Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jeltje Straatman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Bent u bekend met berichten dat een griffier van de rechtbank Utrecht actief betrokken zou zijn bij de organisatie van demonstraties namens onder meer Extinction Rebellion, Utrecht4Palestine en andere actiegroepen?1
Ja. Ik heb kennisgenomen van berichtgeving over een griffier van de Rechtbank Oost-Brabant.
Klopt het dat medewerkers van de Rechtspraak gebonden zijn aan gedragsregels met betrekking tot onafhankelijkheid, onpartijdigheid en het voorkomen van de schijn van partijdigheid?
Dat klopt. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak2 staat dat de kernwaarden van de Rechtspraak onafhankelijkheid, onpartijdigheid, integriteit en deskundigheid zijn. Deze kernwaarden vormen het uitgangspunt van de gedragsregels voor medewerkers van de Rechtspraak, zowel voor rechters als gerechtsambtenaren. In de Gedragscode Rechtspraak is ook aandacht voor het doen van uitlatingen. Er staat bijvoorbeeld in dat uitingen van medewerkers eerlijk, correct en respectvol dienen te zijn en dat in de communicatie het onderscheid tussen privépersoon en het werk bewaakt moet worden. Uitgangspunt is geen uitlatingen te doen die schadelijk zijn voor het functioneren van de medewerker, of voor het functioneren van de Rechtspraak. Medewerkers van de Rechtspraak die geen rechter zijn vallen ook onder de Ambtenarenwet 2017. Daarin staat in artikel 10 dat ambtenaren zich hebben te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens of van de uitoefening van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van hun functie of het goede functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met hun functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Ook is de Gedragscode Integriteit Rijk3 van toepassing op iedereen die werkt voor het Rijk, hieronder vallen ook medewerkers van de Rechtspraak die geen rechter zijn, hierin staan vergelijke bepalingen over uitlatingen.
Klopt het dat deze organisaties, dan wel personen die lid zijn van deze organisaties of onder de vlag van deze organisaties optreden, in verband zijn gebracht met strafbare feiten, dan wel daarvoor als verdachte zijn aangemerkt of zijn veroordeeld?
Het is mij bekend dat er veroordelingen zijn geweest voor het begaan van strafbare feiten tijdens demonstraties van Extinction Rebellion.
Hoe beoordeelt u het wanneer een medewerker van de Rechtspraak naast zijn functie een prominente rol vervult bij het organiseren van politieke of maatschappelijke demonstraties?
Medewerkers van de Rechtspraak hebben een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op een onafhankelijke en onpartijdige Rechtspraak kunnen vertrouwen. Dit neemt niet weg dat ook medewerkers van de Rechtspraak recht hebben op vrijheid van meningsuiting en demonstratierecht. Deze gelden voor iedereen in Nederland, dus ook voor medewerkers van de Rechtspraak. In het algemeen acht ik het waardevol voor een sterke, goed functionerende Rechtspraak dat medewerkers van de Rechtspraak deelnemen aan het maatschappelijke leven. Voor medewerkers van de Rechtspraak gelden, met het oog op de bijzondere positie van de Rechtspraak in de samenleving, wel grenzen die in de, hierboven genoemde, Gedragscode Rechtspraak en Ambtenarenwet 2017 tot uitdrukking zijn gebracht. De Ambtenarenwet 2017, waar medewerkers van de Rechtspraak niet zijnde rechters onder vallen, schrijft voor dat de uitoefening van het grondrecht vrijheid van meningsuiting niet schadelijk mag zijn voor de eigen functievervulling van ambtenaren of het functioneren van hun organisatie. Hoe de norm in de praktijk uitwerkt, verschilt per situatie, en zal steeds aan de hand van omstandigheden moeten worden beoordeeld.
Deelt u de opvatting dat medewerkers van de Rechtspraak niet alleen onafhankelijk en onpartijdig moeten zijn, maar ook de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid moeten bewaren? Zo nee, waarom niet?
Ja. Onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn kernwaarden die essentieel zijn voor het vertrouwen in de Rechtspraak. De Gedragscode Rechtspraak besteedt expliciet aandacht aan het risico van de schijn van partijdigheid.
Deelt u de opvatting dat werknemers binnen de Rechtspraak zich zeer terughoudend op dienen te stellen in verband met het neutraliteitsbeginsel?
Zoals beantwoord bij vraag 2 en 4, hebben ook medewerkers van de Rechtspraak vrijheid van meningsuiting en demonstratievrijheid. Dit neemt niet weg dat voor Rechtspraakmedewerkers de gedragsregels gelden die in de Gedragscode Rechtspraak staan, en dat de kernwaarde onpartijdigheid de basis vormt van waar deze grenzen liggen. Het neutraliteitsbeginsel is een uitvloeisel hiervan en draait om de plicht van de rechter om onafhankelijk en onpartijdig te zijn. Voorkomen dient immers te worden dat gedragingen van rechtspraakmedewerkers een negatieve invloed hebben op het vertrouwen dat mensen hebben in de rechtspraak. Overigens is het vertrouwen dat mensen hebben in de Rechtspraak onverminderd hoog. Dit blijkt uit de algemene conclusies in het rapport van de Venetië Commissie 2023 en uit het recent uitgebrachte Rechtsstaatrapport van de Europese Commissie 2026 waarin stond dat het vertrouwen van de Nederlandse burger in de Rechtspraak gestegen is naar 77%.
Deelt u de opvatting dat dit wanneer dit neutraliteitsbeginsel (ook buiten werktijd) niet in acht wordt genomen het risico met zich meebrengt dat burgers gaan twijfelen aan de neutraliteit van de Rechtspraak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak over de vraag of de huidige integriteitskaders voldoende zijn om het maatschappelijk vertrouwen in een neutrale Rechtspraak te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De Rechtspraak heeft veel aandacht voor het bewaken van de integriteit van de medewerkers en voert een actief integriteitsbeleid dat is vastgelegd in de Gedragscode Rechtspraak. Ik zie dan ook geen aanleiding voor een evaluatie van de huidige integriteitskaders.
De politieke activiteiten van een griffier van de Rechtbank Midden-Nederland |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat een griffier van de Rechtbank Midden-Nederland openlijk demonstraties en acties van onder meer XR, Utrecht4Palestine en andere actiegroepen organiseert en coördineert?1
Ja. Ik heb kennisgenomen van berichtgeving over een griffier van de Rechtbank Oost-Brabant.
Deelt u de mening dat medewerkers van de Rechtspraak niet alleen onafhankelijk en onpartijdig moeten zijn, maar ook iedere schijn van politieke of activistische partijdigheid moeten vermijden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn kernwaarden die essentieel zijn voor het vertrouwen in de Rechtspraak. De Gedragscode Rechtspraak2 besteedt expliciet aandacht aan het risico van de schijn van partijdigheid. Bij de beantwoording op vragen 3 en 4 wordt ingegaan op de gedragsregels.
Hoe beoordeelt u het feit dat een griffier van de Rechtspraak zich publiekelijk profileert als organisator van actiegroepen die regelmatig betrokken zijn bij demonstraties waarbij de openbare orde wordt verstoord, vaak openlijk terrorisme wordt verheerlijkt en andere strafbare feiten worden gepleegd? Wat doet dit met het vertrouwen in de Rechtspraak?
Medewerkers van de Rechtspraak hebben een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op een onafhankelijke en onpartijdige Rechtspraak kunnen vertrouwen. Dit neemt niet weg dat ook medewerkers van de Rechtspraak recht hebben op vrijheid van meningsuiting en demonstratierecht. Deze gelden voor iedereen in Nederland. In het algemeen acht ik het waardevol voor een sterke, goed functionerende Rechtspraak dat medewerkers van de Rechtspraak deelnemen aan het maatschappelijke leven. Voor medewerkers van de Rechtspraak gelden, met het oog op de bijzondere positie van de Rechtspraak in de samenleving, wel eigen grenzen. De regels daarvoor zijn vastgelegd in de Gedragscode Rechtspraak die voor alle medewerkers van de Rechtspraak geldt. In de Gedragscode staat dat de kernwaarden van de Rechtspraak onafhankelijkheid, onpartijdigheid, integriteit en deskundigheid zijn. Deze kernwaarden vormen het uitgangspunt van de gedragsregels voor medewerkers van de Rechtspraak, zowel voor rechters als gerechtsambtenaren. In de Gedragscode Rechtspraak is ook aandacht voor het doen van uitlatingen. Er staat bijvoorbeeld in dat uitingen van medewerkers eerlijk, correct en respectvol dienen te zijn en dat in de communicatie het onderscheid tussen privépersoon en het werk bewaakt moet worden. Uitgangspunt is geen uitlatingen te doen die schadelijk zijn voor het functioneren van de medewerker, of voor het functioneren van de Rechtspraak. Medewerkers van de Rechtspraak niet zijnde rechters vallen ook onder de Ambtenarenwet 2017. De Ambtenarenwet schrijft voor dat de uitoefening van grondrechten niet schadelijk mag zijn voor de eigen functievervulling van ambtenaren of het functioneren van hun organisatie. Hoe de norm in de praktijk uitwerkt, verschilt per situatie, en zal steeds aan de hand van omstandigheden moeten worden beoordeeld. De beoordeling van (neven)activiteiten van medewerkers en eventuele maatregelen is de verantwoordelijkheid van het betreffende gerechtsbestuur. Overigens is het vertrouwen dat mensen hebben in de Rechtspraak onverminderd hoog. Dit blijkt uit de algemene conclusies in het rapport van de Venetië Commissie 2023 en uit het recent uitgebrachte Rechtsstaatrapport van de Europese Commissie 2026 waarin stond dat het vertrouwen van de Nederlandse burger in de Rechtspraak gestegen is naar 77%.
