Het artikel 'VIDEO - ‘Jodenjager Ajax-Maccabi’ webcamt vanuit gevangenis: ‘We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg’' |
|
Maikel Boon (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Jodenjager Ajax-Maccabi» webcamt vanuit gevangenis: «We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg»»1?
Ja.
Klopt het dat de man die in de video te zien is betrokken was bij de Jodenjacht rond Ajax – Maccabi Tel Aviv in Amsterdam op 7 november 2024?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek en de identiteit van personen.
Klopt het dat deze persoon ten tijde van het videogesprek in detentie verbleef, zoals hij zelf beweert in de video? Zo ja, welke concrete maatregelen en sancties zijn tegen deze persoon getroffen?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft naar aanleiding van de video de beelden nader bestudeerd. Op basis van de beelden is het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting (PI). In zijn algemeenheid kan ik aangeven dat indien er een telefoon (of andere contrabande) wordt aangetroffen in een Nederlandse PI – die herleidbaar is tot een gedetineerde – de vestigingsdirecteur beslist welke disciplinaire straf wordt opgelegd. Er kan dan sprake zijn van plaatsing in een strafcel, het beperken van bezoekrechten, uitsluiting van deelname aan activiteiten en het intrekken van verloven. In regimes waar het Toetsingskader promoveren en degraderen geldt, kan de gedetineerde gedegradeerd worden naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd.
Indien deze persoon daadwerkelijk gedetineerd was: hoe is het mogelijk dat hij vanuit detentie toegang had tot een webcam- of chatplatform en van daaruit antisemitische uitingen kon verspreiden?
Zie het antwoord op vraag 3. Op basis van de beelden stelt DJI dat de beelden niet in een Nederlandse penitentiaire inrichting zijn opgenomen.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat iemand die betrokken was bij antisemitisch geweld vanuit detentie opnieuw antisemitische haat kan verspreiden?
Ja, het verspreiden van antisemitische of andere discriminerende opmerkingen, al helemaal vanuit detentie, is uit den boze.
Hoe kan het dat iemand die openlijk oproept tot Jodenhaat, trots zegt op Joden te hebben «gejaagd» en vanuit detentie opnieuw antisemitische propaganda verspreidt, überhaupt in aanmerking komt voor fasering, verlof of andere vrijheden?
Zoals in de beantwoording van vraag 3 is aangegeven, acht DJI het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting. Ik kan in algemene zin wel aangeven hoe wordt omgegaan met detentiefasering: het geleidelijk verlenen van meer externe vrijheden om zo te werken aan terugkeer in de samenleving. Hierbij kan gedacht worden aan verlof. DJI besluit omtrent het verlenen van verlof op basis van adviezen van de politie, het openbaar ministerie en de reclassering. Daarnaast kan er gedacht worden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Hiertoe beslist het Openbaar Ministerie op basis van onder meer adviezen van de directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering, informatie van slachtoffers en andere relevante personen en eventuele informatie van het CJIB). In algemene zin wordt bij beslissingen over vrijheden onder meer het gedrag tijdens detentie betrokken als een van de criteria op basis waarvan een besluit wordt genomen. Dat geldt ook voor eventuele risico’s die worden gezien bij een mogelijke terugkeer in de samenleving. Zo wordt er gekeken naar het recidiverisico en het risico op verstoring van de openbare orde en veiligheid als de vrijheden worden verleend. Daarnaast worden ook de belangen van slachtoffers en nabestaanden meegewogen. Indien bijvoorbeeld risico’s bij terugkeer, met name ten aanzien van slachtoffers of andere beschermingsbehoeftige personen, niet voldoende kunnen worden beperkt en beheerst – ook niet met bijzondere voorwaarden zoals contact- of locatieverboden – wordt afgezien van het verlenen van vrijheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat veroordeelde daders van antisemitisch geweld die vanuit detentie opnieuw antisemitische haat verspreiden of openlijk aanhangen, niet in aanmerking komen voor versoepeling van hun detentie, fasering, verlof of voorwaardelijke invrijheidstelling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het bericht «Van vrouwenmars tot kindermars: wat de asielprotesten zeggen over de normalisering van extreemrechts»?1
Ja.
Deelt u de zorgen dat rechts-extremistische groepen bewust maatschappelijke onrust proberen aan te wakkeren rondom asielopvang om hun extreemrechtse ideologie breder te verspreiden?
Ja, die zorgen deel ik. De AIVD en NCTV constateren dat rechts-extremisten de afgelopen jaren vaker toegang krijgen tot en zich consequent mengen in verschillende maatschappelijke debatten. Verschillende rechts-extremisten en organisaties in Nederland zijn doelbewust bezig met het gangbaarder maken van het rechts-extremistische narratief in Nederland. Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling. Façadepolitiek is hier onderdeel van. Hierbij gebruiken zij een verhulde vorm van hun denkbeelden, die op het eerste gezicht acceptabel zijn voor een grotere groep. Dit doen zij bewust; hiermee bereiken zij potentieel meer mensen, zoals bezorgde burgers. Dit doen zij onder andere door het beïnvloeden van het online debat en propaganda in de publieke ruimte, aansluiten bij en kapen van demonstraties, het zoeken naar internationale samenwerking en toenadering tot uiterst rechts.
Welke signalen zijn bij u bekend over de betrokkenheid van extreemrechtse groeperingen bij lokale protesten tegen asielzoekerscentra?
Klopt het beeld dat sprake is van rondreizende rechts-extremisten die asieldemonstraties laten escaleren, vernielingen plegen en politieagenten belagen?
Kunt u inzichtelijk maken welke verschillende rechts-extremistische groepen aanwezig zijn bij dit soort protesten?
Is bekend of er afstemming tussen de verschillende rechts-extremistische groepen plaatsvindt, of dat zij geïsoleerd van elkaar handelen?
Zijn de individuele leden van deze groepen in beeld, en is daarbij een overlap te zien van lidmaatschap van meerdere rechts-extremistische groepen?
