Het artikel ‘GGD wil verbod op ziekmakend isolatieschuim’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «GGD wil verbod op ziekmakend isolatieschuim» over de oproep van de GGD tot een verbod op ziekmakend isolatieschuim?1
Ja.
Wat is uw reactie op de oproep van de GGD om het gebruik van UF-isolatieschuim per direct te verbieden?
Naar aanleiding van het rapport van de desktopstudie door de Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving «Gezondheidsrisico’s van na-isolatie met UR-schuim» raden GGD’en gebruik af totdat duidelijk is of en hoe UF-schuim veilig kan worden toegepast. De GGD’en adviseren huiseigenaren en woningcorporaties om voorlopig te kiezen voor een alternatief materiaal om de spouwmuur te isoleren. Ik volg de GGD’en in dit advies.
Welke concrete gezondheidsrisico’s zijn volgens het RIVM vastgesteld bij blootstelling aan formaldehyde uit UF-schuim?
Blootstelling aan formaldehyde kan irritatie van ogen, neus en luchtwegen veroorzaken, maar ook klachten als hoofdpijn en misselijkheid. Langdurige blootstelling aan formaldehyde verhoogt het risico op neuskanker en kanker aan de nasofarynx. Daarnaast kan formaldehyde mogelijk myeoloïde leukemie veroorzaken.
Klopt het dat formaldehyde is aangemerkt als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS)? Hoe verhoudt het gebruik van een bouwmateriaal dat formaldehyde kan uitstoten zich tot het nationale ZZS-beleid en het uitgangspunt van minimalisatie van blootstelling?
Formaldehyde is aangewezen als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS). ZZS’en zijn de meest risicovolle stoffen voor mens en milieu. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Deze inzet is in lijn met het EU-doel voor 2050 in de zero pollution strategy en de verplichtingen in de Richtlijn Industriële Emissies.
Een minimalisatieplicht voor ZZS volgt uit de specifieke zorgplicht in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en geldt voor activiteiten die zijn aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal. Het isoleren van een pand is geen milieubelastende activiteit die wordt aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal en de minimalisatieplicht van het Bal is daarom in deze situatie niet van toepassing.
Wel geldt vanuit de Arboregelgeving een minimalisatieplicht (voor zover technisch mogelijk) voor de blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende stoffen als formaldehyde.
Hoe kan het dat een stof die is aangemerkt als ZZS op zo’n grote schaal wordt toegepast in woningen? Welke wettelijke kaders maken dit mogelijk, en acht u dat wenselijk?
UF-schuim is (nog) niet verboden. Niet in alle gevallen heeft de toepassing van UF-schuim tot klachten geleid. Artikel 6.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt een eis aan de maximale concentratie van formaldehyde in voor personen toegankelijke binnenruimtes. Deze norm moet uiteraard in alle gevallen, dus ook bij bouw- of isolatieactiviteiten, in acht worden genomen.
In Europees verband kunnen via de REACH-verordening beperkingen worden gesteld aan het op de markt brengen van chemische stoffen. Op dit moment zijn er beperkingen vanuit REACH met betrekking tot voorwerpen met formaldehyde, maar (nog) niet voor het gebruik van UF-schuim. Ik onderzoek momenteel de mogelijkheden die er zijn voor adequate regelgeving voor deze situaties.
Hoeveel woningen in Nederland bevatten UF-isolatieschuim in de spouwmuren of elders en hoeveel meldingen van gezondheidsklachten zijn hierover bekend?
In de jaren ’70 en ’80 is UF-schuim veel gebruikt voor isolatie van spouwmuren en daarna weer vanaf ongeveer 2014, vooral door woningcorporaties. Het is de laatste jaren bij tienduizenden woningen toegepast. De GGD’en hebben mede naar aanleiding van de recente berichtgeving inmiddels honderden meldingen over UF-schuim in relatie tot gezondheid binnengekregen. Deze meldingen variëren sterk: van algemene vragen zonder dat er gezondheidsklachten zijn tot meldingen van gezondheidsklachten na isolatie met UF-schuim.
Moeten deze woningen worden gesaneerd?
Wanneer bewoners gezondheidsklachten hebben gerelateerd aan de aanwezigheid van UF-isolatieschuim of het formaldehydegehalte van de binnenlucht te hoog is, dan moeten maatregelen genomen worden. Het is echter nog onvoldoende bekend welke kenmerken van een gebouw en welke omgevingsfactoren cruciaal zijn in het veroorzaken van de verhoogde formaldehydeconcentraties binnenshuis bij na-isolatie met UF-schuim en vervolgens ook welke interventies, anders dan tijdverloop en ventileren, effectief zijn om concentraties weer onder gezondheidskundige grenswaarden te krijgen.
Sanering, dat wil zeggen het verwijderen van het schuim uit de spouw, is technisch mogelijk maar lijkt niet altijd noodzakelijk of nuttig. Bijvoorbeeld wanneer er geen gezondheidsklachten zijn en/of wanneer het schuim langer dan 1 jaar geleden is aangebracht. In een enkel geval namen concentraties formaldehyde in een woning zelfs toe na het verwijderen van UF-schuim.
Klopt het dat bewoners in sommige gevallen het advies hebben gekregen hun woning per direct te verlaten? Zo ja, in hoeveel gevallen is dat gebeurd?
Ja, dat klopt. De GGD’en hebben geen totaaloverzicht van het aantal keren dat het advies is gegeven om de woning te verlaten, maar naar schatting gaat het om enkele tientallen woningen.
Acht u het verantwoord dat dit isolatiemateriaal nog steeds wordt toegepast terwijl er zorgen zijn over ernstige gezondheidsrisico’s?
Ik steun het advies van de GGD’en om UF-schuim niet toe te passen totdat duidelijk is of en hoe UF-schuim veilig kan worden toegepast. Ook branche- vereniging VENIN-Isolerend Nederland heeft haar leden opgeroepen om de toepassing van UF-schuim tijdelijk te pauzeren, totdat aanvullend onafhankelijk onderzoek is afgerond, helderheid bestaat over gezondheidskundige risico’s en – indien nodig – aangepaste certificeringseisen en verwerkingsrichtlijnen zijn vastgesteld.
Bent u bereid het gebruik van UF-schuim tijdelijk te verbieden totdat onafhankelijk onderzoek duidelijkheid geeft over de veiligheid?
Gezien het advies van de GGD’en en de oproep van branchevereniging VENIN aan isoleerders zie ik geen noodzaak tot een (tijdelijk) verbod op UF-schuim op korte termijn. Ik ga ervan uit dat het hierdoor vooralsnog niet meer wordt toegepast. Ik breng het advies van de GGD’en zoveel mogelijk onder de aandacht van de partijen die betrokken zijn bij het isoleren van gebouwen. Het is aan certificerende instanties om de beoordelings- en uitvoeringsrichtlijnen aan te passen en de veiligheid te garanderen als isoleerders dit product weer willen gaan gebruiken. Het toepassen van UF-schuim waardoor de grenswaarde van 120 microgram formaldehyde per m3 binnenlucht wordt overschreden is al verboden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. RIVM herziet momenteel de grenswaarden voor formaldehyde. Daarnaast ben ik voornemens om op korte termijn tijdelijk te stoppen met het subsidiëren van isolatiemaatregelen waarbij UF-schuim wordt gebruikt, totdat duidelijk is dat het veilig is te gebruiken.
Waar kunnen mensen terecht die vragen hebben of een onderzoek aan hun woning of de lucht in hun huis willen?
Wanneer mensen gezondheidsklachten ervaren die passen bij formaldehyde en hun huis is (kortgeleden) geïsoleerd met UF-schuim, dan kunnen zij zich voor advies wenden tot hun verhuurder, huisarts of de GGD, of informatie vinden op ggdleefomgeving.nl of rijksoverheid.nl. Ook Vereniging Eigen Huis, VNG en Aedes informeren hun leden. Ureumformaldehydeschuim is onder diverse merknamen op de markt gebracht, zoals onder meer Aminotherm, Hurefoam, FoamConnect+, Enverifoam en Aminofoam, maar ook vele andere, vandaar dat partijen niet altijd beseffen dat dit schuim is gebruikt.
Een luchtmeting van formaldehyde is mogelijk maar momenteel nogal kostbaar. Het Rijk werkt met RIVM, GGD en meetbedrijven aan een eenvoudigere maar betrouwbare manier van meten.
Welke mogelijkheden hebben bewoners om schade te verhalen wanneer hun woning onbewoonbaar wordt verklaard door dit isolatiemateriaal?
Aansprakelijkheid voor schade is een civielrechtelijke kwestie, waarbij diverse aspecten een rol kunnen spelen om te bepalen of een partij aansprakelijk kan worden gehouden. Mogelijk komen verschillende juridische grondslagen voor aansprakelijkheid in beeld, zoals aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (artikel 6:175 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) of productaansprakelijkheid (artikel 6:185 BW). Iedere grondslag kent zijn eigen specifieke criteria waaraan getoetst moet worden voordat aansprakelijkheid kan worden aangenomen. Verder kunnen ook verjaringsregels een rol spelen. Ik kan om die reden geen uitspraken doen over de vraag welke concrete mogelijkheden bewoners hebben om schade te verhalen.
Op welke wijze worden bewoners ondersteund bij tijdelijke huisvesting en compensatie van kosten?
Wanneer bewoners een woning huren en zij moeten vanwege formaldehyde de woning (tijdelijk) verlaten, dan kunnen zij zich wenden tot hun verhuurder. Eigenaar-bewoners zullen hun eigen voorzieningen moeten treffen. Voor het verhaal van de kosten daarvan verwijs ik naar het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn te informeren over de omvang van het probleem en de maatregelen die u gaat nemen?
Dit heb ik hierbij gedaan.
Gebruik van de C7NLD door het Russische Vrijwilligerskorps |
|
Sarah Dobbe |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Is de Minister bekend met het item «Nederlandse wapens in handen van Russische extreemrechtse militie»?1
Heeft u nagetrokken of deze berichtgeving klopt? Zo ja, zijn Nederlandse wapens inderdaad in handen van deze extreemrechtse militie die los van het Oekraïense leger staat? Zo nee, waarom niet?
Acht u het wenselijk dat Nederlandse wapens in handen komen van niet-gouvernementele militaire organisaties met extreemrechts en zelfs openlijk Neonazistisch gedachtegoed?
Aangezien u als antwoord aan Leftlaser schrijft «Voor de rest is het aan Oekraïne hoe militair gezien het voormalige Nederlandse materieel wordt ingezet en bij welke eenheden», vallen hier wat u betreft ook militaire organisaties onder die los staan van het Oekraïense leger?
Staat het kabinet achter de politieke doelstellingen van het Russische vrijwilligers korps, zijnde het afzetten van de Russische president en het installeren van een militaire regering onder hun leiding?
Hoe wordt in algemene zin voorkomen dat de wapens die Nederland aan Oekraïne levert in verkeerde handen vallen?
Klopt het dat deze organisatie zich schuldig heeft gemaakt aan schendingen van het humanitair oorlogsrecht, waaronder het openlijk vernederen van krijgsgevangenen?
Indien het antwoord op vraag 5 nee is, deelt u dan de mening dat het onwenselijk is deze groep te bewapenen?
Bent u bereid de Oekraïense regering te verzoeken Nederlandse wapens niet langer aan eenheden te verschaffen die niet tot het Oekraïense leger behoren en te vragen deze wapens af te nemen van het Russische vrijwilligerskorps? Zo nee, waarom niet?
