Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
Handhaving monogamie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijzonder huwelijk: Natasja (51) trouwt niet alleen met Erik (51), maar óók met Berlinda (55)»?1
Zijn u meer situaties bekend van een schijnhuwelijk met meer dan twee personen waarbij een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) een rol vervult?
Ziet u het belang om het huwelijk als een uniek verbond van twee personen te beschermen, mede gezien de problemen die bij polygamie bestaan en die de overheid door middel van beleid probeert te bestrijden?
Wat vindt u, gelet op de wettelijke norm van monogamie en de strafbepaling inzake bigamie, van situaties waarin bewust de schijn wordt gecreëerd dat sprake is van een huwelijk met meer dan twee personen?
In hoeverre wordt in de informatievoorziening richting de babs en bij hun beëdiging aandacht besteed aan de wettelijke norm van monogamie en de betekenis ervan voor de verantwoordelijkheid van de babs?
Vindt u het te verenigen met de verantwoordelijkheid van de babs in het naleven van de wettelijke normen dat hij bewust meewerkt aan situaties waarin de schijn van bigamie wordt gewekt, bijvoorbeeld door in de ceremonie een plaats te geven aan het gebruik van aktes en getuigen? Zo ja, waarom? Zo nee, in hoeverre wordt het handelen van de babs meegewogen bij een nieuwe beëdiging?
In hoeverre is bij de beëdiging van een babs voor een enkele dag bekend op welke situatie de beëdiging betrekking heeft? Vindt u ook dat een beëdiging voor situaties van schijnhuwelijken, waaronder bigame schijnhuwelijken, niet aan de orde kan zijn?
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor de rechtspraak om meer duidelijkheid te creëren over de rol van de babs in het bewaken van de wettelijke positie van het monogame huwelijk?
Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat de overheid, bijvoorbeeld via woordvoerders of persvoorlichters, contact onderhoudt met journalisten. Het is de taak van deze ambtenaren om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt dat een ambtenaar zijn werk politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen.
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Ja. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen. Zij hanteren hierbij de journalistieke kernbeginselen, zoals hoor en wederhoor en het verifiëren van bronnen. Deze werkwijze draagt eraan bij dat een onderwerp vanuit verschillende perspectieven wordt belicht. Het is vervolgens aan de lezer, kijker of luisteraar om zich op basis van de door de journalist verstrekte informatie een eigen oordeel te vormen.
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
In algemene zin kan ik zeggen dat de persvrijheid in het geding komt als er van overheidswege censuur zou worden toegepast, bijvoorbeeld het op basis van politieke motieven uitvaardigen van een verbod iets te publiceren. Dat is in Nederland niet toegestaan. Daarnaast is het onacceptabel als de overheid «zachte druk» uitoefent op journalisten of media. Zulke druk kan een zogenoemd chilling effect veroorzaken, waardoor journalisten uit vrees voor negatieve gevolgen overgaan tot zelfcensuur. Ook dat is onwenselijk en dient te worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Ja. Journalisten werken volgens journalistieke kernbeginselen. De Raad voor de Journalistiek vat dit in de Leidraad kernachtig samen: «Goede journalistiek is waarheidsgetrouw en nauwgezet, onpartijdig en fair, controleerbaar en integer.»2 Het is aan de journalist om, vaak in overleg met zijn redactie, de afweging te maken hoe deze beginselen in een concreet geval worden toegepast.
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Ja. Een gezond debat wordt gevoerd met de juiste feiten. Journalisten hebben een belangrijke rol in het brengen van deze feiten, zodat de lezer, kijker of luisteraar zelf een afweging kan maken en een mening kan vormen.
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 2 kan ik zeggen dat in contacten met journalisten, het de taak van ambtenaren is om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt zoals hiervoor aangegeven dat een ambtenaar zijn werk te allen tijde politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Het bestrijden van een bepaalde politieke duiding behoort niet tot de taak van een ambtenaar.
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
De lokale gemeenteraad, in dit geval de Amsterdamse, heeft tot taak het college van burgemeester en wethouders te controleren. In de Amsterdamse gemeenteraad zijn tevens raadsvragen gesteld over deze kwestie, waarmee de gemeenteraad dus invulling geeft aan deze verantwoordelijkheid.
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 11.
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Ten aanzien van de situatie in de gemeente Amsterdam zijn er raadsvragen gesteld, zoals benoemd in het antwoord op vraag 11. Ik heb geen signalen ontvangen dat er bij overheden gebruikt wordt gemaakt van beleid, instructies of informele werkwijzen over het ontmoedigen van bepaalde berichtgeving.
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Ik heb geen signalen ontvangen dat ambtenaren regelmatig journalisten benaderen met politieke argumenten. Ik zie derhalve geen aanleiding voor een onderzoek.
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Nee. Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de voorgaande vragen.
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Zorgvuldige en eerlijke communicatie door de overheid is essentieel voor het vertrouwen van burgers in de overheid. De media hebben tot taak om in informatie te voorzien, de macht te controleren en een podium te bieden aan diverse geluiden. De journalistieke sector heeft hiervoor zelf standaarden opgesteld, zoals bijvoorbeeld in de eerder aangehaalde Leidraad van de Raad voor de Journalistiek.
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Er is geen plaats voor overheidsdruk op journalisten om zo hun berichtgeving te beïnvloeden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Regels |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bereid de verplichte externe toetsing van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor kantooromgevingen te schrappen of meer risicogestuurd vorm te geven?
Bent u bereid de preventieve ontslagtoets te hervormen, zodat ontslag in beginsel achteraf door de rechter wordt getoetst?
Bent u bereid de regels in de Nederlandse Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zo aan te passen dat de meldplicht meer aansluit bij de Europese norm van verdachte in plaats van de norm voor ongebruikelijke transacties?
Bent u bereid de verplichting voor horecaondernemers om wijzigingen van leidinggevenden telkens op de vergunning bij te schrijven te schrappen? Wanneer voert u de aangenomen motie Kisteman uit die hierover gaat?1
Bent u bereid de jaarlijkse keuringsplicht voor veilige arbeidsmiddelen te vereenvoudigen en sterker risicogestuurd te maken?
Bent u bereid het uitzenden van EK- en WK-voetbalwedstrijden op dorps- en stadspleinen voor horecagelegenheden tot 5.000 bezoekers kosteloos mogelijk te maken?
Bent u bereid Engels, Frans en Duits op productetiketten toe te staan, zodat ondernemers eenvoudiger producten in andere Europese landen kunnen inkopen?
Bent u bereid de vergunningsplicht voor festivalpodia die door een langere opbouwperiode meer dan 31 dagen aanwezig zijn, te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid de minimumoppervlakte van 35 m2 voor horecagelegenheden die alcohol willen schenken te schrappen, zodat meer pittoreske horecazaken van de grond kunnen komen en geen van deze zaken in de knel zitten?
Bent u bereid de rapportageverplichting over zeer zorgwekkende stoffen op componentenniveau te vereenvoudigen en te vervangen door een beter uitvoerbare, risicogerichte aanpak?
Bent u bereid voor aantoonbaar veilige, terugkerende lokale evenementen een meerjarige vertrouwensvergunning mogelijk te maken?
Bent u bereid af te zien van de huidige wettelijke termijn van maximaal twaalf dagen voor een tijdelijke alcoholvergunning en dit bijvoorbeeld te koppelen aan de duur van het evenement?
Bent u bereid de Nederlandse meldingsdrempel voor substantiële aandeelhoudersbelangen te verhogen van 3% naar de Europese norm van 5%?
Bent u bereid de nationale meldplicht voor bruto shortposities bij 3% te schrappen, zodat Nederland aansluit bij de Europese norm?
Bent u bereid de bijkantoorverplichting voor beleggingsondernemingen uit derde landen die diensten verlenen aan Nederlandse niet-professionele beleggers te schrappen?
Bent u bereid het dispensatieproces bij algemeen verbindend verklaarde cao’s te hervormen, zodat ondernemingen met een eigen cao en gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden in beginsel dispensatie krijgen?
Bent u bereid de wettelijke werkingssfeerbepalingen van cao’s te verduidelijken, zodat innovatieve en gemengde bedrijven niet onder een cao vallen die niet aansluit bij hun feitelijke activiteiten?
Bent u bereid de bewaartermijn voor blootstellingsregistraties van CMR- en reprotoxische stoffen te verkorten en meer in lijn te brengen met de Europese richtlijn?
Bent u bereid de verplichting om psychosociale arbeidsbelasting in de RI&E op te nemen te vereenvoudigen, zodat deze minder een papieren tijger en meer risicogestuurd wordt?
Bent u bereid de nationale CO2-ketensturing bij de implementatie van de Europese richtlijn Renewable Energy Directive (RED) III te schrappen?
Bent u bereid de nationale sectorsturing bij de implementatie van RED III te schrappen?