In hoeverre worden leden van deze groepen die zich misdragen tijdens demonstraties opgespoord en veroordeeld? Is de pakkans hierbij hoog genoeg volgens u?
De opsporingsinstanties spannen zich ten volste in voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten gepleegd tijdens de rellen bij de asielzoekerscentra. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 20 mei jl. aangegeven dat in 2026 meer dan vijftig aanhoudingen zijn verricht naar aanleiding van rellen bij asielzoekerscentra en dat de verwachting is dat er meer aanhoudingen zullen volgen. Ik meen dan ook dat de pakkans hoog genoeg is.
Op welke manier kunnen rechts-extremistische leden van groepen die eerder zijn veroordeeld voor (het aanzetten tot) geweld, vernielingen en agressie bij protesten geweerd worden van toekomstige georganiseerde acties waarbij ordeverstoring en geweld de bovenhand voeren, en vreedzaam demonstreren ver te zoeken is?
Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester de bevoegdheid om een demonstratie te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden of te beëindigen. Dat kan alleen als dat noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer, of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Waar noodzakelijk en proportioneel kan opgetreden worden tegen strafbare feiten die tijdens een demonstratie plaatsvinden. Een demonstratie komt bovendien alleen bescherming van art. 9 Gw en art. 11 EVRM toe, wanneer deze vreedzaam is.2 Demonstranten die geweld gebruiken, komen geen bescherming van het demonstratierecht toe.
Het is gebruikelijk dat de politie informatie (vanuit verschillende bronnen, binnen de huidige wettelijke kaders) verstrekt in de driehoek t.a.v. het aantal te verwachten deelnemers en of er bijzonderheden zijn waar rekening mee gehouden moet worden. Dat is cruciaal in de duiding en om een inschatting te kunnen maken van de impact en mogelijke risico’s in het kader van de openbare orde en om vervolgens de juiste (veiligheid)maatregelen te kunnen treffen.
Op het moment dat er signalen zijn van extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, OM en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen te herkennen, bijvoorbeeld door de training rechts-extremisme te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering of hulp en advies in te winnen van het Landelijk Steunpunt Extremisme.
Welke preventieve maatregelen kunnen extra worden genomen te voorkomen dat dergelijke rondtrekkende rechts-extremistische groepen de lokale demonstraties gijzelen?
Zie antwoord vraag 9.
Welke rol spelen online platforms en Telegramgroepen volgens u bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten?
Het is lastig inzichtelijk te maken hoe groot de rol is van online platformen bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten. In algemene zin hebben ernstige verstoringen van de openbare orde steeds vaker hun wortels in het online domein of worden ze van daaruit aangejaagd of versterkt. In het online domein is dan ook veel informatie te vinden over ernstige verstoringen die essentieel is voor de politie en de burgemeester om hun taak ter handhaving van de openbare orde naar behoren te kunnen uitoefenen. Daarom werk ik aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie voor het voorkomen en/of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, online gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Hiervoor ligt het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde voor advies bij de Raad van State. Het wetsvoorstel gaat over het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het advies van de Raad van State is ook relevant voor dit binnenkort op te starten wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten chatgroepen te kijken. Het streven is om het wetsvoorstel over de besloten groepen in de tweede helft van 2026 in consultatie te brengen. Dit is mede afhankelijk van het advies dat ik ontvang van de Raad van State op het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde.
Bent u bereid te onderzoeken of sprake is van landelijke coördinatie tussen extreemrechtse actiegroepen die actief zijn bij lokale asielprotesten?
De politie doet op dit moment onder het gezag van het OM onderzoek naar mogelijk strafbare handelingen tijdens de asielprotesten.
In algemene zin geldt dat de AIVD, op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, onderzoek kan doen naar personen dan wel organisaties waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
In hoeverre kunnen uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed onder de huidige wetgeving strafbaar zijn, ook wanneer deze verhuld plaatsvinden?
Het Wetboek van Strafrecht kent verschillende strafbaarstellingen waarmee in het openbaar gedane uitingen (waaronder ook het tonen van bepaalde afbeeldingen of symbolen) strafrechtelijk kunnen worden aangepakt, zoals opruiing, groepsbelediging en het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. Het is echter afhankelijk van de precieze omstandigheden van het concrete geval of een bepaalde uiting strafbaar is. Daarbij speelt onder meer de context waarin de betreffende uiting is gedaan, de kennelijke bedoeling van de uiting, de doelgroep waarop de uiting was gericht, de plaats of gelegenheid waar de uiting wordt gedaan en de associatie die een bepaalde uiting kan oproepen, een rol. Daarbij kan ook in ogenschouw worden genomen of de openbare uiting op een verhullende manier is gedaan.
Het bovenstaande geldt ook voor uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed. Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of in een concreet geval strafrechtelijke vervolging moeten worden ingesteld. Het uiteindelijke oordeel over de strafbaarheid is aan de rechter.
Welke maatregelen worden genomen om burgemeesters en lokale driehoeken beter te kunnen ondersteunen bij demonstraties waarbij signalen bestaan van radicalisering, geweld en intimidatie?
Het aanpakken van radicalisering richting extremisme of terrorisme begint bij het herkennen van zorgelijke signalen. Om dit te kunnen signaleren, is het belangrijk dat lokale partners beschikken over de juiste kennis en vaardigheden, en een goed netwerk. Gemeenten, politie en andere professionals spelen hierin een cruciale rol. Gemeenten worden hierin ondersteund door middel van de Versterkingsgelden die het Rijk jaarlijks aan hen beschikbaar stelt. Met deze gelden worden onder andere lokale professionals getraind om hun kennis en vaardigheden in het tegengaan van radicalisering en extremisme en het herkennen van signalen te vergroten. Lokale partners worden bovendien actief meegenomen in de ontwikkelingen in de dreiging, zoals die beschreven staan in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Daarnaast biedt de NCTV mogelijkheden aan om kennis te delen over fenomenen van radicalisering. De NCTV heeft een team met lokaal adviseurs die hierin kunnen faciliteren.
