Kamerstuk 30420-243

Verslag van een algemeen overleg

Vrouwen naar de top en voortgangsrapportage emancipatiebeleid

Gepubliceerd: 13 april 2016
Indiener(s): Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA)
Onderwerpen: cultuur cultuur en recreatie
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30420-243.html
ID: 30420-243

Nr. 243 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 13 april 2016

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de vaste commissie voor Economische Zaken en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben op 10 februari 2016 overleg gevoerd met Minister Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 16 november 2015: Vrouwen naar de top (Kamerstuk 30 420, nr. 227);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 januari 2016: Voortgang emancipatiebeleid (Kamerstuk 30 420, nr. 230);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 22 december 2015 met een reactie op het lhbti-actieplan van de Europese Commissie (Kamerstuk 30 420, nr. 229);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 december 2015 met een reactie op verzoek van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap inzake Vrouwen naar de top (Kamerstuk 30 420, nr. 228);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 november 2015 met de aanbieding van de onderzoeksrapportage verschillen in studiesucces tussen jongens en meisjes in het mbo, hbo en wo (Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 92);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 8 mei 2015 over de uitkomsten van het overleg met het COC inzake financiering Gay-Straight Alliances (Kamerstuk 30 420, nr. 224).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Wolbert

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Vermeij

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Burg

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Kler

Voorzitter: Tellegen

Griffier: De Kler

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Yücel, Beertema, Bergkamp, Van Miltenburg, Voortman, Jasper van Dijk en Tellegen,

en Minister Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Aanvang 10.00 uur.

De voorzitter: Ik heet de Minister en haar ambtenaren welkom, evenals de leden van deze commissie en de mensen op de publieke tribune die dit algemeen overleg bijwonen. Ik stel een spreektijd voor van vijf minuten per woordvoerder.

Mevrouw Yücel (PvdA): Voorzitter. Ik begin met twee losse punten.

Vandaag debatteren we over emancipatie. Op 1 april 2001 is het homohuwelijk in Nederland opengesteld. Ik verzoek de Minister om, nu Nederland het EU-voorzitterschap heeft, vijftien jaar openstelling van dit huwelijk zichtbaar te maken en dit, als het even kan, groots te vieren. Er is weliswaar veel bereikt, maar nog niet alle EU-landen hebben het huwelijk voor homoparen opengesteld.

Een van de belangrijkste spelers op internationaal niveau is de UN-Commission of the Status of Women. In maart aanstaande houdt zij een conferentie. Wat zal de inzet van de Minister daar zijn?

Ik begin met de topvrouwen. Een dreigement werkt alleen als we dat kunnen en willen «waarmaken». Dat wil ik doen voor het geval dat bedrijven dit jaar opnieuw niet leveren. Wij willen bedrijven wettelijk verplichten om meer vrouwen in topfuncties aan te nemen. Onze publieke overheid en onze semioverheid moeten wat dit betreft met stip op 1 staan. Nu gaat het namelijk niet goed. Het gaat mij niet om de liefdadigheid, maar het gaat mij om de kwaliteit van bijvoorbeeld onze dochters die succesvol afstuderen en vervolgens niet de kans krijgen om bedrijven en organisaties vooruit te helpen. Zo gaat het natuurlijk nooit iets worden met onze economische concurrentiepositie. De mannen, het old boys network, schuiven elkaar nog steeds de topfuncties toe. Ik parafraseer de Minister-President van Canada, die vorig jaar zijn divers samengestelde kabinetsteam presenteerde: «Het is 2016.» We willen daarom een wettelijke minimumnorm vaststellen voor de raad van bestuur en de raad van commissarissen. Begint de Minister daadwerkelijk dit jaar met de voorbereiding van een dergelijke wet? Het is de hoogste tijd om dit te doen.

Mijn tweede punt betreft de hoogopgeleide meisjes. Zij dreigen op een dood spoort terecht te komen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Mevrouw Yücel begon dit blokje met de opmerking dat het tijd is om een dreigement «waar te maken». Dat ben ik natuurlijk helemaal met haar eens. Ik heb echter nog niet goed gehoord wat de Partij van de Arbeid precies wil. Wil zij dat het quotum er per 1 januari 2017 komt?

Mevrouw Yücel (PvdA): De Partij van de Arbeid wil heel graag dat het kabinet een dergelijke wet alvast voorbereidt. Mochten we op grond van de evaluatie aan het eind van dit jaar vaststellen dat het nog steeds niet opschiet, dan wil ik dat een dergelijke wet klaarligt om op 1 januari 2017 te worden ingevoerd. Ik verwacht namelijk dat we aan het eind van dit jaar constateren dat het nog steeds niet opschiet. Het is niet leuk om pessimistisch te zijn als er heel mooie inzetten gepleegd worden, maar ik geloof er niet meer in.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Als je wilt dat die wet op 1 januari 2017 wordt ingevoerd, moet deze ongeveer nu worden ingediend. Is het echt een dreigement, of wordt het toch een loos dreigement? Als het echt een dreigement is, moet mevrouw Yücel voorstellen om die wet meteen te behandelen.

Mevrouw Yücel (PvdA): Dat is natuurlijk een beetje flauw van GroenLinks. Wij hebben eind vorig jaar de eindevaluatie gehad van het streefcijferbeleid. Iedereen trekt daaruit een conclusie. Wij trekken daar onze conclusie uit en u trekt daar uw conclusie uit. Onze conclusie is dat dreigen met een wet één ding is maar dat een ander ding is dat je een en ander moet kunnen waarmaken. Wat ons betreft maken we die wet zo snel mogelijk, zodat die zo spoedig mogelijk kan worden ingevoerd. Ons streven is dat de wet per 1 januari 2017 in werking treedt indien aan het eind van dit jaar blijkt dat we geen echte doorbraak hebben gerealiseerd.

De heer Jasper van Dijk (SP): In het regeerakkoord staat heel duidelijk dat in 2017 ten minste 30% van de bestuurders uit vrouwen bestaat. Erkent mevrouw Yücel dat dit percentage niet wordt gehaald? Zo ja, zegt zij dan dat dit per 1 januari 2017 geregeld moet zijn? Als dat zo is, betekent dit dat we nog dit jaar een wet van de PvdA moeten behandelen en aannemen.

Mevrouw Yücel (PvdA): Volgens mij ben ik heel duidelijk geweest. Wij allen constateren dat het niet opschiet wat het realiseren van de doelstelling betreft dat er meer vrouwen aan de top komen. De reden is niet dat die vrouwen er niet zijn, maar die is dat de mannen van het old boys network nog steeds domweg de baantjes onderling verdelen. Als je echt een doorbraak wilt forceren en dat glazen plafond als het ware wilt doorbreken, is het naar ons oordeel tijd om het dreigement van het invoeren van een wet «waar te maken» door deze per 1 januari 2017 in werking te laten treden. Dit, mits het bedrijfsleven en alle partners die daarin een rol spelen niet het tegendeel bewijzen door te laten zien dat het ook zonder een wet kan. Dat zou natuurlijk het mooist zijn. Het invoeren van een quotum is een paardenmiddel. Wat mij betreft gaat het kabinet aan de slag met het voorbereiden van een wet, maar dit is afhankelijk van de vraag of er een Kamermeerderheid is om dit bij het kabinet af te dwingen. Als we dit samen niet voor elkaar krijgen, begin ik zelf met het maken van een initiatiefwet.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het is helder. Nederland loopt achter, de doelstellingen worden niet behaald; dat wat in het regeerakkoord staat, wordt niet uitgevoerd. De vraag die nu voorligt, is of de PvdA iets anders gaat doen dan dat wat de Minister doet. De Minister schuift het voor zich uit. Ze zegt: we gaan nog een paar jaar kijken, met streefcijfers werken et cetera. Zegt mevrouw Yücel dat ze dit onacceptabel vindt en dat ze wil dat het sneller gaat? Zegt zij dat zij wil dat er per 1 januari 2017 een quotum is en dat we dit jaar een wet van haar hand gaan behandelen?

Mevrouw Yücel (PvdA): Wij willen dat dit sneller gebeurt. Wij willen inderdaad dat het kabinet een dergelijke wet voorbereidt. Lukt het niet om bijvoorbeeld per motie af te dwingen dat het aan de slag gaat met een dergelijke wet die per 1 januari 2017 kan worden ingevoerd, dan ga ik zelf aan de slag met een initiatiefwet. Daarmee ben ik overigens al een beetje begonnen, zodat we de wet per 1 januari 2017 kunnen invoeren of kort daarna. Volgens mij kan ik niet duidelijker zijn.

De heer Beertema (PVV): Ik zie dat alle linkse partijen zich al heel enthousiast verenigd hebben om wettelijk af te dwingen dat het private bedrijfsleven vrouwen in de top opneemt. Het zij zo, maar laten we teruggaan naar het voorliggende. De Partij van de Arbeid spreekt nog steeds heel enthousiast over het old boys network, maar het is toch ingewikkelder dan dat. Ik heb gelezen dat een bekende headhunter zegt dat de Minister de bedrijven tekort doet. Minister Bussemaker zegt dat de bedrijven niet goed genoeg hun best doen, maar de materie is veel complexer dan het idee van de old boys die elkaar de bal toespelen. Deze headhunter zegt dat driekwart van de vrouwen parttime werkt. Als Sven Kramer parttime zou schaatsen, werd hij ook niet Olympisch kampioen. Kan mevrouw Yücel daarop reageren?

Mevrouw Yücel (PvdA): We kunnen er heel ingewikkeld over doen door te zeggen dat die vrouwen er niet zijn, dat ze niet willen of dat zij vooral in deeltijd werken. Wij wisten echter al dat er heel veel vrouwen zijn die willen, die kunnen en die klaarstaan en dat is nog nadrukkelijker aan de orde gekomen in de Topvrouwen.nl, de database die op initiatief van Hans de Boer en deze Minister is ingesteld. Ik word dan ook een beetje moe van het argument dat vrouwen niet willen of dat ze er niet zijn. Ik zeg nogmaals dat er genoeg vrouwen zijn die willen en kunnen. Het gaat om de cultuur op het moment van het selecteren van mensen, het tot stand komen van shortlists of longlists.

Natuurlijk is er ook een groep vrouwen die graag in deeltijd werkt. Vrouwen moeten vrij zijn om die keuze te maken. Dit alles neemt niet weg dat alle talentvolle vrouwen – dat zijn er heel veel – die beschikbaar zijn en het werk kunnen doen, gelijke kansen moeten hebben.

De heer Beertema (PVV): Mevrouw Yücel moet niet zo snel moe worden. Diezelfde headhunter meldt ook dat er wel degelijk geschikte vrouwen in bestuursfuncties geplaatst worden. Zij zegt dat de helft van de bemiddelingen door haar bureau vorig jaar voor posities in die raden van bestuur en in de raden van commissarissen tot benoeming van een vrouw leidde. Is dat een fabeltje? Is dit een andere werkelijkheid dan die van mevrouw Yücel?

Mevrouw Yücel (PvdA): Dat is een goede vraag. Er is natuurlijk een aantal selectiebureaus dat het heel goed doet, dat heel erg gericht is op het selecteren van divers samengestelde lijsten met geschikte kandidaten. Overigens is er een voorhoede van bedrijven die het ook hartstikke goed doet, die ook heel er gericht is op diversiteit in topfuncties. Men gelooft er namelijk in dat de bedrijfs- of organisatieresultaten daar echt beter van worden. Het probleem is echter dat de grote achterhoede niet in beweging komt.

Uit de evaluatie kunnen we opmaken dat de grootste groep niet eens de moeite neemt om in het jaarverslag aan te geven of men er iets aan gedaan heeft en zo ja, hoe men dat heeft gedaan. Men vindt dit niet belangrijk, of een en ander is niet dwingend genoeg. Om die grote achterhoede in beweging te krijgen, ontkomen we naar onze mening helaas niet aan het inzetten van zo'n paardenmiddel.

Mijn tweede punt betreft, zoals ik zei, de hoogopgeleide meisjes. Zij dreigen op een dood spoor terecht te komen. Ik citeer uit de conclusie van het rapport van het onderzoek naar studiesuccessen van meisjes versus jongens dat recent is gedaan: «Tenslotte lijkt het erop dat meisjes niet in staat zijn om hun relatieve voorsprong in studiesucces te vertalen naar een succesvolle transitie op de arbeidsmarkt. Ze bekleden minder vaak hoge functies, verdienen minder en zijn vaker werkloos.»

Ik vraag de Minister hoe dat komt. Kennelijk zijn voltijdbanen vereist voor promoties. Waarom is een werkweek van vier dagen niet voldoende om promotie te maken? Wat 'n onzin! Waarom leggen bedrijven zich hierbij neer? Waarom vragen ze aan de zwangere vrouwen of ze minder willen werken en niet aan de aanstaande vaders? Waarom wordt het recht op deeltijdwerk niet nadrukkelijker bekendgemaakt binnen bedrijven? Waarom hebben werkgevers vaak de perceptie dat het hip is om tijdig weg te gaan van het werk om bijvoorbeeld te squashen en waarom is het niet hip om het werk op tijd te verlaten voor het ophalen van je kind? Jonge ouders en gezinnen zijn vaak veel geëmancipeerder dan veel bedrijven. Het wordt tijd dat bedrijven en de overheid beter aanhaken bij die emancipatie.

Ik verzoek de Minister om op korte termijn met sociale partners tot een actieplan te komen ten behoeve van het normaliseren van twee maal vier dagen werken voor jonge ouders die dat willen. Dit is een kwestie van het stimuleren van modern werkgeverschap.

Mijn derde punt betreft de lhbt's in azc's. De asielzoekers hebben het recht om zo snel mogelijk te weten, op de eerste dag of in de eerste week, wat in ons land kan en wat niet kan. De eerste regel is dat discriminatie strafbaar is, dat bedreigingen misdrijven zijn. Lhbt's moeten in vrijheid en gelijkwaardigheid in hun opvanglocatie kunnen verblijven. Dat geldt ook voor meisjes, vrouwen, afvalligen, christenen en andersdenkenden. Deze waarden zijn niet onderhandelbaar. Ik vind dat er heel consequent een rechten- en plichtengesprek ingevoerd moet worden. Dat het voeren van een gesprek vrijblijvend is, is een misverstand. Bij een gesprek behoren het doen van beloftes, het wekken van verwachtingen en het maken van afspraken. Ik wil dat een dergelijk gesprek in de opvang zo snel mogelijk met elke asielzoeker wordt gevoerd. Dit gebeurt nog niet overal of dit gebeurt niet snel genoeg. Ook de mensenrechtenambassadeurs hebben dit nodig om daarna heel nuttig werk te kunnen doen. Zij kunnen in groepen verdere gesprekken aangaan. Het eerste belang is dat asielzoekers kennisnemen van de belangrijke waarden, alsmede dat zij zich daaraan houden. Het tweede belang – dat is het streven – is dat een en ander geïnternaliseerd wordt. Changemakers van bijvoorbeeld Vluchtelingen-Organisaties Nederland en mensenrechtenambassadeurs kunnen daarin echt een belangrijke rol spelen. Kan de Minister ervoor zorgen dat dit een standaardaanpak wordt?

Ik stel een vraag over acute situaties. Regelmatig krijgen wij signalen over de veiligheid van lhbt's in azc's die ons zorgen baren. Het beleid van het kabinet is geen aparte opvang te realiseren voor lhbt's. Ik snap dat wel. Je moet immers niet capituleren. Je moet de opvang niet inrichten volgens waarden die ons niet eigen zijn. Maar wat moet er gebeuren als er een noodsituatie is? In hoeverre lukt het ons om in noodsituaties een veilig onderkomen te regelen voor bedreigde homoseksuele asielzoekers? Hierover maak ik me echt zorgen. Graag wil ik een uitgebreide reactie van de Minister op deze situatie. We kennen het pleidooi van COC Nederland over safehouses. Je zou deze kunnen vergelijken met opvang voor vrouwen die thuis niet veilig zijn, de zogenaamde vrouwenopvang. Kunnen we de bedreigde lhbt's niet op een veel betere manier veiligheid bieden?

Mevrouw Bergkamp (D66): Ik deel het pleidooi van mevrouw Yücel dat het belangrijk is om in acute situaties veiligheid te bieden voor kwetsbare mensen. Het is voor die mensen echter heel lastig om aan de bel te trekken. Zij voelen zich immers niet veilig. Is de PvdA het met D66 eens dat er op elke locatie een gespecialiseerde vertrouwensarts aanwezig zou moeten zijn? Ik heb begrepen dat dergelijke artsen er soms zijn in de avonduren of in het weekend.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik zou het toejuichen als er een gespecialiseerde, onafhankelijke vertrouwenspersoon was. Ik weet niet of er een gespecialiseerde vertrouwensarts moet zijn maar het zou, zoals ik net zei, heel goed zijn als er een gespecialiseerde, onafhankelijke vertrouwenspersoon was. Uit het veld begrijp ik dat het voor bedreigde homoseksuele asielzoekers, bedreigde vrouwen en bedreigde afvalligen heel eng is om daarvan melding te maken. Zij doen dat niet, zeker niet bij het gezag van een dergelijke organisatie. Het zou dus echt een heel grote meerwaarde hebben als er een vertrouwenspersoon was. Daaraan zou ik zeer veel steun geven.

Mevrouw Bergkamp (D66): Het maakt inderdaad niet uit of er een vertrouwenspersoon is of dat er een gespecialiseerde vertrouwensarts is. Ik ben blij dat de PvdA in ieder geval aangeeft dat ze dit een goed idee vindt. Het is naar mijn idee belangrijk om de reactie van de Minister af te wachten. Mocht die niet bevredigend zijn, dan ga ik ervan uit dat de PvdA een motie van D66 over dit onderwerp steunt. Wij vinden namelijk echt dat veiligheid van mensen heel belangrijk is en dat mensen die zich niet veilig voelen, daarover in ieder geval met iemand moeten kunnen praten. Zij moeten kunnen praten over veilige opvang en een klacht kunnen indienen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik ben het zeer eens met het pleidooi van mevrouw Yücel. Zij zegt dat we natuurlijk eerst op zoek moeten gaan naar de daders: diegenen die homoseksuele asielzoekers pesten, intimideren et cetera. In acute noodsituaties kan aparte opvang echter wel een oplossing zijn. Het is een beetje goedkoop om hier te roepen dat we de daders moeten pakken, terwijl het getreiter in de asielzoekerscentra doorgaat. Het is goed om het standpunt van de PvdA helder te hebben, want ik hoor verschillende geluiden. Zegt mevrouw Yücel dat dit inderdaad moet kunnen, dus dat de regering het standpunt moet innemen dat er aparte opvang dient te komen voor homoseksuele asielzoekers?

Mevrouw Yücel (PvdA): Volgens mij heeft het kabinet ook gezegd dat er in noodsituaties altijd gekeken kan worden naar aparte opvang. De vraag is echter in hoeverre daaraan in de praktijk invulling wordt gegeven. Daarover maak ik mij zorgen. Ik constateer dat het op dit moment niet helemaal werkt. Ik wil daarom heel graag dat de Minister mijn vraag beantwoordt of we in die noodsituaties inderdaad de veiligheid kunnen bieden die homoseksuele asielzoekers echt nodig hebben. Wachten op het consequent uitvoeren van een rechten- en plichtengesprek of op de aanpak van de mensenrechtenambassadeurs die daarop volgt, is belangrijk. Als er echter een noodsituatie is, wil ik dat er direct veiligheid wordt geboden.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het is heel belangrijk om dat te markeren. Mevrouw Yücel kan deze vraag voorleggen aan de Minister. Als zij dat doet, zullen wij vervolgens met belangstelling naar het antwoord luisteren. Het gaat er nu echter om wat mevrouw Yücel ervan vindt. Vindt zij dat er voldoende, veilige, aparte opvang moet zijn voor homoseksuele asielzoekers in acute nood? Zo ja, gaat de PvdA-fractie dit concreet bepleiten?

