Private equity bedrijven die geld verdienen met medische keuringen. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Buitenlandse investeerder verdient aan medische keuringen: «Absurd en frustrerend»»?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten de medische keuringen worden verzorgd door een private equity-partij?
Ik beschik niet over deze gegevens. Dit wordt landelijk ook niet bijgehouden. Bij verschillende gemeentelijke taken, zoals leerlingenvervoer, urgentieverklaringen en de gehandicaptenparkeerkaart, gaat het om besluiten in de publieke sfeer waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn. Gemeenten kunnen daarbij gebruikmaken van externe medische advisering, maar zijn zelf verantwoordelijk voor de besluitvorming. Bij verordening legt de gemeente vast hoe zij hier mee omgaat en wie zij daarvoor eventueel inschakelt. De eventuele inkoop van advies geschiedt volgens het reguliere inkoopproces. Daarbij gelden altijd de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Algemene wet bestuursrecht, waaronder de zorgvuldigheidsplicht, het motiveringsbeginsel en de eisen van rechtsbescherming.
Kunt u nader toelichten of er op dit moment richtlijnen bestaan voor de bedragen die gefactureerd worden voor (telefonische) consulten voor bijvoorbeeld het herkeuren voor een gehandicaptenparkeerkaart? Zo nee, waarom niet?
Er bestaan geen landelijke richtlijnen voor de bedragen die gefactureerd worden voor (telefonische) consulten voor bijvoorbeeld het herkeuren voor een gehandicaptenparkeerkaart. Er is wel een richtlijn – de Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart van de VAV – voor de inhoudelijke keuring voor een gehandicaptenparkeerkaart.
Vindt u het wenselijk dat voor deze diensten een private equity-partij, die primair gericht is op het maken van winst, wordt gecontracteerd? Deelt u de mening dat dit onwenselijke prikkels in de hand werkt?
Dat bedrijven geld verdienen aan het uitvoeren van gemeentelijke taken is niet per definitie problematisch. Het behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten om, wanneer zij ervoor kiezen om medisch advies onderdeel te maken van de besluitvorming, de juiste partij(en) te vinden voor het uitvoeren van deze keuringen. Het kabinet ziet dat private investeerders zowel kansen als risico’s bieden voor de zorg. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Maar we moeten voorkomen dat partijen kwalitatief goede zorg ondergeschikt maken aan hun financiële positie. Bijvoorbeeld doordat partijen onnodige risico’s nemen bij bijvoorbeeld het aangaan van schulden waarbij de continuïteit in gevaar komt. Of doordat partijen bezuinigen op kwaliteit om zo kosten te besparen en zo de financiële positie te verbeteren. Gemeenten kunnen bij het contracteren van partijen aanvullende voorwaarden stellen, te denken valt bijvoorbeeld aan eisen aan de kwaliteit en bedrijfsvoering en het toepassen van een goede tariefdifferentiatie.
Deelt u de mening dat dergelijke essentiële diensten primair thuishoren in de publieke of semi-publieke sector en niet in handen zouden moeten zijn van een organisatie die primair winstgedreven is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat deze keuringen in publieke handen komt?
Het is niet verboden om als gecontracteerde partij winst te maken. Zorgaanbieders zijn van oudsher private organisaties. Winstgevendheid is daarbij noodzakelijk om te kunnen innoveren en investeren in de zorg, en noodzakelijk om onderhoud te kunnen uitvoeren. Dit komt de zorg ten goede. Wel vind ik het belangrijk dat gemeenten bij contractering duidelijke aanvullende voorwaarden stellen over de uitvoering van de opdracht, zoals bijvoorbeeld eisen aan de kwaliteit en de bedrijfsvoering en het toepassen van goede tariefdifferentiatie, maar ook over de onafhankelijkheid en deskundigheid van de keuring. Dat betekent dat financieel gewin niet de boventoon mag voeren, zoals dat wel het geval is bij partijen die gericht zijn op snel geld verdienen.
Kunt u ingaan op de wenselijkheid van hoge kosten voor dergelijke keuringen en hoe dit zich verhoudt tot de hogere kosten die mensen met een beperking of chronische ziekte al maken vanwege hun beperking of chronische ziekte?
Ik vind het onwenselijk als de kosten voor medische keuringen voor ondersteuning en voorzieningen hoog oplopen voor mensen. Daarom onderzoek ik de mogelijkheden voor de samenvoeging van verschillende landelijke indicatiestellingstrajecten. In 2026 wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het samenvoegen van de trajecten die mensen moeten doorlopen voor het aanvragen van Valys Standaard, Valys Hoog PKB, sportvervoer en de OV begeleiderskaart. Met deze samenvoeging wordt een verbetering voor de aanvrager beoogd waarbij de aanvraag voor indicatiestelling(en) meer efficiënt en minder belastend wordt voor de aanvrager, omdat er dan geen separate medische keuring en administratieve taken voor elke indicatiestelling nodig is. Ook wordt het tijdens de aanvraag meer overzichtelijk wat de ondersteuningsbehoefte is, waardoor de relevante voorzieningen in één keer kunnen worden aangevraagd.
Ook herken ik de signalen dat de tarieven voor het aanvragen van bijvoorbeeld een gehandicaptenparkeerkaart sterk uiteenlopen. Dat is vooral onderwerp van gemeentelijk beleid. Uit onderzoek blijkt een bandbreedte van € 0 tot ruim € 300 per aanvraag. De verantwoordelijkheid voor het vaststellen van leges ligt bij de gemeenteraad. Op grond van de Gemeentewet geldt als harde norm dat leges niet hoger mogen zijn dan de werkelijke kosten; gemeenten zijn vrij om onder deze norm te blijven of de kaart gratis aan te bieden, en een aantal doet dat ook. Daarnaast biedt de Regeling gehandicaptenparkeerkaart al een instrument om onnodige keuringskosten te voorkomen: in bepaalde gevallen kan de keuring achterwege blijven. Als het gaat om een stapeling van kosten zouden gemeenten op grond van artikel van de Wmo 2015 een tegemoetkoming kunnen verstrekken in aannemelijke meerkosten als gevolg van een beperking. Waar ook dat niet toereikend is, biedt de bijzondere bijstand een aanvullend vangnet.
Hoe verhouden de extra kosten die mensen met een beperking maken, zoals bijvoorbeeld voor de Gehandicaptenparkeerkaart, zich tot het VN-Verdrag voor de Rechten van personen met een handicap? Kunt u inschatten hoeveel extra kosten gemaakt worden door mensen vanwege hun beperking?
Artikel 20 van het verdrag verplicht staten ertoe doeltreffende maatregelen te nemen om de persoonlijke mobiliteit van mensen met een handicap te bevorderen op de wijze en het tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs. De combinatie van legesmaximering op grond van de Gemeentewet, de tegemoetkomingsmogelijkheid op grond van artikel 2.1.7 Wmo 2015 en de bijzondere bijstand als vangnet vormt de Nederlandse invulling van die verplichting.
Wat betreft de bredere meerkosten heeft het kabinet in 2024 onderzoek laten uitvoeren door het NIBUD.2 Daaruit blijkt dat mensen met een beperking tussen € 1.080 en € 4.100 per jaar aan extra kosten maken vanwege hun beperking, afhankelijk van de aard en ernst van de beperking, de huishoudsituatie en de inkomenspositie. Het NIBUD stelt daarbij dat de meerkosten voor vervoer specifiek niet eenvoudig zijn vast te stellen door de grote verschillen in beperking, zorgbehoefte en reisafstanden.
Ontvangt u ook signalen van mensen, met een duidelijk zichtbare beperking zoals bijvoorbeeld een amputatie van een been, die desondanks opnieuw gekeurd moeten worden? Bent u bereid de herkeuringen zo in te richten dat alleen mensen van wie het duidelijk en aannemelijk is dat hun fysieke gesteldheid beter kan worden, herkeurd hoeven te worden?
Ik ben het met u eens dat overbodige keuringen niet zouden moeten plaatsvinden. Bij een verlenging van bijvoorbeeld de gehandicaptenkaart kan een keuring achterwege blijven indien duidelijk is dat de aanvrager nog steeds aan de voorwaarden voldoet. De gemeente beoordeelt dit aan de hand van de verstrekte actuele informatie.
Kunt u nader toelichten op basis waarvan de afweging is gemaakt dat dergelijke keuringen ook uitgevoerd mogen worden door basisartsen, die niet specifiek zijn opgeleid voor het geven van sociaal-medisch advies?