De geldigheid van het studentenreisproduct bij vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Bertram , Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de financiële knelpunten bij de financiering van vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor, omdat het studentenreisproduct bij deze vormen van publiek vervoer niet geldig is en door overheden geld bijgelegd moet worden om studenten alsnog gratis te laten reizen met een ov-studentenkaart?1, 2
Hoe waardeert u het feit dat het studentenreisproduct niet geldig is bij de genoemde vormen van publiek vervoer?
Hoe waardeert u het feit dat de provincie Zeeland nu de financiering van het studentenreisproduct in het daar geldende vraaggestuurd publiek vervoer verzorgt, terwijl de uitrol van vraaggestuurd vervoer in Zeeland als nationale pilot publiek vervoer is benoemd?
Wat is het beoogde tijdpad voor opvolging van de Verkenning publieke mobiliteit?
Deelt u de mening dat aanpassing van de geldigheid van het studentenreisproduct bij de genoemde vormen van publiek vervoer noodzakelijk en urgent is, omdat het een bepalende factor is voor de rendabiliteit van deze vormen van publiek vervoer en vraaggestuurd vervoer noodzakelijk is om verschraling van het openbaar vervoer in het landelijk gebied tegen te gaan?
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg over het studentenreisproduct in open toegang ritten op het spoor?3
Bent u voornemens op korte termijn ruimte te geven voor toepassing van het studentenreisproduct bij genoemde vormen van publiek vervoer, zo nodig in de vorm van experimenteerruimte?
Bent u bereid met regionale opdrachtverleners en vervoerders om tafel te gaan om uit te werken hoe ervoor gezorgd kan worden dat conform het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil de bereikbaarheid van voorzieningen centraal staat, in dit geval voor studenten, en niet via welk contract het vervoer is vastgelegd?4
Bent u bereid ervoor te zorgen dat vraaggestuurd publiek vervoer wettelijk gedefinieerd wordt als vorm van openbaar vervoer, met bepalingen ten aanzien van onder meer CAO, geldende vervoerbewijzen en de toepassing van het studentenreisproduct?
Het bericht ‘Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds’ |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds»1 van Energeia?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Wat zijn de verschillen in doel en opzet tussen het Publiek Energiefonds en het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) ondersteunde huishoudens met een laag tot midden inkomen en een hoge energierekening bij het betalen van hun energierekening. Het betrof een publiek-private samenwerking. De stichting TNE werd deels gefinancierd door een subsidie van het Rijk en deels door energieleveranciers en netbeheerders. Om de subsidie binnen de bestaande juridische kaders te verstrekken, was een private bijdrage van meer dan één derde van de totale som vereist.
Het TNE heeft in 2023, 2024 en 2025 uitgekeerd. Het had een jaarlijks vaststaand budget. Mensen kregen op volgorde van aanmelding een uitkering, totdat het budget was uitgeput. Aangezien het budget niet toereikend was voor het aantal huishoudens binnen de doelgroep, kon helaas niet iedereen geholpen worden. Omdat het een private stichting betreft, stond voor mensen geen bezwaar en beroep open.
Kenmerken van een publiek energiefonds zijn onder andere:
Binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF krijgen huishoudens met een gasaansluiting, een relatief hoog energieverbruik en een beperkt inkomen jaarlijks € 200 voor de verwachte stijging van hun energierekening als gevolg van de invoering van ETS-2. De looptijd van het fonds is minimaal 2 jaar, mogelijk langer afhankelijk van niet-gebruik. Het is de bedoeling dat tegelijkertijd wordt gewerkt aan het verduurzamen van woningen. Ook kunnen huishoudens die daar geen bezwaar tegen hebben ondersteuning krijgen van hun gemeenten bij de verlaging van hun energierekening, bijvoorbeeld energiecoaches, energiebesparende maatregelen en hulp bij het aanvragen van regelingen.
Hoe beoordeelt u de constatering in dit artikel dat het aangekondigde Publiek Energiefonds is bedoeld om huishoudens te beschermen tegen toekomstige prijsstijgingen als gevolg van Europees beleid, en daarmee geen vervanging is voor de inkomenssteun die het Tijdelijk Noodfonds Energie gaf aan huishoudens, en dus niet kan fungeren als directe vervanger van het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Het klopt dat de Europese middelen uit het Social Climate Fund en de vereiste nationale cofinanciering alleen aangewend kunnen worden voor het beschermen tegen toekomstige prijsstijgingen als gevolg van de invoering van het nieuwe Europese emissiehandelssysteem ETS-2. De middelen zijn echter ook bedoeld voor compensatie van hoge energiekosten en komen in belangrijke mate terecht bij de doelgroep van het Tijdelijk Noodfonds Energie.
In de brief van het vorige kabinet aan de Kamer (Kamerstuk 2025D38183) is aangegeven dat het publiek energiefonds wordt voorbereid in samenwerking met de werkeenheid Uitvoering van Beleid (UVB) en dat invoering per januari 2027 werd beoogd. Wat is de huidige stand van zaken? wordt de beoogd uitvoerder definitief aangesteld?
Het kabinet bekijkt de mogelijkheden van een meerjarig publiek Energiefonds. Dat gaat helaas niet makkelijk. Met name de uitvoerbaarheid blijft een uitdaging.
Tegelijkertijd begrijpt het kabinet dat huishoudens zich zorgen maken over hoe het conflict hen zal raken en het kabinet neemt die zorgen serieus. Voor komende winter wil het kabinet onder andere kijken of het noodfonds energie weer op poten gezet kan worden, zodat mensen die daar echt behoefte aan hebben daar gebruik van kunnen maken. Ook brengt het kabinet zoals toegezegd door de Staatssecretaris van Financiën, alternatieve opties in kaart voor gerichte ondersteuning, zodat deze wanneer nodig bij de augustusbesluitvorming benut kunnen worden.
Wanneer moet de vormgeving van het fonds definitief zijn om op 1 januari open te gaan? Is daar wetgeving voor nodig? Lopen de voorbereidingen op schema, en kunt u een gedetailleerde planning aan de Kamer doen toekomen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Aangezien het publieke energiefonds in 2026 nog niet operationeel zal zijn, welke maatregelen treft u om huishoudens met lage en middeninkomens in de winter van 2026 te beschermen tegen hoge energielasten en mogelijke betalingsproblemen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Heeft u zicht op hoeveel huishoudens worden geholpen met de dit jaar beschikbaar gestelde 30 miljoen euro voor gemeenten, en hoeveel hen dit scheelt op hun energierekening?
Er zijn meer dan 151.000 huishoudens die zich bij het TNE hebben gemeld en toestemming hebben gegeven om hun gegevens met de eigen gemeente te delen. Aan gemeenten is € 10 miljoen beschikbaar gesteld om met deze huishoudens contact op te nemen over ondersteuning bij verlaging van de energierekening.
De overige € 20 miljoen dient als impuls voor de bestaande lokale dienstverlening in de aanpak van energiearmoede. Gemeenten kunnen deze middelen bijvoorbeeld inzetten voor energiecoaches, energiebesparende maatregelen en hulp bij het aanvragen van regelingen. Deze middelen kunnen gebruikt worden voor ondersteuning aan huishoudens die zich bij het TNE hebben gemeld, maar ook voor andere huishoudens in energiearmoede.
Gemeenten hebben beleidsvrijheid in de uitvoering van hun energiearmoede aanpak, waardoor de effecten per gemeente en per huishouden kunnen verschillen.
Uit het TNO-rapport «Kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de effecten van energiehulp op huishoudens»2 blijkt dat vergelijkbare energiehulp een meetbaar effect heeft op het gas- en elektriciteitsverbruik van huishoudens, met name voor mensen in energiearmoede. Gemiddeld leidt dit tot een besparing van € 215 per jaar op de energierekening. Daarnaast heeft energiehulp een breder effect, het vermindert zorgkosten en draagt bij aan een betere leefsituatie voor de huishoudens.
In hoeverre is onderzocht of het bestaande Tijdelijk Noodfonds Energie tijdelijk kan worden ingezet om 2026 te overbruggen? Is deze analyse heroverwogen naar aanleiding van de gerechtelijke uitspraak dat het Noodfonds geen zelfstandig bestuursorgaan betreft? Zo ja, hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de eerder opgevoerde argumenten om het Tijdelijk Noodfonds Energie in te zetten ter overbrugging van 2026?
Het kabinet wil ervoor zorgen dat er komende winter hulp is voor mensen die dat nodig hebben. Er liggen verschillende opties op tafel om mensen te helpen. Het Noodfonds Energie is daar één van. Die worden richting augustusbesluitvorming uitgewerkt.
Hoeveel huishoudens hadden dit jaar recht gehad op een uitkering uit het Tijdelijk Noodfonds Energie? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
Het Tijdelijk Noodfonds Energie bakende haar potentiële doelgroep af op basis van inkomens en energiequote. Op basis van de door het Tijdelijk Noodfonds Energie gestelde voorwaarden bedroeg in 2023 de doelgroep naar (grove) schatting ca. 1,8 mln. huishoudens. 2023 was wel een jaar met zeer hoge energieprijzen en daarmee een potentieel grote doelgroep van huishoudens met een hoge energiequote. Het jaar 2024 was qua energieprijzen een meer «gemiddeld» jaar. Op basis van de gestelde voorwaarden bedroeg de doelgroep toen naar schatting 685.000 huishoudens. Over 2026 heeft het kabinet geen inschatting van de potentiële doelgroep, ook omdat de prijzen nog niet vaststaan. Het ligt gezien de huidige prijzen voor de hand dat deze tussen die van 2023 en 2024 ligt.
Hoeveel huishoudens die recht hadden gehad op inkomenssteun door het Tijdelijk Noodfonds Energie zullen dat niet meer hebben onder de voorwaarden van het Publiek Energiefonds? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
We kijken momenteel nog naar de vormgeving van een publiek energiefonds. De voorwaarden daarvoor staan dus nog niet vast. Om die reden kan de gevraagde inschatting nog niet worden gegeven.
Waarom is ervoor gekozen om het inkomensplafond om in aanmerking te komen voor een uitkering uit het Publiek Energiefonds te verlagen van 200% naar 130% van het sociaal minimum?
Een vernauwing van de omvang van de doelgroep sluit aan bij de bevindingen vanuit het onderzoeksprogramma energiearmoede van TNO3, met als doel om de beschikbare steun te richten op de doelgroep die dit het hardste nodig heeft.
Waarom is ervoor gekozen om de uitkering te maximeren op 200 euro, terwijl TNO berekende dat de «diepte» van energiearmoede veel dieper is (gemiddeld 472 euro per jaar)?
Zoals op vraag 3 geantwoord, mogen de Europese middelen uit het Social Climate Fund alleen gebruikt worden om de verwachte prijsstijgingen door de invoering van ETS-2 te compenseren. Onderzoek van CE-Delft laat zien dat de deze prijsstijging verder oploopt naarmate de jaren verstrijken. Het bedrag van € 200 per jaar sluit aan bij de verwachte gemiddelde prijsstijging waar huishoudens mee te maken krijgen door de meerprijs van ETS-2.
Daarnaast is de inzet van het kabinet om deze kloof te overbruggen ook breder dan alleen inkomensondersteuning; zo wordt er binnen het Ministerie van VRO nadrukkelijk ingezet op de verbetering van de energetische kwaliteit van woningen, en werkt het Ministerie van KGG als systeemverantwoordelijke aan een rechtvaardig energiesysteem.
