Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Omrop Fryslân: Honderden meldingen over gezondheidsproblemen bij Friese paarden: «Mensen beseffen niet hoe ernstig het is»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering dat een volledig beeld van de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen bij het Friese paard ontbreekt, doordat melding van sterfgevallen bij het Koninklijk Friesch Paarden-Stamboek (KFPS) niet verplicht is?
Ik vind het belangrijk dat gezonde dieren worden gefokt. Hierbij is samenwerking in de keten essentieel en dient elke partij haar verantwoordelijkheid te nemen. Waar de overheid zich inzet voor de borging van de juiste randvoorwaarden voor behoud van dierlijke genetische bronnen, ligt het behoud en beheer van rassen en fokpopulaties, door actief gebruik, bij fokkers en sectorvertegenwoordiging, zoals KFPS.
Het KFPS stelt de foktechnische richtlijnen op voor het Friese paard in een fokprogramma volgens de Fokkerijverordening.2 Hierbij merk ik op dat een meldpunt voor sterfgevallen geen verplichting is uit de Fokkerijverordening.
Het KFPS moet aan de Fokkerijverordening voldoen en geeft daaraan uitvoering in zijn reglementen. Het is aan het stamboek om een fokprogramma op te stellen dat voldoet aan eisen van de Fokkerijverordening. Dit wordt beoordeeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Het KFPS biedt momenteel de mogelijkheid aan paardenhouders om te melden als er een probleem met het veulen of paard is. Dit is echter niet verplicht waardoor niet met zekerheid vast te stellen is of het KFPS op de hoogte is van alle afwijkingen binnen de totale populatie. Een volledig beeld van de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen bij het Friese paard kan bovendien niet worden verkregen op basis van meldingen van sterfgevallen alleen, want niet alle erfelijke gezondheidsproblemen zullen leiden tot sterfte.
Het KFPS is in samenwerking met Wageningen University en Research (WUR) bezig met het uitbreiden van een database met DNA-informatie en status van erfelijke gebreken voor het maken van een genetisch management plan. Dit plan heeft als doel selectie van fokdieren ter voorkoming van erfelijke gebreken, nieuwe gebreken voorkomen en tegelijkertijd de genetische diversiteit behouden. Ten slotte constateer ik dat er ook private initiatieven op dit vlak zijn ingericht. Een voorbeeld hiervan is het Meldpunt Gebreken Friese paard.3
Is er op dit moment enige wettelijke verplichting voor stamboekorganisaties zoals het KFPS om sterfgevallen, doodsoorzaken en erfelijke aandoeningen bij fokdieren te registreren en te melden bij een toezichthoudende instantie? Zo nee, ziet u aanleiding om een dergelijke meldplicht in te voeren, gelet op het belang van diergezondheid en dierenwelzijn?
Er geldt op dit moment geen wettelijke verplichting voor stamboekorganisaties zoals het KFPS om sterfgevallen, doodsoorzaken en erfelijke aandoeningen bij fokprogramma’s te registreren of te melden bij de toezichthouders. De Europese regelgeving schrijft dit ook niet voor. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een dergelijke meldplicht in te voeren. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, ligt de verantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van rassen en fokpopulaties, door actief gebruik, bij fokkers en sectorvertegenwoordiging zoals KFPS en zie ik verscheidene private initiatieven om de situatie te verbeteren.
In hoeverre vindt er op dit moment toezicht plaats op stamboekorganisaties als het KFPS als het gaat om de gevolgen van fokkerijbeleid voor de gezondheid van het ras? Welke instantie is hiervoor verantwoordelijk?
Het toezicht op stamboekorganisaties is belegd bij RVO. RVO beoordeelt of stamboeken voldoen aan de regels voor de erkenning van stamboekverenigingen, zoals beschreven in artikel 4 van de Fokkerijverordening. Daarnaast beoordeelt RVO een of meer fokprogramma's die door het stamboek zijn ingediend, zoals beschreven in artikel 8 van de Fokkerijverordening. RVO voert de administratieve controles op deze voorschriften uit, RVO kan hiertoe aanvullend een controle ter plaatse uitzetten door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
In de Fokkerijverordening zijn geen concrete normen vastgesteld welke fokkerij wel en niet is toegestaan. Er staat geen verbod op fokken met dieren met een genetisch defect. De verordening geeft juist aan dat genetische defecten in het fokprogramma worden vermeld in relatie tot het ras en de raszuivere fokdieren en het fokbeleid. Dit met het oog op fok- en selectiedoelen en voorkómen van verlies aan genetische diversiteit. Uitsluiten van fokdieren met een genetisch defect kan ook zorgen voor ongewenst verlies aan genetische diversiteit in de populatie. Met fok- en selectiedoelen moet worden voorkomen dat de populatie genetische diversiteit verliest.
Erkent u het risico dat een gesloten stamboek, waarbij uitsluitend gefokt mag worden met dieren van hetzelfde ras, op termijn kan leiden tot een te smalle genetische basis en een verhoogde kans op erfelijke aandoeningen? Welke rol ziet u hierbij voor uzelf of voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en/of de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)?
Hier is geen eenduidig antwoord op te geven omdat dit afhankelijk is van de grootte van de populatie, met hoeveel dieren hiervan actief wordt gefokt, en het fokbeleid dat wordt toegepast. Denk hierbij aan DNA testen, genomische selectie, dekbeperkingen etc. Veel stamboeken fokken uitsluitend met dieren van hetzelfde ras. Dit hoeft geen problemen met zich mee te brengen, maar dit is uiteraard afhankelijk van het gevoerde fokbeleid, de aandacht daarin voor inteeltbeperking en het voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke raskenmerken.
In het algemeen onderstreep ik dat genetische diversiteit essentieel is voor een veerkrachtige en duurzame dierhouderij en voor duurzaam beheer en behoud van dierpopulaties. Nederland is immers gecommitteerd aan mondiale en EU-verplichtingen met betrekking tot behoud en duurzaam gebruik van dierlijke genetische bronnen, in het bijzonder de Convention on Biological Diversity, het FAO-actieplan voor dierlijke genetische bronnen, de Fokkerijverordening en de Diergezondheidswetgeving.4
Daarom is er een complementair systeem voor het behoud van dierlijke genetische bronnen, dat bestaat uit «in situ» en «ex situ» behoud. In situ behoud betreft de instandhouding en het beheer van fokpopulaties, rassen of selectielijnen van landbouwhuisdieren. Nederlandse fokkerijbedrijven en stamboeken zijn wereldwijd leidend en exporteren hoogwaardige genetica. Hier is de verantwoordelijkheid van partijen zoals KFPS leidend. Het ex situ behoud is voor een belangrijk deel belegd bij de nationale genenbankcollectie van het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN). Het CGN beheert de nationale ex situ genenbankcollectie voor landbouwhuisdieren.
Voor de rol van RVO en NVWA in het toezicht verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de zorg van de geïnterviewde dierenarts dat het ontbreken van goede, centrale data onderzoekers en fokkers belemmert om patronen in erfelijke aandoeningen te herkennen en daarmee gerichte fokmaatregelen te nemen? Welke mogelijkheden ziet u om deze dataverzameling te verbeteren of te verplichten?
Ik deel de zorg niet aangezien er verscheidene private initiatieven door KFPS zijn en worden ontplooid om de nodige data te verzamelen en gezonde fok te bevorderen. Hieronder licht ik de voornaamste initiatieven op dit vlak toe.
Ik zie dat het KFPS diverse initiatieven heeft ontplooid om beter zicht te krijgen op het voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke raskenmerken binnen het ras en fokkers te ondersteunen bij de keuze van een hengst en een merrie om inteelttoename te voorkomen en de kans op erfelijke aandoeningen terug te brengen.
Het KFPS biedt bij haar aangesloten fokkers de mogelijkheid om inteeltberekeningen/proefparingen te doen voordat tot dekking wordt overgegaan.
Daarnaast loopt bij het KFPS het project Behoud van Friese Paard 2023–2027, waarbij ook een enquête is gehouden. Onderdelen van het project zijn een Genetisch Management Plan Selectie tegen erfelijke gebreken, het voorkomen van het ontstaan van nieuwe gebreken en het behoud van genetische diversiteit.
Binnen dit project wordt onderzocht hoe de genetische diversiteit binnen het Friese ras is verdeeld. Onderdeel hiervan is dat sinds 2023 bij alle veulens haarmonsters worden afgenomen en het DNA in kaart wordt gebracht met als doel een rasspecifiek referentiegenoom te ontwikkelen en verborgen letale mutaties te detecteren.