Het is belangrijk dat het onderzoek zorgvuldig is en het besluit goed wordt gemotiveerd. Hierbij is niet alleen medische kennis noodzakelijk – op het niveau van minimaal een basisarts – maar ook kennis van de toegangscriteria voor een Gehandicaptenparkeerkaart en van de uitwerking van het beoordelingskader zoals dit door de beroepsgroep is vastgelegd in de VAV-Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart. Van een arts Medisch Advies (een basisarts met aanvullende scholing) mag deze kennis verwacht worden maar dat betekent niet dat een basisarts zonder deze formele scholing deze kennis niet kan verkrijgen door zich hierin te verdiepen.
Daarnaast is het belangrijk om grip te houden op de maatschappelijke kosten die keuringen met zich meebrengen. Een aanvraagproces bestaat uit vele onderdelen. En bij elke aanvrager is de medische situatie anders. Het kan echter zo zijn dat bepaalde (deel)aspecten door een basisarts kunnen worden beoordeeld. Daarom werken adviesbureaus veelal met teams. Zeker als de gemeentelijke opdracht aan het adviesbureau is het college van B&W van een sociaal medisch advies te voorzien.
Vanuit het Rijk zijn geen nadere inhoudelijke richtlijnen in de wet- en regelgeving vastgelegd, anders dan dat een arts de beoordeling moet uitvoeren. Het is aan de gemeenten om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren en op basis daarvan een besluit te nemen.
Kunt u aangeven hoeveel personen op jaarbasis de opleiding volgen voor medisch adviseur?
Daarmee wordt neem ik aan gedoeld op de opleiding tot arts medisch advies KNMG. Dit is de profielopleiding binnen de eerste fase van de medische vervolgopleiding Maatschappij + Gezondheid (M+G). Uit het register van de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) blijkt dat voor de periode 2015–2025 elk jaar minder dan 6 aios in opleiding tot arts medisch advies zijn geregistreerd. Met uitzondering van de periode 2020 tot 2024 – in die jaren zijn er geen aios geregistreerd.3
Klopt het dat de verantwoordelijkheid voor investeren in opleiding en professionalisering van artsen voor medisch advies nu bij werkgevers ligt? Zo ja, op welke wijze wordt dan gegarandeerd dat elk van de artsen hetzelfde «basisniveau van deskundigheid heeft?
Ja, dat klopt. Uiteraard is de opleiding een belangrijke voorwaarde om de zogenoemde interdoktervariatie te verkleinen en de rechtsgelijkheid van aanvragers te bevorderen. De opdrachtnemende partij (werkgever) moet voldoen aan de gestelde eisen van de gemeente in de inkoopuitvraag. Investeringen in het uitvoerend personeel is onderdeel van de aangeboden prijs. De opdrachtnemer is daarmee ook verantwoordelijk voor de uitvoering en het benodigde kennisniveau.
Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
In bepaalde situaties kan dit inderdaad het geval zijn. Door de stapeling van, op zichtzelf goed uitlegbare, regels en eisen is beleid en regelgeving door de jaren heen ingewikkeld geworden voor burgers, bedrijven en medeoverheden.
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Voor evenementen gelden, net als voor elke andere bedrijfsmatige activiteit, regels vanuit verschillende belangen en bestuursorganen. In dit geval regels zoals in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), Wet publieke gezondheid en Wet veiligheidsregio’s en de Omgevingswet. Tegelijkertijd ziet dit kabinet dat er soms sprake is van onnodige regeldruk. Daarom heeft dit kabinet stevige ambities ten aanzien van vereenvoudiging van regels en vermindering van regeldruk. Vereenvoudiging betekent het terugdringen van onnodige regels, stapeling van regels, uitzonderingen en complexiteit in wet- en regelgeving, processen en dienstverlening, maar ook bijvoorbeeld het harmoniseren van regelingen en het stoppen met opvragen van informatie die de overheid al heeft. Op dit moment verkent de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, in samenspraak met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, hiervoor de mogelijkheden. Ik verwijs ook naar de beantwoording van de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid van 15 april 2026 op vragen uit de Tweede Kamer over regeldruk bij paasvuuractiviteiten.
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Met name bij de organisatie van kleinere evenementen kunnen dit soort regels sneller als niet proportioneel worden ervaren. In het omgevingsplan kan de gemeente aangeven waar evenementen ruimtelijk mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Maar naast regels in het omgevingsplan die gericht zijn op de belangen voor de fysieke leefomgeving gelden ook nog steeds de regels voor de openbare orde en veiligheid en de publieke gezondheid. Een dorpsfeest met 150 bezoekers moet soms aan dezelfde veiligheidsnormen voldoen als een groot festival. Het kabinet is aan de slag om regeldruk te verminderen en heeft als ambitie om jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Alle bewindspersonen en hun departementen krijgen hiervoor een opgave, gecoördineerd door de Taskforce Slagvaardige Overheid. Hiernaast is het de bedoeling dat ook medeoverheden, toezichthouders, uitvoeringsorganisaties, publieke dienstverleners en andere betrokken partijen een rol krijgen in de vereenvoudigingsopgave op hun werkterrein. Het kabinet wil ook afspraken gaan maken met gemeenten om praktische belemmeringen, zoals evenementenregels, te verminderen.
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Zoals hierboven toegelicht zijn de regels voor lokale gemeenschapsactiviteiten onder andere afhankelijk van de omvang van het evenement, de locatie waar het evenement plaatsvindt en de risico’s voor de openbare orde en veiligheid. Dat betekent ook dat er voor verschillende locaties verschillende regels, zowel nationaal als decentraal en vanuit verschillende belangen kunnen gelden. En afhankelijk van de geldende regels kan er sprake zijn van een vergunning- of meldingsplicht. In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) staan regels die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid waarvoor de burgemeester verantwoordelijk is. Landelijk gelden er regels vanuit de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg, en de Wet veiligheidsregio’s, de Warenwet, de Wegenverkeerswet, de Wet milieubeheer en de Omgevingswet. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024 zijn de regels hierin voor evenementen, zoals regels over brandveiligheid en toegang voor de hulpdiensten, geluidoverlast voor omwonenden, inzameling van afvalstoffen, verkeer en invloed op beschermde natuur door harmonisatie gewijzigd of staan ze op een andere plek dan voorheen.
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
De Omgevingswet vraagt om een decentrale en integrale afweging van de verschillende belangen in de fysieke leefomgeving, zoals brandveiligheid en toegang voor de hulpdiensten, geluidoverlast voor omwonenden, inzameling van afvalstoffen, verkeer en invloed op beschermde natuur. In het omgevingsplan kan de gemeente aangeven waar evenementen ruimtelijk mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Hierdoor is er lang niet altijd een omgevingsvergunning verplicht voor evenementen en kan er vooraf voor organisaties meer duidelijkheid zijn over wat er mogelijk is. Zo kan in het omgevingsplan het gebied worden aangewezen waar evenementen kunnen worden gehouden en welke regels daar precies gelden, zoals een geluidsnorm. Gemeenten worden vanuit het ministerie ondersteund bij het anders werken met de mogelijkheden van de Omgevingswet.
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Zoals hierboven toegelicht zijn de administratieve verplichtingen afhankelijk van de geldende regels en die worden bepaald door de omvang en de locatie van het evenement en de risico’s voor openbare orde en veiligheid. Er moet een goede balans moet zijn tussen de bescherming en veiligheid van aanwezigen en de lasten die de lokale regelgeving opwerpt voor deelnemers. Hierbij kan het ook helpen als de regels goed worden uitgelegd aan betrokkenen, zodat er draagvlak voor ontstaat.
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Ja, het is mogelijk voor gemeenten om in het omgevingsplan aan te geven op welke locatie evenementen mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Hierdoor is er niet altijd een omgevingsvergunning verplicht voor evenementen en kan er vooraf voor organisaties meer duidelijkheid zijn. Gemeenten worden door mijn ministerie en door de koepels VNG, UvW en IPO ondersteund bij het anders werken onder de Omgevingswet en krijgen informatie hierover ook via het Informatiepunt Leefomgeving.
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
In het kader van onze gezamenlijke ambities ten aanzien van vereenvoudiging en vermindering van regeldruk zijn wij in gesprek met de decentrale overheden en maatschappelijke organisaties hierover en zetten wij dit gesprek de komende tijd voort.
Op welke wetenschappelijke basis wordt de flyshoot-methode momenteel beoordeeld als aanvaardbaar vanuit het oogpunt van ecosysteembeheer en acht u die onderbouwing voldoende, gezien de schaal waarop deze methode inmiddels wordt toegepast?1
Om de visbestanden en het ecosysteem waar deze zich in bevinden te beschermen, zijn regels en beleid op Europees niveau vastgelegd in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (hierna: GVB). Het GVB streeft duurzaam gebruik van visserij en aquacultuur na om bijvoorbeeld overbevissing te voorkomen. De flyshoot, ook wel «Schotse zegen» genoemd, is een door de Europese Unie (hierna: EU) erkende visserijtechniek die binnen de kaders van het GVB valt. Het GVB streeft ecologische, economische en sociale duurzaamheid na.