Mevrouw Yücel (PvdA): Volgens mij ben ik wel duidelijk geweest, maar ik zal het in andere bewoordingen zeggen. Wij moeten onze samenleving, dus ook onze opvang, niet inrichten naar waarden die niet onze eigen waarden zijn. Als wij echter constateren dat er een noodsituatie is en dat de veiligheid van bijvoorbeeld homoseksuele asielzoekers niet gewaarborgd kan worden, moet er noodopvang komen voor die mensen voor wie dat op dat moment nodig is. Mijn vraag aan het kabinet is in hoeverre het lukt om die noodopvang te realiseren. Ik zeg nogmaals dat ik het ontzettend belangrijk vind om die aan deze asielzoekers te bieden.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik ben blij dat er nu een Kamermeerderheid is voor safehouses. Het betoog van mevrouw Yücel was inderdaad glashelder. Het voorstel dat zij daarnaast deed, vind ik ook heel interessant. Ik doel op het voorstel voor het voeren van een gesprek met iedereen over gelijke rechten. Ik vraag mij echter wel af wie dat gesprek met de asielzoeker moet voeren.

Mevrouw Yücel (PvdA): Mevrouw Voortman zegt dat er een Kamermeerderheid is voor safehouses. Ik heb het over noodopvang in noodsituaties. Ik heb niet gesproken van safehouse. COC Nederland houdt wel een pleidooi voor safehouses. Ik ga er niet over hoe het kabinet het gaat doen. Wat ik zeg, is dat ik het belangrijk vind dat er in noodsituaties een veilig onderkomen is voor bedreigde asielzoekers.

Mevrouw Voortman vraagt wie het rechten- en plichtengesprek met de asielzoeker moet voeren. Ik vind dat het kabinet daar goed naar moet kijken, maar ik wil daar natuurlijk over meedenken. Medewerkers van het COA kunnen dat doen. Dat kunnen echter ook medewerkers van de betreffende gemeente doen, de changemakers van Vluchtelingen-Organisaties Nederland en de getrainde mensenrechtenambassadeurs die er op verzoek van de PvdA zijn gekomen om het juist binnen conservatief-religieuze gemeenschappen te hebben over gelijkheid voor hetero- en homovrouwen, en hetero- en homomannen, alsmede over de vrijheid van meningsuiting en vrijheid wat levensbeschouwing betreft. Ik laat de invulling en het denkwerk in eerste instantie over aan het kabinet. Vervolgens kunnen wij op zijn voorstel reageren.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Het maakt mij ook niet uit of je spreekt van een safehouse of een noodopvang. Volgens mij zijn wij het hier helemaal over eens.

Wat dat gesprek betreft merk ik op dat dit ook zal leiden tot een spin-off. Het kan er ook toe leiden dat mensen daarna meer vragen hebben. Mevrouw Yücel noemde ook mensen van het COA dit deze gesprekken zouden kunnen voeren. Zij hebben het echter al heel erg druk. Het afgelopen jaar zijn er 55.000 vluchtelingen naar Nederland gekomen. Het komend jaar zullen er zeker niet minder vluchtelingen komen. Er zullen er eerder meer komen dan minder. Ik vraag mij af of we wel van het COA kunnen vragen om 55.000 gesprekken te voeren en dan is er nog die kans op die spin-off. Of zegt de PvdA dat we er dan ook voor moeten zorgen dat het COA daarvoor de tijd, de ruimte en het geld heeft?

Mevrouw Yücel (PvdA): Het is terecht dat mevrouw Voortman deze vraag stelt. Aangezien ik niet kan overzien of de medewerkers van het COA dit alles erbij kunnen hebben, laat ik in het midden wie die gesprekken moet voeren. Er ligt immers al heel veel op het bordje van die medewerkers. Ik ben geen asielwoordvoerder, maar ik ben een leek op dit gebied. Wel heb ik wat asielzoekerscentra bezocht. Als deze mensen bij de opvanglocatie komen, vindt er een gesprek plaats waarin informatie wordt gegeven over de kamer, het gebouw, waar de was kan worden gedaan enzovoorts. Misschien is het haalbaar om in datzelfde gesprek te spreken over de rechten en de plichten. Ik laat het aan het kabinet om daarover te oordelen. Lukt dat niet, dan zijn er de ambassadeurs, de changemakers van Vluchtelingen-Organisaties Nederland en de gemeenten die daarvoor menskracht kunnen vrijmaken. Het moet dus mogelijk zijn om er uit te komen. Het belangrijkst is dat we gezamenlijk vaststellen dat we dit zo'n fundamentele wegwijzer vinden in Nederland dat we dit ook zelf serieus nemen en dat dit gesprek echt gevoerd gaat worden.

De voorzitter: Mevrouw Yücel, mag ik u vragen om uw laatste zin uit te spreken? U was toch aan het eind van uw betoog?

Mevrouw Yücel (PvdA): Nee, dat gaat me in één zin niet lukken. Ik heb nog een klein blokje.

De voorzitter: Uw spreektijd is voorbij.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik weet het en zal er heel snel doorheen gaan.

Last but not least, de transgenders. De situatie op de arbeidsmarkt voor transgenders is nijpend. Dat konden we lezen in een rapport dat twee jaar geleden is uitgebracht. Ik schrok toen van de statistieken: alweer een groep buitenstaanders, een groep met veel achterstanden. Ik verzoek de Minister in een brief in te gaan op het actieplan dat gisteren door Transgender Netwerk Nederland (TNN) is aangeboden. Dat zouden we in een commissievergadering formeel kunnen maken.

Ik vraag de Minister ook of zij bereid is om nader onderzoek te doen naar de verhalen achter deze cijfers. Als we die namelijk kennen, kunnen we veel beter oplossingen bedenken.

Ik sluit af. Vrijheid en gelijkwaardigheid zijn een groot goed. Ook het zich veilig voelen en volop gelijkwaardig kunnen meedoen, vallen daaronder. Het is aan ons om dat verder te brengen, voor iedereen.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. De Minister heeft een site gelanceerd. Daarop kun je doorlinken naar het rapport met de titel Vrije plekken in rvc's en rvb's. Het is als het ware een routeadvies voor topvrouwen die op weg zijn naar de vrije plekken in de bedrijven in de top 200. Dit rapport staat vol met nuttige tips, bijvoorbeeld over de activiteiten die vrouwen zouden moeten ontplooien om dat netwerk te verbeteren. Daarin schijnen de mannen erg goed te zijn. Er staat dat vrouwen niet moeten turnen of dat ze niet darts moeten spelen, maar dat ze golf of tennis moeten spelen. Verder moet worden aangestipt welke interesses lonen. Planten, bloemen en astrologie worden kennelijk minder beloond dan beleggen of moderne kunst. Dus dames, onthoud die tips!

Het zou hilarisch zijn om dit soort adviezen te geven als het wat dit betreft niet zo droevig was gesteld. Eigenlijk staat dit alles in het teken van die focus, de sisterhood van de jaren zeventig. Dit is ongelooflijk achterhaald, maar deze socialistische Minister geeft er zelfs een laatste waarschuwing bij: dit is echt de laatste halte voordat zij overgaat tot wettelijke dwang. Ik heb net al gezegd dat de linkse partijen hier al zitten te kirren van plezier vanwege een wettelijke dwang om in het private bedrijfsleven in te grijpen, zodat daar vrouwen worden benoemd. Zij zullen dan tijdens hun gehele carrière besmet zijn met het «alibi-Ali»-achtige kenmerk: een vrouw omdat het moet.

De regering, de Kamer en de emancipatie-industrie maken zich heel druk over die emancipatie. Dat doen zij vanuit die traditie van de jaren zeventig. Gloria Steinem is intussen 81 jaar en Anja Meulenbelt is al heel lang niet meer buiten geweest, maar in de tussentijd is er wel het een en ander gebeurd. Juist als het gaat om die basis – ik doel op de echte basis van de emancipatie van vrouwen, homo's en andersgerichten – kan ik zeggen dat de islam over ons is gekomen en dat die ons echt honderden jaren terugwerpt in de tijd. Hier zitten de «sisters van de hood». Zij zijn blind voor die nieuwe werkelijkheid en houden zich bezig met meer hoogopgeleide vrouwen. Zij willen hun eigen zusters op weg helpen naar de top.

In het Westen zijn wij in relatief korte tijd heel ver gekomen wat de emancipatie betreft. Volgens ons is die wel zo'n beetje voltooid. Terwijl die politiek correcte elite zich bezighoudt met een vrouwelijke hoogleraar meer of minder en de vraag of er op kleuterscholen wel genderneutrale toiletten zijn, zeg ik dat de emancipatie is voltooid. Tegelijkertijd worden door die islamitische massa-immigratie al onze verworvenheden in een heel hoog tempo afgebroken. De veiligheid van met name vrouwen en homo's wordt ernstig bedreigd: spugen, scheldpartijen, hinderlijk volgen, geweld en verkrachting zijn niet alleen in Nederland aan de orde van de dag, maar die zijn dat in heel Europa. Uit de rapportage Twee werelden, twee werkelijkheden blijkt hoe ver de islam onze verworvenheden op het gebied van emancipatie en verheffing terugwerpt in de tijd.

Docenten worden erop gewezen dat hun kleding niet haram is, want te strak. Ik hoorde dat gisteren nog een docent zeggen op televisie. Leerlingen zeggen: juf, ik kan uw lichaamsvormen zien en dat mag niet. Docenten laten hun davidster thuis. Docenten zijn «handelingsverlegen» – ik vind het een vreselijk woord – als moeilijke onderwerpen aan de orde moeten komen, zoals de Holocaust of terrorisme. De berovingen en aanrandingen in Keulen en andere Duitse steden vormen het topje van de ijsberg van het geïmporteerde georganiseerde islamitische seksuele geweld. In Nordrhein-Westfalen zijn er tijdens de jaarwisseling 1,076 meldingen binnengekomen van beroving of seksueel geweld. In Hamburg waren het er 195, in Hessen 43, in Beieren 27 en ga zo maar door. Er zijn momenteel 72 verdachten met naam en toenaam bekend. Van hen hebben er twaalf de Duitse nationaliteit. De anderen zijn Algerijnen, Irakezen, Afghanen of Syriërs. Het seksueel lastigvallen van vrouwen door groepen allochtone jongeren komt in heel West-Europa voor. Mag ik de aanwezigen herinneren aan de documentaire Femme de la rue, uit 2012, van de Brusselse filmmaakster en journaliste Sofie Peeters? Zij liet zich filmen terwijl ze door haar eigen wijk liep en werd lastiggevallen door voornamelijk allochtone jongeren. In Groot-Brittannië wordt de ene «rape gang» na de andere opgerold. Ik noem Rotherham, Derbey, Rochdale, Bristol, Oxford, Telford, Banbury, Aylesbury. Nagenoeg alle veroordeelde daders van die georganiseerde verkrachtingen, waarbij voornamelijk autochtone slachtoffers vielen, waren moslim. De bendes konden jarenlang hun gang gaan omdat politici én de politie wegkeken vanwege het feit dat bijna alle daders van islamitische afkomst waren. In 1975 werden er in Zweden 421 verkrachtingen aangegeven bij de politie. In 2014 waren het er 6.620. Dat is een stijging van 1.472%. Het fanatiek multiculturele Zweden staat nummer twee op de wereldlijst van verkrachtingen in een land. In het bijzonder de laatste jaren is het aantal groepsverkrachtingen spectaculair gestegen. Uit Zweeds onderzoek uit 2002 blijkt dat 85% van de veroordeelde daders eerste- of tweedegeneratie-immigrant is. Feministen kijken er echter van weg. Die hebben andere prioriteiten. Die zitten hier te praten over het glazen plafond. Dít zou echter het thema moeten zijn van de sisterhood.

Mevrouw Yücel (PvdA): Deze feministe kijkt zeker niet weg als meisjes of lhbt's onrecht wordt aangedaan of in hun waardigheid worden aangetast. Als dat gebeurt, kom ik in opstand. Ook in de Keulse zaak heb ik, net als anderen, de oplossing van die burgemeester bekritiseerd, die zei dat je een armlengte afstand moet houden. Dat is natuurlijk de omgekeerde wereld en een waanzinnige reactie.

De voorzitter: Wat is uw vraag, mevrouw Yücel?

Mevrouw Yücel (PvdA): Dit was mijn inleiding, voorzitter. Het gebeuren in Keulen keuren we natuurlijk aan alle kanten af. We treden tegen zulke zaken op waar dat kan. Ik hoor in de bijdrage van de heer Beertema echter slechts de ene helft van de werkelijkheid. Hij zegt niets over bijvoorbeeld onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat de helft van de Nederlandse vrouwen ooit fysiek seksueel is bedreigd, dus ongeacht de culturele achtergrond of de islam.

De voorzitter: Wat is uw vraag, mevrouw Yücel?

Mevrouw Yücel (PvdA): Waarom gaat de heer Beertema daar niet op in? Wat vindt hij daarvan?

De heer Beertema (PVV): Dat is een buitengewoon verontrustend percentage. Daarmee moeten we heel hard aan de slag, bijvoorbeeld in het onderwijs en de opvoeding. Ik laat me toch echter niet vertellen door mevrouw Yücel dat dat allemaal gelijk te stellen is aan georganiseerde «gang rapes» in Keulen en op het Tahrirplein in Egypte? Die zaken hebben toch een totaal andere oorsprong? Wij zijn alleszins van plan om tegen dergelijke zaken op te treden als dat nodig is. Uit het feit dat mevrouw Yücel deze vergelijking maakt, blijkt echter weer een totale misvatting van de werkelijkheid. Maar goed, dat is de PvdA nu eenmaal eigen. Alle pogingen van de Partij van de Arbeid en ook van de Minister om met een foldertje het denken en de islamitische cultuur om te vormen, zijn gedoemd te mislukken; dat gaat natuurlijk niet. Dat is een soort denken in sprookjes, dat niet werkt.

Mevrouw Yücel (PvdA): Natuurlijk zijn dit twee verschillende soorten zaken en hebben ze andere achtergronden. De uitkomst is echter wel dat vrouwen belaagd worden en hun integriteit wordt aangetast. Dat keuren we af. Ik verbaas me er in dat verband wel over dat de PVV het verdrag van Istanboel niet heeft willen ondertekenen. Als de heer Beertema zo voor vrouwenrechten is, de feministen nu zo de maat neemt en zo'n grote broek aantrekt, waarom heeft zijn partij dan niet meegedaan met dat verdrag?

De heer Beertema (PVV): Ik bespeur toch nog steeds die neiging van de linkse partijen, en vooral van de Partij van de Arbeid, om bij alles wat er gebeurt op het vlak van de verwording van onze eigen cultuur, bijvoorbeeld bij problemen met veiligheid van vrouwen, van homo's enzovoorts, onmiddellijk terug te wijzen en te zeggen: ja, maar die Nederlanders kunnen er ook wat van hoor. Dit is absoluut flauwekul. Dit is wegkijken eersteklas. Dat gebeurt steeds. Ik weet helemaal niet over welk verdrag mevrouw Yücel het heeft. Misschien kan zij dat nog even toelichten.

De voorzitter: Nee, dat gaan we niet doen. Tot nu toe ben ik vrij coulant geweest bij het toestaan van interrupties. Die ruimte wordt echter volop genomen ...

Mevrouw Yücel (PvdA): Het gaat hier wel om de betrokkenheid bij vrouwenemancipatie en feminisme van de PVV, voorzitter.

De voorzitter: Mevrouw Yücel ...

De heer Beertema (PVV): Voorzitter, dit kan echt niet.

De voorzitter: Nee, nee, mijnheer Beertema.

De heer Beertema (PVV): Ik vind het echt niet kunnen om gauw nog eventjes ...

De voorzitter: Mijnheer Beertema!

De heer Beertema (PVV): Ja, voorzitter.

De voorzitter: Ik was aan het woord. Ik wil u vragen om uw betoog af te ronden. Wellicht kunt u tijdens de schorsing verder discussiëren over het verdrag et cetera. U hebt nog één minuut spreektijd.

De heer Beertema (PVV): Ja, maar ik vind het wel ...

De voorzitter: Nee, mijnheer Beertema. Rondt u nu uw betoog af.

De heer Beertema (PVV): Ik ga verder met mijn betoog voorzitter, maar ik vind het buitengewoon onplezierig dat ik op deze manier eventjes, in mijn spreektijd, van mijn buurvrouw mevrouw Yücel een opmerking te horen krijg waar ik van u niet op mag reageren. Ik rond mijn betoog af.

Ik zei al: dit zou het thema moeten zijn van de sisterhood. Al die woedende, verongelijkte feministen zouden hier woedend om moeten zijn. Zij zouden met de PVV de grenzen moeten willen sluiten voor islamitische jongemannen – wij bij de PVV noemen ze testosteronbommen – die onze samenleving komen ontwrichten. Zo zouden ze hun belaagde zusters basale lichamelijke en geestelijke veiligheid en integriteit kunnen bieden. Ik zou zeggen: kom uit uw cocon en zie waar uw solidariteit met uw zusters écht nodig is. Dat is niet hier, bij dat glazen plafond of de genderneutrale wc'tjes. Dat is niet bij hoogopgeleide vrouwen die niet zouden weten dat ze moeten gaan golfen in plaats van turnen. Is de Minister het met mij eens dat alle vrouwen en homo's die tot nu toe het slachtoffer zijn geworden van verkrachting, aanranding, geweld en minachting, niet kunnen begrijpen waar de Minister zich nou toch mee bezighoudt? Wat heeft de Minister van emancipatie hun nou te zeggen? Wil zij hun nou eens uitleggen waarom hun noden geen prioriteit hebben en die van al die carrièrevrouwen wel? Dat laatste heeft zo veel prioriteit dat de Minister bereid is om de overheid heel diep in te laten grijpen in de bedrijfsvoering van publieke organisaties, en zelfs van private organisaties. Ik hoor graag een reactie.

Mevrouw Bergkamp (D66): Voorzitter. Vrouwen naar de top. De Minister wil liever geen quota, maar heeft inmiddels kunnen concluderen dat de aanpak die zij wenst niet tot de juiste uitkomsten leidt. Daarom gaat zij het nog een paar jaar proberen, zonder dat zij daarbij een echt nieuwe strategie heeft. Het lijkt erop dat de Minister wat zoekende is. Zo werd er maandag een nieuwe website in roze gelanceerd – een van de vorige sprekers zei dat ook al – waarop vrouwen kunnen zien wanneer er een functie vrijkomt. Is deze nieuwe stap, de komst van deze nieuwe website nou ergens op gebaseerd, of probeert de Minister maar wat? D66 krijgt de indruk dat het laatste het geval is. Op welke manier draagt deze website nou bij aan betere kansen voor vrouwen? Of koerst de Minister toch naar een wettelijke regeling? Ik denk dat het belangrijk is om daar transparant over te zijn. Wat is concreet haar plan voor de komende jaren? Welke best practices van welke landen neemt ze over?