Waar kunnen huishoudens met een warmtenet terecht die hun energierekening niet kunnen betalen?
Mensen met zorgen over de energierekening kunnen een betalingsregeling met de energieleverancier treffen of aankloppen bij de gemeente of bij Geldfit.
Kan uitstel van ETS2 leiden tot een lager budget in het Sociaal Klimaatfonds voor Nederland, en voor het Publiek Energiefonds in het bijzonder? Zo ja, (hoe) gaat u ervoor zorgen dat dit geen effect heeft op het beschikbare budget in het Publiek Energiefonds?
Het uitstel van ETS-2 zal geen gevolgen hebben voor het totale bedrag waar lidstaten aanspraak op kunnen maken. Wel is het mogelijk dat door het uitstel van ETS-2 de middelen pas later beschikbaar komen, aangezien het Social Climate Fund gevuld wordt uit de opbrengsten van ETS-2.
Kan uitstel van ETS2 naar 2028 ertoe leiden dat huishoudens geen of minder steun krijgen uit het Publiek Energiefonds in 2027, bijvoorbeeld omdat het fonds alleen toeziet op compensatie van extra kosten veroorzaakt door ETS2? Zo niet, op basis waarvan wordt in dat geval de vergoeding bepaald in 2027?
Uitstel van ETS-2 naar 2028 kan er niet toe leiden dat huishoudens geen of minder steun krijgen uit het publiek Energiefonds in 2027. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Kunt u bevestigen dat het Sociaal Klimaatfonds ondanks uitstel van ETS2 per 1 januari open zal gaan? Zo niet, wat zijn de gevolgen voor het Publiek Energiefonds als dit niet zo zou zijn?
Zie het antwoord op vraag 4.
Het bericht dat Hamas ook bij Nederlandse hulporganisaties zoals Oxfam Novib een stevige vinger in de pap heeft. |
|
Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving en internationale rapporten waaruit blijkt dat Hamas hulporganisaties in Gaza infiltreert, medewerkers plaatst binnen ngo’s en deze organisaties gebruikt als instrument voor haar eigen doeleinden?2
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt absurd is wanneer een Nederlandse stichting met ANBI-status en subsidie, samenwerkt met organisaties die banden hebben met een terroristische organisatie?
Er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van NGO Monitor steunt.
Voor wat betreft deze casus; het kabinet heeft vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke contexten als Gaza waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties, op orde zijn. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Het kabinet is hierdoor van mening dat terroristische organisaties zoals Hamas, direct noch indirect, gefinancierd worden met Nederlands belastinggeld. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor3 en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor.4
Realiseert de regering zich dat het direct of indirect financieren van een terroristische organisatie een misdrijf vormt en daarmee in strijd is met de wet?
Ja.
Kunt u garanderen dat tijdens uw ambtstermijn geen euro Nederlands belastinggeld, direct of indirect, terechtkomt bij organisaties die onder invloed staan van Hamas? Zo nee, waarom niet?
Nederland werkt samen met professionele en betrouwbare maatschappelijke organisaties, die beleid en gedegen procedures hebben om risico’s van malversaties te verkleinen, en die adequaat optreden in geval van zowel aantijgingen als bewezen malversaties. Dergelijke procedures bieden nooit volledige garanties, maar helpen risico’s te minimaliseren in de moeilijke noodhulpcontexten waarin veel van onze humanitaire partners werken.
Besluiten om bepaalde organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties met wie Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het ministerie daar tegen op.
Hoe controleert u concreet dat Nederlands belastinggeld niet terechtkomt bij organisaties die onder invloed staan van terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid per direct een diepgaand onderzoek te starten naar Nederlandse organisaties, waaronder Oxfam Novib, om vast te stellen of en hoe zij, direct of indirect, bijdragen aan Hamas, en bij de geringste aanwijzing de ANBI-status onmiddellijk in te trekken, de subsidie te beëindigen en hier harde consequenties tegenover te plaatsen?
Nee. Zie de antwoorden op vragen 2, 4 en 5.
Hoe valt het te rijmen dat in het coalitieakkoord staat dat de samenwerking met UNRWA wordt hersteld, gezien de overduidelijke banden tussen UNRWA-medewerkers en Hamas en het feit dat Gaza feitelijk onder controle staat van deze terroristische organisatie?3
Diverse onafhankelijke onderzoeken, waaronder onderzoeken uitgevoerd door VN Office of Internal Oversight Services (OIOS) en het Colonna-rapport, stellen vast dat voor de aantijgingen van banden tussen UNRWA-medewerkers en Hamas geen verifieerbaar bewijs is geleverd. Daarnaast blijkt uit het Colonna-rapport dat UNRWA de benodigde mechanismen, procedures en beleid heeft om ervoor te zorgen dat de verplichting tot naleving van het neutraliteitsbeginsel wordt nageleefd. Tevens implementeert UNRWA de aanbevelingen komende uit het Colonna-rapport die de neutraliteit en integriteit verder versterken.
Bent u bekend met het recente besluit van de Duitse christendemocraten om onvoorwaardelijke steun aan UNRWA te beëindigen?4 Waarom kiest het kabinet daar niet voor?
Ja, ik ben bekend met dit besluit. Het kabinet ondersteunt het mandaat van UNRWA en hun cruciale werk om levensreddende humanitaire hulp te bieden in Gaza. Ook levert UNRWA essentiële basisdiensten, met name op gebied van gezondheidszorg en onderwijs, aan Palestijnse vluchtelingen in Gaza, de Westelijke Jordaanoever, Jordanië, Libanon en Syrië. Met het leveren van basisdiensten aan Palestijnse vluchtelingen draagt UNRWA bij aan stabiliteit in de regio. Daar is iedereen bij gebaat.
Bent u bereid de Nederlandse steun aan UNRWA onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 8.
Structureel falen bij de behandeling van meldingen van sextortion en zedenzaken |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten in onder meer Tubantia, Omroep Gelderland, Dagblad van het Noorden en De Telegraaf over de zaak rond Mark S., waarin meerdere slachtoffers aangeven herhaaldelijk aangifte te hebben gedaan maar niet serieus te zijn genomen?1
Deelt u de opvatting dat wanneer meerdere meldingen over een langere periode binnenkomen over dezelfde persoon wegens seksuele afpersing of zedendelicten, dit automatisch moet leiden tot verscherpte beoordeling, verdiepend onderzoek, centrale coördinatie en escalatie? Zo ja, hoe is dit geborgd? Zo nee, waarom niet?
Bestaat er binnen de politie een landelijk werkend systeem dat herhaalde meldingen tegen dezelfde persoon (bij verschillende eenheden) ook als eerdere aangiften niet tot vervolging hebben geleid automatisch signaleert en samenbrengt? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat signalen desondanks gefragmenteerd blijven en dus ongezien met alle gevolgen voor slachtoffers? Zo nee, acht u dat verantwoord bij ernstige zedendelicten? En (hoe) bent u bereid om dat in overleg me de politieleiding te veranderen?
Zijn er binnen de politie specifieke en eenduidige richtlijnen voor de behandeling van herhaalde aangiften van minderjarige slachtoffers van seksuele afpersing, mede gelet op hun kwetsbare positie? Zo nee, waarom ontbreken deze en welke maatregelen worden genomen om deze alsnog vast te stellen? Zo ja, worden deze richtlijnen in de praktijk nageleefd?
Kunt u uiteenzetten welke criteria worden gehanteerd bij de keuze om in zedenzaken te volstaan met een zogenoemd «stopgesprek»? Wordt daarbij standaard een risicotaxatie uitgevoerd? Wordt standaard onderzocht of er mogelijk meerdere slachtoffers zijn? Vindt structurele monitoring plaats? Indien dit niet het geval is, waarom wordt dit instrument dan toegepast bij (ernstige) verdenkingen?
Bent u bereid onderzoek te doen naar de effectiviteit van stopgesprekken in zedenzaken, met name bij seksuele afpersing en digitale uitbuiting? Zo nee, waarom niet en waarom wordt een dergelijk ingrijpend instrument zonder onderbouwde effectiviteitsanalyse dan ingezet?
Hoe wordt binnen de politie geborgd dat slachtoffers van sextortion niet secundair worden gecriminaliseerd wanneer zij onder dwang seksueel beeldmateriaal hebben vervaardigd? Bestaan hier expliciete instructies voor? Zo nee, vindt u dat die er moeten komen?
Klopt het dat slachtoffers van zedendelicten bij het doen van aangifte nog altijd worden ontmoedigd, weggestuurd met de opmerking «negeer het» of geconfronteerd met hoge bewijsdrempels voordat tot onderzoek wordt overgegaan? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van sextortion en digitale seksuele uitbuiting de afgelopen drie jaar zijn gedaan, hoeveel daarvan minderjarigen betroffen en in hoeveel gevallen sprake was van meerdere meldingen tegen dezelfde verdachte? Hoeveel van deze meldingen zijn uiteindelijk opgepakt?
Acht u de huidige capaciteit en digitale expertise van de zedenrecherche toereikend in verhouding tot de toename van online seksuele uitbuiting? Zo nee, welke acties worden het komende jaar ondernomen om dit te verbeteren?
Deelt u de opvatting dat «slachtoffers centraal» alleen betekenis heeft als herhaalde meldingen automatisch leiden tot verdiepend onderzoek, ook wanneer bewijscomplexiteit groot is? Hoe kan dit uitgangspunt concreet geborgd worden in beleid en uitvoering?
Welke concrete maatregelen gaat u ondernemen ten aanzien van langdurige sextortionzaken, gericht op: verplichte patroonherkenning, escalatie bij herhaalde meldingen, versterkte bescherming van minderjarigen, en het voorkomen van secundaire victimisatie?
Massale fouten in vonnissen |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het aantal naamfouten in strafvonnissen veel groter is dan tot nu toe bekend was en dat volgens klokkenluiders de betrokken administratiedienst Justid jarenlang onwettig gegevens heeft aangepast?1 Zo ja, klopt dit bericht?
Klopt de veronderstelling dat het aantal naamfouten in vonnissen mogelijk zo’n 50.000 gevallen betreft? Wat bent u van plan om hierop te ondernemen?
Hoe vindt u dit zich verhouden tot het fundamentele uitgangspunt dat de strafrechter, en niet een uitvoerende dienst zoals Justid, rechtens vaststelt wie voor welk strafbaar feit verantwoordelijk gehouden wordt?
Zijn er daadwerkelijk betrokkenen door dit soort fouten onterecht in detentie genomen? Zo ja, om hoeveel mensen gaat het? Bent u bereid om per omgaande te onderzoeken of er hierdoor mensen onterecht gedetineerd zijn en hoe gaat u om met de concrete gevolgen van deze onterechte detenties? Op welke materiële/immateriële ondersteuning kunnen onterecht gedetineerde mensen rekenen?
Hoeveel mensen zijn als gevolg van deze praktijk ten onrechte op vrije voeten gebleven? Hoe gaat u ervoor zorgen dat het recht alsnog zijn beloop neemt?
Klopt het dat eerdere signalen van medewerkers zijn genegeerd? En wat is er gedaan met de onderzoeken van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk? Is er intern onderzoek gedaan naar deze naamfouten?
Klopt het dat sprake is van een angstcultuur bij Justid? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Bent u van plan te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is geweest van een angstcultuur bij Justid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer over uw bevindingen informeren? Bent u bereid om onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de sociale veiligheid op de werkvloer van Justid en hoe klokkenluiders beschermd worden?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dergelijke fouten voortaan worden voorkomen?