Het vissen met de flyshoot-methode gebeurt door Nederlandse vissers seizoensmatig op de Noordzee en in Het Kanaal. De schaal waarop deze methode wordt toegepast, is begrensd in het Kanaal en de Noordzee. Het totale aantal Nederlandse schepen dat gebruik mag maken van de flyshoot-techniek in het Kanaal is beperkt tot 24. Daarnaast worden de visserijen in het Kanaal beheerd door middel van een visserij-inspanningsregeling op basis van KW-dagen. KW-dagen staat voor de periode of het aantal zeedagen (kW-dagen) dat er gevist mag worden. Op de Noordzee is flyshoot begrensd in (delen van) beschermde gebieden waar een verbod op bodemberoerende visserij geldt (momenteel gaat het om 7,2% van de Nederlandse Noordzee).
Deelt u de analyse dat flyshoot in zijn geïndustrialiseerde Nederlandse vorm met zware kabels en hoog motorvermogen wezenlijk verschilt van de oorspronkelijke, kleinschalige Deense snurrevaad-methode en wat betekent dat voor de ecologische beoordeling?
De flyshoot (afgekort SSC) is een andere techniek dan de Deense Zegen (afgekort SDN) en verschilt daarmee per definitie. De flyshoot wordt uitgevoerd met een motorvermogen dat ongeveer 1/3 minder is dan de boomkorvisserij waardoor de methode eerder een «gemiddeld motorvermogen» inzet bij de visserijactiviteit dan een «hoog motorvermogen» in vergelijking met de totale Nederlandse kottervisserij. Er zijn geen Nederlands gevlagde vissers actief met een Deense Zegen waardoor een vergelijking qua ecologische beoordeling op nationaal niveau geen meerwaarde heeft. Een eerdere internationale analyse over de verschillende bodemimpact tussen visserijtechnieken laat zien dat de impact van de beroering (dieper dan 2cm) per oppervlak bij flyshootvisserij fors minder is dan bij de conventionele boomkor.2
Hoe reflecteert u op de visserij die volgens het artikel niet mee willen werken aan het onderzoek van 4,8 miljoen euro naar de ecologische impact van flyshoot vissen?
Verschillende vertegenwoordigers van de visserij zijn betrokken geweest in het proces rondom de aanvraag vanuit de Nederlandse Wetenschapsagenda: «Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid». De raad van bestuur van NWO heeft op 10 juni jl. een besluit genomen over de aanvraag. Tot het besluit gecommuniceerd is, kan niet aangenomen worden dat het project doorgang vindt en of de visserij deelneemt.
Herkent u zich in de analyse dat het risico op overbevissing toeneemt door het uitblijven van onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen?
De suggestie dat onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen uitblijven herken ik niet. Er vindt onderzoek plaats naar de hoeveelheid vis die door de Europese visserijvloot wordt bevist vanuit de Datacollectie verordening, in Nederland uitgewerkt in de Wettelijke Onderzoektaken (WOT-05 Visserijonderzoek). Deze dataverzameling vindt ook plaats in de Schotse zegenvisserij en de doelsoorten van deze visserij worden in surveys zoals de International Bottom Trawl Survey (IBTS) bemonsterd. Er bestaan daardoor ook ICES-vangstadviezen voor verschillende doelsoorten die bevist worden in «flyshootvisserij». Als de informatie beschikbaar is kan er per vissoort beoordeeld worden of de visserijdruk hoger is dan de maximale duurzame opbrengst (MSY). Wanneer de visserijdruk langdurig boven MSY plaatsvindt neemt het risico op overbevissing toe.
Ik herken mij wel in een analyse dat de informatiedichtheid voor de verschillende soorten in Schotse zegenvisserij lager is dan bijvoorbeeld voor de soorten tong of schol en dat aanvullend onderzoek nodig is. Hiervoor heb ik via de Nederlandse Wetenschapsorganisatie een onderzoekscall uitgezet om meer kennis te verwerven over onbeschermde soorten. Dit ishet onderzoek dat in het artikel wordt aangehaald. Ik blijf mij inzetten voor het vergroten en versterken van onze kennisbasis, zodat de visserij ecologisch duurzamer kan opereren.
Tot slot worden er beheermaatregelen genomen ter bescherming van niet-gequoteerde soorten die door de flyshoot-visserij worden gevangen. Zo heeft Nederland in 2021 op verzoek van onze visserijsector het initiatief genomen om de maaswijdte aan te passen voor de visserij op pijlinktvis. In de visserij op inktvis was het tot vorig jaar oktober toegestaan met kuilen met een maaswijdte van minimaal 40 mm te vissen. Nu geldt er een minimale maaswijdte van 80 mm. Het vergroten van de maaswijdte draagt bij aan het verminderen van vangst van kleinere inktvisexemplaren en bijvangst van andere soorten.
Welk instrumentarium heeft u om deelname aan het onderzoek alsnog te bevorderen? Kunt u toezeggen dat instrumentarium in te zetten?
De beoordeling van het voorstel heeft nog niet plaatsgevonden. Van aanvullende inzet is daarom op dit moment geen sprake. De aanname dat de visserijsector ten algemene niet mee wil werken aan wetenschappelijk onderzoek is in mijn ogen niet juist. Zo zijn verschillende vissers betrokken bij verschillende onderzoeken, zoals het onderzoek naar de FloMo, Fully Documented Fisheries of andere onderzoeken zoals in de garnalenvisserij.
Hoe wordt de bijvangst van niet-doelsoorten bij flyshoot-schepen momenteel gemonitord en acht u die monitoring toereikend voor soorten waarvoor geen quota bestaan?
Vanuit de Europese controleverordening2 moeten alle vissers met een vaartuiglengte van 12 meter of meer tijdens de visreis hun (bij)vangsten en mogelijke discards registreren in het elektronisch logboek. De Nederlandse flyshoot-vaartuigen vallen binnen deze doelgroep. De verplichting geldt voor zowel gequoteerde als niet gequoteerde soorten. Bij de aanlanding wordt de totale omvang van de vangsten bepaald door een officiële weging. De resultaten van deze weging worden gebruikt voor het bepalen van de quotumbenutting.
De logboekgegevens worden door de NVWA geverifieerd door middel van kruiscontroles met het resultaat van de weging. Op basis van de controleverordening is een tolerantiewaarde toegestaan waarbij een overschrijding kan leiden tot een ernstige inbreuk en de toekenning van punten. Deze kruiscontrole stimuleert de correcte registratie in het elektronisch logboek. Naast de administratieve kruiscontroles ziet de NVWA door middel van risico-gebaseerde fysieke controles toe op de weging van visserijproducten en de tolerantiewaarden. Op basis van de herziene controleverordening zal het toezicht op de vangsten die onder de aanlandplicht vallen vanaf 10 januari 2028 voor een deel van de Nederlandse vloot worden aangevuld met sensor- en cameratoezicht (REM/CCTV). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) monitort op wekelijkse basis de nationale benutting van de Nederlandse visquota. De monitoring voor soorten waar geen quota voor bestaat acht ik daarmee toereikend.
Hoe verhoudt het huidige vergunningenbeleid voor flyshoot zich tot de verplichting om te handelen op basis van het voorzorgsprincipe uit het Gemeenschappelijk Visserijbeleid? Bent u voornemens dit beleid aan te passen?
Nederland kent geen specifiek vergunningenbeleid voor de flyshootvisserij. Vissers die met flyshoot willen vissen moeten beschikken over een vismachtiging voor de vistuigcategorie TR, waartoe ook de flyshootvisserij behoort. Het aantal vismachtigingen dat voor de vistuigcategorie TR kan worden afgegeven is begrensd en gereguleerd via het meerjarenplan Noordzee en de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Vissers die deze visserij willen uitoefenen in het Kanaal moeten bovendien beschikken over een zogenaamde «kanaalvergunning». De afgifte van deze vismachtiging is primair gereguleerd via het meerjarenplan Westelijke wateren en verordening (EG) nr. 1954/2003 waarin het beheer van de visserijinspanning is gereguleerd. Het aantal kanaalvergunningen dat Nederland verstrekt is begrensd tot maximaal 24. Daarmee blijft Nederland binnen het Europees bepaalde visserijinspanningsniveau. Ik ben op dit moment niet voornemens om dit beleid aan te passen.
Kunt u in Europees verband pleiten voor uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen voor visserijmethoden met een vergelijkbare vangstkracht als de huidige Nederlandse flyshoot?
Op dit moment gelden er op basis van de Europese controleverordening al uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
Welke andere concrete stappen gaat u nemen om overbevissing te voorkomen, te voorkomen dat we een herhaling krijgen van de situatie waar Nederland eerder mee te maken had omtrent de pulsvisserij en welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat de relatie met onze buurlanden constructief blijft?
