Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Ja.
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde massa immigratie?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Het kabinet zet zich onverminderd in om deze praktijk te voorkomen en te bestrijden.
Uit het onderzoek van Pharos blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Verder laat het onderzoek zien dat het geschatte aantal meisjes dat in de komende twintig jaar reëel risico loopt is gedaald: van ongeveer 4.190 in 2018 naar ongeveer 2.606 in 2023. Volgens de onderzoekers hangt deze daling vooral samen met een verfijning van het rekenmodel, waarin rekening wordt gehouden met veranderende opvattingen na migratie en vooral het lagere risico onder de tweede generatie. Dit duidt erop dat preventie en bewustwording effect hebben.
VGV komt wereldwijd voor in verschillende landen en gemeenschappen en is niet exclusief verbonden aan één religie of herkomst. Vrouwelijke genitale verminking wordt niet veroorzaakt door immigratie, maar komt voort uit sociale normen, culturele opvattingen (over vrouwelijkheid, huwelijk, seksualiteit en sociale acceptatie) en tradities, en sociale verwachtingen die daaruit voortkomen. Mensen handelen niet enkel op basis van persoonlijke overtuigingen maar ook vanuit normen en verwachtingen vanuit de gemeenschap of familie. Pharos merkt op dat deze normen in veel landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt veranderen, onder meer na migratie en onder invloed van onderwijs, wetgeving, preventie en bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Dreigende vrouwelijke genitale verminking kan reden zijn om asielbescherming te bieden. Op die wijze kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Vrouwelijke genitale verminking is in Nederland strafbaar als een vorm van mishandeling.
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Op basis van signalen van professionals en beschikbare kennis stelt Pharos dat VGV in Nederland zelf niet wordt uitgevoerd. Voor meisjes bestaat het risico om tijdens verblijf in het buitenland te worden besneden. Op dit moment doet Pharos een uitvraag onder professionals met de vraag in hoeverre zij te maken hebben gehad met minderjarige meisjes die in Nederland wonen of onder Nederlands recht vallen, en van wie zij wisten of vermoedden dat zij na migratie zijn besneden. Uit een tussentijdse analyse onder bijna 250 professionals, zoals JGZ-professionals, huisartsen en gynaecologen, komen tot nu toe geen bevestigde gevallen naar voren van meisjes die na migratie, terwijl zij in Nederland woonden, zijn besneden. Het is mogelijk dat vrouwen en meisjes in landen van herkomst slachtoffer zijn geworden van vrouwelijke genitale verminking en op latere leeftijd naar Nederland verhuizen.
In Nederland wordt daarom vooral ingezet op preventie en voorlichting, onder andere via de jeugdgezondheidszorg, zorg en ondersteuning voor slachtoffers, en samenwerking met betrokken gemeenschappen, sleutelpersonen en ketenpartners. De verklaring tegen meisjesbesnijdenis kan aan ouders worden meegegeven als zij afreizen naar het land van herkomst. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen en bevat informatie over hoe schadelijk meisjesbesnijdenis is en dat dit strafbaar is in Nederland.
UNICEF schat dat op dit moment ten minste 230 miljoen meisjes en vrouwen in 31 landen leven met de gevolgen van VGV. In de afgelopen tien jaar is het percentage meisjes van 15 tot 19 jaar dat de praktijk heeft ondergaan gedaald van 41 procent naar 34 procent (UNICEF, 2025). Nederland ondersteunt partners die schadelijke praktijken zoals VGV tegengaan, zoals via het Future4Binti programma (2026–2030) in Oost-Afrika.
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Het is van groot belang dat professionals het gesprek over VGV tijdig en zorgvuldig aangaan wanneer er signalen of risico’s zijn. Terughoudendheid die de bescherming van meisjes in de weg staat is niet wenselijk. Het uitgangspunt is dat signalen van mogelijke VGV altijd serieus worden genomen en dat professionals weten hoe zij, met oog voor culturele sensitiviteit én de veiligheid van het kind, het gesprek kunnen voeren en passende stappen kunnen zetten. Om die reden wordt ingezet op het versterken van de deskundigheid en het handelingsperspectief van professionals, onder andere via richtlijnen, training en voorlichting. De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling biedt professionals een stappenplan om signalen van onder andere VGV zorgvuldig te beoordelen en hierop te handelen. Daarnaast zijn er diverse trainingen gericht op gespreksvoering beschikbaar en wordt een richtlijn ontwikkeld voor de Jeugdgezondheidszorg waarin handvatten voor professionals zijn opgenomen.
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht zouden moeten hebben?
Er zijn geen landelijke cijfers over het aantal meldingen van vermoedens van VGV in de afgelopen vijf jaar. Dit kan onder meer samenhangen met de verborgen aard van VGV en het feit dat VGV vaak in het buitenland plaatsvindt. Als (zorg)professionals in Nederland een slachtoffer zien dat al VGV heeft ondergaan, wordt veelal ingezet op ondersteuning en hulp van het slachtoffer in plaats van melden bij Veilig Thuis.
Het kabinet is niet voornemens om een meldplicht in te stellen, een meldplicht kan juist averechts werken en een drempel vormen om hulp te zoeken. In Nederland wordt gewerkt met de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, die professionals ondersteunt bij het signaleren en beoordelen van signalen om zo de nodige passende stappen te zetten. Bij signalen van vrouwelijke genitale verminking is het belangrijk dat professionals contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is aan organisaties om kennis en kunde over de meldcode onder werknemers blijvend te bevorderen. In de meldcode is opgenomen dat bij acuut en structureel geweld het de professionele norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis. Daarnaast loopt er momenteel een verkenning naar een brede adviesplicht om de adviesfunctie te versterken, waarbij professionals advies moeten vragen als zij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling (waaronder vrouwelijke genitale verminking) hebben.
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Vrouwelijke genitale verminking is momenteel al strafbaar als (zware) mishandeling op grond van de artikelen 300 tot en met 303 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt momenteel gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 961), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9).
Verder is uw Kamer in december 2025, middels de voortgangsbrief over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, geïnformeerd over de beleidsreactie op het onderzoeksrapport «Over Grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking». In deze beleidsreactie wordt – in reactie op één van de aanbevelingen – vermeld dat juridisch zal worden onderzocht of en hoe preventieve beschermingsbevelen mogelijk kunnen worden gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod, waarin ook wordt verkend of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. In de verkenning worden ook de mogelijkheden onderzocht van een uitreisverbod ingeval van een risico op vrouwelijke genitale verminking, zoals opgenomen in het coalitieakkoord. De eerste bevindingen van deze verkenning zullen begin 2027 met uw Kamer worden gedeeld.