Bent u bereid de grenswaarde voor de rapportageplicht werkgebonden personenmobiliteit te verhogen, zodat minder bedrijven en toeleveranciers hierover hoeven te rapporteren?
Bent u bereid de regels rond vergunningen voor mengformules te hervormen, zodat horecaondernemers bijvoorbeeld olijfolie of servies kunnen verkopen zonder onnodige vergunningsproblemen?
Bent u bereid meerdere regulatory sandboxes voor AI mogelijk te maken, naast de reeds bestaande verplichte sandbox die volgt uit de AI-verordening?
Bent u bereid de regulatory sandbox onder de Verordening Cyberweerbaarheid snel, breed toegankelijk en bruikbaar in te richten voor midden- en kleinbedrijven (mkb) en start-ups?
Bent u bereid belemmerende regelgeving voor de uitbreiding van Nederlandse cloud- en datacentercapaciteit weg te nemen, onder meer door minder terughoudend te zijn over datacenter versnellingszones uit de Cloud and AI Development Act (CADA)(Verordening cloud- en AI-ontwikkeling)?
Bent u bereid de werkkostenregeling ingrijpend te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door gerichte vrijstellingen samen te voegen met de vrije ruimte?
Bent u bereid de dubbele conformiteitsverklaring voor installateurs van reeds CE-goedgekeurde kleine airco’s en warmtepompen te schrappen?
Bent u bereid de actieve provisietransparantieverplichting voor schadeverzekeringstussenpersonen te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm?
Bent u bereid de aparte vergunningsplicht voor interne bedrijfsborrels en bedrijfsfeesten te schrappen wanneer voor het pand al een gebruiksvergunning geldt?
Bent u bereid de omgevingsvergunning voor buitenreclame aan een eigen bedrijfspand af te schaffen, behoudens situaties waarin aantoonbaar sprake is van excessen?
Bent u bereid de uitwegvergunning voor het aanleggen van een oprit of inrit naar de openbare weg af te schaffen of sterk te vereenvoudigen?
Bent u bereid gemeenten niet langer de mogelijkheid te bieden om voor kleine percelen en gemiddelde particuliere tuinen een kapvergunning te eisen?
Bent u bereid de verplichting voor kleine werkgevers om formeel verzuimbeleid op te stellen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid vaker algemene einde-afvalcriteria vast te stellen, zodat circulaire ondernemers niet per afzonderlijk geval hoeven te bewijzen dat gerecyclede materialen geen afval meer zijn?
Bent u bereid de massabalanssystematiek ook voor bioLNG toe te staan, zodat de Nederlandse industrie niet achterloopt op landen als Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië?
Bent u bereid de Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (ARIE)-systematiek te hervormen, door overlap met andere verplichtingen weg te nemen en de plicht beter te richten op ondernemingen met daadwerkelijk relevante risico’s?
Bent u bereid bij de verplichting om dieselmotoren te vervangen door elektrische of andere aandrijving niet alleen technische haalbaarheid, maar ook de financiële proportionaliteit te laten meewegen?
Bent u bereid de verplichting tot periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek beter te koppelen aan de concrete risico’s uit de RI&E, om zo dubbel werk te voorkomen?
Bent u bereid horecaondernemers de mogelijkheid te geven af te zien van de verplichte bijdrage aan het Horeca Ontwikkel Platform (HOP)?
Bent u bereid een landelijke, uniforme procedure of digitaal loket in te voeren voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking in dienst willen nemen?
Bent u bereid de aanvraag en administratie rond betaald ouderschapsverlof voor werkgevers te vereenvoudigen, in het bijzonder bij gespreid of gewijzigd opgenomen verlof?
Bent u bereid wettelijk te verduidelijken wanneer een werkgever voldoende gelegenheid tot verbetering heeft geboden aan een disfunctionerende werknemer, door dit in tijd te maximeren?
Bent u bereid de begeleidingsplicht van werkgevers bij een disfunctionerende werknemer te verduidelijken, bijvoorbeeld door middel van voldoende duidelijke criteria waaronder werkgevers aan deze verplichting hebben voldaan?
Bent u bereid het aanvraagproces voor de expatregeling te vereenvoudigen door gegevens die al bij de Belastingdienst bekend zijn automatisch te benutten?
Bent u bereid het aanvraagformulier voor de expatregeling volledig digitaal beschikbaar te maken en verzending per post af te schaffen?
Bent u bereid de gemeentelijke exploitatievergunning voor de horeca af te schaffen wanneer een Alcoholwetvergunning voldoende waarborgen biedt?
Bent u bereid de terrasvergunning af te schaffen wanneer de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voldoende mogelijkheden biedt om overlast te voorkomen en aan te pakken?
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om de regionale economie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?2
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om innovatie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?3
Bent u bereid samen met gemeenten, provincies en waterschappen landelijke standaarden voor lagere regelgeving te ontwikkelen en uit te breiden?
Bent u bereid de meldingsplicht voor zorgfusies bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) samen te voegen tot één melding en één procedure?
Bent u bereid de Nederlandse meldplicht voor mogelijk schadelijke levensmiddelen risicogerichter in te richten en meer in lijn te brengen met de praktijk in vergelijkbare landen, zoals België?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat niet iedere werkgever een afzonderlijke pas voor een beveiliger hoeft aan te vragen, hetgeen zeker voor veel rompslomp zorgt als wordt gewerkt met oproepkrachten, bijvoorbeeld door een persoonsgebonden beveiligingspas (in de evenementenbranche) mogelijk te maken?
Bent u bereid een geruisloze omzetting van pensioenvermogen in een pensioen-bv naar een verzekeraar mogelijk te maken, zodat administratieve lasten het pensioenvermogen niet uithollen?
Bent u bereid de ACM de bevoegdheid te geven om onder een fictieve identiteit mystery shopping toe te passen bij de controle op onveilige of niet-conforme producten?
Bent u bereid de nationale koppen bij exportkredietverzekeringen systematisch te schrappen, zodat Nederlandse bedrijven niet strenger worden behandeld dan hun buitenlandse concurrenten, bijvoorbeeld ten aanzien van de Common Approaches?
Bent u bereid het bonusplafond verder te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm, bijvoorbeeld door fintechbedrijven uit te zonderen?
Bent u bereid de verplichte ziekmelding na 42 weken samen te voegen met de eerstejaarsevaluatie?
Bent u bereid de informatieverplichtingen voor financieel adviseurs over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van klanten proportioneel en meer op maat vorm te geven?
Bent u bereid voor tijdelijke verkeersmaatregelen bij één project één aanvraag en één besluit mogelijk te maken?
Bent u bereid een landelijk erkende verkeersontheffing in te voeren voor aannemers die met identieke voertuigen en werkzaamheden in meerdere gemeenten actief zijn?
Bent u bereid de vooraanmelding en startmelding voor mesttransport samen te voegen tot een startmelding?
Bent u bereid de digitale afgiftebevestiging van een erkende inzamelaar te laten gelden als de afvalstoffenadministratie van autobedrijven voor banden, accu’s en vergelijkbare afvalstoffen?
Bent u bereid een lichter opslagregime of duidelijke uitzondering in te voeren voor beperkte dagelijkse werkvoorraden van onder meer olie, verf, spuitbussen, reinigingsmiddelen en accu’s?
Bent u bereid bij een ongewijzigd productieproces geen volledig nieuw onderzoek naar zeer zorgwekkende stoffen te eisen en een actualiteitsverklaring te laten volstaan?
Bent u bereid de voorwaarden voor autonoom of op afstand bestuurd varen risicogestuurd te maken, zodat een volgboot alleen verplicht is wanneer de concrete omstandigheden dat noodzakelijk maken?
Bent u bereid een landelijke experimenteerontheffing mogelijk te maken voor een reeks vergelijkbare proeven met autonoom varende schepen?
Bent u bereid de wettelijke, gedetailleerde definitie van roomijs te schrappen?
Bent u bereid de toegankelijkheidseis voor een verplichte privébuitenruimte bij reguliere woningen te versoepelen, zodat een hoogteverschil van meer dan 2 cm niet altijd met een hellingbaan hoeft te worden overbrugd?
Bent u bereid voor alle woonfuncties een collectieve, afsluitbare buitenberging als alternatief voor een individuele buitenberging mogelijk te maken?
Bent u bereid de eisen aan de rechtstreekse bereikbaarheid en toegankelijkheid van buitenbergingen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid bij reguliere woningen een gemeenschappelijke buitenruimte als alternatief voor een verplichte privébuitenruimte toe te staan?
Bent u bereid de eis te versoepelen dat een niet-gemeenschappelijke buitenruimte rechtstreeks bereikbaar moet zijn vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied?
Bent u bereid tijdelijke huurcontracten voor meer groepen toe te staan, bijvoorbeeld voor drie of vijf jaar?
