De kopgroep die is gevormd met Duitsland, Denemarken, Griekenland, Oostenrijk en Nederland om “terugkeerhubs” te installeren in het buitenland |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u het besluit genomen om deel te nemen aan deze kopgroep voor terugkeerhubs buiten de EU?
Voorafgaand aan de informele JBZ-Raad in januari kwamen Denemarken, Griekenland, Oostenrijk en de Europese Commissie op initiatief van Duitsland en Nederland bijeen voor een overleg over innovatieve oplossingen1. Daar is afgesproken om met deze groep een gezamenlijke verkenning naar mogelijke terugkeerhubs te starten. De bijeenkomst, en marge van de JBZ-raad op 5 en 6 maart jl., was de tweede bijeenkomst op Ministersniveau in dit verband.
Waarom heeft u de Kamer niet voorafgaand de JBZ-Raad over dit voornemen geïnformeerd zodat hier tijdens het debat voorafgaand aan de JBZ-Raad over gesproken kon worden?
Nederland ontving de uitnodiging voor deelname aan deze vervolgbijeenkomst na verzending van de geannoteerde agenda van de Raad. In het commissiedebat van maart heb ik evenwel melding gemaakt van de continuering van de Nederlandse deelname aan deze kopgroep.
Waarom informeert u de Kamer niet na dit besluit onmiddellijk per brief, en moet de Kamer dit via de media vernemen?
De Kamer is per verslagen geïnformeerd over de stand van zaken omrent deze kopgroep. In het verslag van de informele JBZ-raad van januari is de Kamer geïnformeerd over de eerste bijeenkomst met deze groep landen. Per verslag van de formele JBZ-raad in maart is de Kamer geïnformeerd over de vervolgbijeenkomst.
Zijn er al landen in beeld voor deze terugkeerhubs? Zijn er landen geïnteresseerd om terugkeerhubs te huisvesten en wat zou daar dan eventueel tegenover staan?
Ten aanzien van de gezamenlijke verkenning om een terugkeerhub op te zetten spraken de lidstaten af om gecoördineerd in dialoog te gaan met mogelijke partnerlanden. Het betreft hier een zorgvuldig diplomatiek proces waarbij het doel een duurzaam en wederkerig partnerschap is. Gezien de diplomatieke vertrouwelijkheid van dit proces, zowel richting gelijkgezinde EU-lidstaten als richting eventuele partners, kan het kabinet geen uitspraken doen over partners die overwogen worden. Uw Kamer wordt daar over geïnformeerd via de gebruikelijke weg.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat mensenrechten in deze terugkeerhubs geborgd zijn? Kunt u dat altijd garanderen?
Het is noodzakelijk dat de uitwerking van de terugkeerhub zorgvuldig gebeurt en in overeenstemming geschiedt met de mensenrechtelijke verplichtingen die volgen uit EU-recht en internationaal recht/mensenrechtenverdragen, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Het kabinet zal continu aandacht houden voor het waarborgen van de (mensen)rechten van de vreemdelingen en het voorkomen van schending van non-refoulement beginsel. Deze elementen zullen dus ook een voorwaarde zijn bij de uitwerking en implementatie. De kopgroep en het kabinet staan nauw in contact met de Europese Commissie en internationale organisaties, zoals de Internationale Organisatie voor Migratie en de VN-Vluchtelingen-organisatie (UNHCR), over de vormgeving van de terugkeerhub.
Is deze kopgroep geen lege huls zolang er geen landen in beeld zijn die interesse hebben om een terugkeerhub te huisvesten met strikte naleving van mensenrechten?
De kopgroep dient om de mogelijkheden voor een terugkeerhub gezamenlijk te verkennen en is daarmee een startpunt voor het daadwerkelijk realiseren ervan. Onderdeel van deze verkenning is vanzelfsprekend het spreken met verschillende landen buiten de EU die mogelijk interesse hebben in een daadwerkelijk duurzaam en wederkerig samenwerkingsverband. Zoals hierboven vermeld, is het voor Nederland belangrijk dat de invulling van de terugkeerhub in lijn is met EU- en internationaal recht, in het bijzonder met de mensenrechten, en zal dat dus ook een voorwaarde zijn van de uitwerking en implementatie met een partnerland.
Kunt u garanderen dat er nu niet naar Oeganda wordt gekeken zoals in het coalitieakkoord staat?
Het kabinet beraadt zich momenteel op de te nemen stappen met betrekking tot Oeganda, ook in het licht van de verkiezingen aldaar.
Kunt u toezeggen dat de Kamer op de hoogte wordt gehouden wanneer er onderhandelingen met een specifiek derde land worden aangegaan en vervolgens gedurende het onderhandlingsproces?
De Kamer zal zoals gebruikelijk over de voortgang van het werk van de kopgroep worden geïnformeerd, met de aantekening dat dit diplomatiek gevoelige processen betreft. Daarom kan de Kamer ook door middel van vertrouwelijke technische briefings geïnformeerd over de stand van zaken van migratiepartnerschappen per land. Dit is het meest recent op 11 september 2025 gebeurd.
Kunt u garanderen dat een overeenkomst met een derde land altijd ter ratificatie aan de Kamer wordt voorgelegd?
Op dit moment wordt het concept van de terugkeerhub nog nader uitgewerkt. Datzelfde geldt voor de modaliteiten van afspraken die met derde landen zouden kunnen worden gemaakt.
Kunt u toezeggen dat ngo's en het maatschappelijk middenveld betrokken worden bij het vooraf in kaart brengen van de mensenrechtensituatie in een derde land?
Terugkeer- en transithubs worden uitgewerkt met nadrukkelijke aandacht voor het adequaat borgen van mensenrechten van de betrokken migranten, in lijn met internationaal en EU-recht. De mensenrechtensituatie in derde landen wordt doorlopend gemonitord door NL vertegenwoordigingen ter plaatse. Het kabinet is bovendien doorlopend in gesprek met maatschappelijk middenveld, ook over innovatieve oplossingen.
Kunt u garanderen dat mensen niet jarenlang in een terugkeerhub vast blijven zitten? Worden er maximumtermijnen voor de vrijheidsbeperkende omgeving afgesproken?
De invulling van de terugkeerhub moet, ook als een vrijheidsbeperkende maatregelen daar onderdeel van is, ten allen tijde in lijn zijn met EU en internationaal recht. Binnen deze kaders zijn de precieze modaliteiten van een terugkeerhub samenwerking afhankelijk van de uiteindelijke afspraken die worden gemaakt met het partnerland.
Wat gebeurt er met de mensen in de terugkeerhub als het niet lukt om ze terug te sturen naar een herkomstland?
Dat is afhankelijk van de uiteindelijke afspraken die worden gemaakt met het partnerland.
Behandeling van migranten in de terugkeerhub dient altijd in lijn te zijn met het internationaal en EU-recht.
Bent u van mening dat het uitzetten van mensen naar terugkeerhubs zal leiden tot een verhoging van het aantal mensen dat terugkeert naar het land van herkomst? Zo ja, waar concludeert u dat uit?
Het kabinet streeft naar een effectief, humaan en toekomstbestendig asiel- en migratiesysteem. Het doel is uiteindelijk dat asielprocedures buiten Europa worden ingediend en afgehandeld en dat geen asielprocedures in Nederland meer plaatsvinden. Dit kabinet wil concrete eerste stappen zetten in de richting van dit einddoel en wil hier mee aan de slag. Dat is een weg van de lange adem. De verkenning en uiteindelijke operationalisering van de terugkeerhub kan hier onderdeel van zijn van deze eerste stappen. Daarnaast beoogt de transit hub als maatregel terugkeer te realiseren van vertrekplichtige vreemdelingen, en is een uitbreiding van het instrumentarium van EU lidstaten en Nederland om terugkeer te effectueren. De ontwikkeling van de terugkeerhub draagt daarom bij aan het doel om het EU asiel en migratiesysteem te versterken.
Het voorkomen en herkennen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meerdere aangiftes van seksueel wangedrag op zorgboerderij?»1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoeveel klachten zijn er sinds 2025 ontvangen door klachtenfunctionarisseren, uitgesplitst per zorgaanbieder, over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg? Hoeveel meldingen hebben geleid tot aangifte?
Er zijn geen cijfers bekend over het aantal klachten dat in 2025 is ontvangen door klachtenfunctionarissen over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg. Seksueel overschrijdend gedrag moet door de zorgaanbieder wel altijd gemeld worden bij de IGJ. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 ontvangen door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg? Hoeveel meldingen hebben geleid tot aangifte?
Sinds 2025 heeft de IGJ circa 100 meldingen ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg. Hoeveel meldingen hebben geleid tot een aangifte is bij de IGJ niet bekend.
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan door cliënten en zorgpersoneel van grensoverschrijdend gedrag in de hele zorgsector, uitgesplitst per sector en uitgesplitst per vorm waarin de zorg wordt geleverd?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de meldingen die de IGJ heeft ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag per 2025, uitgesplitst naar zorgsector en afgerond op tientallen. Een nadere uitsplitsing per zorgvorm is niet beschikbaar.
Eerstelijnszorg
50
Geestelijke Gezondheidszorg (dit jaar inclusief Zorg aan Justitiabelen)
80
Gehandicaptenzorg
100
Jeugd
70
Medisch Specialistische Zorg
10
Publieke gezondheidszorg
<5
Verpleging en Verzorging
30
Hoeveel zorgaanbieders hanteren momenteel een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners?
Alle zorgaanbieders die zorg verlenen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) moeten op grond van het Uitvoeringsbesluit wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van de zorgverleners die zorg verlenen aan hun cliënten. Die VOG-verplichting geldt binnen de Wlz ook voor andere personen die beroepsmatig in contact kunnen komen met de cliënten. Het voorgaande geldt ook voor zorgaanbieders die geestelijke gezondheidszorg verlenen met de mogelijkheid tot verblijf. Voor andere zorgaanbieders geldt dat het afhankelijk is van de individuele zorgaanbieder of een VOG wordt verlangd van zorgverleners. Een VOG verlangen is mogelijk, maar is geen wettelijke verplichting.
Wat zijn de kosten van invoering van een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners? Welke gevolgen heeft een dergelijke algemene verplichting voor de administratieve lasten?
De totale kosten van een zorgbrede VOG-verplichting voor alle zorgverleners zouden aanzienlijk zijn, gezien het grote aantal zorgverleners in de sector. Naast financiële kosten zijn ook de uitvoeringsconsequenties van belang, met name voor screeningsautoriteit Justis en zorgaanbieders. De uiteindelijke kosten hangen bovendien sterk af van de invoering, bijvoorbeeld of de verplichting geldt voor nieuwe en/of zittende medewerkers en of deze eenmalig of periodiek wordt uitgevoerd. De financiële kosten en administratieve lasten van een uitbreiding van de VOG-verplichting moeten natuurlijk in verhouding staan tot het beoogde doel: het verkleinen van veiligheidsrisico's en het waarborgen van de integriteit binnen organisaties.
Hoeveel cliënten in de gehandicaptenzorg ontvangen momenteel zorg vanuit een persoonsgebonden budget (pgb) en hoeveel cliënten ontvangen zorg in natura?
Er zijn circa 133.000 cliënten met een zorgprofiel behorend bij de gehandicaptenzorg met gebruik van naturazorg, pgb of een combinatie van naturazorg en pgb (gemeten op peilmoment, 2024). Daarvan hadden er 105.300 naturazorg, 41.500 pgb en 13.800 een combinatie van naturazorg en pgb2.
Hoeveel pgb-gefinancierde wooninitiatieven zijn er in de gehandicaptenzorg? Wanneer kan het transparantieregister van pgb-wooninitiatieven verwacht worden?
Het exacte aantal pgb-gefinancierde wooninitiatieven in de gehandicaptenzorg is niet bekend. Wel is bekend dat medio 2025 6.170 pgb-houders met een zorg-profiel in de gehandicaptenzorg een wooninitiatieventoeslag ontvingen3. Als wordt uitgegaan van gemiddeld 12 bewoners per wooninitiatief komt dit neer op circa 500 pgb-gefinancierde wooninitiatieven in de gehandicaptenzorg. Samen met de IGJ, Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en het CIBG werk ik aan de ontwikkeling van een transparantieregister voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Het is de bedoeling dat het register automatisch wordt samengesteld door gebruik te maken van de vragenlijsten van Meldplicht, Vergunningplicht en Openbare Jaarverant-woording. Hiervoor moeten deze vragenlijsten worden aangepast, zodat hieruit eenduidig kan worden afgeleid wanneer er bij een zorgaanbieder sprake is van een wooninitiatief. Deze informatie wordt verder aangevuld met gegevens van zorgkantoren.
Om dit alles te realiseren zijn zowel technische als juridische aanpassingen nodig. Met name het aanpassen van regelingen en het creëren van een vereiste grondslag voor gegevensuitwisseling kost tijd. Ik streef ernaar het register zo spoedig als mogelijk operationeel te hebben. Daarbij wordt verkend of het een optie is het register in fasen te vullen en beschikbaar te stellen, waarbij een steeds completer beeld ontstaat. Als blijkt dat dit mogelijk is, kan een eerste versie wellicht eind dit jaar beschikbaar zijn.
Wat is de stand van zaken van het door zorgaanbieders «beter in staat zijn van het herkennen en signaleren van seksueel grensoverschrijdend gedrag»? Op welke wijze worden zorgaanbieders gestimuleerd om te werken aan deze bewustwording en preventie, in het bijzonder als het gaat om cliënten met moeilijk verstaanbaar gedrag of die niet verbaal kunnen aangeven wat zij ervaren? Zijn er concrete veranderingen te zien?2
De inspectie ziet dat zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg zich blijvend inspannen om het beleid verder te verbeteren. De inspectie ziet daarnaast een positieve ontwikkeling als het gaat om doorontwikkeling van het beleid. Zo is het bij veel zorgaanbieders aantoonbaar beleid om het thema gezonde seksuele ontwikkeling (vriendschap, relaties, intimiteit en seksualiteit) onderdeel te laten zijn van de methodische begeleiding van cliënten, als dat mogelijk is. Ook hebben veel zorgaanbieders de pijlers van de Veilige Zorgrelatie ingevoerd of werken zij daaraan.
De regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld heeft samen met de gehele zorgsector, waaronder het domein gehandicaptenzorg, in juni 2025 een zorgmanifest gepresenteerd op een zorgbreed congres tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit manifest is inmiddels door 40 branche- en beroepsverenigingen ondertekend.
Ter opvolging van dit manifest heeft de regeringscommissaris op 17 december 2025 een bestuurlijk overleg georganiseerd ten behoeve van bestuurlijke inzet op het ontwikkelen van ideeën tot concrete plannen van aanpak. Op 28 mei a.s. wordt er een bestuurlijk vervolg op georganiseerd. De plannen van aanpak per zorgdomein zijn dan verder uitgewerkt en de eerste ideeën in gang gezet.
De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland heeft daarnaast een handreiking «Sturen op aanpak seksueel misbruik» met praktische handvatten en aanbevelingen voor zorgorganisaties om de preventie en aanpak van seksueel misbruik te organiseren. Deze handreiking wordt momenteel herschreven. De herziene handreiking beschrijft wijzigingen in wet- en regelgeving, bevat veel achtergrondinformatie en ondersteunt organisaties bij het uitwerken van hun eigen interne beleid en procedures ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting cliënten.
Over hoeveel inspecteurs beschikt de IGJ momenteel? Hoeveel bezoeken heeft de IGJ sinds 2025 afgelegd aan pgb-gefinancierde wooninitiatieven, zoals zorgboerderijen?
Er werken 470 inspecteurs bij de IGJ. Hiermee houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de gehele gezondheidszorg, jeugdhulp, farmaceutische producten en medische hulpmiddelen. Binnen de afdeling gehandicaptenzorg werken 28 inspecteurs.
De IGJ heeft vanaf 2025 229 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandicaptenzorg. Daaronder zijn ook pgb-gefinancierde wooninitiatieven. De financieringsvorm maakt echter geen deel uit van de risico informatie voorafgaand aan een bezoek. Daarom is geen exact antwoord te geven op de vraag hoeveel van de bezochte zorgaanbieders pgb-gefinancierd zijn. In haar toezicht en de ingezette toetsingskaders maakt de inspectie evenwel geen onderscheid tussen pgb- zorg en zorg in natura.
Verder ziet de IGJ veel mengvormen: aanbieders die zowel pgb-gefinancierd zijn, als zorg in natura leveren en ook door de Wmo gefinancierd zijn. Deze aanbieders bieden vaak zorg aan cliënten met uiteenlopende zorgvragen (gehandicaptenzorg, ggz, jeugd, ouderenzorg).
Beschikt de IGJ inmiddels over gespecialiseerde inspecteurs voor intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, zoals verzocht in de motie-Westerveld? Zo ja, hoeveel inspecteurs zijn er inmiddels? Zo nee, waarom niet?3
Ja, de inspectie beschikt over inspecteurs die toezichthouden op aanbieders voor intramurale gehandicaptenzorg, waaronder pgb-wooninitiatieven. Binnen de afdeling Gehandicaptenzorg (GHZ) werken momenteel 28 inspecteurs.
Naar aanleiding van de bovengenoemde motie-Westerveld en de Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» (Toekomstagenda) is de capaciteit van de afdeling GHZ tijdelijk uitgebreid met 8 fte waarvan 6 inspecteurs. De huidige bezetting van 28 fte is inclusief die 6 inspecteurs.
Zijn er inmiddels gespecialiseerde vertrouwenspersonen voor de intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, zoals verzocht in de motie-Westerveld? Zo ja, hoeveel vertrouwenspersonen zijn er? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen zicht op het type vertrouwenspersonen werkzaam in de intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, noch heb ik zicht op het aantal vertrouwenspersonen werkzaam in de sector.
Mijn ambtsvoorganger is in 2024 in gesprek gegaan met de sector over cliënt-vertrouwenspersonen Wet zorg en dwang (Wzd). Hierover is aan uw kamer gerapporteerd in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda in 20246.
Welke concrete stappen zijn er sinds de antwoorden van uw ambtsvoorganger uit 2024 gezet om zicht te krijgen op de omvang van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg en om een gerichte aanpak in te zetten?
Met middelen uit de Toekomstagenda is de capaciteit van de IGJ fors uitgebreid (26%) met zes extra inspecteurs specifiek voor de gehandicaptenzorg.
Voor de inspectie heeft het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag zowel in 2025 als 2026 in de gehandicaptenzorg aandacht in het toezicht. De inspectie beoordeelt of zorgaanbieders voldoende doen om (toekomstige) cliënten te beschermen tegen (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dit doet zij in zowel het risico-gestuurde toezicht als in het incidententoezicht. Zorgaanbieders worden daarnaast gestimuleerd om zelf hun beleid te beoordelen. De inspectie beoogt hiermee het bewustzijn binnen de sector te vergroten7.
Om beter zicht te krijgen op pgb-gefinancierde wooninitiatieven is er een transparantieregister in ontwikkeling. Ten slotte rapporteer ik hierover in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda die uw Kamer op korte termijn ontvangt.
Vrouwen die dakloos raken door huiselijk geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Boekholt-O’Sullivan , David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met aflevering 4 van de NTR-podcast «Waar slaap je» waarin verhalen gedeeld worden van vrouwen die door huiselijk geweld dakloos raken?1
Ja.
Herkent u de signalen dat er in Nederland vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld? Deelt u de mening dat deze groep vrouwen momenteel tussen wal en schip valt, omdat zij enerzijds niet in aanmerking komt voor opvang of urgentie en anderzijds niet financieel in staat is om duurzame huisvesting te bekostigen? Zo ja, welke maatregelen bestaan er momenteel voor deze groep en acht u die toereikend?
Het is mij bekend dat sommige vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld. Dit is zorgwekkend en onwenselijk. Gemeenten hebben een breed ambulant aanbod vanuit de Wmo 2015 en Jeugdwet, gericht op het voorkomen van escalatie van sociale problematiek en situaties van onveiligheid. Indien een situatie onhoudbaar blijkt, kan opvang nodig zijn. Bij zowel de vrouwenopvang (VO) als de maatschappelijke opvang (MO) is sprake van wachtlijsten en tekorten, mede vanwege schaarste op de woningmarkt en personele tekorten. Dit betekent dat gemeenten moeten afwegen wie zij kunnen helpen. Ik herken de signalen dat gemeenten een strenger toegangsbeleid hanteren om te bepalen wie toegang krijgt tot de vrouwenopvang of maatschappelijke opvang. Hoewel gemeenten er alles aan doen om dit te voorkomen, kan dit leiden tot schrijnende situaties.
Maatschappelijke opvang is een tijdelijke vorm van onderdak met begeleiding en is bedoeld voor mensen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Om te beoordelen of iemand toegang heeft tot de maatschappelijke opvang, moet een gemeente onderzoek doen of iemand zelfredzaam is en vervolgens een formeel besluit nemen. Het ontbreken van passende huisvesting op zichzelf is in de regel niet voldoende om iemand aan te merken als «niet zelfredzaam». Gemeenten zijn niet verplicht zelfredzame gezinnen toegang te geven tot de opvang, maar mogen hiertoe wel besluiten. De vrouwenopvang is bedoeld voor slachtoffers van huiselijk geweld die thuis niet meer veilig zijn en acuut hulp nodig hebben. De opvanginstelling beoordeelt aan de hand van een risicoscreening of toegang tot de vrouwenopvang noodzakelijk is of dat andere (ambulante) interventies passender zijn. Als toegang noodzakelijk is neemt de gemeente (meestal de centrumgemeenten) daartoe een formeel besluit.
Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld die dakloos raken zo snel mogelijk veilig onderdak vinden. De huidige krapte op de woningmarkt kan het snel vinden van onderdak belemmeren. Slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang komen op dit moment in aanmerking voor urgentie, wanneer de betreffende gemeente een huisvestingsverordening heeft opgesteld met daarin opgenomen een urgentieregeling. Dit betekent dat zij, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang dienen te krijgen. Vrouwen die niet in aanmerking komen voor de opvang en/of een inkomen hebben dat boven de inkomensgrens voor een sociale huurwoning ligt, krijgen niet automatisch urgentie. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting, waarmee alle gemeenten verplicht een huisvestingsverordening met urgentieregeling moeten opstellen. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in de Eerste Kamer ter behandeling. Met deze wet krijgen slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang in elke gemeente verplicht urgentie. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 3. Daarnaast blijft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zich inspannen voor verdere uitbreiding van het woningaanbod.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat vrouwen die trauma hebben opgelopen door geweld, vervolgens ook hun thuis moeten verlaten? Zo ja, kunt u toelichten of er specifiek beleid is voor deze groep en welke concrete maatregelen u neemt om deze vrouwen te helpen?
Ja, het is zorgwekkend dat vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld hun huis moeten verlaten. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang maakt dat er niet altijd gelijk een passende plek beschikbaar is. Zoals ook in de beantwoording van vraag 2 benoemd, is voor zowel slachtoffers van huiselijk geweld evenals voor dakloze personen hulp- en ondersteuningsaanbod beschikbaar. Dit aanbod bestaat enerzijds uit opvang (vrouwenopvang en maatschappelijke opvang) en anderzijds uit ambulante ondersteuning. De capaciteit van de vrouwenopvang staat onder druk. Om die reden is per 2026 structureel 12 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de uitbreiding van opvangcapaciteit. Gemeenten en opvanginstellingen zetten zich nu in om deze uitbreiding te realiseren.
Daarnaast kan op dit moment de huisvestingsverordening met daarbij urgentieregelingen op basis van de Huisvestingswet 2014 worden ingezet door gemeenten voor de versnelde huisvesting van deze doelgroep. Gemeenten zijn momenteel nog niet verplicht een huisvestingsverordening op te stellen. Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting dient iedere gemeente een huisvestingsverordening op te stellen, waarmee vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld en uitstromen uit een vrouwenopvang worden aangemerkt als een verplichte urgentiecategorie. Dit betekent dat zij met voorrang gehuisvest dienen te worden door gemeenten. De verplichte urgentie geldt ook voor mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang en (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen.
Kunt u aangeven hoeveel personen er (gemiddeld) per jaar ten gevolge van partnergeweld noodgedwongen hun huis moeten verlaten? Indien exacte gegevens ontbreken, kunt u een schatting geven? Bent u bereid om de aantallen in beeld te brengen?
Er wordt niet landelijk bijgehouden hoeveel personen als gevolg van partnergeweld hun woning noodgedwongen moeten verlaten. Wel is er de afgelopen jaren gewerkt aan beter onderzoek naar dakloosheid en de capaciteit van de vrouwenopvang, wat ervoor zorgt dat de groep beter in beeld is. In de regionale ETHOS-tellingen wordt in regionale rapportages gerapporteerd over de aanleiding van de dakloosheid. Huiselijk geweld is hierin opgenomen als één van de mogelijke aanleidingen. Dit percentage verschilt per regio. Daarnaast bestaat er met de monitor Veilige Opvang van de VNG en Valente een beeld van het aantal slachtoffers dat gebruik maakt van de vrouwenopvang.
Welke concrete aanvullende acties zijn er geweest of maatregelen genomen sinds de presentatie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, waarin vrouwen alsmede mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke aandachtsgroepen worden genoemd?
Vrouwen, mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld zijn in het Nationaal Actieplan Dakloosheid niet opgenomen als specifieke aandachtsgroep ten opzichte van andere dakloze mensen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid richt zich op alle mensen in Nederland die dakloos raken.
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen in steeds meer regio’s beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in het woningbouwbeleid en de acties om dakloosheid tegen te gaan. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) daklozen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentie categorie op grond van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Dit betekent dat zij met voorrang recht hebben op een woning.
Hoe wordt in beleid rekening gehouden met de gevolgen van (dreigende) dakloosheid voor kinderen die met hun moeder moeten meeverhuizen of in instabiele woonsituaties terechtkomen?
Volgens het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), moet bij alle maatregelen betreffende kinderen, het belang van het desbetreffende kind als eerste in overweging worden genomen (artikel 3). Daarnaast moet volgens artikel 9 gewaarborgd worden dat een kind niet wordt gescheiden van diens ouders, tenzij dit in het belang van het kind is. Gemeenten hebben de verplichting deze rechten te waarborgen.
In algemene zin ben ik van mening dat gemeenten de totale gezinssituatie in ogenschouw moeten nemen bij de beoordeling van huisvestings- en opvangvraagstukken. Dat betekent onder andere dat gemeenten zich rekenschap moeten geven van het belang van een betrokken kind in de algehele belangenafweging ten behoeve van de beoordeling van urgentieverklaringen. Het is aan gemeenten om in een concreet geval een gedegen afweging te maken. Daarnaast worden (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen een verplichte urgentiecategorie met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, zoals in het antwoord op vraag 3 is vermeld.
Deelt u de mening dat het gewenst is dat slachtoffers van partnergeweld zo snel mogelijk een veilig dak boven het hoofd moeten krijgen in de vorm van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of urgentie op een (sociale) huurwoning, ongeacht de gemeente waar zij wonen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit bewerkstelligen? Welke (financiële) knelpunten ziet u hierbij en welke rol is hierin weggelegd voor de rijksoverheid in de ondersteuning van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. Slachtoffers van huiselijk geweld die thuis niet meer veilig zijn door hoge veiligheidsrisico’s en wie acuut hulp nodig hebben, kan een plek in de vrouwenopvang worden geboden. Op dit moment wordt gewerkt aan capaciteitsuitbreiding van deze opvang, zie ook het antwoord op vraag 3. Voor slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang naar een woning geldt op dit moment al dat, als een gemeente een urgentieregeling vaststelt, deze groep wordt aangemerkt als een urgente groep en met voorrang moet worden gehuisvest. Ook mag een gemeente tegen deze groep geen bindingseisen opwerpen; een slachtoffer moet in alle gemeenten urgentie kunnen aanvragen. Het aantoonbaar hebben van binding met de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend is dus geen voorwaarde voor het verkrijgen van urgentie. Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting verplicht elke gemeente over een huisvestingsverordening te beschikken met daarin tenminste een urgentieregeling opgenomen. Dit betekent dat deze slachtoffers in alle gemeenten in aanmerking komen voor urgentie op een huurwoning ongeacht de gemeente waar zij wonen of zijn opgevangen. Ik hecht eraan te benadrukken dat het van belang is dat slachtoffers van huiselijk geweld snel zicht krijgen op huisvesting. Dat vraagt van gemeenten ook om goede afspraken met buurgemeenten of andere woningmarktregio’s te maken, zodat snelle huisvesting gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld ook in een andere regio dan waar het slachtoffer binding mee heeft. Op dit moment werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening de regeling hierover verder uit. Deze aspecten krijgen daar ook een plek in. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 3.
