Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ieder kind heeft recht om op een veilige plek op te groeien. Bij signalen van onveiligheid, moet snel duidelijk worden wat een passend vervolg is. Daarom moet het stelsel beter en eenvoudiger, en wachttijden tot het minimum worden beperkt.
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Ja, uit de cijfers van Veilig Thuis blijkt dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen de afgelopen jaren is gestegen. Ongeveer de helft hiervan heeft betrekking op kindermishandeling. Dit percentage is door de jaren heen stabiel gebleven, al is het aantal adviesvragen en meldingen met betrekking tot kindermishandeling in absolute aantallen gestegen. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nader overzicht.
Dat hoeft echter niet direct te betekenen dat kindermishandeling vaker voorkomt; het kan ook zijn dat onveilige situaties vaker worden gesignaleerd en dat vaker contact wordt opgenomen met Veilig Thuis. Het is positief dat Veilig Thuis wordt benaderd om situaties waarin kinderen zich mogelijk in onveiligheid bevinden waar nodig nader te onderzoeken.
In de beleidsinformatie die periodiek door Veilig Thuis met het CBS wordt gedeeld, wordt geen onderscheid gemaakt tussen «ernstige» en «niet-ernstige» mishandeling. Ik beschouw iedere situatie van mishandeling ook als één te veel en als schadelijk.
Voor seksueel misbruik bij kinderen is het beeld gemengd. Het aantal adviesvragen steeg van 3.635 in 2022 naar 4.515 in 2025, terwijl het aantal meldingen in diezelfde periode licht terugliep, van 1.985 naar 1.830.
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Veilig Thuis levert twee keer per jaar cijfers aan het CBS. Daaruit is op jaarbasis het volgende overzicht van het aantal meldingen kindermishandeling op te maken:
Jaar
Aantal meldingen kindermishandeling
2019
55.590
2020
62.795
2021
61.495
2022
62.460
2023
65.750
2024
67.030
2025
68.150
Er wordt landelijk niet bijgehouden wanneer de wettelijke termijnen worden overschreden. Vanuit de decentrale inrichting van de regionale Veilig Thuis-organisaties is het deels afhankelijk van de wijze van aanbesteding hoe de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties hierover verantwoording afleggen aan de gemeenten. Landelijk houdt de IGJ daarnaast toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele organisaties, waaronder ook de naleving van de termijnen.
Een exact percentage van het aantal gevallen waarin de wettelijke termijn voor het uitvoeren van de veiligheidsbeoordeling niet wordt gehaald, is daardoor niet goed te geven. Wel is bekend dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40 en 60 procent van de veiligheidsbeoordelingen niet tijdig werd afgerond en dat dit al jaren een structureel knelpunt is bij Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde, en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden. Op het overschrijden van deze wettelijke termijnen ga ik in de beantwoording van vraag 7 nader in. Voor de volledigheid wil ik hierbij benadrukken dat na ontvangst van een melding altijd binnen 24 uur een eerste triage wordt uitgevoerd, en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
Voor het overschrijden van de wettelijke termijnen zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Een tekort aan personeel speelt daarbij zeker een rol, maar ook de beperkte capaciteit bij samenwerkingspartners van Veilig Thuis en de toegenomen complexiteit van de casuïstiek. Al deze factoren samen verklaren waarom de termijnen niet altijd worden gehaald.
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal afgeronde diensten onderzoek door Veilig Thuis.
Jaar
Aantal afgeronde diensten onderzoek totaal (alle vormen van huiselijk geweld inclusief kindermishandeling)
Aantal afgeronde diensten onderzoek specifiek bij een vermoeden van kindermishandeling
2019
6.100
2.440
2020
7.305
3.735
2021
7.615
4.025
2022
7.585
4.145
2023
7.530
4.335
2024
7.720
4.610
2025
7.435
4.405
Totaal
51.290
27.695
Ook voor de termijn van 10 weken voor het afronden van een onderzoek geldt dat naleving niet centraal wordt geregistreerd, waardoor helaas niet exact bekend is hoe vaak de termijn van tien weken wordt overschreden. Ik vind het belangrijk dat er meer uniformiteit en daarmee ook een beter landelijk overzicht komt, en werk daarom samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis hard aan het meer gelijk maken van werkprocessen en data.
In de tabel hieronder het gevraagde overzicht van het aantal keer dat Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming heeft ingeschakeld:
Jaar
Aantal afgeronde casussen met overdracht naar de Raad voor de Kinderbescherming
2019
355
2020
520
2021
620
2022
565
2023
595
2024
630
2025
490
Totaal
3.775
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Zoals hierboven toegelicht, is er wel inzicht in cijfers over het aantal meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis, maar niet in concrete gegevens over wachttijden en wachtlijsten. Daardoor kan er geen antwoord worden geven op de vraag wat de gemiddelde wachttijd voor gezinnen is na een melding. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat dit beeld er in de toekomst wel komt. Daarom werk ik met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis aan uniformiteit in de registratie van deze gegevens.
Evenmin is bekend hoeveel kinderen zich op dit moment in een onveilige situatie bevinden. Ook de cijfers van Veilig Thuis bieden hier geen uitsluitsel: zij geven uitsluitend een beeld van het aantal huishoudens waarover jaarlijks een melding wordt gedaan, niet van de totale omvang van kinderen in onveiligheid.
