden lezen voorts dat de AFM met het voorliggende wetsvoorstel een nieuwe productinterventiebevoegdheid krijgt om kredietproducten of marktpraktijken te verbieden of te beperken. De regering benadrukt dat deze bevoegdheid terughoudend zal worden ingezet. Welke concrete waarborgen bestaan er om te voorkomen dat deze bevoegdheid leidt tot rechtsonzekerheid of een rem op innovatie?
De concrete waarborgen zijn de voorwaarden die staan opgesomd in het wetsartikel voor uitoefening van de productinterventiebevoegdheid. Deze bevoegdheid mag uitsluitend worden uitgeoefend indien aan die voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat ingrijpen slechts mogelijk is indien, naar het redelijke oordeel van de AFM, de bestaande handhavingsmogelijkheden niet toereikend zijn en het krediet of de marktpraktijk een significante reden vormt tot bezorgdheid over de consumentenbescherming.
De AFM heeft aangegeven dat de verwachte toezichtpopulatie aanzienlijk groter is dan waarmee in het kostenkader rekening is gehouden, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Dit kan gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid van het toezicht. Hoe borgt de regering dat de AFM over voldoende capaciteit beschikt zonder dat dit leidt tot onevenredige kostenstijgingen voor marktpartijen?
De kosten voor doorlopend toezicht zullen worden gedekt door de marktpartijen waarop toezicht wordt ingesteld. Indien meer capaciteit nodig is om toezichttaken uit te voeren dan is toegewezen, zal de AFM eerst nagaan of de benodigde capaciteit kan worden opgevangen binnen haar begroting en bijbehorend kostenkader. Als dit niet mogelijk is, zal de regering in gesprek gaan met de AFM om een passende oplossing te vinden.
De leden van de VVD-fractie lezen dat kredietgevers consumenten met financiële moeilijkheden vroegtijdig moeten opsporen en ondersteunen, maar dat hiervoor geen aanvullende wettelijke grondslag voor verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk wordt geacht. Kan de regering nader toelichten op welke bestaande wettelijke grondslag kredietgevers deze persoonsgegevens verwerken?
De verplichting voor aanbieders van krediet om financiële moeilijkheden vroegtijdig op te sporen volgt uit artikel 36 van de richtlijn en wordt geïmplementeerd in het voorgestelde artikel 4:35b Wft. Mogelijk geeft deze richtlijnbepaling onvoldoende grondslag om persoonsgegevens te verwerken. De regering onderzoekt momenteel of het nodig is om een grondslag alsnog toe te voegen.
De leden van de PVV-fractie wijzen op de nalevingskosten voor nieuwe aanbieders, die volgens de regering kunnen oplopen tot 368.986 euro per aanbieder. Is de regering niet bang dat door deze enorme kostenstijging het aanbod van kleine, kortlopende kredieten zal verschralen of onbetaalbaar wordt voor de gewone burger?
Kleine kortlopende kredieten zoals «koop nu, betaal later»-diensten komen voor het eerst onder het toepassingsbereik te vallen. Het klopt dat daarmee lasten gepaard gaan voor aanbieders. Deze kosten worden gemaakt om de consumenten te beschermen die nu het risico lopen bij deze diensten schulden op te bouwen. Het is de verwachting dat de kosten in ieder geval deels zullen worden doorberekend. Tegelijkertijd zijn de kosten die aan de consument in rekening mogen worden gebracht gemaximeerd. De kostenstijging zou kunnen leiden tot meer concurrentie en eventueel marktconsolidatie, maar de regering verwacht niet dat daarmee het aanbod van kleine, kortlopende kredieten zal verdwijnen.
Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de nieuwe processen voor kredietwaardigheidsbeoordeling – inclusief de complexe regels rondom het lakken van persoonsgegevens – leiden tot extra kosten die uiteindelijk door de consument betaald moeten worden.