Bent u bereid klein en slechts tijdelijk ingezet bouwmaterieel vrij te stellen van de generieke emissiereductieplicht?
Bent u bereid de informatie- en administratieplicht voor bouwmaterieel bij kleine en kortdurende bouwprojecten te beperken?
Bent u bereid de technische geluidseisen voor tijdelijke woningen zoveel mogelijk te harmoniseren, zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke bescherming van bewoners?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor toiletruimten in nieuwbouwwoningen te schrappen?
Bent u bereid de verplichting dat 55% van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied moet gelden te herzien?
Bent u bereid de verplichting tot een tweede trappenhuis in woongebouwen risicogestuurd te hervormen, zodat alternatieve brandveiligheidsmaatregelen mogelijk zijn?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor badruimten in nieuwbouwwoningen te flexibiliseren?
Bent u bereid de brede reikwijdte van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) boven de Europese richtlijn te schrappen en de regeling te beperken tot consumentenzaken?
Bent u bereid de verplichte notariële akte voor de uitgifte of overdracht van kleine aandelenbelangen aan werknemers in een bv te schrappen en een onderhandse akte mogelijk te maken?
Bent u bereid de digitale loonstrook als standaard in te voeren, met een papieren loonstrook uitsluitend op verzoek van de werknemer?
Bent u bereid een dakkapel aan de voorzijde van een woning landelijk vergunningsvrij te maken, met eenduidige maatvoeringseisen?
Bent u bereid de grens van € 125.000 voor een verplicht accountantsproduct bij subsidievaststelling te indexeren naar het prijsniveau van 2026?
Bent u bereid een materialiteitsdrempel en de mogelijkheid van verzamelmeldingen in te voeren voor terugmeldingen over verschillen tussen het UBO-register en cliëntenonderzoek?
Bent u bereid de afzonderlijke opgave van bestuurders als pseudo-UBO te schrappen en deze gegevens automatisch te laten volgen uit de inschrijving in het Handelsregister?
Bent u bereid de verplichting voor gemeenten om bij nieuwbouw hoge minimumeisen aan fietsparkeerplaatsen te stellen te versoepelen, waaronder de verplichting om rekening te houden met grotere fietsen?
Bent u bereid de verplichte kennisgeving te schrappen wanneer na een aanvraag blijkt dat geen omgevingsvergunning nodig is?
Bent u bereid de mogelijkheid voor gemeenten om opkoopbescherming toe te passen te beperken tot goedkope koopwoningen en dus middeldure koopwoningen daarvan uit te zonderen?
Bent u bereid de mogelijkheid van de digitale notariële akte te verbreden tot alle akten waarbij fysieke waarneming door de notaris niet noodzakelijk is?
Bent u bereid voor eenvoudige ziektegevallen, zoals licht en voorzienbaar letsel, een vereenvoudigde re-integratieprocedure mogelijk te maken wanneer werkgever en werknemer daarmee instemmen?
Bent u bereid de eis te schrappen dat postvervoerders met een omzet van € 2 miljoen of meer minimaal 80% van hun postbezorgers een arbeidsovereenkomst moeten aanbieden?
Bent u bereid de reikwijdte van het Digitaal Opkopers Register (DOR) te beperken voor voertuigcategorieën, bijvoorbeeld door aanhangers uit te zonderen, temeer omdat er vaak al een RDW-registratieplicht geldt?
Bent u bereid de verkoop van geneesmiddelen op afstand niet alleen via een website, maar ook via een app mogelijk te maken?
Het bericht 'RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus» van RTL Nieuws?1
Hoeveel besmettingen zijn er dit jaar in Nederland vastgesteld, uitgesplitst naar regio, leeftijd en ernst van ziektebeeld?
Is er reden om aan te nemen dat de infectie met het westnijlvirus heeft bijgedragen aan het overlijden van de patiënt die onlangs is overleden en geïnfecteerd is geraakt door het ontvangen van een besmet bloedproduct?
Zijn er naar aanleiding van dit overlijden extra maatregelen genomen om de veiligheid van bloedproducten te garanderen? Indien ja, welke?
Beschouwt u het stijgend aantal infecties met het westnijlvirus bij patiënten als een tijdelijk incident, of beschouwt u dit als een structurele vestiging van het westnijlvirus in Nederland?
Overweegt u een publiekscampagne op te zetten om mensen zo goed als redelijkerwijs mogelijk te informeren over wat mensen zelf kunnen doen om besmetting te voorkomen?
Welke (andere) maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat mensen in Nederland niet besmet raken met het westnijlvirus?
Is onze zorgketen voldoende in staat om symptomen te herkennen bij mensen die geïnfecteerd zijn met het westnijlvirus, en deze patiënten vervolgens te behandelen?
Ziet u raakvlakken met andere infectieziekten die potentieel overgedragen kunnen worden door muggen, en het risico dat deze infectieziekten zich structureel vestigen in Nederland? Zo ja, welke risico's brengen deze ziekten met zich mee en welke maatregelen neemt u om hier adequaat op voorbereid te zijn?
Wat kan Nederland leren van hoe het Caribisch deel van het Koninkrijk, maar ook andere (Europese) landen omgaan met de aanwezigheid en de dreigingen van het westnijlvirus of andere infectieziekten – aangezien het westnijlvirus relatief nieuw is in Europees Nederland, maar in andere (Europese) landen structureel is gevestigd?
Hoe haalt u best practices op uit andere landen die Nederland zouden kunnen helpen bij het bestrijden van het westnijlvirus?
Kunt u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de ontwikkelingen van het westnijlvirus en andere infectieziekten die door muggen of andere dieren worden overgedragen in Nederland, bijvoorbeeld via bestaande structurele rapportages?
Bent u bekend met het bericht «Makers «Hup Hamas»-spandoek klimaatmars gaan vrijuit, experts willen wetswijziging: «Activisten zoeken steeds meer de grenzen op»»?1
Deelt u de opvatting dat leuzen waarin terrorisme wordt verheerlijkt verwerpelijk zijn en verboden moeten worden, zodat het Openbaar Ministerie deze personen kan vervolgen?
Vindt u het wenselijk dat dergelijke leuzen op dit moment niet strafrechtelijk kunnen worden aangepakt?
Deelt u de opvatting dat het demonstratierecht geen vrijstelling mag zijn om openlijk strafbare feiten te plegen en terroristische organisaties te verheerlijken?
Kunnen strafbare uitingen op dit moment een reden zijn om demonstraties te beëindigen? Hebben volgens u de burgemeesters voldoende bevoegdheden hiertoe?
Welke mogelijkheden hebben de politie en het Openbaar Ministerie op dit moment om op te treden tegen personen die leuzen uiten waarin terroristische organisaties gesteund worden?
Kunt u reageren op het standpunt van de hoogleraar in het desbetreffende nieuwsartikel, die stelt dat met de leus «Hup Hamas» een terroristische organisatie aangemoedigd wordt, wat gezien zou kunnen worden als een oproep tot geweld?
Zou de leus «Hup Hamas» vallen onder het voorgestelde verbod op het verheerlijken van terrorisme in het wetsvoorstel dat op dit moment aanhangig is bij de Tweede Kamer?
Op welke manier kunt u de politie en het Openbaar Ministerie ondersteunen bij de juridische beoordeling of een uiting tijdens een demonstratie mogelijk strafbaar is?
Beschikken de politie en het Openbaar Ministerie over duidelijke richtlijnen voor de beoordeling van uitingen waarin terroristische organisaties worden verheerlijkt?
Signalen van politiemedewerkers over knelpunten binnen de politieorganisatie |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u signalen uit diverse basisteams dat politiemedewerkers en teamleidingen worden aangesproken op het aantal uitgeschreven bekeuringen en dat binnen teams wordt gestuurd op het verhogen van deze aantallen? Zo ja, op welke wijze wordt hierop gestuurd en welke rol spelen eenheidsleidingen hierbij?
Kunt u uitsluiten dat binnen politie-eenheden, formeel of informeel, wordt gestuurd op streefcijfers, quota of andere prestatiedoelen voor het aantal bekeuringen en dat aan het niet behalen daarvan consequenties worden verbonden? Zo nee, kunt u dit uitleggen en vindt u dit niet onwenselijk?
Hoe wordt binnen de politie ervoor gezorgd dat ook minder eenvoudig meetbaar maar essentieel politiewerk, zoals noodhulp, het afhandelen van meldingen en het aanhouden van verdachten, volwaardig wordt meegewogen bij de beoordeling van basisteams?
Hoeveel basisteams functioneren op dit moment structureel onder de voor hen vastgestelde minimale operationele bezetting, en hoeveel diensten zijn er gedraaid waarbij niet aan deze minimale norm is voldaan? Kunt u dit uitsplitsen per regionale eenheid?
