Gepubliceerd: 26 juni 2018
Indiener(s): Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/34960/kst-34960-XVII-3?resultIndex=47&sorttype=1&sortorder=4
ID: 34960-3

22,7 %
77,3 %

DENK

50PLUS

PvdD

FvD

PvdA

D66

PVV

CU

GL

SGP

VVD

SP

CDA


Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 5 juli 2018

De algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 12 juni 2018 voorgelegd aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Bij brief van 26 juni 2018 zijn ze door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, De Roon

De adjunct-griffier van de commissie, Meijers

1

Kunt u aangegeven – in lijn met de afspraken uit het regeerakkoord en de startnota – op welke wijze de aanvullende middelen uit het regeerakkoord die in de eerste suppletoire begrotingswet van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn opgenomen, concreet, doelmatig en evalueerbaar zullen worden besteed?

Antwoord

Bij Voorjaarsnota zijn deze middelen aan de BHOS-begroting toegevoegd, nadat de geplande besteding door het Ministerie van Financiën is getoetst op concreetheid, doelmatigheid en evalueerbaarheid (conform het Regeerakkoord, pagina 56). De rapportage over de besteding van deze middelen wordt meegenomen in de reguliere verantwoording aan het parlement, waaronder de jaarlijkse rapportage over resultaten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en de resultateninformatie in de begroting en het jaarverslag BHOS.

2

Hoeveel extra geld komt met de Voorjaarsnota beschikbaar voor de nieuwe focuslanden Libanon, Jordanië en Irak? Kunt u dit toelichten per land?

Antwoord

Voor de nieuwe focuslanden Libanon en Jordanië wordt jaarlijks EUR 50 miljoen gereserveerd binnen de BHOS begroting. Het merendeel hiervan komt uit de extra middelen voor opvang in de regio, waarbij de focus ligt op bescherming, (beroeps)onderwijs en werkgelegenheid. Voor het nieuwe focusland Irak komt ook tenminste EUR 10 miljoen extra ter beschikking. Genoemde bedragen zijn indicatief. Uiteindelijke bijdragen hangen af van ontwikkelingen in betreffende landen en beschikbare uitvoeringscapaciteit.

3

Hoeveel extra geld komt met de Voorjaarsnota beschikbaar voor het «dwarsdoorsnijdend doel» uit de Beleidsnota, namelijk «Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes»?

Antwoord

Er komt vooralsnog geen extra geld beschikbaar voor genderspecifieke programma’s. Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes wordt wel een dwarsdoorsnijdend doel in beleid en programmering van de extra middelen. Op de artikelonderdelen 1.3 (versterkte private sector en investeringsklimaat) en 4.3 (onderwijs) wordt specifiek ingezet op (beroeps)onderwijs, werk en inkomen voor jongeren en vrouwen. Nieuw beleid wordt specifiek getoetst op gendergelijkheid en empowerment.

4

Op welke manier en voor welk bedrag wordt Jordanië ondersteund door Nederland, de Europese Unie (EU), instanties van de Verenigde Naties (VN), de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF)?

Antwoord

Hieronder een overzicht met gegevens uit 2016 van de OESO/DAC over de ODA-bijdragen van Nederland, EU, VN, IDA, IBRD en IFC aan Jordanië. Dit zijn de meeste recente cijfers van OESO/DAC. OESO/DAC gebruikt een uniforme categorisering voor alle donoren, waardoor de cijfers goed te vergelijken zijn. Het overzicht geeft alleen de netto directe ODA geldstromen van de donor naar het betreffende land weer, en bijvoorbeeld niet de indirecte steun via NGOs.

Overzicht ODA stromen naar Jordanië in 2016:
 

NL

EU

VN

IDA

IBRD

IFC

Jordanië

17

216

144

42

0

0

Bron: OESO/DAC. Bedragen in miljoenen EUR. Gehanteerde koers met USD: 1.14

De Nederlandse inzet in Jordanië richt zich enerzijds op de opvang van vluchtelingen en het ondersteunen van gastgemeenschappen en anderzijds op het bevorderen van stabiliteit, waaronder het bestrijden van gewelddadig extremisme, en economische weerbaarheid. De focus ligt op versterken van de landbouwsector, efficiënt watergebruik, onderwijs en verbeteren van werk en inkomen voor vluchtelingen en Jordaniërs. Bijzondere aandacht gaat uit naar het verbeteren van het perspectief van vrouwen en jongeren.

De EU onderhoudt een brede samenwerkingsrelatie met Jordanië ter bevordering van vrede, veiligheid en sociaaleconomische ontwikkeling. Daarnaast ontvangt Jordanië steun voor de opvang van de vele vluchtelingen in het land. De EU zet hiertoe een mix van politieke, economische en OS-instrumenten in. Een uitgebreid overzicht, inclusief de omvang van de financiële steun, is te raadplegen op de website van de Europese Dienst voor Extern Optreden (https://eeas.europa.eu/delegations/jordan_en/1357/Jordan%20and%20the%20EU).

5

Op welke manier en voor welk bedrag wordt Egypte ondersteund door Nederland, de EU, VN-instanties, de Wereldbank en het IMF?

Antwoord

Hieronder een overzicht met gegevens uit 2016 van de OESO/DAC over de ODA-bijdragen van Nederland, EU, VN, IDA, IBRD en IFC aan Egypte. Dit zijn de meeste recente cijfers van OESO/DAC. OESO/DAC gebruikt een uniforme categorisering voor alle donoren, waardoor de cijfers goed te vergelijken zijn. Het overzicht geeft alleen de netto directe ODA geldstromen van de donor naar het betreffende land weer, en bijvoorbeeld niet de indirecte steun via NGOs.

Overzicht ODA stromen naar Egypte in 2016:
 

NL

EU

VN

IDA

IBRD

IFC

Egypte

0

272

28

– 75

0

0

Bron: OESO/DAC. Bedragen in miljoenen EUR. Gehanteerde koers met USD: 1.14

Nederland onderhoudt met Egypte al decennialang een samenwerkingsrelatie op het gebied van water en landbouw, bijvoorbeeld door middel van kennisdeling via het Egyptian-Dutch Advisory Panel on Water Management. Daarnaast richt Nederland zich, door middel van open en constructief engagement, op het bevorderen van de sociaaleconomische omstandigheden en de opbouw van een transparante en inclusieve samenleving in Egypte, waarbij ook wordt gesproken over ontwikkelingen die de overgang naar zo’n samenleving in de weg staan.