Bovenstaande zal leiden tot een genetisch management plan waarvan selectie tegen erfelijke gebreken en het voorkomen van het ontstaan van nieuwe gebreken het doel is met behoud van genetische diversiteit.
Verder loopt er op dit moment een publiek-private samenwerking waarbij WUR, Koepel Fokkerij, KFPS en het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN) betrokken zijn getiteld «Behouden paard». De focus hiervan ligt op het verbreden van toepassing van sleuteltechnologie genomics in het fokprogramma van grote en kleine paarden- en ponystamboeken waaronder het KFPS, ter bevordering van welzijn en gezondheid (onder andere door het voorkomen van inteelt en erfelijke gebreken) bij paardachtigen.
Daarnaast is het relevant om te vermelden dat het KFPS in 2003 is overgegaan tot het instellen van dekbeperkingen en de publicatie van verwantschapspercentages.
Verder heeft het KFPS in 2021 het fokdoel aangepast en expliciet verwoord dat de gezondheid van het Friese Paard voorop staat. Onderdeel hiervan is de ambitie het verder laten dalen van de inteelt coëfficiënt naar maximaal 0,5%, waar de FAO een maximum van 1% adviseert.
Bestaan er voor het Friese paard, net als voor sommige andere paardenrassen of gezelschapsdieren, al verplichte genetische tests voorafgaand aan de goedkeuring van fokhengsten? Zo ja, welke aandoeningen worden hierbij getest en acht u dit pakket toereikend in het licht van de signalen uit dit onderzoek?
Onderdeel van het goedkeuringsproces van dekhengsten bij KFPS is onder meer het verrichten van genetische tests op verscheidene aandoeningen, te weten: dwerggroei, waterhoofd en cornage. Daarnaast is een uitgebreid medisch en verrichtingsonderzoek onderdeel van het keuringsproces van een potentiële dekhengst.5
Ik verwacht dan ook van KFPS dat het op basis van deze processen dekhengsten indien nodig uitsluit voor de fokkerij.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het KFPS over het instellen van een verplicht, centraal en openbaar meldpunt voor sterfgevallen en erfelijke aandoeningen bij Friese paarden, zoals door zowel de oud-fokker als de dierenarts wordt bepleit?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 2, een meldpunt voor sterfgevallen en erfelijke aandoeningen is op grond van de Fokkerijverordening niet verplicht. In dit kader ben ik ook niet bereid verder te gaan dan wat de Europese regelgeving vereist. Ik ben van mening dat elke partij in de keten haar verantwoordelijkheid dient te nemen om de gezondheid van Friese paarden te waarborgen.
Bent u bereid om, eventueel in samenwerking met de Faculteit Diergeneeskunde of andere onafhankelijke experts, onderzoek te laten doen naar de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen binnen het Friese paardenras en de rol die de fokkerijstructuur daarbij speelt?
Aangezien de verantwoordelijkheid van het fokken van gezonde paarden primair bij de fokker belegd is, wil ik u verwijzen naar de initiatieven die het KFPS heeft opgestart (zie mijn antwoord op vraag 6).
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van bovenstaande vragen en eventuele vervolgstappen?
Ik verwijs u naar de beantwoording op deze vragen.
De vermissing van de Nederlandse staatsburger Rodney Leysner in Suriname |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vermissing van de Nederlandse staatsburger Rodney Leysner, die sinds 15 augustus 2026 wordt vermist in Suriname? Welke informatie heeft u over de huidige stand van zaken in deze zaak?1
Vanaf welk moment heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken contact onderhouden met de Surinaamse regering, de familie en andere direct betrokkenen?
Welke concrete consulaire en diplomatieke inspanningen heeft de Nederlandse regering sinds de melding van de vermissing geleverd om de mogelijke verblijfplaats van Rodney Leysner te achterhalen en zijn familie te ondersteunen?
Welke contacten heeft de Nederlandse regering over deze zaak onderhouden met de Surinaamse regering, de Surinaamse politie en het Openbaar Ministerie? Heeft u op politiek of diplomatiek niveau aangedrongen op maximale inzet om Rodney Leysner te vinden en de toedracht van zijn verdwijning op te helderen?
Is door Nederland aan Suriname concrete ondersteuning aangeboden bij de zoektocht en het onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van specialistische zoekteams, forensische expertise, informatie-uitwisseling of andere operationele bijstand? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Surinaamse autoriteiten en waar nodig en op verzoek van de bevoegde autoriteiten aanvullende ondersteuning aan te bieden?
Kunt u toelichten welke rol de Nederlandse ambassade in Paramaribo speelt bij de coördinatie van de Nederlandse inzet?
Bent u bekend met de berichtgeving dat een verdachte wordt gezocht in verband met de vermissing van Rodney Leysner? Hoe wordt hier, bijvoorbeeld in samenwerking met Interpol, invulling aan gegeven?
Welke mogelijkheden bestaan er om, in overleg met de Surinaamse regering, aanvullende internationale samenwerking te bevorderen, bijvoorbeeld via rechtshulpverzoeken, internationale opsporingskanalen of samenwerking met andere landen indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft?
Welke ondersteuning kan de Nederlandse overheid de familie van Rodney Leysner bieden, naast de reguliere consulaire bijstand, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van informatie over het onderzoek, of het leggen van contacten met lokale autoriteiten? Bent u bereid de familie actief te informeren over de beschikbare mogelijkheden en te bezien waar aanvullende ondersteuning nodig is?
Bufferzones van 250 meter langs beken en beekdalzones |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Na presentatie stikstofplannen al twee maanden radiostilte: Het frustreert dat wij geen duidelijkheid krijgen vanuit Den Haag»?1
Klopt het dat u voornemens bent langs een groot deel van de beken bufferzones van 250 meter in te stellen? Waarom is gekozen voor een breedte van 250 meter?
Wat is de reden dat er waterlopen als beekdal zijn aangewezen die geen beekdal zijn en waar geen agrarische opgave is, zoals de Peelkanalen?
Hoe reflecteert u op de noodzaak tot het op kaart zetten van beekdalzones en nieuwe grondwaterbeschermingsgebieden in gebieden waar provincies reeds met een bestaande aanpak op gebiedsniveau de nitraatnorm van 50 milligram per liter halen?
Wat heeft de bemestingsvrije zone van vijf meter opgeleverd aan Kaderrichtlijn Water (KRW)-norm doelbereik, gezien het feit dat in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) voor beekdalen reeds een bufferstrook van 5 meter is opgenomen?
Wat is de effectiviteit, met onderbouwing, van een bufferzone van 250 meter op zowel zandgronden als kleigronden?
Klopt het dat deze maatregel is gericht op het verminderen van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de beken en dat bij deze maatregel ervan wordt uitgegaan dat de omliggende landbouw de voornaamste bron van deze nutriënten is?
Kunt u voor iedere beek op de voorgestelde lijst aangeven welk procentueel aandeel van de belasting met stikstof en fosfaat respectievelijk afkomstig is van landbouw, riooloverstorten, effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) en aanvoerwater uit grensoverschrijdende wateren? Hoe liggen deze cijfers in de zomer en in de winter?
Hoe wordt omgegaan met de afwenteling van waterkwaliteitsproblemen via grensoverschrijdende waterlopen, zoals de Dommel vanuit België? Klopt het dat deze waterlopen in België aan de KRW-normen voldoen, maar bij binnenkomst in Nederland niet? Zo ja, hoe is dit verschil te verklaren?
Zijn er afspraken met het verlagen van overschrijding van KRW-normen met Duitsland en België zodat inkomend water van een betere kwaliteit wordt? Zo ja, wat is het effect van deze afspraken?
Klopt het dat rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) moeten voldoen aan de stedelijk afvalwaterzuivering normen en dat de normen voor water afkomstig uit rwzi’s hoger liggen dan de normen voor de KRW? Zo ja, hoe verhouden die normen zich tot elkaar?
Deelt u de opvatting dat, net als bij het stikstof- en emissiebeleid, bij het verbeteren van de waterkwaliteit de eigen bijdrage aan de vervuiling centraal moet staan? Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse boeren maatregelen moeten nemen om vervuiling terug te dringen die afkomstig is uit het buitenland of van andere bronnen en hoe wordt geborgd dat de opgave per sector in verhouding staat tot de eigen bijdrage aan de waterverontreiniging?
Klopt het dat Nederland bij de beoordeling van de KRW het beginsel «one out, all out» hanteert en dat daarbij aan 142 verschillende parameters moet worden voldaan? Hoe verhouden zich de parameters voor Nederland zich voor de KRW in relatie tot andere Europese landen?