Het behouden van gezonde vispopulaties is belangrijk voor de biodiversiteit en het functioneren van het mariene ecosysteem. Daarnaast zijn gezonde bestanden van belang voor vissers die nu én in de toekomst hun boterham willen verdienen. Om die reden ben ik in gesprek met de visserijsector over de toenemende interesse van Nederlandse vissers in niet-gequoteerde soorten en in het bijzonder over de relatie met buurlanden in het Kanaal.
Verder lopen er op dit moment verkennende gesprekken om te kijken naar het huidige beheer van ongequoteerde soorten. Deze gesprekken worden gevoerd door de Europese Commissie met het Verenigd Koningrijk, omdat deze bestanden doorgaans gedeeld beheerd worden. Zo wordt er gewerkt aan het bouwen van een goede wetenschappelijke kennis van diverse bestanden en zal vervolgens in kaart worden gebracht welke beheermogelijkheden er mogelijk zijn om overbevissing te voorkomen.
Ik zie geen overeenkomst of verband met de pulsvisserij.
In welke mate zorgt flyshoot-vissen voor bodemberoering in vergelijking met conventionele boomkor- en pulsvisserij?
Flyshoot-vissen heeft een andere vorm van bodemcontact dan de conventionele boomkor (met wekkerkettingen) of de pulskor. Flyshoot-vissen kan plaatsvinden over een groter oppervlak per trek dan een conventionele boomkor en beïnvloedt daardoor qua oppervlak meer van de bodem. De impact van de beroering per oppervlak is echter fors minder, omdat de bodempenetratie van flyshoot-vissen minder is dan bij de conventionele boomkor. Een eerdere analyse over de verschillende bodemimpact tussen vistuigtypen geeft dit ook aan (zie antwoord vraag 2).
Wat is de klimaatimpact van bodemberoering door de vormen van visserij in voorgaande vraag en in hoeverre wordt die impact meegenomen in de klimaatscenario’s en uitstootcijfers van deze sector?
De potentiële CO2-emissies van bodemberoering zijn onderzocht als deel van het bredere onderzoek naar CO2 uitstoot van de visserijsector. De Kamer is hierover geïnformeerd op 2 april jl. (Kamerstuk 32 813/29 675, nr. 1557).
Welke stappen zet u om de ecologische en klimaatimpact van bodemberoerende visserij te beperken?
Het kabinet zet zich in voor een toekomstbestendige en duurzame visserijsector.
Hiervoor wordt relevant onderzoek gefinancierd en stelt het kabinet regelmatig innovatieregelingen open. Ook zet het kabinet zich in voor de legalisering van beproefde duurzamere innovaties zoals de pulskor en het versimpelen van de wet- en regelgeving voor de introductie van nieuwe innovaties. Deze inzet is onder meer uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda Visie op Voedsel uit Zee en Grote Wateren, waarin concrete acties zijn opgenomen die bijdragen aan de verduurzaming, innovatie en toekomstbestendigheid van de visserijsector. Voor deze inzet heeft het kabinet meerdere middelen en instrumenten beschikbaar, zoals toegelicht in vraag 15.
Anderzijds streef ik ernaar om in 2030 15% van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodemberoerende visserij in beschermd natuurgebieden zoals afgesproken in het Noordzeeakkoord. Dit draagt bij aan het verminderen van de ecologische impact en komt voort uit wettelijke verplichtingen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Natuurherstelverordening.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen de reeds aangekondigde «energie-efficiëntieregeling visserij» van 25 miljoen euro zal bekostigen (Kamerstuk 36 933, nr. 1)?
Zoals in de Kamerbrieven «Acties weerbaarheid energieschok» en «Energie-efficiëntieregeling visserij en steunmaatregel conflict in het Midden-Oosten» (Kamerstuk 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795) aangegeven, zal het kabinet eind september een energie-efficiëntieregeling voor de visserijsector openstellen. Hiervoor wordt € 25 miljoen vrijgemaakt op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden wie er in aanmerking komt, welke investeringen subsidiabel zijn en hoe deze middelen verdeeld worden. Over de details van de regeling zal ik de Kamer op een later moment informeren.
Wordt bij de toekenning van de verduurzamingssubsidie onderscheid gemaakt tussen investeringen die de vangstkracht verhogen en investeringen die de milieu-impact per gevangen kilo vis verlagen? Zo ja, hoe?
De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden welke investeringen subsidiabel zijn. Het verhogen van de vangstcapaciteit van vissersvaartuigen is uitgesloten onder de verordening die gebruikt wordt voor deze regeling, de visserijvrijstellingsverordening. Over de details van de regeling zal ik uw Kamer op een later moment informeren.
Kunt u bevestigen dat het ministerie in de periode 2025–2029 80 miljoen euro apart heeft gezet voor de verduurzaming van de vloot, bovenop eerdere middelen uit het klimaatfonds?
Voor het bevorderen van verduurzaming van de visserijsector heeft het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verschillende middelen en instrumenten beschikbaar.
Zo is er o.a. in 2022 199 miljoen vanuit het Klimaatfonds beschikbaar gesteld voor de aanpassing en verdere verduurzaming van de visserij. Een deel van deze middelen is reeds ingezet voor subsidieregelingen, onderzoek en het Visserij Ontwikkel Plan (VOP).
Onder het kabinet Schoof 1 is er bij het Hoofdlijnenakkoord € 4,5 miljoen voor 2025 en onder het regeerprogramma € 50 miljoen voor de periode 2026–2033 beschikbaar gesteld om de visserij te ondersteunen in de doorontwikkeling naar een toekomstbestendige vloot. Deze middelen zullen deels worden ingezet voor verduurzaming.
Zoals al aan de Tweede Kamer gemeld (Kamerstuk, 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795), zal ik eind september 2026 een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen, waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting.
Hoeveel procent van de kotters en andere vissersschepen verwacht u dat met deze nieuwe 25 miljoen euro bovenop de reeds gereserveerde 80 miljoen euro te kunnen verduurzamen?
Dit percentage is nog niet bekend. Het aantal vissersvaartuigen dat verduurzaamd zou kunnen worden onder de energie-efficiëntieregeling (€ 25 miljoen) is onder meer afhankelijk van het aantal aanvragen voor steun van de regeling, welke investeringen er onder de regeling subsidiabel zijn en hoe de middelen verdeeld worden.
Hoe wordt voorkomen dat deze middelen ten goede komen aan methoden die de visstand verder onder druk zetten?
Het kabinet hecht aan een toekomstbestendige visserij die vist binnen de draagkracht van het ecosysteem. Daarom is het belangrijk dat de regeling niet ten goede komt aan methoden die de visstand verder onder druk zetten. Dit wordt gewaarborgd in de regeling zelf, ook vanwege de voorwaarden uit het steunkader, waaronder het feit dat het niet-naleven van het GVB betekent dat men niet in aanmerking komt voor subsidie.
Is de Staatssecretaris bereid de subsidiecriteria zo in te richten dat vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode voorrang of een toeslag krijgen?
Met deze subsidieregeling wil ik mij voornamelijk richten op het verminderen van brandstofverbruik in de visserijsector. Ik wil iedere visser gelijke kansen bieden om hun vissersvaartuig te verduurzamen. Een voorrangspositie voor vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode draagt hier niet aan bij.
Welke ruimte ziet u om de verduurzamingssubsidies specifiek te benutten voor de overgang naar kleinschaligere en meer selectieve vismethoden, zoals handlijnvisserij en passieve visserij, als alternatief voor opschaling van de flyshoot?
Zoals ook te lezen is in de «Visie voedsel uit zee en grote wateren» (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624) streef ik naar een flexibele, innovatieve en ook diverse visserijsector. Het doel van deze energie-efficiëntieregeling is het brandstofverbruik van de visserijsector naar beneden te brengen. De overgang naar kleinschalige en meer selectieve vismethoden is niet de focus van deze regeling. Het stimuleren van innovatie, waaronder selectieve vangststechnieken, wordt ondersteund door andere regelingen, namelijk de innovatieregelingen voor de visserij.
Bent u bekend met de berichten over Naomi Janssen (26) uit Rotterdam, die na afloop van haar jongerenhuurcontract dreigt dakloos te worden omdat zij ondanks jarenlange inschrijving en actieve zoektocht geen vervangende woning kan vinden?1, 2
Ja, ik ben met dat bericht bekend. Het raakt me dat jongeren in Nederland in onzekerheid verkeren over hun huurwoonruimte. Ook ben ik mij bewust van de motie van het lid-Beckerman (Kamerstukken II, 2025–2026, 32 847, nr. 1484) die de regering verzoekt onderzoek te doen naar de omvang van het probleem van dakloosheid onder jongeren met aflopende flexibele huurcontracten.