In de memorie van toelichting is in de paragraaf over de financiële gevolgen van de implementatiewet ingegaan op de nalevingskosten die zullen ontstaan door naleving van de verplichtingen die volgen uit de implementatiewet. De kredietwaardigheidsbeoordeling zal voor nieuwe aanbieders eenmalige en structurele nalevingskosten opleveren. Per aanbieder worden de eenmalige nalevingskosten voor het inrichten van processen en het opstellen van beleid geschat op € 25.000 tot € 250.000. De structurele nalevingskosten per aanbieder, bestaande uit het onderhoud van de relevante ICT-systemen en het in stand houden van het beleid en de processen ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoordeling, bedragen naar schatting tussen € 15.000 en € 100.000 op jaarbasis. Indien een kredietwaardigheidsbeoordeling niet geautomatiseerd kan worden uitgevoerd, zal dit handmatig moeten gebeuren. Voor welk percentage van de beoordelingen dit geldt, hangt voornamelijk af van de kredietsoort die de aanbieder doorgaans verstrekt en het bedrijfsmodel van de aanbieder. Alles afwegende gaat de implementatiewet uit van 2.500 tot 15.000 handmatige beoordelingen per aanbieder. Verwacht wordt dat een administratief medewerker (uurloon € 39) per beoordeling gemiddeld een halfuur bezig is, waardoor de additionele, geschatte, structurele nalevingskosten voor nieuwe aanbieders op dit punt uitkomen op jaarlijks € 292.500. De kosten voor raadpleging van het BKR, een verplichting die volgt het implementatiebesluit, worden nader gespecificeerd in het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie. De regels rondom het lakken leiden ook tot kosten en zijn tegelijkertijd niet te voorkomen omdat de richtlijn verbiedt dat bijzondere persoonsgegevens worden gebruikt in de kredietwaardigheidsbeoordeling en tegelijkertijd deze gegevens mogelijk staan op informatie die wordt opgevraagd in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Mogelijk zal het afschermen (het lakken) deels geautomatiseerd kunnen worden uitgevoerd. De structurele kosten voor het onderhouden van een dergelijk systeem of het uitbesteden van de gegevensverwerking worden geschat op € 10.000 tot € 50.000 per aanbieder per jaar. Daarnaast wordt geschat dat een aanbieder gemiddeld 1,5 fte administratief medewerkers voor één jaar nodig heeft ter controle en aanvulling van de geautomatiseerde gegevensverwerking, waarvan de kosten uitkomen op (1,5*1.840 uur*39=) € 107.640. De extra kosten zullen door de kredietaanbieder worden gedragen en mogelijk ook door consumenten en de winkeliers die deze diensten willen aanbieden als betaaloptie.
De leden van de VVD-fractie begrijpen het belang van kredietregistratie ter voorkoming van overkreditering. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de uitbreiding van verplichte BKR-raadplegingen naar grote aantallen kleine transacties aanzienlijke gevolgen kan hebben voor betaalprocessen en systemen. Kan de regering aangeven of het BKR technisch en operationeel volledig gereed is voor real-time raadplegingen op grote schaal? Welke risico’s ziet de regering voor vertragingen of verstoringen in betaalprocessen? Acht de regering een gefaseerde invoering of overgangsperiode wenselijk om uitvoeringsproblemen te voorkomen?
Het BKR heeft aangegeven dat zij technisch en operationeel gereed is voor real-time raadplegingen op grote schaal. Tegelijkertijd zullen onder de regelgeving nieuwe aanbieders van krediet voor het eerst gebruikmaken van de systemen. Het is niet ondenkbaar dat de eerste periode nog enkele opstartproblemen naar voren komen. Een gefaseerde invoering of overgangsperiode wordt echter niet mogelijk geacht. De richtlijnbepalingen dienen op 26 november 2026 in werking te treden. Onderdeel daarvan is de raadpleging bij het BKR. Een gefaseerde invoering of overgangsperiode staat ook haaks op de breed gedeelde wens om overkreditering te voorkomen bij kortlopende kredieten die voor het eerst onder de kredietregels gaan vallen.
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat iedere burger die handelingsbekwaam is (18 jaar en ouder) zelfstandig over zijn financiën moet kunnen beschikken. Kan de regering garanderen dat de voorgestelde verplichtingen voor leeftijdsverificatie de toegang tot kredietmogelijkheden, zoals «koop nu, betaal later» oftwel BNPL, voor volwassen burgers op geen enkele wijze zal belemmeren of vertragen?
Een betrouwbare leeftijdsverificatie is van groot belang voor de bescherming van minderjarigen. Het is de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de wettelijke verplichtingen daaromtrent na te leven. Daarin zijn wel keuzes te maken over de verificatiemethode die wordt gebruikt en het moment waarop de verificatie wordt uitgevoerd, waardoor de aanbieder vertraging of belemmering voor volwassenen mogelijk kan beperken of voorkomen.
Met betrekking tot de rol van retailers (niet-MKB) die bemiddelen in BNPL-diensten, heeft de AFM aangegeven dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht in eerste instantie bij de BNPL-aanbieders moet komen te liggen. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de regering in de lagere regelgeving gaat waarborgen dat retailers niet worden opgezadeld met disproportionele administratieve lasten of directe toezichtverplichtingen van de AFM?
De voorstellen die de regering doet om winkeliers die niet zelf krediet aanbieden, waar mogelijk op grond van de richtlijn, zo veel mogelijk te ontzien, zijn reeds onderdeel van de implementatiewet en het implementatiebesluit dat recentelijk aan uw Kamer is aangeboden in het kader van een voorhangprocedure. Verder zal de uitzondering voor registratie bij de AFM voor mkb-bemiddelaars in krediet worden opgenomen in de Vrijstellingsregeling Wft, die bij ministeriële regeling wordt gewijzigd.
De leden van de JA21-fractie vragen of de AFM in staat is om binnen dit korte tijdsbestek alle noodzakelijke vergunningsaanvragen zorgvuldig te behandelen. Hoeveel nieuwe of gewijzigde vergunningsaanvragen verwacht de regering als gevolg van dit wetsvoorstel, hoeveel capaciteit is daarvoor beschikbaar bij de AFM en wat gebeurt er met aanbieders die tijdig een aanvraag indienen maar op de invoeringsdatum nog geen besluit hebben ontvangen?