Tot slot merk ik op dat de aanpak van vrouwelijke genitale verminking onderdeel uitmaakt van de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet heeft met het plan «Stop femicide!» stevige maatregelen getroffen ten aanzien van vroegsignalering, een versterkte samenwerking en het bieden van tijdige en effectieve bescherming aan (potentiële) slachtoffers. Op 10 juli 2025 is de Kamer reeds geïnformeerd over de voortgang van de prioriteiten uit dit plan van aanpak. Daarnaast is de Kamer middels eerdergenoemde Kamerbrief geïnformeerd over de aanstelling van een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, die – naar verwachting – voor de zomer zal worden aangesteld.
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk moet worden ingetrokken?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 6, is vrouwelijke genitale verminking een ernstig misdrijf en in Nederland strafbaar gesteld als (zware) mishandeling. Afhankelijk van hun precieze rol, is het in voorkomende gevallen mogelijk dat personen die de genitale verminking niet zelf toebrengen, zich schuldig maken aan strafbare deelneming hieraan. Verder biedt artikel 284 Sr de mogelijkheid om personen die een vrouw of meisje dwingen genitale verminking te ondergaan (ook als dit in het buitenland plaatsvindt) strafrechtelijk te vervolgen. Zoals hiervoor bij vraag 6 aan de orde is gekomen, zal de strafbaarheid met het daar genoemde implementatiewetsvoorstel verder worden uitgebreid naar personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan. Het is aan het openbaar ministerie om in een concreet geval te beoordelen of sprake is van strafbaar handelen en of strafrechtelijke vervolging aangewezen is.
Wanneer een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan vrouwelijke genitale verminking dan zal zo mogelijk de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke rechterlijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen, asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije, moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale verminking is op dit moment in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee worden aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval kan immers sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen vrouwen wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en meisjes om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr) en is het mogelijk dat personen die genitale verminking faciliteren zich in voorkomende gevallen schuldig maken aan strafbare deelneming aan dat feit. Zoals in reactie op vraag 6 aan de orde is gekomen, wordt met het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn EU 2024/1385 de strafbaarheid verder uitgebreid tot personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen vrouwelijke genitale verminking te ondergaan, waarmee eveneens uitvoering wordt gegeven aan de daar al genoemde motie-Eerdmans.
Wat betreft het intrekken van de verblijfsvergunning geldt hetgeen in het antwoord op vraag 7 is aangegeven. Hetzelfde is ook van toepassing op vreemdelingen die een dubbele nationaliteit hebben, tenzij één van die nationaliteiten die van Nederland is. Nederland mag geen eigen onderdanen het land uitzetten.
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken en kondigt u een asielstop af?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Zoals geformuleerd in antwoord op vraag 2 wordt vrouwelijke genitale verminking niet veroorzaakt door immigratie en kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1
Het verhaal van Froukje grijpt mij aan. Jongeren die afhankelijk zijn van jeugdhulp moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilig zijn, met respect worden behandeld en passende zorg ontvangen. Vrijheidsbeperkende maatregelen mogen nooit als straf worden ingezet en mogen uitsluitend binnen de wettelijke kaders en als uiterste middel worden toegepast. Wanneer een jongere in een kwetsbare situatie door de ingezette jeugdhulp juist extra beschadigd raakt, is dat zeer ernstig. Ik vind het belangrijk dat jongeren met ingrijpende ervaringen worden gehoord en serieus genomen.
Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich daar schuldig aan hebben gemaakt?
Ik onderschrijf het advies van mijn ambtsvoorganger dat jongeren aangifte moeten doen bij de politie als zij slachtoffer zijn (geweest) van geweld in de jeugdzorg2. Als niet duidelijk is wie de (jeugd)hulpverleners zijn die dit geweld hebben toegepast, kan de jongere ook aangifte doen tegen de jeugdhulpaanbieder. Dit is mogelijk in die situaties waarin de strafbare gedraging van personeel binnen de sfeer van de jeugdhulpaanbieder ligt en deze gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend aan de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De professionals die zij in dienst nemen of inhuren moeten bekwaam zijn om de aan hen toebedeelde taken uit te voeren en beschikken over de juiste deskundigheid om jongeren te helpen. Daarnaast kan ook aangifte worden gedaan tegen de feitelijk leidinggevende, bijvoorbeeld als deze persoon bekend was met de werkwijze van het personeel en daarmee gepaard gaande risico’s en bevoegd was om passende maatregelen te treffen, maar dat achterwege heeft gelaten.
In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van een cliënt overnemen?
Iedereen die kennis heeft van een strafbaar feit is bevoegd om hiervan aangifte te doen.3 Bij bepaalde ernstige strafbare feiten, zoals moord, doodslag of verkrachting bestaat een verplichting tot het doen van aangifte.4 Dit geldt ook voor (het bestuur of de dagelijkse leiding van) een jeugdhulpaanbieder. Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders verplicht om hun interne systemen zo in te richten dat signalen over misstanden intern goed kunnen worden besproken/gemeld, geanalyseerd en tot verbetering leiden.5 Dit kan bijvoorbeeld via één of meer documenten, waarin wordt beschreven hoe wordt omgegaan met strafbare feiten gepleegd door personeel of ondergeschikten. Denk bijvoorbeeld aan een intern aangiftebeleid, gedragscode of incidentenprotocol.
Voor zover geen aangifteplicht geldt, hebben zowel de jeugdhulpaanbieder als de cliënt de bevoegdheid om aangifte te doen. Deze bevoegdheden bestaan naast elkaar. Indien uitsluitend de jeugdhulpaanbieder aangifte doet van een strafbaar feit, is het aan de politie om te beoordelen of dit voldoende grond biedt voor nader onderzoek, of dat ook een aangifte van de cliënt is vereist. Volledigheidshalve wil ik benoemen dat ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aangifte kan doen, wanneer zij na onderzoek concludeert dat er mogelijk sprake is van een strafbaar feit.
Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?