Herkent u de (financiële) knelpunten bij blijf-van-mijn-lijf locaties, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en privacy van dergelijke locaties? Bent u ook bekend met voorbeelden van locaties waar dit juist heel goed is ingericht, zoals in de gemeente Den Bosch? Hoe kijkt u naar dergelijke voorbeelden en hoe kijkt u naar de mogelijkheid voor minimumrichtlijnen voor kwaliteit en privacy? Welke financiering zou nodig zijn voor de invoering van dergelijke richtlijnen?
Binnen de vrouwenopvang wordt op dit moment al gewerkt met diverse kwaliteitskaders en overkoepelende afspraken. Een voorbeeld is het Keurmerk «Veiligheid in de Vrouwenopvang». Dit is een kwaliteitskeurmerk dat kwaliteit en veiligheid van de opvang waarborgt. Onderdeel van dit keurmerk is bijvoorbeeld het normenkader, waarin normen zijn opgenomen waarop de opvangorganisaties worden getoetst. Gemeenten en opvangorganisaties werken met dit keurmerk en hechten groot belang aan de veiligheid en de kwaliteit van ondersteuning van slachtoffers van huiselijk geweld. Er bestaat breed draagvlak voor het gebruik van beschikbare (normen)kaders.
Herkent u het beeld dat slachtoffers van partnergeweld die niet in aanmerking komen voor sociale huur, noodgedwongen zijn aangewezen op dure particuliere of middenhuurwoningen, waardoor zij juist na een gewelddadige relatie in ernstige financiële problemen of schulden terechtkomen?
Ik herken het beeld dat slachtoffers van partnergeweld veelal behoefte hebben aan een snelle oplossing voor hun situatie en dat daaraan niet altijd op korte termijn tegemoet kan worden gekomen door een sociale huurwoning. Het creëren van gelijke kansen voor kwetsbare woningzoekenden in iedere gemeente is één van de aanleidingen geweest voor het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. Met het verplichten van een huisvestingsverordening met daarin een urgentieregeling voor verplichte groepen, komen urgent woningzoekenden overal in Nederland in aanmerking voor urgentie. Of een slachtoffer van partnergeweld vervolgens in financiële problemen of schulden terecht komt, is afhankelijk van meerdere factoren en de individuele situatie van de persoon. Het ondersteuningsaanbod dat hiervoor beschikbaar is, is beschreven in vraag 10. Zoals ook in het antwoord op vraag 3 genoemd wordt door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening sterk ingezet op het vergroten en beter benutten van de woningvoorraad. Ook dit zal bijdragen aan snellere oplossingen voor slachtoffers van partnergeweld.
Herkent u dat deze financiële problematiek vaak wordt verergerd doordat dwingende controle, financieel geweld en lopende juridische procedures (zoals alimentatiegeschillen, omgangsregelingen of verdeling van bezittingen) nog lange tijd voortduren na de scheiding? Welke gevolgen heeft dat volgens u voor de bestaanszekerheid en veiligheid van deze vrouwen?
Het is bekend dat huiselijk geweld voor slachtoffers kan leiden tot financiële problematiek, bijvoorbeeld wanneer sprake is van dwingende controle, financieel of economisch geweld. Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld informatie en passende ondersteuning ontvangen, bijvoorbeeld gericht op het oplossen van financiële problematiek en het versterken van de bestaanszekerheid.
Femmes for Freedom heeft materialen gemaakt voor vrouwen in deze situatie, zoals een geldboekje en een flyer over financiële zelfredzaamheid, en informatie voor hulpverleners3.
Op verschillende manieren wordt ingezet op het ondersteunen van vrouwen in deze situatie. In het algemeen ondersteunt het Ministerie van SZW in het kader van het versterken van het recht op zelfbeschikking de financiële zelfbeschikking van vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen (zoals bepaalde migrantengroepen) en/of afhankelijkheidssituaties, onder andere via een project van Diversion met migrantenvrouwenorganisaties en via een pilot met Single Super Mom. Ook werken diverse ministeries samen aan de versterking van sociaaljuridische en financiële dienstverlening (zoals Sociaal Raadslieden en Juridische loketten); deze wordt ook beter vindbaar gemaakt via de website www.sociaaljuridischekaart.nl. In enkele steden zijn vrouwenrechtswinkels opgezet. SZW ondersteunt bijvoorbeeld de vrouwenrechtswinkel van Femmes for Freedom in Utrecht. Vrouwen in kwetsbare situaties kunnen daar terecht voor gratis juridisch en financieel advies. De vrouwenrechtswinkel helpt ook bij doorverwijzing naar de juiste lokale (hulp)instanties.
Verder is informatie over geldzaken en levensgebeurtenissen beschikbaar via Geldfit, het Nibud, Wijzer in geldzaken en Overheid.nl. Via Geldfit zijn ook lokale hulproutes bij geldzorgen te vinden, zoals de gemeente en vrijwilligers, die mensen ondersteunen bij geldvragen. Geldfit en vrijwilligers helpen met de potjescheck, waarmee mensen kunnen nagaan waar ze recht op hebben. Binnenkort zal een pagina over wat te doen bij (dreigende) dakloosheid worden toegevoegd aan de Geldfitwebsite. De Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) heeft recent een werkwijzer gemaakt voor gemeenten over financiële hulp aan mensen die (dreigend) dakloos zijn en welke regelzaken hun financiële redzaamheid kunnen bevorderen4.
In hoeverre houden de huidige urgentiecriteria voor huisvesting naar uw mening rekening met de cumulatie van partnergeweld, financieel geweld en schuldenproblematiek, ook wanneer iemand formeel boven inkomensgrenzen uitkomt? Zo nee, waarom niet?
Ik herken dat slachtoffers van huiselijk geweld vaak te maken hebben met complexe problematiek. Daarom is het belangrijk dat deze groep recht heeft op urgentie voor huisvesting. Uitstroom naar een woning op een veilige plek is een belangrijke voorwaarde voor herstel. Zoals in het antwoord op vraag 3 en 7 is omschreven, hebben slachtoffers van huiselijk geweld die uitstromen uit de vrouwenopvang of waarvoor door de gemeente een beschikking is afgegeven recht op urgentie voor huisvesting, als de gemeente een huisvesteringverordening en urgentieregeling heeft. Door woningcorporaties wordt rekening gehouden met de financiële situatie van deze slachtoffers bij het toewijzen van de sociale huurwoning.
Met het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting worden voor alle gemeenten uniforme voorwaarden verbonden aan de urgentieregeling.
Deze voorwaarden worden, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, opgenomen in de regeling versterking regie volkshuisvesting.
Herkent u de signalen dat er in de huidige praktijk een gat lijkt te bestaan, waarbij enerzijds wordt gezegd dat het geen veiligheidsprobleem is en anderzijds wordt gezegd dat het geen woonprobleem is, met als gevolg dat er onvoldoende regie en verantwoordelijkheid wordt genomen door betrokken organisaties en overheidslagen? Zo ja, deelt u de mening dat dit tot gevaarlijke en onwenselijke situaties kan leiden? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gat te dichten?
Het is van belang dat slachtoffers van huiselijk geweld die dakloos dreigen te raken tijdig worden ondersteund. Ik zie dat er uitdagingen bestaan voor deze doelgroep, zoals voldoende passende huisvesting en beperkte capaciteit in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang. Het Rijk ondersteunt gemeenten door bijvoorbeeld betaalbare woningbouw te stimuleren en middelen beschikbaar te stellen voor de uitbreiding van het aantal plekken in de vrouwenopvang. Ten aanzien van de huisvesting legt het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting verplichtingen vast die deze groep gaan helpen bij het sneller vinden van een passende woning en daarmee kunnen werken aan verder herstel. Zoals in de voorgaande antwoorden beschreven gaat de verplichte urgentieregeling die alle gemeenten straks, met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, moeten hebben hierbij helpen. Ook het volkshuisvestingsprogramma, dat gemeenten, provincies en het Rijk moeten opstellen gaat hieraan bijdragen. Gemeenten worden hiermee gevraagd integraal beleid te maken hoe te voorzien in de woon- en zorg/ondersteuningsbehoeften van de aandachtsgroepen, waaronder (dreigend) daklozen en slachtoffers van huiselijk geweld. De bouw van woningen is niet op korte termijn gerealiseerd en vraagt lange termijn inzet. Daarom wordt ook aan tijdelijke oplossingen gewerkt, zoals de inzet van flexwoningen. De Ministeries VWS en BZK en de VNG blijven over deze vraagstukken in gesprek.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een gebrek is aan regie in gevallen waar sprake is van (dreigende) dakloosheid als gevolg van partnergeweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit op te lossen, zowel op de korte als op de lange termijn? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat slachtoffers van partnergeweld hiermee uit het zicht dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 12.
Private equity bedrijven die geld verdienen met medische keuringen. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Buitenlandse investeerder verdient aan medische keuringen: «Absurd en frustrerend»»?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten de medische keuringen worden verzorgd door een private equity-partij?
Ik beschik niet over deze gegevens. Dit wordt landelijk ook niet bijgehouden. Bij verschillende gemeentelijke taken, zoals leerlingenvervoer, urgentieverklaringen en de gehandicaptenparkeerkaart, gaat het om besluiten in de publieke sfeer waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn. Gemeenten kunnen daarbij gebruikmaken van externe medische advisering, maar zijn zelf verantwoordelijk voor de besluitvorming. Bij verordening legt de gemeente vast hoe zij hier mee omgaat en wie zij daarvoor eventueel inschakelt. De eventuele inkoop van advies geschiedt volgens het reguliere inkoopproces. Daarbij gelden altijd de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Algemene wet bestuursrecht, waaronder de zorgvuldigheidsplicht, het motiveringsbeginsel en de eisen van rechtsbescherming.
Kunt u nader toelichten of er op dit moment richtlijnen bestaan voor de bedragen die gefactureerd worden voor (telefonische) consulten voor bijvoorbeeld het herkeuren voor een gehandicaptenparkeerkaart? Zo nee, waarom niet?
Er bestaan geen landelijke richtlijnen voor de bedragen die gefactureerd worden voor (telefonische) consulten voor bijvoorbeeld het herkeuren voor een gehandicaptenparkeerkaart. Er is wel een richtlijn – de Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart van de VAV – voor de inhoudelijke keuring voor een gehandicaptenparkeerkaart.
Vindt u het wenselijk dat voor deze diensten een private equity-partij, die primair gericht is op het maken van winst, wordt gecontracteerd? Deelt u de mening dat dit onwenselijke prikkels in de hand werkt?
Dat bedrijven geld verdienen aan het uitvoeren van gemeentelijke taken is niet per definitie problematisch. Het behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten om, wanneer zij ervoor kiezen om medisch advies onderdeel te maken van de besluitvorming, de juiste partij(en) te vinden voor het uitvoeren van deze keuringen. Het kabinet ziet dat private investeerders zowel kansen als risico’s bieden voor de zorg. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Maar we moeten voorkomen dat partijen kwalitatief goede zorg ondergeschikt maken aan hun financiële positie. Bijvoorbeeld doordat partijen onnodige risico’s nemen bij bijvoorbeeld het aangaan van schulden waarbij de continuïteit in gevaar komt. Of doordat partijen bezuinigen op kwaliteit om zo kosten te besparen en zo de financiële positie te verbeteren. Gemeenten kunnen bij het contracteren van partijen aanvullende voorwaarden stellen, te denken valt bijvoorbeeld aan eisen aan de kwaliteit en bedrijfsvoering en het toepassen van een goede tariefdifferentiatie.
Deelt u de mening dat dergelijke essentiële diensten primair thuishoren in de publieke of semi-publieke sector en niet in handen zouden moeten zijn van een organisatie die primair winstgedreven is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat deze keuringen in publieke handen komt?
Het is niet verboden om als gecontracteerde partij winst te maken. Zorgaanbieders zijn van oudsher private organisaties. Winstgevendheid is daarbij noodzakelijk om te kunnen innoveren en investeren in de zorg, en noodzakelijk om onderhoud te kunnen uitvoeren. Dit komt de zorg ten goede. Wel vind ik het belangrijk dat gemeenten bij contractering duidelijke aanvullende voorwaarden stellen over de uitvoering van de opdracht, zoals bijvoorbeeld eisen aan de kwaliteit en de bedrijfsvoering en het toepassen van goede tariefdifferentiatie, maar ook over de onafhankelijkheid en deskundigheid van de keuring. Dat betekent dat financieel gewin niet de boventoon mag voeren, zoals dat wel het geval is bij partijen die gericht zijn op snel geld verdienen.
Kunt u ingaan op de wenselijkheid van hoge kosten voor dergelijke keuringen en hoe dit zich verhoudt tot de hogere kosten die mensen met een beperking of chronische ziekte al maken vanwege hun beperking of chronische ziekte?
Ik vind het onwenselijk als de kosten voor medische keuringen voor ondersteuning en voorzieningen hoog oplopen voor mensen. Daarom onderzoek ik de mogelijkheden voor de samenvoeging van verschillende landelijke indicatiestellingstrajecten. In 2026 wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het samenvoegen van de trajecten die mensen moeten doorlopen voor het aanvragen van Valys Standaard, Valys Hoog PKB, sportvervoer en de OV begeleiderskaart. Met deze samenvoeging wordt een verbetering voor de aanvrager beoogd waarbij de aanvraag voor indicatiestelling(en) meer efficiënt en minder belastend wordt voor de aanvrager, omdat er dan geen separate medische keuring en administratieve taken voor elke indicatiestelling nodig is. Ook wordt het tijdens de aanvraag meer overzichtelijk wat de ondersteuningsbehoefte is, waardoor de relevante voorzieningen in één keer kunnen worden aangevraagd.
Ook herken ik de signalen dat de tarieven voor het aanvragen van bijvoorbeeld een gehandicaptenparkeerkaart sterk uiteenlopen. Dat is vooral onderwerp van gemeentelijk beleid. Uit onderzoek blijkt een bandbreedte van € 0 tot ruim € 300 per aanvraag. De verantwoordelijkheid voor het vaststellen van leges ligt bij de gemeenteraad. Op grond van de Gemeentewet geldt als harde norm dat leges niet hoger mogen zijn dan de werkelijke kosten; gemeenten zijn vrij om onder deze norm te blijven of de kaart gratis aan te bieden, en een aantal doet dat ook. Daarnaast biedt de Regeling gehandicaptenparkeerkaart al een instrument om onnodige keuringskosten te voorkomen: in bepaalde gevallen kan de keuring achterwege blijven. Als het gaat om een stapeling van kosten zouden gemeenten op grond van artikel van de Wmo 2015 een tegemoetkoming kunnen verstrekken in aannemelijke meerkosten als gevolg van een beperking. Waar ook dat niet toereikend is, biedt de bijzondere bijstand een aanvullend vangnet.
Hoe verhouden de extra kosten die mensen met een beperking maken, zoals bijvoorbeeld voor de Gehandicaptenparkeerkaart, zich tot het VN-Verdrag voor de Rechten van personen met een handicap? Kunt u inschatten hoeveel extra kosten gemaakt worden door mensen vanwege hun beperking?
Artikel 20 van het verdrag verplicht staten ertoe doeltreffende maatregelen te nemen om de persoonlijke mobiliteit van mensen met een handicap te bevorderen op de wijze en het tijdstip van hun keuze en tegen een betaalbare prijs. De combinatie van legesmaximering op grond van de Gemeentewet, de tegemoetkomingsmogelijkheid op grond van artikel 2.1.7 Wmo 2015 en de bijzondere bijstand als vangnet vormt de Nederlandse invulling van die verplichting.
Wat betreft de bredere meerkosten heeft het kabinet in 2024 onderzoek laten uitvoeren door het NIBUD.2 Daaruit blijkt dat mensen met een beperking tussen € 1.080 en € 4.100 per jaar aan extra kosten maken vanwege hun beperking, afhankelijk van de aard en ernst van de beperking, de huishoudsituatie en de inkomenspositie. Het NIBUD stelt daarbij dat de meerkosten voor vervoer specifiek niet eenvoudig zijn vast te stellen door de grote verschillen in beperking, zorgbehoefte en reisafstanden.
Ontvangt u ook signalen van mensen, met een duidelijk zichtbare beperking zoals bijvoorbeeld een amputatie van een been, die desondanks opnieuw gekeurd moeten worden? Bent u bereid de herkeuringen zo in te richten dat alleen mensen van wie het duidelijk en aannemelijk is dat hun fysieke gesteldheid beter kan worden, herkeurd hoeven te worden?
Ik ben het met u eens dat overbodige keuringen niet zouden moeten plaatsvinden. Bij een verlenging van bijvoorbeeld de gehandicaptenkaart kan een keuring achterwege blijven indien duidelijk is dat de aanvrager nog steeds aan de voorwaarden voldoet. De gemeente beoordeelt dit aan de hand van de verstrekte actuele informatie.
Kunt u nader toelichten op basis waarvan de afweging is gemaakt dat dergelijke keuringen ook uitgevoerd mogen worden door basisartsen, die niet specifiek zijn opgeleid voor het geven van sociaal-medisch advies?
Het is belangrijk dat het onderzoek zorgvuldig is en het besluit goed wordt gemotiveerd. Hierbij is niet alleen medische kennis noodzakelijk – op het niveau van minimaal een basisarts – maar ook kennis van de toegangscriteria voor een Gehandicaptenparkeerkaart en van de uitwerking van het beoordelingskader zoals dit door de beroepsgroep is vastgelegd in de VAV-Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart. Van een arts Medisch Advies (een basisarts met aanvullende scholing) mag deze kennis verwacht worden maar dat betekent niet dat een basisarts zonder deze formele scholing deze kennis niet kan verkrijgen door zich hierin te verdiepen.
Daarnaast is het belangrijk om grip te houden op de maatschappelijke kosten die keuringen met zich meebrengen. Een aanvraagproces bestaat uit vele onderdelen. En bij elke aanvrager is de medische situatie anders. Het kan echter zo zijn dat bepaalde (deel)aspecten door een basisarts kunnen worden beoordeeld. Daarom werken adviesbureaus veelal met teams. Zeker als de gemeentelijke opdracht aan het adviesbureau is het college van B&W van een sociaal medisch advies te voorzien.
Vanuit het Rijk zijn geen nadere inhoudelijke richtlijnen in de wet- en regelgeving vastgelegd, anders dan dat een arts de beoordeling moet uitvoeren. Het is aan de gemeenten om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren en op basis daarvan een besluit te nemen.
Kunt u aangeven hoeveel personen op jaarbasis de opleiding volgen voor medisch adviseur?
Daarmee wordt neem ik aan gedoeld op de opleiding tot arts medisch advies KNMG. Dit is de profielopleiding binnen de eerste fase van de medische vervolgopleiding Maatschappij + Gezondheid (M+G). Uit het register van de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) blijkt dat voor de periode 2015–2025 elk jaar minder dan 6 aios in opleiding tot arts medisch advies zijn geregistreerd. Met uitzondering van de periode 2020 tot 2024 – in die jaren zijn er geen aios geregistreerd.3
Klopt het dat de verantwoordelijkheid voor investeren in opleiding en professionalisering van artsen voor medisch advies nu bij werkgevers ligt? Zo ja, op welke wijze wordt dan gegarandeerd dat elk van de artsen hetzelfde «basisniveau van deskundigheid heeft?
Ja, dat klopt. Uiteraard is de opleiding een belangrijke voorwaarde om de zogenoemde interdoktervariatie te verkleinen en de rechtsgelijkheid van aanvragers te bevorderen. De opdrachtnemende partij (werkgever) moet voldoen aan de gestelde eisen van de gemeente in de inkoopuitvraag. Investeringen in het uitvoerend personeel is onderdeel van de aangeboden prijs. De opdrachtnemer is daarmee ook verantwoordelijk voor de uitvoering en het benodigde kennisniveau.
Het onderzoek “Van Inzicht naar uitvoering van het Verwey-Jonker Instituut in Opdracht van Het Vergeten Kind. |
|
Marijke Synhaeve (D66), Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de conclusies van de onderzoekers dat er in Nederland geen gebrek is aan kennis over effectieve interventies, maar het niet lukt dit consequent en landelijk toe te passen? Zo ja, wat zijn hier volgens u de belangrijkste redenen voor?
Ja. Kwaliteitsontwikkeling is versnipperd en er is veel winst te behalen bij de implementatie van kennis en effectieve interventies. De knelpunten bij implementatie kennen organisatorische en inhoudelijke factoren, denk hierbij aan ontbrekende randvoorwaarden zoals tijdsgebrek, hoge werkdruk, gebrek aan personeel en onvoldoende implementatiebegeleiding. Daarom werkt Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) aan de verbetering van de kwaliteit in de jeugdhulp op basis van een Leeragenda1. Onderzoek naar- en implementatie van kennis heeft hierbij nadrukkelijk aandacht. Tevens wordt er in het NWA programma «Doen wat werkt2» manieren van leren op de werkvloer (leerinterventies) voor jeugdzorgprofessionals ontwikkelt en wordt onderzocht hoe deze geborgd kunnen worden binnen teams, organisaties en het jeugdstelsel.
Deelt u de analyse dat uithuisplaatsingen alleen ingezet zouden moeten worden wanneer dit echt noodzakelijk is, gezien de ernstige korte- en langetermijngevolgen voor kinderen? Herkent u ook de analyse van de onderzoekers dat de systeembarrieres, zoals versnippering, risicomijding, hoge werkdruk, volle caseloads en perverse financiele prikkels, ertoe leiden dat het huidige systeem vooral crisisinterventies en korte termijnkostenbeheersing beloont en preventieve inzet te weinig? Welke rol ziet u om hierin bij te sturen?
Ja, wij delen de analyse dat een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel is die alleen wanneer dit noodzakelijk en proportioneel is moet worden uitgesproken. Daarbij is de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voornemens het subsidiariteitsvereiste in de rechtsgrond voor de machtiging uithuisplaatsing aan te scherpen in het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Tegelijkertijd zien we ook dat het huidige systeem onder druk staat. Hier liggen meerdere oorzaken aan ten grondslag. Met de veranderstrategie van het Toekomstscenario, die voor de zomer zal worden vastgesteld, werken we samen met de partners aan concrete doorbraakacties die voor de kinderen en gezinnen tot daadwerkelijke en merkbare verbeteringen zullen leiden. Deze doorbraakacties zijn in lijn met de doelen van het toekomstscenario en met de middelen die we hebben. Dat betekent een systeem ingericht aan de hand van de vier pijlers; Eenvoudig, gezinsgericht, rechtsbeschermend en transparant en lerend. Deze beweging zetten we gezamenlijk voort, met onze ketenpartners en medeopdrachtgevers.
Erkent u het belang van focus op terugkeer vanaf dag één wanneer uithuisplaatsing onvermijdelijk is, en het beperken van doorplaatsingen? Hoe monitort u dit en welke prikkels/hulpmiddelen zet u in om doorplaatsingen te minimaliseren?
Ja, ik vind het belangrijk dat uithuisplaatsingen en onnodige doorplaatsingen zoveel mogelijk te voorkomen. Als een uithuisplaatsing toch noodzakelijk is, dan dient deze zo kort mogelijk te duren met zo min mogelijk doorplaatsingen. Een uithuisplaatsing is helaas niet altijd te voorkomen. Met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zet ik mij samen met Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in om de zorg voor jeugdigen te verbeteren en uithuisplaatsingen zoveel mogelijk te voorkomen.
In de Richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing3 is opgenomen dat voorafgaand aan een uithuisplaatsing samen met het gezin een hulpverleningsplan opgesteld wordt, waarbij de gedeelde verklarende analyse als basis dient. In dit hulpverleningsplan wordt opgenomen op wat ervoor nodig is om het kind te kunnen terugplaatsen, en op welke termijn. Tijdens de uithuisplaatsing moeten de hulp en begeleiding er in de eerste plaats op gericht zijn om het kind zo snel mogelijk weer terug te plaatsen. In de richtlijn is de opgenomen dat een overplaatsing opnieuw een ingrijpende verandering betekent voor het kind, met risico’s op schade. In zo’n situatie moet altijd opnieuw de mogelijkheid om het kind terug te plaatsen in de thuissituatie worden overwogen.
Het aantal onnodige doorplaatsingen moet verder worden teruggedrongen. Daarvoor is het nodig om samen met gemeenten en aanbieders voldoende plekken en beter passende zorg te organiseren. Een goede analyse van problematiek is daarbij heel belangrijk, met een grote rol voor een lokaal team. Daarnaast is samenwerking tussen aanbieders bij complexe cases essentieel, in plaats van doorschuiven naar een ander. Het werk dat we samen verzetten om Hervormingsagenda Jeugd uit te voeren, draagt bij aan terugdringen van onnodige doorplaatsingen, onder meer via het kwaliteitskader brede analyse. Om dit inzichtelijk te maken heb ik samen met het CBS en Jeugdzorg Nederland verkend of een monitor kon worden opgezet voor het aantal doorplaatsingen, maar hierover konden geen betrouwbare uitspraken worden gedaan.
Hoe verklaart u het dat al jaren in communicatie van zowel de rijksoverheid als gemeenten wordt gesteld dat gezinsgericht werken het uitgangspunt is, maar jongeren ouders en ook hulpverleners zelf aangeven dat er nog steeds teveel hulpverleners en instanties over de vloer komen, dit ineffectief is en teveel overlegtijd kost in plaats van daadwerkelijke hulp?
Belangrijke pijlers van het Toekomstscenario zijn eenvoudig en gezinsgericht werken. Dat betekent dat een vaste hulpverlener (uit het Lokale Team) zo lang betrokken blijft als nodig bij een gezin. Het lokale team vormt het vaste gezicht voor het gezin en betrekt andere (veiligheids)expertise waar nodig. Professionals in proeftuinen geven aan dat ze daardoor meer inzicht krijgen in de gezinsdynamiek, de juiste hulp tijdig kan worden betrokken zodat escalatie wordt voorkomen en er meer vertrouwen ontstaat van gezinnen in de hulpverlening.
Zoals het rapport van het Verweij Jonker instituut aangeeft, vergt gezinsgerichte samenwerking inspanning en de lange adem van betrokkenen op alle niveaus: op micro niveau (professionals die het hele gezin en achterliggende problemen in oogschouw nemen bij de hulpverlening), meso niveau (organisaties die domeinoverstijgende samenwerking faciliteren met tijd en professionele ruimte) en op macro niveau (landelijke kaders die gezinsgericht werken ondersteunen). In het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de Hervormingagenda Jeugd zetten we in op alle drie deze niveaus, door o.a. een Handelingskader gericht op het breed kijken en analyseren voor professionals, een Convenant Lokale Teams, actieonderzoek van IPW en «Kompas domeinoverstijgende samenwerking» als leidraad voor gemeenten en organisaties op meso niveau.