In 2017 zijn de EU en Egypte een aantal Partnerschapsprioriteiten overeen gekomen. Van daaruit wordt onder andere gewerkt aan het moderniseren van de Egyptische economie, sociale ontwikkeling en het bevorderen van een moderne democratische staat. De zuidelijke nabuurschapslanden, waaronder Egypte, ontvangen steun vanuit het European Neighbourhood Instrument. Voor de periode 2017–2020 is er tussen EUR 432 en EUR 528 miljoen beschikbaar gesteld voor Egypte. Ook vanuit het EU Emergency Trust Fund for Africa worden projecten in Egypte gefinancierd. Ook vanuit het EU Emergency Trust Fund for Africa (EUR 60 miljoen) worden projecten in Egypte gefinancierd.

6

Op welke manier en voor welk bedrag wordt Libanon ondersteund door Nederland, de EU, VN-instanties, de Wereldbank en het IMF?

Antwoord

Hieronder een overzicht met gegevens uit 2016 van de OESO/DAC over de ODA-bijdragen van Nederland, EU, VN, IDA, IBRD en IFC aan Libanon. Dit zijn de meeste recente cijfers van OESO/DAC. OESO/DAC gebruikt een uniforme categorisering voor alle donoren, waardoor de cijfers goed te vergelijken zijn. Het overzicht geeft alleen de netto directe ODA geldstromen van de donor naar het betreffende land weer, en bijvoorbeeld niet de indirecte steun via NGOs.

Overzicht ODA stromen naar Libanon in 2016:
 

NL

EU

VN

IDA

IBRD

IFC

Libanon

46

142

97

0

0

0

Bron: OESO/DAC. Bedragen in miljoenen EUR. Gehanteerde koers met USD: 1.14

De Nederlandse steun aan Libanon richt zich enerzijds op de opvang van vluchtelingen en het ondersteunen van hun gastgemeenschappen en anderzijds op het bevorderen van economische weerbaarheid en stabiliteit. Zo draagt Nederland bijvoorbeeld bij aan de versterking de landbouwsector ten behoeve van beter werk en inkomen voor Libanezen en vluchtelingen. Ook draagt Nederland bij aan versterking van het Libanese leger. Nederland financiert afdelingen binnen het Libanese leger gericht op verbeterde civiel-militaire samenwerking, en doneerde dit jaar op verzoek van de Libanese overheid 30 vrachtauto’s. De Nederlandse overheid ondersteunt ook de politieke en maatschappelijke dialoog in Libanon door projecten van Libanese NGOs te financieren die zich inzetten voor vrouwenrechten, LHBTI en het tegengaan van marteling.

De EU richt zich in Libanon van 2017–2020 op de prioriteiten veiligheid en het tegengaan van terrorisme, goed bestuur en rechtstaat, bevorderen van groei en werkgelegenheid, en migratie en mobiliteit. Van 2014 tot en met 2016 heeft de EU 147 miljoen EUR aan steun gegeven aan Libanon. Ook is er sinds het begin van het conflict in Syrië EUR 880 miljoen beschikbaar gesteld voor vluchtelingen en kwetsbare gastgemeenschappen in Libanon. Naast deze fondsen maakt Libanon ook aanspraak op bijdragen uit regionale EU-instrumenten.

7

Op welke manier en voor welk bedrag wordt Libië ondersteund door Nederland, de EU, VN-instanties, de Wereldbank en het IMF?

Antwoord

Hieronder een overzicht met gegevens uit 2016 van de OESO/DAC over de ODA-bijdragen van Nederland, EU, VN, IDA, IBRD en IFC aan Libië. Dit zijn de meeste recente cijfers van OESO/DAC. OESO/DAC gebruikt een uniforme categorisering voor alle donoren, waardoor de cijfers goed te vergelijken zijn. Het overzicht geeft alleen de netto directe ODA geldstromen van de donor naar het betreffende land weer, en bijvoorbeeld niet de indirecte steun via NGOs.

Overzicht ODA stromen naar Libië in 2016:
 

NL

EU

VN

IDA

IBRD

IFC

Libië

2

21

7

0

0

0

Bron: OESO/DAC. Bedragen in miljoenen EUR. Gehanteerde koers met USD: 1.14

De Nederlandse steun richt zich op stabilisatie van Libië en het verbeteren van toekomstperspectief voor de mensen ter plaatse, de aanpak van mensensmokkel en mensenhandel, het verbeteren van de omstandigheden van vluchtelingen en migranten en het ondersteunen van de VN-inspanningen om te komen tot stabiliteit en een politieke oplossing tussen de Libiërs zelf. Het werken aan een stabiel Libië is essentieel om tot betere samenwerking op het gebied van migratie en veiligheid voor Europa te komen.

De EU draagt via het European Neighbourhood Instrument (ENI) en het Instrument Contributing to Stability and Peace (IcSP) EUR 120 miljoen bij aan steun voor Libië voor alle sectoren waaronder migratie, goed bestuur, veiligheid en ontwikkeling maatschappelijk middenveld. Daarnaast draagt de EU ook via het EU Emergency Trust Fund for Africa (EUTF) ruim EUR 162 miljoen bij aan migratie-gerelateerde projecten.

8

Op welke manier en voor welk bedrag wordt Tunesië ondersteund door Nederland, de EU, VN-instanties, de Wereldbank en het IMF?

Antwoord

Hieronder een overzicht met gegevens uit 2016 van de OESO/DAC over de ODA-bijdragen van Nederland, EU, VN, IDA, IBRD en IFC aan Tunesië. Dit zijn de meeste recente cijfers van OESO/DAC. OESO/DAC gebruikt een uniforme categorisering voor alle donoren, waardoor de cijfers goed te vergelijken zijn. Het overzicht geeft alleen de netto directe ODA geldstromen van de donor naar het betreffende land weer, en bijvoorbeeld niet de indirecte steun via NGOs.

Overzicht ODA stromen naar Tunesië in 2016:
 

NL

EU

VN

IDA

IBRD

IFC

Tunesië

1

290

5

0

0

0

Bron: OESO/DAC. Bedragen in miljoenen EUR. Gehanteerde koers met USD: 1.14

De Nederlandse steun aan Tunesië richt zich op het bevorderen van de democratische transitie, sociaaleconomische ontwikkeling, klimaat en veiligheidssamenwerking.