De cliënt kan zich op verschillende wijzen laten bijstaan bij het doen van aangifte. Dit kan allereerst in de vorm van informele steun: een persoon uit het eigen netwerk van de cliënt. Daarnaast kan de cliënt zich wenden tot Slachtofferhulp Nederland6; zij kunnen de cliënt begeleiden bij het doen van aangifte. Indien de cliënt nog te maken heeft met jeugdzorg, is het op grond van Jeugdwet mogelijk om een vertrouwenspersoon in te schakelen, bijvoorbeeld via Jeugdstem7. De vertrouwenspersonen kunnen jongeren ondersteunen bij het doen van aangifte van geweldsincidenten in de jeugdzorg.
Daarnaast is ook juridische rechtsbijstand mogelijk. Allereerst kan de cliënt informatie inwinnen bij het juridisch loket of de rechtsbijstandsverzekeraar. Daarnaast is bijstand door een advocaat ook mogelijk. In gevallen waarin sprake is van ernstig psychisch of lichamelijk letsel door een geweldsmisdrijf, seksueel misbruik of seksueel geweld kan de cliënt ook in aanmerking komen voor een (gratis) slachtofferadvocaat. Komt de cliënt hiervoor niet in aanmerking, dan kan op eigen kosten gebruik worden gemaakt van een advocaat. Afhankelijk van het inkomen en eigen vermogen kan een deel van de juridische kosten worden vergoed via de gesubsidieerde rechtsbijstand.8
Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee, waarom niet?
De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De inzet van extern ingehuurd personeel is daarom niet per definitie onwenselijk. Wel is het van belang dat werkgevers inzetten op een goede balans tussen personeel in vaste loondienst en flexwerkers. Personeel in vaste loondienst zorgt voor vertrouwde gezichten voor cliënten, wat bijdraagt aan een goede vertrouwensrelatie tussen de hulpverlener en de jongere en daarmee de kwaliteit van zorg ten goede kan komen. De inzet van extern ingehuurde medewerkers moet zich richten op het opvangen van «piek en ziek», wanneer dat niet lukt met interne medewerkers.
In het Integraal Zorgakkoord (hierna: IZA) is de opgave opgenomen dat regionale werkgeversorganisaties, zorginkopers en VWS actief inzetten op regionaal werkgeverschap (flexibele schil in loondienst) en een moderner arbeidscontract dat werknemers meer mogelijkheden biedt om meer regie te voeren over vormgeving van werk en werktijden om zo het werken in loondienst aantrekkelijker te maken.
Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?
Het is niet wenselijk om een (maximum) percentage invalkrachten te benoemen. Een maximumpercentage zou de benodigde flexibiliteit in de personeelsinzet in de zorgsector kunnen beperken en is daarom niet passend als generieke maatregel. Het is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers om het aannemen van vaste krachten in de zorg te bevorderen en iedereen aan te trekken en te behouden die kwalitatief goed werk kan en wil leveren.
Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?
Jeugdhulpverleners zijn op grond van de Jeugdwet al verplicht een dossier te maken rondom de verlening van jeugdhulp. Hierin worden de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen en door de hulpverlener uitgevoerde verrichtingen vastgelegd (Jeugdwet, art. 7.3.8). Aanvullend worden ook gegevens in het dossier opgenomen als dit noodzakelijk is voor een goede hulpverlening aan de jeugdige. Volgens de veldnorm «het dossier in de jeugdhulpverlening»9 moet in het dossier te lezen zijn wat en met wie besproken is over de voortgang van de begeleiding, behandeling of ondersteuning. De betreffende hulpverlener dient dus een en ander vast te leggen, ongeacht of deze in vaste dienst is of een externe ingehuurde hulpverlener.
Daarnaast is een jeugdhulpaanbieder verplicht het dossier gedurende twintig jaar te bewaren en dient deze jeugdigen, ouders of verzorgers inzage te geven in het dossier en hen een afschrift te verstrekken van de gegevens die daarin staan. Ook de IGJ mag – in het kader van onderzoek of toezicht – een dossier inzien. De jeugdhulpaanbieder is verplicht om mee te werken aan zo’n onderzoek.
In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?
De Jeugdwet bevat voor zowel de jeugdhulpaanbieders als de gecertificeerde instellingen reeds de verplichting om zich op zodanige wijze te voorzien van voldoende gekwalificeerd personeel en voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling te zorgen, dat dit leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp10. Een jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het controleren of medewerkers over de juiste kwalificaties beschikken. Daarbij zijn zij verplicht om van personen die in hun opdracht beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie zij jeugdhulp verlenen of aan wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd, in ieder geval een verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) te hebben.
Een calamiteit of incident moet altijd worden gemeld bij de IGJ. Afhankelijk van de ernst van de zaak kan de IGJ zelf een calamiteitenonderzoek starten, waarbij ook kan worden nagegaan of de betreffende medewerker over de vereiste kwalificaties beschikte. Of een betreffende medewerker vervolgens elders bij een zorginstelling werkzaam is geworden, kan niet worden nagegaan.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren binnen de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan.
Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?
Ik wil graag benadrukken dat het in geen enkele situatie is toegestaan om gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten als straf voor een jeugdige. Jeugdigen die hiermee te maken hebben, roep ik op om zich te melden bij de vertrouwenspersoon van Jeugdstem en/of de IGJ. Wanneer zorgprofessionals hiermee te maken hebben binnen hun organisatie en bespreking intern niet tot verandering leidt, kunnen zij uiteraard ook een melding maken bij de IGJ.
In sommige situaties kan het nodig zijn om tegen de wil van de jeugdige (of van degene die het gezag over de jeugdige uitoefent) gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten. Hier zijn strikte voorwaarden en eisen aan verbonden die wettelijk zijn vastgelegd. Als het gaat om jeugdhulp zijn vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van de Jeugdwet alleen toegestaan in de gesloten jeugdhulp. Daarnaast kan op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) gedwongen zorg vanwege een psychische stoornis worden verleend indien wordt voldaan aan de eisen die deze wet daaraan stelt.