In samenwerking met het Rijk zet de VNG ondersteuningsteams op die gemeenten ondersteunen in een aantal aspecten rondom het openen van asielzoekerscentra. Denk hierbij aan communicatie, participatie, openbare orde en veiligheid en bestuurlijke advisering. Dit kan gemeenten ondersteunen in de omgang met onder meer demonstraties.
In het geval van (verwachte) risicovolle demonstraties, kan de politie een binnen de voor hun geldende wettelijke kaders analyse uitvoeren. Dergelijke analyses worden gedeeld in de lokale driehoek ter voorbereiding op de demonstraties. Verder blijft het handelingsperspectief beperkt tot wat tijdens een demonstratie gebeurt of is gebeurd. Graag verwijs ik u ook naar het antwoord op vragen 9 en 10.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de NCTV dat het niet expliciet benoemen van rechts-extremistische motieven kan bijdragen aan verdere normalisering van extremistisch gedachtegoed?
Het kabinet neemt die waarschuwing ter harte en zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen alle dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. In het coalitieakkoord wordt dan ook expliciet stilgestaan bij de dreiging van rechts-extremisme en de normalisering hiervan.
Hoe wordt voorkomen dat inwoners met oprechte zorgen over het plaatsen van asielzoekers worden meegezogen in rechts-extremistische of antidemocratische bewegingen?
Mensen die op een vreedzame manier samenkomen om hun zorgen te uiten richting de (lokale) overheid hebben het volste recht deel te nemen aan een demonstratie. Ook zijn er informatieavonden waarbij gemeenten, het COA en indien nodig de politie de plannen, veiligheid, leefbaarheid en het verloop van de opvang toelichten. Wanneer oprechte zorgen omslaan in extremistische uitingen, bestaat een breed instrumentarium om extremisme tegen te gaan.
Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Op het moment dat er signalen zijn van rechts-extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, Openbaar Ministerie en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen specifiek op het gebied van rechts-extremisme te herkennen door trainingen te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering. Sinds 2023 is er een online Symbolenbank beschikbaar, die professionals kunnen gebruiken om rechts-extremistische en rechts-terroristische verschijningsvormen te herkennen. Deze Symbolenbank is ontwikkeld door de NCTV en de Nationale Politie. Tot slot biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en burgers in de omgang met radicalisering. Ook gemeenten kunnen hier terecht met vragen.
Het artikel ‘Ombudsman: gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Ombudsman: «gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten» en van het onderzoek van de Nationale ombudsman over de mate waarin de overheid demonstratierecht behoorlijk beschermt en faciliteert?1, 2
Ja.
Herkent u de volgende constatering van de Nationale ombudsman: «Ook aan anti-abortusdemonstranten leggen gemeenten soms voorschriften op die niet overeenkomen met het juridisch kader»?
Ik ben bekend met het rapport van de Nationale ombudsman waarin is opgenomen dat gemeenten soms aan anti-abortusdemonstranten voorschriften opleggen die niet overeenkomen met het juridisch kader. Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de burgemeester hierin een juiste afweging heeft gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan over demonstraties bij abortusklinieken.4 Daarin heeft de rechter duidelijke handvatten gegeven aan gemeenten over hoe kan worden omgegaan met demonstraties bij abortusklinieken.
Kunt u toelichten om welke gemeenten het hier gaat en op welke wijze de door deze gemeenten opgelegde voorschriften niet in overeenstemming zijn met het juridisch kader?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat ook anti-abortusdemonstranten delen in dezelfde rechten als andere demonstranten, en dat dergelijke oneigenlijk opgelegde voorschriften daardoor zeer onwenselijk zijn?4
Een ieder heeft in Nederland het recht om te demonstreren. Daarbij mag geen onderscheid gemaakt worden in het onderwerp of thema waarover wordt gedemonstreerd. Het is aan het lokale gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. De burgemeester kan voorafgaand aan een demonstratie voorschriften stellen en tijdens een demonstratie aanwijzingen geven over het verloop van de demonstratie, maar alleen op grond van drie criteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van een demonstratie speelt daarbij geen rol.
Bent u bereid met deze gemeenten in gesprek te treden om herhaling te voorkomen, en gemeenten in bredere zin voor te lichten om te voorkomen dat zij met hun voorschriften inbreuk maken op het demonstratierecht, juist ook van deze groep demonstranten?
Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om gemeenten hierover aan te spreken.
Ruimte voor voorlichting is er zeker; dat doen we onder meer door financiële ondersteuning van de website demonstratierecht.nl. Ook is er, ter voorbereiding van het opstellen van de kabinetsreactie op het WODC-rapport over het demonstratierecht, gesproken met de gemeenten waarin een abortuskliniek gevestigd is over dit type demonstraties. Tijdens dit overleg hebben de gemeenten onderling ervaringen uitgewisseld over de wijze waarop deze demonstraties door het lokale gezag in goede banen geleid kunnen worden. Tot slot heeft er in januari van dit jaar een kennisuitwisselingsbijeenkomst plaatsgevonden met onder andere burgemeesters en gemeenteambtenaren, waarbij dit onderwerp aan bod is gekomen.
Kunt u deze vragen binnen de gangbare termijn, maar in elk geval ruim voor het commissiedebat over het demonstratierecht, beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Mirjam Sterk (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Suzanne Kröger (PRO), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen , Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
Het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechter zet streep door ontruiming: man met twee koopappartementen mag in sociale huurwoning blijven»?1
Hoe beoordeelt u deze situatie waarin een huurder die eigenaar is van twee koopappartementen toch in zijn sociale huurwoning kan blijven wonen, terwijl honderdduizenden woningzoekenden jarenlang niet aanmerking komen voor een (sociale huur-) woning?
In hoeverre deelt u de opvatting dat sociale huurwoningen in de eerste plaats bedoeld zijn voor huishoudens die (financieel) niet in staat zijn zelfstandig in hun huisvesting te voorzien en dat het onwenselijk is dat personen met een substantieel vermogen een sociale huurwoning bezet houden? Zo nee, waarom niet?
