Gepubliceerd: 22 maart 2017
Indiener(s): Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Suzanne Dekker (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34550-VIII-128.html
ID: 34550-128

Nr. 128 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 22 maart 2017

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 22 februari 2017 overleg gevoerd met mevrouw Bussemaker, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de heer Dekker, Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 7 februari 2017 inzake versterking burgerschapsonderwijs (Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 125);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 28 juni 2016 met de beleidsreactie op «Verkenning dialoog als burgerschapsinstrument» (Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 153);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 maart 2016 met het rapport «Twee werelden, Twee werkelijkheden» (Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 129);

  • de brief van de voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 6 oktober 2016 met het verslag van een hoorzitting, gehouden op 9 september 2016, over het rapport «Twee werelden, twee werkelijkheden» (Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 8);

  • de brief van de voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 11 oktober 2016 met het verslag van een hoorzitting, gehouden op 12 september 2016, over het rapport «Twee werelden, twee werkelijkheden» (Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 10);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 september 2016 met de reactie op het inspectierapport over kerndoelen seksualiteit en seksuele diversiteit (Kamerstuk 27 017, nr. 102);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 22 april 2016 met een reactie op de uitzending van Rambam inzake dyslexieverklaring (Kamerstuk 31 332, nr. 72);

  • de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 december 2016 inzake dyslexieverklaringen in het onderwijs (Kamerstuk 34 638, nr. 1).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Wolbert

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Lodders

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Kler

Voorzitter: Wolbert

Griffier: De Kler

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bisschop, Van Meenen, Rog, Siderius, Straus, Wolbert en Ypma,

en mevrouw Bussemaker, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de heer Dekker, Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Aanvang 10.02 uur.

De voorzitter:

Op de agenda staat een algemeen overleg over burgerschap, seksuele vorming en dyslexie. Ik heet de Minister, de Staatssecretaris en de medewerkers van harte welkom, alsook de leden en de mensen op de publieke tribune. We hebben veel tijd, maar er zijn ook mensen die eigenlijk eerder weg moeten, onder andere naar Limburg. Het is ook verkiezingstijd, dus proberen we ons in een goed tempo door dit algemeen overleg heen te organiseren. Ik geef dan ook meteen het woord aan mevrouw Ypma van de Partij van de Arbeid. Ik spreek met de Kamerleden af dat ze zich beperken tot twee onderlinge interrupties per fractie.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Voorzitter. «Bloote billen meiden.» Dat stond laatst op de computer van een vriendin van mij, Renske. Ze dacht eerst dat haar man misschien gegoogeld had, maar omdat «bloote» met dubbel «o» was geschreven, dacht ze later dat het toch waarschijnlijker was dat haar zoontje van 7 jaar dat had gedaan. Kinderen zijn nieuwsgierig. Ze willen allerlei dingen ontdekken. Ze worden verliefd en kennen ook schaamte. De seksuele vorming van kinderen begint al op heel jonge leeftijd. Het is best wel even lastig hoe je daar als ouders mee om moet gaan. Ouders hebben daar een ontzettend belangrijke rol in, maar ik vind dat ook scholen daarin een rol hebben. De problemen zijn groot. Nog steeds worden heel veel kinderen gepest, bijvoorbeeld omdat ze homoseksueel zijn. Heel veel met name meisjes worden lastiggevallen. Daarom vind ik dat de normen en waarden rondom seksualiteit, maar ook het normale gedrag, de wensen en de grenzen die je moet kunnen stellen, besproken moeten kunnen worden in het onderwijs. Daar is eigenlijk te weinig aandacht voor, terwijl dit zeker met social media veel meer aan de orde is. Ik heb twee dochters. Als die ooit een foto van zichzelf in hun blootje op internet zouden zetten of contact zouden leggen met iemand die zich voordoet als 12-jarige maar in werkelijkheid een oude man blijkt te zijn, kan dat onuitwisbare gevolgen hebben. Het is dus heel belangrijk dat kinderen zich daarvan bewust zijn. Daar ligt een taak voor thuis maar ook voor school.

Aandacht voor een respectvolle omgang met seksualiteit en seksuele diversiteit zal indien van toepassing onderdeel zijn van het gesprek tussen de inspectie en de school. Kan de Minister dit toelichten? Dit staat in de stukken, maar uit het onderzoek blijkt dat het niet de taak van de inspectie is om de inhoudelijke invulling door scholen te beoordelen. Tegelijkertijd wil ik wel graag dat er meer aandacht komt voor dit onderwerp. Hoe moeten we dit precies zien? De Partij van de Arbeid vindt het goed dat er veel lesmateriaal beschikbaar is, maar het gaat nog steeds vaak om losse initiatieven en het wordt niet in de bestaande onderwijsmethodes en het lesaanbod ingepast. Ziet de Minister mogelijkheden om binnen de reguliere onderwijsmethodes en het lesmateriaal meer aandacht voor deze thema's te vragen?

Daarnaast wil de Minister met de pabo-instellingen in gesprek. Maar hoe gaan we dat dan doen? Op welke manier zal er extra aandacht komen voor deze thematiek binnen de lerarenopleiding? Op dit moment gebeurt dat binnen vakken als gezond en redzaam gedrag, een vak dat uit maar een paar lessen bestaat. Is het mogelijk om hieraan in de stages meer aandacht te besteden en er meer mee te oefenen? Kan er op een structurelere wijze aandacht gevraagd worden van leraren, zowel leraren die nu al voor de klas staan als leraren die nog op de lerarenopleiding zitten?

Dan het mbo. Daar is eigenlijk al weinig tijd voor burgerschapsonderwijs. Hoe gaan we er dan voor zorgen dat binnen elke mbo-opleiding daadwerkelijk aandacht wordt besteed aan seksuele vorming en seksuele diversiteit?

Er staan meerdere onderwerpen op de agenda van vandaag, dus zal ik proberen om ook daaraan aandacht te besteden. De tijd dat een kind op school zit, is een belangrijke periode voor zijn vorming. Daarom is het van belang dat er voldoende aandacht wordt besteed aan burgerschapsvorming, aan wederzijds respect en de fundamentele waarden van onze democratische rechtsstaat. De Minister en de Staatssecretaris hebben, net als de inspectie, aangegeven dat er eigenlijk meer duidelijkheid geschept moet worden over wat de samenleving van scholen verwacht ten aanzien van burgerschapsvorming. Er wordt werk gemaakt van een prominente positie van burgerschap in het curriculum, maar hoe gedetailleerd worden deze doelen vastgesteld? Op welke termijn zullen deze doelen worden uitgewerkt? Hoe zorgen we voor draagvlak onder docenten? Ook hiervoor geldt dat in het mbo onduidelijkheid bestaat over de vertaling van de kwalificatie-eisen naar het curriculum en de beoordelingscriteria. Docenten vragen om duidelijkheid, om een instellingsbrede visie en om toezicht op de kwaliteitsborging. Mijn collega Mohandis en collega Rog hebben samen een motie ingediend over de kritische denkvaardigheden en mensenrechten in aansluiting op maatschappijleer. Wij zien dat er in de lerarenopleiding meer aandacht is voor bildung en dat er wordt geïnvesteerd in het professionaliseren van het netwerk burgerschap, maar is dat voldoende? Op welke manier kunnen we docenten nog verder ondersteunen om moeilijke onderwerpen aan de orde te stellen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de schoolleiding docenten ook steunt in plaats van hun af te raden om in de klas te vertellen dat ze bijvoorbeeld homoseksueel zijn, zoals onlangs in het nieuws was?