Hoeveel aangiften worden jaarlijks niet in onderzoek genomen vanwege een gebrek aan politie- of recherchecapaciteit, uitgesplitst naar soort delict, en welk aandeel betreft zaken waarin concrete opsporingsindicaties beschikbaar zijn, zoals camerabeelden, een bekende verdachte of andere direct bruikbare informatie?
Wordt bij de inzet van politiemedewerkers voldoende rekening gehouden met extra taken, zoals het begeleiden van nieuwe collega's, ME-inzet en opleidingstaken? Hoe voorkomt u dat juist ervaren politiemedewerkers hierdoor steeds minder tijd hebben voor het reguliere politiewerk?
Herkent u signalen van ervaren politiemedewerkers dat pas afgestudeerde agenten na afronding van de politieopleiding nog veel begeleiding nodig hebben voor onder meer processen-verbaal, optreden in geweldssituaties en zelfstandig operationeel handelen? Hoe wordt vastgesteld of afgestudeerden voldoende zijn voorbereid om zelfstandig de straat op te gaan?
Hoeveel operationele capaciteit van ervaren politiemedewerkers wordt jaarlijks besteed aan het begeleiden van pas afgestudeerde collega's en wordt deze begeleiding meegewogen bij het bepalen van de feitelijk beschikbare politiecapaciteit? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel training krijgen aspiranten gedurende de basispolitieopleiding voor fysieke aanhoudingstechnieken, geweldsbeheersing en geweldssituaties, en hoe heeft dit aantal uren zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld? Hoe wordt beoordeeld of deze training voldoende aansluit op situaties waarmee agenten op straat daadwerkelijk worden geconfronteerd?
Welke regels gelden voor het vermelden van de naam van politiemedewerkers in processen-verbaal en andere stukken die bij verdachten terecht kunnen komen? Bent u bereid ervoor te zorgen dat politiemedewerkers waar mogelijk met een dienstnummer kunnen werken, om doxing en bedreiging van henzelf en hun gezin tegen te gaan?
Hoeveel politiemedewerkers zijn de afgelopen vijf jaar vanwege hun politiewerk bedreigd, gedoxt of anderszins in hun privésfeer geïntimideerd, en in hoeveel gevallen zijn hun persoonsgegevens direct of indirect verkregen uit officiële politie- of processtukken?
Hoe wordt binnen de politie voorkomen dat medewerkers die psychisch overbelast zijn geraakt te lang in de noodhulp of andere zware operationele functies blijven werken? Worden signalen van collega's en leidinggevenden hierover altijd vastgelegd en opgevolgd?
Hoe lang moeten politiemedewerkers met posttraumatische stressstoornis (PTSS) of ander blijvend letsel gemiddeld wachten op erkenning, en hoeveel zaken lopen al langer dan één, drie of vijf jaar?
Hoeveel (oud-)politiemedewerkers hebben de afgelopen vijf jaar een beroep gedaan op regelingen voor restschade, smartengeld of andere financiële compensatie vanwege een dienstongeval of beroepsziekte, en hoeveel van deze aanvragen zijn toegekend, afgewezen of nog in behandeling?
Hoelang duurt het gemiddeld voordat aanvragen voor restschade en smartengeld volledig zijn afgehandeld, en hoeveel zaken lopen momenteel langer dan één, drie of vijf jaar?
Herkent u signalen van politiemedewerkers dat procedures voor restschade en andere financiële compensatie langdurig, ingewikkeld en belastend kunnen zijn? Wat doet u om ervoor te zorgen dat politiemedewerkers na een dienstongeval of beroepsziekte sneller duidelijkheid krijgen over hun financiële compensatie?
Het bericht dat 600 woningen op Bonaire verdwijnen aan toeristen |
|
Mikal Tseggai (GroenLinks-PvdA), Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat 600 woningen op Bonaire verdwijnen aan toeristen?1
Deelt u de grote zorgen over het tekort aan betaalbare woningen voor inwoners van Bonaire? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat door het tekort aan betaalbare woningen de woningprijzen op Bonaire fors zijn gestegen en de komende tijd vermoedelijk nog verder zullen stijgen?
Kunt u de precieze ontwikkeling van het aantal woningen – per categorie – tussen 1991 en nu in een tabel weergeven?
Kunt u de precieze ontwikkeling van het aantal vakantiewoningen op Bonaire tussen 1991 en nu in een tabel weergeven?
Deelt u de zorgen over het feit dat 600 woningen via platforms worden aangeboden voor de toeristische verhuur en dat deze woningen daardoor niet beschikbaar zijn voor de inwoners van Bonaire? Zo nee, waarom niet?
Kunt u het precieze juridisch kader schetsen voor de verhuur van woningen voor de toeristische verhuur? Kunt u hierbij ook de verhouding tussen de landelijke en lokale regelgeving schetsen?
Is er binnen het huidige juridisch stelsel een mogelijkheid om de zelfbewoningsplicht op Bonaire in te voeren? Zo nee, acht u het huidige regelgeving voldoende om zorg te dragen dat woningen die bedoeld zouden moeten zijn voor inwoners niet via de toeristische verhuur verdwijnen uit de woningvoorraad? Zo nee, op welke wijze zouden de regels volgens het kabinet moeten worden aangepast?
Welke concrete plannen zijn er voor de komende tijd om het aantal betaalbare woningen op Bonaire uit te breiden, zodat de woningnood wordt aangepakt? Hoe wordt voorkomen dat deze woningen verdwijnen naar de toeristische verhuur?
Hoeveel budget is er beschikbaar om voldoende betaalbare woningen op Bonaire te realiseren? Is dit voldoende om aan de woningbouwopgave te kunnen voldoen? Zo nee, wat zijn hiervan de consequenties?
Welke infrastructurele ontwikkelingen zijn er nodig om aan de woningbouwopgave te kunnen voldoen? Is het benodigde budget hiervoor beschikbaar? Zo nee, wat betekent dit voor de bouw van voldoende betaalbare woningen?
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties op 7 en 8 oktober aanstaande?
Hoe beoordeelt u het bericht «Vier ziekenhuizen en elf ggz-locaties in gebied met hoog risico op natuurbrand» van Skipr, en het onderliggende onderzoek «189 gebouwen met kwetsbare mensen in gebieden met hoog natuurbrandrisico» door Pointer (KRO-NRCV)?1 2
Liggen er voor elk van deze locaties noodscenario’s klaar die ook uitvoerbaar zijn als een natuurbrand zich snel uitbreidt en er weinig tijd is om kwetsbare mensen zoals patiënten/cliënten/leerlingen te evacueren?
Zijn er voor elk van deze locaties uitwijklocaties aangewezen en is daar in de regio genoeg plek en vervoer voor?
Welke maatregelen zijn getroffen om deze locaties in gebieden met hoog risico op natuurbrand ook te beschermen tegen een brand van buitenaf?
Klopt het dat de brandweer voor bescherming van deze locaties tegen brand van buitenaf alleen kan adviseren en geen maatregelen kan afdwingen zoals ze dat wel kan voor brandveiligheid binnen in de gebouwen? Zo ja, hoe beoordeelt u die situatie en bent u voornemens daar iets aan te doen?
Hoe neemt u het risico op natuurbranden in de buurt van zorginstellingen mee in de plannen rond het weerbaarder maken van de zorg?
De uitgestelde wijziging van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (WPBR) |
|
Jeltje Straatman (CDA), Mahjoub Mathlouti (D66), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Op welke termijn zal de wijziging van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (WPBR) naar de Kamer gestuurd worden?
Wat is de reden dat de wijziging van de WPBR al een behoorlijke tijd in voorbereiding is, maar de wet nog steeds niet naar de Kamer is gezonden?
Op welke manier gaat u op korte termijn de motie-Straatman1 en de motie-Helder2 uitvoeren?
In hoeverre strookt de vertraging met uw appreciatie «oordeel kamer» op de motie-Straatman, die oproept tot het zo snel mogelijk versturen van de wet richting de Kamer?
Bent u bereid via de toezegging te doen dat de wijziging van de WPBR nog voor het einde van dit kalenderjaar naar de Kamer gezonden wordt? Zo nee, waarom niet?
Kwetsbare ouderen die maandenlang zonder verwarming zitten |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners bejaardenflat in de kou: zieke Jan (71) ligt elke nacht rillend in zijn bed»?1
Wat vindt u ervan dat bewoners van een seniorencomplex, onder wie zieke en slecht ter been zijnde ouderen, al maanden zonder werkende collectieve verwarming zitten en inmiddels aangeven daadwerkelijk kou te lijden?
Vindt u het vanuit het oogpunt van goede en veilige ouderenzorg verantwoord dat een 71-jarige man met de ziekte van Parkinson naar eigen zeggen ’s nachts rillend in bed ligt en uit bed moet om warm te worden? Zo ja, waarom?
