Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
Overdracht school in Altforst |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het besluit om basisschool De Tweestroom in Altforst te sluiten wordt één jaar geschorst» en de aanvulling op het arrest door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kent u een precedent waarin de rechter op zo korte termijn voor aanvang van het schooljaar het voortbestaan van een school heeft afgedwongen? Bent u bereid om in deze uitzonderlijke situatie actief inhoudelijke ondersteuning te geven aan de school ten einde recht te doen aan het arrest van het gerechtshof in het belang van goed onderwijs?
Bij mij is één ander recent voorbeeld bekend van een civielrechtelijke uitspraak naar aanleiding van een vrijwillige opheffing van een school waarin de rechter een besluit heeft geschorst. De schorsing was bedoeld om een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (WMS) af te kunnen wachten.2 In die zaak heeft de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS geoordeeld dat het schoolbestuur het besluit mocht nemen om de school in kwestie te sluiten.3
Het komt daarnaast vaker voor dat een schoolbestuur pas kort van tevoren zeker weet dat een school niet datzelfde jaar nog zal worden gesloten, bijvoorbeeld wanneer een instandhoudingsverzoek wordt ingewilligd. Ook komt het voor dat schoolbesturen uit eigen beweging een voorgenomen besluit tot sluiting weer intrekken. Het is in zo’n geval aan het schoolbestuur om het belang van goed onderwijs te (blijven) waarborgen.
Op 10 augustus heb ik een brief ontvangen van de advocaat van de medezeggenschapsraad van De Tweestroom en een ouder van een leerling van De Tweestroom. Naar aanleiding daarvan hebben een van de regio-adviseurs en de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur en is een gesprek gevoerd. Hieruit zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. De regio-adviseur en de inspectie zullen de situatie in de gaten blijven houden en hierover, indien nodig, in gesprek gaan met het schoolbestuur.
Welke les trekt u uit het feit dat het gerechtshof bij de schorsing van het besluit tot sluiting van de laatste basisschool in het dorpje Altforst zwaar gewicht heeft toegekend aan de zorgplicht van het bevoegd gezag jegens de ouders en hoge prioriteit heeft gegeven aan de belangen van kinderen?
Bij wet geldt dat schoolbesturen een zorgplicht hebben richting leerlingen en hun ouders of verzorgers. Ik trek hier de les uit dat de wettelijke zorgplicht zijn doel dient als middel om besluiten van schoolbesturen te laten toetsen en daarmee de rechtszekerheid van betrokkenen te waarborgen. In geval van een schoolsluiting, betekent dat bijvoorbeeld dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking moeten kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed wordt begeleid.
Deze civielrechtelijke zaak laat concreet zien dat de rechter bij sluitingsbesluiten streng aan deze zorgplicht toetst. Blijft een schoolbestuur daarin in gebreke, dan heeft dat reële gevolgen voor wat het wel en niet kan doen. Mocht het bestuur – wat het in principe vrij staat – opnieuw een sluitingsbesluit willen nemen, dan is het cruciaal dat het aantoont wél aan de zorgplicht te hebben voldaan, zodat de belangen van leerlingen en ouders of verzorgers zijn geborgd. Dit kan achteraf door de rechter worden getoetst.4 Dit laat zien dat het stelsel, waarin bewust een wettelijke zorgplicht is opgenomen dat door de rechter kan worden getoetst, werkt.
Schept de norm van Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag ook een zekere verantwoordelijkheid voor u om waar mogelijk ondersteuning te leveren aan de gemeenschap van ouders rond de school in Altforst, ten einde een goede uitvoering van het arrest in het belang van ouders en kinderen te bevorderen? Welke rol kan de onderwijsinspectie spelen om te waarborgen dat het bevoegd gezag tijdig maatregelen treft voor de goede voortgang van het onderwijs in het komende schooljaar?
Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind volgt, zoals het hof aangeeft, dat de belangen van een kind een hoge prioriteit hebben bij het nemen van maatregelen waar kinderen bij zijn betrokken. De zorgplicht die onder meer voortvloeit uit de Wet op het primair onderwijs is een voorbeeld van de nationale uitwerking van de bepalingen uit het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof heeft in deze casus de belangen afgewogen en geoordeeld dat de belangen van de kinderen die nu en in de nabije toekomst worden geraakt zwaarder wegen dan de belangen van het schoolbestuur om de school per 1 augustus 2026 te sluiten.5
De inspectie heeft in april 2026 een bestuursbezoek uitgevoerd bij het schoolbestuur en daarbij onder andere aandacht besteed aan de bestuurlijke kwaliteitszorg. Uit het rapport (dat te raadplegen is op de website van de inspectie) blijkt dat de inspectie geen reden ziet om over te gaan tot nader onderzoek.
Naar aanleiding van de onder antwoord 2 genoemde brief van de advocaat heeft de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur. Op basis van de door de inspectie verzamelde informatie concludeert zij dat alle inspanningen van het schoolbestuur er, in lijn met de rechterlijke uitspraken, op gericht zijn om vanaf de eerste schooldag van schooljaar 2026–2027 onderwijs te verzorgen aan De Tweestroom. De inspectie ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en/of verscherpt toezicht. Wel neemt de inspectie deze informatie mee in het reguliere toezicht op de school en het schoolbestuur.
Zoals eerder in de beantwoording aangegeven, houden de regio-adviseur en de inspectie de situatie in de gaten en gaan zij hierover, indien nodig, in gesprek met het schoolbestuur. Zo wordt waar nodig ondersteuning geboden aan het schoolbestuur, zodat de goede voortgang van het onderwijs niet onder druk komt te staan. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om de goede voortgang van het onderwijs te waarborgen en daarvoor tijdig maatregelen te treffen. Mocht blijken dat de goede voortgang van het onderwijs alsnog onder druk komt te staan, dan is het aan de inspectie om via de gebruikelijke route hier toezicht op te houden.
Wat vindt u ervan dat het door het handelen van het bevoegd gezag van de school zo lang heeft geduurd voordat recht werd gedaan aan de wens van de lokale gemeenschap en vrijwel alle ouders van de school? Vindt u ook dat de belangen van de lokale gemeenschap en de schoolgemeenschap in het vervolg zwaar moeten wegen nu het voortbestaan van de school door het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten minste gedurende het aankomende schooljaar is verzekerd? Bent u ook van mening dat het belang van de kinderen bij goed onderwijs het meest gediend is met een bevoegd gezag dat voluit wil gaan voor de kwaliteit van het onderwijs op deze kleine school? Onderkent u dat het huidige bevoegd gezag daarvoor geen geschikte partij meer lijkt nu het enerzijds duidelijk heeft laten merken kleine scholen onder of zelfs boven de vijftig leerlingen niet wenselijk te vinden en anderzijds tot op heden geen zichtbare, voortvarende actie onderneemt om uitvoering te geven aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?2
Voor het sluiten van een school kan een schoolbestuur goede redenen hebben, zoals het niet meer kunnen waarborgen van goed onderwijs, financiële problemen of personeelstekorten. Of die keuze wordt gemaakt is gelet op de vrijheid van stichting in eerste instantie aan het schoolbestuur. Zoals in de beantwoording van vraag 3 is te lezen, staat het besturen vrij om besluiten te nemen. Ze moeten begrijpelijkerwijs dan wel aan alle wettelijke voorwaarden, waaronder de zorgplicht, voldoen.
Zoals in de beantwoording van de vragen 2 en 4 is te lezen zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. Ik vind het mede om die reden niet gepast om te oordelen over het handelen en de positie van het schoolbestuur. Het besluit van het schoolbestuur is door de rechter getoetst, waarbij is geoordeeld dat niet voldoende aan de zorgplicht is voldaan. In deze civielrechtelijke procedure is het uiteindelijk aan de rechter om, via de invulling van de wettelijke zorgplicht, te oordelen of het schoolbestuur juist heeft gehandeld en of daarbij de belangen van de leerlingen en hun ouders of verzorgers voldoende zijn meegewogen.