D66 vindt het principe «gelijke betaling voor gelijk werk» heel belangrijk. Hoe zit het daarmee eigenlijk bij de overheid? Is dat weleens onderzocht?

Moeten we ook niet eens het taboe aanpakken over deeltijdwerk dat niet zo goed zou zijn voor je carrière? Mensen moeten kunnen kiezen voor deeltijdwerk. Als je daarvoor vrijwillig kunt kiezen, is dat natuurlijk ook emancipatie. Ik denk dat het belangrijk is om ook daarover helder te zijn.

Heel veel acties richten zich op jonge vrouwen. Na het 25ste levensjaar neemt je carrière een grote vlucht. Maar er zijn natuurlijk ook mensen die even uit het arbeidsproces stappen en daarna weer in de race meedoen. Ik vind eigenlijk dat de Minister te weinig aandacht besteedt aan de vrouwen die op latere leeftijd weer mee gaan doen. Ik hoor hierop graag een reactie.

Ik kom op vrouwen in de top en noem daarbij Marjan van Loon als voorbeeld. Wie is dat? Zij is scheikundig technologe. Zij werd in de media niet «de nieuwe president-directeur van Shell» genoemd, maar «de vrouw die Shell gaat leiden». «Vrouw gaat Shell leiden» stond er in de media. Wat vindt de Minister daar nu eigenlijk van? Zegt zij: daar zouden we eigenlijk wat de aandacht op moeten vestigen? De reacties zijn eigenlijk heel normbevestigend.

Voor D66 is het ook belangrijk dat mannen participeren in het emancipatieproces. We kunnen niet zonder. Het is natuurlijk ook belangrijk dat zij flexibel gaan werken. Is de Minister ook van mening dat herwaardering van de zogenaamde «zorgzame mannelijkheid» en van betrokken vaderschap nodig zijn? Die zaken vormen natuurlijk een deel van de oplossing.

In Nederland vormen vrouwen, mannen, homo's, lesbo's, biseksuelen, trangenders één samenleving. Zij leven door elkaar en met elkaar. Dat is een groot goed. Het is ook belangrijk dat voor iedereen die vanuit het buitenland naar Nederland komt, glashelder is dat iedereen hier gelijke rechten heeft. Mijn collega van de PvdA zei dat ook al. Als die rechten worden geschonden, moeten mensen dat kunnen melden zonder consequenties. Voor D66 is het helder; mijn fractie vindt het zeker belangrijk dat de daders worden aangepakt, maar dat lukt niet altijd en dit is een heel lastig vraagstuk. Mijn fractie vindt het ook belangrijk dat slachtoffers worden beschermd. Hoeveel incidenten moeten er nog plaatsvinden voordat het kabinet deze slachtoffers de bescherming biedt die ze nodig hebben? Ik noem Heumensoord. Daar kunnen twintig lhbt's niet veilig verblijven. Klachten bereiken het COA niet. We hebben het in dit verband steeds over safehouses en veilige opvang. Deze mensen verkeren in grote problemen en hebben recht op veilige opvang.

Ik zei net al dat D66 het ook belangrijk vindt dat er in de noodopvang en de opvangcentra vertrouwenspersonen of -artsen in ieder geval aanwezig zijn. Zij zijn er vaak juist niet op momenten dat er incidenten plaatsvinden, namelijk 's avonds en in de weekends. Mijn fractie vindt dat zorgwekkend. We willen graag dat de Minister toezegt dat er sprake zal zijn van continuïteit wat betreft de aanwezigheid van deze vertrouwenspersonen.

Preventie en voorlichting zijn andere belangrijke onderwerpen. We zijn heel blij dat er seksuele voorlichting in het po en het vo wordt gegeven en seksuele diversiteit er aan de orde komt, maar wat doen we in dit opzicht nu eigenlijk met het mbo en met de lerarenopleidingen? Dat is ook een punt van aandacht.

Gisteren kregen we een mooie petitie van Transgender Netwerk Nederland. D66 steunt de oproep voor een wettelijk recht op transitieverlof voor transgenders. Soms hoor je iets en denk je: dit is een eyeopener. In de periode van transitie moeten mensen vaak medische ingrepen en hormoonbehandelingen ondergaan. Het is belangrijk dat deze mensen in een bepaalde periode flexibel op te nemen transitieverlof krijgen. Het zou veel beter zijn als werkgevers en werknemers daarover afspraken met elkaar zouden maken, ook om met elkaar ziekteverzuim te voorkomen. Is de Minister bereid om dit mogelijk te maken? Is de overheid ook bereid om daarbij zelf het goede voorbeeld te geven? De positie van transgenders op de arbeidsmarkt is niet goed. Het is voor hen lastig om aan een baan te komen en om hogerop te komen. Veel transgenders hebben een laag inkomen. Ze zijn vaker arbeidsongeschikt. Ik verzoek de Minister om echt met een actieplan te komen voor de verbetering van de positie van transgenders op de arbeidsmarkt.

Voorzitter: Yücel

De voorzitter: Ik neem even het voorzitterschap over van mevrouw Tellegen. Zij moet even weg en komt zo terug.

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Voorzitter. De Minister schrijft in haar emancipatiebrief rake woorden over het belang van het continu bewaken en beschermen van verworven vrijheden, «ook gegeven het opkomend conservatisme en fundamentalisme in de internationale context». Kan de Minister uitleggen wat ze hier nou eigenlijk precies mee bedoelt? Geldt deze opmerking alleen voor vrouwenzaken of geldt zij eigenlijk voor alle Nederlandse waarden en burgerlijke vrijheden?

De Minister schrijft in haar brief ook de volgende zin: «Met de huidige migratiestromen is de urgentie om onze collectieve normen en waarden uit te dragen groter dan ooit.» Ik onderstreep dat. Deze waarden zijn wat mij betreft en wat de VVD betreft niet onderhandelbaar. Zij moeten besproken worden in het publiek debat. Maar een voorwaarde voor dat debat is dat we hardop benoemen over welke verworvenheden we het ook alweer hebben. En met alle respect, daarbij gaat het dus om veel, veel meer dan het homohuwelijk, de abortuswet of vrouwen die een topfunctie krijgen in het bedrijfsleven. Het gaat om kiesrecht voor vrouwen, het recht voor vrouwen om te studeren, het recht om te blijven werken na het huwelijk, het recht van vrouwen om te scheiden zonder toestemming van de partner, het recht om uit je kerk te stappen en het recht op bescherming door de overheid als je man je in elkaar slaat. Dit is een indrukwekkende opsomming, maar slechts een heel kleine greep uit de rijke opbrengst van 150 jaar vrouwenemancipatie, eigenlijk 150 jaar emancipatie van de hele samenleving. Daarbij begin ik te tellen bij Aletta Jacobs, maar het beginpunt is altijd arbitrair.

We moeten echter ook eerlijk zijn. Er zijn in ons land nog steeds vrouwen die onvoldoende weten over hun rechten en hun individuele positie. Het zijn vrouwen die te vaak aan het kortste eind trekken. Mevrouw Yücel zei net ook al dat meer dan de helft van alle vrouwen in Nederland weleens te maken heeft gehad met seksueel geweld. Dat gaat dus dwars door alle bevolkingsgroepen heen. Het is goed dat de Minister in haar brief onomwonden stelt dat seksueel geweld altijd bestraft dient te worden.

Maar is het wel voldoende om dat op te schrijven? Is in ons land een massa-aanranding ondenkbaar zoals in Keulen tijdens de nieuwjaarsnacht heeft plaatsgevonden? Wat moeten de overheid en de samenleving doen om dit te voorkomen? Ik sprak eerder deze week met een studente over haar verontwaardiging over de gebeurtenissen in Keulen. Volgens haar «gebeuren deze dingen nu eenmaal op massale feesten». Ik was sprakeloos toen ik dat hoorde, en ik ben dat nog steeds door de vanzelfsprekendheid en het defaitisme waarmee dit werd gezegd.

Een ander voorbeeld komt uit de rapportage Twee werelden, twee werkelijkheden, een rapportage die de Minister zelf heeft laten opstellen. Stuitend duidelijk wordt daarin beschreven hoe groot het gat soms is tussen onze Nederlandse vermeende tolerante samenleving en de opvattingen van jongeren. Die opvattingen vind je zowel op het vmbo als op het mbo en het hbo. Daar is het onderzocht, maar wij horen bijvoorbeeld dergelijke geluiden ook al uit het basisonderwijs. De conclusie van die rapportage is dat docenten, mannen én vrouwen, een duidelijke koers nodig hebben van hun directie en hun schoolbestuur. En zij hebben steun nodig van experts en de politie om met extreme en soms extremistische opvattingen van hun leerlingen om te gaan. Die conclusie onderschrijft de Minister in het voorwoord van dat rapport. Maar blijkbaar is die onvoorwaardelijke steun van schooldirecties en andere instanties voor deze docenten er nu niet. Dat vind ik en dat vindt de VVD echt onbestaanbaar. Onze verworvenheden staan niet een beetje onder druk, maar ze staan zwaar onder druk. Ik roep de Minister op om hier minstens net zo fel bovenop te zitten als op de benoeming van vrouwen in topposities in het bedrijfsleven.

Vrouwen kunnen op het terrein van het beschermen van verworvenheden en van het tegelijkertijd waar dat nodig is vooruitgang boeken op de thema's, veel leren van de homobeweging. Daar timmert men voortdurend aan de weg. Door de wijze waarop men dat in de homobeweging doet, kan men daar rekenen op een brede steun vanuit de samenleving. De regering heeft het hele roze stembusakkoord nu uitgevoerd, ruim een jaar voor de verkiezingen van de Tweede Kamer, maar er is nog steeds reden voor zorg. De veiligheidssituatie van lhbt's vraagt voortdurend om aandacht, net als de acceptatie van lhbt's. Sorry, ik vind het nog altijd moeilijk om deze mensen lhbt's te noemen. Als je spreekt over lhbt's is het bijna alsof het niet over mensen gaat. Lhbt is een afkorting. Het gaat daarbij over mensen. Ik heb het dus over de situatie van mensen in het onderwijs die een andere geaardheid en een andere gerichtheid hebben. Nu de verplichte voorlichting in de kerndoelen voor het bo en vo is opgenomen, moet ook worden geborgd dat dit daadwerkelijk vorm wordt gegeven bij de lerarenopleidingen. Want alleen een definitie van een homo in een leerboek is niet voldoende. Daarmee wordt niet voldaan aan de kerndoelen.

Verder hebben we de ingangsdatum van de verplichte voorlichting op scholen op de BES-eilanden uitgesteld. Ik vraag me af wanneer het kabinet hierover eindelijk een besluit neemt. Wanneer moet ook op de BES-eilanden voldaan worden aan de kerndoelen hierover in het onderwijs?

Voorzitter: Beertema

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik ondersteun zeer het pleidooi van de VVD voor het een veel steviger plek geven in het onderwijs van de educatie over waarden, mensenrechten en alle verworvenheden waarover we het nu hebben. Ik steun ook het voorstel om dit op te nemen in het curriculum van de docentenopleidingen. In 2014 is de motie-Yücel met brede steun in de Kamer aangenomen. Ook de VVD heeft toen voor die motie gestemd. Daarin wordt precies dit gevraagd. Daarin staat dat burgerschapsvorming en die waardeneducatie veel steviger en concreter een plek moeten krijgen in alle lagen van het onderwijs, en dat zij een onderdeel moeten zijn van het curriculum. Stelt mevrouw Van Miltenburg met mij vast dat het kabinet op dit punt eigenlijk weinig voortgang heeft geboekt? Het is echter wel weggezet in Onderwijs2032. Kunnen we op de uitvoering van die motie met z'n allen misschien wat meer druk zetten?

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Als mevrouw Yücel dit zegt, neem ik dat direct aan. Ik ben pas vijf dagen woordvoerder op dit terrein, ik heb niet alle moties die in de afgelopen jaren hierover zijn ingediend paraat en ik heb de voortgang die daarbij is gemaakt niet voortdurend gemonitord. Ik weet echter wel dat die discussie over de kerndoelen voor 2030 in de commissie voor Onderwijs loopt. Daar moet natuurlijk aandacht aan gegeven worden. Overigens vind ik dat dat niet alleen in het onderwijs moet gebeuren, want ik roep er juist toe op dat we met elkaar, dus in de hele samenleving, over die waarden moeten praten en dat we met elkaar onze burgerlijke vrijheden moeten beschermen. Dat begint in het onderwijs. Leraren en docenten moet ook geleerd worden hoe ze dat moeten doen. Uit die rapportage Twee werelden, twee werkelijkheden blijkt dat leraren vaak niet weten hoe ze dat moeten doen. Mijn oproep gaat dus veel breder dan alleen het onderwijs. Die is gericht op de hele samenleving.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik begrijp echter dat mevrouw Van Miltenburg dit ook in het onderwijs en in de docentenopleidingen een veel steviger plek wil geven. Dat concludeer ik ook uit wat mevrouw Van Miltenburg zojuist zei. Docenten moeten weten hoe ze die waardeneducatie aan de kinderen kunnen geven. Die docenten vragen zelf ook om hulp daarbij. Die vraag komt uit het onderwijs. Docenten weten dat ze burgerschap moeten geven, maar ze weten vaak niet hoe. Soms komt het neer op één keer per jaar een multiculti etentje of op het één keer per jaar vertonen van een film over Anne Frank. Op die manier kunnen docenten de lessen burgerschap afvinken. Daar zijn ze zelf ook niet tevreden over. Het kabinet moet dit dus beter ondersteunen.

De voorzitter: Wat is uw vraag, mevrouw Yücel?

Mevrouw Yücel (PvdA): Mijn conclusie is dat we daarmee nog niet heel ver zijn gekomen. Ik zou het heel erg waarderen als we daarbij samen zouden kunnen optrekken en dit samen zouden kunnen aanjagen.

De voorzitter: Ik hoor mevrouw Yücel geen vraag stellen, maar mevrouw Van Miltenburg mag erop reageren.

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Sommige scholen denken aan het kerndoel te kunnen voldoen door het geven van een definitie van een homo. Ik vind dat daarbij vergeleken scholen waar ook naar een film over Anne Frank wordt gekeken, het eigenlijk nog best goed doen. Maar ik heb er net inderdaad precies toe opgeroepen om dit veel beter te borgen.

Voorzitter: Yücel

Mevrouw Bergkamp (D66): Ik ben heel blij om te horen dat de VVD dit ook wil borgen in de lerarenopleidingen. Volgens mij is dat echt goed. Lesgeven over seksuele diversiteit is natuurlijk iets anders dan lesgeven over burgerschap. Het laatste is wat algemener. In de kerndoelen van het po en het vo wordt nu gesproken over seksuele diversiteit. Als mevrouw Van Miltenburg dat in de lerarenopleidingen wil borgen, vind ik dat echt goed.

Ik heb echter een andere vraag voor de woordvoerster van de VVD. Die gaat over de veiligheid van lhbt's, dus van lesbo's, homo's, bi's en trangenders. Wat gaan we doen om de mensen in de azc's in een veilige situatie te krijgen? Wat vindt de VVD hiervan?

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Ik vind dat er altijd en overal in Nederland moet worden opgetreden tegen mensen die geweld gebruiken, mishandelen of discrimineren. Dus ongeacht de vraag of dit gebeurt in Amsterdam, in Zaltbommel – daar woon ik zelf – of in Heumensoord. Op die laatste plaats en de klachten daar is de vraag van mevrouw Bergkamp gericht. Er moet opgetreden worden tegen mishandeling. Ik hoorde gisteren het verhaal van die mijnheer in Drenthe. Zoiets is natuurlijk hartverscheurend, net als elk verhaal over mishandeling en bedreiging, en over mensen die zich onveilig voelen in Nederland. Zulke zaken horen niet bij Nederland. Ik vind dus dat daar streng tegen moet worden opgetreden.

Mevrouw Bergkamp (D66): Dit is een wat algemeen verhaal. Mevrouw Van Miltenburg heeft het over optreden tegen daders. Dat snap ik en ik ben het met haar eens dat tegen hen in elke situatie moet worden opgetreden. Maar laten we het even bij de situatie in Heumensoord houden. Daar zitten twintig lhbt's die niet veilig zijn. Hun signalen bereiken het COA niet. Wat wil de VVD concreet doen voor deze groep die niet veilig is? Moeten ze naar een veilige opvang? Moet er op iedere locatie een vertrouwenspersoon komen? Wat is de oplossing? Ik wil het dus even niet over die daders hebben, maar over de mensen die daar in een onveilige situatie verkeren.

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Die noodopvang is net iets beter dan de crisisopvang, waarbij mensen elke 72 uur hun tas moesten pakken en naar de volgende sporthal werden verhuisd. De noodopvang is daar nu tussen gekomen. Dat is niet onze standaard. We moeten ernaar blijven streven dat mensen zo veilig mogelijk worden opgevangen. Er zijn signalen dat mensen niet veilig zijn. Dat moet beter, dat moet beter. Ik heb echter geen instant oplossing. Dit is een instant probleem. Het alternatief is dat deze mensen op straat leven. Ik denk niet dat ze daar beter af zouden zijn. Ik ben het echter met mevrouw Bergkamp eens dat het beter moet dan nu.

De heer Jasper van Dijk (SP): We zijn het eens; je moet je bij dit treiteren, pesten, intimideren natuurlijk in de eerste plaats richten op het aanpakken van de daders. Ik heb ook het stuk in de Volkskrant van gisteren gelezen waarin sprake is van een briefje dat onder het bed van een van de asielzoekers werd aangetroffen en waarop stond «kill gay, kill gay, kill gay». De politiek kan natuurlijk zeggen: we gaan niet werken aan aparte opvang, want dan richten we ons niet op de daders. Is dat inderdaad het standpunt van de VVD, wat gisteren in de krant stond? Als dat zo is, zou dat toch wel pijnlijk zijn voor deze homoseksuele asielzoekers die op dit moment worden getreiterd terwijl de daders nog niet zijn opgepakt.

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Wij bieden noodopvang aan mensen. Ik vind het ontzettend pijnlijk om te horen dat in die noodopvang mensen, die allemaal in een noodsituatie verkeren, elkaar treiteren, pesten en erger. Dat vind ík ontzettend pijnlijk. Wij vinden het in Nederland onacceptabel als dit gebeurt, waar dan ook. Dat geldt dus ook voor de noodopvang.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dit is eigenlijk geen antwoord. Er ligt nu een concreet voorstel op tafel. Daarbij gaat men ervan uit dat er in acute noodsituaties een aparte opvang kan zijn voor bedreigde homoseksuele asielzoekers. Kan de VVD dat steunen, of laat men bij de VVD deze mensen in de steek?

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Het kabinet heeft allang aangegeven dat als er zich noodsituaties voordoen, er een oplossing moet komen. Daar heb ik niets aan toe te voegen, maar ook niets op af te dingen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Hoe kan het toch dat het zo ontzettend lang duurt voordat er meer vrouwen aan de top komen? In het bedrijfsleven schiet het helemaal niet op. In 2014 was bij meer dan driekwart van de bedrijven geen enkele vrouwelijke bestuurder. Ondanks alle goede bedoelingen, dreigementen en maatregelen van de Minister gaat de groei van het aantal vrouwelijke bestuurders met een slakkentempo vooruit. Intussen legt de Minister geen sancties op, maar worden streefcijfers en doelstellingen steeds bijgesteld en verschoven.