De EU steunt de zuidelijke nabuurschapslanden, waaronder Tunesië, vanuit het European Neighbourhood Instrument. Voor de periode 2014–2020 is er tussen de EUR 725 en EUR 886 miljoen beschikbaar gesteld voor Tunesië. Als er blijvende vooruitgang zichtbaar is op het gebied van hervormingen, wordt dit budget in de periode 2017–2020 opgehoogd tot EUR 300 miljoen per jaar. Van daaruit wordt onder andere gewerkt aan het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling, good governance en rule of law. Andere instrumenten die de EU inzet voor Tunesië zijn het instrument Contributing to Stability and Peace, European Instrument for Democracy and Human Rights, Neigbourhood Investment Facility en het Development and Cooperation Instrument. In verband met de vertrouwelijkheid worden er geen bedragen voor de verschillende projecten gespecificeerd in de MENA regio door het EIDHR fonds. Ook vanuit het EU Emergency Trust Fund for Africa (EUR 11.3 miljoen) worden projecten in Tunesië gefinancierd.

9

Op welke manier en voor welk bedrag wordt Turkije ondersteund door Nederland, de EU, VN-instanties, de Wereldbank en het IMF?

Antwoord

Hieronder een overzicht met gegevens uit 2016 van de OESO/DAC over de ODA-bijdragen van Nederland, EU, VN, IDA, IBRD en IFC aan Turkije. Dit zijn de meeste recente cijfers van OESO/DAC. OESO/DAC gebruikt een uniforme categorisering voor alle donoren, waardoor de cijfers goed te vergelijken zijn. Het overzicht geeft alleen de netto directe ODA geldstromen van de donor naar het betreffende land weer, en bijvoorbeeld niet de indirecte steun via NGOs.

Overzicht ODA stromen naar Turkije in 2016:
 

NL

EU

VN

IDA

IBRD

IFC

Turkije

94

2.329

12

0

0

0

Bron: OESO/DAC. Bedragen in miljoenen EUR. Gehanteerde koers met USD: 1.14

De EU ondersteunt Turkije vanuit het Instrument voor Pre-Accessiesteun (IPA) om bij te dragen aan de stabiliteit, rechtsstaat en sociaaleconomische omstandigheden in het land. De indicatieve allocatie voor de periode 2018–2020 is op verzoek van de Raad, gezien de ontwikkelingen in Turkije, met ca. 40% naar beneden bijgesteld tot EUR 1.181 miljoen voor de genoemde periode. Daarnaast worden er op beperkte schaal projecten in Turkije gefinancierd vanuit het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) en het Financieringsinstrument voor de bevordering en ondersteuning van democratie en mensenrechten (EIDHR). Deze financieringsinstrumenten maken onderdeel uit van de EU-begroting. Vanuit de Faciliteit voor Vluchtelingen in Turkije (FRIT) wordt daarnaast ondersteuning verleend aan vluchtelingen in Turkije en de gemeenschappen die hen opvangen. Hiervan is in 2016 en 2.017 EUR 1 miljard uit de EU-begroting gefinancierd en EUR 2 miljard door de lidstaten. De Nederlandse bijdrage bedroeg conform de verdeelsleutel EUR 93,9 miljoen. Dit bedrag is door Nederland als ODA aangemerkt, en derhalve opgenomen in het OESO- overzicht hierboven. De Europese Commissie deed op 14 maart jl. een voorstel voor een tweede tranche van EUR 3 miljard, conform de afspraken in de EU-Turkije Verklaring. De besprekingen binnen de EU hierover zijn nog gaande.

Naast bovenstaande multilaterale programma’s zijn er ook specifieke Nederlandse programma’s in Turkije gericht op versterking van het maatschappelijk middenveld, ondersteuning van mensenrechtenverdedigers, journalisten en minderheden en versterking van de rechtsstaat. Deze programma’s worden geïmplementeerd door lokale organisaties en zijn niet meegenomen in het OESO-overzicht, omdat er geen sprake is van een directe ODA-bijdrage aan Turkije.

10

Is al het extra geld dat bij het regeerakkoord werd aangekondigd nu verdeeld? Zo nee, wat staat er nog open?

Antwoord

Bij nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2018 van BHOS is reeds EUR 190 miljoen overgeheveld van de aanvullende post. De resterende intensiveringsmiddelen zijn bij de Voorjaarsnota overgeheveld en binnen de begroting verdeeld op basis van de nota Investeren in Perspectief – Goed voor de Wereld, Goed voor Nederland.

11

Kunt u per beleidsartikel aangeven welk deel inmiddels juridisch verplicht is en dit – waar mogelijk – ook per subartikel aangeven?

Antwoord

In bovenstaande tabel wordt per begrotingsartikel aangegeven welk deel van het budget momenteel juridisch verplicht is. De vrije ruimte betreft met name de intensiveringsmiddelen die recent bij Voorjaarsnota aan de BHOS-begroting zijn toegevoegd.

12

Waar ziet u zelf nog vrije ruimte om te amenderen?

Antwoord

Voor de hele begroting geldt dat er nog maar beperkte vrije ruimte is zoals aangegeven in de tabel hierboven. De juridisch vrije ruimte betreft met name de intensiveringsmiddelen die recent bij Voorjaarsnota aan de BHOS-begroting zijn toegevoegd. Concrete programma’s worden nu ontwikkeld om de BHOS nota «Investeren in perspectief» uit te voeren.

13

Kunt u een overzicht verschaffen van de totale intensivering voor onderwijs in 2018 en dit uitsplitsen per kanaal en/of beleidsartikel?

Antwoord

Hieronder een overzicht van de totale intensivering voor onderwijs in 2018 uitgesplitst per programma en/of kanaal. Van de extra middelen voor opvang in de regio zal een groot deel (circa EUR 35 miljoen) worden besteed aan onderwijs voor vluchtelingen en hun gastgemeenschappen.

14

Kunt u een overzicht verschaffen van de totale uitgaven aan onderwijs (inclusief intensivering) in 2018 en dit uitsplitsen per kanaal en/of beleidsartikel?

Antwoord

Hieronder een overzicht van de totale uitgaven aan onderwijs op hoofdstuk 17, inclusief intensiveringen in 2018. De intensiveringen op H17 zijn EUR 67 miljoen (zoals aangeven EUR 0,5 miljoen is overgeheveld naar de begroting H5). De lopende programma’s op het gebied van onderwijs hebben een budget van EUR 75 miljoen. Totaal budget op het gebied van onderwijs op H17 wordt dus EUR 142 miljoen.

15

Kunt u aangeven of er een onderbesteding is op het Dutch Good Growth Fund (DGGF) en zo ja hoeveel deze onderbesteding bedraagt?