Kunt u onderbouwen in hoeverre de voorgestelde bufferzones, gelet op de verwachte kosten en de toestand van de overige parameters, daadwerkelijk bijdragen aan het voldoen aan de KRW?
Hoe verhoudt het terugdringen van nutriënten in beken zich tot het verminderen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden?
Deelt u de verwachting dat de invoering van bufferzones van 250 meter rond beken tot planschade kan leiden? Kunt u reageren op de schatting dat een dergelijke bufferzone, uitgaande van 50 hectare per strekkende kilometer beek, tot circa 6 miljoen euro aan planschade per strekkende kilometer kan leiden? Kunt u reageren op de schatting dat bij circa 160 kilometer aan Brabantse beken de planschade ongeveer 900 miljoen euro kan bedragen?
Kunt u aangeven hoe hoog de totale planschade voor Nederland naar verwachting is wanneer alle voorgestelde bufferzones langs alle genoemde beken worden gerealiseerd?
Is er nagedacht over een compensatieregeling die beschikbaar is voor gemeenten en provincies die deze planschade moeten vergoeden?
Bent u bereid met provincies en waterschappen in gesprek te gaan en samen met hen per gebied/waterloop in beeld te brengen of en in hoeverre een zonering nodig en doelmatig is alvorens over te gaan tot het aanwijzen van zones met rijksinstructieregels?
Het FT-artikel US threatens European companies over Starlink restrictions |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het FT-artikel «US threatens European companies over Starlink restrictions»?1
Kunt u reflecteren op de uitspraak van Andrew Puzder waarin hij stelt dat de Europese Unie (EU) «voorzichtig moeten zijn en dat het vernietigend uit gaat pakken voor Europese bedrijven» als de Europese Commissie hun plan doorzet om meer ruimte te reserveren voor Europese bedrijven waardoor Chinese en Amerikaanse bedrijven beperktere toegang krijgen?
Erkent u dat de uitspraak van de Amerikaanse ambassadeur bij de EU juist een reden is om technologische soevereiniteit na te streven? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de Verenigde Staten (VS) zich op deze manier gedragen als een onbetrouwbare partner en dat we nu alle zeilen bij moeten zetten om onafhankelijk te worden van hen? Zo niet, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen zouden dan genomen moeten worden om dit zo snel mogelijk te bereiken?
Erkent u dat de afhankelijkheid van Starlink problematisch is voor Oekraïne en daarmee ook voor de rest van Europa? Zijn er signalen dat de VS deze afhankelijkheid inzet om andere zaken – zoals minder strenge wet- en regelgeving in de DSA of DMA – af te dwingen?
Bent u bereid om de Amerikaanse ambassadeur te ontbieden en hem duidelijk te maken dat deze uitspraken niet geaccepteerd worden?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Herinnert u zich de Kamerbrief inzake de vervanging van het Regeringsvliegtuig van 4 april 20171, waaruit blijkt dat de operatie en het onderhoud van het vorige regeringsvliegtuig wel zijn aanbesteed? Deelt u deze lezing en welke verschillen zijn er in de gevolgde procedure en de toepasselijke wet- en regelgeving tussen de situatie van toen en die van nu?
Welke verschillen zijn er tussen de toenmalige en huidige eisen rond geheimverklaring, waardoor een aanbesteding volgens u nu niet mogelijk zou zijn?
Bent u van mening dat de veiligheidssituatie tussen 2019 en nu dermate verergerd is dat zelfs een verkenning van aanbestedingsmogelijkheden niet meer te verantwoorden was? Kunt u uw antwoord toelichten?
Herinnert u zich het antwoord op vraag vier2, waarin werd gesteld dat ondanks de geopolitieke situatie meerdere partijen in aanmerking kwamen voor de operatie? Kunt u alsnog de «moverende redenen» toelichten waarom er wederom gekozen is voor KLM?
Herinnert u zich de Kamerbrief van 13 februari 2018 inzake het leasen van een interim regeringsvliegtuig3, waaruit blijkt dat KLM tijdelijk de operatie van het regeringsvliegtuig had uitbesteed aan een derde partij? Is het mogelijk om de operatie van PH-GOV uit te besteden tot het punt dat het huidige regeringstoestel haar natuurlijke levenseinde bereikt en het bestaande contract afloopt? Zo nee, waarom was het in 2018 wel mogelijk en nu niet meer?
Wat betekent de aanschaf van het nieuwe Airbustoestel voor de resterende duur van het bestaande contract met KLM, dat loopt tot 2029?
Doelt u op de nog resterende jaren van het lopende contract wanneer u verwijst naar de aanwijzing van KLM bij het besluit van 8 juli met betrekking tot het nieuwe toestel?
Is bij de overstap naar een ander type vliegtuig sprake van een wezenlijke wijziging van de opdracht zoals bedoeld in de Aanbestedingswet? Zo ja, welke consequenties heeft dit? Zo nee, waarom niet?
Het nieuws dat 500.000 Palestijnen in Gaza voedselhulp verliezen wegens geldproblemen bij het Wereldvoedselprogramma |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de nieuwsberichten «Wereldvoedselprogramma schroeft noodhulp in Gaza terug: half miljoen mensen verliezen voedselhulp» en «500.000 Palestijnen in Gaza voortaan zonder noodhulp van Wereldvoedselprogramma»?1, 2
Wat is uw reactie op deze berichten? Wat vindt u ervan dat hierdoor 500.000 Palestijnen zonder voedselhulp komen te zitten?
Kunt u bevestigen dat een groot deel van de Palestijnen lijdt onder acute voedselonzekerheid of erger, en dat de komende winter ook nog eens extra risico’s met zich meebrengt voor de mensen aldaar?
Bent u bereid om, eventueel samen met andere bereidwillige landen, incidenteel dit financieringstekort van het Wereldvoedselprogramma op te lossen, zodat 500.000 Palestijnen niet zonder voedselhulp zitten de komende winter? Zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat ook de financiering voor voedselhulp aan de Westelijke Jordaanoever drastisch is geslonken?
Bent u ook bereid om te kijken wat Nederland hierin, samen met bereidwillige partners, kan betekenen? Zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in VN-verband te onderzoeken hoe er voorzien kan worden in extra structurele financiering voor het Wereldvoedselprogramma, in het bijzonder voor de hulp aan Palestijnen? Zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel heeft Nederland in 2024, 2025 en 2026 bijgedragen aan het Wereldvoedselprogramma, zowel vrij besteedbaar als specifiek voor de Palestijnse Gebieden? En hoeveel is Nederland van plan bij te dragen in 2027 en 2028? Kunt u hier een overzicht van geven?
Welke landen hebben hun bijdrage aan het Wereldvoedselprogramma voor Palestina in 2026 verlaagd? En welke landen hebben hun bijdrage verhoogd?
Hoeveel geld voor extra noodhulp in 2026 is op dit moment nog niet uitgegeven?
Kunt u bevestigen dat veel noodhulp Palestijnen niet bereikt omdat veel hulpgoederen bij de grens worden tegengehouden, waardoor talloze vrachtwagens met hulpgoederen voor de grens staan te wachten? Hoe spant u zich in, zowel nationaal als binnen EU- en VN-verband, om hier verandering in te brengen?
Kunt u bevestigen dat door de Israëlische blokkades de kosten voor de VN oplopen? Zo nee, waarom niet?
Is de herstelde bijdrage van Nederland aan UNRWA naar 19 miljoen euro per jaar inmiddels volledig overgemaakt? Zo nee, waarom niet, en wanneer gebeurt dit?
Bent u van mening dat Israël schuldig is aan de honger van Palestijnen? Zo ja, vertelt u dit de Israëlische regering, en welke sancties past u op hen toe? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom u dit niet vindt?
Hoeveel controles zijn er sinds het ingaan van het nationale verbod op de invoer, aankoop en verkoop van goederen uit onrechtmatige Israëlische nederzettingen uitgevoerd? Hoeveel overtredingen zijn vastgesteld? Hoeveel capaciteit hebben de douane en de NVWA hiervoor?
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Gewonden bij aanval kolonisten op olijfboomgaard Westelijke Jordaanoever»?3
Bent u van mening dat de continue bedreigingen en geweldplegingen van Israëlische kolonisten aan de Palestijnen daar onacceptabel zijn en zo snel mogelijk moeten stoppen? Zo nee, waarom niet?