De AFM heeft eerder dit jaar besloten om, vooruitlopend op de vaststelling en publicatie van de implementatiewet, open te staan voor de ontvangst van vergunningaanvragen van aanbieders van krediet onder de nieuwe regelgeving. Op deze manier wil de AFM zoveel als mogelijk in samenwerking met marktpartijen bijdragen aan een tijdige beoordeling van de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de richtlijn op 20 november 2026. Daarbij is de AFM echter sterk afhankelijk van tijdige vergunningaanvragen. De AFM heeft hiervoor capaciteit vrijgemaakt, maar door de beperkte tijd tussen implementatie en inwerkingtreding kan hier wel een knelpunt ontstaan. Partijen die bij inwerkingtreding niet over de juiste vergunning beschikken is het niet toegestaan krediet aan te bieden. De AFM heeft verschillende aanvragen in behandeling van partijen, maar kan nog geen concrete inschatting maken. In de memorie van toelichting wordt uitgegaan van 64 nieuwe aanbieders.
Deze leden vragen voorts of de systemen voor kredietregistratie tijdig gereed zijn voor de verwachte toename van realtime raadplegingen. Is onderzocht of de systemen van BKR de extra belasting vanaf 20 november 2026 aankan? Is hiervoor een stresstest uitgevoerd, en zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Het BKR is voorbereid en blijft zich tijdens de verdere implementatieperiode adequaat voorbereiden op de verwachte uitbreiding van het gebruik van het kredietregister. Dit geldt niet alleen voor de toename van het aantal raadplegingen van het kredietregister, maar ook voor de verwerking van nieuwe registraties van nieuwe aanbieders die onder de wetgeving komen te vallen. Die voorbereiding richt zich zowel op technische capaciteit als op operationele, juridische en ketenmatige gereedheid. Daarbij hoort onder meer het analyseren van verschillende groeiscenario’s, het aanpassen van processen waar nodig, en het in gesprek blijven met overheid, toezichthouders en marktpartijen over de praktische gevolgen van de nieuwe regels.
Het uitgangspunt is volgens het BKR dat de systemen tijdig gereed moeten zijn om de verwachte toename van raadplegingen te kunnen ondersteunen op de wijze die men van het BKR mag verwachten. Het BKR onderzoekt in het kader van de voorbereiding op de richtlijnimplementatie doorlopend de gevolgen van verschillende gebruiksscenario’s voor capaciteit, prestaties en operationele continuïteit. Daaronder vallen ook analyses van verwachte piekbelasting en de technische inpasbaarheid van een stijgend aantal raadplegingen. Het BKR verwerkt nu zo'n 16 miljoen raadplegingen op het kredietregister per jaar en op de drukste dag waren dat er wel 5 per seconde. Recente testen wijzen uit dat het BKR in het nieuwe systeem tot 100 raadplegingen per seconde kan verwerken en zo’n 3 miljard raadplegingen op jaarbasis.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn sancties niet harmoniseert, maar wel voorschrijft dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. De richtlijn geeft aan dat geldboetes verplicht worden ingevoerd. Hoe wordt gewaarborgd dat sancties proportioneel blijven, met name voor kleinere aanbieders en bemiddelaars?
Er zijn voor bemiddelaars slechts enkele verplichtingen opgenomen de implementatiewet. Het merendeel van de verplichtingen berust bij de aanbieders van krediet.
De boetecategorieën die zijn opgenomen in het implementatiebesluit zijn hoog, om hier een afschrikkende werking vanuit te laten gaan, zoals ook vereist op grond van de richtlijn. De boetecategorieën betreffen maximumboetes. De AFM dient op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 1b, eerste lid Bbbfs onder andere rekening te houden met de omstandigheden van het geval. De lijst genoemd in artikel 1b is niet limitatief.
Deze leden lezen dat de regering kiest voor een combinatie van civielrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving, waarbij de AFM ook via de Wet handhaving consumentenbescherming kan optreden. Leidt deze dubbele handhavingsstructuur niet tot overlap of onduidelijkheid voor marktpartijen en hoe wordt dit in de praktijk voorkomen?
Er is gekozen voor uitbreiding van handhavingsmogelijkheden via de systematiek van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc), omdat de richtlijn, net als zijn voorganger, wordt geïmplementeerd in zowel de Wft als het BW. Dit is niet anders dan voorheen, zij het dat het aantal bepalingen waarop kan worden gehandhaafd is uitgebreid.
De leden van de PVV-fractie hebben vragen over de proportionaliteit bij het verifiëren van informatie. De AFM geeft aan dat de richtlijn bepaalt dat ingewonnen informatie ook gecheckt moet worden, wat spanning oplevert met dataminimalisatie. Kan de regering bevestigen dat in de lagere regelgeving wordt vastgelegd dat de proportionaliteitstoets alleen geldt voor het inwinnen van informatie en niet voor het verplicht verifiëren van álle opgevraagde informatie, om zo onnodige bureaucreatie en privacyinbreuken te voorkomen?