Bent u bereid om, gezien de korte termijn tot de start van het nieuwe schooljaar en het belang van goed onderwijs, te bemiddelen tussen het huidige bevoegd gezag en een nieuwe rechtspersoon om een goede en snelle overdracht van de school te bevorderen? Bent u bovendien bereid over deze situatie contact te zoeken met de gemeente West Maas en Waal?
De keuze om een school wel of niet over te dragen is uiteindelijk aan het schoolbestuur. Zoals gemeld in antwoord 2, kan het schoolbestuur zich laten adviseren door een van de regio-adviseurs. Mocht daarbij blijken dat contact met de gemeente West Maas en Waal wenselijk is, dan zal dat contact uiteraard tot stand gebracht worden.
Om een beeld te krijgen waar ouders in de praktijk tegenaan kunnen lopen wanneer zij een school willen overnemen, hebben ambtenaren van het ministerie in april van dit jaar een algemeen gesprek gehad met bestuursleden en adviseurs van Stichting PO De Sprong. Het gesprek neem ik mee in de ontwikkeling van een handreiking om lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen.
Het kinderopvangdebat |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, zodra het kabinet communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie als «informeel» bestempelt, weigeren, op verzoek van de Tweede Kamer, deze communicatie aan de Kamer te verstrekken?
Wanneer is communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie eigenlijk «informeel»? En wanneer «formeel»? Kunt u een paar voorbeelden geven van «formele» en «informele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie?
Kunnen we uit het feit dat u weigert om de communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie over een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) naar de Kamer te sturen (omdat deze communicatie volgens u dus «informeel» zou zijn) logischerwijs concluderen dat er geen «formele» communicatie is geweest tussen de Europese Commissie en het Nederlandse kabinet over DAEB? Zo nee, kan de Kamer de «formele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Unie over het gebruik van (alternatieven voor) DAEB in de kinderopvang zo snel mogelijk toegestuurd krijgen?
Kosteloze rechtsbijstand voor slachtoffers van ernstig online seksueel misbruik |
|
Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat slachtoffers van ernstig online seksueel misbruik op dit moment niet in aanmerking komen voor kosteloze rechtsbijstand omdat ernstig online seksueel geweld niet is opgenomen in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zowel online als fysiek seksueel geweld zijn opgenomen in de Wet seksuele misdrijven, maar slachtoffers vervolgens niet dezelfde toegang hebben tot kosteloze hulp van een advocaat?
Bent u bereid de Wet op de rechtsbijstand en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven aan te passen zodat ook slachtoffers van ernstig online seksueel misbruik in aanmerking komen voor kosteloze rechtsbijstand?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat slachtofferbeleid?
Het bericht ‘Zorgondernemer met strafblad gaat 'gewoon' door met opvang kwetsbare cliënten’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Zorgondernemer met strafblad gaat gewoon door met opvang kwetsbare cliënten»? Deelt u de woede dat kwetsbare mensen kennelijk opnieuw worden toevertrouwd aan een zorgondernemer over wie zulke ernstige signalen bestaan?1
Hoe is het mogelijk dat Zorg en Research na beëindiging van de contracten door Menzis wegens fraudesignalen alsnog via een andere aanbieder doorgaat? Welke instanties wisten hiervan, wanneer wisten zij dit en wie heeft daadwerkelijk ingegrepen?
Hoeveel zorggeld moet er nog in de zakken van fraudeurs verdwijnen voordat u daadwerkelijk ingrijpt? Waarom krijgen zorgcriminelen alle ruimte en blijven uw beloften over een harde aanpak zonder resultaat?
Erkent u dat ieder onnodig verloren zorgmiljoen ook het gevolg is van falend overheidsoptreden? Hoe verantwoordt u dat patiënten moeten wachten op zorg, terwijl u de fraude niet weet te stoppen?
Vindt u het zelf nog geloofwaardig om daadkracht te beloven terwijl zorgondernemers na ernstige fraudesignalen kennelijk gewoon via een andere aanbieder verder kunnen?
Wanneer stopt u met praten en gaat u zorgfraudeurs daadwerkelijk aanpakken, gestolen zorggeld terughalen en malafide bestuurders uit de zorg weren? Welke concrete resultaten levert u dit jaar?
De inbeslagname van een server door de Amsterdamse politie op verzoek van de Amerikaanse regering |
|
Christine Teunissen (PvdD), Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het NRC over de Amsterdamse politie die een server in beslag genomen van de Italiaanse internetdienstverlener Autistici/Inventati (A/I), op basis van een Amerikaans rechtshulpverzoek en dat een kopie van de inhoud van de server naar de VS wordt gestuurd?1
Wat vindt u van de reactie van de Amsterdamse politie die tegen het NRC heeft gezegd dat wanneer een dergelijk verzoek komt: „Dat voer je dan gewoon uit»?
Op welke juridische basis is dit verzoek van de Verenigde Staten uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat ongeacht de juridische basis «een verzoek niet mag leiden tot een schending van mensenrechten en dat daarom een rechtshulpverzoek altijd eerst wordt getoetst aan internationale verdragen en de Nederlandse wetgeving»?2 Heeft u deze toets uitgevoerd en zo ja, wat is er uit deze toets gekomen? Kunt u de uitkomsten van deze toets voor dit specifieke geval met de Kamer delen?
Hoe verhoudt deze toets zich tot de uitspraken van de Amsterdamse politie die zegt dat een dergelijk verzoek «gewoon» wordt uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat de server in bezit was van een Italiaanse antifascistische en feministische organisatie die zichzelf heeft opgeheven nadat ze door de Amerikaanse regering op de sanctielijst zijn geplaatst?3
Klopt het dat de Amerikaanse regering uit politieke motieven deze organisatie op de sanctielijst heeft gezet? Wat is uw standpunt over het plaatsen van deze organisatie op de sanctielijst?
Kunt u bevestigen dat de Amsterdamse politie van plan is een kopie van de server naar Amerika te sturen? Op basis van welke rechtsgrond gaat dat gebeuren? Bent u bereid om in te grijpen om te voorkomen dat een kopie van de server naar Amerika wordt gestuurd?
Heeft de Amerikaanse regering vergelijkbare rechtsverzoeken gedaan aangaande het Internationaal Strafhof, omdat ook het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst gezet en eveneens in Nederland zetelt?
Hoe beoordeelt u de uitvoering van het Amerikaans verzoek in het licht van pogingen van de Amerikaanse regering om de technologische afhankelijkheid van Europese lidstaten in te zetten als politiek en economisch drukmiddel?
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Kunt u in ieder geval per direct uitvoering geven aan vraag 8?
Het optreden tegen een anti-Hamas-bord tijdens een demonstratie in Amsterdam en de positie van burgemeester Halsema |
|
Mona Keijzer , Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden waarop te zien zou zijn dat de politie tijdens een demonstratie in Amsterdam een demonstrant sommeert zijn bord met de tekst «FCK HMS», oftewel «Fuck Hamas», te verwijderen, terwijl eerder in dezelfde stad openlijk steun werd betuigd aan de terroristische organisatie Hamas door bijvoorbeeld een spandoek met de tekst «We Support Hamas»?1
Heeft u inmiddels contact opgenomen met burgemeester Halsema om te achterhalen of het klopt dat de politie deze demonstrant heeft opgedragen zijn bord te verwijderen en, zo ja, waarom deze opdracht is gegeven? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het in hemelsnaam dat in Amsterdam spandoeken met teksten als «We Support Hamas» mogen worden getoond, terwijl iemand die zich juist uitspreekt tégen deze terroristische organisatie door de politie wordt gesommeerd zijn bord te verwijderen?