Ziet u ook dat Israël systematisch het leven van Palestijnen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever onmogelijk maakt, zo bezig is om de gebieden etnisch te zuiveren, en dat er dus sprake is van genocide? Zo nee, waarom niet?
Wat kan Nederland volgens u nog meer doen om het geweld op de Westelijke Jordaanoever door Israëlische kolonisten te voorkomen? Bent u bereid deze maatregelen te nemen?
Hoeveel landbouwgrond is er in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever vernietigd in de afgelopen jaren? Bent u bereid hierover cijfers op te vragen bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het debat over de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Meetbare doelstellingen voor de democratische rechtsstaat |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de tool «Blik op Nederland: Dashboard Doelen en Resultaten» van de Algemene Rekenkamer, waarin op basis van de Rule of Law Index kwantitatief inzicht wordt verschaft in de staat van de Nederlandse rechtsstaat?1
Bent u bekend met het rapport «Democratie-APK raakt verder uit zicht – Democratie Monitor 2026», waarin op basis van 41 indicatoren kwantitatief inzicht wordt verschaft in de staat van de Nederlandse democratie?2
Bent u bekend met de Global Right to Information Rating (RTI), waarin op basis van 61 indicatoren kwantitatief inzicht wordt verschaft in de mate waarin nationale overheden openbaarheid van overheidsinformatie wettelijk hebben gewaarborgd?3
Bent u bekend met het gezegde «meten is weten»?
Op welke wijze meet u momenteel de concrete voortgang van uw beleidsdoel «het versterken van de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat»?4
Op welke wijze meet u momenteel de concrete voortgang van uw beleidsdoel «sterke rechtsstaat»?5
Op welke wijze meet u beiden momenteel de effecten van uw beider beleidsprioriteiten op de staat van de democratische rechtsstaat?
Kunt u aangeven waarom u in uw reactie op het verzoek van de Kamer inzake concrete en meetbare hoofddoelen van kabinetsbeleid enkel de beleidsvoorstellen voor een gemeenschapsfonds en maatschappelijke weerbaarheid betrekt, en niet uw algehele beleidsdoel met betrekking tot het versterken van de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat voorziet van meetbare formuleringen?6
Hoe reageert u op de stelling van de Algemene Rekenkamer dat er bij dit beleidsdoel geen reden is om in het geheel geen of beperkt concrete doelen op te nemen?7
Hoe reageert u op de stelling van de Algemene Rekenkamer dat voor uw beleidsprioriteiten, waaronder «sterke rechtsstaat», geen concrete doelen met indicatoren zijn geformuleerd?8
Bent u beiden bereid om, mede gelet op aangenomen moties en aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, bij uw beide beleidsdoelen voor de democratische rechtsstaat ten minste één doelstelling meetbaar te formuleren aan de hand van concrete indicatoren en deze in het vervolg op te nemen in uw begroting en jaarverslag? Zo nee, waarom niet?
Bent u beiden bereid om, los van specifieke beleidsdoelstellingen, aan de hand van concrete indicatoren periodiek de staat van de democratische rechtsstaat te meten, zodat u uw beleid hierop kunt afstemmen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken?
De prijsvorming en toegankelijkheid van biologisch eten |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van de Keuringsdienst van Waarde over de prijzen van biologische producten, waaruit blijkt dat er in supermarkten enorme en onverklaarbare prijsverschillen bestaan tussen niet-biologische en biologische producten (tot wel 350% duurder), en tussen biologische producten onderling, waaronder biologische bonen met vergelijkbare productiekosten maar sterk uiteenlopende verkoopprijzen?
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat meer mensen biologisch eten, omdat het beter is voor de bodemkwaliteit, biodiversiteit, waterkwaliteit en gezondheid van mens en dier?
Bent u het ermee eens dat biologische voeding niet alleen beschikbaar moet zijn voor mensen met een hoger besteedbaar inkomen, maar ook toegankelijk moet zijn voor huishoudens die minder te besteden hebben?
Deelt u de zorg dat hoge prijsverschillen tussen biologische en niet-biologische producten in de supermarkt de consumptie van biologische producten remt en dat daarmee ook de realisatie van de doelstelling van 15% biologisch landbouwareaal in 2030 wordt afgeremd?
Hoe verklaart u dat biologische boeren lagere contractprijzen ontvangen dan drie jaar geleden, terwijl de consumentenprijzen van voedsel in de supermarkt zijn gestegen? Kunt u aangeven welke onderdelen van de prijsvorming van biologische producten in de supermarkt verantwoordelijk zijn voor de beschreven prijsverschillen?
Bent u al met supermarkten in gesprek gegaan over het onderzoek van de Consumentenbond over prijsverschillen tussen biologische en niet-biologische producten (zoals aangekondigd in de brief aan de Kamer van 6 juli 2026?1 Hebben deze gesprekken al plaatsgevonden, of moeten ze nog plaatsvinden? Met welke supermarkten bent u in gesprek, wat is er besproken of wat gaat er besproken worden en wat zijn de (beoogde) uitkomsten? Hebben supermarkten uitgelegd hoe de prijsverschillen ontstaan?
Welke concrete maatregelen overweegt u om onevenredige marges en ondoorzichtige prijsvorming tegen te gaan?
Wat verstaat u onder «margemixen» in de voedselketen, en in hoeverre wordt dit gebruikt bij de prijsbepaling van biologische en niet-biologische producten? Bent u bereid om beleid te ontwikkelen om margemixen ten nadele van biologische producten tegen te gaan?
Welke maatregelen gaat u nemen om producenten te beschermen tegen onevenredige machtsposities?
Bent u bereid om met supermarkten afspraken te maken over bindende prijsdoelen voor biologische producten, zowel voor boeren als voor consumenten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Autoriteit Consument & Markt (ACM) of een andere instantie onderzoek te laten doen naar de prijsvorming en marges van supermarkten voor biologische producten, met bijzondere aandacht voor machtsposities in de voedselketen?
Bent u bereid maatregelen te treffen of onderzoek te doen naar manieren om de werkelijke milieuschade van producten – zoals uitstoot, bodemdegradatie, watervervuiling en verlies van biodiversiteit – beter door te berekenen in de prijs van (voedsel)producten, bijvoorbeeld door differentiatie van btw-tarieven, heffingen op milieubelasting, of een herziening van subsidies en fiscale stimulansen? Zo nee, waarom niet, en welke alternatieve instrumenten overweegt u om ervoor te zorgen dat vervuilers opdraaien voor de milieuschade die wordt aangericht?
Aangezien u zelf heeft aangegeven dat het doel van 15% biologisch in 2030 met het huidige beleid «nog buiten bereik» is, wat is het verwachte aandeel biologische landbouw in 2030 met het huidige beleid zoals beschreven in de brief van 6 juli 2026?2
Hoe gaat u de 15%-doelstelling voor 2030 een concrete impuls geven, aangezien het aandeel biologisch nu schommelt tussen de 5 en 6%?
Wat zijn de uitkomsten van het gesprek dat u heeft gehad met stakeholders op 23 september 2026 over aanvullende maatregelen?
Wanneer kan de Kamer de tussentijdse beleidsevaluatie verwachten van het actieplan «Groei van biologische productie en consumptie»?
Welke mogelijkheden ziet u om biologisch eten betaalbaarder en toegankelijker te maken?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Kostić over het verkennen van de vraag hoe het aandeel biologische producten bij de inkoop verhoogd kan worden en dat zo veel mogelijk wordt afgenomen van Nederlandse boeren?3
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om zowel het aanbod van biologische producten als de vraag ernaar te versterken, bijvoorbeeld via publieke inkoop, steun voor omschakeling voor boeren, prijsbeleid en afspraken met de sector?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het overlijden van een 15-jarig meisje dat onder toezicht stond van Jeugdbescherming Noord |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wanhopige moeder overleden 15-jarig meisje sloeg weken geleden al alarm: «Ik wil voorkomen dat er iets ernstigs gebeurt»»?1
Wat is uw reactie op het overlijden van een 15-jarig meisje dat onder toezicht stond van Jeugdbescherming Noord en verbleef bij jeugdhulpverlener La Hacienda in Groningen?
Klopt het dat de moeder op 13 september 2026 haar ernstige zorgen over de veiligheid van haar dochter schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan onder meer betrokken hulpverleners, instanties en toezichthouders en daarbij expliciet waarschuwde dat zij wilde voorkomen dat er eerst iets ernstigs moest gebeuren voordat daadwerkelijk werd ingegrepen?