In de nota van toelichting van het implementatiebesluit staat opgenomen dat ingewonnen informatie ook geverifieerd dient te worden. Een eigen opgave van inkomsten door de consument volstaat niet in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Dit betekent tegelijkertijd niet dat in alle gevallen informatie opgevraagd dient te worden. Daarin kan proportionaliteit worden toegepast.
De leden van de CDA-fractie vragen of het uitgangspunt dat de kredietwaardigheidstoets proportioneel moet zijn aan aard, duur, omvang en risico van het krediet ook geldt voor de mate waarin door consumenten opgegeven financiële gegevens moeten worden geverifieerd met onafhankelijk controleerbare documenten. Deze leden vragen of verificatie van gegevens meer risicogestuurd kan plaatsvinden, bijvoorbeeld op basis van signalen van betalingsachterstanden, waarbij een balans wordt gezocht tussen verantwoorde kredietverstrekking, dataminimalisatie en beperking van administratieve lasten. Deze leden vragen of de AFM hiermee rekening dient te houden.
Het uitgangspunt van de richtlijn en van de implementatieregelgeving is een open norm voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. In de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten de inkomsten en lasten en andere financiële en economische omstandigheden van de consument worden getoetst indien dit noodzakelijk en evenredig is met de aard, duur, waarde en risico's van het krediet voor de consument. In de nota van toelichting van het implementatiebesluit staat opgenomen dat ingewonnen informatie ook geverifieerd dient te worden. Die verificatie dient op grond van de richtlijn plaats te vinden, indien nodig aan de hand van onafhankelijke verifieerbare bronnen. Waar een krediet zwaardere lasten oplevert voor de consument zal een zwaardere kredietwaardigheidsbeoordeling noodzakelijk zijn met verificatie van inkomsten en lasten. Het is dan ook niet nodig om een consument die een krediet aanvraagt van bijvoorbeeld € 200 aan dezelfde kredietwaardigheidsbeoordeling te onderwerpen als een krediet van € 10.000. De regering biedt daarnaast ook expliciet de ruimte voor aanbieders om inkomsten en lasten bij zeer kleine kredieten niet op te vragen. In het kader van proportionaliteit is in het implementatiebesluit daarom een € 100-grens opgenomen waaronder slechts een beperkte toets hoeft plaats te vinden. Hoe proportionaliteit daarboven wordt toegepast is aan de aanbieder en wordt tevens uitgewerkt in de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN. De AFM dient de tekst en het doel van regelgeving in aanmerking te nemen en dus ook oog te hebben voor de balans die moet worden gevonden in de afbakening in de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Ook vragen deze leden of de huidige vrijstelling voor bemiddeling in goederenkrediet als nevenactiviteit gehandhaafd wordt, ook voor ondernemingen die kwalificeren als grootbedrijf. Zo nee, waarom niet. Deze leden vragen ook of deze ondernemingen dan ook in aanmerking voor het verlichte registratieregime van artikel 2:81, vierde lid, van de Wft komen.
De implementatiewet wijzigt de bestaande regels voor goederenkrediet niet. Het registratieregime voor «koop nu, betaal later»-bemiddelaars die kwalificeren als grootbedrijf zal naast de bestaande regels over goederenkrediet gelden. Het is aan marktpartijen om te beoordelen welke eisen van de wet zij moeten naleven.
De leden van de CDA-fractie constateren dat in de evaluatieparagraaf geen expliciete aandacht wordt besteed aan de effecten van consumentenkrediet, en in het bijzonder BNPL-diensten, op het ontstaan van problematische schulden bij kwetsbare groepen.
Deze leden vragen of de regering bereid is om deze effecten van consumentenkrediet en BNPL expliciet en structureel mee te nemen in de monitoring en evaluatie van de wet. Deze leden vragen of de regering kan toezeggen dat hierbij wordt gewerkt met concrete en toetsbare indicatoren, zoals het aantal gebruikers met betalingsachterstanden, het aandeel jongeren en andere kwetsbare groepen met consumentenkrediet en BNPL gerelateerde schulden, het aantal doorverwijzingen naar schuldhulpverlening en het aandeel incassotrajecten dat voortvloeit uit consumentenkrediet.
Het kabinet vindt het van belang om de effecten te monitoren van de implementatie van de richtlijn op consumenten en de markt voor consumentenkrediet, waaronder «koop nu, betaal later»-diensten. De regering onderschrijft het belang van kwantitatieve en toetsbare indicatoren bij de monitoring van de effecten van de richtlijn. Bij de monitoring zal daarom onder meer aandacht worden besteed aan signalen over betalingsachterstanden, incassotrajecten en de mate waarin de nieuwe regels bijdragen aan een betere consumentenbescherming. Tegelijkertijd wordt de precieze set indicatoren nog nader uitgewerkt. De regering wil zich daarbij niet op voorhand vastleggen op een limitatieve lijst, maar streeft ernaar om in de evaluatie zoveel mogelijk gebruik te maken van beschikbare data om de effecten op consumenten en de markt inzichtelijk te maken.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast onder welke omstandigheden de regering voornemens is gebruik te maken van de delegatiegrondslag in het geval dat blijkt dat de huidige eisen ten aanzien van leeftijdsverificatie onvoldoende effectief zijn. Deze leden vragen welke concrete en bindende voorschriften de regering op basis van deze delegatiegrondslag kan vaststellen. Deze leden vragen of de regering daarbij kan specificeren aan welk typen maatregelen wordt gedacht, bijvoorbeeld ten aanzien van verificatiemethoden of technische standaarden.
