Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jeltje Straatman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Harmen Krul (CDA), Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
De digitale weerbaarheid van het Nederlandse elektriciteitsnet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stroomnet kwetsbaar voor cyberaanval: «Geen kwestie van óf, maar wanneer»»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van cybersecurity- en energiespecialisten dat de toenemende digitalisering van het elektriciteitssysteem, waaronder slimme netten, thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en andere verbonden apparaten, ook leidt tot een groter aanvalsoppervlak voor kwaadwillenden?
De ontwikkeling naar een meer decentrale energievoorziening maakt lokale opwek en opslag mogelijk en is onderdeel van een succesvolle energietransitie. Deze decentralisatie gaat gepaard met een digitaliseringsslag. Zo kunnen decentrale assets bijvoorbeeld op afstand een (beveiligings)update ontvangen of op afstand worden aangestuurd. Dit is onder meer noodzakelijk om de beveiliging van de assets up-to-date te houden en biedt kansen voor bijvoorbeeld een slimmer gebruik van het elektriciteitsnet. Naast deze voordelen brengt de digitalisering van het energiesysteem ook risico’s met zich mee.
Digitale verbindingen maken de toegang tot deze assets op afstand makkelijker waardoor deze verbindingen een aanvalsoppervlak kunnen vormen voor kwaadwillenden om decentrale assets te manipuleren. Daarom gelden voor (consumenten)apparatuur cybersecurity eisen op basis van wet- en regelgeving zoals de Radio Equipment Directive 3.3 en de Cyber Resilience Act. Om de digitale weerbaarheid van het energiesysteem verder te verhogen en risico’s te mitigeren, treft het kabinet daarnaast nog andere maatregelen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
In hoeverre wordt digitale weerbaarheid momenteel als randvoorwaarde meegenomen bij de uitvoering van de energietransitie en de uitbreiding van het elektriciteitsnet?
In het ontwerp van het energiesysteem houdt het kabinet rekening met digitale risico’s. Zo worden cybersecurityeisen gesteld aan digitale systemen van energiepartijen en wordt kritieke (digitale) energie-infrastructuur geïdentificeerd en weerbaarder gemaakt. Een concreet voorbeeld is het meenemen van (digitale) weerbaarheid als voorwaarde bij de vergunningsverleningsinstrumenten van nieuwe windparken op zee. Hierbij zijn weerbaarheid en nationale veiligheidszorgen onderzocht en zijn vervolgens veiligheidsmaatregelen genomen, zoals het stellen van voorwaarden voor de herkomst van windmolenonderdelen op basis van de Europese Net Zero Industry Act (NZIA).2
Ook voor bestaande energie-infrastructuur gelden strenge eisen en is er toezicht om de digitale weerbaarheid te verhogen. Met de inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) op 15 augustus jl. is het bestaande wettelijke cybersecuritykader voor energie-infrastructuur versterkt en worden energiebedrijven verplicht om zorg te dragen voor de beveiliging van hun (digitale) systemen om hun bedrijfscontinuïteit te waarborgen. Aanvullend op de Cbw geldt de Netcode voor Cybersecurity Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 (NCCS) ter versterking van de digitale weerbaarheid van het Europese elektriciteitsnet om de veiligheid, continuïteit en betrouwbaarheid ervan te waarborgen. Onderdelen van de NCCS zijn al geïmplementeerd; de NCCS wordt volledig van kracht per 2028.
Het kabinet werkt doorlopend aan het verder versterken van de weerbaarheid van het energiesysteem. Zo is er in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) aandacht voor een (digitaal) weerbaar energiesysteem om de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van energie te kunnen waarborgen. Het geactualiseerde NPE wordt met Prinsjesdag aan de Kamer verstuurd. Een verdere toelichting op de kansen en risico’s van de digitalisering van het energiesysteem, inclusief een uitwerking van benodigde acties, is opgenomen in de Actieagenda Digitalisering Energiesysteem (ADE)3.
Kunt u aangeven welke risicoanalyses zijn uitgevoerd naar de cybersecurity van decentrale energiebronnen, zoals thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en energiebeheersystemen, en welke conclusies daaruit zijn getrokken?
Het Ministerie van EZK werkt samen met andere overheidsorganisaties, netbeheerders, energiebedrijven en onderzoeksinstellingen om zoveel mogelijk kennis en inzichten te verzamelen over de risico’s in het decentrale energiesysteem. Uit deze analyses komen kwetsbaarheden naar voren die worden vertaald naar beleid en wet- en regelgeving. Een voorbeeld is het rapport van Energy Innovation NL (in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) over de cyberveiligheid van zonnepanelen.4 Een conclusie uit dit rapport is dat het verhogen van de digitale weerbaarheid van decentrale energie assets een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle spelers in de keten waarbij samenwerking essentieel is. Om uitvoering te geven aan de wet- en regelgeving op digitale weerbaarheid, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 2 en 3, werkt het kabinet samen met verschillende energiebedrijven en brancheverenigingen. Daarnaast stimuleert het kabinet de ontwikkeling van sectorale Information Sharing and Analyses Centers (ISACs), zoals de ISAC voor de zonne-energiesector. Het doel van een ISAC is om de digitale weerbaarheid te vergroten binnen een sector via vertrouwelijke informatie-uitwisseling over dreigingen en incidenten en het delen van handelingsperspectief en gedeelde lessen. Daarnaast bevordert het kabinet samenwerkingsinitiatieven zoals het sectorpact «Weerbaar Energiesysteem» van Energie Nederland en Netbeheer Nederland.
Het kabinet zet verschillende stappen om cybersecurity via wet- en regelgeving te versterken, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 3. Daarnaast voeren sectorpartijen zelf risicoanalyses uit en nemen zij indien nodig passende maatregelen om risico’s te mitigeren. Zo worden bijvoorbeeld bij grote aanbestedingen door de netbeheerders risicoanalyses gemaakt en passende maatregelen genomen.5 De Cbw en NCCS verplichten bedrijven om een risicoanalyse uit te voeren en rekening te houden met risico’s in hun toeleveringsketen en bij het verwerven, ontwikkelen of onderhouden van (digitale) producten en diensten in hun netwerk- en informatiesystemen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de Europese energie-infrastructuur steeds vaker doelwit is van cyberaanvallen? In hoeverre spelen achterstallige modernisering van systemen, verouderde technologie en tekortschietende basisbeveiliging daarbij een rol? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in het Cybersecurity Beeld Nederland 2025 is aangegeven, blijven alle vitale sectoren een aantrekkelijk doelwit voor kwaadwillende actoren. De digitalisering van het energiesysteem zorgt voor een nauwere verwevenheid tussen het digitale en fysieke energiesysteem. Zo wordt verouderde operationele technologie (OT) vaker gekoppeld aan slimme informatietechnologie (IT)-systemen. Het nemen van passende beheersmaatregelen om risico’s van mogelijk verouderde OT te mitigeren, zoals netwerksegmentatie, wordt met de Cbw en NCCS wettelijk verankerd. Energiepartijen dienen op grond van de Cbw en NCCS in hun IT- en OT-architectuur rekening te houden met deze risico’s en passende en evenredige maatregelen te nemen, ook voor de beveiliging van OT. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) houdt toezicht op de energiesector vanuit deze verplichtingen in de Cbw en NCCS. Het National Cyber Security Center (NCSC) deelt daarnaast diverse kennis- en informatieproducten met de energiesector, onder meer vanuit samenwerking met Europese partners, over basisbeveiliging voor digitale weerbaarheid en over risicomanagement van verouderde OT-systemen.
Op welke wijze werken de ministeries van Klimaat en Groene Groei en Economische Zaken en Klimaat samen om ervoor te zorgen dat investeringen in de energietransitie gepaard gaan met investeringen in digitale veiligheid?
Investeringen in de energietransitie gaan onlosmakelijk gepaard met investeringen in digitale veiligheid omdat slimme energienetten en hernieuwbare bronnen sterk afhankelijk zijn van digitale aansturing. Binnen het Ministerie van EZK wordt het onderwerp van digitale weerbaarheid en energie (security) daarom integraal opgepakt.