Weet u hoeveel sociale huurwoningen worden bewoond door mensen die daarnaast eigenaar zijn van één of meerdere woningen of beschikken over vermogen dat ruim boven de nog in te voeren vermogensgrens ligt? Zo ja, hoe veel woningen zijn dit? Zo niet, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Klopt het dat woningcorporaties in dergelijke gevallen op dit moment slechts beperkt mogelijkheden hebben om een huurovereenkomst te beëindigen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Wat is de stand van zaken van de in het coalitieakkoord aangekondigde invoering van de eenmalige vermogenstoets en de jaarlijkse inkomenstoets bij sociale huurwoningen? Indien sprake is van vertraging, wat is daarvan de oorzaak?
Bent u bereid in de toekomst een herhaaldelijke vermogenstoets te verkennen voor sociale huurders die na intrekking in de woning aanzienlijk vermogen opbouwen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te bezien of woningcorporaties een expliciete wettelijke grondslag kunnen krijgen om de huur te beëindigen indien een huurder beschikt over voldoende vermogen en daarmee redelijkerwijs zelf in zijn huisvesting kan voorzien?
Welke andere maatregelen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat sociale huurwoningen daadwerkelijk beschikbaar blijven voor huishoudens die daarop zijn aangewezen en niet worden bezet door mensen die over aanzienlijke vermogens beschikken?
Bent u bereid de Kamer vóór de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te informeren over de voortgang van de invoering van de vermogenstoets en andere maatregelen om scheefwonen effectiever tegen te gaan?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Het verslavend ontwerp van Instagram en Facebook |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen van de Europese Commissie over het verslavende ontwerp van Instagram en Facebook1 en de berichtgeving hierover?2
Wat is uw reactie op de bevindingen van de Europese Commissie? Deelt u de analyse dat Meta willens en wetens gebruikmaakt van verslavend ontwerp, ten koste van de privacy en gezondheid van haar miljarden gebruikers?
Vindt u dat het onderzoek van de Europese Commissie snel genoeg is verlopen, aangezien al lang en breed bekend is dat Meta verslavend ontwerp toepast op Instagram en Facebook?
Wat is er nodig om de Digital Services Act sneller, effectiever en harder in te kunnen zetten tegen techbedrijven die verslavend ontwerp toepassen? Wat is hiervoor de inzet van dit kabinet?
Kunt u uitleggen wanneer Meta technische aanpassingen moet doorvoeren op Instagram en Facebook? Welke aanpassingen zijn dit?
Hoe hoog is de boete die Meta riskeert? Vindt u de boete hoog genoeg om het bedrijf tot actie te dwingen?
Wanneer moet Meta de aanpassingen doorvoeren? Is hier een harde deadline voor? Zo niet, bent u bereid hiervoor te pleiten bij de Europese Commissie?
Vertrouwt u er op dat Meta de aanpassingen zal doorvoeren? Op welke manieren kunnen de Europese Commissie of afzonderlijke lidstaten de druk opvoeren om dit tijdig te doen?
Hoe kunt u, samen met het Nederlandse veld van experts, burgerrechtenorganisaties en toezichthouders, bijdragen aan de stappen die de Europese Commissie zet tegen Meta?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Jan Schoonis (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD), Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
Wat is er gedaan sinds het in oktober 2024 aannemen van de motie van de leden Van der Werf en Becker over expertise op het terrein van femicide landelijk samenbrengen ter ondersteuning van een laagdrempelige 24/7-hulplijn?
Hoe staat het met de toezegging uit de voortgangsbrief van december 2025 dat u de meerwaarde van een onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning via het Europese nummer 116 verder zou willen verkennen? Waarom is hierover niets terug te vinden in de meest recente voortgangsbrief van 3 juli 2026? Kunt u aangeven welke concrete stappen sinds december 2025 zijn gezet?
Kunt u toezeggen dat u niet gaat wachten op de verdere ontwikkeling van Veilig Thuis en een eventuele landelijke chatfunctie van Veilig Thuis voordat u aan de slag gaat met de verdere ontwikkeling van een laagdrempelig landelijk meldpunt, zoals nummer 116 voor onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties?
Deelt u de mening dat een chatfunctie van Veilig Thuis niet de lading dekt van de verzoeken van de Kamer om een laagdrempelige landelijke hulplijn te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Beschikt u over landelijke cijfers waaruit blijkt hoeveel slachtoffers die zich in een (acuut) onveilige situatie bevinden zelf contact opnemen met Veilig Thuis? Wordt daarnaast geregistreerd hoeveel van deze slachtoffers voor het eerst over het geweld vertellen en om hulp vragen («first disclosure»)? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze gegevens structureel te laten monitoren?
Bent u bekend met de voortgangsbrief van december 2025 met daarin een reactie op de petitie van Valente over 116? Op welke wijze zijn de voorstellen uit deze petitie en de daaropvolgende gesprekken met Valente betrokken bij de verdere uitwerking van uw beleid sinds december 2025?
Welke concrete voorwaarden moeten volgens u worden vervuld voordat het besluit tot de verdere ontwikkeling van 116 als onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd, en kunt u de Kamer hierover uiterlijk op Prinsjesdag 2026 informeren?
Bent u bereid om alles op alles te zetten om voor de begrotingsbehandeling in 2026 een laagdrempelige 24/7 hulplijn die ook telefonisch bereikbaar is, bij voorkeur via het nummer 116, operationeel te hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer inzicht geven in de praktische en financiële consequenties van het realiseren van een hulplijn met daarachter een samenwerkingsverband van bestaande organisaties? Indien u niet van mening bent dat dit haalbaar is, kunt u dit onderbouwen met een overzicht van de belangrijkste knelpunten en de daarbij horende kosten?
Het opnieuw weggeven van Nederlands belastinggeld aan Gaza terwijl Hamas eerdere hulpgelden liet verdwijnen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Hoeveel van de door de Europese Unie (EU) bijeengebrachte circa 883,6 miljoen euro voor Gaza wordt door Nederland opgehoest1 2? Kunt u dit bedrag exact noemen en aangeven op welke begrotingspost dit wordt gedekt?