Hoe verhoudt deze situatie zich volgens u tot het kabinetsbeleid om ouderen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen in een passende en veilige woonomgeving?
Vindt u dat bij langdurige uitval van een essentiële voorziening als verwarming in een seniorencomplex actief moet worden nagegaan welke bewoners vanwege ouderdom, ziekte of beperkte mobiliteit extra kwetsbaar zijn en onmiddellijk ondersteuning of een passende noodvoorziening nodig hebben?
Wat vindt u ervan dat bewoners volgens het artikel voor een elektrische noodkachel werden verwezen naar een vestiging van woningcorporatie Ymere in Weesp, ruim twintig kilometer verderop, terwijl het onder andere gaat om zieke en slecht ter been zijnde ouderen?
Vindt u het aanvaardbaar dat kwetsbare ouderen zelf achter een noodkachel moeten aangaan en vervolgens ook de extra elektriciteitskosten daarvan moeten dragen wanneer de collectieve verwarming langdurig buiten gebruik is?
Bent u bereid vanuit uw verantwoordelijkheid voor ouderenzorg en ouderenhuisvesting met uw collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te bezien wat in deze concrete situatie nodig is om te voorkomen dat kwetsbare ouderen in de kou blijven zitten?
Zijn er momenteel landelijke waarborgen die ervoor zorgen dat bij langdurige uitval van essentiële voorzieningen in seniorencomplexen kwetsbare bewoners tijdig in beeld komen en daadwerkelijk een bruikbare noodvoorziening krijgen? Zo ja, welke? Zo nee, acht u aanvullende afspraken noodzakelijk?
De uitwerking van de Europese regels ten aanzien van verpakkingen (PPWR) en de uitwerking op micro-ondernemers |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe zorgt u ervoor dat de uitvoering van de PPWR (Packaging and Packaging Waste Regulation) ook voor micro- en kleine ondernemingen werkbaar is, zodat zij kunnen profiteren van de Europese interne markt?
Welke mogelijkheden ziet u om de administratieve uitvoering van verplichtingen op grond van de Extended Producer Responsibility (EPR) voor kleine ondernemers te vereenvoudigen, zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheid van producenten en positieve impact op circulariteit?
Hoe kijkt u naar het voorstel van de Europese Commissie om de verplichting tot een Authorised Representative bij grensoverschrijdende verkoop tijdelijk op te schorten en wat zou er volgens u na deze tijdelijke maatregel moeten gebeuren?
Bent u bereid zich in Brussel in te zetten voor één Europees registratiemechanisme voor EPR-verplichtingen, vergelijkbaar met de btw-One-Stop-Shop?
Bent u bereid te pleiten voor verdere harmonisatie van registratie-, rapportage- en gegevensvereisten, zodat ondernemers niet per lidstaat met verschillende systemen worden geconfronteerd?
Hoe kan harmonisatie volgens u juist bijdragen aan méér ambitie op het gebied van circulariteit en producentenverantwoordelijkheid, bijvoorbeeld door naleving eenvoudiger te maken?
Bent u in gesprek met Nederlandse micro- en kleine ondernemers over de verdere uitwerking van de PPWR, zodat de regels ook voor deze groep werkbaar zijn en tegelijkertijd positieve impact hebben?
Het bericht 'Opnieuw wordt een Leidse bewindvoerder ontslagen in alle zaken: 'Hij dacht makkelijk geld te kunnen verdienen'' |
|
Anouschka Biekman (D66) |
|
van Bruggen , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een bewindvoerderskantoor in de regio Leiden door de kantonrechter in alle 146 zaken is ontslagen en dat dit het derde grootschalige ontslag van een bewindvoerderskantoor in die regio binnen een jaar is?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat kwetsbare gedupeerden in zulke onzekerheid worden gestort?
Hoe beoordeelt u dat de betrokken bestuurder in 2025 bij een eerder kantoor al in alle zaken was ontslagen, vervolgens een tweede kantoor kon blijven voeren en ruim een jaar later opnieuw in alle zaken is ontslagen?
Klopt het dat het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren geen grondslag biedt om een bestuurder te weigeren die eerder in alle zaken is ontslagen? Wordt naast de benoembaarheid van het kantoor gekeken naar de bestuurder, opdat ontslagen bestuurders niet zonder meer een nieuw kantoor kunnen oprichten? Zo nee, zou dit bijdragen aan het voorkomen van dergelijke casussen?
Klopt het dat in de brief van 16 april 2025 niet wordt ingegaan op het voorstel uit de initiatiefnota van voormalig Tweede Kamerlid Kat, dat een ontslagen bewindvoerder niet langer benoembaar is en dat er een openbaar register komt waarin schorsingen, waarschuwingen, ontslagen en de overige functies van een bewindvoerder zichtbaar zijn? Wat is uw standpunt hierover, mede gelet op het feit dat cliënten van het betrokken kantoor moesten terugvallen op een recensieplatform om elkaar te waarschuwen?2 3
Heeft het kantoor in 2024 en 2025 de jaarlijkse toets van het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM en de verplichte accountantscontrole doorlopen en zijn daarbij signalen naar voren gekomen, gelet op het feit dat volgens de kantonrechter de rekeningen en verantwoordingen van het kantoor structureel niet op tijd en incompleet werden ingediend? Hoe verhoudt dit zich tot de constatering in de beslisnota bij de brief van 16 april 2025 dat de accountantscontrole volgens het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM niet naar behoren werkt? Wat is de stand van zaken van de daarin aangekondigde verbetering van de accountantscontrole en de kwaliteitseisen?4
Welke mogelijkheden hebben cliënten en gemeenten om dubbel geïnde bedragen terug te vorderen en wie draagt het verlies als terugbetaling uitblijft? Hoe kijkt u in deze context aan tegen het voorstel in de bovengenoemde initiatiefnota van voormalig lid Kat rondom de aansprakelijkheidsprocedure?
Welke juridische belemmeringen bestaan er voor het vroegtijdig delen van klachten en meldingen met de gemeente en andere relevante partijen, gelet op het feit dat de gemeente Leiden aangeeft eerder op de hoogte gesteld te willen worden van klachten en meldingen bij de rechtbank? Bent u bereid te onderzoeken hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen en de samenwerking tussen kantoren, gemeente en rechtbank verder kan worden bevorderd?
Hoe is het gesteld met de algemene beschikbaarheid van bewindvoerders, gelet op het feit dat na ontslag van een bewindvoerder een nieuwe bewindvoerder moet worden aangesteld? Heeft u signalen dat het op nationaal dan wel regionaal niveau het uitdagend kan zijn om bewindvoerders te vinden?
Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de motie van de leden Van Kent en Kat over onderzoeken of er voor het toezicht op bewindvoerders toereikende financiering, capaciteit en middelen zijn?5
Gelet op het feit dat zowel het nu ontslagen kantoor als een eerder ontslagen kantoor in 2021 een overeenkomst tekende met de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Zoeterwoude en Oegstgeest, ziet u mogelijkheden om de doeltreffendheid van kwaliteitsborgingsconvenanten verder te verbeteren, bijvoorbeeld door samenwerkingsafspraken landelijk uniformer vorm te geven?
Welke aanvullende stappen gaat u nemen of verkennen om de kwaliteit bij bewindvoerders beter te borgen?
Hoe kijkt u aan tegen de oproep van branchevereniging Aegis om strengere eisen te stellen aan het toelaten van bewindvoerders? Welke mogelijkheden ziet u bijvoorbeeld om praktijkervaring te vereisen bij een gevestigd bewindvoeringskantoor voordat een bewindvoerder zelfstandig aan de slag kan? Welke mogelijkheden ziet u in collegiaal toezicht, zodat niet alle druk van aanvullend toezicht bij rechtbanken wordt gelegd?6
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen van branchevereniging NVVK om de kwaliteit beter te borgen, bijvoorbeeld door een uniforme werkwijze van rechtbanken te bevorderen, het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM wettelijk beter uit te rusten en strenger te controlen op het vierogenprincipe?7
Databronnen die op De Raffinaderij zijn aangesloten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Kamer een overzicht ontvangen van de databronnen die op De Raffinaderij zijn aangesloten, desnoods vertrouwelijk?
Worden binnen De Raffinaderij gegevens uit openbare bronnen verwerkt, waaronder sociale media of andere openbronneninlichtingen? Zo ja, op welke grondslag en hoe verhoudt zich dat tot de Wet politiegegevens (Wpg) Artikel 8, 9 en 10?
De Staatssecretaris van Defensie heeft aangegeven dat het gebruik van Palantir geleidelijk zal worden afgebouwd binnen defensie, geldt dit ook voor het gebruik van Palantir door de politie?