Deelt u de mening dat het jongerenhuurcontract, dat oorspronkelijk bedoeld was als oplossing voor jongeren op de woningmarkt, door de vastgelopen woningmarkt is veranderd in een instrument dat jongeren na vijf jaar feitelijk op straat kan zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik maak mij zorgen over de onzekere woonsituatie van jongeren en het feit dat de krappe woning- en huurmarkt van invloed is op de wijze waarop zijn hun leven kunnen inrichten. De mening dat het jongerenhuurcontract is verworden tot een instrument dat jongeren op straat zet, deel ik echter niet. Het huurrecht kent verschillende van dit soort «doelgroepcontracten». Uitgangspunt bij deze contractvorm is dat de huur kan worden beëindigd als de huurder niet meer tot de doelgroep behoort waarvoor de woning bedoeld is. Voor jongeren die een woning huren die speciaal voor jongeren is bedoeld, kan de verhuurder ervoor kiezen om een speciaal jongerenhuurcontract aan te bieden.
Het doelgroepcontract voor jongeren is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. In de kern gaat het om een vast huurcontract, met huurbescherming voor onbepaalde tijd, waaraan bijzondere opzeggingsgronden zijn verbonden. Voor een jongerencontract geldt dat dit contract door de verhuurder kan worden opgezegd als:
Een door de verhuurder opgezegde huurovereenkomst blijft, tenzij de huurder schriftelijk met de huurbeëindiging heeft toegestemd, van kracht. Wanneer de huurder niet binnen zes weken schriftelijk met de huurbeëindiging instemt, kan alleen de rechter de huur beëindigen. Het is dan aan de verhuurder om de rechter om beëindiging van de huurovereenkomst te vragen. De rechter weegt bij het oordeel of de huur moet eindigen alle omstandigheden mee.
Voorts is ook specifiek wettelijk bepaald dat de huurder diens inschrijfduur als woningzoekende behoudt als hij een jongerencontract aangaat, waardoor de huurder niet opnieuw inschrijfduur hoeft op te bouwen.
Tot slot merk ik op dat aan de opzeggingsgrond «dringend eigen gebruik» in het Burgerlijk Wetboek expliciet de voorwaarde is verbonden dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is. Maar aan het kunnen opzeggen van een jongerencontract, met het weer aan de doelgroep (jongere/student/ promovendus) kunnen verhuren als dringend eigen gebruik, is deze wettelijke voorwaarde niet verbonden. Deze keuze is door de wetgever in 2015 gemaakt vanuit de overtuiging dat jongeren weten dat hun huurcontract na 5 jaar (of na verlenging maximaal 7 jaar) eindigt en daarmee voldoende tijd hebben om op zoek te gaan naar een volgende woning.
Doelgroepencontracten waaronder het jongerencontract zijn bij de Wet doorstroming huurmarkt 2015 geïntroduceerd. De wet is in 2021 geëvalueerd.3 Ik heb niet eerder signalen ontvangen over dat deze specifieke contractvorm problemen oplevert. Daarmee wil ik zeker niet voorbij gaan aan de moeite die vele jongeren hebben om passende en betaalbare huisvesting te vinden en de onzekere situatie waarin zij zitten.
Hoeveel jongeren in Nederland hebben op dit moment een aflopend of reeds verlopen jongerenhuurcontract en lopen daarmee het risico op dakloosheid? Is dit bij uw ministerie in beeld?
Een huurcontract, waaronder een doelgroepcontract voor jongeren, is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder. De overheid beschikt niet over cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van huurcontracten zoals opgenomen in het Burgerlijk wetboek.
Bent u het eens met advocaat Jennifer Alspeer dat je mensen niet zomaar de dakloosheid of illegaliteit kunt induwen omdat een contracttermijn is verstreken, zeker gezien de huidige staat van de woningmarkt? Zo nee, wat is uw rechtvaardiging voor het handhaven van deze contractvorm onder de huidige omstandigheden?
Ja, ik deel uiteraard het uitgangspunt dat dakloosheid en illegaliteit voorkomen moeten worden. De belangrijkste manier om dit te voorkomen is om te zorgen dat we snel meer woningen toevoegen, zowel met nieuwbouw als in de bestaande voorraad. Dan is er voor meer mensen een plek en dus ook een plek om naar door te stromen.
Welke concrete verplichtingen hebben woningcorporaties naar uw mening richting jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt, mede gelet op de zorgplicht die corporaties hebben ten aanzien van hun huurders? Acht u de huidige verplichtingen afdoende?
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op wettelijke bepalingen waaraan de verhuurder gehouden is. Deze acht ik afdoende. Bovendien mag een verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar verlengen. En wanneer de verhuurder de huurovereenkomst niet na vijf jaar (of na de verlengde termijn van maximaal 7 jaar) opzegt om de woning weer aan een jongere (of student/promovendus) te kunnen verhuren, loopt het huurcontract voor onbepaalde tijd door («vast huurcontract»). Daarnaast verwacht ik van verhuurders, en corporaties in het bijzonder, dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de woonsituatie van hun huurder, in het bijzonder in gevallen van dreigende dakloosheid. Op basis van de genoemde krantenartikelen heb ik geen aanleiding te concluderen dat de betrokken verhuurder in deze te kort schiet.
Is het u bekend dat jongeren in wanhoop honderden euro's betalen aan dubieuze tussenpersonen die woonruimte aanbieden via sociale media zoals TikTok, en dat dit leidt tot oplichting? Welke maatregelen neemt u om deze praktijken te bestrijden en kwetsbare woningzoekenden te beschermen?
De problematiek van dubieuze tussenpersonen en woonfraude is niet een direct gevolg van een jongerencontract, maar speelt breder. Ik ben in het antwoord op Kamervragen over woonfraude ingegaan op deze problematiek.4 Ik roep huurders of woningzoekenden die slachtoffer zijn geworden van criminaliteit, bijvoorbeeld van huurbemiddelaars, op om aangifte te doen bij de politie en om dit te melden bij de Fraudehelpdesk. Voorts heb ik op een voorstel voor een huurregister in internetconsultatie gebracht.5 Een huurregister kan uiteenlopende maatschappelijke doelen dienen. Het uit de anonimiteit halen van de huur-verhuurrelatie is er daar één van. Met een huurregister kan de huurder bijvoorbeeld nagaan of de verhurende partij bij het register bekend is. Dat zou voor situaties zoals beschreven een extra waarborg kunnen geven.
Bent u bereid om woningcorporaties via wet- of regelgeving te verplichten dat zij jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt niet uit hun woning mogen zetten zolang er geen passend alternatief beschikbaar is? Zo nee, welke andere maatregelen overweegt u?
Zoals in het antwoord op vraag 4 uiteen is gezet is de aanvullende voorwaarde dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is, in het Burgerlijk wetboek niet verbonden aan het kunnen opzeggen van een specifiek doelgroepcontract. Ik heb geen voornemen de wet op dit punt aan te passen. Ik wijs er nogmaals op dat de verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar kan verlengen. En de inschrijfduur als woningzoekende loopt voor de huurder gedurende de looptijd van het (verlengde) jongerencontract door. Bovendien zet ik in op het vergroten van het aanbod, zodat er meer mogelijkheden zijn voor jongeren om door te stromen en plek te maken voor anderen die tot de doelgroep behoren.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en jongerenorganisaties om een landelijke noodprocedure in te stellen voor jongeren die bij het aflopen van hun jongerenhuurcontract geen vervangende woning kunnen vinden? Zo nee, waarom niet?
De aangehaalde krantenartikelen betreffen het geval van één specifieke huurder, die in de voor haar persoonlijk in de zeer vervelende onzekerheid verkeert over haar woonruimte. Uit de berichtgeving komt ook naar voren dat de betreffende woningcorporatie in gesprek is met de betreffende huurder. Ik zie daarom geen aanleiding om een landelijke noodprocedure in het leven te roepen.
Welke lessen trekt u uit de situatie van Naomi Janssen en andere jongeren in vergelijkbare omstandigheden voor het toekomstige beleid rondom tijdelijke huurcontracten in het algemeen?
Ik ben blij dat deze casus onder mijn aandacht wordt gebracht. Deze casus, net als de vele andere verhalen van woningzoekenden, raken mij. Het motiveert mij om mij iedere dag weer vol in te zetten, samen met alle partners in de volkshuisvesting, om snel meer betaalbare woningen te realiseren.
Ziet u, gezien deze berichtgeving, aanleiding om het voorstel tot uitbreiding van flexibele huurcontracten uit het pakket voor de versoepeling van de Wet betaalbare huur te halen? Zo nee, waarom wilt u de woonsituatie van meer jongeren onzekerder maken?
