Gepubliceerd: 1 juli 2022
Indiener(s): van der Burg (VVD)
Onderwerpen: internationaal reizen
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36158-3.html
ID: 36158-3

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

ALGEMEEN DEEL

2

 

1.

Aanleiding

2

 

2.

EES, Etias en VIS

7

   

2.1

De EES-verordening

7

   

2.2

De Etias-verordening

9

   

2.3

De herziening van de VIS-verordening

11

 

3.

Bevoegde autoriteiten EES, Etias en VIS

17

   

3.1

Overwegingen bij juridisch vormgeving

17

   

3.2

Grensautoriteiten

18

   

3.3

Visumautoriteiten kort verblijf

19

   

3.4

Immigratieautoriteiten

20

   

3.5

ENU/nationale Etias-eenheid

20

   

3.6

Aangewezen VIS-autoriteit

21

   

3.7

Overige autoriteiten VIS

22

   

3.8

Aangewezen autoriteiten

23

   

3.9

Centraal toegangspunt

24

 

4.

SIS-verordeningen

27

   

4.1.

SIS als systeem

27

   

4.2

SIS-verordening grenscontroles

28

   

4.3

SIS-verordening terugkeer

32

   

4.4.

SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken

33

   

4.5

Bevoegde autoriteiten SIS

35

   

4.6

Toegangsgerechtigden SIS

35

 

5.

Interoperabiliteit

36

   

5.1.

Doelstellingen

36

   

5.2

ESP, sBMS, CIR en MID

38

   

5.3

Bevoegde autoriteiten interoperabiliteit

40

 

6.

Verhouding tot andere EU-regelgeving

42

   

6.1

Eurodac

42

   

6.2.

ECRIS-TCN

43

 

7.

Uitvoeringsaspecten en gevolgen

43

   

7.1.

Inleidende opmerkingen

43

   

7.2

Gevolgen voor de systemen

44

   

7.3.

Gevolgen voor uitvoerende organisaties

48

   

7.4.

Gevolgen voor de rechtspraak

52

   

7.5

Gevolgen voor het bedrijfsleven, administratieve lasten en regeldruk

54

   

7.6

Financiële gevolgen

54

 

8.

Gegevensbescherming en privacy-aspecten

59

   

8.1

Gevolgen voor de privacy

59

   

8.2

Toepassing AVG en RGB

60

   

8.3

Verwerkingsverantwoordelijkheid

61

   

8.4

Rechten van betrokkenen en informatievoorziening

64

   

8.5

Rechtsmiddelen gegevensbescherming

67

   

8.6.

Toezicht en handhaving

69

 

9.

Consultatie paragraaf

70

 

10.

Inwerkingtreding

79

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

79

TRANSPONERINGSTABELLEN

95

 

EES-verordening (verordening 2017/2226/EU, zoals gewijzigd door verordeningen 2018/1240/EU, 2019/817, 2021/1134/EU en 2021/1152/EU)

95

 

Etias-verordening (verordening 2018/1240/EU, zoals gewijzigd bij verordening 2021/1152/EU)

101

 

SIS-verordening grenscontroles (verordening 2018/18/61/EU zoals gewijzigd door verordening 2019/817/EU en verordening 2021/1152/EU)

109

 

SIS-verordening terugkeer (verordening 2018/1860/EU, zoals gewijzigd door verordening 2021/1152/EU)

113

 

SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (verordening 2018/1862/EU, zoals gewijzigd bij verordening 2019/818/EU en verordening 2021/1150/EU)

116

 

Verordeningen interoperabiliteit (verordening 2019/817/EU, zoals gewijzigd door verordening 2021/1152/EU en verordening 2019/818/EU zoals gewijzigd door verordening 2021/1150/EU en verordening 2021/1151/EU)

121

 

Herzieningsverordening met het oog op de herziening van het Visuminformatiesysteem (verordening 2021/1134/EU, tot wijziging van verordening 767/2008/EG, verordening 810/2009/EG, 2016/399/EU, 2017/2226/EU, 2018/1240/EU, 2018/1860/EU, 2018/1861/EU, 2019/817/EU en 2019/1896/EU en tot intrekking van Beschikking 2004/512/EG van de Raad en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad)

127

ALGEMEEN DEEL

1. Aanleiding

Bijgaand wetsvoorstel geeft uitvoering aan een aantal EU-verordeningen op het terrein van grenzen en veiligheid. De verordeningen passen bij de plannen en ambities van het kabinet zoals verwoord in het coalitieakkoord op het terrein van migratie, veiligheid en digitalisering. De ontwikkeling van deze verordeningen is in 2016 in gang gezet door de mededeling van de Europese Commissie (hierna: Commissie) van 6 april 2016 getiteld: «Krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid» waarin werd benadrukt dat de Unie haar informatiesystemen, gegevensarchitectuur en informatie-uitwisseling op het gebied van grensbeheer, rechtshandhaving en terrorismebestrijding moet versterken en verbeteren, en dat de interoperabiliteit van informatiesystemen moet worden bevorderd.

Met deze mededeling beoogde de Commissie een strategie te ontwikkelen om de buitengrenzen beter te beschermen en de interne veiligheid van de Europese Unie te bevorderen. Er werden door de Commissie een aantal tekortkomingen in de op dat moment reeds bestaande EU-informatiesystemen gesignaleerd, zoals een suboptimale werking van deze systemen, lacunes in de EU-architectuur voor gegevensbeheer, een complex landschap van op verschillende wijze beheerde systemen en een gefragmenteerde architectuur van gegevensbeheer voor grenstoezicht en veiligheid.

Onder leiding van het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie is vervolgens een routekaart tot stand gekomen om te komen tot beter gebruik van informatiesystemen ten behoeve van veiligheid en grensbeheer waarna een door de Commissie opgerichte deskundigengroep voorstellen heeft gedaan om de tekortkomingen aan te pakken op drie belangrijke punten:

  • i) het optimaliseren van de bruikbaarheid van de bestaande informatiesystemen;

  • ii) waar nodig, het ontwikkelen van aanvullende systemen om informatielacunes op te vullen; en

  • iii) het waarborgen van de interoperabiliteit van de systemen.

Aanbevelingen waren verder onder meer om één zoekportaal te ontwikkelen voor alle systemen, één gezamenlijke dienst voor biometrische matching en één gemeenschappelijk identiteitsregister. De deskundigengroep heeft ook aanbevolen om nader te kijken naar «gaten» in doelgroepen. Zo is onder andere gewezen op houders van een visum lang verblijf of personen met een verblijfsvergunning. In navolging op haar mededeling, de routekaart en het rapport van de deskundigengroep heeft de Commissie vervolgens diverse voorstellen voor EU-wetgeving gedaan. Het uiteindelijke resultaat is het vaststellen van een aantal verordeningen waarmee bestaande informatiesystemen worden verbeterd en nieuwe informatiesystemen ingevoerd. Daarnaast wordt interoperabiliteit aangebracht tussen deze systemen.

De verordeningen die met bijgaand wetsvoorstel uitgevoerd worden zijn:

  • 1. De inrichting van een inreis-uitreissysteem (hierna: EES) middels de EES-verordening;1

  • 2. De inrichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (hierna: Etias) middels de Etias-verordening;2

  • 3. Een herziening van het Visuminformatiesysteem door wijzing van onder meer de Visumverordening (hierna: herzieningsverordening VIS);3

  • 4. De SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken;4

  • 5. De SIS-verordening grenscontroles;5

  • 6. De SIS-verordening terugkeer;6

  • 7. De vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen EU-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa (hierna: interoperabiliteitsverordening grenzen en visa);7

  • 8. De vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen EU-informatiesystemen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie (hierna: interoperabiliteitsverordening politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie);8

Deze verordeningen regelen verschillende informatiesystemen op het terrein van grenzen ven veiligheid. Ten aanzien van het SIS-systeem9 zoals gereguleerd door de SIS-verordeningen geldt dat dit een bestaand systeem is ten aanzien waarvan wijzigingen worden aangebracht. Ook voor het VIS-systeem geldt dat dit een bestaand systeem is ten aanzien waarvan onder meer door de herzieningsverordening VIS wijzigingen worden aangebracht. Nieuw zijn het EES (EES-verordening) en het Etias-systeem (Etias-verordening) evenals de interoperabiliteit tussen deze systemen (beide verordeningen interoperabiliteit).

Ten aanzien van de bovengenoemde verordeningen is relevant om te vermelden dat de opeenvolgende verordeningen de verordeningen die voor die tijd zijn vastgesteld hebben gewijzigd in verband met de dwarsverbanden tussen de verordeningen. Zo is de EES-verordening na vaststelling bijvoorbeeld gewijzigd door onder meer de Etias-verordening. Daarnaast zijn er twee wijzigingsverordeningen (2021/1151/EU en 2021/1152/EU) die in verband met de invoering van Etias de bovengenoemde verordeningen weer hebben aangepast.10 Tot slot is nog relevant dat vanwege de samenhang van de systemen met het bestaande Eurodac-systeem zoals gereguleerd middels de Eurodac-verordening bijgaand wetsvoorstel op onderdelen regels stelt.11 Deze zien echter niet op de wijzigingen van de Eurodac-verordening waarover nog onderhandeld wordt in de EU.

Verordeningen zijn naar hun aard rechtstreeks werkend en mogen niet worden omgezet in nationaal recht (overschrijfverbod). Dat neemt niet weg dat verordeningen vaak naar de nationale situatie in de lidstaten geoperationaliseerd dienen te worden, zoals het aanwijzen van de autoriteiten die met de uitvoering worden belast. Bijgaand wetsvoorstel regelt dan ook wat nodig is om uitvoering te kunnen geven aan de verordeningen. De verordeningen zelf laten maar zeer beperkt ruimte om daarin keuzes te maken. Ook geldt dat de verordeningen de verschillende onderwerpen uitgebreid regelen, waardoor er slechts in beperkte mate uitvoeringsregelgeving nodig is. Dat neemt echter niet weg dat het voor een goed begrip van het wetsvoorstel onvermijdelijk is ook op de werking van de verordeningen in te gaan en dat deze verordeningen omvangrijk zijn. In deze memorie van toelichting zal het accent echter wel liggen op de onderdelen die uitvoeringsregelgeving vergen, nu het hier logischerwijze gaat om de toelichting op het wetsvoorstel.

De verordeningen die onderhavig wetsvoorstel betreffen hangen samen doordat deze aangrijpen bij verschillende aspecten op het terrein van grenzen en veiligheid. Zonder hier al volledig te zijn is het zo dat EES ziet op de in- en uitreis van onderdanen van derde landen waardoor grenscontroles doeltreffender worden, maar bijvoorbeeld ook verblijfsduuroverschrijders beter geïdentificeerd kunnen worden en de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten in staat worden gesteld passende maatregelen te treffen. Met Etias wordt een systeem ontwikkeld waarmee vóór de afreis van niet-visumplichtige onderdanen van derde landen naar het Schengengebied kan worden bepaald of zij in aanmerking komen voor toegang tot het Schengengebied en of hun inreis een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico vormt. Voor VIS geldt dat dit een bestaand systeem is waarmee wordt gewerkt voor de afgifte van visa voor visumplichtige landen, waarvan onder meer de reikwijdte wordt uitgebreid naar visa voor lang verblijf. SIS is eveneens een bestaand systeem dat is bedoeld om met het wegvallen van controle aan de binnengrenzen te compenseren door onder meer het mogelijk te maken signaleringen in te voeren van personen, objecten of voertuigen waarvan eveneens de werking wordt verbeterd en de reikwijdte wordt uitgebreid naar terugkeerbesluiten voor onderdanen van derde landen. Interoperabiliteit zorgt ten slotte dat deze systemen interoperabel zijn. Zo kan bijvoorbeeld in het kader van EES aan de grens gecontroleerd worden of er een reisautorisatie onder Etias is afgegeven en zorgt de dectector van meerdere identiteiten ervoor dat identiteitsfraude wordt opgespoord.

Voor wat betreft de inwerkingtreding van bijgaand wetsvoorstel geldt dat deze afhankelijk is van het tijdstip waarop de verordeningen toepasselijk worden. De datum van toepasselijkheid van de verordeningen en ingebruikname van de systemen wordt bepaald op basis van regels die in de verordeningen zijn opgenomen. Om die reden is voor bijgaand wetsvoorstel dan ook voorzien in inwerkingtreding bij koninklijk besluit. Zie meer hierover paragraaf 10. De voorlopige planning is dat de volledige interoperabiliteit van de systemen eind 2023 is voorzien, maar onderdelen al eerder in gebruik worden genomen. Zo geldt voor de SIS-systemen en EES dat deze al in 2022 in gebruik worden genomen, op de voet gevolgd door Etias. Voor de herzieningsverordening VIS geldt dat deze datum uiterlijk op 31 december 2023 zal worden bepaald. Omdat met de herzieningsverordening VIS artikelen in de VIS-verordening worden verplaatst, is het nodig om in bijgaand wetsvoorstel een artikel op te nemen dat deze hernummering op een later moment doorvoert (voorgesteld artikel 11). Voor die tijd gelden er namelijk ook al regels op basis van de VIS-verordening en de wijzigingen die daarin door andere verordeningen worden aangebracht die met bijgaand wetsvoorstel worden uitgevoerd. Door de inwerkingtreding bij koninklijk besluit kan worden ingespeeld op de gefaseerde invoering op EU-niveau van de verschillende systemen en de data die op Europees niveau nog worden bepaald.

Bij het opstellen van bijgaand wetsvoorstel is bezien of de betreffende regels ondergebracht konden worden in bestaande wetgeving, dan wel of een zelfstandig wetsvoorstel met eventuele wijzigingen van andere wetten meer voor de hand lag. De materie die wordt geregeld met de verordeningen valt echter niet volledig onder een bestaande wet onder te brengen en is domeinoverstijgend van aard. Daarnaast geldt dat vanwege de verknooptheid van de verordeningen door interoperabiliteit met het verspreid regelen over verschillende wetten de toegankelijkheid niet wordt bevorderd waarbij een deel van de materie niet goed valt onder te brengen bij een bestaande wet. Waar de te regelen materie wel onmiskenbaar samenhangt met een bestaande wet, is er voor gekozen de betreffende uitvoeringsartikelen in die wet onder te brengen, namelijk in de Vreemdelingenwet 2000.

Deze memorie van toelichting is verder als volgt opgebouwd:

In paragraaf 2 is een beschrijving opgenomen van de EES- en Etias-verordening en de wijzigingen die in de VIS-verordening worden aangebracht. In paragraaf 3 worden vervolgens de bevoegde autoriteiten voor deze systemen toegelicht. In paragraaf 4 worden gelet op de onderlinge samenhang de SIS-verordeningen behandeld en de autoriteiten die daarin een rol spelen. In paragraaf 5 zal vervolgens worden ingegaan op de interoperabiliteit tussen de verschillende EU-systemen zoals geregeld middels de Verordeningen interoperabiliteit. In paragraaf 6 zal kort worden ingegaan op Eurodac en ECRIS-TCN als systemen die eveneens een rol spelen op het terrein van migratie, veiligheid en rechtshandhaving, maar geen onderwerp zijn van bijgaand wetsvoorstel, met dien verstande dat vanwege de samenhang met de huidige Eurodac-verordening het op onderdelen noodzakelijk bleek een regeling te treffen. Hierover later meer. Paragraaf 7 behandelt de uitvoeringsaspecten van het wetsvoorstel, maar meer nog van de verordeningen nu het wetsvoorstel niet los van de verordeningen kan worden gezien. In paragraaf 8 komen de gegevensbescherming en de privacyaspecten aan bod. Paragraaf 9 bevat een beschrijving van de consultatie waarna tot slot in paragraaf 10 wordt ingegaan op de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. In verband met de leesbaarheid en toegankelijkheid is vervolgens eerst de artikelsgewijze toelichting opgenomen, gevolgd door de transponeringstabellen van de verordeningen.

2. EES, Etias en VIS

2.1 De EES-verordening

Het EES («entry-exit system») is een nieuw systeem voor het grensbeheer. De EES-verordening bepaalt dat dit systeem met name ziet op de in- en uitreis van onderdanen van derde landen die de grenzen waar het EES wordt gebruikt overschrijden. Dit zijn de buitengrenzen van de EU in de zin van de Schengengrenscode (hierna: SGC).12 Voor de binnengrenzen bevat de verordening specifieke regels over de toepassing tussen lidstaten die het Schengenacquis wel en niet (volledig) toepassen (artikel 4).

In het systeem worden gegevens opgeslagen over de datum, tijdstip en plaats van in- en uitreis en wordt de datum van de duur van het toegestane verblijf berekend. Het systeem genereert meldingen wanneer het toegestane verblijf is verstreken. Ook wordt indien toegang van een onderdaan van een derde land wordt geweigerd geregistreerd waar en wanneer dat is gebeurd, door welke autoriteit en waarom. Met het EES zal het afstempelen, bij in- en uitreis, van reisdocumenten van onderdanen van derde landen die zijn toegelaten voor een kort verblijf worden afgeschaft en worden vervangen door de rechtstreekse elektronische registratie in EES. Vanwege het afschaffen van het afstempelen bij inreis- en uitreis van reisdocumenten door de invoering van het EES wordt tevens de SGC gewijzigd middels verordening 2017/2225/EU.13 Met deze verordening worden met de artikelen 8bis en volgende bepalingen opgenomen over onder meer de voorwaarden voor het gebruik van een zelfbedieningssysteem en e-gates bij het overschrijden van de grenzen. Van belang is in dit kader te benadrukken dat het gebruik van deze systemen vrijwillig is. De mogelijkheid om via een grenswachter het grensproces te doorlopen blijft open. Daarnaast geldt dat een grenswachter toezicht houdt op het verloop van het grensproces.

Artikel 2 van de EES-verordening bepaalt welke onderdanen van derde landen in het EES geregistreerd worden. Samengevat gaat het om onderdanen van derde landen die worden toegelaten voor kort verblijf en overeenkomstig de SGC bij het overschrijden van de grenzen waar het EES wordt gebruikt worden onderworpen aan grenscontroles, maar dus ook om onderdanen van derde landen aan wie toegang is geweigerd. Er zijn uitzonderingen opgenomen voor specifieke doelgroepen die bepaalde rechten ontlenen aan andere Europeesrechtelijke bepalingen zoals familieleden van Unieburgers die in het bezit zijn van een verblijfskaart op grond van richtlijn 2004/38/EG.14

Doelstellingen

Met het registreren en opslaan van de in het EES geregistreerde gegevens en door deze gegevens ter beschikking van de lidstaten te stellen, worden de doelstellingen nagestreefd die zijn opgenomen in artikel 6 van de EES-verordening. De hoofddoelstellingen betreffen het doeltreffender maken van grenscontroles, het helpen bij identificatie van onderdanen van derde landen die niet of niet langer aan de voorwaarden voor toegang tot of voor kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten voldoen, verblijfsduuroverschrijders te identificeren en op te sporen, en de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten in staat te stellen passende maatregelen te treffen. Daarnaast worden bijvoorbeeld de doelstellingen van Etias ondersteund en kunnen visumautoriteiten toegang krijgen tot informatie over rechtmatig gebruik van eerdere visa. Voor onderdanen van derde landen biedt het systeem informatie over de duur van het hun toegestane verblijf.

Ingevolge het tweede lid van artikel 6 van de EES-verordening draagt het EES daarnaast bij aan het voorkomen, opsporen en onderzoek van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten door de zogenoemde aangewezen autoriteiten toegang te verlenen tot EES, onder de in de verordening opgenomen voorwaarden. Ook moet het EES het mogelijk maken informatie te genereren met het oog op onderzoek in verband met terrorisme en andere ernstige strafbare feiten, onder meer de identificatie van daders, verdachten en slachtoffers van deze feiten die de buitengrenzen hebben overschreden.

Toegang, invoer en gebruik van gegevens in het EES

De verordening is ingedeeld in verschillende hoofdstukken waarin het gebruik van het EES-systeem is geregeld.

Hoofdstuk II ziet op de invoer en het gebruik van het EES door bevoegde autoriteiten. Primair zijn het de grensautoriteiten die in het EES een persoonlijk dossier van een onderdaan van een derde land invoeren en zijn identiteit controleren. Daarnaast wordt een inreis-, uitreisnotitie of notitie van weigering van toegang aan het persoonlijk dossier toegevoegd. In het persoonlijk dossier worden naast een gezichtsopname van de onderdaan van het derde land, zoals omschreven in artikel 15 van de verordening, de gegevens ingevoerd die zijn opgenomen in artikel 16 in het geval van visumplichtige onderdanen. Van niet-visumplichtige onderdanen worden de gegevens ingevoerd die zijn opgenomen in artikel 17. Dit betreft een combinatie van alfanumerieke gegevens (zoals naam en nationaliteit) en biometrie.

Hoofdstuk III van de EES-verordening bevat de regels inzake het gebruik van het EES door andere autoriteiten. Deze autoriteiten hebben toegang voor zoekopdrachten aan de hand van specifieke gegevens in verband met hun taken. De wijze van toegang en de informatie die deze autoriteiten vervolgens te zien krijgen is in de artikelen voor die autoriteiten geregeld.

Hoofdstuk IV van de EES-verordening bevat vervolgens de procedure en voorwaarden voor toegang tot het EES door aangewezen autoriteiten voor rechtshandhavingsdoeleinden en de rol daarin van een aan te wijzen centraal toegangspunt die de toegangsvoorwaarden controleert. Op deze procedure wordt ingegaan in paragraaf 3.8 en 3.9 van de toelichting.

Op de autoriteiten die worden aangewezen ter uitvoering van de verordening zal nader worden ingegaan in paragraaf 3 van deze toelichting. Schematisch weergegeven gaat het om de volgende autoriteiten die op grond van de EES-verordening gegevens invoeren, dan wel toegang krijgen tot het EES:

Autoriteit

Rol

Hoofdstuk II – Invoer en gebruik van gegevens door bevoegde autoriteiten

Grensautoriteiten

Invoeren persoonlijk dossier en inreis- uitreisnotitie (artikel 14 tot en met 18)

Bevoegde autoriteiten (d.w.z. grensautoriteiten, immigratieautoriteiten of visumautoriteiten)

Toevoegen gegevens als een vergunning voor kort verblijf wordt ingetrokken, nietig verklaard of verlengd door de betreffende autoriteit (artikel 19)

Idem

Toevoegen gegevens bij weerlegging van het vermoeden dat de onderdaan van een derde land niet voldoet aan de voorwaarden inzake de duur van het toegestane verblijf (artikel 20)

Grensautoriteiten

Voor verificatie aan de grenzen waar het EES wordt gebruikt (artikel 23)

Hoofdstuk III – Gebruik van EES door andere autoriteiten

Visumautoriteiten

Behandelen en beslissen visa (artikel 24)

Bevoegde autoriteiten nationale faciliteringsprogramma’s

Beslissen over nationale faciliteringssprogramma’s (artikel 25)

Centrale Etias-eenheid

Ten behoeve van haar taken (artikel 25bis)

Nationale Etias-eenheden

Voor handmatige verificatie (artikel 25ter)

Immigratieautoriteiten

Om de identiteit van een onderdaan van een derde land te verifiëren of om na te gaan of te verifiëren of de betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor toegang en verblijf (artikel 26 van de EES-verordening);

Grens- of immigratieautoriteiten

Met het oog op de identificatie van onderdanen van derde landen die mogelijk eerder in het EES zijn geregistreerd onder een andere identiteit of die niet langer voldoen aan de voorwaarden voor inreis of toegestaan verblijf (artikel 27)

Hoofdstuk IV – Toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden

Aangewezen autoriteiten

Raadplegen om terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken (artikel 29)

Centraal toegangspunt

Verifieert of er is voldaan aan de voorwaarden voor een verzoek om toegang tot het EES.

2.2 De Etias-verordening

Ook Etias is een nieuw systeem. Etias staat voor «European Travel Information and Authorization System». Etias is een nieuw Europees reisinformatie- en autorisatiesysteem, waarmee vóór de afreis van niet-visumplichtige onderdanen van derde landen15 naar het Schengengebied kan worden bepaald of zij in aanmerking komen voor toegang tot het Schengengebied en of hun inreis een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico vormt. Etias zal in voorkomende gevallen een reisautorisatie afgeven aan derdelanders. Net als EES sluit de Etias-verordening via verwijzing naar de SGC aan bij de buitengrenzen van de EU.

De doelstellingen van Etias zijn opgenomen in artikel 4 en betreffen met name het bijdragen aan een hoog niveau van veiligheid, het voorkomen van illegale immigratie en de bescherming van de volksgezondheid door voorafgaand aan de afreis grondig te beoordelen of aanvragers een risico vormen op dit terrein. Daarnaast wordt de doeltreffendheid van grenscontroles verhoogd en worden de doelstellingen van EES en SIS ondersteund. Ook hier geldt dat het systeem bijdraagt aan de correcte identificatie van personen en bijdraagt aan het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten.

Ten aanzien van de reisautorisaties geldt dat in het Etias-systeem primair de centrale Etias-eenheid (een instantie op EU-niveau) de aanvragen afhandelt en secundair de nationale Etias-eenheden. Het Etias-informatiesysteem verwerkt de ingediende aanvragen en vergelijkt de aanvraaggegevens geautomatiseerd met signaleringen in onder meer SIS (zie voor een beschrijving van SIS paragraaf 4), maar bijvoorbeeld ook met onder andere het EES en VIS, de Etias observatielijst en specifieke risico-indicatoren. Voor wat betreft de Etias-observatielijst geldt dat deze bestaat uit gegevens over personen die worden verdacht van het plegen van of betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit of over personen ten aanzien van wie er, op basis van een algemene beoordeling van de persoon, feitelijke aanwijzingen of redelijke vermoedens bestaan dat zij terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten zullen plegen (artikel 34 Etias-verordening). De Etias-observatielijst is een onderdeel van het centrale Etias-systeem en wordt opgesteld op basis van informatie van Europol en de lidstaten. De verordening geeft echter in artikel 35, derde lid, aan dat wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden voor opname van een signalering in SIS, de voorkeur uitgaat naar signalering in SIS.

De specifieke risico-indicatoren worden door de centrale Etias-eenheid vastgesteld en wijzen op een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico. De centrale Etias-eenheid registreert de Etias-screeningsregels in het centrale Etias-systeem. Indien de geautomatiseerde vergelijking geen «hit» oplevert, geeft het centrale Etias-systeem automatisch een reisautorisatie af. Indien een «hit» wordt bevestigd dan wel er twijfels over blijven bestaan na een controle, zet de centrale Etias-eenheid de handmatige verwerking van de aanvraag door naar de nationale Etias-eenheid (of «Etias National Unit», hierna ENU) van de verantwoordelijke lidstaat.16 De nationale Etias-eenheid heeft op grond van artikel 26 van de Etias-verordening de taak de aanvragen op basis van de door de centrale Etias-systeem gegenereerde «hits» handmatig te verwerken en het veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie dan wel het epidemiologisch risico van de inreis van betrokkene te beoordelen.

De Etias-verordening regelt naast de aanvraag en geautomatiseerde verwerking van de aanvraag in het centrale systeem en in voorkomend geval de handmatige beoordeling door de nationale Etias-eenheid, toegang door andere autoriteiten in het systeem vanwege de taken van deze autoriteiten. Het betreft vervoerders, grensautoriteiten en immigratieautoriteiten (hoofdstuk VII, VIII en IX).

Net als bij EES geldt dat er tevens is voorzien in toegang door aangewezen autoriteiten voor rechtshandhavingsdoeleinden na controle door een centraal toegangspunt. Dit wordt toegelicht in de paragrafen 3.8 en 3.9. Schematisch weergegeven bepaalt de Etias-verordening het volgende over toegang tot en invoer van gegevens in het systeem:

Autoriteit

Rol

Hoofdstuk III – aanmaak dossier en onderzoek aanvraag centrale systeem

Centrale Etias-eenheid

Toegang tot het centrale systeem voor verificatie (artikel 22)

Hoofdstuk IV – onderzoek aanvraag nationale Etias-eenheid

Nationale Etias-eenheid/ENU

Handmatige verwerking (hoofdstuk IV)

Hoofdstuk VII, VIII, IX

Vervoerders

Toegang tot gegevens voor verificatie (artikel 45)

Grensautoriteiten

Toegang voor verificatie aan de buitengrenzen (artikel 47)

Immigratieautoriteiten

Toegang ten behoeve van de controle of verificatie of aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de lidstaten is voldaan en met het oog op het nemen van passende daarmee verband houdende maatregelen (artikel 49)

Hoofdstuk X – rechtshandhavingsdoeleinden

Aangewezen autoriteiten

Raadpleging met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (artikel 50 e.v.)

Centraal toegangspunt

Vergewissen of aan de voorwaarden voor toegang voor aangewezen autoriteiten is voldaan (artikel 50 e.v.)

2.3 De herziening van de VIS-verordening

De VIS-verordening en het VIS-systeem («Visa information system») bestaan reeds geruime tijd. Het VIS is ingesteld als een systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de Schengenlidstaten op het gebied van visa. Sinds oktober 2011 verbindt het VIS honderden consulaten van lidstaten over de hele wereld en al hun grenswachten bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen van het Schengengebied om de procedure voor afgifte van visa voor kort verblijf te faciliteren.17 De VIS-verordening wordt niet alleen gewijzigd door verordening 2021/1134/EU tot wijziging van onder meer de VIS-verordening18 (de herzieningsverordening VIS), maar ook door de EES-verordening, de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa en door verordening 2021/1152/EU19 wat betreft de vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot andere EU-informatiesystemen voor de doeleinden van het Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (zie tevens paragraaf 1).

Voor een goed begrip van de werking van het VIS en de wijziging die er wordt aangebracht met de herziening van VIS wordt hier eerst schematisch de toegang tot VIS weergegeven met de wijzigingen die naar aanleiding van EES en Etias worden doorgevoerd. Schematisch weergegeven bepaalt de VIS-verordening het volgende over de toegang tot en invoer van gegevens in het systeem:

HUIDIGE VIS-VERORDENING MET WIJZIGINGEN IVM EES EN Etias

Autoriteit

Rol

Hoofdstuk I – Algemene bepalingen

Aangewezen autoriteiten van de lidstaten

(bestaand sinds VIS-verordening)

Bijdragen tot het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (artikel 3)

Centraal toegangspunt

(bestaand sinds VIS-verordening)

Toezicht op de strikte naleving van de voorwaarden voor toegang en de procedures die zijn vastgelegd in Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door de aangewezen autoriteiten van de lidstaten en Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (artikel 3)

Hoofdstuk II – Invoering en gebruik gegevens over visa door de visumautoriteiten

Visumautoriteiten

(bestaand sinds VIS-verordening)

Opstellen aanvraagdossier, behandeling aanvragen (artikel 8 e.v.)

Hoofdstuk III – Toegang tot gegevens over visa door andere autoriteiten

Grensautoriteiten

(ingevoegd door EES-verordening)

Interoperabiliteit met EES (Artikel 17 bis)

Autoriteiten die bevoegd zijn om controles te verrichten aan de grenzen waar het EES wordt gebruikt

(ingevoegd door EES-verordening)

Verificatie van de identiteit van de visumhouders, de echtheid, de temporele en territoriale geldigheid en status van het visum, en/of om te verifiëren of aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van de lidstaten overeenkomstig artikel 6 van de SGC is voldaan (artikel 18)

Autoriteiten die bevoegd zijn om controles te verrichten aan de grenzen waar het EES wordt gebruikt.

(ingevoegd door EES-verordening)

Opvragen van VIS-gegevens voor het maken of bijwerken van een inreis-uitreisnotitie of van de notitie van weigering van toegang van een visumhouder in het EES (artikel 18 bis)

(ingevoegd door EES-verordening)

Geautomatiseerde verificaties Etias

(ingevoegd door verordening 2021/1152/EU)

Interoperabiliteit met Etias (artikel 18 ter)

Toegang tot VIS door de centrale Etias-eenheid

(ingevoegd door verordening 2021/1152/EU)

Ten behoeve van het verrichten van haar taken (artikel 18 quater)

Nationale Etias-eenheid

(ingevoegd door verordening 2021/1152/EU)

Gebruik van het VIS voor de handmatige verwerking van aanvragen (artikel 18 quinquies)

Autoriteiten die bevoegd zijn om controles op het grondgebied van de lidstaten te verrichten om na te gaan of aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten is voldaan

(bestaand sinds VIS-verordening)

Verificatie van de identiteit van de visumhouder en/of de echtheid van het visum en/of het voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten (artikel 19)

Bevoegde autoriteiten onder de SGC

(ingevoegd door EES-verordening)

Gebruik van het VIS voordat de persoonlijke dossiers van niet-visumplichtige onderdanen van derde landen worden aangelegd in het EES (artikel 19 bis)

Autoriteiten die bevoegd zijn om overeenkomstig de Schengengrenscode controles bij doorlaatposten aan de buitengrenzen of op het grondgebied van de lidstaten te verrichten om na te gaan of aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten is voldaan, toegang om te zoeken aan de hand van de vingerafdrukken van die persoon.

(bestaand sinds VIS-verordening en beperkt gewijzigd door EES-verordening)

Identificatie van personen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten (artikel 20)

Bevoegde asielautoriteiten

(bestaand sinds VIS-verordening)

Vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig de artikelen 12 en 34 van Verordening (EU) nr. 604/2013 (artikel 21)

Bevoegde asielautoriteiten

(bestaand sinds VIS-verordening)

Ten behoeve van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) nr. 604/2013 (artikel 22)

In het VIS stond tot de huidige wijziging van de VIS-verordening enkel informatie omtrent aanvragen van derdelanders voor visa voor kort verblijf (maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen) – in de zin van verordening nr. 810/2009 (hierna: Visumcode) – geregistreerd.20 In verordening 2018/1806/EU is een lijst vastgesteld van (ruim 100) derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum voor kort verblijf (visumplicht) en een lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld.21 Personen die in het bezit van een geldig visum voor lang verblijf (in Nederland is dit de machtiging tot voorlopig verblijf) of een door een lidstaat verleende verblijfsvergunning zijn uitgezonderd van de visumplicht voor kort verblijf.

Met de herzieningsverordening VIS wordt het VIS herzien doordat met betere informatie-uitwisseling een belangrijke lacune op veiligheidsgebied gedicht wordt door de materiële en personele uitbreiding van het VIS naar visa voor lang verblijf en verblijfsvergunningen, d.w.z. documenten op basis waarvan derdelanders voor een langere duur dan 90 dagen in het Schengengebied mogen verblijven. Tot aan het moment van toepassing van deze wijziging wordt op EU-niveau geen informatie bijgehouden over aanvragen van visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen. Door informatie over deze categorieën vreemdelingen toe te voegen aan het VIS zullen grenswachters beter in staat zijn om na te gaan of een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, waarvan gebruik wordt gemaakt om de buitengrenzen van het Schengengebied te passeren, geldig is en door de rechtmatige houder wordt gebruikt.

Op grond van artikel 2 van de huidige VIS-verordening heeft het VIS onder meer als doel om de visumaanvraagprocedure te vergemakkelijken, te voorkomen dat de criteria voor het vaststellen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een visum, worden omzeild, fraudebestrijding te vergemakkelijken en controles aan de doorlaatposten aan de buitengrenzen en op het grondgebied van de lidstaten te vergemakkelijken. Het VIS draagt bij aan het helpen bij de identificatie en de terugkeer van personen die niet of niet meer aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten voldoen. Daarnaast draagt het VIS bij aan het voorkomen van bedreigingen van de binnenlandse veiligheid van een van de lidstaten. Met de herzieningsverordening VIS worden doelstellingen geactualiseerd en aangevuld.

Zo wordt de doelstelling ten aanzien van binnenlandse veiligheid gelijk getrokken met het in EES en Etias opgenomen bijdragen tot het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten. Tevens worden als doelstellingen toegevoegd het bijdragen aan de correcte identificatie van personen, helpen bij de identificatie van personen in specifieke omstandigheden (als bedoeld in artikel 22 septdecies) en het ondersteunen van de doelstellingen van SIS waar het gaat om signaleringen van onderdanen van derde landen aan wie de toegang is geweigerd, van personen die worden gezocht met het oog op aanhouding of ten behoeve van overlevering of uitlevering, van vermiste personen of kwetsbare personen, van personen die worden gezocht met het oog op een gerechtelijke procedure en van personen die aan een onopvallende controle, ondervragingscontrole of gerichte controle moeten worden onderworpen. Daarnaast worden doelstellingen toegevoegd met het oog op de toevoeging van visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen.

Alle visumaanvragen worden voortaan via het Europees zoekportaal (zie hierover paragraaf 5 over interoperabiliteit) automatisch gecontroleerd aan de hand van alle andere EU-informatiesystemen voor veiligheid en migratie (SIS, EES, Etias, Eurodac22, ECRIS-TCN23, Europol-gegevens, Interpol SLTD en Interpol TDAWN24). Dit vindt plaats door middel van de vergelijking van gegevens die in het VIS zijn opgeslagen met gegevens die zijn opgeslagen in de andere informatiesystemen. Indien gegevens uit het VIS corresponderen met gegevens in de andere informatiesystemen en er sprake is van een zogenoemde «hit», moet de aanvraag handmatig worden geverifieerd en indien de hit klopt vindt een beoordeling plaats.

Afhankelijk van het soort hit, wordt deze handmatig geverifieerd en beoordeeld door

  • (i) de bevoegde visumautoriteiten;

  • (ii) de nationale Etias-eenheid, of;

  • (iii) een of meerdere «aangewezen VIS-autoriteiten».

Ad (i) Bevoegde visumautoriteiten zijn verantwoordelijk voor de handmatige verificatie van SIS-hits inzake migratie (verloren, gestolen of ongeldig gemaakte reisdocumenten; weigering toegang en verblijf; terugkeer) en hits met EES, Etias (niet de observatielijst), Eurodac (niet bij lang verblijf) en Interpol STLD, alsmede de beoordeling ervan met dien verstande dat het SIRENE-bureau verantwoordelijk is voor de afhandeling van bepaalde SIS-hits inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.

Ad (ii) De nationale Etias-eenheid is verantwoordelijk voor de handmatige verificatie en beoordeling van hits met de Etias-observatielijst.

Ad (iii) De zogenoemde «aangewezen VIS-autoriteit» is verantwoordelijk voor de handmatige verificatie van SIS-hits inzake veiligheid (overlevering of uitlevering; vermiste of kwetsbare personen die verhinderd moeten worden om te reizen; personen die worden gezocht om bijstand te verlenen in een gerechtelijke procedure; personen of voorwerpen met het oog op onopvallende controles, onderzoekscontroles of specifieke controles) en hits met ECRIS-TCN, Europol-gegevens en Interpol TDAWN.

De follow-up na het verrichten van de handmatige verificatie hangt af van het systeem waarbij een treffer heeft plaatsgevonden. Dit is verder geregeld in de artikelen 9 sexies, 9 septies en 9 octies van de nieuw toe te voegen artikelen in de VIS-verordening.

De «aangewezen VIS-autoriteit» betreft een nieuwe taak door een nieuw omschreven autoriteit. Om die reden komt deze separaat in paragraaf 3.6 aan bod.

Het nieuwe hoofdstuk IIIbis regelt de invoering en gebruik van gegevens betreffende visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen. In hoofdstuk IIIter zijn de procedure en voorwaarden voor toegang tot het VIS voor rechtshandhavingsdoeleinden geregeld, of beter gezegd geactualiseerd door opname in dit specifieke hoofdstuk.

N.B. Met de herzieningsverordening VIS worden enkele bestaande artikelen materieel op een andere plaats in de verordening ondergebracht. Om die reden dienen enkele bepalingen van bijgaand wetsvoorstel met de inwerkingtreding van de herzieningsverordening te worden aangepast. Deze wijzigingen worden namelijk later door de EU doorgevoerd dan de hierboven opgenomen wijzigingen.

De wijzigingen die worden aangebracht door de herzieningsverordening VIS in de invoer en toegang tot het systeem zijn schematisch weergegeven als volgt:

WIJZIGINGEN VIS-VERORDENING DOOR HERZIENINGSVERORDENING VIS

Autoriteit

Rol

Wijziging in Hoofdstuk II – Invoering en gebruik van gegevens over visa door de visumautoriteiten

Visumautoriteiten

Handmatige verificatie en follow-up van bepaalde treffers met SIS, met EES, bepaalde treffers met Etias en Eurodac en bepaalde treffers met SLTD van Interpol (artikel 9 quater)

Aangewezen VIS-autoriteiten

Handmatige verificatie van treffers voor bepaalde treffers met SIS, met ECRIS-TCN, met EuropOL-gegevens en treffers met TWDAWN van Interpol door aangewezen VIS-autoriteiten (artikel 9 quinquies)

Nationale Etias-eenheid

Handmatige verificatie en follow-up van treffers in de Etias-observatielijst (artikel 9 sexies)

Sirene bureau

Follow-up van bepaalde treffers met SIS na handmatige verificatie door visumautoriteiten of aangewezen VIS-autoriteiten door het Sirene-bureau (artikel 9 septies)

Aangewezen VIS-autoriteiten

Follow-up van bepaalde treffers (artikel 9 octies)

Hoofdstuk III bis – Invoering en gebruik van gegevens betreffende visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen

De autoriteit die bevoegd is om de aanvraag in ontvangst of behandeling te nemen, dwz autoriteit visa voor verblijf langere duur en verblijfsvergunning.

Aanvraag voor een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning in behandeling nemen (artikel 22bis e.v.)

Autoriteiten die bevoegd zijn om overeenkomstig de SGC verordening controles aan de doorlaatposten aan de buitengrenzen te verrichten

Verificatie van de identiteit van de houder van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning of van de echtheid en de geldigheid ervan, of de verificatie of aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van de lidstaten overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399 wordt voldaan (artikel 22 octies)

Autoriteiten die bevoegd zijn om controles op het grondgebied van de lidstaten te verrichten teneinde na te gaan of de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten zijn vervuld

Met het oog op de verificatie van de identiteit van de houder en/of van de echtheid en de geldigheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning, en/of om na te gaan of de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten zijn vervuld (artikel 22 nonies)

Autoriteiten die bevoegd zijn om controles te verrichten bij de doorlaatposten aan de buitengrenzen in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/399 of op het grondgebied van de lidstaten teneinde na te gaan of aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten wordt voldaan

Identificeren van een persoon die mogelijk al eerder in het VIS is geregistreerd of die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten (artikel 22 decies)

Bevoegde asielautoriteiten

Vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig de artikelen 12 en 34 van Verordening (EU) nr. 604/2013 (artikel 22 undecies)

Bevoegde asielautoriteiten

Met het oog op de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) nr. 604/2013 (artikel 22 duodecies)

Hoofdstuk III ter – procedure en voorwaarden voor toegang tot het VIS voor rechtshandhavingsdoeleinden

Aangewezen autoriteiten

Raadplegen om terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken (artikel 22 terdecies)

Centraal toegangspunt

Verifieert of de in artikel 22 sexdecies vastgelegde voorwaarden voor verzoeken om toegang tot VIS-gegevens zijn vervuld (artikel 22 terdecies e.v.)

Kinderbeschermingsautoriteiten en nationale gerechtelijke autoriteiten

Bij de uitoefening van hun taken kunnen zij een autoriteit met toegang tot het VIS om toegang tot die gegevens verzoeken. VIS-gegevens kunnen worden gebruikt voor het invoeren in het SIS van een signalering van vermiste of kwetsbare personen die moeten worden verhinderd te reizen overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) 2018/1862 (artikel 22 octodecies)

3. Bevoegde autoriteiten EES, Etias en VIS

3.1 Overwegingen bij juridisch vormgeving

De artikelen in de verschillende verordeningen waar onderhavig wetsvoorstel uitvoering aan geeft, verschillen in de formuleringen op het terrein van de bevoegde instanties.

Zo doet zich de situatie voor dat de verordeningen taken toekennen aan bestaande autoriteiten die op grond van andere Europese regelgeving reeds zijn belegd. Zo geldt bijvoorbeeld dat voor grensautoriteiten in de verordeningen wordt verwezen naar grensautoriteiten in de zin van de SGC. In het nationale recht zijn de grensautoriteiten in de zin van de SGC reeds aangewezen. Doordat de verordeningen taken en bevoegdheden toekennen aan de grensautoriteiten, krijgen de nationale grensautoriteiten door de bestaande verwijzing in de wet een uitbreiding van taken en bevoegdheden. De bepaling van het nationale recht krijgt hierdoor een ander toepassingsbereik. Voor dergelijke gevallen geldt dat het niet noodzakelijk is de taak bij een nieuwe autoriteit te beleggen in regelgeving en volstaat een melding aan de Commissie van de betreffende autoriteit.

Ook doet de situatie zich voor dat de verordeningen nieuwe taken en werkzaamheden in het leven roepen voor een autoriteit die nog niet bestaat. Dan geldt er een duidelijke aanwijzingsplicht van de instantie die bevoegd wordt ten aanzien van die taken (zie bijvoorbeeld hierna de nationale Etias-eenheid).

Een tussencategorie die zich voordoet is de situatie waarbij de verordeningen bevoegdheden toekennen aan «de autoriteiten die op grond van het nationale recht bevoegd zijn» voor de in die verordening omschreven taken. Het betreft dan taken die in lidstaten al bestaan en worden uitgevoerd. De verordening regelt in die gevallen dat de autoriteit die op grond van het nationale recht bevoegd is voor een bepaalde taak op basis van de verordening de in die verordening omschreven taken en bevoegdheden heeft. In bepaalde gevallen is daar tevens een definitiebepaling aan gekoppeld.

Een voorbeeld betreft immigratieautoriteiten die gedefinieerd zijn in de EES-verordening en in de Etias-verordening als de bevoegde autoriteiten die op grond van het nationale recht verantwoordelijk zijn om een of meer van de volgende redenen:

  • a) op het grondgebied van de lidstaten te controleren of de voorwaarden voor toegang tot of toegestaan verblijf op het grondgebied van de lidstaten zijn vervuld;

  • b) de voorwaarden voor de vestiging van onderdanen van derde landen op het grondgebied van de lidstaten te onderzoeken en beslissingen te nemen met betrekking tot die vestiging, voor zover deze autoriteiten geen «beslissingsautoriteit» als gedefinieerd in artikel 2, onder f), van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad zijn, en, in voorkomend geval, advies te verstrekken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad;

  • c) de terugkeer van onderdanen van derde landen naar een derde land van herkomst of doorreis te faciliteren.

Het gaat hier dus om bestaande taken die op grond van het nationale recht worden uitgevoerd, waarvoor geldt dat de betreffende bevoegde autoriteiten door de koppeling van de bevoegdheid op grond van het nationale recht en de omschrijving in de verordening een rol krijgen zoals omschreven in de verordening. In feite is het een vorm van dynamische verwijzing in die zin, dat als nationaal de bevoegdheid elders wordt belegd, dit ook doorwerkt ten aanzien van de uitvoering van de verordening. De algemene taakomschrijving in de verordening kan echter discussie opleveren of de betreffende autoriteiten hun bevoegdheid rechtstreeks ontlenen aan de verordeningen doordat zij krachtens nationaal recht de taken uitoefenen die daar zijn omschreven, of dat dit niet specifiek genoeg is en deze koppeling tussen nationale autoriteit en omschrijving in de verordening dient te worden verankerd in het nationale recht.

Complicerende factor is dat in het nationale recht er vaak sprake is van taken die onder de verantwoordelijkheid vallen van een Minister middels regelgeving die worden uitgevoerd door dienstonderdelen van een Ministerie zonder zelfstandige status, anders dan bijvoorbeeld een zelfstandig bestuursorgaan. Om in deze situatie zowel recht te doen aan het Nederlandse stelsel als aan het bieden van duidelijkheid over de uitvoering van de verordeningen, zal er zoveel mogelijk voor worden gekozen om bij algemene maatregel van bestuur voor deze tussencategorie op te nemen waar de betreffende taken die de verordeningen omschrijven zijn belegd (voorgesteld artikel 2). Omdat het in veel gevallen formeel zal gaan om de Minister van Justitie en Veiligheid, wordt in de toelichting vervolgens duidelijk gemaakt welke dienstonderdelen middels de huidige organisatie- en mandaatbesluiten van het Ministerie deze taken momenteel uitvoeren. Het is uitdrukkelijk namelijk niet de bedoeling door aanwijzing van een uitvoeringsinstantie op grond van bijgaand wetsvoorstel deze een zelfstandige status toe te kennen die het op grond van het nationale recht niet heeft. De bevoegdheid dient namelijk voort te vloeien uit de nationale wettelijke grondslag die de taken regelt die door de verordeningen worden omschreven. Op deze wijze wordt tevens recht gedaan aan het door de Afdeling advisering van de Raad van State naar aanleiding van het spoedadvies over het wetsvoorstel van wet houdende tijdelijke regels ter uitvoering van de SIS-verordening grenscontroles en de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken25 (hierna: het spoedadvies) geadresseerde belang van kenbaarheid en rechtszekerheid.