Tot slot zorgen we ook dat landelijke kaders goed benut kunnen worden; zo gaan we met de Nederlandse GGZ na of de consultatiefunctie ggz goed werkt voor jeugdzorgprofessionals (afspraak AZWA) en hoe gezinsgericht werken kan worden geborgd in de volwassenen-ggz (Actieprogramma Mentale gezondheid en ggz). Ook wordt door het Rijk, in samenwerking met de VNG, gewerkt aan een Sociale Agenda voor Nederland. Dit wordt een structurele en integrale agenda waarin ook huisvesting, leefbaarheid van wijken, gezondheid en zorg, veiligheid, lokale teams en onderwijs worden samengebracht.
Juist omdat gezinsgericht werken een verandering vraagt op al deze niveaus, is die niet van vandaag op morgen gerealiseerd, maar vraagt dit om een lange adem en een blik over de domeinen heen bij alle betrokkenen.
Begrijpt u ook dat kinderen en ouders er soms wanhopig van worden, of in de weerstand staan als ze aan de zoveelste persoon opnieuw hun verhaal moeten vertellen?
Dat begrijpen wij. Het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming is er dan ook op gericht om bij volwassenen of kinderen waar veiligheidsvraagstukken spelen met één of twee vaste hulpverleners (uit het lokaal team en indien nodig het veiligheidsteam) betrokken te blijven bij een gezin. Op basis van een brede analyse van wat er speelt in het gezin aan het begin van de hulpverlening, wordt zonodig de verschillende expertise en ondersteuning erbij betrokken. Daarbij is het van belang ook te kijken naar achterliggende oorzaken, bijvoorbeeld slechte huisvesting, GGZ problematiek, of schuldenproblematiek die voor stress zorgen. De vaste gezichten blijven echter altijd het vaste aanspreekpunt. Deze werkwijze wordt uitgewerkt in een handelingskader voor alle professionals die te maken hebben met onveiligheid in thuissituaties.
Proeftuinen van het Toekomstscenario hebben hier goede ervaringen mee opgedaan: door langdurig betrokken te blijven kennen hulpverleners de dynamiek in gezinnen goed, ontstaat wederzijds vertrouwen en kan op tijd de juiste hulp worden ingezet, waardoor ook escalatie van problematiek wordt voorkomen. In de voortgangsbrief Jeugd informeren wij u over het de voortgang van het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Zijn er concrete plannen om domeinoverstijgend werken de norm te maken door het budget flexibeler te maken waardoor gemeenten en utvoerende organisaties daadwerkelijk kunnen samenwerken over de grenzen van jeugdzorg, onderwijs en zorg heen? Welke ruimte ziet u om dit mogelijk te maken?
Ik ben in gesprek met VNG en collega bewindspersonen om samen een agenda voor het sociaal domein te ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende domeinen zoals wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van een integrale invalshoek wordt onderschreven door de onderzoekers.
Binnen het Rijk wordt al op verschillende manieren gewerkt aan het stimuleren van domeinoverstijgend werken. Met het wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek (Wams) wordt voorgesteld om de taken van het college in de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek te expliciteren. Het college krijgt met dit wetsvoorstel de taak om op verzoek van een cliënt of (een gemotiveerd) verzoek van een al betrokken professional een onderzoek naar de mogelijkheid (of noodzaak) tot een gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek instellen. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, heeft het college de taak om een gecoördineerde aanpak van de gebleken meervoudige problematiek te organiseren. Daartoe wijst het college een persoon als coördinator aan.
Daarnaast regelt het concept Wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet o.a. dat het college verantwoordelijk is voor samenhang en effectieve samenwerking tussen het lokale team en andere domeinen zoals maatschappelijke ondersteuning, participatie, schuldhulpverlening, onderwijs, veiligheid, publieke gezondheidszorg en zorg. Ook wordt met dit conceptwetsvoorstel richting gegeven aan de samenwerking tussen lokale teams en scholen. Het conceptwetsvoorstel is tot 13 april 2026 opgesteld voor internetconsultatie4.
Voor wat betreft de flexibilisering van budgetten geldt dat het grootste deel van de middelen voor jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning in de algemene uitkering van het gemeentefonds zitten. De middelen hierin zijn vrij besteedbaar en kunnen dus flexibel worden ingezet. Met ingang van 1 januari jl. is verder de Wet domeinoverstijgende samenwerking in werking getreden. Hiermee hebben zorgkantoren meer financiële ruimte gekregen om afspraken over de zorgdomeinen heen te maken.
Hoe maakt u van onderwijs een vaste partner in vroegsignalering en ondersteuning (gezamenlijke plannen, continuïteit rond schoolgang, alternatieve leertrajecten), gezien de bewezen betekenis van school als stabiele factor?
De school is voor jeugdigen en hun ouders een vertrouwde plek is: ze komen er dagelijks en worden er gezien. De school is bij uitstek de plek om signalen op te vangen en jeugdigen te ondersteunen vanuit de voor hen vertrouwde pedagogische basis. Het onderwijs is daarmee al een vaste partner in de vroegsignalering en ondersteuning, door o.a. de inzet van de jeugdgezondheidszorg en jongerenwerkers op school.
Deze samenwerking en afstemming wordt verder versterkt en geborgd in het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet dat half februari in internetconsultatie is gegaan. Met dit wetsvoorstel wordt mede beoogd de samenwerking tussen het onderwijs en lokale teams te versterken, zodat scholen het lokale team kunnen betrekken bij vragen en ondersteuning. Met als doel kinderen in de eigen omgeving op te laten groeien en naar school te laten gaan. Ook is dit onderdeel van de afspraken in het convenant stevige lokale teams. Hieraan werk ik samen met de VNG, mijn collega de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en relevante andere partijen, zoals aanbieders en client- en beroepsorganisaties. Dit convenant is inmiddels afgesloten. Tot slot werk ik samen met mijn collega de van OCW aan inclusief onderwijs. Met als doel dat kinderen thuis nabij onderwijs kunnen volgen en zich kunnen ontwikkelen in een passende leeromgeving, waar indien nodig op school ondersteuning op maat geboden wordt.
Deelt u de meninig van de onderzoekers dat pilots en projecten enkel zin hebben als de leerpunten daarna structureel verankerd worden? Welke rol heeft uw ministerie daarin?
Ja, wij delen de opvatting van de onderzoekers dat pilots en projecten alleen echt waarde hebben als de lessen daaruit structureel worden verankerd in beleid, financiering en uitvoering. Het rapport is daar duidelijk over: duurzame verandering ontstaat niet door losse projecten, maar vraagt om een breed gedragen visie, langetermijnstrategie en structurele samenwerking op alle niveaus.
Dit sluit goed aan bij de fase waarin we zitten met het Toekomstscenario. Waar de afgelopen jaren vooral in het teken stonden van verkennen, beproeven en leren in proeftuinen binnen de huidige wettelijke kaders, ligt de opgave nu in het duurzaam verankeren van werkzame elementen in de praktijk. Daarmee verschuift de focus van experimenteren naar transitie: het gericht veranderen van cultuur, werkwijze en structuur, zodat de beoogde manier van werken niet naast het bestaande stelsel blijft bestaan, maar er stap voor stap onderdeel van wordt.
Concreet betekent dit dat we nu zijn aangekomen om wat beproefd is te verbreden, verdiepen en op te schalen naar landelijke dekking. Dit zal worden verwerkt in de veranderstrategie van het Toekomstscenario die voor de zomer zal worden vastgesteld.
Op welke manier gaat u zorgen dat overal en structureel vroegtijdig samen met gezin en netwerk een gedeelde verklarende analyse wordt gemaakt als basis voor passende hulp? Erkent u dat dit een randvoorwaarde is vóór uithuisplaatsing?
Een goede vraagverheldering samen met het gezin is cruciaal voor het kunnen inzetten van passende hulp, zoals ook opgenomen in de richtlijn «Samen beslissen over hulp5». Bepaalde situaties vragen om een (gedeelde) Verklarende Analyse, zoals een (overwogen) uithuisplaatsing. Ik zie ook dat jeugdregio’s en zorgaanbieders dit belang erkennen. Zo hebben in Noord-Holland hebben jeugdregio’s en zorgaanbieders dit ook afgesproken binnen een Thuis van Noortje. Namelijk dat wanneer een uithuisplaatsing overwogen wordt, er altijd recent een verklarende analyse gemaakt moet zijn die als basis dient voor de vervolgstappen. Ook bij plaatsing in de gesloten jeugdhulp is het belangrijk dat er een actuele verklarende analyse is. Dit is onderdeel van de bestuurlijke afspraken die medio 2024 zijn gemaakt tussen Rijk, VNG en Jeugdzorg Nederland. In de richtlijn «beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing» staat: bij de afweging over uithuisplaatsing is een gedeelde verklarende analyse noodzakelijk. Aangezien professionals volgens de wet moet handelen met de voor die hulpverlener geldende professionele standaard (artikel 4.1.1. lid 3), is het belangrijk dat dit in de richtlijnen is opgenomen.
Een (gedeelde) verklarende analyse is daarmee een randvoorwaarde vóór uithuisplaatsing, maar we weten vanuit de praktijk dat dit niet overal gebeurt, en dat het ook niet altijd goed gebeurt. Zodoende wordt er gewerkt aan verbetering en implementatie van verklarend analyseren via KBL. KBL heeft in hun Leeragenda een leerlijn «Verklarend analyseren» geprioriteerd. Deze wordt dit jaar uitgevoerd. Deze leerlijn versterkt de beweging om een gedeelde verklarende analyse beter toe te passen en verder te verbeteren als basis voor jeugdhulp.
Deelt u dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen, dat het huidige systeem dit onvoldoende beloont, en welke rol neemt uw ministerie in het delen en opschalen van effectieve interventies?
Ja, wij delen de opvatting dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen. Het rapport stelt expliciet dat de kwaliteit van besluitvorming en het eerder inzetten van passende hulp staat of valt met het vakmanschap van professionals. Daarbij gaat het niet alleen om opleiding en kennis, maar ook om luisteren, reflecteren, durven vertragen, multidisciplinair toetsen en werken met intervisie, supervisie en steun van gedragswetenschappers en collega’s. Deze elementen worden momenteel verder uitgewerkt in het Toekomstscenario, specifiek in het handelingskader dat geschreven wordt voor en door professionals, maar ook in de proeftuinen wordt gekeken wat dit dan in de praktijk behelst.
Bent u bereid om met uw collega’s op Onderwijs en Sociale Zaken in gesprek te gaan met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren? Op welke andere manier kunt u «schotten doorbreken», zoals het advies luidt?
Zeker ben ik bereid om met mijn collega’s van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken in gesprek te gaan, maar ook met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren. Ik ben in gesprek met VNG en collega-bewindspersonen om samen een agenda voor het sociaal domein te ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende domeinen zoals wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van een integrale invalshoek wordt onderschreven door de onderzoekers. Daarnaast zijn er al veel initiatieven. In Tilburg wordt een actieonderzoek voorbereid in samenwerking met IPW rond een bureaucratievrij kindcentrum. Hier wordt onder andere in kaart gebracht hoe de financiering vanuit gemeente en Rijk vereenvoudigd kan worden. Naar verwachting worden de eerste onderzoeksresultaten eind dit jaar bekend
Het bericht ‘Overheid weigert herstel voor 1.800 jongeren uit toeslaenaffaire’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Jimmy Dijk (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Moes , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Overheid weigert herstel voor 800 jongeren uit toeslagenaffaire»?1
Ik ben op de hoogte van het artikel over het rapport van de kinderombudsmannen. Ik heb dit rapport samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in ontvangst genomen en hierover met hen gesproken.
Hoe beoordeelt u het signaal van de vijf Kinderombudsmannen in hun rapport «Niet mijn (studie)schuld», waarbij de Kinderombudsmannen, net als de Commissie Hamer en de VNG, al geruime tijd oproepen om gedupeerde jongeren te helpen met hun DUO-schulden?
Ik ben de kinderombudsmannen erkentelijk voor hun inspanningen om de impact die de toeslagenaffaire kan hebben op het leven van getroffen kinderen zichtbaar te maken. Het rapport schetst een ingrijpend beeld dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik serieus nemen. Ik spreek regelmatig getroffen jongeren en hoor en zie hun verhalen, die stuk voor stuk uniek zijn. Ik wil mijn waardering uitspreken aan de jongeren die, soms opnieuw, hun verhalen hebben willen delen. Daarbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken wat we al doen voor deze jongeren die hun studielening hebben ingezet om in het gezinsinkomen te voorzien ten tijde van de toeslagenaffaire. Via de aanvullende schaderoute van de ouder wordt inkomensverlies vergoed. Deze compensatie is bedoeld voor het gezin. In de kabinetsreactie op het rapport zet ik deze en andere mogelijkheden verder uiteen.
Wat is volgens u de rol van (lokale) (Kinder-)ombudsmannen en andere instanties, ambtenaren en memo’s geweest bij het signaleren van de problematiek rondom het toeslagenschandaal?
Het negeren van noodsignalen was een van de belangrijke factoren bij het ontstaan en voortbestaan van de toeslagenaffaire, zoals het rapport «Ongekend onrecht» concludeert. Uiteindelijk hebben onder andere ombudsmannen, rechters en verschillende ambtenaren op meerdere momenten gewaarschuwd voor de problemen met de kinderopvangtoeslag.
Hoe is de overheid in uw ogen omgegaan met het tijdig en serieus reageren op dergelijke signalen, waardoor het toeslagenschandaal voorkomen had kunnen worden dan wel eerder kunnen worden opgemerkt?
Anders dan bij de situatie rondom studieschulden – die veelvuldig en uitgebreid aan bod is gekomen in onder meer Kamerdebatten, Kamerbrieven, interdepartementale overleggen en bijvoorbeeld het advies van de commissie Van Dam – drongen de signalen over de problemen met de kinderopvangtoeslag onvoldoende door tot de politiek-bestuurlijke omgeving. Daardoor kwam er te laat een politiek-bestuurlijke reactie op de problemen met de kinderopvangtoeslag en konden deze te lang blijven voortduren. Dit blijkt ook uit het rapport «Ongekend onrecht» van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft naar aanleiding van dat rapport veranderingen doorgevoerd, waarover de afgelopen jaren aan uw Kamer is gerapporteerd.
Welke zwaarwegende argumenten heeft u om het rapport van de Kinderombudsmannen terzijde te schuiven en te concluderen dat het probleem aan de jongeren ligt die de regelingen niet weten te vinden?2
Ik omarm en onderschrijf de waardevolle inzichten uit het rapport van de kinderombudsmannen. Ik betrek deze inzichten bij het beleid voor deze getroffen jongeren. Centraal daarin staat het feit dat de schadecompensatie binnen de hersteloperatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor het inkomensverlies. Daarnaast maak ik mij blijvend sterk om de andere mogelijkheden die er zijn zo goed mogelijk in te zetten, zodat deze jongeren passende hulp en ondersteuning kunnen krijgen. Niet generiek, maar met een benadering die recht doet aan de verschillende situaties waarin jongeren en hun gezinnen zich bevinden. In de kabinetsreactie op dit rapport ga ik hier dieper op in.
Hoe wilt u – indachtig de titels van de rapporten van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Ongekend Onrecht) en van de Parlementaire Enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (Blind voor mens en recht) – voorkomen dat met het terzijde schuiven van het signaal van deze vijf kinderombudsmannen wederom een groep burgers onrecht wordt aangedaan?
De rapporten «Ongekend Onrecht» en «Blind voor mens en recht» hebben pijnlijk duidelijk gemaakt dat signalen van burgers onvoldoende werden herkend, met ernstige gevolgen van dien. Juist om herhaling daarvan te voorkomen neem ik de signalen van de kinderombudsmannen serieus. In dat kader heb ik, samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het eindrapport van de kinderombudsmannen persoonlijk in ontvangst genomen en hebben wij met hen het gesprek gevoerd over hun bevindingen en aanbevelingen. De signalen uit dit rapport worden betrokken bij verdere (verbeter)maatregelen van de hersteloperatie en de ondersteuning van jongeren. In de kabinetsreactie op het eindrapport aan uw Kamer geef ik hier een nadere toelichting op.
Bent u het ermee eens dat het voor gedupeerde jongeren die al tijden wensen erkend te worden als slachtoffer van het handelen van de overheid helend kan werken als zij gezien en erkend worden als slachtoffer van het toeslagenschandaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om deze jongeren alsnog te erkennen als slachtoffer?
Ik erken dat kinderen van gedupeerde ouders hebben geleden onder de toeslagenaffaire. Met die gedachte is ook de kindregeling speciaal voor hen opgezet. De kindregeling is bedoeld als erkenning van het leed, niet als een verplichting maar als tegemoetkoming, om te laten zien dat het kabinet het belangrijk vindt om hierin een gebaar te maken, aanvullend op de compensatie van de schade die via de gedupeerde ouders verloopt, als vertegenwoordiger van het gezin. Het kabinet heeft er namelijk voor gekozen erkend gedupeerde ouders te compenseren voor de schade in het gezin als gevolg van de toeslagenaffaire. Deze opzet van de hersteloperatie is door uw Kamer vastgesteld en goedgekeurd.
Binnen de kindregeling ontvangt elk getroffen kind een brief waarin de erkenning benadrukt wordt. Alle kinderen van erkend gedupeerde ouders ontvangen een tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro boven op de schadecompensatie aan hun ouders en zij krijgen indien gewenst brede ondersteuning van hun gemeente, waaronder hulp bij (problematische) schulden en financiën. Ook is er aanvullend aanbod op het gebied van emotioneel herstel en lotgenotencontact, een essentieel onderdeel van herstel en perspectief.
Bent u het – na uw eerdere weigering om onderzoek te doen naar het aantal jongeren van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden zijn ontstaan door het toeslagenschandaal en naar de hoogte van deze DUO-schulden, zoals de motie-Van Nispen c.s. (Kamerstukken II, 2025/26, 36 708, nr. 53) en motie Kat c.s. (Kamerstukken II, 2023/24, 31 066, nr. 1308) om vroegen – het ermee eens dat nu de Kinderombudsmannen zelf een onderzoek hebben uitgevoerd en 1.800 jongeren tellen met deze problematiek dat het om een relatief beperkte groep jongeren gaat van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden door het toeslagenschandaal zijn ontstaan? Bent u het er tevens mee eens dat zelfs als het daadwerkelijke aantal driemaal zo hoog is het nog steeds een relatief beperkte groep jongeren betreft? Zo nee, welke reden heeft u om aan te nemen dat het nog veel meer jongeren betreft?
Het rapport van de kinderombudsmannen biedt waardevolle en belangrijke inzichten in de ervaringen van getroffen jongeren. Het onderzoek is gebaseerd op meldingen van jongeren zelf en draagt bij aan een beter begrip van de individuele problematiek, maar maakt het niet mogelijk om de totale omvang van de groep jongeren met een studieschuld als gevolg van de toeslagenaffaire vast te stellen. Ook gegevensuitwisseling tussen UHT en DUO zou geen inzicht geven in de daadwerkelijke problematiek van deze getroffen jongeren en in hoeverre de studieschuld het gevolg is van de toeslagenaffaire. De relatie tussen de studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag is alleen binnen het gezin te beoordelen, zoals wordt toegelicht in antwoord op vraag 5. Op andere manieren, zoals ook blijkt uit eerder actieonderzoek, is niet vast te stellen welk gedeelte van de studielening het gevolg is van de toeslagenaffaire. Daarbij komt dat de hersteloperatie ervoor zorgt dat schadecompensatie via de erkend gedupeerde ouder verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Wij zetten daarbovenop in op passende, individuele ondersteuning voor getroffen jongeren, in plaats van een generieke benadering.
Bent u het ermee eens dat jongeren, die slachtoffer zijn geworden van het toeslagenschandaal en eigen schade & schulden hebben, principieel zélf ook op een directe manier geholpen moeten worden in het rechtzetten van onrecht zonder dat zij hiervoor naar hun ouders hoeven te stappen? Zo nee, waarom niet?
De besluiten die tot de toeslagenaffaire hebben geleid betroffen de kinderopvangtoeslag van de ouder. De compensatie van financiële schade vindt daarom plaats via de erkend gedupeerde ouder en ziet toe op diens hele gezin, omdat de schade voortvloeit uit de gedupeerdheid van de ouder en de gevolgen daarvan voor het gezin als geheel. Kinderen en jongeren zijn via hun ouders mogelijk ook geraakt door de toeslagenaffaire. Om dit leed te erkennen worden zij daarom aanvullend ondersteund via de kindregeling, zoals ook is toegelicht in antwoord op vraag 7. Deze regeling biedt een financiële (onverplichte) tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro, brede ondersteuning door gemeenten inclusief hulp bij problematische schulden, en een aanbod op het gebied van emotioneel herstel, zoals lotgenotencontact en het opzetten van (culturele) initiatieven. De kindregeling is niet bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren, die regelingen bestaan via hun ouders.
Kunt u aangeven wat het doel en nut is van de tijdelijke telefoonlijn bij DUO, waar gedupeerde jongeren terecht kunnen met vragen? Hoelang blijft deze telefoonlijn in bedrijf?
Getroffen jongeren hebben aangegeven een drempel te ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Met deze lijn hoopt DUO die drempel weg te nemen. Wanneer getroffen jongeren met deze lijn bellen kunnen zij hun persoonlijke verhaal vertellen, maar is het niet nodig om in algemene zin uitgebreid toe te lichten dat de toeslagenaffaire impact heeft gehad op hun leven. Medewerkers weten dat deze getroffen jongeren bellen met een hulpvraag die voortkomt vanuit KOT. Zij staan klaar om, afhankelijk van de vraag, deze jongeren uitleg op maat te geven over bestaande voorzieningen die hen kunnen helpen. Ook willen we zorgdragen dat er extra bekendheid komt over de voorzieningen bij DUO.
De telefoonlijn is reeds bereikbaar en blijft in ieder geval tot en met augustus 2026 beschikbaar.
Klopt het dat DUO deze gedupeerde jongeren na een gesprek met de telefoonlijn naar de onderwijsinstelling verwijst, omdat de onderwijsinstelling zou moeten beoordelen of de jongere voor een uitzondering in aanmerking komt? Zelfs als de jongere die het betreft zijn studie al jaren geleden heeft behaald of afgebroken? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit bijdraagt aan onnodige administratieve obstakels voor de betreffende jongeren? Is er een reden waarom DUO niet zelf het contact kan leggen met de onderwijsinstelling om de benodigde informatie op te halen? Zo nee, hoe verklaart u dat jongeren tegen dit soort problemen aanlopen?
Afhankelijk van de persoonlijke situatie van de getroffen jongeren kan het zijn dat DUO doorverwijst naar de onderwijsinstelling. Dit kan het geval zijn wanneer het niet mogelijk is voor een getroffen jongere om op tijd een diploma te halen of wanneer het helemaal niet meer mogelijk is een diploma te halen door een bijzondere omstandigheid. Het is wettelijk vastgelegd dat deze beoordeling – of sprake is van een bijzondere omstandigheid en of deze heeft geleid tot studievertraging – bij de onderwijsinstelling ligt.
Klopt het dat DUO geen schulden kwijtscheldt, behalve als de student in geval van bijzondere omstandigheden zijn studie heeft afgebroken of na tien jaar zijn diploma niet heeft gehaald?
Als de student binnen tien jaar een afsluitend diploma behaalt wordt de prestatiebeurs3 omgezet in een gift. Doet de student langer over het behalen van het diploma dan tien jaar, of behaalt de student helemaal geen diploma, dan wordt de prestatiebeurs niet omgezet in een gift. Dat is alleen anders als sprake is van bijzondere omstandigheid waardoor de student studievertraging heeft opgelopen en door deze bijzondere omstandigheid niet binnen tien jaar een afsluitend diploma kan behalen, of helemaal geen diploma meer kan behalen. De studentdecaan of studiebegeleider beoordeelt aan de hand van de individuele situatie van de student of dit het geval is en of de student daarmee in aanmerking komt voor de voorziening prestatiebeurs.
Daarnaast vindt in algemene zin in een aantal situaties kwijtscheldingen van (een deel van) de studieschuld plaats, waaronder:
Wanneer bij een student de aanvullende beurs niet is omgezet in een gift en het inkomen twee jaar na afstuderen nog niet hoger is dan het gestelde grensbedrag, wordt de aanvullende beurs alsnog kwijtgescholden.
Aan het einde van de looptijd van de lening (15 of 35 jaar) wordt de nog resterende studieschuld kwijtgescholden.
Hoeveel gedupeerde jongeren vallen onder deze twee uitzonderingen? Vindt u dat u hen hiermee het toekomstperspectief biedt dat u hen toewenst?
Dat is niet bekend, omdat er geen juridische grondslag voor gegevensuitwisseling is tussen UHT en DUO. Daarom kan niet inzichtelijk worden gemaakt hoeveel getroffen jongeren gebruik hebben gemaakt van de voorziening prestatiebeurs. Voorts geldt dat zelfs als bij DUO bekend zou zijn wie de getroffen jongeren zijn, niet inzichtelijk gemaakt kan worden of zij in aanmerking zouden komen. Dit is immers afhankelijk van hun persoonlijke situatie.
De Kamer is meermaals geïnformeerd over de onmogelijkheid om inzicht te geven in de gegevens van getroffen jongeren bij DUO. Zie onder meer de 21e voortgangsrapportage over de hersteloperatie in reactie op de motie Van Nispen en de beantwoording op schriftelijke vragen van lid Dijk (SP)4.
Klopt het dat verzoeken voor maatwerk door DUO geregeld worden afgewezen? Welk percentage wordt afgewezen?
Aangenomen wordt dat met de term maatwerk in de vraag wordt verwezen naar het gebruik van de voorziening prestatiebeurs. Verzoeken in het kader van de voorziening prestatiebeurs worden ingediend na beoordeling van de persoonlijke situatie van de jongeren door de studentdecaan of studiebegeleider en, wanneer van toepassing, de behandelend arts. DUO neemt de beoordeling in meer dan 90% van de gevallen over.
Kunt u aangeven hoe vaak welke vorm van maatwerk door DUO is toegekend? Zo nee, hoe kunt u dan concluderen dat maatwerk door DUO een oplossing is voor de problemen van getroffen jongeren? Zo ja, kunt u aangeven hoe en of de gedupeerde jongeren met dit maatwerk ook daadwerkelijk zijn geholpen?
In het antwoord op vraag 13 is aangegeven dat niet bekend is hoe vaak gebruik gemaakt wordt van de voorziening prestatiebeurs door getroffen jongeren. Wel is bekend dat DUO in de praktijk ziet dat getroffen jongeren gebruik maken van deze voorzieningen. Daarom weten we dat een gedeelte van de getroffen jongeren de weg weet te vinden naar de studentdecanen of studiebegeleider.
Ik ben me er tegelijkertijd van bewust dat sommige jongeren een drempel ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie zet ik mij extra in om deze drempels zoveel mogelijk te verlagen.
Hoe bent u van plan ervoor te zorgen dat de jongeren die het betreft deze telefoonlijn weten te vinden als u niet weet hoeveel en welke jongeren het precies betreft?
Het telefoonnummer wordt gepubliceerd op kindregelingvoorjou.nl en op duo.nl. Via sociale media, stakeholders en lokale netwerken van ouders en jongeren wordt dit bericht verspreid.
Bent u het ermee eens dat gedupeerde jongeren weer een toekomstperspectief verdienen?
Zeker. Deze jongeren verdienen inderdaad een toekomstperspectief (net als iedere jongere in Nederland): precies om die reden ontvangen zij een financiële tegemoetkoming uit de kindregeling en brede ondersteuning van hun gemeente, om per situatie te kijken naar wat er nodig is om het leven op de rit te krijgen en houden, aanvullend op de schadecompensatie aan hun ouders. Daarbij zetten wij ook in op het emotioneel herstel van deze jongeren. Want ook door te zorgen dat jongeren weer mentaal gezond en weerbaar zijn dragen we bij aan het toekomstperspectief van deze groep.