Het voorstel waar in deze vraag op gedoeld wordt, beoogt een omissie te herstellen waarbij aan studenten die buiten de eigen woonplaats gaan studeren wel een tijdelijk huurcontract aangeboden mag worden en aan studenten die binnen de eigen woonplaats gaan studeren niet. Dit creëert een gelijk speelveld onder studenten en moet ervoor zorgen dat er voor deze groep meer woningen beschikbaar komen, waardoor het dus ook voor méér studenten mogelijk moet worden om in de eigen woonplaats een woonruimte te vinden.
Het besluit van DOVA om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het samenwerkingsverband Decentrale OV-Autoriteiten (DOVA) om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen?
Waarom is ervoor gekozen deze landelijke korting voor ouderen te beëindigen?
U noemde de nieuwe regeling voor kinderen «fantastisch», kunt u aangeven hoe deze reactie zich verhoudt tot het wegvallen van de landelijke ov-korting voor 65-plussers?
Welke democratische controle bestaat er op een besluit van DOVA met zulke grote gevolgen voor ouderen?
Acht u het wenselijk dat DOVA kan besluiten een landelijke regeling voor ouderen af te schaffen?
Hoeveel 65-plussers maken momenteel gebruik van de landelijke ov-korting?
Hoeveel gaan deze reizigers gemiddeld extra betalen?
Heeft u in kaart gebracht welke gevolgen dit heeft voor de mobiliteit van ouderen?
Verwacht u dat ouderen hierdoor minder gebruik zullen maken van het openbaar vervoer?
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot meer eenzaamheid en minder participatie van ouderen?
Welke gevolgen verwacht u voor ouderen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer voor zaken zoals mantelzorg, vrijwilligerswerk of ziekenhuisbezoek?
Wat vindt u ervan dat DOVA verwijst naar gemeenten voor gerichte maatregelen, terwijl gemeenten nu al financiële tekorten hebben?
Acht u het wenselijk dat de toegang tot een ov-tegemoetkoming straks afhankelijk wordt van de gemeente waarin iemand woont?
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot veel regionale ongelijkheden?
Heeft u voor uw enthousiaste reactie nog overleg gevoerd met de Minister van VWS en de Minister van BZK over de gevolgen van het afschaffen van de landelijke ov-korting voor ouderen op hun portefeuilles, zoals eenzaamheid, toegang tot zorg en financiële druk op gemeenten?
Heeft u zich georiënteerd op de kosten die terechtkomen bij gemeenten als zij deze korting zelf moeten regelen?
Bent u zich ervan bewust dat een grote groep ouderen die niet door de herkeuring van hun rijbewijs komen volledig aangewezen is op openbaar vervoer?
Deelt u de mening dat een generieke maatregel zowel voor jong als voor oud ook terechtkomt bij mensen die dit wel kunnen betalen?
Deelt u de mening dat een generieke maatregel eenvoudig en transparant is en dat een overgang naar 342 verschillende regelingen dat niet is?
Bent u bereid met DOVA in gesprek te gaan om de landelijke ov-korting voor 65-plussers alsnog te behouden?
Bent u bekend met het rapport «Regeren is vooruitzien» van Offlimits en met de steunbetuigingen van de Politie, het Centrum Seksueel Geweld, Fonds Slachtofferhulp en De Waag Nederland?1
Deelt u de conclusie van de Politie dat Offlimits «voorziet in een behoefte waarin een andere organisatie niet kan voorzien» en dat er «geen alternatief» is voor deze laagdrempelige meldvoorziening? Zo nee, welke andere partijen kunnen het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn dan wel op vergelijkbare schaal, snelheid en expertise overnemen en hoe wordt dat bekostigd?
Kunt u bevestigen dat het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bij het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (TBKK) van de Politie is gestegen van 26.000 in 2020 naar 70.000 in 2024 en dat het aantal door Offlimits verwerkte URL’s is gestegen van 60.062 in 2024 naar bijna een miljoen (927.581) in 2025? Hoe verklaart u deze stijging?
Hoe beoordeelt u de snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal, waarbij de analisten van Offlimits in 2025 al 2.200 met AI gegenereerde beelden analyseerden en het National Center for Missing & Exploited Children een stijging zag van 700 meldingen in 2023 naar 67.000 in 2024? Welke stappen onderneemt u om deze specifieke, snelgroeiende vorm van materiaal aan te pakken?
Bent u bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal, zoals naaktbeelden die zonder toestemming worden gedeeld en via zogenoemde «nudify»-technologie worden gemaakt, waarbij onderzoek van Rutgers laat zien dat 18% van de jongeren ongewenst een naaktbeeld ontving, 3% gedwongen werd een naaktbeeld te maken en 1% te maken kreeg met een zonder toestemming doorgestuurd naaktbeeld? Deelt u de zorg van Fonds Slachtofferhulp dat dit probleem, mede door AI-deepfakes, kan uitgroeien tot «epidemische proporties»?
Klopt het dat de Europese Unie dit jaar al € 400.000,- bezuinigt op de financiering van Offlimits en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanaf 2027 structureel € 450.000,- gaat bezuinigen? Kunt u dit bevestigen en toelichten, gezien het jaarlijks sterk groeiende aantal meldingen en de sterk groeiende hulpvraag?
Wordt de incidentele bijdrage van € 500.000,- vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de aanpak van zogenoemde «harmful but lawful»-content na 2027 al dan niet gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Wat is volgens u de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen in de komende twee jaar? Hoe verhoudt een dergelijke verwachting, door Offlimits geraamd op circa 30% groei per jaar, zich tot de voorgenomen bezuinigingen vanaf 2027?
Deelt u de analyse dat Offlimits vanaf 2027 structureel circa € 1.000.000,- (ongeveer 20% van haar begroting) tekortkomt en dat dit zou betekenen dat jaarlijks circa 200.000 gemelde misbruikbeelden niet beoordeeld worden, 400 hulpvragers bij de preventielijn niet geholpen worden en 2.000 slachtoffers bij de hulplijn geen hulp krijgen? Zo nee, van welke cijfers gaat u dan uit?
Is voorzien welke partij de taken van Offlimits overneemt indien deze bezuinigingen doorgaan en Offlimits genoodzaakt is af te schalen? Wat is de verwachte impact hiervan op de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, op de Politie (met name het TBKK) en op andere hulporganisaties zoals Stichting 113 Zelfmoordpreventie en het Centrum Seksueel Geweld, die nu mede afhankelijk zijn van de doorverwijzing en triage door Offlimits?
Bent u bereid te voorkomen dat de Kamer, zoals de afgelopen twee jaar toen dat via een Kamerbreed aangenomen amendement gebeurde, voor de derde keer op rij zelf het financieringstekort van Offlimits moet repareren en in plaats daarvan te komen tot een structureel financieringsmodel?
Bent u bereid de Kamer, tijdig voor de behandeling van de begroting voor 2027, te informeren over hoe u de financiering van Offlimits gaat borgen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Hanneke van der Werf (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Berendsen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , van Essen , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
De internationale inzet voor het VN-verdrag Handicap |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 32 van de United Nations Convention on the Rights of People with Disabilities (UNCRPD),dat deze maand 10 jaar door Nederland geratificeerd is?
Op welke manier geeft u momenteel uitvoering aan dit artikel, waarin Nederland zich committeert aan de internationale bevordering van de rechten van mensen met een handicap?
Op welke manier vindt de samenwerking met VWS als coördinerend ministerie van de UNCRPD plaats met betrekking tot de uitvoering van dit verdrag?
Bent u bekend met de observaties die het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap in 2024 heeft gepubliceerd ten aanzien van de uitvoering van het verdrag?1
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland een «systematische en gecoördineerde strategie» mist om artikel 32 van het verdrag uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland mensen met een handicap onvoldoende «systematisch en actief» betrokken worden in de internationale samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft Nederland gevolg aan de aanbevelingen die in dit rapport geformuleerd zijn om een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen en om personen met een handicap systematisch en actief te betrekken?
Klopt het dat Nederland in 2030 opnieuw moet rapporteren over de uitvoering van dit verdrag? Zo ja, welke stappen worden verder ondernomen om artikel 32 van het VN-verdrag handicap beter uit te voeren?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Ceder en Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen (Kamerstuk 36 180, nr. 149)?
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
Het bericht: ‘Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters»1 en deelt u de conclusie dat financiële belemmeringen voor senioren om te verhuizen moeten worden weggenomen?
Welke potentie ziet u, in absolute aantallen woningen en verhuisbewegingen, in het bevorderen van de doorstroming van senioren? Hoeveel woningen kunnen hierdoor beschikbaar komen voor jonge gezinnen en starters?
Deelt u de opvatting dat bij huishoudens met substantiële overwaarde en een relatief lage hypotheekschuld meer rekening moet worden gehouden met vermogen en onderpand, in plaats van primair met inkomen?
Kunt u een indicatie geven van de gemiddelde en totale overwaarde van woningeigenaren, uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen?