Een grote crimineel (Lysander de R.) die naar een regulier detentieregime is afgeschaald |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onrust in gevangenis Heerhugowaard: motorbende-leider wil wraak»?1
Klopt het dat Lysander de R. recent in een regulier regime is geplaatst?
Hoe kan het dat een gedetineerde die bekend staat als het «bajesbeest» en de «schrik van Zaanstad» en in meerdere Penitentiaire Inrichtingen een schrikbewind voerde, al enige tijd op een reguliere afdeling is geplaatst?
Waarom is deze gedetineerde al langer dan een jaar uit de Afdeling Intensief Toezicht geplaatst?
Waarom wordt een gedetineerde, die evident en aantoonbaar betrokken is bij voortgezet crimineel handelen uit detentie, in een Penitentiaire Inrichting (Zuyderbosch) geplaatst waar in 2025 maar liefst 31 keer communicatiemiddelen zijn aangetroffen bij gedetineerden?
Op welke wijze worden bij het afbouwen van toezichtsmaatregelen op basis van de lijst gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico, feiten betrokken zoals het leiding geven vanuit detentie aan een motorclub zoals MC Hardliners, het oprichten daarvan en leider zijn van een dergelijke criminele organisatie?
Op welke wijze worden de B- en C-grond uit artikel 13 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden gewogen indien sprake is van een gedetineerde die aantoonbaar vanuit detentie crimineel handelen heeft voortgezet en een leidende rol heeft bij een criminele organisatie zoals een motorclub?
Hoe kan er geen sprake zijn van een hoog risico op aanhoudende ongeoorloofde contacten met de buitenwereld met een maatschappelijk ontwrichtend karakter indien een gedetineerde hoogstwaarschijnlijk betrokken is bij ernstige bedreigingen jegens een burgemeester?
Indien de feiten als genoemd in vragen 4, 5 en 6 zich zouden voordoen: waarom zit zo een gedetineerde dan niet in de Extra Beveiligde Inrichting?
Waarom kan een gedetineerde in aanmerking komen voor fasering als de voorwaardelijke invrijheidsstelling door de rechter is ingetrokken?
Waarom kan een gedetineerde in aanmerking komen voor meer vrijheden indien hij betrokken is bij feiten zoals genoemd in de vragen 4, 5 en 6?
Wanneer gaat u inzien dat criminele kopstukken er alles aan zullen doen om in lagere detentieregimes terecht te komen?
Wat gaat u de samenleving precies uitleggen indien een gedetineerde zoals Lysander de R. vanuit detentie wederom de samenleving vrees zal aanjagen en mogelijk ernstige strafbare feiten zal laten plegen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk 1 maart 2026 beantwoorden?
Indien u bij beantwoording op sommige vragen zult antwoorden dat u «niet ingaat op individuele gevallen», kunt u daarbij dan uitgebreid motiveren waarom u niet op individuele gevallen kunt ingaan terwijl de uitvoering van strafrechtelijke vonnissen rechtstreeks onder uw verantwoordelijkheid valt?
Een MIVD-rapport |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Tweede Kamer, vertrouwelijk, het rapport inzien dat door de MIVD in juni 2022 is verstuurd naar de CIA over een Oekraïens plan om de Nord Stream-gaspijpleiding op te blazen? Zo nee, waarom niet?
Over de inlichtingen, bronnen, werkwijze en samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten van de MIVD worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. In het algemeen geldt dat de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) vertrouwelijk worden geïnformeerd. De CTIVD heeft daarnaast toegang tot de systemen van de diensten en kan gevraagd en ongevraagd rapporteren over het werk van de diensten.
Welke Nederlandse instanties kunnen dit MIVD-rapport (wel) inzien? Kan de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en/of de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten dit rapport (vertrouwelijk) inzien?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan de Tweede Kamer het kabinet controleren als het, ook op vertrouwelijke basis, rapporten van de inlichtingendiensten niet mag inzien en/of als het kabinet zelfs het (wel of niet) bestaan van rapporten van Nederlandse inlichtingendiensten weigert te erkennen?
De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Uw Kamer wordt over de vertrouwelijke aspecten van de werkzaamheden van de diensten via de geëigende kanalen geïnformeerd.
Het burgerinitiatief ‘My Voice, My Choice’ |
|
Sarah Dobbe , Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat op 26 februari de Europese Commissie zal spreken over het burgerinitiatief «My Voice, My Choice», gericht op het instellen van een financieel mechanisme waarmee iedereen in de Europese Unie (EU) toegang krijgt tot abortuszorg? Bent u ook bekend met het feit dat negen Europese lidstaten (Estland, Oostenrijk, Finland, Frankrijk, Luxemburg, Polen, Slovenië, Spanje en Zweden) de Europese Commissie (EC) hebben aangeschreven om hun steun te betuigen voor het initiatief?
Ja, het kabinet is bekend met het feit dat de Europese Commissie het voornemen heeft om op 26 februari een reactie te geven op het burgerinitiatief «My Voice, My Choice». Daarnaast is het bekend met de steunbetuiging van een aantal Europese lidstaten middels een door Spanje opgestelde brief aan de Europese Commissie.
Bent u het eens dat iedereen binnen de EU recht zou moeten hebben op toegang tot veilige, goede abortuszorg?
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd, inclusief keuzevrijheid en toegang tot veilige abortus. Tegelijkertijd respecteert het kabinet de vrijheid van lidstaten om eigen keuzes te maken rondom abortus beleid, aangezien dit een nationale competentie behelst.
Steunt u het burgerinitiatief «My Voice, My Choice» en de oproep die daarin gedaan wordt voor toegang tot abortuszorg binnen de gehele EU? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om net als de negen andere lidstaten die dat al gedaan hebben, de EC aan te schrijven voor 26 februari a.s. en in deze brief uw steun te uiten voor het initiatief?
Het initiatief roept op om lidstaten financieel te ondersteunen bij het aanbieden van abortuszorg aan vrouwen die in hun eigen land geen toegang hebben tot abortus. Zo zouden bijvoorbeeld vrouwen die vanuit een ander EU-land naar Nederland komen voor een abortus, de behandeling vergoed kunnen krijgen. Het kabinet heeft waardering voor de inspanningen van de initiatiefnemers en lidstaten om de toegang tot veilige abortus in de EU te verbeteren.
Voordat het kabinet steun kan uitspreken voor een dergelijk initiatief, is het belangrijk dat de mogelijke implicaties van veranderend beleid in beeld zijn. Aangezien de EC nog niet heeft gereageerd op het burgerinitiatief is het op dit moment nog niet duidelijk wat de (financiële) impact van het voorstel zou kunnen zijn voor Nederland.
Op 26 februari maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen. Naar aanleiding hiervan zal het kabinet het Nederlandse standpunt, indien nodig, interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer wordt hier sowieso nader over geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 25 februari voor 17.00 uur beantwoorden?
Ja.
Toezichtrapport 83 |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Is het correct dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) op pagina 9 van Toezichtrapport 83 het volgende schrijft: «De CTIVD heeft door middel van zelfstandig onderzoek in de systemen van de AIVD vastgesteld dat binnen de onderzoeksperiode personen onderwerp van onderzoek zijn geweest die kritiek hadden geuit op het coronabeleid.»?
De parlementaire enquêtecommissie van de Tweede Kamer heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) verzocht te verkennen of er aanleiding is om onderzoek te doen naar het handelen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gericht op critici van en protest tegen coronabeleid.
De CTIVD vat op pagina 3 het volgende samen: «De CTIVD heeft vastgesteld dat het louter uiten van coronakritiek in geen enkel geval aanleiding is geweest onderzoek te doen. In alle gevallen was er sprake van een vermoeden van een dergelijk gevaar dat voortkwam uit uitspraken of gedragingen. Deze uitspraken of gedragingen waren bijvoorbeeld gericht op geweld, het verspreiden van angst of desinformatie, het zaaien van haat of een combinatie van het voorgaande. Gezien het felt dat de diensten een taak hebben om vast te stellen of een vermoedelijke dreiging voor de nationale veiligheid, de democratische rechtsorde of defensiebelangen zich ook daadwerkelijk voordoet, waren er gegronde redenen om deze personen te onderzoeken.»
Op pagina 19 concludeert de CTIVD De diensten hebben de wettelijke taak om onderzoek doen naar personen die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, democratische rechtsorde of voor defensiebelangen. Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat in de onderzoeksperiode anti-overheids-extremisme onderdeel uitmaakte van deze taak. In dat kader hebben de diensten ook onderzoek gedaan naar personen, waarbij ook personen zijn onderzocht die zich kritisch hebben uitgelaten over het coronabeleid. Bij geen van deze personen was die kritiek als zodanig de aanleiding om een onderzoek te starten of bevoegdheden in te zetten.»
Wat vindt u hiervan? Is het wenselijk, in een (formeel) vrije en open samenleving, dat kritische burgers door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in de gaten worden gehouden simpelweg omdat ze kritisch zijn op het regeringsbeleid?
Dit wordt niet door de CTIVD geconcludeerd. Zie antwoord op vraag 1.
Is het correct dat de CTIVD in dit rapport concludeert dat coronacritici onderzocht mogen worden door de inlichtingendiensten als hun kritiek wordt gezien als een vorm van «desinformatie» of een «complottheorie»?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 1. Daarnaast benoemt de CTIVD dat de diensten personen in onderzoek nam, enkel wanneer zij aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormden voor de nationale veiligheid, de democratische rechtsorde of voor defensiebelangen, zoals wettelijk vastgesteld in de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) 2017.
Kunt u een lijst verschaffen met beweringen van coronacritici die door de inlichtingendiensten worden gezien als «desinformatie» of een «complottheorie» en daarmee een onderzoek door de inlichtingendienst naar de Nederlandse burger die die kritiek uit kan rechtvaardigen?
De AIVD kan onderzoek doen zoals beschreven in de WIV 2017. Het is casusafhankelijk of dit in een individueel geval aan de orde is en over de werkwijze die daarbij wordt gehanteerd kan vanwege dezelfde WIV 2017 geen mededeling worden gedaan.
Bent u van mening dat een machtig internationaal netwerk dat gebruik maakt van (seksuele) chantage als drukmiddel (bijvoorbeeld het netwerk van Jeffrey Epstein) een gevaar kan opleveren voor onze democratische rechtsorde?
Er is sprake van een dreiging voor de democratische rechtsorde wanneer de democratische rechtstaat en de open samenleving onder druk staat. Of er sprake is van een gevaar voor de democratische rechtsorde is afhankelijk van de daadwerkelijke gedragingen die worden ondernomen en welke intenties daar achter zitten.
Verricht de AIVD onderzoek naar dit soort netwerken in het algemeen en het netwerk van Epstein in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
Vanwege de WIV 2017 kan ik, in het openbaar geen uitspraken doen over al dan niet lopende onderzoeken bij de diensten.
Zou de AIVD, wat u betreft, onderzoek moeten doen naar dit soort internationale machtsnetwerken die een gevaar kunnen vormen voor onze democratische rechtsorde? Meer specifiek: zou de AIVD niet veel en veel beter onderzoek kunnen gaan doen naar bijvoorbeeld het netwerk van Epstein en de mogelijk corrumperende werking daarvan op onze democratie in plaats van kritische burgers die waarschuwen voor dit soort netwerken (van kwaadaardige elites welteverstaan) te onderzoeken omdat deze kritische burgers daarmee «complottheorieën» aanhangen en een «kwaadaardig elite-narratief» verspreiden?