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Het is duidelijk dat Veilig Thuis onder grote druk staat en dat dit helaas leidt tot het overschrijden van de wettelijke termijnen. Ondanks de vele initiatieven die de afgelopen jaren zijn ondernomen, is het niet gelukt de wachtlijsten weg te werken. Dit is zorgelijk.
Hierbij is het goed om te vermelden dat, zoals ook in dit NOS-artikel staat, los van een eventuele wachtlijst bij een melding altijd direct een triage wordt uitgevoerd en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Daarbij is het belangrijk te blijven beseffen dat dit niet alleen een probleem is van Veilig Thuis zelf, maar van de keten als geheel. Met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt gewerkt aan een stelselwijziging die ook de structurele knelpunten in de keten moet aanpakken: een stelsel dat eenvoudiger moet worden, met minder overdrachten van gezinnen en huishoudens.
Tegelijkertijd blijven we zoeken naar manieren om de wachtlijsten ook op kortere termijn terug te dringen. Daarvoor is het van belang een beter landelijk beeld te krijgen van de omvang en oorzaken van de problematiek. Uniformiteit tussen de 25 Veilig Thuis-organisaties is daarbij een cruciale voorwaarde, net als verdere verbetering van de werkprocessen waar dat mogelijk is. Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, het Ministerie van JenV en de IGJ onderzoeken we hoe we de wettelijke basis en bijpassende kwaliteitseisen kunnen aanscherpen om tot meer uniformiteit te komen.
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Het beoordelen van signalen en het inschatten van veiligheidsrisico's behoren tot de kerntaken van Veilig Thuis. Zoals ook in het antwoord op vraag 7 is benoemd, worden ondanks de bestaande wachtlijsten alle meldingen binnen 24 uur op urgentie beoordeeld door daartoe opgeleide professionals. Op basis van de inhoud van de melding wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin sprake is van acute of ernstige onveiligheid en situaties waarin een andere vorm van vervolg, ondersteuning of monitoring meer passend is. Hierbij moet Veilig Thuis afgaan op de informatie die zij krijgt. Samenwerking van Veilig Thuis met overige ketenpartners is dan cruciaal om het beeld van mogelijke onveiligheid scherper te krijgen en gezamenlijk tot een passend vervolg van ondersteuning, hulp en/of bescherming te komen. Deze gezamenlijke opgave vraagt ook om bredere oplossingen binnen het stelsel, waaronder een betere samenwerking tussen lokale teams en veiligheidspartners, zoals uitgewerkt in het Toekomstscenario.
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Ouders die wachten op een vervolgactie van Veilig Thuis kunnen altijd contact opnemen als zij het gevoel hebben dat de situatie niet langer kan wachten of dat er iets is veranderd. Zoals eerder aangegeven beoordeelt Veilig Thuis elke nieuwe melding opnieuw op acute onveiligheid.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming vereist een zorgvuldig proces in afstemming met betrokken organisaties en gemeenten. Bij ernstige gevallen vind ik het van belang dat Veilig Thuis of een andere betrokken organisatie de Raad voor de Kinderbescherming zo spoedig mogelijk inschakelt. Dit vraagt ook om een goede gezamenlijke analyse om de aard en ernst van een situatie goed te kunnen inschatten, iets wat vanuit het Toekomstscenario verder wordt versterkt.
Waar dat mogelijk en verantwoord is, streven we tegelijkertijd naar passende oplossingen binnen het vrijwillige kader. In die gevallen is het vooral belangrijk dat het gezin vanuit de juiste expertise bij de professionals tijdig de ondersteuning krijgt die het nodig heeft.
Overigens is het aandeel van Veilig Thuis-meldingen in de totale instroom bij de Raad voor de Kinderbescherming al jarenlang ongeveer 17 procent.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Kinderrechtenverdrag. Dat betekent dat wij als kabinet een positieve verplichting hebben om kinderen in staat te stellen zich optimaal en veilig te ontwikkelen. Dat vraagt van alle betrokkenen voortdurende inzet en aandacht. De situatie van het zwaar mishandelde meisje dat verbleef in een pleeggezin in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat het niet altijd en overal lukt om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Een van de kernbepalingen uit het Kinderrechtenverdrag is dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan.2 Daarom zijn sinds het debat van 4 maart 2025 meerdere verbeterpunten gerealiseerd binnen de pleegzorg, jeugdbescherming en Veilig Thuis om de stem van kinderen te versterken.
Allereerst wordt binnen de Richtlijn Pleegzorg de focus meer gelegd op formele en informele vertrouwenspersonen, in aanvulling op het betekenisvol 1-op-1 contact tussen de professional en het pleegkind. Eveneens heb ik, in lijn met de motie Westerveld3, opdracht gegeven aan Jeugdstem om samen met ervaringsdeskundige jongeren uit de pleegzorg, de NVP en de Alliantie Informele Steun een informatiepakket te maken voor pleegkinderen zodat zij weten dat zij recht hebben op de hulp van vertrouwenspersonen en informele steunfiguren. Dit informatiepakket bestaat onder andere uit het «Ken-je-rechten-boekje» specifiek voor pleegkinderen, informatievideo’s en podcastafleveringen. Jeugdstem zal ook informatie beschikbaar maken voor pleegzorgbegeleiders, zodat deze ook over de juiste informatie beschikken. Jeugdstem verwacht in september het informatiepakket voor pleegkinderen gereed te hebben.