Welke bij de jeugdbescherming en jeugdhulp betrokken organisaties hebben deze waarschuwing ontvangen en hoe is deze beoordeeld? Welke concrete acties zijn er vervolgens ondernomen?
Is naar aanleiding van de waarschuwingen van de moeder een nieuwe of aanvullende veiligheids- en risico-inschatting gemaakt? Zo ja, wanneer, door wie, met welke uitkomst en welke maatregelen zijn daarop genomen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de moeder stelt dat de situatie van haar dochter al ongeveer een half jaar verslechterde, waarbij onder meer sprake was van weglopen, nachten wegblijven, alcohol- en drugsgebruik en schoolverzuim, en dat Jeugdbescherming Noord hiervan al langere tijd op de hoogte was? Hoe is op deze signalen gereageerd?
Wie had binnen de jeugdbeschermings- en jeugdhulpketen de regie over de hulp en de veiligheid van dit meisje? Op welke momenten is overwogen de hulp of bescherming op te schalen?
Klopt het dat het meisje op de avond voorafgaand aan haar overlijden betrokken was bij een ernstig en gewelddadig incident en vervolgens door medewerkers van La Hacienda is opgehaald?
Welke professionele richtlijnen en protocollen gelden voor een jeugdhulpaanbieder wanneer een minderjarige na een ernstig geweldsincident terugkeert naar een jeugdhulplocatie? En is in deze casus overeenkomstig deze richtlijnen en protocollen gehandeld?
Is na terugkomst bij La Hacienda beoordeeld of het meisje medische zorg, aanvullende begeleiding of extra toezicht nodig had? Zo ja, welke beoordeling is gemaakt en welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
Klopt het dat Jeugdbescherming Noord sinds juli 2025 onder verscherpt toezicht stond vanwege grote tekortkomingen in onder meer de continuïteit, kwaliteit en veiligheid van de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en dat dit verscherpte toezicht op 21 mei 2026 is beëindigd? Op basis van welke concrete verbeteringen is tot beëindiging besloten?
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze casus, het feit dat bij beëindiging van het verscherpte toezicht nog niet alle kinderen, jongeren en ouders tijdig de bescherming, begeleiding en hulp kregen die zij nodig hadden, de kwaliteit van de uitvoering deels onvoldoende was en het vertrouwen van de inspecties in de verbeterkracht van Jeugdbescherming Noord kwetsbaar bleef?
Geeft deze casus u aanleiding om met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek te gaan over de vraag of intensivering van het toezicht op Jeugdbescherming Noord noodzakelijk is?
Is het overlijden bij de IGJ gemeld? Zo ja, wanneer en door welke betrokken organisatie(s)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar het handelen van de betrokken jeugdbeschermings- en jeugdhulporganisaties voorafgaand aan het overlijden, waarbij in ieder geval wordt onderzocht wat met de waarschuwingen van de moeder is gedaan, of tijdig is opgeschaald en of capaciteit, caseload of de beschikbaarheid van passende jeugdhulp daarbij een rol hebben gespeeld?
Deelt u de mening dat wanneer een ouder expliciet en herhaaldelijk waarschuwt voor de veiligheid van een kind dat onder toezicht staat, aantoonbaar moet worden beoordeeld of onmiddellijk ingrijpen of opschaling noodzakelijk is? Hoe wordt gewaarborgd dat dergelijke ernstige signalen niet tussen verschillende organisaties blijven liggen?
Kunt u deze vragen, gezien de ernst van de zaak en het feit dat het een overleden minderjarige betreft, met spoed beantwoorden?
Het bericht ‘Zorgondernemer met strafblad gaat 'gewoon' door met opvang kwetsbare cliënten’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Zorgondernemer met strafblad gaat gewoon door met opvang kwetsbare cliënten»? Deelt u de woede dat kwetsbare mensen kennelijk opnieuw worden toevertrouwd aan een zorgondernemer over wie zulke ernstige signalen bestaan?1
Hoe is het mogelijk dat Zorg en Research na beëindiging van de contracten door Menzis wegens fraudesignalen alsnog via een andere aanbieder doorgaat? Welke instanties wisten hiervan, wanneer wisten zij dit en wie heeft daadwerkelijk ingegrepen?
Hoeveel zorggeld moet er nog in de zakken van fraudeurs verdwijnen voordat u daadwerkelijk ingrijpt? Waarom krijgen zorgcriminelen alle ruimte en blijven uw beloften over een harde aanpak zonder resultaat?
Erkent u dat ieder onnodig verloren zorgmiljoen ook het gevolg is van falend overheidsoptreden? Hoe verantwoordt u dat patiënten moeten wachten op zorg, terwijl u de fraude niet weet te stoppen?
Vindt u het zelf nog geloofwaardig om daadkracht te beloven terwijl zorgondernemers na ernstige fraudesignalen kennelijk gewoon via een andere aanbieder verder kunnen?
Wanneer stopt u met praten en gaat u zorgfraudeurs daadwerkelijk aanpakken, gestolen zorggeld terughalen en malafide bestuurders uit de zorg weren? Welke concrete resultaten levert u dit jaar?
Het kinderopvangdebat |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, zodra het kabinet communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie als «informeel» bestempelt, weigeren, op verzoek van de Tweede Kamer, deze communicatie aan de Kamer te verstrekken?
Wanneer is communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie eigenlijk «informeel»? En wanneer «formeel»? Kunt u een paar voorbeelden geven van «formele» en «informele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie?
Kunnen we uit het feit dat u weigert om de communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie over een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) naar de Kamer te sturen (omdat deze communicatie volgens u dus «informeel» zou zijn) logischerwijs concluderen dat er geen «formele» communicatie is geweest tussen de Europese Commissie en het Nederlandse kabinet over DAEB? Zo nee, kan de Kamer de «formele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Unie over het gebruik van (alternatieven voor) DAEB in de kinderopvang zo snel mogelijk toegestuurd krijgen?
Kosteloze rechtsbijstand voor slachtoffers van ernstig online seksueel misbruik |
|
Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat slachtoffers van ernstig online seksueel misbruik op dit moment niet in aanmerking komen voor kosteloze rechtsbijstand omdat ernstig online seksueel geweld niet is opgenomen in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zowel online als fysiek seksueel geweld zijn opgenomen in de Wet seksuele misdrijven, maar slachtoffers vervolgens niet dezelfde toegang hebben tot kosteloze hulp van een advocaat?
Bent u bereid de Wet op de rechtsbijstand en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven aan te passen zodat ook slachtoffers van ernstig online seksueel misbruik in aanmerking komen voor kosteloze rechtsbijstand?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat slachtofferbeleid?
De uitspraak van een Israëlische militaire commissies over herregistratie grond Tent of Nations |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws dat een militaire commissie de registratie van het land van de familie Nassar (Tent of Nations) op 8 oktober 2026 heeft afgewezen, ondanks dat het Israëlische Hooggerechtshof in 2006 reeds opdracht had gegeven tot registratie van het land? Hoe luidt uw reactie op dit nieuws?
Klopt het dat de militaire commissie als reden voor deze afwijzing geeft dat de familie niet alleen haar eigen grond (427 dunam, omgerekend circa 42 hectare) zou moeten registreren, maar ook de omliggende grond van andere eigenaren (in totaal ca. 1.000 dunam), en dat tot die tijd het land geclassificeerd blijft als «staatsland»? Deelt u de mening dat het een zeer onredelijke eis is om de familie te verplichten grond te registreren die niet haar eigendom is, te meer in het licht van de uitspraak van het Hooggerechtshof?
Welke juridische mogelijkheden staan verder open voor de familie Nassar na deze uitspraak?
Klopt het dat sinds de beantwoording van eerdere Kamervragen de bewegingsvrijheid van de familie op het eigen land nog verder is ingeperkt?1 Kunt u dit verder toelichten?
Ziet u positieve effecten van de Nederlandse inzet voor de situatie van de familie Nassar, haar land en haar gasten? Zo ja, welke? Zo nee, welke stappen bent u bereid extra te zetten?
Heeft het Israëlische besluit om de status van Nederlandse diplomaten in Ramallah in te trekken gevolgen voor de Nederlandse inzet voor de zaak van Tent of Nations? Zo ja, welke? Hoe wordt de Nederlandse inzet zo georganiseerd dat deze niet vermindert door het besluit van de Israëlische autoriteiten?