Tot slot dyslexie. Onlangs stond er een stuk in de krant dat er op school meer aandacht moet worden besteed aan lezen, maar er is een verschil tussen de oorzaak van dyslexie en het verhelpen ervan. De oorzaak ligt niet alleen in het onderwijs. Het onderwijs kan er wel aan bijdragen dat er meer wordt geoefend, maar de oorzaak zit ook in de hersenen. Ik vond het jammer dat er geen onderscheid werd gemaakt tussen dyslexie aan de ene kant – 10% van de kinderen heeft ernstige enkelvoudige dyslexie – en lees- en spellingsproblemen aan de andere kant. Voor dat laatste hebben we extra begeleiding nodig. Als moeder van een dyslectisch kind vond ik het heel vervelend om het artikel in de krant te lezen. Iedere avond ben je een uur lang extra aan het lezen en woordjes aan het oefenen, en dan zou het onderwijs het wel even kunnen oplossen! Dat is gewoon niet het geval. Het onderwijs kan alleen bijdragen aan de oplossing. Dat wilde ik graag gezegd hebben. Door een goede persoonsgerichte begeleiding krijgt ieder kind de kans om zich optimaal te ontwikkelen.

De voorzitter:

U bent door uw tijd heen.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Hier eindig ik dan mee.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Ik wil mij vooral richten op burgerschapsvorming. Ik vond het rapport van de inspectie helder en duidelijk, maar ik vond de reactie van de bewindspersonen een beetje teleurstellend. Ik zal uitleggen hoe dat komt. De inspectie heeft inmiddels een omslag gemaakt. De wettelijke eisen zijn nu de basis voor een beoordeling. In wat er verder door een school allemaal op de rails wordt gezet, kan de inspectie stimulerend optreden. Er worden alleen onvoldoendes uitgedeeld, tekorten geconstateerd, als een school niet voldoet aan de wettelijke eisen. Ik merk in de contacten met het onderwijs dat dit echt gestalte begint te krijgen, tot grote vreugde van de scholen. Nu schrijven de bewindslieden echter dat de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs zich onvoldoende ontwikkelt. Uit onderzoek van de inspectie blijkt echter dat scholen op alle punten aan de wet voldoen. Dan vraag ik mij af hoe dit oordeel geveld kan worden. Het kabinet stelt dat het burgerschapsonderwijs niet aansluit bij de maatschappelijke verwachtingen. Ook dat is nogal een stevige constatering. Voor mij is dan de vraag: waarom zou een verduidelijking van de wet noodzakelijk zijn, terwijl dat bij de invoering van de wet niet het geval was? Toen is er heel bewust gekozen voor globale kaders, in een tijd dat er vergelijkbare maatschappelijke spanningen waren.

De voorzitter:

Mijnheer Bisschop, er wordt lang gebeld ten teken dat de plenaire vergadering begint. Als u er last van hebt, mag u even stoppen. Ik laat het aan u.

De heer Bisschop (SGP):

Misschien hebben collega's er last van. Ik geef eenieder graag de gelegenheid om even ademloos naar deze bel te luisteren.

De voorzitter:

Dan stop ik uw spreektijd.

De heer Bisschop (SGP):

Nu de bel is gestopt, vervolg ik mijn betoog.

Ik vind dit wel een punt. Daar moeten we ons goed op beraden. We moeten als overheid niet onnodig willen ingrijpen. Ook hier is het punt van vertrouwen in het geding. Een inspectierapport geeft aan «ze voldoen aan de wet» en tegelijkertijd wordt het oordeel uitgesproken dat het tekortschiet. Ik wil de bewindspersonen graag uitnodigen om hierop in te gaan.

De SGP constateert dat de zachte kant van burgerschap duidelijk te vinden is in de wet, zoals het omgaan met elkaar en het accepteren van verschillen. Dat is een heel goede zaak. Als we dan toch iets willen met verandering op het terrein van burgerschapsvorming, moeten we naar de hardere, naar de meer cognitieve kant kijken. De ruggengraat van burgerschapsvorming is toch het besef van de democratische rechtsstaat waarin we leven en het leren koesteren daarvan; het besef dat er een Grondwet is, dat er grondrechten zijn, hoe een parlement werkt, hoe de politiek werkt. Meer de cognitieve kant dus. Dit is wel de basis, de structuur waarbinnen onze samenleving zich afspeelt en waarmee ook beoogd is om die samenleving veilig te maken. Misschien is dat iets waaraan we moeten sleutelen als het gaat om burgerschapsvorming.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik heb ongeveer een jaar geleden een motie ingediend om meer helderheid te krijgen over de invulling van het kerndoel burgerschap. Die motie heeft de SGP ook gesteund. Past dit wat de heer Bisschop betreft binnen zijn betoog dat scholen zich aan de wet moeten houden, of zegt hij: we hebben er toen wel voorgestemd, maar ik denk er nu anders over?

De heer Bisschop (SGP):

Dank voor deze vraag. Ik zou die motie nog steeds steunen, maar wel met enige zorg: laten we alsjeblieft niet te veel gaan zitten op de stoel van de scholen. Laten we kaders stellen. Ik heb er geen enkel bezwaar tegen om dat eens tegen het licht te houden: waar zitten de zwakke plekken? Ik benoemde concreet de cognitieve kant. Die zou iets versterkt kunnen worden. Dat je als overheid de ontwikkelingen kritisch blijft volgen, daar heb ik geen enkel bezwaar tegen, integendeel. Ik denk dat dat de verantwoordelijkheid van de overheid is. Maar ...

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geloof dat dit een mooi antwoord is.

De heer Bisschop (SGP):

De verleiding is soms een beetje groot om op de stoel van de scholen te gaan zitten. Ik wil de scholen nadrukkelijk de ruimte laten.

De heer Rog (CDA):

Ik ben geïnteresseerd in waar de zorg van de heer Bisschop op gericht is. In het mbo zie ik een pleidooi voor een burgerschapsagenda en afspraken over de invulling van het curriculum. Op welke punten gaat de overheid volgens de heer Bisschop in de uitvoering op de stoel zitten?