Voorbereidingen op de aankomende jaarwisseling |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke lessen heeft de politie getrokken uit de afgelopen jaarwisseling? Wat gaat de politie in de voorbereiding op de komende jaarwisseling concreet anders doen?
Is de voorbereiding op de komende jaarwisseling inmiddels in alle politie-eenheden begonnen? Zijn er al trainingen en oefeningen geweest en wanneer worden politiemedewerkers gebrieft over de risico’s en hun inzet?
Wat betekent het nieuwe landelijke vuurwerkregime voor de inzet van de politie tijdens de komende jaarwisseling? Is per politie-eenheid al in kaart gebracht wat dit vraagt van de capaciteit en inzet?
Welke lessen zijn getrokken uit het gerichte geweld tegen politiemedewerkers tijdens de afgelopen jaarwisseling, waaronder situaties waarin hulpverleners in een val zouden zijn gelokt? Worden politiemedewerkers hier tijdens trainingen en briefings specifiek op voorbereid?
Kunt u garanderen dat politiemedewerkers die tijdens de jaarwisseling worden ingezet daadwerkelijk beschikken over goede gehoorbescherming en, waar dat nodig is, hoofdbescherming? Zo nee, voor welke politiemedewerkers kan dit niet worden gegarandeerd?
Hoe verklaart u dat in december 2025 aan de Kamer werd gemeld dat voor iedere politiemedewerker goede gehoorbescherming beschikbaar was, terwijl na de jaarwisseling vanuit de politie het signaal kwam dat veel politiemedewerkers in basisteams daar niet over beschikten? Wat is er sindsdien gedaan om dit voor de komende jaarwisseling op orde te brengen?
Hoeveel politiemedewerkers die tijdens de komende jaarwisseling worden ingezet, hebben dit jaar specifiek getraind op het optreden bij grootschalige ongeregeldheden en geweld? Welk deel van de totale politie-inzet tijdens de jaarwisseling is dat?
Welke afspraken zijn er gemaakt over de opvang en nazorg van politiemedewerkers die tijdens de jaarwisseling slachtoffer worden van geweld of iets ingrijpends meemaken? Is deze hulp tijdens en direct na de jaarwisseling in iedere politie-eenheid beschikbaar?
Eerder waren er signalen dat gewonde politiemedewerkers na geweldsincidenten tegen bureaucratische obstakels aanliepen, wat is er sindsdien veranderd en hoe wordt voorkomen dat politiemedewerkers die tijdens de komende jaarwisseling gewond raken hiermee opnieuw te maken krijgen?
Is ervoor gezorgd dat bij risicovolle inzetten tijdens de jaarwisseling voldoende politiemedewerkers aanwezig zijn die zijn opgeleid en uitgerust om bij ernstig letsel direct levensreddend te handelen totdat ambulancepersoneel de gewonde kan bereiken?
Bent u op de hoogte van dit artikel en kunt u hier reactie op geven?1
Hoe verklaart u dat Nederland enerzijds deze zomer kampte met een feitelijk watertekort, terwijl nu blijkt dat bijna 350.000 woningen kwetsbaar zijn wanneer in korte tijd zeer veel regen valt? Kunt u daarbij ingaan op de tegenstelling dat Nederland in een kwestie van weken van een watertekort naar een wateroverschot zou gaan?
Hoeveel liter regenwater wordt in Nederland jaarlijks via sloten, kanalen, gemalen en rivieren afgevoerd terwijl dit water, technisch gezien, ook geheel of gedeeltelijk had kunnen worden vastgehouden? Wilt u uw antwoorden kwantificeren per waterwerk?
Acht u het wenselijk om grote bedrijventerreinen, distributiecentra en andere locaties met grote (verharde) oppervlakken verplicht meer regenwater op eigen terrein te laten opvangen en hergebruiken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat we in Nederland nooit een tekort aan water hebben, maar dat het probleem gelegen is in het feit dat we het water niet op het juiste moment vasthouden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Welk deel van de extreme neerslag wordt momenteel tijdelijk geborgen of infiltreert in de bodem en welk deel wordt zo snel mogelijk afgevoerd?
Hoe denkt u over een waterlabel? Kunt u daarbij ingaan op de effecten van zo’n label en de financiële gevolgen voor Nederlandse woningzoekenden en woningeigenaren?
Hoeveel woningen zijn er de laatste vijf jaar gebouwd en hoeveel woningen worden er de komende jaren nog gebouwd waarvan bekend is dat zij op locaties staan die kwetsbaar zijn voor extreme neerslag? Om welke locaties gaat het?
Waarom bestaan er voor nieuwbouwwoningen wel landelijke eisen ten aanzien van bijvoorbeeld oververhitting, maar geen uniforme landelijke minimumeis voor de hoeveelheid regenwater die op eigen perceel moet worden vastgehouden of opgevangen?
Welke financiële gevolgen kunnen de nieuwe inzichten over waterlastrisico’s hebben voor de waarde van woningen van huiseigenaren?
Kunt u inzichtelijk maken of, en zo ja hoeveel, het goedkoper is om bij nieuwbouw direct voldoende waterberging en infiltratievoorzieningen aan te leggen ten opzichte van het achteraf aanpassen van een wijk wanneer wateroverlast ontstaat?
De toegankelijkheid van mondzorg voor ouderen |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de vraag naar mondzorg zal toenemen door de dubbele vergrijzing?1
Welke maatregelen overweegt u om zorgmijden voor mondzorg specifiek onder ouderen terug te dringen? Hoe wilt u de tandarts toegankelijker maken voor wie minder mobiel, minder zelfredzaam of dementerend is?
Kunt u de Kamer inzicht verschaffen in de kwaliteit van de mondzorg in verpleeghuizen? Hoe wordt de kwaliteit hiervan gegarandeerd? Zijn er meldingen bekend van mensen die in het verpleeghuis onvoldoende mondzorg ontvangen?
In welke mate informeert de overheid samen met relevante gezondheidspartners ouderen over het belang van goede mondzorg voor de overige gezondheid?
Wat is (voor het meest recente jaar waarvoor u gegevens kunt aanleveren) het totaalbedrag aan zorgkosten die vermeden hadden kunnen worden door het meer vroegtijdig signaleren van ziektes indien alle ouderen effectief minstens 1 keer per jaar naar de tandarts zouden gaan?
Welke mate van afstemming gebeurt er tussen verschillende partijen zoals de verpleegkundigen, thuiszorg en huisartsen om ouderen te blijven wijzen op het belang van goede mondzorg? Is dat volgens u voldoende of zou er meer afstemming moeten plaatsvinden?
Welk beleid voert u om ervoor te zorgen dat er ook op de lange termijn (in 2035 en 2045) voldoende tandzorgaanbod is zodat tandzorg voor alle mensen in Nederland toegankelijk en betaalbaar zal zijn?
Bent u het eens met de stelling uit het Capaciteitsplan dat er een jaarlijkse instroom van 386 studenten nodig is om vraag en aanbod op termijn serieus in evenwicht te brengen? Indien ja, zal u met uw collega van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in gesprek gaan om de numerus fixus naar dit aantal op te trekken?
Indien u zich niet herkent in de stelling uit het Capaciteitsplan, welk aantal opleidingsplaatsen is er dan volgens u wel nodig om de toegankelijkheid van de mondzorg te blijven garanderen? Waarop precies baseert u dat aantal?
De wachttijden in de genderzorg |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (GroenLinks-PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Genderzorg kan vraag niet aan, transmensen beginnen soms zelf al met hormonen»?1
Wat zijn momenteel de gemiddelde wachttijden voor genderzorg? Kunt u dit uitsplitsen per zorgaanbieder?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen sinds uw ambtsvoorganger in 2020 erkende dat mensen hun toevlucht tot zelfmedicatie nemen?2
Hoe reflecteert u op het feit dat al jarenlang aan de bel wordt getrokken over de druk op de genderzorg en de wachttijden, maar de wachttijden alleen maar verder op lijken te lopen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voldoen aan de afspraken uit het Regenboogakkoord, in het bijzonder op de afspraken over transrechten en transzorg?
Deelt u de mening dat het onvoldoende is om mensen te waarschuwen voor de risico’s van zelfmedicatie wanneer zij vervolgens jarenlang op passende zorg moeten wachten? Welke concrete mogelijkheden zijn er voor mensen die nu hulp nodig hebben en voor wie de wachttijd niet overbrugbaar is?
Bent u bereid om met zorgverleners, patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars afspraken te maken over laagdrempelige medische begeleiding voor mensen die al zelfstandig hormonen gebruiken, waaronder beoordeling van gezondheidsrisico’s, noodzakelijke controles en toegang tot specialistisch advies?