Bent u bereid om met spoed, zowel in bilateraal als in Europees verband, bij de Israëlische autoriteiten aan te dringen op de registratie en wettelijke erkenning van de 427 dunam grond, zonder dat de familie Nassar wordt verplicht om ook grond van andere eigenaren te registreren, oftewel naleving van de uitspraak van het Israëlische Hooggerechtshof en het beëindigen van de aanvullende voorwaarden die de uitvoering daarvan belemmeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u tevens bereid om met spoed, zowel in bilateraal als in Europees verband, bij de Israëlische autoriteiten aan te dringen op het onmiddellijk opheffen van de beperkingen op de toegang tot en de bewerking van de grond van de familie, en het voorkomen van verdere inbreuken op haar eigendomsrechten? Zo nee, waarom niet?
Bent u ten slotte bereid om met spoed, zowel in bilateraal als in Europees verband, bij de Israëlische autoriteiten aan te dringen op de bescherming van de familie tegen intimidatie en verdere pogingen om haar land in bezit te nemen, zodat zij haar land vreedzaam kan blijven bewonen, onderhouden en ontwikkelen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Bent u bekend met het ESB-artikel «Onze arbeidsmarkt kan gezonder en veel inclusiever» van Anthony Stigter, Lidewij Renaud, Iris de Vries en Ton Wilthagen?1
Welk deel van de door TNO geschatte 415.000 fte aan onbenut arbeidspotentieel onder mensen met chronische gezondheidsproblemen acht u realistisch te benutten door betere preventie en begeleiding naar werk?
Deelt u de opvatting dat passend werk kan bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van mensen, doordat het structuur biedt en mensen helpt sociale contacten te onderhouden en mee te blijven doen in de samenleving?
Welke mogelijkheden ziet u om werkgevers te motiveren om mensen met een chronische ziekte aan te nemen? Denkt u daarbij ook aan het uitbreiden van de no-risk polis of het beter communiceren hierover richting werkgevers?
Hoe kan ervoor worden gezorgd dat huisartsen en medisch specialisten bij de behandeling van mensen met chronische aandoeningen eerder aandacht besteden aan de mogelijkheden om te (blijven) werken?
Welke belemmeringen staan een betere samenwerking tussen de reguliere gezondheidszorg en de bedrijfsgezondheidszorg momenteel in de weg?
Hoe kunnen de op re-integratie gerichte activiteiten van UWV en gemeenten mensen met een chronische aandoening die willen en kunnen werken, maar momenteel geen baan hebben, beter bereiken en ondersteunen bij het vinden van passend werk?
Deelt u daarnaast de opvatting dat personen zonder werkgever tijdens ziekte minder ondersteuning richting werk ontvangen dan werknemers met een vast dienstverband? Welke maatregelen zijn nodig om dit verschil te verkleinen?
Wat kan Nederland leren van de nauwere samenwerking tussen de gezondheidszorg en instanties die mensen naar werk begeleiden in landen als Zweden en Noorwegen?
Kunt u indicatief berekenen wat het voor de overheidsfinanciën zou betekenen als de in het artikel geschatte 183.000 fte aan arbeidspotentieel wordt benut bij niet-werkenden met chronische gezondheidsproblemen die aangeven niet of slechts licht belemmerd te worden bij het uitvoeren van werkzaamheden? Kunt u daarbij ook rekening houden met de investeringen die hiervoor nodig zijn?
Hoe wordt de investering in preventie betrokken bij de uitwerking van het te bereiken sociaal akkoord? Wordt daarbij ook gekeken naar de bijdrage die preventie kan leveren aan gezondheidsdoelen? Worden hierbij ook andere ministeries, zoals het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, betrokken, zodat de effecten op arbeidsparticipatie, gezondheid en sociale zekerheid in samenhang kunnen worden bezien?
Bent u bereid om een gezamenlijke agenda op te stellen voor gezondheid en werk, met meetbare doelen voor onder andere extra arbeidsdeelname, minder langdurig verzuim en hogere productiviteit? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze agenda ontvangen?
De prioritering op de fondsen en voorgenomen bezuinigingen op water- en natuurbeleid' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Gelet op de Kamerbrief van 16 oktober jl.1, waaruit blijkt dat vanaf 2033 de middelen voor de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) worden weggehaald, en € 567 miljoen wordt geschoven naar het herstel en onderhoud van betonnen infrastructuur, hoe verhoudt deze keuze zich tot de wettelijke verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Natuurherstelverordening?
Bent u bereid strenger te normeren bij vergunningen en lozingen om te voorkomen dat Nederland vastloopt op het gebied van waterkwaliteit? Welk instrumentarium bent u anders van plan in te zetten dat aantoonbaar resultaten levert om te voorkomen dat Nederland vastloopt op het gebied van waterkwaliteit?
Erkent u dat het geen verstandige keus is om € 284 miljoen weg te halen bij het Deltaplan Zoetwater, zeker gezien afgelopen droge zomer? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen en advies van experts baseert u zich dan?
Hoe verklaart u de keuze om subsidies voor regionale wateren te schrappen terwijl de druk op de natuur en de drinkwatervoorziening toeneemt? Op welke wetenschappelijke bronnen en adviezen van experts baseert u zich?
Hoe rijmt u de bezuiniging met de recente positieve adviezen van de Ecologische Autoriteit en de Rijksbouwmeester over het belang van de PAGW?
Erkent u dat het uitblijven van het project Getij Grevelingenmeer, waarop € 172 miljoen wordt bezuinigd, leidt tot het verergeren van de ecologische problemen en het ernstige zuurstoftekort in het meer? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen en adviezen van experts baseert u zich?
Hoeveel middelen moet de Minister van LVVN vrijmaken om, met de bijdrage van I&W, het project toch te starten?
Uit uw interview met de Telegraaf van 15 oktober jl.2 is te lezen dat luxe-eisen niet meer mogelijk zijn. Valt ecologisch bermbeheer en bescherming en versterking van biodiversiteit van o.a. ProRail en Rijkswaterstaat hieronder, of ziet u dit als een taak van de rijksoverheid die het klimaat- en natuurbeleid ondersteunt?
Erkent u dat extra investeren in bestrijden van de biodiversiteitscrisis en klimaatcrisis (waarvan sprake van is volgens het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC)) een kwestie is van nationale veiligheid, waar ook u voldoende aan bij moet dragen? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen en adviezen van experts baseert u zich dan?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden vóór de start van de begrotingsbehandeling van I&W op woensdag 28 oktober?
De Nederlandse inzet voor de 31e Conferentie van Partijen van het VN-Klimaatverdrag (COP31) |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u in meer detail dan in uw brief van 23 september 2026 toelichten1 hoe Nederland op de COP31 meer expliciet aandacht wil vragen voor de afbouw van fossiele brandstoffendeze?
Is Nederland bereid op de COP31 expliciet steun te geven aan de Braziliaanse roadmap voor uitfasering van fossiele brandstoffen, zodat het onderwerp op de UNFCCC-agenda blijft?
Deelt u de opvatting dat concrete einddata en afspraken in een nationaal uitfaseerplan essentieel zijn om te zorgen dat de Nederlandse klimaatambities waargemaakt kunnen worden, maar ook om geloofwaardig internationaal op te treden als voorloper op dit onderwerp?
Bent u het ermee eens dat het uitfaseerplan voor fossiele brandstoffen van een rijk land met hoge historische uitstoot ten minste de volgende elementen zou moeten omvatten: concrete einddata voor de verschillende fossiele brandstoffen, geen nieuwe gasexploratie en productie, verdere afbouw van fossiele subsidies een beperking van reclame voor fossiele producten, een verplichting voor bedrijven om hun plannen in lijn te brengen met het 1,5°C-doel? Bent u bereid om deze elementen alsnog uit te werken in het Nederlandse uitfaseerplan? Zo nee, waarom niet, en kunt u dan toezeggen dat er zo snel mogelijk concrete einddata komen voor elke soort fossiele brandstof?
Bent u bereid om in het Nederlandse uitfaseerplan in het NPE een einddatum op te nemen voor kolen in 2030, voor gas in 2035 en voor olie in 2040? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid actief te pleiten voor het opnemen van deze einddata in de nog uit te werken Europese roadmap om fossiel uit te faseren2?
Hoe gaat u de plannen voor nieuwe gasexploratie, zoals onder het nieuwe verdrag met Duitsland voor exploitatie van gas onder de Noordzee, in lijn brengen met de uitfaseerplannen voor fossiele brandstoffen en hoe verenigt u deze stap met de anayse van het IEA dat in het scenario waarin de wereld in 2050 netto nul uitstoot bereikt, geen nieuwe langlopende olie- en gasprojecten nodig? Heeft u ook onafhankelijk onderzoek laten doen naar de lock-in risico’s van het openen van nieuwe gasproductievelden? Zo niet, bent u bereid deze risico’s in beeld te brengen?