Antwoord

Het meerjarige kasritme van het Dutch Good Growth Fund (DGGF) is bij Voorjaarsnota aangepast om de budgetten meer in lijn te brengen met de ervaringen van de afgelopen 4 jaar. Hierdoor is de begroting voor het DGGF in 2018 bij Voorjaarsnota bijgesteld van EUR 113,5 miljoen naar EUR 72,6 miljoen. Daar tegenover staat dat in de jaren na 2018 de begroting is verhoogd om ook dan te kunnen blijven voorzien in de vraag naar financiering door ondernemers. Het totale (meerjarige) budget voor het DGGF blijft hiermee ongewijzigd.

16

Kunt u aangeven hoe en wanneer de uitgaven aan migratie in de regio inzichtelijk worden gemaakt?

Antwoord

De BHOS-nota «Investeren in Perspectief» beschrijft de thematische en regionale prioriteiten bij de inzet op migratieterrein en schetst een beeld van de programma’s waar Nederland aan zal bijdragen. De verantwoording van de uitgaven onder deze programma’s worden opgenomen in het Jaarverslag BHOS 2018 dat uw Kamer in het voorjaar van 2019 zal toegaan.

17

Waarom heeft de Kamer de aan het Ministerie van Financiën voorgelegde bestedingsvoorstellen niet ontvangen?

Antwoord

De bestedingsplannen zijn een intern ambtelijk instrument voor het kabinet om afspraken uit het Regeerakkoord navolging te geven. Informatie over verwachte doeltreffendheid en doelmatigheid worden door het verantwoordelijke departement aan uw Kamer verzonden via bijvoorbeeld beleidsnota’s of de begroting, conform artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016

18

Kunt u inzichtelijk maken welke bestedingen direct voortvloeien uit de nieuwe beleidsnota?

Antwoord

De volgende bestedingen vloeien direct voort uit de nieuwe beleidsnota:

19

Op welke punten wijkt de Voorjaarsnota af van de nota van wijziging die de Kamer in november ontving, in het bijzonder met betrekking tot de invullingen in het kader van het regeerakkoord?

Antwoord

In de nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2018 is EUR 190 miljoen van de intensiveringsmiddelen van het regeerakkoord toegevoegd aan de BHOS-begroting voor humanitaire hulp (EUR 140 miljoen) en opvang in de regio (EUR 50 miljoen). Bij Voorjaarsnota 2018 zijn de resterende intensiveringsmiddelen toegevoegd aan de BHOS-begroting en verdeeld over de begrotingsartikelen conform de nota «Investeren in Perspectief».» Zo is voor humanitaire hulp een extra bedrag van EUR 22 miljoen toegevoegd en voor opvang in de regio EUR 53 miljoen. Daarnaast zijn bij Voorjaarsnota extra middelen toegevoegd voor migratie, klimaat, grondoorzaken, innovatie, IMVO-convenanten, bestrijding kinderarbeid en beurzen voor focusregio’s. Zie ook de tabel in het antwoord op vraag 18.

20

Kunt u de werking van het Nationaal Klimaatfonds nader toelichten? Waar gaat de € 40 miljoen aan worden besteed

Antwoord

Het Nationaal Klimaatfonds zal EUR 40 miljoen per jaar omvatten voor activiteiten die klimaatrelevant en ontwikkelingsrelevant zijn, met speciale nadruk op aanpassing aan klimaatverandering (adaptatie) en versterking van de weerbaarheid (resilience), met name in de armste landen en in de focusregio’s van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking.

Ook activiteiten gericht op het tegengaan van klimaatverandering (mitigatie) komen in aanmerking, zoals projecten ter bevordering van de toegang tot – hernieuwbare – energie en projecten ter bestrijding van ontbossing en landdegradatie.

Het fonds zal openstaan voor voorstellen van uiteenlopende organisaties, inclusief een loket voor klimaat- en ontwikkelingsrelevante plannen van het Nederlandse bedrijfsleven. Hierbij zal ruimte zijn voor uiteenlopende – bestaande en innovatieve – financiële instrumenten. Het fonds streeft tevens naar mobilisatie van private financiering.

In de uitvoering zal worden toegezien op de naleving van normen op het gebied van milieu, mensenrechten, grensoverschrijdend gedrag en sociale inclusie en wordt gelet op de betrokkenheid van en impact op vrouwen. Het fonds meet de behaalde resultaten voor klimaat, maar ook voor ontwikkeling, gendergelijkheid, inclusiviteit.

21

Is de extra bijdrage van € 3 miljoen aan de Global Consessional Finance Facility (GCFF) van de Wereldbank het enige extra geld dat naar Libanon en Jordanië gaat vanuit Nederland?

Antwoord

Nee, dit is niet het enige extra geld dat naar Libanon en Jordanië gaat. Een substantieel deel van de extra middelen die beschikbaar komen voor opvang in de regio worden aangewend voor deze landen. Zie antwoord vraag 2.

22

Wat is de rol van ngo’s bij de implementatie van het budget van onderwijs?

Antwoord

Bij de uitvoering van onderwijsprogramma’s via het Global Partnership for Education en Education Cannot Wait wordt met lokale autoriteiten en lokale NGO’s samengewerkt. De meeste programma’s om onderwijs voor vluchtelingen en kwetsbare gastgemeenschappen te verbeteren en uit te breiden worden uitgevoerd door UNICEF, in nauwe samenwerking met lokale autoriteiten en andere relevante partners, waaronder ook maatschappelijke organisaties. Daarnaast is er een beurzenprogramma met de Nederlandse NGO SPARK, voor hoger onderwijs en vakopleidingen.

23

Welk bedrag gaat er in 2018 naar het Global Partnership for Education (GPE)

Antwoord

In 2018 is voor het Global Partnership for Education een bedrag van EUR 15 miljoen begroot.

24

Kunt u aangeven op welke manier de intensivering van € 30 miljoen op onderwijs precies besteed gaat worden, bijvoorbeeld via het subsidiekader?

Antwoord

De intensivering op onderwijs van EUR 30 miljoen per jaar zal besteed worden via de volgende programma’s: EUR 15 miljoen zal worden gekanaliseerd via het Global Partnership for Education. Dit fonds werkt aan grondoorzaken van uitsluiting en armoede via onderwijs. Ook zal een bijdrage van EUR 3 miljoen worden geleverd voor Education Cannot Wait, een noodfonds voor onderwijs in crisissituaties, met name gericht op vluchtelingenkinderen. Tot slot wordt EUR 12 miljoen ingezet in de nieuwe focusregio’s op het thema (beroeps)onderwijs in relatie tot werk, met speciale aandacht voor jongeren en meisjes.