3.2 Grensautoriteiten

In zowel de EES-verordening als in de Etias-verordening wordt voor de definiëring van grensautoriteiten verwezen naar de grenswachter die overeenkomstig het nationale recht is aangewezen voor het verrichten van grenscontroles zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van de SGC.

In Nederland is de grenswachter in de zin van de SGC aangewezen in artikel 46, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. In dit artikellid wordt verwezen naar het eerste lid van artikel 46 waardoor de aldaar aangewezen ambtenaren ook de grensautoriteiten zijn voor de toepassing van de EES- en Etias-verordening. Het gaat om de volgende autoriteiten:

  • a. de ambtenaren van de KMar;

  • b. de ambtenaren die zijn tewerkgesteld bij de regionale eenheid in het gebied waarin de haven van Rotterdam is gelegen;

  • c. de directeur van een grenslogies als bedoeld in artikel 3 van het Reglement regime grenslogies;

  • d. de bij besluit van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie, aangewezen ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onder a, c en d, van de Politiewet 2012 die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

Een nieuwe aanwijzing is gezien de directe koppeling in de verordeningen aan de definitie van de SGC niet nodig. In het bestaande nationale recht is namelijk reeds verankerd welke nationale autoriteiten aangemerkt worden als grenswachter, waardoor deze autoriteiten op grond van de EES- en Etias-verordening voortaan belast zijn met de taken en bevoegdheden toegekend op grond van deze verordeningen.

3.3 Visumautoriteiten kort verblijf

Ten aanzien van de visumautoriteit kort verblijf geldt dat reeds in het nationale recht is vastgelegd wie de bevoegde instantie is voor de verlening van kort verblijf visa voor de toegang tot Nederland. In de EES-verordening wordt in artikel 3, eerste lid, onderdeel 5, voor de definitie van visumautoriteit verwezen naar artikel 4, derde lid, van de VIS-verordening waarin vervolgens wordt omschreven dat het gaat om de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het onderzoeken en nemen van beslissingen over aanvragen van visa of voor beslissingen tot nietigverklaring, intrekking of verlenging van visa, met inbegrip van de centrale visumautoriteiten en de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van visa aan de grens. Met «visa» wordt volgens artikel 4, eerste lid, van de VIS-verordening bedoeld: eenvormige visa (artikel 2, derde lid, van de Visumcode), visa met territoriaal beperkte geldigheid (artikel 2, vierde lid, van de Visumcode) en luchthaventransitvisa (artikel 2, vijfde lid, van de Visumcode). De Visumcode ziet alleen op visa die worden verleend voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

In de Rijksvisumwet is reeds vastgelegd in artikel 2 dat de Minister van Buitenlandse Zaken belast is met de verlening van visa op grond van de Visumcode (visum kort verblijf) en daarmee tevens de visumautoriteit is die in de EES- en VIS-verordeningen wordt bedoeld.26

3.4 Immigratieautoriteiten

In zowel artikel 3, eerste lid, onderdeel 4 van de EES-verordening als in artikel 3, eerste lid, onderdeel 22 van de Etias-verordening worden de immigratieautoriteiten gedefinieerd als de bevoegde autoriteiten die op grond van het nationale recht verantwoordelijk zijn om een of meer van de volgende redenen:

  • a) op het grondgebied van de lidstaten te controleren of de voorwaarden voor toegang tot of toegestaan verblijf op het grondgebied van de lidstaten zijn vervuld;

  • b) de voorwaarden voor de vestiging van onderdanen van derde landen op het grondgebied van de lidstaten te onderzoeken en beslissingen te nemen met betrekking tot die vestiging, voor zover deze autoriteiten geen «beslissingsautoriteit» als gedefinieerd in artikel 2, onder f), van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad zijn, en, in voorkomend geval, advies te verstrekken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad;

  • c) de terugkeer van onderdanen van derde landen naar een derde land van herkomst of doorreis te faciliteren.

In Nederland is de Minister van Justitie en Veiligheid belast met de bovengenoemde taken ter behartiging van aangelegenheden op het terrein van vreemdelingenzaken. Dit volgt uit de Vreemdelingenwet 2000 en de Rijkswet op het Nederlanderschap. In het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid is thans opgenomen dat de IND belast is met de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving en van de Rijkswet op het Nederlanderschap (artikel 63g van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid) en dat de DT&V als taakorganisatie is belast met de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving ten aanzien van vertrek en uitzetting (artikel 63a van het Organisatiebesluit). Ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor het controleren of aan de voorwaarden voor toegang tot of toegestaan verblijf op het grondgebied van Nederland wordt voldaan, geldt dat dit valt onder toezicht op de naleving. Volgens artikel 47 van de Vreemdelingenwet 2000 zijn daarmee voor wat betreft het binnenlands vreemdelingentoezicht belast de KMar en de politie. De immigratieautoriteiten zullen voor wat betreft de in de EES- en Etias-verordening omschreven taken op het terrein van immigratie, bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen door de koppeling te leggen met de bovengenoemde taken in de Vreemdelingenwet 2000.

3.5 ENU/nationale Etias-eenheid

De nationale afhandeling van Etias-aanvragen betreft een nieuwe publieke taak. Artikel 8, eerste lid van de Etias-verordening bepaalt dat elke lidstaat een nationale Etias-eenheid aanwijst. Met bijgaand wetsvoorstel wordt middels een wijziging in de Vreemdelingenwet 2000 een grondslag opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur de nationale Etias-eenheid aan te wijzen. Het voornemen is om de nationale Etias-eenheid-taak te beleggen bij de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar). Etias is namelijk primair gericht op verbetering van het grensbeheer en kan worden gezien als een vooruitgeschoven vorm hiervan, ook al komt een Etias-reisautorisatie niet in de plaats van de beslissing al dan niet toegang te verlenen. De reisautorisatie geeft met andere woorden op zichzelf geen recht op toegang. Bij de beoordeling al dan niet een reisautorisatie toe te kennen, zal een afwegingskader worden gehanteerd dat gelijkenissen vertoont met het afwegingskader voor de beoordeling van de toegang bij grenspassage en voor beoordeling van verlening van een visum kort verblijf. De nationale Etias-eenheid zal hiertoe dienen te beschikken over nationale bronnen, waaronder politiegegevens en justitiële gegevens. Verstrekking van politiegegevens aan de nationale Etias-eenheid voor de uitvoering van de vreemdelingentaak geschiedt op basis van artikel 23, derde lid, van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). Deze verstrekking is nader uitgewerkt het Besluit politiegegevens (hierna: Bpg) artikelen 4:3 en 4:6. Artikel 4:6 wordt aangevuld om expliciet te maken dat deze gegevens voor de uitvoering van deze taak kunnen worden verstrekt. Daartoe zal het Bpg worden aangepast.

Justitiële gegevens in het kader van een ECRIS-TCN hit kunnen worden verstrekt aan de nationale Etias-eenheid op grond van artikel 9, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) en artikel 21, onderdeel a, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Bjsg).

Bij de afwijzing van een Etias-aanvraag kan men in bezwaar en beroep tegen de beslissing tot afwijzing van een Etias-verzoek. Na de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de afwijzing van een Etias-reisautorisatie staat beroep bij de rechtbank open. In aansluiting op de situatie bij het visum kort verblijf, is hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgesloten. Dit wordt geregeld in artikel 84 van de Vreemdelingenwet 2000 middels het voorgestelde artikel 10, onderdeel D van bijgaand wetsvoorstel. Zie verder hierover de artikelsgewijze toelichting bij deze voorgestelde wijziging.

3.6 Aangewezen VIS-autoriteit

Zoals in paragraaf 2.4 beschreven bepaalt de VIS-verordening (artikel 9bis) na doorvoering van de herzieningsverordening VIS dat aanvraagdossiers automatisch door het VIS worden verwerkt om na te gaan of er treffers zijn met andere EU-systemen. Bij een treffer vindt er vervolgens een handmatige verificatie plaats. Afhankelijk van het type treffer (het systeem en het type gegeven) bepaalt de VIS-verordening welke autoriteit deze verificatie moet verrichten en wat de gevolgen daarvan zijn.

In dit kader dient een «aangewezen VIS-autoriteit» te worden aangewezen die verantwoordelijk is voor de handmatige verificatie van de in artikel 9octies omschreven hits.

  • Dit zijn hits met SIS indien:

    • de aanvrager is gesignaleerd omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel of omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering;

    • er ten aanzien van de aanvrager een signalering van vermiste of kwetsbare personen die moeten worden verhinderd te reizen, is ingevoerd;

    • er ten aanzien van de aanvrager een signalering van personen die worden gezocht met het oog op een gerechtelijke procedure, is ingevoerd;

    • er ten aanzien van de aanvrager of zijn reisdocument een signalering is ingevoerd betreffende personen die aan een onopvallende controle, onderzoekscontrole of gerichte controle moeten worden onderworpen;

  • Een hit met het ECRIS-TCN, omdat er gegevens van de aanvrager in dat systeem zijn opgeslagen, gedurende de voorgaande 25 jaar in het kader van veroordelingen wegens terroristische misdrijven of in de voorgaande 15 jaar in het kader van veroordelingen wegens andere ernstige strafbare feiten;

  • Een hit met betrekking tot Europol-gegevens; of

  • Een hit met betrekking tot Interpoldatabanken omdat het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat in een dossier in de TDAWN van Interpol staat geregistreerd.

De beoordeling door de aangewezen VIS-autoriteit houdt kort gezegd in dat, waar nodig na consultatie, een met redenen omkleed advies wordt gegeven over de vraag of de aanvrager een bedreiging vormt voor de openbare veiligheid aan de centrale visumautoriteit die de visumaanvraag behandelt. De reden dat deze verificatie dient te worden belegd bij een aparte autoriteit is omdat hits gegenereerd door informatiesystemen inzake rechtshandhaving en gerechtelijke informatie over het algemeen gevoeliger zijn en daarom niet moeten worden geverifieerd en beoordeeld door consulaten, maar door aangewezen VIS-autoriteiten.27 De verplichting tot aanwijzing volgt uit artikel 9quinquies zoals zal worden ingevoerd in de VIS-verordening met de herzieningsverordening VIS. Bijgaand wetsvoorstel bevat in artikel 2, tweede lid, een grondslag tot het aanwijzen van een instantie bij algemene maatregel van bestuur. Het voornemen is de KMar aan te wijzen.

3.7 Overige autoriteiten VIS

Voor wat betreft de toegang tot het VIS geldt dat primair de visumautoriteiten toegang hebben ten behoeve van het verlenen van visa. De visumautoriteiten zijn reeds toegelicht in paragraaf 3.3. De huidige VIS-verordening bevat reeds een aantal toegangsgerechtigde instanties. Zo wordt op meerdere plekken verwezen naar de autoriteiten die bevoegd zijn tot grenscontroles in de zin van de Schengengrenscode. Daarnaast wordt bijvoorbeeld voor doorvoering van de wijzigingen al verwezen naar «bevoegde asielautoriteiten». Voor wat betreft de bevoegde asielautoriteiten geldt dat dit de Minister van Justitie en Veiligheid is op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

De reikwijdte van de VIS-verordening wordt met de herziening van VIS uitgebreid naar visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen. In artikel 4, punt 19, van de VIS-verordening wordt «visa voor verblijf van langere duur» gedefinieerd als «een vergunning die door een lidstaat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 18 van de Schengenovereenkomst». Het gaat hierbij om visa voor een verblijf van langer dan 90 dagen welke door lidstaten overeenkomstig nationaal recht of het Unierecht worden afgegeven. De verordening heeft geen definitie opgenomen van deze autoriteit maar refereert aan «de autoriteit die bevoegd is om de aanvraag in ontvangst of behandeling te nemen».

De Minister van Justitie en Veiligheid is op grond van de Vreemdelingenwet 2000 bevoegd voor de afgifte van visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen (artikel 2k en artikel 14 van de Vreemdelingwet 2000). De IND is thans op grond van het Organisatiebesluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het toepasselijke mandaatbesluit verantwoordelijk voor de afhandeling van de aanvragen voor machtigingen tot voorlopig verblijf (visa voor de toegang tot Nederland voor verblijf van meer dan 90 dagen) en voor de verlening van reguliere verblijfsvergunningen. Bij algemene maatregel van bestuur zal verduidelijkt worden dat op grond van de Vreemdelingenwet 2000 de Minister van Justitie en Veiligheid bevoegd is om de in de verordening genoemde aanvragen in ontvangst of behandeling te nemen.

Noemenswaardig is in dit kader nog de mogelijkheid die op grond van artikel 22octodecies wordt gecreëerd voor kinderbeschermingsautoriteiten28 en gerechtelijke autoriteiten om in het geval van een treffer met een SIS-signalering van vermiste of kwetsbare personen om bij de uitoefening van hun taken een autoriteit met toegang tot het VIS om toegang tot die gegevens verzoeken. Tot die nationale gerechtelijke autoriteiten behoren degenen die verantwoordelijk zijn voor het instellen van openbare vervolgingen in strafprocedures en voor gerechtelijke onderzoeken voorafgaand aan de aanklacht tegen een persoon, en hun coördinerende autoriteiten, als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.

Met bijgaand wetsvoorstel wordt een grondslag gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur te verduidelijken welke autoriteiten op basis van hun bestaande taken en bevoegdheden voldoen aan de omschrijving die de verordening geeft en daarmee de betreffende onderdelen van de verordening uitvoeren, dan wel bijvoorbeeld een verzoek tot toegang tot het VIS kunnen indienen zoals hierboven beschreven.

3.8 Aangewezen autoriteiten

Zoals aan bod kwam bij de beschrijving van EES, Etias en VIS geldt dat voor alle drie de systemen is voorzien in toegang voor rechtshandhaving. Voor VIS geldt dat dit deze toegang al bestaat met de invoering van de oorspronkelijke VIS-verordening. De herzieningsverordening VIS zorgt alleen voor het actualiseren van de bepalingen met de andere twee verordeningen. Naast VIS geldt dat er nog een bestaand informatiesysteem is, waarvoor reeds toegang geldt voor rechtshandhavingsdoeleinden, namelijk Eurodac (zie hierover paragraaf 6). Onder rechtshandhaving wordt in de verordeningen verstaan: het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven29 of andere ernstige strafbare feiten.30 Het raadplegen van de genoemde centrale EU-systemen voor dit doel is voorbehouden aan zogeheten aangewezen autoriteiten, die in de lidstaten verantwoordelijk zijn voor deze taak.

In Nederland is in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) geregeld welke ambtenaren belast zijn met de opsporing van strafbare feiten. Met artikel 3 van bijgaand wetsvoorstel wordt voorgesteld de ambtenaren opgenomen in de onderdelen b tot en met d van artikel 141 van het WvSv aan te wijzen voor VIS en Eurodac31 en EES en Etias:

  • De politie;

  • De KMar (voor hun taken in het kader van opsporing);

En de bijzondere opsporingsdiensten:

  • Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst;

  • De opsporingsdienst onder de Inspectie SZW;

  • De opsporingsdienst onder de Algemene Inspectie Dienst Opsporingsdienst Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit;

  • De opsporingsdienst onder de Inspectie Leefomgeving en Transport ILT-IOD.

Deze instanties kunnen toegang tot de genoemde centrale EU-informatiesystemen krijgen via een door de verordeningen voorgeschreven procedure, waarbij zowel aan bepaalde inhoudelijke (materiële) als procedurele voorwaarden wordt getoetst voordat de gegevens kunnen worden gebruikt. Daartoe verplichten de verordeningen tot het aanwijzen van een centraal toegangspunt, dat hierna aan bod komt.

3.9 Centraal toegangspunt

De in paragraaf 2 genoemde verordeningen verplichten tot het aanwijzen van een centraal toegangspunt (hierna: CTP) die verifieert of er aan de voorwaarden voor toegang tot het betreffende systeem door aangewezen autoriteiten voor rechtshandhaving is voldaan. De achterliggende reden is om persoonsgegevens te beschermen en om de mogelijkheid van systematische zoekopdrachten door rechtshandhavingsinstanties uit te sluiten. Deze systematiek bestaat al voor Eurodac en voor de huidige VIS-verordening en wordt met de invoering van EES en Etias ook voor deze systemen ingevoerd. Voor VIS geldt dat met de herzieningsverordening VIS de regeling in een ander artikel wordt ondergebracht. Om die reden is in artikel 11 van bijgaand wetsvoorstel voorzien in aanpassing van de verwijzing naar de VIS-verordening zoals opgenomen in de voorgestelde artikelen 3 en 4.

Het betreft de volgende bepalingen:

  • artikel 29, tweede lid, 31 en 32 EES-verordening;

  • artikel 50, tweede lid, en 52 Etias-verordening;

  • artikel 5 en 6 van de Eurodac-verordening;

  • artikel 3 van de huidige VIS-verordening;

  • artikel 22 terdecies en 22 sexdecies van de VIS-verordening na herziening.

Op deze verwerkingen is overigens de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging van toepassing vanwege het karakter van de verwerking.

Ten aanzien van de vereisten waaraan het CTP moet voldoen geven EES en Etias aan:

  • Indien het nationale recht dit toestaat, kunnen de aangewezen autoriteit en het centrale toegangspunt deel uitmaken van dezelfde organisatie, maar het centrale toegangspunt treedt bij de uitvoering van zijn taken uit hoofde van deze verordening volledig onafhankelijk van de aangewezen autoriteiten op. Het centrale toegangspunt staat los van de aangewezen autoriteiten en ontvangt van deze diensten geen instructies met betrekking tot de resultaten van de verificatie, die het onafhankelijk verricht.

  • De lidstaten kunnen, afhankelijk van hun organisatorische en bestuurlijke structuur, meer dan één centraal toegangspunt aanwijzen om hun grondwettelijke of wettelijke vereisten na te komen.

In Eurodac en VIS zijn soortgelijke bewoordingen opgenomen.

De procedure die gevolgd moet worden voor toegang tot de systemen staat in de verordeningen.

Voor de huidige VIS-verordening geldt dat wordt verwezen naar een separaat besluit waarin de procedure is opgenomen.32 Afhankelijk van het systeem waarvoor toegang wordt gevraagd zal getoetst moeten worden aan de bepalingen die gelden voor dat systeem zoals beschreven in de verordeningen. De procedure en voorwaarden komen grotendeels overeen.

Er zal in ieder geval sprake dienen te zijn van een gericht en gemotiveerd elektronisch of schriftelijk verzoek en bewijs dat aan de voorwaarden voor toegang wordt voldaan.

Verder geldt onder meer dat er sprake dient te zijn van:

  • noodzaak met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit;

  • toegang is noodzakelijk en evenredig in een specifiek geval;

  • er is bewijsmateriaal of er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat de raadpleging zal bijdragen aan het voorkomen, opsporen of onderzoeken van de desbetreffende strafbare feiten, met name wanneer er een gegrond vermoeden bestaat dat de verdachte, de dader of het slachtoffer van een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit behoort tot een van de categorieën waarop deze verordening van toepassing is.

Andere voorwaarden kunnen bijvoorbeeld zien op de aanwezigheid van een aanvullende motivering die voor het raadplegen van specifieke gegevens is vereist.33

In de bovengenoemde verordeningen wordt tevens verwezen naar het in de verordeningen interoperabiliteit opgenomen CIR (het gemeenschappelijk identiteitsregister). In bepaalde gevallen kan namelijk gezocht worden via het CIR als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan (artikel 20 van beide verordeningen interoperabiliteit). Het CIR komt in paragraaf 5.2 meer uitgebreid aan de orde. Toegang via het CIR zal met name aan de orde zijn indien men vermoedt dat de verdachte/dader of een slachtoffer in één of meer van de systemen staat. Als het CIR voor rechtshandhavingsdoeleinden wordt geraadpleegd krijgt de opsporingsambtenaar alleen te zien in welke onderliggende systemen sprake is van een «hit» (flagging), maar de onderliggende informatie is (nog) niet beschikbaar.

Zoals aan bod kwam in paragraaf 3.8 bestaat onder de huidige VIS- en Eurodac deze procedure al. Voor VIS geldt thans dat de officier van justitie toetst of aan de materiële voorwaarden voor toegang is voldaan en dat de toets op procedurele voorwaarden en het verstrekken van informatie aan de aangewezen autoriteiten belegd is bij de KMar. De KMar voert het verzoek om toegang uit door het VIS te raadplegen en de resultaten terug te sturen naar de verzoekende opsporingsdienst. Voor Eurodac geldt dat zowel de officier van justitie als de rechter-commissaris het verzoek om toegang inhoudelijk beoordelen en de procedurele check en verstrekking van gegevens ligt bij de Politie en de IND. In de praktijk gaat het voorgaande via een vordering op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering en in geval van Eurodac dient dit bevel vergezeld te zijn van een machtiging van de rechter-commissaris. Er is hiermee aangesloten bij de bestaande praktijk in het kader van strafvordering. Voor zowel VIS als Eurodac geldt dat over het algemeen per jaar niet meer dan een handjevol verzoeken worden gedaan. Dit heeft te maken met casuïstiek in de opsporingspraktijk, waardoor bevraging niet nodig blijkt te zijn. Met de twee nieuwe systemen EES en Etias erbij en de uitbreiding van de materiële en personele reikwijdte van VIS en in de toekomst mogelijk ook van Eurodac, kan worden verwacht dat het aantal bevragingen langzaam zal toenemen, mede omdat via het CIR de onderliggende systemen beter worden ontsloten en er waarschijnlijk ook meer «awareness» zal komen in de opsporingspraktijk. Voor Eurodac blijft wel gelden dat het handjevol naar verwachting niet meer zal worden dan hooguit tientallen per jaar.

Met bijgaand wetsvoorstel wordt de officier van justitie aangewezen als CTP ten aanzien van de toetsing op de materiële voorwaarden voor toegang voor alle vier de systemen (artikel 4). Er zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de thans reeds bestaande werkprocessen, die waar mogelijk worden geoptimaliseerd. Daarbij zal in de werkprocessen een onderscheid worden gemaakt in een toetsing op de procedurele voorwaarden voor toegang en een toetsing op de materiële voorwaarden voor toegang. Voor deze werkprocessen geldt dat hiervoor geen aanpassing van bestaande nationale wetgeving of nieuwe nationale wetgeving nodig is. Bij de informatiesystemen EES, Eurodac en VIS zal tevens een kwaliteitscheck worden gedaan op biometrie indien nationaal beschikbare biometrische gegevens de aanleiding zijn voor de zoekvraag. Dit bevordert niet alleen de effectiviteit van het opsporingsonderzoek, maar is tevens een waarborg voor betrokkene omdat zo beter voorkomen kan worden dat de biometrische gegevens niet kloppen (bijvoorbeeld niet horen bij verdachte).

De voorgestelde werkwijze betekent ten aanzien van Eurodac een verandering, omdat de tweetrapsraket van zowel een vordering van de officier van justitie als een machtiging van de rechter-commissaris, wordt omgevormd tot een toets door de officier van justitie. Deze verandering is ingegeven door de wens een uniforme werkwijze voor alle systemen te hanteren. Er is immers een samenhang tussen de vier systemen die met de komst van interoperabiliteit nog eens wordt versterkt. De verordeningen bevatten bovendien uitgebreide waarborgen in het kader van de toegang, waardoor de voorgestelde procedure zeer zorgvuldig wordt ingericht en uitgevoerd. Vanuit dit perspectief is het onnodig zwaar en kostbaar om de rechter-commissaris te betrekken. Bovendien blijven Eurodac verzoeken zeldzaam. Bij de invoering van de Eurodac-verordening was de toetsing door de rechter-commissaris opgenomen vanuit de wens van de Tweede Kamer om te voorzien in aanvullende toetsing.

Met bijgaand wetsvoorstel wordt de onafhankelijkheid verder gewaarborgd doordat de toetsing plaatsvindt onafhankelijk van de zaaksofficier indien deze (reeds) betrokken is door het CTP. Dit is vastgelegd in het voorstelde tweede lid van artikel 4. Het CTP is ondergebracht binnen het Expertteam van het Openbaar Ministerie. Het Expertteam maakt deel uit van Team Internationaal van het Landelijk Parket. Dit Team Internationaal is belast met afhandeling van in- en uitgaande rechtshulp. Het behandelt verzoeken van het buitenland aan Nederland en adviseert en ondersteunt officieren van het Landelijk Parket in hun samenwerking met het buitenland. Binnen het Team Internationaal worden geen eigen, nationale onderzoeken gedaan. Het zal dan ook niet kunnen voorkomen dat de CTP-OvJ in een eigen zaak een beoordeling moet doen nu deze OvJ immers geen eigen zaken doet.

4. SIS-verordeningen

4.1. SIS als systeem

De huidige kaders van het SIS (Schengen Informatie Systeem) worden vervangen met de vaststelling van drie nieuwe verordeningen:

  • 1. SIS-verordening grenscontroles;

  • 2. SIS-verordening terugkeer;

  • 3. SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.

Het SIS is een grootschalig EU-informatiesysteem dat grenscontroles en samenwerking in de rechtshandhaving ondersteunt in en tussen de Schengenlidstaten. Het Schengeninformatiesysteem bestaat uit een centraal systeem (C.SIS) en de verschillende nationale systemen van de lidstaten (N.SIS) die met elkaar verbonden zijn. Het C.SIS is destijds tot stand gekomen ter compensatie van de weggevallen grenscontroles aan de binnengrenzen in het Schengengebied. Hiervoor werd een verdergaande samenwerking op het gebied van de politiële en justitiële taken noodzakelijk geacht. Het SIS is één van de instrumenten daartoe. De juridische basis voor het systeem ligt in de Schengen Uitvoeringsovereenkomst uit 1990. In 1995 ging het eerste SIS van start. In 2013 werd dit systeem opgevolgd door een tweede generatie (SIS II), bedoeld om het geavanceerder te maken.

De bovengenoemde verordeningen stellen het juridisch kader rondom het reeds bestaande SIS opnieuw vast en breiden daarnaast het SIS uit met nieuwe informatie en aanvullende doelstellingen. Met de drie nieuwe verordeningen wordt beoogd het SIS geschikter te maken voor de huidige en voorstelbare toekomstige uitdagingen op het gebied van terrorisme, illegale migratie en criminaliteit. Ook zijn doelstellingen de rechtszekerheid voor burgers te optimaliseren en het systeem beter te laten aansluiten op de andere centrale EU-informatiesystemen. Hiertoe is een aantal wijzigingen doorgevoerd die in de paragrafen hierna bij de betreffende SIS-verordening zullen worden toegelicht.

De reden dat er meerdere verordeningen zijn is overigens gelegen in het feit dat er onderscheid kan worden gemaakt in de rechtsbasis op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Voor SIS-politiële en justitiële samenwerking geldt dat deze gebaseerd is op artikelen in de hoofdstukken justitiële samenwerking in strafzaken en politiële samenwerking van het VWEU. Voor de SIS-verordeningen grenscontroles en terugkeer geldt dat deze gebaseerd zijn op artikelen in het hoofdstuk beleid inzake grenscontroles, asiel en migratie. Het toepassingsbereik verschilt daarnaast in die zin dat SIS-politiële en justitiële samenwerking ook van toepassing is op Unieburgers. Voor de andere twee SIS-verordeningen geldt dat niet vanwege de strekking van die verordeningen (bijvoorbeeld terugkeer van onderdanen van derde landen). Met de nieuwe verordeningen worden daarnaast ook enkele andere reeds bestaande EU verordeningen en besluiten aangepast dan wel ingetrokken. Zo wordt onder meer de reeds bestaande EU SIS II verordening34 gewijzigd en op den duur ingetrokken. Dit geldt eveneens voor het reeds bestaande EU Raadsbesluit over SIS II.35

Dankzij SIS kunnen onder meer de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de controles zowel aan de buitengrenzen van als binnen het Schengengebied signaleringen opnemen over gezochte of vermiste personen en objecten, zoals gestolen voertuigen en documenten. Daarnaast bevat het systeem aan de signalering gekoppelde vervolgacties, dat wil zeggen verzoeken tot concrete acties opgenomen voor functionarissen van bevoegde autoriteiten in andere lidstaten. Dit kan bijvoorbeeld een verzoek tot aanhouding of overlevering zijn. Het C.SIS is een «hit/no-hit» systeem. Dit houdt in dat nationale autoriteiten het systeem niet integraal kunnen doorzoeken maar dat alleen bij een aanleiding, bijvoorbeeld een (grens)controle op een persoon die gesignaleerd staat, informatie over die persoon voor de eindgebruiker zichtbaar wordt.

Aanvullende informatie over signaleringen wordt gedeeld via de zogeheten SIRENE-bureaus (artikel 7 van de SIS-verordening grenscontroles, tevens van toepassing op de SIS-verordening terugkeer, en artikel 7 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken). Dit zijn de nationale aanspreekpunten voor buitenlandse autoriteiten. Elk Schengenland heeft een dergelijk centraal toegangspunt aangewezen. Het consulteren en uitwisselen van informatie van en met andere lidstaten geschiedt via dit bureau.

Daarnaast heeft iedere lidstaat een N.SIS-instantie aangewezen. Deze autoriteit is verantwoordelijk voor de goede werking en beveiliging van het N.SIS, zorgt voor de toegang van de bevoegde autoriteiten tot SIS, en neemt de nodige maatregelen ten behoeve van de naleving van de betreffende verordening. Zij is er tevens verantwoordelijk voor dat alle SIS-functies op passende wijze ter beschikking van de eindgebruikers worden gesteld.

4.2 SIS-verordening grenscontroles

De nieuwe SIS-verordening grenscontroles vervangt verordening 1987/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) en trekt deze in. In de bijlage van de SIS-verordening grenscontroles is een concordantietabel opgenomen. De verordening bevat het algemene kader en regelt de instelling, de werking en het gebruik van het C.SIS op het gebied van grenscontroles voor zover dit niet ziet op politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Diverse artikelen van de SIS-verordening grenscontroles zijn tevens van toepassing op signaleringen die op grond van de SIS-verordening terugkeer worden ingevoerd.36 Met deze verordening worden de voorwaarden en procedures vastgesteld voor het invoeren en verwerken in SIS van signaleringen in verband met onderdanen van derde landen en voor het uitwisselen van aanvullende informatie en extra gegevens met het oog op weigering van toegang tot en verblijf op het grondgebied van de lidstaten (artikel 2 van de verordening).

Met de herziening zijn de regels over signaleringen met het oog op weigering van toegang en verblijf beperkt gewijzigd en zijn bepalingen opgenomen over een overlegprocedure met het doel de procedures voor het gebruik van het SIS te harmoniseren, technische wijzigingen om de beveiliging te verbeteren en de administratieve lasten te helpen verminderen, alsmede wijzigingen van het volledige gebruikstraject van het SIS om tegemoet te komen aan de behoeften van de eindgebruikers.37 Met het nieuwe juridisch kader voor SIS is sprake van een aanpassing van de reeds geldende voorwaarden voor het opnemen van inreisverboden in het SIS. Het van kracht worden van deze signaleringen kan voortaan slechts gebeuren, indien is vastgesteld dat een derdelander het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten of er duidelijk aanwijzingen zijn dat betrokkene zich niet meer in de EU bevindt.38 Voor de situatie dat de onderdaan van het derde land zich nog wel op het grondgebied van de lidstaten bevindt geldt namelijk de mogelijkheid voor invoering van een signalering onder de SIS-verordening terugkeer (zie paragraaf hierna).

Een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf is mogelijk op grond van artikel 24 van de verordening in twee gevallen:

  • a. De aanwezigheid van die onderdaan van een derde land op zijn grondgebied vormt een bedreiging voor de openbare orde of veiligheid of de nationale veiligheid van de lidstaat;

  • b. De lidstaat heeft overeenkomstig procedures met inachtneming van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) een inreisverbod ten aanzien van een onderdaan van een derde land uitgevaardigd.

Vereist is dat de lidstaat een administratieve of gerechtelijke beslissing tot weigering van toegang en verblijf heeft genomen op basis van een individuele evaluatie, waarbij de persoonlijke omstandigheden van de betrokken onderdaan van een derde land en de gevolgen van een weigering van toegang en verblijf zijn geëvalueerd. Nieuw ten opzichte van bovengenoemde voorgaande verordening 1987/2006/EG (SIS II) is de individuele evaluatie, waarbij de persoonlijke omstandigheden van de betrokken onderdaan van een derde land en de gevolgen van een weigering van toegang en verblijf zijn betrokken in het besluit. Dit houdt in dat deze omstandigheden zwaar meewegen bij de vraag of een signalering als proportioneel kan worden beschouwd. De onder a en b genoemde situaties kunnen overlappen, omdat aan derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare orde/nationale veiligheid doorgaans een inreisverbod wordt uitgevaardigd. Inreisverboden kunnen echter ook worden uitgevaardigd om enkel overtreding van vreemdelingenwetgeving (zoals het niet voldoen aan een terugkeerverplichting of het bestaan van risico op onderduiken).

Ad a. Signalering openbare orde of veiligheid of nationale veiligheid

Ten aanzien van de signalering onder artikel 24, eerste lid, onder a, van de SIS-verordening grenscontroles geldt dat tot op heden in de meeste gevallen een besluit tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 de grondslag vormde voor een signalering in de situatie dat er geen inreisverbod op grond van de Terugkeerrichtlijn kan worden opgelegd (de signalering die mogelijk is onder artikel 24, eerste lid, onderdeel b van de verordening), maar de betreffende vreemdeling wel een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt. Het gaat dan bijvoorbeeld om derdelanders die zich buiten het grondgebied van de Europese Unie bevinden. De Terugkeerrichtlijn is namelijk alleen van toepassing op derdelanders die zich niet (langer) legaal op het grondgebied van een lidstaat bevinden. Voor de toepassing van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 is bijvoorbeeld vereist dat de vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft en bij herhaling een bij die wet strafbaar gesteld feit heeft begaan. Niet alle ongewenstverklaarden kunnen in C.SIS worden gesignaleerd. Enkel indien aan de voorwaarden van het tweede lid van artikel 24 van de SIS-verordening grenscontroles wordt voldaan, kan een SIS-signalering ter fine van weigering van toegang en verblijf worden opgenomen. Met bijgaand wetsvoorstel wordt een nieuw artikel 67a in Vreemdelingenwet 2000 ingevoegd om ook voor die gevallen waarin noch een inreisverbod noch een ongewenstverklaring aan de orde is, een besluit kan worden genomen indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 24, tweede lid, van de verordening (voorgesteld artikel 10 onderdeel C).

Opname van een signalering volgt in de huidige situatie na de verwijdering van de ongewenst verklaarde vreemdeling uit Nederland, vaststelling dat hij zich niet in Nederland bevindt of indien er geen rechtsmiddelen meer aangewend kunnen worden tegen de beschikking tot ongewenstverklaring, dan wel de aangewende rechtsmiddelen niet in Nederland afgewacht mogen worden. De nieuwe SIS-verordening grenscontroles brengt hierin verandering aan, omdat de signalering ter fine van weigering in verband met een ongewenstverklaring weliswaar al eerder in het SIS kan worden opgenomen, maar pas enkel van kracht kan worden als betrokkene niet meer in het Schengengebied is. De ongewenstverklaring betekent dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben. Dit heeft tot gevolg dat deze vreemdeling – zolang de ongewenstverklaring van kracht blijft – geen binnenkomst en verblijf in Nederland is toegestaan. Iemand die ongewenst verklaard is, wordt – behoudens een tijdelijke opheffing hiervan – in Nederland niet meer toegelaten.39 De regel is dat ongewenst verklaarden in het C.SIS gesignaleerd blijven voor de duur van de ongewenstverklaring.

Voor de vraag wanneer gevaar voor de openbare orde/nationale veiligheid zich voordoet, wordt in de nieuwe SIS-verordening grenscontroles nagenoeg aangesloten bij de tot dan toe bestaande regels.40

Ad b. Signalering inreisverbod

In geval van een signalering volgens de procedurele voorwaarden van de Terugkeerrichtlijn is sprake van een inreisverbod met een terugkeerbesluit op grond van de Terugkeerrichtlijn. Het terugkeerbesluit dat aan de vreemdeling wordt opgelegd, kan volgens de Terugkeerrichtlijn worden gecombineerd met een inreisverbod. In Nederland gebeurt dit ook standaard in bepaalde gevallen en kan dit gebeuren in andere gevallen. Standaard wordt een inreisverbod opgelegd wanneer een vreemdeling:

  • a) Nederland onmiddellijk moet verlaten; en

  • b) Nederland niet zelf binnen de hem opgelegde vertrektermijn heeft verlaten.41

Tegen derdelanders op het Nederlands grondgebied die een gevaar voor de openbare orde/nationale veiligheid vormen, wordt doorgaans een inreisverbod uitgevaardigd. Daarbij wordt een individuele afweging gemaakt op basis van bewijzen en ondersteunende informatie van autoriteiten zowel uit de vreemdelingenketen, de strafrechtketen als de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Bij de afweging wordt rekening gehouden met de noodzaak om proportioneel te handelen in lijn met bewoordingen zoals opgenomen in artikel 21 en artikel 24, eerste lid, onder a, van de SIS-verordening grenscontroles. Dit is niet alleen vereist in het licht van de rechtsbescherming van het individu maar ook in het licht van een effectieve aanpak vanuit veiligheidsoverwegingen. Een te brede toepassing van het instrument inreisverboden bemoeilijkt de handhaving en in andere gevallen kan het bijvoorbeeld juist waardevol zijn dat een persoon wel inreist, zodat deze kan worden aangehouden of kan worden vastgesteld wat diens modus operandi is in het geval de persoon opereert in een crimineel of terroristisch netwerk.

Een inreisverbod wordt in Nederland opgelegd op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000. Hierbij is altijd sprake van een besluit waarin staat hoe lang het inreisverbod geldt. Ook staat in het besluit voor welke landen het inreisverbod geldt. Bij een inreisverbod worden gegevens van betrokkene geregistreerd in het C.SIS met het verzoek «weigeren toegang». Met een inreisverbod mag een vreemdeling niet reizen naar Nederland, andere EU of EER landen en Zwitserland noch daar verblijven. Het is hierbij van belang dat afhankelijk van de situatie ook aan bepaalde derdelanders die onder het vrij verkeer vallen onder bepaalde voorwaarden een inreisverbod kan worden opgelegd. De SIS-verordening grenscontroles staat dit, evenals het oude SIS juridische kader, toe.42

Wat betreft de volgorde is, zoals eerder opgemerkt van belang dat een signalering van een inreisverbod dat is gekoppeld aan een terugkeerbesluit pas van kracht kan worden nadat betrokkene het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Voor die tijd zijn enkel het terugkeerbesluit en de daaraan verbonden gegevens in de signalering zichtbaar (zie paragraaf hierna). Het inreisverbod heeft pas na uitreis het rechtsgevolg dat het betrokkene wordt verboden om gedurende een bepaalde periode na zijn terugkeer het grondgebied van de lidstaten weer te betreden en er opnieuw te verblijven. Hiermee zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod van elkaar losstaande besluiten, ondanks dat zij tegelijkertijd worden opgelegd.43

Overeenkomstig de reeds bestaande situatie bepaalt artikel 25 van de SIS-verordening grenscontroles overigens nog dat onderdanen van derde landen ten aanzien van wie overeenkomstig een rechtshandeling van de Raad van de Ministers een beperkende maatregel is genomen om de toegang tot of de doorreis via het grondgebied van de lidstaten te beletten, met inbegrip van maatregelen ter uitvoering van een door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingesteld reisverbod, in SIS worden gesignaleerd met het oog op weigering van toegang en verblijf.

Schematisch weergegeven:

Signalering

Uitvoering

Signalering ivm bedreiging openbare orde/veiligheid of nationale veiligheid (art 24, onderdeel a van de verordening)

Artikel 67 Vreemdelingenwet 2000 (ongewenstverklaring, bestaand artikel)

of

Artikel 67a Vreemdelingenwet 2000 (voorgesteld artikel 10, onderdeel C, van bijgaand wetsvoorstel)

Signalering op grond van inreisverbod

Artikel 66a Vreemdelingenwet 2000

4.3 SIS-verordening terugkeer

Met de verordening over de invoer van terugkeerbesluiten in het SIS wordt een nieuw onderdeel aan het C.SIS toegevoegd. Op grond van artikel 3 van de SIS-verordening terugkeer dienen de lidstaten in SIS signaleringen in te voeren van onderdanen van derde landen jegens wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en om de tenuitvoerlegging van terugkeerbesluiten te ondersteunen. Uitzonderingen zijn mogelijk indien onderdanen van derde landen in afwachting van terugkeer worden vastgehouden of indien het terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd aan de buitengrens van een lidstaat en onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Daarbij wordt tevens in de signalering de termijn voor vrijwillig vertrek toegevoegd en bijvoorbeeld elke schorsing of uitstel van de uitvoering van het terugkeerbesluit, onder meer als gevolg van het instellen van beroep.

Hiermee wordt beoogd het EU-terugkeerbeleid effectiever te maken en de uitvoering van de Terugkeerrichtlijn te ondersteunen. Op grond van deze richtlijn vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.44 Een terugkeerbesluit is volgens de richtlijn een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling, waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd.45

In een nieuw verplicht voorgeschreven samenwerking tussen de lidstaten worden de signaleringen betrokken bij het terugkeerproces en bij de afhandeling van aanvragen voor een verblijfsvergunning. Doelstelling van deze uitbreiding van het SIS is de naleving van terugkeerbesluiten en het zicht op het daadwerkelijk verlaten van het Schengengebied te verbeteren. In de SIS-verordening terugkeer zijn procesbeschrijvingen opgenomen over hoe lidstaten elkaar dienen te informeren en te consulteren bij een «hit» op een signalering of in geval van een bepaalde afweging (bijvoorbeeld om al dan niet een verblijfsvergunning in te trekken).

Indien na overleg er geen signalering wordt opgenomen betekent dit overigens niet per definitie dat het terugkeerbesluit op zichzelf ook niet mag worden opgelegd of gehandhaafd, de lidstaat behoudt hierin eigen en zelfstandige beslissingsbevoegdheid en is in sommige gevallen zelfs gehouden een terugkeerbesluit te nemen. Een in C.SIS ingevoerde signalering inzake terugkeer bepaalt daarnaast niet op zichzelf de status van de onderdaan van een derde land op het grondgebied van lidstaten, in het bijzonder niet in andere lidstaten dan de lidstaat die de signalering heeft ingevoerd in C.SIS (overweging 6 van de verordening).

Schematisch weergegeven is de uitvoering als volgt:

Signalering

Uitvoering

SIS-signalering terugkeer

Artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000

4.4. SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken

De SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken borduurt inhoudelijk voort op Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), PbEU 2006, L 381, en Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), PbEU 2007, L 205 en vervangt deze.

De SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken ziet op de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. De verordening vormt de rechtsgrondslag voor het gebruik van het C.SIS met betrekking tot aangelegenheden die vallen onder hoofdstukken 4 (justitiële samenwerking in strafzaken) en 5 (politiële samenwerking) van het VWEU. Het toepassingsbereik van deze verordening wijkt af van de andere verordeningen die uitsluitend zien op onderdanen van derde landen. Artikel 2 van de verordening bepaalt dat de verordening de voorwaarden en procedures vaststelt voor het invoeren en verwerken in SIS van signaleringen van personen en voorwerpen, en voor het uitwisselen van aanvullende informatie en extra gegevens met het oog op de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Op grond van deze SIS-verordening kan een bevoegde autoriteit van een lidstaat signaleringen invoeren met het oog op de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. De bevoegde autoriteit voert een signalering in met als doel dat een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat die de gesignaleerde persoon of het gesignaleerde voorwerp aantreft, de aan de signalering verbonden actie uitvoert. Het SIS behelst dus een systeem waarmee een bevoegde autoriteit een verzoek kan richten aan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat.

De verordening onderscheidt de volgende zes categorieën doelen van signaleringen:

  • signaleringen van personen die worden gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering (hoofdstuk 6);

  • signaleringen van vermiste of kwetsbare personen die moeten worden verhinderd te reizen (hoofdstuk 7);

  • signaleringen van personen die worden gezocht met het oog op een gerechtelijke procedure (hoofdstuk 8);

  • signaleringen van personen en voorwerpen met het oog op onopvallende controle, onderzoekscontrole of gerichte controle (hoofdstuk 9);

  • signaleringen van voorwerpen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure (hoofdstuk 10); en

  • signaleringen van onbekende personen die worden gezocht met het oog op identificatie uit hoofde van nationaal recht (hoofdstuk 11).

Naast de bij een «hit» te ondernemen actie, bevat een signalering onder meer informatie over de gesignaleerde persoon of het gesignaleerde voorwerp, de reden van signalering, de signalerende autoriteit alsmede een vermelding van de beslissing die aan de signalering ten grondslag ligt (artikel 20 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken).

Het invoeren van een signalering en het uitvoeren van een signalering worden geregeld door nationaal recht. Een bevoegde instantie dient telkens krachtens nationaal recht bevoegd te zijn tot het invoeren van een signalering en tot het uitvoeren van de in een signalering gevraagde actie. Indien de gevraagde actie onverenigbaar is met het nationaal recht van de uitvoerende lidstaat, kan die lidstaat de uitvoering daarvan weigeren en de desbetreffende signalering markeren overeenkomstig artikelen 24 en 25 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. De verordening zelf geeft dus geen grondslag voor het invoeren van een signalering en voor het uitvoeren van de gevraagde actie.

De SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken borduurt voort op bovengenoemde verordening 1987/2006/EG en Besluit 2007/533/JBZ. Ten opzichte van die verordening en dat besluit behelst de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken de volgende noemenswaardige aanvullingen.

De doelen van signaleringen zijn uitgebreid. Nieuwe doelen betreffen op grond van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken:

  • a) kinderen die gevaar lopen te worden ontvoerd door een ouder, familielid of voogd, en die moeten worden verhinderd te reizen (artikel 32, eerste lid, onderdeel c);

  • b) kinderen die moeten worden verhinderd te reizen omdat een concreet en aanwijsbaar risico bestaat dat zij zullen worden weggevoerd uit een lidstaat (artikel 32, eerste lid, onderdeel d);

  • c) meerderjarige kwetsbare personen die voor hun eigen bescherming moeten worden verhinderd te reizen (artikel 32, eerste lid, onderdeel e);

  • d) onderzoekscontrole met het oog op de voorkoming, de opsporing, het onderzoek of de vervolging van strafbare feiten, met het oog op de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis en ter voorkoming van gevaar voor de openbare veiligheid (artikelen 36 en 37); en

  • e) onbekende personen die worden gezocht met het oog op identificatie uit hoofde van nationaal recht (artikelen 40 en 41).

De categorieën van signaleerbare voorwerpen zijn uitgebreid. Nieuwe categorieën voorwerpen betreffen:

  • a) valse bankbiljetten (artikel 38, tweede lid, onderdeel n);

  • b) informatietechnologieartikelen (artikel 38, tweede lid, onderdeel o);

  • c) identificeerbare onderdelen van motorvoertuigen (artikel 38, tweede lid, onderdeel p); en

  • d) identificeerbare onderdelen van industriële uitrusting (artikel 38, tweede lid, onderdeel q).

De bij een signalering op te nemen informatie over een persoon is uitgebreid. Nieuw is onder meer:

  • a) het registratienummer van de betrokkene in een nationaal register (artikel 20, tweede lid, onderdeel q);

  • b) informatie over de identificatiedocumenten van de betrokkene (artikel 20, tweede lid, onderdelen s tot en met v en z);

  • c) gezichtsopnamen (artikel 20, tweede lid, onderdeel w); en

  • d) relevante DNA-profielen (artikel 20, tweede lid, onderdeel x).

Ten aanzien van de invoer van signaleringen in SIS geldt dat dit plaatsvindt op grond van de bestaande wettelijke kaders op het terrein van politie en justitie. Op grond van de Wet op de rechterlijke organisatie is het Openbaar Ministerie belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Voor de invoering van een signalering in SIS geldt dat dit vaak gaat het om het verwerken van persoonsgegevens waar artikel 39b van de Wjsg een grondslag voor biedt. Indien het gaat om politiegegevens en het raakt aan handhaving van de openbare orde biedt artikel 8 van de Wpg de grondslag.

4.5 Bevoegde autoriteiten SIS

Zoals kort aan bod kwam in paragraaf 4.1 geldt in ieder geval dat iedere lidstaat een Bureau Sirene heeft aangewezen en een N.SIS-instantie die verantwoordelijkheid voor zijn N.SIS heeft zoals omschreven in paragraaf 4.1. Bureau Sirene is in Nederland ondergebracht bij de landelijke eenheid van de politie, waarbij de politie de beheerverantwoordelijkheid voor het N.SIS heeft.

Bij de SIS-verordening terugkeer wordt ten eerste in algemene zin gesproken over de lidstaten als bevoegde instanties, waarbij een lidstaat ofwel uitvoerende (ook wel verlenende) lidstaat ofwel signalerende lidstaat is en uit dien hoofde informatie uitwisselt met andere lidstaten en/of gegevens in het C.SIS invoert, wijzigt, daaruit verwijdert of raadpleegt.