Deelt u de mening dat hier op zijn minst de schijn van een volstrekt onacceptabele dubbele maatstaf ontstaat? Zo nee, waarom niet?
Hoe valt te rechtvaardigen dat de politie in Amsterdam ingrijpt tegen een demonstrant die met zijn bord «FCK HMS» duidelijk afstand neemt van een terroristische organisatie? Vindt u dit optreden zelf ook niet volstrekt buitenproportioneel?
Deelt u de mening dat de politie haar handen vol zou moeten hebben aan het aanpakken van daadwerkelijke strafbare uitingen en ordeverstoringen, in plaats van demonstranten lastig te vallen die zich uitspreken tegen een terroristische organisatie? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het ronduit absurd zou zijn wanneer de overheid kennelijk meer moeite heeft met het uitschelden van een terroristische organisatie dan met het openlijk betuigen van steun aan diezelfde organisatie? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt bij demonstraties waarbij openlijk steun wordt betuigd aan Hamas niet veel nadrukkelijker onderzocht of sprake is van reeds strafbare uitingen, zoals opruiing, bedreiging of het aanzetten tot geweld?
Hoeveel personen zijn de afgelopen drie jaar tijdens demonstraties in Amsterdam aangehouden en vervolgd wegens strafbare uitingen ter ondersteuning van Hamas?
Klopt het dat Amsterdamse politieagenten wilden ingrijpen tegen demonstranten die openlijk steun betuigden aan Hamas, onder meer door spandoeken met teksten als «We Support Hamas» in beslag te nemen, maar daarvoor geen toestemming kregen?
Welke rol heeft burgemeester Halsema gespeeld bij het besluit om hier niet tegen op te treden?
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel zou zijn als burgemeester Halsema rechtmatig politieoptreden tegen mogelijke strafbare steunbetuigingen aan een terroristische organisatie heeft tegengehouden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het vertrouwen in een onafhankelijke en onpartijdige uitoefening van het burgemeestersambt ernstig wordt geschaad wanneer bij demonstraties de indruk ontstaat dat met twee maten wordt gemeten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de gang van zaken rond het verwijderen van dit anti-Hamas-bord volledig te laten ophelderen, inclusief de vraag wie opdracht gaf tot het ingrijpen en of sprake was van ongelijke behandeling? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het toestaan van spandoeken met teksten als «We Support Hamas» tijdens demonstraties in Amsterdam pijnlijk duidelijk maakt waarom ons initiatiefwetsvoorstel «Wet Weerbare Waarden» noodzakelijk is en bent u bereid dit wetsvoorstel te steunen om onze democratische rechtsstaat beter te beschermen tegen de openlijke verheerlijking en ondersteuning van terroristische en antidemocratische stromingen en organisaties? Zo nee, waarom niet?
Veiligheid van bruggen |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Is het feit dat op basis van de beschikbare informatie geen aanwijzing voor een acuut veiligheidsrisico is, zoals de Minister schrijft in zijn brief van 8 oktober (2026Z21741), een garantie voor de veiligheid van de bruggen of een indicatie voor te weinig informatie?
Als het onmogelijk is om de volledige wapening van bepaalde constructies te onderzoeken, en het voorspanstaal in niet onderzochte delen wel aangetast kan zijn, hoe kan dan een acuut veiligheidsrisico worden uitgesloten? In hoeverre is hier spraken van «geen nieuws is goed nieuws»-redenering?
Waarom is het feit, dat er door de specialistische kennis die nodig is voor onderzoek en analyse het onderzoeksproces vertraging heeft opgelopen, aanleiding voor de conclusie van de Minister dat er geen acuut risico is? Is het niet ontdekken van acuut risico door achterstallig, of slechts oppervlakkig onderzoek, geen false-negative conclusie?
Is het feit dat er (nog) geen (grote) problemen zijn ontdekt bewijs dat er geen grote problemen zijn?
Hebben we alle informatie die nodig is?
Is het actuele inspectieregime alles wat we redelijkerwijs kunnen doen, is het voldoende voor wat we moeten doen, kunnen we doen wat we moeten doen of weten we niet (goed) wat we zouden moeten doen, om alle bruggen veilig te houden?
Kan u toelichten waarom de Kamer niet is geïnformeerd over het feit dat het inspectieregime tussen april 2025 en nu flink is aangepast?
Weten we nu, na de recente inspecties, materiaalonderzoeken en uitwisseling met Duitsland, beter dan twee jaar geleden of de bruggen veilig zijn?
Hoe beoordeelt u, terugkijkend, de claim van de vorige Minister, dat alle bruggen veilig zijn, ondanks dat alle hierboven uitgevoerde onderzoeken destijds nog niet waren verricht?
Klopt het dat veel of alle betroffen spanstaalbruggen, gezien hun constructiewijze, niet (goed) kunnen worden versterkt en dus vervangen moeten worden? Hoe verhoudt zich dit met de eerdere verwachte afschrijving/levensduur en het vervangingsregime?
Kunt u bij elk van de 16 bruggen aangeven wat hiervoor het gekozen regime voor controle, monitoring, aanpassing en vervanging is? Ook in de tijd en met een indicatie van structurele en incidentele kosten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar voor de begrotingsbehandeling IenW beantwoorden?
Dreigende stroomstoringen bij 800.000 aansluitingen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Netbeheerders vrezen voor stroomstoringen bij 800.000 aansluitingen: «Problemen bij zonnepanelen het grootst»»1 en de analyse «Kleinverbruikers en netcongestie» van Netbeheer Nederland?2
Hoe zorgwekkend vindt u de conclusie van Netbeheer Nederland: «Het aantal aansluitingen op een laagspanningsnet met een verhoogd storingsrisico stijgt naar verwachting van circa 400.000 in 2025 tot ongeveer 800.000 in 2035 – een verdubbeling dus»? Klopt het dat hierin de geplande verzwaringen en uitbreidingen van het elektriciteitsnet reeds zijn meegenomen?
Vindt u het niet heel cynisch dat deze problemen zich met name zullen voordoen «in gebieden met een hoge adoptie van laadpalen, warmtepompen en zonnepanelen»? Trekt u het zich aan dat u jarenlang met uw klimaat- en duurzaamheidspraatjes huishoudens laadpalen, elektrische auto’s, warmtepompen, zonnepanelen en andere groene gekte hebt aangesmeerd, terwijl juist díé huishoudens het hardst door stroomstoringen getroffen zullen worden? Wat gaat u doen om te voorkomen dat huishoudens letterlijk in het donker en de kou komen te zitten?
Staat u nog achter de conclusie: «De huidige knelpunten [betreffende netcongestie] worden vooral veroorzaakt door de snelle toename van duurzaam opgewekte energie en het groeiende duurzame energieverbruik»?3 Waarom blijft u willens en wetens doorgaan met de verdere uitrol van uw klimaat- en duurzaamheidsbeleid (zonne-energie, windenergie, warmtepompen, laadpalen, elektrische auto’s en wat dies meer zij) dat de problemen rond netcongestie juist vergróót?
Hoe reageert u op de stelling van Netbeheer Nederland: «De energietransitie verloopt in de praktijk mogelijk langzamer. Daardoor kan de toekomstige elektriciteitsvraag lager uitvallen dan in dit scenario wordt aangenomen. Dit vormt een onzekerheid in de analyse en kan leiden tot een overschatting van de problematiek»? Deelt u de conclusie dat een «langzaam verlopende energietransitie» weliswaar aanlokkelijk klinkt, maar het helemaal stoppen met uw obsessieve klimaat- en duurzaamheidsbeleid de allerbeste oplossing is?