Klopt het dat de Gedragscode Rechtspraak van medewerkers verlangt dat zij het vertrouwen in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Rechtspraak niet schaden? Zo ja, hoe verhoudt het openlijk organiseren van dergelijke acties zich tot die gedragscode?
Dat klopt. In de Gedragscode Rechtspraak staat dat de kernwaarden van de Rechtspraak onafhankelijkheid, onpartijdigheid, integriteit en deskundigheid zijn. Deze kernwaarden vormen het uitgangspunt van de gedragsregels voor medewerkers van de Rechtspraak. De gedragscode bevat ook regels over nevenbetrekkingen zoals deelname aan organisaties/verenigingen en ander (vrijwilligers)werk naast het werk. Voor gerechtsambtenaren geldt dat nevenwerkzaamheden verboden zijn als die het imago als gerechtsambtenaar of het imago van de Rechtspraak ongewenst beïnvloeden en dit niet met minder vergaande maatregelen dan een verbod te ondervangen is. Het is aan het betreffende gerechtsbestuur als werkgever om nevenwerkzaamheden van medewerkers te beoordelen.
Is de Raad voor de rechtspraak of de leiding van de Rechtbank Midden-Nederland op de hoogte van deze activiteiten? Zo ja, hoe zijn deze beoordeeld en welke maatregelen zijn genomen?
Het gaat hier om een personele aangelegenheid binnen de Rechtspraak. De beoordeling van (neven)activiteiten van medewerkers en eventuele maatregelen liggen bij het betreffende gerechtsbestuur. Ik kan niet op een individueel geval in te gaan.
Deelt u de mening dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat rechtszaken worden voorbereid en ondersteund door medewerkers die boven iedere politieke of activistische twijfel verheven zijn? Zo nee, waarom niet?
Medewerkers van de Rechtspraak hebben een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op een onafhankelijke en onpartijdige Rechtspraak kunnen vertrouwen. Dit neemt niet weg dat ook medewerkers van de Rechtspraak recht hebben op vrijheid van meningsuiting en demonstratierecht. Omdat zij bij de Rechtspraak werkzaam zijn gelden voor hen specifieke gedragsregels die zijn vastgelegd in de hierboven genoemde Gedragscode Rechtspraak. Zie ook voorgaande antwoorden op vragen 2, 3 en 4.
Zijn er meer gevallen bekend van medewerkers van de Rechtspraak die openlijk politieke of activistische activiteiten verrichten voor organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan illegale acties of ordeverstoringen? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het en welke maatregelen zijn daartegen genomen?
De beoordeling van (neven)activiteiten van medewerkers zijn personele aangelegenheden waarvoor de verantwoordelijkheid bij de gerechtsbesturen ligt.
Navraag bij de Raad voor de rechtspraak leert dat er geen gevallen bekend zijn van medewerkers van de Rechtspraak die openlijk politieke of activistische activiteiten verrichten voor bovengenoemde organisaties.
Bent u bereid de Raad voor de rechtspraak dringend op te roepen deze medewerker uit zijn functie te zetten en verder binnen de organisatie passende maatregelen te nemen, zodat medewerkers die door hun eigen handelen het vertrouwen in de Rechtspraak ernstig beschadigen, niet langer werkzaam kunnen blijven binnen de Rechtspraak? Zo nee, waarom niet?
Daartoe ben ik niet bereid. Het gaat hier om een personele aangelegenheid binnen de Rechtspraak. De beoordeling van (neven)activiteiten van medewerkers en eventuele maatregelen liggen bij het betreffende gerechtsbestuur.
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.
Het bericht ‘Europa speelt met vuur: ruzie over uitstel methaanregels splijt lidstaten tot op het bot’ |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europa speelt met vuur: ruzie over uitstel methaanregels splijt lidstaten tot op het bot»?1
Klopt het dat u zich in de Energieraad aan het blok met Frankrijk en Spanje heeft verbonden dat wilde vasthouden aan het voorstel van de Commissie om bepaalde verplichtingen uit de methaanverordening met één jaar uit te stellen? Waarom?
Kunt u toelichten waarom u er niet voor heeft gekozen om bij landen als Polen en Tsjechië aan te sluiten die hebben gepleit voor een uitstel van drie jaar?
Erkent u dat het voor de leveringszekerheid van de Europese energievoorziening beter is als bepaalde verplichtingen uit de methaanverordening langer dan één jaar worden uitgesteld?
Kunt u kort reflecteren op de positie die het Europees Parlement heeft ingenomen?
Klopt het dat er in de Raad gewerkt wordt aan een compromisvoorstel van een uitstel van bepaalde verplichtingen van twee jaar? Is het kabinet voornemens dat voorstel te steunen? Waarom wel of niet?
Wanneer gaat de Raad over haar positie stemmen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling op 4 november?
Het achterlopen van de publicatie van de agenda van Staatssecretaris Aerts |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat op de website van de Rijksoverheid de openbare agenda van u, voor zover gepubliceerd, niet verder inzichtelijk is dan week 40 van het jaar 2026?
Bent u ervan op de hoogte dat u als een van de zes bewindspersonen binnen het kabinet het verst achterloopt met de publicatie van de agenda en dat u dus op een gedeelde laatste plaats staat?
Klopt het dat de agenda’s voor de daaropvolgende weken nog niet openbaar waren gepubliceerd op 27 oktober 2026? Zo nee, kunt u aangeven welke agenda’s inmiddels wel zijn gepubliceerd en op welke data dit is gebeurd?
Deelt u de opvatting dat het niet tijdig openbaar maken van de agenda van een bewindspersoon de informatiepositie van Kamerleden kan beïnvloeden en daarmee de mogelijkheid van de Kamer om de controlerende taak uit te oefenen kan bemoeilijken? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de geconstateerde publicatieachterstand zich tot de Uitvoeringsrichtlijn Openbare agenda bewindslieden, waarin is vastgelegd dat agenda’s die achteraf worden gepubliceerd uiterlijk binnen twee weken moeten worden aangeleverd bij de redactie van Rijksoverheid.nl?
Kunt u per week aangeven wanneer de agenda-informatie over de weken 41, 42 en 43 en voor zover beschikbaar week 44, bij de redactie is aangeleverd? Indien informatie nog niet is aangeleverd, wat is daarvan de reden?
Is er sprake van een bewuste keuze om de agenda met vertraging openbaar te maken, of is de achterstand het gevolg van administratieve of organisatorische omstandigheden? Indien sprake is van een bewuste keuze, wat is daarvan de reden?
Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de Kamer en het publiek tijdig inzicht kunnen krijgen in de externe contacten van bewindspersonen, conform het uitgangspunt «openbaar, tenzij»?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat eventuele achterstanden in de publicatie van de agenda zo spoedig mogelijk worden weggewerkt en dat de geldende publicatietermijnen voortaan worden nageleefd? Zo nee, waarom niet?
De uitvoering van de aangenomen motie Ceder Kamerstuk 19 637, nr. 3488 en de antwoorden op Kamervragen 2025Z20177 |
|
Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de reeds gestelde Kamervragen over de motie Ceder (Kamerstuk 19 637, nr. 3488) dat het belang van het kind inmiddels wordt meegewogen en een verplichte toets daarom geen wezenlijke bijdrage zou leveren?1 Kan u uiteenzetten hoe in individuele zaken het belang van het kind nu wordt vastgesteld, welke factoren daarbij worden betrokken en welk gewicht daaraan wordt toegekend?