Voor deze eerder toegelichte situaties geldt dat in die gevallen dat Nederland als signalerende lidstaat invoert, wijzigt of wist, de bevoegde instantie ofwel de IND is, ofwel de politie (AVIM of ZHP) ofwel de KMar. Een terugkeerbesluit wordt in Nederland opgelegd onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid door de IND, de politie (AVIM of ZHP) of de KMar. Het opleggen van terugkeerbesluiten is geen nieuw proces en bij de uitvoering van de SIS-verordening terugkeer wordt er daarom voor gekozen de huidige processen om te komen tot een terugkeerbesluit te handhaven.

Schematisch weergegevens geldt ten aanzien van de invoer van signaleringen in SIS het volgende:

Autoriteit/instantie verordening

Nationale bevoegdheid

Bureau Sirene

Landelijke eenheid politie

Bevoegd voor invoer signalering SIS-verordening terugkeer

Minister van JenV o.g.v. artikel 62a Vreemdelingenwet 2000 (IND, politie (AVIM), Zeehavenpolitie en Koninklijke Marechaussee (KMar))

Bevoegd voor invoer signalering SIS grenscontroles

Minister van JenV o.g.v. artikel 66a, 67 en 67a Vreemdelingenwet 2000 (IND, politie (AVIM), Zeehavenpolitie en Koninklijke Marechaussee (KMar))

Bevoegd voor signalering politiële en justitiële samenwerking

Bij bevoegdheid onder nationale recht onder Wpg en Wjsg (politie, OM)

4.6 Toegangsgerechtigden SIS

Voor alle drie de SIS-verordeningen geldt dat deze bepalingen bevatten die het recht op toegang of doorzoeking van het SIS toekennen voor in die bepalingen specifiek omschreven doelstellingen. Zo regelt bijvoorbeeld artikel 44, eerste lid, onder a, dat de grensautoriteiten toegang hebben tot de in het SIS opgenomen gegevens om deze te doorzoeken ten behoeve van het verrichten van grenscontroles. De bevoegde autoriteiten die dergelijke toegangsrechten hebben op basis van de artikelen van de verordeningen zullen bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen.

De wet tijdelijke regels ter uitvoering van de SIS-verordening grenscontroles en de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken bevat reeds een tijdelijke wettelijke grondslag voor bevoegde autoriteiten ter uitvoering van de SIS-verordening grenscontroles en de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (Stb. 2022, nr. 101). Omdat een deel van de bepalingen van de SIS-verordeningen naar verwachting inwerking is getreden voor onderhavig wetsvoorstel, is bij dat wetsvoorstel voorzien in een tijdelijke wettelijke grondslag die inwerking zal treden indien de nieuwe SIS-verordeningen toepasselijk worden. Deze tijdelijke regels zullen vervolgens vervallen op het moment dat onderhavig wetsvoorstel tot wet wordt verheven en inwerking treedt. Gelet hierop wordt met dit wetsvoorstel voorzien in permanente regels ter uitvoering van de SIS-verordeningen.

Bij de Wet tijdelijke regels ter uitvoering van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking en SIS-verordening grenscontroles is er voor gekozen de bevoegde instanties vanuit het oogpunt van efficiëntie bij wet aan te wijzen. Aanwijzing bij algemene maatregel van bestuur had gelet op het korte tijdsbestek, wanneer het van kracht worden van het tweede deel van de bepalingen van de SIS-verordening wordt voorzien, geen meerwaarde. Bij onderhavig wetsvoorstel is er echter wel voor gekozen de toegangsgerechtigden aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur in lijn met de systematiek die wordt toegepast bij de andere verordeningen.

5. Interoperabiliteit

5.1. Doelstellingen

Zoals weergegeven in paragraaf 1 is een van de doelstellingen die met de verordeningen wordt nagestreefd het waarborgen van de interoperabiliteit van de systemen grenzen, veiligheid en migratie.

Deze interoperabiliteit wordt juridisch gezien bereikt met twee verordeningen, naast wijzigingen van de verordeningen die de verschillende informatiesystemen regelen.

Vanwege de verschillende onderliggende systemen en hun doelstellingen is om juridische redenen (verschillende grondslagen in het VWEU) sprake van twee Verordeningen interoperabiliteit:

  • een verordening interoperabiliteit grenzen en visa en;

  • een verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie.

De verordeningen zijn grotendeels identiek aan elkaar. Wanneer dit niet het geval is, wordt hiervan melding gemaakt in de toelichting en de transponeringstabel. Wat betreft de territoriale en personele reikwijdte van de verordeningen over interoperabiliteit wordt verwezen naar de onderliggende verordeningen, aangezien interoperabiliteit de onderliggende systemen beter laat samenwerken, maar geen inhoudelijke veranderingen aanbrengt in deze systemen (bijvoorbeeld als het gaat om wie daarin staan en welke lidstaten deelnemen).

Door interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen te waarborgen worden de volgende doelstellingen nagestreefd (artikel 2, tweede lid, van de Verordeningen interoperabiliteit):

  • het verzekeren van de correcte identificatie van personen;

  • het bijdragen aan het bestrijden van identiteitsfraude;

  • het zorgen voor gegevens van hogere kwaliteit en geharmoniseerde vereisten inzake de kwaliteit van gegevens die zijn opgeslagen in de Unie-informatiesystemen, met inachtneming van de gegevensbeschermingsvoorschriften waarin de rechtsinstrumenten voor de afzonderlijke systemen voorzien, en van de gegevensbeschermingsnormen en -beginselen;

  • de technische en operationele implementatie van bestaande Unie-informatiesystemen door de lidstaten te vergemakkelijken en te ondersteunen;

  • de gegevensbeveiliging en -beschermingsvoorwaarden voor de respectieve Unie-informatiesystemen strenger, eenvoudiger en uniformer te maken, zonder afbreuk te doen aan de bijzondere bescherming en waarborgen die op bepaalde gegevenscategorieën van toepassing zijn;

  • de voorwaarden voor de toegang van aangewezen autoriteiten tot het EES, VIS, Etias en Eurodac te stroomlijnen en te zorgen voor noodzakelijke en evenredige voorwaarden voor die toegang;

  • de doelstellingen van het EES, VIS, Etias, Eurodac, SIS en het ECRIS-TCN te ondersteunen.

Interoperabiliteit houdt in dat deze informatiesystemen onderling kunnen communiceren en samenwerken, hetgeen moet zorgen voor beter beheer van de buitengrens van het Schengengebied en voor verhoogde interne veiligheid binnen de Europese Unie. Onderdeel van interoperabiliteit zijn de volgende EU-informatiesystemen: EES, Etias, SIS, Eurodac, VIS en ECRIS-TCN. Tevens is interoperabiliteit van toepassing op de Europol database en de Interpol databases, respectievelijk TDAWN en SLTD46 (artikel 3, tweede lid, verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie). Interoperabiliteit zorgt ervoor dat deze Unie-informatiesystemen en de erin opgenomen gegevens elkaar aanvullen, met inachtneming van de grondrechten van het individu, en met name de bescherming van persoonsgegevens.

De onderdelen die zien op de interoperabiliteit tussen de verschillende informatiesystemen is voor een groot deel geregeld in de verschillende verordeningen. Zo is met de wijzigingsverordening Etias de interoperabiliteit gerealiseerd tussen het Etias informatiesysteem, andere EU-informatiesystemen en Europol gegevens. Met de herzieningsverordening VIS is bijvoorbeeld geregeld dat het EES en het VIS volledig interoperabel kunnen zijn, zodat een volledig beeld wordt verkregen van de geschiedenis van de visumaanvraag van derdelanders, door toevoeging van informatie over hoe zij van hun visum gebruik hebben gemaakt. Interoperabiliteit stelt de grensautoriteiten die het EES gebruiken, in staat vanuit het EES het VIS te raadplegen om onder meer aan de grenzen waar het EES wordt gebruikt de identiteit van de visumhouder te verifiëren door de vingerafdrukken van de visumhouder te vergelijken met de vingerafdrukken in het VIS. In de herzieningsverordening VIS is bijvoorbeeld vastgelegd dat de identiteit van een visumhouder voortaan ook kan worden geverifieerd met een gezichtsopname, mits dit een live gezichtsopname betreft. Dienovereenkomstig wordt artikel 8 van de EES-verordening gewijzigd zodat de gezichtsopname van de visumhouder in het EES voortaan ook kan worden vergeleken met de live gezichtsopname die staat geregistreerd in het VIS.

De verordeningen interoperabiliteit bevatten een aantal interoperabiliteitscomponenten die de hierboven genoemde doelstellingen ondersteunen:

  • a. een Europees zoekportaal («European search portal»: ESP)

  • b. een gezamenlijke dienst voor biometrische matching («shared biometric matching service«: sBMS, of gezamenlijke BMS),

  • c. een gemeenschappelijk identiteitsregister («common identity repository»: CIR) en;

  • d. een detector van meerdere identiteiten («multiple identity detector»: MID).

5.2 ESP, sBMS, CIR en MID

Ad a. ESP

Met het ESP worden alle hiervoor genoemde systemen simultaan en in één keer doorzoekbaar voor de daartoe bevoegde autoriteiten. Het doel van het ESP is om te zorgen dat deze autoriteiten snel, naadloos, systematisch en gecontroleerd toegang hebben tot de EU-informatiesystemen voor de gegevens die zij nodig hebben om hun taken te verrichten overeenkomstig hun toegangsrechten en de doelstellingen zoals vastgelegd in de specifieke verordeningen. Door middel van gebruikersprofielen wordt rekening gehouden met verschillende toegangsrechten tot de centrale EU-informatiesystemen. Of een betreffende nationale autoriteit daadwerkelijk toegang heeft tot een onderliggend systeem hangt dus af van wat het juridisch kader van het onderliggende systeem hierover zegt. De eindgebruiker ziet via het ESP enkel of iemand in een van de onderliggende systemen staat. Het ESP creëert geen nieuwe gegevens en dient enkel als punt van toegang. Het ESP brengt daarnaast geen veranderingen aan in de EU-systemen en legt geen directe link tussen de systemen.

Ad b. sBMS

De gezamenlijke dienst voor biometrische matching «sBMS» dient ter ondersteuning van het CIR en de MID (zie beiden hierna). sBMS vraagt biometrische gegevens (vingerafdrukken en gezichtsopnames) uit verschillende systemen op en vergelijkt deze met elkaar. De sBMS bewaart geanonimiseerde biometrische templates in een eigen gegevensbestand die een referentie bevatten naar de centrale EU-informatiesystemen waar de corresponderende biometrische gegevens zijn opgeslagen. Een template bevat een weergave van een biometrisch gegeven bestaande uit een reeks karakters waarmee de sBMS verbanden met biometrische gegevens in verschillende centrale EU-informatiesystemen opspoort. De biometrische templates worden opgeslagen in de gezamenlijke BMS in logisch gescheiden vorm per Unie-informatiesysteem waaruit de gegevens afkomstig zijn.

Ad c. CIR

Het CIR bevat identiteitsgegevens van onderdanen van derde landen die in de verschillende EU-informatiesystemen zijn opgeslagen. Voor elke in het EES, VIS, Etias, Eurodac (zie hierover paragraaf 6.1) of ECRIS-TCN (zie hierover paragraaf 6.2) geregistreerde persoon wordt een afzonderlijk bestand met identiteitsgegevens aangelegd. Deze gegevens zijn afkomstig uit de onderliggende systemen, waarin zij overeenkomstig de daarop betrekking hebbende verordeningen zijn vastgelegd. Het gaat, al naar gelang het geval, om personalia, nationaliteit, gender, vroegere namen, pseudoniemen of bijnamen, informatie over reisdocumenten en biometrische gegevens. Het doel is de correcte identificatie van geregistreerde personen te vergemakkelijken. Het CIR neemt een deel van de gegevens van de individuele informatiesystemen over, maar houdt rekening met de noodzaak tot het compartimenteren van de gegevens op grond van het doel (het systeem) waarvoor ze zijn verstrekt. Het CIR bevat bovendien referenties naar de centrale EU-informatiesystemen waar de gegevens toe behoren.

Het CIR dient ervoor de werking van de detector van meerdere identiteiten (zie hierna bij MID) te ondersteunen en beoogt de toegang van rechtshandhavingsinstanties (de «aangewezen autoriteiten») tot onderliggende systemen te vergemakkelijken wanneer dat nodig is voor de preventie, de opsporing of het onderzoek van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten.

Daarnaast kunnen lidstaten op grond van artikel 20 van de Verordeningen interoperabiliteit politieautoriteiten in bepaalde gevallen toegang verlenen, mits dit is vastgelegd in wetgeving. Het betreft het vergemakkelijken en bevorderen van de correcte identificatie van mensen die zijn geregistreerd in de onderliggende systemen, kort gezegd in situaties waarin iemand niet kan worden geïdentificeerd indien:

  • bijvoorbeeld een persoon niet in staat is of weigert om mee te werken (situaties beschreven in het eerste lid); of

  • in geval van een natuurramp, ongeval of terroristische aanslag en uitsluitend met het oog op de identificatie van onbekende personen die niet in staat zijn om zichzelf te legitimeren of de identificatie van niet-geïdentificeerde stoffelijke overschotten (situaties beschreven in artikel 20, vierde lid).

De regering stelt voor beide mogelijkheden te gebruiken en licht dit verder toe in de artikelsgewijze toelichting op artikel 8. Door middel van een zogenoemde «hit-flag-functionaliteit», is het mogelijk om de aanwezigheid te controleren van gegevens in één van de systemen die door het CIR worden ondersteund via een eenvoudige hit/geen hit-melding. Via het ESP zal er dan een vlaggetje verschijnen, wanneer er een treffer oftewel een zoekresultaat is.

Autoriteit

Rol

CIR

Politieautoriteit

Toegang voor identificatie (artikel 20 beide verordeningen)

Aangewezen autoriteiten (en Europol)

Toegang voor voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten (artikel 22 beide verordeningen)

Ad d. MID (detector van meerdere identiteiten)

De MID zorgt voor het aanmaken en opslaan van een identiteitsbevestigingsbestand dat links bevat tussen gegevens in de Unie-informatiesystemen die zijn opgenomen in het CIR en het SIS, en op basis daarvan meerdere identiteiten detecteert, met als tweeledig doel de identiteitscontroles te vergemakkelijken en identiteitsfraude te bestrijden. Uitgangspunt is dat dezelfde biometrische gegevens in verschillende informatiesystemen gekoppeld behoren te zijn aan dezelfde reisdocument- en identiteitsgegevens.

Bij alle registraties in een EU-informatiesysteem wordt de identiteit van de betrokken persoon meegegeven en geregistreerd. Bijvoorbeeld bij een inreis, een uitreis, een visumaanvraag of een registratie in het ECRIS-TCN. Indien een identiteit geregistreerd wordt, wordt geautomatiseerd gekeken of in één van de andere informatiesystemen ook een registratie van deze persoon bestaat. Is dit het geval dan wordt dit vastgelegd door middel van een link tussen de registraties in de verschillende Unie informatiesystemen. De kleur van de link geeft daarbij aan wat voor soort relatie tussen de vastgelegde identiteiten bestaat. De detector van meerdere identiteiten «MID» controleert of de biografische identiteitsgegevens in de zoekopdracht ook in andere systemen voorkomen, zodat kan worden gecontroleerd of aan dezelfde biometrische gegevens meerdere identiteiten gekoppeld zijn.

De achtergrond hiervan kan divers zijn. Bijvoorbeeld dat iemands persoonlijke situatie is gewijzigd of een naam op verschillende wijzen wordt gespeld, maar het kan ook gaan om identiteitsfraude of een tikfout of administratieve fout. De situatie die zich voordoet, wordt vertaald in een zogeheten link, die afhankelijk van de situatie een bepaalde kleur krijgt. De kleur van de link geeft de relatie aan tussen de identiteiten. De MID is een belangrijk onderdeel van het identiteitsmanagement nu er geen sprake is van een centrale basisregistratie van personen.

De gele links zijn hier met name het noemen waard, omdat zij tot de nodige uitvoeringshandelingen leiden. Een link wordt geel als een zoekslag door het CIR leidt tot een match tussen gegevens uit de diverse EU-informatiesystemen, maar de identiteitsgegevens van de gelinkte bestanden – zoals in de net genoemde voorbeelden – niet als vergelijkbaar kunnen worden beschouwd. Een dergelijke gele link moet worden opgelost, omdat er mogelijk iets aan de hand is. Dit gebeurt door middel van een handmatige controle (manuele verificatie) door een bevoegde nationale autoriteit. Alleen de autoriteiten die worden belast met manuele verificatie kunnen de MID bevragen, dus geen andere eindgebruikers.

Een visuele weergave van wat er op grond van interoperabiliteit gebeurt is de volgende (bron: EC)

5.3 Bevoegde autoriteiten interoperabiliteit

Bij de verordeningen over interoperabiliteit wordt voor bevoegde instanties telkens teruggevallen op de bevoegde instanties bij de onderliggende verordeningen en EU-informatiesystemen die via interoperabiliteit naar verwachting beter met elkaar kunnen samenwerken. Aanwijzing van een bevoegde instantie in het kader van de interoperabiliteit is dus niet nodig.

Zo bepaalt bijvoorbeeld artikel 7, eerste lid, van de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa dat het gebruik van het ESP is voorbehouden aan de lidstatelijke autoriteiten en de Unie-agentschappen die toegang hebben tot ten minste een van de EU-informatiesystemen, overeenkomstig de rechtsinstrumenten met betrekking tot die EU-informatiesystemen, tot het CIR en de MID overeenkomstig deze verordening, tot Europol-gegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 of tot de Interpol-databanken overeenkomstig het Unierecht of het desbetreffend nationaal recht. Het is in dit geval niet nodig om deze autoriteiten nog eens apart aan te wijzen, hetgeen ook wordt bevestigd in het tweede lid van artikel 7, waarin staat dat de in het eerste lid bedoelde lidstatelijke autoriteiten en de Unie-agentschappen het ESP gebruiken om overeenkomstig hun toegangsrechten als bedoeld in de rechtsinstrumenten met betrekking tot deze Unie-informatiesystemen of het nationaal recht gegevens over personen of hun reisdocumenten te doorzoeken in de centrale systemen van het EES, VIS en Etias.

Voor het sBMS geldt dat deze automatisch wordt doorzocht, dat wil dus zeggen in eerste instantie zonder tussenkomst van bevoegde autoriteiten; de resultaten vertalen zich door naar het CIR en het SIS. Artikel 14 van de Verordeningen interoperabiliteit bepalen hierover het volgende: het CIR en het SIS doorzoeken de in het CIR en het SIS opgeslagen biometrische gegevens aan de hand van de in de gezamenlijke sBMS opgeslagen biometrische templates.

Toegang tot het CIR is voorbehouden aan politieautoriteiten als bedoeld in artikel 20 van de verordeningen over interoperabiliteit voor de in dat artikel bedoelde doelen zoals deze nationaal zijn uitgewerkt (zie artikel 8 van het wetsvoorstel). Daarnaast hebben autoriteiten die voor manuele verificatie bevoegd zijn toegang tot het CIR op grond van de voorwaarden genoemd in artikel 21 van de verordeningen over interoperabiliteit en kan er via bevraging van het CIR toegang voor wetshandhaving worden gegeven tot de gegevens in de EU-informatiesystemen EES, Etias, Eurodac en VIS volgens de voorwaarden van artikel 22 (zie paragraaf 3.8 en 3.9).

Met het oog op de in artikel 29 van de Verordeningen interoperabiliteit bedoelde manuele verificatie van meerdere identiteiten hebben volgens artikel 26 van de verordeningen over interoperabiliteit de volgende instanties toegang tot de in de MID opgenomen gegevens:

  • a) de bevoegde autoriteiten zoals aangewezen overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van Verordening (EU) 2017/2226 bij het aanleggen of bijwerken van een persoonlijk dossier in het EES overeenkomstig artikel 14 van die verordening;

  • b) de visumautoriteiten en de autoriteiten die bevoegd zijn om te beslissen over een aanvraag voor een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening (EG) 767/2008 bij het opstellen of bijwerken van een aanvraagdossier in het VIS overeenkomstig die verordening, alsmede de aangewezen VIS-autoriteit(en) als bedoeld in artikel 9 quinquies en artikel 22 ter (met de herzieningsverordening VIS) bij het handmatig verifiëren van hits die zijn geactiveerd door geautomatiseerde zoekopdrachten van het VIS naar het ECRIS-TCN overeenkomstig die verordening;

  • c) de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden bij het verrichten van de in de artikelen 22 en 26 van verordening (EU) 2018/1240 bedoelde verwerking;

  • d) het Sirene-bureau van de lidstaat die een SIS-signalering overeenkomstig verordening 2018/1860/EU en 2018/1861/EU creëert of bijwerkt;

  • e) de centrale autoriteit van de lidstaat van veroordeling, bij het invoeren en wijzigen van de gegevens in ECRIS-TCN overeenkomstig artikel 5 of artikel 9 van verordening (EU) 2019/816.47

Schematisch weergegeven is de toegang tot de MID als volgt.

Autoriteit

Rol

MID

Bevoegde autoriteiten EES

Met het oog op manuele verificatie voor het aanleggen of bijwerken van een persoonlijk dossier (artikel 26, eerste lid, onderdeel a, IO grenzen en visa)

Visumautoriteiten VIS

Voor het opstellen of bijwerken van een aanvraagdossier (artikel 26, eerste lid, onderdeel b, IO grenzen en visa)

Centrale en nationale Etias-eenheid

Voor de taken op grond van artikel 22 en 26 van de Etias-verordening (en artikel 26, eerste lid, onderdeel c, IO grenzen en visa)

Sirene-bureau

Manuele verificatie bij bijwerken of controleren SIS-signalering. (artikel 26, eerste lid, onderdeel d, IO grenzen en visa; artikel 26, eerste lid, onderdeel a, IO politiële en justitiële samenwerking)

Centrale autoriteiten van de lidstaat van veroordeling

Manuele verificatie bij het invoeren en wijzigen van de gegevens in ECRIS-TCN (artikel 26, eerste lid, onderdeel b, IO politiële en justitiële samenwerking)

Lidstatelijke autoriteiten of Unie-agentschappen

Onder de voorwaarden van de verordeningen (artikel 26 van beide Verordeningen interoperabiliteit) bij het ontstaan van een gekleurde link 1

X Noot
1

De kleur van de link geeft daarbij aan wat voor soort relatie tussen de vastgelegde identiteiten bestaat. Zo staat geel voor een link die nog manueel geverifieerd moet worden. Bij een witte link is er sprake van eenzelfde persoon. Bij een groene link gaat het om twee verschillende personen. Bij een rode link wijzen de persoonsgegevens op ongerechtvaardigde wijze naar dezelfde persoon of twee verschillende personen. Bij deze rode link kan er sprake zijn van identiteitsfraude.

6. Verhouding tot andere EU-regelgeving

6.1 Eurodac

De Eurodac-verordening48 is een bestaande verordening met een bestaand informatiesysteem dat tot doel heeft te helpen vaststellen welke lidstaat krachtens Verordening (EU) 604/2013 verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een lidstaat is ingediend en tevens de toepassing van verordening (EU) 604/2013/EU te vergemakkelijken, zulks onder de in deze verordening vervatte voorwaarden. Momenteel wordt onderhandeld over een wijziging van de Eurodac-verordening.

Het Eurodac helpt de lidstaten met de identificatie van asielzoekers en van personen die in verband met de illegale grensoverschrijding van een buitengrens van de Unie zijn aangehouden. De wijziging van de verordening heeft als doel om Eurodac te transformeren in een gemeenschappelijk EU-informatiesysteem ter ondersteuning van het EU-beleid op asiel, hervestiging, en irreguliere migratie en bouwt voort op het Commissievoorstel van mei 2016 waarop door de EU-wetgevers een voorlopig akkoord is bereikt.49 Het is de bedoeling dat ook Eurodac onderdeel wordt van de componenten van interoperabiliteit en dat bijvoorbeeld een Eurodac «hit» wordt meegenomen bij de afhandeling van een Etias-aanvraag. Omdat de onderhandelingen langer duren dan voorzien wordt de wijziging van Eurodac niet meegenomen met dit wetsvoorstel, met dien verstande dat ten behoeve van een uniforme regeling van het centraal toegangspunt (zie paragraaf 3.9) de bestaande Eurodac-verordening in die regeling is opgenomen.

6.2. ECRIS-TCN

Daarnaast is het wetsvoorstel tot wijziging van de Wjsg ter implementatie van Europese regelgeving over het Europees strafregisterinformatiesysteem50 relevant nu dat ziet op de implementatie van de ECRIS-TCN-verordening en de ECRIS-richtlijn. ECRIS-TCN bestaat uit een centraal informatiesysteem waarin identiteitsgegevens van in de Europese Unie veroordeelde onderdanen van een derde land worden opgeslagen. Onder onderdanen van een derde land worden tevens verstaan burgers van de Europese Unie die tevens de nationaliteit van een derde land bezitten, staatlozen en personen wiens identiteit niet bekend is. ECRIS-TCN wordt beheerd door eu-LISA. ECRIS-TCN betreft een systeem om vast te stellen welke lidstaten beschikken over informatie over eerdere veroordelingen van onderdanen van een derde land. De reden van het bestaan van ECRIS is gelegen in de doelstelling dat gegevens betreffende de in de lidstaten van de Europese Unie uitgesproken veroordelingen buiten de lidstaat van veroordeling in aanmerking worden genomen in het kader van nieuwe strafrechtelijke procedures, zoals bepaald in Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (PbEU 2008, L 220), alsook ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. De implementatie van de ECRIS-TCN-verordening en de ECRIS-richtlijn vallen niet onder bijgaand wetsvoorstel nu ECRIS-TCN en ECRIS primair bestaan ten behoeve van de strafrechtspleging. Daarmee verschilt het doel van het doel van onderhavig wetsvoorstel. Relevant voor de verordeningen van onderhavig wetsvoorstel is dat een ECRIS-TCN hit voortaan onderdeel gaat uitmaken van de afweging al dan niet een visum of een reisautorisatie te verlenen.

7. Uitvoeringsaspecten en gevolgen

7.1. Inleidende opmerkingen

De gevolgen voor de uitvoering van bijgaand wetsvoorstel zijn te herleiden tot de verordeningen zelf, nu het wetsvoorstel de betreffende verordeningen operationaliseert. Daarbij is van belang dat nu de gevolgen voortvloeien uit rechtstreeks geldende EU-regelgeving er geen, of slechts zeer beperkt, ruimte is voor het maken van andere keuzes. Voor de inschatting van de gevolgen van de verordeningen voor de uitvoering geldt noodzakelijkerwijs dat wordt gewerkt met aannames in de aantallen, termijnen en planningen, die door de EU worden opgesteld. Om die reden wordt nog geen inschatting gemaakt op welke termijn de samenwerking die met de verordeningen ontstaat tussen de uitvoeringsorganisaties van alle Schengenlidstaten gaat leiden tot verbetering en versnelling van processen binnen Schengen in het algemeen en voor Nederland in het bijzonder. De ketenpartners hebben ten algemene een uitvoeringstoets uitgevoerd op de verordeningen, die naar zijn aard een momentopname betreft en algemeen van aard is.

Belangrijk in dit kader is dat vanwege de complexiteit van de verordeningen en de onderlinge afhankelijkheden tussen zowel de verordeningen, als de uitvoerende ketenpartners, als tussen de EU en de lidstaten, er wordt gewerkt in een programmastructuur waarin de uitvoering een belangrijke rol speelt. Het programma Grenzen en Veiligheid coördineert de implementatie van de verordeningen in brede zin. Daarbinnen zijn diverse overlegstructuren waarin de ketenpartners die voor de uitvoering van de verordeningen aan de lat staan zijn vertegenwoordigd en waar tevens uitvoeringsvraagstukken worden besproken als doorlopend proces.

Hierna zal op hoofdlijnen worden ingegaan op de gevolgen voor de uitvoering van de verschillende verordeningen en het bijbehorende wetsvoorstel.

7.2 Gevolgen voor de systemen

Voor zowel EES, Etias, VIS, Eurodac, SIS als de centrale componenten ESP, sBMS, CIR en MID van interoperabiliteit geldt dat sprake is van centrale EU-informatiesystemen, waarvoor het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, agentschap van de Europese Unie voor ICT (eu-LISA) verantwoordelijk is. EU-LISA is tevens verantwoordelijk voor een «Nationale Uniforme Interface» (hierna: NUI). Het gaat hier om serverracks op twee plekken in Nederland waar zo meteen gegevens door heen worden getransporteerd van en naar de EU-informatiesystemen. Om beeldspraak te gebruiken is de NUI vergelijkbaar met een modem die de internetverbinding regelt van de klant naar de server van bijvoorbeeld een bedrijf waar een product of dienst wordt besteld. Het gaat met andere woorden om een verbindingskanaal dat een aantal beperkte functies heeft, onder meer flow control (als er in één keer heel veel informatie van en naar de EU-systemen gaat zorgt de NUI ervoor dat dit ordentelijk en op de juiste manier gebeurt om overbelasting te voorkomen) en buffering (de NUI kan bijvoorbeeld de door Nederland in het EES ingevoerde gegevens ten behoeve van grensbeheer tijdelijk opslaan in de NUI als het centrale EES niet werkt (artikel 21 EES-verordening).

Nederland is verantwoordelijk voor de aansluiting van alle overheidsdiensten die toegang hebben tot de EU-informatiesystemen op de NUI en voor de connectie tussen de twee NUI locaties. De EU-informatiesystemen die worden geïntroduceerd door de verordeningen vereisen aanpassingen op de informatiesystemen van samenwerkende uitvoeringsorganisaties. De betrokken Nederlandse systemen zijn via koppelvlakken en ketenvoorzieningen verbonden met de Europese registers. De uitvoeringsorganisaties dienen koppelingen aan te passen, zodat hun nationale systemen met de Europese registers kunnen communiceren. Overheidsdiensten voeren gegevens namelijk vaak in via hun eigen systeem (bijvoorbeeld de KMar via het grenssysteem). Uiteraard blijven deze diensten voor de goede werking van dit eigen systeem verantwoordelijk.

Om dit goed mogelijk te maken en ketenpartners te ontzorgen wordt gebouwd aan het Europaloket als schakel tussen deze systemen. Daarbij levert het Europaloket verschillende diensten waarbij ketenpartners kunnen kiezen voor maatwerk op een manier die het beste aansluit op de voor hen toepasselijke situatie (bijvoorbeeld bevragen of muteren). Daarnaast is het mogelijk om een nationaal systeem via het Europaloket aan te sluiten op de NUI of gebruik te maken van rechtstreekse aansluiting. Ten aanzien van dit loket geldt uiteraard dat dit voldoet aan de eisen die de AVG en de verordeningen stellen. In dit loket kunnen het tot op heden gebruikte Eurodac-loket en VIS-loket opgaan. Het Europaloket is gericht op de migratieketen waarbij in de volgorde van de data van ingebruikneming van de Europese systemen wordt gewerkt.

Ten aanzien van SIS kwam in paragraaf 4.1 al kort aan bod dat SIS bestaat uit een centraal systeem (C.SIS) en de verschillende nationale systemen van de lidstaten (N.SIS) die met elkaar verbonden zijn. Ten aanzien van N.SIS geldt dat de wettelijke grondslag voor het N.SIS te vinden is in de SIS-verordeningen zelf. Deze schrijven dwingend voor dat elke lidstaat een N.SIS heeft, maar laten het tegelijkertijd aan de lidstaten zelf te bepalen of het N.SIS een volledige of gedeeltelijke kopie bevat van de C.SIS-databank (en dus ook van signaleringen van andere lidstaten). Thans bevat het Nederlandse N.SIS minder en tegelijkertijd ook meer gegevens dan de gegevens welke naar het C.SIS worden doorgestuurd. Het Nederlandse N.SIS is een nationale kopie van het Nederlandse deel van C.SIS, maar dan zonder zogeheten binaire data. Dit houdt in dat Nederland er voor gekozen heeft de biometrische gegevens van door Nederland gesignaleerde personen niet nationaal op te slaan in het N.SIS. Hetzelfde geldt voor bepaalde documenten die aan een signalering gekoppeld zijn. Deze (biometrische) gegevens worden wel in C.SIS opgeslagen. Gegevens die wel in het N.SIS staan, maar niet naar C.SIS gaan zijn bijvoorbeeld nationale signaleringen en nog te verrichten betekeningen (bijvoorbeeld nog te betalen boetes).

Nationaal zijn er verschillende gegevensverzamelingen die relevant zijn in verband met de Europese systemen. Deze gegevensverzamelingen zijn opgenomen in verschillende systemen, die juridisch gezien onder ofwel de AVG en bijvoorbeeld de Vreemdelingenwet 2000 vallen of onder de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (RGB), de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Voor de uitvoering hiervan is met name van belang dat deze systemen kunnen communiceren met de Europese zodat de verordeningen uitgevoerd kunnen worden. Ten aanzien van de nationale systemen geldt dat dit bestaande systemen zijn die door de uitvoerende organisaties worden gebruikt voor de uitvoering van hun taken. Voor de NUI geldt dat daarin geen nationale opslag van gegevens plaatsvindt, tenzij sprake is van tijdelijke buffering hetgeen de verordeningen expliciet toestaan of in geval van automatisch gegenereerde berichten, zoals logging activiteiten die in de NUI worden opgeslagen.

Waar het gaat om de invoer van gegevens in de Europese systemen via deze systemen geldt dat de verplichting tot verwerking van deze gegevens voortvloeit uit de verordeningen die immers tot die invoer van deze gegevens verplichten. Omgekeerd kan het zo zijn dat het noodzakelijk is om gegevens die in de Europese systemen staan nationaal op te slaan. Daarbij zal het overigens meestal gaan om zelf ingevoerde gegevens. Vanaf het NUI wordt de privacy en beveiliging geborgd door de Europese instanties die in de verordeningen zijn benoemd. De verwerking van de gegevens vanuit de nationale systemen en de nationale opslag worden onderdeel van de bestaande inrichting, waarin privacy en beveiliging geborgd zijn en de bewaartermijnen van de verordeningen en nationale opslag worden gevolgd. In een aantal verordeningen zijn specifieke bepalingen opgenomen over de voorwaarden voor het opslaan van aan de Europese databases gerelateerde gegevens in nationale systemen.

Zo geldt dat in artikel 28 van de EES-verordening een bepaling is opgenomen ten aanzien van de krachtens hoofdstuk III (gebruik van het EES door andere autoriteiten) uit het EES opgehaalde gegevens. Dit artikel bepaalt dat de betreffende gegevens in nationale bestanden bewaard kunnen worden, indien dit in een individueel geval noodzakelijk is, overeenkomstig het doel waarvoor zij werden opgehaald en het toepasselijke Unierecht, in het bijzonder inzake gegevensbescherming en niet langer dan in een individueel geval noodzakelijk. Op grond van artikel 40 mag een lidstaat de alfanumerieke gegevens die hij zelf in het EES heeft ingevoerd, overeenkomstig de doelen van het EES bewaren in zijn nationale in- of uitreissysteem of gelijkwaardige nationale bestanden, met volledige inachtneming van het Unierecht. Deze gegevens worden niet langer in de nationale in- en uitreissystemen of gelijkwaardige nationale bestanden bewaard dan in het EES.

Om uitvoering te kunnen geven aan eventuele (rechterlijke) procedures die volgen naar aanleiding van een besluit dat is genomen op grond van het EES (bijvoorbeeld een besluit tot weigering van toegang), is het noodzakelijk om gegevens nationaal op te slaan. Om de rechtmatigheid van een dergelijk besluit in een later stadium te kunnen toetsen is de opslag van de momentopname ten tijde van het nemen van het besluit vereist. Dit kan bijvoorbeeld ook relevant zijn in het kader van toezicht. Een andere reden ziet op de voor de uitvoering van het EES vereiste koppeling met nationale bestanden. Het kan noodzakelijk zijn om gegevens tijdelijk nationaal op te slaan, omdat in een later stadium een wijziging van deze gegevens doorgevoerd moet worden in bijvoorbeeld het EES of het VIS. Zo is bijvoorbeeld in het geval van een verlenging van een visum vereist dat de visumautoriteiten gegevens toevoegen aan het aanvraagdossier, zoals het nummer van de visumsticker. Naar aanleiding van het besluit tot verlenging dat is opgenomen in het nationale systeem, zullen gegevens doorgevoerd moeten worden in de Europese databank. De nationale opslag van gegevens is in dat geval noodzakelijk om de koppeling te kunnen maken met het Europese dossier.

De Etias-verordening bevat geen expliciete bepaling over het nationaal opslaan van gegevens uit het Etias. De Etias-verordening voorziet in real time toegang tot het centrale Etias-systeem waarin de benodigde gegevens zijn opgeslagen en in de opslag van aanvraagdossiers voor een periode van vijf jaar wanneer de reisautorisatie is geweigerd, nietig verklaard of ingetrokken, inclusief de motivering van de afwijzing in de vorm van het aanvinken van een vastgesteld formulier. Het centrale Etias-systeem is (technisch) enkel geschikt voor real time bevraging en grotendeels niet geschikt om nationaal te worden gebruikt om gegevens te verwerken ten behoeve van juridische procedures, en evenmin om gedegen onderzoek te doen naar achterliggende bronnen, omdat het centrale systeem niet gekoppeld is aan nationale systemen en bronnen.

Het bewaren van Etias-gegevens in een nationaal bestand wordt noodzakelijk geacht opdat de aanvragers hun rechtsmiddelen effectief kunnen uitoefenen. Het is niet goed uitvoerbaar om een bezwaarschrift af te handelen als de nationale Etias-eenheid geen nationaal dossier mag aanleggen waarin bepaalde gegevens op basis waarvan de beslissing wordt genomen, kunnen worden vastgelegd. In het centrale EU-informatiesysteem kunnen de gegevens wijzigen, terwijl een beslissing op het bezwaar door de rechter in beroep moet kunnen worden beoordeeld op basis van de dataset op het moment van het besluit op bezwaar. Nationale opslag is daarnaast ook noodzakelijk om de politieke verantwoording voor de Etias-taak te kunnen dragen.

In geval van VIS en Eurodac worden op dit moment reeds gegevens die Nederland in deze systemen invoert nationaal opgeslagen in de eigen systemen van invoerende ketenpartners. De mogelijkheid hiertoe wordt geboden in respectievelijk de artikelen 30 van de VIS-verordening en 1 van de Eurodac-verordening. Artikel 30 van de VIS-verordening bepaalt dat uit het VIS opgevraagde gegevens alleen in nationale bestanden mogen worden bewaard indien dit in het individuele geval noodzakelijk is. Het recht van een lidstaat om in zijn nationale bestanden gegevens te bewaren die de lidstaat zelf in het VIS heeft ingevoerd wordt onverlet gelaten. Hetzelfde geldt voor nationale opslag in het kader van Eurodac als het gaat om door Nederland ingevoerde gegevens. De huidige Eurodac-verordening bepaalt in artikel 1, derde lid, dat de verordening onverlet laat de verwerking die de lidstaat van oorsprong (gegevens invoerende lidstaat) kan maken van de voor Eurodac bestemde gegevens in overeenkomstig zijn nationaal recht ingestelde gegevensbestanden. Over in Eurodac geraadpleegde gegevens bevat de verordening geen regels.

Voor wat betreft de SIS-verordening grenscontroles en de SIS-verordening terugkeer bleek al uit paragraaf 4.2 en 4.3 dat hier een link zit met besluiten die worden genomen op basis van de Vreemdelingenwet 2000. De SIS-verordening grenscontroles bepaalt in artikel 41, tweede lid, en artikel 42 dat een lidstaat geen signaleringsgegevens of extra gegevens die door een andere lidstaat zijn ingevoerd kopieert uit zijn N.SIS of uit de C.SIS naar andere nationale gegevensbestanden, maar een lidstaat wel het recht heeft om in zijn nationale bestanden SIS-gegevens te bewaren in verband waarmee op zijn grondgebied actie is ondernomen of gegevens die die deel uitmaken van een specifieke signalering die door deze lidstaat in SIS is ingevoerd. Het voorgaande geldt tevens voor de SIS-verordening terugkeer op grond van artikel 19 van die verordening.

Op het terrein van interoperabiliteit geldt dat op grond van artikel 48 van beide verordeningen er voor betreft de MID (zie hierover paragraaf 5.2) er is voorzien in recht van inzage, rectificatie en wissing van in de MID opgeslagen persoonsgegevens en beperking van de verwerking van die gegevens. Op grond van het zevende lid geldt dat indien de voor de manuele verificatie van meerdere identiteiten verantwoordelijke lidstaat of, in voorkomend geval, de aangezochte lidstaat niet van oordeel is dat de in de MID opgeslagen gegevens onjuist zijn of onrechtmatig zijn geregistreerd, die lidstaat een administratief besluit dient te nemen waarbij hij de betrokken persoon onverwijld schriftelijk uitlegt waarom hij niet bereid is de gegevens betreffende die persoon te corrigeren of te wissen. Op grond van het achtste lid geldt dat het betreffende besluit de betrokkene tevens informatie verstrekt over de mogelijkheid om de beslissing inzake het verzoek om toegang tot of rectificatie, wissing of beperking van de verwerking van persoonsgegevens te betwisten en, indien relevant, over de wijze waarop hij een rechtsvordering kan instellen of een klacht kan indienen bij de bevoegde autoriteiten of rechtbanken, alsmede over bijstand, onder meer van de toezichthoudende autoriteiten. Daarnaast geldt dat in een schriftelijk document dient te worden vastgelegd dat een verzoek om toegang tot of rectificatie, wissing, beperking van de verwerking van persoonsgegevens is ingediend en op welke wijze dit is behandeld. Dit document dient onverwijld ter beschikking te worden gesteld aan de toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming. Voor dit specifieke onderdeel van interoperabiliteit geldt dat nationale opslag noodzakelijk kan zijn om uitvoering aan deze verplichting te kunnen geven.

Artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 biedt de juridische grondslag voor de vreemdelingenadministratie, die samengevat dient om de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000, de Rijkswet op het Nederlanderschap en de daarop gebaseerde regelgeving mogelijk te maken. Met bijgaand wetsvoorstel wordt artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 aangepast zodat ook gegevens opgeslagen vanuit de EES-verordening, de Etias-verordening, de SIS-verordening grenscontroles, de SIS-verordening terugkeer en de gegevens ten aanzien de MID zoals hierboven beschreven kunnen worden verwerkt in de vreemdelingenadministratie. Hiervoor geldt uiteraard dat bij die opslag moet worden voldaan aan de toepasselijke kaders van de verordeningen, waaronder de eventuele expliciete regels over bewaartermijnen. Indien er geen expliciete bewaartermijn is opgenomen geldt in ieder geval dat deze niet langer dan noodzakelijk is voor het doel van de opslag en ten hoogste de bewaartermijn die geldt in de Vreemdelingenwet 2000. Onder meer deze wijziging van artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting op artikel 10, onderdelen A en E. Tevens komt dit onderwerp nog aan bod in paragraaf 8.1.

Daar waar wordt geconstateerd dat de omvang van de noodzakelijke aanpassingen in de nationale systemen de drempelwaarde overschrijdt en dus aanleiding geeft tot het uitvoeren van een toets over de gevolgen voor de ICT (voor heen BIT-toets), zal de betreffende organisatie via de geëigende kanalen – het eigen Chief Information Office (hierna: CIO) bureau en het departementale CIO-bureau – het Adviescollege ICT-toetsing benaderen voor het uitvoeren van de toets. Ten aanzien van de realisatie van het bovengenoemde Europaloket is inmiddels een BIT-advies ontvangen. Middels brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 28 maart 2022 is dit advies aan de Kamer gezonden, waarbij wordt ingegaan op de wijze waarop opvolging wordt gegeven aan dit advies. Voor wat betreft de uitvoering van EES door de KMar geldt dat de uitkomst van de risicoselectie is dat het Adviescollege heeft besloten om geen BIT-toets uit te voeren op het project EES. Het Adviescollege schat het risicoprofiel van dit project weliswaar hoog in, maar constateert dat het project ver in de realisatie is. De toegevoegde waarde van een BIT-advies is dan relatief beperkt. Dit laat onverlet dat de beheersing van het project, gelet op het hoge risicoprofiel, onverminderd aandacht vergt.

7.3. Gevolgen voor uitvoerende organisaties

Met de verordeningen worden bestaande werkprocessen aangepast en nieuwe werkprocessen ingevoerd. Zo geldt dat er ten dele sprake is van bestaande systemen waarin wijzigingen worden aangebracht (SIS, VIS) en geldt dat er nieuwe systemen worden ingevoerd (EES, Etias) en er interoperabiliteit tussen deze systemen wordt aangebracht. Voor de nieuwe systemen geldt dan ook dat in de verordeningen is voorzien in een evaluatie op Europees niveau waarin aandacht wordt besteed aan diverse aspecten. Zie in dit kader bijvoorbeeld artikel 72, vijfde lid, van de EES-verordening, artikel 92 van de Etias-verordening en artikel 78 van de verordeningen interoperabiliteit. De gevolgen voor de systemen van de verschillende organisaties kwam ook al in de voorgaande paragraaf aan bod. Nationale systemen (bijvoorbeeld grenspassage- of visasystemen) moeten als gevolg van de verordeningen uitgebreid en heringericht worden om veranderingen in de workflow te ondersteunen. Registratie en opslag van informatie ten behoeve van grenstoezicht en grenspassages vindt plaats in de Europese systemen. Wanneer voor opsporingsdoeleinden gebruik gemaakt wordt van deze data (na toestemming van het OM via het centraal toegangspunt), geldt dat deze data conform de Wet politiegegevens behandeld en opgeslagen worden in relevante nationale registers.

In de paragrafen 2 tot en met 5 is toegelicht welke verplichtingen de verordeningen meebrengen voor verschillende instanties. De verordeningen en hun onderlinge samenhang brengen nieuwe werkprocessen mee en aanpassing van het huidige IV-landschap op nationaal niveau. Door interoperabiliteit van de centrale EU-informatiesystemen kunnen nationaal bevoegde autoriteiten gerichter en efficiënter hun taak uitvoeren. Interoperabiliteit zal meer informatie opleveren, waardoor het identificatieproces wordt verbeterd en illegale migratie en criminaliteit effectiever kunnen worden bestreden. Meer informatie zal naar verwachting leiden tot meer werk en meer capaciteit gaan vergen van uitvoeringsinstanties. Daarnaast geldt dat de verordeningen automatisering doorvoeren. Voor wat betreft de privacyaspecten geldt dat dit de nodige aandacht vraagt van de uitvoering, bijvoorbeeld door toepassing van het inzage- en correctierecht. Binnen de werkprocessen is hier de nodige aandacht voor.

Ten aanzien van de verordeningen over EES, Etias, SIS, VIS en interoperabiliteit hebben alle betrokken organisaties aangegeven dat de verordeningen uitvoerbaar zijn.

Voor de KMar geldt in algemene zin dat de implementatie van de verordeningen een grote veranderopgave met zich meebrengt. Met name de EES-verordening brengt gevolgen met zich mee in de uitvoering in de rol als grensautoriteit. De KMar is bezig met de implementatie en verwacht dan ook de implementatietermijn te halen. Belangrijke randvoorwaarde daarvoor is de financiering (zie daarover paragraaf 7.6). EES leidt tot extra handelingen aan de grenzen, echter met het gekozen implementatie scenario worden zo routinematige handelingen veel mogelijk geautomatiseerd. Daarnaast zal er bij de voorbereiding op de implementatie extra werkdruk zijn bij verschillende organisatie onderdelen van de KMar. Door de verwachte verlenging van de wachttijden van de grenspassanten vanwege het doorlopen van de EES-procedure is aanvullende personele operationele behoefte «aan de grens» onderkend (66 fte). De benodigde aanvullende capaciteit lijkt op basis van gehouden simulaties hoger dan nu begroot, waardoor naar verwachting in ieder geval in 2022 en 2023 de procestijden op de grensdoorlaatposten zullen oplopen.

Ook voor de SIS-verordening terugkeer en de verordeningen interoperabiliteit geldt dat deze uitvoerbaar zijn, met dien verstande dat met name de manuele verificatie onder interoperabiliteit de nodige aandacht vraagt. Hier wordt dan ook aan gewerkt met Justid (zie hierna). De voorgenomen wijziging ten aanzien van SIS is handhaafbaar voor de KMar, maar kan mogelijk wel ten laste komen van de procestijden op de grensdoorlaatposten. Gekozen is voor verregaande automatisering voor registratie in C.SIS, waardoor de verplichtingen uitvoerbaar en handhaafbaar worden. Voor de ontwikkeling van of aanpassing van ICT-systemen is budget en tevens Europese subsidie beschikbaar. Ten aanzien van het voornemen om de KMar bij algemene maatregel aan te wijzen als «aangewezen VIS-autoriteit» onder de VIS-verordening geldt dat deze taak uitvoerbaar is voor de KMar, met dien verstande dat het uitblijven van helderheid vanuit de EU over de beoogde datum van invoering van dit onderdeel ook gevolgen heeft voor de nationale invoering hiervan.