De gevolgen van de Braziliaanse verkiezingen voor het Amazonegebied en ontbossing |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Sjoerd Sjoerdsma (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van Carbon Brief1 dat het Braziliaanse beleid en de uitkomst van de presidentsverkiezingen van grote invloed kunnen zijn op de toekomst van het Amazonegebied en de mate van ontbossing?
Deelt u de opvatting dat de bescherming van het Amazonewoud van groot belang is voor het tegengaan van klimaatverandering en de bescherming van biodiversiteit, en dat deze bescherming zwaar moet wegen in het Nederlandse en Europese buitenland-, klimaat- en handelsbeleid?
Erkent u dat de politieke koers van een toekomstige Braziliaanse regering gevolgen kan hebben voor ontbossing, de handhaving van milieuwetgeving en de bescherming van inheemse gemeenschappen? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete diplomatieke en politieke stappen zet u om de Braziliaanse regering aan te sporen ontbossing tegen te gaan, bestaande natuurbescherming te handhaven en inheemse gemeenschappen te beschermen? Bent u bereid deze inzet op te voeren wanneer dreigt dat de Braziliaanse regering de bescherming van het Amazonegebied afzwakt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de bijdrage van de veehouderij aan ontbossing in het Amazonegebied? Welke mogelijkheden ziet u om de Europese afhankelijkheid van geïmporteerd rundvlees te verminderen en de consumptie van dierlijke producten terug te dringen als maatregel tegen ontbossing? Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre deze maatregelen ontbossing tegen kunnen gaan? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen neemt u, mede in Europees verband, om te voorkomen dat de vraag naar producten op de Europese markt bijdraagt aan ontbossing in Brazilië? Hoe verhouden deze maatregelen zich tot het EU-Mercosurverdrag?
Erkent u dat het Mercosurverdrag de druk op de natuur, waaronder in het Amazonegebied, kan vergroten? Zo nee, waarop baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat de extra handelsmogelijkheden leiden tot meer ontbossing?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat een handelsverdrag nieuwe of ruimere toegang tot de Europese markt voor rundvlees biedt, terwijl er ernstige vragen bestaan over de controle op productiemethoden en naleving van Europese normen? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat het Mercosurverdrag extra handelsvoordelen oplevert voor een Braziliaanse regering die natuurbeschermingsregels afzwakt of klimaat- en natuurverplichtingen niet nakomt? Welke mogelijkheden heeft de EU om handelsvoordelen op te schorten wanneer Brazilië zijn klimaat- en natuurverplichtingen niet nakomt?
Wat zijn de meest recente ontwikkelingen rond de tijdelijke importstop op rundvlees uit Brazilië2, en welke invloed heeft dit op het handelsdeel en het nog te ratificeren deel van het Mercosurverdrag? Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat de invoer pas wordt hervat pas nadat aanvullende controles en waarborgen zijn vastgesteld, die naleving van Europese regels aantoonbaar verzekeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zich in te zetten voor herziening, opschorting of beëindiging van de handelsvoordelen uit het Mercosurverdrag voor bijvoorbeeld rundvlees als blijkt dat die voordelen leiden tot extra druk op natuurgebieden, waaronder het Amazonegebied, of tot invoer van producten die niet aantoonbaar voldoen aan Europese productie- en gezondheidsnormen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Het vervangend busvervoer van NS |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Busvervoer bij treinstremmingen van NS wordt steeds duurder, maar waarom staan zo veel bussen stil? «Dit is een verdienmodel»»?1
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat de kosten van vervangend vervoer voor NS tussen 2016 en 2024 zijn gestegen van € 25 miljoen naar € 39 miljoen?
Kunt u per jaar en per hoofdaannemer inzichtelijk maken hoe veel kosten zijn gemaakt voor het vervangend busvervoer?
Welke verklaring heeft u voor de kostenstijging die het artikel vermeldt?
Hoe beoordeelt u de verwachting van de NS dat deze kosten nog verder kunnen oplopen, tot wel € 52 à € 62 miljoen per jaar? Op basis waarvan verwacht de NS deze stijging?
Deelt u de opvatting dat de NS het vervangend vervoer zo efficiënt mogelijk dient te organiseren, gezien haar publieke financiering en om de prijs van het treinkaartje niet onnodig op te laten lopen? Hoe valt dit dan te rijmen met de door de NS verwachte ruime verdubbeling van de vervoerskosten?
Klopt het dat de NS heeft gekozen om per 1 januari 2027 al het vervangend vervoer door slechts één aanbieder uit te laten voeren? Hoe is de NS tot de keuze voor deze vervoerder gekomen?
In hoeverre heeft de NS alternatieve, goedkopere aanbieders van vervangend vervoer overwogen?
Herkent de Staatssecretaris het in het artikel geschetste beeld dat de vervangende bussen vaak langdurig stilstaan zonder passagiers, als onderdeel van het verdienmodel van de vervoerder? Is dit cijfermatig inzichtelijk te maken?
Hoe borgt de NS de efficiëntie van het vervangend vervoer, teneinde te voorkomen dat belastinggeld wordt uitgegeven aan lege, stilstaande bussen?
Klopt het dat NS de hoofdaannemer van het vervangend vervoer een vergoeding per uur betaalt, terwijl onderaannemers een vergoeding per gereden kilometer krijgen?
Hoe wordt voorkomen dat de vergoedingsstructuur van de NS voor vervangend busvervoer prikkels bevat die efficiënt vervangend busvervoer tegenwerken?
Hoe controleert de NS of het door de hoofdaannemer ingezet vervangend busvervoer wel doeltreffend was, en dat er zo min mogelijk lege bussen gefinancierd worden?
Gemiste inkomsten door personeelstekorten bij de Belastingdienst |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Buitenhof van afgelopen zondag 11 oktober 2026 gezien?
Kunt u de bedragen op de website van de Belastingdienst over openstaande belastingschulden nader toelichten? Hoeveel van de openstaande 46 miljard euro verwacht u dat de Belastingdienst alsnog binnenkrijgt?
Klopt het dat er onvoldoende personeelscapaciteit is om de 16,5 miljard euro, waarvoor invorderingsmaatregelen zijn getroffen daadwerkelijk in te vorderen, en dat de kans groter wordt dat dit geld niet meer ingevorderd kan worden naarmate de Belastingdienst langer wacht met actie ondernemen? Klopt het dat dit bedrag jaarlijks toeneemt? Hoe duidt u de uitspraken van de heer Graaff hierover?
Klopt het dat de Belastingdienst 1.000 fte tekort komt voor alleen de invordering bij burgers en kleine bedrijven? Hoeveel fte zouden er nodig zijn om de invordering over de hele linie op orde te krijgen?
Klopt het aantal boekenonderzoeken bij bedrijven is gedaald van 26.000 in 2016 naar 8.000 nu? Wat is op dit moment de kans dat een bedrijf daadwerkelijk gecontroleerd wordt?
Hoeveel inkomsten loopt de overheid naar schatting op dit moment mis door fraude en fouten bij bedrijven en onvoldoende controle? Wat vindt u daarvan?
Klopt het dat een extra invorderaar of controleur zichzelf makkelijk terugverdient voor de Belastingdienst? Hoe komt het dan dat de Belastingdienst niet meer mensen aanneemt om dit werk te doen?
Kunt u helderheid bieden over de bezuinigingsopgave voor de Belastingdienst? Waarom is eerder aangegeven dat dit 277 miljoen euro was, en klopt het dat het nu 438 miljoen euro blijkt te zijn?
Vindt u het verstandig om zoveel te bezuinigen op de Belastingdienst, terwijl er al een tekort is aan invorderaars en controleurs, en terwijl de Belastingdienst nog steeds voor een grote moderniseringsopgave staat? Op welk onderdeel van de Belastingdienst is het wat u betreft wel geoorloofd om te bezuinigen?
Bent u bereid de voorgenomen bezuinigingen op de Belastingdienst te schrappen?