De heer Bisschop (SGP):

Ik doel met name op de publiciteit eromheen. Het heeft natuurlijk een bepaalde inkleuring gekregen. In de publiciteit wordt gesuggereerd dat er een steviger regie moet komen. Ik zou daar zeer terughoudend mee willen zijn. Dat is eigenlijk de kern van mijn oproep.

De heer Rog (CDA):

Dat begrijp ik, maar dat is dan de pers. Ik richt me maar eventjes op de brief van de bewindslieden. Heeft de heer Bisschop voorbeelden waarvan hij zegt: dit moeten we niet doen? Of valt dat eigenlijk wel mee?

De heer Bisschop (SGP):

Ik ben vooral benieuwd naar het antwoord van de bewindspersonen op de vraag hoe die beeldvorming heeft kunnen ontstaan en hoe de bewindspersonen er daadwerkelijk in staan. Ik wil de bewindspersonen natuurlijk niet dicteren wat ze moeten zeggen, maar ik hoop dat zij erkennen dat de scholen aan de eisen voldoen. Ik zou iets meer accent op de wat hardere kant, de kenniskant, op prijs stellen, maar veel verder moeten we vooral niet gaan. Burgerschapsvorming is geen vak, maar een attitude; dat is onderdeel van de hele pedagogische sfeer. Het is de manier waarop kinderen op het schoolplein met elkaar leren omgaan enzovoorts.

De voorzitter:

Mijnheer Bisschop, ik geloof dat u uw betoog aan het hervatten bent.

De heer Bisschop (SGP):

Nee, ik was nog bezig met het beantwoorden van de vraag van de heer Rog.

De voorzitter:

Dan was het een heel lange beantwoording. Ik stel voor dat u uw betoog hervat.

De heer Bisschop (SGP):

Daarmee is over het punt van de burgerschapsvorming voldoende uitgeweid. Ik heb nog een vraag over de dyslexieverklaring. Er is soms twijfel over de waarde, de rechtmatigheid en de gedegenheid van dyslexieverklaringen. Daar kunnen klachten over worden ingediend. Dat is terecht. Die mogelijkheid moeten we vooral openhouden, maar ik kan mij ook voorstellen dat een inspectie daar zelf tegen aanloopt. Mijn vraag is welke middelen de inspectie ten dienste staan om in te grijpen zodra ze constateren dat er door allerlei bureautjes ondeugdelijke of onterechte dyslexieverklaringen worden afgegeven. Ik kan mij voorstellen dat de overheid bij een dusdanig oneigenlijk gebruik van een instrument dat ten dienste van leerlingen staat, zegt: dit misbruik moet rechtsgevolgen hebben voor de bedrijfjes die de fout ingaan. Als een garage vaker onterecht apk-verklaringen afgeeft, heeft dat consequenties voor zo'n bedrijf. Ik ben benieuwd welke mogelijkheden de bewindspersonen op dat punt zien.

Mevrouw Ypma (PvdA):

We hebben een brief gekregen van onder andere Balans. Deze organisatie verzoekt om artikel 5.2e van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap te schrappen, zodat leerlingen met dyslexie toegang tot onderwijsvoorzieningen krijgen die zij nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen. Is de heer Bisschop daar ook voorstander van?

De heer Bisschop (SGP):

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik mij daar niet op beraden heb. Ik wil me daar eerst nader in verdiepen, alvorens daarover een uitspraak te doen.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Zullen we de vraag dan samen doorspelen aan het kabinet en de Staatssecretaris vragen of hij daar iets in ziet?

De heer Bisschop (SGP):

Ik steun dat van ganser harte.

De voorzitter:

Ik zit even na te denken over de stijlfiguur die hier wordt gebruikt. Het lijkt me in ieder geval verstandig dat u de brief aan de bewindspersonen doet toekomen.

Ik was er eigenlijk aan toe om de heer Van Meenen het woord te geven.

De heer Van Meenen (D66):

Ik was er zelf eigenlijk nog niet zo aan toe, maar vooruit.

De voorzitter:

Maar u spreekt namens D66 en u bent aan de beurt.

De heer Van Meenen (D66):

Het is goed dat u dat er even bij zegt.

Voorzitter. Ik heb vier onderwerpen: burgerschap, seksuele vorming, dyslexie en de Sint Maartenschool.

D66 vindt burgerschapsonderwijs belangrijk. Hoe gaan we met elkaar om, welke plek hebben we in de samenleving? Welke rol, welke mogelijkheden heb ik als leerling in een democratie? De conclusie van de inspectie is dat scholen en instellingen zich strikt genomen aan de wettelijke eisen houden en burgerschap een belangrijk thema vinden, maar dat burgerschapsonderwijs op veel scholen weinig doelgericht is en de resultaten ervan nauwelijks zichtbaar zijn. Daar zijn overigens ook schitterende uitzonderingen op. Het is goed dat de Staatssecretaris daarmee aan de slag gaat. Het is goed dat hij gaat vastleggen wat de ondergrens is aan wat er aan burgerschap gegeven zou moeten worden en dat hij gaat vastleggen waar scholen de ruimte hebben om dit nader in te vullen. Ook moet de Staatssecretaris scholen erin ondersteunen dat burgerschap een beter geborgde positie in het curriculum krijgt. Dat moeten we met zijn allen doen, want burgerschap houdt ook in dat het moeilijke gesprek gevoerd wordt. Het is natuurlijk onbestaanbaar dat moeilijke gesprekken in het Nederlandse onderwijs niet gevoerd mogen worden. Daar moeten we keihard in zijn. We moeten keihard achter die docenten gaan staan en schoolleidingen die daar anders over denken, zeer streng daarop aanspreken.

Het mbo kent een wat vrijblijvendere aanpak, met een burgerschapsvisie en een versterking van het netwerk burgerschap. Gaat dat wel voldoende zijn? Ik vraag de Minister om in gesprek te gaan met docenten die betrokken zijn bij dit onderwijs op het mbo en te bekijken waar hun behoefte ligt. Het is namelijk belangrijk dat alle niveaus goed burgerschapsonderwijs krijgen. We maken allemaal deel uit van één maatschappij. Een voorstel, gewoon een aardig ideetje, is om een vak als maatschappijleer en bijvoorbeeld sport aan een mix van scholieren van alle niveaus te geven, misschien ook met scholen uit verschillende wijken. Zo maken de kinderen wat meer de samenleving mee dan ze die wellicht op hun school meemaken. Dat is een suggestie aan het ministerie die wellicht onder de aandacht van scholen gebracht kan worden.