Klopt het dat bij reguliere verblijfsaanvragen een ambtshalve toets aan artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) plaatsvindt wanneer datgene dat door de aanvrager wordt aangeleverd daar aanleiding toe geeft? Als dit klopt, hoe verhoudt dat zich tot het verzoek in de motie om deze toets verplicht te maken, zodat het meewegen van het belang van minderjarige kinderen niet afhankelijk is van hetgeen dat in de aanvraag naar voren wordt gebracht?
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) waaruit volgt dat de belangen van een kind altijd gewogen moeten worden, en artikel 24 van het EU-Handvest, waaruit een zelfstandige verplichting voor de overheid voortvloeit om het belang van het kind als eerste overweging mee te nemen?
Bent u bekend met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3812, 3813 en 3816), waaruit volgt dat zorgvuldig moet worden onderzocht welke belangen van het kind spelen en daaraan zichtbaar aanzienlijk gewicht moet worden toegekend? Hoe zijn deze uitspraken verwerkt in de werkwijze en werkinstructies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Hoe verhoudt uw stelling dat langdurig onrechtmatig verblijf in het nadeel van de vreemdeling wordt gewogen zich tot deze uitspraken, waarin de Afdeling afstand neemt van de gedachte dat banden van kinderen met Nederland niet doorslaggevend kunnen zijn enkel omdat deze tijdens onrechtmatig verblijf zijn opgebouwd?
Hebt u kennisgenomen van de recente uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2026:5867) over het overgangsrecht? Hoeveel lopende zaken, en daarbinnen hoeveel zaken van gezinnen met minderjarige kinderen, kunnen door deze rechtsvraag worden geraakt? Bent u voornemens deze zaken in afwachting van het Hof van Justitie aan te houden en, zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de doorlooptijden?
Bent u het eens met de stelling dat vertraging die niet aan een minderjarig kind kan worden toegeschreven kan leiden tot een worteling in Nederland? Kunt u bevestigen dat vertraging in een procedure een kind niet kan worden tegengeworpen en dat de banden die een kind in die periode verder met Nederland opbouwt, bijvoorbeeld op school en in zijn sociale omgeving, volwaardig worden meegewogen?
Kunt u bevestigen dat deze vertraging niet zonder meer ten nadele van het kind wordt gewogen en dat gedurende deze periode opgebouwde banden, zoals schoolgang, taalontwikkeling en sociale relaties, daadwerkelijk en zichtbaar worden meegewogen?
Herinnert u zich uw antwoord dat een mogelijke toekomstige positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving te speculatief is om als zelfstandige toekenningsgrond te dienen? Erkent u dat dit geen antwoord op de vraag is en de motie daar ook niet om verzoekt, maar als overweging bij verblijfsverlening kan worden betrokken?
Klopt het dat er geen gedragswetenschappelijke expertise bij de IND beschikbaar is? Hoe rijmt u dat met uw stelling dat er bij de IND voldoende kennis in huis is om het belang van het kind te beoordelen? Hoe is geborgd dat de IND gedragswetenschappelijke expertise kan inroepen? En beschikt de IND over deskundigen die bijvoorbeeld een BIC-assessment kunnen uitvoeren of beoordelen? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen de juridische toetsing en de gedragswetenschappelijke vaststelling van het belang van het kind?
Wat is de stand van zaken van de toezegging die is gedaan in het debat met Minister Vijlbrief op 1 juni 2026 over de pilot vakkrachten en de sectoren waarin behoefte bestaat aan deze vakkrachten (TZ202606-077)? Zijn de gesprekken met VNO-NCW in het licht van de aangenomen motie Ceder gevoerd, namelijk dat het moeilijk uit te leggen is dat we arbeidskrachten van buiten Nederland werven, terwijl hier al gekwalificeerde mensen zonder Nederlands paspoort verblijven die aan de slag kunnen?
Bent u bereid deze vragen voor de begrotingsbehandeling Asiel & Migratie op 18 november 2026 te beantwoorden?
Kerken die statushouders willen opvangen |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten uit de krant De Limburger «Vijf Limburgse kerken melden zich binnen een week voor opvang» en «Kerken enthousiast én sceptisch over opvang statushouders»?1, 2
Wilt u de kerken uitleggen dat asielzoekers voor 97 procent over land (via de veilige landen Duitsland of België) in Nederland aankomen en dus helemaal geen vluchtelingen zijn maar migrant en in Duitsland of België of elders asiel hadden moeten aanvragen?
Deelt u onze mening dat barmhartigheid niet verward mag worden met het capituleren voor en meehelpen aan de islamisering van Nederland door onderdak te bieden aan statushouders die elders asiel hadden moeten aanvragen en veelal de islamitische ideologie van haat en geweld aanhangen?
Bent u bereid de kerken te ontmoedigen aan de ondergang van Nederland mee te werken en ze erop te wijzen dat met dit soort acties het moment dat de islam in Nederland de grootste religie wordt – óók groter dan het christendom – alleen maar dichterbij komt, terwijl dit nu al bij ongewijzigd beleid over 20 jaar het geval zal zijn?
Wilt u de kerken er ook op wijzen dat als de islam – mede door hun gedrag – de grootste religie van Nederland wordt, na het jodendom ook het christendom nog meer in het vizier van islamitische onverdraagzaamheid, haat en geweld zal komen en christenen niet alleen onveiliger maar ook vreemde in hun eigen land en provincie zullen zijn?
Kunt u de kerken suggereren plannen te verzinnen om het christendom als deel van onze nationale cultuur te versterken en hen erop wijzen dat het christendom bij Nederland hoort maar dat een meerderheid van onze bevolking – zo blijkt uit peilingen – van mening is dat de islam níet bij Nederland hoort?
Kunt u alles uit de kast halen de kerken van deze misstap te behoeden en desnoods met spoed een wettelijk verbod regelen?
De dood van Hajar en het handelen van de politie |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waaruit blijkt dat de 29-jarige Hajar voor haar dood een smeekbede naar haar familie heeft gestuurd met «help me»?1
Klopt het dat Hajar in de ochtend van 4 oktober jl. berichten aan een familielid heeft gestuurd waarin zij expliciet om hulp vroeg met de woorden: «Help me. Now. He is killing me»?
Klopt het dat de familie van Hajar na ontvangst van haar berichten heeft geprobeerd haar zowel telefonisch als via berichten te bereiken, maar de familie niets meer van haar heeft vernomen?
Klopt het dat naar aanleiding van de mislukte contactpogingen diezelfde dag een melding van vermissing is gedaan door haar familie, waarbij de politie tevens is ingelicht over de berichten en de familie daarop te horen heeft gekregen dat een vermissing na 24 uur pas kan worden aangemerkt als urgent en de politie derhalve heeft nagelaten een onderzoek te starten?
Hoe verhoudt de in vraag 4 gedane mededeling inhoudende dat een vermissing na 24 uur pas kan worden aangemerkt als urgent zich tot de bekende informatie van de politie dat de eerste 24 tot 48 uur cruciaal zijn bij vermissingen?2
Welke feiten en omstandigheden waren ten tijde van de melding van 4 oktober bekend bij de politie?
Waarom was de melding van de vermissing van Hajar op 4 oktober niet urgent en is er op z’n minst niet bijvoorbeeld onmiddellijk geprobeerd haar telefoon te lokaliseren, terwijl volgens de criteria van de politie iemand niet daadwerkelijk in levensgevaar hoeft te zijn, aangezien het voldoende is dat mogelijk sprake is van een levensbedreigende situatie of een misdrijf?3
Gelet op vraag 7, welke extra informatie was nog nodig om te kunnen spreken van een mogelijk levensbedreigende situatie of een misdrijf? Waarom voldeden de concrete noodkreten van deze zaak niet aan die drempel?
Hoe zwaar wogen het gedrag en de persoonlijke omstandigheden van Hajar mee bij het oordeel dat de zaak in eerste instantie onvoldoende urgent was?
In hoeverre acht u de beslissingen van de politie zorgvuldig en weloverwogen, gelet op de dodelijke afloop en de vraag of deze mogelijk had kunnen worden voorkomen als de politie de noodkreet van zowel Hajar als de familie serieus had genomen en direct optrad?
Deelt u de opvatting dat op het moment iemand aangeeft dat een ander hem of haar mogelijk van het leven wil beroven of berooft, in principe de alarmbellen dienen af te gaan en een dergelijke noodkreet zou moeten worden gezien als een aanwijzing voor mogelijk levensgevaar, ondanks dat iemand in het verleden vaker enige tijd onbereikbaar was of afwezig is geweest? Zo nee, onder welke omstandigheden zou een dergelijke noodkreet volgens u dan wel aanleiding geven tot direct politieoptreden?