Bent u bekend met het bericht dat Israël een digitaal landregister heeft gelanceerd voor de bezette Westelijke Jordaanoever, waarmee het voor het eerst sinds 1967 zelf eigendom van grond in Area C vastlegt?1
Deelt u de zorg dat Israël hiermee op grote schaal Palestijnse grond onteigent, omdat veel Palestijnen hun eigendom niet op papier kunnen aantonen? Erkent u dat dit neerkomt op annexatie langs bureaucratische weg?2
Hoe verhoudt dit registratieproces zich tot het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024, waarin het Hof oordeelde dat een bezettende macht geen soevereine bevoegdheden mag uitoefenen en dat onteigening en wetgeving gericht op inlijving van bezet gebied ongeldig zijn? Bent u bereid uitdrukkelijk te verklaren dat Nederland eigendomsregistraties die via dit proces tot stand komen niet erkent, en dit ook in EU-verband te bepleiten?
Bent u bekend met het besluit van een Israëlische militaire commissie van 8 oktober 2026 om de registratie van de grond van de Palestijnse familie Nassar (Tent of Nations, bij Bethlehem) af te wijzen, tenzij de familie ook de grond van haar buren registreert?3
Deelt u de opvatting dat dit een onmogelijke eis is, die bovendien ingaat tegen een uitspraak van het Israëlische Hooggerechtshof uit 2006? Ziet u deze zaak als voorbeeld van hoe registratie wordt ingezet om Palestijnse grond in te nemen, zelfs wanneer eigendom aantoonbaar is?
Bent u bereid deze zaak op te nemen met de Israëlische autoriteiten en aan te dringen op registratie van de grond van de familie, een einde aan de toegangsbeperkingen en bescherming tegen intimidatie? Bent u tevens bereid de Nederlandse vertegenwoordiging het terrein te laten bezoeken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het artikel 'Wim (80) dreigt dakloos te worden én moet 10.000 euro betalen' |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van dit fragment van 13 oktober en zo ja wat vindt u hiervan?1
Hoe reflecteert u in dit licht op uw besluit van 3 juli om het plan voor wonen in vakantiehuisjes, dat een oplossing zou bieden aan ongeveer 60.000 bewoners, te schrappen? Is dit volgens u nog steeds de juiste beslissing? Bent u bereid uw besluit te heroverwegen?
Welke stappen heeft u gezet om het plan van uw voorganger om permanente bewoning voor een periode te legaliseren, die volgens u onuitvoerbaar zou zijn, uitvoerbaar te maken?
Hoe gaat het, kijkend naar deze casus, volgens u zelf met de afspraken met gemeenten dat mensen die al in een vakantiehuisje wonen daar mogen blijven?
Is volgens u de inhoud van Kamerbrieven staand beleid? Zo ja hoe reflecteert u, kijkend naar deze casus, op de zin «In beginsel geldt dat de gemeente ervoor zorgt dat permanente bewoners van recreatiewoningen nooit zomaar op straat komen te staan: de menselijke maat is het uitgangspunt»? Is deze casus de menselijke maat die u voor ogen heeft (Kamerstuk 32 847, nr. 1497)? Zo, nee waarom niet en wat gaat u er aan doen?
Is er volgens u in deze casus sprake van een permanente bewoner die moet worden beschermd? Zo ja waarom wordt deze bewoner dan alsnog zijn woning uit gezet en waar moet meneer heen?
Waar kunnen ouderen, zoals Wim, volgens u naar toe, kijkend naar uw uitspraak dat «jongeren gelukkig nog bij hun ouders kunnen wonen»?
Welke maatregelen treft u om dit soort schrijnende situaties in de toekomst te voorkomen, bent u bereid de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen alsnog uit te voeren?
Kan u nogmaals via de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) een oproep doen aan gemeenten om niet te handhaven? Zo ja kan u de Kamer een afschrift hiervan sturen?
Bent u bereid om in deze beantwoording expliciet gemeente Berkelland erop aan te spreken niet te handhaven? Zo ja wat gaat u zeggen? Zo nee waarom niet?
Ziet u uw beleid, wat bestaat uit onder andere het schrappen van de Instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen, nog als succesvol?
Hoeveel asielzoekers, ontheemden en geëvacueerden wonen momenteel op vakantieparken, in recreatiewoningen en/of hotels terwijl het Omgevingsplan of de huisvestingsregelgeving dat niet toestaan? Voor zover u die cijfers zelf niet heeft, wilt u deze vragen aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ministeries en of overheden die deze cijfers wel hebben? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zorgen van de Algemene Rekenkamer1 over het feit dat de Nederlandse infrastructuur op veel plekken niet aan de NAVO-eisen voldoet, waardoor in geval van een militair conflict in Europa militaire transporten niet goed en snel door Nederland vervoerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat er naar aanleiding van eerdere rapporten en waarschuwingen over de staat van de Nederlandse infrastructuur weinig tot niets gedaan is met deze zorgen? Zo nee, wat heeft het kabinet concreet gedaan de afgelopen jaren om opvolging te geven aan eerdere zorgen vanuit de Algemene Rekenkamer hierover? Kan per eerder rapport worden aangegeven welke concrete acties ondernomen zijn en welke budgettaire gevolgen hieraan gekoppeld waren?
Deelt u de mening dat hopen op het feit dat er altijd een omrijroute is waar het transport (gedeeltelijk) overheen kan rijden erg naïef is en getuigt van slechte voorbereiding op een mogelijke oorlogssituatie waarin militair transport daadwerkelijk met grote spoed door Nederland verplaatst moet worden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het, vanuit militair oogpunt, kwetsbaar is om erop te vertrouwen dat bij een conflict de infrastructurele bottlenecks in de logistieke keten niet zullen worden aangevallen?
Deelt u de mening dat het oplossen van de knelpunten in de militaire mobiliteit niet alleen een verantwoordelijkheid is van het Ministerie van IenW? Zo nee, waarom niet?
Wat is de reden dat het kabinet niet bereid is om extra te investeren in noodzakelijk onderhoud van bestaande infrastructuur? Kan hierbij uitgebreid toegelicht worden wat de potentiële militaire en economische gevolgen zijn van het uitstellen van noodzakelijk onderhoud?
Welke concrete acties en budgettaire gevolgen verbindt het kabinet aan dit nieuwe zorgelijke rapport van de Algemene Rekenkamer?
Kunt u aangeven wat de te verwachten economische gevolgen zijn van één, vijf en tien jaar uitstel van noodzakelijk onderhoud en investeringen?
Kunt u aangeven wat de te verwachten meerkosten zijn wanneer noodzakelijk onderhoud en investeringen één, vijf en tien jaar worden uitgesteld?
Hoe wordt geanticipeerd op (extra) slijtage van wegen door zwaar militair transport?
Kunt u aangeven welk deel van de kosten van onderhoud een aanpassing van infrastructuur bekostigd worden door IenW en welk deel door defensie? Deelt u de mening dat noodzakelijk onderhoud van bestaande wegen in beginsel door IenW bekostigd zou moeten worden en aanpassingen specifiek voor militair transport door defensie? Zo nee, hoe kijkt u naar de verdeling van de kosten?
In hoeverre anticipeert u op middelen vanuit Europa voor militaire mobiliteit? Zijn hierover reeds concrete gesprekken gevoerd en wat zijn de verwachtingen van u hierbij?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Infrastructuur en Waterstaat?
Bent u bekend met het bericht «Politie Amsterdam neemt op Amerikaans verzoek server in beslag van linkse internetdienstverlener A/I: organisatie zou «antifa» faciliteren»?1
Wat is uw reactie op het Amerikaanse verzoek om de server van het Europese internetbedrijf Autistici/Inventati (A/I) om politieke redenen in beslag te nemen?