Tegelijkertijd vraagt de veranderende praktijk in de jeugdhulp veel van professionals. Recent onderzoek van Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd en Factor I11 laat zien dat de veranderingen binnen de residentiële jeugdhulp een grote impact hebben op professionals. Door de afbouw van de gesloten jeugdhulp blijkt een deel van de doelgroep die eerder werd opgenomen in de gesloten jeugdhulp naar open residentiële voorzieningen te verschuiven, waardoor de complexiteit en zwaarte van hulpvragen toenemen. Ook wordt op veel plekken ingezet op kleinschalig werken. Dit biedt kansen voor maatwerk en nabijheid, maar vraagt tegelijkertijd om het waarborgen van veiligheid en passende bescherming in situaties die steeds veeleisender worden. In deze context ervaren professionals regelmatig handelingsverlegenheid. Het rapport onderstreept het belang van nieuw vakmanschap in de residentiële jeugdhulp: vakmanschap dat professionals ondersteunt om met vertrouwen en deskundigheid te handelen in een veranderende praktijk. Stichting Beroepsopleiding Gezondheidszorg en Factor I zijn hierover in gesprek met Kwaliteit Blijvend Leren om te komen tot een meerjarenprogramma gericht op het versterken van dit vakmanschap.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Het is natuurlijk nooit goed als naheffingen onterecht worden opgelegd. Dit betreft echter in de eerste plaats een vraagstuk voor het lokaal bestuur. Of er parkeerbelasting wordt geheven, hoe hoog die parkeerbelasting is en op welke wijze wordt gecontroleerd of deze wordt betaald is aan het gemeentebestuur zelf gelaten.
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Bij het gebruik van scanauto’s voor handhavingsdoeleinden kan er in gevallen sprake zijn van verwerking van persoonsgegevens, in die gevallen is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Op grond van de AVG is in bepaalde situaties een beoordeling van het effect op persoonsgegevens (een DPIA) verplicht. Ook moet een gemeente een Functionaris Gegevensbescherming (FG) aanwijzen. Deze FG moet bij het uitvoeren van een DPIA adviseren. Daarnaast is het op grond van de AVG in principe niet toegestaan om volledig geautomatiseerde besluiten te nemen. Uit het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), waar het aangehaalde nieuwsbericht naar verwijst, blijkt dat de onderzochte gemeenten de resultaten van de scanauto’s door een mens laten controleren.
Wanneer er sprake is van het gebruik van Artificiële Intelligentie (AI) bij handhaving door gemeenten, is de AI-verordening van toepassing. Welke regels uit de AI-verordening van toepassing zijn is afhankelijk van de risicoclassificatie van het AI-systeem. Zo bepalen de regels dat bij reguliere AI-systemen die bij handhaving worden gebruikt door gemeenten, gebruikers van het systeem onder meer voldoende op de hoogte moeten zijn van de risico’s van AI («AI-geletterdheid»).
Tot slot kan ik wijzen op de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb verplicht overheidsorganisaties besluiten zorgvuldig voor te bereiden en te voorzien van een deugdelijke motivering.
Overheidsorganisaties die geautomatiseerde systemen en algoritmes inzetten in hun processen, zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit hiervan. Interne processen moeten een zorgvuldige werking en inbedding waarborgen. De AP houdt toezicht op de naleving van de AVG. In een thans ter consultatie gepubliceerd wetsvoorstel2 wordt een structuur voor toezicht op naleving van de AI-verordening voorgesteld, waarin ook de AP een rol speelt. Rekenkamers doen onderzoek naar het handelen van gemeenten. Tot slot is het mogelijk om besluiten van bestuursorganen aan te vechten bij de bestuursrechter.
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Dat overzicht is mij niet bekend. De inzet van scanauto’s is als gezegd een lokale aangelegenheid waarbij het Rijk niet betrokken is. Het is mij dan ook niet bekend welke gemeenten hier gebruik van maken en dus ook niet wanneer hiertoe eventueel zou zijn overgegaan. Dat maakt een vergelijking niet mogelijk, los van de vraag of een vergelijking steun zou geven aan de vooronderstelling dat gemeenten een handhavingspraktijk zouden inrichten als verdienmodel.
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Het vraagt soms inderdaad actie van een burger om de overheid op eigen fouten of vergissingen te wijzen. Hoewel alles er uiteraard op gericht dient te zijn dat fouten zo veel mogelijk voorkomen worden. In alle gevallen staat bezwaar open tegen een boete.
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Het is altijd mogelijk dat een burger schriftelijk bezwaar aantekent tegen een beslissing waarmee deze het niet eens is. Een digitaal proces kan dit vergemakkelijken, maar een burger kan dus ook een bezwaarschrift per post versturen. Ook beroep bij de rechter kan door natuurlijke personen schriftelijk worden ingesteld.
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Uit het onderzoek van de AP blijkt dat de gemeenten die daaraan hebben meegewerkt, nadat geautomatiseerd is geconstateerd dat een voertuig geen parkeerrecht heeft, een mens de situatie laten beoordelen. Menselijke controle geeft dan ook niet de garantie dat er geen fouten worden gemaakt. In het rapport van de AP worden technische en organisatorische maatregelen benoemd, die kunnen bijdragen aan het tegengaan van fouten.
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Welke maatregelen het gemeentebestuur neemt om het foutpercentage te verminderen is in de eerste plaats aan het gemeentebestuur zelf.
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Het aanspreken van gemeenten suggereert een algemene hiërarchische verhouding die er niet is. Binnen de kaders van de wet zijn gemeenten ten aanzien van de heffing van belastingen en de handhaving hiervan zelf verantwoordelijk en aanspreekbaar. Dit betreft ook geen vorm van medebewind waarin het gemeentebestuur optreedt als uitvoerder van landelijke regelingen. Binnen de autonome ruimte van het gemeentebestuur is het niet goed voorstelbaar dat ik als Minister mij bemoei met een lokale uitvoeringspraktijk, ook niet wanneer uit berichtgeving als deze blijkt dat er zorgen zijn over de wijze waarop die uitvoering uitpakt.
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Een onterecht opgelegde naheffing is natuurlijk erg vervelend. Voor de invordering hiervan gelden regels die rekening houden met financiële gevolgen.
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
Het is niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de overheid wanneer op een bepaald vraagstuk een groot foutpercentage lijkt te bestaan. Ik ga er van uit dat in gemeenten waarin dit aan de orde zou is, dit gesprek serieus wordt gevoerd. In mijn ervaring werken gemeenten continu aan het versterken van dit vertrouwen.
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Ik heb die signalen niet.
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Wanneer een naheffing onterecht wordt opgelegd, wordt de naheffing in bezwaar of in beroep vernietigd en blijft er geen betalingsverplichting over. Eventueel eerder betaalde bedragen worden dan teruggestort.
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.
Het besluit van DOVA om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het samenwerkingsverband Decentrale OV-Autoriteiten (DOVA) om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen?
Waarom is ervoor gekozen deze landelijke korting voor ouderen te beëindigen?
U noemde de nieuwe regeling voor kinderen «fantastisch», kunt u aangeven hoe deze reactie zich verhoudt tot het wegvallen van de landelijke ov-korting voor 65-plussers?