Bent u het ermee eens dat een diploma halen het beste instrument is voor een goed toekomstperspectief? Zo ja, wat is dan u reden, gelet op het feit dat de commissie Hamer aangeeft dat de brede ondersteuning vanuit de gemeenten onvoldoende is voor het toekomstperspectief van gedupeerde jongeren, om toch de nieuwe regeling voor studie en ontwikkeling, welke nu opgetuigd wordt voor gedupeerde uithuisgeplaatste kinderen, niet open te stellen voor álle gedupeerde jongeren?
Zoals in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Hamer is toegelicht, wordt de onderwijsvoorziening specifiek voor uithuisgeplaatste jongeren ontwikkeld, omdat zij te maken hebben gehad met meerdere momenten van overheidsingrijpen. De onderwijsvoorziening voor specifiek die doelgroep heeft mede als doel om specifiek deze groep op deze manier met hun ontwikkeling te helpen. Juist wanneer de uithuisplaatsing door de rechter is opgelegd én samenhangt met de gevolgen van de toeslagenaffaire, draagt de Staat immers een bijzondere verantwoordelijkheid: vanuit de rol die de toeslagenaffaire mogelijk heeft gespeeld in het gezin en als formeel verantwoordelijke voor het welzijn en de kansen van het kind tijdens en na de uithuisplaatsing.
Daarnaast vind ik het – net als uw Kamer – van belang dat er geïnvesteerd wordt in het toekomstperspectief van alle getroffen jongeren, bijvoorbeeld via de brede ondersteuning. In de kabinetsreactie op het rapport van de kinderombudsmannen licht ik verder toe hoe ik daar op in wil zetten.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven geen generieke regeling te willen treffen voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van de jongeren? Zo nee, wat heeft u dan precies aangeven
Dat klopt. We zijn het met de kinderombudsmannen eens dat een generieke regeling voor het kwijtschelden van alle studieschulden niet proportioneel is. Wij hebben ook in het gesprek toegelicht dat als ouders inkomensverlies hebben geleden ten tijde van de toeslagenaffaire, en dat hebben opgevangen door het inzetten van bijvoorbeeld een studielening van het kind, ouders gecompenseerd worden voor dat inkomensverlies in de schadeherstelroute. Deze compensatie is voor het hele gezin. Daarnaast zetten we in op het verlagen van drempels voor aanvullende mogelijkheden die er voor deze jongeren zijn, zoals ook uitgebreid is toegelicht in de kabinetsreactie.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven dat volgens u de bestaande regelingen voor gedupeerde jongeren volstaan? Zo nee, wat heeft u dan precies aangegeven? Zo ja, kunt u onderbouwen hoe u tot deze conclusie komt, nu de Kinderombudsmannen in hun rapport juist gemotiveerd aangeven dat deze conclusie niet klopt en bestaande regelingen niet volstaan?
Ouders worden gecompenseerd voor schade die is ontstaan ten tijde van de toeslagenaffaire, zoals inkomensverlies. Als een kind het inkomensverlies heeft opgevangen, bijvoorbeeld met een studielening, dan kan de ouder dat vanuit de compensatie vergoeden, aangezien via de erkend gedupeerde ouder schade van het gezin wordt gecompenseerd. De kindregeling is daarnaast ontwikkeld om kinderen van gedupeerde ouders aanvullende steun, maatwerk en erkenning te bieden. De Minister van OCW en ik hebben in het gesprek met de kinderombudsmannen aangegeven dat dit pakket aan maatregelen voldoende is om getroffen kinderen te ondersteunen naar een hoopvolle toekomst. Zoals ook in de kabinetsreactie toegelicht, zijn we ons ervan bewust dat deze mogelijkheden niet altijd door iedereen goed gevonden en benut worden. We zetten daarom extra in om drempels te verlagen, zoals ook is toegelicht in de kabinetsreactie op het rapport.
Bent u het ermee eens dat de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam niet oproepen tot een generieke regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, maar juist oproepen tot een regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan vanwege het toeslagenschandaal? Zo nee, kunt u aangeven waartoe de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam volgens u precies toe oproepen?
Ik herken dat de kinderombudsmannen oproepen tot kwijtschelding studieschulden bij DUO waarvan aannemelijk is dat deze door de toeslagenaffaire zijn ontstaan. Ik herken echter niet dat de commissie Van Dam oproept tot het kwijtschelden van deze studieschulden van getroffen jongeren. De commissie Van Dam vraagt aandacht voor de positie van getroffen jongeren en het belang van een zorgvuldige beoordeling van hun situatie, inclusief mogelijke studieschulden, maar doet geen specifieke aanbeveling om studieschulden waarvan aannemelijk is dat deze door het toeslagenschandaal zijn ontstaan kwijt te schelden. In het rapport staat onder meer dat sommige jongeren wel een studielening hebben afgesloten om in hun studiekosten te voorzien, net als vele andere studenten in Nederland wiens ouders niet gedupeerd zijn. Ook stelt het rapport dat weer een nieuwe route inrichten juist niet wenselijk is. Ook de Raad van State heeft eerder gewezen op de risico’s van verdere uitbreiding van de hersteloperatie5. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen, wordt dit via de schadepost inkomensverlies aan de ouder vergoed.
Wat is uw reactie ten aanzien van een (nadrukkelijk niet generieke) regeling waarbij de DUO-schulden van jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan door het toeslagenschandaal worden kwijtgescholden? Bent u bereid een dergelijke regeling op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor de zorgen rondom de studieschulden van jongeren die zijn geraakt door de toeslagenaffaire. Zoals ook in antwoord op vraag 21 is toegelicht, verloopt de compensatie van schade via de gedupeerde ouder. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen – en dus is ontstaan door de toeslagenaffaire – wordt dit via de schadepost inkomensverlies vergoed aan de ouder. Alleen op die manier, binnen het gezin, is een mogelijke relatie tussen een studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag te beoordelen. Een aparte regeling zoals bedoeld in de vraagstelling is daarnaast niet uitvoerbaar: iedere situatie is uniek en het is in de praktijk zeer ingewikkeld om objectief en zorgvuldig vast te stellen of en in welke mate een studieschuld het directe gevolg is van de toeslagenaffaire. Dit blijkt ook uit eerder actieonderzoek. Daarnaast zou kwijtschelding van studieleningen van getroffen kinderen zeer oneerlijk zijn ten opzichte van gezinnen die op een andere manier het hoofd boven water hebben gehouden tijdens de toeslagenaffaire. Ten slotte botst de voorgestelde regeling met de praktische en juridische inrichting van de hersteloperatie. De toeslagenbesluiten betroffen de ouder als aanvrager van de kinderopvangtoeslag. Financiële schadevergoeding is daarom verbonden aan de gedupeerdheid van de ouder en diens gezin, zoals vastgesteld door uw Kamer.
Om getroffen jongeren met studieschulden zoveel mogelijk aanvullend te helpen met de gevolgen die zij hebben ondervonden van de toeslagenaffaire via hun ouders, zet het kabinet erop in dat de bestaande mogelijkheden bij gemeenten, maar ook bij DUO, zo goed mogelijk worden ingezet en benut zodat jongeren passende hulp kunnen krijgen, toegespitst op hun persoonlijke situatie en behoefte. Voor een nadere toelichting hoe ik dit wil doen, verwijs ik graag naar de kabinetsreactie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Er is uitstel gevraagd voor de termijn van de beantwoording, zodat de beantwoording van deze schriftelijke vragen gelijktijdig met de kabinetsreactie op het rapport met uw Kamer gedeeld zou kunnen worden.
Het sluiten van zorgvilla’s |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgvilla sluit plots de deuren: «We dachten dat het een phishingmail was. Dit kan toch niet?»»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Begrijpt en herkent u de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf, zoals die van ExpertCare?
Het leven voor gezinnen met een kind dat medische zorg nodig heeft, is intens en uitdagend. Ik begrijp en herken dan ook de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf. Kinderen en hun ouders moeten kunnen rekenen op goede medische kindzorg. Daarom vind ik het belangrijk dat zorgverzekeraars en de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) met elkaar in gesprek zijn over de toegankelijkheid van medische kindzorg.
Hoeveel van dit soort medische dagverblijven/zorgvilla’s, zoals ExpertCare, zijn er momenteel in Nederland?
Acht leden van Binkz bieden 24-uurs kindzorg aan. Vijftien leden van Binkz hebben een verpleegkundig kinderdagverblijf.
Is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de hoogte gebracht van het feit dat ExpertCare de deuren van hun dagverblijf zal sluiten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Op 27 januari 2026 heeft het Ministerie van VWS via een persbericht van ExpertCare het voorgenomen besluit vernomen om hun locaties voor medische kindzorg per 31 maart 2026 te sluiten. Het Ministerie van VWS heeft van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) begrepen dat de NZa en zorgverzekeraars voorafgaand aan dit persbericht niet op de hoogte waren van het voorgenomen besluit. Sindsdien houdt de NZa het Ministerie van VWS intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden.
Moet het worden gemeld als dergelijke organisaties als ExpertCare, die een uniek aanbod leveren en voorzien in specialistische zorg, de deur sluiten?
Ja, op grond van het continuïteitsbeleid dient een aanbieder van zorg voor zeer specifieke cliënten, zoals ExpertCare, een melding te doen bij de zorgverzekeraar(s) als de betreffende zorgaanbieder gaat sluiten. De zorgverzekeraars maken doorgaans in hun contracten afspraken hierover. Ook dienen de zorgverzekeraars hierover de NZa te informeren. Als de NZa in gesprek met zorgverzekeraars en de aanbieder geen zekerheid kan krijgen over het borgen van continuïteit van zorg, schaalt de NZa op naar het Ministerie van VWS2.
Welke concrete maatregelen zijn er getroffen, zowel door het ministerie als door ExpertCare, om de zorgvilla’s open te houden?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de financiële bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Welke mogelijkheden heeft u nog om te voorkomen dat de zorgvilla’s gesloten moeten worden?
Kern van het continuïteitsbeleid is dat de continuïteit van zorg centraal staat, en niet de continuïteit van individuele zorgorganisaties3. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering. Zoals hierboven aangegeven, houdt de NZa toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Kunt u deze vragen ieder apart en zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor de plenaire behandeling van de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
De positie van kinderen en familieleden van femicideslachtoffers |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arno Rutte (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De wet schiet tekort voor de kinderen van femicideslachtoffers» in de Volkskrant?1
Ja.
Wat vindt u van het onderzoek van de Femicide Monitor van de Universiteit Leiden waaruit blijkt dat 62 procent van de slachtoffers van femicide kinderen had en dat 76 procent van deze kinderen minderjarig was, waarvan velen getuige waren van het geweld?2
Met de Femicide Monitor wordt onder meer in beeld gebracht hoeveel kinderen hun moeder hebben verloren door femicide. Geen enkel kind hoort dit mee te maken. Toch laat de Femicide Monitor zien dat dit jaarlijks voor gemiddeld 25 kinderen de realiteit is. De impact van het verlies van een moeder door femicide op een kind is enorm. Bovendien zijn kinderen vanwege hun jonge leeftijd extra kwetsbaar. Wij vinden het daarom zeer belangrijk dat er aandacht is en blijft voor deze groep kinderen.
Kunt u nader toelichten welke wettelijke kaders er momenteel gelden voor kinderen en de zorg voor hen na femicide? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre worden deze kaders in de praktijk nageleefd?
Voor kinderen en de zorg voor hen na femicide gelden de reguliere voogdij- en gezagsbepalingen uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is per 1 januari 2018 de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding in werking getreden. Dit wettelijk kader regelt onder meer dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) om een voorlopige voogdijregeling kan verzoeken, om zo meteen na partnerdoding de onmiddellijke zorg voor het kind te waarborgen. Het ouderlijk gezag van de verdachte/dader-ouder is dan geschorst en de voorlopige voogdij wordt doorgaans belegd bij de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling is dan als voogd bevoegd om beslissingen over het kind te nemen. Ook zijn er binnen het bijbehorende Handelingsprotocol omgang na partnerdoding (hierna: het protocol) samenwerkingsafspraken gemaakt over wie welke taken op zich neemt en welke expertise op welk moment ingeschakeld kan worden.
De RvdK doet op basis van dit protocol onderzoek naar de wenselijkheid van contact of omgang tussen het kind en de verdachte/dader-ouder. Op basis van dit onderzoek dient de RvdK binnen drie maanden een verzoek bij de kinderrechter in tot vaststelling van een contact- of omgangsregeling of tot ontzegging van contact of omgang.
In 2023 is de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding geëvalueerd door het WODC.3 Uit deze evaluatie volgt dat in vrijwel alle gevallen de wet wordt nageleefd.4
Klopt het dat na femicide vaak direct een voogd, veelal een voogdijinstelling, wordt benoemd die volledige zeggenschap krijgt over besluiten met betrekking tot het verblijf, de schoolkeuze, de therapie en de omgang van de betrokken kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het zeer traumatiserend kan zijn voor kinderen, van wie de moeder om het leven is gekomen wegens femicide, om herhaaldelijk overgeplaatst te worden? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat dit gebeurt?
Het verliezen van de ene ouder door het toedoen van de andere ouder is een zeer ingrijpende gebeurtenis in het leven van een kind. De (over)plaatsing van een kind moet, net als een contact- of omgangsregeling met (familie van) de overblijvende ouder, altijd in het belang van het kind zijn. Dat is een afweging die door de kinder- of familierechter wordt gemaakt en waarbij alle omstandigheden omtrent het kind worden betrokken.
Uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers en de Blijf Groep volgen verschillende aanbevelingen die onder meer zien op de verblijfplaats van het kind en het contact tussen de daderouder en het kind enerzijds en het contact tussen de familie van de moeder en het kind anderzijds. Daarnaast volgt uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» van het Verwey-Jonker Instituut dat het niet vanzelfsprekend is dat huiselijk geweld en onveiligheid worden meegenomen in rechterlijke beslissingen omtrent zorgregelingen, gezag en omgang. De toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is daarom eind 2025 een verbetertraject gestart, dat als doel heeft te waarborgen dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. De rechtspraak, maar ook andere organisaties zoals de RvdK en Slachtofferhulp Nederland, werken mee aan dit verbetertraject. Ook wordt de expertise van de advocatuur en van ervaringsdeskundigen en nabestaanden betrokken in dit traject. Zoals eerder toegezegd zal de Minister van Justitie en Veiligheid voor de zomer een bredere reactie op het aanpakplan aan de Tweede Kamer toesturen, wanneer uw Kamer ook wordt geïnformeerd over het genoemde verbetertraject.
Deelt u de zorg dat verplicht contact met (de familie van) de dader en het wegvallen van contact met de familie van de vermoorde moeder kan leiden tot traumaverdieping en onveiligheid voor deze kinderen? Zo nee, bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ook bereid om toe te werken naar het ontwikkelen en inzetten van kennis om samen met het kind te ontdekken wat hier de beste oplossing is?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat de Nederlandse wet momenteel geen geschillenregeling kent voor conflicten over de uitoefening van de voogdij bij femicide, waardoor kinderen en nabestaanden beslissingen van de voogd niet aan de rechter kunnen voorleggen, zoals blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad?3 Hoe beoordeelt u deze lacune in de wet?
Het klopt dat de Nederlandse wet op dit moment geen regeling kent voor geschillen over de uitvoering van voogdij indien de voogdij wordt uitgeoefend door een gecertificeerde instelling (hierna: GI). In die situatie ligt de dagelijkse zorg voor de minderjarige niet bij de GI maar bij een ander, bijvoorbeeld een nabestaande, en kan een verschil van inzicht ontstaan over de vraag welke gezagsbeslissing het meest in het belang van de minderjarige is.
Met het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt voorgesteld een geschillenregeling te introduceren voor geschillen die de uitvoering van de voogdij door de GI betreffen. Deze mogelijkheid wordt opengesteld voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt (bijvoorbeeld nabestaanden), de RvdK, de GI en de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp waar de minderjarige is geplaatst. Ook geldt voor minderjarigen die jonger zijn dan twaalf jaar een informele rechtsingang, zodat ook zij zich tot de rechter kunnen wenden als sprake is van een geschil over de uitoefening van de voogdij. Op basis van deze regeling krijgen dus ook kinderen van femicideslachtoffers en nabestaanden die hen opvoeden en verzorgen toegang tot de rechter bij geschillen over de uitoefening van de voogdij door de GI. Het bereik van de geschillenregeling is beperkt tot de genoemde groep om te voorkomen dat minderjarigen onderwerp kunnen worden van extra juridische procedures begonnen door personen die geen directe verantwoordelijkheid hebben voor de verzorging of opvoeding van het kind.
Wat betreft andere mogelijkheden voor toegang tot de rechter biedt de wet op dit moment al de mogelijkheid aan nabestaanden om de rechter te verzoeken de voogdij van een natuurlijke persoon (bijvoorbeeld een andere nabestaande) of een GI te beëindigen als zij – kort gezegd – menen dat de voogdij niet op een verantwoorde wijze wordt uitgeoefend en de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd (artikel 1:329, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:327 en 1:328 BW). Deze mogelijkheid staat open voor bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad. Daaronder vallen onder andere grootouders, ooms en tantes en meerderjarige broers en zussen. Zij kunnen de rechter ook verzoeken om hen daarna met de voogdij te belasten (artikel 1:334, lid 1 en 2, BW). Nabestaanden kunnen daarnaast, indien zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot de minderjarige, een verzoek tot vaststelling, wijziging of ontzegging van het recht op omgang indienen bij de rechtbank (artikel 1:377a en 1:377e BW).
De wet schrijft voor dat de kinderrechter die een beslissing neemt over een minderjarige van twaalf jaar of ouder (zoals een beslissing over de voogdij), die minderjarige eerst in de gelegenheid stelt om zijn mening te geven, bijvoorbeeld tijdens een kindgesprek (artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt, in aansluiting op de huidige rechtspraktijk, voorgesteld om deze wettelijke leeftijdsgrens te verlagen naar acht jaar. Indien daar aanleiding voor is kan de rechter overigens ook minderjarigen die jonger zijn dan acht jaar in de gelegenheid stellen hun mening kenbaar te maken.
Welke mogelijkheden ziet u om de regels dan wel de wet te wijzigen zodat kinderen en nabestaanden van femicideslachtoffers toegang krijgen tot de rechter bij geschillen over voogdij en expliciet kunnen verzoeken om (op termijn) met de voogdij te worden belast? Hoe zou hierbij de de stem en inspraak van kinderen geborgd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Welke mogelijkheden zijn er om te borgen dat in gevallen waarin kinderen getuige zijn geweest van huiselijk geweld en in het bijzonder van partnerdoding of een poging daartoe, het Openbaar Ministerie ook vervolgt wegens kindermishandeling?
De beleidsregels van het Openbaar Ministerie zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in onder meer de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (hierna: Aanwijzing). In algemene zin gaat de Aanwijzing uit van de bescherming van kwetsbaren, waaronder kinderen, en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de veiligheid binnen het gezin. Op dit moment is niet in een beleidsregel van het Openbaar Ministerie expliciet opgenomen dat getuige zijn van huiselijk geweld en/of (een poging tot) partnerdoding leidt tot strafrechtelijke vervolging wegens kindermishandeling. De in de vraag benoemde waarborging ligt in het in de Aanwijzing opgenomen uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie in een concrete zaak kan vervolgen wegens kindermishandeling in voornoemde gevallen, afhankelijk van de feiten, omstandigheden en de bewijsbaarheid. Het Openbaar Ministerie kan overigens ook ambtshalve vervolgen, behoudens in het geval van klachtdelicten.
Hoe beoordeelt u de wens uit de praktijk om te komen tot een protocol waarin wordt vastgelegd waar kinderen van femicideslachtoffers verblijven en waarin tevens een verplichting wordt opgenomen voor de Raad voor de Kinderbescherming om, indien dit in het belang van het kind is, het contact met de familie van de vermoorde moeder in stand te houden en zich daar actief voor in te zetten?
In het kader van de aanbevelingen uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» wordt gekeken naar de werking en mogelijke verbetering van het bestaande Handelingsprotocol omgang na partnerdoding. Daarin nemen wij deze wens uit de praktijk mee. Zoals in de beantwoording van vragen 5, 6 en 7 is aangegeven, zal de Minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer voor de zomer een bredere reactie op dit aanpakplan toesturen.
In hoeverre acht u het van belang dat rechters die oordelen over zaken waarin sprake is van (ernstig) huiselijk geweld, dwingende controle, intieme terreur of femicide, beschikken over aantoonbare en specialistische kennis op dit terrein? Hoe verhoudt dit belang zich tot de constatering in het recente rapport van de Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence, dat voor rechters en officieren van justitie geen verplichte scholing bestaat op dit onderwerp?4 Op welke wijze sluit het voornemen van de Raad voor de rechtspraak, zoals opgenomen in het jaarplan 2026, om te investeren in kennis over femicide en intieme terreur hierbij aan?5
Wij achten het van belang dat de rechters die oordelen over zaken waarin vormen van (ernstig) huiselijk geweld spelen, beschikken over de juiste kennis hierover. Uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» door het Verwey-Jonker Instituut volgt dat kennis over huiselijk geweld en geweldspatronen tot de algemene basiskennis van (familie)rechters zou moeten behoren. Dit is onderdeel van het verbeterplan waar in de vraag naar wordt verwezen, dat onder meer ziet op het verbinden van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter. Daarnaast ziet het verbeterplan ook op deskundigheidsbevordering binnen alle rechtsgebieden van de rechtspraak en van officieren van justitie. Hierover worden momenteel gesprekken gevoerd met de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. De scholing van rechters en officieren van justitie is ook onderdeel van deze gesprekken. De Rechtspraak is momenteel in samenwerking met SSR, het opleidingsinstituut van zowel de rechtspraak als het Openbaar Ministerie, het cursusaanbod over huiselijk geweld aanzienlijk aan het uitbreiden.
Zoals hiervoor aangegeven, wordt de Tweede Kamer voor de zomer nader geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Bent u voornemens deze bijscholing verplicht te stellen en, zo ja, op welke termijn? En zo nee: hoe voorkomt u dat scholing vrijblijvend blijft en vooral wordt gevolgd door rechters die hier al affiniteit mee hebben?
Zie antwoord vraag 12.
De misstanden en uitbuiting van Nederlandse jongeren in Franse gastgezinnen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikelen in de Telegraaf en Dagblad van het Noorden over de misstanden bij Franse gastgezinnen waar Nederlandse jongeren via jeugdzorgbedrijf Tjeenz en onderaannemer Force en Soi werden geplaatst? Wat is uw reactie op dit artikel waaruit blijkt dat Nederlandse jongeren feitelijk werden uitgebuit in plaats van dat zij hulp kregen voor hun problemen?1, 2
Ja. Ik ben geschrokken van het bericht dat er mogelijk misstanden waren bij Nederlandse jongeren die in Frankrijk jeugdhulp krijgen. Iedere jongere moet in een veilige omgeving hulp kunnen krijgen, ook als deze hulp in het buitenland wordt gegeven.
Is bekend hoeveel jongeren momenteel in het buitenland zitten via soortgelijke trajecten? Kunt u garanderen dat al deze jongeren nu veilig zijn?
Als jongeren in het buitenland worden geplaatst, dan dient de verplichte procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden gevolgd te worden. Met deze procedure wordt voorafgaand aan de plaatsing van de jongere in het buitenland instemming gevraagd aan de buitenlandse Centrale autoriteit, zodat de landelijke autoriteiten van dat land op de hoogte zijn van de plaatsing. Het CA heeft dus zicht op het aantal geregistreerde (pleegzorg)plaatsingen in het buitenland. Meestal gaat dat om plaatsingen bij familieleden, in een enkel geval bij een gastgezin of zorginstelling. In 2024 ging dit in totaal om 12 kinderen. Als deze procedure niet wordt gevolgd, dan is er geen zicht op deze jongeren en zijn de mogelijkheden om effectief toezicht te houden en op te treden wanneer de veiligheid van jongeren in het geding is beperkt, aangezien de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) geen toezicht houdt in het buitenland.
Wie is er volgens u verantwoordelijk voor het toezicht op leefomstandigheden en kwaliteit van hulp, op het moment dat een jongere in het buitenland wordt geplaatst? Hoe wordt het toezicht vormgegeven en hoe wordt de kwaliteit van de geboden hulp getoetst? Wie is er bevoegd om in te grijpen bij misstanden? Wat is de rol van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bij jeugdhulp in het buitenland?
De Nederlandse kwaliteitseisen gelden ook voor jeugdhulp die gemeenten of aanbieders in het buitenland inkopen of aanbieden. Een gemeente of jeugdhulpaanbieder die ervoor kiest jeugdhulp in het buitenland in te zetten, moet zich er dus van vergewissen dat deze hulp voldoet aan de in Nederland geldende eisen en dat wordt voldaan aan internationale regelgeving en de wet- en regelgeving van het ontvangende land. Zij zijn hier verantwoordelijk voor.
Voordat een jongere geplaatst kan worden in het buitenland, dient de procedure bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden gevolgd te worden door aanbieders en gemeenten. Het volgen van de procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden is de verantwoordelijkheid van de plaatsende instantie, namelijk de gemeente of GI. Deze procedure staat beschreven in de Europese Verordening Brussel II ter. De Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het plaatsende land vraagt hierbij goedkeuring aan de Centrale autoriteit van het ontvangende land alvorens in dat land jeugdhulp verleend kan worden aan een jongere. Dit is van belang zodat het land waar de jongere wordt geplaatst hiervan op de hoogte is, weet wie toezicht houdt en hoe zo nodig contact opgenomen kan worden met de ouders. Bovendien is de procedure voor het plaatsen van de jongere in het buitenland onderhevig aan de nationale regels en voorwaarden van dat land. Via de Centrale autoriteiten kan informatie worden gevraagd welke regels en voorwaarden dat zijn, dit kan per land verschillen.
Verder dienen de afspraken die gemaakt zijn in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd opgevolgd te worden. Het Platform Jeugdhulp in het Buitenland, de IGJ en de VNG hebben deze afspraken gemaakt. De jeugdhulpaanbieder die jongeren in het buitenland plaatst is volgens het Afsprakenkader verplicht aan de IGJ door te geven wie de lokale toezichthouder is en hoe het toezicht op de kwaliteit is vormgegeven (en wie er dus kan ingrijpen bij eventuele misstanden). Op deze manier kan, indien er zorgen zijn over de kwaliteit van de zorg in het buitenland, de IGJ contact opnemen met de buitenlandse collega-inspectie. Gemeenten hebben in dit kader ook een verantwoordelijkheid, in het Afsprakenkader is hierover het volgende opgenomen: «Nederlandse gemeenten hebben zich aan de afspraken uit dit kader verbonden. Dit betekent dat gemeenten zorgdragen dat iedere buitenlandse plaatsing volgens de criteria van dit afsprakenkader geschiedt.»
Hebt u ook gelezen dat dat deze jongeren stiekem eten aten dat voor dieren was bedoeld, geen wc tot hun beschikking hadden in de nacht, werden opgesloten, rotklussen moesten doen en werden vernederd? Hoe kan het dat deze ernstige misstanden niet eerder ergens zijn opgepakt door de verantwoordelijke organisaties of anderen?
Ja, ik ben erg geschrokken van deze berichten. Jongeren moeten in een veilige omgeving hulp kunnen krijgen, ook als deze hulp in het buitenland wordt gegeven. De verplichte procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden is in deze situatie niet gevolgd. Als deze verplichte procedure en het Afsprakenkader niet worden gevolgd, dan is er geen zicht op deze jongeren en zijn de mogelijkheden om effectief toezicht te houden en op te treden wanneer de veiligheid van jongeren in het geding is beperkt, aangezien de IGJ geen toezicht houdt in het buitenland.