Bent u bekend met de publieke erkenning van Mahmoud al-Habbash, adviseur van de president van de Palestijnse Autoriteit, Abbas, dat eerdere hulpgelden voor Gaza via Hamas zijn ingezameld en vervolgens gewoon zijn «verdwenen»3?
Erkent u het risico dat het geen hypothetisch scenario is dat ook dit nieuwe pakket van 900 miljoen euro4 in de zakken van Hamas verdwijnt, maar een patroon dat door de eigen topadviseur van Abbas zelf is bevestigd5? Zo nee, op basis van welke harde garantie meent u dat het dit keer wel goed gaat?
Kunt u concreet, met naam en toenaam, aangeven welke «vertrouwde partners» dit geld gaan beheren en welk sluitend controlemechanisme uitsluit dat ook maar één euro bij Hamas of aan Hamas gelieerde structuren terechtkomt6? Zo u dat niet kunt, erkent u dan dat dit pakket in de praktijk een blanco cheque is aan een terreurorganisatie?
Waarom blijft u, ondanks jarenlange en nu ook door de Palestijnse Autoriteit zelf bevestigde verduistering van hulpgelden door Hamas7, keer op keer Nederlands belastinggeld toezeggen aan dit soort ondoorzichtige constructies?
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan dit pakket per direct stop te zetten nu vaststaat dat eerdere hulpgelden voor Gaza structureel in handen van Hamas zijn verdwenen? Erkent u dat ontwikkelingshulp aan het buitenland direct zou moeten worden afgeschaft en dat Nederlands belastinggeld uitsluitend aan de eigen bevolking moet worden besteed, bijvoorbeeld aan zorg, veiligheid en koopkracht, in plaats van aan buitenlandse bandieten en corrupte regimes? Zo nee, waarom vindt u het financieren van buitenlandse bandieten belangrijker dan het besteden van belastinggeld aan Nederlanders?
Meer aandacht in het onderwijs voor (het voorkomen van) geweld tegen vrouwen en meisjes |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie «Van achter de voordeur naar het klaslokaal» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers, Valente en de Blijf Groep?
Wat vindt u van de oproep om aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie expliciet aandacht te besteden in de klas als onderdeel van het burgerschapsonderwijs en/of seksuele vorming en ziet u mogelijkheden om deze elementen expliciet op te nemen in de SLO-documenten of in de wijze waarop de Inspectie toeziet op de naleving ervan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat professionals en organisaties in het veld belangrijke hiaten zien in de wijze waarop scholen binnen de kerndoelen en eindtermen aandacht besteden aan gendergerelateerd geweld en het voorkomen daarvan en bent u het met de indieners van de petitie eens dat dit nog onvoldoende gebeurt?
Heeft u cijfers van de mate waarin op scholen expliciet aandacht wordt besteed aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie? Zo nee, bent u bereid de Inspectie hiernaar te vragen?
Op welke manier is het herkennen van signalen en het veilig en zorgvuldig handelen wanneer een kind mogelijk met geweld (zelf of in het gezin) te maken heeft, op dit moment onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Op welke wijze is het lesgeven over gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie momenteel onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Zijn er op dit moment voldoende lesmethodes waar scholen gebruik van kunnen maken als zij aandacht willen besteden aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie en zo ja, waar kunnen scholen deze vinden? Zo nee, wat kunt u vanuit uw rol doen om meer laagdrempelige lesmethodes hiervoor beschikbaar te krijgen?
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de indieners van de petitie om gezamenlijk tot een aanpak te komen waarmee het onderwijs beter in staat wordt gesteld een rol te spelen in het voorkomen en het herkennen van gendergerelateerd geweld en relationele onveiligheid?
In hoeverre acht u, vanuit uw zicht op de praktijk van scholen, de huidige mogelijkheden voor het tijdig delen van informatie over signalen en meldingen over gendergerelateerd geweld tussen scholen, politie en Veilig Thuis voldoende en bent u bereid hier navraag over te doen bij scholen?
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van J&V en de Minister van VWS om het onderwijs op te nemen als één van de pijlers in het Actieplan Stop geweld tegen vrouwen?
Het invoeren van chatcontrole |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europees Parlement stemt in controversiële spoedprocedure alsnog voor het checken van berichten op beelden van kindermisbruik»?1
Wat vindt u van het verlengen van «chatcontrol 1.0»2 en de manier waarop dit via een spoedprocedure, mede onder druk van de Europese Commissie en grote techbedrijven, is geforceerd?
Wat is de zienswijze van dit kabinet op deze vorm van chatcontrole? Volgt u nog steeds de beide aangenomen moties-Kathmann (Kamerstukken 32 317, nr. 891 & 32 317, nr. 981) die vragen om zich tegen chatcontrole te verzetten?
Wat zijn de gevolgen van deze stemming voor de privacy van Nederlandse burgers, nu vrijwillige chatcontrol niet alleen opnieuw is ingevoerd, maar is uitgebreid ten opzichte van de vorige vrijstelling?
Op welke manier mogen techbedrijven AI toepassen om berichtenverkeer tussen burgers te surveilleren? Kunt u duidelijk maken wat voor techniek hiervoor wordt toegepast door de relevante bedrijven?
Hoe wordt voorkomen dat onschuldige burgers op basis van valse positieven verdacht worden gemaakt en worden gemeld bij de politie of Europol?
Deelt u de zorgen van de indiener dat, zolang het scannen van online berichtenverkeer is toegestaan, er een reëel risico is dat deze techniek ook voor andere doeleinden zal worden gebruikt als gevolg van «mission creep»?
Hoe staat het met de onderhandelingen voor de CSAM-verordening, waar een vorm van chatcontrole tot dusver altijd een onderdeel van is geweest? Wanneer verwacht u dat hierover een stemming zal plaatsvinden?
Bent u bereid de Kamer een beslismoment voor te leggen als er een belangrijke (voor)stemming nadert met betrekking tot chatcontrole, zodat zij tijdig en goed geïnformeerd de kabinetsinzet kan sturen?