Welke democratische controle bestaat er op een besluit van DOVA met zulke grote gevolgen voor ouderen?
Acht u het wenselijk dat DOVA kan besluiten een landelijke regeling voor ouderen af te schaffen?
Hoeveel 65-plussers maken momenteel gebruik van de landelijke ov-korting?
Hoeveel gaan deze reizigers gemiddeld extra betalen?
Heeft u in kaart gebracht welke gevolgen dit heeft voor de mobiliteit van ouderen?
Verwacht u dat ouderen hierdoor minder gebruik zullen maken van het openbaar vervoer?
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot meer eenzaamheid en minder participatie van ouderen?
Welke gevolgen verwacht u voor ouderen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer voor zaken zoals mantelzorg, vrijwilligerswerk of ziekenhuisbezoek?
Wat vindt u ervan dat DOVA verwijst naar gemeenten voor gerichte maatregelen, terwijl gemeenten nu al financiële tekorten hebben?
Acht u het wenselijk dat de toegang tot een ov-tegemoetkoming straks afhankelijk wordt van de gemeente waarin iemand woont?
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot veel regionale ongelijkheden?
Heeft u voor uw enthousiaste reactie nog overleg gevoerd met de Minister van VWS en de Minister van BZK over de gevolgen van het afschaffen van de landelijke ov-korting voor ouderen op hun portefeuilles, zoals eenzaamheid, toegang tot zorg en financiële druk op gemeenten?
Heeft u zich georiënteerd op de kosten die terechtkomen bij gemeenten als zij deze korting zelf moeten regelen?
Bent u zich ervan bewust dat een grote groep ouderen die niet door de herkeuring van hun rijbewijs komen volledig aangewezen is op openbaar vervoer?
Deelt u de mening dat een generieke maatregel zowel voor jong als voor oud ook terechtkomt bij mensen die dit wel kunnen betalen?
Deelt u de mening dat een generieke maatregel eenvoudig en transparant is en dat een overgang naar 342 verschillende regelingen dat niet is?
Bent u bereid met DOVA in gesprek te gaan om de landelijke ov-korting voor 65-plussers alsnog te behouden?
Bent u bekend met het rapport «Regeren is vooruitzien» van Offlimits en met de steunbetuigingen van de Politie, het Centrum Seksueel Geweld, Fonds Slachtofferhulp en De Waag Nederland?1
Deelt u de conclusie van de Politie dat Offlimits «voorziet in een behoefte waarin een andere organisatie niet kan voorzien» en dat er «geen alternatief» is voor deze laagdrempelige meldvoorziening? Zo nee, welke andere partijen kunnen het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn dan wel op vergelijkbare schaal, snelheid en expertise overnemen en hoe wordt dat bekostigd?
Kunt u bevestigen dat het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bij het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (TBKK) van de Politie is gestegen van 26.000 in 2020 naar 70.000 in 2024 en dat het aantal door Offlimits verwerkte URL’s is gestegen van 60.062 in 2024 naar bijna een miljoen (927.581) in 2025? Hoe verklaart u deze stijging?
Hoe beoordeelt u de snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal, waarbij de analisten van Offlimits in 2025 al 2.200 met AI gegenereerde beelden analyseerden en het National Center for Missing & Exploited Children een stijging zag van 700 meldingen in 2023 naar 67.000 in 2024? Welke stappen onderneemt u om deze specifieke, snelgroeiende vorm van materiaal aan te pakken?
Bent u bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal, zoals naaktbeelden die zonder toestemming worden gedeeld en via zogenoemde «nudify»-technologie worden gemaakt, waarbij onderzoek van Rutgers laat zien dat 18% van de jongeren ongewenst een naaktbeeld ontving, 3% gedwongen werd een naaktbeeld te maken en 1% te maken kreeg met een zonder toestemming doorgestuurd naaktbeeld? Deelt u de zorg van Fonds Slachtofferhulp dat dit probleem, mede door AI-deepfakes, kan uitgroeien tot «epidemische proporties»?
Klopt het dat de Europese Unie dit jaar al € 400.000,- bezuinigt op de financiering van Offlimits en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanaf 2027 structureel € 450.000,- gaat bezuinigen? Kunt u dit bevestigen en toelichten, gezien het jaarlijks sterk groeiende aantal meldingen en de sterk groeiende hulpvraag?
Wordt de incidentele bijdrage van € 500.000,- vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de aanpak van zogenoemde «harmful but lawful»-content na 2027 al dan niet gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Wat is volgens u de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen in de komende twee jaar? Hoe verhoudt een dergelijke verwachting, door Offlimits geraamd op circa 30% groei per jaar, zich tot de voorgenomen bezuinigingen vanaf 2027?
Deelt u de analyse dat Offlimits vanaf 2027 structureel circa € 1.000.000,- (ongeveer 20% van haar begroting) tekortkomt en dat dit zou betekenen dat jaarlijks circa 200.000 gemelde misbruikbeelden niet beoordeeld worden, 400 hulpvragers bij de preventielijn niet geholpen worden en 2.000 slachtoffers bij de hulplijn geen hulp krijgen? Zo nee, van welke cijfers gaat u dan uit?
Is voorzien welke partij de taken van Offlimits overneemt indien deze bezuinigingen doorgaan en Offlimits genoodzaakt is af te schalen? Wat is de verwachte impact hiervan op de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, op de Politie (met name het TBKK) en op andere hulporganisaties zoals Stichting 113 Zelfmoordpreventie en het Centrum Seksueel Geweld, die nu mede afhankelijk zijn van de doorverwijzing en triage door Offlimits?
Bent u bereid te voorkomen dat de Kamer, zoals de afgelopen twee jaar toen dat via een Kamerbreed aangenomen amendement gebeurde, voor de derde keer op rij zelf het financieringstekort van Offlimits moet repareren en in plaats daarvan te komen tot een structureel financieringsmodel?
Bent u bereid de Kamer, tijdig voor de behandeling van de begroting voor 2027, te informeren over hoe u de financiering van Offlimits gaat borgen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Hanneke van der Werf (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Berendsen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
De internationale inzet voor het VN-verdrag Handicap |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 32 van de United Nations Convention on the Rights of People with Disabilities (UNCRPD),dat deze maand 10 jaar door Nederland geratificeerd is?
Op welke manier geeft u momenteel uitvoering aan dit artikel, waarin Nederland zich committeert aan de internationale bevordering van de rechten van mensen met een handicap?