Kunt u verklaren waarom er niet eerder is ingegrepen bij Force en Soi? Waar is dit misgegaan? Zijn er de afgelopen jaren signalen binnen gekomen bij gemeenten, hulporganisaties en de Franse of Nederlandse Inspectie? Zo ja, wat is er gedaan met deze signalen?
De IGJ heeft mijn ministerie gemeld dat zij recentelijk is geïnformeerd door betrokken Nederlandse zorgaanbieders en Franse autoriteiten over het intrekken van de vergunning van Force en Soi. De IGJ kan niet ingaan op individuele casuïstiek of meldingen.
Klopt het dat de IGJ formeel geen rol heeft bij jeugdhulp in het buitenland, maar de toezichthouder in het betreffende land? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Ja, dat klopt. Om het toezicht in het buitenland te regelen voor Nederlandse jongeren dient de verplichte procedure bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden te worden gevolgd. De IGJ is niet bevoegd om toezicht te houden in het buitenland. Als er jeugdhulp wordt geboden in het buitenland, dan moet de aanbieder die dit aanbiedt of gemeente die dit inkoopt hierover afspraken maken met de lokale toezichthouder en er moet op nationaal niveau toestemming zijn van het ontvangende land. De IGJ moet geïnformeerd worden over welke lokale toezichthouder toezicht houdt.
Wat is precies de status van het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod dat door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Platform aanbieders in het buitenland en de IGJ is opgesteld? Klopt het dat er ook aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen?
Het Afsprakenkader bevat afspraken die zijn opgesteld door het Platform Jeugdhulp in het buitenland, de IGJ en de VNG om de kwaliteit van de in het buitenland geboden jeugdhulp te kunnen waarborgen. Het is de bedoeling dat met dit Afsprakenkader kwaliteitstandaarden voor jongeren die in het buitenland jeugdhulp krijgen geborgd worden wanneer een jongere, onder verantwoordelijkheid van een Nederlandse jeugdhulpaanbieder, in het buitenland jeugdhulp ontvangt. De VNG adviseert haar leden om bij trajecten in het buitenland alleen jeugdhulp in te kopen bij organisaties die zich aan het Afsprakenkader houden. Momenteel wordt het Afsprakenkader herzien en verbeterd.
Het klopt dat aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen. In het Afsprakenkader staat dat jeugdhulpaanbieders die zich aansluiten bij het Platform Jeugdhulp in beginsel moeten voldoen aan de kwaliteitsvereisten genoemd in het Afsprakenkader. Wanneer een jeugdhulpaanbieder zich niet aansluit bij het Platform Jeugdhulp, dan is het aan de betrokken gemeente het gesprek te voeren met de jeugdhulpaanbieder die zij heeft gecontracteerd over hoe de kwaliteitsvereisten geborgd worden.
Deelt u de mening dat het afsprakenkader op geen enkele wijze aandacht heeft voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren? Hoe verklaart u het dat hier zo weinig aandacht voor is, en er zo weinig geleerd lijkt te zijn van de vele rapporten die de schadelijke gevolgen van repressie en afzondering duidelijk maken?
Kinderen horen veilig te zijn in de jeugdhulp en zij verdienen kwalitatief goede zorg. Ik ga in gesprek met de IGJ en de VNG over hoe dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen. Daarnaast wordt het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd herzien en verbeterd. Ik zal bij partijen benadrukken dat daarin ook aandacht moet zijn voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren. Ook wil ik dat er meer aandacht komt voor de verplichte procedure van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden.
Wordt aan jongeren die in het buitenland worden geplaatst expliciet kenbaar gemaakt dat ze recht hebben op een vertrouwenspersoon? Zo nee, hoe rijmt dit met de Jeugdwet en Kinderrechten?
Het is aan plaatsende jeugdhulpaanbieders om hierop toe te zien dat dit gebeurt. Plaatsende jeugdhulpaanbieders dienen de Jeugdwet en kinderrechten in acht te nemen.
Deelt u de mening dat deze misstanden vragen om aanpassing van het afsprakenkader om de positie van kinderen te beschermen? Maar ook om beter toezicht? Zo ja, gaat u dit oppakken met de VNG en de IGJ?
Zie ook het antwoord bij vraag 8: het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd wordt herzien en ik ga in gesprek met de IGJ en de VNG over hoe dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen.
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen, zoals een helm, bestaan. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet het gebruik van helmen in haar toezicht, zowel helmen met als zonder slot, voornamelijk in de gehandicaptenzorg. Als deze hulpmiddelen worden gebruikt is dat meestal bij mensen die zelf verwondend gedrag vertonen of bij mensen met epilepsie. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en de Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG) geven desgevraagd aan dat gebruik gemaakt wordt van zogenoemde epilepsiehelmen (valhelmen), om te voorkomen dat cliënten bijvoorbeeld ernstig letsel oplopen bij (onverwachte) valpartijen tijdens een epileptische aanval. Ook de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Nederlandse GGZ geven aan dat, in uitzonderlijke gevallen, op basis van de juiste wet- en regelgeving het gebruik van een (val)helm zou kunnen worden toegepast. In alle gevallen geldt dat de toepassing van een dergelijk hulpmiddel, zoals een helm, met voldoende waarborgen is omkleed.
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Ja, het gebruik van hulpmiddelen kan toegestaan zijn, maar alleen conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Als niet wordt voldaan aan die wet- en regelgeving is het gebruik ervan niet toegestaan.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders verplicht om zorg van goede kwaliteit te bieden. Daaronder wordt mede verstaan het verlenen van zorg die in ieder geval veilig is. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden toegepast onder toepassing van de criteria en procedures van de wet. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg vanwege een psychische stoornis. De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) regelt de rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie). Er moet sprake zijn van ernstig nadeel, bijvoorbeeld een aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel.
Ook mogen er geen minder ingrijpende alternatieven (proportionaliteit) of vrijwillige alternatieven zijn waardoor geen of minder dwang kan worden toegepast (subsidiariteit), en moet de veiligheid geborgd zijn.
Op grond van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen is gebruik van een valhelm (of een schuimhelm) bij een tbs-gestelde of een gedetineerde alleen toegestaan als dat noodzakelijk is ter afwending van een ernstig gevaar voor de eigen gezondheid of voor de veiligheid van anderen. Voor de toepassing en voor het middel zelf (de helm) zijn eisen uitgewerkt in lagere regelgeving.2 In de lagere regelgeving over de toepassing mechanische middelen wordt benoemd dat dergelijke mechanische middelen alleen kunnen worden toegepast wanneer dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is en dat respect voor de menselijke waardigheid niet uit het oog mag worden verloren. Voorafgaand aan de toepassing van mechanische middelen dient te worden bezien of kan worden voorkomen dat de verpleegde of gedetineerde wordt belemmerd in de zelfstandige uitvoering van lichaamsfuncties, zoals eten en drinken.
Als de cliënt, betrokkene, verpleegde of gedetineerde zich verzet tegen het dragen van een helm, bijvoorbeeld omdat hij in zijn bewegen wordt beperkt of het niet prettig vindt, betreft dit het verlenen van gedwongen zorg. Deze zorgvorm kan, afhankelijk van het geval, worden geduid als een beperking van de bewegingsvrijheid of de vrijheid om het eigen leven in te richten. De wettelijk verplichte procedures voor gedwongen zorg op grond van bovengenoemde wetten moeten dan eerst worden doorlopen. In het geval van de Wvggz moet een zorgmachtiging bij de rechter worden aangevraagd en in het geval van de Wzd moet het verplichte stappenplan worden gevolgd. Personen die forensische zorg ontvangen in een Wvggz- of Wzd-accommodatie vallen onder het regime waaronder zij zijn opgenomen.
Het toezicht op de toepassing van mechanische middelen onder de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt onder meer uitgeoefend door de Commissie van Toezicht, een bij wet ingesteld onafhankelijk orgaan dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen vanwege de afhankelijke positie van justitiabelen.3 Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van zorg in justitiële inrichtingen en ziet de Inspectie Justitie en Veiligheid toe op veilige en verantwoorde sanctietoepassing. In de praktijk trekken deze inspecties regelmatig gezamenlijk op. De IGJ houdt bovendien toezicht op de naleving van de Wvggz en de Wzd en ziet daarbij ook toe op de veiligheid van de cliënten en betrokkenen.
Vilans heeft voor de Wzd sinds 2020 programma’s ontwikkeld die bijdragen aan meer bewustwording en kennisvergroting ten aanzien van gedwongen zorg4. Voor de Wvggz hebben verschillende scholingen en symposia over gedwongen zorg plaatsgevonden en is de Coalitie Voorkomen Verplichte Zorg actief, ondersteund door Akwa GGZ en de Nederlandse GGZ.
Bovendien wordt gewerkt aan multidisciplinaire richtlijnen voor de Wvggz en Wzd, waar ook de patiënten- en cliëntenvertegenwoordiging bij wordt betrokken. Het veld ontplooit diverse activiteiten die zien op kennisvergroting en voorlichting. Vanzelfsprekend maakt de Wvggz onderdeel uit van de opleiding tot psychiater, zowel in het verplichte onderwijs als in diverse cursussen. Daarnaast zijn verschillende scholingen en e-learnings beschikbaar en worden regelmatig symposia georganiseerd.
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
De bovengenoemde wetgeving gaat over beslissingen per individu: de inzet van een hulpmiddel is dan ook per betrokkene of cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. De hulpmiddelenwijzer5 kan behulpzaam zijn voor zorgverleners. De hulpmiddelen kunnen zowel in een instelling als in een ambulante setting worden ingezet.
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Omdat gedwongen zorg een inbreuk maakt op grondrechten van de betrokkenen en cliënten zijn de internationale en Europese verdragen op het gebied van mensenrechten van groot belang.
In het kader van gedwongen zorgverlening zijn de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 17 van het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het VN-Verdrag Handicap het meest relevant. Zo bevat artikel 5 van het EVRM een regeling over vrijheidsontneming en heeft eenieder op grond van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 IVBPR het recht op respect voor zijn privéleven. Een beperking van grondrechten moet gelegitimeerd zijn door een wet in formele zin en voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De Wvggz, de Wzd, de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voldoen aan de grondwettelijke en verdragsrechtelijke eisen.
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
De Wvggz en de Wzd kunnen ook van toepassing zijn bij jeugdigen. Op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) kunnen in uitzonderlijke gevallen, met voldoende waarborgen omkleed, mechanische middelen zoals een valhelm of schuimhelm worden toegepast wanneer deze vrijheidsbeperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige.
In de gesloten jeugdhulp mag op grond van de Jeugdwet de bewegingsvrijheid van jeugdigen worden beperkt. Echter, alleen de in de Jeugdwet genoemde maatregelen mogen daarbij worden toegepast. Het gebruik van hulpmiddelen zoals deze specifieke helm is niet toegestaan.
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Gedwongen zorg grijpt diep in op de persoonlijke integriteit van mensen die ermee te maken krijgen. Besluiten tot inzet hiervan worden niet lichtvaardig genomen. Gezien de kwetsbare situatie van mensen die hiermee te maken krijgen, zijn controlemechanismen van groot belang om hier zicht op te houden. De Wvggz en de Wzd zijn erop gericht om te bewerkstelligen dat gedwongen zorg alleen als uiterste middel wordt ingezet. De rechtsbescherming in beide wetten is met name vormgegeven door strikte procedures over de besluitvorming, evaluatie en beëindiging van gedwongen zorg zoals beschreven bij antwoord 2, de bijstand van een advocaat en een vertrouwenspersoon en door de mogelijkheid om over de toepassing van gedwongen zorg een klacht in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. Daarnaast ziet de IGJ toe op de naleving van deze wetten.
Voorafgaand aan het nemen van een beslissing over de toepassing van mechanische middelen wordt de verpleegde of de gedetineerde in beginsel in de gelegenheid gesteld om in voor hem begrijpelijke taal te worden gehoord.6 Indien wordt besloten tijdens de separatie mechanische middelen in te zetten, worden de Commissie van Toezicht en de dienstdoende arts binnen de kliniek of inrichting daarvan onverwijld in kennis gesteld. Daarnaast kan de justitiabele op grond van de wet tegen de beslissing in beklag gaan, al dan niet vergezeld van een verzoek tot schorsing, bij de beklagcommissie. Ook staat beroep open bij de Afdeling rechtspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.7
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Ja, personeelstekort mag geen reden zijn om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Gedwongen zorg kan alleen als uiterst middel en nooit zonder zorgvuldige besluitvormingsprocedure toegepast worden bij een betrokkene of cliënt. Integendeel, dergelijke maatregelen vragen soms juist extra capaciteit vanwege de vaak intensievere zorg voor de betreffende persoon en voortdurende beoordeling of de maatregel al dan niet moet worden voortgezet.
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
De inzet van hulpmiddelen in de zorg wordt door zorgverleners conform de geldende wet- en regelgeving en richtlijn(en) gedaan. Richtlijnen zijn gebaseerd op de stand der wetenschap en praktijk en worden in multidisciplinair verband gemaakt. Specifieke onderzoeken naar de inzet van de helm met slot zijn de ministeries van VWS en J&V niet bekend.
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Dergelijke onderzoeken zijn bij de ministeries van VWS en J&V niet bekend. Er is geen aanleiding om met onmiddellijke ingang de productie en het gebruik van hulpmiddelen te verbieden. Er zijn situaties waarin gedrag dat voortkomt uit een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening kan leiden tot ernstig nadeel voor een persoon zelf of anderen. Dan is het nodig om een handelingsperspectief te hebben. Ernstig nadeel betekent kort gezegd dat er een aanzienlijk risico bestaat dat iemand zichzelf of anderen schade toebrengt. Gedwongen zorg kan worden overwogen als iemands gedrag leidt tot ernstig nadeel en als dat gedrag een gevolg is van een psychiatrische of psychogeriatrische stoornis of een verstandelijke beperking. Die gedwongen zorg, zoals het gebruik van een helm, kan uitsluitend als uiterste middel worden verleend als het gebruik ervan noodzakelijk, geschikt en proportioneel is, en er geen vrijwillige alternatieven zijn en dan zo kort en minst ingrijpend mogelijk.
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Indien het om een medisch hulpmiddel gaat, dan moet dit voldoen aan de Medical Device Regulation (MDR) om op de Europese markt te worden toegelaten. De MDR stelt eisen aan de veiligheid, prestaties en klinische onderbouwing van medische hulpmiddelen. Hierin wordt gewerkt met een risico gebaseerd systeem: hoe hoger het risico voor de patiënt, hoe strenger de eisen. Hulpmiddelen worden ingedeeld in risicoklassen (klasse I, IIa, IIb en III). Het is aan een fabrikant om te bepalen of zijn product een medisch hulpmiddel is. Als dat het geval is, worden de hulpmiddelen (uitgezonderd risicoklasse I) getoetst door een certificerende instantie in Europa: een «notified body». Bij een positieve beoordeling kan de CE-markering worden aangebracht, waarmee het hulpmiddel rechtmatig op de Europese markt kan worden gebracht. De IGJ is in Nederland toezichthouder op deze wet- en regelgeving.
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Zoals aangegeven in vraag 11 mogen medische hulpmiddelen op de markt worden gebracht als zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Gesteld kan worden dat de tekst op de betreffende website zorgvuldiger kan. Zoals voorgaand in de antwoorden is aangegeven kan gedwongen zorg en de inzet van hulpmiddelen niet zomaar plaatsvinden, daar gelden zorgvuldige besluitvormingsprocedures voor om zodoende de rechtspositie van betrokkenen en cliënten te waarborgen.
Het artikel 'Grote gemeentes bezorgd over huisvesting vrijgekomen gevangenen' |
|
Lisa Westerveld (GL), Fatihya Abdi (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Mona Keijzer , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van 58 wethouders uit 47 gemeenten over de concept-ministeriële regeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting? Herkent u hun zorg dat huisvesting voor mensen die uitstromen uit gevangenissen, opvanglocaties en jeugdzorginstellingen, straks geregeld moet worden door de gemeente waar die instelling staat?1
Ja.
Herkent u het beeld dat het voor het herstel van mensen die uitstromen uit deze voorzieningen doorgaans goed is dat zij dit kunnen doen in de regio waar zij vandaan komen, omdat daar vaak het eigen sociale netwerk zit?
Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed netwerk gericht op hulp en ondersteuning van grote meerwaarde. Een terugkeer naar de regio van herkomst kan hieraan bijdragen. Er kunnen echter zwaarwegende redenen zijn juist niet terug te keren naar de regio van herkomst, bijvoorbeeld vanwege de belangen van slachtoffers of de aanwezigheid van een crimineel netwerk. Het is dus van belang om maatwerk te kunnen leveren.
Hoe rijmt u het beleidsvoornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat, in plaats van waar de uitstromers vandaan komen, met het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet en het Bestuurlijk akkoord Re-integratie van (ex-) gedetineerde burgers (paragraaf 5, lid 1)?2
Allereerst wil ik benadrukken dat ik oog heb voor de serieuze zorgen van de gemeenten. Op maandag 16 februari 2026 is de ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting (hierna: ontwerpregeling) opnieuw in internetconsultatie gegaan, waar ik deze signalen verzamel. Graag licht ik onderstaand de ontwerpregeling toe.
In tegenstelling tot wat in vraag 3 wordt gesuggereerd, is er geen voornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat. Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting zorgt ervoor dat alle gemeenten een evenwichtige bijdrage leveren aan de huisvestingsopgave van kwetsbare groepen. Bij de vraag is van belang, dat het bij dit wetsvoorstel gaat om urgentie voor specifieke benoemde groepen en niet voor alle (ex-gedetineerden). Ook is van belang dat het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting ruimte biedt voor maatwerk door het maken van afspraken door de gemeenten over de verdeling van de urgenten.
Het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet is bedoeld om te regelen welke gemeente verantwoordelijk is voor de organisatie en financiering van jeugdzorg. In het Bestuurlijk akkoord «Re-integratie van (ex-)justitiabele burgers» is vastgelegd dat in principe wordt teruggekeerd naar de gemeenten van herkomst, behalve als er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen. Het is niet de bedoeling dat de ontwerpregeling conflicteert met het woonplaatsbeginsel of het Bestuurlijk akkoord.
De ontwerpregeling stelt geen eisen aan de manier waarop en welke gemeenten regie voert op de huisvesting van uitstromers uit instellingen, maar bepaalt alleen in welke regio een urgent woningzoekende in aanmerking komt voor maatschappelijke binding. In de ontwerpregeling is vastgelegd dat een woningzoekende maatschappelijk gebonden aan een woningmarktregio is, indien hij:
Er is bewust gekozen om niet uitsluitend maatschappelijke binding te laten ontstaan met de gemeente van herkomst. Hiermee wordt geborgd dat elke woningzoekende zich – afhankelijk van de specifieke omstandigheden – zich kan wenden tot een passende regio met een aanvraag voor een urgentie; ook een woningzoekende die verblijft in een instelling. Hiermee wordt gepoogd te voorkomen dat een woningzoekende tussen wal en schip valt en in geen enkele regio in aanmerking komt voor urgentie. Daarnaast bestaat nog specifiek voor ex-gedetineerden en uitstromers uit de vrouwenopvang de mogelijkheid voor urgentie in een andere regio indien de woningzoekende een zwaarwegend belang heeft zich niet in de huidige woningmarktregio te vestigen. Voor de hand ligt dat deze woningzoekende zich zal wenden tot een woningmarktregio waarmee de woningzoekende een positieve binding zal hebben.
De internetconsultatie sluit op 30 maart 2026. Mocht uit de consultatie blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Herinnert u zich dat het woonplaatsbeginsel er enkele jaren geleden juist is gekomen om duidelijkheid te geven over de verantwoordelijkheid van gemeenten, en problemen op te lossen? Hoe voorkomt u dat dit weer zorgt voor nieuwe problemen?
In de ontwerpregeling is er bewust voor gekozen om niet uitsluitend maatschappelijke binding te laten ontstaan met de woningmarktregio van herkomst. De ontwerpregeling leidt juist voor de urgentieverlening tot duidelijkheid doordat een gemeente zich daarvoor verantwoordelijk moet achten, ook als er tevens een verantwoordelijkheid kan zijn voor een andere gemeente. Hierdoor hebben woningzoekenden meerdere opties en kunnen zij zich wenden tot de woningmarktregio die het beste past bij hun situatie.
Kent u de fair shareafspraken die veel regio’s hebben gemaakt over de huisvesting van uitstromers op basis van het aantal uitstromers en het uitgangspunt «terugkeer naar herkomst binnen de regio»? Hoe kijkt u in dit verband naar het voorgenomen beleid, waardoor regio's opnieuw afspraken moeten maken? Hoe rijmt u dit met het feit dat huisvesting in de regio van herkomst het beste is, en ook altijd uitgangspunt van beleid is geweest?
Ik ben bekend met de door de leden genoemde afspraken. Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting verplicht gemeenten om een huisvestingsverordening met daarin ten minste een urgentieregeling vast te stellen en regionale afspraken te maken over de evenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden. Dit betekent dat gemeenten de eerder gemaakte afspraken als basis kunnen gebruiken.
Hoort u het signaal dat gemeenten afgeven ten aanzien van de druk die met dit beleidsvoornemen wordt gelegd op de toekomstige totstandkomingen van bovenregionale voorzieningen? Hoe voorkomt u dat er een nog grotere druk komt op regio's met veel voorzieningen met betrekking tot de uitstroom en huisvesting van bijzondere doelgroepen?
Ik hoor het signaal dat gemeenten hiermee afgeven en ben daarom ook in gesprek met de VNG over de afbakening van het begrip maatschappelijke binding in de ontwerpregeling. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is een evenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden. De manier waarop maatschappelijke binding wordt vormgegeven in de ontwerpregeling moet hieraan bijdragen. Mocht uit de consultatie blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Klopt het dat van alle gedetineerden (circa 1.100 mensen) in de penitentiaire inrichting (PI) in regio Noordoost-Brabant (NOB) meer dan 90% bovenregionaal is? En dat dit zou betekenen dat deze regio komende jaren bijna 1.000 mensen extra zal moeten huisvesten? Hoe kijkt u naar het feit dat regio's met grotere bovenregionale voorzieningen extra hard worden geraakt door dit beleidsvoornemen, omdat zij nu een grote groep extra mensen zal moeten huisvesten?
Het klopt niet dat van alle gedetineerden in de PI’s in regio Noordoost-Brabant meer dan 90% bovenregionaal is. In de regio Noordoost-Brabant bevinden zich twee PI’s: de PI Vught en de PI Grave. Op basis van de gegevens van de Dienst Justitiële Inrichtingen was de gemiddelde bezetting in 2025 van deze twee PI’s samen 1.079 gedetineerden. Binnen deze groep had 25.9% een woonadres in de regio Noordoost-Brabant. Daarnaast was een groot aantal woonachtig in de aanpalende regio’s, te weten regio Zeeland-West Brabant (19.2%) en regio Limburg (14.7%). In 2025 zijn ongeveer 135 gedetineerden uitgestroomd in de regio Noordoost-Brabant.
De gemiddelde bovenregionale bezetting van de PI’s in de regio Noordoost-Brabant betekent dus niet dat deze regio komende jaren bijna 1.000 extra mensen zal moeten huisvesten. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 is er geen beleidsvoornemen om alle gedetineerden in deze PI’s na uitstroom te huisvesten in deze regio. Bij de vraag is voorts van belang, dat het bij het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting gaat om urgentie voor specifieke benoemde groepen en niet voor alle (ex-gedetineerden). Feit is voorts dat in het Bestuurlijk akkoord «Re-integratie van (ex-)justitiabele burgers» is vastgelegd dat in principe wordt teruggekeerd naar de gemeenten van herkomst.
Herkent u het beeld dat veel regio's met grote instellingen juist koploper zijn in het huisvesten van kwetsbare groepen? En dat juist deze regio’s een hoger percentage hanteren dan het Rijk vraagt (15%) ten aanzien van het toewijzen van sociale huurwoningen aan bijzondere doelgroepen, zoals de regio Noordoost-Brabant die 30% hanteert? Deelt u de verwachting dat, door een extra bovenregionale opgave voor deze regio’s, alle bijzondere doelgroepen langer moeten wachten op een woning? Deelt u onze mening dat het onwenselijk is dat juist regio's die vooroplopen in het aanpakken van dakloosheid en het helpen van mensen in kwetsbare posities, extra hard worden geraakt door dit voornemen? En dat er bovendien een prikkel verdwijnt voor andere regio's om ook een hoger toewijzingspercentage te hanteren?
Ik herken het beeld dat het huisvesten van kwetsbare groepen nu niet evenredig is verdeeld. Op dit moment zien we dat niet alle gemeenten bijdragen aan de huisvesting van urgent woningzoekenden. Het kabinet acht dit ongewenst.
Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is er daarom op gericht dat de huisvesting van wettelijk urgent woningzoekende evenredig wordt verdeeld over alle gemeenten. Dit wetsvoorstel ondersteunt dus de gemeenten die nu vooruitlopen en voorkomt dat alle bijzondere doelgroepen lager moeten wachten op een woning. Zie ook het antwoord op vraag 5 inzake de goede regionale afspraken die gemeenten dienen te maken over het huisvesten van mensen uit kwetsbare groepen.
Het percentage waaraan wordt gerefereerd in de vraag is het terugvalpercentage dat in werking treedt indien gemeenten niet binnen de afgesproken tijd komen tot regionale afspraken over de toewijzing van huurwoningen aan urgent woningzoekenden. In de ontwerpregeling is dit percentage bepaald op 15%. Hiermee wordt een balans gezocht tussen woningen die beschikbaar moeten zijn voor de urgent woningzoekenden en andere woningzoekenden.
Het voornemen vormt eerder een extra aanleiding voor alle regio’s om de aanpak van dakloosheid prioriteit te geven. Regio’s die al een sterke aanpak hebben, zullen daar in de uitvoering van dit voornemen baat bij hebben. Regio’s die voorlopen in het aanpakken van dakloosheid, worden op eenzelfde manier geraakt als regio’s die minder ver zijn daarin.
Hoe voorkomt u dat door dit voornemen mensen uit kwetsbare groepen nog sneller dakloos raken?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om dit artikel te herzien, zodat ook de uitvoering van het wetsvoorstel in lijn is met het woonplaatsbeginsel dat o.a. in de Jeugdwet is geformuleerd? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om bestuurlijk met de schrijvende gemeenten in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet bepaalt welke specifieke gemeente verantwoordelijk is voor de organisatie en financiering van de jeugdhulp. In de ontwerpregeling is er bewust voor gekozen om binding met meerdere woningmarktregio’s mogelijk te maken, om te voorkomen dat woningzoekenden tussen wal en schip vallen. Het wordt daarom niet logisch geacht om het woonplaatsbeginsel vanuit de Jeugdwet te hanteren voor dit onderdeel van de ontwerpregeling.
Naar aanleiding van de brief is gesproken met de VNG over de genoemde zorgen van de 47 gemeenten en is het begrip maatschappelijke binding verruimd met de ontwerpregeling. Deze verruiming is erop gericht dat de woningzoekende zijn maatschappelijke binding behoudt met de regio waar werd verbleven voorafgaand aan het verblijf in de instelling.
Voor de verdere uitwerking ga ik uiteraard in gesprek met de VNG. Mocht uit het gesprek met de VNG blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik uiteraard bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, voor de verdere behandeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting?
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
Spraakherkenningshulpmiddelen en tolken in relatie tot het onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Moes , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is er gebeurd met uw toezegging in antwoord op onze Kamervragen in augustus 20251 waarin u zegt «VWS en OCW gaan samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein en bekijken wat er eventueel nodig is om dat mogelijk te maken.»? Hebben deze gesprekken plaatsgevonden? Welke (aanvullende) behoeften zijn er bij leerlingen en studenten? Hoe gaat u hier samen met genoemde instanties aan werken?