Kunt u bevestigen dat Nederland zich ten alle tijden en onomwonden zal verzetten tegen voorstellen die het scannen van versleutelde berichten mogelijk maken, al dan niet via een omweg?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Abortus op sociale indicatie bij 22 of 23 weken zwangerschap |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er een landelijke «pilot» gaande is vanuit de commissie Gynaecoloog en Maatschappij van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) om via de reguliere geboortezorg in ziekenhuizen abortussen op sociale indicatie te gaan uitvoeren bij 22 of 23 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven welke ziekenhuizen zich al hebben aangemeld voor deze pilot?
Kunt u bevestigen dat het de bedoeling van de NVOG is om dergelijke abortussen (naar verwachting enkele honderden per jaar) via regionale spreiding in meerdere Nederlandse ziekenhuizen uit te gaan voeren?
Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke ontwikkeling is?
Erkent u dat dit gaat over een verruiming van de abortuspraktijk?
Erkent u dat dit type abortussen omstreden en beladen zijn?
Deelt u de mening dat over een dergelijke fundamentele wijziging van de abortuspraktijk eerst een politiek debat moet worden gevoerd, waarbij alle aspecten, zowel ethisch als juridisch, uitgebreid aan bod komen?
Bent u bereid om deze ontwikkeling tegen te houden totdat de Kamer zich hierover fundamenteel heeft kunnen uitspreken?
Sinds wanneer bent u op de hoogte van dit initiatief? Waarom heeft u de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
Kunt u ook de toolkit en het praktische protocol die zijn gemaakt door de betreffende werkgroep vanuit de NVOG met de Kamer delen?
Bent u bekend met de brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uit 2021 aan de NVOG en het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) over abortus op sociale indicatie in week 22 en 23? Kunt u deze brief met de Kamer delen?
Indien u bekend was met deze brief, waarom heeft u de Kamer hierover nooit geïnformeerd? Indien u niet bekend was met deze brief, hoe is het mogelijk dat de Kamer niet actief betrokken wordt bij een dergelijke ingrijpende wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u aangeven of deze nieuwe werkwijze ook een formele status heeft? Zijn de richtlijnen van de NVOG en het NGvA hierop aangepast? Zo nee, hoe kan het dat deze fundamentele wijziging van de abortuspraktijk doorgevoerd kan worden zonder dat dit in overeenstemming is met geldende richtlijnen? Zo ja, waarom zijn deze aangepaste richtlijnen niet openbaar gemaakt?
Kunt u uitleggen waarom ziekenhuizen tot op heden zich bewust hebben beperkt tot abortussen op grond van medische indicatie (prenatale diagnostiek) en geen tweede trimester abortussen op grond van «sociale indicatie» uitvoeren?
Hoe verhoudt deze wijziging van de abortuspraktijk zich tot interne protocollen van ziekenhuizen over medicamenteuze zwangerschapsafbreking gedurende het tweede trimester, waarin duidelijk staat dat zij zich beperken tot abortus op grond van medische indicatie?
Moet elk ziekenhuis verplicht gaan meewerken aan abortussen op sociale indicatie in week 22 en 23?
Wat is het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen over deze ontwikkelingen?
Kunt u bevestigen dat het feit dat abortusklinieken en ziekenhuizen er tot op heden bewust voor kiezen om geen abortussen in week 22 en week 23 uit te voeren in de twee evaluaties van de Wet afbreking zwangerschap nooit als urgent probleem naar voren is gekomen? Wat zegt dit en waarom zou dit nu wel moeten worden geproblematiseerd?
Erkent u de waarde van het ongeboren leven zoals dat tot uitdrukking wordt gebracht in het Wetbroek van Strafrecht? Ziet u ook de waarde in van een wettelijke grens ter bescherming van het leven van het ongeboren kind?
Erkent u dat de wettelijke grens zoals bepaald in het Wetboek van Strafrecht niet automatisch betekent dat de overheid of zorgverleners verplicht zijn om datgene wat binnen de grenzen van de wet ligt in alle gevallen mogelijk te maken?
Deelt u de mening dat het juist verstandig is om de grenzen van het strafrecht in dezen niet op te zoeken (zoals tot op heden ook het geval was)?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen maanden in diverse ziekenhuizen al abortussen op sociale indicatie vanaf week 22 hebben plaatsgevonden?
Bent u ervan op de hoogte dat medewerking aan dit type abortussen door zorgverleners als beladen en controversieel wordt ervaren?
Kunt u bevestigen dat zorgverleners op grond van de Wet afbreking zwangerschap nooit gedwongen mogen worden om medewerking te verlenen aan een abortus?
Kunt u bevestigen dat gynaecologen en verpleegkundigen in ziekenhuizen die dit type abortussen willen gaan uitvoeren nooit verplicht of onder druk gezet kunnen worden om hieraan mee te werken?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de beroepsvereniging van verzorgenden en verpleegkundigen (V&VN) over deze ontwikkelingen is? Hoe wordt V&VN hierbij betrokken?
Kunt u aangeven hoe binnen de pilot zorgverleners worden voorbereid op de consequenties van deze wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u uitleggen hoe een abortus bij 22 of 23 weken zwangerschap in zijn werk gaat?
Klopt het dat hierbij in principe geen gebruik wordt gemaakt van feticide, maar dat de bevalling opgewekt wordt waarna het kindje op een natuurlijke manier geboren wordt?
Bent u op de hoogte van het feit dat een baby bij een medicamenteuze zwangerschapsafbreking in het tweede trimester volgens gynaecologen «niet zelden» levend ter wereld komt?1 Kunt u uitleggen hoe het kindje vervolgens komt te overlijden?
Kunt u aangeven hoe vaak het precies voorkomt dat in dergelijke gevallen een kindje levend ter wereld komt? Wat is hierover bekend in medisch-wetenschappelijke literatuur? Kunt u hierbij specifiek ingaan op medicamenteuze abortussen vanaf 22 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven waarom in Nederland de abortuspraktijk vanaf 22 weken nu wordt uitgebreid, terwijl in andere landen zoals Zweden en Duitsland al levensreddend wordt opgetreden bij een vroeggeboorte van 22 weken?