Op welke manier vindt de samenwerking met VWS als coördinerend ministerie van de UNCRPD plaats met betrekking tot de uitvoering van dit verdrag?
Bent u bekend met de observaties die het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap in 2024 heeft gepubliceerd ten aanzien van de uitvoering van het verdrag?1
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland een «systematische en gecoördineerde strategie» mist om artikel 32 van het verdrag uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland mensen met een handicap onvoldoende «systematisch en actief» betrokken worden in de internationale samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft Nederland gevolg aan de aanbevelingen die in dit rapport geformuleerd zijn om een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen en om personen met een handicap systematisch en actief te betrekken?
Klopt het dat Nederland in 2030 opnieuw moet rapporteren over de uitvoering van dit verdrag? Zo ja, welke stappen worden verder ondernomen om artikel 32 van het VN-verdrag handicap beter uit te voeren?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Ceder en Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen (Kamerstuk 36 180, nr. 149)?
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
Het bericht: ‘Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters»1 en deelt u de conclusie dat financiële belemmeringen voor senioren om te verhuizen moeten worden weggenomen?
Welke potentie ziet u, in absolute aantallen woningen en verhuisbewegingen, in het bevorderen van de doorstroming van senioren? Hoeveel woningen kunnen hierdoor beschikbaar komen voor jonge gezinnen en starters?
Deelt u de opvatting dat bij huishoudens met substantiële overwaarde en een relatief lage hypotheekschuld meer rekening moet worden gehouden met vermogen en onderpand, in plaats van primair met inkomen?
Kunt u een indicatie geven van de gemiddelde en totale overwaarde van woningeigenaren, uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen?
Welke concrete stappen zet u de komende drie maanden om overbruggingshypotheken en doorstroomhypotheken voor senioren beter beschikbaar en toegankelijk te maken?
Bent u bereid de hypotheektoetsing zo aan te passen dat bij senioren met substantiële overwaarde meer rekening kan worden gehouden met vermogen en onderpand?
Bent u bereid binnen verantwoorde prudentiële kaders rentebijschrijving mogelijk te maken bij tijdelijke doorstroomfinanciering, zodat de maandlasten tijdens de overgangsperiode beperkt blijven?
Welke concrete stappen heeft u gezet en gaat u nog zetten ter uitvoering van de op 2 juni 2026 aangenomen motie-Steen c.s.2 om een doorstroomhypotheek mogelijk te maken? Welke belemmeringen staan introductie nog in de weg en binnen welke termijn verwacht u een daadwerkelijk beschikbaar product voor senioren?
U heeft eerder erkend dat verdere beperkingen van aflossingsvrije hypotheken gevolgen kunnen hebben voor maandlasten en doorstroming en aangegeven hierover met DNB in gesprek te zijn3. Wat hebben deze gesprekken concreet opgeleverd en welke maatregelen neemt u om onnodige belemmeringen voor senioren met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value te voorkomen?
U heeft eerder aangegeven dat aflossingsvrije hypotheken vaak gepaard gaan met aanzienlijke overwaarde en dat slechts circa 7% een loan-to-value boven 75% heeft. Deelt u daarom de opvatting dat generieke beperkingen onvoldoende recht kunnen doen aan individuele risico’s? Welke ruimte ziet u voor meer maatwerk bij huishoudens met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value om zo doorstroming te stimuleren?
U heeft eerder aangegeven met banken en de AFM in gesprek te zijn over de gevolgen van de aangescherpte regels rond aflossingsvrije hypotheken. Welke concrete stappen zijn sindsdien gezet en bent u bereid met banken en de AFM tot aanvullende afspraken te komen over actieve informatievoorziening en tijdig handelingsperspectief voor huishoudens die hierdoor geraakt kunnen worden?
Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Taxifraude met handremmethode |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amsterdamse taxibranche luidt noodklok om fraude: chauffeurs hanteren »handremmethode» om exorbitante prijs te kunnen rekenen»?
Klopt het dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor toezicht en handhaving op de opstapmarkt van het consumententaxivervoer, terwijl de bestelmarkt grotendeels onder het landelijke toezicht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) valt? Zo ja, acht u deze verdeling van verantwoordelijkheden nog passend, mede in het licht van effectiviteit van toezicht en handhaving?
Hoeveel meldingen van taxigerelateerde fraude zijn de afgelopen vijf jaar ontvangen door de ILT? Kunt u daarbij een uitsplitsing geven naar jaar en, voor zover mogelijk, naar het opstapmarkt- en bestelmarktsegment?
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de bestelmarkt? Welke instrumenten en bevoegdheden heeft de ILT daarbij tot haar beschikking en gaat daar voldoende afschrikkende werking vanuit?
Zijn er aanwijzingen dat de huidige verdeling van toezicht tussen gemeenten en de ILT in de resp. marktsegmenten leidt tot lacunes in toezicht, handhaving of informatie-uitwisseling? Deelt u de opvatting dat fraudeurs geen misbruik mogen kunnen maken van verschillen in toezicht tussen beide marktsegmenten?
Deelt u de opvatting dat consumenten erop moeten kunnen vertrouwen dat de ritprijs eerlijk tot stand komt en dat taxiondernemers die zich aan de regels houden niet mogen worden weggeconcurreerd door collega's die dat niet doen?
Herkent u dat de aanbevelingen uit het evaluatierapport dat in januari 2024 met de Tweede Kamer is gedeeld, nog niet zijn opgepakt?
Klopt het dat op 30 september 2025 een groot aantal gemeenten een brief hebben gestuurd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, waarin zij hun zorgen uiten over de huidige Wet Personenvervoer 2000 en hebben verzocht om een wetswijziging?
Klopt het dat zij aangeven dat er de facto nog maar één straattaximarkt is? En dat de meeste chauffeurs zowel rijden via een standplaats (als onderdeel van de opstapmarkt) als via een app of centrale (de «match» voor de bestelmarkt), bijvoorbeeld door de lichtbak achter in de kofferbak te leggen?
Is het wettelijke onderscheid tussen opstap- en bestelvervoer nog van deze tijd?
In hoeverre is dat verschil zichtbaar en voor toezichthouders van ILT, gemeenten en politie mede door deze wisseltruc werkbaar?
Herkent u dat het onderscheid tot een grijs gebied leidt waarin chauffeurs zich kunnen onttrekken aan toezicht en kwaliteitseisen? Met misstanden als ritweigering, opstoppingen, omrijden, prijsmanipulatie via apps, afwezigheid van bonnen of klachtenprocedures, niet op de meter rijden tot gevolg?