Worden er regelmatig gezamenlijke crisisoefeningen gehouden waarbij zowel een fysieke verstoring van het elektriciteitsnet als een cyberaanval wordt gesimuleerd? Zo ja, welke lessen zijn daaruit getrokken? Zo nee, waarom niet?
Ja, op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau vinden regelmatig crisisoefeningen over stroomuitval plaats. Het betreft wisselende scenario’s, variërend van fysieke verstoringen, cyberaanvallen en een combinatie daarvan. Daarnaast wordt er deelgenomen aan PENTA6 oefeningen, waarbij de Europese verordening voor risicoparaatheid in de elektriciteitssector centraal staat. In het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) zijn daarnaast afspraken gemaakt om regelmatig gezamenlijk of per organisatie te oefenen. De Algemene Rekenkamer heeft mede op basis van bovengenoemde crisisoefeningen recent geconstateerd dat het Ministerie van EZK en TenneT goede maatregelen hebben getroffen om crises op het hoogspanningsnet te voorkomen en dat zij goed zijn voorbereid op mogelijke storingen.7
Een vast onderdeel van een crisisoefening is een evaluatie door de betrokken organisaties. Uit de evaluaties van de crisisoefeningen van de afgelopen jaren zijn verschillende lessen getrokken met betrekking tot de crisisstructuur en werkprocessen. Zo kwam bijvoorbeeld naar voren dat de Rijksoverheid in crisissituaties beter kan afspreken welke informatie wanneer wordt gedeeld en dat sommige plannen te abstract zijn. Deze lessen worden meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) naar een Landelijk Crisisplan Elektriciteit, dat naar verwachting begin 2027 met de Kamer zal worden gedeeld.
Deelt u de opvatting dat een succesvolle energietransitie alleen mogelijk is wanneer burgers en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat het energiesysteem digitaal veilig en weerbaar is? Zo ja, welke aanvullende stappen bent u bereid te zetten om dit vertrouwen te versterken?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Daarom werkt het kabinet aan het digitaal veilig en weerbaar houden van het energiesysteem, zoals beschreven in de beantwoording bij de vorige vragen. Aanvullend worden in opdracht van het Ministerie van EZK Nederlandse Technische Afspraken (NTA's) ontwikkeld door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) voor het slim en interoperabel maken van netintensieve apparaten. Dit voorziet dat laadpalen, zonne-omvormers, thuisbatterijen, warmtepompen en overkoepelend de Home Energy Management Systemen (HEMS) als aansturend systeem slim ingesteld kunnen worden en met elkaar kunnen communiceren. Deze afspraken worden opgesteld volgens Europese cybersecuritystandaarden, zodat eindgebruikers kunnen rekenen op een veilige aansturing.8
Welke gevolgen heeft de toenemende cyberveiligheidsopgave voor de huidige opgave rond de uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet? Worden aanvullende eisen aan digitale veiligheid meegenomen in de planning, uitvoering en kosten van deze uitbreidingen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om alle risico’s volledig uit te sluiten. Tegen deze achtergrond zet het kabinet in op het zoveel mogelijk minimaliseren van risico’s via een risico gebaseerde aanpak die de weerbaarheid effectief en efficiënt verhoogt. Dit betekent dat wordt gekeken naar de doelmatigheid, proportionaliteit en evenredigheid van maatregelen. Voor toekomstige energie-infrastructuur geldt dat maatregelen ten behoeve van (digitale) weerbaarheid het meest effectief en het meest kostenefficiënt zijn wanneer ze aan de voorkant van een traject worden geïmplementeerd. In het vormgeven van ruimtelijk beleid en het fysieke ontwerp van het energiesysteem wordt het aspect (digitale) weerbaarheid ook meegenomen. Binnen het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem gaat dit bijvoorbeeld om het wel of niet clusteren van energieproductielocaties en het wel of niet bundelen van energie-infrastructuur. De effecten van het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem op weerbaarheid zullen nader worden onderzocht, waarna keuzes zullen worden vastgelegd in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH II). De hoofdlijnenbrief hierover zal begin 2027 naar de Tweede Kamer worden verzonden en het programma zal in 2028 worden vastgesteld.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en de digitale weerbaarheid van de Nederlandse energie-infrastructuur?
Aankomende Prinsjesdag wordt de Tweede Kamer verder geïnformeerd over het toekomstige energiesysteem, onder andere middels het geactualiseerde NPE en de kabinetsreactie op het Energy Innovation NL rapport «Autonoom en Veilig». Hierin wordt de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en digitale weerbaarheid nader toegelicht.
Kunt u de vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Een overzicht van nationaal klimaat- en energiebeleid dat verder gaat dan Europese verplichtingen |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de volgende twee afspraken uit het coalitieakkoord «Aan de slag» u bekend zijn: «Onze ambitie blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen» en «Als we nieuw beleid invoeren kijken we standaard naar de effecten op het gelijke speelveld met omringende landen»?
Bent u bekend met de brief van de Minister van Financiën met een inventarisatie van nationale koppen en aanvullende nationale vereisten voor de financiële sector?1
Bent u bereid de Kamer een vergelijkbaar overzicht te sturen van nationale koppen en aanvullend beleid dat Nederland treft voor het klimaat- en energiebeleid en circulariteit? Zo nee, waarom niet?
Kunt u in dat overzicht in ieder geval alle geldende en voorgenomen wet- en regelgeving en ander beleid op het terrein van klimaat en energie en circulariteit opnemen? Kunt u in ieder geval de volgende categorieën meenemen:
Bij welke maatregelen uit het overzicht ziet u mogelijkheden om deze te schrappen, af te zwakken of terug te brengen naar een 1-op-1-implementatie, in lijn met het coalitieakkoord? Op welke termijn acht u dit mogelijk?
Toetst u, conform het coalitieakkoord, bij het uitwerken van nieuw klimaat- en energiebeleid en beleid op het gebied van circulariteit standaard of er sprake is van een nationale kop en wat de effecten zijn op het gelijke speelveld? Bent u bereid hier in elke memorie van toelichting en iedere beleidsbrief een apart kopje aan te wijden?
Bent u bereid het overzicht van nationale koppen periodiek te actualiseren, bijvoorbeeld gelijktijdig met de Klimaat- en Energieverkenning?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden? Kunt u de vragen beantwoorden vóór de plenaire behandeling van de begroting van Klimaat en Groene Groei en het Klimaatfonds?
Online oproepen tot een demonstratie op 31 oktober in Den Haag en het mogelijke risico op gewelddadige rellen zoals in Frankrijk |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproepen op TikTok en andere sociale media om op zaterdag 31 oktober 2026 vanaf 14.00 uur te demonstreren op het Malieveld in Den Haag, onder de naam «Generatie Z Protest»?
Bent u bekend met de online berichten waarin wordt verwezen naar de recente gewelddadige rellen in Frankrijk en waarin wordt gesproken over het massaal optrekken richting winkelgebieden en designerwinkels in Den Haag, en deelt u de zorgen dat dergelijke oproepen kunnen wijzen op plannen voor geweld, vernielingen of plunderingen?
Hoe beoordeelt u het risico dat de aangekondigde demonstratie op 31 oktober uitloopt op ernstige ongeregeldheden, en welke concrete signalen liggen aan deze inschatting ten grondslag?
Zijn de politie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken instanties actief bezig met het volgen en beoordelen van online oproepen rond deze demonstratie, waaronder berichten op TikTok, Telegram en besloten chatgroepen, en worden hierbij waar nodig en wettelijk toegestaan ook personen of groepen onderzocht die mogelijk geweld voorbereiden?
Wordt onderzocht wie achter de oproepen tot deze demonstratie zitten, of sprake is van georganiseerde groepen die uit zijn op confrontaties met de politie en of er aanwijzingen zijn dat personen vanuit andere steden naar Den Haag willen komen om ongeregeldheden te veroorzaken?
Is er inmiddels overleg geweest tussen het ministerie, de politie, het Openbaar Ministerie en de gemeente Den Haag over de aangekondigde demonstratie en het risico op rellen, en welke preventieve maatregelen worden momenteel voorbereid?