Voor wat betreft Etias geldt dat het voornemen is de KMar bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen als nationale Etias-eenheid. Onafhankelijk van het aantal handmatige handelingen per dag door de nationale Etias-eenheid, zal de benodigde capaciteit tussen de 25 en 50 fte’s zijn. Omdat de nationale Etias-eenheid (KMar) Etias bezwaren afhandelt is de verwachting dat om deze taak uit te voeren circa 10 fte nodig is. Voor beroep geldt dat dit in samenwerking met de IND zal worden afgehandeld.

In de basis is de IND voldoende toegerust voor de uitvoering van de nieuwe werkzaamheden. Voor de Etias-verordening geldt dat het voornemen is dat de IND een rol gaat vervullen ten aanzien van gerechtelijke procedures. De IND is reeds belast met het uitvoeren van gerechtelijke procedures in vreemdelingenzaken en is in staat om de nieuwe werksoort naar behoren uit te voeren. Voor deze procedures zal waarschijnlijk wel extra personeel moeten worden ingezet. De nadere invulling van de vertegenwoordiging van ketenpartners door de IND in rechtszaken wordt momenteel nog verder uitgewerkt. Ook voor de andere verordeningen geldt dat de IND deze uitvoerbaar acht, waarbij geldt dat verdere automatisering in de werkprocessen nodig zal zijn, bijvoorbeeld bij de SIS-verordening terugkeer en de SIS-verordening grenscontroles. Het invoeren van terugkeerbesluiten is een nieuwe handeling volgend uit de SIS-verordening terugkeer. Het opleggen en registeren van het terugkeerbesluit is nationaal al een bestaand proces en gegevens worden al vastgelegd in nationale systemen van ketenpartners in de migratieketen die verantwoordelijk zijn voor het opleggen van een terugkeerbesluit. Bij de IND is een extra inzet van 8,6 fte nodig om taken als het raadplegen, beantwoorden van consultatieverzoeken (geraadpleegd worden) en het registreren, muteren en wissen van de SIS-terugkeerbesluiten uit te voeren. Ten aanzien van de manuele verificatie in interoperabiliteit (zie hierover paragraaf 5.2) geldt dat de verwachting is dat de rol van de IND klein zal zijn. Voor wat betreft de herziening van de VIS-verordening geldt dat met de uitbreiding van het toepassingsbereik tot visa lang verblijf en verblijfsvergunningen meer registratiemomenten plaatsvinden, maar de verwachting is dat deze grotendeels geautomatiseerd plaatsvinden zodat de impact hiervan beperkt blijft. Afhankelijk van nog te maken inrichtingskeuzes in de keten die voortvloeien uit de herziening van VIS, zal er voor de IND mogelijk nog een toename zijn van registraties en op te lossen linkjes die ontstaan vanwege de toekomstige interoperabiliteit.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: BZ) geeft in de rol van visumautoriteit aan dat in algemene zin de implementatie van de verordeningen het ontwerpen en inrichten van nieuwe werkprocessen met zich meebrengt en aanpassing van het huidige IV landschap. In de basis is BZ voldoende toegerust voor de uitvoering van de nieuwe werkzaamheden. Voor de VIS-verordening geldt dat BZ al werkt met het VIS, nu de verordening een update van VIS betreft. Nieuw is dat samengewerkt gaat worden met de IND nu de VIS-verordening wordt uitgebreid met visa voor langere duur en verblijfsvergunningen. Voor de EES-verordening geldt dat BZ ervoor dient te zorgen dat het nationale visumsysteem is aangesloten op EES. Daarvoor moet een aantal IT-koppelingen worden gemaakt. Dit is voor BZ uitvoerbaar en wordt deels meegenomen in al bestaande verandertrajecten. Voor wat betreft interoperabiliteit geldt dat het nog onbekend is hoeveel werk dit uiteindelijk gaat zijn. Voor de Etias-verordening zal BZ zich in moeten zetten met betrekking tot de communicatie met het publiek, dat naar de posten en het contactcentrum zal bellen voor informatie. Met informatievoorziening heeft BZ veel ervaring. BZ anticipeert erop dat het door de doelgroep vreemdelingen meer bevraagd zal worden, met beperkte impact op informatiekanalen zoals het contact center (4 fte). De impact op BZ is sterk afhankelijk van het aantal te verwachten visumaanvragen versus het aantal te verwachten identiteitsvraagstukken naar aanleiding van nieuwe informatie vanuit interoperabiliteit, SIS-hits en terugkeerbesluiten die behandeld moeten worden. Omdat de aantallen in de gehele dienstverlening lastig te voorspellen zijn maakt BZ gebruik van een flexibele schil waardoor de capaciteit aangepast wordt aan de vraag.

De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) wordt niet zelfstandig belast met een concrete taak onder de verordeningen of het wetsvoorstel, maar is een onderdeel van de immigratieautoriteiten in de zin van de verordeningen waar het gaat om de terugkeer van onderdanen van derde landen. De verordeningen en het wetsvoorstel hebben gevolgen voor de DT&V nu deze allen tot doel hebben om de verbeterde informatievoorziening ook ten dienste te laten zijn van het aspect terugkeer. Daartoe krijgt de DT&V toegang tot de EU-systemen onder de in de verordeningen genoemde voorwaarden om deze te kunnen raadplegen. (Zie in dit kader bijvoorbeeld in paragraaf 2.1 in de tabel onder immigratieautoriteiten). De DT&V beoogt dit raadplegen vorm te geven middels geïntegreerde bevraging van alle EU-systemen via het ESP (zie hierover paragraaf 5.2).

Justid is de organisatie die in de migratie- en strafrechtketen diensten levert ten behoeve van meerdere taakorganisaties. Deze dienstverlenende positie betekent dat Justid momenteel geen directe uitvoerende taak in het grensproces heeft. Wel levert Justid ondersteunende diensten aan de organisaties in de uitvoering van hún taak ten aanzien van de verordeningen en zal in de uitvoering van deze taken ondersteunende diensten in meer of mindere mate op indirecte wijze worden geraakt. Justid levert dienstverlening met betrekking tot de juiste identiteitsvaststelling van personen in de strafrechtketen. Deze dienstverlening is voor Justid niet nieuw maar moet mogelijk worden aangepast en uitgebreid. Justid zal op het terrein van interoperabiliteit naar verwachting een ondersteunende rol gaan spelen in het identiteitsmanagement omdat de verwachting is dat er landelijke coördinatie nodig is voor de manuele verificatie.

De impact van de verordeningen op de uitvoering binnen de politie is groot. Alle operationele politieambtenaren moeten een opleiding volgen, de werkprocessen veranderen en het IV-landschap wordt aangepast. Volgens de eerder uitgevoerde impactanalyses verwacht de politie aan 120 fte meerwerk te hebben. De impactanalyses gaan uit van een hoge mate van automatisering en harmonisatie binnen de keten. Deze impactanalyses zullen later herijkt worden zodat de daadwerkelijke impact bekend wordt. De herziening van SIS brengt taakuitbreiding voor Bureau Sirene met zich mee. In Nederland is Bureau Sirene de centrale autoriteit voor het uitwisselen van informatie via het SIS II kanaal en voor het coördineren van de verificatie van de kwaliteit van informatie in SIS II. De daadwerkelijke signalering of de afhandeling van de signalering verloopt via gebiedsgebonden politie of opsporing met de ondersteuning van de intelligence. De impact van de wijzigingen in SIS zijn dan ook door te trekken naar de gebiedsgebonden politie, opsporing en intelligence. Tevens verwacht de politie extra werk door betere detectie van overstayers op grond van de EES-verordening en krijgt de zeehavenpolitie (hierna: ZHP) nieuwe taken omtrent grensbewaking. Zo moet de ZHP de digitale registratie van de in- en uitreis en eventuele grensweigering van alle derdelanders tot het Schengengebied gaan bijhouden en melden aan het EES. In kader van Etias moet de ZHP het centrale systeem raadplegen om te zien of betrokkene een geldig reisautorisatie heeft. De politie is ook een immigratieautoriteit waar het gaat om het toezicht. Met de herziening van het VIS zullen intrekkingen van een visum lang verblijf of verblijfsvergunning zichtbaar zijn. De afhandeling van deze zaken zal extra werk opleveren. Dankzij interoperabiliteit zal de informatiepositie van de politie verbeteren waardoor er gerichter op informatie kan worden gestuurd. De toename van informatie maakt het mogelijk om identiteitsfraude en andere vormen van criminaliteit te bestrijden. Het is moeilijk in te schatten hoe groot de toename van het werk is als straks de grotere hoeveelheid informatie uit de Europese systemen beschikbaar komt. De politie heeft in het licht van het voorgaande met name ook aandacht gevraagd voor de financiële gevolgen. Deze worden in paragraaf 7.6 toegelicht.

Voor het Openbaar Ministerie (hierna: OM) geldt dat in algemene zin de implementatie van de verordeningen en het ontwerpen en inrichten van nieuwe werkprocessen een enorme aanpassing van het huidige (IV-)landschap met zich meebrengt. Wanneer die voldoende aansluit bij de huidige manier van werken van het OM is in de basis het OM voldoende toegerust voor de uitvoering van de nieuwe werkzaamheden. De verwachting is evenwel dat voor het OM op diverse fronten de hoeveelheid werk fors zal toenemen. Capaciteitsuitbreiding lijkt onvermijdelijk maar is nog niet concreet in te schatten. Voorts is de toename van taken bij Bureau Sirene een punt van aandacht voor het OM. Immers valt Sirene onder het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC) en (dus) het gezag van het OM. Interoperabiliteit brengt voor het OM verder de volgende gevolgen mee. Ten eerste is het mogelijk dat door interoperabiliteit meer hits op SIS plaatsvinden. Dit vergt handelen en daarmee capaciteit. Voor wat betreft de manuele verificatie geldt dat het OM een verantwoordelijkheid krijgt waar het gaat om de verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie. Daarnaast geldt dat het OM met bijgaand wetsvoorstel zal gaan fungeren als centraal toegangspunt. Het expertteam van het OM, dat zich onder andere bezig houdt met het centraal toegangspunt zal bestaan uit maximaal 5 fte.

7.4. Gevolgen voor de rechtspraak

Bestuursrechtspraak

De gevolgen voor de bestuursrechtspraak kunnen als volgt worden omschreven. Er zijn nieuwe kosten voor de rechtspraak. Ten eerste is met de komst van het Etias EU-informatiesysteem sprake van een nieuwe publieke taak waar nationale rechtsmiddelen bij komen kijken. Het gaat ten eerste om de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de afwijzing van een Etias-reisautorisatie en vervolgens in beroep bij de rechtbank. Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is uitgesloten in aansluiting op de situatie bij het visum kort verblijf (zie de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van artikel 84 van de Vreemdelingenwet 2000). In het kader van de beslissing welke overheidsdienst met de nationale Etias-eenheid-taak te belasten, is onderzoek gedaan naar de mogelijke aantallen verzoeken en hits uit Nederlandse signaleringen die bij de nationale Etias-eenheid terecht zullen komen en daaruit voortvloeiende bezwaar- en beroepsprocedures. Van belang is hierbij op te merken dat vanuit de EU rekening wordt gehouden met 75 – 200 aanvragen per dag en dat een reisautorisatie aanvraag alleen bij de nationale Etias-eenheid komt als er iets mee aan de hand is, namelijk als er sprake is van één of meer hits uit Nederlandse signaleringen op de andere EU-informatiesystemen, zoals SIS of Eurodac. Deze geschatte aantallen zijn de volgende:

Proces

percentages

per dag

Op jaarbasis

1e aanvragen

 

150 1

54.750

Na onderzoek toewijzen

20%

30

10.950

Aantal afwijzingen

 

120

43.800

Bezwaarprocedures 2

15%

18

6570

Beroepsprocedures

15%

2.7

985

X Noot
1

Vanuit de EU wordt rekening gehouden met 75 – 200 aanvragen per dag.

X Noot
2

NB: een reisautorisatie aanvraag komt alleen bij de nationale Etias-eenheid als er iets mee aan de hand is, namelijk als er sprake is van één of meer hits op de andere EU- informatiesystemen, zoals SIS of Eurodac. De geschatte cijfers zijn gebaseerd op ervaringen uit het visumproces. Ter vergelijking: bij visum voor kort verblijf werden er in 2018 9.890 bezwaarschriften ingediend en in 2019 10.980.

Een tweede procedure waar Etias aanleiding toe kan geven is het verzoek om inzage, correctie of het wissen van zowel gegevens in het Etias-systeem zelf als het nationaal opgeslagen dossier. In sommige gevallen zal dit samenlopen met het in bezwaar gaan tegen de beslissing op de aanvraag waarna beroep kan worden ingediend bij de rechtbank.

Zoals in paragraaf 8 zal worden toegelicht wordt bij de uitoefening van gegevensbeschermingsrechten zoveel mogelijk teruggevallen op het algemene gegevensbeschermingsrecht van de AVG, de RGB en de nationale uitvoeringswetgeving daarbij. Dit geldt eveneens voor eventuele extra procedures in het kader van het gegevensbeschermingsrecht die ontstaan als gevolg van de introductie van het EES en de MID. Er zijn op EU-niveau geen schattingen bekend over mogelijke aantallen procedures. Aangezien in de MID informatie uit de onderliggende systemen gecombineerd wordt en deze informatie naar verwachting vaak afkomstig is van meer lidstaten, zal het vaak om procedures gaan met een internationale component, die wellicht om die reden complex zijn, te meer aangezien betrokkene zich tot elke (betrokken instantie in elke) lidstaat kan wenden indien hij of zij gegevensbeschermingsrechten in het kader van gegevensverwerking in de MID wil uitoefenen. Tegelijkertijd is de informatie in de MID afkomstig uit de onderliggende systemen en moeten problemen daartoe worden herleid, waardoor de impact van de MID op zichzelf als klein zou kunnen worden beschouwd. Wel kan de betere samenwerking tussen de bestaande en nieuwe systemen als geheel tot meer procedures leiden: men zal in de toekomst als (meestal) derdelander meer gevolgen ondervinden van de EU-informatiesystemen, hetgeen mogelijk leidt tot meer juridisering.

Voor zowel het EES als interoperabiliteit geldt dat procedures naar verwachting vooral zullen ontstaan aan de grens, bijvoorbeeld als toegang wordt geweigerd wanneer betrokkene als «overstayer» in het EES geregistreerd staat of nadat sprake is van een rode link (zie hierover paragraaf 5.2, 5.3 en voetnoot 48). Ook hier zullen dan het besluit waar betrokkene last van heeft (de grensweigering) en het verzoek om inzage en correctie van gegevens mogelijk samen gaan lopen. Ook zullen procedures in het kader van EES vaak in essentie gaan om verblijfsrechtelijke vraagstukken of visa en Etias-problematiek, die zich ook zonder EES voordoen, maar door het EES beter in beeld komen.

De introductie van signalering van terugkeerbesluiten ten slotte, brengt naar verwachting geen significante extra werklast mee, aangezien terugkeerbesluiten volgens de SIS-verordening terugkeer in het SIS gesignaleerd moeten worden en het conflict dus in wezen gaat over de oplegging van het besluit zelf, waar ook nu al tegen geprocedeerd kan worden.

Strafrechtspraak

De nieuwe verordeningen hebben mogelijk gevolgen voor de strafrechtspraak. Een belangrijk doel van de systemen die zien op het slim grensbeheer is bijvoorbeeld het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terrorisme en andere ernstige strafbare feiten. De gegevens die in dit kader worden verzameld om het internationale personenverkeer in goede banen te leiden moeten er ook voor zorgen dat grensoverschrijdende zware misdrijven eerder en vaker aan het licht komen. Het is daarom goed mogelijk dat het gebruik van EES, Etias en het CIR voor rechtshandhavingsdoeleinden kan leiden tot een toename in het aantal strafzaken voor deze misdrijven, waardoor de werklast voor de strafrechtspraak kan toenemen.51 Ook de MID zal hier een bijdrage aan leveren door gevallen van vermoedelijke identiteitsfraude automatisch op te sporen en onder de aandacht van handhavers te brengen. Het vervallen van de inzet van de rechter-commissaris bij Eurodac-bevragingen zal daarentegen tot een werklastverlichting leiden. Voor de aanpassingen aan het SIS-systeem worden geen gevolgen voor de strafrechtspraak voorzien.

7.5 Gevolgen voor het bedrijfsleven, administratieve lasten en regeldruk

Op basis van de huidige informatie zullen enkele tientallen bedrijven die activiteiten verrichten op of nabij een grensdoorlaatpost effecten ondervinden. Dit gaat met name om maritieme- en luchtexploitanten, rederijen, cruiseterminal en ferry- en cruisemaatschappijen en Eurostar. Om die reden is een bedrijfseffectentoets uitgevoerd die niet tot aanpassing van het voorstel geleid. In de EES-verordening is bepaald dat van derdelanders die voor kort verblijf in het Schengengebied willen verblijven de persoons en biometrische gegevens in het systeem worden geregistreerd. Dit betekent extra handelingen aan de grens wat tot langere wachtrijen kan leiden. Tevens zal voor het gebruik van innovatieve middelen aan de grens de infrastructuur aan de grensdoorlaatposten aangepast moeten worden. Om de eventuele negatieve gevolgen ten aanzien van wachtrijen te beperken, wil de overheid gebruik maken van innovatieve instrumenten zoals e-gates en/of kiosken op de doorlaatposten. Dit is niet voor de hele sector van toepassing, maar afhankelijk van de aantallen en samenstelling van de passagiersstromen per doorlaatpost. Dit betreffen allen gevolgen die direct volgen uit de verordening. Luchthaven en maritieme exploitanten zijn bij de start van het implementatietraject over de impact van de EES-verordening geïnformeerd. De overheid zal samen met de sector de processen van implementatie van innovatieve instrumenten aan de grensdoorlaatposten verder uitwerken met als doel om de mogelijke lasten voor het bedrijfsleven zoveel mogelijk te beperken.

7.6 Financiële gevolgen

Ook de financiële gevolgen voor de uitvoering van bijgaand wetsvoorstel zijn te herleiden tot de EU- verordeningen. Hierbij geldt dat voor de inschatting van de gevolgen van de verordeningen voor de uitvoering is gewerkt met aannames. Deze aannames gaan over aard en omvang van de werkzaamheden. De financiële gevolgen zijn gebaseerd op de aannames die zijn gedaan in de uitvoering – welke zijn terug te herleiden naar aannames in aantallen die door de EU zijn opgesteld. Bij het implementeren van de verordeningen is door de betrokken partijen gekozen voor een zoveel mogelijk integrale aanpak. In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de financiële gevolgen welke zoveel mogelijk zijn uitgesplitst per verordening. Gezien de integrale keuze is het uitsplitsen van kosten per verordening niet altijd mogelijk. Indien gesproken wordt over structurele kosten betekent dat per jaar.

Verordening overkoepelende financiële gevolgen

Alle betrokken uitvoeringsorganisaties hebben een projectorganisatie opgezet waarmee invulling wordt gegeven aan de aansturing van de totale veranderopgave. Aan de overkoepelende projectcapaciteit wordt door de organisaties in totaal EUR 20,2 miljoen uitgegeven (incidenteel), naast capaciteit die door de betrokkenen organisaties uit eigen budget is vrijgemaakt.

Daarnaast voert het Directoraat-Generaal Migratie afdeling Ketenvoorzieningen de regie op de centraal in te richten ICT-voorzieningen. In totaal kost het realiseren van deze nieuwe centrale ICT-voorzieningen en aanpassingen aan bestaande centrale ICT-voorzieningen EUR 13,4 miljoen incidenteel. De structurele beheerlasten voor de voorzieningen en de regievoering richting Europa/EU-Lisa bedragen EUR 3,2 miljoen. Voor het OM geldt dat zij de rol van Centraal Toegangspunt vervult en dat zij structureel extra capaciteit in moet zetten voor een liaisonfunctie met de nationale Etias-eenheid en voor extra verwachte vraagstukken ten aanzien van strafrechtelijke interventies. Opgesplitst naar verordeningen gaat het om geringe bedragen, bij elkaar gaat het om EUR 1,1 miljoen structureel.

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) moet als gevolg van de verordeningen extra taken uitvoeren. De Raad voor de rechtspraak heeft aangegeven dat de gevolgen substantieel zijn voor de bestuursrechtspraak en verwacht extra kosten vanwege een toename in het aantal zaken en hogere behandeltijden. De hiervoor benodigde incidentele en structurele lasten zijn gedekt. Voor de structurele lasten gaat het bij Raad voor de rechtspraak om EUR 2,5 miljoen en voor de AP om EUR 1,4 miljoen.

De DT&V begroot de totale kosten voor de implementatie van de SIS, EES, Etias en VIS verordeningen op EUR 0,3 miljoen voor projectmanagement en EUR 0,6 miljoen voor ICT-aanpassingen. Vanwege de aanpak, die gericht is op het gebruik van het European search portal (ESP) voor toegang tot de EU-systemen, zijn de kosten niet uitgesplitst per verordening. Structureel verwacht de DT&V vanaf 2022 0,2 fte in te zetten voor het raadplegen van de diverse systemen.

Financiële gevolgen EES

De implementatie van EES heeft primair gevolgen voor de KMar en de Politie in het kader van hun grenstaken.

De KMar richt op de grensovergangen (met uitzondering van de grensovergangen van de ZHP) de grensprocessen in op de vereisten van EES. In totaal investeert KMar tot en met 2022 ruim EUR 14,8 miljoen in deze middelen incidenteel. Vanaf het moment van in gebruik nemen van deze middelen zijn ook middelen nodig voor onderhoud en vervanging. Vanaf 2023 bedraagt dat structureel EUR 4,3 miljoen. De KMar heeft tevens structureel extra personeel nodig om conform de vereisten vanuit de verordening adequaat toezicht te kunnen houden op de opname van de biometrische profielen en om uitvoering te kunnen geven aan de vereiste EES-registraties bij grenspassages van derdelanders. Vanaf 2025 bedragen de kosten hiervoor, inclusief overige personele lasten, structureel EUR 5,6 miljoen, dit betreft 50 fte en voor 2027 en verder wordt de inzet van 78 fte (8,8 miljoen) voorzien. Daarnaast heeft men in de periode 2022–2028 incidenteel EUR 2,8 miljoen voor opleiding en EUR 1,2 miljoen incidenteel voor extra inhuur voor de piek rondom invoering EES en de eerste registraties. De Politie moet voor EES evenals de KMar kiosken en apparatuur aanschaffen voor haar grenstaak in het havengebied Rotterdam, welke wordt uitgevoerd door de ZHP. Hieraan wordt EUR 1,6 miljoen besteed. Daarnaast moet de Politie zorgdragen voor het binnen de architectuur van de Politie implementeren van alle ICT-aanpassingen zodat de verschillende (mobiel beschikbare) applicaties de nieuwe taken kunnen ondersteunen. De kosten hiervan bedragen EUR 4,4 miljoen. Kosten voor opleiding van agenten om op de juiste wijze met de aanpassingen in de applicaties om te gaan bedragen EUR 2,8 miljoen incidenteel.

Voor de structurele extra taken die de ZHP heeft voor EES en voor het beheer en onderhoud van de ICT-voorzieningen en het materieel wordt structureel EUR 0,9 miljoen ingezet.

De IND besteedt EUR 0,7 miljoen aan ICT-aanpassingen voor EES. Structureel zet IND vanaf 2022 7,8 fte in oplopend naar 10,7 fte in 2026 voor het raadplegen van EES bij aanvragen voor verblijf en voor het verwijderen van EES-registraties bij inwilliging van een aanvraag voor lang verblijf. De kosten daarvoor bedragen vanaf 2.026 EUR 0,8 mln.

BZ investeert EUR 0,9 miljoen voor het realiseren van de koppelingen van het nationale visumsysteem met EES.

Financiële gevolgen Etias

De voornaamste financiële gevolgen voor de Etias verordening komen te liggen bij de nog op te richten nationale Etias-eenheid, die organisatorisch zal worden ondergebracht bij de KMar. Voor deze volledig nieuwe organisatie moeten ICT-voorzieningen en huisvesting worden ontworpen en ingericht. De inrichtingskosten voor de nationale Etias-eenheid bedragen EUR 14,1 miljoen incidenteel. In de nationale Etias-eenheid komen naar de huidige inzichten (gebaseerd op aannames ten aanzien van het aantal Etias-aanvragen dat de nationale Etias-eenheid moet afhandelen) 28 fte te werken. Dit is inclusief capaciteit om bezwaar te kunnen afhandelen. De structurele jaarlijkse kosten voor de nationale Etias-eenheid bedragen vanaf eind 2.022 EUR 5,7 miljoen. Naast de kosten voor de nationale Etias-eenheid maakt de KMar nog incidentele ICT kosten van EUR 1,1 miljoen en structurele ICT kosten van EUR 0,2 miljoen voor de Etias-taken die los van de taken voor de nationale Etias-eenheid moeten worden uitgevoerd.

De kosten die Politie moet maken voor Etias zijn beperkt. Het gaat om EUR 0,1 miljoen voor het verrichten van de benodigde ICT-aanpassingen.

De kosten van implementatie voor de IND bedragen EUR 0,6 miljoen. Daarnaast zet IND vanaf 2023 structureel 4,7 fte in oplopend naar 7,3 fte in 2026 voor het afhandelen van beroepen die bij de rechtbank worden ingediend tegen ongegrond verklaarde bezwaarschriften. De IND ondersteunt hierin. De kosten daarvoor bedragen vanaf 2.026 EUR 0,8 miljoen.

BZ besteedt EUR 0,4 miljoen voor het afhandelen van de extra vragen in de eerste 6 maanden na de inwerkingtreding van Etias. Daarna zet BZ structureel capaciteit van 1 fte in voor de afhandeling van de Etias-vragen. De kosten bedragen EUR 0,1 miljoen.

Financiële gevolgen SIS

De Politie onderhoudt het bestaande SIS systeem. De herziening van de SIS verordeningen betekent dat dit systeem aangepast moet worden waarvoor EUR 2,5 miljoen nodig is. Daarnaast moet de Politie voor SIS overige ICT-aanpassingen doen. De kosten daarvoor bedragen EUR 0,7 miljoen. Voor Bureau Sirene moeten de werkprocessen worden aangepast en dat kost EUR 0,4 miljoen.

Bureau Sirene is voor Nederland de centrale autoriteit voor het uitwisselen van informatie via het SIS II kanaal en voor het coördineren van de verificatie van de kwaliteit van informatie in SIS II. Voor de nieuwe taken die Bureau Sirene in het kader hiervan moet gaan uitvoeren is structureel 55,2 fte benodigd (EUR 7,0 miljoen). Vanaf eind 2021 wordt de formatie stapsgewijs opgebouwd tot de structurele situatie vanaf 2027.

Naast de Politie voert ook de KMar als militaire politie politietaken uit. De aanpassingen van het SIS hebben dan ook gevolgen voor de KMar. Voor de ICT-aanpassingen en de opleiding van personeel maakt de KMar EUR 2,4 miljoen aan kosten. Daarnaast heeft de KMar een aanvullende personele behoefte vanaf 2022 als gevolg van de herziening van SIS. Deze behoefte loopt vanaf 2022 op tot 26 fte in 2027. De kosten daarvoor bedragen, inclusief overige personele kosten, vanaf 2027 structureel EUR 3,2 miljoen en de structurele ICT kosten bedragen EUR 0,1 miljoen.

De IND investeert EUR 1 miljoen in de ICT-aanpassingen die vereist zijn voor de implementatie van SIS. Voor het afdoen van raadplegingen door ander lidstaten op signaleringen die door Nederland zijn afgegeven zet IND vanaf 2022 structureel fte in oplopend naar 5,5 fte in 2026. Voor het raadplegen van andere lidstaten op hits heeft IND vanaf 2022 structurele fte nodig oplopend naar 3,1 fte in 2026. De structurele kosten voor deze 8,6 fte bedragen EUR 0,7 miljoen.

Voor ICT-aanpassingen heeft BZ EUR 0,5 miljoen geraamd. Het gaat met name om aanpassingen voor het afnemen van vingerafdrukken op de posten.

Financiële gevolgen Interoperabiliteit

De interoperabiliteitsverordeningen dragen er zorg voor dat de informatie in verschillende systemen met elkaar vergeleken kan worden. Dit heeft tot gevolg dat een veelheid aan systemen aangepast moeten worden om dat te kunnen ondersteunen. Daarnaast is training vereist voor de betreffende medewerkers hoe met deze aanvullende informatie om te gaan, bijvoorbeeld bij het oplossen van identiteitsvraagstukken.

Voor de ICT-aanpassingen en de opleiding van personeel maakt de KMar voor Interoperabiliteit EUR 2,6 miljoen aan kosten. Voor het bekijken en oplossen van gevallen waarin een link ontstaat tussen EU-informatiesystemen met niet vergelijkbare identiteitsgegevens (zie paragraaf 5.2 en voetnoot 48 over de MID) zet de KMar (gebaseerd op aannames ten aanzien van het aantal jaarlijks op te lossen linkjes en de gemiddelde tijd per linkje) vanaf 2027 structureel 28 fte in (het aantal bouwt vanaf 2023 op naar deze 28 fte). De structurele personele kosten voor de 28 fte bedragen EUR 3,4 miljoen (incl. overige personele uitgaven). De structurele kosten voor ICT bedragen EUR 0,2 miljoen.

De Politie moet diverse aanpassingen in de ICT doorvoeren. Daarnaast moeten aanpassingen worden geïmplementeerd voor het centraal technisch kunnen afhandelen van gele linkjes (workflow managementsysteem en koppelingen naar systemen en databases). Aan de ICT-aanpassingen wordt EUR 4,4 miljoen besteed. Daarnaast zet de Politie structureel vanaf 2027 8 fte in voor het oplossen van gele linkjes en voor het opvolgen van treffers bij staandehoudingen (fte bouwen op vanaf 2022). Hiervoor is EUR 0,9 miljoen nodig. Tot slot besteedt Politie structureel EUR 0,3 miljoen aan beheer en onderhoud van de ICT-aanpassingen. Structureel zal AVIM extra identiteitsonderzoeken uit moeten voeren en eventueel maatregelen moeten opleggen. Hiervoor moet de AVIM 46 fte extra inzetten (fte bouwen op vanaf 2022 tot de structurele situatie vanaf 2027). Deze identiteitsonderzoeken van de AVIM staan los van het oplossen van de gele linkjes wanneer iemand in een systeem geregistreerd wordt. De kosten daarvoor bedragen structureel EUR 5,3 miljoen.

De IND heeft EUR 0,3 miljoen nodig voor de aanpassingen die vereist zijn voor interoperabiliteit. Voor het afhandelen van gele linkjes raamt IND 4 fte. De structurele kosten daarvoor bedragen EUR 0,4 miljoen.

BZ moet ICT-aanpassingen doen om aan te sluiten op het Europaloket en het zichtbaar maken en centraal monitoren van gele linkjes. Hiervoor is EUR 0,7 miljoen nodig. Voor het afhandelen van de gele linkjes en voor inzage en correctieverzoeken raamt BZ vanaf 2023 structureel 5 fte. Dat heeft EUR 0,6 miljoen aan kosten tot gevolg. Justid moet ICT-aanpassingen verrichten voor een bedrag van EUR 0,5 miljoen. Vanaf 2023 zet Justid structureel 4,5 fte identiteitsmanagementspecialisten in voor het oplossen van gele linkjes. De structurele kosten bedragen EUR 0,5 miljoen.

Financiële gevolgen VIS

De KMar investeert EUR 0,5 miljoen om de benodigde ICT-aanpassingen te kunnen implementeren. Structureel kost het beheer en onderhoud daarvan vanaf 2.023 EUR 0,1 miljoen.

Voor het realiseren van de voor VIS benodigde ICT-aanpassingen investeert de Politie EUR 0,9 mln. De structurele lasten voor beheer en onderhoud bedragen EUR 0,2 mln.

De kosten voor de ICT-aanpassingen bedragen voor de IND EUR 1,5 miljoen. Structureel is vanaf 2024 4,5 fte nodig voor de additionele raadplegingen, voor extra vastleggingen en voor het in voorkomende gevallen verwijderen van registraties. De structurele kosten hiervoor bedragen EUR 0,4 miljoen.

BZ investeert 1,0 miljoen om alle posten uit te breiden met Live Capture apparatuur zoals in de verordening vereist. Kosten voor systeemaanpassingen en opleidingen bedragen 1,1 miljoen. Vanaf 2024 is structureel 3 fte nodig voor extra handelingen in het proces (2 fte) en het beheer (1 fte) van systemen. De kosten hiervoor zijn 0,3 miljoen structureel.

Alle lidstaten moeten een VIS-autoriteit aanwijzen. Nederland is voornemens deze taak in te richten bij de KMar. De inrichting van de VIS Autoriteit kost EUR 3,0 miljoen incidenteel en structureel is voor deze functie EUR 2,0 miljoen benodigd.

Financiering benodigde middelen

De benodigde middelen om de verordeningen te implementeren zijn gehaald uit de Europese subsidiefondsen Internal Security Fund (ISF) voor de periode 2014–2021 en zijn opvolger het Border Management and Visa Instrument (BMVI) fonds voor de periode 2021–2027. Voor de Etias aanvragen worden leges geheven, de verwachte inkomsten uit deze leges zijn circa EUR 2 miljoen per jaar. De overige middelen zijn gedekt binnen de begroting.

8. Gegevensbescherming en privacy-aspecten

8.1 Gevolgen voor de privacy

Bij de ontwikkeling van nieuw beleid en regelgeving met gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens dient een DPIA (data protection impact assesment) te worden uitgevoerd. De verwerking van persoonsgegevens vloeit rechtstreeks voort uit de verordeningen, waarbij het beheer van de systemen op Europees niveau ligt en de verordeningen om die redenen diverse waarborgen bevatten. Op de noodzaak tot het verwerken van persoonsgegevens in de nationale systemen is ten algemene in paragraaf 7.2 ingegaan.

Op bijgaand wetsvoorstel is op hoofdlijnen een DPIA verricht waar het gaat om de wijzigingen die worden aangebracht in de Vreemdelingenwet 2000 (zie hierover met name de artikelsgewijze toelichting op artikel 10, onderdelen A en E). De reden dat dit op hoofdlijnen is gedaan is omdat in het kader van de ingebruikname van de Europese systemen er door de organisaties die met deze systemen werken DPIA’s worden verricht die specifieker zijn. De gevolgen voor de privacy zitten immers met name in de ingebruikname van de systemen en niet in bijgaand wetsvoorstel.

Ten aanzien van de DPIA die is verricht op bijgaand wetsvoorstel geldt dat deze is uitgevoerd op de verwerking die met bijgaand wetsvoorstel wordt geregeld door de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000. Zoals in paragraaf 7.2 aan bod kwam is deze verwerking noodzakelijk om uitvoering te kunnen geven aan een aantal verplichtingen uit de verordeningen, met name om bezwaar en beroepsprocedures te kunnen afhandelen. Deze verwerkingen zouden mogelijk al rechtstreeks op de verordeningen gebaseerd kunnen worden nu de AVG ook bepalingen van Europees recht als verwerkingsgrondslag aanmerkt. Om echter geen onduidelijkheid te laten ontstaan over de verwerking in de vreemdelingenadministratie van deze gegevens en de verhouding tot de Vreemdelingenwet 2000 wordt deze verwerking expliciet geregeld. In dit kader dient te worden benadrukt dat het hier gaat om een specifieke regeling die samenhangen met bestuursrechtelijke besluiten die worden genomen waarbij geen wijziging is beoogd ten aanzien van de systemen en de verantwoordelijkheden ten aanzien van die systemen die door de verschillende ketenpartners worden gebruikt om uitvoering te kunnen geven aan de verordeningen. Deze wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 staat bijvoorbeeld los van N.SIS en de werking daarvan.

Voor de verwerking van gegevens in de vreemdelingenadministratie geldt dat uiteraard de eventuele eisen die de verordeningen daaraan stellen gevolgd moeten worden. Daarnaast geldt dat nu de verwerking plaatsvindt binnen het bestaande juridische kader van de Vreemdelingenwet 2000 de waarborgen die gelden voor de vreemdelingenadministratie ook toepasselijk zijn op de met bijgaand wetsvoorstel geregelde verwerking. Uit de DPIA die is uitgevoerd op bijgaand wetsvoorstel zijn een aantal aandachtspunten gesignaleerd die mee worden genomen bij de DPIA’s die worden uitgevoerd in verband met de ingebruikneming van de Europese systemen. Zo kan worden gewezen op het belang dat indien betrokkenen bij het gebruikmaking van hun rechten op correctie in de Europese systemen, een wijziging voor zover relevant52 tevens dient door te werken in het nationale systeem. Ook is van belang dat de toepasselijke voorwaarden voor nationale opslag zoals die voortvloeien uit de verordeningen worden nageleefd door het vastleggen hiervan in de werkprocessen. Tot slot geldt dat de autorisatie-, logging- en monitoringsysteem in de uitvoeringsDPIA’s aan bod moeten komen en ingeregeld worden.

8.2 Toepassing AVG en RGB

Gelet op het feit dat de verordeningen zien op informatiesystemen die (persoons)gegevens bevatten zal in deze paragraaf op de privacyaspecten worden ingegaan. Daarbij is wel relevant dat ook hier weer geldt dat de verordeningen reeds de rechten en plichten van de betreffende personen en de lidstaten regelen en uitvoering vergen.

De EES-verordening bepaalt in artikel 49 dat de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens door nationale autoriteiten op grond van de verordening. Alleen voor de toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de verordening geldt dat de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (hierna: RGB) van toepassing is. De Etias-verordening bevat in artikel 56 een soortgelijke bepaling, evenals artikel 36bis die via de herzieningsverordening VIS in de VIS-verordening wordt opgenomen.

Ook de SIS-verordeningen bepalen wanneer de AVG dan wel de RGB van toepassing is. Zie in dit kader bijvoorbeeld artikel 66 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking waarin is opgenomen dat de RGB van toepassing is bij verwerkingen met het oog op het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van strafbare feiten en voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van bedreigingen van de openbare veiligheid. Voor verwerkingen van bevoegde autoriteiten die niet dit doel hebben is de AVG van toepassing.

Concreet betekent het voorgaande dat op de verwerkingen in de Europese systemen zowel de AVG met de bijbehorende Uitvoeringswet AVG als de RGB zoals geïmplementeerd in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) en de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) van toepassing is. Daarnaast regelen de verordeningen zelf de invulling van een aantal rechten en plichten zoals de rechten van betrokkenen die in paragraaf 8.4 aan bod zullen komen. Daarbij gaan bepalingen in de verordeningen als specifieke regel voor. Van belang is nog te benadrukken dat de verordeningen vrij uitgebreide regels bevatten over gegevensbescherming, zoals beveiliging of doorgifte van gegevens.

Dit betekent bijvoorbeeld dat het verbod op doorgifte van gegevens aan derde landen van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking voorgaat op de bepalingen van de Wpg en Wjsg die dergelijke doorgifte onder voorwaarden toestaan. Het verbod van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking is rechtstreeks toepasselijk zonder dat daar iets voor geregeld moet worden in het wetsvoorstel. Sterker nog: dit is zelfs niet toegestaan vanwege het overschrijfverbod.

Bijgaand wetsvoorstel bevat echter twee voorzieningen die de verhouding tussen de bepalingen over gegevensbescherming in de verordeningen en de Wpg en de Wjsg verduidelijken.

Ten aanzien van de maximale bewaartermijn die geldt in geval van SIS-verwerkingen met het oog op het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van strafbare feiten en voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van bedreigingen van de openbare veiligheid is een voorzienig getroffen in bijgaand wetsvoorstel in lijn met de mogelijkheid die de verordeningen daartoe bieden. Artikel 42, eerste lid van de SIS-verordening grenscontroles, artikel 19 van de SIS-verordening terugkeer juncto artikel 42, eerste lid van de SIS-verordening grenscontroles en artikel 57, eerste lid van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking regelen namelijk dat gegevens maximaal drie jaar in nationale bestanden worden bewaard, tenzij in specifieke bepalingen van nationaal recht een andere termijn is vastgelegd. Het voorgestelde artikel 6 maakt duidelijk dat daarvan inderdaad sprake is. Afhankelijk van het doel van gegevensverwerking gelden onder de Wpg en de Wjsg namelijk verschillende bewaartermijnen welke in beginsel de bewaartermijn van drie jaar kunnen overschrijden.

Een tweede regeling betreft de geheimhoudingsplicht die in artikel 11 van zowel de SIS-verordening grenscontroles, de SIS-verordening terugkeer als de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken staat. Deze artikelen verplichten lidstaten om – in overeenstemming met hun nationaal recht – de voorschriften inzake het beroepsgeheim of een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht toe te passen. Ten aanzien van het verwerken van politiegegevens en strafvorderlijke gegevens bestaat reeds een geheimhoudingsplicht op grond van artikel 7 van de Wpg respectievelijk artikel 52 van de Wjsg. Deze geheimhoudingsplicht heeft echter een betrekkelijk open karakter waardoor genoemde bepalingen zich niet goed verhouden met wat op grond van de SIS-verordeningen is toegestaan. Beide bepalingen staan namelijk toe dat politiegegevens respectievelijk strafvorderlijke gegevens doelafwijkend mogen worden verwerkt indien het nationaal recht in een grondslag daartoe voorziet of de uitvoering van de taak daartoe noodzaakt. Artikelen 41, eerste en vijfde lid, van de SIS-verordening grenscontroles en 56, eerste en vijfde lid, van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken bieden daartoe geen ruimte. Omdat schending van de geheimhoudingsplicht van artikel 7 van de Wpg en artikel 52 van de Wjsg vanwege artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht strafrechtelijk zijn gesanctioneerd, kunnen hiermee de rechtszekerheid en het lex certa-beginsel in gedrang komen. Op voorhand zou dan immers niet duidelijk zijn welke regels men moet naleven. Om die reden regelt het wetsvoorstel een eigen geheimhoudingsplicht specifiek bedoeld voor SIS-verwerkingen, zodat hierover geen onduidelijkheid kan bestaan (zie artikel 7).

8.3 Verwerkingsverantwoordelijkheid

Voor betrokkenen is het van groot belang te weten wie verwerkingsverantwoordelijke is in een concreet geval, opdat rechten zoals het recht op inzage, correctie of het wissen van persoonsgegevens kunnen worden uitgeoefend.

De algemene definitie van verwerkingsverantwoordelijke kan worden gevonden in artikel 4, punt 7, van de AVG en luidt: «een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen.» De RGB bevat een gelijkluidende definitie in artikel 3, onderdeel 8, RGB. In het geval van de verordeningen is in de meeste gevallen, maar met uitzondering van EES en VIS, in de verordening zelf expliciet geregeld wie de verwerkingsverantwoordelijke is en behoeft dus niet te worden teruggevallen op de definitie van respectievelijk de AVG of de RGB.

EES-verordening

Artikel 39, eerste lid, EES-verordening bepaalt dat iedere lidstaat voor de verwerking van persoonsgegevens in het EES de autoriteit aanwijst die moet worden beschouwd als de voor de verwerking verantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de AVG en die de centrale verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking door die lidstaat draagt. De lidstaten delen de gegevens van die autoriteit vervolgens mee aan de Commissie. Bijgaand wetsvoorstel bevat een grondslag voor het aanwijzen van de verwerkingsverantwoordelijke bij algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb). Nu de verwerkingen in het kader van het EES primair binnen het grensproces zullen plaatsvinden, zal zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de verdeling van verwerkingsverantwoordelijkheid in dat proces. Daarbij geldt tevens het principe dat wanneer een organisatie gegevens in EES invoert of muteert, deze partij zelf verantwoordelijkheid draagt voor de inhoudelijke juistheid van die verwerking.

VIS-verordening

De VIS-verordening bevat een vergelijkbare bepaling als in de EES-verordening in artikel 29, vierde lid. Daarin staat dat iedere lidstaat voor de verwerking van persoonsgegevens in het VIS de autoriteit aanwijst die moet worden beschouwd als de voor de verwerking verantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de AVG en die de centrale verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking door die lidstaat draagt. Ook hier geldt dat op grond van het voorgestelde artikel 5 aanwijzing bij amvb zal plaatsvinden.

Etias-verordening

Artikel 57 van de Etias-verordening bepaalt in het eerste lid dat het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt beschouwd als een verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het centrale Etias-systeem. Voor het informatiebeveiligingsbeheer van het centrale Etias-systeem wordt eu-LISA beschouwd als verantwoordelijke voor de verwerking. Het tweede lid van artikel 57 bepaalt dat de nationale ETIAS-eenheid verwerkingsverantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens in het centrale Etias-systeem door een lidstaat. De nationale ETIAS-eenheid zal bij amvb worden aangewezen.

SIS-verordening terugkeer, SIS-verordening grenscontroles en SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken

In de SIS-verordeningen zelf is geregeld wie verwerkingsverantwoordelijke is, namelijk in artikel 7 SIS-verordening grenscontroles (tevens van toepassing op SIS-verordening terugkeer) en artikel 7 SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking. Hierin staat in het eerste lid dat elke lidstaat een autoriteit aanwijst (de N.SIS-instantie) die de centrale verantwoordelijkheid voor zijn N.SIS heeft. Deze autoriteit is verantwoordelijk voor de goede werking en beveiliging van het N.SIS, zorgt voor de toegang van de bevoegde autoriteiten tot SIS, en neemt de nodige maatregelen ten behoeve van de naleving van deze verordening. Zij is er tevens verantwoordelijk voor dat alle SIS-functies op passende wijze ter beschikking van de eindgebruikers worden gesteld. Uit de tweede en derde zin van dit artikellid vloeit rechtstreeks voort dat de N.SIS-instantie de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG is. De Europese wetgever heeft die keuze dus al gemaakt. In Nederland is de korpschef als N.SIS instantie aangemerkt. Het voorgaande neemt niet weg dat voor de juiste inhoud van de signalering elke partij zelf verantwoordelijk blijft. Bijvoorbeeld: als de IND een terugkeerbesluit oplegt is de IND verantwoordelijk voor de juistheid en rechtmatigheid hiervan en de bijbehorende signalering. Juist om die reden is het van belang dat er afspraken worden gemaakt aan de achterkant in het kader van de gegevensbeschermingsrechten van betrokkene. Deze afspraken worden momenteel nader uitgewerkt door de betrokken ketenpartners. Uitgangspunten hierbij zijn onder meer transparantie en laagdrempeligheid voor betrokkenen en een efficiënte en effectieve werkwijze voor de overheid.

Verordeningen interoperabiliteit

In de verordening over interoperabiliteit grenzen en visa en de verordening over politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie is een en ander hetzelfde geregeld. In het navolgende wordt telkens verwezen naar de gelijkluidende artikelen die ook hetzelfde genummerd zijn.

De verordeningen maken het mogelijk dat de onderliggende systemen EES, Etias, SIS, VIS, Eurodac en ECRIS-TCN in één keer doorzoekbaar worden via het ESP. De eindgebruiker ziet met een enkele doorzoeking in welke systemen een (meestal) derdelander geregistreerd staat (dit heet «flagging»). De eindgebruiker heeft vervolgens toegang tot die systemen al naar gelang zijn toegangsrechten op grond van de onderliggende verordeningen.

Hoe vervolgens gegevensverwerking plaatsvindt in deze systemen wordt beheerst door het juridisch kader van de onderliggende verordeningen. Indien iemand bijvoorbeeld blijkt in EES voor te komen dan bepaalt de EES-verordening vervolgens voor welke doelen gegevens mogen worden geraadpleegd en wie in welk geval als verwerkingsverantwoordelijke kan worden aangemerkt. Dit betekent dat ook het toepasselijke gegevensbeschermingsrecht in de onderliggende verordeningen moet worden gevonden. Welke rechten een betrokkene heeft, wiens gegevens in de onderliggende systemen zijn verwerkt, wordt bepaald door deze verordeningen. Indien iemand in Etias geregistreerd is bepaalt de ETIAS-verordening het recht op inzage. In geval in een onderliggend systeem door meer landen aan dezelfde dataset is gewerkt, dient ook weer in de onderliggende verordening te worden gekeken welk land verantwoordelijk is. Het voorgaande leidt ertoe dat doorzoekingen via het ESP naar verwachting niet tot ingewikkelde verantwoordelijkheidsvraagstukken leiden, noch tot vragen over welk gegevensbeschermingsrecht met welke bijbehorende rechtsbescherming van toepassing is.

Anders wordt het in geval van gegevensverwerking in het kader van de detector van meerdere identiteiten (MID, zie hierover paragraaf 5.2). Om de doelstellingen van de onderliggende systemen te bevorderen, zorgt de MID zoals eerder toegelicht voor het aanmaken en opslaan van een identiteitsbevestigingsbestand dat links bevat tussen gegevens in de onderliggende systemen en het CIR en C.SIS. De nationale bevoegde autoriteiten die gegevens invoeren of wijzigen in de MID worden volgens artikel 40 als verwerkingsverantwoordelijke aangemerkt. Bijvoorbeeld als bij het werk van de grensautoriteiten met het EES een link ontstaat met een ander EU-informatiesysteem, waarbij de identiteitsgegevens niet vergelijkbaar blijken en zijn het de grensautoriteiten die dit moeten bekijken en oplossen. Vanwege artikel 40 en artikel 48, derde lid, is in geval de gegevens in de MID afkomstig zijn van meer lidstaten, de lidstaat die verantwoordelijk is voor manuele verificatie eveneens de voor gegevensbeschermingsrechten verantwoordelijke lidstaat. Nederland is dus bijvoorbeeld ook de voor gegevensbeschermingsrechten verantwoordelijke lidstaat, indien ook Italië ten aanzien van dezelfde persoon gegevens in EES heeft ingevoerd die onderdeel uitmaken van de link. Ondanks dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor manuele verificatie eveneens de voor gegevensbeschermingsrechten verantwoordelijke lidstaat is, kunnen betrokkenen zich echter volgens artikel 48, eerste lid, tot elke lidstaat wenden indien zij hun gegevensbeschermingsrechten in het kader van gegevensverwerking in de MID willen uitoefenen.