Moet een rechtshulpverzoek altijd worden ingewilligd? Op welke basis kan dit in Nederland en in de Europese Unie (EU) worden geweigerd?
Wat betekent het in beslag nemen van de servers voor andere Europese internetbedrijven, bijvoorbeeld bedrijven die diensten leveren aan het Internationaal Strafhof? Kunnen zij vrij en autonoom handelen als deze sancties boven het hoofd hangen en wetende dat deze ook nageleefd zullen worden?
Hoe vaak heeft de Amerikaanse regering de afgelopen twee jaar gevraagd om servers of gegevens van internetdienstverleners in beslag te nemen? Hoe vaak is Nederland daarop ingegaan en hoe vaak is het verzoek geweigerd?
In het geval de servers van Tweede Kamer zouden worden opgevraagd door de Amerikaanse regering, zou u het verzoek dan ook inwilligen? Om welke reden wel of niet?
Is Nederland wettelijk gehouden aan Amerikaanse rechtshulpverzoeken om servers in beslag te nemen? En welke mechanismen zijn er om de verzoeken niet in te willigen als deze ingaan tegen nationale- en Europese wetgeving?
Welke waarborgen zijn er dat Nederland niet meewerkt aan buitenlandse rechtshulpverzoeken die gericht zijn op organisaties vanwege hun politieke opvattingen?
Hoe verhoudt de inbeslagname zich tot netneutraliteit en de onafhankelijkheid van internetbedrijven?
Heeft de politie weerwoord geboden aan het Amerikaanse verzoek, uitgaande van netneutraliteit en de onafhankelijke positie van internetbedrijven? Waarom wel of niet?
Draagt Nederland, door een dergelijk verzoek uiteindelijk in te willigen, bij aan het schrikeffect van de Amerikaanse sancties die het kabinet zegt af te keuren?
Kunt u deze vragen, alsmede de eerder gestelde vragen van de leden Kathmann en El Boujdaini over Amerikaanse sancties tegen de Europese internetsector2, afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het stopzetten van de Bemiddelingsservice bij het UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een tijdlijn verstrekken van alle gebeurtenissen rond het opstarten, het draaien van pilots en stopzetten van het Bemiddelingsservice-project (BMS) bij het UWV in de afgelopen jaren? Kan daarbij ook betrokken worden op welke manier en naar wie is gerapporteerd, bijvoorbeeld over het draaien van een pilot met BMS en welke acties daarop zijn ondernomen?
Onderschrijft u het belang van een goede matching tussen vaardigheden en baanmogelijkheden, vooral in het licht van de grote personeelstekorten in cruciale sectoren en de noodzaak mensen snel van werk naar werk te begeleiden?
Waarom onderneemt het UWV niet direct aanvullende actie om het begeleiden van mensen met de juiste vaardigheden naar passend werk te verbeteren, nu deze bemiddelingsservice wordt gestopt?
Onderschrijft u de stelling van de leverancier dat de software niet goed kon werken vanwege de kwaliteit van de data?1
Welke acties heeft het UWV ondernomen om de kwaliteit van de data te verbeteren en welke mogelijkheden zijn er in de toekomst om data bruikbaar te maken voor het koppelen van mensen met de juiste vaardigheden aan passend werk?
Klopt het dat BMS moest werken op basis van Sonar-data, waarvan uit een interne audit in 2019 al bleek dat de data van onvoldoende kwaliteit en incompleet was?2
Valt de leverancier op enigerlei wijze aansprakelijk te stellen voor het aanbieden van diensten voor grote bedragen terwijl het volgens die leverancier nu zelf met de beschikbare data niet mogelijk was aan de opdracht te voldoen? Zo ja, worden daartoe stappen gezet?
Wat is er gebeurd met eerdere waarschuwingen van het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) rondom dit project?
Klopt het dat er nog een kostbaar onderzoek bij Deloitte is uitgezet rondom dit project terwijl op basis van het AcICT-rapport al duidelijk was dat dit project fundamenteel anders aangepakt of stopgezet diende te worden?
Welke risico’s zijn er dat de kosten van het project hoger uit blijken te vallen dan 55.000.000 euro? Zijn hierbij ook indirecte kosten meegenomen van het feit dat UWV-medewerkers nu nog langer met niet-toereikende software moeten werken om mensen aan passend werk te koppelen?
Hoe kan het dat pas na ruim drie jaar een eerste proef met acht adviseurs begon? Hoe zorgt het UWV ervoor dat een nieuw systeem vanaf het begin in kleine stappen met echte gebruikers wordt getest, voordat er grote bedragen in worden geïnvesteerd?
Hoe is bij de aanbesteding beoordeeld of het product al werkte bij een organisatie van de omvang van het UWV, nu het Adviescollege ICT-toetsing constateert dat het UWV de grootste klant van de leverancier was? Waarom is gekozen voor een standaardpakket dat vervolgens op verschillende punten moest worden aangepast?
Waarom is voor een vernieuwend en nog onbeproefd systeem een langjarig contract gesloten waarin betalingen niet aan behaalde resultaten waren gekoppeld? Hoe zorgt u ervoor dat uitvoeringsorganisaties bij digitale vernieuwing voortaan kleinere opdrachten met een kortere looptijd inkopen en betalen voor werkende resultaten?
Hoeveel van het werk aan BMS is gedaan door eigen medewerkers van het UWV en hoeveel door externe inhuur en de leverancier? Hoe bouwt het UWV de eigen IT-kennis op die nodig is om als opdrachtgever grip te houden op leveranciers en algoritmes, in lijn met de afspraak in het coalitieakkoord om meer IT-talent in dienst van het Rijk te nemen?
Welke knelpunten op het gebied van uitlegbaarheid vond de externe quick scan waarop het UWV het besluit om te stoppen mede baseerde3, terwijl het UWV in maart nog aangaf onderzoek te hebben gedaan naar bias en uitlegbaarheid?4 Hoe zorgt het UWV ervoor dat een volgend matchingsysteem, dat als hoog-risico-AI-systeem geldt, vanaf het begin transparant en uitlegbaar is voor werkzoekenden en adviseurs?
Wat betekent het stoppen van BMS voor de vervanging van de verouderde systemen Werk Bemiddeling Systeem (WBS) en Sonar, nu in Sonar al sinds 2020 tekortkomingen bestaan op het gebied van informatiebeveiliging en privacy?5 Hoe lang moeten deze systemen nu nog mee en welke risico’s brengt dat met zich mee?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het NOS-bericht ‘Een derde aangevraagde stroom komt van datacenters, genoeg voor 15 miljoen huishoudens’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Een derde aangevraagde stroom komt van datacenters, genoeg voor 15 miljoen huishoudens»?1
Hoeveel procent van de huidige in Nederland aanwezige datacentercapaciteit is in handen, via direct eigenaarschap of proxy-bedrijf, van Amerikaanse hyperscalers? Kunt u bij het beantwoorden een overzicht geven van type en gebruik (work load)?
Hoeveel procent van de huidige in Nederland aanwezige capaciteit is in handen, via directe eigenaarschap of proxy-bedrijf, van Amerikaanse techbedrijven in het algemeen? Kunt u bij het beantwoorden een overzicht geven van type en gebruik (work load)?
Hoeveel capaciteit is er in Nederland in aanbouw of in de planning? Kunt u bij de beantwoording een uitsplitsing maken naar type en gebruik en naar eigenaarschap zoals gevraagd in vraag 2 en 3?
Welk type datacenters vindt u dat er in Nederland toegevoegde waarden hebben en waarom? Kunt u daarbij ingaan op Europese soevereiniteit?
Deelt u de mening dat de aanwezigheid van datacenters en verdere bouw ten goede moet komen aan de digitale ambities van de Europese Unie en de lokale economie?