Daarnaast heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 2025 de positie van het kind versterkt, onder andere door het verbeteren van het kindgesprek, het inzetten van een ervaringsdeskundigen en het aanscherpen van de handreiking «Praten met kinderen over seksueel misbruik».
De Gecertificeerde Instellingen hebben naar aanleiding van het inspectierapport van 25 september 2025 een plan van aanpak opgesteld waarin onder andere gewerkt wordt aan de gezamenlijke uitgangspunten voor betekenisvolle face-to-face contacten. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die in het kader van het Toekomstscenario is ontwikkeld. Voorts is de afgelopen jaren met het landelijk tarief de workload van de jeugdbeschermer verlaagd met bijna 30%. Dit geeft meer ruimte voor betekenisvol contact van de jeugdbeschermer met het kind en het gezin. Specifiek voor de William Schrikker Stichting geldt dat naar aanleiding van de ernstige mishandeling in Vlaardingen maatregelen zijn genomen om het zicht op veiligheid van het kind te verbeteren, bijvoorbeeld door ieder kwartaal een toets uit te voeren op de actualiteit van kind-alleen-gesprekken.
Vanuit Veilig Thuis is er al een protocol voor het handelen bij disclosure, dat is wanneer een kind zelf aangeeft mishandeld te worden. Disclosure valt in alle gevallen onder vermoedens van acuut en/of ernstig structureel huiselijk geweld. Bij een melding bij Veilig Thuis waar sprake is van disclosure moet altijd een vertrouwensarts worden betrokken en moet een «top tot teen»-onderzoek plaatsvinden.
De vreselijke gebeurtenis in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat bij een deel van de professionals nog te weinig bekend was over disclosure en de afgesproken handelingsperspectieven. Daarom heeft Veilig Thuis vooral geïnvesteerd in het creëren van bewustwording rondom disclosure, zowel door rechtstreekse voorlichting aan professionals als door veel aandacht hierover op het nieuwe digitaal platform (o.a. met AI-chatbots). Ook is er brede aandacht voor de adviesfunctie voor professionals en heeft verbetering plaatsgevonden van meldings-en informatiesystemen. Daarnaast vindt voorlichting plaats op scholen over de radarfunctie van Veilig Thuis en via digitale kanalen. Tot slot verbetert Veilig Thuis zelf ook de gespreksvoering met kinderen door de medewerkers te trainen in systematische gespreksvoering met kinderen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling (NICHD-methode).
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Op het handelen van Veilig Thuis wordt onafhankelijk toezicht gehouden door de IGJ. Dit toezicht is zowel risicogestuurd als thematisch van aard. Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld.
De IGJ toetst of Veilig Thuis voldoet aan de geldende normen en verplichtingen op vier terreinen: veiligheid, de mate waarin gezinnen en huishoudens centraal worden gesteld, de deskundigheid van professionals en goed bestuur. Hiervoor heeft zij in januari 2025 ook een geactualiseerd toetsingskader opgesteld.
Daarnaast geldt voor Veilig Thuis een meldplicht bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waarbij zij betrokken is. De IGJ beoordeelt vervolgens onafhankelijk of nader onderzoek nodig is.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen, het toezicht van de IGJ en het debat van 4 maart 2025 zijn pleegzorgorganisaties en gecertificeerde instellingen gezamenlijk aan de slag gegaan met het verbeteren van de samenwerking. De Ministeries van JenV en VWS hebben Jeugdzorg Nederland, als koepel voor pleegzorg en jeugdbescherming, de opdracht gegeven om de Handreiking samenwerkingsafspraken Jeugdbescherming-Pleegzorgaanbieder uit 2016 te actualiseren. Vanuit Jeugdzorg Nederland zijn hiervoor projectleiders aangetrokken. In dit traject zijn onder andere de volgende onderwerpen meegenomen: versnellen van verklarend analyseren, gegevensuitwisseling tussen professionals, samenwerkingsafspraken met gezinshuizen en optimaal betekenisvol contact met het kind. De planning voor het vaststellen van deze hernieuwde samenwerkingsafspraken is najaar 2026. Aanvullend op deze samenwerkingsafspraken zijn er geen wetsvoorstellen in voorbereiding.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
In regio’s zijn stappen gezet om de verbinding tussen school en onderwijs te versterken. Onder meer door het aanstellen van vaste contactpersonen voor onderwijspartners. Deze contactpersonen zijn goed bereikbaar en gemakkelijk te vinden voor scholen, beantwoorden vragen vanuit het onderwijs en vertalen signalen en verbeterpunten intern door binnen Veilig Thuis. Overigens is in het Handelingsprotocol van Veilig Thuis opgenomen dat scholen vanuit Veilig Thuis altijd de informatie krijgen die noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Ook krijgt de school altijd een terugkoppeling.
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Een goede screening van pleegouders is belangrijk. Hiervoor moet een zorgvuldige procedure doorlopen worden, bestaande uit voorbereiding en beoordeling van de geschiktheid van pleegouders door de pleegzorgaanbieders, aangevuld met een justitiële screening door de Raad voor de Kinderbescherming.