8.4 Rechten van betrokkenen en informatievoorziening

De verordeningen bevatten specifieke regels over gegevensbescherming waaronder regels over het recht op inzage, rectificatie, aanvulling en verwijdering van gegevens, dan wel de beperking van verwerking.

Ten algemene geldt dat daarnaast in alle verordeningen aandacht wordt besteed aan voorlichting en informatievoorziening voor de personen van wie gegevens in de systemen worden verwerkt. Zo geldt op grond van artikel 51 van de EES-verordening bijvoorbeeld dat bij de ingebruikneming van het EES de Commissie in samenwerking met de toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming een informatiecampagne organiseert. Ook in de andere verordeningen zijn soortgelijke bepalingen opgenomen. Zo regelt de Etias-verordening dat de Commissie, in samenwerking met de Europese Dienst voor extern optreden, de centrale Etias-eenheid en de lidstaten, met inbegrip van hun consulaten in de betrokken derde landen, bij de ingebruikneming van Etias een voorlichtingscampagne organiseert om onderdanen van derde landen die onder de verordening vallen, erop te wijzen dat zij zowel voor het overschrijden van de buitengrenzen als voor de volledige duur van een kort verblijf op het grondgebied van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een geldige reisautorisatie. De voorlichtingscampagne wordt regelmatig gevoerd en in ten minste een van de officiële talen van de landen waarvan de onderdanen onder deze verordening vallen.

Ten aanzien van SIS geldt dat in artikel 19 van de SIS-verordening grenscontroles, artikel 19 van de SIS-verordening terugkeer en artikel 19 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking is voorzien in een voorlichtingscampagne georganiseerd door de Commissie samen met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de nationale toezichthouders over onder meer de rechten van betrokkenen. Ook onderhoudt de Commissie een openbaar toegankelijke website met alle relevante informatie over SIS. De lidstaten dienen op hun beurt in samenwerking met de nationale toezichthoudende autoriteiten de nodige beleidsinitiatieven te ontwikkelen en te implementeren om hun burgers en ingezetenen algemene voorlichting over SIS te geven. Binnen Nederland zal worden aangesloten op de campagne van de Commissie. Daarnaast kunnen betrokkenen informatie inwinnen via de site van de politie en informatie vinden over het recht op inzage. Daarnaast is een verwijzing opgenomen naar de site van de Autoriteit Persoonsgegevens waar informatie over SIS te vinden is. Voor Buitenlandse Zaken geldt in dit kader dat voorlichting richting afnemers over het raadplegen van SIS bij het visumaanvraagproces terug te vinden is op de website «Nederland wereldwijd» en wordt verspreid middels flyers op de posten.

Daarnaast geldt dat er specifieke bepalingen in meerdere verordeningen zijn opgenomen ten aanzien van het verstrekken van informatie over onder meer het recht op inzage. Zo geldt bijvoorbeeld dat in artikel 50 van de EES-verordening in het eerste lid een opsomming is opgenomen van alle informatie die ter beschikking moet worden gesteld aan de betrokkenen waarbij het tweede lid onder meer bepaalt dat dit schriftelijk in beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm wordt verstrekt, op een passende wijze en in een taalversie die de betrokken persoon begrijpt of redelijkerwijs kan worden verwacht te begrijpen, in duidelijke en eenvoudige taal, teneinde te waarborgen dat de onderdaan van een derde land van zijn rechten in kennis wordt gesteld. De verantwoordelijke lidstaat verstrekt deze informatie, met dien verstande dat de Commissie op basis van de overige bepalingen van het artikel onder meer uitvoeringshandelingen vaststelt en een template beschikbaar stelt dat de lidstaten hiervoor kunnen gebruiken. Daarnaast creëert de Commissie een website met de betreffende informatie. Voor SIS geldt bijvoorbeeld dat op grond van artikel 52 van de SIS-verordening grenscontroles aan in SIS gesignaleerde onderdanen van derde landen overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van de AVG of artikelen 12 en 13 van de RGB informatie wordt verstrekt over de signalering en de gegevensbeschermingsrechten. Deze informatie wordt schriftelijk verstrekt en gaat vergezeld van een afschrift van of verwijzing naar de nationale beslissing die aan de signalering ten grondslag ligt.

Ten aanzien van specifiek het recht op inzage, rectificatie, aanvulling en verwijdering van gegevens geldt het volgende.

Voor de EES-verordening geldt dat dit in artikel 52 is geregeld. Verzoeken van onderdanen van derde landen in verband met de rechten uit hoofde van de artikelen 15 tot en met 18 van de AVG kunnen worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van om het even welke lidstaat. De te volgen procedure en de verplichting tot samenwerking door de lidstaten staat omschreven in artikel 52 en 53 van de EES-verordening. Daarnaast geldt dat de nationale toezichthoudende autoriteit, dus in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens, desgevraagd bijstand en advies dient te verlenen.

De AVG koppelt de gegevensbeschermingsrechten zoals het recht op inzage aan de verwerkingsverantwoordelijkheid, waardoor de voor EES aangewezen centrale verwerkingsverantwoordelijke hierin een rol zal vervullen. Daarbij geldt dus dat als een verzoek wordt ingediend bij een lidstaat die niet de lidstaat is die verantwoordelijk is voor de betreffende gegevensverwerking, de aangezochte lidstaat en de verantwoordelijke lidstaat dit verzoek afhandelen volgens de procedure van de verordening. Het voorgaande geldt overigens op vergelijkbare wijze voor de andere verordeningen.

Voor Etias geldt dat voor dergelijke verzoeken hier zowel een rol voor de centrale Etias-eenheid als voor de nationale Etias-eenheid is weggelegd. Dit is in artikel 64 geregeld. Iedere aanvrager heeft het recht zich te wenden tot de centrale Etias-eenheid of tot de voor de aanvraag verantwoordelijke nationale Etias-eenheid. De eenheid die de aanvraag ontvangt, onderzoekt en beantwoordt de aanvraag zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 30 dagen. Indien in antwoord op een verzoek blijkt dat de gegevens in het centrale Etias-systeem feitelijk onnauwkeurig zijn of onrechtmatig zijn geregistreerd, worden die gegevens in het centrale Etias-systeem onverwijld gerectificeerd of gewist door de centrale Etias-eenheid of door de nationale Etias-eenheid van de verantwoordelijke lidstaat.

Ten aanzien van VIS geldt dat de herzieningsverordening artikel 38 van de VIS-verordening actualiseert. Daarin is reeds een regeling opgenomen voor het recht op toegang tot, rectificatie, aanvulling en wissing van persoonsgegevens en op beperking van de verwerking. De lidstaat die de aanvraag ontvangt, onderzoekt en beantwoordt de aanvraag zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van de aanvraag. Het artikel regelt de te volgen procedure. Indien de bevoegde lidstaat het niet eens is met de stelling dat de in het VIS geregistreerde gegevens feitelijk onjuist zijn of daarin onrechtmatig zijn geregistreerd, stelt hij onverwijld een administratief besluit vast waarbij schriftelijk aan de betrokkene wordt uitgelegd waarom de lidstaat niet bereid is de hem of haar betreffende gegevens te rectificeren of te wissen.

Voor alle bovengenoemde verordeningen geldt dat de betrokkene over de mogelijkheid om de beslissing aan te vechten en, indien relevant, over de wijze waarop hij een rechtsvordering kan instellen of een klacht kan indienen bij de bevoegde autoriteiten of rechterlijke instanties, alsmede over voor de betrokkene beschikbare bijstand, onder meer van de bevoegde toezichthoudende autoriteiten wordt geïnformeerd. De rechtsbescherming kom in de paragraaf hierna aan bod.

Voor SIS geldt dat in artikel 53 van SIS-verordening grenscontroles het recht op inzage in gegevens, rectificatie van onjuiste gegevens en wissing van onrechtmatig opgeslagen gegevens is opgenomen, waarbij artikel 16 van SIS-verordening terugkeer onder meer deze bepaling van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking geldt dat dit in artikel 67 van de verordening is opgenomen. De betreffende artikelen bevatten ook hier weer een specifieke regeling waarbij geldt dat bij SIS expliciet aandacht wordt besteed aan bijvoorbeeld de mogelijkheid tot beperking van informatie met het oog op belemmering van officiële of justitiële onderzoeken of procedures te voorkomen. Op grond van artikel 68 geldt dat eenieder het recht heeft om naar aanleiding van een hem betreffende signalering bij elke naar het nationale recht van elke lidstaat bevoegde instantie, waaronder de rechter, beroep in te stellen met het oog op inzage, rectificatie, wissing en op het verkrijgen van informatie of schadevergoeding in verband met zijn signalering.

Voor interoperabiliteit geldt dat alleen voor de MID (zie hierover paragraaf 5.2) het recht van toegang tot en rectificatie en wissing van in de MID opgeslagen persoonsgegevens en beperking van de verwerking van persoonsgegevens speelt. Een regeling hiervoor is opgenomen in artikel 48 van beide verordeningen. Daarin is opgenomen dat elke persoon het recht heeft om zich te wenden tot de bevoegde autoriteit van een lidstaat, die het verzoek zal onderzoeken en beantwoorden. Daarin is ook weer een regeling opgenomen voor de situatie dat een verzoek wordt ingediend bij een lidstaat die niet de voor de manuele verificatie verantwoordelijke lidstaat is. De aangezochte lidstaat zorgt in die situatie voor afstemming met de verantwoordelijke lidstaat. De bevoegde autoriteit van de verantwoordelijke lidstaat behandelt het verzoek, maar de aangezochte lidstaat informeert de betrokkene. Uiteindelijk wordt een dergelijk verzoek dus behandeld door de voor de manuele verificatie bevoegde autoriteit, maar de persoon die het verzoek heeft ingediend wordt geïnformeerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij het verzoek heeft ingediend. Op grond van artikel 48, tweede lid, van de beide verordeningen geldt dat de lidstaten kunnen besluiten dat antwoorden moeten worden gegeven door centrale kantoren. Nederland zal van deze mogelijkheid gebruik maken door het inrichten van een centraal loket.

Indien de voor de manuele verificatie van meerdere identiteiten verantwoordelijke lidstaat of, in voorkomend geval, de aangezochte lidstaat niet van oordeel is dat de in de MID opgeslagen gegevens onjuist zijn of onrechtmatig zijn geregistreerd, stelt die lidstaat een administratief besluit vast waarbij hij de betrokken persoon onverwijld schriftelijk uitlegt waarom hij niet bereid is de gegevens betreffende die persoon te corrigeren of te wissen. Daarbij ontvangt de betrokkene tevens informatie over de mogelijkheid om die beslissing te betwisten en indien van toepassing over de wijze waarop hij een klacht of rechtsvordering kan instellen, dan wel een verzoek om bijstand kan doen bij de toezichthoudende autoriteit.

Voor het MID geldt op grond van artikel 49 Verordeningen interoperabiliteit dat er een webportaal wordt opgericht door de Commissie om de uitoefening van het recht van toegang tot en rectificatie, wissing of beperking van de verwerking van persoonsgegevens te vergemakkelijken. Het webportaal bevat informatie over rechten en procedures, alsmede een gebruikersinterface die personen van wie gegevens worden verwerkt in de MID en die in kennis zijn gesteld van het bestaan van een rode link als bedoeld in artikel 32, vierde lid (dat wil zeggen meerdere onrechtmatige identiteiten gesignaleerd), in staat stelt om de contactgegevens te verkrijgen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de manuele verificatie van meerdere identiteiten.

De nadere inrichting van de bovengenoemde verzoeken wordt momenteel verder uitgewerkt in de verschillende werkprocessen van de autoriteiten die het betreft, waarbij het belang van de burger centraal zal worden gesteld.

8.5 Rechtsmiddelen gegevensbescherming

Zoals in de paragraaf hiervoor beschreven geldt dat de personen van wie gegevens in een van de systemen worden verwerkt een verzoek tot onder meer inzage of wissing van gegevens kunnen indienen. De verordeningen regelen vervolgens ook dat er rechtsbescherming openstaat.

In Nederland geldt dat onder de AVG betrokkene bezwaar kan indienen tegen een afgewezen verzoek tot inzage, correctie of wissing en men vervolgens in beroep kan gaan bij de bestuursrechter en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie artikelen 79 AVG en artikelen 34, 35 en 36 UAVG en hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Daarnaast kan men een klacht indienen bij de AP (zie artikel 77 AVG, de UAVG verwijst naar overweging 141 van de AVG). De RGB is geïmplementeerd in de Wpg en Wjsg en voorziet eveneens in bezwaar bij het betreffende bestuursorgaan, beroep bij de bestuursrechter en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (artikel 29 van de Wpg en artikel 23 van de Wjsg).

Voor de rechtsbescherming in het kader van gegevensbescherming wordt bij de verordeningen van dit wetsvoorstel teruggevallen op het AVG en RGB kader en de nationale implementatie daarvan, waarbij in het navolgende wordt ingegaan op enkele aanvullingen en bijzonderheden voortvloeiend uit de verordeningen.

Verwerkingen met een internationale component

In de Kamerstukken UAVG is uitgelegd hoe wordt omgegaan met rechtsbescherming met een internationale component en hoe dat is ingebed in het Nederlandse rechtsbestel (met name de Awb). «Grensoverschrijdende verwerking» wordt in de AVG gedefinieerd als a) verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van vestigingen in meer dan één lidstaat van een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in de Unie die in meer dan één lidstaat is gevestigd; of b) verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van één vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke of van een verwerker in de Unie, waardoor in meer dan één lidstaat betrokkenen wezenlijke gevolgen ondervinden of waarschijnlijk zullen ondervinden. Bij grensoverschrijdende verwerking geldt een relatief complex stelsel van samenwerking en afstemming tussen de toezichthoudende autoriteiten (hoofdstuk VII AVG). Dit zogeheten coherentiemechanisme komt erop neer dat de AP in sommige gevallen klachten moet aannemen en doorsturen over een verwerkingsverantwoordelijke in een andere lidstaat. De beslissing van de bevoegde toezichthouder ter plaatse wordt door onze AP doorgeleid en vertaald voor de Nederlandse burger. De Nederlandse bestuursrechter is vervolgens bevoegd, indien de burger het niet eens is met dat besluit van de buitenlandse toezichthouder maar zal dan naast de AVG ook het buitenlandse uitvoeringsrecht toepassen. Doel van het coherentiemechanisme is dat de burger terecht kan in zijn eigen lidstaat (zie hoofdstuk VII AVG). Op grond van de RGB en de nationale implementatie daarvan geldt een vergelijkbaar systeem (artikelen 52, tweede lid, RGB en 31a Wpg).

Ook in het kader van de verordeningen van het wetsvoorstel is regelmatig sprake van grensoverschrijdende gegevensverwerking in die zin dat meer lidstaten aan dezelfde dataset werken. Zo kan een datasubject via Nederland het Schengengebied inreizen (leidend tot invoer van gegevens in het EES) en via Italië weer uitreizen (wederom leidend tot invoer van gegevens in het EES). De EES-verordening bepaalt dat de lidstaat die de gegevens heeft ingevoerd verwerkingsverantwoordelijke is en vervolgens de lidstaat die iets wijzigt of aanvult (zie artikel 35, eerste en achtste lid). In de SIS-verordeningen worden signaleringen ingevoerd door lidstaten die hier vervolgens over kunnen dan wel moeten overleggen met uitvoerende lidstaten die te maken krijgen met een «hit». Vaak moet of kan hierover aanvullende informatie worden opgeslagen die onderdeel gaat uitmaken van de dataset in het SIS. De verordeningen over interoperabiliteit gaan meestal over grensoverschrijdende situaties, maar het kan ook voorkomen dat in de MID alleen gegevens zitten afkomstig van Nederland.

Aansprakelijkheid in het kader van onjuiste gegevensverwerking

De verordeningen bevatten bepalingen met de strekking dat een ieder, respectievelijk elke lidstaat, die als gevolg van onrechtmatige gegevensverwerking of een andere met deze verordening strijdige handeling materiële of immateriële schade heeft geleden, is gerechtigd om van de lidstaat die voor de geleden schade verantwoordelijk is, vergoeding te ontvangen. De betrokken lidstaat wordt geheel of gedeeltelijk van zijn aansprakelijkheid ontheven indien hij kan aantonen dat hij op generlei wijze verantwoordelijk is voor het feit dat de schade heeft veroorzaakt. Daarbij geldt dat indien een lidstaat de verplichtingen uit hoofde van de verordeningen niet is nagekomen de lidstaat daarvoor aansprakelijk is, tenzij en voor zover eu-LISA of een andere lidstaat, heeft nagelaten redelijke stappen te ondernemen om het optreden van de schade te voorkomen of de omvang ervan zo veel mogelijk te beperken. Op vorderingen tegen een lidstaat tot vergoeding van dergelijke schade zijn de bepalingen van het nationale recht van de verwerende lidstaat van toepassing.

Wat betreft onjuiste gegevensverwerking en als gevolg daarvan geleden schade: voor de AVG geldt dat men een klacht kan indienen bij de AP (verzoek tot handhaving) en de AP kan dit gegrond verklaren, kan boetes opleggen, de verwerking stilleggen etc. Zie de artikelen 77, 83 en 84 AVG en artikelen 14, derde lid, 17 en 18 UAVG. Verder verwijst de toelichting bij de UAVG specifiek voor het recht op schadevergoeding naar afdeling 8.4 van de Awb of de civiele rechter. Wil de burger schadevergoeding dan kan deze met de uitspraak van de AP over de onrechtmatigheid naar de civiele rechter. Indien de AP een verzoek tot handhaving niet gegrond verklaart kan men bestuursrechtelijk procederen tegen dat besluit van de AP (maar ook bijvoorbeeld tegen een weigering om handhavend op te treden als er wel onrechtmatigheden worden geconstateerd). Men kan ook direct naar de civiele rechter (schending 8 EVRM maar ook een civiele rechter kan onrechtmatigheid van de verwerking vaststellen aan de hand van een bestuursrechtelijke norm). Voor de RGB en de nationale implementatie daarvan zijn daarover regels met gelijke strekking opgenomen in de Wpg en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

8.6. Toezicht en handhaving

De verordeningen bepalen dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat door de overeenkomstig artikel 51, eerste lid, van de AVG ingestelde toezichthoudende autoriteit onafhankelijk toezicht wordt gehouden op de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens door de betrokken lidstaat, met inbegrip van de doorgifte van die gegevens naar en vanuit de Europese systemen.

Zie in dit kader artikel 55 van de EES-verordening, artikel 66 van de Etias-verordening, artikel 41 van de VIS-verordening na doorvoering van de herzieningsverordening, artikel 41 van de SIS-verordening, artikel 51 van de Verordeningen interoperabiliteit, artikel 55 van de SIS-verordening grenscontroles, artikel 19 van de SIS-verordening terugkeer, artikel 69 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Daarnaast geldt bijvoorbeeld dat in artikel 55 EES-verordening is opgenomen dat de toezichthouder ervoor zorgt dat er om de drie jaar een audit van de gegevensverwerking in de nationale grensinfrastructuur wordt verricht overeenkomstig de desbetreffende internationale auditnormen. Ook de andere verordeningen bevatten waarborgen voor de gegevensbescherming.

Voor Nederland geldt dat op grond van artikel 6 van de UAVG de Autoriteit Persoonsgegevens als de toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 51, eerste lid, AVG is aangewezen. De UAVG bevat tevens de bevoegdheden die de AP voor deze taak bezit, in aanvulling op de bevoegdheden die de Awb regelt. Voor de RGB geldt dat uit artikel 35 van de Wpg en artikel 27 Wjsg volgt dat dit de AP is.

Vervolgens bevatten de verordeningen bepalingen die kort gezegd regelen dat onrechtmatige gegevensverwerking gesanctioneerd dient te worden volgens het nationale recht, de AVG en de RGB. Zie in dit kader artikel 48 van de EES-verordening, artikel 62 van de ETIAS-verordening, artikel 36 van de VIS-verordening na doorvoering van de herzieningsverordening VIS, artikelen 41, zevende lid, 45 en 59 van de SIS-verordening grenscontroles en artikel 19 van de SIS-verordening terugkeer, artikelen 60 en 73 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken artikel 45 van beide Verordeningen interoperabiliteit.

Wat gesanctioneerd dient te worden is uiteenlopend geformuleerd. Zo heeft de Etias-verordening het over «inbreuken op deze verordening». In de SIS-verordeningen wordt vermeld dat sancties moeten worden gesteld op «misbruik of oneigenlijke verwerking van SIS-gegevens en de eventuele uitwisseling van aanvullende informatie in strijd met deze verordening» en wordt daarnaast sanctionering genoemd in de artikelen over beveiligingsincidenten. De EES-verordening zegt dat «elk gebruik van in het EES ingevoerde gegevens dat niet strookt met deze verordening, overeenkomstig het nationale recht, artikel 84 van Verordening (EU) 2016/679 en artikel 57 van Richtlijn (EU) 2016/680» strafbaar dient te worden gesteld. De verordeningen over interoperabiliteit bepalen ten slotte dat «misbruik, verwerking of uitwisseling van gegevens in strijd met deze verordening» strafbaar wordt gesteld volgens het nationaal recht. De gemene deler is dat sprake dient te zijn van schending van de regels over het gegevensbeschermingsrecht (of deze nu voortvloeien uit de verordeningen zelf of de algemene kaders van de AVG en de RGB).

In en ter uitvoering van de AVG en ter uitvoering van de RGB is reeds in sancties op dit soort schendingen voorzien. Artikel 83 van de AVG bevat bijvoorbeeld de voorwaarden waaronder nationale toezichthouders administratieve boetes kunnen opleggen. Artikel 84 van de AVG bepaalt dat de lidstaten regels vaststellen over andere sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de verordening, in het bijzonder op inbreuken die niet aan administratieve geldboeten onderworpen zijn overeenkomstig artikel 83 van de AVG, en dat zij alle nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat sancties worden toegepast. Ook schrijft de AVG voor dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend dienen te zijn. De RGB bevat een vergelijkbare implementatieplicht in artikel 57. Wel is specifiek met het oog op het verbod op doorgifte van SIS- en interoperabiliteitsgegevens aan onder meer derde landen een bepaling in het wetsvoorstel opgenomen om dit bestuursrechtelijk te sanctioneren door middel van een bestuurlijke boete, zie artikel 9.

Hoewel in de EES-verordening, de SIS-verordeningen en de verordeningen over interoperabiliteit gesproken wordt van het nationaal «strafbaar» (punishable) stellen van schendingen, is ervan uit gegaan dat niet bedoeld is strafrechtelijke handhaving van de desbetreffende verordeningen dwingend voor te schrijven. Het in de relevante artikelen van de verordeningen gebruikte begrip «sancties» (penalties) wordt in EU-wetgeving over het algemeen opgevat als zowel omvattend strafrechtelijk van aard als bestuursrechtelijk, waarbij het vervolgens aan de nationale wetgever wordt gelaten hier een keuze in te maken. Alleen daar waar in EU-wetgeving de term «criminal penalties» wordt gebezigd is sanctionering via het strafrecht wel uitdrukkelijk verplicht.53 Dat is hier niet aan de orde.54 De enige uitzondering betreft de strafbaarstelling van schending van de geheimhoudingsplicht specifiek bedoeld voor SIS-verwerkingen (artikel 7 van het wetsvoorstel).55

Een en ander betekent dat op de twee genoemde uitzonderingen na (verbod op doorgifte en schending geheimhoudingsplicht) op grond van de algemene kaders van gegevensbeschermingsrecht en hun nationale implementatiewetgeving (respectievelijk artikelen 14 en 17 UAVG en artikel 35c, eerste lid, onderdeel b, van de Wpg) en het Wetboek van Strafrecht (o.a. ambtsmisdrijven) schending van de regels van het gegevensbeschermingsrecht doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend is gesanctioneerd. Wederom kan dus – net als in het geval van rechtsmiddelen – over het algemeen – worden teruggevallen op de algemene juridische kaders.

9. Consultatie paragraaf

Het wetsvoorstel is ter advisering aangeboden aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op grond van het bepaalde in artikel 36, vierde lid, AVG, artikel 35b, eerste lid, onder b, Wpg en artikel 39r, tweede lid, Wjsg alsmede aan de Raad voor de rechtspraak en de Adviescollege toetsing regeldruk. De laatstgenoemde twee instanties hebben geen inhoudelijke opmerkingen bij het wetsvoorstel gemaakt met dien verstande dat de Raad voor de rechtspraak wel de gevolgen voor de rechterlijke macht in kaart heeft gebracht, waarop in paragraaf 7.4 is ingegaan.56 Ook merkt de Raad voor de rechtspraak op dat met betrekking tot de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken het registratienummer, bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel g, gelezen kan worden als het burgerservicenummer. Hij vraagt, zonder nadere toelichting, of de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer enige aanpassing behoeft. Ook de regering leest in het registratienummer als het burgerservicenummer. Evenwel wordt geen aanleiding gezien tot aanpassing van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer omdat de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken daartoe niet noopt.

De AP heeft opmerkingen gemaakt die zien op de verhouding met de nationale implementatie van de RGB, de rol van de officier van justitie als centraal toegangspunt en het aanhouden van de C.SIS kopie in N.SIS. Hierop wordt in het navolgende ingegaan, evenals op de vooropmerking die de AP heeft gemaakt over goede voorlichting van burgers en betrokken overheidsdiensten. Daarnaast heeft de AP een aantal aanbevelingen gedaan voor aanpassing van de toelichting en het wetsvoorstel, welke zijn doorgevoerd en die eveneens in het navolgende worden toegelicht. Ten slotte heeft de AP een uitvoeringstoets gedaan omdat de AP een rol krijgt als toezichthouder op de verwerking van persoonsgegevens in de systemen. Omdat dit op financiële consequenties zie is dit punt in paragraaf 7.6 aan de orde gekomen.

Sanctionering

De AP kan zich in beginsel vinden in het uitgangspunt van het wetsvoorstel dat in rechtsbescherming en sanctionering wordt voorzien door middel van de bestaande kaders van de AVG en de RGB. De AP geeft wel aan ontevreden te zijn over de wijze waarop in het verleden de RGB door de wetgever in het nationale recht is geïmplementeerd wat betreft de sanctionering van onrechtmatige gegevensverwerking. De implementatie van artikel 57 van de richtlijn in de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) had uitgebreider gemoeten en meer naar het voorbeeld van hoe dit is geregeld bij de Uitvoeringswet AVG, waar forse boetes door de AP kunnen worden opgelegd. Thans is voor het RGB-domein handhaving via een last onder bestuursdwang mogelijk en in bepaalde gevallen via een bestuurlijke boete (artikel 35c, eerste lid, van de Wpg en artikel 27, eerste lid, van de Wjsg), maar dit gaat niet ver genoeg, aldus de AP.

Het betreft een aangelegenheid die geen gevolg zal zijn van inwerkingtreding van het wetsvoorstel, maar waardoor volgens de AP wel bepaalde onderdelen van de verordeningen met het wetsvoorstel niet of onvolledig worden geoperationaliseerd. De AP adviseert de RGB alsnog goed te implementeren en ervoor te zorgen dat de verordeningen daar waar persoonsgegevens in RGB-domein wordt verwerkt, punitief kan worden gehandhaafd en meer vergelijkbaar met de situatie in de UAVG.

De regering is bekend met deze kritiek. Zowel de AP als de Raad van State hebben op dit punt opmerkingen gemaakt ter gelegenheid van de advisering over het wetsvoorstel ter implementatie van de RGB.57 De wetgever heeft zich toen op het standpunt gesteld dat de AVG nu juist niet geldt voor het politie- en justitiedomein, maar dat de RGB daarvoor een afzonderlijke regeling heeft getroffen. De RGB laat meer ruimte aan de lidstaten om invulling te geven aan effectieve bevoegdheden voor het treffen van corrigerende maatregelen. Ook bij de boetebepalingen is ruimte gelaten voor eigen afwegingen door de lidstaten.

Bij de implementatie van de RGB in de Wpg en de Wjsg zijn de bevoegdheden van de AP bij het toezicht op de naleving verruimd, maar niet volledig gelijk gemaakt aan de bevoegdheden in het AVG-domein. Mede in het licht van die verruiming is niet voorzien in een algemene bevoegdheid tot het opleggen van een verwerkingsverbod voor de specifieke situatie van opsporing en vervolging, omdat dit zou kunnen meebrengen dat de criminaliteitsbestrijding ernstig zou worden belemmerd. Naar het oordeel van de regering was en is, mede in het licht van de andere bevoegdheden van de AP, sprake van een evenwichtig en voldoende voldragen instrumentarium ter handhaving van de voorschriften van de Wpg en Wjsg.

Zoals de Minister voor Rechtsbescherming heeft aangegeven in zijn brief van 29 maart 202258 is niet langer sprake van het voornemen om te komen tot een integrale herziening van de Wpg en Wjsg, in het kader waarvan ook zou worden gekeken naar het toezicht op de naleving van de regels inzake gegevensverwerking en de sanctionering. Wel wordt geïnventariseerd welke veranderingen in beleid en in de beleidsuitvoering kunnen worden gerealiseerd, voor zover deze passend zijn binnen de mogelijkheden van de bestaande kaders, en welke wijzigingen van de beide wetten daarvoor noodzakelijk zijn. Er is in dit licht geen aanleiding om met het onderhavige wetsvoorstel over te gaan tot de door de AP gewenste wijzigingen van de Wpg en Wjsg.

Ten aanzien van het door de AP genoemde verbod op doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen en internationale organisaties is het advies van de AP opgevolgd. Om ervoor te zorgen dat deze bepalingen adequaat gehandhaafd kunnen worden is in het wetsvoorstel naar aanleiding van het AP-advies een voorziening getroffen in artikel 9 (zie ook de toelichting bij dit artikel).

Officier van justitie als centraal toegangspunt voor rechtshandhaving

In artikel 4 van het wetsvoorstel is geregeld dat de officier van justitie functioneert als het centraal toegangspunt als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de EES-verordening, artikel 50, tweede lid, van de Etias-verordening, artikel 6 van de Eurodac-verordening en artikel 3, tweede lid, van de VIS-verordening. Het centraal toegangspunt is belast met het nemen van beslissingen over toegang tot de informatiesystemen ten behoeve van rechtshandhavingsdoelen door de daarvoor aangewezen autoriteiten. De aangewezen autoriteiten betreffen opsporingsambtenaren die werkzaam zijn bij bijvoorbeeld de politie of de KMar. De EU-verordeningen schrijven voor dat het centraal toegangspunt onafhankelijk optreedt van de aangewezen autoriteiten.

Naar de AP meent sluit de rechter-commissaris als centraal toegangspunt beter dan de officier van justitie aan bij de eis uit de EU-verordeningen over onafhankelijk optreden ten opzichte van de aangewezen autoriteiten. De AP adviseert om de huidige eis ten aanzien van toegang tot Eurodac ten behoeve van rechtshandhavingsdoelen te handhaven en ook toe te passen voor toegang tot de nieuwe informatiesystemen. De huidige eis behelst dat de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Daarbij voert de AP aan dat de aanwijzingsbevoegdheid van artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) de door de verordeningen vereiste onafhankelijkheid in de weg zitten als de officier van justitie de rol van centraal toegangspunt zou vervullen.

Dit advies wordt niet opgevolgd om de volgende redenen. De EES-verordening, de Etias-verordening, de Eurodac-verordening en de VIS-verordening maken het slechts mogelijk dat raadpleging van de Europese informatiesystemen onder bepaalde materiële en procedurele voorwaarden is toegestaan. Het centrale toegangspunt heeft als taak te verifiëren of aan alle inhoudelijke en procedurele voorwaarden voor toegang is voldaan. Zoals eerder toegelicht in paragraaf 3.9 bevatten de betreffende verordeningen geen definitie van het begrip centraal toegangspunt, maar bepalen zij onder meer dat het centrale toegangspunt onafhankelijk dient te zijn van de aangewezen autoriteiten in een lidstaat, in die zin dat het toegangspunt wel onderdeel kan uitmaken van dezelfde organisatie als de aangewezen autoriteiten, maar losstaat van de aangewezen autoriteiten en van deze geen instructies ontvangt in het kader van de toets op de voorwaarden voor toegang respectievelijk de resultaten van de verificatie, die het onafhankelijk verricht.

De verordeningen eisen niet dat de taak van centraal toegangspunt bij een rechter wordt belegd, maar vereisen slechts dat de als centraal toegangspunt aangewezen autoriteit onafhankelijk is ten opzichte van de autoriteiten waaraan toegang kan worden verleend tot de desbetreffende informatiesystemen. Dit is met de officier van justitie als centraal toegangspunt het geval. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State op het wetsvoorstel is in artikel 4, tweede lid, van bijgaand wetsvoorstel nog wel expliciet vastgelegd dat bij de uitoefening van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, de officier van justitie volledig onafhankelijk optreedt ten opzichte van de in artikel 3 aangewezen autoriteiten, alsmede van de officier van justitie die het gezag over die autoriteiten uitoefent.

De AP verwijst in haar advies naar artikel 107, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan een machtiging van de rechter-commissaris is vereist voor toegang tot biometrische gegevens in de vreemdelingenadministratie. Dit vereiste is in 2013 op verzoek van de Tweede Kamer opgenomen in de Vreemdelingenwet 2000. De wetgever heeft in de desbetreffende nota van wijziging uitgelegd dat de wijziging als doel had om duidelijker tot uiting te brengen dat het ging om biometrische gegevens die voor een ander doel waren verkregen dan de opsporing van strafbare feiten en dat die persoonsgegevens om die reden slechts onder uitzonderlijke omstandigheden voor dit doel mochten worden gebruikt.59 In de huidige situatie is deze redenering niet langer aan de orde. Voor de informatiesystemen waartoe toegang wordt verleend (EES, Etias, VIS en Eurodac) geldt dat het opsporen van ernstige strafbare feiten een nadrukkelijk doel is gemaakt in de onderliggende verordeningen. Daarmee is voor betrokkenen – anders dan bij de vreemdelingenadministratie het geval was – op voorhand kenbaar en te voorzien dat gegevens uit deze informatiesystemen onder voorwaarden mede ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten kunnen worden verwerkt. De motivering voor de aanvullende waarborg in de vorm van een machtiging door de rechter-commissaris is daarmee komen te vervallen.

Wat betreft artikel 107, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt erop gewezen dat dit artikel enerzijds strenger is dan de bij het wetsvoorstel gekozen rol van de officier van justitie en anderzijds minder streng. Strenger omdat in het geval van biometrische gegevens zowel de officier van justitie als de rechter-commissaris moeten worden betrokken. Minder streng omdat de officier en de rechter-commissaris enkel betrokken moeten worden in het geval van biometrische gegevens en dus niet bij het beschikking stellen van alfanumerieke persoonsgegevens voor opsporing en vervolging.

Ter vergelijking het volgende. Wat aansluit bij de incidentele toegang voor wetshandhaving tot EES, Etias, Eurodac en VIS zijn de materiële voorwaarden die op elkaar lijken. Zowel de verordeningen als artikel 107, zesde lid, gaan er vanuit dat enkel toegang is toegestaan bij, kort samengevat, ernstige misdrijven en als het opsporingsonderzoek niet op andere wijze kan worden vlot getrokken (zie bijvoorbeeld artikel 32, tweede lid, onder a, van de EES-verordening over het eerst raadplegen van nationale databanken in bepaalde gevallen). Ook het element «spoed» komt in beide juridische kaders voor. Bij de vreemdelingenadministratie als een voorwaarde om te mogen raadplegen en bij de verordeningen als situatie waarin toetsing achteraf mag plaatsvinden (spoedprocedure, zie bijvoorbeeld artikel 31, tweede lid van de EES-verordening). Daarnaast moeten er bij zowel de nationale als de EU-raadpleging vermoedens zijn dat de verdachte behoort tot een categorie die in het betreffende systeem staat (zie bijvoorbeeld artikel 32, eerste lid, onder c, van de EES-verordening). Artikel 107, zesde lid, wijkt af van de verordeningen in die zin dat er sprake is van een tweetrapsraket van de officier én de rechter-commissaris, terwijl de officier – samen met de niet bij het desbetreffende opsporingsonderzoek betrokken officier van justitie – zonder de rechter-commissaris de rol van centraal toegangspunt vervult. Bij artikel 107, zesde lid Vreemdelingenwet 2000, komen officier van justitie en de rechter-commissaris bovendien alleen in beeld indien men toegang vraagt tot het biometrie register in de vreemdelingenadministratie. In de informatiesystemen EES, Etias, Eurodac en VIS is geen sprake van een dergelijk afgescheiden deel waarin biometrie is opgeslagen. Indien betrokkene in meer systemen staat, combineert ook het CIR identificerende gegevens uit deze onderliggende systemen, die zowel alfanumeriek als biometrie kunnen zijn (dit gaat op basis van het flagging systeem en op voorhand is duidelijk om welke soort gegevens het gaat). Hiermee is er dus sprake van een absolute keuze, waarbij in het wetsvoorstel van de AP de rechter-commissaris ook zou worden ingeschakeld bij een verzoek om toegang tot enkel Etias (een systeem dat geen biometrische gegevens bevat). Dit gaat verder dan artikel 107, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en staat niet in verhouding tot de inmenging in de persoonlijke levenssfeer. Tegenwicht is dat de officier dus wel betrokken is bij enkel een alfanumerieke bevraging, terwijl artikel 107, zesde lid, deze waarborg niet biedt.

De jurisprudentie die de AP aanhaalt van het HvJ EU noopt niet tot het aanwijzen van een rechter als centrale autoriteit. De aangehaalde arresten gaan over bepaalde situaties die in hun specifieke context moeten worden bezien en kunnen niet zonder meer worden toegepast op de uitvoering van de verordeningen. Het arrest in zaak C-510/19 gaat over de overleveringsprocedure.60 Het HvJ EU geeft uitleg aan het begrip «uitvoerende rechterlijke autoriteit» in de zin van artikel 6, tweede lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ.61 Het begrip «uitvoerende rechterlijke autoriteit» komt niet terug in een van de verordeningen. Ook ontbreekt een aanwijzing in de jurisprudentie van het HvJ EU dat aan het begrip «uitvoerende rechterlijke autoriteit» in de zin van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ, dezelfde uitleg moet worden als aan het begrip «centrale autoriteit» in de zin van de verordeningen. Ook het arrest in de zaak C-746/18 ziet niet op een vergelijkbare situatie.62 Dit arrest heeft betrekking op een nationale regeling over toegang tot verkeers- en locatiegegevens ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek. Het HvJ EU geeft uitleg aan het begrip «een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit» in de zin van de rechtspraak van het HvJ EU ten aanzien van artikel 15, eerste lid, van Richtlijn 2002/58/EG.63 Ook hier ontbreekt een aanwijzing dat aan het genoemde begrip op dezelfde wijze uitleg moet worden gegeven als aan het begrip «centrale autoriteit» in de zin van de verordeningen. Het ligt aldus niet in de rede dat de door het HvJ EU gegeven uitleg van toepassing is op de verordeningen. Bovendien is de jurisprudentie op dit terrein en de discussie over de mogelijke gevolgen daarvan voor de wetgeving nog in ontwikkeling. Ook de aanwijzingsbevoegdheid van artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie noopt niet tot het aanwijzen van een rechter als centrale autoriteit. De aanwijzingsbevoegdheid van de Minister van Justitie en Veiligheid staat namelijk buiten de vereiste onafhankelijkheid van het centraal toegangspunt. De door de verordeningen vereiste onafhankelijkheid ziet specifiek op onafhankelijkheid ten opzichte van de aangewezen autoriteiten waaraan toegang kan worden verleend tot de desbetreffende informatiesystemen. Die onafhankelijkheid is met de aanwijzingsbevoegdheid niet in het geding. Deze ziet namelijk op de verhouding tussen de Minister van Justitie en Veiligheid en de officier van justitie en niet op de verhouding tussen de officier van justitie en de aangewezen autoriteiten.

Overige punten advies AP

Als vooropmerking adviseert de AP een beknopte en praktische handreiking of een helpdesk voor uitvoerende diensten en betrokkenen (vooral derdelanders). Dit omdat het pakket aan EU-verordeningen omvangrijk is. Voor de uitvoerende diensten en de betrokkenen zelf dient duidelijk te zijn wat de rechten en plichten zijn waarvoor het raadplegen van het complex van EU-verordeningen, de uitvoeringswet en de toelichting niet snel uitkomst bieden.

In reactie hierop kan het volgende worden opgemerkt. Het voor de implementatie van de verordeningen opgerichte programma grenzen en veiligheid heeft samen met de uitvoerende instanties in Nederland een zogenaamde klantreis houden. Dit houdt in dat bijvoorbeeld bekeken wordt in welke processen een persoon te maken krijgt met de EU-informatiesystemen, in welke fase, met wie men dan in aanraking komt (welke overheidsinstanties en wellicht private partijen zoals luchtvaartmaatschappijen) en welke informatie dan kan of moet worden aangeboden. Dit om te zien hoe de noodzakelijke informatie over de verordeningen terechtkomt bij de reiziger. Ook wordt gekeken welke uitvoerende instantie op welk moment verantwoordelijk is voor deze informatievoorziening. Zodra dit helder is wordt er een gezamenlijke hulpstructuur ontwikkeld, zodat de publieksinformatie op een duidelijke en eenduidige manier kan worden vormgegeven. Denk daarbij aan een gemeenschappelijk platform, helpdesk en praktische handleidingen. Verder is onder coördinatie van de Justitiële Informatiedienst aan de hand van de klantreis onderzoek gedaan naar de beste manier waarop uitvoering kan worden gegeven aan identiteitsmanagement binnen de verordeningen over interoperabiliteit. Bij dit onderzoek zijn vele uitvoeringsdiensten betrokken die thans al in verschillende werkprocessen te maken hebben met identiteitsvaststelling en identiteitsfraude. Uitgangspunt was onder meer de uitvoering zo effectief en efficiënt mogelijk te maken en laagdrempelig te zijn naar de burger toe. Uitvoerende diensten zullen elkaar gaan helpen (door middel van detacheringen) bij het oplossen van casuïstiek waarin er tussen EU-informatiesystemen een link ontstaat, maar de identiteitsgegevens niet vergelijkbaar blijken en er mogelijk dus iets aan de hand is (zie paragraaf 5.2 over de MID). Verder wordt er gewerkt aan het inrichten van één-loket zodat betrokkene voor het inzage- en correctierecht bij de MID-gegevens terecht kan bij één loket.

In de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de AP werd in het kader van de toegang voor rechtshandhaving door aangewezen autoriteiten (zie hierover paragraaf 3.8) voor de vraag wanneer sprake is van een «voldoende ernstig strafbaar feit of een terroristische dreiging» verwezen naar artikel 67 Wetboek van Strafvordering, waarin wordt omschreven wanneer een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden afgegeven. Daarbij werd opgemerkt dat in de EU verordeningen wordt aangesloten bij ernstige strafbare feiten als bedoeld in Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad. Het gaat dan, kort samengevat, bij de Eurodac -verordening om de vormen van criminaliteit die volgens het nationale recht strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximumduur van ten minste drie jaar. De AP geeft daarbij aan dat in de toelichting is opgemerkt dat de kwalificatie «voldoende ernstig strafbaar feit» snel wordt bereikt en dat het daarbij gaat om misdrijven waarbij voorlopige hechtenis mogelijk is, zoals diefstal. De AP wijst er vervolgens op dat voorlopige hechtenis inderdaad mogelijk is bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld (artikel 67, eerste lid, onderdeel a, Sv), maar wijst erop dat artikel 67, eerste lid onder b en c ook een reeks van misdrijven bevat waarop een maximum gevangenisstraf van minder dan drie jaar is gesteld. Dit betekent volgens de AP dat niet alle misdrijven die een geval voor voorlopige hechtenis betreffen ook een voldoende ernstig strafbaar feit in de zin van de EU-verordeningen opleveren. De AP adviseert de toelichting aan te passen zodanig dat voor wat betreft voorlopige hechtenis in beginsel alleen sprake is van voldoende ernstige feiten als het gaat om de hoofdregel van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld als bedoeld in artikel 67, eerste lid onderdeel a, Sv.

Het advies wordt opgevolgd in die zin dat er niet langer wordt verwezen naar het bovengenoemde artikel. In paragraaf 3.8 over de aangewezen autoriteiten is middels een verwijzing in de voetnoten opgenomen dat de verordeningen verschillen in definiëring en duidelijker uitgelegd om welke ernstige strafbare feiten en terroristische misdrijven het gaat. De verordeningen verwijzen hiervoor allen naar Kaderbesluit 2002/475/JBZ.64 De EES- Etias en VIS-verordening verwijzen daarnaast ook nog naar Richtlijn (EU) 2017/541 als het gaat om terroristische misdrijven.

In de toelichting is middels verwijzing in de voetnoot in paragraaf 3.8 uitgelegd hoe artikel 2, tweede lid, van Kaderbesluit 2002/284/JBZ, waarnaar wordt verwezen in de begripsbepalingen van «ernstige strafbare feiten» is omgezet in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Overleveringswet, die op haar beurt verwijst naar Bijlage 1 van de Overleveringswet waarin een lijst staat. Het gaat om misdrijven waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Ook is in de toelichting in paragraaf 3.8 middels een verwijzing in de voetnoot verklaard dat de transponeringstabel van de richtlijn is vastgelegd in Mededeling implementatie Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PbEU L 88/6), Stcrt. 2018, 67789. Er is gekozen voor verwijzing in de voetnoot in verband met de leesbaarheid van de paragraaf.

De AP adviseert verder om in te gaan op het nut en de noodzaak van een nationale kopie van het C.SIS in het N.SIS vanuit het oogpunt van het beginsel van dataminimalisatie. Nederland heeft bewust gekozen voor het hebben van een gehele kopie van C.SIS in verband met de nationale veiligheid en het in eigen hand houden van de beschikbaarheid van SIS-gegevens aan de grens en voor de opsporing. Naast onderhoud dat eu-LISA pleegt naar het netwerk, blijkt tevens uit de praktijk en cijfers die daarover worden bijgehouden dat eu-LISA niet de beloofde beschikbaarheid kan waarmaken. Daarom hebben ongeveer 25 van de 29 aangesloten landen nog steeds een nationale kopie. Met een nationale kopie wordt bij uitval of niet-beschikbaarheid van C.SIS voorkomen dat in Nederland hits worden gemist Door de wijze waarop het nu in Nederland is georganiseerd met een gehele kopie van C.SIS laat Nederland bijna elke maand een 100% beschikbaarheid zien. Hierbij wordt verwezen naar artikel 6 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking en SIS-verordening grenscontroles waarin de verantwoordelijkheid bij de lidstaten wordt gelegd als het gaat om het waarborgen van de ononderbroken beschikbaarheid van SIS-gegevens voor de eindgebruikers. Het eventueel tijdelijk haperen of uitvallen van het C.SIS kan daarnaast ook grote gevolgen hebben op aanpalende terreinen, zoals de vergelijking van passagiersgegevens (zogeheten PNR en API data) met SIS-gegevens. Dit betekent dat signaleringen van andere lidstaten tijdelijk niet gebruikt kunnen worden in deze processen gericht op voorkoming, opsporing en vervolging van zware criminaliteit en terrorisme, met alle mogelijke schade van dien. De keuze voor het hebben van een nationale kopie is dus nog steeds valide.

Daarnaast doet de AP twee aanbevelingen om respectievelijk de toelichting en het wetsvoorstel aan te passen. Het gaat om de volgens de AP onterechte suggestie dat overheidsinstanties met één loket te maken hebben bij grensoverschrijdende verwerkingen en om een aanpassing van de artikelen over toegangsgerechtigden in SIS. Beide adviezen zijn opgevolgd, met dien verstande dat er niet is gekozen om de term «doorzoeking» op te nemen, maar te verduidelijken dat deze instanties de autoriteiten of instanties zijn als bedoeld in de verordeningen. Daardoor hebben wij de toegangsrechten die de verordeningen aan de betreffende instantie toekennen. Op deze wijze is helder dat het altijd dient te gaan om toegang tot de systemen op de wijze die de verordeningen bepalen en niet anders.

Ten slotte adviseert de AP een evaluatiebepaling op te nemen teneinde – kort samengevat – de nationale keuzes die zijn gemaakt in het kader van de verordeningen, te evalueren op onder meer de effectiviteit en impact op de bescherming van persoonsgegevens.

