Gepubliceerd: 24 april 2013
Indiener(s): Tanja Jadnanansing (PvdA)
Onderwerpen: economie overige economische sectoren
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33569-5.html
ID: 33569-5

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 24 april 2013

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij begrijpen dat het wetsvoorstel dient ter aanpassing van enkele bepalingen voortkomende uit de wijziging van de Wet op het notarisambt (Wna) naar aanleiding van de evaluatie van die wet en de wijziging van de Wet op het centraal testamentenregister en van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Deze laatste wet is van vrij recente datum. Ten eerste vernemen deze leden waarom de voorgestelde wijzigingen niet reeds bij dat eerdere wetsvoorstel zijn meegenomen. Kon dit destijds niet worden voorzien? Welke ontwikkelingen en/of ervaringen hebben zich nadien voorgedaan waardoor de regering zich genoodzaakt ziet om tot deze aanpassingswet te komen?

In de toelichting lezen deze leden dat de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) versoepeling verzoekt van de verplichte stageduur, zoals deze geldt voor kandidaat-notarissen die werken in deeltijd, door te trekken naar de eisen die gelden voor de benoeming tot notaris en de benoeming tot waarnemer. Over dit verzoek zijn de aan het woord zijnde leden op voorhand niet onmiddellijk enthousiast. Is er immers geen reden om de eisen voor de benoeming tot notaris c.q. waarnemer ten opzichte van de eisen voor de kandidaat-notaris zwaarder te laten zijn? Kan de regering nogmaals aangeven wat haar positie is in deze discussie? Hoe kan de kwaliteit van het notariaat worden gegarandeerd bij versoepeling van de benoemingsvereisten?

Naast een verzoek tot versoepeling van de verplichte stageduur lezen deze leden in de memorie toelichting een oproep van het Bureau van de KNB om te komen tot een verordening om regels te stellen in geval een notaris niet aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. Wat is de invloed die de regering kan uitoefenen op deze verordening, teneinde de kwaliteit van het notariaat te borgen?

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.

Zij lezen in het advies van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) dat in de nieuwe Financiële Verordening verwezen wordt naar de verplichting van de notaris om zorg te dragen voor een positieve liquiditeits- en solvabiliteitsverplichting. Het BFT is echter van mening dat het voorliggende wetsvoorstel onvoldoende wettelijke basis voor die verordening biedt en dat een aanvulling van de wet op dit punt gewenst is. BFT stelt voor om een extra lid aan artikel 23 van de Wna toe te voegen waarin – kortweg – de notaris wordt verboden handelingen te verrichten waarvan hij redelijkerwijs moet verwachten dat die er toe kunnen leiden dat hij niet aan zijn financiële verplichtingen zal kunnen voldoen. Dit lijkt deze leden een zinvolle aanvulling, omdat van een dergelijke tekst in de wet een duidelijker normatieve werking uit zal kunnen gaan dan wat de regering in het antwoord op de suggestie van het BFT geeft. In de memorie van toelichting wordt gewezen naar meerdere wetsartikelen in de Wna die als grondslag kunnen dienen voor de genoemde verordening. Wat verzet zich er precies tegen om de suggestie van het BFT wel over te nemen? Wordt het daarmee niet explicieter duidelijk gemaakt dat een notaris geen handelingen mag verrichten die er toe zouden kunnen leiden dat hij niet langer aan zijn financiële verplichtingen zou kunnen voldoen?

Deze leden voelen in tegenstelling tot de regering wel voor de suggestie van het BFT om naast meldingen van incidenten van financiële aard ook informatieverstrekking op het gebied van kwaliteit en integriteit te regelen. De reactie van de regering dat een dergelijke verruiming van de incidentenmeldplicht te onbepaald, te ruim en te disproportioneel in termen van de lasten voor de notaris zou zijn, zien zij graag nader onderbouwd.

De leden van de PVV-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel.

Zij merken op dat in het wetsvoorstel een uitzondering wordt toegevoegd aan de regeling omtrent de vervaltermijn voor ontvankelijkheid van de klacht tegen een notaris. Voorgesteld wordt een uitzondering op te nemen dat een beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de klacht wegens afloop van de driejarentermijn achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest. Deze leden vragen de regering nader uiteen te zetten wat dient te verstaan onder «redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld». In welke gevallen kan de klager niet verweten worden dat deze zich niet bewust was van een vermeend tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten van de notaris?

Deze leden merken op dat de regering een aantal voorstellen van het BFT niet heeft overgenomen. Zij vragen of het wettelijk instrumentarium van de BFT ten aanzien van de controle op notarissen wel adequaat genoeg is, gelet op de voorstellen. Kan de regering nader uiteenzetten waarom de incidentenmeldplicht niet uitgebreid wordt naar andere elementen, zoals integriteit en kwaliteit. Zijn er signalen dat er onvoldoende opgetreden kan worden ingeval de integriteit of de kwaliteit van een notaris in twijfel wordt getrokken?

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Ondanks dat het voorstel een verbetering is ten opzichte van de huidige situatie hebben deze leden toch een paar vragen en opmerkingen.

Zij merken op dat straks niet alleen wordt getoetst of iemand persoonlijk geschikt is om het notarisambt te mogen bekleden, maar ook of iemand door de benoeming enige schade voor de eer en het aanzien van dat ambt zal opleveren. Zij zijn benieuwd in hoeverre vanuit de praktijk de behoefte is uitgesproken voor deze extra toets. Waarom kan een benoeming niet nu al geen doorgang vinden als iemand bijvoorbeeld niet van onbesproken gedrag is? Men zou dan eigenlijk kunnen zeggen dat die persoon ongeschikt is voor het notarisambt. Deelt de regering deze mening? Zo nee, waarom niet? Zijn er op dit moment notarissen die onder de huidige wetgeving benoemd zijn terwijl dat onder dit wetsvoorstel niet het geval zou zijn geweest?