Er is een inspectierapport uitgekomen over seksuele vorming, met als conclusie dat dit kerndoel nadere uitwerking vraagt. Dat is heel hard nodig in de ogen van mijn fractie, bijvoorbeeld als het gaat om seksuele weerbaarheid. Van de leerkrachten geeft 6% aan dat in het lopende schooljaar minimaal één keer sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag door leerlingen in hun klas. Ruim twee derde van de leidinggevenden geeft aan dat op de school «seksueel grensoverschrijdend gedrag in de vorm van het verspreiden van seksuele afbeeldingen» voorkomt. Gemiddeld zijn er net iets minder dan drie incidenten per school per jaar. Dat zijn zeer verontrustende cijfers. Hoe ongelooflijk ingrijpend een dergelijk incident kan zijn, laat de zeer verdrietige zelfmoord deze week van een 14-jarige jongen zien. Kortom, wij moeten werk maken van de invulling van dit vak. Gaat de Staatssecretaris hiermee aan de slag? De school moet namelijk een veilige omgeving zijn voor iedereen. Ik heb het dan over seksuele weerbaarheid, maar ook bijvoorbeeld over homoacceptatie. Helaas wordt dat onderwerp nog niet op alle scholen openlijk besproken. Ik denk even terug aan het feit dat onze christelijke broeders het niet nodig vonden om de bijeenkomst in de Kamer over seksuele voorlichting bij te wonen. Daar kunnen zij hun redenen voor hebben gehad, maar het is symptomatisch voor een houding die je bijvoorbeeld ook aantreft op de opleiding van de Christelijke Hogeschool Ede. Daar wordt leerlingen in spe verteld dat abortus, seksuele activiteit en homoseksualiteit als zondig en kwaad moeten worden neergezet. Hoe verwachten we van dit soort docenten dat zij een veilige omgeving voor hun leerlingen kunnen creëren waarin deze onderwerpen gewoon bespreekbaar zijn?

De heer Bisschop (SGP):

Ik heb eigenlijk twee interrupties. Ik begin met de kritiek op onze afwezigheid bij een of andere uitnodiging in de richting van collega's. Dat staat los van de vraag hoe een fractie denkt over de wijze waarop het spreken over seksualiteit inhoud moet worden gegeven. Wij hebben daarbij heel bewust een afweging gemaakt. Het staat D66 uiteraard vrij om daar kritiek op te leveren, maar ik weiger me in een hoek te laten zetten. Ik vind niet dat je je daardoor een negatieve, stigmatiserende of wat dan ook voor mening ten aanzien van seksualiteit en onderwijs in seksualiteit tot uitdrukking brengt. Dat is geenszins het geval. Ik weet wat er speelt op de Christelijke Hogeschool Ede. Ik wil opgemerkt hebben dat dit een buitengewoon eenzijdig verhaal is dat geen recht doet aan de werkelijkheid.

De heer Van Meenen (D66):

Ik heb geen vraag gehoord, maar ik wil er toch op reageren. Ik doe er helemaal niets aan af dat de heer Bisschop mijn teerbeminde collega is. Maar ik vind het jammer dat men ontbreekt bij een initiatief van de Kamer over een onderwerp, waarbij toch al zo vaak de vraag rijst hoe het op een goede manier op scholen bespreekbaar gemaakt kan worden. Dat is voor mij niet een indicatie dat men het onderwerp buitengewoon serieus wil nemen. Dat lijkt meer op een statement dat dit allemaal immoreel, slecht, zondig en weet ik wat allemaal is; daarmee wordt vooral de eigen achterban bediend. Wij zitten echter in deze commissie om ervoor te zorgen dat alle kinderen in Nederland goed onderwijs krijgen en seksueel weerbaar worden. Ik hoop toch dat partijen als die van de heer Bisschop dat ook als een opdracht zien. Wat de Christelijke Hogeschool Ede betreft kan ik hier wel even gaan citeren uit het lesprogramma. Dat laat ik maar achterwege, omdat er misschien jonge kinderen op school meeluisteren. Gelooft u mij maar dat aan de studenten in opleiding tot docent uitvoerig verteld wordt hoe zij zich hierin moeten opstellen en dat het kwaad niet genoeg benoemd kan worden. Persoonlijk, ook als docent, denk ik dat het overdragen van deze informatie door een docent niet de beste manier is om kinderen een veilige omgeving te bieden.

De voorzitter:

Mijnheer Van Meenen, u hebt uw punt gemaakt. Ik stel voor dat u dit onderwerp nu even laat rusten, omdat niet iedereen die hier zit, over de stukken beschikt die u hebt. Of u verspreidt die stukken of u laat dit punt rusten. Ik stel voor dat u uw betoog hervat.

De heer Bisschop (SGP):

Ik heb toch nog een tweede termijn, voorzitter?

De voorzitter:

Ja, u hebt een tweede termijn.

De heer Bisschop (SGP):

Ik voel mij toch een beetje in mijn functioneren aangetast door mijn goede vriend Paul van Meenen. Ik heb er wezenlijk veel moeite mee dat onze keuze op zo'n manier wordt weggezet en dat daarmee als het ware het hele thema seksualiteit in de sfeer van zonde wordt geplaatst, want dat is absoluut op geen enkele manier aan de orde. De kernvraag die gesteld moet worden en die mijn fractie zichzelf ook heeft gesteld is: ben je er als fractie van overtuigd dat de actie die toen werd gehouden, de zaak dient die je beoogt? Ons antwoord was een hartgrondig nee. Dit spant het paard achter de wagen.

De voorzitter:

Mijnheer Bisschop, ik stel voor dat ook u dit punt laat rusten. Elke fractie maakt haar eigen afweging en heeft daar zo haar redenen voor. Elke fractie kan inschatten hoe dat zal vallen. Ik denk niet dat we hier onderling uitkomen. Ik denk dat u beiden uw punt hebt gemaakt. Ik stel voor dat de heer Van Meenen zijn betoog hervat.

De heer Van Meenen (D66):

Hoeveel tijd heb ik nog?

De voorzitter:

U hebt nog twee minuten.

De heer Van Meenen (D66):

Ik ga hier toch nog even op door, maar dat mag u als een onderdeel van mijn betoog beschouwen. Ik ben, zoals u weet, een strijder voor de vrijheid van onderwijs. Ik sta daarvoor, soms tot verrassing van velen. Maar dan moeten we er wel op kunnen vertrouwen dat die vrijheid niet wordt misbruikt en dat kinderen het onderwijs krijgen waar ze in Nederland recht op hebben en dat wij in de wet hebben voorgeschreven. Daar moeten we streng in zijn en in enige strengheid moeten collega Bisschop en ik elkaar toch kunnen vinden. Blijkbaar is dat zo, want hij zwijgt. Ik zie dat hij wil reageren, dus ik ga gauw door naar het volgende onderwerp: dyslexie.