De voorschriften die de regering op basis van deze delegatiegrondslag kan vaststellen kunnen betrekking hebben op de wijze van leeftijdsverificatie alsmede de veiligheids- en betrouwbaarheidsnormen ten aanzien van die verificatie. Op dit moment wordt het nog niet noodzakelijk geacht om nadere voorschriften te stellen. Het is de verwachting dat de norm toereikend is. Met het oog op te verwachten ontwikkelingen op Europees en nationaal niveau op het thema van leeftijdsverificatie is een delegatiegrondslag opgenomen, om op die ontwikkelingen te kunnen inspelen, indien nodig.
Voorts vragen deze leden waarom er niet voor is gekozen om dergelijke voorschriften reeds in de wet zelf op te nemen, in plaats van te wachten op mogelijke nadere regelgeving. Deze leden vragen welke afweging de regering hierbij heeft gemaakt en of de regering het risico aanvaardbaar acht dat in de tussentijd onvoldoende effectieve leeftijdsverificatie plaatsvindt.
De wettelijke norm schrijft al voor dat de aanbieder dient te beschikken over adequate processen om de door de consument opgegeven geboortedatum te verifiëren aan de hand van een betrouwbare bron. De AFM houdt toezicht op deze norm. Op dit moment wordt het nog niet noodzakelijk geacht om nadere voorschriften te stellen. Het is de verwachting dat de norm toereikend is voor effectieve leeftijdsverificatie. Daarnaast zijn marktpartijen verantwoordelijk voor naleving van de AVG, zoals het beginsel van minimale gegevensverwerking ingevolge artikel 5, lid 1, onderdeel c, van de AVG.
Uit de Europese en nationale inzet op betrouwbare en privacyvriendelijke leeftijdsverificatie kunnen nieuwe ontwikkelingen volgen die maken dat specifieke eisen dienen te worden gesteld, indien nodig.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de AFM nauw betrokken is bij het opstellen van de concepten voor de relevante lagere regelgeving. Kan de regering toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang van deze lagere regelgeving, aangezien de AFM aangeeft dat deze cruciaal is voor de inrichting van het toezicht en IT-aanpassingen bij aanbieders?
Het implementatiebesluit is recentelijk aangeboden aan beide Kamers der Staten-Generaal in het kader van een voorhangprocedure. Wanneer uw Kamer instemt met de implementatiewet kan het besluit worden aangeboden aan de Raad van State voor advies. Op de website van de Raad van State wordt gepubliceerd wanneer het implementatiebesluit in behandeling is genomen. Ook wordt daar het advies gepubliceerd. Daarna zal het nader rapport worden opgemaakt en aangeboden aan de Koning. Na vaststelling kan het besluit worden gepubliceerd. Verder wordt alleen nog een ministeriële regeling opgesteld. Beoogd is om de implementatiewet, het implementatiebesluit en de ministeriële regeling op hetzelfde moment in werking te laten treden.
Er lopen initiatieven voor woningeigenaren die de energieprestatie van hun woning willen verbeteren. Woningeigenaren met een slecht energielabel kunnen met gebouwgebonden financiering en ontzorging in de vorm van een gebouwgebonden energieprestatiecontract hun label verbeteren. Belanghebbenden geven aan dat door deze contractvorm vanwege de interpretatie van de Wft door de AFM e.e.a. nog niet van de grond komt. De AFM ziet deze innovatieve contractvormen als een persoonsgebonden krediet binnen de reikwijdte van de Wft en herkent niet dat dergelijke gebouwgebonden contractvormen andere eigenschappen en zekerheden hebben. De initiatiefnemers geven aan dat alleen een verduidelijking van de Wft de huidige belemmeringen kan wegnemen en de zekerheid kan bieden die nodig is. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering deze discussie herkent en hoe de regering deze weegt in het kader van het doel van het voorliggende wetsvoorstel.