Bent u bereid om het politieoptreden te laten onderzoeken en evalueren, waarbij wordt gekeken naar de eerste urgentiebeoordeling en het optreden tijdens de eerste uren na de melding? Kunt u daarbij ook toetsen of in deze zaak is gehandeld volgens de geldende protocollen en onder andere de hiervoor aangehaalde informatie op de website van de politie, en of op basis daarvan sneller handelen eerder was aangewezen en er geen ruimte had moeten zijn voor het maken van andere keuzes?
Bent u tevens bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het gevraagde onderzoek uit vraag 13?
De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel bij verzekeraars en premiepensioeninstellingen |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «DNB: nog aanzienlijke opgave voor transitie bij verzekeraars en ppi’s»?1
Bent u bekend met «DNB Transitienieuws – Kwartaalupdate voortgang transitie?»2
Kunt u de eerste grafiek uit het transitienieuws nader toelichten? Verwacht u dat de 38 duizend pensioenregelingen bij verzekeraars en premiepensioeninstellingen (ppi’s) die nog niet zijn omgezet naar het nieuwe stelsel inderdaad op of voor 1 januari 2028 «Wet toekomst pensioenen-proof» («Wtp-proof») zullen zijn?
Deelt u de zorg dat pensioenverzekerden een groot deel van hun opgebouwde pensioen door fiscale onzuiverheid dreigen te verliezen als hun pensioen niet uiterlijk 1 januari 2028 is overgezet naar het nieuwe pensioenstelsel?
Weet u hoeveel werknemers onder deze 38 duizend niet-omgezette pensioenregelingen vallen? Zo niet, zou u een inschatting kunnen maken van het aantal werknemers dat het betreft?
Is bij u op basis van signalen van verzekeraars en adviseurs bekend in welke mate werkgevers aan het proces van omzetten zijn begonnen, volgens het streven om een zo groot mogelijk deel van de omzettingen in 2026 te realiseren, en in welke mate werkgevers hier nog niet aan zijn begonnen?
Gelet op het feit dat u in het commissiedebat van 10 september jongstleden aangaf dat verzekeraars ook rechtstreeks contact opnemen met werkgevers en werknemers als er onvoldoende stappen zijn gezet, kunt u dit traject nader uiteenzetten? Wanneer kunnen we deze stappen verwachten?
Welke inspanningen gaat u leveren om ervoor te zorgen dat werknemers niet de dupe worden van een onoplettende werkgever? Op welke manier kunnen werknemers naast de informatievoorziening vanuit de verzekeraar worden geholpen als hun werkgever nalatig blijft om de pensioenregeling «Wtp-proof» te maken?
Intensiveert u de publiekscommunicatie over de risico’s van een pensioenregeling die niet tijdig wordt omgezet? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
Gelet op het feit dat u bij het commissiedebat van 10 september jongstleden aangaf dat aanvullende maatregelen momenteel nog niet aan de orde zijn, kunt u aangeven of u ondertussen aanvullende oplossingsrichtingen verkend of klaar hebt liggen voor als blijkt dat werkgevers niet zelfstandig op tijd overstappen naar de Wtp?
Het artikel ‘UWV trekt stekker uit ICT-project dat 55 miljoen euro heeft gekost’ |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «UWV trekt stekker uit ICT-project dat 55 miljoen euro heeft gekost» en het onderliggende rapport van het Adviescollege ICT-Toetsing (AcICT)?1
Deelt u de conclusie van het AcICT dat het UWV bij de implementatie van de nieuwe Bemiddelingsservice (BMS) onvoldoende grip had op de kwaliteit en dat de gekozen aanpak onvoldoende aansloot bij het vernieuwende karakter van het project, waardoor het project steeds verder vertraagde en de kosten opliepen?
Waarom is er niet voor gekozen om eerst op kleine schaal te onderzoeken en te testen waar het systeem aan moest voldoen, voordat grootschalig werd opgeschaald, aangezien het AcICT rapport constateert dat de eisen vooraf onvoldoende duidelijk waren en het project daardoor steeds complexer werd?
Welke go/no-go momenten zijn er gedurende de looptijd geweest en op basis van welke criteria is gekozen op toch door te gaan?
Welke ruimte ervaren medewerkers om zich uit te spreken en hoe wordt gewaarborgd dat dergelijke kritieke signalen voldoende doordringen tot de verantwoordelijke bestuurders, mede gezien het feit dat het AcICT constateert dat het optimisme over de planning toenam naarmate de persoon hoger in de hiërarchie van de organisatie zat?
Welke maatregelen worden ingesteld om de samenwerking tussen teams bij grote ICT-projecten te verbeteren, nu het AcICT constateert dat verschillende teams binnen het UWV onvoldoende samenwerkten en niet altijd op de hoogte waren van elkaars werkzaamheden?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de lessen uit dit mislukte project niet alleen binnen het UWV, maar ook rijksbreed worden benut, zodat voorkomen wordt dat bij nieuwe ICT-projecten telkens opnieuw het wiel moet worden uitgevonden?
Welke rol ziet u hier voor meer rijksbrede sturing op grote ICT-projecten bijvoorbeeld op het gebied van duidelijke kaders, stevig mandaat en centrale ICT-expertise en welke rol kan de Digitale Dienst hierin betekenen?
Gezien de ambitie van het UWV om in te zetten op verdere digitalisering, acht u het risico aanwezig dat vergelijkbare problemen zich ook voordoen bij andere ICT-projecten die lopen binnen het UWV? Welke grote programma’s lopen er momenteel?
Heeft u voldoende zicht op hoe deze projecten lopen of is het mislukken van dit project aanleiding om de andere projecten ook te beoordelen op risico’s ten aanzien van sturing, kosten en uitvoerbaarheid?
De situatie bij Jeugdbescherming Noord |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Herstel van JB Noord blijkt niet uit eigen cijfers. «Slechte jeugdbescherming kan schade juist vergroten»» en met de voortgangsrapportage van Jeugdbescherming Noord van september 2026?1, 2
Hoe beoordeelt u dat op 8 september 2026 nog 115 van de 929 maatregelen werden uitgevoerd zonder vaste jeugdbeschermer, terwijl Jeugdbescherming Noord zelf aangeeft dat in een normale situatie slechts 40 tot 60 maatregelen tijdelijk zonder vaste jeugdbeschermer zouden worden beheerd? Wanneer moet dit aantal zijn teruggebracht tot ten minste het door Jeugdbescherming Noord zelf genoemde normale niveau?
Hoe beoordeelt u dat de ongecorrigeerde tijdigheid van het eerste face-to-facecontact volgens de eigen monitor is teruggelopen van 83 procent in februari naar 60 procent in augustus 2026 en de ongecorrigeerde tijdigheid van het eerste Plan van Aanpak in dezelfde periode van 88 procent naar 50 procent, terwijl voor beiden een norm van 80 procent wordt gehanteerd?
Kunt u voor juni, juli en augustus 2026 aangeven welk percentage van de niet tijdig uitgevoerde eerste face-to-facecontacten en Plannen van Aanpak na individuele beoordeling als een gegronde afwijking is aangemerkt en welk percentage ook na deze correctie niet aan de norm voldeed?
Hoe beoordeelt u dat de werkvoorraad bij de risicotaxaties volgens dezelfde rapportage is opgelopen van 47 in mei naar 68 in juni, 93 in juli en 109 in augustus 2026, terwijl in de tabel een norm van 48 wordt vermeld? Kunt u garanderen dat desondanks bij ieder kind onder verantwoordelijkheid van Jeugdbescherming Noord actueel zicht bestaat op de veiligheid? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit onmiddellijk te waarborgen?
Hoe beoordeelt u de personele kwetsbaarheid bij Jeugdbescherming Noord, nu het ziekteverzuim onder SKJ-geregistreerde jeugdbeschermers in augustus opnieuw 15 procent bedroeg, 50 procent van de bezetting aan jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders pas na 2023 in dienst is gekomen, het moeilijk blijkt ervaren jeugdbeschermers aan te trekken en tegelijkertijd sprake is van onderbezetting bij de gedragswetenschappers? Welke concrete maatregelen worden genomen en wanneer moet de personele bezetting structureel op orde zijn?
Hoe beoordeelt u dat Jeugdbescherming Noord zelf waarschuwt dat de onderbezetting bij gedragswetenschappers gevolgen kan hebben voor het behalen van de tijdigheidsnormen, terwijl deze professionals een belangrijke rol vervullen bij inhoudelijke beslissingen in dossiers?
Hoe beoordeelt u dat het programma voor verbetering van betekenisvol cliëntcontact volgens de voortgangsrapportage pas in november 2026 ter besluitvorming aan het management wordt voorgelegd en de daadwerkelijke verbeterslagen vervolgens in de komende jaren moeten plaatsvinden, terwijl tekortkomingen in het zien, horen en betrekken van kinderen en gezinnen eerder al door de inspecties zijn vastgesteld?