De AIVD kan, op basis de WIV 2017, onderzoek verrichten met betrekking tot alle organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de nationale veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.
De aanhouding van een man in de binnenstad van Tiel wegens het zwaaien met een wapen vanuit een woningraam |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Man aangehouden in Tielse binnenstad, zou met wapen uit raam hebben gezwaaid»?1
Klopt het dat in de woning van betrokkene zowel een vuurwapen als een luchtdrukwapen zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen?
Heeft de politie signalen of meldingen ontvangen dat het wapen vanuit de woning is gericht in de richting van de vrouweningang van de Stichting Ahmet Yesevi Moskee in Tiel? Zo ja, wordt dit betrokken bij het strafrechtelijk onderzoek en de duiding van het incident?
Wordt in het onderzoek expliciet bezien of sprake is van een mogelijk haatmotief of gerichte intimidatie van een religieuze instelling, en welke maatregelen zijn genomen om de veiligheid van bezoekers van de moskee te waarborgen?
Het bericht ‘Hamas heeft ook bij Nederlandse hulporganisaties zoals Oxfam Novib stevige vinger in de pap’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hamas heeft ook bij Nederlandse hulporganisaties zoals Oxfam Novib stevige vinger in de pap»?1
Ja.
Klopt het dat Nederlands belastinggeld mogelijk bij Hamas terecht is gekomen zoals NGO Monitor, een Israëlische waakhond, stelt? Zo ja, hoe groot acht u de kans dat dit is gebeurd en hoe beoordeelt u dit feit? Zo nee, wat is er volgens uw informatie wel gebeurd?
Er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van NGO Monitor steunt.
Het kabinet heeft vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke contexten als Gaza waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties, op orde zijn. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor2, 3 en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor.4, 5
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling kan zijn dat terroristische organisaties zoals Hamas, al dan niet indirect, gefinancierd worden met Nederlands belastinggeld? Zo nee, waarom niet?
Ja.
In het coalitieakkoord «Aan de slag» is afgesproken dat er tevens wordt ingezet op samenwerking met andere hulporganisaties in de regio. Welke kansen ziet u om de hulpverlening te diversificeren en bent u bereid om hiermee aan de slag te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft zich inzetten voor humanitaire hulp in de regio, en zet daarbij in op de ondersteuning van verschillende professionele hulporganisaties, waaronder de Verenigde Naties, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance. Nederland ondersteunt deze organisaties met ongeoormerkte, flexibel inzetbare bijdragen. Dit stelt de organisaties in staat snel, wendbaar en doelgericht hulp te bieden, óók in de Palestijnse gebieden. Daarnaast steunt Nederland ook crisis-specifieke fondsen, namelijk de Country-Based Pooled Funds (CBPF’s), waarmee de VN snel en gecoördineerd steun kan verlenen aan hulporganisaties die in een door crisis getroffen gebied actief zijn, waaronder ook in de Palestijnse gebieden. Via deze fondsen worden middelen gealloceerd aan partners die bekend zijn met de context, zoals (internationale) ngo's, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de VN.
Kunt u een overzicht geven van de totale financiële middelen die in de afgelopen vijf jaar vanuit Nederland via de Dutch Relief Alliance (DRA) beschikbaar zijn gesteld voor hulpverlening in de Gazastrook?
Ja.
1. Gaza Humanitarian Joint response project 2021
25-06-2021 – 24-12-2021
EUR 2 mln.
2. Gaza Humanitarian Joint response project 2023–2024
14-10-2023 – 13-10-2024
EUR 7 mln.
3. Gaza Humanitarian Joint response project 2025
24-01-2025 – 23-10-2025
EUR 3 mln.
4. Gaza Humanitarian Joint response project 2025–2026
24-10-2025 – 23-07-2026
EUR 3 mln. (is nog lopend)
Project nummer 2 was een DRA response voor 2 miljoen euro waarop de DRA op 14 november 2023 een aanvullende bijdrage van 5 miljoen euro ontving van de Nederlandse overheid. Dit betreft een totaalbedrag van 7 miljoen euro en niet 10 miljoen euro zoals wordt vermeld in het rapport van «NGO Monitor».
Welke bedragen zijn er voor de komende jaren begroot of reeds gereserveerd voor de uitvoering van projecten door de DRA in de Gazastrook?
Zie antwoord op vraag 5. Behalve het deels nog uit te voeren project nummer 4, zijn er voor de komende jaren geen fondsen begroot of gereserveerd voor de uitvoering van projecten door DRA in de Gazastrook. Het subsidiebeleidskader Humanitaire Hulp 2022–2026 waarmee de DRA gefinancierd wordt loopt in 2026 af. Ik ben voornemens medio dit jaar een nieuw kader te publiceren voor de periode 2027–2031. Subsidies uit dit kader zullen onder andere ten goede komen aan de DRA. Op basis van de hoogste noden, bepaalt de DRA zelf waar deze ongeoormerkte, flexibele bijdragen worden ingezet.
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van NGO Monitor, zorg te dragen voor een striktere en onafhankelijke screening van de partners binnen de DRA om te voorkomen dat hulpfondsen bij aan Hamas gelieerde organisaties terechtkomen?
Nee. Zie antwoord op vraag 2
Wat is uw reactie op de bevinding dat de door Nederland gefinancierde niet-gouvernementele organisatie (ngo)'s significant meer berichten op sociale media plaatsen over Israël dan over alle andere wereldconflicten samen?
Het is aan de ngo’s om zelfstandig keuzes te maken over hun publieke communicatie, waaronder het al dan niet plaatsen van berichten op sociale media. Die ruimte is een fundamenteel onderdeel van hun onafhankelijkheid en valt onder de vrijheid van meningsuiting. Het ministerie kan alleen afspraken maken met ngo’s over de publieke communicatie rond door Nederland gefinancierde specifieke activiteiten.
Het artikel 'Verpleeghuisbewoners opsluiten mag niet meer: ook mensen met dementie zijn bovenal vrije burgers' |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? zo ja wat vindt u hiervan?1
Ja. Het bericht geeft een juiste weergave van de bedoeling van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) met betrekking tot het openen van deuren en het inzetten van vormen van gedwongen zorg. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel (ultimum remedium) worden verleend als er sprake is van ernstig nadeel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Daarbij geeft het artikel de emotie weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt. Tegelijkertijd hebben cliënten het recht op de vrijheid om te gaan en staan waar zij willen. Ik zie ook dat cliënten en hun familie en naasten steeds vaker aangeven dat risico’s bij het leven horen en het volledig proberen risico’s uit te sluiten (bijvoorbeeld door deuren gesloten te houden) niet bijdraagt aan de kwaliteit van leven van de cliënt. En iemand insluiten raakt cliënten, maar óók zorgverleners. Daarom moeten de zorgprofessionals altijd onderzoeken of er vrijwillige of minder ingrijpende oplossingen zijn. Indien er écht geen andere oplossing is dan de deur sluiten, dan moet dit zo kort mogelijk, zorgvuldig en in nabijheid van een zorgprofessional plaatsvinden. En altijd op basis van een wettelijke grondslag, in dit geval de Wzd. Het is belangrijk dat zorgprofessionals goed in gesprek blijven met cliënten, familie en naasten over dit onderwerp en de afwegingen die daarbij worden gemaakt delen.
Kunt u een actueel beeld geven van het aantal verpleeghuizen dat sinds 2020 met een opendeurenbeleid werkt en het aantal verpleeghuizen waar dat nog niet het geval is?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd open deurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wzd.
Kunt u de geest van de beweging achter het opendeurenbeleid schetsen en welke verandering vraagt dit van bestuurlijk Nederland in de langdurige zorg?
Ieder mens heeft het recht om in vrijheid te leven en eigen keuzes te maken: zelf beslissen hoe je de dag doorbrengt en waar je woont. Dit recht geldt ook voor mensen met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening, zoals dementie, die (langdurige) zorg ontvangen. Van zorgorganisaties mag worden verwacht dat zij zich maximaal inzetten om mensen in staat te stellen het leven naar eigen inzicht in te richten. Het gedeelde beeld2 is dat een duidelijke focus op het openen van deuren zal helpen in het vergroten van eigen regie en vrijheid. De ervaring is dat wanneer de cliënt zijn of haar leven zoveel mogelijk naar eigen inzicht kan inrichten en daarbij wordt aangesloten bij de behoeften en (vroegere) gewoonten van de cliënt er meer vrijheid wordt ervaren. Het nauw betrekken van familie en naasten is hierbij van groot belang. Het streven naar meer vrijheid is een van de pijlers van de Wzd. Steeds meer zorgaanbieders zijn daarom al aan de slag om deuren te openen. Het meer openen van deuren is één van de manieren om vrijheid te vergroten.
Tegelijkertijd wordt ook niet gevraagd van zorgorganisaties om alle deuren zonder meer te openen. Als er bij mensen met dementie ernstig nadeel optreedt als zij de veilige setting van een afdeling of locatie verlaten, mag deze deur gesloten blijven. De Wzd vraagt om een zorgvuldige en individuele afweging.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023) afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»3 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025.
Welke factoren helpen volgens u om de invoering van het opendeurenbeleid te versnellen, en waar liggen nog kansen voor ondersteuning van de VVT-sector en het voeren van de maatschappelijke dialoog hierover?
Vilans heeft met het programma «Een deur kan op veel manier open» zorgorganisaties geholpen bij het openen van deuren, inclusief de daarbij horende afwegingen. Ook heeft Vilans in 2025 de week van de passende vrijheid georganiseerd. In deze week stond het verminderen van gedwongen zorg door teamleren, praktijkvoorbeelden en het openen van deuren centraal. Het programma heeft een belangrijke stimulans gegeven aan het bieden van vrijheid door het openen van afdelingen en aan meer persoonsgerichte zorg. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans4.
Welke goede voorbeelden zijn er die laten zien hoe de Wet zorg en dwang nageleefd kan worden in de context van VVT-organisaties en het niet hebben van de gesloten afdeling?
Vanuit de praktijk zijn in de afgelopen jaren diverse methodieken en kennisproducten ontwikkeld die zorgverleners helpen bij het zoeken naar alternatieven voor gedwongen zorg. Zo zijn er goede voorbeelden van aanbieders die de komst van de Wzd hebben aangegrepen om te starten met «opendeurenbeleid», waardoor bewoners met dementie meer vrijheid hebben gekregen om naar buiten te gaan voor een wandeling. Een goed voorbeeld hiervan is De Vijverhof5, maar ook zorgaanbieder Aafje heeft een stappenplan ontwikkeld om het opendeurenbeleid in de dagelijkse praktijk te laten werken6. Op de website van Vilans zijn meer goede voorbeelden te vinden7.
Hoe zet de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) haar toezicht momenteel in om instellingen te helpen tempo te maken, en welke lessen komen daaruit naar voren?