De IGJ heeft in het thematisch toezicht naar de pleegzorg onder meer gekeken naar de screening en heeft op dit gebied geen aanbevelingen gedaan.
Desalniettemin hebben pleegzorgaanbieders het Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening vervroegd geëvalueerd. Binnen deze evaluatie wordt kritisch gekeken naar het opvragen van referenten, informatie-uitwisseling tussen pleegzorgaanbieders onderling en screening en voorbereiding van netwerkpleegouders. Het nieuwe Kwaliteitskader is eind vorige maand bestuurlijk vastgesteld.
Ten aanzien van de justitiële screening (Verklaring van Geen Bezwaar) die de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van de pleegzorgaanbieder uitvoert, past de RvdK sinds de herziening van zijn handreiking in februari 2025 consequent het vier-ogen-principe toe bij besluitvorming over (her-)screeningen van pleeggezinnen. Ter versterking van de zorgvuldigheid raadpleegt de RvdK op vaste momenten in het justitiële (her-)screeningstraject de Gecertificeerde Instelling en de pleegzorgaanbieder op het moment dat er zorgen zijn. Indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft kunnen er meer informanten worden geraadpleegd.
Naast een goede screening is vooral goede ondersteuning en begeleiding van pleegouders belangrijk, zodat eventuele zorgen over de opvoedsituatie tijdig in beeld komen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders gebeurt primair door de pleegzorgwerkers en begeleiding vanuit de aanbieders. De komende periode geven de pleegzorgaanbieders uitvoering aan hun verbeteragenda, waar het versterken van de begeleiding van pleegouders een kernonderdeel van is.
Verder is het van belang dat pleegouders ergens terecht kunnen met vragen en klachten, als zij er niet uitkomen met de pleegzorgbegeleiding. Hiervoor geef ik subsidie aan de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en Jeugdstem. Zij kunnen pleegouders ondersteunen. Aanvullend heb ik maatregelen genomen voor het beter ondersteunen van pleeggezinnen zoals het financieel mogelijk maken van kinderopvang voor pleegkinderen en het uitbreiden van de bijzondere kostenvergoeding in het vrijwillig kader.
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Het LECK heeft als primaire taak artsen te adviseren bij vermoedens van kindermishandeling. Dit advies is gebaseerd op medische informatie en fotomateriaal en richt zich op de vraag of geconstateerd letsel past bij de beschreven toedracht, of dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke kindermishandeling. Voor een zorgvuldige beoordeling is het daarbij van belang dat het LECK beschikt over kwalitatief goede informatie.
Via de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn er verschillende routes waarlangs deze expertise kan worden ingezet. Zo kan Veilig Thuis medische professionals adviseren eerst een consult bij het LECK aan te vragen voordat een melding wordt gedaan. Daarnaast kunnen Veilig Thuis en vertrouwensartsen bij een vermoeden van lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik advies of onderzoek laten uitvoeren door een forensisch arts.
Het aantal adviezen van het LECK is de afgelopen jaren toegenomen, en ook de financiering is in die periode substantieel gegroeid. Ik vind het belangrijk dat de expertise van het LECK behouden blijft en toegankelijk is voor de professionals die daarop zijn aangewezen. In lijn met de aangenomen motie Krul-Westerveld ben ik daarom met het LECK en andere betrokken partijen in gesprek over hoe deze expertise duurzaam kan worden geborgd. Daarnaast verken ik hoe de samenwerking en afstemming tussen gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, forensische expertiseorganisaties en het LECK in breder verband verder versterkt kunnen worden.
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Ik herken de ernst van de problemen binnen het stelsel. Met de betrokken partners voer ik overleg over de aanpak daarvan, vooralsnog binnen het bestaande financiële kader en met de extra POK-middelen die regio's hebben ontvangen: € 18 miljoen in 2026 en € 17 miljoen in 2027. Over de veranderstrategie van het Toekomstscenario zal ik uw Kamer in juli informeren.
steeds).
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Ja.
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Ja, ik deel die mening.
Er is geen keuze gemaakt tot de verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van de NL Wallet en dit is ook niet ons streven.
De publieke wallet wordt stapsgewijs ontwikkeld en dat gebeurt transparant. Dagelijks worden nieuwe wijzigingen aan de broncode aangebracht en gepubliceerd zodat iedereen die dat wil de ontwikkeling kan volgen. In de huidige versie zijn beveiligingsmaatregelen opgenomen om gebruikers te beschermen tegen malafide apps, waarmee hun persoonsgegevens worden beschermd en identiteitsfraude wordt bestreden. Voor de grootste gebruikersgroepen (mensen met een Google-account of Apple-ID) zijn deze maatregelen nu gerealiseerd. Voor andere gebruikersgroepen zijn andere maatregelen nodig. Die maatregelen zullen worden onderzocht en, indien dat veilig kan, worden geïmplementeerd voordat de publieke wallet beschikbaar komt voor gebruikers.
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel die mening.
De beveiligingsmaatregelen die gebruikers zonder Google-account of Apple-ID in staat stellen om ook gebruik te maken van de publieke wallet worden nog verkend. Hiervoor wordt ook van gedachten gewisseld met experts van andere lidstaten. Als deze opties veilig zijn, zullen die worden geïmplementeerd voordat de wallet live gaat.