Hoe beoordeelt u de huidige cijfers tegen de achtergrond van het beëindigen van het verscherpte toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid, terwijl zij constateerden dat nog niet alle kinderen, jongeren en ouders tijdig de bescherming, begeleiding en hulp kregen die zij nodig hadden, de kwaliteit van de uitvoering deels onvoldoende bleef en het vertrouwen in de verbeterkracht van Jeugdbescherming Noord kwetsbaar bleef? Acht u het verantwoord het toezicht ongewijzigd voort te zetten?
Welke concrete en meetbare criteria hanteren de inspecties om te bepalen wanneer de situatie bij Jeugdbescherming Noord aanleiding geeft tot intensivering van het toezicht of een nieuwe toezichtmaatregel, en zijn deze criteria volgens u inmiddels bereikt of in zicht?
Hebben de cijfers uit de voortgangsrapportage van september 2026 aanleiding gegeven tot aanvullende toezichtactiviteiten? Zo ja, welke en met welke bevindingen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid de inspecties te verzoeken op korte termijn te beoordelen of de huidige ontwikkelingen aanleiding geven tot intensivering van het toezicht en de Kamer daarover te informeren?
Kunt u, mede in het licht van de recente ernstige gebeurtenissen rond een 15-jarig meisje dat onder toezicht stond van Jeugdbescherming Noord en waarover afzonderlijke schriftelijke vragen zijn gesteld, aangeven hoe wordt gewaarborgd dat signalen van acute of toenemende onveiligheid bij kinderen onder een maatregel onmiddellijk leiden tot een actuele risico-inschatting en, indien noodzakelijk, aanvullende bescherming?
Het Afsprakenkader Aanvalsplan Grutto |
|
Laura Bromet (GroenLinks-PvdA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De grutto heeft geen feestje nodig, maar bescherming»?1
Wat vindt u ervan dat Vogelbescherming Nederland en de andere initiatiefnemers van het Aanvalsplan Grutto niet aanwezig waren bij de ondertekening van het Afsprakenkader Aanvalsplan Grutto? Welke betekenis hecht u aan dit signaal?
Hoe beoordeelt u de zorgen van Vogelbescherming Nederland over de juridische en financiële borging van het Afsprakenkader en over het ontbreken van een duurzaam verdienmodel voor weidevogelboeren?
Waarom verwacht u dat een aanpak die grotendeels is gebaseerd op vrijwillige afspraken, voldoende effectief zal zijn om de doelen van het Aanvalsplan Grutto te realiseren, gezien de sterk verslechterde staat van de weidevogels ondanks de vrijwillige maatregelen van de afgelopen decennia?
Kunt u toelichten op welke wijze de afspraken uit het Afsprakenkader juridisch zijn geborgd? Welke stappen gaat u zetten om deze alsnog tot stand te brengen en binnen welke termijn, indien deze borging nog niet is gerealiseerd?
Waarom heeft u niet gekozen voor een Nationaal Programma Weidevogels onder de Omgevingswet, waarin de afspraken uit het Afsprakenkader juridisch worden verankerd? Bent u bereid deze mogelijkheid alsnog te verkennen?
Welke consequenties heeft het wanneer partijen de afspraken uit het Afsprakenkader niet nakomen?
Waarom bevat het Afsprakenkader geen concrete termijnen voor de uitvoering van de verschillende maatregelen en intenties? Bent u bereid deze te voorzien van tussendoelen, duidelijke termijnen, en momenten waarop geëvalueerd of bijsturing nodig is, die aansluiten bij de beoogde realisatie in 2035?
Kunt u toelichten op welke wijze de uitvoering van het Afsprakenkader financieel is geborgd voor de periode 2026–2035? Welke maatregelen neemt u om dit alsnog te realiseren, indien deze borging nog niet volledig is geregeld?
Klopt het dat provincies niet verplicht zijn afspraken uit het Afsprakenkader uit te voeren indien de benodigde financiering niet beschikbaar komt? Zo ja, hoe voorkomt u dat hierdoor vertraging of een impasse in de uitvoering ontstaat?
Kunt u, gezien de in het Afsprakenkader genoemde geschatte kosten van 800 tot 900 miljoen euro voor de uitvoering van het Aanvalsplan Grutto in de periode 2026–2035, per kostencategorie uit het indicatieve financiële overzicht aangeven welke financieringsbron is voorzien en in welke mate deze middelen reeds zijn verzekerd?
Bent u in gesprek met de Minister van Financiën over de financiële borging van het Afsprakenkader? Zo ja, wat is de stand van zaken van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Welk doelbereik verwacht u in 2035 met de uitvoering van het Afsprakenkader te realiseren, uitgedrukt in concrete indicatoren voor de staat van de grutto en andere weidevogels? Op welke wijze wordt gemonitord en geëvalueerd of deze doelen worden gehaald? Hoe wordt er bijgestuurd als blijkt dat de doelen voor 2035 niet binnen handbereik liggen?
Op welke wijze zijn stakeholders zoals Vogelbescherming Nederland en BoerenNatuur betrokken geweest bij de totstandkoming van het Afsprakenkader? Hoe worden zij betrokken bij de verdere uitwerking en uitvoering van het Aanvalsplan Grutto?
Zijn de middelen voor herwaardering van grond, de uitwerking van grondinstrumentarium voor het waterbeleid en de benodigde organisatiekosten inmiddels betrokken bij de besluitvorming van de Taskforce over de inzet van middelen, zoals bedoeld in artikel 2.2.7 van het Afsprakenkader? Zo nee, waarom niet? Wanneer gebeurt dit alsnog?
Waarom worden de routekaarten voor de afzonderlijke Aanvalsplan-Gruttogebieden pas in 2028 opgeleverd? Hoe verhoudt zich dit tot de ambitie om in 2026 in alle gebieden te starten en tot de doelstelling om uiterlijk in 2035 resultaten te realiseren?
In welke mate draagt het Afsprakenkader volgens u bij aan het behalen van de doelen voor boerenlandvogels uit de Natuurherstelverordening? Volstaat daarvoor het Afsprakenkader en zo niet, waarop schiet het tekort? Aan welke andere doelen van de Natuurherstelverordening draagt het Afsprakenkader bij?
Welke kansen ziet u om de uitwerking en uitvoering van het Afsprakenkader Grutto te koppelen aan de stikstofopgave?
Krijgen provincies instructies mee om in gebiedsopgaven de uitvoering van het Afsprakenkader te betrekken, of bent u bereid te overwegen dit in deze instructies mee te geven?
Het bericht dat tientallen Ethiopische christenen gedood zijn |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Reformatorisch Dagblad (27 oktober) waarin gesteld wordt dat 60 christenen omgebracht zijn bij twee aanvallen in de regio Oromia?1
Kunt u op basis van eigen diplomatieke informatie of internationale bronnen beoordelen of het Oromo Bevrijdingsleger (OLA), of een daaraan gelieerde (lokale) rebellengroep, verantwoordelijk is voor deze aanslagen?
Kunt u het verband duiden tussen deze aanvallen en de eerdere aanslagen in Arsi, waaronder in oktober en november vorig jaar?
Hoe beoordeelt u in algemene zin het gevaar dat uitgaat van de combinatie van «Oromo-nationalisme met een vorm van moslimfundamentalisme», waarnaar verwezen wordt in het Algemeen ambtsbericht Ethiopië?2 Zijn er aanwijzingen dat ook bij recente aanslagen sprake was van een dergelijke samenhang?
Kunt u aangeven welke boodschap de Nederlandse ambassadeur overbrengt, of al heeft overgebracht, aan de nationale regering in Addis Abeba en de regionale regering van Oromia? Hoe heeft Nederland zijn medeleven geuit en hoe krijgt het contact met de Ethiopisch-Orthodoxe Tewahedo Kerk vorm?
Geven de recente aanslagen aanleiding om de eerdere terughoudendheid ten aanzien van gerichte EU-sancties, zoals verwoord in de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Kahraman, te heroverwegen?3 Zo nee, waarom niet? Welke aanvullende informatie of bewijsvoering acht u nodig om te komen tot gerichte sancties tegen de verantwoordelijken, waaronder mogelijk het Oromo Bevrijdingsleger?
Heeft de Mensenrechtenambassadeur het aangekondigde bezoek aan Ethiopië inmiddels gebracht?4 Zo ja, welke concrete afspraken of toezeggingen zijn daarbij gemaakt die bijdragen aan de bescherming van (Orthodoxe) christenen in de regio Oromia? Zo nee, wanneer wordt dit bezoek alsnog voorzien?