Hierbij verwijst de AP naar het regeerakkoord uit 2017 waarin het volgende is opgenomen: «Het wetsvoorstel Aanpassing bewaarplicht telecommunicatiegegevens wordt heroverwogen. Hierbij verkent het kabinet in hoeverre het Europese recht ruimte biedt voor een afgewogen bewaarplicht voor bepaalde telecommunicatiegegevens, in het bijzonder voor gegevens die strekken tot identificatie van de gebruiker van een communicatiedienst. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar waarborgen voor de persoonlijke levenssfeer van burgers, beperkte toegang, aangescherpt toezicht, noodzakelijkheid van bewaartermijnen, adequate bescherming en beveiliging van de gegevens en een rapportage- en evaluatieplicht. Alle nieuwe wetgeving waarin gegevensbewaring wordt geregeld ten behoeve van de opsporing van ernstige strafbare feiten zal worden voorzien van passende waarborgen. Ook zal die wetgeving na vijf jaar worden geëvalueerd, waarbij in ieder geval aandacht zal worden besteed aan de effectiviteit en de impact van die wetgeving.» Deze afspraak uit het regeerakkoord 2017 ziet specifiek op eventuele nationale wetgeving waarin gegevensbewaring wordt geregeld ten behoeve van opsporing en vervolging van ernstige strafbare feiten. Het onderhavige wetsvoorstel dient ter nadere operationalisering van diverse EU-verordeningen over grenzen en veiligheid. In deze verordeningen zijn reeds keuzes gemaakt als het gaat om onderwerpen als de toegestane inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, doelen van gegevensverwerking, toegangsgerechtigden, bewaartermijnen en passende waarborgen. Zoals toegelicht in paragraaf 8 bevatten de verordeningen allen een omvangrijke set aan regels over het gegevensbeschermingsrecht, naast de AVG en de RGB. De keuzes in het wetsvoorstel zijn hierbij beperkt. Hier komt bij, zoals de AP ook zelf aangeeft, dat de verordeningen allen uitgebreide rapportage- en evaluatieverplichtingen bevatten, onder meer in het kader van het gebruik van de systemen EES, Etias en VIS voor rechtshandhaving (zie bijvoorbeeld artikel 72, achtste lid, EES-verordening, artikel 78 verordening interoperabiliteit grenzen en veiligheid en visa en artikel 74 verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie. In deze verslagen moet worden ingegaan op elementen zoals (voorbeeld EES):

  • of de raadpleging gebeurde voor identificatie of voor inreis-uitreisnotities, en het soort terroristisch misdrijf of ander ernstig strafbaar feit dat tot de raadpleging heeft geleid;

  • de redenen van het vermoeden dat de betrokken persoon onder de verordening valt;

  • het aantal verzoeken om toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden;

  • het aantal en het soort gevallen waarin toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden heeft geleid tot succesvolle identificaties;

  • het aantal en het soort gevallen waarin gebruik is gemaakt van de spoedprocedure met inbegrip van de gevallen waarin dat dringend karakter door het centrale toegangspunt niet werd aanvaard bij de verificatie achteraf.

Met deze rapportages wordt dus aandacht besteed aan de effectiviteit en impact van de nationale uitvoering van de verordeningen op dit punt. Om die reden wordt een aparte evaluatiebepaling in het wetsvoorstel niet nodig geacht. Wel zal een jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel een invoeringstoets worden gedaan.65 Hoofdvragen van die toets zullen zijn hoe de nationale uitvoeringswet werkt in de praktijk en wat de kwaliteit is van de uitvoering. Tevens zal worden onderzocht hoe de wet uitpakt voor betrokkenen die in de EU-informatiesystemen staan en met wie Nederland te maken krijgt, bijvoorbeeld in het kader van verzoeken om inzage, correctie of het wissen van persoonsgegevens.

10. Inwerkingtreding

Voorgesteld wordt om de inwerkingtreding van bijgaand wetsvoorstel te regelen middels koninklijk besluit dat voor de artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Voor alle verordeningen geldt dat deze 20 dagen na publicatie inwerking treden en inmiddels inwerking zijn getreden, maar voor het overgrote deel zijn de verordeningen pas van toepassing op een datum die door de Commissie wordt vastgesteld in samenspraak met de lidstaten en eu-LISA (het IT-agentschap van de EU), nadat de lidstaten hun technische en juridische implementatiemaatregelen gereed hebben gemeld. Deze zogeheten «entry of operation» zal gefaseerd verlopen. Omdat de definitieve datum van ingebruikname van de systemen en volledige toepassing van de verordeningen van meerdere factoren afhankelijk is, kan in het wetsvoorstel dan ook geen definitieve datum worden opgenomen. Dit zal gefaseerd per systeem plaatsvinden en bij besluit van de Commissie worden vastgesteld.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

Dit artikel bevat de voor het wetsvoorstel benodigde definities.

Artikel 2

Artikel 2 voorziet in een delegatiegrondslag om bij algemene maatregel van bestuur bevoegde autoriteiten aan te wijzen in de zin van de verordeningen. Daarbij geldt dat er verschillende varianten zijn ten aanzien van het aanwijzen van autoriteiten. Dit kwam ten algemene ook in paragraaf 3.1. aan bod.

Eerste lid

Ten aanzien van de autoriteiten of instanties die genoemd worden in de verordeningen geldt dat daarin een aantal varianten zijn ten aanzien van de rollen die deze autoriteiten of instanties hebben met betrekking tot de systemen die de verordeningen reguleren. Een aantal autoriteiten is bevoegde autoriteit in die zin dat zij de autoriteiten zijn die vanwege hun taak gegevens in de systemen de invoeren. Een voorbeeld betreft in het geval van EES de grensautoriteiten die het persoonlijke dossier aanmaken en de inreis- en uitreisnotitie invoeren. Daarnaast zijn er autoriteiten die vanwege de taken die zij hebben de systemen kunnen raadplegen en in voorkomend geval gegevens dienen toe te voegen aan het in het systeem aangemaakte dossier. Zo geldt bijvoorbeeld bij EES dat in specifieke gevallen de immigratieautoriteiten en de visumautoriteiten gegevens in het systeem dienen in te voeren. Deze autoriteiten hebben vaak een rol ten aanzien van een van de andere systemen waarbij door interoperabiliteit er samenhang is tussen de systemen. Tot slot kan er zijn voorzien in het raadplegen van systemen door autoriteiten of instanties die vanwege de taken die zij uitvoeren voor andere doeleinden in bepaalde gevallen de systemen mogen raadplegen. Voor het raadplegen van de systemen voor rechtshandhavingsdoeleinden geldt dat dit separaat is geregeld voor aangewezen autoriteiten na toestemming van het centraal toegangspunt. Zie over dit punt de artikelen 3 en 4 hierna. Naast dit voorbeeld is er nog een beperkt aantal andere autoriteiten die de systemen mogen raadplegen voor specifieke taken. Een voorbeeld betreffen de kinderbeschermingsautoriteiten en nationale gerechtelijke autoriteiten die op grond van de herzieningsverordening VIS (artikel 22 octodecies) bij de uitoefening van hun taken een autoriteit met toegang tot het VIS om toegang tot die gegevens kunnen verzoeken.

Voor alle bovengenoemde varianten geldt dat de verordeningen de rechten regelen die deze autoriteiten of instanties hebben ten aanzien van de systemen. Daarbij geldt dat voor de autoriteiten die niet de primaire invoerders van de dossiers zijn dit geregeld is door middel van een hit/no-hit regeling waarbij pas na een hit er verdere toegang tot het systeem mogelijk is. Op grond van het eerste lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur dan ook de autoriteiten of instanties aangewezen worden die gelet op de taakomschrijving die de verordeningen geven de autoriteiten zijn die deze taken op grond van het nationale recht verrichten. Op deze wijze wordt een duidelijke koppeling gelegd tussen autoriteiten die op grond van het nationale recht een taak verrichten en om die reden ook de rollen gaan vervullen die de verordeningen toekennen aan de autoriteiten die op grond van het nationale recht deze taken hebben. Zoals aan bod kwam in paragraaf 3.1 is dat niet in alle gevallen noodzakelijk waar in het nationale recht deze koppeling tussen nationale taken en autoriteiten genoemd in de verordening reeds is gelegd.

Voor de bovengenoemde systematiek is gekozen vanwege het belang van kenbaarheid en rechtszekerheid en mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het wetsvoorstel van wet houdende tijdelijke regels ter uitvoering van de SIS-verordening grenscontroles en de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.66 Conform het advies van de Afdeling advisering gebeurt dat op het niveau van een amvb. Voor een uitgebreide toelichting op de autoriteiten en instanties die het betreft wordt verwezen naar paragraaf 3, 4.5, 4.6 en 5.3.

Tweede lid

Zoals toegelicht in het algemeen deel gaat het alleen in het geval van de nationale Etias-eenheid en de «aangewezen VIS-autoriteit» om nieuwe taken waarbij alleen in het geval van de nationale Etias-eenheid ook sprake is van een nieuw systeem. Voor de nationale Etias-eenheid geldt dat dit vanwege het feit dat het gaat om een nieuw systeem en een nieuw aan te wijzen autoriteit dit in een apart artikel is ondergebracht. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 10, onderdeel B. Voor de grondslag voor het aanwijzen van de «aangewezen VIS-autoriteit» geldt dat dit is opgenomen in artikel 2, tweede lid, nu het hier gaat om een bestaand systeem.

Artikel 3 en 4

Artikel 3 regelt de aanwijzing van de «aangewezen autoriteiten», zoals ten algemene in paragraaf 3.8 aan bod kwam. Deze aangewezen autoriteiten kunnen onder de voorwaarden van de verordening toegang krijgen tot de systemen van Eurodac, VIS, EES en Etias in verband met rechtshandhavingsdoeleinden. Zoals al aan bod kwam in het algemeen deel van deze toelichting geldt voor Eurodac en VIS dat deze mogelijkheid al bestond. Dit wordt nu uitgebreid ten aanzien van de nieuwe systemen EES en Etias.

Artikel 29, eerste lid, van de EES-verordening verplicht de lidstaten tot het aanwijzen van de autoriteiten die bevoegd zijn de EES-gegevens te raadplegen om terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken. Artikel 50, eerste lid, van de Etias-verordening bevat een gelijkluidende bepaling ten aanzien van het aanwijzen van de autoriteiten die bevoegd zijn om met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten, te verzoeken om raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens. Een ernstig strafbaar feit wordt in artikel 3, eerste lid, onderdeel 25, van de EES-verordening gedefinieerd als een strafbaar feit dat overeenkomt met of gelijkwaardig is aan een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, indien het volgens het nationale recht strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximumduur van ten minste drie jaar. Ten aanzien van «terroristisch misdrijf» geldt op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel 24, EES-verordening, dat dit een strafbaar feit naar nationaal recht is dat overeenkomt met of gelijkwaardig is aan een van de strafbare feiten, bedoeld in de artikelen 1 tot en met 4 van richtlijn (EU) 2017/541. De Eurodac-verordening en de VIS-verordening, bevatten bepalingen vergelijkbaar met die van de EES-verordening en de Etias-verordening (zie de artikelen 5 en 6 van de Eurodac-verordening en artikel 3 van de huidige VIS-verordening en artikel 22 terdecies, eerste en derde lid, van de VIS-verordening na doorvoering van de herzieningsverordening VIS).

Voor alle systemen geldt dat met opsporing belaste ambtenaren om toegang kunnen verzoeken. In artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering zijn de ambtenaren aangewezen die met de opsporing van strafbare feiten belast zijn. In de onderdelen b tot en met d van dit artikel zijn opgenomen:

  • de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012;

  • de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder c en d, van die wet, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;

  • de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke Marechaussee;

  • de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.

Onderdeel a van artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering belast de officieren van justitie met de opsporing. De officier van justitie heeft echter een andere rol in het kader van de toegang voor wetshandhaving tot het EES, Etias, Eurodac en VIS, namelijk om te toetsen of aan de materiële voorwaarden voor toegang is voldaan. Om die reden wordt de officier niet aangewezen als «aangewezen autoriteit».

Met artikel 4 wordt de aanwijzing van het «centraal toegangspunt» geregeld. Hierop is ten algemene in paragraaf 3.9 ingegaan. Met het eerste lid wordt geregeld dat de officier van justitie deze rol gaat vervullen. In het tweede lid is vastgelegd dat de officier van justitie dit in volledige onafhankelijkheid doet. Daarbij geldt zoals beschreven in paragraaf 3.9 dat er ook organisatorisch een scheiding is doordat binnen het Team Internationaal geen eigen, nationale onderzoeken worden gedaan.

Artikel 5

Artikel 39, eerste lid, van de EES-verordening, verplicht iedere lidstaat om voor de verwerking van persoonsgegevens in het EES de autoriteit aan te wijzen die moet worden beschouwd als de voor de verwerking verantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de AVG die de centrale verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking in die lidstaat draagt.

Artikel 29, vierde lid, van de VIS-verordening, verplicht eveneens iedere lidstaat om voor de verwerking van persoonsgegevens in het VIS de autoriteit aan te wijzen die moet worden beschouwd als de voor de verwerking verantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de AVG die de centrale verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking in die lidstaat draagt.

Met bijgaand artikel wordt een grondslag gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur de verwerkingsverantwoordelijke aan te wijzen.

Artikel 6

Zoals toegelicht in paragraaf 8.2 van de toelichting dient dit artikel ter uitvoering van artikel 42 van de SIS-verordening grenscontroles en artikel 57 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Het artikel geeft regels over het bewaren van gegevens uit het Schengeninformatiesysteem in nationale informatiesystemen. Ter uitvoering van een bij een signalering uit het Schengeninformatiesysteem gevraagde actie mogen gegevens uit het Schengeninformatiesysteem worden verwerkt in nationale informatiesystemen. De bewaartermijn voor die gegevens in een nationaal informatiesysteem is ten hoogste drie jaar, tenzij in een specifieke bepaling van nationaal recht een langere bewaartermijn is vastgesteld. Bij onderhavig artikel wordt voorgesteld de bewaartermijn in geval van gegevensverwerking ten behoeve van RGB-doelen gelijk te stellen aan de bewaartermijn die geldt voor andere gegevens die voor datzelfde doel worden verwerkt in een nationaal informatiesysteem.

Een voorbeeld: de politie treft bij de uitvoering van haar taak een persoon aan. Bij raadpleging van het Schengeninformatiesysteem blijkt dat in dat systeem een signalering bestaat gericht op die persoon. De signalering behelst een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een andere lidstaat van de Europese Unie. Ter uitvoering van dat Europees aanhoudingsbevel verzamelt de politie relevante gegevens. Die gegevens zijn afkomstig uit het Schengeninformatiesysteem, nationale informatiesystemen, en andere specifiek voor de aanhouding door de politie verzamelde gegevens. De politie verzamelt die gegevens in één registratie in een nationaal informatiesysteem. De grondslag voor het verwerken van die gegevens in de Wpg is afhankelijk van het doel waarvoor de SIS-gegevens worden verwerkt. Op grond van de Wpg gelden er verschillende termijnen voor het wissen van gegevens. Bijvoorbeeld bij gebruik van de gegevens in een opsporingsonderzoek is artikel 9, vierde lid, van de Wpg van toepassing, dat bepaalt dat gegevens worden verwijderd indien zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van het onderzoek. In geval van verwerking voor de dagelijkse politietaak geldt op grond van artikel 8 van de Wpg een maximale bewaartermijn van vijf jaar.

De uitzondering doet niets af aan de noodzaak om gegevens uit het Schengeninformatiesysteem die worden verwerkt in een nationaal informatiesysteem te voorzien van een specifieke aanduiding. Ten aanzien van die gegevens gelden immers afwijkende regels ten opzichte van andere gegevens die worden verwerkt in een nationaal informatiesysteem. Zo geldt een vrijwel absolute geheimhoudingsplicht, waardoor gegevens afkomstig uit het Schengeninformatiesysteem vrijwel nooit aan derden kunnen worden verstrekt. De geheimhoudingsplicht blijft immers te allen tijde op gegevens afkomstig uit het Schengeninformatiesysteem rusten.

Artikel 7

Dit artikel is toegelicht in paragraaf 8.2 van de toelichting en dient ter uitvoering van artikel 11 van de SIS-verordening grenscontroles (tevens van toepassing op de SIS-verordening terugkeer) en artikel 11 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Deze artikelen verplichten lidstaten – in overeenstemming met hun nationaal recht – de voorschriften inzake het beroepsgeheim of een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht toe te passen. Dit artikel introduceert die geheimhoudingsplicht specifiek bedoeld voor SIS-verwerkingen in het RGB-domein.

Gelijk aan de geheimhoudingsplichten, bedoeld in artikel 7 van de Wpg en artikel 52 van de Wjsg, is artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing. Het gevolg daarvan is dat een schending van de geheimhoudingsplicht, indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, niet slechts wordt vervolgd op diens klacht.

Artikel 8

In paragraaf 5.2 is toegelicht dat op grond van artikel 17 van de verordeningen interoperabiliteit het gemeenschappelijk identiteitsregister, CIR, tot stand wordt gebracht. Hierin wordt een afzonderlijk bestand met gegevens aangelegd voor elke persoon die staat geregistreerd in het EES, VIS, Etias, Eurodac of ECRIS-TCN. Dat zijn onder meer personalia, reisdocumentgegevens en biometrische gegevens (vingerafdrukgegevens en gezichtsopnamen). Het doel is de correcte identificatie van geregistreerde personen te vergemakkelijken. Het CIR neemt een deel van de gegevens van de individuele informatiesystemen over, maar houdt rekening met de noodzaak tot het compartimenteren van de gegevens op grond van het doel (het systeem) waarvoor ze zijn verstrekt. Het CIR bevat bovendien referenties naar de centrale EU-informatiesystemen waar de gegevens toe behoren. Het CIR dient er ten eerste voor de werking van de MID te ondersteunen en beoogt ten tweede de toegang van rechtshandhavingsinstanties tot onderliggende systemen te vergemakkelijken wanneer dat nodig is voor de preventie, de opsporing of het onderzoek van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten. Het derde doel van het CIR is optioneel. Dit betreft het vergemakkelijken en bevorderen van correcte identificatie van mensen die zijn geregistreerd in de bovenstaande EU-informatiesystemen. Artikel 20 van de verordeningen interoperabiliteit bevat hiervoor twee nationale keuzemogelijkheden, waarvan wordt voorgesteld ze beide te gebruiken.

Het artikel maakt het mogelijk dat het CIR met biometrische gegevens wordt doorzocht met het oog op identificatie. Het onderscheidt hiervoor twee categorieën gevallen:

  • toegang tot het CIR voor identificatie in het kader van het voorkomen en bestrijden van illegale immigratie en, kort gezegd, in het kader van rechtshandhaving (artikel 20, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de verordeningen interoperabiliteit met verwijzing naar de doelstellingen van artikel 2, eerste lid onder b en c, van de verordeningen interoperabiliteit);

  • toegang tot het CIR voor identificatie in het kader van een natuurramp, ongeval of terroristische aanslag (artikel 20, vierde en zesde lid, van de verordeningen interoperabiliteit).

Toegang in verband met illegale immigratie en rechtshandhaving (artikel 20, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de verordeningen interoperabiliteit)

In verband met illegale immigratie en rechtshandhaving beperkt artikel 20, eerste lid, van de verordeningen interoperabiliteit het toegangsrecht tot het CIR tot vijf duidelijk omschreven omstandigheden. Deze komen er samengevat op neer dat iemand niet valt te identificeren vanwege een ontbrekend of twijfelachtig document, twijfel over verstrekte identiteitsgegevens of onmogelijkheid of onwil om mee te werken. Omdat de verordening hier zelf duidelijk over is, worden die omstandigheden niet in het wetsvoorstel overgeschreven: de voorwaarden van het eerste lid werken rechtstreeks door in de nationale rechtsorde. Dit geldt ook voor de regel uit de verordening dat zulke zoekopdrachten in het CIR niet zijn toegestaan bij kinderen jonger dan twaalf jaar, tenzij dit in het belang van het kind is. Dit geldt ook voor artikel 20, tweede lid, van de verordeningen interoperabiliteit, dat bepaalt dat indien één van de vijf omstandigheden zich voordoet, een politieautoriteit het CIR kan doorzoeken aan de hand van de bij een identiteitscontrole ter plaatse genomen biometrische gegevens van een persoon. Dit mag volgens die bepalingen alleen gebeuren met het oog op de identificatie van die persoon en mits de procedure in aanwezigheid van die persoon is gestart.

Als de zoekopdracht uitwijst dat in het CIR gegevens over die persoon zijn opgeslagen, krijgt de politieautoriteit toegang om de in de onderliggende systemen opgenomen persoonsgegevens te raadplegen. Artikel 20, derde lid, van de verordeningen interoperabiliteit bepaalt dit. Het bepaalt ook dat wanneer de biometrische gegevens van de persoon niet kunnen worden gebruikt of wanneer het zoeken aan de hand van die gegevens geen resultaat oplevert, wordt gezocht aan de hand van de identiteitsgegevens van de persoon in combinatie met reisdocumentgegevens, of aan de hand van de door die persoon verstrekte identiteitsgegevens.

Lidstaten die gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot doorzoeking in verband met illegale immigratie en rechtshandhaving, stellen daartoe wetgeving vast, rekening houdend met de noodzaak om elke discriminatie van onderdanen van derde landen te vermijden (artikel 20, vijfde lid, van de verordeningen interoperabiliteit). Bepaald moet worden welke specifieke doelstellingen met de identificatie worden nagestreefd in het kader van het voorkomen en bestrijden van illegale immigratie, en de veiligheid. Ook moeten de bevoegde politieautoriteiten worden aangewezen en de procedures, voorwaarden en criteria voor deze controles worden vastgelegd.

Hiertoe strekt artikel 8, eerste tot en met derde lid, van het wetsvoorstel. In die bepalingen wordt steeds aangesloten bij bestaande Nederlandse wetgeving op grond waarvan afgenomen biometrische kenmerken kunnen worden vergeleken met opgeslagen biometrische gegevens. Het wetsvoorstel geeft geen extra afnamebevoegdheid. Het maakt het alleen mogelijk om biometrische gegevens die al op grond van bestaand recht mogen worden afgenomen, niet alleen te vergelijken met bestaande nationale systemen, maar ook met het CIR, mits dat overeenkomstig de verordeningen ter plaatse gebeurt, de procedure in aanwezigheid van betrokkene start en de omstandigheden daartoe aanleiding geven (te weten, samengevat: uitblijvende identificatie door een ontbrekend of twijfelachtig document, twijfel over verstrekte identiteitsgegevens of onmogelijkheid of onwil om mee te werken).

De keuze van de regering om toegang tot het CIR mogelijk te maken voor identificatie past bij haar in paragraaf 1 van de toelichting verwoorde afspraken en ambities op het terrein van migratie, veiligheid en digitalisering. De consequenties van geen of foute identificatie kunnen groot zijn. Een onbekende of twijfelachtige identiteit geeft immers risico op verkeerde straf- of vreemdelingenrechtelijke beslissingen. De keerzijde van foute identificatie kan bovendien zijn dat iemand anders, wiens identiteit abusievelijk wordt gebruikt, negatieve gevolgen ondervindt. Als een zoekslag in het CIR ertoe kan bijdragen om bij twijfel of onmogelijkheid te identificeren vergissingen, anonimiteit of identiteitsfraude tegen te gaan, dienen de mogelijkheden te worden aangegrepen die het EU-recht daarvoor biedt. In het voorgestelde artikel 8, eerste lid, worden, zoals de verordeningen vereisen, de doelstellingen gespecificeerd. Wat artikel 8, eerste lid, onderdeel a van het wetsvoorstel betreft is voor de specificatie van de doelstellingen aangesloten bij de in 2014 tot stand gebrachte wetgeving waarbij het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen is uitgebreid in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling.67 Wat artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van het wetsvoorstel betreft is voor de specificatie van de doelstellingen aangesloten bij de in 2010 in werking getreden Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen.68 De considerans van die wet luidt dat het wenselijk is een juiste, betrouwbare en zorgvuldige vaststelling van de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen in de strafrechtsketen te verbeteren en te versterken. Aangezien van getuigen naar huidig Nederlands recht geen biometrische gegevens kunnen worden vergeleken met nationaal opgeslagen biometrische gegevens, strekt het wetsvoorstel er niet toe hiervoor toegang tot het CIR mogelijk te maken. Toegang wordt, onder de in de verordening en het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, dus alleen mogelijk om identificatie van verdachten en veroordeelden zeker te stellen.

Voor de procedures, voorwaarden en criteria wordt eveneens aangesloten bij de genoemde wetgeving. Gaat het om de vaststelling van de identiteit van vreemdelingen, dan bevat artikel 106a, eerste lid, laatste zin, van de Vreemdelingenwet 2000 een bevoegdheid een gezichtsopname en vingerafdrukken te vergelijken met de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie. Die bevoegdheid wordt verder in dat artikel ingekaderd. Op grond van het vierde lid van dat artikel geldt zij bijvoorbeeld niet ten aanzien van gemeenschapsonderdanen en vreemdelingen die behoren tot een bij algemene maatregel aangewezen categorie. Voorgesteld wordt daarbij aan te sluiten (artikel 8, eerste lid, van het wetsvoorstel). Mag een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht van vreemdelingen op grond van artikel 106a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een vergelijking van biometrische gegevens maken met de vreemdelingenadministratie, dan wordt ook bevraging van het CIR mogelijk, indien zekere identificatie uitblijft door de omstandigheden die artikel 20, eerste lid, van de verordeningen interoperabiliteit noemt (een ontbrekend of twijfelachtig document, twijfel over verstrekte identiteitsgegevens of onmogelijkheid of onwil om mee te werken).

Gaat het om de vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden in de strafrechtsketen, dan bevat de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen twee belangrijke bepalingen voor de vergelijking van afgenomen biometrische gegevens met opgeslagen biometrische gegevens. Dit zijn artikel 55c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 27a, tweede lid, Sv. Dit laatste artikel is een algemene bepaling over het vergelijken van vingerafdrukken om de identiteit vast te stellen, waarnaar wordt verwezen in artikelen die de diverse delen van de strafrechtketen reguleren. Bij de totstandbrenging van die wet is afgewogen of het opportuun is de vergelijking met opgeslagen biometrie te maken en welke autoriteiten dat onder welke omstandigheden mogen doen. In artikel 8, derde lid, wordt voorgesteld daarbij aan te sluiten wat betreft het – onder de voorwaarden die artikel 20 van de verordeningen interoperabiliteit en dit wetsvoorstel stellen – ter identificatie mogen raadplegen van het CIR. Zo geeft artikel 55c, tweede lid, laatste zin, Sv een bevoegdheid aan bepaalde opsporingsambtenaren om afgenomen vingerafdrukken te vergelijken met opgeslagen vingerafdrukken met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden of wordt verhoord wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten of, op bevel van de (hulp)officier van justitie, van een andere verdachte over wiens identiteit twijfel bestaat69. Voorgesteld wordt om ook bevraging van het CIR mogelijk te maken, indien zekere identificatie uitblijft door de omstandigheden die artikel 20, eerste lid, van de verordeningen interoperabiliteit noemt (een ontbrekend of twijfelachtig document, twijfel over verstrekte identiteitsgegevens of onmogelijkheid of onwil om mee te werken). Dit geldt ook in de situaties waarin de bevoegdheid van artikel 27a, tweede lid, Sv, mag worden gebruikt om afgenomen vingerafdrukken met opgeslagen vingerafdrukken te vergelijken. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een verdachte of een opgeëiste persoon ter zitting verschijnt en de rechtbank twijfelt over zijn identiteit (artikel 273, eerste lid, Sv en artikel 26, eerste lid, tweede zin, van de Overleveringswet) of wanneer celmateriaal moet worden afgenomen van een veroordeelde (artikel 4, derde lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden). Voor de beginselenwetten bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen geldt dat niet wordt verwezen naar artikel 27a, tweede lid Sv. Om die reden zijn de betreffende artikelen apart opgesomd in het derde lid van artikel 8 van het wetsvoorstel.

Voor de aangewezen bevoegde politieautoriteiten ten slotte wordt eveneens aangesloten bij bestaande wetgeving. Politieautoriteiten zijn volgens artikel 4, punt 19, van de verordeningen interoperabiliteit de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 3, punt 7, van Richtlijn (EU) 2016/680, en die bepaling is geïmplementeerd in artikel 1, onder l, van de Wet politiegegevens en artikel 1, onder v, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.70

Toegang in verband met een natuurramp, ongeval of terroristische aanslag (artikel 20, vierde en zesde lid, van de verordeningen interoperabiliteit)

Ook in verband met een natuurramp, ongeval of terroristische aanslag beperkt artikel 20 van de verordeningen interoperabiliteit het toegangsrecht tot het CIR tot duidelijk omschreven situaties. Op grond van het vierde lid van die bepalingen is doorzoeking van het CIR aan de hand van biometrische gegevens aan een politieautoriteit in dat verband uitsluitend toegestaan met het oog op de identificatie van onbekende personen die niet in staat zijn om zichzelf te legitimeren of de identificatie van niet-geïdentificeerde stoffelijke overschotten. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de verordeningen en wordt daarom niet in het wetsvoorstel overgeschreven. Wel moeten lidstaten die gebruik wensen te maken van deze mogelijkheid, wetgeving vaststellen met procedures, voorwaarden en criteria (artikel 20, zesde lid, van de verordeningen interoperabiliteit). Hiertoe strekt artikel 8, vierde lid, van het wetsvoorstel. Ook hier is aangesloten bij bestaande bevoegdheden in de nationale wet- en regelgeving. De foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid van artikel 55c Sv, kunnen op grond van het vierde lid ook worden verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk. Daarnaast bevat artikel 21, vierde lid, van de Wet op de lijkbezorging de mogelijkheid voor de burgemeester om biometrische gegevens te laten afnemen met het oog op de opsporing en identificatie van vermiste personen bij bijvoorbeeld ongevallen zonder strafrechtelijke toedracht of natuurrampen. Die bepaling is niet van toepassing indien het de burgemeester bekend is dat daarin genoemde handelingen reeds in opdracht van de officier van justitie hebben plaatsgevonden. Ten slotte is het in het kader van de hulpverleningstaak mogelijk om biometrie af te nemen en wordt voorgesteld dan eveneens vergelijking met het CIR mogelijk te maken. Uiteraard moet het dan wel gaan om hulpverlening bij een natuurramp, een ongeval of terroristische aanslag.

Artikel 9

Het verwerken van politiegegevens en strafvorderlijke gegevens ter uitvoering van de EES-verordening, de Etias-verordening, de SIS-verordening grenscontroles, de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, de verordeningen interoperabiliteit en de VIS-verordening valt onder de reikwijdte van de Wet politiegegevens respectievelijk de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Het gevolg daarvan is dat het bepaalde in die wetten over onder meer de bevoegdheden van de AP ook van toepassing is op het verwerken van politiegegevens en strafvorderlijke gegevens ter uitvoering van de genoemde verordeningen. Zo kan de AP op grond van artikel 35c, eerste lid, van de Wet politiegegevens de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker waarschuwen, een last onder bestuursdwang opleggen, in bepaalde gevallen een bestuurlijke boete opleggen, een advies verstrekken aan de verwerkingsverantwoordelijke naar aanleiding van een voorafgaande raadpleging, en de verwerkingsverantwoordelijke verplichten een inbreuk te melden aan de betrokkene. Op grond van artikel 27, vierde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens kan de AP die bevoegdheden uitoefenen in verhouding tot het verwerken van, voor zover in dit verband relevant, strafvorderlijke gegevens.

Onderhavig artikel regelt de bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen indien de verwerkingsverantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen is bepaald in artikel 41 van de EES-verordening, artikel 65 van de Etias-verordening, artikel 50 van de SIS-verordening grenscontroles, artikel 65 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, artikel 50 van de verordeningen interoperabiliteit en artikel 31 van de VIS-verordening. In genoemde artikelen staat een verbod op de doorgifte aan derde landen of ter beschikkingstelling aan internationale organisaties van in het SIS verwerkte gegevens en de desbetreffende aanvullende informatie die overeenkomstig de verordening is doorgegeven.

De bestuurlijke boete die kan worden opgelegd is ten hoogste het bedrag van de geldboete van de vijfde categorie. Met deze hoogte is aangesloten bij de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Een bestuurlijke boete kan op grond van de Wet politiegegevens of Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens worden opgelegd voor ten hoogste het bedrag van de geldboete van de vijfde of zesde categorie. Bij de implementatie van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging heeft de wetgever ervoor gekozen normschendingen die betrekking hebben op de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke te verbinden aan een geldboete van ten hoogste de vijfde categorie, en normschendingen die betrekking hebben op de rechten van de betrokkene te verbinden aan een geldboete van ten hoogste de zesde categorie.71 Het verbod op doorgifte of ter beschikkingstelling van artikel 50 van de SIS-verordening grenscontroles, artikel 19 van de SIS-verordening terugkeer juncto artikel 50 van de SIS-verordening grenscontroles en artikel 65 van de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken is opgenomen in respectievelijk hoofdstuk VIII en hoofdstuk XV van deze verordeningen, die betrekking hebben op algemene voorschriften inzake gegevensbescherming. Het gaat hierbij niet specifiek over de rechten van de betrokkene. Een bestuurlijke boete van ten hoogste de vijfde categorie wordt een doelbetreffende, evenredige en afschrikkende sanctie geacht. Voor de andere verordeningen is hierbij aangesloten.

Artikel 10, onderdelen A en E

Onderdeel A

In artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 worden een aantal wijzigingen in de definitiebepalingen voorgesteld met onderdeel A.

De wijzigingen in onderdeel A, onder 1, zien op de definitie van de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens. Deze definitie is relevant in verband met artikel 106a, waarin thans een bevoegdheid is opgenomen om – voor zover op grond van de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens geen gezichtsopname of vingerafdrukken kunnen worden afgenomen en verwerkt – van een vreemdeling een gezichtsopname en tien vingerafdrukken af te nemen en te verwerken ten behoeve van het vaststellen van de identiteit met het oog op de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000.

Wat onder Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens moet worden verstaan is gedefinieerd in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 door de opsomming van de aldaar opgenomen verordeningen. Artikel 106a biedt daarmee de mogelijkheid om een gezichtsopname en vingerafdrukken af te nemen en te verwerken indien dit al niet mogelijk of verplicht is op grond van een Europese verordening die betrekking heeft op biometrische gegevens. Immers, indien de bevoegdheid al gebaseerd kan worden op een Europese verordening, is vanwege de rechtstreekse werking een nationale grondslag niet toegestaan. Artikel 106a is dan ook aanvullend ten opzichte van de bevoegdheden ten aanzien van deze gegevens in de in artikel 1 opgenomen verordeningen.

Met bijgaand wetsvoorstel wordt aan de definitie in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 van «Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens» de EES-verordening toegevoegd nu op basis van die verordening biometrische gegevens dienen te worden afgenomen. Onder meer de VIS-verordening en de Eurodac-verordening waren al om diezelfde reden in deze opsomming opgenomen. De verwijzing naar de VIS-verordening wordt geactualiseerd naar de benaming van de verordening zoals deze komt te luiden met de herzieningsverordening VIS. Met de toevoeging van de EES-verordening aan de definiëring verandert het toepassingsbereik van artikel 106a omdat met de invoering van de verordeningen van onderhavig wetsvoorstel er meer verordeningen zijn die het afnemen en verwerken van dergelijke biometrische gegevens omvatten. De reikwijdte van artikel 106a wordt met bijgaand wetsvoorstel dan ook aanzienlijk versmald. Het aanpassen of volledig schrappen van artikel 106a is vooralsnog echter te voorbarig omdat er gevallen blijven bestaan waarin de afname van biometrie niet gebaseerd kan worden op één van de verordeningen betrekking hebbende op biometrische gegevens.

Onder punt 2 van onderdeel A worden met bijgaand wetsvoorstel een aantal definities toegevoegd in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000, waaronder de definitie van de Etias-verordening en van het begrip reisautorisatie. Daarbij wordt aangesloten bij de definitie als opgenomen in artikel 3, eerste lid, onder 5 van de Etias-verordening. Volgens deze bepaling is een «reisautorisatie» een overeenkomstig die verordening afgegeven beslissing die is vereist voor onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van die verordening om te voldoen aan de toegangsvoorwaarde van artikel 6, lid 1, onder b), van de SGC.

Onderdeel E

Zoals weergegeven in paragraaf 7.2 geldt dat het nationaal verwerken van gegevens die verwerkt worden op grond van de verordeningen noodzakelijk kan zijn om uitvoering te kunnen geven aan verplichtingen die uit de verordeningen voortvloeien, met name op het terrein van rechtsbescherming. Ten aanzien van de verwerkingsgrondslag geldt dat deze in feite al uit de verordeningen voortvloeit, omdat op andere wijze geen uitvoering kan worden gegeven aan de verplichtingen van de verordeningen. Om echter de verhouding tot de vreemdelingenadministratie te verduidelijken en te voorkomen dat een belemmering in deze verwerking voortvloeit uit het huidige artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000, wordt deze op drie manieren gewijzigd.

Met de voorgestelde wijziging van het eerste lid, wordt verduidelijkt dat de vreemdelingenadministratie gegevens kan bevatten die zijn verwerkt op grond van de in de opsomming in de subonderdelen genoemde verordeningen. Dit betekent overigens niet dat verwerkingen van persoonsgegevens die plaatsvinden op grond van deze verordeningen uitsluitend in de vreemdelingenadministratie kunnen worden opgenomen. Zoals toegelicht in paragraaf 7.2 zijn er verschillende nationale systemen relevant om uitvoering te kunnen geven aan de verordeningen. Het gaat hier niet om verwerkingen in de Europese systemen, maar om nationale verwerkingen die gerelateerd zijn aan gegevens uit de verordeningen op een specifiek terrein, zoals bijvoorbeeld een terugkeerbesluit genomen op basis van de Vreemdelingenwet 2000 die samenhangt met een signalering in SIS. Een ander voorbeeld betreft de gegevens die nodig zijn om een ingediend bezwaar tegen een geweigerde reisautorisatie te kunnen behandelen. Deze wijziging staat dan ook los van andere systemen zoals bijvoorbeeld N.SIS of de verantwoordelijkheid ten aanzien van de Europese systemen.

Met de wijziging van het tweede lid van artikel 107 wordt verduidelijkt dat het doel van de verwerking van deze gegevens in de vreemdelingenadministratie de uitvoering van verplichtingen voortvloeiende uit deze verordeningen betreft, in overeenstemming met de desbetreffende verordening, voor zover dat noodzakelijk is in verband met een besluit van Onze Minister en eventuele daarmee samenhangende procedures in rechte. Met de toevoeging van «een besluit van Onze Minister en daarmee samenhangende procedures in rechte» wordt verduidelijkt dat het gaat om een specifieke categorie waarvoor deze grondslag noodzakelijk is. Voorbeelden betreffen de weigering van toegang op grond van EES vormt een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat. De gegevens die in EES staan betreffen niet een momentopname maar worden geactualiseerd. Voor juridische procedures is van belang dat de gegevens beschikbaar zijn op basis waarvan het besluit werd genomen. Ook als er bijvoorbeeld op grond van artikel 48 van de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa een verzoek wordt gedaan tot rectificatie of wissing van persoonsgegevens in het MID (in verband met bijvoorbeeld een verschil in persoonsgegevens tussen ETIAS en EES) kan het noodzakelijk zijn een besluit te nemen als bedoeld in artikel 48 van die verordening (zie hierover paragraaf 7.2). Ten aanzien van de voorwaarden van de verordeningen geldt dat een aantal verordeningen specifieke voorwaarden bevatten ten aanzien van de nationale opslag van gegevens. Deze voorwaarden blijven uiteraard toepasselijk indien uit de Europese systemen verwerkte gegevens nationaal worden opgeslagen. Daarnaast geldt dat niet van de doelbinding van de verordeningen kan worden afgeweken. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat EES-gegevens worden gebruikt in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (artikel 107, vierde lid), aangezien de doelstelling van deze wet niet onder de doelen van de EES-verordening valt.

In het overzicht dat na de toelichting op de derde wijziging volgt, is per verordening opgenomen of de verordening eisen stelt aan de nationale verwerking, waaronder bewaartermijnen. In de Vreemdelingencirculaire en in werkinstructies zullen tevens deze maximale termijnen worden opgenomen, teneinde te waarborgen dat deze worden nageleefd. Indien de betreffende verordeningen geen regels bevatten omtrent bewaartermijnen geldt dat het algemene kader van de AVG van toepassing is (niet langer dan noodzakelijk), waarbij de bewaartermijn van gegevens in de Europese informatiesystemen zelf een belangrijke leidraad biedt.

De derde wijziging in artikel 107 ziet tot slot op de wijziging van het vijfde lid waarmee wordt geregeld dat gegevens uit de vreemdelingenadministratie verwerkt kunnen worden in de Europese systemen indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van een in een van de verordeningen opgenomen verplichting.

Verordening

Soort gegevens

Mogelijkheden nationale opslag

EES-verordening

Biometrie en alfanumeriek

Door NL zelf ingevoerde alfanumerieke gegevens: niet langer bewaren dan in EES (artikel 34)

Door NL geraadpleegde gegevens niet langer bewaren dan in het individuele geval noodzakelijk (artikel 28)

Etias-verordening

Geen biometrie, alleen alfanumeriek

Verordening bevat geen bepalingen ten aanzien van het nationaal opslaan van gegevens. De bewaartermijn van gegevens in het Etias zelf is over het algemeen vijf jaar

SIS-verordening grenscontroles

Biometrie en alfanumeriek

Door NL zelf ingevoerde gegevens niet langer dan noodzakelijk (artikel 42, tweede lid). De bewaartermijn van gegevens in het SIS zelf is over het algemeen vijf jaar.

Door NL geraadpleegde gegevens wanneer actie is ondernomen op het grondgebied van NL: drie jaar tenzij een langere bewaartermijn is vastgesteld (artikel 42, eerste lid)

Eurodac-verordening

Biometrie en alfanumeriek

Door NL zelf ingevoerde gegevens (artikel 1, derde lid). De verordening bevat geen bewaartermijn. De bewaartermijn van gegevens in het Eurodac zelf is over het algemeen tien jaar.

VIS-verordening

Biometrie en alfanumeriek

Door NL zelf ingevoerde gegevens (artikel 30, tweede lid): de verordening zelf bevat geen bewaartermijn. De bewaartermijn van gegevens in het VIS zelf is over het algemeen maximaal vijf jaar (artikel 23, eerste lid), m.u.v. de biometrische gegevens

van kinderen jonger dan 12 jaar die worden gewist zodra het visum, het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning is verlopen en, in het geval van een visum, het kind is uitgereisd (artikel 23, derde lid).

Door NL geraadpleegde gegevens: niet langer dan noodzakelijk (artikel 30, eerste lid)

Verordeningen interoperabiliteit

De componenten ESP, sBMS, CIR en MID van interoperabiliteit gaan uit van gegevens die zijn verwerkt op grond van de onderliggende verordeningen dus vaak ook biometrie. Het MID bevat linkjes tussen gegevens.

De verordeningen bevatten geen bepalingen over nationale opslag. Ten aanzien van het MID geldt echter dat er specifiek wordt gerefereerd aan nationale besluiten waar het gaat om het recht op inzage. De bewaartermijn van gegevens in het MID zelf is afhankelijk van de bewaartermijn van de gegevens waar het MID naar linkt.

Artikel 10, onderdeel B

De nationale afhandeling van Etias-aanvragen betreft een nieuwe publieke taak op grond van artikel 8, eerste lid, Etias-verordening. Daarom wordt in een nieuw artikel 2dd van de Vreemdelingenwet 2000 bepaald dat de nationale Etias-eenheid bij algemene maatregel van bestuur zal worden aangewezen. Deze taak zal naar verwachting worden toebedeeld aan de KMar. De nationale Etias-eenheid heeft met de beschreven risicobeoordeling vóór de inreis van derdelanders in Nederland (en daarmee de Europese Unie) duidelijk een taak in het kader van grensbeheer en beveiliging van de buitengrenzen van de Europese Unie. Er is in wezen sprake van een vooruitgeschoven vorm van grensbeheer, voorafgaand aan de daadwerkelijke grenspassage. Bij de grensdoorlaatpost vergewist de ambtenaar belast met de grensbewaking zich er vervolgens van of betrokkene over een reisautorisatie beschikt (artikel 80 eerste lid Etias-verordening). Het ligt daarom in de rede om de nieuwe publieke taak om op Etias-aanvragen te beslissen nationaal bij de KMar te beleggen, die deze taak ook kan uitvoeren.

Artikel 44 van de Etias-verordening biedt een keuze aan de lidstaten om reisautorisaties af te geven met beperkte territoriale geldigheid. In het nieuw voorgestelde artikel 2ee van de Vreemdelingenwet 2000 wordt tot uitdrukking gebracht dat Nederland gebruik maakt van deze mogelijkheid. Dit artikel geeft de nationale Etias-eenheid de bevoegdheid om een reisautorisatie met beperkte territoriale geldigheid af te geven indien deze eenheid dat op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen noodzakelijk acht. De nationale Etias-eenheid kan in dit soort situaties een reisautorisatie verlenen met beperkte territoriale toegang tot Nederland, of in overleg met de betreffende lidstaten tevens tot deze lidstaten. Bij de uitvoering van dit artikel zal aansluiting worden gezocht bij de bestaande praktijk voor het verlenen van vergelijkbare toegang in het kader van visa. Bij ministeriële regeling worden hierover nadere regels gesteld. Situaties die bijvoorbeeld onder het bereik van dit lid kunnen worden gebracht zijn de mogelijkheid tot het toelaten van aangevers/getuigen van mensenhandel, het toelaten van personen die een gevangenisstraf moeten uitzitten of die berecht moeten worden, dan wel het toelaten van personen zodat zij voor internationale tribunalen kunnen worden verhoord.

Artikel 10, onderdeel C

Zoals eerder aan de orde gekomen in paragraaf 4.2, kan aan de signalering ter fine van weigering van toegang en verblijf, die niet is gebaseerd op een inreisverbod, een besluit tot ongewenstverklaring ten grondslag liggen.

Met het nieuwe artikel 67a wordt buiten twijfel gesteld dat in situatie waarin niet tot ongewenstverklaring wordt overgegaan, maar signalering wel gewenst is aan de signalering een besluit in de zin van de Awb ten grondslag komt te liggen. Artikel 24, eerste lid, onder a, van de SIS-verordening grenscontroles bepaalt dat het moet gaan om administratieve of gerechtelijke beslissing die een slotsom is van een individuele evaluatie, waarbij de persoonlijke omstandigheden van de betrokken onderdaan van een derde land en de gevolgen van een weigering van toegang en verblijf zijn betrokken. Hierbij dient een proportionaliteitsafweging te worden gemaakt. Zie artikel 21, eerste lid, van de SIS-verordening grenscontroles. In het tweede lid staat een aantal aannames over wanneer een signalering gepast is).

Met het voorgestelde nieuwe artikel 67a wordt de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen als de bevoegde instantie om een dergelijke administratieve beslissing te nemen. Hiermee wordt – conform de huidige uitvoeringspraktijk – zeker gesteld dat niet enkel feitelijk kan worden gesignaleerd. Ook moet worden voorkomen dat niet wordt gesignaleerd terwijl dat wel gewenst is. Dit zou het nuttig effect van de SIS-verordening grenscontroles ondergraven. Voorts wordt voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de procedurele waarborgen voor betrokkene, waaronder een kenbaar besluit waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld (zie artikel 24, vierde lid, van de SIS-verordening grenscontroles). Met het nieuwe artikel wordt tevens tegemoet gekomen aan enkele aandachtspunten uit een rapport van de Nationale ombudsman over deze materie.72

Wanneer gesignaleerd kan worden, behoeft niet in nationale wet- en regelgeving te worden opgenomen, want dit volgt reeds uit artikel 24, eerste lid, onderdeel a, in combinatie met het tweede lid, onderdelen a tot en met c van de SIS-verordening grenscontroles. Het is niet nodig (en dit mag zelfs niet) dit over te nemen in het nieuwe artikel 67a. Belangrijk is dat voor zogeheten geprivilegieerde derdelanders (bijvoorbeeld derdelanders die tevens familieleden zijn van Unieburgers) een aanvullende procedure is opgenomen in artikel 26 van de SIS-verordening grenscontroles. Unieburgers zelf kunnen niet met een signalering ter fine van weigering en toegang in het C.SIS worden opgenomen (zie artikel 24 van de SIS-verordening grenscontroles, dat spreekt over «derdelanders», die in artikel 3, vierde lid, worden gedefinieerd als eenieder die geen burger is van de Unie, met uitzondering van geprivilegieerde derdelanders73).

Artikel 10, onderdeel D

Tegen de weigering van de reisautorisatie als bedoeld in artikel 37, derde lid, de nietigverklaring van de reisautorisatie als bedoeld in artikel 40, derde lid, en de intrekking van de reisautorisatie als bedoeld in artikel 41, zevende lid, van de Etias-verordening staat beroep open overeenkomstig het nationale recht van die lidstaat. Aangezien de hoofdtaak onder de Etias-verordening kan worden gezien als een vooruitgeschoven vorm van grensbeheer, wordt aangesloten bij het algemene kader van de Awb en de procedure die wordt doorlopen bij een visum voor kort verblijf. De procedure bestaat uit een bezwaar- en beroepsmogelijkheid. De mogelijkheid tot hoger beroep wordt daarbij uitgesloten. Deze uitsluiting van hoger beroep wordt met dit artikelonderdeel vastgelegd.