Hoe reflecteert u op de uitspraak in het artikel dat de huisarts niet is toegerust op het voortraject van hormoonbehandeling, zeker gelet op de aangenomen motie-Ellemeet c.s.3 over een grotere rol van huisartsen bij hormoontherapie en nazorg? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen onbegeleid gebruik, begeleiding door een geschoolde huisarts in samenwerking met specialisten en zorg waarvoor een gespecialiseerd multidisciplinair team noodzakelijk is?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen om uitvoering te geven aan de aangenomen-motie Ellemeet c.s. over een grotere rol van huisartsen?4 Hoeveel huisartsen zijn inmiddels geschoold? Welke belemmeringen ervaren huisartsen in de praktijk?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen naar aanleiding van de aangenomen motie-Simons c.s.5 over het verplaatsen van transzorg van de derde naar de tweedelijnszorg? Welke diagnostiek en behandelingen zijn inmiddels buiten de universitaire centra beschikbaar, hoeveel extra mensen worden daardoor geholpen en welke knelpunten zijn er voor eventuele verdere uitbreiding?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat alternatieve zorgroutes bekend zijn bij mensen en daadwerkelijk toegankelijk zijn? Worden mensen actief geïnformeerd over passende mogelijkheden bij andere aanbieders en over ondersteuning tijdens het wachten? Deelt u de mening dat zulke ondersteuning noodzakelijk kan zijn, maar wachttijden van vier à vijf jaar het niet overbrugbaar of aanvaardbaar maakt?
Wat hebben zorgverzekeraars en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) concreet gedaan om tijdige toegang tot transzorg te waarborgen? Kunt u inzicht geven in de resultaten van zorgbemiddeling, eventuele onvoldoende inkoop van beschikbare capaciteit en maatregelen bij tekortschietende naleving van de zorgplicht?
Eerder gaf uw ambtsvoorganger aan dat er geen landelijke cijfers zijn over wachttijden in de gemeentelijk gefinancierde genderzorg, zijn deze cijfers inmiddels wel beschikbaar? Zo nee, hoe kunt u zonder dit inzicht beoordelen of de huidige aanpak werkt? Bent u bereid dit alsnog in kaart te laten brengen?6
Wat is de huidige stand van zaken wat betreft de werkagenda van het Landelijk Platform Transgenderzorg? Over welke (financiële) middelen beschikt het platform?
Hoe reageert u op de vaststelling van de Gezondheidsraad dat de wachtlijstproblematiek in strijd is met het recht op gezondheid en ook het recht van kinderen op gezondheid en ontwikkeling kan schaden? Welke verantwoordelijkheid ziet u voor uzelf hierin?
Hoe voorkomt u dat jongeren tijdens het wachten de mogelijkheid op tijdige behandeling verliezen of bij hun achttiende verjaardag opnieuw achteraan moeten aansluiten? Bent u bereid met gemeenten, verzekeraars en aanbieders afspraken te maken over behoud van wachttijd, overdracht en continuïteit van begeleiding en behandeling?
Welke ondersteuning is tijdens het wachten beschikbaar voor mensen bij wie de psychische gezondheid verslechtert? Hoe wordt geborgd dat noodzakelijke psychologische hulp en crisiszorg toegankelijk zijn, ook wanneer iemand nog geen diagnostisch traject heeft doorlopen?
Hoe wordt tijdens het wachten op genderzorg actief gesignaleerd of iemand suïcidale gedachten ontwikkelt of dat bestaande klachten verergeren? Wie draagt verantwoordelijkheid voor het onderhouden van contact en het organiseren van passende hulp, ook wanneer iemand nog geen intake bij een gendercentrum heeft gehad? Bent u bereid hierover landelijke afspraken te maken, inclusief een duidelijk aanspreekpunt voor wachtenden en hun naasten?
Hoe voorkomt u dat mensen met suïcidale gedachten tussen de reguliere ggz en de genderzorg worden verwezen zonder dat een van beide daadwerkelijk hulp biedt? Welke afspraken bestaan over gelijktijdige behandeling van psychische klachten en gendergerelateerde zorgvragen, zodat suïcidaliteit niet automatisch leidt tot verdere vertraging van passende genderzorg? Hoe wordt daarbij een individuele beoordeling van veiligheid en zorgbehoefte gewaarborgd?
Welke concrete acties binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie 2026–2030 zijn gericht op transgender en non-binaire personen, waaronder mensen die wachten op zorg? Welke middelen, verantwoordelijke partijen en meetbare doelen zijn hieraan verbonden? Hoe worden 113 Zelfmoordpreventie, zorgverleners en ervaringsdeskundigen bij de uitvoering betrokken?
Hoe waarborgt u bij de uitvoering van de Wet integrale suïcidepreventie dat gemeenten aandacht besteden aan transgender en non-binaire inwoners? Welke ondersteuning krijgen gemeenten en scholen om discriminatie, pesten en sociale uitsluiting tegen te gaan, signalen van suïcidaliteit te herkennen en mensen naar passende hulp te begeleiden? Hoe zorgt u voor samenhang tussen zorg, onderwijs en emancipatiebeleid?
Welke wachttijd voor genderzorg acht u maximaal aanvaardbaar? Op welk moment concludeert u dat de inspanningen van zorgverzekeraars, het Landelijk Platform Transgenderzorg en gemeenten onvoldoende resultaat opleveren en dat u zelf moet ingrijpen? Welke concrete maatregelen bent u bereid op dat moment te nemen?
Kunt u inzicht geven in het aantal Oekraïners met opleiding tot en/of ervaring als zorgprofessional die naar Nederland gekomen zijn sinds de Russische invasie?
Hoeveel van deze Oekraïense artsen en ander zorgpersoneel werken nu in de zorg in Nederland?
Hoeveel van deze mensen kunnen niet in de zorg werken bij gebrek aan erkenning van hun buitenlands diploma?
Bent u van mening dat Oekraïense zorgprofessionals zouden kunnen bijdragen aan het gedeeltelijk dichten van het personeelstekort in de zorg? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de concrete obstakels in de erkenning van diploma’s voor Oekraïens zorgpersoneel?
Bent u bereid deze obstakels weg te nemen en ervoor te zorgen dat Oekraïense zorgverleners wel in de zorg kunnen werken?
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden om de erkenning van diploma’s van Oekraïens zorgpersoneel te versnellen, zonder in te boeten op de kwaliteit van de zorg, om zo het personeelstekort tegen te gaan en deze mensen perspectief te bieden op een baan die recht doet aan hun vaardigheden?
In welke mate worden Oekraïense zorgverleners begeleid bij de erkenning van hun diploma en het traject naar passend werk binnen hun expertise? Welke bijkomende stappen kunnen hierop gezet worden?
Wat kunnen we van andere Europese lidstaten zoals bijvoorbeeld Duitsland leren bij het sneller inschakelen van artsen en ander zorgpersoneel van buiten de EU?
Hoeveel Oekraïense psychologen zijn op dit moment onderdeel van het initiatief om Oekraïense psychologen in te zetten voor psychosociale ondersteuning, zoals hulp aan kinderen en volwassenen met (oorlogs)trauma’s?
Is het mogelijk om met een gelijksoortige methodiek andere Oekraïense zorgverleners in Nederland aan het werk te zetten?
Een 69-jarige vrouw die dagenlang overleden in een verpleeghuis lag |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Esther (69) ligt dagen dood in verpleeghuis: niemand gaat bij haar kijken» en wat is uw reactie hierop?1
Hoe kan het dat zorgmedewerkers twaalf dagen achter elkaar in het dossier noteerden dat deze kwetsbare bewoonster niet was gezien, zonder dat dit kennelijk aanleiding was om bij haar te gaan kijken?
Klopt het dat met mevrouw was afgesproken dat zij dagelijks ten minste twee contactmomenten met de zorg zou hebben, haar medicatie zou ophalen en eten zou krijgen? Zo ja, waarom is het uitblijven van deze momenten niet als alarmsignaal opgepakt?
Welke professionele normen gelden wanneer een kwetsbare verpleeghuisbewoner herhaaldelijk niet verschijnt voor afgesproken zorg- of medicatiemomenten? Op welk moment moet een zorginstelling controleren of een bewoner veilig is?
Hoe beoordeelt u dat uiteindelijk pas actie werd ondernomen nadat een vreemde geur werd waargenomen en dat de lijkschouwer vervolgens vaststelde dat mevrouw mogelijk vijf tot twaalf dagen overleden was?
Hoe kan het dat ook de dagelijkse schoonmaak kennelijk langere tijd niet heeft plaatsgevonden zonder dat dit binnen de zorgorganisatie werd gesignaleerd? Wie was eindverantwoordelijk voor het bewaken van het welzijn en de veiligheid van deze bewoonster?
Rivas Zorggroep heeft de gebeurtenis bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gemeld. Is deze melding aangemerkt als calamiteit in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)? Wanneer is de melding gedaan en wanneer is de IGJ geïnformeerd?