Oplopende voorraden AVI-bodemas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Op zoek naar het goud in de grijze bergen van verbrand afval: Heros in Sluiskil zeeft en scheidt bodemas»1?
Herkent u het beeld dat bij afvalenergiecentrales en verwerkers grote voorraden AVI-bodemas zijn ontstaan, omdat de afzet van (verwerkte) bodemas achterblijft?
Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de totale voorraad gewassen en ongewassen AVI-bodemas bij Nederlandse afvalenergiecentrales en verwerkende bedrijven, en op welke wijze blijft u op de hoogte?
Welke risico’s ziet u voor de continuïteit van de verwerking van restafval en AVI-bodemas als deze voorraden langdurig blijven oplopen? Acht u het van belang dat gewassen bodemas zoveel mogelijk toegepast kan blijven worden als secundaire bouwstof?
Kunt u voor de jaren 2022 tot en met heden aangeven hoeveel aanvragen, inclusief de totale tonnage, voor export van AVI-bodemas zijn ingediend en al dan niet zijn goedgekeurd? In hoeverre hangt eventuele toename van exportaanvragen volgens u samen met het anticiperen van marktpartijen op de voorgenomen wijzigingen in het Circulair Materialenplan?
Wat is de stand van zaken van het traject onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie om de Rijksoverheid, decentrale overheden en de sector bij een te brengen om het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas te herstellen? Wat heeft dit inmiddels opgeleverd en hoe worden resterende knelpunten opgepakt?
Richt de voorgenomen aanpassing van het Circulair Materialenplan2 zich op staalslakken en ongewassen AVI-bodemas, zodat de oproep om geen generieke beperkingen op te leggen hiervoor niet geldt?
Op welke wijze gaat u beoordelen of de overgangstermijn van twee jaar voor het verplicht wassen van AVI-bodemas in de praktijk reëel is3? Wanneer komt hier duidelijkheid over?
Bent u bereid de Kamer bij de eerstvolgende wijziging van het Circulair Materialenplan in 2027 kwantitatief te informeren over de ontwikkeling van de voorraden AVI-bodemas, de beschikbare wascapaciteit, de binnenlandse afzet van gereinigde bodemas en de export van AVI-bodemas?
De inhuur van influencers voor wervingscampagnes voor Defensie |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Defensie tussen 2021 en 2023 ongeveer 265.000 euro uittrok voor het inhuren van influencers om betaalde content te maken voor wervingscampagnes voor werken bij Defensie?1
Zijn in het antwoord op het WOO-verzoek over het inhuren van influencers door Defensie alle betaalde samenwerkingen van Defensie met influencers genoemd?2 Zijn dit alle commerciële samenwerkingen die het ministerie in deze periode met influencers heeft gesloten of zijn er samenwerkingen die buiten de reikwijdte van dit WOO-verzoek vallen?
In hoeveel van deze gevallen hebben influencers bij het publiceren van content aangegeven dat deze gemaakt is in opdracht van Defensie en dat zij hiervoor betaald zijn door Defensie?
Wie heeft het script geschreven? Zien we hier het script van Defensie of van de influencer zelf?
Is het onderdeel van de contracten om berichten op te volgen wanneer daar (negatieve) reacties op komen? Wanneer een influencer, na reacties op een Defensiefilmpje op Instagram, schrijft dat «Defensie veel meer is dan oorlog» en zij «keuzemogelijkheden voor de vrouw benadrukt,» spreekt hier dan de influencer of het Ministerie van Defensie?3 Deelt u de opvatting dat deze scheidslijn hier vaag is?
Kunt u garanderen dat alle contracten met influencers voldoen aan de wet- en regelgeving en het overheidsbeleid rond sluikreclame en de reclameregels voor sociale media?4 Is er bijvoorbeeld in al deze gevallen voldaan aan de regels rond reclame, sponsoring en productplaatsing?5
Wat is de hoofdboodschap die Defensie in deze campagne wil meegeven? Hoe wordt er omgegaan met de mogelijk minder aantrekkelijke kanten van het werken bij Defensie in de voorlichting en hoe wordt voorkomen dat jongeren een onrealistisch beeld wordt geschetst?
Kunt u de bedragen noemen die Defensie heeft uitgegeven aan de inhuur van influencers in 2024, 2025 en 2026, en het aantal contracten?
Zijn er meer van deze campagnes met influencers voorzien? Welk bedrag is hiervoor gereserveerd? Met welk deel op de Defensiebegroting van 2027 tot 2030 corresponderen deze budgetten?
Hoe vaak is de door Defensie gepromote content bekeken?
Hoe evalueert u de effectiviteit van deze campagne? Wat is er bijvoorbeeld bekend over het bereik en het extra aantal mensen dat geworven is dankzij deze campagne? Wat is er bekend over het effect op imagoverbetering van Defensie?
Wat zegt het feit dat wervingscampagnes gecamoufleerd via influencers moeten worden gedaan over het draagvlak voor het promoten van Defensie en voor uitgaven aan promotiecampagnes van Defensie in het bijzonder?
Een topografische kaart van heel Nederland |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts , Boekholt-O’Sullivan , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw beantwoording van de door mij gestelde vragen over het bevorderen van het gebruik van kaarten van Nederland waarop ook de Caribische delen van het Koninkrijk worden weergegeven tijdens de begrotingsbehandeling van Koninkrijksrelaties op 8 oktober jl.?1
Deelt u vanuit grondwettelijk perspectief en vanuit de Nederlandse staatsinrichting en openbaar bestuur de opvatting dat Nederland ook Bonaire, Sint Eustatius en Saba omvat en dat een overzichtskaart die wordt gepresenteerd als een kaart van Nederland daarom in beginsel ook het Caribisch deel van Nederland zou moeten bevatten? Zo nee, waarom niet?
Welke rol spelen de beschikbaarheid en toegankelijkheid van officiële basisinformatie, zoals informatie over topografie, ondergrond, bestuurlijke gebieden en adressen, en brongegevens, zoals luchtfoto’s, voor kaartproducenten en andere makers van geografische producten en diensten? Herkent u dat de keuze om het Caribisch deel van Nederland wel of niet mee te nemen in basisinformatie en brongegevens een aanmerkelijke invloed heeft op of de BES-eilanden wel of niet op kaarten staan en in geografische producten en diensten zitten? Kortom, herkent u het beeld dat de Rijksoverheid aan het begin van de informatieketen staat?
Klopt het dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba momenteel ontbreken in de topografische basisbestanden van Nederland, de Basisregistratie Topografie (BRT), ook wel bekend als de TOPNL-producten? Klopt het dat de wettelijke grondslag om de BES-eilanden op te nemen al sinds 2020 wacht op inwerkingtreding?
Kunt u uitleggen waarom, ondanks een positieve business case, er nog geen opvolging gegeven lijkt te zijn aan het verwezenlijken van een datafundament op de eilanden? Welke besluiten van uw ministeries en het Kadaster zijn nodig om Bonaire, Sint-Eustatius en Saba op te nemen in officiële topografische bestanden zoals de BRT en overige geodata? Wanneer voorziet u dat deze besluiten genomen zullen worden?
Erkent u dat de Rijksoverheid zelf nog vaak kaarten van Nederland gebruikt waarop de BES-eilanden niet staan weergegeven? Bent u bereid als Rijksoverheid het goede voorbeeld te geven door bij overzichtskaarten van Nederland in de eigen communicatie ook Bonaire, Sint Eustatius en Saba weer te geven? Bent u bereid dit uitgangspunt vast te leggen in de rijksbrede communicatierichtlijnen en opdrachten?
Bent u tevens bereid te inventariseren op welke andere manieren vanuit de Rijksoverheid kan worden bijgedragen aan het bredere gebruik van kaarten waar heel Nederland in vertegenwoordigd is?
Bent u bekend met de betreffende uitzending van Buitenhof en de publicatie in het NRC?1, 2
Bent u het eens met het geschetste (mogelijke) verlies aan inkomsten van de overheid als gevolg van deze bezuiniging?
In 2024 constateerde de Algemene Rekenkamer reeds dat de belastingdienst tenminste 1000 fte te kort kwam voor het uitvoeren van alle controlewerkzaamheden. Komt deze bezuiniging daar bovenop? Hoeveel fte aan controlecapaciteit gaat met deze extra bezuiniging verloren?
Waarom is er gekozen voor het doorsluizen van deze bezuiniging naar de belastingdienst terwijl de overheid juist zit te springen om extra inkomsten? Immers, minder controle leidt toch ook tot minder inkomsten?