Hoe waarborgt u dat de verdere uitwerking van adaptatie-indicatoren en de coördinatie richting COP32 leidt tot meer en betere adaptatiefinanciering, die voorspelbaar is, als gift wordt verstrekt en lokaal kan worden ingezet?
Kunt u toelichten welke afweging wordt gemaakt om de verantwoordelijkheid voor een groot deel van de internationale klimaatfinanciering over te laten aan de private sector, met name op het gebied van adaptatie, terwijl op adaptatie weinig winst kan worden gemaakt in tegenstelling tot groene energie?
Bent u bereid zich in het zetten voor heldere afspraken en meer duidelijkheid over de verdrievoudiging van adaptatiefinanciering, inclusief een helder basispad?
Hoe wordt de «fair share» van Nederland in klimaatfinanciering bepaald, en vindt u dat het huidige niveau van financiering volstaat, gezien er sterk wordt uitgegaan van private financiering, waarbij gebrek is aan perspectief op het terugverdienen van de investeringen op adaptatieprojecten?
Bent u bereid het Nederlandse aandeel in klimaatfinanciering op te schalen?
Hoe kijkt u naar de resultaten uit onderzoek van ActionAid3, waaruit blijkt dat de landen die het meest kwetsbaar zijn voor klimaatverandering vaak weinig actie in de vorm van adaptatie of mitigatie kunnen ondernemen, doordat de kosten van hun schulden te hoog zijn?
Bent u, gezien de druk van deze schulden, bereid om maatregelen op tafel te leggen bij de aanstaande COP31 om te verzekeren dat landen met een hoge staatsschuld ook mee kunnen doen aan klimaatmaatregelen en niet het slachtoffer worden van de effecten van de klimaatcrisis? Zo ja, welke maatregelen zal u hierbij bespreken?
Kunt u toelichten waarom een onafhankelijk Just Transition-mechanisme niet op Nederlandse steun kan rekenen, ondanks dat zo’n onafhankelijke instantie een formele rol voor sociale inclusie van minderheden kan verzekeren?
Deelt u de opvatting dat Nederland, als land dat gedurende de geschiedenis per persoon een relatief hoge uitstoot had, een extra verantwoordelijkheid heeft om zowel de Nederlandse uitstoot drastisch te verminderen, als ook de initiatieven in andere landen om hun uitstoot te verminderen moet ondersteunen?
Hoe rijmt u enerzijds de lof die Nederland ontvangt door de vooraanstaande positie in het organiseren van de TAFF-conferentie en anderzijds het Nederlandse plan rondom fossiele subsidies, waarbij weinig sprake is van afbouw?
Kunt u toezeggen dat er nieuwe stappen zullen worden gezet in de afbouw van fossiele subsidies? Zo nee, waarom niet? Kunt u een stappenplan of ander vooruitzicht opstellen om duidelijkheid te geven over dit proces?
Herinnert u zich dat Nederland tijdens de Santa Marta conferentie andere landen heeft aangespoord hun fossiele subsidies en voordelen in kaart te brengen volgens de methodologie van de internationale coalitie COFFIS en landen daarvoor uitgenodigd? Kunt u inzichtelijk maken wat de stand van zaken is?
Kunt u toezeggen dat Nederland zich op COP31 actief zal inzetten tegen klimaatobstructie, waaronder pogingen om wetenschappelijke conclusies te verzwakken, besluitvorming te vertragen of fossiele-uitfasering van de agenda te houden?
Kun u uiteenzetten of u zich herkent in de kritiek van India op de IPCC-methodologie dat rechtvaardigheid en de verschillen in verantwoordelijkheden en mogelijkheden tussen landen onvoldoende wordt meegenomen en bent u het met India eens dat gelijkheidsanalyses integraal mee moeten worden genomen in IPCC-rapporten?
Welke mogelijkheden ziet u om zowel deze gelijkheidsaspecten als ook de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het IPCC beter te beschermen?
Kunt u verzekeren dat Nederland zich ondubbelzinnig uitspreekt voor een ambitieuze Methane Pledge en zich actief inzet voor bindende, meetbare en snel uitvoerbare methaanreducties?
Welke voedselgerelateerde initiatieven ondersteunt Nederland op COP31, bijvoorbeeld rondom duurzame voedselsystemen, vermindering van emissies uit de veehouderij, voedselzekerheid en vermindering van voedselverspilling?
Is Nederland bereid zich in te zetten voor internationale afspraken die de koppeling maken tussen voedselsystemen, methaanreductie, ontbossing en een rechtvaardige transitie?
Kunt u deze vragen één voor één en voorafgaand aan COP31 op 9 november beantwoorden?
De inbeslagname van een server door de Amsterdamse politie op verzoek van de Amerikaanse regering |
|
Sarah Dobbe (SP), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het NRC over de Amsterdamse politie die een server in beslag genomen van de Italiaanse internetdienstverlener Autistici/Inventati (A/I), op basis van een Amerikaans rechtshulpverzoek en dat een kopie van de inhoud van de server naar de VS wordt gestuurd?1
Wat vindt u van de reactie van de Amsterdamse politie die tegen het NRC heeft gezegd dat wanneer een dergelijk verzoek komt: „Dat voer je dan gewoon uit»?
Op welke juridische basis is dit verzoek van de Verenigde Staten uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat ongeacht de juridische basis «een verzoek niet mag leiden tot een schending van mensenrechten en dat daarom een rechtshulpverzoek altijd eerst wordt getoetst aan internationale verdragen en de Nederlandse wetgeving»?2 Heeft u deze toets uitgevoerd en zo ja, wat is er uit deze toets gekomen? Kunt u de uitkomsten van deze toets voor dit specifieke geval met de Kamer delen?
Hoe verhoudt deze toets zich tot de uitspraken van de Amsterdamse politie die zegt dat een dergelijk verzoek «gewoon» wordt uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat de server in bezit was van een Italiaanse antifascistische en feministische organisatie die zichzelf heeft opgeheven nadat ze door de Amerikaanse regering op de sanctielijst zijn geplaatst?3
Klopt het dat de Amerikaanse regering uit politieke motieven deze organisatie op de sanctielijst heeft gezet? Wat is uw standpunt over het plaatsen van deze organisatie op de sanctielijst?
Kunt u bevestigen dat de Amsterdamse politie van plan is een kopie van de server naar Amerika te sturen? Op basis van welke rechtsgrond gaat dat gebeuren? Bent u bereid om in te grijpen om te voorkomen dat een kopie van de server naar Amerika wordt gestuurd?
Heeft de Amerikaanse regering vergelijkbare rechtsverzoeken gedaan aangaande het Internationaal Strafhof, omdat ook het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst gezet en eveneens in Nederland zetelt?
Hoe beoordeelt u de uitvoering van het Amerikaans verzoek in het licht van pogingen van de Amerikaanse regering om de technologische afhankelijkheid van Europese lidstaten in te zetten als politiek en economisch drukmiddel?
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Kunt u in ieder geval per direct uitvoering geven aan vraag 8?
Veiligheid van bruggen |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Is het feit dat op basis van de beschikbare informatie geen aanwijzing voor een acuut veiligheidsrisico is, zoals de Minister schrijft in zijn brief van 8 oktober (2026Z21741), een garantie voor de veiligheid van de bruggen of een indicatie voor te weinig informatie?
Als het onmogelijk is om de volledige wapening van bepaalde constructies te onderzoeken, en het voorspanstaal in niet onderzochte delen wel aangetast kan zijn, hoe kan dan een acuut veiligheidsrisico worden uitgesloten? In hoeverre is hier spraken van «geen nieuws is goed nieuws»-redenering?
Waarom is het feit, dat er door de specialistische kennis die nodig is voor onderzoek en analyse het onderzoeksproces vertraging heeft opgelopen, aanleiding voor de conclusie van de Minister dat er geen acuut risico is? Is het niet ontdekken van acuut risico door achterstallig, of slechts oppervlakkig onderzoek, geen false-negative conclusie?
Is het feit dat er (nog) geen (grote) problemen zijn ontdekt bewijs dat er geen grote problemen zijn?
Hebben we alle informatie die nodig is?
Is het actuele inspectieregime alles wat we redelijkerwijs kunnen doen, is het voldoende voor wat we moeten doen, kunnen we doen wat we moeten doen of weten we niet (goed) wat we zouden moeten doen, om alle bruggen veilig te houden?