De regering herkent deze discussie, maar volgt de AFM in haar beredenering dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontracten waarbij energiebesparende maatregelen worden betaald uit de te verwachte energiebesparing kwalificeren als consumptief krediet, aangezien sprake is van het verstrekken van een geldsom aan de consument voor het genot van een roerende zaak (bijvoorbeeld zonnepanelen) tegen een of meer betalingen. Daarom dient altijd een kredietwaardigheidstoets te worden uitgevoerd. Bij brief van 18 november 2022 heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toegezegd om gebouwgebonden financiering mogelijk te maken via een juridische constructie die gebruikmaakt van een uitzondering beschreven in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel a, Wft. Om van de uitzondering in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel a, gebruik te maken, dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: (1) het krediet dient krachtens een wettelijke bepaling te worden aangeboden aan een beperkt publiek, (2) met een doelstelling van algemeen belang, (3) tegen een lagere rente dan op de markt gebruikelijk of een rente die niet hoger is dan de marktrente en onder gunstigere voorwaarden. In de brief aan de Tweede Kamer is daarnaast aangegeven dat de financiering dient plaats te vinden op basis van een woonlastenimpacttoets en de consumentenbescherming gelijkwaardig dient te zijn aan de bescherming bij reguliere kredietverlening. Adviesbureau KPMG is gevraagd om een adviesrapport op te stellen dat de uitgangspunten uitwerkt voor gebouwgebonden financiering. Dit rapport zal voor de zomer gedeeld worden met de Tweede Kamer. Een reactie op dit rapport zal na de zomer naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Een eventuele wijziging van de Wft zal moeten plaatsvinden in een separaat wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie lezen dat de kredietwaardigheidsbeoordeling evenredig moet zijn naar aard, duur, waarde en risico’s van het krediet en dat verdere invulling door middel van een gedragscode wordt bevorderd. Kan de regering de huidige stand van zaken en planning van deze gedragscode schetsen?
De Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN zijn in ontwikkeling in samenspraak met de sector, de AFM en het Ministerie van Financiën. In gezamenlijk overleg wordt getracht zo veel mogelijk over en weer elkaar te betrekken in de zienswijze vanuit ieders rol, om nog vóór inwerkingtreding nieuwe leennormen te kunnen publiceren.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft gewezen op de ingrijpende risico’s van het gebruik van volledige rekeningafschriften en heeft alternatieven gesuggereerd, zoals gestandaardiseerde rapportages. De regering geeft aan dat deze alternatieven technisch nog niet haalbaar zijn. Welke stappen zet de regering om dergelijke privacyvriendelijkere alternatieven alsnog te ontwikkelen en op termijn verplicht te stellen, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
Dergelijke private initiatieven zijn in ontwikkeling maar omdat deze nog niet naar volledigheid werken, heeft de sector het nog niet aangedurfd om daarnaar over te stappen. De regering moedigt de doorontwikkeling van zulke initiatieven aan en blijft hierover met de sector in gesprek.
De leden van de D66-fractie lezen dat de deadline voor implementatie 20 november 2026 is. Wat is er ondertussen gedaan, en wordt er gedaan, om BNPL-aanbieders ondertussen aan te sporen om consumenten te beschermen in lijn met de CCDII? Is de Gedragscode BNPL daarvoor voldoende?
Sinds 30 oktober 2023 is de Gedragscode BNPL in werking getreden, die door vier aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten is ondertekend. Vooruitlopend op de implementatie van de richtlijn hebben deze aanbieders zich door middel van de gedragscode gebonden aan bepaalde gedragsnormen om consumenten beter te beschermen tegen de risico’s van achteraf betalen, waaronder het verstrekken van duidelijke informatie over kosten en voorwaarden, het toepassen van strengere acceptatie- en leeftijdscontroles en het beperken van incasso- en aanmaningskosten. Daarnaast bevat de gedragscode maatregelen om problematische schulden en overkreditering bij financieel kwetsbare consumenten te voorkomen. Het kabinet blijft er bij de «koop nu, betaal later»-aanbieders op aandringen om de gedragscode, in aanloop naar de implementatie van de richtlijn, aan te scherpen naar een beschermingsniveau dat verder in lijn komt met de regelgeving uit de richtlijn.
Voor kaarten met uitgestelde debitering wordt een overgangstermijn van zes maanden gehanteerd vanwege de impact op bestaande bedrijfsmodellen en de benodigde aanpassingen. Tegelijkertijd geldt voor andere nieuw gereguleerde kredietvormen deze overgangstermijn niet constateren de leden van de VVD-fractie. Waarom is uitsluitend voor kaarten met uitgestelde debitering een overgangstermijn opgenomen en acht de regering deze termijn voldoende om ingrijpende aanpassingen in systemen en processen te realiseren?
Alleen voor kaarten met uitgestelde debitering wordt ruimte gezien in de richtlijn voor uitgestelde inwerkingtreding. Er wordt daarom gebruik gemaakt van deze ruimte die de lidstaatoptie biedt om een latere inwerkingtredingsdatum voor te schrijven voor dit type krediet. Voor de creditcardbranche gelden voorts bijzondere omstandigheden. Als gevolg van de lidstaatoptie voor kaarten met uitgestelde debitering blijft lange tijd onzeker of, en in hoeverre deze branche onder de kredietregels gaan vallen. Pas na instemming van beide Kamers der Staten-Generaal is hierover duidelijkheid bij marktpartijen. Dit, tezamen met de niet tijdige implementatie van de richtlijn en de uitzonderingspositie die de branche wel in andere lidstaten verwacht, maakt dat niet voldoende kenbaar en voorzienbaar is voor deze marktpartijen hoe zij zich moeten voorbereiden. Als gevolg hiervan wordt een aanvullende aanpassingstermijn van zes maanden redelijk geacht. In de termijn is een balans gezocht tussen de tijd die de creditcardbranche nodig heeft om voor te bereiden enerzijds en gelijk speelveld en consumentenbescherming anderzijds. Vanuit het streven naar een gelijk speelveld in de kredietmarkt, en gezien het belang van consumentenbescherming bij uitgestelde betaling, waaronder ook «koop nu, betaal later» in de vorm van een kaart, vindt de regering een langere termijn onwenselijk. De uitzonderingsmogelijkheid ziet immers niet alleen op de creditcardbranche maar ook op andere aanbieders van uitgesteld betalen die besluiten om kaarten aan te bieden.