Herkent u dit als bevestiging dat de bestaande regelgeving niet langer goed aansluit bij de praktijk van de hedendaagse taximarkt?
Wat is uw inhoudelijke reactie op de aanbevelingen van deze gemeenten?
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, zodat de pakkans wordt vergroot, fraudeurs sneller worden opgespoord en een gelijk speelveld voor taxiondernemers op zowel de opstapmarkt als de bestelmarkt wordt gewaarborgd? Bijvoorbeeld een wetswijziging?
Bent u daarnaast bereid te bezien of de huidige verdeling van toezichtstaken tussen gemeenten en de ILT nog aansluit bij de huidige taximarkt en, indien dat niet het geval is, met voorstellen te komen om toezicht en handhaving effectiever te organiseren?
Zou het laten vervallen van het onderscheid tussen opstap- en besteld vervoer, zodat voor dezelfde dienst dezelfde wettelijke uitgangspunten gelden een goede maatregel zijn?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Openbaar vervoer en taxi van dinsdag 13 oktober 2026?
Het bericht staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra, en kunt u bevestigen wat de aanleiding en omvang van dit voornemen is?1
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra niet alleen een kostenpost zijn, maar ook een instrument voor publieksvoorlichting, draagvlak en natuurbegrip?
Hoe beoordeelt u de keuze van Staatsbosbeheer om juist op bezoekerscentra te bezuinigen, terwijl publieksvoorlichting een belangrijke schakel is tussen burgers en natuurbeheer?
Kunt u uiteenzetten hoe de opdracht en publieke taak ten aanzien van educatie en bewustwording voor Staatsbosbeheer wordt gewogen en vormgegeven ten opzichte van de opdracht voor natuurbeheer?
Deelt u de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het werk van Staatsbosbeheer?
Welke gevolgen voorziet u voor het natuurbeleid wanneer de zichtbaarheid en uitleg van beheermaatregelen voor het publiek afneemt?
Kunt u toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de ambitie van de overheid om burgers juist meer te betrekken bij natuur, landschap en biodiversiteit?
Hoe voorkomt u dat bezuinigingen op bezoekerscentra leiden tot minder maatschappelijk draagvlak voor ingrijpend of noodzakelijk natuurbeheer?
Is onderzocht of publieksvoorlichting via bezoekerscentra juist kosten kan besparen in het natuurbeheer, doordat beter geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder schade veroorzaken?
Deelt u de opvatting dat het sluiten van bezoekerscentra een verschuiving kan betekenen van natuur als publiek goed naar natuur als puur beheersvraagstuk en hoe weegt u dat risico?
Welke alternatieven zijn er om de functie van bezoekerscentra te behouden zonder dat dit ten koste gaat van het kernbeheer van natuurgebieden?
Bent u bereid om met Staatsbosbeheer in gesprek te treden over het voortzetten van de bezoekerscentra en hierin ondersteunend op te treden?
Bent u bereid te borgen dat publieksvoorlichting niet als eerste onder druk komt te staan wanneer binnen Staatsbosbeheer moet worden bezuinigd?
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
Het verplaatsen van de zorgtaken van het VUmc naar het AMC. |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gaat alcohol het roken achterna? Gezondheidsraad wil dat overheid ingrijpt» van de NOS en het advies van de Gezondheidsraad dat alcoholgebruik verder moet worden ontmoedigd en «minder normaal» moet worden gemaakt?
Deelt u de mening dat er een principieel verschil bestaat tussen het informeren van burgers over gezondheidsrisico’s enerzijds en het actief sturen, ontmoedigen en denormaliseren van legaal gedrag van volwassen burgers anderzijds?
Waar ligt volgens u de grens tussen volksgezondheidsbeleid en staatsbemoeienis met de persoonlijke levenssfeer van volwassen Nederlanders?
Erkent u dat alcoholgebruik, net als bijvoorbeeld suikerconsumptie, vleesconsumptie, autorijden, wintersport, zonnen, festivals, vuurwerk, barbecueën of andere vormen van levensgenot, nooit volledig risicovrij is, maar dat dit op zichzelf nog geen vrijbrief vormt voor steeds verdergaande overheidsinmenging?
Deelt u de zorgen dat in het preventiebeleid steeds vaker een beleidscultuur ontstaat waarin niet langer uitsluitend excessen of misstanden worden bestreden, maar waarin de overheid normaal, legaal en maatschappelijk ingebed gedrag van burgers actief probeert te ontmoedigen?
Bent u van mening dat het de taak van de overheid is om alcoholgebruik als zodanig «minder normaal» te maken? Zo ja, op basis van welke democratische opdracht meent u dat de overheid het mandaat heeft om diepgewortelde sociale gebruiken en culturele tradities te denormaliseren?
Hoe verhoudt het pleidooi om alcoholgebruik te denormaliseren zich tot de eigen verantwoordelijkheid van volwassen burgers?
Acht u het wenselijk dat de overheid zich ontwikkelt tot een instantie die niet alleen waarschuwt voor gezondheidsrisico’s, maar ook actief bepaalt welke vormen van ontspanning, genot en sociaal gedrag maatschappelijk nog als normaal mogen gelden?
Kunt u garanderen dat het kabinet geen beleid zal voeren dat erop gericht is om gematigd alcoholgebruik door volwassenen maatschappelijk te stigmatiseren?
Kunt u aangeven of het kabinet voornemens is om de aanbevelingen van de Gezondheidsraad over te nemen, zoals het duurder maken van alcohol, het beperken van verkooppunten, het beperken van reclame, neutrale verpakkingen of gezondheidswaarschuwingen?
Kunt u per genoemde maatregel aangeven welke concrete beleidsopties het kabinet overweegt, welke maatregelen het kabinet uitsluit en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
Erkent u dat «niet risicovrij» iets anders is dan «onaanvaardbaar», en dat vrijwel geen enkele menselijke activiteit volledig risicovrij is – aangezien de Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is voor alcoholgebruik en dat ook één glas per dag risicovol is?
Bent u bereid in toekomstige communicatie over alcoholgebruik helder onderscheid te maken tussen zwaar of problematisch alcoholgebruik enerzijds en incidenteel of gematigd alcoholgebruik door volwassenen anderzijds?
Acht u het proportioneel om maatregelen te nemen die alle volwassen Nederlanders raken, terwijl de grootste maatschappelijke problemen samenhangen met problematisch gebruik, verkeersdeelname onder invloed, geweld, verslaving of overmatig drinken?