Wordt er rekening gehouden met de inzet van extra politiecapaciteit, waaronder de Mobiele Eenheid, om eventuele grootschalige ongeregeldheden op 31 oktober direct te kunnen aanpakken, en is voldoende capaciteit beschikbaar om tegelijkertijd de veiligheid in andere delen van het land te waarborgen?
Welke concrete maatregelen worden eventueel voorbereid om winkeliers, ondernemers en omwonenden in Den Haag te beschermen tegen mogelijke vernielingen, geweld en plunderingen, en kunt u garanderen dat de politie voldoende capaciteit heeft om bij ernstige ongeregeldheden snel in te grijpen en deze ondernemers te beschermen?
Bent u bekend met de recente maatregelen van de Italiaanse regering tegen gewelddadige rellen, waaronder hogere straffen, het preventief kunnen vasthouden van jongeren tussen de 14 en 17 jaar, het aansprakelijk stellen van ouders voor vernielingen door hun kinderen en de inzet van militairen ter bescherming van kwetsbare locaties, en hoe beoordeelt u deze maatregelen in de Nederlandse context?
Welke mogelijkheden bestaan er in Nederland om personen van wie op basis van concrete aanwijzingen wordt verwacht dat zij geweld of vernielingen willen plegen, voorafgaand aan een demonstratie tegen te houden, aan te houden of een gebiedsverbod op te leggen, en acht u deze bevoegdheden voldoende?
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende preventieve bevoegdheden, naar voorbeeld van Italië, noodzakelijk zijn om personen die aantoonbaar uit zijn op geweld al vóór het uitbreken van rellen effectief te kunnen aanpakken, en zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de inzet van plaatselijke avondklokken in Frankrijk om verdere rellen en plunderingen te voorkomen, en ziet u dergelijke tijdelijke maatregelen ook als een mogelijkheid om mogelijke ernstige ongeregeldheden te voorkomen – en niet enkel als maatregel achteraf?
Klopt het dat burgemeesters op grond van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet bij ernstige vrees voor grootschalige wanordelijkheden al preventief tijdelijke gebiedsgebonden uitgaansverboden kunnen instellen, en welke juridische beperkingen gelden daarbij voor het specifiek richten van dergelijke maatregelen op groepen die een aantoonbaar risico vormen voor de openbare orde?
Acht u de bestaande bevoegdheden voldoende om bij concrete aanwijzingen voor georganiseerde rellen preventief op te treden tegen risicogroepen, bijvoorbeeld door tijdelijke gebiedsverboden, groepsverboden of uitgaansbeperkingen, en bent u bereid aanvullende wetgeving te overwegen als deze mogelijkheden tekortschieten (voor de toekomst)?
Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om te voorkomen dat vreedzame demonstraties worden misbruikt door personen die uit zijn op geweld, vernielingen of plunderingen, en bent u bereid hierover vóór 31 oktober concrete afspraken te maken met de betrokken autoriteiten?
Bent u bereid deze vragen, gezien de aangekondigde demonstratie op 31 oktober en de mogelijke risico’s voor de openbare orde, uiterlijk dinsdag 27 oktober 2026 te beantwoorden, zodat de Kamer tijdig kan beoordelen of voldoende maatregelen worden getroffen?
Het bericht ‘Hooggerechtshof Pakistan bevestigt doodstraf Pakistaanse christen wegens godslastering’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Hooggerechtshof Pakistan bevestigt doodstraf Pakistaanse christen wegens godslastering»?1
Welke juridische mogelijkheden staan na deze uitspraak nog verder open?
Bent u bereid om, zowel bilateraal als in EU-verband, aan te dringen op vrijlating van deze man en u in te spannen om hem in veiligheid te brengen?
Heeft u in beeld hoeveel mensen in Pakistan momenteel vanwege godslastering in de dodencel zitten? Wat is uw inzet om hen vrij te krijgen?
Welke betekenis heeft de recente rapportage van de Europese Commissie in het kader van de status van Generalized Scheme of Preferences Plus (GSP+) die geldt voor Pakistan, inclusief het gedeelte over de blasfemiewetgeving?2
Welke concrete maatregelen worden van Pakistan op het gebied van mensenrechten verwacht, binnen welke termijn moeten deze worden genomen en welke consequenties volgen er als deze maatregelen zullen uitblijven? Zijn effectieve maatregelen van Pakistan tegen het misbruik van blasfemiewetgeving voorwaardelijk voor de voortzetting van de GSP+-status?
Bent u bereid om, mede in het licht van de rapportage van de Europese Commissie, het misbruik van blasfemiewetgeving in Pakistan aan te kaarten bij de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken? Zo ja, wat is uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Muizenschade aan grasland en de gevolgen voor mestregelgeving |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden muizen en geperforeerd grasland: veldmuizenplaag stelt wetenschappers voor raadsels»?1
Welke gevolgen heeft de muizenschade voor de grasopbrengst en het herstel van de grasmat? Welke knelpunten ondervinden getroffen boeren bij de mestregelgeving?
Is onderzoek gedaan naar de verschillen in mineralisatie tussen het vernieuwen van een gezonde grasmat en een grasmat na muizenschade, op verschillende grondsoorten?
Bent u bereid de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) hierover om advies te vragen en zo nodig onderzoek te laten doen naar de verschillen in mineralisatie tussen verschillende grondsoorten?
Bent u bereid op basis van een onderzoek bij muizenschade een vaste stikstofgift toe te staan na vernieuwen van grasland op klei- en veengrond in de periode van 1 februari tot en met 15 september, in plaats van bemesting op basis van een grondmonster? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij overmacht door muizenschade graslandvernieuwing toe te staan met behoud van de eco-premie binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), onder meer voor de eco-activiteiten die betrekking hebben op grasland, zoals langjarig grasland, kruidenrijk grasland, grasklaver en bufferstroken langs grasland?
Ambulancezorg in en tussen grensregio’s |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Als de ambulance niet over de grens naar het ziekenhuis mag: «Soms verlies je kostbare tijd, met alle risico’s van dien voor de patiënt»»?1
Welke juridische, bestuurlijke en financiële knelpunten staan de aanpassing van de Benelux-regelgeving voor grensoverschrijdende ambulancezorg nog in de weg? Welke concrete stappen zijn nodig om deze op te lossen?
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot het advies van het Schakelpunt Grensbelemmeringen uit juli 2025 om de Benelux-beschikking aan te passen? Welke stappen zijn sindsdien gezet en welke partijen moeten nog instemmen voordat de wijziging in werking kan treden?
Welke gevolgen heeft de voorgestelde aanpassing van de Benelux-beschikking voor de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van Nederlandse en Belgische ambulancediensten en meldkamers? Wat zou dit betekenen voor eventuele aansprakelijkheid?
Welke afspraken zijn nog nodig over de vergoeding van ziekenhuiszorg wanneer een Belgische ambulance een patiënt naar Nederland brengt? Welke stappen zet u om hierover met België tot overeenstemming te komen?
Hoe wordt bij de aanpassing van de Benelux-beschikking gewaarborgd dat Belgische ambulances patiënten daadwerkelijk naar het meest geschikte ziekenhuis kunnen vervoeren, waarbij de medische noodzaak, de reistijd en de benodigde specialistische zorg leidend zijn?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Benelux verdere afspraken te maken om grensoverschrijdende ambulancezorg eenvoudiger te organiseren? Welke juridische of praktische belemmeringen kunnen hiermee worden weggenomen?
Wat is de stand van zaken bij het oplossen van knelpunten in het grensoverschrijdend ambulancevervoer tussen Nederland en Duitsland? Welke belemmeringen bestaan er nog op het gebied van bevoegdheden, kosten, privacy en aansprakelijkheid?
Welke mogelijkheden ziet u om de samenwerking tussen Nederlandse, Belgische en Duitse hulpdiensten binnen de Euregio Maas-Rijn verder te verbeteren?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie afspraken te maken die grensoverschrijdende zorg eenvoudiger maken? Op welke terreinen kan Europese samenwerking helpen om belemmeringen door verschillen in nationale wet- en regelgeving weg te nemen?