Artikel 11

Met de herziening van de VIS-verordening worden enkele bestaande artikelen uit de verordening materieel op een andere plek in de verordening ondergebracht onder een ander artikelnummer. Zo geldt voor de verwijzing naar artikel 3, eerste lid, van de VIS-verordening voor wat betreft toegang tot het VIS voor aangewezen autoriteiten zoals thans opgenomen in artikel 3, onderdeel b, van onderhavig wetsvoorstel, dat met de toepassing van de herzieningsverordening VIS wordt ondergebracht in artikel 22 terdecies, eerste lid van de VIS-verordening. Ten aanzien van de verwijzing naar artikel 3, tweede lid, van de VIS-verordening voor wat betreft het centraal toegangspunt, zoals opgenomen in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van onderhavig wetsvoorstel, geldt dat dit met de herziening van VIS artikel 22 terdecies, derde lid, wordt.

Met de inwerkingtreding van bijgaand wetsvoorstel wordt dan ook eerst aangesloten bij de artikelen van de huidige VIS-verordening. Zodra de VIS-verordening wordt gewijzigd door de herzieningsverordening VIS zal deze verwijzing moeten worden aangepast naar het juiste artikel. Bijgaand artikel regelt dat deze wijziging kan worden doorgevoerd als de herzieningsverordening VIS van toepassing wordt.

Artikel 12

De verordeningen treden op verschillende data in werking, waarbij tevens kan gelden dat verschillende onderdelen van de verordeningen op verschillende momenten inwerking treden. Daarnaast geldt dat de verordeningen met de inwerkingtreding niet ook meteen toepasselijk zijn.

Op grond van artikel 73 van de EES-verordening geldt dat de verordening wordt toegepast met ingang van de door de Commissie op grond van artikel 66, eerste lid, vastgestelde datum. De datum waarop de Commissie de ingebruikname van EES vaststelt is weer afhankelijk van een aantal factoren, zoals kennisgevingen van de lidstaten aan de Commissie en het met succes hebben afgesloten van de test van het EES. De Etias-verordening bevat een soortgelijke bepaling in de artikelen 96 en 88. De verordeningen interoperabiliteit bevatten beide een dergelijke regeling in artikel 72, respectievelijk 75. De herziening van de VIS-verordening bevat eveneens dergelijke bepalingen in de artikelen 11 en 12. Voor SIS-grenscontroles geldt dat dit is opgenomen in artikel 66, voor SIS-verordening terugkeer in artikel 20 en voor SIS-politiële en justitiële samenwerking in strafzaken in artikel 79.

Gezien de verschillende data van toepasselijkheid van de verordeningen en ingebruikname van de systemen voorziet het wetsvoorstel dan ook in inwerkingtreding bij koninklijk besluit, met de mogelijkheid van gedifferentieerde inwerkingtreding.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, E. van der Burg

TRANSPONERINGSTABELLEN

EES-verordening (verordening 2017/2226/EU, zoals gewijzigd door verordeningen 2018/1240/EU, 2019/817, 2021/1134/EU en 2021/1152/EU)

Bepaling EU-regeling

Bepaling in uitvoeringsregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 (Onderwerp)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 2 (Toepassingsgebied)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 3 (Definities)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 4 (Grenzen waar het EES wordt gebruikt en gebruik van EES aan die grenzen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 5 (Opzet van het EES)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 6 (Doelstellingen van het EES)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 7 (Technische architectuur van het EES)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 8 (Interoperabiliteit met het VIS)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 8 bis (Geautomatiseerde procedure met Etias)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 8 ter (Interoperabiliteit met Etias)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 9 (Toegang tot het EES voor het invoeren, wijzigen verwijderen en raadplegen van gegevens)

Dit artikel regelt de toegang tot het EES van aan de naar behoren gemachtigde personeelsleden van de bevoegde autoriteiten.

Artikel 2 van het wetsvoorstel en bestaand recht. Zie toelichting in paragrafen 2.1, 3 en artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.

Het toesturen van de lijst met bevoegde autoriteiten aan eu-LISA wordt uitgevoerd middels feitelijk handelen.

   

Artikel 10 (Algemene beginselen)

Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 11 (Automatische calculator en verplichting om onderdanen van derde landen te informeren over de nog resterende duur van het toegestane verblijf)

Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 12 (Informatiemechanisme EES)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 13 (Webdienst)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 13 bis (Vangnetprocedure)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Hoofdstuk II. Invoer en gebruik van gegevens door de bevoegde autoriteiten

Artikel 14 (Procedures voor invoer gegevens in EES)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 15 (Gezichtsopname van onderdanen van derde landen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 16 (Persoonsgegevens van visumplichtige onderdanen van derde landen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 17 (Persoonsgegevens van niet-visumplichtige onderdanen van derde landen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 18 (Persoonsgegevens van aan wie toegang is geweigerd)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 19 (Gegevens die moeten worden toegevoegd als een vergunning voor kort verblijf wordt ingetrokken, nietig verklaard of verlengd)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 20 (Gegevens die moeten worden toegevoegd bij weerlegging van het vermoeden dat de onderdaan van een derde land niet voldoet aan de voorwaarden inzake de duur van het toegestane verblijf)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 21 (Vangnetprocedure indien het technisch niet mogelijk is gegevens in te voeren of zich een storing in het EES voordoet)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 (Overgangsperiode en overgangsmaatregelen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 23 (Gebruik van gegevens voor verificatie aan de grenzen waar het EES wordt gebruikt)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK III GEBRUIK VAN HET EES DOOR ANDERE AUTORITEITEN

Artikel 24 (Gebruik van het EES voor het behandelen van en het beslissen over visa)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 25 (Gebruik van het EES voor de behandeling van aanvragen tot deelname aan nationale faciliteringsprogramma’s)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 25 bis (Toegang tot EES-gegevens door de centrale Etias-eenheid)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 25 ter (Gebruik van het EES voor de handmatige verwerking van aanvragen door nationale Etias-eenheden)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 26 (Toegang tot gegevens voor verificatie op het grondgebied van de lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 27 (Toegang tot gegevens voor identificatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 28 (Bewaring van uit het EES opgehaalde gegevens)

Artikel 10, onderdeel E van het wetsvoorstel

De verordening stelt de voorwaarden waaronder uit het EES opgehaalde gegevens kunnen worden bewaard.

Dit is toegelicht in paragraaf 7.2 en artikelsgewijze toelichting bij artikel 10, onderdeel E.

HOOFDSTUK IV PROCEDURES EN VOORWAARDEN VOOR TOEGANG TOT HET EES VOOR RECHTSHANDHAVINGSDOELEINDEN

Artikel 29 (Aangewezen autoriteiten van de lidstaten)

Op basis van het eerste lid van dit artikel wijzen de lidstaten de autoriteiten aan die bevoegd zijn de EES-gegevens te raadplegen om terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken.

Dit is opgenomen in artikel 3 van het wetsvoorstel.

Op basis van het tweede lid stelt elke lidstaat een lijst van aangewezen autoriteiten op en geeft eu-LISA en de Commissie kennis van deze lijst. Uitvoering middels feitelijk handelen.

Op basis van het derde lid wijst iedere lidstaat een centraal toegangspunt aan dat toegang heeft tot het EES. Dit is opgenomen in artikel 4.

Op basis van het vierde lid houdt elke lidstaat een lijst bij van de operationele diensten binnen de aangewezen autoriteiten die mogen verzoeken om toegang tot EES-gegevens via het centrale toegangspunt. Uitvoering middels feitelijk handelen.

Op basis van het zesde lid mag alleen naar behoren gemachtigd personeel van het centraal toegangspunt verzoeken om toegang tot het EES overeenkomstig de artikelen 31 en 32. Uitvoering middels feitelijk handelen

Aanwijzing van de aangewezen autoriteiten en het centraal toegangspunt.

Dit onderdeel is toegelicht in paragraaf 3.8 en 3.9 en artikelsgewijze toelichting bij artikelen 3 en 4.

Artikel 30 (Europol)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 31 (Procedure voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 32 (Voorwaarden voor toegang tot EES-gegevens door de aangewezen autoriteiten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 33 (Procedure en voorwaarden voor toegang van Europol tot EES-gegevens)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK V BEWARING EN WIJZIGING VAN DE GEGEVENS

Artikel 34 (Bewaringstermijn)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 35 (Wijziging van gegevens en vervroegde verwijdering van gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK VI ONTWIKKELING, BEHEER EN VERANTWOORDELIJKHEDEN

Artikel 36 (Vaststelling van uitvoeringshandelingen door de Commissie voorafgaand aan de ontwikkeling)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 37 (Ontwikkeling en operationeel beheer)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 38 (Verantwoordelijkheden van de lidstaten en Europol)

Op basis van het tweede lid wijst elke lidstaat een nationale autoriteit aan die de bevoegde autoriteiten toegang tot het EES verleent. Elke lidstaat verbindt die nationale autoriteit met het NUI en de centrale toegangspunten met het NUI. Uitvoering middels feitelijk handelen.

Eerste tot en met zesde lid: eveneens uitvoering middels feitelijk handelen.

Het zevende lid richt zich niet tot de lidstaten.

   

Artikel 39 (Verantwoordelijkheid voor de verwerking van de gegevens)

Op basis van het eerste lid van dit artikel wijst iedere lidstaat de autoriteit aan die als verwerkings-verantwoordelijke moet worden beschouwd en deelt deze gegevens mee aan de Commissie.

In artikel 6, onderdeel a, van het wetsvoorstel wordt geregeld dat de verwerkingsverantwoordelijke bij amvb wordt aangewezen. De overige artikelleden betreffen verplichtingen van eu-LISA en richt zich niet tot de lidstaten

Aanwijzing verwerkingsverantwoordelijke

 

Artikel 40 (Bewaring van gegevens in nationale bestanden en nationale in-en uitreissystemen)

Op basis van dit artikel mogen de lidstaten onder voorwaarden de alfanumerieke gegevens die hij heeft ingevoerd in het EES bewaren in het nationale in-en uitreissysteem of gelijkwaardige nationale bestanden, met volledige inachtneming van het Unierecht.

Dit is geregeld in artikel 10, onderdeel E van het wetsvoorstel

Nationale opslag is mogelijk onder de voorwaarden van de verordening.

Dit is toegelicht in paragraaf 7.2 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 10, onderdeel E.

Artikel 41 (Mededeling van gegevens aan derde landen, internationale organisaties en particuliere entiteiten)

Artikel 9 van het wetsvoorstel regelt de beboeting van overtreding van dit artikel

Artikel 42 (Voorwaarden voor de mededeling van gegevens aan een lidstaat die het EES nog niet gebruikt en aan een lidstaat waarop deze verordening niet van toepassing is)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 43 (Beveiliging van gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 44 (Beveiligingsincidenten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 45 (Aansprakelijkheid)

Dit artikel kent een recht op schadevergoeding toe in de aldaar omschreven gevallen. Op basis van het derde lid zijn de bepalingen van het nationale recht van de verwerende lidstaat op een vordering tot vergoeding van schade van toepassing. Uitvoering middels bestaand recht, zie paragraaf 8.5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 46 (Bijhouden van log-bestanden door eu-LISA en de lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen, in combinatie met bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 47 (Interne controle)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 48 (Sancties)

Uitvoering middels bestaand recht, zie paragraaf 8.6 van de memorie van toelichting

   

Artikel 49 (Gegevensbescherming)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK VII RECHTEN EN TOEZICHT OP HET GEBIED VAN GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 50 (Recht op informatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen, zie verder tevens paragraaf 8.4 van de memorie van toelichting

   

Artikel 51 (Voorlichtingscampagne)

Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 52 (Recht op toegang tot, rectificatie, aanvulling en verwijdering van persoonsgegevens en op beperking van de verwerking van persoonsgegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen en bestaand recht, zie verder tevens paragraaf 8.4 van de memorie van toelichting

   

Artikel 53 (Samenwerking om het recht op gegevensbescherming te versterken)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 54 (Rechtsmiddelen)

Bestaand recht, zie tevens paragraaf 8.4 van de memorie van toelichting

   

Artikel 55 (Toezicht door de toezichthoudende autoriteit)

Uitvoering middels feitelijk handelen en bestaand recht.

Ten aanzien van de toezichthouder volgt uit artikel 6, tweede lid, UAVG, artikel 35 van de Wpg en artikel 27 Wjsg volgt dat dit de AP is.

   

Artikel 56 (Toezicht door de Europese toezichthouder van gegevensbescherming)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 57 (Samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 58 (Bescherming van persoonsgegevens waartoe in overeenstemming met hoofdstuk IV toegang is verkregen)

Dit artikel verwijst naar de implementatie van de RGB voor de bescherming van persoonsgegevens waartoe in overeenstemming met hoofdstuk IV toegang is verkregen. Zie paragraaf 8.2 van de memorie van toelichting.

Verder uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 59 (Loggen en documenteren)

Dit artikel bevat een specifieke verplichting voor de lidstaten en Europol tot het loggen of documenteren van gegevensverwerkende handelingen die voortvloeien uit verzoeken om toegang tot EES-gegevens in overeenstemming met hoofdstuk IV. Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK VIII WIJZIGINGEN IN ANDERE INSTRUMENTEN VAN DE UNIE

Artikel 60 (Wijzigingen van de Schengen-uitvoeringsovereenkomst)

Dit artikel wijzigt artikel 20 van de SUO en bevat overgangsrecht voor de lidstaten die bilaterale overeenkomsten hebben gesloten voor de inwerkingtreding van de SUO ten aanzien van vreemdelingen die niet aan de visumplicht zijn onderworpen.

Het artikel bevat een meldplicht aan de Commissie.

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 61 (wijzigingen van vo (EG) nr. 767/2008) (VIS-verordening)

Dit artikel wijzigt vo 767/2008 betreffende het visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) om deze verordening technisch aan te passen aan EES.

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 62 (Wijzigingen aan vo (EU) 1077/2011)

Dit artikel wijzigt vo 1077/2011, inmiddels vervangen door vo 2018/1726 ten aanzien van de taken van eu-LISA.

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK IX SLOTBEPALINGEN

Artikel 63 (Gebruik van gegevens voor verslagen)

Dit artikel bevat regels over de toegang tot gegevens met het oog op het opstellen van verslagen en statistieken.

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 64 (Kosten)

Dit artikel regelt de toebedeling van de verschillende kosten.

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 65 (Kennisgevingen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 66 (Begin van de werkzaamheden)

Dit artikel bepaalt de wijze waarop de datum van ingebruikneming van EES door de Commissie wordt bepaald en de lidstaten die het EES gebruiken.

   

Artikel 67 (Ceuta en Melilla)

Dit artikel bevat een verduidelijking ten aanzien van Ceuta en Melilla.

Bepaling richt zich niet tot Nederland

   

Artikel 68 (Comitéprocedure)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 69 (Adviesgroep)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 70 (Opleiding)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 71 (Praktische handleiding)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 72 (Monitoring en evaluatie)

Dit artikel bevat regels over de monitoring en evaluatie van EES. De lidstaten dienen ten behoeve van het opstellen van verslagen informatie aan eu-LISA en de Commissie te verstrekken. Tevens dienen de lidstaten jaarlijkse verslagen op te stellen. Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 73 (Inwerkingtreding en toepasselijkheid)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten.

Zie echter voor gevolgen voor inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel artikel 12 en de artikelsgewijze toelichting.

   

BIJLAGE I Lijst van internationale organisaties, bedoeld in artikel 41, lid 2

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

BIJLAGE II Specifieke bepalingen voor onderdanen van derde landen die de grens overschrijden op grond van een geldig ftd

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

BIJLAGE III Concordantietabel

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Etias-verordening (verordening 2018/1240/EU, zoals gewijzigd bij verordening 2021/1152/EU)

Bepaling EU-regeling

Bepaling in implementatie regeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Hoofdstuk I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

(Onderwerp)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 2 (Toepassingsgebied)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 3

(Definities)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 4

(Doelstellingen van Etias)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 5

(Algemene structuur Etias)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 6

(Oprichting en technische architectuur van het Etias-informatiesysteem)

Uitvoering middels feitelijk handelen en bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 7

(De centrale Etias-eenheid)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 8 (Aanwijzing nationale Etias-eenheden)

Artikel 10 onderdeel B van het wetsvoorstel (nieuw artikel 2dd en 2ee van de Vreemdelingenwet 2000)

Elke lidstaat wijst een bevoegde autoriteit aan als de nationale Etias-eenheid

Dit is toegelicht in paragraaf 3.5 en in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 10, onderdeel B

Artikel 9

(Etias-screeningsraad)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 10

(Etias-sturingsraad voor de grondrechten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 11

(Interoperabiliteit met andere EU- informatiesystemen en Europol-gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 11ter (ondersteuning van de EES-doelstellingen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 11quater(interoperabiliteit Etias-EES)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 12

(Raadpleging van de Interpol-databanken)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 13, lid 1 t/m lid 4bis (Toegang tot in Etias opgeslagen gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 13, vijfde lid

(Aanwijzing nationale autoriteiten) (nationale Etias-eenheid, grensautoriteiten en immigratieautoriteiten)

Artikel 10 onderdeel B van het wetsvoorstel (nieuw artikel 2dd Vreemdelingenwet 2000) voor zover het gaat om de nationale Etias-eenheid.

Voor de grensautoriteiten geldt dat dit bestaand recht is (zie paragraaf 3.2).

Voor vervoerders geldt dat dit rechtstreeks uit de verordening volgt.

Voor de immigratieautoriteiten geldt aanwijzing bij amvb op grond van artikel 2 (Zie paragraaf 3.4).

Het melden van deze autoriteiten is uitvoering middels feitelijk handelen.

Dit artikel regelt de toegang tot het Etias-systeem van aan de naar behoren gemachtigde personeelsleden van de bevoegde autoriteiten. Het is aan de lidstaten deze aan te wijzen.

 

Artikel 14

(Non-discriminatie en grondrechten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK II AANVRAGEN

Artikel 15

(Praktische regelingen voor de indiening van een aanvraag)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 16

(De openbare website en de app voor mobiele apparaten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 17 (Aanvraagformulier en persoonlijke gegevens aanvrager)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 18 (Reisautorisatievergoeding)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK III AANMAAK VAN HET AANVRAAGDOSSIER EN ONDERZOEK VAN DE AANVRAAG DOOR HET CENTRALE ETIAS-SYSTEEM

Artikel 19

(Ontvankelijkheid en aanmaak van het aanvraagdossier)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 20 (Geautomatiseerde verwerking)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 21

(Resultaten van de geautomatiseerde verwerking)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 22

(Verificatie door de centrale Etias-eenheid)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 23

(Ondersteuning van de SIS-doelstellingen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 24

(Specifieke regels voor familieleden van burgers van de Unie)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK IV ONDERZOEK VAN DE AANVRAAG DOOR DE NATIONALE ETIAS-EENHEDEN

Artikel 25 (Verantwoordelijke lidstaat)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 25bis, eerste lid (Toegang tot andere systemen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 25bis, tweede lid (Toegang tot gegevens eigen lidstaat na hit op ECRIS-TCN)

Uitvoering middels bestaand recht: artikel 25bis geldt als verwerkingsgrondslag in de zin van artikel 6 AVG.

Artikel 33 UAVG geldt als waarborg in de zin van artikel 10 AVG.

Gegevensverstrekking aan de nationale Etias-eenheid vindt plaats op grond van de artikelen 9 WJSG en 21, onderdeel a, van het BJSG.

   

Artikel 26, eerste lid (Toegang nationale Etias-eenheid tot aanvraagdossier en alle «hits»), tweede lid (Beslissing/beoordeling nationale Etias-eenheid) en derde lid, onder a (Weigering reisautorisatie indien de «hit» overeenkomt met een of meer van de verificaties als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder a) en c))

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 26, derde lid, onder b

(Beoordeling door de nationale Etias-eenheid van het veiligheidsrisico of het risico op het gebied van illegale immigratie en een beslissing tot afgifte dan wel weigering van een reisautorisatie indien de hit overeenstemt met eventuele verificaties als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder b), en d) tot en met o)

Wijziging artikel 4:6 Besluit politiegegevens: rechtstreekse verstrekking aan de nationale Etias-eenheid en uitvoering middels bestaand recht

De verordening laat het aan de lidstaten over hoe dit risico te beoordelen

Om het risico goed te kunnen beoordelen moet de nationale Etias-eenheid kunnen beschikken over informatie uit bepaalde nationale bronnen. Verstrekking van politiegegevens aan de nationale Etias-eenheid voor de uitvoering van de vreemdelingentaak geschiedt op basis van artikel 23, derde lid, van de Wpg. Deze verstrekking is nader uitgewerkt het Besluit politiegegevens artikelen 4:3 en 4:6. Artikel 4:6 wordt aangevuld om expliciet te maken dat deze gegevens aan de Minister van Defensie kunnen worden verstrekt.

Justitiële gegevens in het kader van een ECRIS-TCN hit kunnen worden verstrekt aan de nationale Etias-eenheid op grond van artikel 9, van de WJSG en artikel 21, onderdeel a, van het BJSG.

Artikel 26, lid 3bis (Beoordeling door de nationale Etias-eenheid van het veiligheidsrisico of het risico op het gebied van illegale immigratie en een beslissing tot afgifte dan wel weigering van een reisautorisatie indien de hit overeenstemt met eventuele verificaties als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder o)

Uitvoering middels feitelijk handelen en uitvoering middels bestaand recht

 

Gegevensverstrekking ten behoeve van de veiligheids- en risicobeoordeling vindt plaats op dezelfde grondslag als artikel 26, derde lid, onder b.

Consultatie van Bureau Sirene wordt geregeld in het Besluit beheer politie en uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht: artikelen 6 en 6a van de Wpg.

Artikel 26, vierde tot en met zesde lid

(Beoordeling door de nationale Etias-eenheid van het veiligheidsrisico)

Wijziging artikel 4:6 Besluit politiegegevens

De verordening laat het aan de lidstaten over hoe dit risico te beoordelen

Om het risico goed te kunnen beoordelen moet de nationale Etias-eenheid kunnen beschikken over informatie uit bepaalde nationale bronnen. Zie hierboven bij artikel 26, derde lid, onder b.

Artikel 26, zevende lid

(Registratie gegevensverwerking door de nationale Etias-eenheid door het Etias-informatiesysteem

De resultaten van de beoordeling van het veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie of het hoge epidemiologische risico en de verantwoording van de beslissing tot afgifte dan wel weigering van een reisautorisatie, wordt in het aanvraagdossier opgenomen door het personeelslid dat de risicobeoordeling heeft uitgevoerd)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 27

(Verzoek aan de aanvrager om aanvullende informatie of documentatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 28

(Raadpleging van andere lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen. Wanneer Nederland wordt geraadpleegd, vindt gegevensverstrekking ten behoeve van de beoordeling van het veiligheidsrisico plaats zoals omschreven in artikel 26

   

Artikel 29

(Raadpleging van Europol)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen (indien nationale Etias-eenheid Europol raadpleegt)

   

Artikel 30

(Termijnen voor kennisgeving aan de aanvrager)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 31

(Verificatie-instrument)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 32

(Beslissing over de aanvraag)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK V DE ETIAS-SCREENINGSREGELS EN DE ETIAS-OBSERVATIELIJST

Artikel 33

(De Etias- screeningsregels)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 34

(De Etias-observatielijst)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 35 (Verantwoordelijkheden en taken met betrekking tot de Etias-observatielijst)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK VI AFGIFTE, WEIGERING, NIETIGVERKLARING OF INTREKKING VAN EEN REISAUTORISATIE

Artikel 36

(Afgifte van een reisautorisatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 37, eerste, tweede en vierde lid

(Weigering van een reisautorisatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 37, derde lid

(Rechtsmiddel tegen weigering reisautorisatie)

Uitvoering middels bestaand recht: artikel 1:3 Awb en wijziging artikel 84 Vreemdelingenwet 2000 door middel van artikel 12 onderdeel D van het wetsvoorstel

De verordening laat het aan de lidstaten over de rechtsmiddelen te regelen

Aangesloten wordt bij het algemene kader van de Awb en de visum voor kort verblijf procedure. De procedure bestaat uit een bezwaar- en beroepsmogelijkheid. De mogelijkheid tot hoger beroep wordt uitgesloten.

Artikel 38

(Kennisgeving van de afgifte of weigering van een reisautorisatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 39

(Gegevens die moeten worden toegevoegd aan het aanvraagdossier na de beslissing tot afgifte of tot weigering van een reisautorisatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 40, eerste, tweede en vierde lid (Nietigverklaring van een reisautorisatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

De verordening laat het aan de lidstaten over de rechtsmiddelen te regelen

Aangesloten wordt bij het algemene kader van de Awb en de visum voor kort verblijf procedure. De procedure bestaat uit een bezwaar- en beroepsmogelijkheidDe mogelijkheid tot hoger beroep wordt uitgesloten.

Artikel 40, derde lid (Rechtsmiddel tegen nietigverklaring reisautorisatie)

Uitvoering middels bestaand recht: artikel 1:3 Awb en wijziging artikel 84 Vreemdelingenwet 2000 door middel van artikel 10 onderdeel D van het wetsvoorstel

De verordening laat het aan de lidstaten over de rechtsmiddelen te regelen

Aangesloten wordt bij het algemene kader van de Awb en de visum voor kort verblijf procedure. De procedure bestaat uit een bezwaar- en beroepsmogelijkheidDe mogelijkheid tot hoger beroep wordt daarbij uitgesloten.

Artikel 41, eerste tot en met zesde en achtste lid (Intrekking van een reisautorisatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 41, zevende lid

(Rechtsmiddel tegen intrekking reisautorisatie)

Uitvoering middels bestaand recht: artikel 1:3 Awb en wijziging artikel 84 Vreemdelingenwet 2000 door middel van artikel 10 onderdeel D van het wetsvoorstel

De verordening laat het aan de lidstaten over de rechtsmiddelen te regelen

Aangesloten wordt bij het algemene kader van de Awb en de visum voor kort verblijf procedure. De procedure bestaat uit een bezwaar- en beroepsmogelijkheidDe mogelijkheid tot hoger beroep wordt uitgesloten.

Artikel 42

(Kennisgeving van de nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 43

(Gegevens die moeten worden toegevoegd aan het aanvraagdossier na de beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een reisautorisatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 44

(Afgifte van een reisautorisatie met een beperkte territoriale geldigheid op humanitaire gronden, om redenen van nationaal belang of op grond van internationale verplichtingen)

Uitvoering middels feitelijk handelen en nieuw artikel 2ee Vreemdelingenwet 2000

(zie artikel 10 onderdeel B van het wetsvoorstel)

De verordening biedt de beleidskeuze aan de lidstaten om reisautorisaties af te geven met beperkte territoriale geldigheid

Nederland maakt gebruik van deze mogelijkheid, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de huidige mogelijkheden om op deze grondslag territoriale toegang te verlenen, bijvoorbeeld in het kader van visa.

HOOFDSTUK VII GEBRUIK VAN ETIAS DOOR VERVOERDERS

Artikel 45

(Toegang tot persoonsgegevens voor verificatie door vervoerders)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 45, vijfde lid

(Sanctionering vervoerders)

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting: artikel 10 onderdeel D van het wetsvoorstel (wijziging Vreemdelingenwet 2000) en uitvoering middels bestaand recht: 108 Vreemdelingenwet 2000

   

Artikel 46

(Vangnetprocedures wanneer het technisch onmogelijk is voor vervoerders om toegang tot gegevens te verkrijgen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK VIII GEBRUIK VAN ETIAS DOOR GRENSAUTORITEITEN AAN DE BUITENGRENZEN

Artikel 47

(Toegang tot gegevens voor verificatie aan de buitengrenzen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 48

(Vangnetprocedures wanneer het technisch onmogelijk is toegang tot gegevens te verkrijgen aan de buitengrenzen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK IX GEBRUIK VAN ETIAS DOOR IMMIGRATIEAUTORITEITEN

Artikel 49

(Toegang tot gegevens voor immigratieautoriteiten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK X PROCEDURE EN VOORWAARDEN VOOR TOEGANG TOT HET CENTRALE ETIAS-SYSTEEM VOOR RECHTSHANDHAVINGSDOELEINDEN

Artikel 50, eerste lid (Aangewezen autoriteiten van de lidstaten)

Zie artikel 3 van het wetsvoorstel

De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn om gegevens te raadplegen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten

Dit is toegelicht in paragraaf 3.8 van de toelichting en in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.

Artikel 50, tweede lid (Aanwijzen centraal toegangspunt) (CTP)

Zie artikel 4 van het wetsvoorstel

De lidstaten wijzen het centraal toegangspunt aan

Dit is toegelicht in paragraaf 3.9 en in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.

Artikel 50, derde lid

(Lijst bijhouden van operationele eenheden binnen de aangewezen autoriteiten die gemachtigd zijn te verzoeken om raadpleging van in het centrale Etias-systeem opgeslagen gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 50, vierde lid (Geautoriseerde toegang tot het centrale Etias-systeem)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 51

(Procedure voor toegang tot het centrale Etias-systeem voor rechtshandhavingsdoeleinden)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 52

(Voorwaarden voor toegang tot in het centrale Etias-systeem geregistreerde gegevens door aangewezen autoriteiten van lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 53

(Procedure en voorwaarden voor toegang tot in het centrale Etias-systeem geregistreerde gegevens door Europol)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK XI BEWARING EN WIJZIGING VAN GEGEVENS

Artikel 54

(Bewaring van gegevens)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 55, eerste tot en met zevende lid

(Wijziging van gegevens en vervroegd wissen van gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 55, achtste lid

(Doeltreffend beroep voor de rechter om de in Etias opgeslagen gegevens te laten wijzigen of wissen)

Zie paragraaf 8.5 van de memorie van toelichting.

Uitvoering middels bestaand recht nu de verordeningen aansluiten bij de AVG en de implementatie van de RGB.

   

HOOFDSTUK XII GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 56 (Gegevensbescherming)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten/uitvoering middels bestaand recht (waar het gaat om toepasselijkheid AVG en RGB)

   

Artikel 57 (Verwerkingsverant-woordelijke)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten, muv tweede lid waarvoor geldt uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 58

(Verwerker)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 59

(Beveiliging van de verwerking)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 60 (Beveiligingsincidenten)

Kennisgeving van beveiligingsincidenten aan de EC, eu-LISA en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 61

(Interne controle)

Bepaling richt zich deels niet tot de lidstaten en voor het overige uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 62

(Sancties)

Bestaand recht, zie paragraaf 8.2 en 8.6 van de memorie van toelichting en artikel 9 van het wetsvoorstel.

   

Artikel 63 (Aansprakelijkheid)

Feitelijk handelen en bestaand recht. Zie tevens paragraaf 8.5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 64

(Recht op toegang tot, rectificatie, aanvulling en wissing van persoonsgegevens en op beperking van de verwerking)

Bepaling richt zich ten dele tot de lidstaten (nationale Etias-eenheid). Uitvoering middels feitelijk handelen en bestaand recht. Zie tevens paragraaf 8.4.

   

Artikel 65

(Mededeling van persoonsgegevens aan derde landen, internationale organisaties en particuliere partijen)

Uitvoering middels feitelijk handelen. Zie verder tevens paragraaf 8.2

   

Artikel 66 (Toezicht door de toezichthoudende autoriteit (AP))

Uitvoering middels feitelijk handelen. Ten aanzien van de toezichthouder volgt uit artikel 6, tweede lid, UAVG, artikel 35 van de Wpg en artikel 27 Wjsg volgt dat dit de AP is.

   

Artikel 68

(Samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten en EDPS)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 69

(Bijhouden van logbestanden)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 70

(Bijhouden van logbestanden voor verzoeken om raadpleging van gegevens met het oog op voorkoming, opsporing en onderzoek van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK XIII PUBLIEKVOORLICHTING

Artikel 71

(Voorlichting van het algemene publiek)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 72

(Voorlichtingscampagne)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK XIV VERANTWOORDELIJKHEDEN

Artikel 73

(Verantwoordelijkheden van eu-LISA gedurende de ontwerp en ontwikkelingsfase)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 74

(Verantwoordelijkheden van eu-LISA na de ingebruikneming van Etias)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 75

(Verantwoordelijkheden van het Europees Grens- en kustwachtagenschap)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 76

(Verantwoordelijkheden van de lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 77

(Verantwoordelijkheden van Europol)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK XV WIJZIGINGEN VAN ANDERE UNIE-INSTRUMENTEN

Artikel 78

(Wijziging in Verordening) (EU nr. 1077/2011)

Dit artikel wijzigt. Vo 1077/2011 betreffende de oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, inmiddels vervangen door vo 2018/1726 ten aanzien van de taken van eu-LISA.

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 79

(Wijziging van Verordening) (EU nr. 515/2014)

Dit artikel wijzigt vo 515/2014) betreffende de toewijzing van financiële middelen.

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 80

(Wijzigingen van Verordening) (EU 2016/399) (SGC)

Dit artikel wijzigt vo 2016/399 betreffende de Schengengrenscode om in deze verordening de regels voor toegang tot het Schengengebied aan te passen en een overgangsperiode te creëren voor het gebruik van Etias.

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 81

(Wijzigingen van Verordening) (EU 2016/1624)

Dit artikel wijzigt vo 2016/1624 en stelt het Europees Grens- en kustwachtagentschap de taak tot oprichting van de centrale Etias-eenheid.

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 82

(Wijziging van Verordening 2017/2226/EU) (EES-verordening)

Dit artikel wijzigt vo 2017/2226 betreffende EES betreffende het beheer van de kosten door eu-LISA.

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK XVI SLOTBEPALINGEN

Artikel 83 (Overgangsperiode en overgangsmaatregelen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 84

(Gebruik van gegevens voor verslagen en statistieken)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 85

(Kosten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 86

(Ontvangsten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 87, eerste lid

(Kennisgeving verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 57 aan de EC)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 87, tweede lid (Kennisgeving bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 13)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 87, derde lid

(Kennisgeving aangewezen autoriteiten en CTP in de zin van artikel 50)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 87, vierde lid (Kennisgeving eu-LISA aan de EC)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 88

(Ingebruikneming)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 89

(Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 90 (Comitéprocedure)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 91

(Adviesgroep)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 92

(Monitoring en evaluatie)

Dit artikel bevat regels over de monitoring en evaluatie van Etias. De lidstaten dienen ten behoeve van het opstellen van verslagen informatie aan eu-LISA, de centrale Etias-eenheid en de Commissie te verstrekken. Tevens dienen de lidstaten jaarlijkse verslagen op te stellen. Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 93

(Praktisch handboek)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 94

(Ceuta en Melilla)

Dit artikel bevat een verduidelijking ten aanzien van Ceuta en Melilla.

Bepaling richt zich niet tot Nederland

   

Artikel 95

(Financiële bijdrage van de landen die betrokken zijn bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 96

(Inwerkingtreding en toepasselijkheid)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten.

Zie echter voor gevolgen voor inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel artikel 12 en de artikelsgewijze toelichting.

   

BIJLAGE (Lijst van strafbare feiten als bedoeld in artikel 17, lid 4, onder a)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

SIS-verordening grenscontroles (verordening 2018/18/61/EU zoals gewijzigd door verordening 2019/817/EU en verordening 2021/1152/EU)

Bepaling EU-regeling

Bepaling in implementatie-regeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

HOODFSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

(Algemene doelstelling van SIS)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 2

(Onderwerp)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 3

(Definities)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 4

(Technische architectuur en werkwijze van SIS)

Uitvoering middels feitelijk handelen

Een N.SIS kan een gegevensbestand bevatten (een «nationale kopie») met een volledige of gedeeltelijke kopie van de SIS-databank.

Het Nederlandse N.SIS is een nationale kopie van het C.SIS zonder de binaire data. Zie sub paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting

Artikel 5

(Kosten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten en uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK II VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE LIDSTATEN

Artikel 6

(Nationale systemen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 7

(N.SIS-instantie en Sirene-bureau)

Bureau Sirene is ondergebracht bij de landelijke eenheid van de politie. Tevens bestaand recht artikelen 6 en 6a van de Wpg (N.SIS-instantie).

   

Artikel 8

(Uitwisseling van aanvullende informatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 9, eerste tot en met derde lid

(Naleving van technische en functionele vereisten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 9, vierde en vijfde lid

(Naleving van technische en functionele vereisten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 10

(Beveiliging- Lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 11

(Vertrouwelijkheid – Lidstaten)

Artikel 7 van het wetsvoorstel en zie paragraaf 8.2 van de memorie van toelichting

   

Artikel 12

(Bijhouden van logbestanden op nationaal niveau)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 13

(Intern toezicht)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht: artikel 5:20 van de Awb

   

Artikel 14

(Opleiding van het personeel)

Uitvoering middels feitelijk handelen, niet gericht aan de lidstaat

   

HOOFDSTUK III VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN EU-LISA

Artikel 15

(Operationeel beheer)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 16

(Beveiliging – eu-LISA)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 17 (Vertrouwelijkheid – eu-LISA)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 18

(Bijhouden van logbestanden op centraal niveau)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 18 ter

(Bijhouden van logbestanden met het oog op de interoperabiliteit met Etias)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK IV PUBLIEKSVOORLICHTING

Artikel 19

(SIS-voorlichtingscampagnes)

Uitvoering middels feitelijk handelen en bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK V SIGNALERINGEN VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN MET HET OOG OP WEIGERING VAN TOEGANG EN VERBLIJF

Artikel 20

(Gegevenscategorieën)

Uitvoering middels feitelijk handelen en niet gericht aan de lidstaat

   

Artikel 21

(Evenredigheid)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22

(Vereisten voor de invoering van een signalering)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht 106a Vreemdelingenwet 2000 en Vreemdelingenbesluit 2000 zoals aangepast door het Besluit biometrie in de vreemdelingenketen. Hiermee is afname geregeld van biometrische gegevens op nationale grondslag.

Het wordt aan de lidstaten zelf overgelaten om al dan niet biometrie in de signalering op te nemen (dit behoeft alleen indien beschikbaar) en welke soort binnen de marge van uit één tot tien platte vingerafdrukken of één tot tien gerolde vingerafdrukken. De signalering kan ook maximaal twee handpalmafdrukken omvatten (zie artikel 32)

Op grond van artikel 106a Vreemdelingenwet en het Besluit biometrie in de vreemdelingen-keten Nederland is alleen het verwerken van gezichtsopnamen en vingerafdrukken mogelijk. Nederland ziet geen noodzaak om de mogelijkheid tot het afnemen dactylopische gegevens uit te breiden naar handpalm afdrukken

Artikel 23

(Verenigbaarheid van signaleringen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 24

(Voorwaarden voor de invoering van signaleringen met het oog op weigering van toegang en verblijf)

Artikel 10 onder C van het wetsvoorstel en uitvoering middels bestaand recht (artikelen 66a en 67 Vreemdelingenwet 2000)

   

Artikel 25

(Voorwaarden voor de invoering van signaleringen van onderdanen van derde landen ten aanzien van wie een beperkende maatregel is genomen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 26

(Voorwaarden voor de invoering van signaleringen van onderdanen van derde landen die begunstigden zijn van het recht van vrij verkeer binnen de Unie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 27

(Raadpleging voorafgaand aan het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van langere duur)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht (de IND kan met een dergelijke hit te maken krijgen in geval van verlening of verlenging van een verblijfsvergunning of een visum voor lang verblijf)

   

Artikel 28

(Raadpleging voorafgaand aan de invoering van een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht (de IND, AVIM, ZHP of de KMar kunnen een dergelijke signalering invoeren)

   

Artikel 29

(Raadpleging na invoering van een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht (de IND, AVIM, ZHP of de KMar kunnen een dergelijke signalering invoeren)

   

Artikel 30

(Raadpleging in geval van een «hit» betreffende een onderdaan van een derde land die houder is van een geldige verblijfsvergunning of geldig visum voor verblijf van langere duur)

Uitvoering middels feitelijk handelen en uitvoering middels bestaand recht: alle gevallen waarin er sprake is van een hit en een Nederlandse overheidsdienst deze constateert

   

Artikel 31

(Statistieken over de uitwisseling van informatie)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK VI DOORZOEKING AAN DE HAND VAN BIOMETRISCHE GEGEVENS

Artikel 32

(Specifieke voorschriften voor invoer van foto's, gezichtsopnamen en dactyloscopische gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht: 106a Vreemdelingenwet 2000 en Vreemdelingenbesluit 2000 zoals aangepast door het Besluit biometrie in de vreemdelingenketen. Hiermee is afname geregeld van biometrische gegevens

Het wordt aan de lidstaten zelf overgelaten om al dan niet biometrie in de signalering op te nemen (dit behoeft alleen indien beschikbaar) en welke soort binnen de marge van uit één tot tien platte vingerafdrukken of één tot tien gerolde vingerafdrukken. De signalering kan ook maximaal twee handpalmafdrukken omvatten.

Op grond van artikel 106a Vreemdelingenwet en het Besluit biometrie in de vreemdelingen-keten Nederland is alleen het verwerken van gezichtsopnamen en vingerafdrukken mogelijk. Nederland ziet geen noodzaak om de mogelijkheid tot het afnemen dactyloscopische gegevens uit te breiden naar handpalm afdrukken

Artikel 33

(Specifieke voorschriften voor verificaties of doorzoekingen met foto's, gezichtsopnamen en dactyloscopische gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht, artikel 106a Vreemdelingenwet 2000

Artikel 33 bevat diverse operationele mogelijkheden om het SIS te doorzoeken. Op grond van het tweede lid, moet het SIS zelfs worden geraadpleegd in bepaalde gevallen

Nederlandse wetgeving staat niet in de weg aan de mogelijkheden tot doorzoeking op grond van het artikel en deze mogelijkheden zijn noodzakelijk voor verificatie of vaststelling van de identiteit

HOOFDSTUK VII TOEGANGSRECHT EN TOETSING EN WISSING VAN SIGNALERINGEN

Artikel 34

(Nationale bevoegde autoriteiten met recht op toegang tot gegevens in SIS)

Zie artikel 2 van het wetsvoorstel

De autoriteiten die bevoegd zijn ogv het nationale recht hebben toegang voor de doeleinden genoemd in de verordening. Bij amvb kan verduidelijkt worden welke autoriteiten voor zover dit niet al is opgenomen in het nationale recht.

 

Artikel 35

(Toegang van Europol tot gegevens in SIS)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 36

(Toegang tot gegevens in SIS door de Europese grens- en kustwachtteams, de teams van personeelsleden die betrokken zijn bij met terugkeer verband houdende taken, en leden van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 36 ter

(Toegang tot SIS-gegevens door de centrale Etias-eenheid)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 36 quater

(Interoperabiliteit met Etias)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 37

(Evaluatie van het gebruik van SIS door Europol en het Europees Grens- en kustwachtagentschap)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 38

(Reikwijdte van de toegang)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 39

(Toetsingstermijn voor signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen en facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt

De lidstaten kunnen ervoor kiezen een kortere toetsingstermijn vast te stellen

Nederland heeft ervoor gekozen geen kortere toetsingstermijn voor signaleringen vast te stellen

Artikel 40

(Wissing van signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK VIII ALGEMENE VOORSCHRIFTEN INZAKE GEGEVENSVERWERKING

Artikel 41

(Verwerking van SIS-gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 42

(SIS-gegevens en nationale bestanden)

Uitvoering middels feitelijk handelen in combinatie met wijziging artikel 107 Vreemdelingenwet 2000 (zie artikel 10 onderdeel E van het wetsvoorstel)

De verordening laat het aan de lidstaten over om de benodigde nationale opslag te regelen. Artikel 42, eerste lid, laat het tevens aan de lidstaten over om een langere bewaartermijn te stellen

Opslag is noodzakelijk ter uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000. Er is geen behoefte aan een langere bewaartermijn in het AVG domein, wel in het RGB domein (zie artikel 6 van het wetsvoorstel)

Artikel 43

(Informatie bij niet-uitvoering van een signalering)

Uitvoering middels feitelijk handelen in combinatie artikel 8 van het wetsvoorstel en met de wijziging van artikel 107 Vreemdelingenwet 2000 (zie artikel 10 onderdeel E het wetsvoorstel)

De verordening laat het aan de lidstaten over om de benodigde nationale opslag te regelen

Opslag is noodzakelijk ter uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000

Artikel 44

(Kwaliteit van de gegevens in SIS)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 45

(Beveiligingsincidenten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 46

(Onderscheid tussen personen met vergelijkbare kenmerken)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 47

(Extra gegevens teneinde om te gaan met misbruikte identiteiten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 48

(Links tussen signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 49

(Doel en bewaartermijn van aanvullende informatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen in combinatie met artikel 6 en de wijziging van artikel 107 Vreemdelingenwet 2000 (zie artikel 10 onderdeel E van het wetsvoorstel)

Een lidstaat kan een langere bewaartermijn vaststellen ten aanzien van gegevens aan de hand waarvan een actie is ondernomen

Bewaartermijn is gelijkgesteld aan de bewaartermijn van gegevens die voor hetzelfde doel worden verwerkt

Artikel 50 (Doorgifte van persoonsgegevens aan derden)

Artikel 9 van het wetsvoorstel

   

HOOFDSTUK IX GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 51 (Toepasselijke wetgeving)

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 52

(Recht op informatie)

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 53

(Recht op inzage in gegevens, rectificatie van onjuiste gegevens en wissing van onrechtmatig opgeslagen gegevens)

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 54

(Rechtsmiddelen)

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 55

(Toezicht op N.SIS)

Uitvoering middels feitelijk handelen. Ten aanzien van de toezichthouder volgt uit artikel 6, tweede lid, UAVG, artikel 35 van de Wpg en artikel 27 Wjsg volgt dat dit de AP is.

   

Artikel 56

(Toezicht op eu-LISA)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 57

(Samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK X AANSPRAKELIJKHEID EN SANCTIES

Artikel 58 (Aansprakelijkheid)

Zie paragraaf 5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 59

(Sancties)

Zie artikel 9 en paragraaf 8.6 van de memorie van toelichting

   

HOOFDSTUK XI SLOTBEPALINGEN

Artikel 60

(Toezicht en statistieken)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 61

(Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 62

(Comitéprocedure)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 63

(Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1987/2006)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 64

(Wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 65

(Intrekking)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 66

(Inwerkingtreding, aanvang van werkzaamheden en toepassing)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten. Zie voor gevolgen inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel de artikelsgewijze toelichting op artikel 12.

   

SIS-verordening terugkeer (verordening 2018/1860/EU, zoals gewijzigd door verordening 2021/1152/EU)

Bepaling EU-regelgeving

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij

de invulling van de beleidsruimte

Artikel 1 (Onderwerp en toepassingsgebied)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 2 (Definities)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 3, eerste lid (Verplichting voor lidstaten om signaleringen in te voeren van onderdanen van derde landen jegens wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd)

Uitvoering middels bestaand recht: artikel 62a Vreemdelingenwet 2000

en feitelijk handelen

   

Artikel 3, tweede lid (uitzondering op de verplichting om een signalering in te voeren)

Facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt

Lidstaten kunnen ervoor kiezen om geen signalering in te voeren indien betrokkene in vreemdelingen-bewaring zit.

Nederland maakt hier geen gebruik van

Artikel 3, derde lid (uitzondering op de verplichting om een signalering in te voeren)

Facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt

Lidstaten kunnen ervoor kiezen om geen signalering in te voeren indien betrokkene aan de grens een terugkeerbesluit krijgt opgelegd en dit meteen ten uitvoer wordt gelegd.