Is deze bezuiniging ter advisering ook voorgelegd aan de Raad van State en Centraal Planbureau (CPB)?
Is het bij de regering bekend dat 50PLUS in haar tegenbegroting van 2019 dit vraagstuk heeft voorgelegd aan het CPB (ex-ante budgettaire effecten tegenbegroting 50PLUS van 19 september 2018)? Is het u bekend dat het CPB op grond van de toen geldende uitgangspunten heeft geconcludeerd dat (extra) uitgaven aan controle op naleving, tot extra inkomsten van vergelijkbare omvang leidt? Deelt u de observatie dat, volgens dit uitgangspunt, een bezuiniging dus ook spiegelbeeldig zal leiden tot minder inkomsten van vergelijkbare omvang? Dan is er de facto toch helemaal geen financiële logica om tot een dergelijke bezuiniging over te gaan? Zijn de modelmatige uitgangspunten van het CPB, sinds 2019 op dit punt formeel aangepast of niet?
Kunt u aangegeven waarom er wel of niet er sprake is van (toenemende) schending van het gelijkheidsbeginsel (artikel 1 Grondwet), de beginsel tot handhaving (bestuursrecht) en het legaliteitsbeginsel (artikel 104 Grondwet) op het moment de invorderende en controlerende taak onvoldoende wordt uitgevoerd?
Het bewijs voor Russische betrokkenheid bij de drones bij Leipzig |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Waarom weigert u, desnoods vertrouwelijk, het bewijs dat er volgens u zou zijn voor Russische betrokkenheid bij de drones die gesignaleerd zouden zijn bij Leipzig met de Kamer te delen?
Is dit (vermeende) bewijs ter beschikking gesteld aan de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten? Ja of nee?
Indien dit niet het geval is, bent u bereid de Kamer alsnog te informeren? Ja of nee? Zo nee, waarom niet?
De berichtgeving inzake de kabinetsplannen met betrekking tot de bezuiniging op de ambtelijke organisatie |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat op maandagochtend 26 oktober in diverse media, onder andere door middel van een interview in het Algemeen Dagblad, te lezen was over de kabinetsplannen met betrekking tot de bezuiniging op de ambtelijke organisatie, terwijl de Kamer de brief pas ruim na die berichtgeving in de media ontving?
Deelt u nog steeds de mening dat het in het belang van goede staatsrechtelijke verhoudingen is dat de Kamer altijd eerst wordt geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Wat is de reden dat u ervoor kiest om met name in de uitvoering fors te gaan snijden? Wat zijn de gevolgen hiervan voor de uitvoering van belangrijke overheidstaken? En hoe voorkomt u hiermee dat de uitvoering verder vastloopt?
Klopt het dat er bij de Belastingdienst nu juist een tekort aan capaciteit is, waardoor vele miljarden euro’s aan belastingen niet kunnen worden geïnd? Vindt u het uitlegbaar dat de kans aanwezig is dat door het snijden in de uitvoering er nog meer belastingen niet geïnd kunnen worden?
Klopt het dat door fors te snijden in bijvoorbeeld het toezicht in de zorg, de zorgfraude minder goed kan worden opgespoord, terwijl het juist de bedoeling is dat de vele miljarden euro’s aan zorgfraude wel worden opgespoord? Hoe legt u deze inconsistentie uit?
Kunt u een overzicht geven van de toezichthouders waarop bezuinigd zal gaan worden en of deze toezichthouders nu al juist kampen met capaciteitstekorten om hun toezichthoudende taken goed uit te kunnen voeren?
Klopt het dat door het fraudebeleid van de overheid er nu heel veel voltijds-equivalent (fte) nodig is om het toeslagenschandaal op te lossen?
Kunt u specifiek uitleggen hoe precies tot de optelsom van de taakstelling is gekomen? Welke concrete cijfers en onderbouwingen liggen hieraan ten grondslag? Of is de optelsom het resultaat van het sluitend willen maken van de begroting?
Welke risico’s ziet u ten aanzien van het feit dat er in de toekomst juist veel nieuwe externe inhuur nodig is, omdat cruciale kennis niet meer aanwezig is bij de departementen zelf? En hoe voorkomt u dat de overheid hiermee nog meer afhankelijk wordt van externe bureaus?
Welke risico’s ziet u ten aanzien van het gebruik van artificiële intelligentie (AI), zolang Nederland en Europa vooral afhankelijk zijn van grote AI-bedrijven van buiten de EU? Hoe weegt u deze ongewenste afhankelijkheid mee bij uw plannen om overheidsdienstverlening en overheidstaken uit te voeren?
Klopt het dat een groot deel van de kosten die gemaakt worden in Wet open overheid (Woo)-procedures komen, doordat overheden stelselmatig te weinig hebben gedaan om de achterstallige informatiehuishouding te verbeteren? Zo nee, hoe zit dit dan volgens u wel?
Wat is er de afgelopen jaren concreet gedaan om de informatiehuishouding te verbeteren? Welke stappen die eerder zijn afgesproken, onder andere tijdens de behandeling van de Woo in beide Kamers, zijn er concreet uitgevoerd? En waarom is dit tot op heden nog niet substantieel verbeterd?
Waarom wil het kabinet de openbaarheid van burgers en journalisten inperken, terwijl het de overheid zelf is die haar informatiehuishouding niet op orde heeft? Hoe legt u dit aan de samenleving uit?
Kunnen alle relevante beslisnota’s, dus niet alleen de beknopte nota die nu is meegestuurd, die ten grondslag liggen aan de samenstelling van deze brief, dus ook die over de inhoud van de brief gaan en die afkomstig zijn van andere departementen, met de Kamer worden gedeeld?
Kunt u deze vragen ruim voorafgaand aan de relevante commissiedebatten over de informatie- en werkafspraken tussen Kamer en kabinet en over de slagvaardige overheid afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het FTM-artikel 'Palantir heeft ‘gevaarlijke’ grip op cruciale Europese infrastructuur' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Derk Boswijk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het FTM-artikel «Palantir heeft «gevaarlijke» grip op cruciale Europese infrastructuur» van 15 oktober 2026?1
Klopt het dat Defensie al langere tijd een pilot aan het draaien is om de aankoop van MAVEN Smart Systems te onderzoeken? Zo ja, waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd toen er meerdere vragen over gesteld werden op 11 juli 2025, 28 april en 29 april 2026?2, 3, 4
Hoeveel andere pilots worden door Defensie gedraaid om het gebruik en eventuele aanschaf van Palantir te toetsen?
Op welke manier maken de AIVD en de MIVD gebruik van software van Palantir en/of hebben zij in het verleden hier gebruik van gemaakt? Over welke periode wordt/werd hiervan gebruikt gemaakt?
Zijn hierbij ook gegevens van Nederlanders verwerkt?
Indien de AIVD en/of de MIVD inderdaad met het gebruik van Palantir zijn gestopt, wat waren hier de overwegingen om hiermee te stoppen?
Klopt het daarnaast ook dat het commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten eerder dit jaar een «tijdelijke» overeenkomst sloot met Palantir? Zo ja, waar dient dit contract voor en waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd toen er vragen over gesteld werden op 28 april en 29 april 2026?5, 6
Hoe rijmt de verkennende pilot bij Defensie en de overeenkomst met het commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten met de ambitie om binnen twee jaar Palantir-gebruik binnen de overheid volledig afgebouwd te hebben, ofwel het tweesporenbeleid?
Hoeveel kosten al deze nieuwe (tijdelijke) contracten en pilots?
Waarom zei u dat alleen de politie gebruik maakt van Palantir in de «Raffinaderij», terwijl nu blijkt dat dit geen compleet beeld is van de huidige situatie?
Eerder zei u dat de politie gebruik maakt van Palantir in de raffinaderij om terrorisme en «zware misdaad» te bestrijden; wat is de juridische definitie die de politie hanteert voor «zware misdaad»?
Acht u het nog steeds wenselijk om Palantir volledig af te bouwen, zodat we binnen onze overheid op geen enkele manier meer gebruik maken van Palantir? Zo nee, waarom bent u van gedachte veranderd?
Kunt u uitleggen waarom u het een goede keuze vindt om gebruik te blijven maken van de software van een bedrijf dat onder andere gebruikt wordt voor de doeleinden van ICE en de oorlog in Iran?
Bent u ervan bewust dat, na het eerste FTM-bericht over de samenwerking tussen Palantir en de Marechaussee en de situatie omtrent de onbehandelde aangiftes, dit de derde keer is dat u de Kamer verkeerd geïnformeerd heeft? Kunt u daarop reflecteren?7, 8
Kunt u deze vragen apart van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het bericht dat Israël de Westelijke Jordaanoever volledig gaat afsluiten |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht van vandaag dat de Israëlische regering de Westelijke Jordaanoever volledig gaat afsluiten?1
Bent u bereid het afsluiten van de Westelijke Jordaanoever te veroordelen? Graag een toelichting.