Hoe wordt grensoverschrijdende ambulancezorg in het kader van weerbare zorg meegenomen in het opschalingsplan voor grootschalige en langdurige crises, zodat ambulances en ziekenhuizen aan beide kanten van de grens bij een ramp als één netwerk kunnen samenwerken?
Het bericht ‘Hoe de voedingsindustrie ruim baan krijgt om tegen Wet kindermarketing te lobbyen’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hoe de voedingsindustrie ruim baan krijgt om tegen Wet kindermarketing te lobbyen»?1
Wat is uw reactie op de conclusie van het artikel dat de voedselindustrie intensief betrokken is bij de Wet kindermarketing, terwijl gezondheidsorganisaties veel minder in de gelegenheid zijn en worden gesteld mee te praten?
Kunt u precies aangeven hoe en op welke momenten de voedselindustrie, in ieder geval de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en de Vereniging voor de Bakkerij- en Zoetwarenindustrie (VBZ), betrokken zijn (geweest) bij de totstandkoming van de Wet kindermarketing?
Klopt het dat de FNLI en de VBZ hebben kunnen meelezen en meedenken op concept-Kamerbrieven? Zo ja, op welke brieven en tot welke aanpassingen heeft dit geleid?
Kunt u precies aangeven hoe en op welke momenten andere net zo relevante maatschappelijke stemmen zoals de gezondheidsfondsen betrokken zijn (geweest) bij de totstandkoming van de Wet kindermarketing?
Deelt u de mening dat de voedselindustrie een groot belang heeft bij het zo min mogelijk reguleren van kindermarketing en dat het daarom des te belangrijker is dat ook stemmen die het gezondheidsbelang vertegenwoordigen betrokken worden? Zo ja, in hoeverre bent u van mening dat deze verschillende perspectieven voldoende zijn meegenomen?
Kunt u per geschrapte maatregel of marketingtechniek (algemene norm, antropomorfische afbeeldingen van dieren, fantasiefiguren, producten in de vorm van een dier, speelgoed gekoppeld aan het (verpakte) product en gebruik van de term «kind») aangeven waarom deze uit het wetsvoorstel is geschrapt en of hierover verschil van inzicht bestond tussen uw ambtenaren en de voedselindustrie?
Klopt het dat een interne jurist heeft gewaarschuwd dat uitzonderingen «juridisch kwetsbaar» zijn? Zo ja, kunt u deze overwegingen met de Kamer delen?
Deelt u de mening dat het nog steeds van het grootste belang is dat de Wet kindermarketing er snel komt, gezien de toenemende problemen met overgewicht bij kinderen en de ineffectiviteit van vrijblijvende afspraken?
Deelt u de mening dat afzwakkingen van het wetsvoorstel niet in lijn zijn met het coalitieakkoord, waarin juist is afgesproken dat de wet die kindermarketing gaat reguleren aangescherpt wordt? Zo ja, hoe gaat u het coalitieakkoord uitvoeren?
Bent u bereid om er vanaf nu voor te zorgen dat zowel de voedselindustrie als gezondheidsorganisaties in gelijke mate betrokken worden bij de Wet kindermarketing?
Het bericht dat 1000 ASML-collega’s de Koning en de premier om hulp vragen om Omar Elshal terug te halen |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «1000 ASML-collega’s vragen Koning en premier om hulp om Omar terug te halen»?1
Wat is uw reactie op het verzoek om premier Jetten en de Koning een persoonlijke rol te laten spelen om op te komen voor de belangen van Omar Elshal?
Is de regering bereid, in lijn met de aangenomen motie waarin de regering wordt verzocht om de zaak van Omar Elshal op het hoogste diplomatieke en politieke niveau aan te kaarten bij de Egyptische regering (Kamerstuk 32 735, nr. 437), een mogelijkheid te creëren zodat premier Jetten de zaak van Omar Elshal persoonlijk bij de Egyptische autoriteiten kan aankaarten? Zo ja, wanneer zal premier Jetten dit doen? Zo nee, waarom niet?
Wat kunt u mededelen over de mogelijkheid dat de Koning in diplomatiek verband een persoonlijke rol kan spelen om de zaak van Omar Elshal op te brengen bij de Egyptische autoriteiten?
Heeft u in uw gesprek op 12 oktober 2026 met uw Egyptische collega de zaak van Omar Elshal opgebracht? Zo ja, wat heeft u opgebracht? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat er een nieuwe zitting gepland staat op 26 oktober? Zo ja, doet Nederland er alles aan om ervoor te zorgen dat er nu wel sprake is van ongehinderde toegang van Elshal tot zijn zitting en zal Nederlands ambassadepersoneel ter zitting aanwezig zijn om consulaire toegang te krijgen?
Heeft u reeds in Europees verband contact gehad over de zaak van Omar Elshal en kunt u aangeven of de vertegenwoordiging van de EU in Egypte de zaak van Elshal inmiddels ook opbrengt in de contacten die zij heeft met Egyptische autoriteiten?
Bent u bereid om, vanwege de zittingsdatum, deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
Het artikel ‘Van Smakelijke Reus in Schimmert naar DAF Space Cab’ |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van Smakelijke Reus in Schimmert naar DAF Space Cab»?1
Herkent u het signaal dat ondernemers bij financiële problemen of een faillissement ondersteuning vinden, maar dat die ondersteuning niet altijd voldoende gericht is op de situatie van ondernemers, zoals de verwevenheid van bedrijf met inkomen, identiteit, verantwoordelijkheid voor personeel, omvang van de schulden en verschil in positie van de vpb en ib-ondernemer?
Welke rol kan het Ministerie van Economische Zaken spelen om te voorkomen dat de ondernemers tussen de diverse dienstverlening zoals bedrijfseconomische ondersteuning, schuldhulpverlening en gezondheidszorg vallen?
Kunt u aangeven welke vorm van schuldhulpverlening er is voor een ondernemer met een BV (vpb-ondernemer)? Op welke wijze is dit georganiseerd?
Klopt het dat een vpb ondernemer eerst failliet moet gaan om in aanmerking te komen voor de reguliere schuldhulpverlening?
Welke landelijke voorzieningen bestaan momenteel specifiek voor ondernemers die als gevolg van financiële problemen, bedrijfsbeëindiging of faillissement ernstige mentale klachten of suïcidale gedachten ontwikkelen? Hoe worden ondernemers actief naar deze voorzieningen geleid?
De Kamer van Koophandel beschrijft op hun website dat er een ondersteuningsnetwerk is; wordt bijgehouden hoeveel ondernemers via de Kamer van Koophandel daadwerkelijk passende ondersteuning ontvangen en of zij na een doorverwijzing ook bij de juiste hulp terechtkomen? Zo ja, wat zijn de resultaten?
De ondernemer wijst in zijn verhaal dat er behoefte bestaat aan een eerstelijnsorganisatie voor ondernemers die is gericht op vroegsignalering, warme doorverwijzing en nazorg bij ondernemers in zwaar weer; hoe kijk u hierna? Bent u eventueel bereid om te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn van een aanspreekpunt specifiek voor ondernemers?
Het feit dat NS voornemens is de tickets en abonnement tot liefst 5% te verhogen in 2027 |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht1 «Treinkaartjes weer duurder: NS verhoogt prijs van een doorsnee kaartje met bijna 5 procent en lokt reiziger naar daluren» van De Telegraaf d.d. 20 oktober 2026?
Welke concrete maatregelen hebben u en de NS het afgelopen jaar genomen om deze nieuwe prijsverhoging te voorkomen of te beperken? Wat is de reden dat deze maatregelen kennelijk onvoldoende bleken?
Kunt u inzichtelijk maken hoe de aangekondigde prijsverhoging van bijna 5 procent is opgebouwd en welk deel hiervan voortvloeit uit gestegen operationele kosten, inflatie en eerder gemaakte financiële afspraken?
Welke gevolgen verwacht u dat deze nieuwe prijsverhoging heeft voor het aantal treinreizigers? Heeft de NS onderzocht hoeveel reizigers door de aanhoudende prijsstijgingen mogelijk afhaken en kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Wat betekent deze prijsverhoging voor de concurrentiepositie van de NS ten opzichte van andere vervoersmiddelen, in het bijzonder de auto?