Is het onderzoek naar het overlijden geleid door een externe onafhankelijke voorzitter en zijn de nabestaanden door de IGJ benaderd, zoals bij een calamiteit met overlijden in de verpleeghuiszorg is voorgeschreven?
Heeft de IGJ het onderzoek van Rivas inmiddels beoordeeld? Wat zijn de conclusies over het uitblijven van zorg, de gemiste medicatie- en contactmomenten, de overdracht tussen diensten en het toezicht binnen de instelling, en welke verbetermaatregelen zijn getroffen?
Vindt u het aanvaardbaar dat een zorgorganisatie zich volgens het bericht beroept op het feit dat mevrouw zorg meed, terwijl medewerkers twaalf dagen lang zelf registreerden dat zij niet was gezien? Hoe verhoudt eigen regie of zorgmijding zich volgens u tot de zorgplicht voor een kwetsbare bewoner aan wie dagelijkse zorg is afgesproken?
Welke concrete maatregelen neemt u naar aanleiding van deze casus om te voorkomen dat een kwetsbare bewoner opnieuw dagenlang buiten beeld kan verdwijnen terwijl medewerkers dit herhaaldelijk registreren, zonder dat iemand daadwerkelijk gaat kijken?
De vacaturemailing van werkenvoornederland.nl |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de melding op werkenvoornederland.nl dat mensen zich niet kunnen inschrijven voor de vacaturemailing en dat er geen vacaturemails meer worden verstuurd voor mensen die zich eerder hebben ingeschreven?1
Kloppen onze signalen dat de vacaturemailing al sinds medio januari buiten werking is vanwege een wijziging in het vacaturesysteem?
Om welke wijziging in het vacaturesysteem gaat het, en waarom valt de maildienst door die wijziging volledig uit?
Wat maakt het herstel zo ingewikkeld dat het inmiddels acht maanden duurt?
Hoe beoordeelt u het dat de melding op de site deze uitval na acht maanden nog steeds «tijdelijk» noemt?
Wanneer verwacht u dat mensen zich weer kunnen inschrijven en weer vacature mails kunnen ontvangen?
Bent u van mening dat de vacaturemailing een belangrijk middel is voor de Nederlandse overheid om medewerkers te werven, juist ook om nieuw (IT-)talent binnen de overheid aan te trekken?
Wat ziet u terug in het aantal bezoekers van de vacaturepagina, het aantal sollicitaties of het type reacties sinds de mailing wegviel, vergeleken met de periode daarvoor?
Hoe voorkomt u dat de Nederlandse overheid talent van binnen en buiten de overheid misloopt door de problemen bij de vacaturemailing?
Welke alternatieven of kanalen, online en offline, zijn er tussentijds ingezet om vacatures extra onder de aandacht te brengen?
Is er een eenvoudige terugvaloptie overwogen, zoals een basismailing of een RSS-feed, zolang het vacaturesysteem niet werkt?
Welke afspraken gelden binnen het Rijk over de hersteltermijn van uitgevallen functionaliteit op publieksgerichte websites, en hoe verhoudt een uitval van deze duur zich tot de ambitie van uitstekende digitale dienstverlening bij een slagvaardige overheid?
Kunt u aangeven wanneer de functionaliteiten om vacaturemails voor mensen die zich hiervoor hebben ingeschreven het weer doet via werkenvoornederland.nl?
Kunt u deze vragen, indien mogelijk beantwoorden voor het commissiedebat Digitaliserende overheid en toezicht?
De invloed van storingen en onderhoud op de beschikbaarheid van DigiD |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de overzichten van Logius met actuele en met afgeronde storingen en onderhoud aan DigiD?1 2
Hoe vaak en hoe lang was DigiD in de jaren 2024, 2025 en 2026 tot nu toe niet of beperkt beschikbaar, uitgesplitst naar storingen en gepland onderhoud?
Welke beschikbaarheidsnorm geldt op dit moment voor DigiD, en wanneer is die voor het laatst herzien?
Waarom telt geplande onbeschikbaarheid binnen het onderhoudsvenster niet mee bij de beschikbaarheid van DigiD die Logius rapporteert?3
Welk beeld geeft het gerapporteerde percentage dan van de beschikbaarheid zoals mensen die zelf ervaren?
Hoeveel uur per jaar is DigiD gepland onbeschikbaar, en binnen welke tijdvensters vindt dat onderhoud plaats?
In hoeverre is dat onderhoudsvenster nog passend nu DigiD steeds vaker de toegang vormt tot medische gegevens, waarvoor mensen ook 's nachts inloggen?
Bent u bereid de beschikbaarheidsnorm en het onderhoudsvenster van DigiD tegen het licht te houden, juist vanwege dat medische gebruik?
Wat verklaart de frequentie en de duur van het onderhoud aan DigiD, en wat is er nodig om beide terug te brengen?
Hoe beoordeelt u de weerbaarheid van DigiD tegen DDoS-aanvallen, nu Logius meerdere storingen in augustus 2026 toeschreef aan terugkerende aanvallen?
Waarom bewaart Logius meldingen over storingen en onderhoud maar één maand in het openbare archief, en bent u bereid deze gegevens langer en als open data beschikbaar te stellen?
Welke rol kan de Nederlandse Digitale Dienst, en in het bijzonder haar doorbraakfunctie voor prioritaire projecten, spelen bij het verbeteren van de beschikbaarheid van DigiD?
De groei van de sociale huurvoorraad in kwetsbare regio's |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie in Hollands Kroon, waar de gemeente inzet op netto groei van de sociale huurvoorraad, maar de woningcorporatie aangeeft die groei tot en met 2030 niet te kunnen realiseren door beperkte investeringscapaciteit?1
Ziet u dit ook als een breder probleem dat beoogde groei van sociale huur, die voortkomt uit een vastgestelde woningbehoefte, niet gerealiseerd kan worden in kwetsbare regio’s door gebrek aan investeringsruimte?
Klopt het dat de Nationale Prestatieafspraken uitgaan van netto groei van de sociale huurvoorraad? Hoe verhoudt het uitblijven van groei in deze situatie zich tot die afspraken en tot de terughoudendheid bij verkoop?
Hoe zal de aankomende Wet Versterking regie volkshuisvesting uitwerken op gemeenten met een relatief laag aandeel sociale huur, zoals de gemeente Hollands Kroon, binnen een regio waar anderen gemeenten juist een relatief hoog aandeel sociale huur kennen? Wat zijn de gevolgen voor de opgave sociale woningbouw in dergelijke gemeenten?
Hoe weegt u de positie van gemeenten in kwetsbare gebieden, met een relatief laag aandeel sociale huur en een aanvullende uitbreidingsopgave op grond van landelijke regelgeving?
Deelt u de opvatting dat het uitblijven van groei van de sociale huurvoorraad – terwijl de behoefte aan sociale huurwoningen in deze regio's aantoonbaar aanwezig en groeiende is, onder andere blijkend uit wachttijden voor sociale huur, woningbehoefteonderzoek en de eigen, vastgestelde groeidoelstellingen van gemeenten – nadelig is voor gemeenten en regio's als Hollands Kroon en de Kop van Noord-Holland, omdat dit kan leiden tot vertrek van jongeren en starters, krapte in vitale beroepen en verdere druk op voorzieningen?
Klopt het dat de Kop van Noord-Holland deel uitmaakt van het Nationaal Programma Vitale Regio's? Deelt u de opvatting dat in zulke regio's voldoende en groeiende beschikbaarheid van betaalbare woningen essentieel is voor leefbaarheid en sociaaleconomische vitaliteit?
Hoe garandeert u dat woningcorporaties over voldoende investeringscapaciteit beschikken om ook in kwetsbare en perifere regio's te blijven investeren?
Acht u het wenselijk dat woningcorporaties in zulke gemeenten volstaan met behoud van de bestaande voorraad, terwijl zij elders wel uitbreiden?
Hoe beoordeelt u de spanning tussen enerzijds verkoop van sociale huurwoningen door corporaties in de ene regio ten behoeve van investeringen in een andere regio, en anderzijds de lokale verantwoordelijkheid van gemeenten voor woonresultaten en leefbaarheid?
Welke instrumenten ziet u om te bevorderen dat opbrengsten uit verkoop van sociale huurwoningen door een corporatie zoveel mogelijk opnieuw worden ingezet in dezelfde gemeente?
In hoeverre acht u het huidige investerings- en toezichtskader voor woningcorporaties toereikend om ook in perifere regio's bij te dragen aan volkshuisvestelijke en maatschappelijke doelen?
Bent u bereid om in de Nationale Prestatieafspraken expliciet aandacht te geven aan sociale woningbouw in kwetsbare en achtergestelde regio's, zoals bedoeld binnen het Nationaal Programma Vitale Regio's?