25

Kunt u aangeven op welke manier en via welke kanalen de intensivering voor onderwijs aan vluchtelingen besteed gaat worden?

Antwoord

Het kabinet zet in op uitbreiding en verbetering van lokale onderwijsvoorzieningen, voor zowel vluchtelingen als kwetsbare gastgemeenschappen. Daarnaast is er speciaal inhaalonderwijs voor vluchtelingenkinderen die al lange tijd niet meer naar school zijn gegaan en zijn er speciale trainingen voor jongeren die hun school niet hebben afgemaakt. Tot slot is er aandacht voor belangrijke flankerende maatregelen, zoals veilig, gesubsidieerd vervoer van en naar school en adequate sanitaire voorzieningen voor meisjes.

Deze programma’s worden uitgevoerd door UNICEF, in nauwe samenwerking met de lokale autoriteiten en andere relevante partners. Ook de voorziene steun aan Education Cannot Wait (zie antwoord vraag 24) richt zich op onderwijs aan vluchtelingen.

Als onderdeel van de prioriteit werk en inkomen is er bovendien een intensivering op het terrein van beroepsonderwijs en vakopleidingen die nauw aansluiten op de behoeften van de arbeidsmarkt, zodat vluchtelingen en hun gastgemeenschappen betere perspectieven krijgen op werk.

26

Kunt u aangeven welk deel van de intensivering op onderwijs wordt besteed in de nieuwe focusregio’s en welk deel daarbuiten?

Antwoord

De voorziene inzet op (beroeps)onderwijs in relatie tot werk en de beoogde verhoging van het aantal beurzen voor het Netherlands Fellowship Programma en het MENA-Scholarship Programma worden volledig besteed in de nieuwe focusregio’s. Hetzelfde geldt voor de inzet op onderwijs vanuit middelen voor opvang in de regio.

De beoogde steun aan het Global Partnership for Education (GPE) en Education Cannot Wait (ECW) zal naar verwachting grotendeels in de nieuwe focusregio’s worden besteed. Daarnaast werkt het GPE in lage-inkomenslanden met een grote achterstand op het terrein van onderwijs. ECW biedt steun aan onderwijs voor vluchtelingenkinderen in zowel lage- als middeninkomenslanden met een grote vluchtelingenproblematiek.

27

Kunt u aangeven hoe u de intensivering voor de bestrijding van (jeugd)werkloosheid wilt gaan besteden, bijvoorbeeld via het subsidiekader?

Antwoord

De intensivering wordt ingezet via een nieuw op te zetten Challenge Fund, waarbij het accent zal liggen op creatie van banen. Nieuwe banen worden gecreëerd door ondersteuning van lokale (MKB-)bedrijven met groeipotentieel, en door jongeren en vrouwen te stimuleren een eigen onderneming te starten. Het is daarbij belangrijk om toegang tot financiering, productiemiddelen en afzetmarkten en de aansluiting van het (beroeps)onderwijs op de marktvraag te verbeteren. Een goede uitwerking van het Challenge Fund en bijbehorende beheerstructuur kost tijd. Naar verwachting zal het nieuwe fonds in 2019 operationeel zijn.

Intensivering van inzet op werk en inkomen voor vrouwen en jongeren loopt ook via bestaande programma’s. Programma’s als Local Employment in Africa for Development (LEAD), het Dutch Good Growth Fund, het FMO MASSIF fonds en het Sustainable Development Goals-Partnerschip (SDG-P) programma leveren ook een bijdrage op beter werk en inkomen voor jongeren en vrouwen, inclusief aandacht voor opleidingen en trainingen.

Daarnaast zijn gesprekken gaande met onder andere de African Development Bank, ILO en de Wereld Bank Groep over mogelijke bijdragen aan multilaterale programma’s voor werk en inkomen voor vrouwen en jongeren.

28

Hoe verhouden de genoemde «belangrijkste mutaties» zich tot de in november 2017 aangekondigde besteding van de aanvullende 190 miljoen euro? Kunt u in een tabel aangeven welk deel reeds is aangekondigd en welk deel nu voor het eerst is ingevuld, en hoe de extra middelen over de verschillende beleidsdoelstellingen zijn verdeeld (traceerbaar naar het moment van aankondiging)?

Antwoord

De onderverdeling van de intensiveringsmiddelen genoemd bij de «belangrijkste mutaties» zijn inclusief de EUR 190 miljoen die eerder met een nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2018 werden toegevoegd aan de BHOS-begroting voor Humanitaire hulp (EUR 140 miljoen) en voor Opvang in de regio (EUR 50 miljoen).

In onderstaande tabel een overzicht van de verdeling van de intensiveringsmiddelen over de begrotingsartikelen waarbij voor 2018 onderscheid is gemaakt tussen de middelen die door middel van de nota van wijziging aan de BHOS-begroting zijn toegevoegd en welke bij de 1e suppletoire begroting.

29

Kunt u toelichten hoe de 16 miljoen euro voor bestrijding van kinderarbeid en het opstellen van IMVO-convenanten concreet zullen worden besteed? Kunt u tevens toelichten waarom hier extra middelen voor zijn vrijgemaakt?

Antwoord

Het kabinet wil investeren in perspectief. Dat begint bij kinderen de kans te bieden op een beter leven, doordat zij bijvoorbeeld niet gedwongen worden om te werken, maar naar school kunnen gaan. Het kabinet zal daarom structureel EUR 15 miljoen per jaar investeren in de bestrijding van kinderarbeid. Hiervan gaat jaarlijks EUR 7 miljoen naar het op 12 juni gelanceerde Fonds Bestrijding Kinderarbeid en EUR 3 miljoen naar de bestrijding van kinderprostitutie. Ook gaat er dit jaar EUR 1 miljoen naar de Coalitie Stop Kinderarbeid die middels «kinderarbeidsvrije zones» in gebieden kinderarbeid bestrijdt. Voor de besteding van de overige middelen wordt onder andere gekeken naar complementaire interventies gericht op versterkte handhaving tegen kinderarbeid.

De extra middelen voor IMVO-convenanten zijn bedoeld voor de totstandkoming en implementatie van IMVO-convenanten. Het aantal convenanten neemt toe en daarmee ook de kosten voor implementatie en uitvoering. De middelen zijn bedoeld als aanvulling op de eigen bijdragen van partijen bij een convenant. De ondersteuning kan gericht zijn op het ondersteunen van het proces, bijvoorbeeld een bijdrage aan het secretariaat van een convenant, de opschaling van een convenant en voor de deelname van partijen aan het proces. De ondersteuning kan ook gericht zijn op het gezamenlijk uitvoeren van projecten, bijvoorbeeld voor projecten gericht op leefbaar loon of vakbondsvrijheid, voor het ontwikkelen van instrumenten die alle partijen kunnen gebruiken en voor het laten doen van onderzoek.