Welke concrete stappen zet u de komende drie maanden om overbruggingshypotheken en doorstroomhypotheken voor senioren beter beschikbaar en toegankelijk te maken?
Bent u bereid de hypotheektoetsing zo aan te passen dat bij senioren met substantiële overwaarde meer rekening kan worden gehouden met vermogen en onderpand?
Bent u bereid binnen verantwoorde prudentiële kaders rentebijschrijving mogelijk te maken bij tijdelijke doorstroomfinanciering, zodat de maandlasten tijdens de overgangsperiode beperkt blijven?
Welke concrete stappen heeft u gezet en gaat u nog zetten ter uitvoering van de op 2 juni 2026 aangenomen motie-Steen c.s.2 om een doorstroomhypotheek mogelijk te maken? Welke belemmeringen staan introductie nog in de weg en binnen welke termijn verwacht u een daadwerkelijk beschikbaar product voor senioren?
U heeft eerder erkend dat verdere beperkingen van aflossingsvrije hypotheken gevolgen kunnen hebben voor maandlasten en doorstroming en aangegeven hierover met DNB in gesprek te zijn3. Wat hebben deze gesprekken concreet opgeleverd en welke maatregelen neemt u om onnodige belemmeringen voor senioren met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value te voorkomen?
U heeft eerder aangegeven dat aflossingsvrije hypotheken vaak gepaard gaan met aanzienlijke overwaarde en dat slechts circa 7% een loan-to-value boven 75% heeft. Deelt u daarom de opvatting dat generieke beperkingen onvoldoende recht kunnen doen aan individuele risico’s? Welke ruimte ziet u voor meer maatwerk bij huishoudens met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value om zo doorstroming te stimuleren?
U heeft eerder aangegeven met banken en de AFM in gesprek te zijn over de gevolgen van de aangescherpte regels rond aflossingsvrije hypotheken. Welke concrete stappen zijn sindsdien gezet en bent u bereid met banken en de AFM tot aanvullende afspraken te komen over actieve informatievoorziening en tijdig handelingsperspectief voor huishoudens die hierdoor geraakt kunnen worden?
Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Taxifraude met handremmethode |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amsterdamse taxibranche luidt noodklok om fraude: chauffeurs hanteren »handremmethode» om exorbitante prijs te kunnen rekenen»?
Klopt het dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor toezicht en handhaving op de opstapmarkt van het consumententaxivervoer, terwijl de bestelmarkt grotendeels onder het landelijke toezicht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) valt? Zo ja, acht u deze verdeling van verantwoordelijkheden nog passend, mede in het licht van effectiviteit van toezicht en handhaving?
Hoeveel meldingen van taxigerelateerde fraude zijn de afgelopen vijf jaar ontvangen door de ILT? Kunt u daarbij een uitsplitsing geven naar jaar en, voor zover mogelijk, naar het opstapmarkt- en bestelmarktsegment?
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de bestelmarkt? Welke instrumenten en bevoegdheden heeft de ILT daarbij tot haar beschikking en gaat daar voldoende afschrikkende werking vanuit?
Zijn er aanwijzingen dat de huidige verdeling van toezicht tussen gemeenten en de ILT in de resp. marktsegmenten leidt tot lacunes in toezicht, handhaving of informatie-uitwisseling? Deelt u de opvatting dat fraudeurs geen misbruik mogen kunnen maken van verschillen in toezicht tussen beide marktsegmenten?
Deelt u de opvatting dat consumenten erop moeten kunnen vertrouwen dat de ritprijs eerlijk tot stand komt en dat taxiondernemers die zich aan de regels houden niet mogen worden weggeconcurreerd door collega's die dat niet doen?
Herkent u dat de aanbevelingen uit het evaluatierapport dat in januari 2024 met de Tweede Kamer is gedeeld, nog niet zijn opgepakt?
Klopt het dat op 30 september 2025 een groot aantal gemeenten een brief hebben gestuurd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, waarin zij hun zorgen uiten over de huidige Wet Personenvervoer 2000 en hebben verzocht om een wetswijziging?
Klopt het dat zij aangeven dat er de facto nog maar één straattaximarkt is? En dat de meeste chauffeurs zowel rijden via een standplaats (als onderdeel van de opstapmarkt) als via een app of centrale (de «match» voor de bestelmarkt), bijvoorbeeld door de lichtbak achter in de kofferbak te leggen?
Is het wettelijke onderscheid tussen opstap- en bestelvervoer nog van deze tijd?
In hoeverre is dat verschil zichtbaar en voor toezichthouders van ILT, gemeenten en politie mede door deze wisseltruc werkbaar?
Herkent u dat het onderscheid tot een grijs gebied leidt waarin chauffeurs zich kunnen onttrekken aan toezicht en kwaliteitseisen? Met misstanden als ritweigering, opstoppingen, omrijden, prijsmanipulatie via apps, afwezigheid van bonnen of klachtenprocedures, niet op de meter rijden tot gevolg?
Herkent u dit als bevestiging dat de bestaande regelgeving niet langer goed aansluit bij de praktijk van de hedendaagse taximarkt?
Wat is uw inhoudelijke reactie op de aanbevelingen van deze gemeenten?
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, zodat de pakkans wordt vergroot, fraudeurs sneller worden opgespoord en een gelijk speelveld voor taxiondernemers op zowel de opstapmarkt als de bestelmarkt wordt gewaarborgd? Bijvoorbeeld een wetswijziging?
Bent u daarnaast bereid te bezien of de huidige verdeling van toezichtstaken tussen gemeenten en de ILT nog aansluit bij de huidige taximarkt en, indien dat niet het geval is, met voorstellen te komen om toezicht en handhaving effectiever te organiseren?
Zou het laten vervallen van het onderscheid tussen opstap- en besteld vervoer, zodat voor dezelfde dienst dezelfde wettelijke uitgangspunten gelden een goede maatregel zijn?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Openbaar vervoer en taxi van dinsdag 13 oktober 2026?
Het bericht staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra, en kunt u bevestigen wat de aanleiding en omvang van dit voornemen is?1
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra niet alleen een kostenpost zijn, maar ook een instrument voor publieksvoorlichting, draagvlak en natuurbegrip?
Hoe beoordeelt u de keuze van Staatsbosbeheer om juist op bezoekerscentra te bezuinigen, terwijl publieksvoorlichting een belangrijke schakel is tussen burgers en natuurbeheer?
Kunt u uiteenzetten hoe de opdracht en publieke taak ten aanzien van educatie en bewustwording voor Staatsbosbeheer wordt gewogen en vormgegeven ten opzichte van de opdracht voor natuurbeheer?
Deelt u de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het werk van Staatsbosbeheer?
Welke gevolgen voorziet u voor het natuurbeleid wanneer de zichtbaarheid en uitleg van beheermaatregelen voor het publiek afneemt?
Kunt u toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de ambitie van de overheid om burgers juist meer te betrekken bij natuur, landschap en biodiversiteit?
Hoe voorkomt u dat bezuinigingen op bezoekerscentra leiden tot minder maatschappelijk draagvlak voor ingrijpend of noodzakelijk natuurbeheer?
Is onderzocht of publieksvoorlichting via bezoekerscentra juist kosten kan besparen in het natuurbeheer, doordat beter geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder schade veroorzaken?
Deelt u de opvatting dat het sluiten van bezoekerscentra een verschuiving kan betekenen van natuur als publiek goed naar natuur als puur beheersvraagstuk en hoe weegt u dat risico?
Welke alternatieven zijn er om de functie van bezoekerscentra te behouden zonder dat dit ten koste gaat van het kernbeheer van natuurgebieden?
Bent u bereid om met Staatsbosbeheer in gesprek te treden over het voortzetten van de bezoekerscentra en hierin ondersteunend op te treden?
Bent u bereid te borgen dat publieksvoorlichting niet als eerste onder druk komt te staan wanneer binnen Staatsbosbeheer moet worden bezuinigd?
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
Het verplaatsen van de zorgtaken van het VUmc naar het AMC. |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gaat alcohol het roken achterna? Gezondheidsraad wil dat overheid ingrijpt» van de NOS en het advies van de Gezondheidsraad dat alcoholgebruik verder moet worden ontmoedigd en «minder normaal» moet worden gemaakt?
Deelt u de mening dat er een principieel verschil bestaat tussen het informeren van burgers over gezondheidsrisico’s enerzijds en het actief sturen, ontmoedigen en denormaliseren van legaal gedrag van volwassen burgers anderzijds?
Waar ligt volgens u de grens tussen volksgezondheidsbeleid en staatsbemoeienis met de persoonlijke levenssfeer van volwassen Nederlanders?
Erkent u dat alcoholgebruik, net als bijvoorbeeld suikerconsumptie, vleesconsumptie, autorijden, wintersport, zonnen, festivals, vuurwerk, barbecueën of andere vormen van levensgenot, nooit volledig risicovrij is, maar dat dit op zichzelf nog geen vrijbrief vormt voor steeds verdergaande overheidsinmenging?