In 2024 zag de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat het insluiten van cliënten of patiënten in alle zorgsectoren nog vaak voorkomt. Het aantal registraties van afgesloten deuren stijgt elk jaar8. De IGJ maakt zich zorgen over deze ontwikkeling en besloot thematisch toezicht9 uit te voeren op de gesloten deuren. In 2025 bezocht de IGJ ruim 100 instellingen in de gehandicaptenzorg, verpleeghuiszorg, geestelijke gezondheidszorg en jeugdhulp. De inspecteurs zijn zonder aankondiging bij instellingen langsgegaan, om te kijken of zij de deuren hebben geopend. En als de deuren toch dicht zijn of de besluitvorming en uitvoering wel zorgvuldig verlopen. Eind maart 2026 publiceert de IGJ vanuit het thematisch toezicht een Infographic met de succesfactoren en knelpunten voor het openen van de deuren. Daarnaast organiseert de IGJ eind maart drie webinars om de bevindingen vanuit de bezoeken te delen met zorgaanbieders. Ook vertellen enkele zorgaanbieders tijdens deze webinars over hun ervaringen met het openen van de deuren.
Is bekend hoe mensen met dementie, familieleden en medewerkers het opendeurenbeleid na verloop van tijd ervaren?
Vanuit het Ministerie van VWS wordt veelvuldig gesproken met cliëntenorganisaties, cliëntenvertegenwoordigers, ervaringsdeskundigen, naasten en de organisatie voor cliëntenvertrouwenspersonen (Stemgever) over gedwongen zorg. Het is bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en soms ook in situaties terechtkomen waarin zij regelmatig dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Het is van belang dat zorgprofessionals in overleg met de familie en naasten van een cliënt een goede afweging maken. Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking10 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Hoe verhoudt de beweging in de langdurige zorg zich tot de geest van de Wet zorg en dwang in de context van het ziekenhuis (en de geslotenheid van bijvoorbeeld geriatrieafdelingen)?
Het uitgangspunt van de Wzd is dat gedwongen zorg alleen wordt toegepast als uiterste middel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Dit uitgangspunt geldt ook in het ziekenhuis.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen met een zorgplan waarin gedwongen zorg, zoals bepaald in de Wzd, is opgenomen, dan mag het ziekenhuis de in het zorgplan opgenomen gedwongen zorg verlenen. De zorgverlening vindt dan plaats op basis van dat plan dat een andere zorgaanbieder dan het ziekenhuis heeft gemaakt.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen zonder een zorgplan met gedwongen zorg, maar er toch gedwongen zorg moet worden verleend, kan worden teruggevallen op de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo). Een voorbeeld is het beperken van de bewegingsvrijheid, waarbij de cliënt de afdeling niet mag verlaten. Het gaat in deze situaties namelijk altijd om een korte opname in een ziekenhuis, gericht op geneeskundige behandeling. Een arts in het ziekenhuis en een cliënt die wordt opgenomen, sluiten – juridisch gezien – een «behandelingsovereenkomst.» Een oudere cliënt met bijvoorbeeld dementie kan veelal zelf geen toestemming geven voor verrichtingen ter uitvoering van die behandelingsovereenkomst, ook niet als zijn bewegingsvrijheid moet worden beperkt. De zorgverlener heeft dan toestemming nodig van de vertegenwoordiger van de cliënt, tenzij onverwijlde uitvoering van de verrichting kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de cliënt te voorkomen.
Hoe kunt u vanuit de systeemverantwoordelijkheid ruimte creëren richting zorgorganisaties om meer te kijken naar de individuele levenskwaliteit? En wat is de rol van het zorgkantoor in het faciliteren en toetsen hiervan?
De Wzd gaat juist over beslissingen per individu: de inzet van gedwongen zorg is dan ook per cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. Ook bespreekt de IGJ, als toezichthouder, met een zorgaanbieder of er een individuele afweging gemaakt is en of aantoonbaar is waarom een cliënt op een gesloten afdeling moet verblijven. Mocht blijken dat deze individuele afweging niet is gemaakt en/of niet aantoonbaar in het zorgdossier van de cliënt is vastgelegd, vraagt de IGJ om een verbetermaatregel bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder moet dan binnen een gegeven termijn aantonen dat hierover het gesprek is gevoerd met de cliënt(vertegenwoordiger), alle bij de cliënt betrokken disciplines en deze afweging is vastgelegd in het zorgdossier.
Een zorgkantoor en een zorgverzekeraar hebben een zorgplicht. Dit houdt in dat zij zich moeten inspannen en zoveel mogelijk moeten doen om het recht van de cliënt (de verzekerde) op passende (gedwongen) zorg te realiseren. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het verlenen van goede en passende zorg aan de cliënt. Dit kan ook, met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving, een vorm van gedwongen zorg betreffen.
Hoe ziet u de rol van de Specialist Ouderengeneeskunde in deze ontwikkeling en hoe kunnen zij hier nog beter in ondersteunen? En wat kunt u doen om hen hierin te faciliteren?
Ook de beroepsvereniging Verenso heeft de Bestuurlijke Afspraken Uitvoering Wzd ondertekend en zich daarmee gecommitteerd aan de afspraken over het openen van deuren. De kennisproducten en opleidingspagina11 van Vilans bieden ook voor specialisten ouderengeneeskunde handvatten bij het implementeren van het opendeurenbeleid. Specialisten ouderengeneeskunde hebben in het besluitvormingsproces ten aanzien van gedwongen zorg voor een cliënt vaak de rol van deskundige of Wzd-functionaris. Vanuit deze rollen kunnen zij het opendeurenbeleid bij hun zorgorganisatie stimuleren, waarborgen en het belang daarvan uitleggen.
Wat is uw rol als bewindspersoon in het voorkomen dat we terugvallen op het systeem van de gesloten afdeling en/of op zoek gaan naar een nieuwe vorm voor een soortgelijk systeem van collectieve veiligheid boven individuele levenskwaliteit bij toekomstige incidenten?
Terecht wordt gesteld dat voorkomen moet worden dat bij toekomstige incidenten teruggevallen wordt op het systeem van de gesloten afdeling of andere vormen van collectieve veiligheid die een onevenredige inbreuk maken op de individuele levenskwaliteit. Daarmee wil ik niet zeggen dat een gesloten afdeling per definitie verkeerd is, maar dat in alle gevallen sprake moet zijn van een zorgvuldige individuele afweging om ernstig nadeel te voorkomen. Plaatsing op een gesloten afdeling mag nooit een automatisme zijn, de Wzd biedt het wettelijk kader om cliënten hiertegen te beschermen. Ik zie het als mijn rol om deze belangrijke waarborgen te bewaken, ook bij aanpassing van de wetgeving12. Hierbij handel ik conform de Grondwet en de voor Nederland geldende internationale mensenrechtenverdragen. De bescherming van fundamentele rechten, waaronder het recht op persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit, is daarbij leidend.
Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat het wettelijk kader zo is ingericht dat rechtsbescherming en veiligheid duurzaam met elkaar in balans blijven.
Vermeende Piramidespelen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u de berichten dat tientallen Brabantse jongeren lid zijn van het vermeende piramidespel «For the people»1? Zo ja, wat vindt u van deze berichten?
Ja, ik ken deze berichten. Wanneer sprake is van wetsovertredingen of onrechtmatigheden vind ik het belangrijk dat hiertegen wordt opgetreden en dat mogelijke slachtoffers geholpen worden. Ik merk daarbij op dat op basis van de aangehaalde berichtgeving het niet om een piramidespel lijkt te gaan, maar om multi-levelmarketing.2 Waar in een concreet geval sprake van is, is ter beoordeling aan de toezichthouders.
Kunt u een indicatie geven van de aard en de omvang van het probleem van op sociale media aangeboden initiatieven die gekwalificeerd kunnen worden als piramidespel? Hoeveel initiatieven op sociale media zijn u bekend, waarbij met name jongeren worden geworven voor het aanschaffen van een «cursus», die op hun beurt worden ingezet om aan zoveel mogelijk anderen dezelfde «cursus» te verkopen?
Er zijn mij geen representatieve cijfers bekend over de aard en omvang van dergelijke initiatieven op sociale media.
Hoe wordt met het oog op de Wet op de kansspelen hierop gehandhaafd?
De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt toezicht op de naleving van de Wet op de kansspelen (Wok) en beoordeelt of er in een specifiek geval sprake is van een piramidespel. Indien dat het geval is kan de Ksa handhaven door bijvoorbeeld een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom op te leggen.
Bent u het met de in het bericht genoemde wetenschapper eens dat de wetgeving zoveel gaten vertoont, dat bijna niet aan te tonen is dat een bepaald aanbod een piramidespel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor om de rechtsbescherming van slachtoffers te versterken en de bestrijding van het aanbieden van piramidespelen te optimaliseren?
De ACM, de AFM en de Ksa hebben binnen de huidige geldende wet- en regelgeving voldoende bevoegdheden om onrechtmatigheden aan te pakken. Daarnaast kunnen gedupeerden zich wenden tot de civiele rechter.3 Per individueel geval zal beoordeeld moeten worden of er sprake is van een piramidespel zoals bedoeld in de Wok of andere frauduleuze verkoopmethodes. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders zelf om dit te beoordelen.
Bent u bekend met het recent gepubliceerde Amerikaanse onderzoeksrapport d.d. 3 februari jl. The foreign censorship threat, part II: Europe’s decade-long campaign to censor the global internet and how it harms American speech in the United States, waarin wordt verwezen naar Europese en nationale betrokkenheid bij moderatie van politiek-inhoudelijke uitingen op sociale media?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat de EU in 2023 een handboek opstelde voor techbedrijven om te modereren bij de volgende onderwerpen: «populist rhetoric», «anti-government/anti-EU»-content, «anti-elite»-content, «political satire», «anti-migrants and Islamophobic content», «anti-refugee/immigrant sentiment», «anti-LGBTIQ... content» en «meme subculture»?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Het opgestelde handboek in 2023 van de Europese Unie (EU) heeft betrekking op zogeheten borderline content. Hoewel borderline content geen strikt illegaal karakter heeft en niet per definitie tot geweld hoeft te leiden, kan zij de veiligheid van burgers en instituties ernstig ondermijnen. Dit kan bijvoorbeeld doordat dergelijke uitingen aanzetten tot haat of opruiing, of doordat extremistisch gedachtengoed erdoor wordt genormaliseerd. Dit type content draagt bij aan radicaliseringsprocessen en is zeer zorgelijk. Het EU-handboek betreft een niet-bindende leidraad voor online platformen bij het omgaan met online risico’s, en daarmee het voorkomen dat de veiligheid van burgers en instituties wordt ondermijnd door terroristische en schadelijke content. In het kader van dit EU-handboek staat de vrijheid van meningsuiting centraal: uitingen zoals politieke satire, kritiek op de overheid of zogenoemde populistische retoriek maken deel uit van het democratisch debat.
Hoe beoordeelt u het feit dat de EU via de Permanent Task-Force Crisis Response Group «desinformatie bestreed» op het gebied van onderwerpen zoals bijvoorbeeld COVID-19 en een potentieel verband tussen de sancties tegen Rusland en de Europese energiecrisis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het staat de Europese Commissie vrij om haar eigen werkprocessen en informatiestromen vorm te geven in lijn met de in de Verdragen neergelegde bevoegdheden. Het instellen van een interne taskforce om de EU Code of Practice on Disinformation effectief uit te werken valt binnen deze bevoegdheid.
Acht u het wenselijk dat de EU techbedrijven aanmoedigt dan wel opdraagt zich te bemoeien met legale, niet-gewelddadige politieke uitingen op sociale media? Kunt u uw antwoord toelichten?