Deelt u de zorg dat de trein zichzelf door de steeds hogere tarieven voor een groeiende groep Nederlanders uit de markt prijst?
Deelt u de constatering dat de Kamer inmiddels vrijwel ieder jaar dezelfde vragen kan stellen over nieuwe prijsverhogingen, financiële tegenvallers en de toekomstbestendigheid van de NS? Vindt u het acceptabel dat er kennelijk nog altijd geen structurele oplossing is gevonden, en wanneer mogen reizigers eindelijk verbetering verwachten?
Erkent u dat de NS zich in een aanhoudende neerwaartse spiraal lijkt te bevinden, waarbij stijgende kosten leiden tot hogere tarieven, hogere tarieven reizigers kunnen afschrikken en teruglopende reizigersaantallen vervolgens weer druk zetten op de financiële positie van de NS? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om deze ontwikkeling te doorbreken?
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van IenW?
Strafvermindering als gevolg van lange doorlooptijden in de strafrechtketen |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Druk op politie, OM en rechters leidt tot lagere straffen»?1 Wat is uw reactie op de geschetste problematiek en herkent u het beeld dat de toenemende druk op de strafrechtketen ertoe leidt dat veroordeelden strafvermindering krijgen vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
In hoeveel procent van de strafzaken wordt strafvermindering toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn? Kunt u hiervan cijfers over de afgelopen vijf jaar verstrekken? Als exacte cijfers ontbreken, kunt u dan een onderbouwde indicatie geven?
Wat is de gemiddelde strafvermindering die wordt toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn, zowel in absolute zin als procentueel ten opzichte van de straf die zonder termijnoverschrijding zou zijn opgelegd? Kunt u hierbij onderscheid maken tussen verschillende soorten straffen?
Welk percentage van de strafzaken waarin strafvermindering wordt toegepast vanwege termijnoverschrijding betreft ernstige delicten, waaronder geweldsdelicten, zedendelicten, drugscriminaliteit en high impact crimes? Kunt u dit uitsplitsen naar delictcategorie?
Hoe beoordeelt u de stelling in het artikel dat de strafvermindering vanwege termijnoverschrijding in de regel beperkt is, gelet op de genoemde voorbeelden waarin aanzienlijke strafvermindering is toegepast, waaronder de zaak van een drugsdealer uit Helmond? Deelt u de opvatting dat dergelijke strafverminderingen moeilijk als beperkt kunnen worden aangemerkt?
In het artikel wordt gewezen op de toenemende complexiteit van strafzaken als verklaring voor de langere doorlooptijden; waaruit bestaat deze toegenomen complexiteit precies? Welke factoren spelen hierin de grootste rol en in hoeverre dragen deze aantoonbaar bij aan de langere doorlooptijden?
Ziet u mogelijkheden om door een gerichtere inzet van enkelvoudige strafkamers, in plaats van meervoudige strafkamers, de beschikbare zittingscapaciteit efficiënter te benutten en daarmee de doorlooptijden te verkorten? Zo ja, welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ziet u mogelijkheden om digitale of online strafzittingen vaker in te zetten om de beschikbare zittingscapaciteit efficiënter te benutten en de doorlooptijden te verkorten, met behoud van de rechten van verdachten en slachtoffers? Zo ja, welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Welke andere concrete efficiencymaatregelen ziet u om de doorlooptijden binnen de strafrechtketen terug te dringen? Welke maatregelen worden momenteel al uitgevoerd, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk en welk tijdpad hanteert u daarbij?
Deelt u de opvatting dat het bijzonder onwenselijk is wanneer daders van ernstige criminaliteit, waaronder geweldsdelicten, zedendelicten, drugscriminaliteit en high impact crimes, strafvermindering krijgen doordat de strafrechtketen onvoldoende in staat is hun zaken tijdig af te handelen? Bent u bereid met de betrokken ketenpartners concrete afspraken te maken om termijnoverschrijdingen in deze zaken met voorrang te voorkomen, zodat strafvermindering vanwege lange doorlooptijden zo veel mogelijk wordt tegengegaan? Zo ja, welke afspraken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De vermissing van de Nederlandse staatsburger Rodney Leysner in Suriname |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vermissing van de Nederlandse staatsburger Rodney Leysner, die sinds 15 augustus 2026 wordt vermist in Suriname? Welke informatie heeft u over de huidige stand van zaken in deze zaak?1
Vanaf welk moment heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken contact onderhouden met de Surinaamse regering, de familie en andere direct betrokkenen?
Welke concrete consulaire en diplomatieke inspanningen heeft de Nederlandse regering sinds de melding van de vermissing geleverd om de mogelijke verblijfplaats van Rodney Leysner te achterhalen en zijn familie te ondersteunen?
Welke contacten heeft de Nederlandse regering over deze zaak onderhouden met de Surinaamse regering, de Surinaamse politie en het Openbaar Ministerie? Heeft u op politiek of diplomatiek niveau aangedrongen op maximale inzet om Rodney Leysner te vinden en de toedracht van zijn verdwijning op te helderen?
Is door Nederland aan Suriname concrete ondersteuning aangeboden bij de zoektocht en het onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van specialistische zoekteams, forensische expertise, informatie-uitwisseling of andere operationele bijstand? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Surinaamse autoriteiten en waar nodig en op verzoek van de bevoegde autoriteiten aanvullende ondersteuning aan te bieden?
Kunt u toelichten welke rol de Nederlandse ambassade in Paramaribo speelt bij de coördinatie van de Nederlandse inzet?
Bent u bekend met de berichtgeving dat een verdachte wordt gezocht in verband met de vermissing van Rodney Leysner? Hoe wordt hier, bijvoorbeeld in samenwerking met Interpol, invulling aan gegeven?
Welke mogelijkheden bestaan er om, in overleg met de Surinaamse regering, aanvullende internationale samenwerking te bevorderen, bijvoorbeeld via rechtshulpverzoeken, internationale opsporingskanalen of samenwerking met andere landen indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft?
Welke ondersteuning kan de Nederlandse overheid de familie van Rodney Leysner bieden, naast de reguliere consulaire bijstand, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van informatie over het onderzoek, of het leggen van contacten met lokale autoriteiten? Bent u bereid de familie actief te informeren over de beschikbare mogelijkheden en te bezien waar aanvullende ondersteuning nodig is?
Bufferzones van 250 meter langs beken en beekdalzones |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Na presentatie stikstofplannen al twee maanden radiostilte: Het frustreert dat wij geen duidelijkheid krijgen vanuit Den Haag»?1
Klopt het dat u voornemens bent langs een groot deel van de beken bufferzones van 250 meter in te stellen? Waarom is gekozen voor een breedte van 250 meter?
Wat is de reden dat er waterlopen als beekdal zijn aangewezen die geen beekdal zijn en waar geen agrarische opgave is, zoals de Peelkanalen?
Hoe reflecteert u op de noodzaak tot het op kaart zetten van beekdalzones en nieuwe grondwaterbeschermingsgebieden in gebieden waar provincies reeds met een bestaande aanpak op gebiedsniveau de nitraatnorm van 50 milligram per liter halen?
Wat heeft de bemestingsvrije zone van vijf meter opgeleverd aan Kaderrichtlijn Water (KRW)-norm doelbereik, gezien het feit dat in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) voor beekdalen reeds een bufferstrook van 5 meter is opgenomen?
Wat is de effectiviteit, met onderbouwing, van een bufferzone van 250 meter op zowel zandgronden als kleigronden?
Klopt het dat deze maatregel is gericht op het verminderen van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de beken en dat bij deze maatregel ervan wordt uitgegaan dat de omliggende landbouw de voornaamste bron van deze nutriënten is?
Kunt u voor iedere beek op de voorgestelde lijst aangeven welk procentueel aandeel van de belasting met stikstof en fosfaat respectievelijk afkomstig is van landbouw, riooloverstorten, effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) en aanvoerwater uit grensoverschrijdende wateren? Hoe liggen deze cijfers in de zomer en in de winter?