Wij vragen ons af wanneer de maat vol is voor deze Minister. Wat wil zij concreet doen om ervoor te zorgen dat de streefcijfers wel worden gehaald? Welke sancties gaat de Minister verbinden aan het ontbreken van een verklaring voor de niet gehaalde streefcijfers? Wat verstaat zij onder het stevig aanspreken van bedrijven die geen werk maken van de naleving? Deelt de Minister de mening van GroenLinks dat het hoog tijd is om een quotum in te voeren, aangezien het bedrijfsleven het zelf niet regelt?

De Minister stelt terecht dat de publieke sector een voorbeeldfunctie moet vervullen in het streven naar een eerlijke verdeling tussen mannen en vrouwen. Daar gaat het ook ietsje beter. Toch wordt het streefcijfer van minimaal 30% vrouwen niet overal gehaald. Zo is bij Economische Zaken 16% van de ambtelijke top vrouw. Bij Defensie is dat slechts 6%. Bovendien is er bij Defensie nog steeds sprake van functies waar vrouwen niet eens op mogen solliciteren. Is de Minister bereid om in overleg met haar collega te gaan om de man-vrouwverdeling bij het Ministerie van Defensie te verbeteren en alle functies open te stellen voor vrouwen? Hoe denkt de Minister de belofte uit het regeerakkoord na te komen en de top van de rijksdienst naar minimaal 30% te brengen?

Er is nog veel op te merken over het gebrek aan vrouwen in de top van het bedrijfsleven, maar de Minister zou er goed aan doen om ook te kijken naar de staatsdeelnemingen. In de raden van bestuur is gemiddeld 17% vrouw. Bij negen van de dertien staatsdeelnemingen zit geen enkele vrouw in de raad van bestuur. Volgens de Minister wijst de Staat de staatsdeelnemingen actief op het wettelijk streven naar diversiteit, maar wat verstaat zij onder «actief erop wijzen»? Hoe gaat de Minister er concreet voor zorgen dat meer vrouwen in de top van de staatsdeelnemingen komen? Is zij ook bereid om staatsdeelnemingen sancties op te leggen bij het niet behalen van het streefcijfer? Is zij het eens met GroenLinks dat het tijd wordt om als aandeelhouder te zeggen dat bij alle volgende benoemingen in de raden van bestuur de voorkeur uitgaat naar een vrouw, zolang het streefcijfer van 30% niet is gehaald?

Ik heb ook nog wat vragen over de middelen die de Minister heeft ingezet om het aantal topvrouwen te vergroten. Denk aan de app die deze week werd gelanceerd. Wat is het resultaat van die middelen? Hoe wordt dit gemonitord?

Dan kom ik op de database voor topvrouwen. Ik heb een aantal vrouwen met mooie carrières gesproken die zich hiervoor willen aanmelden. Maar wat blijkt? Ironisch genoeg heb je daarvoor een aanbeveling nodig van een commissaris uit een van de top 200-bedrijven, oftewel iemand uit het oldboysnetwork zelf. Hoe ziet de Minister deze vereiste aanbeveling in relatie tot het verbreken van het oldboysnetwork? Kunnen we in deze zaal afspreken dat deze vereiste voor een aanbeveling van een commissaris wordt geschrapt?

Ik wil ook aandacht vragen voor een ander belangrijk thema op het gebied van emancipatie, namelijk de lhbt-vluchtelingen die op dit moment in asielzoekerscentra zitten. Ze zijn gevlucht voor bedreigingen en geweld, maar krijgen er in Nederland opnieuw mee te maken. Ik vraag de Minister om zich voor deze kwetsbare groep in te zetten door in azc's snel te starten met voorlichting over homo- en vrouwenrechten, door op elke COA-locatie een vertrouwenspersoon neer te zetten en door tijdelijke safehouses als laatste redmiddel in te zetten. Mensen voelen zich nu bedreigd. Natuurlijk moeten we eraan werken om de situatie in de azc's te verbeteren en moeten we ervoor zorgen dat het besef en het belang van mensenrechten veel meer tussen de oren komen, maar mensen die zich nu bedreigd voelen, zijn daar nog niet mee geholpen. Daarom denken we dat er toch gekeken moet worden naar tijdelijke safehouses. Is de Minister bereid om de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op te roepen om samen met haar snel deze maatregelen door te voeren?

Tot slot sluit ik me aan bij de woorden van D66 over transgenders en in het bijzonder bij het pleidooi voor een transitieverlof. Bij de transitie komt enorm veel kijken. Die is enorm ingrijpend. Volgens mij is het geen goede oplossing om te zeggen: zoek het zelf maar uit met je werkgever. Ik vind het dus een goed voorstel van D66. Ik ben benieuwd naar de reactie van de Minister.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Emancipatie, bestrijding van ongelijkheid, is een topprioriteit van de SP. Dan heb ik het over de emancipatie van vrouwen en de emancipatie van lhbt's. Ik wijs de Minister echter ook op de emancipatie van jongens in het onderwijs. Moet de Minister niet ook naar dit aspect kijken? Kijk eens naar wat er vandaag in Trouw staat. Jongens lopen steeds meer achter op de meiden, omdat het onderwijs een sterk accent legt op zelfstandig werken, plannen en samenwerken. De kloof dreigt alleen maar groter te worden. Opleidingen richten zich meer en meer op sociale en communicatieve vaardigheden. Dat is volgens de onderzoekers iets waar vrouwen nu eenmaal beter in zijn. Jongens hebben baat bij de klassieke aanpak van begeleiding door een docent, een centrale figuur die helpt bij het plannen van het maken van opdrachten. Ik moet toegeven dat ik dit wel herken uit mijn eigen schooltijd. Dit soort onderwijs kan de jongens opbreken, nu opleidingen in het hoger onderwijs overgaan tot een strenge toetsing en selectie aan de poort. De meiden komen daar gewoon makkelijker doorheen en de jongens blijven achter. Wat vindt de Minister daarvan en wat doet zij eraan?

Geweld tegen vrouwen is onacceptabel, waar dat dan ook plaatsvindt. Daarover ben ik het helemaal met de PVV eens. Daarom vind ik het onbegrijpelijk – mevrouw Yücel begon er terecht over – dat de PVV tegen het Verdrag van Istanboel heeft gestemd. Dat is nota bene een verdrag om geweld tegen vrouwen te bestrijden. Wellicht horen we ooit nog eens hoe dat zit.

Ondanks alle voornemens schiet het maar niet op met de topvrouwen. In het regeerakkoord staat dat 30% van de topposities ingenomen moet zijn door vrouwen. Dat lukt niet. Wat vindt Neelie Kroes daarvan, zo vraag ik de VVD.

Afgelopen maandag zagen we het nieuwste initiatief, de lancering van de website Navigeren naar de top. Deze website is een hulpmiddel bij het zoekproces. Is dit niet een aanfluiting? Waarom geeft de Minister gewoon niet toe dat het haar niet lukt, dat ze geen zin heeft in een quotum en dat ze dit voor zich uitschuift zodat een volgend kabinet het mag oplossen? Volgens mij is dat het eerlijkste.

Het gaat natuurlijk niet alleen om vrouwen in topposities. Bij emancipatie gaat het ook om alleenstaande moeders met kleine kinderen. Wat vindt de Minister daarvan? Deze vrouwen lopen het hoogste risico op armoede. Vrouwen verdienen gemiddeld 20% minder dan mannen. Migrantenvrouwen zijn het minst economisch zelfstandig. Deelt de Minister mijn mening dat we ons dus niet moeten blindstaren op topvrouwen in het bedrijfsleven, maar dat we naar alle topvrouwen moeten kijken? Daarom stel ik voor om werk te maken van het bestrijden van de inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen. Een recent voorbeeld hiervan zagen we in het hoger beroepsonderwijs. Daarin zag je heel goed hoe die verschillen in salaris ontstaan. Ik krijg hierop graag een reactie van de Minister. Daarnaast stel ik voor om bedrijven te verplichten om verantwoording af te leggen over diversiteitsbeleid en om de mogelijkheden voor mannen te verruimen om na de bevalling betaald verlof op te nemen.

We kunnen hier allemaal mooie pleidooien houden voor emancipatie en meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar we moeten ook kijken naar het beleid. Het kabinet kiepert zorgtaken over de schutting naar de gemeenten en bezuinigt hard op de zorg. Je moet erkennen dat er in de praktijk dus een steeds zwaarder beroep wordt gedaan op vrouwen. Zij besteden nu eenmaal de meeste tijd aan dit soort zaken. Erkent de Minister dat dit funest is voor de emancipatie? Ik krijg hierop graag een reactie.

De rol van «Nederland gidsland» op het gebied van lhbt's is tanende. De onverdraagzaamheid richting lhbt's neemt niet af. Zeven van de tien lhbt's krijgen te maken met fysiek of verbaal geweld. De helft van de lhb-jongeren wordt op school gepest. «Homo» is het meest gebruikte scheldwoord. Komt er voorlichting over lhbt's in het mbo? Is er aandacht voor deze problematiek in de lerarenopleidingen? Ik krijg hierop graag een reactie.

Wat is het standpunt van de regering over de opvang van homoseksuele asielzoekers? De problemen zijn groot. We hebben ze net al besproken. Het COC luidt de noodklok. Velen worden uitgescholden, gepest en bedreigd. Toch wil de coalitie geen aparte opvang voor de lhbt's onder de asielzoekers, zo las ik gisteren in de Volkskrant. Ik hoorde net wat andere geluiden, dus wat dat betreft wordt het even spannend. Natuurlijk moeten we allereerst de daders opsporen, maar soms is sprake van een acute noodsituatie en dan kan aparte opvang een oplossing zijn, zoals dat in Amsterdam gebeurt. De Minister is daar voorstander van, lees ik in diverse berichten, maar is dit ook het standpunt van de regering? Aan de mensen die heel hard roepen dat aparte opvang onzin is en dat het einde dan zoek is, vraag ik of zij ook gaan pleiten voor het afschaffen van blijf-van-mijn-lijfhuizen. Dat is in feite hetzelfde verhaal. Volgens mij zijn die huizen ook heel legitiem. Is de Minister bereid om vertrouwenspersonen aan te stellen op de noodopvanglocaties?

Er is geld vrijgemaakt voor de emancipatie van lhbt's in migrantengemeenschappen. Wat is er met het geld gebeurd? Hoeveel mensen zijn er bereikt?

Tot slot sluit ik me aan bij de vragen die mijn collega's hebben gesteld over transgenders.

De vergadering wordt geschorst van 11.08 uur tot 11.17 uur.

De voorzitter: We hebben de eerste termijn van de verschillende fracties net gehad en we vervolgen met de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik sta twee interrupties in tweeën toe. Laten we kijken hoever we komen. We moeten ook oog houden voor de tijd. We hebben tot 13.00 uur en we moeten dan ook echt klaar zijn.

Minister Bussemaker: Voorzitter. Ik vond dat mevrouw Van Miltenburg goed verwees naar mijn allereerste emancipatiebrief, waarin ik schreef dat emancipatie nooit af is. Dat zeg ik ook maar meteen tegen de heer Beertema. Wat mij betreft is de emancipatie niet af. Waarom is zij niet af? Omdat er altijd weer nieuwe risico's zijn. Die risico's komen inderdaad soms uit conservatieve en fundamentalistische hoek. Dat kan met religie en geloof te maken hebben, maar het kan ook met cultuur te maken hebben. Ik zeg ook maar meteen tegen de heer Beertema dat die cultuur niet alleen van de islam of uit de Arabische landen komt. Die cultuur kan overal vandaan komen en die kan erin sluipen. Die kan ook van autochtone bewegingen komen, bijvoorbeeld uit streng christelijke hoek. Het maakt mij niet uit waar die cultuur vandaan komt. Ik sta voor, zoals mevrouw Van Miltenburg dat al verwoordde, het beschermen van de verworvenheden. Er zijn inderdaad veel meer verworvenheden dan alleen het homohuwelijk. Dat moeten we niet vergeten. Gelukkig is het voor de huidige generatie jonge vrouwen vanzelfsprekend om naar school te gaan en te studeren. Meisjes doen het zelfs meer en beter dan jongens. De heer Van Dijk verwees ernaar. Voor meisjes is dat een verworvenheid. In de wereld is er op dat gebied nog veel te winnen. Er zijn veel landen waarin het nog niet vanzelfsprekend is dat meisjes naar school gaan, hun kennis kunnen doorontwikkelen en kunnen werken. We hebben dus nog een lange weg te gaan. Ik wil niet weglopen voor de problemen die zich voordoen bij de migratie en bij de aanwezigheid van grote groepen vluchtelingen. Hierdoor is dit debat ook op scherp gesteld.

De heer Beertema (PVV): De Minister doet het nu ook. Net is ook al een paar keer geprobeerd om de wandaden die in Keulen en in andere plaatsen over ons heen zijn gekomen, gelijk te stellen aan daden van de autochtone bevolking. Ik kan me echter helemaal niet herinneren dat christelijk-gereformeerde jongeren in georganiseerd verband meisjes te lijf zijn gegaan of dat Jehova's getuigen lhbt's hebben willen molesteren. Dat is niet zo. Het zijn steeds moslimjongemannen die dit doen. Als de Minister dit blijft doen, concludeer ik dat zij dit probleem bagatelliseert en ervan wegkijkt. Is die conclusie juist? Zij zegt dat het overal voorkomt.

Minister Bussemaker: Mijn pleidooi is er juist op gericht om te zeggen dat ik dat niet wil doen, dat ik er mijn ogen niet voor wil sluiten. Ik begrijp de angst ook. Ik zie wat er gebeurt als grote groepen vluchtelingen uit Syrië en Afghanistan, die vaak opvattingen hebben die anders zijn dan de verworvenheden die wij met elkaar bereikt hebben, naar Europa en naar Nederland komen. Daarover moeten we het gesprek ook aangaan. Tegelijkertijd doe ik ook een dringend beroep op u om naar de feiten te kijken en te beseffen dat bijna één op de twee vrouwen, zoals verschillende leden al hebben gezegd, te maken heeft gehad met seksuele intimidatie. Hierbij gaat het niet alleen om vluchtelingen of moslimmannen. Het gebeurt overal. Zo treurig is het. Seksueel geweld vindt plaats in alle rangen en standen, bij alle leeftijden en in alle culturele en religieuze gemeenschappen.

Gelukkig hebben wij daar heel belangrijke stappen in gezet. Ik zal er straks uitgebreider op terugkomen, maar ik vind ook dat we voor nieuwe Nederlanders of vluchtelingen die korter of langer in Nederland zullen verblijven, klip-en-klaar moeten stellen wat onze grenzen zijn. Ik ben niet alleen van de school van voorlichting geven. Ik ben ook van de school van grenzen stellen en van het aanpakken van daders. Als mensen echt ver over de schreef zijn gegaan, is het beleid van het kabinet dat zij het land moeten verlaten als zij hier tijdelijk zijn. Dat hoort er allemaal bij.

Ik word ontzettend boos over geweld tegen vrouwen. Ik word heel boos over geweld in asielzoekerscentra. Ik ben ontzettend boos over wat er in Keulen is gebeurd. Ik word echter ook boos als degenen die beter zouden moeten weten, de indruk wekken dat dit geweld maar van één groep komt. Ik word dus ook boos als ik de heer Beertema hoor zeggen dat het probleem is opgelost als we onze grenzen dichtdoen. Laten we vooral samen ervoor zorgen dat we het geweld aanpakken waar dat moet en dat we het bespreekbaar maken.

Dat probeer ik te doen door initiatieven te nemen. Verschillende leden hebben gewezen op het verslag Twee werelden, twee werkelijkheden van Margalith Kleijwegt. Mevrouw Van Miltenburg zei terecht dat ik daar zelf om heb gevraagd, omdat ik wil weten wat er bij scholen gebeurt, wat jongeren beweegt en waar zij zich druk over maken, zodat wij vervolgens na kunnen denken over een aanpak. Dat begint ermee dat we onze ogen niet sluiten en dat we niet wegkijken, maar dat we het bespreekbaar maken. Daar hoort ook bij dat iedereen die geweld ziet, zegt dat het niet normaal is. Denk bijvoorbeeld aan de hashtag «Zeg het» van eind oktober. Een slachtoffer deelde haar ervaringen met seksuele intimidatie en seksueel geweld. Zij was door een kennis in haar eigen huis aangerand. Binnen enkele dagen kwamen er duizenden reacties van vrouwen en van mannen. We moeten geweld dus nooit normaal gaan vinden, maar we moeten wel beseffen dat geweld overal voorkomt en soms specifieke aandacht vraagt. Daar zijn we nu mee bezig in asielzoekerscentra.

De heer Beertema (PVV): Dat is mooi. De Minister kijkt niet weg en onderkent het probleem dat zich met de vluchtelingeninvasie voordoet. Ze zegt dat ze klip-en-klaar grenzen gaat stellen. Hoe doet ze dat dan? Ze zegt dat er niet alleen voorlichting wordt gegeven, maar het enige wat ik in de berichtgeving heb gehoord, is dat er een foldertje wordt uitgedeeld waarin iets over respect wordt gezegd of zoiets. Ik vraag de Minister dus wat ze eraan doet.

De Minister zegt nu stoer dat de daders gepakt moeten worden en het land moeten worden uitgezet. Dan wil ik ook weten hoe ze dat gaat aanpakken. Hoeveel mensen zijn tot nu toe gepakt en het land uitgezet?

Minister Bussemaker: Ik kom zo terug op de specifieke vragen over lhbt's in asielzoekerscentra. Wij moeten beseffen dat wij bij het thema van emancipatie van vrouwen en lhbt's ook van ver komen en dat wij veel bereikt hebben. Wij moeten er met elkaar voor zorgen dat wij datgene wat wij bereikt hebben, beschermen. Dat vraagt allereerst dat wij het gesprek aangaan, dat wij ons uitspreken, dat wij aangeven waar de grenzen liggen, maar ook dat wij niet één groep daarvoor onterecht verantwoordelijk maken. Wij moeten ons blijven baseren op de feiten.

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Deze woorden onderschrijf ik allemaal. Dat heb ik ook gezegd in mijn inbreng. Ik wil wel dat de Minister concreter wordt over de vraag waar de problemen zitten. Ik las vanmorgen het commentaar van Sander van Walsum in de Volkskrant – het is niet mijn gewoonte om uit de Volkskrant te citeren, maar nu wil ik dat toch graag doen – waarin hij schreef dat onze burgerlijke vrijheden zwaar bevochten zijn en dat die vrijheden prevaleren boven elk Koranvers, Bijbelvers of wat dan ook, maar dus zeker ook boven elk Koranvers dat je maar kunt bedenken. Dat moeten we uitspreken. Ik wil dat de Minister deze uitspraak volledig onderschrijft.