Wat zijn de te verwachten gevolgen voor de humanitaire situatie van de Palestijnen die wonen op de Westelijke Jordaanoever door de afsluiting door de Israëlische regering?
Erkent u dat de situatie voor Palestijnen die wonen in de Westelijke Jordaanoever de afgelopen periode aanzienlijk is verslechterd?
Klopt het dat op dit moment geen nieuw ambtsbericht gepland is op basis waarvan het landenbeleid inzake de Palestijnse gebieden geüpdatet zal worden?
Bent u bereid te zorgen dat het landenbeleid inzake de Palestijnse gebieden wordt geüpdate? Graag een toelichting.
Buitenlandplaatsingen in de jeugdhulp naar aanleiding van X-post van de minister |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat u als Minister stelselverantwoordelijk bent voor een goed functionerend jeugdstelsel en daarmee verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming van jeugdhulp aan Nederlandse jeugdigen, ook wanneer gemeenten deze hulp inkopen en jeugdigen in het buitenland worden geplaatst? Zo nee, kunt u nauwkeurig uiteenzetten waar uw verantwoordelijkheid eindigt en die van gemeenten begint?1
Deelt u de mening dat gemeenten die jeugdhulp in het buitenland inkopen verantwoordelijk zijn voor het vooraf controleren en gedurende de plaatsing bewaken van de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming, waaronder de vergunningen, het gekwalificeerd personeel, het toezicht, de klachtenprocedures, de vrijheidsbeperkende maatregelen en de feitelijke veiligheid van de locatie? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete controles moeten gemeenten uitvoeren voordat zij een jeugdige bij een buitenlandse jeugdhulpaanbieder plaatsen en gedurende de plaatsing blijven uitvoeren?
Hoe zijn volgens u in het gedwongen kader de verantwoordelijkheden voor de plaatsing, de kwaliteit, de veiligheid, de rechtsbescherming en het toezicht precies verdeeld tussen de gemeente, de gecertificeerde instelling (GI), de jeugdhulpaanbieder en een eventuele plaatsingscoördinator? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment voldoende duidelijk en is voor iedere plaatsing ondubbelzinnig vastgelegd wie waarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar is? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze verantwoordelijkheden te verduidelijken?
Welke instantie controleert of gemeenten deze verantwoordelijkheid daadwerkelijk nakomen en welke instantie kan ingrijpen wanneer dit onvoldoende gebeurt? Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijk Minister wanneer blijkt dat deze controle tekortschiet?
Acht u het aanvaardbaar dat Nederlandse jeugdigen in het buitenland worden geplaatst wanneer niet kan worden gegarandeerd dat daar voldoende toezicht bestaat op de kwaliteit van zorg, veiligheid en rechtsbescherming? Zo ja, waarom?
Kunt u garanderen dat voor iedere Nederlandse jeugdige die momenteel in het buitenland verblijft in het kader van jeugdhulp aantoonbaar is vastgesteld dat de betreffende instelling aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet en dat duidelijk is welke instantie daadwerkelijk toezicht houdt? Zo nee, hoeveel jeugdigen verblijven momenteel op locaties waarvoor dit niet aantoonbaar kan worden gegarandeerd?
Hoe kan een gemeente naar uw oordeel verantwoord besluiten een jeugdige in het buitenland te plaatsen wanneer Nederlandse toezichthouders daar niet dezelfde toezichtsmogelijkheden hebben als bij jeugdhulp in Nederland? Deelt u de opvatting dat onvoldoende zicht op de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming een onaanvaardbaar risico vormt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel Nederlandse jeugdigen momenteel voor jeugdhulp in het buitenland verblijven, uitgesplitst naar land, gemeente, jeugdhulpaanbieder en type jeugdhulp? Kunt u daarbij per plaatsing aangeven op welke wijze vooraf is gecontroleerd of de aanbieder over de vereiste vergunningen beschikt, aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet en onder welk toezicht deze plaatsing valt?
Welke maatregelen neemt u ten aanzien van Nederlandse jeugdigen die momenteel in het buitenland verblijven wanneer niet aantoonbaar kan worden vastgesteld dat hun veiligheid, rechtsbescherming en de kwaliteit van de geboden jeugdhulp voldoende zijn geborgd?
Bent u bereid te stoppen met nieuwe plaatsingen van Nederlandse jeugdigen voor jeugdhulp in het buitenland en ervoor te zorgen dat passende jeugdhulp voor deze jeugdigen in Nederland beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete juridische belemmeringen bestaan er volgens u om nieuwe buitenlandplaatsingen volledig te beëindigen? Kunt u per belemmering aangeven uit welke nationale of internationale wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling deze voortvloeit?
Welke bepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) zouden er volgens u aan in de weg kunnen staan dat Nederland als uitgangspunt hanteert dat Nederlandse jeugdigen jeugdhulp in Nederland ontvangen? Kunt u dit per bepaling juridisch onderbouwen?
Indien u van mening bent dat het IVRK of andere internationale verplichtingen vereisen dat in uitzonderlijke gevallen plaatsing in het buitenland mogelijk moet blijven, kunt u dan aangeven in welke concrete situaties daarvan sprake kan zijn en waarom de benodigde passende hulp in die situaties niet in Nederland georganiseerd kan worden?
Deelt u de mening dat het feit dat bepaalde specialistische jeugdhulp momenteel mogelijk onvoldoende beschikbaar is in Nederland geen reden mag zijn om Nederlandse jeugdigen naar het buitenland te plaatsen, maar aanleiding moet zijn om de noodzakelijke capaciteit in Nederland te organiseren? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat opnieuw Nederlandse jeugdigen worden geplaatst bij buitenlandse instellingen waarvan vergunningen, toezicht, kwaliteit of veiligheid onvoldoende zijn geborgd?
Bent u bereid vanuit uw stelselverantwoordelijkheid de regie te nemen om te waarborgen dat Nederlandse jeugdigen de noodzakelijke jeugdhulp in Nederland kunnen ontvangen en dat gemeenten niet langer genoodzaakt zijn hiervoor uit te wijken naar buitenlandse aanbieders? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse inzet op de Industrial Accelerator Act en de recente publicatie van het Jacques Delors Centre |
|
Tom van der Lee (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente publicatie Buy European need not break the bankvan het Jacques Delors Centre?1
Onderschrijft u de conclusie dat strengere Europese voorkeursregels en eisen aan koolstofarme productie mogelijk zijn zonder hoge meerkosten voor eindgebruikers?
Hoe reflecteert u op de conclusie dat het huidige voorstel voor de Industrial Accelerator Act (IAA) onvoldoende prikkels biedt voor investeringen in de Europese industrie en dat strengere Europese voorkeurseisen gewenst zijn?
Onderschrijft u dat brede uitzonderingen op Europese voorkeursregels en groene producteisen de effectiviteit beperken, maar ook extra bureaucratie en onzekerheid veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u hierbij specifiek ingaan op de generieke kostenuitzondering en de positionering van Nederland op dit principe? Hoe reflecteert u op de kritiek in dit onderzoek?
Bent u bereid om de reikwijdte van de IAA uit te breiden naar meer markten en aanvullende strategische componenten, zoals de publicatie aanbeveelt? Zo nee, waarom niet?
Waarom kiest u voor terughoudendheid bij Europese oorsprongseisen, en een brede definitie van wat Europees is, terwijl een nauwere definitie en harde Europese voorkeursregels volgens de publicatie de vraag naar Europese producten vergroten en daarmee investeringen in Europese productie stimuleren?
Kunt u toelichten hoe u de overweging maakt of u voor of tegen Europese oorsprongseisen voor (strategische) producten bent?
Waarom zorgt de Nederlandse positie volgens u voor meer investeringszekerheid in Europese verduurzaming van de industrie dan de positie die in de publicatie wordt onderbouwd?
Bent u bereid om voor strategische sectoren oplopende minimumpercentages voor koolstofarme – en Europese – productie in te stellen met oog op een duidelijk einddoel, zodat producenten zekerheid krijgen over de toekomstige vraag? Zo nee, waarom niet?
Ziet u op basis van de publicatie reden om uw positionering op de IAA te heroverwegen en te pleiten voor ambitieuzere Europese voorkeursregels en groene mandaten? Zo nee, waarom niet?
Zijn er onderdelen van deze publicatie die u in overweging neemt voor de positionering van Nederland bij toekomstige Europese wetgeving t.a.v. industriebeleid?