De EU draagt techbedrijven niet op om zich te bemoeien met legale, niet-gewelddadige politieke uitingen op sociale media. Wel is er de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA»), die voorschrijft dat zogenaamde zeer grote online platforms de systeemrisico’s, die voortvloeien uit het ontwerp of de werking van hun diensten, moeten identificeren. En waar nodig maatregelen te nemen. Hieronder vallen ook negatieve effecten op het publieke debat en verkiezingsproces. Of sprake is van systeemrisico’s, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en dat moet in eerste instantie door het platform zelf beoordeeld worden. Het kabinet staat achter deze wetgeving. Daarbij is het uiteraard van belang dat rekening wordt gehouden met alle toepasselijke grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Dit brengt bijvoorbeeld mee dat maatregelen tegen schadelijke content niet zozeer gericht zullen zijn op het verwijderen van die content, maar bijvoorbeeld op het markeren daarvan.
Kunt u aangeven of het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 door de Europese Commissie is aangewezen als «trusted flagger» in het kader van de Digitale Dienstenverordening (DSA)? Zo ja, per welke datum gold deze aanwijzing en welke bevoegdheden en taken waren daaraan verbonden?
Dit klopt niet. De Europese Commissie kan deze status ook niet verlenen binnen de DSA. Dit is toebedeeld aan de nationale toezichthouder op basis van de DSA. Wel heeft het ministerie met de platformen van X, Meta, TikTok, Google, en Snapchat de vrijwillige afspraak dat zij meldingen van het Ministerie van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelden. Hierbij blijft het platform te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de afhandeling en de beoordeling van de melding die gedaan wordt, in relatie tot geldende regelgeving en de gebruikersvoorwaarden.
Het Ministerie van BZK heeft via deze kanalen geen bevoegdheid content te laten verwijderen.
Kunt u inzicht geven in het aantal en het type meldingen dat door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, of namens Nederland, als «trusted flagger» is gedaan bij sociale mediaplatforms in de periode voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 en 2025? Kunt u daarbij specificeren in hoeverre deze meldingen betrekking hadden op politieke of maatschappelijke uitingen? Kan de Kamer deze meldingen ontvangen of vertrouwelijk inzien? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van BZK maakt het contact met de platformen na afloop van de verkiezingen openbaar in een rapport via de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.3 In dit rapport is te lezen dat het Ministerie van BZK niet kijkt naar en geen uitspraken doet over verkiezingsbeloften of politieke of maatschappelijke uitingen. Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen wanneer berichtgeving op sociale media platformen de integriteit van het verkiezingsproces mogelijk in gevaar brengt. Bijvoorbeeld bij berichtgeving over de verkeerde verkiezingsdatum, of feitelijk onjuiste informatie hoe en waar te stemmen.
Hoe beoordeelt u de rol van ministeries als «trusted flagger» in perioden waarin verkiezingen plaatsvinden? Erkent u dat hier automatisch sprake is van conflicterende belangen, aangezien de Minister van Binnenlandse Zaken tijdens verkiezingen het risico loopt te worden weggestemd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan mij hier niet in vinden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 neemt het Ministerie van BZK enkel contact op met een platform wanneer er een risico bestaat voor de organisatie, uitvoering en integriteit van het verkiezingsproces.
Een voorbeeld van de inzet van de flagger status bij de Provinciale Staten en waterschapsverkiezingen in 2023: Het Ministerie van BZK heeft bij X melding gemaakt van berichten die kiezers die op FvD zouden willen stemmen opriepen de naam van de landelijke fractievoorzitter op het stembiljet bij te schrijven. Het bijschrijven van een naam op een stembiljet leidt tot een ongeldige stem. In de evaluatie van deze verkiezing is deze melding aan de Tweede Kamer gerapporteerd.4
Kunt u toelichten in hoeverre Nederland, via overleg met de Europese Commissie of via directe contacten met socialemediaplatforms, betrokken is geweest bij afspraken of maatregelen over moderatie van uitingen in relatie tot verkiezingen of specifieke politieke onderwerpen zoals bijvoorbeeld de oorlog in Oekraïne, immigratie of het coronabeleid? Kunt u de Kamer informeren over de aard en omvang van deze betrokkenheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in vraag 6, kunt u het contact met de platformen terugvinden in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.
In het betreffende Amerikaans onderzoeksrapport wordt op pagina 106 geschreven dat «between 2023 and 2025, the Commission engaged with platforms and pressured them to aggressively censor content ahead of national elections in [...] the Netherlands [...]»: kunt u aangeven hoe u deze constatering beoordeelt, of u zich hierin herkent?
Het kabinet herkent zich niet in de uitspraken die worden gedaan in het rapport. Anders dan het rapport suggereert, schrijft de DSA geen censuur voor. De vrijheid van meningsuiting staat centraal in de DSA. De Europese Commissie is in gesprek gegaan met platformen over hun verantwoordelijkheden en verplichtingen op grond van de DSA. Het kabinet steunt de Europese Commissie volledig in het handhaven van de Europese digitale wetgeving, waaronder de DSA.
Kunt u de Kamer alle correspondentie doen toekomen tussen de Europese Commissie (of de EU in het algemeen) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken (of Nederland in het algemeen) met betrekking tot «trusted flagger»-meldingen rond de verkiezingen van 2023 en 2025? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in vraag 6 is het contact met de platformen reeds openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.
Klopt het, zoals op pagina 107 van het Amerikaanse overheidsrapport te lezen is, dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken aanwezig was bij de «Verkiezingsbijeenkomst TikTok», georganiseerd door de Europese Commissie in Den Haag op vrijdag 10 november 2023? Wat was de inbreng/rol van het ministerie tijdens deze bijeenkomst? Wie waren bij deze bijeenkomst aanwezig? Wat was het programma? Kunt u de Kamer de verslagen/notulen doen toekomen die zijn gemaakt tijdens deze bijeenkomst, evenals correspondentie voorafgaand aan en na afloop daarvan? Zo nee, waarom niet?
Dit klopt niet. De bijeenkomsten die het Ministerie van BZK heeft bijgewoond kunt u terugvinden in de Kamerbrief Contact platformen in aanloop naar TK25 verkiezing.5
Klopt het dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) zes weken voor de verkiezingen in 2025 een bijeenkomst heeft georganiseerd over de verkiezingen, in het kader van de DSA en met vertegenwoordigers van de Europese Commissie, Alphabet, Meta, Microsoft, TikTok en X? Klopt het dat hier is gesproken over het censureren van «schadelijke content» in het kader van de verkiezingen? Hoe werd «schadelijke content» gedefinieerd? Kunt u een aantal voorbeelden van dergelijke «schadelijke content» geven?
Op 15 september 2025 heeft de ACM een rondetafelbijeenkomst georganiseerd over de DSA en de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025.6 Tijdens de bijeenkomst spraken de deelnemers met elkaar aan de hand van vier thema’s: synthetische (door AI-genereerde) content, aanbevelingssystemen (algoritmen), toegang tot data voor onderzoekers, en viraliteit. De nadruk lag onder andere op zaken als transparantie, de praktische uitvoerbaarheid van maatregelen en de mogelijke invloed op het verkiezingsproces. Zo werd er onder andere stilgestaan bij het risico van online bedreigingen van politici en journalisten en de maatregelen die platforms hiertegen nemen. Ook kwam de mogelijke impact aan bod van AI-gegenereerde antwoorden op platforms en zoekmachines op verkiezingsgerelateerde vragen over bijvoorbeeld partijprogramma’s en kandidaten. De ACM heeft kort na afloop van de bijeenkomst ook een verslag gepubliceerd, met daarin informatie over de deelnemers en de gespreksthema’s.
Welke afspraken zijn gemaakt tijdens de bijeenkomst genoemd in vraag 12? Kunt u de Kamer de gespreksverslagen/notulen van deze bijeenkomst doen toekomen, waaronder in elk geval de presentatie van de Europese Commissie, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en van Manon Leijten (bestuurslid van de ACM)? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de rondetafel zijn er geen specifieke afspraken gemaakt tussen de ACM en aanwezigen. Doel van de rondetafel was kennisuitwisseling. De ACM heeft kort na afloop van de bijeenkomst ook een verslag gepubliceerd, met daarin informatie over de deelnemers en de gespreksthema’s.7 De Europese Commissie heeft tijdens de rondetafel uitleg gegeven over de werking van het raamwerk van relevante Europese regelgeving, waaronder de DSA en de Europese Verordening betreffende transparantie en gerichte politieke reclame (VPR). Hiervan zijn geen slides beschikbaar. Het Ministerie van BZK heeft een presentatie gegeven over de inrichting van het verkiezingsproces in Nederland. De daarbij gebruikte slides zijn opgenomen als bijlage. De ACM heeft de bijeenkomst geopend met een kort welkomstwoord en heeft de middag technisch voorgezeten. Er is vanuit de ACM geen presentatie gegeven.
Kunt u bovenstaande vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Explosief gestegen onderhoudskosten zijn raadsel voor corporaties' |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Explosief gestegen onderhoudskosten zijn raadsel voor corporaties» van 30 januari jongstleden?1
Hoe kijkt u naar het feit dat woningcorporaties te kampen hebben met een snel oplopend financieel tekort dat de nieuwbouw- en verduurzamingsplannen bedreigt, opgelopen van 5 miljard tot ruim 19 miljard euro?
Bent u bekend met de waarschuwing van de Autoriteit Woningcorporaties dat «de opgaven en middelen van corporaties niet meer in evenwicht» zijn? En dat deze toezichthouder aanbeveelt om «robuuste, structurele maatregelen» te nemen? Welke maatregelen bent u van plan om te nemen om te zorgen dat corporaties genoeg middelen hebben voor hun opgave om voor betaalbare huisvesting te zorgen?
Klopt het dat de Autoriteit Woningcorporaties ook heeft geconstateerd dat corporaties in zeven jaar tijd zo’n 60 procent meer kwijt zijn aan onderhoud, en dit een belangrijke oorzaak is voor het financiële tekort? Hoe verklaart u de stijgende onderhoudskosten?
Bent u bereid de aanbeveling van de Autoriteit Woningcorporaties over te nemen en een breed onderzoek te starten naar wat achter de sterk stijgende onderhoudskosten zit?
Deelt u de analyse van de Autoriteit Woningcorporaties dat private-equityfirma’s hier een rol spelen, omdat deze in toenemende mate de onderhoudsbedrijven overnemen die werken in de corporatiesector? Bent u bereid om prijsvorming, winstuitkeringen en contractafspraken bij onderhoudsbedrijven, en specifiek de invloed van private equity op tarieven en contracten, mee te nemen in het onderzoek?
Wat zijn volgens u alternatieven of oplossingen voor corporaties om meer grip op onderhoudskosten te krijgen, of de kosten te verlagen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting beantwoorden?
De ruimte voor efficiënte biomassaketels in warmtetransitiegebieden |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke wijze u tot uw stelling bent gekomen dat een goede, efficiënte bioketel met eenvoudige aanvullingen, zoals isolatie en inregelen, aan de voorgestelde grenswaarde van 0,7 voor de energieprestatie van technische bouwsystemen voor ruimteverwarming in het Ontwerpbesluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie kan voldoen (Kamerstuk 36 387, nr. 50)?
Wat zijn de aanvullingen die nodig zijn voor een bioketel om aan de grenswaarde van 0,7 te voldoen en in hoeverre acht u deze aanvullingen eenvoudig te zijn?
Kunt u de bijbehorende berekeningen met de Kamer delen?
Op welke wijze gaat u, zoals aangegeven tijdens het genoemde tweeminutendebat, de vinger aan de pols houden om na te gaan of er in de praktijk problemen ontstaan nadat het genoemde besluit in werking is getreden?