Hoe wordt omgegaan met de afwenteling van waterkwaliteitsproblemen via grensoverschrijdende waterlopen, zoals de Dommel vanuit België? Klopt het dat deze waterlopen in België aan de KRW-normen voldoen, maar bij binnenkomst in Nederland niet? Zo ja, hoe is dit verschil te verklaren?
Zijn er afspraken met het verlagen van overschrijding van KRW-normen met Duitsland en België zodat inkomend water van een betere kwaliteit wordt? Zo ja, wat is het effect van deze afspraken?
Klopt het dat rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) moeten voldoen aan de stedelijk afvalwaterzuivering normen en dat de normen voor water afkomstig uit rwzi’s hoger liggen dan de normen voor de KRW? Zo ja, hoe verhouden die normen zich tot elkaar?
Deelt u de opvatting dat, net als bij het stikstof- en emissiebeleid, bij het verbeteren van de waterkwaliteit de eigen bijdrage aan de vervuiling centraal moet staan? Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse boeren maatregelen moeten nemen om vervuiling terug te dringen die afkomstig is uit het buitenland of van andere bronnen en hoe wordt geborgd dat de opgave per sector in verhouding staat tot de eigen bijdrage aan de waterverontreiniging?
Klopt het dat Nederland bij de beoordeling van de KRW het beginsel «one out, all out» hanteert en dat daarbij aan 142 verschillende parameters moet worden voldaan? Hoe verhouden zich de parameters voor Nederland zich voor de KRW in relatie tot andere Europese landen?
Kunt u onderbouwen in hoeverre de voorgestelde bufferzones, gelet op de verwachte kosten en de toestand van de overige parameters, daadwerkelijk bijdragen aan het voldoen aan de KRW?
Hoe verhoudt het terugdringen van nutriënten in beken zich tot het verminderen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden?
Deelt u de verwachting dat de invoering van bufferzones van 250 meter rond beken tot planschade kan leiden? Kunt u reageren op de schatting dat een dergelijke bufferzone, uitgaande van 50 hectare per strekkende kilometer beek, tot circa 6 miljoen euro aan planschade per strekkende kilometer kan leiden? Kunt u reageren op de schatting dat bij circa 160 kilometer aan Brabantse beken de planschade ongeveer 900 miljoen euro kan bedragen?
Kunt u aangeven hoe hoog de totale planschade voor Nederland naar verwachting is wanneer alle voorgestelde bufferzones langs alle genoemde beken worden gerealiseerd?
Is er nagedacht over een compensatieregeling die beschikbaar is voor gemeenten en provincies die deze planschade moeten vergoeden?
Bent u bereid met provincies en waterschappen in gesprek te gaan en samen met hen per gebied/waterloop in beeld te brengen of en in hoeverre een zonering nodig en doelmatig is alvorens over te gaan tot het aanwijzen van zones met rijksinstructieregels?
Het FT-artikel US threatens European companies over Starlink restrictions |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het FT-artikel «US threatens European companies over Starlink restrictions»?1
Kunt u reflecteren op de uitspraak van Andrew Puzder waarin hij stelt dat de Europese Unie (EU) «voorzichtig moeten zijn en dat het vernietigend uit gaat pakken voor Europese bedrijven» als de Europese Commissie hun plan doorzet om meer ruimte te reserveren voor Europese bedrijven waardoor Chinese en Amerikaanse bedrijven beperktere toegang krijgen?
Erkent u dat de uitspraak van de Amerikaanse ambassadeur bij de EU juist een reden is om technologische soevereiniteit na te streven? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de Verenigde Staten (VS) zich op deze manier gedragen als een onbetrouwbare partner en dat we nu alle zeilen bij moeten zetten om onafhankelijk te worden van hen? Zo niet, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen zouden dan genomen moeten worden om dit zo snel mogelijk te bereiken?
Erkent u dat de afhankelijkheid van Starlink problematisch is voor Oekraïne en daarmee ook voor de rest van Europa? Zijn er signalen dat de VS deze afhankelijkheid inzet om andere zaken – zoals minder strenge wet- en regelgeving in de DSA of DMA – af te dwingen?
Bent u bereid om de Amerikaanse ambassadeur te ontbieden en hem duidelijk te maken dat deze uitspraken niet geaccepteerd worden?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Herinnert u zich de Kamerbrief inzake de vervanging van het Regeringsvliegtuig van 4 april 20171, waaruit blijkt dat de operatie en het onderhoud van het vorige regeringsvliegtuig wel zijn aanbesteed? Deelt u deze lezing en welke verschillen zijn er in de gevolgde procedure en de toepasselijke wet- en regelgeving tussen de situatie van toen en die van nu?
Welke verschillen zijn er tussen de toenmalige en huidige eisen rond geheimverklaring, waardoor een aanbesteding volgens u nu niet mogelijk zou zijn?
Bent u van mening dat de veiligheidssituatie tussen 2019 en nu dermate verergerd is dat zelfs een verkenning van aanbestedingsmogelijkheden niet meer te verantwoorden was? Kunt u uw antwoord toelichten?
Herinnert u zich het antwoord op vraag vier2, waarin werd gesteld dat ondanks de geopolitieke situatie meerdere partijen in aanmerking kwamen voor de operatie? Kunt u alsnog de «moverende redenen» toelichten waarom er wederom gekozen is voor KLM?
Herinnert u zich de Kamerbrief van 13 februari 2018 inzake het leasen van een interim regeringsvliegtuig3, waaruit blijkt dat KLM tijdelijk de operatie van het regeringsvliegtuig had uitbesteed aan een derde partij? Is het mogelijk om de operatie van PH-GOV uit te besteden tot het punt dat het huidige regeringstoestel haar natuurlijke levenseinde bereikt en het bestaande contract afloopt? Zo nee, waarom was het in 2018 wel mogelijk en nu niet meer?
Wat betekent de aanschaf van het nieuwe Airbustoestel voor de resterende duur van het bestaande contract met KLM, dat loopt tot 2029?
Doelt u op de nog resterende jaren van het lopende contract wanneer u verwijst naar de aanwijzing van KLM bij het besluit van 8 juli met betrekking tot het nieuwe toestel?
Is bij de overstap naar een ander type vliegtuig sprake van een wezenlijke wijziging van de opdracht zoals bedoeld in de Aanbestedingswet? Zo ja, welke consequenties heeft dit? Zo nee, waarom niet?
Het nieuws dat 500.000 Palestijnen in Gaza voedselhulp verliezen wegens geldproblemen bij het Wereldvoedselprogramma |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de nieuwsberichten «Wereldvoedselprogramma schroeft noodhulp in Gaza terug: half miljoen mensen verliezen voedselhulp» en «500.000 Palestijnen in Gaza voortaan zonder noodhulp van Wereldvoedselprogramma»?1, 2
Wat is uw reactie op deze berichten? Wat vindt u ervan dat hierdoor 500.000 Palestijnen zonder voedselhulp komen te zitten?
Kunt u bevestigen dat een groot deel van de Palestijnen lijdt onder acute voedselonzekerheid of erger, en dat de komende winter ook nog eens extra risico’s met zich meebrengt voor de mensen aldaar?
Bent u bereid om, eventueel samen met andere bereidwillige landen, incidenteel dit financieringstekort van het Wereldvoedselprogramma op te lossen, zodat 500.000 Palestijnen niet zonder voedselhulp zitten de komende winter? Zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat ook de financiering voor voedselhulp aan de Westelijke Jordaanoever drastisch is geslonken?
Bent u ook bereid om te kijken wat Nederland hierin, samen met bereidwillige partners, kan betekenen? Zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in VN-verband te onderzoeken hoe er voorzien kan worden in extra structurele financiering voor het Wereldvoedselprogramma, in het bijzonder voor de hulp aan Palestijnen? Zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel heeft Nederland in 2024, 2025 en 2026 bijgedragen aan het Wereldvoedselprogramma, zowel vrij besteedbaar als specifiek voor de Palestijnse Gebieden? En hoeveel is Nederland van plan bij te dragen in 2027 en 2028? Kunt u hier een overzicht van geven?