Erkent u dat er dus alle reden is om ook in Nederland een discussie te starten over het verlagen van zowel de behandel- als de abortusgrens naar 22 weken? En zo nee, kunt u dit beargumenteren?
Kunt u aangeven welke complicaties er kunnen optreden bij een abortus in week 22 of week 23? Hoe groot is het risico op die complicaties?
Wat is er bekend over de pijnbeleving bij kinderen die bij 22 of 23 weken worden geaborteerd, zowel voor de geboorte als na de geboorte (als kindjes levend ter wereld komen)?
Klopt het dat u van plan bent scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij te kopen? Zo ja, kunt u schetsen hoe u tot deze keuze bent gekomen en hoeveel geld hiermee gemoeid is?
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse krijgsmacht in een tijd van toenemende geopolitieke spanningen zo min mogelijk afhankelijk moet zijn van landen waarmee Nederland strategische belangenconflicten kan hebben? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de keuze voor scherfwerende platen met Chinese componenten zich tot de ambitie van het kabinet om strategische afhankelijkheden in vitale sectoren, waaronder defensie, terug te dringen?
Waarom is in deze aanbesteding of contractuele afspraak niet uitgesloten dat onderdelen of grondstoffen afkomstig zijn uit China, gezien de toenemende aandacht voor economische veiligheid en strategische afhankelijkheden? Kan de Minister aangeven welke risicoanalyse is gemaakt ten aanzien van de afhankelijkheid van Chinese grondstoffen en productieketens voor deze essentiële beschermingsmiddelen?
Kan de Minister toelichten in hoeverre bij de inkoop van defensiematerieel niet alleen wordt gekeken naar het eindproduct, maar ook naar de herkomst van kritieke halffabricaten en grondstoffen binnen de toeleveringsketen? Welke maatregelen neemt de Minister om te voorkomen dat strategische afhankelijkheden van landen als China via de achterdeur in NAVO-toeleveringsketens terechtkomen?
Hoe wordt er in het algemeen toezicht gehouden op afhankelijkheden binnen de toeleveringsketens van landen als China bij de inkoop van defensiematerieel? Heeft de Minister overzicht van de afhankelijkheden in de toeleveringsketens van Defensiematerieel? Zo nee, is de Minister voornemens dit overzicht te maken, zodat ook een afbouwpad kan worden gedefinieerd?
Is de Minister bereid om bij toekomstige defensieaankopen een expliciete toets uit te voeren op strategische afhankelijkheden, waaronder de herkomst van kritieke grondstoffen en onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse en Europese alternatieven voor deze scherfvesten zijn onderzocht voordat Defensie besloot gebruik te maken van deze leverancier? En waarom is er uiteindelijk niet gekozen voor een leverancier uit Nederland of Europa, terwijl volgens de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) Nederlandse bedrijven beschikken over vergelijkbare capaciteiten?
Kan de Minister aangeven welke criteria bij deze aanschaf de doorslag hebben gegeven? In welke mate waren daarbij prijs, leveringszekerheid, strategische autonomie, Europese samenwerking en de positie van de Nederlandse defensie-industrie meegewogen? Deelt de Minister de mening dat bij defensieaankopen niet uitsluitend naar de aanschafprijs moet worden gekeken, maar ook naar de bredere economische en strategische effecten, zoals behoud van kennis, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland en Europa?
Hoe beoordeelt de Minister de kritiek van de NIDV dat het kabinet enerzijds inzet op meer productie in Nederland en Europa, maar anderzijds bij eigen inkoop onvoldoende rekening houdt met de positie van de Nederlandse defensie-industrie?
Erkent de Minister dat strategische autonomie niet alleen gaat over militaire capaciteit, maar ook over het beschikken over eigen industriële en technologische kennis? En erkent zij dat aankopen als aangehaald in deze set vragen niet in lijn zijn met de ambities uit de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie?
Kan de Minister aangeven welk aandeel van de Nederlandse defensie-uitgaven momenteel terechtkomt bij Nederlandse en Europese bedrijven en welk aandeel bij leveranciers van buiten de Europese Unie?
Hoe voorkomt de Minister dat Nederland door afzonderlijke nationale aankopen juist de Europese defensiesamenwerking en de ontwikkeling van een sterke Europese defensie-industrie belemmert?
Is de Minister bereid deze specifieke aanschaf opnieuw te beoordelen vanuit het uitgangspunt van strategische autonomie en Europese samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Is er bij deze aankoop rekening gehouden met het feit dat scherfvesten goed moeten aansluiten op het vrouwenlichaam? Zo nee, ziet de Minister ook de kans om met regionale samenwerking meer maatwerk toe te passen?
Overwegende dat Defensie gaat werken met Chinese 3D-printers, kan de Minister toelichten welke cybersecurity- en contra-inlichtingenrisico’s zijn onderzocht voordat is besloten om 3D-printers van een Chinese fabrikant in gebruik te nemen voor het produceren van onderdelen voor de Nederlandse krijgsmacht?
Hoe waarborgt de Minister dat digitale ontwerpen, technische tekeningen en andere gevoelige informatie over defensiematerieel niet toegankelijk kunnen worden voor buitenlandse partijen, waaronder partijen die onder invloed van de Chinese overheid kunnen staan?
Zijn er Europese alternatieven overwogen? Zo ja, welke en waarom zijn deze afgevallen? Zo nee, waarom niet?
Deelt de Minister de opvatting dat strategische technologieën zoals industriële 3D-printcapaciteiten voor defensietoepassingen onderdeel zouden moeten zijn van een Nederlandse of Europese technologische basis? Zo ja, welke stappen zet het kabinet om de ontwikkeling en inzet van Europese alternatieven te stimuleren?
Overwegende dat de Verenigde Staten het gebruik van 3D-printers van strategische concurrenten zoals China voor militaire toepassingen aan banden hebben gelegd vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s, kan de Minister toelichten waarom Nederland tot een andere risico-inschatting komt en welke afwegingen maken dat deze technologie hier wel wordt toegelaten binnen de krijgsmacht?