Deelt u de zorgen dat in het preventiebeleid steeds vaker een beleidscultuur ontstaat waarin niet langer uitsluitend excessen of misstanden worden bestreden, maar waarin de overheid normaal, legaal en maatschappelijk ingebed gedrag van burgers actief probeert te ontmoedigen?
Bent u van mening dat het de taak van de overheid is om alcoholgebruik als zodanig «minder normaal» te maken? Zo ja, op basis van welke democratische opdracht meent u dat de overheid het mandaat heeft om diepgewortelde sociale gebruiken en culturele tradities te denormaliseren?
Hoe verhoudt het pleidooi om alcoholgebruik te denormaliseren zich tot de eigen verantwoordelijkheid van volwassen burgers?
Acht u het wenselijk dat de overheid zich ontwikkelt tot een instantie die niet alleen waarschuwt voor gezondheidsrisico’s, maar ook actief bepaalt welke vormen van ontspanning, genot en sociaal gedrag maatschappelijk nog als normaal mogen gelden?
Kunt u garanderen dat het kabinet geen beleid zal voeren dat erop gericht is om gematigd alcoholgebruik door volwassenen maatschappelijk te stigmatiseren?
Kunt u aangeven of het kabinet voornemens is om de aanbevelingen van de Gezondheidsraad over te nemen, zoals het duurder maken van alcohol, het beperken van verkooppunten, het beperken van reclame, neutrale verpakkingen of gezondheidswaarschuwingen?
Kunt u per genoemde maatregel aangeven welke concrete beleidsopties het kabinet overweegt, welke maatregelen het kabinet uitsluit en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
Erkent u dat «niet risicovrij» iets anders is dan «onaanvaardbaar», en dat vrijwel geen enkele menselijke activiteit volledig risicovrij is – aangezien de Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is voor alcoholgebruik en dat ook één glas per dag risicovol is?
Bent u bereid in toekomstige communicatie over alcoholgebruik helder onderscheid te maken tussen zwaar of problematisch alcoholgebruik enerzijds en incidenteel of gematigd alcoholgebruik door volwassenen anderzijds?
Acht u het proportioneel om maatregelen te nemen die alle volwassen Nederlanders raken, terwijl de grootste maatschappelijke problemen samenhangen met problematisch gebruik, verkeersdeelname onder invloed, geweld, verslaving of overmatig drinken?
Klopt het dat het Nationaal Preventieakkoord zich oorspronkelijk vooral richtte op problematisch alcoholgebruik? Zo ja, erkent u dat het huidige advies van de Gezondheidsraad een verschuiving betekent van het bestrijden van problematisch gebruik naar het ontmoedigen van alcoholgebruik als zodanig?
Deelt u de mening dat beleid tegen problematisch alcoholgebruik iets wezenlijk anders is dan beleid dat erop gericht is om alcoholgebruik in brede zin uit het normale maatschappelijke leven terug te dringen?
Bent u bereid om in uw reactie op het advies expliciet in te gaan op de gevolgen voor horeca, slijterijen, supermarkten, brouwerijen, wijnhandelaren, evenementen, sportverenigingen en lokale gemeenschappen?
Is onderzocht wat de economische gevolgen zijn van hogere accijnzen, verkoopbeperkingen, reclameverboden of neutrale verpakkingen voor Nederlandse ondernemers? Zo nee, bent u bereid dit eerst te laten onderzoeken voordat nieuwe maatregelen worden overwogen?
Bent u bereid om bij iedere voorgenomen maatregel niet alleen gezondheidseffecten, maar ook effecten op vrijheid, ondernemerschap, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving en sociale cultuur in kaart te brengen?
Erkent u dat prijsverhogingen via accijnzen relatief zwaar kunnen neerslaan bij mensen met lagere inkomens, terwijl het gedragseffect onzeker kan zijn?
Bent u bereid om af te zien van verdere accijnsverhogingen op alcohol zolang niet overtuigend is aangetoond dat zulke verhogingen daadwerkelijk leiden tot minder problematisch gebruik in plaats van vooral tot lastenverzwaring, grenseffecten en ontwijkgedrag?
Hoe voorkomt u dat verdere alcoholaccijnzen leiden tot meer aankopen over de grens, illegale handel of thuisproductie?
Acht u het wenselijk dat alcohol mogelijk alleen nog via slijterijen verkrijgbaar zou zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de vrijheid van ondernemers en consumenten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet voornemens is alcohol uit supermarkten te weren?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet neutrale verpakkingen voor alcoholische dranken wil invoeren, vergelijkbaar met tabaksproducten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet gezondheidswaarschuwingen op alcoholverpakkingen wil invoeren die vergelijkbaar zijn met waarschuwingen op tabaksproducten?
Deelt u de mening dat alcohol cultureel, sociaal en historisch een andere plaats inneemt dan tabak, en dat het daarom onwenselijk is om alcoholbeleid simpelweg langs dezelfde lijn als tabaksbeleid te ontwikkelen?
Welke andere producten of gedragingen zouden volgens dezelfde redenering van «geen veilige ondergrens» in aanmerking komen voor denormalisering door de overheid?
Als de redenering is dat ieder gezondheidsrisico een reden kan zijn voor ontmoediging, welke principiële begrenzing hanteert het kabinet dan nog om te voorkomen dat steeds meer vormen van normaal leven onder preventiebeleid worden gebracht?
Deelt u de mening dat volksgezondheid belangrijk is, maar niet het enige hoogste doel van de staat kan zijn, omdat vrijheid, verantwoordelijkheid, traditie, gemeenschapsleven en levensvreugde óók publieke waarden zijn?
Bent u bereid om in de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad niet alleen een medische en preventieve afweging te maken, maar ook een principiële afweging over vrijheid, proportionaliteit en de rol van de overheid in het privéleven van burgers?
Kunt u toezeggen dat de Kamer geen maatregelenpakket ontvangt waarin alcoholbeleid via een technocratische gezondheidslogica wordt doorgevoerd zonder expliciet politiek debat over de vraag of de overheid zich überhaupt met dit soort keuzes van volwassen burgers moet bemoeien?
Bent u bereid om afstand te nemen van het uitgangspunt dat alles wat ongezond kan zijn door de overheid moet worden ontmoedigd?
Kunt u bevestigen dat volwassen Nederlanders uiteindelijk zelf verantwoordelijk blijven voor de vraag of zij bij een diner, verjaardag, bruiloft, voetbalwedstrijd, dorpsfeest, festival of vrijdagmiddagborrel een glas alcohol willen drinken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóórdat het kabinet een inhoudelijke reactie op het advies van de Gezondheidsraad aan de Kamer stuurt?
Het behoud van bestaande studentenhuizen |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groningse studenten luiden noodklok bij gemeenteraad: «Laat studentenhuizen bestaan»»?1
Deelt u de zorg dat in een tijd van grote kamernood niet alleen nieuwe studentenwoningen moeten worden gebouwd, maar ook bestaande studentenkamers en studentenhuizen behouden moeten blijven?
Herkent u dat bestaande studentenhuizen kunnen verdwijnen door de combinatie van gemeentelijk verkameringsbeleid, vergunningplichten voor kamerverhuur en een strikte uitleg van het begrip «één huishouden»?
Hoe beoordeelt u dat een studentenhuis waar bewoners al meerdere jaren via een gezamenlijke woonvorm samenleven, verantwoordelijkheid nemen voor beheer en leefbaarheid en volgens hen geen overlast veroorzaken, toch kan worden aangemerkt als onvergunde kamerverhuur?
Vindt u het wenselijk dat regels die bedoeld zijn om overlast, druk op wijken en slecht verhuurderschap tegen te gaan, in de praktijk ook goed functionerende studentenhuizen kunnen raken?
Welke ruimte hebben gemeenten om onderscheid te maken tussen problematische kamerverhuur enerzijds en bestaande studentenhuizen, waar aantoonaar geen of weinig sprake is van overlast, onveiligheid of slecht verhuurderschap?
Bent u bereid te onderzoeken of gemeenten aanvullende ruimte nodig hebben om bestaande studentenhuizen vaker te kunnen behouden of legaliseren, bijvoorbeeld via maatwerk?
Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten te stimuleren om bij bestaande studentenhuizen eerst te kijken naar legalisatie en maatwerk, voordat wordt overgegaan tot beëindiging van bewoning?
Bent u bereid samen met studentensteden, studentenorganisaties, corporaties en particuliere verhuurders te werken aan een «ja, mits»-benadering, waarbij goede studentenhuizen behouden blijven en nieuwe initiatieven worden aangejaagd, terwijl gericht wordt opgetreden tegen overlast, onveiligheid en slecht verhuurderschap?