We moeten kinderen helpen die op dit punt tegen muren aanlopen. Kinderen worden nu op één hoop gegooid. Kinderen die lees- of concentratieproblemen hebben, krijgen wellicht ten onrechte het stempel «dyslexie». Dat staat maatwerk in de weg. We hebben recentelijk een aantal publicaties van wetenschappers gezien. Zij zeiden: een aantal kinderen in Nederland krijgt ten onrechte dat predicaat; kijk nou eens naar de lesmethoden. Dat is niet nieuw. Ik heb zelf een aantal jaren geleden, naar aanleiding van vergelijkbare publicaties, een motie ingediend, waarin ik de regering verzocht om de uitwerking van lesmethoden op het geven van de diagnose dyslexie eens goed te bekijken. Kan de Staatssecretaris vertellen wat daarmee is gebeurd en wat hij op dit punt gaat doen?

Laten we ook goed bekijken wie die verklaringen allemaal kunnen afgeven in Nederland. Ik pleit niet voor een georganiseerd wantrouwen, maar wel voor goede begeleiding en goed advies voor leerlingen met leesproblemen. Ik heb echt het gevoel dat de overheid dit iets steviger moet bekijken. Ik wil daarop graag een reactie.

Tot slot. Ik was maandag op de Sint Maartenschool. Veel collega's en de Staatssecretaris zijn daar ook geweest. Er zijn grote zorgen. Ik weet dat de Staatssecretaris bezig is om het een en ander te doen. Mijn oproep aan hem is: laten we er met zijn allen voor zorgen dat de kinderen daar niet tussen wal en schip vallen.

Mevrouw Siderius (SP):

Voorzitter. Ik hanteer een andere volgorde: dyslexie, seksuele diversiteit en burgerschap. Op bijna 40% van de basisscholen heeft in groep 8 10% van de kinderen een verklaring waarmee ze meer tijd kunnen krijgen voor het maken van de eindtoets. Dat is eigenlijk raar, want maar 3% of 4% van de kinderen zou een vorm van zware dyslexie hebben. Blijkbaar gaat er iets niet helemaal goed bij de toekenning van dyslexieverklaringen. Het blijkt dat die verklaringen heel makkelijk kunnen worden afgegeven. Minister Bussemaker weet daar alles van, want het programma Rambam heeft voor haar een verklaring weten te bemachtigen. Als ik de stukken van de Minister lees, denk ik niet dat zij dyslexie heeft. Dus hoe kan dat? Er is sprake van een hele industrie rondom die verklaringen. Bureautjes schieten als paddenstoelen uit de grond en geven tegen hoge kosten, en soms zonder voorafgaand onderzoek, verklaringen af. Daar kan de SP niet achter staan. Wij willen die markt beter reguleren, zodat alleen bepaalde professionals die verklaring mogen afgeven, bijvoorbeeld psychologen of orthopedagogen die gespecialiseerd zijn in psychodiagnostisch onderzoek en een BIG-registratie hebben. We zouden het met elkaar kunnen hebben over de vraag wie dat zou moeten zijn. Op die manier zorg je ervoor dat je een verklaring afgeeft voor de kinderen die dat daadwerkelijk nodig hebben.

Dit was eind vorig jaar ook een probleem, want dyslexieondersteuning wordt vergoed uit de Jeugdwet. In mijn gemeente, Zwolle, was het budget in november al op, omdat heel veel kinderen zo'n verklaring hadden. Het bedrijf dat de ondersteuning geeft, komt vervolgens groot in de media. Het is de vraag of dat wenselijk is. Ik vind in ieder geval van niet. Ik wil daarom graag weten wat de Staatssecretaris daarvan vindt.

Mevrouw Ypma gaf in haar interruptie aan dat het UWV verantwoordelijk is voor de bekostiging van hulpmiddelen voor leerlingen met een beperking. Dyslexiehulpmiddelen vallen daar echter niet onder. Dat stond in het artikel dat mevrouw Ypma noemde. Scholen hebben niet altijd het geld om dat te bekostigen. Dat leidt ertoe dat rijke ouders die ondersteuning zelf kunnen aanschaffen, terwijl ouders met een wat kleinere portemonnee dat niet kunnen. Dat is wat de SP betreft kansenongelijkheid en daar wil zij vanaf. Wij willen graag dat dit artikel wordt geschrapt. Is de Staatssecretaris daartoe bereid?

Ik kom op het kerndoel seksualiteit. Uit onderzoek blijkt dat dit nog niet helemaal tot zijn recht komt in het basisonderwijs, het middelbaar onderwijs en het mbo. In Enschede verscheen van de week het trieste bericht over Onur, die vanwege sexting een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Het onderwijs gericht op seksualiteit en seksuele diversiteit is vaak incidenteel van karakter, weinig doelgericht en afhankelijk van de leraar. Het leerdoel is op verreweg de meeste scholen niet uitgewerkt. De SP vindt dit zorgelijk. Er is ook weinig zicht op het resultaat. Vorig jaar heeft het EenVandaag Jongerenpanel onderzoek gedaan onder 3.000 jongeren. Een kwart van de jongeren zei dat er in de les nooit over homoseksualiteit wordt gesproken.

Vier op de tien meisjes en vrouwen hebben in hun leven te maken met grensoverschrijdend seksueel gedrag, maar hebben nooit de tools gekregen om daarmee om te gaan. Tijdens de beroemde seksles van Goedele Liekens bleek dat het om meer moet gaan dan alleen om voorlichting bij biologie. Het moet niet alleen gaan over de vraag hoe een en ander werkt, maar vooral ook om weerbaarheid. Hoe maken we jongens en meisjes weerbaarder? COC en Rutgers stellen voor om minimumeisen te stellen aan de voorlichting op scholen. Hoe kunnen we dat gesprek aangaan? Hoe staan de Staatssecretaris en de Minister daartegenover? Wat ons betreft krijgt het onderwerp seksuele voorlichting een wat explicietere plek in het onderwijs, zeker gezien de vele incidenten die in de laatste periode in beeld zijn gebracht.

Is er sprake van handelingsverlegenheid bij docenten? Ik ben benieuwd hoe het kabinet daartegen aankijkt. Is het mogelijk dat de inspectie hier beter op gaat toetsen? Het is ingewikkeld als je niet over de inhoud van het onderwijs gaat, want waar kun je dan op toetsen? Ik ben benieuwd naar de overwegingen van het kabinet.

Burgerschap is net als het kerndoel seksualiteit een belangrijk thema ...

De voorzitter:

U hebt daar nog één minuut voor.

Mevrouw Siderius (SP):

... maar het wordt weinig doelgericht vormgegeven. In het onderzoek van DUO constateert een deel van de docenten dat leerlingen met verschillende achtergronden niet met elkaar omgaan. De SP is van mening dat als leerlingen elkaar kennen, zij ook wat beter met elkaar kunnen omgaan. Hoe denkt de Staatssecretaris het vak maatschappijleer te kunnen versterken? Zou de Staatssecretaris het voorstel om het vak filosofie in te voeren op het middelbaar onderwijs kunnen omarmen?