30

Wat valt onder «overig (non-ODA)» onder beleidsartikel 1.2 Versterkte Nederlandse handels- en investeringspositie en economische naamsbekendheid en waarom is daar € 886.000 extra voor nodig?

Antwoord

Het betreft een bedrag voor diverse kleinere activiteiten dat op het terrein van handelsbevordering kan worden ingezet. Hierbij kan gedacht worden aan het organiseren van beurzen en conferenties. De verhoging komt voort uit een bijgestelde raming ten aanzien van enkele van deze activiteiten.

31

Kunt u aangeven wat voor programma’s onder het budget «Migratie en ontwikkeling» zullen worden uitgevoerd?

Antwoord

De programma’s die onder het budget «Migratie en Ontwikkeling» zullen worden uitgevoerd richten zich op het voorkomen van irreguliere migratie, het tegengaan van mensensmokkel en -handel, beter grensbeheer, de bescherming van mensenrechten van vluchtelingen en migranten en het bevorderen van terugkeer en herintegratie. Zo worden programma’s in onder meer Mali, Senegal, Niger en Libië gesteund die uitbuiting, mishandeling en (seksueel) geweld tegen (irreguliere) migranten tegengaan. In onder andere Nigeria, Tunesië en Egypte versterkt Nederland met trainingen de immigratiediensten en de juridische sector met als doel betere bestrijding van criminele netwerken betrokken bij mensensmokkel en -handel. Ook worden in herkomstlanden bewustwordingscampagnes opgezet die potentiële migranten waarschuwen voor de risico’s van irreguliere migratie en hen op alternatieven wijzen. Nederland draagt in coördinatie met de EU via programma’s van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) bij aan vrijwillige terugkeer en herintegratie van de vele (irreguliere) migranten die in Noord-Afrikaanse transitlanden zijn gestrand. Ten slotte worden programma’s onder het budget «Migratie en Ontwikkeling» ingezet om de samenwerking op migratieterrein, inclusief terugkeer, te versterken met prioritaire landen van herkomst (als onderdeel van het zogenaamde «meer-voor-meer» beleid).

32

Waarom wordt € 47.277.000 toegevoegd aan beleidsartikel 1.3 Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden?

Antwoord

De toevoeging van EUR 47 miljoen betreft grotendeels de uit het regeerakkoord voortkomende intensiveringen voor de bestrijding van (jeugd)werkloosheid (EUR 30 miljoen) en versterking van het innovatief vermogen van lokale en Nederlandse bedrijven om lokale ontwikkelingsuitdagingen aan te pakken (EUR 5 miljoen). Daarnaast is het budget verhoogd omdat de implementatie van een aantal Private Sector Development programma’s (zoals vermeld in de tweede suppletoire begroting en decemberbrief 2017) sneller gaat dan gepland. De verhogingen betreffen de programma’s voor marktontwikkeling in het kader van private sector development (EUR 3,8 miljoen), financiële sectorontwikkeling (EUR 4,5 miljoen), infrastructuurontwikkeling (EUR 2,781 miljoen) en landenprogramma’s ondernemingsklimaat (EUR 1,219 miljoen). Hiervoor zijn budgetten uit 2019 en later naar 2018 geschoven. Deze aanpassingen compenseren de doorgevoerde aanpassingen van het kasritme van het Dutch Good Growth Fund (DGGF).

33

Hoe wordt de € 30.000.000 aan «werkgelegenheid» onder beleidsartikel 1.3 Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden besteedt?

Antwoord

De intensivering wordt ingezet via een nieuw op te zetten Challenge Fund, waarbij het accent zal liggen op creatie van banen. Nieuwe banen worden gecreëerd door ondersteuning van lokale (MKB-)bedrijven met groeipotentieel, en door jongeren en vrouwen te stimuleren een eigen onderneming te starten. Het is daarbij belangrijk om toegang tot financiering, productiemiddelen en afzetmarkten en de aansluiting van het (beroeps)onderwijs op de marktvraag te verbeteren. Een goede uitwerking van het Challenge Fund en bijbehorende beheerstructuur kost tijd. Naar verwachting zal het nieuwe fonds in 2019 operationeel zijn.

Intensivering van inzet op werk en inkomen voor vrouwen en jongeren loopt ook via bestaande programma’s. Programma’s als Local Employment in Africa for Development (LEAD), het Dutch Good Growth Fund, het FMO MASSIF fonds en het Sustainable Development Goals-Partnerschip (SDG-P) programma leveren ook een bijdrage op beter werk en inkomen voor jongeren en vrouwen, inclusief aandacht voor opleidingen en trainingen. Daarnaast zijn gesprekken gaande met onder andere de African Development Bank, ILO en de Wereld Bank Groep over mogelijke bijdragen aan multilaterale programma’s voor werk en inkomen voor vrouwen en jongeren.

34

Kunt u aangeven hoe en waaraan de intensivering op infrastructuurontwikkeling wordt besteed (artikel 1.3)

Antwoord

De stijging van de uitgavenraming 2018 voor infrastructuurontwikkeling (van EUR 90 miljoen naar EUR 92,8 miljoen) betreft een bijgestelde verwachting voor infrastructuurprogramma’s zoals DRIVE, ORIO en IDF. Deze extra middelen worden besteed aan projecten in lage- en middeninkomenslanden.

35

Kunt u aangeven hoe en waaraan de intensivering op maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt besteed (artikel 1.3)?

Antwoord

De extra middelen voor IMVO-convenanten op artikel 1.1 zijn bedoeld voor de totstandkoming en implementatie van IMVO-convenanten. Het aantal convenanten neemt toe en daarmee ook de kosten voor implementatie en uitvoering. De middelen zijn bedoeld als aanvulling op de eigen bijdragen van partijen bij een convenant. De ondersteuning kan gericht zijn op het ondersteunen van het proces, bijvoorbeeld een bijdrage aan het secretariaat van een convenant, de opschaling van een convenant en voor de deelname van partijen aan het proces. De ondersteuning kan ook gericht zijn op het gezamenlijk uitvoeren van projecten, bijvoorbeeld voor activiteiten gericht op leefbaar loon of vakbondsvrijheid, voor het ontwikkelen van instrumenten die alle partijen kunnen gebruiken en voor het laten doen van onderzoek.