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Mensen die geen gebruik willen maken van de NL wallet, hoeven dat ook niet. De vrijwilligheid is wettelijk geborgd in de verordening. Met het oog op de toegankelijkheid van de NL Wallet betrekken wij gebruikers bij de ontwikkeling, bijvoorbeeld mensen met een beperking. Verder zullen we verkennen hoe we de toegankelijkheid van de NL wallet kunnen vergroten, ook voor mensen die geen smartphone willen of kunnen gebruiken.
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
De werking van inlogmiddelen als DigiD verschilt van die van EDI wallets als de NL Wallet, wat andere beveiligingsrisico’s met zich meebrengt en zodoende om andere maatregelen vraagt. Zoals aangegeven bij antwoord 2 is de NL Wallet nog in ontwikkeling en streven we ernaar om deze ook beschikbaar te maken voor mensen zonder Apple-ID of Google-account. Met DigiD kun je bij bepaalde overheidsdiensten inloggen zonder smartphone, met de SMS-check. Bij diensten die een hoger betrouwbaarheidsniveau vereisen heb je een smartphone met DigiD app nodig. BZK onderzoekt de mogelijkheid om een DigiD ook op hogere betrouwbaarheidsniveaus zonder smartphone beschikbaar te stellen. EDI-wallets, zoals de NL Wallet, moeten worden uitgegeven op het hoogste betrouwbaarheidsniveau. We bekijken of we de ontwikkelingen bij DigiD kunnen benutten voor EDI-wallets, inclusief de NL Wallet.
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Zoals gezegd moeten deze maatregelen nog worden onderzocht. Daaruit zal ook blijken hoe complex dit is.
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
DigiD blijft bestaan zoals reeds eerder aan de Kamer is toegezegd2. Het gebruik van de NL-wallet is vrijwillig, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Ja, de acceptatieverplichtingen voor DigiD blijven bestaan naast de acceptatieverplichtingen voor EDI-wallets.
Zoals gezegd is er nog geen keuze gemaakt om een Google-account of Apple-ID te verplichten voor de NL Wallet en is dit ook niet ons streven.
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
De NL Wallet kan niet voorkomen dat gebruikers worden geblokkeerd door de aanbieder van hun smartphone, besturingssysteem of andere de software die daarop draait. Om die reden hecht ik er waarde aan om te zorgen dat de NL Wallet niet van een kleine groep aanbieders afhankelijk is en onderzoek ik mogelijkheden om ook een veilige oplossing te bieden aan burgers zonder Google-account of Apple-ID.
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Zoals gezegd is er geen keuze gemaakt om het Apple-ID of Google-account voorwaardelijk te maken en is dit ook niet ons streven.
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Bij de ontwikkeling van apps worden meerdere factoren meegewogen. De borging van publieke waarden waaronder veiligheid, privacy, inclusie en soevereiniteit staat centraal. Gemak van de ontwikkeling speelt hierin geen rol.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja, de vragen worden afzonderlijk van elkaar beantwoord. Ik heb uw Kamer met een uitstelbrief laten weten dat beantwoording langer ging duren.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Herbert , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
Het artikel waaruit blijkt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Alleen Nederlandse chauffeurs krijgen boete als ze over Merwedebrug rijden: «Pure concurrentievervalsing»» en kunt aangeven of het klopt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden? Zo nee, kunt u toelichten waar de bevindingen van het AD vandaan komen en waarom deze onjuist zijn?1
Bent u indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend is bereid om het uitschrijven van bekeuringen aan Nederlandse chauffeurs te staken zolang buitenlandse chauffeurs geen bekeuring kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat louter het bekeuren van Nederlandse chauffeurs discriminatie is en dat dit past in de trend bij de overheid waarin Nederlanders overmatig worden benadeeld ten opzichte van niet-Nederlanders? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod vereisen dat overtreders ongeacht nationaliteit op gelijke wijze worden behandeld? Zo ja, hoe wordt daarop toegezien en hoe gaat u deze evidente discriminerende situatie oplossen?
Acht u het indien buitenlandse overtreders niet of moeilijk kunnen worden beboet dan rechtvaardig dat Nederlandse ondernemers hierdoor relatief zwaarder worden getroffen?
Hoe lang verwacht u dat het verbod voor vrachtverkeer op de Merwedebrug nog noodzakelijk blijft en wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de duur van de maatregel?
Wanneer gaat u eindelijk eens (adequaat) investeren in de infrastructuur teneinde te voorkomen dat het bekeuren van vrachtwagenchauffeurs überhaupt nodig is?