Kan u toelichten waarom de Kamer niet is geïnformeerd over het feit dat het inspectieregime tussen april 2025 en nu flink is aangepast?
Weten we nu, na de recente inspecties, materiaalonderzoeken en uitwisseling met Duitsland, beter dan twee jaar geleden of de bruggen veilig zijn?
Hoe beoordeelt u, terugkijkend, de claim van de vorige Minister, dat alle bruggen veilig zijn, ondanks dat alle hierboven uitgevoerde onderzoeken destijds nog niet waren verricht?
Klopt het dat veel of alle betroffen spanstaalbruggen, gezien hun constructiewijze, niet (goed) kunnen worden versterkt en dus vervangen moeten worden? Hoe verhoudt zich dit met de eerdere verwachte afschrijving/levensduur en het vervangingsregime?
Kunt u bij elk van de 16 bruggen aangeven wat hiervoor het gekozen regime voor controle, monitoring, aanpassing en vervanging is? Ook in de tijd en met een indicatie van structurele en incidentele kosten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar voor de begrotingsbehandeling IenW beantwoorden?
De gevolgen van de Braziliaanse verkiezingen voor het Amazonegebied en ontbossing |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Stientje van Veldhoven (D66), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van Carbon Brief1 dat het Braziliaanse beleid en de uitkomst van de presidentsverkiezingen van grote invloed kunnen zijn op de toekomst van het Amazonegebied en de mate van ontbossing?
Deelt u de opvatting dat de bescherming van het Amazonewoud van groot belang is voor het tegengaan van klimaatverandering en de bescherming van biodiversiteit, en dat deze bescherming zwaar moet wegen in het Nederlandse en Europese buitenland-, klimaat- en handelsbeleid?
Erkent u dat de politieke koers van een toekomstige Braziliaanse regering gevolgen kan hebben voor ontbossing, de handhaving van milieuwetgeving en de bescherming van inheemse gemeenschappen? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete diplomatieke en politieke stappen zet u om de Braziliaanse regering aan te sporen ontbossing tegen te gaan, bestaande natuurbescherming te handhaven en inheemse gemeenschappen te beschermen? Bent u bereid deze inzet op te voeren wanneer dreigt dat de Braziliaanse regering de bescherming van het Amazonegebied afzwakt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de bijdrage van de veehouderij aan ontbossing in het Amazonegebied? Welke mogelijkheden ziet u om de Europese afhankelijkheid van geïmporteerd rundvlees te verminderen en de consumptie van dierlijke producten terug te dringen als maatregel tegen ontbossing? Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre deze maatregelen ontbossing tegen kunnen gaan? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen neemt u, mede in Europees verband, om te voorkomen dat de vraag naar producten op de Europese markt bijdraagt aan ontbossing in Brazilië? Hoe verhouden deze maatregelen zich tot het EU-Mercosurverdrag?
Erkent u dat het Mercosurverdrag de druk op de natuur, waaronder in het Amazonegebied, kan vergroten? Zo nee, waarop baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat de extra handelsmogelijkheden leiden tot meer ontbossing?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat een handelsverdrag nieuwe of ruimere toegang tot de Europese markt voor rundvlees biedt, terwijl er ernstige vragen bestaan over de controle op productiemethoden en naleving van Europese normen? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat het Mercosurverdrag extra handelsvoordelen oplevert voor een Braziliaanse regering die natuurbeschermingsregels afzwakt of klimaat- en natuurverplichtingen niet nakomt? Welke mogelijkheden heeft de EU om handelsvoordelen op te schorten wanneer Brazilië zijn klimaat- en natuurverplichtingen niet nakomt?
Wat zijn de meest recente ontwikkelingen rond de tijdelijke importstop op rundvlees uit Brazilië2, en welke invloed heeft dit op het handelsdeel en het nog te ratificeren deel van het Mercosurverdrag? Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat de invoer pas wordt hervat pas nadat aanvullende controles en waarborgen zijn vastgesteld, die naleving van Europese regels aantoonbaar verzekeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zich in te zetten voor herziening, opschorting of beëindiging van de handelsvoordelen uit het Mercosurverdrag voor bijvoorbeeld rundvlees als blijkt dat die voordelen leiden tot extra druk op natuurgebieden, waaronder het Amazonegebied, of tot invoer van producten die niet aantoonbaar voldoen aan Europese productie- en gezondheidsnormen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Het vervangend busvervoer van NS |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Busvervoer bij treinstremmingen van NS wordt steeds duurder, maar waarom staan zo veel bussen stil? «Dit is een verdienmodel»»?1
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat de kosten van vervangend vervoer voor NS tussen 2016 en 2024 zijn gestegen van € 25 miljoen naar € 39 miljoen?
Kunt u per jaar en per hoofdaannemer inzichtelijk maken hoe veel kosten zijn gemaakt voor het vervangend busvervoer?
Welke verklaring heeft u voor de kostenstijging die het artikel vermeldt?
Hoe beoordeelt u de verwachting van de NS dat deze kosten nog verder kunnen oplopen, tot wel € 52 à € 62 miljoen per jaar? Op basis waarvan verwacht de NS deze stijging?
Deelt u de opvatting dat de NS het vervangend vervoer zo efficiënt mogelijk dient te organiseren, gezien haar publieke financiering en om de prijs van het treinkaartje niet onnodig op te laten lopen? Hoe valt dit dan te rijmen met de door de NS verwachte ruime verdubbeling van de vervoerskosten?
Klopt het dat de NS heeft gekozen om per 1 januari 2027 al het vervangend vervoer door slechts één aanbieder uit te laten voeren? Hoe is de NS tot de keuze voor deze vervoerder gekomen?
In hoeverre heeft de NS alternatieve, goedkopere aanbieders van vervangend vervoer overwogen?
Herkent de Staatssecretaris het in het artikel geschetste beeld dat de vervangende bussen vaak langdurig stilstaan zonder passagiers, als onderdeel van het verdienmodel van de vervoerder? Is dit cijfermatig inzichtelijk te maken?
Hoe borgt de NS de efficiëntie van het vervangend vervoer, teneinde te voorkomen dat belastinggeld wordt uitgegeven aan lege, stilstaande bussen?
Klopt het dat NS de hoofdaannemer van het vervangend vervoer een vergoeding per uur betaalt, terwijl onderaannemers een vergoeding per gereden kilometer krijgen?
Hoe wordt voorkomen dat de vergoedingsstructuur van de NS voor vervangend busvervoer prikkels bevat die efficiënt vervangend busvervoer tegenwerken?
Hoe controleert de NS of het door de hoofdaannemer ingezet vervangend busvervoer wel doeltreffend was, en dat er zo min mogelijk lege bussen gefinancierd worden?
Bent u bekend met het bericht dat Israël een digitaal landregister heeft gelanceerd voor de bezette Westelijke Jordaanoever, waarmee het voor het eerst sinds 1967 zelf eigendom van grond in Area C vastlegt?1
Deelt u de zorg dat Israël hiermee op grote schaal Palestijnse grond onteigent, omdat veel Palestijnen hun eigendom niet op papier kunnen aantonen? Erkent u dat dit neerkomt op annexatie langs bureaucratische weg?2
Hoe verhoudt dit registratieproces zich tot het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024, waarin het Hof oordeelde dat een bezettende macht geen soevereine bevoegdheden mag uitoefenen en dat onteigening en wetgeving gericht op inlijving van bezet gebied ongeldig zijn? Bent u bereid uitdrukkelijk te verklaren dat Nederland eigendomsregistraties die via dit proces tot stand komen niet erkent, en dit ook in EU-verband te bepleiten?
Bent u bekend met het besluit van een Israëlische militaire commissie van 8 oktober 2026 om de registratie van de grond van de Palestijnse familie Nassar (Tent of Nations, bij Bethlehem) af te wijzen, tenzij de familie ook de grond van haar buren registreert?3
Deelt u de opvatting dat dit een onmogelijke eis is, die bovendien ingaat tegen een uitspraak van het Israëlische Hooggerechtshof uit 2006? Ziet u deze zaak als voorbeeld van hoe registratie wordt ingezet om Palestijnse grond in te nemen, zelfs wanneer eigendom aantoonbaar is?
Bent u bereid deze zaak op te nemen met de Israëlische autoriteiten en aan te dringen op registratie van de grond van de familie, een einde aan de toegangsbeperkingen en bescherming tegen intimidatie? Bent u tevens bereid de Nederlandse vertegenwoordiging het terrein te laten bezoeken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?