Minister Bussemaker: Ik heb dat commentaar nog niet gelezen, dus sta mij toe dat ik het eerst goed lees voordat ik alleen dit deel onderschrijf. Ik onderschrijf dat onze waarden, die wij bevochten hebben, boven elke groepsnorm staan. Vrouwenrechten zijn mensenrechten, mensenrechten zijn vrouwenrechten. De rechten van lhbt's zijn ook mensenrechten. Die rechten kunnen niet zonder elkaar bestaan. We moeten mensenrechten te allen tijde beschermen. Het is de verantwoordelijkheid van de rechtsstaat om die te beschermen. Vanuit de visie van de scheiding tussen Kerk en Staat is het niet mijn verantwoordelijkheid om uitspraken te doen over hetgeen in de Bijbel of de Koran staat. Ik vind wel dat je nooit met een beroep op welk religieus boek dan ook geweld ten aanzien van een ander mag gebruiken. Daar ligt mijn grens.

De voorzitter: Ik zie dat mevrouw Van Miltenburg tevreden is met het antwoord.

Minister Bussemaker: Soms is het best ingewikkeld. We weten dat sommige vrouwen vluchten uit de landen waar nu veel vluchtelingen vandaan komen, omdat ze daar seksueel misbruikt zijn. We weten dat er lhbt's gevlucht zijn omdat ze zich daar niet veilig voelden. Zij komen hiernaartoe om een veilig heenkomen te zoeken. Dan is het de vraag wat wij belangrijker vinden. Vinden wij het belangrijk dat wij vrouwen en homo's die vluchten vanwege hun geaardheid tegen geweld beschermen, of zeggen wij, zoals ik de heer Beertema hoorde zeggen: u bent een moslim en de grens moet voor u dicht? Dat doet echt geen recht aan de complexiteit waarvoor wij hier staan.

Dat neemt niet weg dat er van alles moet gebeuren. Dat begint bij uitspreken. Dat wil ik niet onderschatten. Het klinkt misschien heel indrukwekkend als ik zeg dat ik een wet ga maken, maar die wetten hebben we al. Overigens heeft de Kamer ook net ingestemd met het ondertekenen van het Verdrag van Istanboel. Dat is het laatste wat we hebben gedaan. Laat ik de discussie waarover dat verdrag gaat, nog even verhelderen. Het is een belangrijk internationaal verdrag dat Nederland met steun van een groot deel van de Kamer heeft ondertekend. We zijn nu bezig om het te implementeren, want het treedt in werking op 1 maart 2016. Het verdrag zal echt een belangrijke impuls geven aan het versterken en het verbeteren van een samenhangende en gendersensitieve aanpak, met aandacht voor preventie en het bestrijden van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen als oorzaak voor het ontstaan van geweld tegen vrouwen. Ik kan me dus niets anders voorstellen dan dat de heer Beertema zich, na dit gehoord hebbende, met terugwerkende kracht zal uitspreken voor het Verdrag van Istanboel.

De heer Beertema (PVV): Ik heb het uiteraard even opgezocht. Dat gaan we dus niet doen, want dit soort wetgeving geven we uit principe niet uit handen aan bovennationale instellingen. Ons standpunt is dat we dit heel goed zelf kunnen regelen. Dat is ook ons standpunt ten aanzien van de Europese Unie. We zijn een autonoom land met een autonome wetgeving en dat willen we graag zo houden.

Minister Bussemaker: Ik moet zeggen dat ik dat heel spijtig vind, want helaas beperkt geweld tegen vrouwen zich niet tot de grenzen van landen. Velen van u hebben terecht gevraagd naar Keulen. Dat ligt heel dicht bij Nederland. Ik acht het onwaarschijnlijk dat zoiets in Nederland gebeurt, maar dat betekent niet dat we het kunnen uitsluiten. We weten dat het ook in andere belangrijke steden, zoals Stockholm, is gebeurd. Mevrouw Van Miltenburg refereerde ook aan verhalen van jongeren. Die verhalen ken ik ook. Een internationale afstemming is dus van groot belang. Ik denk ook aan de migranten die tijdens hun vlucht te maken krijgen met verkrachting en seksueel geweld. Ook dan zijn vrouwen weer extra kwetsbaar.

De heer Beertema (PVV): Ik vind het een beetje flauw om het op deze manier te stellen. Het is een beetje een kip-of-eiverhaal. Wij hebben geen jurisdictie over Duits grondgebied. Wij hebben jurisdictie over ons nationale grondgebied. Wij hebben nooit «wir schaffen das» gezegd. Dat heeft de Duitse mevrouw Merkel gezegd en dat heeft al deze problemen opgeroepen. Wij vinden dat wij de jurisdictie over Nederland moeten houden. Wij gaan over onze eigen wetgeving en niet over de Duitse. Was het maar waar, want dat was dit nooit gebeurd.

Minister Bussemaker: Het zou echt heel erg fijn zijn als we met een wet kunnen voorkomen dat geweld plaatsvindt. In Keulen is volgens mij veel misgegaan. Ik vind elk geweld even ernstig, maar ik denk dat niemand kan zeggen dat je dit altijd kunt voorkomen. Je kunt er wel alles aan doen om te proberen het te voorkomen. Als je ziet dat het plaatsvindt, kun je slachtoffers beschermen en vervolgens daders aanpakken. Dat is precies wat ik probeer te doen, op grond van feiten. Daarom trek ik samen met de organisaties die ik ondersteun, zoals Atria, Movisie en Rutgers, en met gemeenten op om geweld tegen vrouwen en tegen lhbt's te voorkomen en aan te pakken en om vervolgens slachtoffers zo goed mogelijk te beschermen.

Op 9 maart organiseer ik een werksessie met vrouwen- en vluchtelingenorganisaties over de problematiek van geweld tegen vrouwen in den brede. Het is een belangrijk thema op internationaal niveau, ook vanuit het Europees voorzitterschap. Het is ook een belangrijk thema bij de CSW (Commission on the Status of Women). Mevrouw Yücel vroeg wat ik daar ga doen. We houden daar bijvoorbeeld een ministeriële ontbijtbijeenkomst en een side event die in het teken staan van geweld tegen vrouwen, mede in relatie tot economische zelfstandigheid.

Nu ik hier toch over spreek, zal ik meteen de andere vraag van mevrouw Yücel beantwoorden over de CSW. We zullen daar ook ingaan op de sustainable development goals. Dan gaat het dus om internationale samenwerking en over de vraag hoe lidstaten de doelen in hun nationale beleid implementeren. Aangezien wij nu voorzitter zijn van de Europese Unie, zal ik ook namens alle EU-staten een statement uitdragen tijdens de openingssessie. Vanuit die rol streef ik ook naar een sterke gemeenschappelijke boodschap van de EU-lidstaten. Morgen is er een briefing met de ngo's. Dan zal ik de inbreng verzamelen om de uiteindelijke inzet te bepalen. Zowel op nationaal als op internationaal niveau probeer ik dus aandacht te besteden aan geweld tegen vrouwen en lhbt's. Dat doe ik vanuit een internationale inzet.

Ik ben het met mevrouw Yücel eens dat ook in de vluchtelingenopvang het gesprek moet worden aangegaan over geweld tegen vrouwen en lhbt's en dat dit nooit vrijblijvend kan zijn. Het moet een gesprek zijn met gevolgen. Daarbij is voorlichting cruciaal, maar ik erken onmiddellijk dat voorlichting alleen niet voldoende is. We kunnen het niet laten bij het ophangen van een poster over het homohuwelijk, hoewel ik op basis van mijn bezoeken aan asielzoekerscentra constateer dat zo'n poster soms wel de discussie kan aanwakkeren en dus aanleiding kan zijn om het gesprek aan te gaan. Dat gesprek moet je aangaan en wat mij betreft ook zo snel mogelijk.

Ik weet niet meer wie vroeg om dit meteen op de eerste dag te doen. Was het mevrouw Bergkamp? Nee, het was mevrouw Yücel. Ik vind dat het zo snel mogelijk moet, maar mensen die in een azc zitten, zijn vaak zwaar getraumatiseerd en doodmoe. Ik kan dus niet van hieruit bepalen wanneer er precies iets moet gebeuren. Het COA werkt er heel hard aan om dit allemaal in goede banen te leiden. Het COC en het COA werken ook goed samen. Ik ben graag bereid om die voorlichting zo goed mogelijk te organiseren, zeg ik tegen mevrouw Yücel. Daarnaast hebben we dan de participatieverklaring waar vooral collega Asscher mee bezig is. Hij heeft al gezegd dat die zo snel mogelijk moet plaatsvinden. Naarmate mensen langer in de procedure zitten en het langer duurt voordat ze statushouder worden of daar een besluit over krijgen, moeten we er misschien sneller mee aan de slag. De participatieverklaring is echter in oorsprong bedoeld voor statushouders.

Dat brengt mij op de vraag hoe we in de azc's de veiligheid zo goed mogelijk borgen, ook wanneer mensen in de procedure zitten en dus nog geen participatieverklaring kunnen tekenen.

Voorzitter: Van Miltenburg

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik heb de antwoorden gehoord van de Minister over het zo snel mogelijk, op dag één of in de eerste week, voeren van het rechten- en plichtengesprek dat ik namens mijn fractie bepleit. We willen dat dit zo snel mogelijk gevoerd wordt. Natuurlijk zijn mensen dood- en doodmoe als ze binnenkomen, maar ze komen ook voor veiligheid en vrijheid. Ze hebben er recht op om te weten wat de regels zijn, ook binnen de opvang. Wat kan wel en wat kan niet? Leren leven in vrijheid vanaf dag één is geen straf. Ik hoor dus graag van de Minister of deze wens van de PvdA offensief wordt opgepakt. Het begint bij het erkennen van het belang van deze waarden. Vervolgens moeten deze zo spoedig mogelijk in de ontvangst in een opvangcentrum een plek krijgen in een rechten- en plichtengesprek, wat mij betreft met een handtekening eronder, waardoor duidelijk is dat het gesprek gevoerd en begrepen is.

Minister Bussemaker: Ik ben het helemaal eens met mevrouw Yücel dat het gesprek zo snel mogelijk moet plaatsvinden, gewoon vanaf dag één. De vraag is hoe je dat op de beste manier doet. Naar mijn idee doe je dat door in de asielzoekerscentra aan te geven wat wel en niet aanvaardbaar is. Bij de werkbezoeken die ik heb afgelegd, was ik onder de indruk van de mensen die ik daar heb gezien en die ook op andere terreinen vertellen hoe we het hier wel of niet doen. Ik constateer echter ook dat het COA een enorm zware taak heeft en dat mijn collega de heer Dijkhoff heel hard bezig is om ervoor te zorgen dat iedereen een bed heeft en dat mensen niet van hot naar her gesleept worden. De opdracht is heel groot. Het COA voert altijd ontvangstgesprekken. Daarin kan dit een thema zijn.

Wij zijn bezig om een studiedag te organiseren in maart, waarbij we samen met het COA en in goede afstemming met V en J bekijken wat er allemaal nog meer kan gebeuren. Mijn departement heeft ook bijna wekelijks contact met het COA over incidenten die hebben plaatsgevonden, omdat we daarvan kunnen leren. Dan gaat het over de aard van de incidenten die we in de media tegenkomen en over de wijze waarop we de voorlichting kunnen verbeteren. Op basis van die informatie hebben we ook bijna dagelijks nauw contact met COC Nederland over wat er gebeurt in de opvang en hoe dit beter kan worden aangepakt.

Ik vind het verder heel belangrijk dat we het netwerk binnen de lhbt-beweging gebruiken, om voorlichting te geven en om sociale veiligheid te creëren voor lhbt's die nieuw in Nederland zijn.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ook ik heb azc's bezocht. Natuurlijk gebeurt er wel iets aan voorlichting, maar op dit moment is het vrijblijvend, gebeurt het niet consequent en gebeurt het ook niet direct na binnenkomst. Bovendien is er ook geen sprake van een proces van erover doorpraten. Ik wil graag dat dit de inzet is van deze Minister, natuurlijk in samenwerking met Staatssecretaris Dijkhoff. Kan de Minister mij toezeggen dat ze alles op alles zal zetten om dit op die studiedag in maart goed door te akkeren? Wat is haalbaar? Kunnen de COA-medewerkers dit zelf doen? Moet dit geregeld worden met een gemeentelijke inzet? Moeten we dit doen met de mensenrechtenambassadeurs die getraind zijn door dit kabinet of met de change makers van VluchtelingenWerk Nederland? Of moeten we dit doen met een combinatie van deze dingen? Kan de Minister dit toezeggen?

Minister Bussemaker: Ja, dat doe ik graag. Dat is eigenlijk ook de bedoeling van de bijeenkomst die we begin maart organiseren. Deze gaat over voorlichting en wordt georganiseerd door het COA. OCW is er echter zeer nadrukkelijk bij betrokken. Met alle relevante partijen, waaronder het COC, gaan we bespreken op welke wijze de voorlichting aan bewoners, onder andere over het creëren van een veilige situatie en het doen van aangifte, verder verbeterd kan worden.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik heb nog een heel kort vraagje.

De voorzitter. Sorry, mevrouw Yücel, maar volgens mij was uw eigen regel dat we het in tweeën doen.

Mevrouw Yücel (PvdA): Af en toe ben ik coulant, maar ik houd me aan uw structuur. U hebt helemaal gelijk.

Voorzitter: Yücel

Mevrouw Bergkamp (D66): Volgens mij gaat de Minister nog wel wat over veiligheid zeggen, maar ik heb er alvast een vraag over. De Minister zegt dat ze feiten heel belangrijk vindt. Hoeveel bedreigde en getreiterde lhbt's zijn nu via de regering of het COA in een aparte, veilige opvang geplaatst? Daar ben ik benieuwd naar. Over hoeveel mensen hebben we het? We vinden veiligheid en de feiten blijkbaar heel belangrijk en daarom ben ik benieuwd naar het antwoord van de Minister.

Minister Bussemaker: Ik heb die cijfers nu niet bij de hand. Dat komt ook doordat het niet altijd zo eenduidig is wat er precies aan de hand is. We hebben het onder andere over geweld en psychische klachten, waarbij mensen even tijdelijk elders opgevangen worden. Bij aangiftes worden echter geen cijfers op deze manier bijgehouden. Ik weet wel dat we op grond van gegevens van het COC over klachten en de incidenten, altijd het gesprek aangaan en ook proberen op grond daarvan maatregelen te nemen die nodig zijn.

Mevrouw Bergkamp (D66): Ik schrik van deze reactie van de Minister. We hebben het gehad over preventie, participatie en de feiten. Ik vraag haar of zij zicht heeft op het aantal incidenten. Hoeveel mensen zijn daadwerkelijk geplaatst in een veilige opvang? Vervolgens krijg ik een algemeen verhaal. Volgens onze informatie – we hebben geprobeerd om die cijfers te krijgen – is nog niemand op initiatief van het COA en het kabinet naar een veilige opvang verplaatst. Er zijn wel eigen initiatieven, bijvoorbeeld van de gemeente Amsterdam, maar er zijn geen mensen op initiatief van het kabinet of het COA in een veilige opvang geplaatst, terwijl er toch mensen bedreigd worden. Ik schrik ervan dat de Minister deze cijfers niet paraat heeft. Als zij veiligheid zo belangrijk vindt, wil zij zich daar dan wat meer in verdiepen en de Kamer daarover informeren? Dit is een zeer bedreigende situatie voor heel veel mensen. We lezen erover in de krant. Het COC bericht erover. Ik vind echt dat de Minister er meer bovenop moet zitten.

Voorzitter: Tellegen

Minister Bussemaker: Dat zou ik graag doen. Ik weet ook dat mijn collega van V en J binnenkort met een overzicht komt. We moeten wel beseffen dat we dit thema moeten bekijken binnen de hele asielprocedure, hoe belangrijk dit ook is. We moeten er niet een aparte registratie voor willen maken. Er is ook een registratie van incidenten in het algemeen. In dit halfjaarlijkse overzicht worden deze incidenten meegenomen. Aan de vraag van mevrouw Bergkamp ligt de veronderstelling ten grondslag dat mensen altijd apart opgevangen moeten worden. Zij vraagt naar de cijfers over hoeveel mensen apart opgevangen zijn. Ook voor gemeenten is er niet maar één oplossing voor het omgaan met lhbt's. Er hoeft niet altijd sprake te zijn van aparte opvang. Sterker nog, het kabinet is van mening dat aparte opvang als vanzelfsprekende oplossing onwenselijk is. Ik heb gezien dat lhbt's in azc's bijvoorbeeld een gezamenlijke leefruimte krijgen. Hierdoor wordt een veilige omgeving gecreëerd, zonder dat daar verder veel woorden aan vuil worden gemaakt. Anders worden ze ook weer gestigmatiseerd als lhbt's. Dat wil je juist niet. In sommige opzichten is het om de veiligheid te vergroten, ook wenselijk om er niet al te veel aandacht op te vestigen en om niet overal aparte opvang in de vorm van safehouses te creëren.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Nu wordt het toch weer wat moeizamer. Natuurlijk moet je kijken wat er bij de persoon in kwestie past. Sommigen willen inderdaad misschien liever geen aparte opvang. Daar moet je dus naar kijken. In acute situaties moet opvang in safehouses of in noodopvangen – het maakt mij niet uit hoe je het noemt – wel degelijk mogelijk zijn. Ik wil van de Minister horen dat zij ervoor gaat zorgen dat die mogelijkheid er komt.

Minister Bussemaker: Laat ik het zo zeggen. In acute situaties moet er iets gebeuren. Degenen die met geweld te maken krijgen, de slachtoffers, moeten zich beschermd weten. De vraag is alleen hoe je dat doet. Dat betekent allereerst dat je veiligheid en leefbaarheid vooropzet. Je moet preventie bespreekbaar maken en je moet maatregelen nemen. Tot nu toe heeft het COA in alle situaties waarin er sprake was van geweld, maatregelen genomen, met name door overplaatsing van daders. Dat heeft ook onze absolute voorkeur. Ik heb dat recentelijk samen met collega Dijkhoff bevestigd in antwoorden op schriftelijke vragen. Soms worden ook de slachtoffers overgeplaatst naar een andere plek. Ook dat is een manier om de veiligheid te vergroten. Er zijn dus meer manieren dan alleen opvang in safehouses. Het COA kan bij een crisisoverplaatsing van vrouwen bijvoorbeeld ook een blijf-van-mijn-lijfhuis gebruiken. De heer Van Dijk vroeg ernaar. Dit heeft zich bij lhbt's nog niet voorgedaan. Crisisoverplaatsing wordt per geval bekeken. De gemeente Amsterdam had safehouses, maar heeft intussen lhbt's weer op een gang met andere vluchtelingen gezet. Ook hier was het safehouse dus een heel tijdelijke oplossing. Dat lijkt mij een wenselijke situatie. Stap 1 is dus preventie, stap 2 is het aanpakken van de daders en stap 3 is het tegelijkertijd beschermen van de slachtoffers. Dat kun je doen door de daders over te plaatsen. Als slachtoffers erom vragen, kunnen zij ook naar een andere plaats overgebracht worden. Dit vraagt om veel maatwerk en moet met precisie uitgevoerd worden. Ik denk dat het COA in samenwerking met het COC goede stappen heeft gezet in een moeilijke situatie.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Wie bepaalt welke oplossing de beste is? Het gaat hier om mensen die echt doodsbang zijn. Je wilt niet dat tegen zo iemand wordt gezegd: nou, we zetten eerst even in op preventie. Wat gebeurt er als mensen echt bang zijn en duidelijk bedreigd worden? Ik neem aan dat de Minister zegt dat er in die situaties safehouses of noodopvangen voorhanden zijn. Dat wil ik graag horen. Ik denk niet dat iemand die echt bang is, geholpen is met het hele rijtje dat de Minister nu opsomt.