Nederland maakt hier geen gebruik van

Artikel 4, eerste lid (gegevens die in de SIS signalering mogen worden opgenomen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 4, tweede lid (Gegevens die in de SIS- signalering minimaal moeten worden opgenomen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 4, derde lid (Nadere beschrijving van wat dactylopische gegevens kunnen zijn)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht: 106a Vreemdelingenwet 2000 en Vreemdelingenbesluit 2000 zoals aangepast door het Besluit biometrie in de vreemdelingenketen. Hiermee is afname geregeld van biometrische gegevens op nationale grondslag

Zie artikel 32 van de SIS-verordening grenscontroles

Zie artikel 32 van de SIS-verordening grenscontroles

Artikel 5 (Verantwoordelijkheid SIRENE bureau voor uitwisseling aanvullende informatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen (voor de aanwijzing van het SIRENE bureau wordt verwezen naar de SIS-verordening grenscontroles en de SIS verordening politiële en justitiële samenwerking)

   

Artikel 6, eerste lid, eerste alinea (Beschrijving proces uitwisseling aanvullende informatie tussen signalerende lidstaat en uitvoerende lidstaat bij «hit» op een SIS terugkeersignalering aan de buitengrens bij uitreis)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht (KMar en ZHP kunnen een degelijke hit constateren)

   

Artikel 6, eerste lid tweede alinea (Beschrijving proces bij «hit» op SIS aan de buitengrens bij uitreis indien de signalerende lidstaat en de uitvoerende lidstaat dezelfde zijn (bijvoorbeeld: een door NL gesignaleerde reist uit via Schiphol naar het land van herkomst buiten het Schengengebied)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht (KMar en ZHP kunnen een degelijke hit constateren)

   

Artikel 6, tweede lid (Beschrijving proces na terugkeer

bevestiging op grond van eerste lid onder c of doorgegeven via nationale procedures: signalerende lidstaat wist de signalering en voert indien van toepassing signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 6, derde lid (Verplichting lidstaten om statistieken bij te houden over aantal terugkeerbevestigingen en in welke gevallen dat met dwang (verwijdering) ging)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 7, eerste lid (CS-SIS geeft een seintje als de termijn voor vrijwillig vertrek en evt. verlengingen daarvan is verlopen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 7, tweede lid (Algemene verplichting voor uitvoerende lidstaat om bij «hits» onmiddellijk contact op te nemen met signalerende lidstaat om gezamenlijk de te ondernemen actie te bepalen)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht (op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 aangewezen toezichthouders kunnen een dergelijke hit constateren)

   

Artikel 8, eerste lid onder a (Beschrijving proces uitwisseling aanvullende informatie tussen signalerende lidstaat en uitvoerende lidstaat bij «hit» op een SIS terugkeersignalering aan de buitengrens bij inreis en in geval het terugkeer besluit vergezeld gaat van een inreisverbod)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht ((KMar en ZHP kunnen een degelijke hit constateren)

   

Artikel 8, eerste lid onder b (Beschrijving proces uitwisseling aanvullende informatie tussen signalerende lidstaat en uitvoerende lidstaat bij «hit» op een SIS terugkeersignalering aan de buitengrens bij inreis en in geval het terugkeer besluit niet vergezeld gaat van een inreisverbod)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht (KMar en ZHP kunnen een degelijke hit constateren)

   

Artikel 9, eerste lid (Beschrijving proces uitwisseling aanvullende informatie tussen uitvoerende lidstaat en signalerende lidstaat in geval van een «hit» in een procedure tot verlening of verlenging verblijfsvergunning of visum lang verblijf wanneer niet alleen een terugkeerbesluit maar ook een inreisverbod is opgenomen

Uitvoering middels feitelijk handelen en op middels bestaand recht (de IND kan met een dergelijke hit te maken krijgen in geval van verlening of verlenging van een verblijfsvergunning of een visum voor lang verblijf)

   

Artikel 9, tweede lid (Beschrijving proces uitwisseling aanvullende informatie tussen uitvoerende lidstaat en signalerende lidstaat in geval van een «hit» in een procedure tot verlening of verlenging verblijfsvergunning of visum lang verblijf wanneer alleen een terugkeerbesluit is opgenomen)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht (de IND kan met een dergelijke hit te maken krijgen in geval van verlening of verlenging van een verblijfsvergunning of een visum voor lang verblijf)

   

Artikel 10 (Procesbeschrijving uitwisseling aanvullende informatie tussen mogelijk signalerend lidstaat en lidstaat die verblijfsvergunning of visum lang verblijf heeft afgegeven)

Uitvoering middels feitelijk handelen en uitvoering middels bestaand recht: artikel 62a Vreemdelingenwet 2000

   

Artikel 11 (Procesbeschrijving uitwisseling aanvullende informatie tussen signalerende lidstaat en lidstaat die verblijfsvergunning of visum lang verblijf heeft afgegeven)

Uitvoering middels feitelijk handelen en uitvoering middels bestaand recht: artikel 62a Vreemdelingenwet 2000

   

Artikel 12 («hit» in een lidstaat waar bij die lidstaat constateert dat er twee conflicterende signaleringen in SIS staan: enerzijds terugkeerbesluit en anderzijds verblijfsvergunning

Uitvoering middels feitelijk handelen en uitvoering middels bestaand recht: alle gevallen waarin er sprake is van een hit en een Nederlandse overheidsdienst deze constateert

   

Artikel 13 (Lidstaten dienen eu-LISA statistieken te verstrekken over consultaties, termijnen die niet gehaald zijn, uitkomsten consultatie etc)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 14, eerste lid, eerste zin (Indien onderliggend terugkeerbesluit wordt ingetrokken of nietig wordt verklaard door de bevoegde autoriteit dient de signalering te worden gewist)

Uitvoering middels feitelijk handelen + uitvoering middels bestaand recht: artikel 62a Vreemdelingenwet 2000

   

Artikel 14, tweede lid, eerste lid, tweede zin (Indien betrokken onderdaan kan aantonen dat hij het grondgebied van de lidstaten conform het terugkeerbesluit heeft verlaten dient de signalering te worden gewist)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 14, tweede lid (Zodra iemand Unieburger wordt of begunstigde wordt van vrij verkeer dient de signalering te worden gewist)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 15, eerste lid (Uitzondering op het verbod van doorgifte gegevens uit SIS terugkeersignaleringen aan derde landen)

Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 15, tweede lid (Doorgifte dient de regels van het Unierecht te respecteren, met name die over bescherming van persoonsgegevens, met inbegrip van hoofdstuk V van de RGB en indien van toepassing overname overeenkomsten en met het nationaal recht van de lidstaat die de gegevens doorgeeft)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 15, derde lid (Niet alleen toestemming signalerende lidstaat is nodig maar ook alleen doorgifte mogelijk voor identificatie derdelander die moet terugkeren of afgifte identificatie of reisdocument om te kunnen terugkeren. Verder op de hoogte stellen betrokkene van doorgifte)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 15, vierde lid (Doorgifte doet geen afbreuk aan rechten van aanvragers en begunstigden van internationale bescherming en met name verbod non-refoulment en verbod bekendmaken informatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 15, vijfde lid (Geen doorgifte indien terugkeerbesluit is uitgesteld of opgeschort en verbod non refoulment zou worden geschonden)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 15, zesde lid (nationale toezichthouder ziet toe op goede uitvoering)

Uitvoering middels feitelijk handelen. Volgt uit artikel 6, tweede lid, UAVG dat dit de AP is.

   

Artikel 16 (Verplichting voor EU-LISA om statistieken op te stellen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 17 (Bevoegde autoriteiten met recht op toegang tot gegevens in SIS)

Artikel verwijst naar artikel 34 van de SIS-verordening grenscontroles (zie toelichting aldaar en artikel 2 van het wetsvoorstel)

   

Artikel 18 (Evaluatie door Europese Commissie van de toepassing van de verordening)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 19 (Bepalingen van de SIS-verordening grenscontroles die van overeenkomstige toepassing zijn)

Verwezen wordt naar de transponeringstabel bij de SIS-verordening grenscontroles: artikelen 6 tot en met 19, artikel 20, derde en vierde lid, 21, 23, 32, 33, artikel 34, vijfde lid, artikelen 36 bis, ter en quater en de artikelen 38 tot en met 60

   

Artikel 20 (Inwerkingtreding en toepassing)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten.

Zie echter voor gevolgen voor inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel artikel 12 en de artikelsgewijze toelichting.

   

SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (verordening 2018/1862/EU, zoals gewijzigd bij verordening 2019/818/EU en verordening 2021/1150/EU)

Bepaling EU-regelgeving

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij

de invulling van de beleidsruimte

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 (Algemene doelstelling van SIS)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 2 (Onderwerp)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 3 (Definities)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 4 (Technische architectuur en werkwijze van SIS)

Uitvoering middels feitelijk handelen

Een N.SIS kan een gegevensbestand bevatten (een «nationale kopie») met een volledige of gedeeltelijke kopie van de SIS-databank

Het Nederlandse N.SIS is een nationale kopie van het C.SIS zonder de binaire data. Zie paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting

Artikel 5 (Kosten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK II VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE LIDSTATEN

Artikel 6 (Nationale systemen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 7 (N.SIS en SIRENE-bureau)

Bureau Sirene is ondergebracht bij de landelijke eenheid van de politie. Tevens bestaand recht artikelen 6 en 6a van de Wpg (N.SIS-instantie).

   

Artikel 8 (Uitwisseling van aanvullende informatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 9 (Naleving van technische en functionele vereisten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 10 (Beveiliging – lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 11 (Vertrouwelijkheid – lidstaten)

Artikel 7 van het wetsvoorstel en paragraaf 5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 12 (Bijhouden van logbestanden op nationaal niveau)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 13 (Intern toezicht)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht: artikel 5:20 van de Awb

   

Artikel 14 (Opleiding van personeel)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK III VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN eu-LISA

Artikel 15 (Operationeel beheer)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 16 (Beveiliging – eu-LISA)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 17 (Vertrouwelijkheid – eu-LISA)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 18 (Bijhouden van logbestanden op centraal niveau)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 18 ter

(Bijhouden van logbestanden met het oog op de interoperabiliteit met Etias)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK IV PUBLIEKSVOORLICHTING

Artikel 19 (Publiekscampagnes)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK V GEGEVENSCATEGORIEEN EN MARKERING

Artikel 20 (Gegevenscategorieën)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 21 (Evenredigheid)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 (Vereisten voor de invoering van een signalering)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht: zie onder meer de artikelen 27a en 55c Wetboek van Strafvordering en artikel 5 van de Wpg

Het wordt aan de lidstaten zelf overgelaten om al dan niet biometrie in de signalering op te nemen (dit behoeft alleen indien beschikbaar) en welke soort binnen de marge van uit één tot tien platte vingerafdrukken of één tot tien gerolde vingerafdrukken.

De signalering kan ook maximaal twee handpalmafdrukken omvatten (zie artikel 42)

Anders dan in het het vreemdelingen-recht worden thans in het strafrechtelijke domein niet alleen vingerafdrukken en gezichtsopnamen verwerkt, maar ook handpalm afdrukken (artikel 61a Wetboek van Strafvordering). Nederland zal deze niet invoeren in het C.SIS

Artikel 23 (Verenigbaarheid van signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 24 (Algemene bepalingen betreffende markering)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 25 (Markering van signaleringen met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK VI SIGNALERINGEN VAN PERSONEN DIE MET HET OOG OP AANHOUDING TEN BEHOEVE VAN OVERLEVERING OF UITLEVERING WORDEN GEZOCHT

Artikel 26 (Doelstellingen en voorwaarden voor het invoeren van signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 27 (Extra gegevens over personen die worden gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 28 (Aanvullende informatie over personen die worden gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 29 (Aanvullende informatie over personen die worden gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 30 (Omzetting van een te ondernemen actie betreffende signaleringen met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 31 (Uitvoering van een in een signalering met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering gevraagde actie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK VII SIGNALERINGEN VAN VERMISTE OF KWETSBARE PERSONEN DIE MOETEN WORDEN VERHINDERD TE REIZEN

Artikel 32 (Doelstellingen en voorwaarden voor het invoeren van signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 33 (Uitvoeren van een in een signalering gevraagde actie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK VIII SIGNALERINGEN VAN PERSONEN DIE WORDEN GEZOCHT MET HET OOG OP EEN GERECHTELIJKE PROCEDURE

Artikel 34 (Doelstellingen en voorwaarden voor het invoeren van signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 35 (Uitvoering van de in een signalering gevraagde actie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK IX SIGNALERINGEN VAN PERSONEN EN VOORWERPEN MET HET OOG OP ONOPVALLENDE CONTROLE, ONDERZOEKSCONTROLE OF GERICHTE CONTROLE

Artikel 36 (Doelstellingen en voorwaarden voor het invoeren van signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 37 (Uitvoering van de in een signalering gevraagde actie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK X SIGNALERINGEN VAN VOORWERPEN MET HET OOG OP INBESLAGNEMING OF GEBRUIK ALS BEWIJSMATERIAAL IN EEN STRAFPROCEDURE

Artikel 38 (Doelstellingen en voorwaarden voor het invoeren van signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 39 (Uitvoering van de in een signalering gevraagde actie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK XI SIGNALERINGEN VAN ONBEKENDE PERSONEN DIE WORDEN GEZOCHT MET HET OOG OP IDENTIFICATIE UIT HOOFDE VAN NATIONAAL RECHT

Artikel 40 (Signaleringen van onbekende personen die worden gezocht met het oog op identificatie uit hoofde van nationaal recht)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 41 (Uitvoering van de in een signalering gevraagde actie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK XII SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN VOOR BIOMETRISCHE GEGEVENS

Artikel 42 (Specifieke voorschriften voor invoering van foto’s, gezichtsopnamen, dactyloscopische gegevens en DNA-profielen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

Het wordt aan de lidstaten zelf overgelaten om al dan niet biometrie in de signalering op te nemen (dit behoeft alleen indien beschikbaar) en welke soort binnen de marge van uit één tot tien platte vingerafdrukken of één tot tien gerolde vingerafdrukken. De signalering kan ook maximaal twee handpalmafdrukken omvatten

Anders dan in het het vreemdelingen-recht worden thans in het strafrechtelijke domein niet alleen vingerafdrukken en gezichtsopnamen verwerkt, maar ook handpalm afdrukken (artikel 61a Wetboek van Strafvordering). Nederland zal deze niet invoeren in het C.SIS

Artikel 43 (Specifieke voorschriften voor verificaties of doorzoekingen met foto’s, gezichtsopnamen, dactyloscopische gegevens en DNA-profielen)

Uitvoering middels feitelijk handelen en middels bestaand recht: artikel 55c van het Wetboek van Strafvordering

Artikel 33 bevat diverse operationele mogelijkheden om het SIS te doorzoeken. Op grond van het tweede lid moet het SIS zelfs worden geraadpleegd in bepaalde gevallen

Nederlandse wetgeving staat niet in de weg aan de mogelijkheden tot doorzoeking op grond van het artikel en deze mogelijkheden zijn noodzakelijk voor verificatie of vaststelling van de identiteit

HOOFDSTUK XIII TOEGANGSRECHT EN TOETSING VAN SIGNALERINGEN

Artikel 44 (Nationale bevoegde autoriteiten met recht op toegang tot gegevens in SIS)

Artikel 2 van het wetsvoorstel

De lidstaten wijzen de toegangs-gerechtigde autoriteiten aan, voor zover noodzakelijk

 

Artikel 45 (Instanties die belast zijn met de registratie van voertuigen)

Artikel 2 van het wetsvoorstel

De lidstaten wijzen de toegangs-gerechtigde autoriteiten aan, voor zover noodzakelijk

 

Artikel 46 (Instanties die belast zijn met de registratie van vaartuigen en luchtvaartuigen)

Artikel 2 van het wetsvoorstel

De lidstaten wijzen de toegangs-gerechtigde autoriteiten aan, voor zover noodzakelijk

 

Artikel 47 (Instanties die belast zijn met de registratie van vuurwapens)

Artikel 2 van het wetsvoorstel

De lidstaten wijzen de toegangs-gerechtigde autoriteiten aan, voor zover noodzakelijk

 

Artikel 48 (Toegang van Europol tot gegevens in SIS)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 49 (Toegang van Eurojust tot gegevens in SIS)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 49 bis (Toegang tot gegevens in SIS door de centrale Etias-eenheid)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 50 (Toegang tot gegevens in SIS door de Europese grens- en kustwachtteams, de teams van personeelsleden die betrokken zijn met terugkeer verband houdende taken, en leden van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 50 ter (Interoperabiliteit met Etias)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 51 (Evaluatie van het gebruik van SIS door Europol, Eurojust en het Europees Grens- en kustwachtagentschap)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 52 (Reikwijdte van de toegang)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 53 (Toetsingstermijn voor signaleringen van personen)

Uitvoering middels feitelijk handelen en facultatieve bepaling waar geen gebruik van wordt gemaakt

De lidstaten kunnen ervoor kiezen een kortere toetsingstermijn vast te stellen

Nederland heeft ervoor gekozen geen kortere toetsingstermijn voor signaleringen vast te stellen

Artikel 54 (Toetsingstermijn voor signaleringen van voorwerpen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK XIV WISSING VAN SIGNALERINGEN

Artikel 55 (Wissing van signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK XV ALGEMENE VOORSCHRIFTEN INZAKE GEGEVENSVERWERKING

Artikel 56 (Verwerking van SIS-gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 57 (SIS-gegevens en nationale bestanden)

Artikel 6 van het wetsvoorstel

Een lidstaat kan een langere bewaartermijn vaststellen ten aanzien van gegevens aan de hand waarvan een actie is ondernomen

Bewaartermijn is gelijkgesteld aan de bewaartermijn van gegevens die voor hetzelfde doel worden verwerkt

Artikel 58 (Informatie bij niet-uitvoering van een signalering)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 59 (Kwaliteit van de gegevens in SIS)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 60 (Beveiligingsincidenten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 61 (Onderscheid tussen personen met vergelijkbare kenmerken)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 62 (Extra gegevens met als doel om te gaan met misbruikte identiteiten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 63 (Links tussen signaleringen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 64 (Doel en bewaartermijn van aanvullende informatie)

Artikel 6 van het wetsvoorstel

Een lidstaat kan een langere bewaartermijn vaststellen ten aanzien van gegevens aan de hand waarvan een actie is ondernomen

Bewaartermijn is gelijkgesteld aan de bewaartermijn van gegevens die voor hetzelfde doel worden verwerkt

Artikel 65 (Doorgifte van persoonsgegevens aan derden)

Artikel 9 van het wetsvoorstel

   

HOOFDSTUK XVI GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 66 (Toepassing wetgeving)

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 67 (Recht op inzage in gegevens, rectificatie van onjuiste gegevens en wissing van onrechtmatig opgeslagen gegevens)

Zie paragraaf 8.4 van de memorie van toelichting

   

Artikel 68 (Rechtsmiddelen)

Zie paragraaf 8.5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 69 (Toezicht op N.SIS)

Uitvoering middels feitelijk handelen.

Ten aanzien van de toezichthouder volgt uit artikel 6, tweede lid, UAVG, artikel 35 van de Wpg en artikel 27 Wjsg volgt dat dit de AP is.

   

Artikel 70 (Toezicht op eu-LISA)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 71 (Samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOODFSTUK XVII AANSPRAKELIJKHEID EN SANCTIES

Artikel 72 (Aansprakelijkheid)

Zie paragraaf 8.5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 73 (Sancties)

Zie artikel 9 van het wetsvoorstel en paragraaf 8.6 van de memorie van toelichting en

   

HOODFSTUK XVIII SLOTBEPALINGEN

Artikel 74 (Toezicht en statistieken)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 75 (Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 76 (Comitéprocedure)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 77 (Wijzigingen in Besluit 2007/533/JBZ)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 78 (Inwerkingtreding)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 79 (Inwerkingtreding, aanvang van werkzaamheden en toepassing)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Verordeningen interoperabiliteit (verordening 2019/817/EU, zoals gewijzigd door verordening 2021/1152/EU en verordening 2019/818/EU zoals gewijzigd door verordening 2021/1150/EU en verordening 2021/1151/EU)74

Artikel

Bepaling uitvoeringsregeling of Toelichting

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 (onderwerp)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 2 (doelstellingen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 3 (toepassingsgebied)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 4 (definities)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 5 (non-discriminatie en grondrechten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK II HET EUROPEES ZOEKPORTAAL

Artikel 6 (het Europees zoekportaal)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 7 (gebruik van het Europees zoekportaal), eerste tot en met derde en vijfde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen en de bestaande achterliggende verordeningen

   

Artikel 7, vierde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 8 (profielen voor de gebruikers van het Europees zoekportaal), eerste en derde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 8, tweede lid

Uitvoering middels feitelijk handelen en de bestaande achterliggende verordeningen

   

Artikel 9 (zoekopdrachten), eerste, derde lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 9, tweede lid

Uitvoering middels feitelijk handelen en de bestaande achterliggende verordeningen

   

Artikel 9, vierde, zesde en zevende lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 9, vijfde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 10 (bijhouden van logbestanden), eerste lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 10, tweede en derde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 11 (vangnetprocedures voor wanneer het Europees zoekportaal om technische redenen niet kan worden gebruikt), eerste en vierde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 11, tweede lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 11, derde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen en bestaand recht: artikel 19 van deze verordeningen, de achterliggende verordeningen en het nationaal recht ter uitwerking hiervan

   

HOOFDSTUK III GEZAMENLIJKE DIENST VOOR BIOMETRISCHE MATCHING

Artikel 12 (gezamenlijke dienst voor biometrische matching)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 13 (opslag van biometrische templates in de gemeenschappelijke dienst voor biometrische matching)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 14 (doorzoeken van biometrische gegevens met de gezamenlijke dienst voor biometrische matching)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 15 (bewaring van gegevens in de gezamenlijke dienst voor biometrische matching)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 16 (bijhouden van logbestanden), eerste lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 16, tweede lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 16, derde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

HOOFDSTUK IV GEMEENSCHAPPELIJKE INDENTITEITSREGISTER

Artikel 17 (gemeenschappelijk identiteitsregister), eerste tot en met vierde lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten.

   

Artikel 17, vijfde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 18 (de gegevens van het gemeenschappelijk identiteitsregister), eerste tot en met tweede, vierde en vijfde lid.

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 18, derde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen en achterliggende verordeningen

   

Artikel 19 (toevoeging, wijziging en wissing van gegevens in het gemeenschappelijk identiteitsregister)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 20 (toegang tot het gemeenschappelijk identiteitsregister met het oog op identificatie), eerste en derde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 20, tweede en vierde tot en met zesde lid

Artikel 8 van het wetsvoorstel

   

Artikel 21 (toegang tot het gemeenschappelijk identiteitsregister met het oog op het detecteren van meerdere identiteiten)

Uitvoering middels feitelijk handelen.

   

Artikel 22 (doorzoeken van het gemeenschappelijk identiteitsregister met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten), eerste lid

Uitvoering middels feitelijk handelen en via de achterliggende verordeningen (zie de artikelen 3 en 4 van het wetsvoorstel)

   

Artikel 22, tweede lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22, derde lid

Uitvoering middels achterliggende verordeningen

   

Artikel 23 (bewaring van gegevens in het gemeenschappelijk identiteitsregister)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 24 (bijhouden van logbestanden), eerste tot en met zesde en achtste lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 24, vijfde en zevende lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK V DETECTOR VAN MEERDERE IDENTITEITEN

Artikel 25 (detector van meerdere identiteiten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten.

   

Artikel 26 (toegang tot de detector van meerdere identiteiten), eerste lid

Uitvoering middels feitelijk handelen en achterliggende verordeningen

   

Artikel 26, tweede tot en met vierde lid.

Uitvoering middels feitelijk handelen en achterliggende verordeningen

   

Artikel 27 (detectie van meerdere identiteiten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 28 (resultaten van detectie van meerdere identiteiten), eerste lid

Uitvoering middels achterliggende verordeningen

   

Artikel 28, tweede tot en met zevende lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 29 (manuele verificatie van meerdere identiteiten en verantwoordelijke autoriteiten), eerste en tweede lid

Uitvoering middels feitelijk handelen en achterliggende verordeningen

   

Artikel 29, derde tot en met zesde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 30 (gele link), eerste lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 30, tweede lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 31 (groene link), eerste en tweede lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 31, derde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 32 (rode link), eerste en derde en zesde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 32, tweede lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 32, vierde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 32, vijfde en zevende lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 33 (witte link), eerste tot en met derde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 33, vierde en vijfde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 33, zesde lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 34 (identiteitsbevestigingsbestand)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 35 (bewaring van gegevens in de detector van meerdere identiteiten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 36 (bijhouden van logbestanden), eerste lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 36, tweede lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 36, derde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK VI MAATREGELEN TER ONDERSTEUNING VAN INTEROPERABILITEIT

Artikel 37 (gegevenskwaliteit), eerste en tweede lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 37, derde tot en met vijfde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 38 (Universal Message Format)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 39 (centraal register voor rapportage en statistieken)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK VII GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 40 (verwerkingsverantwoordelijke), eerste en tweede lid

Zie paragraaf 5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 40, derde lid

Zie paragraaf 5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 40, vierde lid

Zie paragraaf 5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 41 (verwerker)

Zie paragraaf 5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 42 (beveiliging van de verwerking), tweede en derde lid

Zie paragraaf 5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 42, eerste en vierde lid

Zie paragraaf 5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 43 (beveiligingsincidenten), eerste, tweede en vierde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen en zie paragraaf 5 van de memorie van toelichting

   

Artikel 43, derde en vijfde lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 44 (interne monitoring)

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 45 (sancties)

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 46 (aansprakelijkheid)

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 47 (recht op informatie), eerste lid

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 47, tweede en derde lid

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 48 (recht op inzage), eerste lid

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 48, tweede lid

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting en een facultatieve bepaling waar (vooralsnog) geen gebruik van wordt gemaakt

De lidstaten kunnen besluiten dat een centraal kantoor antwoordt op een verzoek tot inzage

Nederland zal hier gebruik van maken: namens alle andere betrokken ketenpartners (dus in mandaat) zal één ketenpartner de verzoeken om inzage, correctie etc. in behandeling nemen, zodat de burger terechtkan bij één loket

Artikel 48, derde, vijfde, zesde, zevende, negende, tiende en elfde lid

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 48, vierde lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen en zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 48, achtste lid

Zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 49 (webportaal), eerste, tweede, vijfde en zesde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 49, derde lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 49, vierde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 50 (mededeling van persoonsgegevens aan derde landen, internationale organisaties en particulieren)

Artikel 9 van het wetsvoorstel

   

Artikel 51 (toezicht door toezichthoudende organen), eerste lid

Uitvoering middels feitelijk handelen. Ten aanzien van de toezichthouder volgt uit artikel 6, tweede lid, UAVG, artikel 35 van de Wpg en artikle 27 Wjsg volgt dat dit de AP is.

   

Artikel 51, tweede lid

Uitvoering middels feitelijk

   

Artikel 51, derde en vierde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 51, vijfde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 52 (audits door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 53 (samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming), eerste en tweede lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 53, derde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK VIII VERANTWOORDELIJKHEDEN

Artikel 54 (verantwoordelijkheden van eu-LISA gedurende de ontwerp en ontwikkelingsfase)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 55 (verantwoordelijkheden van eu-LISA na de ingebruikneming), eerste lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 55, tweede, derde en vierde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 56 (verantwoordelijkheden van de lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 57 Verordening (EU) 2019/818 (verantwoordelijkheden van Europol)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 57 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 58 Verordening (EU) 2019/818 (verantwoordelijkheden van de centrale Etias-eenheid)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK IX WIJZIGINGEN VAN ANDERE INSTRUMENTEN VAN DE UNIE

Artikel 58 tot en met 65 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 59 tot en met 61 Verordening (EU) 2019/818

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK X SLOTBEPALINGEN

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 66 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 62 Verordening (EU) 2019/818 (verslagen en statistieken), eerste tot en met derde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 66 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 62 Verordening (EU) 2019/818, vierde tot en met zevende lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 67 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 63 Verordening (EU) 2019/818 (overgangsperiode voor het gebruik van het Europees zoekportaal), eerste lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 67 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 63 Verordening (EU) 2019/818, tweede lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 68 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 64 Verordening (EU) 2019/818 (overgangsperiode voor de toepassing van de bepalingen inzake de toegang tot het gemeenschappelijke identiteitsregister met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 69 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 65 Verordening (EU) 2019/818 (overgangsperiode voor de detectie van meerdere identiteiten), eerste tot en met vierde, zesde en achtste lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 69 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 65 Verordening (EU) 2019/818, vijfde en zevende lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 70 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 66 Verordening (EU) 2019/818 (kosten), eerste tot en met vierde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 70 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 66 Verordening (EU) 2019/818, vijfde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 71 verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 67 Verordening (EU) 2019/818 (kennisgevingen), eerste lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 71 verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 67 Verordening (EU) 2019/818, tweede, derde en vierde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 72 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 68 Verordening (EU) 2019/818 (ingebruikneming), eerste tot en met zesde en achtste lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 72 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 68 Verordening (EU) 2019/818 (ingebruikneming), zevende lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 73 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 69 Verordening (EU) 2019/818 (uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie), eerste tot en met derde, vijfde en zesde lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 73 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 69 Verordening (EU) 2019/818, vierde lid

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 74 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 70 Verordening (EU) 2019/818 (comitéprocedure)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 75 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 71 Verordening (EU) 2019/818 (adviesgroep)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 76 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 72 Verordening (EU) 2019/818 (opleiding)

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 77 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 73 Verordening (EU) 2019/818 (praktische handleiding)

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 78 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 74 Verordening (EU) 2019/818 (monitoring en evaluatie), eerste tot en met zesde, achtste en tiende lid

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 78 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 74 Verordening (EU) 2019/818, zevende lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 78 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 74 Verordening (EU) 2019/818, negende lid

Bepaling richt zich gedeeltelijk niet tot de lidstaten. Voor zover zij wel tot de lidstaten gericht is: uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 79 Verordening (EU) 2019/817, respectievelijk artikel 75 Verordening (EU) 2019/818 (inwerkingtreding en toepasselijkheid)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Herzieningsverordening met het oog op de herziening van het Visuminformatiesysteem (verordening 2021/1134/EU, tot wijziging van verordening 767/2008/EG, verordening 810/2009/EG, 2016/399/EU, 2017/2226/EU, 2018/1240/EU, 2018/1860/EU, 2018/1861/EU, 2019/817/EU en 2019/1896/EU en tot intrekking van Beschikking 2004/512/EG van de Raad en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad)

Bepaling EU-regelgeving

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij

de invulling van de beleidsruimte

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Wijzigingen verordening 767/2008 (VIS-verordening)

     

1) wijzigt de titel van de verordening

Artikel 11, onderdeel A

(Door de wijziging in de titel van de verordening is een aanpassing naar de verwijzing van de VIS-verordening noodzakelijk op het moment dat deze herzieningsverordening inwerking treedt)

   

2) wijzigt artikel 1

(Onderwerp en toepassingsgebied)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

3) vervangt artikel 2

(Doelstelling)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

3) voegt artikel 2 bis toe (Architectuur)

Uitvoering middels feitelijk handelen en bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

4)schrapt artikel 3 huidige VIS

Artikel 3

(Beschikbaarheid van gegevens met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische

misdrijven en andere ernstige strafbare feiten) – geschrapt

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

5)wijzigt artikel 4

(Definities)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

6)vervangt artikel 5 artikel 5

(Categorieën gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

6)voegt artikel 5 bis toe

(Lijst van erkende reisdocumenten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

6) vervangt artikel 6

(Toegang voor het invoeren, wijzigen en verwijderen van gegevens)

Deels uitvoering middels bestaand recht (visumautoriteiten, zie paragraaf 3.3)

Deels aanwijzing bij amvb ogv artikel 2 van het wetsvoorstel

Zie par. 2.4, 3.3, 3.6 en 3.7) van de memorie van toelichting.

Derde en vierde lid uitvoering middels feitelijk handelen.

Vijfde lid richt zich niet tot de lidstaten.

   

7)vervangt artikel 7 lid 2

Artikel 7

(Algemene beginselen, waaronder behoorlijkheid, non-discriminatie, rechten van de mens, en het belang van het kind)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK II INVOERING EN GEBRUIK VAN GEGEVENS OVER VISA DOOR DE VISUMAUTORITEITEN

8)vervangt titel HII

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

9)wijzigt artikel 8

(Procedures met regels voor visumautoriteiten over het invoeren van gegevens in VIS bij een visumaanvraag)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

10) wijzigt artikel 9

Artikel 9

(Regels voor visumautoriteiten over de gegevens die moeten worden opgenomen bij de indiening van de visumaanvraag)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

11)voegt een nieuw artikel in

Artikel 9 bis (Zoekopdrachten in andere informatiesystemen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

11) voegt in:

artikel 9ter

Specifieke bepalingen voor familieleden van burgers van de Unie of van andere onderdanen van derde landen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen

Lid 1, 2 en 4: Bepaling richt zich niet tot de lidstaten.

Lid 3: Uitvoering middels feitelijk handelen

   

11) voegt in:

Artikel 9 quater Handmatige verificatie en follow-up van treffers door bevoegde visumautoriteiten

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

11) voegt in:

Artikel 9 quinquies Handmatige verificatie van treffers door aangewezen VIS-autoriteiten

Aanwijzing «aangewezen VIS-autoriteit»

Artikel 2 van het wetsvoorstel bevat de grondslag voor aanwijzing van de Aangewezen VIS-autoriteit. Zie tevens paragraaf 3.6 van de memorie van toelichting

De lidstaten mogen meer dan één autoriteit als aangewezen VIS-autoriteit aanwijzen. De lidstaten mogen bureau Sirene aanwijzen.

Dit is toegelicht in paragraaf 3.6

11) voegt in:

Artikel 9 sexies (Handmatige verificatie en follow-up van treffers in de Etias-observatielijst)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

11) voegt in:

artikel 9 septies

(Follow-up van bepaalde treffers door het Sirene-bureau)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

11) voegt in:

Artikel 9 octies

(Follow-up van bepaalde treffers door aangewezen VIS-autoriteiten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

11) voegt in:

Artikel 9 nonies

(Uitvoering en handleiding)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

11) voegt in:

Artikel 9 decies

(Taken van Europol)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

11) voegt in:

Artikel 9 undecies

(Specifieke risico-indicatoren)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

11) Voegt in:

Artikel 9 duodecies

(VIS-screeningraad)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten, m.u.v. deels lid 1, uitvoering middels feitelijk handelen (betreft afvaardigen vertegenwoordiger van de centrale visumautoriteit van een lidstaat)

   

11) voegt in:

Artikel 9 terdecies

(VIS-sturingsraad voor de grondrechten)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

12) wijzigt artikel 10, lid 1, punt f

(Regels voor visumautoriteiten over de toe te voegen gegevens in het aanvraagbestand bij afgifte van een visum)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

13) schrapt artikel 11 (Bij afbreken van de behandeling van de aanvraag toe te voegen gegevens) – geschrapt

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

14) wijzigt artikel 12, lid 2

(Regels voor visumautoriteiten over de toe te voegen gegevens in het aanvraagdossier bij weigering van een visum)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

15) vult artikel 13 aan met een vierde lid

(Regels voor visumautoriteiten over de toe te voegen gegevens in het aanvraagdossier bij nietigverklaring of intrekking van een visum)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 14

(Regels voor visumautoriteiten over de toe te voegen gegevens in het aanvraagdossier bij verlenging van een visum)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

16) wijzigt artikel 15

(Regels voor bevoegde visumautoriteiten over gebruik van het VIS voor de behandeling van aanvragen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

17) vervangt artikel 16:

Artikel 16 (Gebruik van het VIS voor raadpleging en voor verzoeken om documenten)

Lid 1 en 2: Deels bepaling richt zich niet tot de lidstaten. Deels uitvoering middels feitelijk handelen

Lid 3 t/m 3 ter en 4: Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

Lid 3 quater: Uitvoering middels feitelijk handelen

   

18) schrapt artikel 17

(Gebruik van gegevens voor verslagen en statistieken

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK III TOEGANG TOT GEGEVENS OVER VISA DOOR ANDERE AUTORITEITEN

19) vervangt de titel van hoofdstuk III

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

20) wijzigt artikel 17 bis

(Interoperabiliteit met het EES)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

21) wijzigt artikel 18

Artikel 18

(Regels voor bevoegde autoriteiten over toegang tot bepaalde gegevens in het VIS voor verificatie aan de grenzen waar het EES wordt gebruikt)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

22) wijzigt artikel 19

Artikel 19

(Regels voor bevoegde autoriteiten over toegang tot bepaalde gegevens in het VIS voor verificatie op het grondgebied van de lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

23) vervangt artikel 19 bis, vierde lid

(Regels voor bevoegde autoriteiten over gebruik van het VIS voordat de persoonlijke dossiers van niet-visumplichtige onderdanen van derde landen worden aangelegd in het EES)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

24) wijzigt artikel 20

(Regels voor bevoegde autoriteiten die controles uitvoeren aan de grenzen waar het EES wordt gebruikt en op het grondgebied van de lidstaten over toegang tot bepaalde gegevens in het VIS voor identificatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

25) vervangt artikel 21:

Artikel 21

(Toegang tot VIS-gegevens met het oog op de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor verzoeken om internationale bescherming)

Uitvoering middels feitelijk handelen en artikel 2 van het wetsvoorstel. Zie tevens paragraaf 3.7.

   

25) vervangt artikel 22:

Artikel 22

(Toegang tot VIS-gegevens met het oog op de behandeling van een verzoek om internationale bescherming)

Artikel 22, lid 1 en 2

(Regels voor bevoegde asielautoriteiten over toegang tot bepaalde gegevens in het VIS voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

26) voegt nieuwe hoofdstukken in (III bis en III ter):

Zie per artikel hieronder

   

HOOFDSTUK III bis INVOERING EN GEBRUIK VAN GEGEVENS BETREFFENDE VISA VOOR VERBLIJF VAN LANGERE DUUR EN VERBLIJFSVERGUNNINGEN

Artikel 22 bis

(Procedures voor het invoeren van gegevens na een aanvraag voor een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 ter, lid 1 t/m 11 en 17 en 18

(Zoekopdrachten in informatiesystemen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 22 ter, lid 12 t/m 16

(Regels voor bevoegde visum- of immigratieautoriteiten bij een aanvraag voor een visum voor verblijf van langere duur of verblijfsvergunning over de handmatige verificatie en follow-up van bepaalde hits)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 quater

(Toe te voegen gegevens bij uitgifte van een visum voor verblijf van langere duur of van een verblijfsvergunning)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 quinquies

(Gegevens die moeten worden toegevoegd in bepaalde gevallen van weigering van een visum voor verblijf van langere duur of van een verblijfsvergunning)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 sexies

(Toe te voegen gegevens bij intrekking of nietigverklaring van een visum voor verblijf van langere duur of van een verblijfsvergunning)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 septies

(Toe te voegen gegevens bij verlenging van een visum voor verblijf van langere duur of vernieuwing van een verblijfsvergunning)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 octies

(Toegang tot VIS-gegevens met het oog op verificatie van visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen bij doorlaatposten aan de buitengrenzen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 nonies

(Toegang tot VIS-gegevens voor verificatie op het grondgebied van de lidstaat)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 decies

(Toegang tot VIS-gegevens voor identificatie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 undecies, lid 1 en 2

(Toegang tot VIS-gegevens met het oog op de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor verzoeken om internationale bescherming)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 undecies, lid 3

(Aanwijzing van bevoegde asielautoriteiten over toegang tot bepaalde gegevens in het VIS voor vaststelling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming)

Artikel 2 van het wetsvoorstel. Zie tevens paragraaf 3.7 van de memorie van toelichting

   

Artikel 22 duodecies, lid 1 en 2

(Toegang tot VIS-gegevens met het oog op de behandeling van een verzoek om internationale bescherming)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 duodecies, lid 3

(Aanwijzing van bevoegde asielautoriteiten over toegang tot bepaalde gegevens in het VIS voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming)

Artikel 2 van het wetsvoorstel. Zie tevens paragraaf 3.7 van de memorie van toelichting

   

HOOFDSTUK III ter PROCEDURE EN VOORWAARDEN VOOR TOEGANG TOT HET VIS VOOR RECHTSHANDHAVINGSDOELEINDEN

Artikel 22 terdecies, lid 1

(Aanwijzing van bevoegde autoriteiten voor raadpleging van gegevens in het VIS met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten)

Artikel 3 en 11 van het wetsvoorstel

Paragraaf 3.8 van de memorie van toelichting

   

Artikel 22 terdecies, lid 2

(Lijst van aangewezen autoriteiten en kennisgeving aan de Commissie en eu-LISA)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 terdecies, lid 3

(Aanwijzing van een centraal toegangspunt voor de beoordeling of aan de voorwaarden voor toegang tot het VIS met het oog op rechtshandhaving is voldaan)

Zie artikel 4 en 11 van het wetsvoorstel en par. 3.9 van de memorie van toelichting

   

Artikel 22 terdecies, lid 4

(Kennisgeving van het aangewezen centraal toegangspunt aan eu-LISA en de Commissie)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 terdecies, lid 5

(Lijst van operationele diensten binnen de aangewezen autoriteiten die gemachtigd zijn toegang te verzoeken tot gegevens in het VIS via het centraal toegangspunt)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 terdecies, lid 6

(Autorisatie voorbehouden aan gemachtigd personeel van het centraal toegangspunt voor toegang tot het VIS)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 quaterdecies

(Europol)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 22 quindecies

(Regels voor de operationele diensten genoemd in artikel 22 terdecies lid 5, over de procedure rondom toegang tot het VIS voor rechtshandhavingsdoeleinden)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 sexdecies

(Regels voor de aangewezen autoriteiten over de voorwaarden rondom toegang tot het VIS met het oog op raadpleging voor rechtshandhavingsdoeleinden)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 septdecies

(Toegang tot VIS voor identificatie van personen in bijzondere omstandigheden)

Zie par. 4.2 van de memorie van toelichting (onder kopje «Materiele voorwaarden»)

   

Artikel 22 octodecies

(Het gebruik van VIS-gegevens teneinde in SIS signaleringen in te voeren van vermiste of kwetsbare personen die moeten worden verhinderd te reizen en de latere toegang tot die gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen en artikel 2 van het wetsvoorstel.

   

Artikel 22 novodecies

(Procedure en voorwaarden voor toegang tot VIS-gegevens door Europol)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

Artikel 22 vicies

(Bijhouden van logbestanden door lidstaten voor verzoeken om gegevens te raadplegen met als doel het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten)

Lid 1: Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

Lid 2 en 3: Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 22 unvicies

(Voorwaarden voor toegang tot VIS-gegevens door aangewezen autoriteiten van een lidstaat ten aanzien waarvan deze Verordening nog niet in werking is getreden)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK IV BEWARING EN WIJZIGING VAN DE GEGEVENS

27) vervangt artikel 23:

Artikel 23

(Bewaringstermijn van opgeslagen gegevens)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

28) vervangt artikel 24:

Artikel 24

(Regels over het wijzigen van inaccurate of onrechtmatig verwerkte gegevens in het VIS door de lidstaten)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

29) wijzigt artikel 25

Artikel 25

(Vervroegd wissen van gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

HOOFDSTUK V BEHEER EN VERANTWOORDELIJKHEDEN

30) vervangt artikel 26:

Artikel 26

(Operationeel beheer)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

31) schrapt artikel 27

(Plaats van het centrale Visuminformatiesysteem)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

32) voegt in:

Artikel 27 bis

(Interoperabiliteit met andere EU-informatiesystemen en Europol-gegevens)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

33) wijzigt Artikel 28

(Verhouding tot de nationale systemen)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

34) vervangt artikel 29:

Artikel 29, lid 1 en 3, tweede en derde volzin

(Verantwoordelijkheid lidstaten voor het gebruik en de kwaliteit van gegevens)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

34) vervangt artikel 29:

Artikel 29, lid 2, 2 bis en 3, eerste volzin

(Verantwoordelijkheid eu-LISA voor het gebruik en de kwaliteit van gegevens)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

34: vervangt artikel 29:

Artikel 29, lid 4 (Aanwijzing verwerkingsverantwoordelijke)

Zie artikel 5 van het wetsvoorstel en par. 8.3 van de memorie van toelichting.

   

34) voegt in:

Artikel 29 bis

(Specifieke voorschriften voor het invoeren van gegevens i.v.m. kwaliteitscontroles)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 30 (wordt niet gewijzigd)

(Het bewaren van VIS-gegevens in nationale bestanden)

Zie artikel 10, onderdeel E van het wetsvoorstel

   

35) vervangt:

Artikel 31

(Doorgifte van gegevens naar derde landen of naar internationale organisaties)

Artikel 9 van het wetsvoorstel

   

36) wijzigt:

Artikel 32

(Gegevensbeveiliging)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

37) voegt in:

Artikel 32 bis

(Beveiligingsincidenten)

Uitvoering middels feitelijk handelen en zie par. 8 van de memorie van toelichting

   

38) vervangt:

Artikel 33

(Aansprakelijkheid)

Uitvoering middels bestaand recht, zie tevens par. 8 van de memorie van toelichting

   

38) vervangt:

Artikel 34

(Bijhouden van log-bestanden door eu-LISA, de lidstaten en de Europese Grens en Kustwacht agentschap)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

39) vervangt:

Artikel 36

(Sancties)

Uitvoering middels bestaand recht, zie tevens paragraaf 8.6 van de memorie van toelichting.

   

40) voegt in:

Artikel 36 bis

(Gegevensbescherming)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK VI RECHTEN EN TOEZICHT OP HET GEBIED VAN DE GEGEVENSBESCHERMING

41) wijzigt:

Artikel 37

(Recht op informatie)

Zie par. 8 van de memorie van toelichting

   

42) vervangt:

Artikel 38

(Recht van toegang, recht op rechtzetting en verwijdering van gegevens)

Zie par. 8 van de memorie van toelichting

   

42) vervangt:

Artikel 39

(Samenwerking om het recht op gegevensbescherming te waarborgen)

Zie par. 8 van de memorie van toelichting

   

42) vervangt:

Artikel 40

(Rechtsmiddelen)

Zie par. 8 van de memorie van toelichting

   

42) vervangt:

Artikel 41

(Toezicht door de nationale toezichthoudende autoriteit)

Uitvoering middels feitelijk handelen. Ten aanzien van de toezichthouder volgt uit artikel 6, tweede lid, UAVG, artikel 35 van de Wpg en artikle 27 Wjsg volgt dat dit de AP is.

   

42) vervangt:

Artikel 42

(Toezicht door de Europese Toezichthouder voor

Gegevensbescherming)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

42 vervangt:

Artikel 43

(Samenwerking tussen de nationale controleautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

43) schrapt:

Artikel 44

(Gegevensbescherming tijdens de overgangsperiode)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN

44) vervangt:

Artikel 45

(Uitvoering door de Commissie)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

44) voegt in:

Artikel 45 bis

(Regels over het gebruik van gegevens voor het opstellen van verslagen en statistieken)

Lid 1: Uitvoering middels feitelijk handelen

Lid 2 t/m 7: Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

44) voegt in:

Artikel 45 ter

(Verplichting tot bepaalde kennisgevingen door lidstaten aan de Commissie en eu-LISA)

Lid 1 t/m 3: Uitvoering middels feitelijk handelen

Lid 4: Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

44) voegt in:

Artikel 45 quater

(Toegang tot gegevens voor verificatie door vervoerders)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

44) voegt in:

Artikel 45 quinquies

(Vangnetprocedures wanneer het technisch onmogelijk is voor vervoerders om toegang tot gegevens te verkrijgen)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

44) voegt in:

Artikel 45 sexies

(Toegang tot VIS-gegevens door teams van het Europees Grens- en Kustwachtagentschap)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

44) voegt in:

Artikel 45 septies

(Voorwaarden en procedure voor toegang tot VIS-gegevens door teams van het Europees Grens- en Kustwachtagentschap)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten, m.u.v. lid 2, onder a

Lid 2, onder a: Uitvoering middels feitelijk handelen. Een voorwaarde voor toegang tot VIS-gegevens door teams van het Europees Grens- en Kustwachtagentschap is dat de lidstaat van ontvangst de teamleden autoriseert voor raadpleging van het VIS in het kader van hun operationele doeleinden

   

45) schrapt artikel 46, 47 en 48

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

46) voegt in:

Artikel 48 bis

(Uitoefening van bevoegdheidsdelegatie)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

47) vervangt:

Artikel 49

(Comitéprocedure)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

47) voegt in:

Artikel 49 bis

(Adviesgroep)

Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

   

47) vervangt:

Artikel 50

(Monitoring en evaluatie)

Lid 1 t/m 3, 5 en 7: Bepaling richt zich niet tot de lidstaten

Lid 4 en 6: Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 2 Wijziging van Verordening (EG) nr. 810/2009 (Visumcode)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 3 Wijziging van Verordening (EU) 2016/399 (SGC)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 4 Wijziging van Verordening (EU) 2017/2226 (EES)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 5 Wijziging van Verordening (EU) 2018/1240 (Etias)

Uitvoering middels feitelijk handelen

   

Artikel 6 Wijziging van Verordening (EU) 2018/1860 (SIS-verordening terugkeer)

Bepaling niet gericht tot de lidstaten

   

Artikel 7 Wijziging van Verordening (EU) 2018/1861 (SIS-grenscontroles)

Uitvoering middels feitelijk handelen en onderdelen niet gericht tot de lidstaten

   

Artikel 8 Wijziging van Verordening (EU) 2019/817 (IO grenzen en visa)

Uitvoering middels feitelijk handelen en onderdelen niet gericht tot de lidstaten

   

Artikel 9 Wijziging van Verordening (EU) 2019/1896 (vo Europese grens- en kustwacht)

Niet gericht tot de lidstaten

   

Artikel 10 Intrekking Beschikking 2004/512/EG van de Raad en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad

Niet gericht tot de lidstaten

   

Artikel 11

Ingebruikneming

Uitvoering middels feitelijk handelen en voor het overige niet gericht tot de lidstaten. Zie verder paragraaf 10 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 12 van het wetsvoorstel.

   

Artikel 12

Inwerkingtreding en toepassing

Uitvoering middels feitelijk handelen en voor het overige niet gericht tot de lidstaten. Zie verder paragraaf 10 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 12 van het wetsvoorstel.