De contacten voor deze gesprekken zijn gelegd. De inzet is om hier dit voorjaar met elkaar afspraken over te maken, zoals eerder toegezegd in de antwoorden op de vragen van uw Kamer van augustus jl.2 Voor de zomer zullen de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik uw Kamer informeren over de opbrengst van deze gesprekken.
Zijn in deze gesprekken ook slechthorende en dove leerlingen en studenten zelf bevraagd zodat hun ervaringen meegenomen worden? Bent u bereid ervaringsdeskundige leerlingen en studenten ook structureel te betrekken bij uw beleid rondom toegankelijkheid van het onderwijs? Zo ja, op welke manier?
Zeker, het is heel belangrijk om bij de gesprekken in het voorjaar het perspectief van ervaringsdeskundigen – bijvoorbeeld via Dovenschap en Fodok – mee te nemen. Zij brengen ervaringskennis in van de gebruikers van spraakherkenningshulpmiddelen.
Bent u het met ons eens dat zowel de toegang tot spraakherkenningshulpmiddelen als het meepraten van ervaringsdeskundigen over beleid dat hen aangaat, een verplichting is die voortvloeit uit het VN-Verdrag Handicap, maar ook gewoon in ons aller belang is?
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, gaan de Ministeries van VWS en OCW samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik bekijken wat er eventueel nodig en mogelijk is om in die behoeften te voorzien.
Kunt u toelichten waarom het UWV schrijftolken wél vergoedt voor het volgen van onderwijs, terwijl spraakherkenningshulpmiddelen, die dezelfde functionele behoefte vervullen (namelijk het omzetten van spraak naar tekst) voor werk wél, maar voor onderwijs niet door het UWV worden vergoed? Acht u deze ongelijke behandeling van functioneel gelijkwaardige voorzieningen logisch en uitlegbaar?
UWV kan inderdaad geen hulpmiddelen verstrekken die onder de Regeling zorgverzekering vallen. Vanuit UWV kunnen spraakherkenningshulpmiddelen alleen worden aangeboden aan mensen die een voorziening aanvragen voor werk. Spraakherkenningshulpmiddelen worden in het onderwijs wel vergoed door zorgverzekeraars, als deze onderdeel zijn van de volledige hooroplossing. Vergoeding is afhankelijk van de individuele situatie en de beoordeling daarvan.
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik vinden het belangrijk dat kinderen en jongeren met een gehoorbeperking ook goed kunnen meedoen in het onderwijs. De Ministeries van VWS en OCW gaan dit voorjaar samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in kaart brengen welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijs. Afhankelijk van de uitkomsten van deze gesprekken wordt bekeken wat er nodig is en mogelijk is om in die behoeften te voorzien.
Kunt u aanvullend ook uitleggen hoe uw antwoord op de vragen 5 en 6 in onze vorige Kamervragen (waarin u stelt dat mensen die doof en slechthorend zijn toegang moeten hebben tot hulpmiddelen die passen bij hun situatie en u stelt dat de toegang tot onderwijs voor deze groep geborgd moet zijn) zich verhoudt tot de complexe regelgeving waarbij vergoedingen voor hulpmiddelen afhankelijk zijn van de situatie en allemaal op een verschillende manier geregeld worden? Is het niet veel effectiever, gebruiksvriendelijker en uiteindelijk ook goedkoper als dit drastisch wordt versimpeld?
Het is vooral belangrijk dat hulpmiddelen aansluiten bij wat een leerling of student nodig heeft om deel te nemen aan het onderwijs. Niet iedere situatie in het onderwijs leent zich even goed voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen en niet voor ieder persoon is een dergelijk hulpmiddel passend. Het vinden van een passend hulpmiddel is en blijft maatwerk, waardoor versimpelen van regelgeving niet altijd eenvoudig is. Deze nuance nemen we mee in de gesprekken.
Bent u het met ons eens dat spraak-naar-teksthulpmiddelen op dit moment een belangrijke aanvullende rol vervullen in het onderwijs, met name wanneer er geen tolk beschikbaar is, en dat dit een reden zou moeten zijn om deze middelen te vergoeden voor degenen die dat nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen?
Spraakherkenningshulpmiddelen kunnen een passende oplossing zijn, maar dit is afhankelijk van de persoon en situatie. Een passende oplossing is maatwerk. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik zijn het met u eens dat het zeer vervelend is wanneer er geen tolk beschikbaar is en dat spraak-naar-teksthulpmiddelen in dat geval een aanvullende rol zou kunnen vervullen in het onderwijs.
Om de kans op een tolk te vergroten is er sprake van een (al bestaande) hardheidsclausule met betrekking tot de reiskosten. Hierdoor kunnen extra kilometers worden vergoed, bovenop de reguliere maximaal te declareren kilometers aan de tolk, als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden. Er is in het persoonlijk netwerk geen tolk gevonden, er een bemiddelingsopdracht bij Tolkcontact3 is uitgezet en er geen tolk is gevonden. Daarnaast is door Berengroep in opdracht van UWV en de Ministeries van OCW, SZW en VWS per 1 april de «achterwacht»-functie op vernieuwde wijze ingevuld. Hierdoor is er meer zekerheid dat er een tolk ingezet kan worden bij calamiteiten in het onderwijs-, werk- of leefdomein. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik nemen deze context mee in de gesprekken met betrokken partijen.
Is de vraag naar schrijf- en gebarentolken in het (hoger) onderwijs bekend? Zo ja, kunt u ons deze overzichten verstrekken? Zo nee, bent u bereid deze vraag structureel te monitoren?
Op dit moment zijn hier geen precieze cijfers over bekend. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie gaat in gesprek met de sector voor meer inzicht hierover.
Is bekend of naast de opleiding AD schrijftolk van de Hogeschool Utrecht2 nog meer opleidingen gaan stoppen? Kunt u de ontwikkeling van het aantal opleidingen en studenten in de afgelopen 5 jaar uiteenzetten? Erkent u dat het tekort aan schrijf- en gebarentolken niet wordt veroorzaakt door gebrek aan vraag of werk, maar door lage instroom en het dreigende verdwijnen van de opleiding tot schrijftolk, en dat dit vraagt om gericht opleidings- en instroombeleid? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Er zijn bij de Ministeries van VWS en OCW geen signalen bekend over het stoppen van het opleidingen van tolken. Wanneer hogescholen en universiteiten een opleiding willen beëindigen, dienen zij dit aan DUO, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW, door te geven. Informatie over de ontwikkelingen van het aantal opleidingen en het aantal studenten is beschikbaar op de website OCW in cijfers.5 Het Ministerie van OCW verschaft deze gegevens op stelselniveau.
Het onderwijs is altijd in beweging. Dit betekent dat er voortdurend opleidingen starten en stoppen. Het stoppen van een opleiding betekent echter niet per definitie dat het onderwijs ook verdwijnt. Onderwijs kan in vele vormen worden aangeboden door hogescholen en universiteiten. Door dalende studentaantallen kunnen niet altijd alle opleidingen blijven bestaan. Dit vraagt om strategische en gecoördineerde keuzes. De onderwijsinstellingen spreken hier al regelmatig met elkaar over. Het Ministerie van OCW wil deze manier van werken bestendigen en verder mogelijk maken, zodat hogescholen en universiteiten collectief de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor een dekkend onderwijsaanbod dat aansluit bij maatschappelijke behoeften.
Hogescholen en universiteiten zijn daarnaast zelf verantwoordelijk voor de voorlichting en werving van studenten voor hun opleidingen. Het Ministerie van OCW vindt het belangrijk dat studenten een studie kiezen die past bij hun talenten. Een gericht instroombeleid past daar niet bij.
Bent u bekend met de oproep van Terry Koper op LinkedIn3 die beschrijft hoe hij misschien geen passende masteropleiding kan volgen vanwege de beschikbaarheid van schrijftolken die Engels kunnen tolken? Wat zijn volgens u geschikte oplossingen voor studenten die tegen soortgelijke problemen aanlopen?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik zijn bekend met deze oproep en we begrijpen de zorgen. In de gesprekken gaan we op zoek naar mogelijke geschikte oplossingen voor studenten in situaties dat er geen schrijftolken beschikbaar zijn die Engels kunnen tolken.
Hoe gaat u borgen dat de toegankelijkheid voor dove en slechthorende studenten niet verder onder druk komt te staan, gezien de beperkte beschikbaarheid van Engelstalige schrijftolken? Bent u bereid om samen met het onderwijsveld extra inspanning te verrichten om te zorgen dat er voldoende aanbod is?
Zoals toegezegd wordt een gesprek met betrokken partijen gepland en daarin zal dit aspect worden meegenomen.
Wilt u deze vragen vóór het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid beantwoorden?
Ja.
Het lot van de Jezidi’s |
|
Lisa Westerveld (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Beter op straat in Nederland dan terug naar Irak» – nieuw landenbeleid doet de hoop van jezidi’s op asiel vervliegen»?1
Ja.
Bent u het eens met Houman Oliaei, de Amerikaanse antropoloog die in het artikel bewijs aanlevert dat «Irak voor de jezidi’s geen veilige haven is om naar terug te keren»? Zo nee, waarom niet?
Op 27 mei 2024 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Irak. In deze brief is ook ingegaan op de positie van Jezidi's. Op 7 november 2025 is het thematisch ambtsbericht over Irak gepubliceerd. Uit het thematisch ambtsbericht blijkt niet dat de situatie voor Jezidi’s met het oog op vervolging is veranderd. Voor het kabinet is er op grond van het thematisch ambtsbericht dan ook geen aanleiding om het huidige beleid aan te passen.
Is het kabinet nog dezelfde mening toegedaan als voormalig Minister van Justitie en Veiligheid Yesilgöz «dat er voldoende feiten zijn vastgesteld om te kunnen stellen dat IS zich hoogstwaarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan genocide»?2 Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet deelt nog steeds dezelfde mening en zet zich juist daarom in voor het tegengaan van straffeloosheid van misdrijven begaan door IS-strijders. De Kamer is reeds geïnformeerd over deze inzet in een Kamerbrief (Kamerstuk 27 925, nr. 1016).
Bent u bekend met het feit dat de genocide in 2014 geen geïsoleerd incident was maar dat geweld tegen Jezidi's een terugkerend fenomeen is en dat de bescherming van de Jezidi's in Irak nauwelijks verbeterd is? Erkent u dat erkenning van dit feit een voorwaarde is om dit in de toekomst te voorkomen?
Het kabinet is bekend met de kwetsbare positie van minderheden en ontheemden in Irak, waaronder ook Jezidi’s, en erkent in het verleden vaker te maken hebben gehad met vervolging, met als dieptepunt de systematische aanvallen van IS-strijders tegen de Jezidi-bevolking in 2014. Het kabinet zet middelen in om bij te dragen aan de positie van de Jezidi’s. Ook kaart Nederland dit aan bij de Iraakse autoriteiten, zowel in bilateraal als multilateraal verband.
Is het kabinet nog steeds van mening «dat Jezidi’s in Irak in een kwetsbare positie verkeren»?3 Kunt u toelichten wat deze kwetsbare positie inhoudt?
Het kabinet erkent de kwetsbare positie van Jezidi’s. Veel Jezidi’s zijn nog niet teruggekeerd naar Sinjar, en verblijven in kampen in de Koerdistan Regio Irak. In de ontheemdenkampen zijn de leefomstandigheden moeilijk en zijn basisvoorzieningen beperkt aanwezig. Tegelijkertijd garandeert de Iraakse Grondwet de vrijheid van religie van alle erkende religieuze groepen in Irak, waaronder ook Jezidi’s. De regering van demissionair premier Al-Sudani pleit consistent voor inclusiviteit en non-discriminatie. Ook heeft de regering maatregelen genomen om de positie van Jezidi’s te verbeteren, zoals de goedkeuring van de Yazidi Survivors’ Law en het wettelijk erkennen van landrechten van Jezidi’s in Sinjar. De implementatie van dit beleid vergt tijd. Nederland blijft zich inzetten voor inclusiviteit, non-discriminatie, bescherming en toekomstperspectief van alle minderheidsgroeperingen in Irak.
Ten slotte staat een kwetsbare positie echter niet per definitie gelijk aan vervolging en er is, zoals in antwoord op vraag 2 ook aangegeven, geen informatie dat Jezidi’s op dit moment in het algemeen te vrezen hebben voor vervolging in Irak.
Bent u van mening dat de VS een cruciale rol speelde in de toegang tot basisvoorzieningen in de ontheemdenkampen onder Koerdisch gezag en in de wederopbouw van Sinjar?
De hoofdverantwoordelijkheid voor de ontheemdenkampen ligt bij de Iraakse regering. Het kabinet deelt de mening dat de VS met andere donoren, waaronder Nederland, een belangrijke rol speelde in de toegang tot basisvoorzieningen in de ontheemdenkampen en in de wederopbouw van Sinjar.
Deelt u de mening dat het wegvallen van de Amerikaanse steun sinds het aantreden van president Trump de kwetsbare positie van Jezidi’s in Irak nog verder heeft verslechterd? Zo nee, waarom niet?
Het wegvallen van de Amerikaanse steun zet druk op de financiering van de ontheemdenkampen en de daar aangeboden basisvoorzieningen. Het is op dit moment voor het kabinet niet mogelijk om te beoordelen wat de precieze impact is op de positie van Jezidi’s in de ontheemdenkampen.
Bent u bekend met het gebrek aan publieke diensten die beschikbaar zijn voor mensen in Sinjar, inclusief een groot gebrek aan mentale gezondheidszorg voor mensen met trauma's als gevolg van de genocide?
Het kabinet is hiermee bekend. Juist daarom steunt het kabinet al meerdere jaren een divers aantal programma’s waarin ook aandacht wordt besteed aan mentale gezondheidszorg voor mensen met trauma’s, waaronder in Sinjar. Deze richten zich bijvoorbeeld door het bieden van psychosociale hulp op het rehabiliteren en re-integreren van vrouwen en kinderen, die slachtoffer zijn geworden van IS. Een voorbeeld is de steun aan Norwegian People’s Aid, gericht op onder meer traumaverwerking en het leveren van psychosociale steun aan onder andere de Jezidi-gemeenschap. In de afgelopen rapportageperiode van dit programma ontvingen 419 vrouwen geestelijke gezondheidszorg. Stigma’s rondom het onderwerp mentale gezondheidszorg zorgen er tegelijkertijd voor dat zelfs wanneer er hulp wordt aangeboden, dit niet altijd wordt aangenomen.
Bent u bekend met het gebrek aan humanitaire hulp en ontwikkelingsgelden om publieke voorzieningen te versterken?
Het gebrek aan beschikbare publieke diensten is een probleem in meerdere gebieden in Irak. In onze diplomatieke contacten vraagt Nederland aandacht bij de Iraakse autoriteiten om de situatie te verbeteren en financiële middelen hiervoor vrij te maken.
Bent u het eens met de constatering van het Thematisch ambtsbericht Irak uit november 2025 dat «88 procent van de binnenlands ontheemden die terugkeerden naar Sinjar onder zware leefomstandigheden» leeft?4 Zo nee, waarom niet?
Ja, ambtsberichten betreffen een feitelijke, neutrale en objectieve weergave van de bevindingen gedurende onderzochte periode.
Bent u het eens met de constatering van datzelfde ambtsbericht dat het terugtrekken van verschillende (internationale) humanitaire hulporganisaties resulteerde in «een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen»?
Ja, ambtsberichten betreffen een feitelijke, neutrale en objectieve weergave van de bevindingen gedurende onderzochte periode.
Bent u bekend met het feit dat de Irakese overheid afgelopen mei 19.000 gevangenen, waaronder voormalige leden van IS, heeft vrijgelaten na de aanname van een nieuwe Amnestiewet?5
Het kabinet is bekend met de amendementen op de amnestiewet die afgelopen jaar in Irak zijn aangenomen. De geamendeerde wet biedt kansen op een nieuw proces voor personen die op basis van antiterrorismewetgeving zijn veroordeeld, maar waarbij twijfels zijn over de kwaliteit van het bewijs. Tegelijkertijd speelden er ook zorgen dat de versoepeling ertoe zou kunnen leiden dat (aan IS-geaffilieerde) veroordeelden onterecht vrijkomen. Om die zorgen te adresseren, zijn in de amnestiewet beperkingen opgenomen voor wie deze wet zou gelden, waaronder personen gelinkt aan terroristische misdrijven. Sinds de aanname van de geamendeerde amnestiewet zijn er 41.364 personen6 vrijgelaten uit de gevangenis na het doorlopen van een rehabilitatieprogramma; het is het kabinet echter niet bekend dat zich hieronder ook personen bevinden die veroordeeld waren voor IS-gerelateerde misdrijven.
Ziet u risico’s voor Jezidi’s in Irak na de vrijlating van deze voormalige leden van IS? Zo nee, waarom niet?
De eventuele vrijlating van voormalige leden van IS brengt voor iedereen grotere veiligheidsrisico’s met zich mee, zo ook voor Jezidi’s in Irak. Het kabinet zal dit gezien de huidige ontwikkelingen nauw blijven monitoren en staat hierover in contact met de Iraakse autoriteiten.
Vindt u dat, alles meewegende, de positie van Jezidi’s in Irak dit jaar is verbeterd of verslechterd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet kan op dit moment geen uitsluitend oordeel vellen over of de positie van Jezidi’s is verbeterd of verslechterd. Het kabinet houdt nauw contact met organisaties die belangen van Jezidi’s behartigen en blijft de situatie van minderheden, waaronder Jezidi’s, nauwlettend monitoren.
Wat vindt u van de stelling van de UNHCR, die stelt dat leden van religieuze en etnische minderheidsgroepen uit betwiste gebieden als Sinjar waarschijnlijk internationale bescherming behoeven en oproept hen niet naar hun oorspronkelijke woongebieden terug te sturen?6
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Irak en de positie van Jezidi's. Er is geen informatie dat Jezidi’s in het algemeen te vrezen hebben voor vervolging, zie ook antwoord 4. Er is voor nu geen reden om daarvan af te wijken.
Gezien al het bovenstaande, deelt u de mening dat in het Nederlandse asielbeleid de beschermingsbehoefte van de Jezidi 's moet worden onderkend en hierbij in aanmerking moet worden genomen dat er in de regel geen sprake is van een redelijk vestigingsalternatief in Irak en dat de Koerdische Autonome Regio niet als «normale woon-en verblijfplaats» geldt voor binnenlands ontheemden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 15. Het binnenlands beschermingsalternatief en de normale woon- en verblijfplaats worden op individuele basis beoordeeld en er is voor nu geen reden om daarvan af te wijken. Nu de wijziging van het landgebonden beleid voor Irak in het algemeen en de Jezidi’s in het bijzonder onderwerp is van hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, kan ik hier op dit moment niet verder op ingaan.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Alle vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Problemen met de vergoeding van spraakcomputers voor mensen die zonder hulp niet of moeilijk kunnen communiceren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u ons een inschatting geven van hoeveel personen vanaf 1 januari 2024 een aanvraag gedaan hebben bij hun zorgverzekeraar of zorgkantoor voor een spraakcomputer of andere spraakhulpmiddelen?
Het is lastig om exacte aantallen van aanvragen voor een spraakcomputer vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) te vinden. Dit komt door de manier waarop zorgverzekeraars aanvragen registeren. Zo registreren sommige zorgverzekeraars alleen goedgekeurde aanvragen of kan er uit het systeem niet gehaald worden of het om een spraakcomputer of alleen software gaat. Op basis van een uitvraag die Zorgverzekeraars Nederland voor VWS heeft gedaan, waarop overigens niet alle zorgverzekeraars hebben gereageerd, kan er een inschatting worden gegeven.
In totaal hebben zorgverzekeraars rond 3.500 aanvragen ontvangen in 2024 en 2025, dus circa 1.750 per jaar. Hier kunnen dus ook aanvragen voor alleen de software tussen zitten.
Ik heb ook contact gehad met Lacoh, de branchevereniging van de leveranciers. Deze geeft aan dat er circa 1.100 spraakhulpmiddelen per jaar geleverd worden in Nederland, waarvan ongeveer 10% alleen software betreft. Hierin missen dan weer de cijfers van de niet-goedgekeurde aanvragen.
Ook voor de aanspraak vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) is het niet mogelijk om het totale aantal ingediende aanvragen uit de beschikbare registraties eenduidig vast te stellen. Op basis van declaratiegegevens en informatie van betrokken partijen kan wel een indicatieve inschatting worden gegeven van het aantal personen met een goedgekeurde aanvraag voor communicatieapparatuur binnen de Wlz.
Uit deze gegevens volgt dat in 2024 naar schatting circa 100 personen een aanvraag hebben gedaan en een spraakcomputer of andere communicatieapparatuur hebben ontvangen binnen de Wlz. In 2025 is dit aantal gestegen naar circa 230 personen.
Hoeveel aanvragen voor spraakcomputers of andere spraakhulpmiddelen zijn er sinds 1 januari 2024 (naar schatting) afgewezen en om welke redenen?
Voor de meest betrouwbare cijfers over afgewezen aanvragen vanuit de Zvw heb ik contact gehad met Lacoh. Lacoh geeft aan dat in 2024 er 52 aanvragen voor spraakcomputers zijn afgewezen waarbij 29 verzekerden met niets eindigden en 21 software vergoed kregen. Van één verzekerde is het onbekend of er uiteindelijk een hulpmiddel is geleverd is en één verzekerde heeft een spraakcomputer
vergoed gekregen na overstappen naar een andere zorgverzekeraar. In 2025 zijn er 123 aanvragen voor spraakcomputers afgewezen waarbij 96 verzekerden met niets eindigden en 27 verzekerden software vergoed kregen.
Ik heb ook navraag gedaan bij zorgverzekeraars. De cijfers zijn vergelijkbaar met wat Lacoh heeft gedeeld: op basis van wat gedeeld is door een aantal zorgverzekeraars zouden er in totaal circa 180 afwijzingen zijn voor 2024 en 2025. De reden voor het afwijzen die zorgverzekeraars over het algemeen geven is dat het geen doelmatige zorg betreft. Er zou in de aanvragen onvoldoende onderbouwd worden waarom de verzekerde niet uitkomt met een reguliere tablet met spraaksoftware.
Voor de Wlz geldt dat uit de beschikbare registraties het niet mogelijk is om een betrouwbaar percentage afgewezen aanvragen vast te stellen. Op basis van declaratiegegevens en informatie van betrokken partijen kan wel een indicatieve inschatting worden gegeven van het absolute aantal afwijzingen. In 2024 zijn naar schatting circa 50 aanvragen afgewezen. In 2025 betreft dit circa 80 aanvragen. Het lagere aantal afwijzingen in 2024 hangt samen met het feit dat in dat jaar minder aanvragen zijn ingediend.
De voornaamste redenen voor afwijzing zijn procesmatige onvolkomenheden (zoals onjuiste of onvolledige aanvragen), het feit dat het hulpmiddel niet is bedoeld voor primaire communicatie of geen directe relatie heeft met de Wlz-zorg, dat de aanvraag een aanpassing of reparatie betreft (waarvoor in 2024 geen aanspraak bestond) en dat het hulpmiddel niet valt onder de aanspraak op bovenbudgettaire bekostiging.
Hoeveel klachten zijn er sinds 1 januari 2024 door de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) ontvangen over de vergoedingen van spraakhulpmiddelen? Bij hoeveel van deze klachten is geoordeeld dat het besluit van de zorgverzekeraar onterecht was?
De SKGZ meldt dat er in totaal 10 zaken omtrent de aanspraak op spraakcomputer zijn binnengekomen sinds 1 januari 2024; 4 in 2024 en 6 in 2025.
8 van de 10 klachten waren voor de Ombudsman Zorgverzekeringen:
2 van de 10 klachten zijn behandeld door de Geschillencommissie Zorgverzekeringen:
Kunt u toelichten op welke wijze de uitspraak van de SKGZ van 5 juni 2025 van invloed is op het beleid en de praktijk omtrent het wel of niet goedkeuren van vergoedingen voor spraakhulpmiddelen?1
Het advies van het Zorginstituut in dit geschil, en daarmee het bindend advies van de SKGZ, volgt uit de nieuwe inzichten van het Zorginstituut omtrent de aanspraak op spraakcomputers. Zoals ik uw Kamer vorig jaar heb geïnformeerd2, heeft het Zorginstituut in opdracht van VWS in 2025 de aanspraak verduidelijkt. Deze verduidelijking is met de partijen, waaronder de zorgverzekeraars, gedeeld.3 Dit zou de grootste invloed op de praktijk moeten hebben. Daarbij kan deze meest recente uitspraak van de SKGZ zeker helpen.
Klopt het dat er momenteel nog steeds geen vergoeding mogelijk is voor (aangepaste) hardware voor spraakcomputers, ondanks de aangenomen motie Westerveld c.s. over het vergoeden van spraakcomputers en de eerder gestelde vragen over dit onderwerp?2
Nee, dat klopt niet. Op basis van de aanspraak kan een verzekerde met een spraakfunctiestoornis wel degelijk aanspraak maken op de aangepaste hardware van spraakcomputers wanneer de verzekerde niet uitkomt met een ander spraakhulpmiddel. Ik ben mij ervan bewust dat met de verduidelijking van het Zorginstituut nog niet alle problemen zijn opgelost. Uit contacten met het veld heb ik begrepen dat er nog steeds een groep verzekerden is die geen toegang heeft tot een spraakhulpmiddel, terwijl zij die wel nodig hebben. Dit komt mogelijk door interpretatieverschillen van de aanspraak. Ik ga daarom opnieuw in gesprek met onder andere zorgverzekeraars, zodat we daarna de oplossingen in kaart kunnen brengen.
In hoeverre is de 1,8 miljoen euro die met het amendement-Westerveld is vrijgemaakt om spraakondersteuning voor mensen die onder de Wet langdurige zorg (Wlz) vallen, uitgegeven aan dit doel?3
In 2025 is op basis van declaratiedata circa 3,3 miljoen euro gedeclareerd voor spraakcomputers binnen de Wlz. Daarmee is het met het amendement-Westerveld beschikbaar gestelde bedrag van 1,8 miljoen euro ruimschoots besteed aan het beoogde doel.
Welke redenen zijn er om de vergoeding voor de hardware af te wijzen, maar de vergoeding voor de software goed te keuren?
In de praktijk komt het voor dat een verzekerde de hardware van een spraakcomputer niet vergoed krijgt door de zorgverzekeraar, maar de software wel. Een veelvoorkomende reden voor afwijzing is dat het geen doelmatige zorg betreft volgens de zorgverzekeraar. Er zou in de aanvragen in die situaties ook vaak onvoldoende onderbouwd worden waarom de verzekerde niet uitkomt met een reguliere tablet met spraaksoftware.
Hoe groot dit probleem precies is, is vooralsnog niet bekend. Ik probeer op dit moment om samen met leveranciers, de belangenbehartiger van de patiënten en zorgverzekeraars meer inzicht te krijgen in de cijfers, omdat dit ook helpt bij het zoeken naar de beste oplossing.
Bestaat er op dit moment een richtlijn voor zorgverzekeraars en zorgkantoren om te beoordelen of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening of dat aangepaste hardware nodig is?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld6, wordt sinds 1 januari het Functioneringsgericht Indiceren (FGI) protocol gebruikt voor spraakhulpmiddelen.
Met dit protocol kan er objectief onderbouwd worden op wat voor soort spraakhulpmiddel de verzekerde redelijkerwijs aangewezen is. Als hiermee uitgekomen wordt op een geïntegreerde spraakcomputer met aangepaste hardware, dan is de hardware van de spraakcomputer niet als algemeen gebruikelijk te beschouwen.
Klopt het dat in de praktijk momenteel spraakcomputers die niet ooggestuurd zijn, weinig tot niet worden vergoed door zorgverzekeraars? Zo ja, kunt u aangeven op basis waarvan dit wordt besloten?