In hun brief geven de docenten maatschappijleer aan dat er niet alleen een inspanningsverplichting moet zijn, maar dat ook het resultaat weer moet meetellen voor het examen. Daarnaast zouden docenten maatschappijleer in het bezit moeten zijn van een verplichte lesbevoegdheid. Hoe kijkt het kabinet daartegen aan?

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. Ik begin met burgerschap. Het doel en de betekenis van burgerschap moeten steviger worden verankerd in de kerndoelen van ons onderwijs om onze jongeren een goede basis te geven, onze leraren houvast te bieden en de waarden van onze samenleving te beschermen. De samenleving doet in toenemende mate een beroep op het onderwijs om hierin een belangrijke rol te spelen. Leerlingen moeten leren welke waarden gelden in onze rechtsstaat en hoe ze respectvol met anderen kunnen omgaan.

Bijna een jaar geleden is er een motie van mij met brede steun aangenomen. Ik refereerde daar net al aan in mijn interruptie tijdens het betoog van de heer Bisschop. In die motie wordt de regering verzocht om de Nederlandse waarden beter te verankeren in het vak burgerschap voor het hele funderende onderwijs. Dat wordt ook vanuit het onderwijs zelf gevraagd. Ik hoop dat die handschoen serieus wordt opgepakt bij de vernieuwing van het curriculum. Niet alleen nieuwe ontwikkelingen, zoals digitale vaardigheden, maken een herziening noodzakelijk, maar ook maatschappelijke ontwikkelingen leiden ertoe dat burgerschap scherper benadrukt moet worden in ons onderwijs.

Daarmee is niet gezegd dat het overal mis is. Gelukkig zijn er ook veel scholen op dit gebied heel goed bezig. Zij kunnen wat ons betreft als voorbeeld dienen bij de verdere invulling van burgerschap. Uit de brieven die ik krijg, blijkt dat sommige scholen zich zorgen maken. Zij zeggen: wij hebben al van alles; wij hebben ons al ontwikkeld; het zou jammer zijn als er in Den Haag dingen worden vastgesteld, terwijl wij al mooie zaken hebben. Ik vraag de Staatssecretaris om die goede voorbeelden vooral mee te nemen. Ik vraag de scholen die vinden dat zij over goede voorbeelden beschikken, om zich te melden bij de Staatssecretaris, zodat hij die voorbeelden kan meenemen. De VVD wil dat zowel de verankering als de ondersteuning van docenten met best practices en training voortvarend wordt opgepakt. Ook na mijn Kamerlidmaatschap – dit is mijn laatste debat met deze collega's – zal ik, waar dat redelijkerwijs kan, mijn ervaringen met klassen delen, want burgerschap is te belangrijk om scholen er alleen voor te laten staan. Ik wil daarop graag een reactie van de Staatssecretaris.

Ik ga over naar seksuele vorming. Net als burgerschap en de meeste andere kerndoelen in het onderwijs wordt ook het kerndoel seksualiteit en seksuele diversiteit naar eigen inzicht door de school ingevuld. Op de meeste scholen wordt hieraan aandacht besteed, maar niet op een structurele manier. Wij vinden dat echt onvoldoende en wij stellen dat nadrukkelijker dan de inspectie in haar rapport doet. Het gevolg is een versnipperde aanpak die te weinig is verankerd in het schoolbeleid, maar daarvoor is dit onderwerp te belangrijk. Leerlingen moeten opgroeien en onderwezen worden in een sociaal veilige omgeving, waarin ruimte is voor seksuele diversiteit en seksuele oriëntatie. Goede voorlichting en goed onderwijs is daarbij van groot belang. Er moet niet alleen aandacht worden besteed aan techniek of veiligheid, maar juist ook aan seksuele diversiteit en weerbaarheid. Het is belangrijk dat jonge mensen een eigen mening ontwikkelen op dit belangrijke onderdeel van het leven. Ze moeten leren hoe ze grenzen kunnen stellen en waar die grenzen voor hen liggen. Voor de leeftijdsgroep in het mbo is dat misschien nog wel belangrijker, juist daar zouden seksuele weerbaarheid en een respectvolle omgang met seksuele diversiteit bespreekbaar gemaakt moeten worden.

Wat de VVD betreft wordt deze verdere uitwerking van het kerndoel samen met het onderwijs voortvarend opgepakt. We hebben het naar aanleiding van het onderwerp pesten heel vaak gehad over de sociale veiligheid op scholen. Daaraan worden nadrukkelijk aanvullende eisen gesteld. Wij zouden graag zien dat het creëren van een veilige omgeving met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag een plek krijgt bij de beoordeling van de sociale veiligheid op scholen. Het is een feit dat er op scholen seksueel grensoverschrijdend gedrag plaatsvindt. Ik geloof dat de heer Van Meenen dat ook zei. Scholen staan midden in de maatschappij, dus dat gebeurt, maar er moet wel op geacteerd worden, zodat leerlingen zich veilig voelen. Wat mij betreft wordt dit een onderdeel van de sociale veiligheidsbeoordeling van de inspectie. Ik hoor graag wat de bewindspersonen daarvan vinden.

Ik ga over naar dyslexie. In Nederland zijn er veel leerlingen met dyslexie. Een verklaring daarvoor is dat het te gemakkelijk zou zijn om aan een dyslexieverklaring te komen. Een aantal wetenschappers gaf onlangs aan dat de manier waarop in Nederland wordt onderwezen, een andere verklaring zou kunnen zijn. Toen de heer Van Meenen een aantal jaren geleden daarover een motie indiende, hebben wij die gesteund, omdat uit onderzoek bleek dat dit wellicht een verklaring zou kunnen zijn. In zijn brief schrijft de Staatssecretaris dat hij op basis van het eerste onderzoek dat nu is gedaan, de grote aantallen kinderen met dyslexie in Nederland moeilijk kan verklaren. Dat is wel zorgelijk. Niet alleen worden er onnodig etiketten op leerlingen geplakt in plaats van hun de juiste oplossingen te bieden voor hun spellings- en leesproblemen. Ook worden leerlingen die echt dyslexie hebben nu als het ware de dupe van deze discussie. Voor de VVD is het wel onbestaanbaar dat in Nederland zo veel meer leerlingen met dyslexie zijn dan in andere landen. Dat begrijpen wij niet. Wij hebben begrepen dat de Staatssecretaris dat zelf ook niet begrijpt. Ik ga nu niet een rij met allerlei maatregelen opnoemen die wellicht neerkomen op symptoombestrijding. Ik ben het met het voornemen van het kabinet eens om eerst een verklarend onderzoek te doen, maar wat mij betreft gaan we dit wel met gezwinde spoed oppakken.