Welke landen hebben hun bijdrage aan het Wereldvoedselprogramma voor Palestina in 2026 verlaagd? En welke landen hebben hun bijdrage verhoogd?
Hoeveel geld voor extra noodhulp in 2026 is op dit moment nog niet uitgegeven?
Kunt u bevestigen dat veel noodhulp Palestijnen niet bereikt omdat veel hulpgoederen bij de grens worden tegengehouden, waardoor talloze vrachtwagens met hulpgoederen voor de grens staan te wachten? Hoe spant u zich in, zowel nationaal als binnen EU- en VN-verband, om hier verandering in te brengen?
Kunt u bevestigen dat door de Israëlische blokkades de kosten voor de VN oplopen? Zo nee, waarom niet?
Is de herstelde bijdrage van Nederland aan UNRWA naar 19 miljoen euro per jaar inmiddels volledig overgemaakt? Zo nee, waarom niet, en wanneer gebeurt dit?
Bent u van mening dat Israël schuldig is aan de honger van Palestijnen? Zo ja, vertelt u dit de Israëlische regering, en welke sancties past u op hen toe? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom u dit niet vindt?
Hoeveel controles zijn er sinds het ingaan van het nationale verbod op de invoer, aankoop en verkoop van goederen uit onrechtmatige Israëlische nederzettingen uitgevoerd? Hoeveel overtredingen zijn vastgesteld? Hoeveel capaciteit hebben de douane en de NVWA hiervoor?
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Gewonden bij aanval kolonisten op olijfboomgaard Westelijke Jordaanoever»?3
Bent u van mening dat de continue bedreigingen en geweldplegingen van Israëlische kolonisten aan de Palestijnen daar onacceptabel zijn en zo snel mogelijk moeten stoppen? Zo nee, waarom niet?
Ziet u ook dat Israël systematisch het leven van Palestijnen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever onmogelijk maakt, zo bezig is om de gebieden etnisch te zuiveren, en dat er dus sprake is van genocide? Zo nee, waarom niet?
Wat kan Nederland volgens u nog meer doen om het geweld op de Westelijke Jordaanoever door Israëlische kolonisten te voorkomen? Bent u bereid deze maatregelen te nemen?
Hoeveel landbouwgrond is er in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever vernietigd in de afgelopen jaren? Bent u bereid hierover cijfers op te vragen bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het debat over de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Meetbare doelstellingen voor de democratische rechtsstaat |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de tool «Blik op Nederland: Dashboard Doelen en Resultaten» van de Algemene Rekenkamer, waarin op basis van de Rule of Law Index kwantitatief inzicht wordt verschaft in de staat van de Nederlandse rechtsstaat?1
Bent u bekend met het rapport «Democratie-APK raakt verder uit zicht – Democratie Monitor 2026», waarin op basis van 41 indicatoren kwantitatief inzicht wordt verschaft in de staat van de Nederlandse democratie?2
Bent u bekend met de Global Right to Information Rating (RTI), waarin op basis van 61 indicatoren kwantitatief inzicht wordt verschaft in de mate waarin nationale overheden openbaarheid van overheidsinformatie wettelijk hebben gewaarborgd?3
Bent u bekend met het gezegde «meten is weten»?
Op welke wijze meet u momenteel de concrete voortgang van uw beleidsdoel «het versterken van de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat»?4
Op welke wijze meet u momenteel de concrete voortgang van uw beleidsdoel «sterke rechtsstaat»?5
Op welke wijze meet u beiden momenteel de effecten van uw beider beleidsprioriteiten op de staat van de democratische rechtsstaat?
Kunt u aangeven waarom u in uw reactie op het verzoek van de Kamer inzake concrete en meetbare hoofddoelen van kabinetsbeleid enkel de beleidsvoorstellen voor een gemeenschapsfonds en maatschappelijke weerbaarheid betrekt, en niet uw algehele beleidsdoel met betrekking tot het versterken van de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat voorziet van meetbare formuleringen?6
Hoe reageert u op de stelling van de Algemene Rekenkamer dat er bij dit beleidsdoel geen reden is om in het geheel geen of beperkt concrete doelen op te nemen?7
Hoe reageert u op de stelling van de Algemene Rekenkamer dat voor uw beleidsprioriteiten, waaronder «sterke rechtsstaat», geen concrete doelen met indicatoren zijn geformuleerd?8
Bent u beiden bereid om, mede gelet op aangenomen moties en aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, bij uw beide beleidsdoelen voor de democratische rechtsstaat ten minste één doelstelling meetbaar te formuleren aan de hand van concrete indicatoren en deze in het vervolg op te nemen in uw begroting en jaarverslag? Zo nee, waarom niet?
Bent u beiden bereid om, los van specifieke beleidsdoelstellingen, aan de hand van concrete indicatoren periodiek de staat van de democratische rechtsstaat te meten, zodat u uw beleid hierop kunt afstemmen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken?
De prijsvorming en toegankelijkheid van biologisch eten |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Herbert , van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van de Keuringsdienst van Waarde over de prijzen van biologische producten, waaruit blijkt dat er in supermarkten enorme en onverklaarbare prijsverschillen bestaan tussen niet-biologische en biologische producten (tot wel 350% duurder), en tussen biologische producten onderling, waaronder biologische bonen met vergelijkbare productiekosten maar sterk uiteenlopende verkoopprijzen?
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat meer mensen biologisch eten, omdat het beter is voor de bodemkwaliteit, biodiversiteit, waterkwaliteit en gezondheid van mens en dier?
Bent u het ermee eens dat biologische voeding niet alleen beschikbaar moet zijn voor mensen met een hoger besteedbaar inkomen, maar ook toegankelijk moet zijn voor huishoudens die minder te besteden hebben?
Deelt u de zorg dat hoge prijsverschillen tussen biologische en niet-biologische producten in de supermarkt de consumptie van biologische producten remt en dat daarmee ook de realisatie van de doelstelling van 15% biologisch landbouwareaal in 2030 wordt afgeremd?
Hoe verklaart u dat biologische boeren lagere contractprijzen ontvangen dan drie jaar geleden, terwijl de consumentenprijzen van voedsel in de supermarkt zijn gestegen? Kunt u aangeven welke onderdelen van de prijsvorming van biologische producten in de supermarkt verantwoordelijk zijn voor de beschreven prijsverschillen?
Bent u al met supermarkten in gesprek gegaan over het onderzoek van de Consumentenbond over prijsverschillen tussen biologische en niet-biologische producten (zoals aangekondigd in de brief aan de Kamer van 6 juli 2026?1 Hebben deze gesprekken al plaatsgevonden, of moeten ze nog plaatsvinden? Met welke supermarkten bent u in gesprek, wat is er besproken of wat gaat er besproken worden en wat zijn de (beoogde) uitkomsten? Hebben supermarkten uitgelegd hoe de prijsverschillen ontstaan?
Welke concrete maatregelen overweegt u om onevenredige marges en ondoorzichtige prijsvorming tegen te gaan?
Wat verstaat u onder «margemixen» in de voedselketen, en in hoeverre wordt dit gebruikt bij de prijsbepaling van biologische en niet-biologische producten? Bent u bereid om beleid te ontwikkelen om margemixen ten nadele van biologische producten tegen te gaan?
Welke maatregelen gaat u nemen om producenten te beschermen tegen onevenredige machtsposities?
Bent u bereid om met supermarkten afspraken te maken over bindende prijsdoelen voor biologische producten, zowel voor boeren als voor consumenten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Autoriteit Consument & Markt (ACM) of een andere instantie onderzoek te laten doen naar de prijsvorming en marges van supermarkten voor biologische producten, met bijzondere aandacht voor machtsposities in de voedselketen?
Bent u bereid maatregelen te treffen of onderzoek te doen naar manieren om de werkelijke milieuschade van producten – zoals uitstoot, bodemdegradatie, watervervuiling en verlies van biodiversiteit – beter door te berekenen in de prijs van (voedsel)producten, bijvoorbeeld door differentiatie van btw-tarieven, heffingen op milieubelasting, of een herziening van subsidies en fiscale stimulansen? Zo nee, waarom niet, en welke alternatieve instrumenten overweegt u om ervoor te zorgen dat vervuilers opdraaien voor de milieuschade die wordt aangericht?