Nee, dat klopt niet. Ook niet-ooggestuurde spraakcomputers kunnen in aanmerking komen voor vergoeding vanuit het basispakket. Voor alle spraakcomputers geldt wel dat de verzekerde daar redelijkerwijs op aangewezen moet zijn en dat dit per individu wordt beoordeeld.
Heeft u inmiddels zicht op de groepen voor wie toegankelijkheid en beschikbaarheid van spraakhulpmiddelen een probleem is en hoe dit opgelost kan worden? Zo ja, kunt u dit nader toelichten? Zo nee, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren?
Het blijft lastig om de groepen voor wie de toegankelijkheid en beschikbaarheid een probleem is goed in beeld te krijgen, zowel in omvang als in afbakening.
Ik voer daarom gesprekken met de verschillende spelers en er komen steeds meer inzichten over de doelgroep, maar het beeld is nog niet compleet.
Ik blijf mij ervoor inzetten om te zorgen dat alle mensen die nu aangewezen zijn op een spraakhulpmiddel, hier ook toegang tot hebben. Ik ben hierover met alle betrokken partijen in gesprek, zodat er een structurele oplossing komt. Ik zal uw Kamer blijven informeren over de voortgang.
Klopt het dat verschillende zorgverzekeraars de richtlijnen op verschillende wijzen interpreteren en hanteren zoals dat sommige zorgverzekeraars er voor kiezen spraakcomputers met touchbediening niet meer te vergoeden?
Het is mij niet bekend dat sommige zorgverzekeraars spraakcomputers met touchbediening standaard niet vergoeden. Of er aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding is afhankelijk van de situatie van de verzekerde en moet per individu beoordeeld worden.
Kunt u aangeven welke criteria er gelden voor aanpassingen om te oordelen of een reguliere iPad dusdanig aangepast is dat het beschouwd kan worden als een geïntegreerd hulpmiddel en daarmee in aanmerking komt voor vergoeding?
Het verschilt per individu of er aanspraak gemaakt kan worden op een geïntegreerde spraakcomputer waar een reguliere tabletonderdeel van is en dit moet per individu beoordeeld worden.
Welke mogelijkheden ziet u voor het sturen op de mogelijkheid van een vergoeding van het totaalpakket, dat wil zeggen: passing-hardware-software-aanpassingen-ondersteuning?
Zoals hierboven genoemd vind ik het belangrijk om ervoor te zorgen dat verzekerden die nu aangewezen zijn op een spraakhulpmiddel, hier ook toegang tot hebben. Ik ben hierover met alle betrokken partijen in gesprek, zodat er een structurele oplossing komt. Ik zal uw Kamer hierover informeren rond de zomer.
De behandeling van patiënten met Ehlers-Dantos. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten die het Ministerie van VWS en de Kamer vragen om zo spoedig mogelijk in actie te komen voor duizenden patiënten die geen, of onvoldoende hulp krijgen? Zo ja, herkent u de signalen en wat heeft u tot nu toe gedaan?
Ik ben bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten en ik neem hun zorgen serieus. De toegankelijkheid van zorg voor patiënten met zeldzame aandoeningen vind ik belangrijk. In het kader van deze oproep heb ik bij verschillende partijen navraag gedaan naar de actuele situatie.
Is bekend hoeveel mensen in Nederland het (hypermobiele) Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben? Hoe is de verdeling naar geslacht?
Het is niet bekend hoeveel mensen in Nederland het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben, noch wat de verdeling naar geslacht is. Er bestaat geen landelijke registratie en er zijn geen betrouwbare nationale prevalentiegegevens beschikbaar.
In de internationale literatuur lopen prevalentieschattingen sterk uiteen, variërend van ongeveer 1 op de 500 tot 1 op de 5.000 personen. Deze verschillen hangen samen met methodologische keuzes, variatie in gebruikte databronnen en verschillen in gehanteerde diagnostische criteria. Hierdoor zijn deze cijfers beperkt vergelijkbaar en niet zonder meer te vertalen naar de Nederlandse situatie.
Hoeveel van hen hebben geen of onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg?
Het is niet bekend welk aandeel van de mensen met het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) momenteel geen of onvoldoende zorg ontvangt. Voor deze specifieke doelgroep worden geen landelijke wachtlijsten bijgehouden en er zijn geen systematische gegevens beschikbaar over zorggebruik of zorgtoegang.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) en Zorgverzekeraars Nederland geven bij navraag aan dat bij hen geen signalen bekend zijn van onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg voor deze patiëntengroep.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC, aan dat hoewel exacte aantallen ontbreken, zowel klinische ervaring als signalen uit patiëntenorganisaties erop wijzen dat een deel van de patiënten in de praktijk onvoldoende toegang heeft tot passende zorg. Deze signalen betreffen met name tijdige diagnostiek, doorverwijzing naar gespecialiseerde zorg en de beschikbaarheid van multidisciplinaire behandeling.
Klopt het dat er nauwelijks artsen zijn met specifieke expertise op het gebied van hEDS en HSD? Hoe kan dit?
Er is in Nederland een beperkt aantal artsen die zich via onderzoek en wetenschappelijke expertise specifiek hebben toegelegd op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). Het betreft aandoeningen met een relatief beperkte patiëntengroep; uitgaande van een prevalentie van circa 1 op de 5.000 personen gaat het naar schatting om ongeveer 3.600 patiënten in Nederland. In Nederland zijn meer dan 7.000 zeldzame aandoeningen erkend. Hierdoor is de beschikbare onderzoeks- en expertisecapaciteit per afzonderlijke aandoening beperkt en bestaan slechts voor een deel van deze aandoeningen gespecialiseerde expertisecentra of onderzoeksgroepen.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan dat voor behandeling specifieke expertise in veel gevallen niet nodig is. Afhankelijk van de zorgvraag kunnen patiënten, op verwijzing van de huisarts of medisch specialist, bij reguliere revalidatie-instellingen terecht voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen.
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC geeft desondanks dat er behoefte is aan meer specifieke expertise. Zij stelt daarbij dat dit samenhangt met het ontbreken van duidelijke afspraken over waar de zorg voor hEDS en HSD structureel is belegd binnen de zorgketen. De zorg bevindt zich op het snijvlak van meerdere disciplines, zonder eenduidige verantwoordelijkheid, wat leidt tot versnippering en belemmeringen in de borging van expertise.
De door het expertisecentrum genoemde onduidelijkheid acht ik onwenselijk. Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Klopt het dat het Erasmus MC het enige academische expertisecentrum is dat zich op hEDS en HSD richt? Klopt het ook dat de wachtlijsten langer zijn dan een jaar en het academische expertisecentrum uitsluitend is voor diagnostiek in de derdelijnszorg? En dat er slechts enkele revalidatieartsen zijn, maar zij wachtlijsten hebben van soms meer dan vijf jaar?
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC is momenteel het enige academische expertisecentrum in Nederland dat zich specifiek richt op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). De zorg binnen dit centrum betreft derdelijnszorg en is primair diagnostisch van aard, aangevuld met advisering richting vervolgzorg in de eerste en tweede lijn.
Het expertisecentrum geeft aan dat de wachttijden voor deze specialistische diagnostiek langer dan een jaar bedragen.
Voor revalidatieartsen met specifieke expertise gericht op hEDS en HSD geldt eveneens dat het om een beperkt aantal zorgverleners gaat en dat wachttijden per regio en instelling sterk kunnen verschillen. Uitspraken over exacte wachttijden, waaronder wachttijden van meerdere jaren, zijn bij het ontbreken van landelijke gegevens niet te onderbouwen.
Niet alle mensen met hEDS of HSD hebben specialistische zorg nodig. Een deel kan volstaan met zelfzorg of begeleiding in de eerste lijn. Indien nodig kunnen patiënten, op verwijzing, terecht bij reguliere revalidatie-instellingen voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen, aldus de VRA.
Bent u het eens met de analyse van de Ehlers-Dantos-patiëntenvereniging dat er in Nederland geen multidisciplinaire aanpak is en ondanks dat internationaal de kennis en ontwikkeling toenemen, patiënten in Nederland hier nauwelijks profijt van hebben? Herkent u hun zorgen dat de problemen alleen maar groter worden?
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan zich niet te herkennen in het beeld dat de zorg voor deze patiëntengroep niet wordt georganiseerd. Vanuit de revalidatiegeneeskunde wordt aangegeven dat multidisciplinaire zorg binnen bestaande zorgstructuren mogelijk is.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC aan de analyse van de patiëntenvereniging te delen dat er geen structureel ingerichte multidisciplinaire aanpak bestaat voor hEDS en HSD. Het expertisecentrum herkent tevens de zorg dat de problematiek zonder structurele oplossingen kan toenemen.
Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Bent u ermee bekend dat revalidatiezorg vanaf 2026 niet meer wordt vergoed door (de meeste) zorgverzekeraars? Kunt u schetsen welke gevolgen dat heeft voor deze groep patiënten?
Ik heb hierover navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland. Zij geven aan dit beeld niet te herkennen. De zorg zoals revalidatieartsen die plegen te bieden blijft onderdeel van het vergoede pakket.
In uw vraag wordt vermoedelijk verwezen naar berichtgeving van zorgverzekeraar CZ. CZ heeft aangegeven vanaf 2026 medisch specialistische revalidatie alleen te vergoeden indien deze plaatsvindt in een revalidatiecentrum of ziekenhuis waar minimaal twee revalidatieartsen werkzaam zijn. CZ geeft aan dit van belang te vinden om intake en behandeling op één plek te laten plaatsvinden binnen een multidisciplinaire setting.
Kunt u verklaren waarom de zorg en hulp aan deze patiënten zo slecht toegankelijk is? Wat is uw verantwoordelijkheid hierin en welke verantwoordelijkheid hebben zorgverzekeraars?
Uit het contact met Zorgverzekeraars Nederland blijkt dat bij hen geen signalen bekend zijn dat de zorg voor patiënten met een indicatie voor revalidatiezorg slecht toegankelijk is.
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en zijn verplicht ervoor te zorgen dat verzekerde zorg in voldoende mate beschikbaar is.
Bent u bereid om voor het einde van 2025 samen met zorgverzekeraars te zorgen voor duidelijkheid over de vergoedingen?
De onderhandelingen over inkoopcontracten lopen momenteel. Zorgverzekeraars zijn op grond van beleidsregels van de NZa verplicht hun verzekerden te informeren over de gevolgen hiervan voor de vergoedingen. Er moet altijd duidelijkheid zijn over de vergoeding van verzekerde zorg. Verzekerden kunnen daarnaast contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor nadere informatie.
Deelt u de mening dat de andere problemen zoals wachtlijsten, gebrek aan expertise en kennis ook dienen te worden opgelost? Bent u bereid samen met de patiëntenvereniging, revalidatieartsen en andere deskundigen om tafel te gaan en een plan te maken voor een multidisciplinaire aanpak met oplossingen voor de korte en de lange termijn? Zo ja, op welke termijn gaat u hiermee beginnen? Zo nee, waarom niet?
Passende zorg moet voor alle patiënten toegankelijk zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is.
Vanuit het ministerie zal naar aanleiding van de gestelde vragen contact opgenomen worden met de patiëntenorganisatie om te bespreken welke belemmeringen bestaan om tot afspraken te komen over taken en verantwoordelijkheden binnen het zorgpad.
Kunt u deze vragen met spoed behandelen en uiterlijk in de week van 15 december 2025 de antwoorden aan de Kamer sturen?
Dit is helaas niet gelukt. De afstemming met verschillende partijen, waaronder de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen en Zorgverzekeraars Nederland, heeft meer tijd in beslag genomen.
Opvang op locaties op het water |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opvang gaat te water, veiligheid blijft aan wal: een op de vijf asielschepen voldoet niet aan de eisen»?1
Ja.
Wat vindt u ervan de desbetreffende vastgoedondernemer in Terneuzen zich actief heeft gemengd met het verzet tegen het openen van een asielzoekerscentrum (azc), specifiek met winstbejag als doel, terwijl de gemeente al had gekozen voor een leegstaand bedrijfspand als opvanglocatie?
In algemene zin staat het iedere ondernemer vrij om locaties aan het COA of de gemeente aan te bieden. Tegelijkertijd zijn de signalen, zoals vermeld in de aangehaalde berichtgeving, zorgelijk en betreur ik deze ten zeerste.
Om ongewenste beïnvloeding te voorkomen, heeft het COA een aantal waarborgen ingebouwd om samen met een gemeente tot een locatiekeuze te komen. Het COA kijkt hierbij naar objectieve criteria, zoals de prijs van een eventuele ontwikkeling en de afstand tot voorzieningen zoals winkels en openbaar vervoer. Vaak vergelijkt het COA, samen met de gemeente, verschillende locaties om tot een optimale locatiekeuze te komen.
Deelt u de zorgen dat commerciële aanbieders door actieve beïnvloeding van bewoners en lokale politici besluiten over asielopvang kunnen sturen richting voor hen financieel aantrekkelijke, maar mogelijk minder veilige of realistische alternatieven? Acht u dit een risico voor de integriteit van het proces en voor de zorgvuldige democratische besluitvorming op lokaal niveau?
De signalen, zoals vermeld in het artikel, zijn zorgelijk. Voor zorgvuldige besluitvorming in de gemeente is het van essentieel belang dat lokale politici zonder last hun werk kunnen doen. Daarom is dit ook in de Grondwet en in de gemeentewet verankerd. Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt daarnaast geïnvesteerd in de weerbaarheid en integriteit van het lokaal bestuur. Het Netwerk Weerbaar Bestuur ondersteunt politieke ambtsdragers wanneer zij te maken krijgen met oneigenlijke druk of beïnvloeding.
Verder is het in algemene zin noodzakelijk om minder afhankelijk te worden van commerciële aanbieders van noodopvang. In dit verband werkt het COA hard om de afhankelijkheid van noodopvang te verminderen. Door mijn ambtsvoorganger is toegezegd dat het COA de ruimte krijgt om toe te groeien naar 70.000 reguliere plekken, onder voorwaarde van overdraagbaarheid en opzegbaarheid. Daarnaast zijn in het coalitieakkoord meerjarig financiële middelen beschikbaar gesteld voor een stabiele financiering van het COA. De mogelijkheden voor langjarige planning door het COA worden hiermee vergroot. Hiertoe wordt voorlopig ook de spreidingswet in stand gehouden. Op 27-2 werd de capaciteitsraming 2026 vastgesteld en gepubliceerd2. Wanneer er voldoende vast en flexibele COA-opvangplekken zijn wordt de inzet van de spreidingswet overbodig.
Bent u bereid om met gemeenten het gesprek aan te gaan over het risico van campagnes door commerciële scheepsexploitanten of vastgoedeigenaren die reguliere azc-plannen frustreren om hun eigen diensten te promoten? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is de insteek van het COA om dure noodopvangvoorziening zo snel mogelijk af te bouwen en te vervangen door reguliere opvang. Dit is goed voor de bewoners, de omgeving en is veel goedkoper. In dit proces onderhoudt het COA nauwe contacten met de gemeente over de verschillende belangen die spelen rondom de realisatie. Ongewenste beïnvloeding en commerciële belangen worden hier, indien noodzakelijk, ook in mee genomen.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de concurrentiestrijd door de toenemende vraag naar asielboten ten koste gaat van de veiligheid op de opvanglocaties op water? Zo ja, welke concrete stappen neemt u hiervoor?
Nee. Als het COA een opvanglocatie in gebruik neemt, dan wordt deze altijd gekeurd en veilig bevonden. Aanvullend worden schepen die gebruikt worden voor de opvang van asielzoekers periodiek gekeurd na ingebruikname.
Tegelijkertijd blijft het voor de asielzoekers, statushouders en de medewerkers van het COA wenselijk om minder afhankelijk te zijn van noodopvangplekken op het water. Door de hoge bezetting op COA-locaties, onder andere veroorzaakt door lange asielprocedures en onvoldoende uitstroom naar gemeenten van statushouders, zit de opvang overvol.
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers en hoeveel statushouders op dit moment verblijven in een locatie op water?
Medio februari verbleven er ruim 6.200 asielzoekers en 2.700 statushouders in asielopvang op het water. Hiervan zijn 644 mensen jonger dan 18 jaar. Alle locaties voldoen aan de veiligheidseisen die gesteld zijn aan opvang op schepen. De schepen worden periodiek gekeurd. Een overzicht van de locaties is bijgevoegd aan dit schrijven. Alle schepen zijn gecertificeerd en voldoen aan alle geldende veiligheidseisen. De IL&T voert regelmatig inspecties uit. Eventuele aandachtspunten die tijdens deze controles worden geconstateerd, worden direct opgepakt en zo snel mogelijk verholpen.
Kunt u aangeven hoeveel kinderen op dit moment verblijven op opvanglocaties op water en kunt u daarbij aangeven welke locaties dit zijn en of deze allemaal voldoen aan de wettelijke veiligheids- en pedagogische eisen?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat volgens de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ongeveer een vijfde van de gecontroleerde asielboten niet voldoet aan de veiligheidsregels, en dat in de afgelopen drie jaar in totaal 664 gebreken zijn geconstateerd? Zo ja, kunt u toelichten om welke typen veiligheidsrisico’s het hierbij gaat?
De schepen die het COA, maar ook gemeenten, gebruiken voor de opvang van Oekraïense ontheemden worden periodiek gekeurd. In deze keuringen komen aandachtspunten naar voren die, afhankelijk van de ernst, opgelost moeten worden voordat de keuring met goed gevolg doorlopen is. Het betrof voornamelijk operationele veiligheidsrisico’s van gedragsmatige aard, zoals tijdelijke obstakels in vluchtroutes of struikelgevaar door los geplaatste objecten. Brandveiligheid of constructieve veiligheid was daarbij niet in het geding. Alle signalen uit de keuringen zijn door het COA opgevolgd.
Hoe is de deskundigheid van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) sinds 2022 versterkt als het gaat om de kwaliteit van de asielopvang op locaties op water? Is er hierbij specifiek aandacht voor de veiligheid van kinderen? Zo ja, op welke manier?
Sinds 2022 is de deskundigheid van het COA op het gebied van de opvang op waterlocaties continu versterkt, met een speciale focus op de veiligheid van kinderen. De positie en begeleiding van kinderen in noodopvang, en met name de kinderen op de schepen die gebruikt worden voor opvang, worden voortdurend gemonitord en verbeterd. Dit sluit aan bij de bredere verbeteringen die doorgevoerd worden voor kinderen in de noodopvang, zoals beschreven in de brieven van 19 september 2025 en 6 november 20253.
Binnen de beperkingen van de beschikbare middelen heeft het COA onder andere geïnvesteerd in contactpersonen voor kinderen, de aanleg van rust- en recreatieruimtes, en de toeleiding naar onderwijs voor kinderen. Daarnaast is er specifieke aandacht voor zwemveiligheid, waarbij bewoners worden geïnformeerd over de gevaren van water en verdrinking, en zwemlessen worden georganiseerd voor kinderen vanaf 5 jaar. Deze initiatieven dragen bij aan de algehele verbetering van de opvangkwaliteit voor kinderen, met specifieke aandacht voor hun veiligheid in een omgeving die mogelijk extra risico’s met zich meebrengt, zoals water en schepen.
Klopt het dat exploitanten van cruiseboten jaarlijks gemiddeld 63.000 euro per opgevangen asielzoeker ontvangen en dit vele malen duurder is dan opvang in een azc? Zo ja, wat vindt u van de situatie waarbij het COA vanwege hun wettelijke taak noodgedwongen is om bij commerciële scheepsexpoitanten plekken af te nemen en de gestegen kosten voor rekening van de samenleving komen. Bent u het met ons eens dat dit ook afbreuk doet aan het draagvlak voor opvang?
Helaas is het COA nog steeds afhankelijk van dure noodopvang op schepen. Op veel plekken zien we dat er concrete ontwikkelingen lopen om deze noodopvang te vervangen door reguliere asielopvang danwel alternatieve noodopvang op land. Dit kost echter tijd omdat de reguliere of noodopvanglocatie vaak gebouwd of verbouwd moet worden. Het vervangen van noodopvang door reguliere opvang heeft de absolute prioriteit. Zoals toegezegd aan de kamer zal ik u hier periodiek over informeren.
Het COA werkt er hard aan om (kortdurende) noodopvang te vervangen door langjarige reguliere opvang en dat is inderdaad noodzakelijk voor het behoud en het creëren van draagvlak.
Wat is uw appreciatie van het feit dat doordat boten niet openbaar worden aanbesteed, onderhandelaars hogere prijzen kunnen vragen en bent u hierover in gesprek met het COA?
Het COA heeft de afgelopen jaren het proces rondom het contracteren van schepen aangepast. In 2022 werden de schepen inderdaad na een korte marktanalyse direct gecontracteerd. Dit was toen noodzakelijk door het grote tekort aan opvangplekken. Momenteel worden alle nieuw te contracteren schepen aanbesteed.
Deelt u de mening dat het voor zowel de veiligheid van asielzoekers, maar ook vanwege kostenaspect en draagvlak, zeer wenselijk is om asielopvang op het water af te schalen? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u daartoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Ja. In de brief van 25 november jl.4 is nader toelichting gegeven op de wijze waarop de moties van de heer van Dijk en Van Nispen over het stoppen van commerciële noodopvang worden uitgevoerd en welke knelpunten hierbij worden ervaren. Zoals hierboven aangegeven kost het realiseren van reguliere opvangplekken tijd, waardoor het aantal noodopvangplekken nog niet direct kan worden afgebouwd. Tegelijkertijd stijgt het aantal reguliere opvangplekken gestaag, van circa 41.000 op 1 januari 2026 naar circa 51.000 plekken op 1 januari 2027. Zoals hierboven vermeld zal dit nog niet voldoende zijn. Het COA heeft ruimte om toe te groeien naar 70.000 reguliere plekken, onder voorwaarde van overdraagbaarheid en opzegbaarheid. In het coalitieakkoord zijn meerjarig financiële middelen beschikbaar gesteld voor een stabiele financiering van het COA. Hiermee worden de mogelijkheden voor langjarige planning door het COA vergroot. Daarnaast wordt tevens de spreidingswet voorlopig in standgehouden. Op 27-2 werd de capaciteitsraming 2026 vastgesteld en gepubliceerd5. Wanneer er voldoende vaste en flexibele COA-opvangplekken zijn wordt inzet van de spreidingswet overbodig.
Het nieuwsbericht ‘Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin’ |
|
Lisa Westerveld (GL), Daan de Kort (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin»? Zo ja, wat is uw reactie op dit bericht?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Ik ben van mening dat alle kinderen, ook kinderen die een beperking hebben, moeten kunnen spelen in een speeltuin, samen met andere kinderen. Er zijn nog steeds te veel gemeenten waar geen speeltuinen zijn waar kinderen met een beperking terecht kunnen. Daarom is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd.
In het nieuwsbericht van de NOS wordt beschreven dat één op de drie kinderen met een handicap nooit bij een speelplek in de eigen buurt komt. Als ze dat wel doen speelt een kwart daar vaak alleen. Wat is uw reactie op deze cijfers van Stichting het Gehandicapte Kind?
Deze cijfers vind ik zeer verdrietig. Kinderen met en zonder beperking moeten met elkaar kunnen opgroeien en spelen. Al sinds de ondertekening van het SamenSpeelAkkoord in 2019 wordt ingezet op een inclusieve speelcultuur met meer samenspeelplekken en meer en beter toegankelijke kennis over samen spelen. De inzet die Jantje Beton en Het Gehandicapte Kind hierop plegen, is van groot belang voor het realiseren van een echte inclusieve speelcultuur. Ook de VNG maakt onderdeel uit van dit netwerk en denkt actief mee. Zij dragen bij aan activiteiten in het netwerk en verspreiden ook actief informatie via haar kanalen en zullen dit ook in de toekomst blijven doen.
Bent u het eens dat er nog veel winst te halen valt bij het inclusiever maken van speeltuinen in Nederland? Hoe worden gemeenten vanuit het Rijk gestimuleerd om speeltuinen inclusiever te maken? Zowel wel bij aanleg van een nieuwe speeltuin als bij een herontwikkeling of vernieuwing?
Buitenspelen is primair een taak van gemeenten. Binnen GALA en Sportakkoord II is aandacht voor de beweegvriendelijke omgeving en buitenspelen in de openbare ruimte. VWS ondersteunt het SamenSpeelNetwerk, dat informatie en expertise ter beschikking stelt om zowel gemeenten als bedrijven te ondersteunen die werk willen maken van samen spelen. Zoals gezegd is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Daarnaast verkent VWS samen met partners hoe inclusiviteit een plek krijgt in de (interdepartementale) stimulering en ontwikkeling van groen/blauwe schoolpleinen, de speelleeromgeving van scholen.
Uit het bericht blijkt dat 155 gemeenten in Nederland nog geen aangepaste speelplek hebben. Wat is uw reactie op dit aantal en hoe worden deze gemeenten al ondersteund om hun speeltuinen inclusiever in te richten?
Middels een meerjarige subsidie van VWS aan het SamenSpeelFonds wordt ingezet op een landelijke dekking van inclusieve speeltuinen. In samenspraak met het SamenSpeelFonds hebben we de reikwijdte van het programma verbreed waardoor ook gemeenten een aanvraag in kunnen dienen. Doel is om eind 2026 in 70% van de gemeenten een inclusieve speeltuin gerealiseerd te hebben. Eind 2030 moet in lijn met de strategie «Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030» 100% van de Nederlandse gemeenten een inclusieve speeltuin hebben.
Welke rol heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om het verschil tussen gemeenten met en zonder toegankelijke speelplekken te verkleinen en er zo voor te zorgen dat in iedere gemeente er in ieder geval één toegankelijke speelplek te vinden is voor kinderen met een handicap?
De overheden, dus ook gemeenten, zijn op basis van het VN-verdrag Handicap verplicht om het mogelijk te maken dat ook kinderen met een beperking mee kunnen doen. Zoals gezegd is buitenspelen primair een taak van gemeenten. Met de eerder in deze brief genomen maatregelen worden alle gemeenten door het kabinet, waaronder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, gestimuleerd en ondersteund om inclusieve speeltuinen te hebben. De afspraak is dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Het is aan gemeenten om lokaal, in nauwe samenspraak met inwoners met een beperking en vertegenwoordigende organisaties, vast te stellen hoe zij deze verplichting lokaal zo goed mogelijk opvolging kunnen geven.
Zijn er landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen? Zo ja, zou daar vanuit het ministerie enerzijds opnieuw aandacht voor gevraagd kunnen worden en anderzijds een doelstelling aan gekoppeld kunnen worden?
Er zijn geen landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen. Zoals hierboven geschetst, ondersteunt het SamenSpeelnetwerk gemeenten bij het toegankelijk maken van speeltuinen. De VNG maakt in de inspiratiebundel «Aan de slag met samen spelen»2 gebruik van de 100-70-50 regel die de speeltuinbende3 heeft opgesteld. Dit wil zeggen dat iedereen op speelplekken 100% welkom is, 70% van de ruimte toegankelijk en 50% van de voorzieningen bespeelbaar is voor ieder kind.
Bent u van mening dat het toegankelijk maken van speelplekken een verplichting is die voortvloeit uit het VN-verdrag Handicap? Zo nee, waarom niet?
Het VN-Verdrag Handicap benadrukt het recht om samen op te groeien en samen te spelen. Wij hebben met elkaar de verplichting om dit mogelijk te maken.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om hen te wijzen op het belang van inclusieve speelplekken en om hen te vragen dit standaard in hun beleid of lokale inclusie-agenda op te nemen? Zo nee, waarom niet?
De VNG is onderdeel van het samenspeelnetwerk. Het belang van samen spelen dragen zij uit naar gemeenten. In de handreiking «Lokale Inclusie Agenda» en praktijkvoorbeeldendatabank van de VNG wordt ook aandacht besteed aan inclusief spelen.