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Dit is het laatste AO in deze zittingsperiode met én de Staatssecretaris én de Minister. Dat is een bijzonder moment. Ik dank de bewindslieden voor de samenwerking in de afgelopen periode. Ik vind dat zij soms buitengewoon onverstandige dingen hebben gedaan voor het onderwijs, maar ik kan niet anders zeggen dan dat zij ook heel goede dingen hebben gedaan en dat zij vanuit hun visie op het onderwijs een belangrijke bijdrage hebben geleverd. Ik zie ernaar uit dat we dit laatste AO op een mooie manier afronden.

Het onderwerp burgerschap staat vandaag centraal. De noodzaak van goed burgerschapsonderwijs werd maar weer eens duidelijk door het rapport van Margalith Kleijwegt. Daar hebben wij ook een aantal hoorzittingen over gehouden. Ik vind zowel het rapport als de inzichten die tijdens de hoorzittingen naar voren kwamen, buitengewoon indrukwekkend maar ook verontrustend. Ik moet zeggen dat ik de brief van de bewindslieden van 7 februari een heel mooie brief vind. Ik ben er heel tevreden over dat de bewindslieden hun zittingstermijn op deze manier afsluiten. Ik vind dat er de juiste aandacht wordt gegeven aan het burgerschapsonderwijs. Daarom interrumpeerde ik de heer Bisschop ook op dit punt. Er is sprake van een mooie balans. Dan heb ik het over de noodzaak dat we dit extra onderstrepen, er ook wat aan toevoegen – dan gaat het om inzicht in de democratische rechtsstaat, de kenniscomponent – en tegelijkertijd niet alles verstikken en niet vanuit de overheid een verplicht curriculum opleggen. De overheid zal niet vertellen hoe het exact moet worden ingericht. Persoonlijk vind ik dit een juiste weg.

De heer Bisschop (SGP):

Daar kan ik me nog van alles bij voorstellen ook. Maar in het inspectierapport staat dat scholen geen gestandaardiseerde instrumenten hebben gebruikt en dat er meer bewezen effectieve methodes zouden moeten zijn. Vervolgens wordt in de brief een en ander geschreven over het monitoren daarvan. Maakt dat niet enige ongerustheid bij de heer Rog wakker?

De heer Rog (CDA):

Ik heb in de brief niet gelezen dat de bewindspersonen duidelijk willen maken hoe seksuele diversiteit onderwezen moet worden – een Kamermeerderheid, waar onze fracties niet toe behoorden, heeft zich daar wel over uitgesproken – en welke methoden daarvoor wel en welke methoden daarvoor niet goed bevonden worden door een toevallige meerderheid in de Tweede Kamer. In de brief staat wel een en ander over waarden, het inzicht dat wij leven in een democratische rechtsstaat en dat wij mogen verwachten dat daar ook aandacht voor is in het gehele funderend onderwijs en in het mbo. Dat zijn zaken waar ik erg blij van word en die we naar mijn idee ook mogen monitoren.

De heer Bisschop (SGP):

Ik heb des te meer belangstelling voor de reactie van de bewindspersonen. Ik wacht hun reactie wel even af.

De voorzitter:

Mijnheer Rog, gaat u verder met uw betoog.

De heer Rog (CDA):

Burgerschapsvorming is breder dan maatschappijleer op dit moment sec is in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Het zou ook moeten gaan over gedeelde waarden, het omgaan met spanningen in de samenleving et cetera. We zien dat een derde van de docenten in het mbo behoefte heeft aan bijscholing en zich dus eigenlijk handelingsverlegen voelt. Ik herken dat, ook vanuit mijn werkbezoeken en gesprekken met docenten burgerschap. Daar koppelt de Minister echter het idee aan dat een verplichte bevoegdheid onwenselijk wordt geacht. Daar wil ik graag een nadere toelichting over. Op basis van de gesprekken die ik voer met leraren burgerschap en de brieven die wij krijgen van onder andere de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer (NVLM), krijg ik toch echt een ander beeld. De Minister is van plan om, in het verlengde van de motie die ik samen met de heer Mohandis heb ingediend, met de NVLM, het practoraat burgerschap en het netwerk burgerschap te bekijken in hoeverre de competenties van leraren die burgerschapsonderwijs verzorgen, aansluiten bij het competentieprofiel dat de MBO Raad opstelt. Dat is prachtig. Dat vind ik ook heel goed, maar ik zou graag wat sturing willen geven, ook vanuit de Kamer. Wat het CDA betreft wordt ook nadrukkelijk aangestuurd op bevoegdheidseisen. Uiteindelijk dient er een heldere resultaatsverplichting te zijn voor het vak burgerschap of voor maatschappijleer met een burgerschapsopdracht, hoe je het ook wilt inrichten.

Ik heb het gehad over de kenniscomponent. Het vastleggen van het democratische burgerschap en de principes van de democratische rechtsstaat juichen wij toe.

Ik wil nog enkele woorden wijden aan dyslexie. Er is sprake van een beperkte beschikbaarheid van dyslexiesoftware en digitale lesmethoden die een oplossing zouden kunnen bieden. Die methoden worden op dit moment buitengewoon beperkt ingezet. Ik wil hierop graag een reactie van de bewindslieden.

Moeten we niet toe naar een meer gevalideerde toets of naar het stellen van minimumeisen aan deskundigen die dyslexieverklaringen kunnen afgeven? Ik vind hetgeen we daarover horen, buitengewoon zorgelijk. Of je makkelijk of niet makkelijk een dyslexieverklaring kunt krijgen, lijkt wel een beetje te liggen aan waar je woont. Het baart mij zorgen dat verklaringen aan mensen worden verstrekt bij wie het niet logisch is dat zij die verklaringen krijgen. Dat waren de inhoudelijke punten die ik zelf naar voren wilde brengen.

Mevrouw Ypma (PvdA):

De heer Rog stelt terecht wat vragen over dyslexie. De Staatssecretaris heeft aangegeven met de beroepsgroep in gesprek te gaan over een helder kader voor dyslexieverklaringen. Hij heeft ook gezegd dat er een klachtenregeling komt. Is de heer Rog het met mij eens dat dit ook de juiste manier is: aan de ene kant een helder kader waaruit blijkt waar een dyslexieverklaring aan moet voldoen en aan de andere kant een klachtenregeling voor als er te gemakkelijk of onterecht dyslexieverklaringen worden afgegeven?