Minister Bussemaker: Ik denk dat dat wel een belangrijke aanpak is. Als iemand doodsbang is, moet er besproken worden waarom hij of zij bang is en wat er misschien aan gedaan kan worden. Er is ook een aangescherpte aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers. Daar heeft collega Dijkhoff de Kamer over geïnformeerd. Ook dat past in het rijtje. Bespreek met mensen waarom ze bang zijn en geef aan en bekijk wat in die situatie gedaan kan worden door de leiding. Er kunnen sanctiemaatregelen worden genomen. Denk ook aan het strikter handhaven van huisregels. Het kan ook zijn dat er wordt gezegd dat het niet meer verantwoord is om iemand op die plek te houden.

Misschien is het goed als ik dan meteen de vraag van de heer Van Dijk beantwoord over vertrouwenspersonen. Alle azc's hebben een vertrouwenspersoon. Ook dat hoort bij preventie en het creëren van veiligheid.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat laatste is helder. We zijn het ook eens over de hoofdlijn. Idealiter zet je niet de slachtoffers maar de daders apart. Je zet die namelijk vast. Dat is mooi en dat is helder. Maar wat doe je met situaties waarin iemand een briefje onder zijn kussen vindt met de boodschap «kill gay», of een mes in zijn matras aantreft, terwijl de dader niet bekend is? Is het dan volgens de Minister haar taak om te zeggen dat op dat moment aparte opvang mogelijk moet zijn? Is dat ook haar verantwoordelijkheid, of niet?

Minister Bussemaker: We belanden nu echt in casuïstiek, en dat vind ik eigenlijk niet verantwoord. Ik heb eerder al gezegd dat het COA hier hard mee bezig is. Mijn departement heeft wekelijks contact met het COA over de aard van de incidenten en ook over wat eraan gedaan wordt. Het landelijke COC is er ook nauw bij betrokken. Ik ben heel blij met de intensieve samenwerking met het COC. Ik wil niet ingaan op individuele gevallen. Dat moet echt in een asielzoekerscentrum gebeuren, in het kader van alle regels die er gelden, zoals de huisregels en de sanctieregels van het COA, tot en met een strafrechtelijke aanpak. Volgens mij is collega Dijkhoff klip-en-klaar geweest tegen de Kamer over het standpunt van het kabinet over overlastgevende bewoners van azc's, zeker als het gaat om het bedreigen van anderen op grond van geaardheid of sekse. Wat er precies in welk geval gebeurt, hangt helemaal van de situatie af. Laten we dit gewoon aan de professionals overlaten. De medewerkers van het COA zijn professionals. Bij andere debatten zeggen we ook dat we professionals de ruimte moeten geven om te doen wat ze moeten doen. Laten wij hen ondersteunen waar dat kan. Dat gaan we dus doen, bijvoorbeeld met die bijeenkomst die we begin maart hebben samen met het COA en het COC. Ik vind het ook zeer belangrijk, zeg ik tegen de woordvoerder van de PvdA, om op lokaal niveau de lhbt-beweging en de netwerken te gebruiken die we al hebben. Er zijn lokale netwerken. Ik denk bijvoorbeeld ook aan de Gay-Straight Alliances rond de opvanglocaties. Het kunnen ook ambassadeurs zijn.

De voorzitter: De heer Van Dijk heeft een vervolgvraag. Daarna hebben mevrouw Bergkamp en de heer Beertema ook nog een vraag.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het gaat niet om casuïstiek. Het politieke punt dat nu voorligt, is de vraag of de regering bereid is om aparte opvang voor lhbt-asielzoekers in acute situaties te ondersteunen. Een deel van de Kamer vindt dat je die moet bieden, een ander deel vindt van niet. De Minister zegt: laat het aan de professionals over. Dan staat ze dus eigenlijk aan de kant van de mensen die dit niet actief ondersteunen. Zie ik dat, tot mijn teleurstelling, juist, of niet?

Minister Bussemaker: Volgens mij creëert de heer Van Dijk een tegenstelling die ik niet herken. Ik zeg het nogmaals. Wanneer er sprake is van een onveilige situatie en geweld tegen lhbt's in asielzoekerscentra, moet de dader aangepakt worden. De dader moet weg en niet het slachtoffer. Er kunnen echter situaties zijn waarin dit niet voldoende is of niet kan, omdat niet duidelijk is wie precies de dader is. Soms is het complex. Dan staat het vrij aan het COA om met deze lhbt's afspraken te maken over verhuizen naar een andere opvang, waar ze met andere lhbt's een ruimte krijgen binnen de reguliere opvang. In een enkel geval is het misschien nodig om iemand heel even, totdat die plek gevonden is, apart te zetten. Safehouses als beginsel vinden we echter onwenselijk.

Mevrouw Bergkamp (D66): Ik vind het verhaal van de Minister over veiligheid wat onduidelijk. Ze weet niet hoeveel bedreigde lhbt's apart worden opgevangen. Ik vraag haar om daar in de tweede termijn wat concreter over te zijn. Ze zei ook dat er op iedere nood- en opvanglocatie een vertrouwenspersoon aanwezig is. Dat lijkt heel mooi. Mijn definitie van een vertrouwenspersoon is dat dit een onafhankelijk iemand is, dus geen COA-medewerker. Onderschrijft de Minister mijn definitie of kan die vertrouwenspersoon die er op iedere locatie is, ook een COA-medewerker zijn? Dan heb je het namelijk niet echt over een vertrouwenspersoon.

Minister Bussemaker: Ik heb het natuurlijk wel over een COA-medewerker. Maar laten we wel een beetje realistisch zijn. We hebben het over heel complexe situaties. Het COA is hier dag en nacht mee bezig, ook gewoon om opvang te bieden. Mijn informatie is dat het COA dit op een buitengewoon deskundige en betrokken manier doet, samen met andere organisaties, waaronder het COC. Volgens mij is het niet wenselijk om vanuit deze hoek allerlei nieuwe regels daarvoor op te leggen. Ik heb in ieder geval geen signalen dat daar het probleem zit. Soms is het in een bepaalde situatie moeilijk om precies te weten wie welk soort geweld heeft gebruikt, wie welke bedreiging heeft geuit en hoe je de daders kunt onderscheppen. Dat maakt de situatie complex, maar in principe is elke COA-medewerker een vertrouwenspersoon voor een asielzoeker. Als iemand zich onveilig voelt, moet hij of zij dit met een COA-medewerker kunnen bespreken. Bij het gesprek waarnaar ik in het begin verwees naar aanleiding van een vraag van mevrouw Yücel, kan dit ook aan de orde komen. Waar kun je naartoe als je problemen hebt? Waar kun je klachten en onveilige situaties melden?

Mevrouw Bergkamp (D66): Dat is natuurlijk geen definitie van een vertrouwenspersoon. Dat is een COA-medewerker. Het probleem is dat heel veel mensen zich niet veilig voelen en niet naar een medewerker durven gaan. Daarom hebben we in Nederland vaak onafhankelijke vertrouwenspersonen. Ik vind het verhaal van de Minister teleurstellend. Ik vind het ook een beetje een truc om te zeggen dat we op iedere locatie een vertrouwenspersoon hebben. Dat is dus niet zo, want de Minister heeft het over CAO-medewerkers. Ik kondig alvast een VAO aan, want ik denk dat we er hier niet uitkomen.

De voorzitter: Mevrouw Bergkamp, mag ik u vragen om uw verzoek om een VAO in de tweede termijn te herhalen? Dat doen we niet in de eerste termijn.

Mevrouw Bergkamp (D66): Dat verschilt volgens mij per commissie. Ik heb nog een vraag. Wanneer is een situatie volgens de Minister acuut? De Minister zegt dat het bij acute situaties gaat om de veiligheid van mensen en dat mensen dan moeten worden opgevangen. Wanneer is het acuut? Ik weet dat er via het COA en de regering namelijk nog niemand in een aparte beveiligde opvang is geplaatst.

Minister Bussemaker: Het lijkt wel of we graag willen dat er zo veel mogelijk mensen in een aparte beveiligde opvang komen. Dat moet toch niet ons streven zijn? Ons streven moet zijn dat iedereen in Nederland, ook in de asielopvang, met elkaar samenleeft en elkaar respecteert, ongeacht ras, geloof, geslacht of geaardheid. Wanneer is er dan sprake van een acute noodsituatie? Die is er als er geen veiligheid meer geboden kan worden aan een bewoner. Nogmaals, dat is aan de professionals, de COA-medewerkers. Gelukkig gebruiken ze daarbij de signalen die ze krijgen van andere organisaties, zoals lokale COC-afdelingen. Ik ben blij dat ik kan constateren dat in veel gevallen, naar het zich laat aanzien, goed gehandeld wordt. De cijfers hebben we niet paraat. V en J rapporteert over alle incidenten. Ik zal bekijken wat daarin kan worden meegenomen. Het COC meldt dat er sinds oktober 2015 twintig incidenten zijn geweest met lhbt's, maar die incidenten moet je ook afpellen, want niet elk incident is even zwaar. In sommige gevallen heeft het heel duidelijk en direct met geaardheid te maken, maar in andere gevallen blijkt er veel meer aan de hand te zijn. Het is dus niet voldoende om dit alleen maar kwantitatief uit te drukken.

Het is voor mij wel duidelijk dat we niet lichtzinnig over dit thema moeten denken. Daarom ben ik ook aanwezig bij de bijeenkomst die het COA begin maart organiseert. Ik wil met name ook de lokale netwerken gebruiken. We hebben het nu vooral over de vraag wie wat moet doen binnen een asielzoekerscentrum, maar eerlijk gezegd denk ik dat het voor lhbt's van het allergrootste belang is dat zij contacten onderhouden met een lokale of regionale lhbt-gemeenschap.

Daar kunnen naast reguliere vrijwilligers ook vrijwilligers een rol spelen die bijvoorbeeld contacten hebben bij kerken, politie of wat dan ook. Heel belangrijk is ook dat lhbt's op die manier kunnen worden gestimuleerd om aangifte te doen. Dat is immers een objectieve norm. Er wordt heel weinig aangifte gedaan omdat mensen zich onveilig voelen. Zeker mensen die op de vlucht zijn geweest, zullen een autoriteit niet bij voorbaat vertrouwen. Ik wil er alles aan doen om dat te stimuleren zodat wij ook op die manier de cijfers boven tafel krijgen en tegelijkertijd iets in handen hebben waarmee wij ook de daders kunnen aanpakken.

De heer Beertema (PVV): Volgens mij komt de Minister er helemaal niet uit. Er is in de azc's sprake van virulente haat tegen christenen, homo's en andersgerichten. Heel veel mensen zijn doodsbang en de Minister komt niet verder dan: wij gaan een indringend gesprek voeren, er komt een vertrouwenspersoon en een folder in het Arabisch, wij gaan bijeenkomsten organiseren, maar het is moeilijk en complex. Aan het begin van haar termijn zei de Minister in antwoord op een opmerking van mijn kant: wij gaan daders uitzetten. Daar hoor ik helemaal niets meer over. Ik hoor nu alleen nog maar dat er maximaal zal worden overgeplaatst. Hier is sprake van onmacht van een overheid die de boel gewoon niet beheerst. Dat is ontzettend gevaarlijk. Mijn vraag aan de Minister was heel concreet: hoeveel mensen zijn er tot nu toe uitgezet?

Minister Bussemaker: Ook die vraag moet de heer Beertema aan mijn collega van V en J stellen. Ik heb gezegd dat wij allereerst voor preventie moeten zorgen. Ik mag toch hopen dat de heer Beertema het met mij eens is dat lhbt's in asielzoekerscentra – die ook vluchteling zijn en soms ook moslim – bescherming verdienen? Stap twee is dat de daders worden aangepakt. In een acute situatie – daar spreken wij over – moet je ervoor zorgen dat er geen onnodig onveilige situatie voor lhbt's en vrouwen optreedt. Dat betekent dat je daders moet overplaatsen. De volgende stap is dat daders die een bepaalde strafmaat hebben opgelegd gekregen, worden uitgezet. Die strafmaat is in Nederland al aangescherpt. Uitzetting is de verantwoordelijkheid van de collega's van V en J. Ik zeg er nadrukkelijk bij dat de mogelijkheden en de strafmaat bij delicten aangescherpt zijn. Bij veroordeling voor een delict waarvoor een straf van meer dan zes maanden geldt, kan betrokkene worden uitgezet.

De heer Beertema (PVV): Daar hebben wij het weer. Er is dus een moment waarop de daders zijn geïdentificeerd, want zij worden overgeplaatst. Mijn vraag is waarom zij worden overgeplaatst en waarom niet meteen tot uitzetting wordt overgegaan.

Minister Bussemaker: Ik zou de heer Beertema willen meenemen naar de situatie in de praktijk. Voordat je iemand kunt uitzetten, moet je aan een aantal regels voldoen. Wij spreken nu over acute situaties. Wat doen wij in een situatie waarin iemand wordt bedreigd en de veiligheid van een lhbt niet meer kan worden gegarandeerd? Op dat moment is stap één dat er wordt geïntervenieerd. Dan geldt voor vreemdelingen al een strafmaat van zes maanden. Deze is strenger dan in veel andere Europese landen. Dat moet natuurlijk wel juridisch goed worden uitgezocht en geborgd. Dat zal nooit op dezelfde dag van het incident kunnen gebeuren. Ik meen dat wij op deze manier in ieder geval doen wat wij kunnen. Als de heer Beertema suggesties heeft, neem ik die graag mee naar het gesprek dat ik begin maart met het COA zal voeren en ook naar het gesprek dat ik op 1 april met de lhbt-beweging en de gemeenten ga voeren. In die conferentie zullen wij de lokale netwerken bespreken en bekijken of wij de lokale lhbt-organisaties, managers van opvanglocaties, het lokale vluchtelingenwerk, wijkagenten et cetera nog beter kunnen laten samenwerken. Die aanpak sluit aan bij een advies van de UNHCR om de bescherming van kwetsbare groepen te verbeteren. Ik heb al eerder gezegd dat ik ook bekijk hoe wij de informatie van het actieplan Zelfbeschikking van Minister Asscher en het Kennisplatform Integratie & Samenleving – dat zijn de ambassadeurs waar de PvdA eerder voor heeft gepleit – hierbij kunnen betrekken. Daarnaast wijs ik erop dat collega Dijkhoff ook bovenop dit thema zit. Ik houd me aanbevolen voor concrete suggesties over wat wij nog meer zouden kunnen doen. Ik ben echter van mening dat wij binnen de marges van wat mogelijk is, gelet op de ingewikkelde situatie waarin wij verkeren, alles doen wat ook maar enigszins nodig en mogelijk is.

Ik wil nu overgaan naar een volgend onderwerp.

De voorzitter: Welke onderwerpen staan nog op uw lijstje?

Minister Bussemaker: De positie van topvrouwen, de vragen over arbeid en zorg en over economische zelfstandigheid. Vervolgens nog een aantal diverse vragen, met name over transgender.

Het is goed dat wij over de positie van topvrouwen spreken. Ik deel met velen de irritatie dat dit in Nederland zo buitengewoon langzaam gaat. Ik stel echter vast dat wij de laatste tijd beweging zien, vooral vorig jaar. Ik kan niet zeggen dat dit allemaal te danken is aan de databank en de initiatieven die ik samen met de heer De Boer heb genomen, maar ik ben wel van mening dat de debatten die hierover zijn gevoerd, het feit dat de overheid en VNO-NCW de handen ineen hebben geslagen en de druk van organisaties als Talent naar de Top, tot meer beweging hebben geleid. In de eerste helft van 2015 greep 70% van de raden van commissarissen de kans van een of meer nieuwe benoemingen aan om een vrouw te benoemen. In 2014 was dat nog maar 43,4%. Er is dus beweging.

Nu kunnen wij allemaal zeggen dat het fijn zou zijn als die beweging wat sneller zou gaan, maar dit is een hardnekkige thematiek. Ik heb niet de illusie dat het probleem duurzaam opgelost zou zijn als wij nu zouden zeggen: wij gaan een quotum invoeren. Ik zal verbeteren wat kan en daarbij zal ik ook de adviezen van de monitoringcommissie volgen. Zij geeft aan dat het wenselijk is om verder te gaan langs de uitgezette lijn. Ik wijs op de brief over het zevenpuntenplan dat samen met VNO-NCW is opgesteld. Die punten zijn: doorzetten van de samenwerking met twee kwartiermakers – overigens is mevrouw Verbeet vervangen door mevrouw Jorritsma – uitbreiden van de doelgroep van bedrijven waarop wij ons richten, verlengen van de wet, naming and faming, dus het noemen van goede voorbeelden, blijven monitoren, agenderen van de naleving, en transparant maken van de vrijkomende functies. Ik volg dus de adviezen van de monitoringcommissie, die heeft voorgesteld om met de huidige aanpak verder te gaan. Zij stelt verder voor om in 2019 de balans op te maken. Als we dan nog niet tenminste 20% hebben bereikt, zou een quotum van 30% per 2020 moeten worden gesteld.

Ik zal die lijn volgen. Ik zal aan het einde van dit jaar een tussenbalans opmaken. Die meting zal een indicatie geven of deze aanpak voldoende vruchten afwerpt en of de trend die nu zichtbaar is, doorzet. Dan zal ik ook bekijken of aanvullende maatregelen nodig zijn en welke dat kunnen zijn. Dit maakt deel uit van de punten die ik noemde, zoals ook de agendering van de naleving daarvan deel uitmaakt. In mijn brief heb ik uitgebreid toegelicht dat een Europese richtlijn daarbij behulpzaam zal zijn; wij hebben dat al in Groot-Brittannië gezien. Dit is een van de good practices die wij uit andere landen halen. Ook de Corporate Governance Code kan helpen. Ik heb kortgeleden een gesprek gevoerd met de mensen die de code beheren over de vraag hoe wij nog beter kunnen samenwerken om ervoor te zorgen dat wij er alles aan doen om de naleving te bevorderen.

Op dit moment zetten wij dus in op verbeteren en controleren. Ik heb steeds gezegd: waar een wil is, is een weg, maar waar geen wil is, is een wet. Een wet alleen zal echter niet de oplossing zijn. Ik blijf de druk opvoeren en zo mag ook de tool worden begrepen die ik deze week heb gepresenteerd. Daarmee wordt transparant gemaakt waar vacatures zijn en wat bedrijven daarmee doen. Dit kan allemaal helpen om de druk op te voeren en de verbeteringen van 2015 ook in 2016 en volgende jaren met wat grotere sprongen tot stand te brengen. Als dat niet lukt, zal er een moment komen om verder te gaan. De monitoringcommissie spreekt in dit verband over 2019. Ik volg de commissie in dezen.

De voorzitter: Ik verzoek de leden om kort te interrumperen en de overige vragen te bewaren voor de tweede termijn.

Mevrouw Yücel (PvdA): De Minister zegt dat een duurzame oplossing met een quotum niet te verwachten is. Dat verbaast mij. Als een meer dwingende maatregel niet helpt, hoe kan een vrijblijvende maatregel er dan toe leiden dat het streefcijfer wordt gehaald? Ik hoop dat de Minister mij niet verkeerd begrijpt, want ik heb veel waardering voor de wijze waarop zij dit thema op de agenda houdt. Het is en-en-en. Wij ontkomen ook niet aan meer dwingende maatregelen.