Aangezien u zelf heeft aangegeven dat het doel van 15% biologisch in 2030 met het huidige beleid «nog buiten bereik» is, wat is het verwachte aandeel biologische landbouw in 2030 met het huidige beleid zoals beschreven in de brief van 6 juli 2026?2
Hoe gaat u de 15%-doelstelling voor 2030 een concrete impuls geven, aangezien het aandeel biologisch nu schommelt tussen de 5 en 6%?
Wat zijn de uitkomsten van het gesprek dat u heeft gehad met stakeholders op 23 september 2026 over aanvullende maatregelen?
Wanneer kan de Kamer de tussentijdse beleidsevaluatie verwachten van het actieplan «Groei van biologische productie en consumptie»?
Welke mogelijkheden ziet u om biologisch eten betaalbaarder en toegankelijker te maken?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Kostić over het verkennen van de vraag hoe het aandeel biologische producten bij de inkoop verhoogd kan worden en dat zo veel mogelijk wordt afgenomen van Nederlandse boeren?3
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om zowel het aanbod van biologische producten als de vraag ernaar te versterken, bijvoorbeeld via publieke inkoop, steun voor omschakeling voor boeren, prijsbeleid en afspraken met de sector?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het overlijden van een 15-jarig meisje dat onder toezicht stond van Jeugdbescherming Noord |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wanhopige moeder overleden 15-jarig meisje sloeg weken geleden al alarm: «Ik wil voorkomen dat er iets ernstigs gebeurt»»?1
Wat is uw reactie op het overlijden van een 15-jarig meisje dat onder toezicht stond van Jeugdbescherming Noord en verbleef bij jeugdhulpverlener La Hacienda in Groningen?
Klopt het dat de moeder op 13 september 2026 haar ernstige zorgen over de veiligheid van haar dochter schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan onder meer betrokken hulpverleners, instanties en toezichthouders en daarbij expliciet waarschuwde dat zij wilde voorkomen dat er eerst iets ernstigs moest gebeuren voordat daadwerkelijk werd ingegrepen?
Welke bij de jeugdbescherming en jeugdhulp betrokken organisaties hebben deze waarschuwing ontvangen en hoe is deze beoordeeld? Welke concrete acties zijn er vervolgens ondernomen?
Is naar aanleiding van de waarschuwingen van de moeder een nieuwe of aanvullende veiligheids- en risico-inschatting gemaakt? Zo ja, wanneer, door wie, met welke uitkomst en welke maatregelen zijn daarop genomen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de moeder stelt dat de situatie van haar dochter al ongeveer een half jaar verslechterde, waarbij onder meer sprake was van weglopen, nachten wegblijven, alcohol- en drugsgebruik en schoolverzuim, en dat Jeugdbescherming Noord hiervan al langere tijd op de hoogte was? Hoe is op deze signalen gereageerd?
Wie had binnen de jeugdbeschermings- en jeugdhulpketen de regie over de hulp en de veiligheid van dit meisje? Op welke momenten is overwogen de hulp of bescherming op te schalen?
Klopt het dat het meisje op de avond voorafgaand aan haar overlijden betrokken was bij een ernstig en gewelddadig incident en vervolgens door medewerkers van La Hacienda is opgehaald?
Welke professionele richtlijnen en protocollen gelden voor een jeugdhulpaanbieder wanneer een minderjarige na een ernstig geweldsincident terugkeert naar een jeugdhulplocatie? En is in deze casus overeenkomstig deze richtlijnen en protocollen gehandeld?
Is na terugkomst bij La Hacienda beoordeeld of het meisje medische zorg, aanvullende begeleiding of extra toezicht nodig had? Zo ja, welke beoordeling is gemaakt en welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
Klopt het dat Jeugdbescherming Noord sinds juli 2025 onder verscherpt toezicht stond vanwege grote tekortkomingen in onder meer de continuïteit, kwaliteit en veiligheid van de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en dat dit verscherpte toezicht op 21 mei 2026 is beëindigd? Op basis van welke concrete verbeteringen is tot beëindiging besloten?
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze casus, het feit dat bij beëindiging van het verscherpte toezicht nog niet alle kinderen, jongeren en ouders tijdig de bescherming, begeleiding en hulp kregen die zij nodig hadden, de kwaliteit van de uitvoering deels onvoldoende was en het vertrouwen van de inspecties in de verbeterkracht van Jeugdbescherming Noord kwetsbaar bleef?
Geeft deze casus u aanleiding om met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek te gaan over de vraag of intensivering van het toezicht op Jeugdbescherming Noord noodzakelijk is?
Is het overlijden bij de IGJ gemeld? Zo ja, wanneer en door welke betrokken organisatie(s)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar het handelen van de betrokken jeugdbeschermings- en jeugdhulporganisaties voorafgaand aan het overlijden, waarbij in ieder geval wordt onderzocht wat met de waarschuwingen van de moeder is gedaan, of tijdig is opgeschaald en of capaciteit, caseload of de beschikbaarheid van passende jeugdhulp daarbij een rol hebben gespeeld?
Deelt u de mening dat wanneer een ouder expliciet en herhaaldelijk waarschuwt voor de veiligheid van een kind dat onder toezicht staat, aantoonbaar moet worden beoordeeld of onmiddellijk ingrijpen of opschaling noodzakelijk is? Hoe wordt gewaarborgd dat dergelijke ernstige signalen niet tussen verschillende organisaties blijven liggen?
Kunt u deze vragen, gezien de ernst van de zaak en het feit dat het een overleden minderjarige betreft, met spoed beantwoorden?
Het bericht ‘Zorgondernemer met strafblad gaat 'gewoon' door met opvang kwetsbare cliënten’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Zorgondernemer met strafblad gaat gewoon door met opvang kwetsbare cliënten»? Deelt u de woede dat kwetsbare mensen kennelijk opnieuw worden toevertrouwd aan een zorgondernemer over wie zulke ernstige signalen bestaan?1
Hoe is het mogelijk dat Zorg en Research na beëindiging van de contracten door Menzis wegens fraudesignalen alsnog via een andere aanbieder doorgaat? Welke instanties wisten hiervan, wanneer wisten zij dit en wie heeft daadwerkelijk ingegrepen?
Hoeveel zorggeld moet er nog in de zakken van fraudeurs verdwijnen voordat u daadwerkelijk ingrijpt? Waarom krijgen zorgcriminelen alle ruimte en blijven uw beloften over een harde aanpak zonder resultaat?
Erkent u dat ieder onnodig verloren zorgmiljoen ook het gevolg is van falend overheidsoptreden? Hoe verantwoordt u dat patiënten moeten wachten op zorg, terwijl u de fraude niet weet te stoppen?
Vindt u het zelf nog geloofwaardig om daadkracht te beloven terwijl zorgondernemers na ernstige fraudesignalen kennelijk gewoon via een andere aanbieder verder kunnen?
Wanneer stopt u met praten en gaat u zorgfraudeurs daadwerkelijk aanpakken, gestolen zorggeld terughalen en malafide bestuurders uit de zorg weren? Welke concrete resultaten levert u dit jaar?
Het kinderopvangdebat |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, zodra het kabinet communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie als «informeel» bestempelt, weigeren, op verzoek van de Tweede Kamer, deze communicatie aan de Kamer te verstrekken?
Wanneer is communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie eigenlijk «informeel»? En wanneer «formeel»? Kunt u een paar voorbeelden geven van «formele» en «informele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie?
Kunnen we uit het feit dat u weigert om de communicatie tussen het kabinet en de Europese Commissie over een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) naar de Kamer te sturen (omdat deze communicatie volgens u dus «informeel» zou zijn) logischerwijs concluderen dat er geen «formele» communicatie is geweest tussen de Europese Commissie en het Nederlandse kabinet over DAEB? Zo nee, kan de Kamer de «formele» communicatie tussen het kabinet en de Europese Unie over het gebruik van (alternatieven voor) DAEB in de kinderopvang zo snel mogelijk toegestuurd krijgen?