De leden van de VVD-fractie constateren dat nadere regelgeving nog niet volledig is uitgewerkt, terwijl de implementatiedeadline snel nadert. Ondernemers moeten systemen, processen en klantreizen aanpassen en testen. Kan de regering toelichten hoe zij de uitvoerbaarheid binnen de beschikbare termijn beoordeelt? Is de regering bereid te kijken naar een gefaseerde invoering, overgangsperiode of terughoudendheid in de handhaving om onnodige uitvoeringsproblemen te voorkomen?
Met aanbieding van het implementatiebesluit aan uw Kamer in het kader van een voorhangprocedure wordt getracht zo veel mogelijk duidelijkheid te geven over de regels die gaan gelden. Enkele onderwerpen landen nog in een ministeriële regeling, die na consultatie direct kan worden gepubliceerd. Inwerkingtreding van de regeling zal gelijktijdig zijn met de implementatiewet en het implementatiebesluit. Het is niet mogelijk om een gefaseerde invoering of overgangsperiode voor te schrijven. Dit zou waar het gaat om richtlijnverplichtingen neerkomen op gebrekkige of vertraagde omzetting, en kan in het uiterste geval leiden tot een dwangsom of boete voor de Nederlandse staat.
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat de invoeringsdatum samenvalt met de aanloop naar de feestdagen en daarmee met een piekperiode voor online retail en digitaal betalingsverkeer. Welke risico’s ziet de regering op verstoringen in het online betalingsverkeer als gevolg van een abrupte invoering? Is in kaart gebracht welke gevolgen dit kan hebben voor consumenten, webwinkels en betaaldienstverleners indien systemen, vergunningverlening of kredietwaardigheidsprocessen op dat moment nog niet volledig zijn ingericht?
Er is een risico is dat volledige kredietwaardigheidsbeoordelingen wellicht niet in korte tijdspanne verricht kunnen worden. Als alsnog krediet wordt verstrekt zonder een proportioneel kwalitatieve kredietwaardigheidsbeoordeling of zonder te voldoen aan andere geldende verplichtingen, vormt dat een business- of compliance risico voor de kredietaanbieder en in een enkel geval de kredietbemiddelaar (winkel) waar verplichtingen zich richten tot bemiddelaars.
Indien het krediet in de vorm van uitgestelde betaling niet in korte tijdspanne kan worden verstrekt, kan dit betekenen voor winkels en consumenten dat deze betaaloptie van krediet niet kan worden gebruikt in het betaalproces. Dit kan eventueel invloed hebben op de omzet van betrokken ondernemingen. Tegelijkertijd is het niet wenselijk als, juist in een piekperiode, voorschriften omtrent kredietverlening ter bescherming van de consument niet in acht worden genomen.
Deze leden vragen tevens hoe aanbieders zich tijdig kunnen voorbereiden zolang onderdelen van het regime nog nader moeten worden uitgewerkt bij algemene maatregel van bestuur. Kan de regering garanderen dat alle lagere regelgeving, soft law via de toezichthouder en technische uitvoeringsvereisten ruim voor de invoeringsdatum beschikbaar zijn? Zo nee, acht de regering het dan verantwoord om aanbieders wel volledig aan de nieuwe verplichtingen te houden vanaf 20 november 2026?
Met aanbieding van het implementatiebesluit aan uw Kamer in juni wordt getracht zo veel mogelijk duidelijkheid te geven over de regels die gaan gelden. Aanbieders hebben zich voor een gedeelte reeds voor kunnen bereiden op de nieuwe verplichtingen. Voor zover het richtlijnimplementatie betreft is duidelijk wat de verplichtingen worden. Waar het nationale keuzes en invulling betreft, is dit later bekend. Aanbieders dienen zover mogelijk te voldoen aan de verplichtingen. Er is doorlopend contact met de sector over de gevolgen van de implementatie. Daarmee wordt geprobeerd zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen. De AFM is ter voorbereiding op de implementatie van de regelgeving afgelopen periode veelvuldig in gesprek gegaan met de sector over de invulling van de open norm voor verantwoorde kredietverstrekking voor de nieuwe aanbieders van krediet. Daarbij heeft de AFM de verwachtingen van de AFM uitgesproken voor de kredietwaardigheidstoets van aanbieders, die eerder niet onder kredietregelgeving vielen, zodat zij tijdig een kredietwaardigheidstoets kunnen inrichten.