Klopt het dat het Nationaal Preventieakkoord zich oorspronkelijk vooral richtte op problematisch alcoholgebruik? Zo ja, erkent u dat het huidige advies van de Gezondheidsraad een verschuiving betekent van het bestrijden van problematisch gebruik naar het ontmoedigen van alcoholgebruik als zodanig?
Deelt u de mening dat beleid tegen problematisch alcoholgebruik iets wezenlijk anders is dan beleid dat erop gericht is om alcoholgebruik in brede zin uit het normale maatschappelijke leven terug te dringen?
Bent u bereid om in uw reactie op het advies expliciet in te gaan op de gevolgen voor horeca, slijterijen, supermarkten, brouwerijen, wijnhandelaren, evenementen, sportverenigingen en lokale gemeenschappen?
Is onderzocht wat de economische gevolgen zijn van hogere accijnzen, verkoopbeperkingen, reclameverboden of neutrale verpakkingen voor Nederlandse ondernemers? Zo nee, bent u bereid dit eerst te laten onderzoeken voordat nieuwe maatregelen worden overwogen?
Bent u bereid om bij iedere voorgenomen maatregel niet alleen gezondheidseffecten, maar ook effecten op vrijheid, ondernemerschap, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving en sociale cultuur in kaart te brengen?
Erkent u dat prijsverhogingen via accijnzen relatief zwaar kunnen neerslaan bij mensen met lagere inkomens, terwijl het gedragseffect onzeker kan zijn?
Bent u bereid om af te zien van verdere accijnsverhogingen op alcohol zolang niet overtuigend is aangetoond dat zulke verhogingen daadwerkelijk leiden tot minder problematisch gebruik in plaats van vooral tot lastenverzwaring, grenseffecten en ontwijkgedrag?
Hoe voorkomt u dat verdere alcoholaccijnzen leiden tot meer aankopen over de grens, illegale handel of thuisproductie?
Acht u het wenselijk dat alcohol mogelijk alleen nog via slijterijen verkrijgbaar zou zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de vrijheid van ondernemers en consumenten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet voornemens is alcohol uit supermarkten te weren?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet neutrale verpakkingen voor alcoholische dranken wil invoeren, vergelijkbaar met tabaksproducten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet gezondheidswaarschuwingen op alcoholverpakkingen wil invoeren die vergelijkbaar zijn met waarschuwingen op tabaksproducten?
Deelt u de mening dat alcohol cultureel, sociaal en historisch een andere plaats inneemt dan tabak, en dat het daarom onwenselijk is om alcoholbeleid simpelweg langs dezelfde lijn als tabaksbeleid te ontwikkelen?
Welke andere producten of gedragingen zouden volgens dezelfde redenering van «geen veilige ondergrens» in aanmerking komen voor denormalisering door de overheid?
Als de redenering is dat ieder gezondheidsrisico een reden kan zijn voor ontmoediging, welke principiële begrenzing hanteert het kabinet dan nog om te voorkomen dat steeds meer vormen van normaal leven onder preventiebeleid worden gebracht?
Deelt u de mening dat volksgezondheid belangrijk is, maar niet het enige hoogste doel van de staat kan zijn, omdat vrijheid, verantwoordelijkheid, traditie, gemeenschapsleven en levensvreugde óók publieke waarden zijn?
Bent u bereid om in de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad niet alleen een medische en preventieve afweging te maken, maar ook een principiële afweging over vrijheid, proportionaliteit en de rol van de overheid in het privéleven van burgers?
Kunt u toezeggen dat de Kamer geen maatregelenpakket ontvangt waarin alcoholbeleid via een technocratische gezondheidslogica wordt doorgevoerd zonder expliciet politiek debat over de vraag of de overheid zich überhaupt met dit soort keuzes van volwassen burgers moet bemoeien?
Bent u bereid om afstand te nemen van het uitgangspunt dat alles wat ongezond kan zijn door de overheid moet worden ontmoedigd?
Kunt u bevestigen dat volwassen Nederlanders uiteindelijk zelf verantwoordelijk blijven voor de vraag of zij bij een diner, verjaardag, bruiloft, voetbalwedstrijd, dorpsfeest, festival of vrijdagmiddagborrel een glas alcohol willen drinken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóórdat het kabinet een inhoudelijke reactie op het advies van de Gezondheidsraad aan de Kamer stuurt?
Het behoud van bestaande studentenhuizen |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groningse studenten luiden noodklok bij gemeenteraad: «Laat studentenhuizen bestaan»»?1
Deelt u de zorg dat in een tijd van grote kamernood niet alleen nieuwe studentenwoningen moeten worden gebouwd, maar ook bestaande studentenkamers en studentenhuizen behouden moeten blijven?
Herkent u dat bestaande studentenhuizen kunnen verdwijnen door de combinatie van gemeentelijk verkameringsbeleid, vergunningplichten voor kamerverhuur en een strikte uitleg van het begrip «één huishouden»?
Hoe beoordeelt u dat een studentenhuis waar bewoners al meerdere jaren via een gezamenlijke woonvorm samenleven, verantwoordelijkheid nemen voor beheer en leefbaarheid en volgens hen geen overlast veroorzaken, toch kan worden aangemerkt als onvergunde kamerverhuur?
Vindt u het wenselijk dat regels die bedoeld zijn om overlast, druk op wijken en slecht verhuurderschap tegen te gaan, in de praktijk ook goed functionerende studentenhuizen kunnen raken?
Welke ruimte hebben gemeenten om onderscheid te maken tussen problematische kamerverhuur enerzijds en bestaande studentenhuizen, waar aantoonaar geen of weinig sprake is van overlast, onveiligheid of slecht verhuurderschap?
Bent u bereid te onderzoeken of gemeenten aanvullende ruimte nodig hebben om bestaande studentenhuizen vaker te kunnen behouden of legaliseren, bijvoorbeeld via maatwerk?
Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten te stimuleren om bij bestaande studentenhuizen eerst te kijken naar legalisatie en maatwerk, voordat wordt overgegaan tot beëindiging van bewoning?
Bent u bereid samen met studentensteden, studentenorganisaties, corporaties en particuliere verhuurders te werken aan een «ja, mits»-benadering, waarbij goede studentenhuizen behouden blijven en nieuwe initiatieven worden aangejaagd, terwijl gericht wordt opgetreden tegen overlast, onveiligheid en slecht verhuurderschap?