De aan het woord zijnde leden merken op dat nevenbetrekkingen nu niet terstond hoeven te worden gemeld aan onder andere de KNB. Zij zien zeker de meerwaarde van het direct of in ieder geval zo snel mogelijk melden van een nevenbetrekking. Vooral als deze eventueel invloed kan hebben op de onafhankelijkheid van een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris. Wat gebeurt er als iemand niet terstond zijn of haar nevenbetrekking doorgeeft? Wanneer is iemand te laat en staat daar een sanctie op? In hoeverre wordt bovendien actief gecontroleerd of een nevenbetrekking niet is opgegeven door bijvoorbeeld een periodieke toetsing?

Deze leden merken op dat financiële gegevens straks digitaal aangeleverd zullen moeten worden bij het BFT. Althans, dit wordt het uitgangspunt. Kunnen zij hieruit opmaken dat aanleveren op papier ook altijd mogelijk blijft als er bijvoorbeeld problemen zijn met het digitale systeem? Wie beheert dit systeem eigenlijk en heeft daar toegang toe? Alleen het BFT of ook de KNB? Waarom? Wat moet er precies veranderen en aangepast worden om aan de wetswijziging te voldoen en hoe wordt de privacy gewaarborgd?

De aan het woord zijnde leden constateren dat dit wetsvoorstel regelt dat niet meer de voorzitter van de kamer voor het notariaat, maar klager zelf in de gelegenheid wordt gesteld een klacht over te dragen aan de Geschillencommissie Notariaat als de klacht zich daarvoor leent. Deze leden snappen dat op dit moment andere instanties geen klacht mogen overdragen aan de Geschillencommissie omdat dit voorbehouden is aan de voorzitter van de kamer. Waarom kan een klacht niet alsnog door de voorzitter of een andere instantie worden overgedragen als de klager dit toch wenst? Begrijpen zij het nu goed dat er dan toch een extra handeling moet plaatsvinden doordat klager eerst alle stukken terugkrijgt en dan zelf weer moet indienen bij de Geschillencommissie? Is dit wel praktisch indien klager er geen probleem mee heeft als de voorzitter of de andere instantie dit doet? Kan dus niet alsnog de keuze aan klager worden voorgelegd om het hele dossier toch door de voorzitter of een andere instantie door te laten zetten naar de Geschillencommissie? Zo nee, waarom niet?

Verder hebben de leden van de SP-fractie nog vragen over de uitzondering op de vervaltermijn van drie jaar voor ontvankelijkheid van een klacht. Het is goed dat een notaris niet tot het einde der tijden kan worden geconfronteerd met een klacht. Het BFT heeft aangegeven dat drie jaar te kort is om een klacht goed te onderzoeken en mede naar aanleiding daarvan wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat de vervaltermijn achterwege blijft als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest. Deze leden vrezen dat deze uitzondering vaag is en in de praktijk voor meerdere interpretaties vatbaar. Kunnen er concrete voorbeelden worden genoemd? Zal de uitzondering niet juist leiden tot (meer) procedures? Het BFT geeft bovendien zelf ook al toe dat het niet van het Bureau gevergd kan worden om per klacht aan te geven welke informatie al eerder aanleiding zou moeten hebben gegeven om een klacht in te dienen. Is de regering van mening dat door de uitzondering het BFT alleen maar meer tijd kwijt zal zijn aan het onderzoek? Zo nee, waarom niet? Is het beter en duidelijker om een duidelijke eindtermijn te noemen, bijvoorbeeld vijf jaar? Kan worden aangesloten bij bijvoorbeeld de Algemene wet rijksbelastingen, waarin de navorderingstermijn vijf jaar is? Dit geldt ook voor de vijf jaar die voor de meeste verbintenissen in Burgerlijk Wetboek Boek 3 genoemd wordt en waarbinnen de schuldeiser lang genoeg de tijd heeft om de vordering geldend te maken. Het gaat dan wel om een verjaringstermijn, maar deze termijn kan een prima uitgangspunt vormen voor een nieuwe, duidelijke en niet onredelijk lange vervaltermijn voor het indienen van klachten. Zo nee, waarom dan niet?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Mede gegeven de heldere wijze waarop in de memorie van toelichting is ingegaan op de commentaren van de geconsulteerde organisaties, te weten de KNB, het BFT en de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), kunnen zij zich vinden in de voorgestelde aanpassingen. Zij hebben slechts enkele vragen.

Deze leden vragen wat de oorzaak is van de grote aantallen legalisaties.

Zij merken op dat het advies van de KNB niet wordt overgenomen om in de wet op te nemen dat de melding aan de KNB van nevenbetrekkingen en van waarnemingen geschiedt op een door de KNB bepaalde wijze. Gemeld wordt dat dit in het Besluit op het notarisambt zal worden geregeld. Deze leden vragen waarom gekozen is voor opname in de lagere regelgeving en niet in de wet. Zij vragen ook of, daar waar regeling in het Besluit is voorzien, dit dan op een door de KNB bepaalde wijze zal gebeuren. Wordt de KNB betrokken bij de nadere uitwerking van het besluit?

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel K

De leden van de CDA-fractie vragen waar het van afhankelijk is of de Minister daadwerkelijk zal bepalen of de jaargegevens en de verklaring of mededeling van de accountant digitaal worden aangeleverd bij het BFT.

De voorzitter van de commissie, Jadnanansing

De griffier van de commissie, Nava