Racistisch en seksistisch geweld en intimidatie tegen mensen die asiel zoeken en inwoners die zich uitspreken voor opvang |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat inwoners van Engelen en Bokhoven die steun hebben uitgesproken voor vreedzaam samenleven door middel van een poster slachtoffer zijn geworden van intimidatie, bedreigingen en bekladdingen van woningen en andere eigendommen? Wat is uw reactie daarop?1
Heeft u gezien dat in Geesteren de auto van een Syrisch gezin in brand is gestoken, nadat eerder tot drie keer toe stenen met intimiderende en bedreigende briefjes door de ruiten van hun woning waren gegooid? Wat is uw reactie daarop?2
Heeft u gezien dat in Engelen de auto van mensen die een «Samen Leven»-poster hadden opgehangen in het water is geduwd? Wat is uw reactie daarop?3
Wat vindt u ervan dat inwoners van Engelen zich de afgelopen maanden al niet vrij voelden om hun mening te geven over een opvanglocatie voor kinderen die asiel zoeken in Nederland, omdat ze geïntimideerd werden door tegenstanders, waarbij onder meer hakenkruizen in appgroepen werden verspreid?4
Deelt u de analyse van onder andere Jelle Postma, voormalig AIVD'er en expert op het gebied van maatschappelijke manipulatie, dat hiermee een nieuwe, zorgelijke fase ingaat, waarbij geweld en intimidatie zich nu niet alleen maar richten op de overheid, maar ook op gewone burgers? Deelt u zijn analyse dat er «blijkbaar een gevoel is ontstaan dat je anderen straffeloos mag intimideren om je zin door te drijven»? Zo nee, wat is dan uw analyse?5
Erkent u dat een klimaat waarin inwoners zich niet meer vrij voelen zich publiekelijk uit te spreken over de opvang van asielzoekers, uit angst voor intimidatie of geweld, een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarin voor het kabinet?
Erkent u dat u als Minister-President een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om u steeds tijdig en duidelijk uit te spreken tegen niet alleen haat en ophitsing richting mensen die asiel zoeken, maar ook tegen het geweld en de intimidatie die steeds meer plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u of een lid van uw kabinet zich tot nu toe niet helder uitgesproken over wat er in Engelen, Bokhoven en Geesteren heeft plaatsgevonden en waarom heeft het kabinet nog geen actie ondernomen? Gaat u het Syrische gezin en de inwoners van Engelen en Bokhoven die slachtoffer zijn geworden van haat en geweld bezoeken om uw steun en medeleven te betuigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken of de doelgerichte intimidatie, bedreigingen, brandstichting en vernielingen die in Engelen, Bokhoven en Geesteren hebben plaatsgevonden, mede gelet op het kennelijke doel om angst aan te jagen en maatschappelijke of politieke besluitvorming over de opvang van asielzoekers te beïnvloeden, gedreven zijn door terroristische motieven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen in elk geval beantwoorden voor de aankomende Algemene Politieke Beschouwingen?
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Oxfam Novib |
|
Mona Keijzer , Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen van Oxfam Novib waarin wordt gesteld dat bepaalde moties of voorstellen van politieke partijen en Kamerleden racistisch zouden zijn?
Klopt het dat Oxfam Novib de afgelopen jaren subsidies, bijdragen en/of opdrachten heeft ontvangen van de rijksoverheid?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib sinds 2020 heeft ontvangen van het Rijk?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib verwacht te gaan ontvangen tot 2030 van het Rijk?
Welke voorwaarden gelden voor organisaties die overheidssubsidies ontvangen ten aanzien van lobbyactiviteiten, publieke campagnes en politieke beïnvloeding?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid gesubsidieerde organisatie democratisch gekozen volksvertegenwoordigers publiekelijk associeert met racisme?
Deelt u de opvatting dat politieke meningsverschillen in een democratische rechtsstaat niet lichtvaardig als racistisch dienen te worden bestempeld?
Bent u van mening dat organisaties die met belastinggeld worden ondersteund een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met kwalificaties richting Kamerleden en politieke partijen?
Kunt u toelichten wat de corebusiness van Oxfam Novib was ten tijde van de oprichting van de organisatie en in hoeverre de huidige activiteiten nog aansluiten bij het oorspronkelijke doel waarvoor zij is opgericht?
Hoe beoordeelt u het feit dat Oxfam Novib zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, maar ook actief campagne voert rond politieke thema's zoals klimaatbeleid, vermogensverdeling en het Israëlisch-Palestijnse conflict?
Deelt u de mening dat belastinggeld primair bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, en niet voor activistische campagnes gericht op het beïnvloeden van het Nederlandse politieke debat?
Hoe rechtvaardigt u dat organisaties die aanzienlijke publieke middelen ontvangen deze positie gebruiken om gekozen volksvertegenwoordigers en hun voorstellen in verband te brengen met racisme, terwijl zij geacht worden bij te dragen aan een open democratisch debat?
Hoe beoordeelt u het risico dat overheidssubsidies worden gebruikt om via maatschappelijke organisaties draagvlak te creëren voor politieke opvattingen en beleidsdoelen die u zelf voorstaat?
Deelt u de mening dat publiek geld hier absoluut niet voor bedoeld is en dat het de democratische rechtsstaat ondermijnt?
'Aanstelling Judith Kuypers als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe is de selectie van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld tot stand gekomen?
Hoeveel kandidaten waren er voor de rol als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Wat was de afweging van het kabinet om iemand te kiezen met ervaring uit de praktijk van een bepaalde instelling, ten opzichte van iemand die geen directe verbintenis heeft gehad met een specifieke instelling?
Deelt u de mening dat er beter voor een onafhankelijk persoon gekozen kon worden, in plaats van iemand met een groot verleden met het stelsel van de zorg voor vrouwen en huiselijk geweld?