De voorzitter: Mevrouw Yücel, een vraag kan in principe veel korter worden gesteld dan u nu doet. Ik stel voor dat wij ervan uitgaan dat hiermee het tweede deel van uw interruptie is verbruikt.

Minister Bussemaker: Ik heb niet gezegd dat een quotum nooit aan de orde zal kunnen zijn. Ik heb alleen gezegd dat een quotum, gezien de huidige situatie, naar mijn mening nu niet bijdraagt aan een duurzame oplossing. Daarbij volg ik de monitoringcommissie. Ik stel vast dat er verbetering is opgetreden in 2015 en dat wij een aantal maatregelen hebben genomen die nog maar kort van kracht zijn. Ik verwijs naar de database die nu gebruikt moet gaan worden. De naleving moet absoluut verbeterd worden, maar wij moeten dit jaar de Europese richtlijn invoeren die in ieder geval in Groot-Brittannië tot verbetering heeft geleid. Wij zijn vorig jaar gestart met de twee ambassadeurs die heel concreet overal op afgaan. Verder is er het advies van de monitoringcommissie die aanbeveelt om daarmee krachtig door te gaan en mij niet na een halfjaar al neer te leggen bij de resultaten die worden geboekt. De goede weg die wij zijn ingeslagen, laat voorzichtige resultaten zien. Het gaat ook om het momentum. Ik denk dat het verstandig is om de ingezette koers te blijven volgen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Het kabinet heeft in 2012 het voornemen geuit dat in 2017 30% van de functies wordt vervuld door vrouwen. Nu zegt de Minister dat het 20% in 2019 moet worden. Wat is dat doel eigenlijk waard als het steeds wordt uitgesteld en naar beneden wordt bijgesteld?

Minister Bussemaker: Mevrouw Voortman haalt volgens mij twee dingen door elkaar. Het is een doelstelling van het kabinet om in de overheidsdienst in 2017 30% vrouwen te hebben. In de ambtelijke top, de ABD (Algemene Bestuursdienst)-functies, wordt thans 28% van de functies door vrouwen vervuld. Dit betekent dat wij een heel eind op weg zijn, maar ik zeg erbij dat dit nu enigszins lijkt te stagneren. Dat is voor een deel het gevolg van bezuinigingen waardoor er minder benoemingen en doorstroom zijn. Bovendien verschillen de cijfers per departement. Het is misschien een goede gedachte daar jaarlijks bij de begrotingen per ministerie naar te vragen. Het aantal vrouwen is het hoogst in de ABD-functies. De Ministeries van OCW en van SZW staan bovenaan met respectievelijk 37% en 36%. Defensie en EZ scoren inderdaad laag. Ik ben graag bereid om daarover te spreken met mijn collega's. Ik verwacht dat nadat mevrouw Hennis onlangs heeft aangekondigd dat zij de dienstplicht ook voor vrouwen openstelt, dat ministerie op de goede weg is. Haar kennende zal zij dat ook bij de benoemingen doen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Dat mag ik hopen. Er zijn bij Defensie nog steeds functies waar vrouwen niet eens op mogen solliciteren. Zal de Minister haar collega daar ook op aanspreken?

Ik heb nog geen antwoord gekregen op de vraag waarom de ambities steeds weer worden uitgesteld.

Minister Bussemaker: Ik spreek mijn collega's heel vaak aan op emancipatiethema's. Overigens zet de rijksoverheid stappen onder verantwoordelijkheid van collega Blok, die daar zeer gecommitteerd voor is. Als de leden van de Kamer dit een belangrijk thema vinden, geef ik hen in overweging om dit debat niet alleen met de emancipatieminister te voeren, maar ook met de vakministers. Zij kunnen er dan ook veel dieper op ingaan en dan kunnen er concrete afspraken worden gemaakt. Emancipatie is niet voorbehouden aan de coördinerend Minister. Dat ben ik wel, maar het is een goede gewoonte in het emancipatiebeleid om mainstreaming te stimuleren. Laten wij dat dan ook doen.

Wat ik in het kader van die afspraken kan doen, is emancipatie bevorderen bij de sectoren die onder mijn ministerie vallen, dus de wetenschap, het onderwijs, de hoge scholen en de universiteiten. Dat is ook onderdeel van het advies van de monitoringcommissie: verbreed de doelstelling van het bedrijfsleven naar andere sectoren. Ik ga nu aan de slag bij de universiteiten waar echt nog enorme winst kan worden geboekt met 17% vrouwelijke hoogleraren, terwijl wij net geconstateerd hebben dat het aantal vrouwelijke studenten het aantal mannelijke studenten overtreft en vrouwen ook vaak beter en sneller afstuderen. 43,5% van de promovendi is inmiddels vrouw. Die 17% steekt daar toch wel zeer, zeer treurig tegen af. Uit onderzoek blijkt overigens dat vrouwelijke hoogleraren nog altijd meer uren werken dan hun mannelijke collega's. De deeltijdfactor kan daar dus in ieder geval geen verklaring zijn. Ik meen dat dit aandacht en maatregelen vraagt en daarom zal ik daar afspraken maken voor concrete doelstellingen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik was net coulant ten opzichte van mevrouw Yücel in de hoop dat dit tot een kristalheldere interruptie zou leiden. Dat is niet helemaal gelukt, maar misschien krijgen wij die nog in tweede termijn te horen. Het kabinet heeft bij zijn aantreden gezegd dat het gaat voor 30% topvrouwen in 2017 en dat het als dat niet lukt, dit desnoods met een paardenmiddel zal regelen. Begrijp ik goed dat de Minister nu zegt dat zij de bedrijven nog één kans geeft en dat zij dan misschien in 2019 overgaat tot een wet? Dan laat zij die klus toch over aan haar opvolger?

Minister Bussemaker: Misschien ben ik niet duidelijk genoeg geweest. Ik zal het nog eens zeggen. In het regeerakkoord staat dat de overheid als werkgever 30% vrouwen in de top wil hebben. We zitten nu op 28%. Het regeerakkoord bevat geen afspraken over het aantal vrouwen dat wenselijk is in het bedrijfsleven. Daar richt mijn beleid voor topvrouwen zich op. Ik weet wel dat er een wens van de Kamer in een amendement is neergelegd voor 30% genderbalans in de top van het private bedrijfsleven. Dat amendement is in de Wet bestuur en toezicht verwerkt. Dit streefdoel liep af op 1 januari jongstleden zonder sancties. Wij willen dat streefdoel nu verlengen en daartoe ligt een wetsvoorstel bij de Kamer voor. In het regeerakkoord is echter geen uitspraak gedaan over 30% en dan een quotum.

Ik voer de wens van de Kamer om te komen tot een 30% genderbalans uit en doe er nog een paar schepjes op om ervoor te zorgen dat wij die ook gaan halen. Daarvoor heb ik een monitoringcommissie. Zij heeft mij aanbevolen om op de ingeslagen weg verder te gaan, ervoor te blijven zorgen dat de samenwerking met VNO zichtbaar wordt, de uitbreiding van de doelgroep naar andere bedrijven te organiseren en de naleving te verbeteren. Dat doe ik nu. De commissie heeft verder geadviseerd om in 2019 de balans op te maken. Ik heb gezegd dat ik dat nog ver weg vind. Het is dan inderdaad aan mijn opvolger. Ik zal in ieder geval aan het einde van dit jaar een tussenbalans opmaken, omdat ik wil weten of de opgaande lijn van 2015, toen er echt verbetering te zien was, zich ook in 2016 aftekent.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat kan allemaal waar zijn, de specificaties van al die cijfers, maar het is toch overduidelijk dat het kabinet zijn ambities niet heeft waargemaakt. Dit geldt ook voor de partijgenoten van mevrouw Yücel, die heldere uitspraken hebben gedaan. Deze doelstelling is niet gehaald. Vervolgens waren in november de verwachtingen hoog gespannen, maar de Minister voor emancipatie kiest ervoor om nog een paar jaar verder te gaan met streefgetallen, afspraken en websites. Geen quotum. De Minister laat het over aan haar opvolger. Tja, en wie die opvolger wordt? Misschien wordt de Minister het en dat gun ik haar van harte, maar misschien wordt zij het niet en dan is het een holle belofte. Dat stel ik vast.

Minister Bussemaker: Ook hier moeten wij realistisch zijn. Om die verbeterslagen te maken, moeten er wel wisselingen van de wacht plaatsvinden. Daarom vind ik die tool interessant, want die laat zien waar die wisselingen zijn en wat maximaal haalbaar is. Misschien moeten wij achteraf zeggen dat het streefdoel van 30%, dat ook de wens van de Kamer was, in een kort aantal jaren voor een beperkt aantal ondernemingen ook niet zo vanzelfsprekend en gemakkelijk haalbaar is, gelet op het aantal plaatsen dat vrijkomt. Ik beschouw de ambitie niet als mislukt. Ik blijf ambitieus in dezen, maar ik wil ook dat wij resultaat boeken. Ik wijs erop dat vorig jaar een begin is gemaakt met de database. Verder vrees ik dat de samenwerking met VNO-NCW totaal verloren zou gaan als ik nu zou opgeven. Ik verwacht dat ik op deze manier nog niet uitgeput ben en dat ik nog een aantal verbeterslagen kan maken. Dus zeg ik hier wat ik bij herhaling in de pers heb gezegd: ik vind een quotum een paardenmiddel, maar waar een wil is, is een weg, en waar geen wil is, is een wet. Ik wijs op de verbetering die wij de afgelopen tijd en vooral het afgelopen jaar hebben bereikt en ik ben van mening dat wij er alles aan moeten doen om die stappen de komende tijd verder te concretiseren om tot verdere verbetering te komen.

Ik zie ook dat het kan, want kijk bijvoorbeeld naar Unilever; de board of directors van Unilever bestaat uit zeven mannen en zes vrouwen. Zij zijn dus ver voorbij die 30%. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor Schiphol waar de raad van commissarissen bestaat uit drie vrouwen en vijf mannen. Beide bedrijven geven aan dat het echt niet zo moeilijk is, maar dat je wel iets verder moet zoeken dan je neus lang is en misschien niet altijd op zoek moet gaan naar precies die ervaring die je al in huis hebt. Dan bewijs je niet alleen vrouwen een dienst, maar ook de organisatie want je krijgt een vitale en creatieve club mensen. Organisaties die divers zijn samengesteld, blijken over het algemeen ook beter te werken en te presteren dan andere.

De leden van de Partij van de Arbeid en D66 hebben aandacht gevraagd voor de thema's economische zelfstandigheid en arbeid en zorg. Ik ben het ermee eens dat het belangrijk is dat het thema arbeid en zorg bespreekbaar wordt, vooral ook voor mannen. Mannen zijn onze bondgenoten, maar zij zullen soms een stapje opzij moeten zetten, vrijwillig of misschien met wat druk, om vrouwen de gelegenheid te geven zich te ontwikkelen. Dat doen wij met het Platform Zorgend Ouderschap. «Weak and young» is ook een thema waarbij wij expliciet veel mannen betrekken. Dit geldt ook voor mantelzorg en de vraagstukken die op lokaal niveau spelen.

Economische zelfstandigheid is een streefdoel voor vrouwen, maar dit hangt natuurlijk nadrukkelijk samen met de zorgtaken die mannen op zich nemen. Ik heb begrip voor het streven van de Partij van de Arbeid om te komen tot een werkweek van tweemaal vier dagen. Ik zeg hierbij dat dit primair de verantwoordelijkheid is van collega Asscher. Het kabinet heeft de SER om een advies gevraagd over werken en leven in de toekomst. De uitkomsten daarvan zullen aan de orde komen in de arbeid- en zorgbijeenkomsten later dit jaar. Dit thema kan daar natuurlijk onderdeel van uitmaken. Dit geldt ook voor de verlofregeling waarover de heer Van Dijk sprak. Ik heb ook begrip voor het streven om juist in de meer traditionele sectoren tot veranderingen te komen. Maar ook hier geldt dat emancipatie om een cultuurverandering vraagt en dat die niet van de ene op de andere dag kan worden gerealiseerd. Ik houd me echter aanbevolen voor concrete suggesties.

Ik heb het afgelopen jaar een toer door Nederland gemaakt, Kracht on Tour, die helemaal was gericht op economische zelfstandigheid en met name ook op onderwijs en arbeidsparticipatie van vrouwen die niet al een hele carrière achter de rug hebben. Ik hecht eraan dit te zeggen, omdat emancipatie niet alleen iets is voor topvrouwen, maar ook voor laaggeschoolden, vrouwen die analfabeet zijn doordat zij nooit goed hebben leren lezen, en herintreders, waar mevrouw Van Miltenburg over sprak. Daar is druk nodig, omdat aan vrouwen die in kleine deeltijdbanen werken, niet altijd wordt gevraagd of zij misschien bereid zijn om meer uren te werken. Met Kracht on Tour hebben wij geprobeerd om op regionaal niveau afspraken te maken en naar mijn idee met succes. Hoewel het programma eindigt, gaan gemeenten er vrijwillig mee door. Zij kunnen onze kennis gebruiken.

Daarnaast bundelen wij de bestaande programma's in het programma Economische zelfstandigheid om de samenhang nog meer te bevorderen en om het beleid gericht op de bewustwording van vrouwen, meer te verduurzamen en te verankeren, ook bij andere departementen. Wij streven naar minder losse subsidies en meer gezamenlijkheid.

De heer Van Dijk vroeg aandacht voor de positie van jongens. Daarover is recentelijk een rapport verschenen met een aantal aanbevelingen om te bereiken dat jongens de aandacht krijgen die ze nodig hebben. Dit rapport is ook aan de Kamer gezonden. Het differentiëren op scholen en het scheppen van meer ruimte om nieuwe scholen op te richten, waar de Staatssecretaris zich hard voor maakt, kunnen in dit kader heel interessant zijn. De heer Van Dijk legt een link met toetsing aan de poort in het hoger onderwijs. Die toetsing is zeer beperkt in Nederland en geldt vooral voor kunstvakopleidingen en andere bijzondere opleidingen. Uit de brieven die de Kamer afgelopen maandag van mij heeft ontvangen, blijkt dat zich daar geen verschil voordoet tussen mannen en vrouwen.

De heer Van Dijk heeft verder gesproken over de positie van alleenstaande vrouwen. Ik heb al verwezen naar Kracht on Tour, Eigen Kracht en EVA (Vrouwen met Ambitie) dat met name op taal is gericht. Daarnaast subsidieer ik ook de organisatie Single SuperMom die is gericht op economische zelfstandigheid van alleenstaande moeders.

Mevrouw Van Miltenburg heeft gesproken over gelijk loon bij de overheid. Gecorrigeerd naar werkervaring, functieniveau en dergelijke is het loonverschil bij de overheid 4%, waar het bij het bedrijfsleven 8% is. Ik zeg hierbij, en ik ben daar trots op, dat bij de overheid vrouwen tot 39 jaar met een inhaalslag bezig zijn en jonge vrouwen zelfs meer verdienen dan mannen. Dat heeft veel te maken met hun opleiding.

Een vergelijkbaar onderzoek naar gelijke beloning bij hoge scholen is eerder bij ziekenhuizen uitgevoerd. Dat biedt aanknopingspunten om ook op detailniveau te analyseren waar ongelijke beloning vandaan komt. De hoge scholen gaan hiermee aan de slag. Ik heb de Kamer daarover een brief gestuurd.

Verschillende leden hebben gesproken over burgerschap in het mbo en bij de lerarenopleidingen. Met dit thema ben ik op dit moment dag in dag uit bezig. Degenen die verwijzen naar het rapport over gescheiden leefwerelden van Margalith Kleijwegt zullen dat daarin ook hebben gelezen. Burgerschap is een centraal verplicht onderdeel in het mbo, maar ik ben nu bezig om het kwalificatiedossier over burgerschap aan te scherpen en daar een verplicht onderdeel van te maken. Dat voorstel ligt nu bij de Kamer voor. Seksualiteit en seksuele diversiteit vallen daar ook onder. Verder doet de inspectie onderzoek bij het mbo waarbij wordt gekeken naar seksualiteit en seksuele diversiteit. De Kamer zal de uitkomsten daarvan nog voor het zomerreces ontvangen.

Ook voor de lerarenopleidingen bekijk ik wat überhaupt de vaardigheden en de thema's van de toekomst moeten zijn, los van de kernvakken die moeten worden onderwezen. Daar doen wij ook veel met het thema «bildung». Dit is een belangrijk thema in het hele hoger onderwijs; ik verwijs naar mijn strategische agenda. Dit thema krijgt een specifieke vertaling bij de lerarenopleidingen en van daaruit wordt de samenwerking gezocht met de scholen in het po en vo.

Dan is nog gesproken over transgenders en het actieplan van TNN (Transgender Netwerk Nederland). Dit plan wordt in algemene zin gesubsidieerd in de instellingssubsidie die wordt verstrekt. Daarnaast ontvangt TNN een projectsubsidie die is gericht op vergroting van de maatschappelijke en arbeidsparticipatie van transgenders door middel van coaching en sollicitatietraining. Het SCP doet een onderzoek naar dit thema en ik zal bezien of de uitkomsten daarvan aanleiding geven om meer aandacht te besteden aan de positie van zzp'ers, transgender, migranten en transitieverlof. Ik zal dit samen met mijn collega van SZW doen. Ik zeg hierbij dat er al recht is op verlof bij medische ingrepen. Wij zullen bezien of de uitkomsten van het onderzoek nog verdere aanknopingspunten bieden en of daaruit lessen kunnen worden getrokken over wat nog meer nodig is.

Mevrouw Van Miltenburg heeft gesproken over de BES en seksuele diversiteit. Toen de kerndoelen in 2012 werden vastgesteld, is gezegd dat dit voor de BES op een later moment zou gebeuren. Toen is een periode van vijf jaar genoemd, dus 2017. Er is nu een onderzoek van de inspectie gaande naar het kerndoel seksuele diversiteit in Nederland. De uitkomsten daarvan komen aan het einde van dit jaar beschikbaar en dat lijkt mij een goed moment om te bezien of dan ook op de BES-eilanden het moment is aangebroken om dit in te voeren. Ik zeg erbij dat ik goed samenwerk met mijn collega's op de BES-eilanden, bijvoorbeeld in het kader van de Pride-organisaties; afgelopen jaar hadden wij een gezamenlijke boot van het hele Koninkrijk. De voorlichting op scholen is een belangrijk onderdeel van het actieplan dat wij toen hebben gepresenteerd.

De heer Van Dijk heeft gesproken over de culturele lhbt's. Wij steunen de G4 in de lokale inzet om dit bespreekbaar te maken. In het najaar van 2015 is een project gestart van COC Nederland, Movisie en Rutgers dat ik samen met SZW ondersteun.

De voorzitter: Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van de eerste termijn. Wij hebben nog twintig minuten voor een tweede termijn. De leden hebben een spreektijd van twee minuten. De Minister heeft heel uitgebreid geantwoord op hun vragen en daarom verzoek ik de leden zich enigszins te beperken opdat wij dit algemeen overleg binnen de afgesproken tijd kunnen afronden.