Het afschaffen van de begeleidersregeling bij Nationaal Park Hoge Veluwe |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Rummenie , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Extra kosten voor gehandicapten in NP De Hoge Veluwe?»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er een klacht is ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens aangaande deze maatregel?
Ja.
Hoeveel nationale parken in Nederland hanteren een begeleidersregeling? Bestaat er eenduidig, landelijk beleid voor een begeleidersregeling voor nationale parken en andere recreatieplekken? Zo nee, waarom niet?
Voor zover bekend hanteert alleen De Hoge Veluwe (een particulier park) de begeleidersregeling. Er is geen landelijk beleid voor begeleidersregelingen voor andere recreatievoorzieningen, dit valt onder regionaal beleid voor provincies en gemeenten.
Hoe rijmt het voornemen tot het afschaffen van de begeleidersregeling met artikel 5b, lid 1, en artikel 5c, lid 1 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte?
Deze wet vereist dat personen met een beperking gelijke toegang hebben tot diensten/goederen en dat, indien nodig en voor zover aanpassing binnen de wet redelijk is, maatregelen worden genomen om personen met een handicap of chronische ziekte gelijke toegang te geven. Echter, deze maatregelen moeten wel redelijkerwijs mogelijk zijn en geen onevenredige belasting vormen. Dit uitgangpunt geldt ook voor toegang tot nationale parken. De Hoge Veluwe is een particulier park met eigen verantwoordelijkheid over haar toegangsbeleid.
Hoe reflecteert u op de toegankelijkheid van recreatie- en natuurparken binnen Nederland voor mensen met een beperking, waarbij er rekening wordt gehouden met de variatie in beperkingen en de verschillende behoeften per soorten beperking?
Nationale parken moeten voldoen aan de voorwaarden van de Wet gelijke behandeling en de Omgevingswet (Art.3.68 BKL). In de Omgevingswet is vastgelegd dat de gebieden zijn opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, waarbij aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden verbonden met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied. De parken zijn zich bewust van het belang van een goede toegankelijkheid voor alle bezoekers en daarom wordt daar binnen de parken aandacht aan besteed. De recreatieparken in Nederland zijn particulier bezit, de rijksoverheid heeft daar geen zeggenschap over.
Welke rol ziet u voor uzelf en uw ambtscollega’s met betrekking tot het concreet verbeteren van de toegankelijkheid van recreatie voor mensen met een beperking?
Met de uitwerking van de werkagenda VN Verdrag Handicap zet de rijksoverheid stappen om natuur- en recreatieparken voor gehandicapten toegankelijk te maken. Door het Ministerie van Economische Zaken wordt in samenspraak met de recreatiesector een voorstel gemaakt voor mogelijke maatregelen op toegankelijke recreatie. Na vaststelling van deze maatregelen is het aan de recreatiesector om deze maatregelen uit te voeren. Hierin speelt de rijksoverheid een stimulerende, faciliterende en verbindende rol. Daar waar nodig worden organisaties in de sector hierop aangesproken.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met nationale parken, waaronder NP De Hoge Veluwe, over begeleidersregelingen, en mensen met een beperking en hun belangenorganisaties en hierin met hen op zoek te gaan naar een passende oplossing?
Het Ministerie van LVVN heeft veelvuldig contact met alle nationale parken. De parken zijn zich bewust van het belang van toegankelijkheid van hun park en besteden daar aandacht aan. In de gesprekken met de nationale parken zal het ministerie het belang van de gelijke toegang voor iedereen blijven benadrukken.
Hoe zal de European Disability Card (EDC), die in de toekomst ingevoerd zal worden in Nederland, zich verhouden tot de gehandicaptenparkeerkaart (GPK)?
De European Disability Card (EDC) dient als communicatiemiddel voor mensen met een beperking. De EDC kan worden gebruikt om toegang te krijgen tot specifieke toegankelijkheidsfaciliteiten die al beschikbaar zijn voor mensen met een beperking bij publieke of private dienstverleners, zowel nationaal als in andere Europese lidstaten.
De EDC zal bestaan naast de gehandicaptenparkeerkaart (GPK) die al tientallen jaren bestaat. Beide kaarten hebben hun eigen criteria voor toekenning en daarmee verschillende doelgroepen. De doelgroep van de EDC zal aanzienlijk ruimer zijn dan die van de GPK omdat de laatste alleen wordt verleend aan personen die door een aandoening redelijkerwijs een afstand van 100 meter niet te voet kunnen afleggen. De GPK speelt vooral een rol bij het parkeren op de openbare weg op de speciaal hiervoor gereserveerde plaatsen, meestal in combinatie met het specifieke verkeersbord dat in de regelgeving is vastgelegd. De kaart wordt door de gemeente verleend na onderzoek door een keuringsarts.
De Duitse grenscontroles |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse politie «dumpt» na grenscontroles meer dan 150 mensen in Nederland» en het bericht «Onrust in grensplaats door mysterieuze figuren: «Je kan die mensen toch niet in een woonwijk neerzetten?»»?1, 2
Ja.
Kunt u aangeven wanneer Duitsland precies is begonnen met het in de nacht dumpen van mensen over de grens?
Overdrachten van Nederland aan Duitsland en vice versa in het kader van grenstoezicht vinden al jaren op basis van bilaterale afspraken plaats. Dit is dus niet iets dat met de herinvoering van binnengrenscontroles is gestart.
Kunt u aangeven in welke gemeenten mensen worden gedumpt door de Duitse politie? Zo ja, hoe bent u hiervan op de hoogte gebracht en hoe heeft u de desbetreffende gemeenten hiervan op hoogte gebracht?
Deze overdrachten vinden plaats langs de gehele landsgrens tussen Nederland en Duitsland. Gemeenten waarin deze overdrachten plaatsvinden worden hier niet per geval van op de hoogte gesteld.
Kunt u aangeven hoeveel mensen op deze manier de grens over zijn gebracht en kunt u aangeven wat de samenstelling is van deze groep? Zo ja, hoeveel asielzoekers zijn er in deze groep?
In de periode van 9 december 2024 tot en met 8 september 2025 zijn in totaal 690 vreemdelingen door Duitsland aan Nederland overgedragen. De Koninklijke Marechaussee (KMar) registreert niet of door Duitsland geweigerde personen worden overgedragen middels een «warme overdracht» of een «koude overdracht». De KMar registreert niet of door Duitsland geweigerde personen aan de Duitse grensautoriteiten om internationale bescherming hebben verzocht.
Kunt u gedetailleerd toelichten waar de afspraken met de Duitse politie over de zogenaamde koude en warme overdrachten uit bestaan? Is het in de nacht dumpen van mensen over de grens, zonder daar een melding van te maken, toegestaan volgens deze afspraken?
Een overdracht kan plaatsvinden middels een «warme overdracht», waarbij een persoon fysiek wordt overgedragen door de autoriteit van het ene land aan de autoriteit van het andere land, of een «koude overdracht», waarbij deze fysieke overdracht niet plaatsvindt.
Wanneer een vreemdeling «warm» wordt overgedragen van Duitsland aan Nederland of vice versa, vindt contact plaats tussen de Duitse en Nederlandse grensautoriteiten over de operationele vormgeving van deze overdracht, waaronder tijd en locatie. Ook bij «koude» overdrachten is er altijd contact.
Het is niet altijd mogelijk om een door Duitsland geweigerde vreemdeling via een «warme» overdracht over te nemen. Bij de keuze of overdrachten «warm» of «koud» gebeuren, wordt rekening gehouden met specifieke doelgroepen, zoals kwetsbare personen. In deze gevallen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In andere gevallen zit deze zorg met name in het faciliteren van de door- of terugreis. In alle gevallen wordt rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen.
Klopt het dat de Duitse politie altijd een bericht stuurt aan de Nederlandse marechaussee als ze iemand naar de grens hebben vervoerd? Zo nee, hoe vaak wordt dat niet gedaan?
Zoals hierboven aangegeven hebben KMar en Bundespolizei over elke overdracht contact.
Klopt het dat het juridisch niet is toegestaan asielzoekers, zonder behandeling van de asielaanvraag, zomaar de grens over te dragen. Zo ja, bent u voornemens om uw Duitse collega hierop aan te spreken?
Lidstaten gaan primair zelf over het beheer van hun buiten- en binnengrenzen. Nederland deelt het standpunt van Duitsland dat een streng asiel- en grensbeleid noodzakelijk is om irreguliere migratie naar en binnen de EU tegen te gaan. Maatregelen moeten in lijn zijn met het Unierecht en bilaterale afspraken. Op dit moment lopen in Duitsland juridische procedures. Ik wacht de uitkomst daarvan af. Het inroepen van artikel 72 VWEU is tot nu toe in de jurisprudentie niet mogelijk gebleken, waardoor ook in dit geval de verwachting is dat dit juridisch niet houdbaar zal blijken. Nederland staat structureel in contact met Duitsland over de samenwerking in het kader van de binnengrenscontroles, zowel op politiek als ambtelijk niveau.
Bent u het eens met de stelling dat het in de nacht dumpen van mensen kan leiden tot onveilige situaties, zowel voor de mensen die zomaar en lukraak ergens heen worden gebracht als voor de inwoners van de grensstreek die te maken hebben onveilige situaties?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, zijn er duidelijke bilaterale afspraken tussen Duitsland en Nederland over hoe overdrachten plaatsvinden. Indien er sprake is van een grensweigering door de Duitse autoriteiten, vinden overdrachten cf. afspraak plaats en wordt in alle gevallen rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen. Bij kwetsbare personen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.
Naar aanleiding van de berichtgeving over de overdrachten van de door Duitsland geweigerde vreemdelingen is er ook hierover contact geweest met de bestuurders uit de grensregio’s. Op basis van daarvan is de werkwijze bij overdrachten, waaronder het faciliteren van de door- of terugreis met Duitsland besproken.
Hoe worden de asielzoekers die lukraak de grens over worden gebracht, zonder over te worden gedragen aan de Nederlandse marechaussee verder geholpen?
Personen die verzoeken om internationale bescherming worden doorverwezen naar asielprocedure. Op het moment dat volgens de KMar de betrokkene kwetsbaar is en zelf niet in staat is om richting Ter Apel te reizen, verzorgt de KMar passend en veilig vervoer. Vreemdelingen die elders asiel hebben aangevraagd en waarop de Dublinverordening van toepassing is, worden conform de Dublinprocedure overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat.
Welke maatregelen neemt u om bewoners die schade ondervinden als gevolg van deze werkwijze, te ondersteunen? Heeft u daarover al contact met de gemeentebesturen?
Er is periodiek contact tussen het Ministerie van Asiel en Migratie, de KMar en bestuurders uit de grensregio’s over de gevolgen van binnengrenscontroles voor de grensregio’s. Signalen vanuit de grensregio’s worden zeer serieus genomen.
Dreigende opnamestops in de gehandicaptenzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicaptenzorg waarschuwt voor opnamestops vanwege personeelstekort»?1 Herkent u dit beeld?
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ik herken deels het beeld dat wordt geschetst. Ik zie zorgorganisaties die kampen met personeelstekorten en een dagelijkse strijd voeren om de roosters rond te krijgen. Ik spreek zorgverleners die in hun vrije tijd bijspringen en zich zorgen maken over de toekomst.
Aan de andere kant zie ik ook zorgorganisaties die minder moeite hebben om personeel aan te trekken en hun roosters, al dan niet met een flexibele schil, op te vullen. Dit geeft aan dat het beeld genuanceerder ligt dan het bericht oproept.
Klopt het dat de crisisopvang als eerste te maken krijgt met een opnamestop als het personeelstekort verder oploopt? Zo ja, waar kunnen mensen met een beperking die thuis wonen opgevangen worden als de noodzaak er is? Wat zijn de alternatieven als er een opnamestop komt?
Wanneer zorgorganisaties kampen met personeelstekorten, kiezen zij zelf voor bepaalde maatregelen. Dat hoeft niet altijd een opnamestop of de crisisopvang te betreffen. Ik heb geen zicht op de individuele maatregelen van zorgorganisaties. Wel zie ik dat er in de regio’s wordt samengewerkt en gezamenlijk naar oplossingen wordt gezocht, al dan niet met het zorgkantoor.
Indien er sprake is van crisisopvang is het de verantwoordelijkheid van het zorgkantoor om een geschikte plek te vinden. Ik heb tot op heden geen specifieke signalen over de crisisopvang van het zorgkantoor ontvangen dat zij hun zorgplicht hierin niet kunnen vervullen.
Kunt u aangeven hoe groot de huidige personeelstekorten zijn binnen de gehandicaptenzorg, uitgesplitst per deelsectoren op basis van zorgvorm en op basis van beperking?
Nee, dat kan ik niet. Er zijn geen cijfers over deelsectoren beschikbaar. Voor de gehele gehandicaptenzorg staan er momenteel (Q4 2025) 8.700 vacatures open.
Wat is uw reactie op de brandbrief van 14 organisaties uit de gehandicaptenzorg, verzonden op 16 oktober jongstleden?2 Herkent u de zorgen die zij schetsen?
Ik kan me voorstellen dat de brievenschrijvers zich hier zorgen over maken. Ik heb de partijen uitgenodigd om zeer binnenkort over hun brief in gesprek te gaan.
Welke oplossingsrichtingen zijn er op korte termijn om te voorkomen dat het personeelstekort dusdanig verder oploopt dat instellingen genoodzaakt zijn om opnamestops in te stellen? Bent u ook bereid om deze maatregelen te nemen? Zo ja, wat voor tijdspad ziet u voor zich? Zo nee, kunt u per oplossingsrichting aangeven waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat de arbeidsmarkt niet alleen in de gehandicaptenzorg onder druk staat, maar dat dit zorgbreed speelt. Het arbeidsmarkttekort is een complex probleem met vele oorzaken zonder een eenduidige oplossing. Het is een probleem dat niet door één partij is op te lossen, maar iets vraagt van de hele sector, de overheid en de maatschappij. Ik hoop daarom dat de werkgevers, beroepsverenigingen, cliëntenorganisaties en zorgkantoren samen met mij naar oplossingen willen zoeken die ook op langere termijn de toekomstbestendigheid van de sector verstevigen.
In diverse moties van de Tweede Kamer wordt met het oog op de continuïteit van zorg, in verschillende bewoordingen, verzocht om een benodigde flexibele schil te kunnen behouden voor de zorg of te komen tot maatregelen om de zorgsector de ruimte te blijven geven om te werken met zelfstandigen. De Minister van VWS is met een aantal brancheorganisaties in de zorg in overleg over de verschillende mogelijkheden die er op basis van huidige wet- en regelgeving zijn om een flexibele schil te behouden. Hierbij wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor een flexibele schil. De inzichten uit dit lopende traject kunnen ook worden gebruikt voor oplossingsrichtingen binnen de gehandicaptenzorg. Het is daarbij voor alle partijen van belang te onderkennen dat in de zorg een beweging naar meer loondienstverbanden wenselijk is.
Op de korte termijn zie ik ook kansen om het verzuim en verloop van medewerkers structureel aan te pakken. Het Preventieplan Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn3, een initiatief van Stichting IZZ, PGGM, en FWG Progressional People biedt concrete handvatten om werkgerelateerd verzuim en ongewenst verloop met een kwart te verlagen. Het is aan de werkgevers om deze bouwstenen te verankeren in de dagelijkse praktijk.
Hoe lang zijn momenteel de wachtlijsten in de gehandicaptenzorg, uitgesplitst per deelsectoren op basis van zorgvorm en op basis van beperking?
Het aantal wachtenden is in te delen in drie categorieën, namelijk; «wacht op voorkeur», «actief plaatsen» en «urgent plaatsen».
Voor de gehandicaptenzorg kan een splitsing gemaakt worden per deelsector en per zorgprofiel/zorgzwaartepakket, maar niet op basis van een beperking. Bij de interpretatie van deze cijfers moet rekening gehouden worden met het feit dat mensen met een complexe zorgvraag die wachten op een passende plek niet altijd in deze cijfers terug te zien zijn, door uiteenlopende oorzaken. Zoals mijn ambtsvoorganger in Kamerbrief 24 170, nr. 357 («vervolg complexe zorg, gehandicaptenzorg- juni 20254)» heeft aangegeven, wordt in het kader van de bestuurlijke afspraken complexe zorg, waar ik met Ieder(in), VGN, en ZN intensief samenwerk, gewerkt aan het in beeld krijgen van alle mensen met een complexe zorgvraag die wachten op een passende plek, zodat zo snel mogelijk een passende plek gevonden kan worden.
Hieronder treft u de wachtlijstcijfers over het derde kwartaal van 2025, per zorgzwaartepakket5.
zzp 1 VG Wonen met enige begeleiding.
7
0
7
0
zzp 2 VG Wonen met begeleiding.
24
3
21
0
zzp 3 VG Wonen met begeleiding en ver.
352
247
104
1
zzp 4 VG Wonen met begeleiding en int.
273
220
53
0
zzp 5 VG Wonen met intensieve begelei.
146
115
30
1
zzp 6 VG Wonen met intensieve begelei.
339
212
127
0
zzp 7 VG (Besloten) wonen met zeer in.
152
98
52
2
zzp 8 VG Wonen met begeleiding en vol.
54
35
19
0
zzp 1 LVG Wonen met enige behandeling.
0
0
0
0
zzp 2 LVG Wonen met behandeling en be.
4
2
2
0
zzp 3 LVG Wonen met intensieve behand.
22
2
20
0
zzp 4 LVG Wonen met zeer intensieve b.
8
4
4
0
zzp 5 LVG Besloten wonen met zeer int.
1
0
1
0
zzp 1 SGLVG Behandeling in een SGLVG.
18
1
17
0
zzp 1 LG Wonen met enige begeleiding.
0
0
0
0
zzp 2 LG Wonen met begeleiding en eni.
29
14
15
0
zzp 3 LG Wonen met enige begeleiding.
1
1
0
0
zzp 4 LG Wonen met begeleiding en ver.
102
79
23
0
zzp 5 LG Wonen met begeleiding en int.
25
17
7
1
zzp 6 LG Wonen met intensieve begelei.
116
76
37
3
zzp 7 LG Wonen met zeer intensieve be.
11
5
5
1
zzp 1 ZG visueel Wonen met enige bege.
0
0
0
0
zzp 2 ZG visueel Wonen met begeleidin.
2
2
0
0
zzp 3 ZG visueel Wonen met intensieve.
4
2
2
0
zzp 4 ZG visueel Wonen met intensieve.
7
2
4
1
zzp 5 ZG visueel Wonen met zeer inten.
2
2
0
0
zzp 1 ZG auditief Wonen met begeleidi.
1
0
1
0
zzp 2 ZG auditief Wonen met intensiev.
4
2
2
0
zzp 3 ZG auditief Wonen met intensiev.
6
4
2
0
zzp 4 ZG auditief Wonen met intensiev.
1
1
0
0
Welke gevolgen zou het verder oplopen van de personeelstekorten hebben voor de wachttijden binnen de gehandicaptenzorg en de kwaliteit van de gehandicaptenzorg?
Op basis van de laatste prognoses is het de verwachting dat het personeelstekort in de gehandicaptenzorg verder gaat oplopen. Niet uit te sluiten valt dat zorgaanbieders in reactie op een oplopend personeelstekort overwegen woningen of afdelingen te sluiten waardoor de wachttijden verder zouden oplopen. Ik zet er vol op in dat we niet in deze situatie terecht komen. We moeten daarom op een andere manier gaan kijken naar hoe we de zorg organiseren en tegelijkertijd goede kwaliteit van zorg behouden. De afgelopen jaren heb ik al veel goede voorbeelden gezien6 waarvan ik denk dat we de kansen nog meer kunnen benutten waardoor de wachttijden binnen aanvaardbare kaders blijven en de kwaliteit gewaarborgd blijft.
Op welke concrete manier wordt de kwaliteit van de zorg geborgd, ondanks de personeelstekorten?
Het waarborgen van de kwaliteit van zorg is primair de verantwoordelijkheid van een zorgorganisatie. De taak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is toezicht te houden op de kwaliteit van de zorg.
Deelt u de verwachting dat het structurele personeelstekort in de gehandicaptenzorg zal oplopen tot 33.400 in 2033? Zo nee, waarom niet en wat is dan wel uw verwachting?
Volgens het beleidsarme Referentiescenario van de arbeidsmarktprognose 2024 bedroeg het verwachte personeelstekort in de gehandicaptenzorg in 2034 circa 33.400 personen7 Op 19 december jl. is uw kamer op de hoogte gebracht van de uitkomsten van een nieuwe arbeidsmarktprognose (arbeidsmarktprognose 2025)8 Het personeelstekort in de gehandicaptenzorg in 2035 zal volgens deze nieuwe prognose oplopen tot iets minder dan 24 duizend personen volgens het Referentiescenario en ruim 20 duizend personen volgens het scenario Beleid. In het scenario Beleid zijn onder meer de ambities ten aanzien van arbeidsbesparing vanuit het AZWA en HLO meegenomen, waardoor de tekorten in de branches met akkoorden lager uitkomen. Het tekort in de gehandicaptenzorg komt volgens dat scenario ook lager uit doordat de branches met akkoorden minder arbeidsmarktspanning ervaren en verondersteld wordt dat deze branches daardoor iets minder inspanning leveren om personeel aan te trekken uit.
Daarbij is het goed om op te merken dat het primaire doel van het prognosemodel is om sturingsinformatie te geven aan partijen (en onszelf) om hierop te acteren. Beleidswijzigingen en gedragsveranderingen zullen ervoor zorgen dat het tekort uiteindelijk anders zal uitvallen in 2035 dan geraamd, nog los van de onzekerheid die zit in allerlei exogene factoren (zoals de personeelskrapte in de rest van de economie die ook van invloed is op de personeelstekorten in de gehandicaptenzorg).
Kunt u een opsommen welke concrete maatregelen u de afgelopen jaren hebt genomen om het personeelstekort in de gehandicaptenzorg tegen te gaan? Kunt u per maatregel aangeven in hoeverre deze maatregel, naar uw mening, heeft bijgedragen aan het tegengaan van het personeelstekort?
Samen met de sector wordt uitvoering gegeven aan de Toekomstagenda Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking9. Hoofdstuk 5 richt zich specifiek op Arbeidsmarkt en Vakmanschap. Samen met de VGN, BPSW, Ieder(in), NVAVG, NIP, NVO, V&VN en ZN geef ik invulling aan de speerpunten boeien, binden en benutten van personeel. Via een jaarlijkse rapportage10 houd ik de Kamer op de hoogte van de maatregelen en resultaten van de Toekomstagenda.
De afgelopen jaren zijn er ook zorgbreed verschillende programma’s gestart en akkoorden gesloten, zoals de Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ), het Integraal Zorgakkoord (IZA), het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA), het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) met als doel om het stijgende arbeidsmarkttekort zorgbreed te verlagen. De gehandicaptenzorg is niet aangesloten bij deze akkoorden, maar de verwachting is dat deze akkoorden een zorgbreed effect hebben. Bij de uitvoering van sommige maatregelen wordt de subsidie ook specifiek beschikbaar gesteld voor de gehandicaptenzorg. Zo is met de partijen van het AZWA afgesproken om in te zetten op het versterken van een lerende omgeving. Organisaties in de gehandicaptenzorg kunnen in 2026 ook aanspraak maken op de subsidie voor het stimuleren van strategische opleidingsactiviteiten in zorg en welzijn.
Kunt u een opsomming geven van de concrete maatregelen en acties die ingezet worden om meer personeel te werven voor de gehandicaptenzorg? Kunt u per maatregel aangeven wat u gaat doen en wat u gaat doen om de effectiviteit te beoordelen?
Het wervingsbeleid van zorgorganisaties is de verantwoordelijkheid van werkgevers. Voor maatregelen die zijn ingezet om het personeelstekort tegen te gaan verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
Kunt u een opsomming geven van de diverse factoren die spelen bij het personeelstekort in de gehandicaptenzorg? Kunt u per oorzaak ook concreet maken hoe dit bijdraagt aan het personeelstekort en op welke manieren dit is aan te pakken?
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het personeelstekort in de gehandicaptenzorg, zoals onder andere vergrijzing, verschuivingen tussen branches, uitstroom/verloop, ziekteverzuim, personeel in deeltijd, toenemende zorgvraag en arbeidsomstandigheden. Ik wil hierbij benadrukken dat deze factoren per regio en per organisatie heel verschillend kunnen zijn. Er is dus niet één veelbelovende oplossing.
Ik kan niet aangeven hoe elke factor concreet bijdraagt aan het personeelstekort. Er is hier sprake van een complex probleem waar meerdere oorzaken aan ten grondslag liggen waardoor ik niet los voor een factor het effect op het tekort kan aangeven.
Wat is de impact van de huidige aanpak van schijnzelfstandigheid op de personeelstekorten? Herkent u dat door het terugdringen van zzp’ers zorgorganisaties nu meer gebruik maken van uitzendbureaus en de kosten oplopen door tarieven voor de diensten van uitzendbureaus, marges en omdat btw betaald moet worden over de inhuur? Kunt u een inschatting maken van die toegenomen kosten? Bent u bereid om met de sector afspraken te maken over het opzetten van flexpools naar voorbeeld van het (primair) onderwijs zodat mensen in vaste dienst komen en zekerheid hebben, en zorginstellingen geen additionele kosten kwijt zijn?
Op basis van beschikbare cijfers bij het CBS11 is geen relatie te leggen tussen de aanpak van schijnzelfstandigheid en een toename van de personeelstekorten. Er is een afname van het aantal zzp’ers waarneembaar. Tegelijkertijd is sprake van een toename van het totaal aantal werkenden en het aantal werknemers in de gehandicaptenzorg.
De signalen over een verschuiving van de inzet van zzp’ers naar aangeboden diensten via uitzendbureaus zijn vaker genoemd. Uit de cijfers is dit nog niet direct te destilleren voor de gehandicaptenzorg. Evenmin is een antwoord te geven hoe de tarieven van zzp’ers zich verhouden tot de tarieven die gelden bij bemiddeling via uitzendbureaus. Het lijkt logisch dat daarbij sprake zal zijn van een (gedeeltelijke) opslag voor bemiddelingskosten, als ook de invloed van btw.
Het organiseren van de zorg en daarmee ook de personele inzet is de verantwoordelijkheid van de sector. Dit geldt ook voor het vormgeven van een flexibele schil, al dan niet in loondienst. Zoals bij het antwoord op vraag 5 aangegeven is de Minister van VWS bereid, gegeven deze verantwoordelijkheidsverdeling, met brancheorganisaties in de gehandicaptenzorg te verkennen welke mogelijkheden er zijn voor een flexibele schil.
Voor wat betreft de genoemde optie om voor de flexpools het voorbeeld van het (primair) onderwijs te volgen, is het belangrijk om te benoemen dat dit niet zomaar mogelijk is. Anders dan in het onderwijs geldt de zorg als een economische activiteit. Als gevolg hiervan zijn voor de zorgsector de mogelijkheden om werknemers btw-onbelast uit te lenen aan andere werkgevers beperkter dan in het onderwijs. Dit betekent niet dat het betalen van btw per se een belemmering hoeft te zijn. Er zijn voorbeelden van uitleen met btw waarbij toch kostenbesparingen worden ervaren.
In hoeverre is de Toekomstagenda Gehandicaptenzorg nog accuraat en actueel? Ziet u redenen om aanvullende maatregelen te nemen zodat de doelen in de Toekomstagenda gehaald worden? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat de zorg en ondersteuning aan mensen met een beperking echt toekomstbestendig wordt?
De Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking loopt tot en met eind 2026. De agenda is dynamisch en afhankelijk van de actualiteit kan een onderwerp worden toegevoegd. Voor komende periode heb ik de sector uitgenodigd om samen met mij plannen te maken hoe de zorg toekomstbestendig te maken.