Gezien het verleden van mevrouw Kuypers, hoe voorkomt u bepaalde vooroordelen en vooringenomenheid over met name Veilig Thuis bij de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Op basis waarvan is er vertrouwen in haar onafhankelijke rol en welke maatregelen worden genomen om (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar het feit dat de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld het stelsel juist kritisch moet kunnen beoordelen, maar tegelijktijdig zelf jarenlang onderdeel is geweest van dat huidige stelsel?
Op het moment dat er een kritisch onderzoek nodig is naar de prestaties van Veilig Thuis van de afgelopen jaren, is de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld dan ook bereid om dit te onderzoeken over de periode waarin zij zelf betrokken was?
Kunt u zich voorstellen dat er veel slachtoffers zich niet gehoord voelen door instanties als Veilig Thuis en zich nu wederom weer niet gehoord voelen door de overheid met deze keuze voor de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Hoe worden slachtoffers en ervaringsdeskundigen de komende periode betrokken bij de hervorming van het stelsel en het werk van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Onderschrijft u dat één van de belangrijke punten van de aanpak een betere samenwerking is tussen de verschillende partijen? Hoe borgt u dat er veel meer gezamenlijk wordt opgepakt en wordt behandeld vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid?
Hoe zorgt u ervoor dat de rol van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld ook echt het verschil kan maken en doorbraken kan forceren?
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Nieuwe EU-belastingen en de voorgenomen verhoging van de EU-meerjarenbegroting 2028-2034 |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eelco Heinen (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese belastingen op komst»?1
Kunt u aangeven hoeveel Nederland in 2024 bruto heeft afgedragen aan de EU-begroting en hoeveel Nederland aan Europese Unie (EU)-gelden heeft terugontvangen, en kunt u dit omrekenen naar een bedrag per Nederlands huishouden?2 3 Kunt u daarbij bevestigen dat dit neerkomt op circa € 7,5 miljard bruto afdracht en € 3,15 miljard aan ontvangsten (netto circa € 4,35 miljard), oftewel omgerekend over de ruim 8,4 miljoen Nederlandse huishoudens ongeveer € 890 bruto en € 520 netto per huishouden per jaar?4 5
Kunt u een inschatting geven van wat de Nederlandse afdracht aan de EU per huishouden zou worden als het voorstel van de Europese Commissie (EC) voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 wordt aangenomen? Kunt u daarbij ingaan op de eigen schatting van het kabinet dat alleen al de Bruto Nationaal Inkomen (BNI)-afdracht voor 2028 kan oplopen tot circa € 9 miljard per jaar – zo’n € 4,5 miljard hoger dan in 2024 – wat, nog exclusief douanerechten, btw-afdracht en de nieuwe EU-belastingen, neerkomt op ruim € 1.070 per huishouden per jaar alleen al voor het BNI-deel?6 7 Kunt u bevestigen dat de grove inschatting, waarbij de overige afdrachtscomponenten (douanerechten, btw-afdracht, plasticheffing) op het huidige niveau van circa € 3 miljard per jaar worden verondersteld, uitkomt op een totale afdracht van ruim € 12 à 13 miljard per jaar, oftewel circa € 1.450 tot € 1.550 per huishouden per jaar? Kunt u een volledige, officiële raming geven van de totale afdracht per huishouden inclusief alle afdrachtscomponenten en de nieuwe eigen middelen en aangeven of mijn hierboven genoemde inschatting in de juiste orde van grootte zit?
Bent u bekend met de berichtgeving over de plannen van de EC en het Europees Parlement (EP) voor het MFK 2028–2034, waarin de begroting bijna wordt verdubbeld naar circa € 2.000 miljard en het EP zelfs inzet op € 2.200 miljard, een verhoging van 10 procent ten opzichte van het Commissievoorstel?8 9
Deelt u de opvatting dat een verdubbeling van de EU-begroting, in een tijd waarin Nederlandse huishoudens de broekriem moeten aanhalen, onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven in te zetten op «een verlaging van het voorgestelde MFK», omdat de voorziene stijging van de EU-afdrachten niet past bij de budgettaire kaders uit het Hoofdlijnenakkoord?10 Deelt u de opvatting dat het huidige niveau van de EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar al belachelijk hoog en volstrekt onnodig is?11 Bent u bereid deze kabinetsinzet radicaal aan te scherpen, niet tot een verlaging ten opzichte van het Commissievoorstel, maar tot een forse verlaging van de EU-begroting tot ruim onder het huidige niveau van € 1.200 miljard en tot een structureel veel kleinere EU-begroting dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan puntsgewijs onderbouwen waarom een EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar wél gerechtvaardigd zou zijn?