36

Wat bedoelt u met het zinsdeel «die voortvloeit uit het regeerakkoord»? Betreft het slechts de inzet die voortvloeit uit het regeerakkoord? Zo ja, hoe en wanneer is het bedrag tot stand gekomen?

Antwoord

De zinsnede «voortvloeit uit het regeerakkoord» doelt op de verhoging van het verplichtingenbudget van artikel 2 «Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water» met in totaal EUR 159 miljoen. Daarbij is EUR 40 miljoen bedoeld voor de oprichting van het Nationaal Klimaatfonds, zoals vastgelegd in het Regeerakkoord. Daarnaast wordt het verplichtingenbudget van het artikelonderdeel voedselzekerheid verhoogd met EUR 71 miljoen en het verplichtingenbudget voor water met EUR 47 miljoen, hetgeen leidt tot een totale verhoging van het budget met EUR 159 miljoen in 2018.

37

Kunt u toelichten hoe de extra bestedingen in het kader van «Water» (met een omvang van 47 miljoen euro) zullen worden besteed? Welk deel wordt uitgegeven in de Palestijnse gebieden en welk deel in Mozambique? Bent u voornemens projecten in de Palestijnse gebieden door te zetten indien zij geen vergunning krijgen van de Israëlische civiel-militaire autoriteiten?

Antwoord

Het betreft het aangaan van EUR 47 miljoen aan nieuwe verplichtingen voor de uitvoering van programma’s in de komende jaren. Een groot deel (EUR 20 miljoen) betreft een nieuw programma met UNICEF gericht op drinkwater en sanitaire voorzieningen, met speciale aandacht voor de focusregio’s.

Voor Mozambique is EUR 5,4 miljoen extra verplichtingenbudget nodig voor samenwerking op het gebied van geïntegreerd waterbeheer, het bouwrijp maken van grond voor sociale woningbouw in Beira en baggerwerkzaamheden in een lokale rivier.

Voor de Palestijnse Gebieden is EUR 11.5 miljoen extra verplichtingenbudget nodig in 2018 en 2019 voor onder meer een project op het gebied van afvalwater in het grensgebied met Israël en de Palestijnse Gebieden.

Het kabinet zal projecten in het Palestijnse Gebieden blijven financieren. Israël hanteert een beleid waarbij niet of nauwelijks vergunningen worden afgegeven voor humanitaire en/of ontwikkelingsprojecten in Area C. Dit maakt het in de praktijk uiterst lastig projecten uit te voeren met een vergunning. Daarom kiezen veel organisaties, waaronder de VN en lokale organisaties, er in de praktijk voor om Israël op hoofdlijnen te informeren over de projecten zonder het langdurige traject voor vergunningen te doorlopen.

38

Waarom wordt € 1.000.000 minder aan UNICEF bijgedragen?

Antwoord

In deze begrotingsregel zijn bijdragen aan verschillende UNICEF-programma’s samengenomen, waaronder aan een programma ter bestrijding van kind-huwelijken en een programma voor social protection. De bijdragen aan deze programma’s van UNICEF zijn niet verminderd maar de uitbetaling vond niet gelijkelijk plaats over twee jaar. In 2017 werd EUR 1 miljoen meer betaald, en de betaling in 2018 is daardoor lager.

39

Naar welke «nieuwe focuslanden» verwijst u? Waarom moet dit (per se) leiden tot het verdubbelen van het aantal beurzen?

Antwoord

In het regeerakkoord staat de ambitie om tot een verdubbeling te komen van het aantal beurzen voor de nieuwe focuslanden. In het regeerakkoord worden drie nieuwe focuslanden expliciet genoemd: Jordanië, Libanon en Irak. De extra beurzen worden echter niet alleen in Jordanië, Libanon en Irak ingezet, maar ook in andere landen binnen de drie focusregio’s (MENA, Sahel en Hoorn van Afrika) zoals in de nota «Investeren in Perspectief» aangeduid. Het verdubbelen is een doel en hier zal op gestuurd worden. De vraag naar beurzen uit de landen zelf is leidend. Een exacte verdeling naar land is dan ook nog niet te geven.

40

Waarom wordt € 8.000.000 minder aan het Wereldvoedselprogramma bijgedragen?

Antwoord

Zoals in de toelichting op de uitgaven van artikelonderdeel 4.1 aangegeven, heeft de betaling aan het World Food Programme (WFP) van EUR 8 miljoen al in 2017 plaatsgevonden. De resterende EUR 28 miljoen is in 2018 betaald. Per saldo is er dus niet minder aan het Wereldvoedselprogramma uitgegeven.

41

Hoe wordt de € 93.000.000 extra aan opvang in de regio verdeeld?

Antwoord

In de BHOS-nota «Investeren in perspectief» is nader toegelicht hoe de middelen worden aangewend. Prioriteit gaat uit naar Libanon, Jordanië en Irak en daarnaast de Hoorn van Afrika. Thematisch ligt de focus op bescherming en versterking van de rechtspositie van vluchtelingen, uitbreiding en verbetering van onderwijs en andere voorzieningen, en economische ontwikkeling en werkgelegenheid.

42

Kunt u toelichten waarom er € 1 miljoen wordt bezuinigd op het uitbannen van huidige honger en ondervoeding (artikel 2.1)? Bent u nog steeds van zins om in 2019 € 25 miljoen uit te geven aan het uitbannen van huidige honger en ondervoeding conform de raming in de begroting 2018 (p. 38)?

Antwoord

De verlaging van EUR 1 miljoen van het budget voor het uitbannen van huidige honger en ondervoeding is een eenmalige verschuiving van centrale middelen voor voedselzekerheid naar door de ambassades in de partnerlanden beheerde landenprogramma’s voor voedselzekerheid. Binnen het onderdeel «landenprogramma’s voedselzekerheid» wordt ook ingezet op het uitbannen van de huidige honger en ondervoeding.

43

Op beleidsartikel 3 zijn er mutaties op landenprogramma’s SRGR & HIV/aids. Kunt u per project uitsplitsen waar deze mutatie van € 15.375.000 uit bestaat?

Antwoord

Zoals toegezegd bij het begrotingsdebat over de begroting van 2018 is het budget voor SRGR verhoogd voor uitgaven voor She Decides. In Bangladesh, Ethiopië en Jemen wordt in 2018 voor elk land EUR 3 miljoen extra uitgegeven aan de She Decides doelstellingen, en in Mali EUR 2 miljoen. Daarnaast zijn binnen dit begrotingsartikel ook enige begrotingsmiddelen verschoven naar lopende, door ambassades gesteunde landenprogramma’s van (lokale) partners die ook te kampen hadden met de gevolgen van de Mexico City Policy.