Hoeveel van de totale rekenkracht is beschikbaar voor het Europese bedrijfsleven en industrie? Welk percentage vindt u daarin acceptabel?
Wat vindt u een acceptabel percentage van de dataopslag dat gebruikt wordt door oude opslag (mails, reclame, dubbele foto’s), hoeveel is dat nu en zou voor data ouder dan 5 jaar niet extra betaald moeten worden?
Bent u bereid om Europese soevereiniteit leidend te laten zijn in het bepalen van landelijke specifieke maatregelen voor de datacenters?
Bent u ook voornemens klimaateisen te stellen aan de locatiebepaling en vergunningverlening van datacenters, bijvoorbeeld aansluiting op hernieuwbare energiebronnen, gebruik van restwarmte of efficiënt stroomgebruik?
Hoelang duurt het voordat het gemiddelde midden- en kleinbedrijf aangesloten is op het elektriciteitsnet na een aanvraag?
Hoelang duurt het voordat het gemiddelde datacenter aangesloten is op het elektriciteitsnet na een aanvraag?
Op welke wijze stimuleert u Europese autonome datacenters?2
Kunt u deze vragen apart van elkaar beantwoorden?
De Zelfstandigenwet |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de de mening dat u met de Zelfstandigenwet het Midellanggetermijnadvies van de Sociaal Economische Raad (SER-MLT) doorbreekt en daarmee de balans in het arbeidsmarktpakket verstoort, terwijl dit pakket nog niet helemaal geïmplementeerd is?
Is er steun van sociale partners voor de Zelfstandigenwet?
Bent u bereid aan sociale partners advies te vragen over de Zelfstandigenwet?
Klopt het dat er verschillende elementen van de Zelfstandigenwet worden geregeld via lagere regelgeving, namelijk de voorwaarden die wijzen op het werken als zelfstandigen en het minimumbedrag voor bestedelingen aan voorzieningen tegen risico’s? Wanneer is de lagere regelgeving gereed?
Bent u bereid aan sociale partners advies te vragen over het niveau van de regelgeving en de invulling van de lagere regelgeving?
Het bericht 'Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting' |
|
Bart Bikkers (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting»?1
Wat vindt u ervan dat middelen van Preventie met Gezag (PmG) terechtkomt bij een organisatie die betrokken is bij witwaspraktijken?
Hoeveel middelen vanuit PmG via de gemeente Amsterdam zijn terechtgekomen bij de alliantie ONE Jongerenwerk en de daarin deelnemende stichtingen? Zo ja, om welke bedragen gaat het?
Welke eisen stelt het Rijk aan gemeenten die PmG-middelen doorverstrekken aan stichtingen en andere uitvoeringsorganisaties, als het gaat om de integriteit van de ontvanger? Is een integriteitstoets, zoals een Bibob-toets, daarbij een voorwaarde? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat bijna alle gemeenten subsidies in hun Bibob-beleid hebben opgenomen, maar dat het instrument bij subsidies in de praktijk weinig wordt ingezet en dat vooralsnog geen enkele verleende subsidie naar aanleiding van een Bibob-onderzoek is ingetrokken?
Bent u bereid om, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), te bevorderen dat gemeenten bij meerjarige subsidies boven een bepaald drempelbedrag aan organisaties die werken met kwetsbare of risicojongeren standaard een Bibob-toets uitvoeren? Bent u bereid dit als voorwaarde te verbinden aan de besteding van PmG-middelen?
Op welk detailniveau ontvangt u verantwoordingsinformatie over PmG: alleen op programmaniveau, of ook per interventie en per uitvoerende organisatie en bent u van mening dat u voldoende zicht heeft op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de middelen die worden besteed via PmG?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk om PmG-middelen terug te vorderen of te korten wanneer blijkt dat deze onrechtmatig, in strijd met de doelstellingen zijn besteed of waarvan de doelmatigheid niet kan worden vastgesteld?
In hoeverre voldoen de interventies die de gemeente Amsterdam met PmG-middelen financiert aan het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te voorkomen dat PmG-middelen worden ingezet bij witwasconstructies?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het tweeminutendebat Jeugdcriminaliteit beantwoorden?
Racisme bij Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Discriminatie bij UWV: mensen met biculturele achternaam krijgen vaker én hogere boetes»?1
Welke signalen, meldingen, analyses, klachten of andere aanwijzingen over mogelijke discriminatie of ongelijke behandeling binnen UWV Handhaving waren vóór december 2025 bekend? Wanneer zijn deze signalen ontvangen, op welk organisatieniveau waren zij bekend en welke concrete maatregelen zijn daarop genomen?
Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over signalen van mogelijke discriminatie binnen UWV Handhaving, welke informatie is toen gedeeld en welke acties heeft het ministerie vervolgens ondernomen?
Klopt het dat naar aanleiding van de interne analyse is geadviseerd nader onderzoek te verrichten? Zo ja, wanneer is dit advies uitgebracht, wanneer is hierover besloten en welke overwegingen hebben een rol gespeeld bij de timing van het vervolgonderzoek?
Op basis van welke inhoudelijke, methodologische of statistische gronden is de interne analyse als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld? Hoe verhoudt dit oordeel zich tot het besluit om op basis van dezelfde signalen een onafhankelijk vervolgonderzoek te starten?
Zijn dossiers waarin mogelijk sprake is geweest van discriminatie of ongelijke behandeling inmiddels herbeoordeeld? Zo ja, hoeveel dossiers betreft dit en welke uitkomsten heeft dit opgeleverd? Zo nee, bent u bereid een onafhankelijke herbeoordeling te laten uitvoeren en eventuele benadeelde cliënten actief te informeren en waar nodig te compenseren?
Hoeveel meldingen van racisme, discriminatie of ongewenste omgangsvormen zijn sinds 2020 binnen UWV Handhaving geregistreerd? Welke opvolging hebben deze meldingen gekregen, welke verbetermaatregelen zijn getroffen en wie droeg en/of draagt verantwoordelijkheid voor de uitvoering en monitoring daarvan?
Is onafhankelijk onderzocht of (ex) medewerkers die melding maakten van discriminatie, racisme of ongewenst gedrag vervolgens nadeel hebben ondervonden in hun werkpositie, loopbaanontwikkeling of beoordeling?
Zo nee, bent u bereid dit alsnog onafhankelijk te laten onderzoeken?
Welke maatregelen worden getroffen indien uit onderzoek blijkt dat melders zijn benadeeld, geïntimideerd of anderszins nadelige gevolgen hebben ondervonden van het doen van een melding?
Is daarnaast onderzocht of de werkwijze van het interne bureau Integriteit bij meldingen van discriminatie, racisme en ongewenst gedrag voldoende onafhankelijk, zorgvuldig en objectief is geweest? Kan worden uitgesloten dat melders door selectieve feitenverzameling, suggestieve onderzoeksmethoden of andere vormen van vooringenomenheid (bias) zijn benadeeld of dat signalen hierdoor onvoldoende serieus zijn genomen? Zo nee, bent u bereid dit onafhankelijk te laten onderzoeken?
Is onderzocht of de gemelde discriminerende uitlatingen, signalen van ongelijke behandeling en ervaren onveiligheid wijzen op structurele patronen binnen de organisatiecultuur, werkprocessen of aansturing van UWV Handhaving? Zo ja, wat zijn de bevindingen?
Welke concrete doelstellingen, prestatie-indicatoren en tijdlijnen zijn verbonden aan het verbeterplan? Op welke momenten wordt hierover publiek gerapporteerd en welke onafhankelijke partij beoordeelt of daadwerkelijk sprake is van verbetering van de werkcultuur en gelijke behandeling van cliënten?
Op welke wijze wordt vastgesteld of burgers financieel of anderszins nadeel hebben ondervonden van mogelijk discriminerende handhaving, en welke vorm van herstel of compensatie wordt overwogen indien daarvan sprake blijkt te zijn?