Bent u bekend met het feit dat de EC ter dekking van deze begroting vijf nieuwe «eigen middelen» (EU-belastingen) heeft voorgesteld: een vennootschapsheffing voor bedrijven met een jaaromzet boven € 100 miljoen, een tabaksaccijnsafdracht (TEDOR), een heffing op elektronisch afval en aanpassingen in de inkomsten uit het Emission Trading System (ETS) en het CO2-grenscorrectiemechanisme (CBAM), die samen circa € 58,5 miljard per jaar zouden moeten opleveren?12
Onderschrijft u de positie dat het heffen van belastingen een kernbevoegdheid van soevereine lidstaten is en moet blijven en dat de EU nooit de bevoegdheid mag krijgen om eigenstandig belasting te heffen bij Nederlandse burgers of bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat af te wijzen maar «op eigen merites» te beoordelen en daarbij al in beginsel opening heeft gegeven voor een nieuw eigen middel op basis van ETS-1-inkomsten en een nieuw eigen middel op basis van CBAM?13 Bent u bereid deze opening alsnog in te trekken en categorisch af te wijzen dat de EU eigenstandig belasting heft, in welke vorm dan ook? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid toe te zeggen dat Nederland in de Raad zijn veto zal gebruiken tegen ieder onderdeel van het Eigenmiddelenbesluit dat voorziet in nieuwe EU-belastingen én tegen een MFK 2028–2034 dat een verhoging van het totale EU-budget en/of een verhoging van de Nederlandse afdracht inhoudt ten opzichte van het huidige MFK, aangezien zowel het MFK als het Eigenmiddelenbesluit unanimiteit in de Raad vereisen?14 Kunt u daarbij bevestigen dat het Eigenmiddelenbesluit bovendien pas in werking treedt nadat alle lidstaten het hebben goedgekeurd overeenkomstig hun eigen grondwettelijke bepalingen en dat dit voor Nederland op grond van Artikel 91 van de Grondwet parlementaire goedkeuring door beide Kamers vereist, via een goedkeuringswet conform de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen? Zo nee, waarom niet? (Kamerstuk 22 112, nr. 3760) (Kamerstuk 35 711, nr. 3)
Kunt u bevestigen dat het bestaande Eigenmiddelenbesluit de Commissie nu al de mogelijkheid geeft om lidstaten te verzoeken om aanvullende, op het BNI gebaseerde bijdragen als de opbrengst van de nieuwe EU-belastingen achterblijft bij de verwachtingen, zodat Nederland via een omweg alsnog voor de rekening kan opdraaien? Wat is uw inzet om dit vangnetmechanisme voor Nederland uit te sluiten?
Klopt het dat Nederland zich tijdens de Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 al heeft uitgesproken tegen gemeenschappelijke schuld voor het verstrekken van NRPP-leningen aan lidstaten, en dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 al heeft aangegeven geen voorstander te zijn van gemeenschappelijke leningen voor een nieuw crisisinstrument?15 16 Bent u bereid deze lijn te verbreden en categorisch af te wijzen dat de EU nieuwe schulden aangaat of nieuwe EU-gedekte leningen verstrekt – zoals het door de Commissie voorgestelde «Catalyst Europe»-instrument – en dat Nederland daar in de Raad ook op zal inzetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat Spanje bij de Eurogroep van 9 juli 2026 een voorstel heeft gepresenteerd voor een «European Sovereign Facility», waarbij de EC tot wel € 850 miljard per jaar aan gemeenschappelijke schuld zou kunnen uitgeven namens de lidstaten en dat dit voorstel – zoals verwacht – op weerstand stuit van met name Duitsland en Nederland, de twee landen die zich het meest consistent hebben verzet tegen verdere gemeenschappelijke schuld?17 18 19
Bent u bereid dit Spaanse voorstel en iedere vergelijkbare poging om een permanent EU-mechanisme voor gemeenschappelijke schuld (een «Europees veilig actief») te creëren, resoluut en publiekelijk af te wijzen en dit standpunt uit te dragen bij zowel de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 als bij de Eurogroep? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat er nog altijd geen besluit is genomen over de wijze waarop de circa € 750 miljard aan gemeenschappelijke schuld uit het coronaherstelfonds NextGenerationEU wordt terugbetaald en dat landen als Frankrijk en Griekenland pleiten voor het doorrollen van deze schuld in plaats van aflossing, terwijl de Franse president Macron oproept tot vervroegde terugbetaling «idioot» noemde? Deelt u de opvatting dat Nederland zich niet door dergelijke uitspraken uit andere lidstaten moet laten weerhouden van een strikt aflossingsschema? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, ook voor wat betreft de resterende aflossing en rentebetaling van de bestaande NextGenerationEU-schuld, aan te sturen op versnelde afbouw in plaats van het doorschuiven van deze lasten binnen de MFK-plafonds tot 2058? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in de onderhandelingen in te zetten op een Nederland dat per saldo geen netto-betaler meer is aan de EU-begroting, maar netto-ontvanger wordt? Zo nee, kunt u toelichten waarom Nederland structureel meer aan de EU zou moeten blijven afdragen dan het terugkrijgt?
Hoe beoordeelt u het feit dat verschillende ingewijden in Brussel de onderhandelingen willen afronden vóór de Franse presidentsverkiezingen van april 2027, uit vrees dat een eurosceptische regering het akkoord zou kunnen blokkeren? Deelt u de opvatting dat dit geen reden mag zijn voor Nederland om onder tijdsdruk in te stemmen met een voor Nederland ongunstig akkoord?
Bent u bereid om een fundamenteel andere onderhandelingsinzet naar de Kamer te sturen waarin wordt uitgegaan van een substantieel lagere EU-begroting, een substantieel lagere Nederlandse afdracht, categorische afwijzing van alle nieuwe EU-belastingen, en categorische afwijzing van nieuwe EU-schulden of EU-gedekte leningen – inclusief het Spaanse voorstel voor een European Sovereign Facility? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Mirjam Sterk (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Suzanne Kröger (PRO), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen , Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5