De hongercrisis in Afghanistan |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldvoedselprogramma: hongercrisis in Afghanistan, mede door bezuinigingen voedselhulp»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van het bericht.
Wat is uw reactie op het feit dat volgens het Wereldvoedselprogramma in maart waarschijnlijk 17,4 miljoen mensen in Afghanistan in voedselonzekerheid zullen leven en 4,9 miljoen kinderen en moeders ondervoed zullen zijn?2
Het kabinet is bezorgd over de humanitaire situatie in Afghanistan, in het bijzonder over berichten dat Afghanistan afstevent op grootschalige voedseltekorten.
Klopt het dat het budget van het Wereldvoedselprogramma in Afghanistan in 2024 600 miljoen dollar bedroeg, dat dit in 2025 werd gehalveerd en dat dit jaar het budget ongeveer 200 miljoen zal zijn? Zo ja, deelt u de mening dat het onacceptabel is dat er zoveel minder budget gaat naar het helpen van mensen in een van de meest acute voedselcrises ter wereld?
Het klopt dat WFP te maken heeft met financieringstekorten door wereldwijde bezuinigingen op humanitaire hulp. Hierdoor worden het WFP en andere VN-organisaties gedwongen om moeilijke keuzes te maken. Ook budgetten die WFP beschikbaar heeft voor hulpverlening in specifieke crises worden noodgedwongen verlaagd, zoals in Afghanistan. De combinatie van verlaagd budget en stijgende noden maakt dat WFP in Afghanistan zich nu richt op de meest urgente noden, op de acuut ondervoede mensen, met speciale focus op kinderen.
Nederland heeft de bijdrage aan WFP stabiel gehouden en blijft ook de komende jaren een stabiele en ongeoormerkte donor voor humanitaire hulp en maakt zich zorgen over de wereldwijde daling van humanitaire financiering. Het kabinet roept andere landen op om meerjarige, ongeoormerkte financiering te geven aan VN-organisaties, zodat zij effectief en efficiënt hulp kunnen verlenen daar waar de noden het hoogst zijn.
Welke gerichte bijdrage doet Nederland om de mensen met honger in Afghanistan te helpen?
De humanitaire noden in Afghanistan blijven onverminderd hoog, en dat zal naar verwachting door de huidige conflicten in de regio niet snel veranderen. Daarom maakt Nederland humanitaire hulpverlening in Afghanistan mogelijk door flexibel inzetbare financiering via meerdere kanalen: VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging, en de Dutch Relief Alliance. De Nederlandse inzet op voorspelbare en flexibel inzetbare financiering stelt organisaties in staat om wendbaar te zijn en snel in te spelen op veranderende noden wereldwijd, en dus ook in Afghanistan. Daarnaast is Nederland een van de grootste donoren van het het centrale VN-noodhulpfonds (CERF), evenals van het humanitaire landenfonds van de VN voor Afghanistan. Deze fondsen maken, mede dankzij onze financiering, regelmatig geld vrij voor hulpverlening in Afghanistan, waarmee o.a. voedselhulp aan hulpbehoevende Afghanen kan worden geleverd, alsook hulp na natuurrampen.
Bent u bereid om een aanvullende bijdrage te doen voor voedselhulp in Afghanistan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 4. De Nederlandse humanitaire inzet blijft, conform de Kamerbrief over de financiële invulling van humanitaire hulp in 2026 van dd. 12 januari 2026 (Kamerstuk 36 180, nr. 189), gestoeld op meerjarige, flexibel inzetbare financiering aan onze humanitaire partners. Deze professionele partners, waaronder WFP, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en Dutch Relief Alliance bepalen op basis van noden en de bijdragen van andere organisaties waar en in welke mate zij hulp verstrekken Deze partners zijn betrokken bij de hulpverlening in Afghanistan en kunnen er voor kiezen hun activiteiten met Nederlandse financiering op te schalen. Regelmatig spreken we met onze partners over de ontwikkelingen in Afghanistan.
Bent u bereid om met urgentie in internationaal verband de noodzaak te bespreken voor acuut meer inzet en budget voor voedselhulp in Afghanistan? Zo nee, waarom niet?
Nederland pleit in internationaal verband frequent voor het belang van voldoende humanitaire financiering en aandacht voor onderbelichte crises. Deze inzet zal het kabinet voortzetten.
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Becking , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Ja, het rekruteren van jongeren voor de georganiseerde criminaliteit is een ernstige zaak. De bestrijding hiervan neem ik zeer serieus.
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
De provincies Groningen en Drenthe worden, net als andere regio’s in Nederland, geconfronteerd met ondermijnende criminaliteit. De cijfers onderstrepen het belang van de strijd die het kabinet voert tegen ondermijnende criminaliteit in heel het land.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakt met de Landelijke jeugdmonitor2 per gemeente inzichtelijk hoeveel jongeren in aanraking komen met criminaliteit. Deze monitor laat zien dat het aandeel jeugdige verdachten (12–23 jaar) erg verschilt per gemeente. Uit de data blijkt dat in de gemeente Groningen het aantal verdachte jongeren vergelijkbaar is met de Randstad. In Drenthe is het aantal verdachte jongeren gemiddeld ten opzichte van andere delen van Nederland (Landelijke jeugdmonitor 2025). Uit een vergelijkende analyse van het dashboard «Zicht op ondermijning»3 blijkt dat respectievelijk 55% en 63% van alle gemeenten in Nederland hoger scoren op het gebied van jonge aanwas dan de gemeenten in Groningen en Drenthe (data uit 2023).
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Specifiek in Noord-Groningen zijn de percentages jeugdige verdachten iets hoger dan in de meeste andere gebieden in Nederland. Mogelijke oorzaken zijn de aantrekkingskracht van een omvangrijk buitengebied met enkele zeehavens, een luchthaven en een goede ontsluiting over weg, water en spoor, ook richting Duitsland en de Scandinavische landen. Er is op basis van de beschikbare data geen relatie te leggen met de beschikbare handhavingscapaciteit. Ook duiden de beschikbare data niet op een waterbedeffect.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
De gemeenten Groningen en Leeuwarden nemen deel aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en Preventie met Gezag. De inzet van Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. Binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt gewerkt aan problemen op het gebied van onderwijs, armoede, gezondheid, wonen en veiligheid.
Tussen 2018 en 2024 verbeterde de leefbaarheid in de NPLV-gebieden iets sterker dan landelijk. Hierbij gaat het om verbeteringen in de fysieke omgeving, woningvoorraad, voorzieningen, sociale samenhang, overlast en onveiligheid. De bereikte resultaten zijn beschreven in de voortgangsrapportage van het NPLV4.
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
De gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Noord-Nederland werken er hard aan om ervoor te zorgen dat ronselpraktijken onder jongeren tijdig en effectief gesignaleerd worden. Zo wordt binnen de Drentse aanpak Ondermijning, de Regionale aanpak Ondermijning en binnen het RIEC Noord-Nederland aandacht besteed aan de aanpak rondom uitbuiting van jongeren. Het Openbaar Ministerie probeert daarbij de verbinding te versterken in de aanpak van jeugdgroepen. Bijvoorbeeld op gemeenteniveau, maar ook richting de verschillende basisteams van de politie over de districten heen.
In de gemeenten die deelnemen aan Preventie met Gezag wordt de inzet van politie en OM geïntensiveerd. In Groningen betekent dit dat er vanuit het OM extra capaciteit wordt ingezet en dat er prioriteit wordt gegeven aan de betreffende zaken. De politie traint de medewerkers op onderwerpen als drugs, preventie en ondermijning.
Het CBS levert jaarlijks een update van de monitor op de criminaliteitsdata in de wijken. Deze resultaten worden jaarlijks beknopt gerapporteerd in de voortgangsrapportage aanpak ondermijnende criminaliteit5.
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Naast het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de aanpak Preventie met Gezag maken de provincies Groningen en Drenthe ook gebruik van gelden uit de Regiodeals. De Regiodeal Eemsdelta richt zich onder meer op het voorkomen van jeugdcriminaliteit, het realiseren van weerbare dorpen en op meer samenwerking tussen gemeenten, scholen, politie en welzijn. Met de impuls van de Regiodeals worden de regio’s krachtiger gemaakt doordat de samenwerking tussen overheden en organisaties in de regio’s wordt versterkt.
Samen met de wetenschap wordt de effectiviteit van interventies onderzocht, waarbij landelijke trends in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek in beeld worden gebracht. De resultaten worden beschreven in de jaarlijkse voortgangsrapportages NPLV, Preventie met Gezag en de voortgangsrapportages van de regiodeals.
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Scholen hebben ook een rol in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid bij (georganiseerde) criminaliteit, maar scholen kunnen dit niet alleen. Zij werken daarin intensief samen met onder meer de politie en het jeugdwerk. Om dat te stimuleren werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid nauw samen met andere departementen, waaronder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie met Gezag. Veel gemeenten zetten binnen dit programma in op het versterken van een veilig leerklimaat. Al tien gemeenten hebben in het kader van Preventie met Gezag veiligheidsconvenanten afgesloten met in totaal 113 verschillende po-, vo- en mbo-scholen zodat politie, jeugdwerk en leerplicht nauw samenwerken om jongeren in beeld te hebben en te begeleiden.
Verder hebben scholen zelf ook een zorgplicht voor de veiligheid op school. Met het Wetsvoorstel «vrij en veilig onderwijs» scherpt het kabinet die zorgplicht aan. Het doel is dat scholen beter zicht krijgen op de veiligheid op school, betere begeleiding bieden bij onveiligheid, bijvoorbeeld door de aanstelling van een vertrouwenspersoon, en hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren.
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
De gemeenten en scholen in Noord-Nederland hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om (het voorkomen van) jeugdproblematiek. Daarbij krijgen zij goede ondersteuning en ligt er reeds een regionale aanpak voor Noord-Nederland. Wat het kabinet betreft is een nieuwe aanpak of aanvullende ondersteuning niet noodzakelijk.
Zo krijgt Stichting School & Veiligheid een subsidie om scholen te ondersteunen bij het werken aan een veilig schoolklimaat, bijvoorbeeld met ondersteuning op het gebied van samenwerking tussen onderwijs, politie en gemeente en op het gebied van gegevensdeling. Ook kunnen scholen individueel ondersteuning krijgen via het adviespunt van Stichting School & Veiligheid.
Vanuit het netwerk School & Veiligheid binnen de aanpak Preventie met Gezag wisselen gemeenten en scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast is er het Expertisepunt Burgerschap, waar scholen terecht kunnen voor actuele informatie, tips en inspiratie over het vormgeven van burgerschapsonderwijs. De bovengenoemde ondersteuning is gratis en toegankelijk voor alle scholen in Nederland. Tot slot moedigt het kabinet scholen aan om alvast aan de slag te gaan met de geactualiseerde kerndoelen met specifiek aandacht voor digitale geletterdheid en mediawijsheid wordt besteed.
De gemeenten Groningen en Leeuwarden werken met ondersteuning vanuit Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid aan een geconcentreerde en intensieve aanpak ter voorkoming van jeugdcriminaliteit en een verbeterde leefomgeving. Het RIEC Noord-Nederland heeft met ondersteuning vanuit mijn ministerie een aanpak voor jonge aanwas ontwikkeld. Voor versterking van de regio maakt Noord-Nederland gebruik van Regiodeals. Hierdoor is er voldoende ondersteuning aanwezig.
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 11.