Is in het onderzoek naar mogelijke discriminatie binnen UWV Handhaving onderzocht of het risicokenmerk «land van herkomst», nadat dit in 2020 volgens de geldende instructies buiten gebruik had moeten worden gesteld, daadwerkelijk geen invloed meer heeft gehad op de selectie van cliënten voor handhaving? Kunt u inzicht geven in eventuele verschillen in de samenstelling van de onderzochte populatie, opgelegde maatregelen en boetes vóór en na 2020? Zo nee, waarom is dit niet onderzocht?
Kunt u omschrijven welke onderzoeksopzet en welke kaders en scope er geldt voor het uit te voeren onderzoek van KPMG?
Bent u bereid onderzoek te laten doen waarbij ook externen / oud-UWV medewerkers worden gesproken over hun ervaringen?
Bent u bereid onderzoek te laten doen waarbij ook reeds uitgevoerde en afgeronde onderzoeken binnen UWV worden betrokken? Kunt u hier specifiek en los ingaan op de onderzoeken over gefingeerde dienstverbanden, gezondheidsfraude, Werkloosheidswet (WW) en eventuele boetebesluiten?
Bent u bereid de regeringscommissaris die voortkomt uit de motie Patijn-Ceder2 de opdracht te geven naar de cultuur waaronder het racisme bij UWV te kijken?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Werknemersverzekeringen van 4 november 2026?
Herindicaties en de continuïteit van medische kindzorg |
|
Eveline Tijmstra (CDA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Ontvangt u ook signalen dat zorgverzekeraars bij kinderen die intensieve verpleegkundige zorg ontvangen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) aandringen op een aanvraag voor de Wet langdurige zorg (Wlz), ook wanneer het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) eerder geen Wlz-indicatie heeft afgegeven?
Deelt u de mening dat ouders van ernstig zieke kinderen hun tijd en energie moeten kunnen besteden aan hun kind, in plaats van telkens te moeten bewijzen dat noodzakelijke zorg nog steeds nodig is of vast te lopen door gedoe met instanties over wie deze zorg betaalt? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen?
Deelt u de mening dat het voor ouders die laaggeletterd zijn, een licht verstandelijke beperking hebben of de Nederlandse taal minder goed beheersen, niet te doen is om alle regels en instanties te kennen? Hoe zorgt u ervoor dat de kinderen van deze ouders ook de zorg krijgen die nodig is?
Welke verantwoordelijkheid heeft een zorgverzekeraar wanneer deze van mening is dat een kind onder de Wlz zou moeten vallen, terwijl het CIZ geen Wlz-indicatie heeft afgegeven? Kan uitsluitend dit verschil van inzicht aanleiding zijn om noodzakelijke Zvw-zorg te weigeren, te verminderen of niet te verlengen? Kunt u de juridische grondslag van uw antwoord toelichten?
Onder welke omstandigheden mag een zorgverzekeraar na een eerdere afwijzing door het CIZ opnieuw aandringen op een Wlz-aanvraag? Welke nieuwe feiten of veranderingen in de zorgbehoefte moeten daarvoor aanwezig zijn en wie beoordeelt dit?
Hoe wordt bij deze beoordeling onderscheid gemaakt tussen een intensieve verpleegkundige zorgbehoefte in een geneeskundige context en een zorgbehoefte die toegang geeft tot de Wlz? Hoe worden de ouders, indicerend kinderverpleegkundige en hoofdbehandelaar hierbij betrokken?
Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheden over het toepasselijke wettelijke kader, beoordeling of geschillen over een Wlz-aanvraag, leiden tot een onderbreking van de zorg? Wie is verantwoordelijk voor het voorkomen van een onderbreking?
Hoeveel signalen over dergelijke geschillen zijn de afgelopen twee jaar ontvangen door uw ministerie, Het Juiste Loket en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)? Hoe vaak ging dit gepaard met vertraging, vermindering of onderbreking van zorg? Bent u bereid dit uit te zoeken wanneer deze gegevens ontbreken?
Hoe geeft u voor kinderen met een chronische ziekte of blijvende beperking uitvoering aan door ons eerder ingediende moties en de afspraak uit het coalitieakkoord dat zij hun aandoening niet telkens opnieuw hoeven aan te tonen? Welke maatregelen gelden daarbij voor medische kindzorg vanuit de Zvw, zowel bij zorg in natura als bij een persoonsgebonden budget (pgb)?
Deelt u de mening dat het evalueren van de ontwikkeling en actuele zorgbehoefte van een kind iets anders is dan het opnieuw moeten aantonen dat een aandoening blijvend is? Hoe wordt dit onderscheid in het herindicatieproces toegepast?
Hoe verhoudt het slechts bij uitzondering toestaan van tweejarige indicaties en toekenningen zich tot de aangenomen motie-Mohandis/Werner1 en motie-Beckerman c.s.2 die vragen om indicaties van minstens twee jaar als standaard en de aangenomen motie-Westerveld/Krul3 die vraagt om het uitgangspunt dat in alle zorgwetten langjarige indicaties worden afgegeven. Bent u bereid de uitvoering hiervan opnieuw te bezien in het licht van het coalitieakkoord? Bent u bereid een vereenvoudigde verlenging mogelijk te maken wanneer de indicerend kinderverpleegkundige en het gezin vaststellen dat de zorgbehoefte niet wezenlijk is veranderd?
Hoeveel kinderen hebben sinds de landelijke afspraak uit juli 2025 een tweejarige Zvw-pgb-toekenning gekregen, uitgesplitst naar zorgverzekeraar? Hoe wordt gecontroleerd of alle verzekeraars deze mogelijkheid daadwerkelijk toepassen en ouders hierover informeren?
Wat is de stand van zaken van de aangekondigde opname van deze afspraak in de Bestuurlijke afspraken Zvw-pgb en van de evaluatie van de Handreiking Indicatieproces Kindzorg en de Toolbox? Welke verbeteringen zijn doorgevoerd in de betrokkenheid van de hoofdbehandelaar?
Hoe wordt nagegaan of bij herindicaties bestaande informatie wordt hergebruikt en medische documentatie door de indicerend verpleegkundige wordt opgevraagd, zoals eerder afgesproken? Hoe voorkomt u dat ouders alsnog telkens dezelfde stukken moeten verzamelen en aanleveren?
Welke eisen gelden voor de zorginhoudelijke onderbouwing wanneer een zorgverzekeraar afwijkt van de verpleegkundige indicatie of een lager budget toekent? Hoe wordt gezorgd dat ouders een schriftelijke uitleg ontvangen in begrijpelijke taal? Hoe wordt gezorgd dat er overleg is met de indicerend kinderverpleegkundige voordat noodzakelijke zorg wordt verminderd?
Welke laagdrempelige, onafhankelijke ondersteuning krijgen gezinnen bij een geschil over een herindicatie of de afbakening tussen de Zvw en Wlz? Wie neemt de regie wanneer bestaande ondersteuningsroutes geen tijdige oplossing bieden en de zorgcontinuïteit in gevaar komt?
Hoe voorkomt u dat vertraging of vermindering van professionele zorg ertoe leidt dat ouders noodgedwongen extra verpleegkundige zorg overnemen, minder gaan werken of overbelast raken? Hoe wordt bij herindicaties rekening gehouden met de draagkracht van het gehele gezin, waaronder eventuele broers en zussen?
Bent u bereid de knelpunten bij herindicaties en de afbakening tussen Zvw en Wlz expliciet mee te nemen in de toekomstvisie op integrale medische kindzorg waarom de aangenomen motie-Westerveld c.s. vraagt?4 Wanneer ontvangt de Kamer deze visie en welke concrete verbeteringen kunnen gezinnen al eerder verwachten?