44

Wat is de hoogte van het bedrag dat Nederland bijdraagt aan de Global Financing Facility in Mozambique en onder welke budgetregel is deze bijdrage terug te vinden? Hoe verhoudt deze bijdrage zich tot de nota «Investeren in Perspectief» waarin staat dat het landenprogramma van Mozambique verminderd zal worden?

Antwoord

De bijdrage aan de Global Financing Facility (GFF) van EUR 6 miljoen in 2018 valt onder begrotingsregel «landenprogramma’s SRGR en hiv/aids».

De doelstelling van deze bijdrage is het verbeteren van de gezondheid van moeders, pasgeborenen en adolescenten op het terrein van voeding en reproductie, middels zorgverlening en informatieverstrekking in de armste gebieden van Mozambique. Zoals gemeld aan uw Kamer per brief van 14 september 2017 komt deze bijdrage in de plaats van de directe bijdrage aan de overheid, om de gevolgen van de schuldencrisis voor de meest kwetsbare groepen in Mozambique zoveel mogelijk te beperken. De vermindering van de inzet in Mozambique zal geleidelijk plaatsvinden en hierbij houdt Nederland zich aan de gemaakte afspraken en zal zich een betrouwbare donor tonen.

45

Waarom wordt € 52.457.000 minder aan schuldverlichting besteed waarmee de post schuldverlichting op 0 uitkomt?

Antwoord

In 2018 wordt EUR 52.5 minder aan schuldverlichting besteed omdat de aanvankelijk voor 2018 voorziene betalingen voor schuldverlichting eind 2017 al zijn gedaan. Het betreft aanpassingen van het kasritme binnen bestaande meerjarige verplichtingen.

46

Kunt u aangeven of de intensivering op «landenprogramma’s SRGR & HIV/aids» en «vrouwenrechten keuzevrijheid» ook programma’s voor het tegengaan van kindhuwelijken behelst? Zo nee, wat dan wel?

Antwoord

De verhoging van het budget op «landenprogramma’s SRGR & HIV/aids» in 2018 betreft extra middelen voor She Decides, die zijn toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling van de begroting 2018. De nieuwe budgetregel «vrouwenrechten keuzevrijheid» betreft een bijdrage aan de Global Financing Facility in support of Every Woman Every Child als onderdeel van de intensiveringen op SRGR, zoals beschreven in de nota «Investeren in Perspectief». Onder «Centrale programma’s SRGR en HIV/AIDS» en «UNICEF» worden diverse programma’s ter bestrijding van kindhuwelijken ondersteund.

47

Kunt u aangeven hoe de intensivering op artikel 4.1 zal worden verdeeld?

Antwoord

Zoals gecommuniceerd via de Kamerbrief over «Planning intensiveringsmiddelen humanitaire hulp 2018 en korte terugblik op 2017» (32 605, nr. 213) zal in lijn met voorgaande jaren het merendeel van het beschikbare bedrag van EUR 370 miljoen worden ingezet ter financiering van noodhulp in chronische en acute crises. Dat gebeurt via ongeoormerkte bijdragen aan de humanitaire partners en geografisch geoormerkte bijdragen.

Samen met de humanitaire partners wil Nederland inzetten op meer geestelijke gezondheid en psychosociale zorg in humanitaire actie en een grotere capaciteit van gespecialiseerde zorg ter plekke en in de regio.

Het totale budget voor 2018 wordt als volgt verdeeld:

48

Kunt u toelichten waarom de bijdrage aan UNIDO leidt tot een verhoging van het verplichtingenbudget? Heeft dit te maken met het feit dat het kabinet kort geleden nog voornemens was om het Nederlands lidmaatschap van deze instelling op te zeggen?

Antwoord

Er was geen verplichtingenbudget opgenomen omdat het lidmaatschap van UNIDO zou worden opgezegd. Omdat dit niet gebeurd is moest alsnog verplichtingenbudget hiervoor vrijgemaakt worden.

49

Waaraan en hoe zal de intensivering van € 25 miljoen en € 50 miljoen vanaf 2019 voor «opvang in de regio» worden besteed? Hoe moet dit bedrag gezien worden in relatie tot het bedrag van de € 40 miljoen dat op pagina 25 wordt genoemd voor opvang in de regio?

Antwoord

De extra EUR 25 miljoen in 2018 en EUR 50 miljoen vanaf 2019 vormen onderdeel van het budget voor opvang in de regio, dat in 2018 in totaal EUR 143 miljoen bedraagt (zie ook het antwoord op vraag 41).

In de BHOS-nota «Investeren in perspectief» is nader toegelicht hoe de middelen voor opvang in de regio worden aangewend. Prioriteit gaat uit naar Libanon, Jordanië en Irak en daarnaast de Hoorn van Afrika. Thematisch ligt de focus op bescherming en versterking van de rechtspositie van vluchtelingen, uitbreiding en verbetering van onderwijs en andere voorzieningen, en economische ontwikkeling en werkgelegenheid.

De EUR 40 miljoen die wordt genoemd in de toelichting onder artikelonderdeel 5.4 betreft vervolgbetalingen voor programma’s die zijn gestart in 2016 en 2017, vanuit de EUR 260 miljoen die in 2016 bij Voorjaarsnota door het kabinet beschikbaar werd gesteld voor opvang in de Syrië-regio. Deze EUR 40 miljoen vormt onderdeel van het totale budget van EUR 143 miljoen voor opvang in de regio in 2018.

50

Kunt u de meerjarige verhoging van de bijdrage aan het Europees Ontwikkelingsfonds nader toelichten? Wat is de reden van deze verhoging?

Antwoord

De totale meerjarige bijdrage van iedere lidstaat aan het Europees Ontwikkelingsfonds ligt vast. Voor het 11e Europese Ontwikkelingsfonds (2014–2020) is de Nederlandse bijdrage bepaald op iets minder dan EUR 1,5 miljard. De jaarlijkse bijdragen schommelen echter, ook omdat er nog verrekeningen plaatsvinden op basis van de uitvoering van het 9e en 10e EOF. Omdat er in de afgelopen jaren relatief minder is afgedragen aan het Europese Ontwikkelingsfonds wordt de bijdrage voor de komende jaren opgehoogd om aan de totale verplichting voor het EOF te voldoen. De totale omvang van de Nederlandse bijdrage blijft ongewijzigd. Dit wordt binnen de begroting van BHOS gedekt.