De wet bevat ook nieuwe regels voor achterstandsbeheer en vroegsignalering. De AFM heeft aangegeven de Leidraad Consumenten en Incassotrajecten aan te passen, maar dit zal na de inwerkingtreding zijn. Aanbieders dienen zich tot die tijd te houden aan de wetsbepalingen en de eerdere soft law van de toezichthouder op dit onderwerp. Op dit moment is niet bekend dat gewerkt wordt aan andere soft law van de toezichthouder op dit onderwerp.
De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie van toelichting een erkenning van het feit dat veel cruciale informatie voor zowel toezichthouder als aanbieders om te kunnen voldoen aan de wet wordt neergelegd in lagere regelgeving. Deze lagere regelgeving is op dit moment grotendeels nog onbekend. Deze leden vragen de regering om een reflectie hieromtrent. Wanneer verwacht de regering de lagere regelgeving te kunnen vaststellen? Is er dan voldoende tijd over voor implementatie in processen en systemen? Hoe denkt de regering de gevolgen van te late vaststelling van lagere regelgeving en onvoldoende tijd voor adequate implementatie te kunnen mitigeren? Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de Kamer nog democratisch invloed kan uitoefenen op de inhoud van de lagere regelgeving.
De onderdelen die bij besluit worden uitgewerkt zijn dermate belangrijk voor het bedrijfsmodel van meerdere typen ondernemingen dat zorgvuldigheid is betracht in het opstellen van deze lagere regelgeving. Wanneer vaststelling kan plaatsvinden van lagere regelgeving is afhankelijk van het verloop van de voorhangprocedure bij beide Kamers der Staten-Generaal.
Met de aanbieding van het implementatiebesluit dat recent aan uw Kamer is aangeboden in het kader van een voorhangprocedure, is getracht zo veel mogelijk duidelijkheid te geven over de regels die gaan gelden. Indien uw Kamer met de implementatiewet heeft ingestemd en de voorhangprocedure bij beide Kamers is afgerond, kan het implementatiebesluit voor advies worden aangeboden aan de Raad van State. Voor advisering door de Raad van State staat een termijn van drie maanden. Ik zal de Raad van State vragen dit besluit met voorrang te behandelen en een spoedadvies vragen. Na ontvangst van het advies van de Raad van State wordt zo snel mogelijk een nader rapport opgesteld, zodat dit nader rapport samen met het besluit spoedig daarna kan worden vastgesteld en gepubliceerd en op hetzelfde moment als de implementatiewet in werking kan treden. De ministeriële regeling kan direct na consultatie worden gepubliceerd en zal gelijktijdig met de implementatiewet en het implementatiebesluit in werking treden. De regering zet zich in om het implementatietraject zo spoedig mogelijk af te ronden. Er is doorlopend contact tussen mijn ministerie en de sector over de gevolgen van de implementatie en ook de AFM zet zich samen met de sector in om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op de inwerkingtreding van de wet, wanneer de regels zullen gaan gelden.
Artikelsgewijze toelichting
Kan de regering middels een tabel uiteenzetten welke aanvullende verplichtingen wel en niet van toepassing zijn op het aan de Nederlandse consument aanbieden van «koop nu, betaal later»-diensten door zowel in een andere lidstaat gevestigde aanbieders als buiten de Europese Unie gevestigde aanbieders? Zijn er juridische voordelen voor aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten om zich te vestigen in een lidstaat met minder regels en van daaruit Nederlandse consumenten te bedienen?
De keuzes omtrent vestiging en dienstverlening in andere lidstaten zijn aan marktpartijen zelf. Voor aanbieders buiten de Europese Unie geldt de Nederlandse wet onverkort. Voor aanbieders uit andere lidstaten die zich tot Nederlandse consumenten richten geldt ook het Nederlandse recht. Het kan echter in uitzonderingsgevallen zo zijn dat bepaalde beperkingen aan het vrije handelsverkeer niet effectief gehandhaafd kunnen worden op grond van de Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (Richtlijn inzake elektronische handel), zoals geïmplementeerd in artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de uiteindelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de beperking of handhavingsmaatregel is aan de rechter om te beoordelen. Voor die situaties wijzigt de implementatiewet daarom artikel 1:16 Wft, met als gevolg dat buitenlandse online-aanbieders als zij krediet aanbieden aan consumenten in Nederland alsnog (i) verplicht zijn zich aan te sluiten bij het BKR, (ii) verplicht een kredietwaardigheidsbeoordeling dienen uit te voeren op basis van de Nederlandse regels en (iii) onderhevig zijn aan de Nederlandse maximumkredietvergoeding zoals vastgelegd in het Besluit kredietvergoeding. Ook kan de AFM in het geval van schadelijke marktpraktijken en onder de in de implementatiewet genoemde voorwaarden productinterventiebevoegdheden inzetten.
De Minister van Financiën, E. Heinen