Mevrouw Yücel (PvdA): Voorzitter. Ik kondig alvast een VAO aan.

Mijn partij heeft een pleidooi gehouden voor een rechten- en plichtengesprek op dag één of zo snel mogelijk daarna. Er moet met iedere asielzoeker consequent en minder vrijblijvend een gesprek worden gevoerd. Ik begrijp dat er in maart allerlei gesprekken en bijeenkomsten worden georganiseerd. Ik zie dan ook graag een offensief actieplan met deze ingrediënten van het kabinet tegemoet.

Ik vraag nog aandacht voor de positie van hoogopgeleide meisjes. Natuurlijk speelt het Ministerie van SZW een belangrijke rol bij het thema «arbeid en zorg» en het bevorderen van een vierdaagse werkweek voor jonge ouders die dat willen. Zo moet die cultuurdoorbraak worden geforceerd. In het kader van het stimuleren van financiële onafhankelijkheid van meisjes vraag ik de Minister om ook nadrukkelijk die rol op zich te nemen op basis van haar portefeuille en verantwoordelijkheid voor de arbeid- en zorgtop en de verschillende SER-adviezen. Samen met Minister Asscher en sociale partners zou zij moeten komen met een offensief om die cultuurdoorbraak bij bedrijven te ondersteunen, want bij jonge gezinnen is die al aardig bereikt.

Ik heb met blijdschap kennisgenomen van de inzet van de Minister namens de EU-landen in de CSW. Binnen de EU-landen hebben we natuurlijk ook conservatieve krachten die vrouwenrechten eerder achteruit dan vooruithelpen. Ik ga ervan uit dat de Minister zich met hand en tand zal inzetten om het progressieve beleid van Nederland voort te zetten.

Ik ben het ermee eens dat wij gepassioneerd moeten spreken over hard straffen en de daders pakken, maar ik wil een net zo'n gepassioneerd beleid zien voor preventie en een rechten- en plichtengesprek. Wij moeten onze kernwaarden serieus nemen en die ook een plek geven bij de eerste ontvangst van asielzoekers.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. Een gesprek zal hoe dan ook niet helpen bij dit massieve probleem. Een folder, een gesprek, een vertrouwenspersoon zullen niet helpen. Ik refereer aan de 30 jaar die ik heb gewerkt in het mbo in Rotterdam-Zuid. Ik kan mij prachtige jaren herinneren waarin lesbische meiden en homojongens volkomen geaccepteerd deelnamen aan het onderwijs en in de klas zaten. Halverwege de jaren negentig echter durfde het COC, dat ieder jaar voorlichting kwam geven, de school niet meer te betreden en dat is nooit meer goed gekomen. Dat is er aan de hand. Het probleem is massief en dat probleem heet islam. Wij lossen dat niet op met een foldertje en zeker niet met deze Minister.

De Minister noemt de positie van topvrouwen een hardnekkig probleem. Zij ziet maar één oorzaak: de old boys. Zij dreigde die boys samen met de linkse partijen met wettelijke dwang; de socialisten zouden de boys wel een poepje laten ruiken. De Minister neemt nu gas terug; zij wil geen quotum meer. Zij zegt dat het de goede kant opgaat: 20% in 2019, dat is ver weg, en in 2019 zien we wel weer verder. Ik denk dat het afzien van die dreiging met een quotum verstandig is. Ik zeg met de Minister: in 2019 zien wij wel weer verder.

Mevrouw Bergkamp (D66): Voorzitter. Ik dank de Minister voor haar antwoorden. Er zijn veel verworvenheden in Nederland, maar wij mogen de wet van de remmende voorsprong niet leidend laten zijn. Er zijn nieuwe risico's, die zien wij ook. Daarom zijn wij ook nooit klaar met emancipatie. Hoe wordt het beleid van de Minister aangescherpt? Nu wordt een aantal instrumenten ingezet, maar wat betekent dat voor haar beleid?

Ik vond het antwoord over de docentenopleidingen en lhbt's wat vaag. Wordt er straks in de docentenopleidingen aandacht besteed aan seksuele diversiteit?

Wanneer komen het SCP-rapport over transgenders en vooral ook de reactie van de Minister daarop naar de Kamer?

Ik heb de Minister een reactie gevraagd op een uitspraak in de krant over Marjan van Loon: Vrouw gaat Shell leiden. Zouden wij daar niet meer de aandacht op moeten vestigen?

Ik heb al eerder een VAO aangekondigd op basis van het onbevredigende antwoord op de vragen over de vertrouwenspersoon.

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Voorzitter. Eerlijk gezegd ben ik een beetje teleurgesteld, nee, ik ben heel teleurgesteld over de antwoorden van de Minister. Ik heb gezegd dat ik sterk het gevoel heb dat onze vrijheden zwaar onder druk staan. Wij kunnen van de homobeweging leren dat wij onze verworven vrijheden, onze burgerlijke vrijheden, moeten benoemen, bewaken en beschermen en dat wij daarnaast ook naar voren moeten gaan. De Minister vertelt nu veel over het naar voren gaan van topvrouwen. Het is niet erg dat daaraan aandacht wordt besteed, maar het staat scheef op het niet benoemen, beschermen en bewaken. Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag in eerste termijn wat de Minister gaat doen en of zij minstens zo fel wil strijden voor het benoemen, beschermen en bewaken van de vrijheden van iedereen als zij de afgelopen jaren en in dit overleg heeft gedaan voor topvrouwen. Emancipatie is niet van één groep. Ik wil onderzoek dat uitwijst of die rechten onder druk staan en waaraan meer aandacht moet worden besteed. Weten wel alle vrouwen, alle mensen in Nederland dat de wet boven ieder religieus boek gaat?

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. In 2019 zien we wel weer verder. Dat vind ik in ieder geval geen goede koers. De Minister heeft inderdaad veel vragen beantwoord, maar ik heb in mijn inbreng ook een aantal voorstellen gedaan waarop ik graag een reactie krijg.

Defensie heeft nu nog functies waar vrouwen niet eens op mogen solliciteren. Is de Minister van mening dat het vanaf deze kabinetsperiode niet langer mogelijk mag zijn dat er binnen de Nederlandse overheid functies zijn waar vrouwen niet eens op mogen solliciteren?

Ik ben blij met het voorbeeld van Unilever, maar dat is geen staatsdeelneming. Bij staatsdeelnemingen staat het er bedroevend voor. Ik noem het Havenbedrijf Rotterdam, TenneT en de BMG Bank, allemaal voorbeelden van instellingen waar geen enkele vrouw in de raad van bestuur is opgenomen. Juist daar heeft het kabinet de mogelijkheid om via de aandelen invloed uit te oefenen. Zal de Minister ervoor zorgen dat er bij elke vervanging een vrouw wordt benoemd? Op die manier kan worden bereikt dat er op termijn genoeg vrouwen in staatdeelnemingen vertegenwoordigd zijn.

Mijn derde voorstel heeft betrekking op het feit dat je om zelfs maar in beeld te komen als topvrouw, een aanbeveling nodig hebt van een topfunctionaris binnen de top 200. Dat is natuurlijk heel raar, want dan bepaalt nog steeds het oldboysnetwork of je wel topvrouw genoeg bent. Is de Minister het met mij eens dat die bepaling moet worden geschrapt?

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Het standpunt van de regering over zowel topvrouwen als de opvang van lhbt-asielzoekers is niet helemaal bevredigend. Er is echter een vervolgdebat aangevraagd waarin wij moties kunnen indienen. De Kamer zal dit ongetwijfeld oppakken.

Ik heb op twee vragen geen antwoord gekregen. De eerste vraag is naar de voorlichting over lhbt's die inmiddels is geregeld voor het basisonderwijs en het middelbaar onderwijs, maar nog niet voor het mbo.

Mijn tweede vraag heeft betrekking op het geld dat wordt uitgetrokken voor de emancipatie van lhbt's in migrantengemeenschappen. Ik heb gevraagd hoeveel mensen daarmee zijn bereikt. Wil de Minister daar nog op ingaan?

Minister Bussemaker: Voorzitter. Ik kan het antwoord op de opmerkingen van de woordvoerders van de PvdA en VVD samen nemen. Ik zeg toe dat ik graag bereid ben om na de gesprekken en de conferenties die ik de komende tijd organiseer, de Kamer in april een brief te sturen over de acties die wij daaraan ontlenen. Het spijt mij zeer als ik de indruk zou hebben gewekt dat ik wel gepassioneerd voor topvrouwen zou willen opkomen, maar niet diezelfde passie zou hebben voor de rechten van vrouwen en lhbt's in het algemeen. Daarom ben ik eigenlijk expres met dat thema begonnen. Waar staan wij nu? Wat hebben wij geleerd van de discussies naar aanleiding van de gebeurtenissen in Keulen? Wat leren wij van de discussies over asielzoekers en lhbt's? Dergelijke discussies gaan verder dan alleen de bescherming waarover wij uitgebreid hebben gesproken. De vraag is hoe wij ervoor zorgen dat wij de rechten die wij met elkaar hebben opgebouwd, kunnen beschermen. Dan wordt vaak naar het onderwijs verwezen. De Staatssecretaris en ik praten veel over burgerschap en wat er allemaal kan worden verbeterd, maar er moet natuurlijk veel meer gebeuren.

Het begint ermee dat wij onze ogen niet sluiten voor ontwikkelingen en problemen, maar dat wij ze benoemen en analyseren. Dat moet natuurlijk zijn gebaseerd op feiten, maar nu herhaal ik wat ik al in eerste termijn heb gezegd. Wij hebben daarbij bondgenoten nodig, ook mannen en hetero's, wij hebben daar iedereen bij nodig. Iedereen die nog concrete suggesties heeft, vindt mij aan zijn of haar zijde om daar verder naar te kijken.

Mevrouw Yücel roept mij op ook in EU-verband conservatieve krachten te weren. Dat probeer ik te doen, zeker in onze rol als voorzitter van Europa. Ik heb onlangs een uitgebreid bezoek gebracht aan de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (FEMM) van het Europees Parlement. Wij werken aan een lhbt-actieplan. De oorsprong van dit plan ligt in Nederland bij de organisatie van de IDAHO (International Day Against Homophobia)-conferentie in 2013. Ik zeg hier wel bij dat je dit als voorzitter niet alleen kunt bereiken. Je kunt zo ver gaan als de andere lidstaten willen meegaan. Als wij erin zouden slagen dat lhbt-actieplan nu voor elkaar te krijgen, zou dat echt uniek zijn. Het zou een belangrijke stap zijn voor Europa.

Collega Asscher heeft het initiatief voor de arbeid- en zorgtop, maar ik zal daarbij aanwezig zijn om aan te geven wat uit mijn perspectief belangrijk is, mede naar aanleiding van het SER-advies.

Mevrouw Bergkamp heeft gevraagd hoe het beleid nu wordt aangescherpt. Wij doen dit aan de hand van wat om ons heen gebeurt. Het beleid wordt aangescherpt en herijkt naar aanleiding van recente discussies over vluchtelingenstromen en seksueel geweld, maar ook als wij doelen niet bereiken.

Wij hebben een alliantie Vrouwen en media die wordt gesubsidieerd door het Ministerie van OCW. Die alliantie wordt samen met WOMEN Inc gevormd. De komende jaren zal onderzoek worden gedaan om na te gaan wat er moet gebeuren. Daarbij hebben wij natuurlijk de media nodig. Ik ben het met mevrouw Bergkamp eens dat zo'n kop over de benoeming van mevrouw Van Loon, «Vrouw gaat Shell leiden», niet passend is.

De opstelling van het transgenderrapport gaat binnenkort van start; het kan aan het einde van dit jaar klaar zijn.

Het antwoord op de vraag naar de docentenopleidingen is afhankelijk van de vraag over welke opleidingen wij spreken. Dit is in ieder geval een thema op de pabo's. Bij de hbo- en universitaire lerarenopleidingen is dit weer anders, want die leiden in eerste instantie op tot leraar Engels, scheikunde of wat dan ook. Ook daar geldt dat alle leraren moeten leren om in ieder geval moeilijke thema's niet uit de weg te gaan. Die kunnen betrekking hebben op radicalisering, pesten of homofoob gedrag. Wij zijn ons ervan bewust dat wij niet voor ieder probleem een nieuw lesprogramma moeten maken, want dan komen wij niet meer aan de kerntaken toe. Overigens denkt het COC mee. Daarnaast noem ik de Stichting School en Veiligheid, die op mijn verzoek heeft onderzocht hoe aankomende leraren worden toegerust op het gebied van sociale veiligheid. Ik kan hier nog veel meer over vertellen, maar de Kamer heeft ook al uitgebreide brieven over dit onderwerp ontvangen. Ik ga ervan uit dat die vooral zijn behandeld door de onderwijswoordvoerders.

Mevrouw Voortman heeft gesproken over functies bij Defensie. Ik ben van mening dat dit gesprek moet worden gevoerd in de vaste commissie voor Defensie. De lijn lijkt mij dan: pas toe of leg uit dat functies in het algemeen worden opengesteld voor vrouwen tenzij specifieke redenen zich daartegen verzetten. Het lijkt mij goed dat dit gesprek wordt gevoerd met de meest verantwoordelijke en deskundige in dezen, de Minister van Defensie.

Collega Dijsselbloem zit boven op de benoeming van vrouwen bij staatsdeelnemingen. Hij boekt ook goede resultaten. Ik verwijs als voorbeeld naar Schiphol. Bij alle staatsdeelnemingen is de naleving op orde. Zij maken serieus werk van de doorstroming naar de top. Het Havenbedrijf Rotterdam valt niet onder ons, maar het zou goed zijn als de gemeente daar zou aandringen op de benoeming van vrouwen. Wij doen wat wij kunnen.

Mevrouw Voortman heeft gezegd dat het toch wat vreemd is dat een aanbeveling van een commissaris nodig is om in de database te komen. Naar mijn idee is dat niet zo vreemd. Ik heb na debatten in de Kamer mijn betrokkenheid op afstand gezet, maar bij de opzet van de database was het de bedoeling dat vrouwen board ready moeten zijn, zoals dat wordt genoemd. Dan kan er nooit discussie ontstaan over de vraag of iemand wel geschikt is. Nu vragen de beheerders van de database aan de vrouwen om in ieder geval iemand te noemen die zegt dat zij geschikt zijn om commissaris of bestuurder bij een onderneming te worden. Gelukkig zijn er voldoende mannen die daaraan mee doen. Ik kom in ieder geval veel mannen uit de top van het bedrijfsleven tegen die het nut en belang zien van meer vrouwen in de top.

De heer Van Dijk vroeg nog naar burgerschap in het mbo. Volgens mij ben ik daar vrij uitgebreid op ingegaan. In 2014 hebben wij het project Seksuele diversiteit in het mbo ondersteund. De MBO Raad organiseert in maart aanstaande een studiedag over diversiteit voor coördinatoren veiligheid. Ik heb al eerder gezegd dat het kwalificatiedossier op het terrein van burgerschap voor het mbo wordt aangescherpt en dat seksuele diversiteit daarvan onderdeel uitmaakt. Daarnaast zijn voor het mbo net als voor alle onderwijssectoren de sites School en Veiligheid beschikbaar, waarbij wij ook docenten begeleiden. Dit geldt niet alleen voor het po en vo zoals wel wordt gedacht, ook bij het mbo gebeurt heel veel op deze terreinen. Wij proberen dat zo veel mogelijk samen te doen.

Het ging wat snel, maar ik hoop dat ik hiermee heb gereageerd op alle opmerkingen in de tweede termijn.

De voorzitter: Ik zie dat mevrouw Van Miltenburg nog een dringende vraag heeft.

Mevrouw Van Miltenburg (VVD): Een vraag ter bevestiging. Heeft de Minister nu toegezegd dat zij aan het einde van dit jaar met een besluit komt over de opname van voorlichting in de kerndoelen op de BES-eilanden?

Minister Bussemaker: Ik verwacht dat ik dit aan het einde van het jaar kan doen, maar ik ben daarvoor ook afhankelijk van de inspectie. Ik weet niet wanneer de inspectie klaar kan zijn met de doorlichting van het kerndoel seksuele diversiteit. Ik moet daar ook nog over overleggen met de collega van BZK, maar gezien de afspraak die ooit is gemaakt – over vijf jaar – is het einde van dit jaar of het begin van volgend jaar een goed moment om de stand van zaken op te maken. Dan kunnen wij bekijken of dat het moment is waarop het kerndoel ook daar kan worden ingevoerd. Ik zal de Kamer daarover berichten.

De voorzitter: Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van dit algemeen overleg. Ik dank de Minister voor haar antwoorden.

Er is een VAO aangekondigd met als eerste spreker het lid Yücel.

De Minister heeft drie toezeggingen gedaan die ik zal herhalen opdat de leden kunnen nagaan of ze juist zijn verwoord.

De Minister heeft toegezegd dat de Kamer voor het zomerreces de uitkomsten ontvangt van het onderzoek van de Onderwijsinspectie naar de in 2012 ingevoerde kerndoelen inzake seksuele diversiteit.

Minister Bussemaker: De toezegging «voor de zomer» geldt voor het inspectierapport. Wij moeten dan nog wel nagaan hoe dit zich verhoudt tot de ontwikkelingen op de BES-eilanden en de indertijd gemaakte afspraak. Als vervolg hierop ontvangt de Kamer in ieder geval dit jaar een brief over de invoering van dit kerndoel op de BES-eilanden.

De voorzitter: Er komt dus nog een aparte brief achteraan?

Minister Bussemaker: Ja.

De voorzitter: Heel goed.

De Minister heeft toegezegd dat de Kamer in april een brief ontvangt met voorstellen voor acties ter bescherming van kwetsbare groepen als vrouwen en lhbt's in de asielopvang.

Minister Bussemaker: Wat mij betreft wordt dat breder dan de asielopvang. Een groot deel van de discussie spitste zich daar weliswaar op toe, maar mijn ambities gaan veel verder. Die gaan ook over de bescherming van vrouwenrechten naar aanleiding van de gebeurtenissen in Keulen.

De voorzitter: Die aanvulling is ook genoteerd.

De derde toezegging is dat de Kamer aan het einde van dit jaar een tussenbalans ontvangt van de genderbalans in topfuncties.

Mevrouw Bergkamp (D66): Dat klopt. De Minister heeft verder toegezegd dat zij aan het einde van het jaar de Kamer het SCP-rapport over transgenders en haar reactie daarop zal toezenden.

De voorzitter: Dat is dan een vierde toezegging.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik mis nog de toezegging dat de Minister bereid is om met Minister Asscher naar aanleiding van de arbeid- en zorgtop en de SER-rapporten specifiek te kijken naar bevordering van de financiële onafhankelijkheid van vrouwen en het normaler maken van de twee keer vier dagen werken.

De voorzitter: «Ergens naar kijken» is nog geen toezegging. Ik neem aan dat de Kamer bericht krijgt over de resultaten van de top.

Minister Bussemaker: Dat wordt moeilijk, want de Minister van SZW heeft hierbij het voortouw. Ik kan dus geen toezegging doen.

De voorzitter: Dan is het misschien een idee om dit naar voren te brengen in de procedurevergadering van de vaste commissie voor SZW.

Hiermee zijn wij mooi op tijd aan het einde gekomen van dit algemeen overleg. Dank u wel.

Sluiting 13.04 uur.