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten |
|
Don Ceder (CU) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan het middelenvereiste te blijven voldoen, zoals blijkt uit signalen die bij de IND bekend zijn?1
Klopt het dat Iraanse studenten door sommige onderwijsinstellingen wordt aangeraden om asiel aan te vragen? Bent u het eens dat dat niet de juiste oplossing is als een financiële regeling het probleem ook zou oplossen?
Vindt u het wenselijk als onderwijsinstellingen besluiten níet gebruik te maken van de ruimte die ze onder de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) hebben om maatwerk te verzorgen, als dat tot gevolg heeft dat Iraanse studenten worden gedwongen hun studie te stoppen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor uw inzet?
Bent u bereid om de financiële regelingen die onderwijsinstellingen hanteren voor Iraanse studenten te inventariseren en de Kamer hierover in september te informeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij Iraanse studenten de vinger aan de pols te houden of de regelingen van de onderwijsinstellingen toereikend zijn en de Kamer over de uitkomsten van deze gesprekken te informeren? Zo nee, waarom niet?
Welke wettelijke ruimte is er om af te wijken van de regel dat niet-EER-studenten met een studievisum maximaal 16 uur per week mogen werken als de situatie, zoals die van Iraanse studenten, zich daartoe noodzaakt?
Wilt u zich zodanig inzetten dat geen enkele Iraanse student gedwongen wordt zijn of haar studie in Nederland te stoppen en terug te keren naar Iran doordat de student in de praktijk geen toegang meer heeft tot eigen geld of geld van de familie? Zo ja, wat betekent dat voor uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Wanneer bent u wél bereid om aanvullende maatregelen te nemen om Iraanse studenten in Nederland financieel te ondersteunen, bijvoorbeeld door hen te laten studeren tegen het wettelijke collegegeld?
Het bericht dat Defensie scherfvesten wil afnemen van Chinees-Israëlische makelij |
|
Maes van Lanschot (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA), Herbert |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie binnen een bestaande raamovereenkomst met een Israëlisch bedrijf beschermende scherfvesten wil afnemen waarin Chinese vezels zijn verwerkt?1
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het voornemen uit de actieagenda «productie- en leveringszekerheid munitie en Defensiematerieel» van juni 2024, dat het mantra beste product, voor de beste prijs losgelaten wordt en dat de factor tijd en herkomst van het product – bij voorkeur Europees of Nederlands – zwaarder gaan meewegen?2
Hoe beoordeelt u de keuze voor Chinese sterke vezels in het licht van het rapport «Chemie en materialen voor Defensie», dat u onlangs met de Kamer heeft gedeeld?3
Wat is de totale looptijd van de genoemde raamovereenkomst met de Israëlische leverancier, op welke datum is deze ingegaan en wanneer loopt deze af? Welke verlengingsopties bevat de raamovereenkomst en onder welke voorwaarden kan Defensie daarvan gebruikmaken?
Welke juridische mogelijkheden heeft u om deze raamovereenkomst tussentijds te beëindigen, op te schorten of aan te passen wanneer sprake is van nieuwe strategische risico’s, zoals afhankelijkheid van Chinese materialen of onderdelen?
Bevat de raamovereenkomst bepalingen over de herkomst van kritieke materialen, ketentransparantie, leveringszekerheid en uitsluiting van leveranciers of grondstoffen uit risicolanden zoals China? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Is het gebruik van Chinese vezels door de leverancier vooraf aan u gemeld en door u goedgekeurd? Op welk moment bent u hiervan op de hoogte gesteld?
Herkent u de uitspraak van de Stichting Nederlandse industrie voor defensie en veiligheid (NIDV) dat Nederland juist op dit soort materialen over topbedrijven beschikt?
Zijn de Nederlandse en Europese partijen die de vesten, platen en daarvoor benodigde sterke vezels kunnen leveren benaderd door Defensie om ook mee te dingen naar deze opdracht? Zo nee, waarom niet?
Als deze Nederlandse en Europese partijen niet benaderd zijn, hoe weet u dan dat zij voor de beste oplossing hebben gekozen?
Is het binnen dit project mogelijk om alsnog te kiezen voor vesten en platen van Nederlandse of Europese makelij, met sterke vezels uit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de afname van deze beschermende scherfvesten op te schorten totdat duidelijk is welke Nederlandse of Europese alternatieven beschikbaar zijn en welke risico’s kleven aan het gebruik van Chinese vezels?
Hoe voorkomt het kabinet in het algemeen dat Nederland voor essentiële defensiematerialen afhankelijk wordt van productielocaties buiten Europa?
Hoe wordt bij grote defensieorders geborgd dat Nederlandse bedrijven kunnen deelnemen aan de toeleveringsketen en dat kennis, innovatie en werkgelegenheid in Nederland behouden blijven?
Is het kabinet van mening dat de huidige aanbestedingsregels voldoende ruimte bieden om bij defensie-inkopen de strategische autonomie van Nederland en Europa mee te wegen?
Welke mogelijkheden benut u nu al om bij aanbestedingen leveringszekerheid, strategische autonomie en behoud van kritieke productiecapaciteit als gunningscriterium mee te wegen?
Is het kabinet bereid te onderzoeken hoe bij defensie-aanbestedingen meer gewicht kan worden toegekend aan productie, onderhoud en innovatie in Nederland of Europa, binnen de geldende Europese regelgeving?
Is het kabinet bereid zich in Europees verband in te zetten voor aanpassing van de aanbestedingsregels, zodat lidstaten bij defensie-inkopen meer ruimte krijgen om strategische economische belangen en leveringszekerheid mee te wegen?
In hoeverre biedt de Industrial Accelerator Act ruimte voor bescherming en versterking van de binnenlandse defensie-industrie?
Kunt u aangeven welke kansen u ziet om defensie-investeringen sterker te benutten voor de versterking van de Nederlandse maakindustrie en technologische kennisbasis?