De heer Rog (CDA):

Verklaringen kunnen onterecht worden afgegeven of er kan betwist worden dat ze niet worden afgegeven. Het punt dat mevrouw Ypma opbrengt, vind ik een relevant punt. Zelf heb ik in de aanloop naar dit algemeen overleg contact gehad met een moeder die zei: verdorie, mijn kind zou op basis van vier van de zes indicatoren wat betreft spelling recht hebben op een dyslexieverklaring, maar zij krijgt die verklaring niet omdat het lezen wel goed gaat. Gelet op dat soort zaken, denk ik dat we behoefte hebben aan houvast. Het lijkt mij prima dat er een procedure aan wordt toegevoegd voor klachten over het al dan niet afgeven van zo'n verklaring.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Ik hoop dat het kabinet daar ook op wil reageren. Ik ben benieuwd of de heer Rog het met mij eens is dat er meer onderzoek nodig is. Nu wordt er verwezen naar internationaal onderzoek. In Nederland is heel weinig onderzoek gedaan naar die percentages. Is de heer Rog het met mij eens dat we zo'n onderzoek ook in Nederland nodig hebben om te bekijken waar het precies misgaat en hoe het beter kan?

De heer Rog (CDA):

Ik moet eventjes zoeken in mijn stukken, maar ik dacht dat ik had gelezen dat er ook onderzoek zou worden gedaan. De Staatssecretaris zal hier ongetwijfeld nog op reageren.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Misschien kan de Staatssecretaris iets vertellen over de eerste resultaten van dat onderzoek.

De voorzitter:

Mevrouw Ypma heeft nog net de puntjes waar zij tijdens haar inbreng geen tijd voor had, via interrupties erin gefietst. Daar moet je ook een soort politieke handigheid voor hebben.

We zijn hiermee gekomen aan het einde van de eerste termijn van de Kamer. Voor sommige leden was het de allerlaatste inbreng, en dan niet alleen in deze kabinetsperiode, aangezien zij niet terugkomen en andere dingen gaan doen. Voor hen was het dus de allerlaatste inbreng in dit verband. Ik dank hen daarvoor.

De vergadering wordt van 10.56 uur tot 11.02 uur geschorst.

De voorzitter:

We zijn toe aan de beantwoording in eerste termijn van de bewindspersonen. Als eerste is het woord aan de Minister.

Minister Bussemaker:

Voorzitter. Dit is inderdaad een bijzonder moment: het laatste AO met de Kamer in deze samenstelling. Een deel van u zie ik straks nog bij een plenaire wetsbehandeling, maar dat is toch weer anders dan dit. Laat ik dit moment dus gebruiken om aan te geven dat ik de samenwerking met uw commissie altijd als zeer plezierig heb ervaren, hoezeer je soms ook van mening kunt verschillen. Ik was erg blij met de woorden van de heer Rog, die als lid van een oppositiepartij vond dat we natuurlijk heel veel dingen verkeerd hebben gedaan maar die tevens erkende dat er ook dingen goed zijn gegaan. Het is fijn om dat te horen.

Ik begin met burgerschap en daarna zal ik spreken over seksuele diversiteit. Dyslexie zal de Staatssecretaris voor zijn rekening nemen. Over dat laatste wil ik toch één opmerking maken. Er werd gerefereerd aan de dyslexieverklaring die ikzelf kreeg. Het is fijn om te horen dat mevrouw Siderius op grond van de brieven meende dat ik geen dyslexieverklaring nodig heb. Die mening ben ik ook toegedaan. Een televisieprogramma had een dyslexieverklaring voor mij opgesteld. Ik heb gevraagd of ik die verklaring mocht hebben, zodat ik daarmee naar dat bureau kon gaan om te vragen wat er precies is gebeurd. Toen bleek het toch iets ingewikkelder te liggen dan men deed voorkomen. Ik zal het maar zeggen: het was een nepverklaring. Zij was dus niet formeel afgegeven door een bureau, maar het laat wel zien dat het vrij makkelijk kan. De Staatssecretaris zal de overige vragen over dyslexie beantwoorden.

We zijn het er met elkaar over eens dat aandacht voor burgerschap misschien wel belangrijker is dan ooit, in een wereld waarin leerlingen elkaar steeds minder tegenkomen en waarin we te maken hebben met nationale maar zeker ook grote internationale omwentelingen. Denk aan aanslagen maar ook aan religieus extremisme. Ook gaat het om de vraag hoe we de sociale cohesie in ons eigen land kunnen bewaren. Met de vergaande ontzuiling is voor een belangrijk deel ook de controle op elkaar verdwenen. Er is sprake van lossere omgangsvormen, van seksuele intimidatie. Daar staat tegenover dat we in Nederland gelukkig in een land leven waarin iedereen redelijk goed voor zijn politieke voorkeur en zijn seksuele geaardheid kan uitkomen, en kan bepalen wie zijn vrienden en partners zijn. Dat is een groot goed dat we moeten bewaren, maar dat is niet makkelijk in een wereld die versplintert en die te maken heeft met nieuwe media. De leden hebben er niet voor niets op gewezen dat YouTube, Instagram en andere media het onderwijs vergaand beïnvloeden. Alle ontwikkelingen die in de samenleving plaatsvinden, doen zich immers ook in de klas voor. Dan is het heel ingewikkeld voor docenten om te bepalen hoe ze daarmee moeten omgaan, zo zeg ik de heer Van Meenen na. Dat gaat veel verder dan een vak burgerschap; dat gaat vaak ook over het voeren van een moeilijk gesprek.

Mevrouw Ypma wees er al terecht op dat de hele discussie over seksuele diversiteit ook vaak daarover gaat. De heer Rog verwees naar de publicatie van Margalith Kleijwegts studie «Twee werelden, twee werkelijkheden», die ze op mijn verzoek heeft geschreven. Net als de heer Rog was ik zeer geschokt over de resultaten. Helaas herkende ik een en ander soms op grond van wat ik zelf tegenkom. De vraag is hoe we ervoor zorgen dat leerlingen, studenten en overige docenten met elkaar in gesprek blijven. Die wens speelt op alle niveaus. Gisteren of eergisteren stond er een artikel in de krant over het hbo, in casu de Hogeschool Rotterdam, waar dit thema ook speelt. Dus laten we niet doen alsof het alleen iets van het mbo of het vo is. Dit vraagt heel veel aandacht, maar het is niet makkelijk op te lossen.

Dan kom ik bij het verschil tussen onderwijssectoren. Het is goed om nog even aan te geven dat het inspectierapport natuurlijk een ander soort conclusie trekt bij p.o. en vo dan bij het mbo. Voor het p.o. en het vo bestaat er wel een wettelijke bepaling, maar die is onvoldoende om te bepalen of scholen goed burgerschapsonderwijs geven. Bij het mbo hebben we dat wel al verder ingevuld. Daar is ook niet de wettelijke borging het probleem maar vooral de uitvoering en de professionalisering van docenten. In alle drie sectoren is de uitdaging hoe je goed vorm geeft aan burgerschap in het onderwijs. De heer Bisschop vindt dat het meer over kennis, dus staatsinrichting, moet gaan. Ik vind het belangrijk dat jongeren daarover leren, maar ik vind burgerschap veel meer dan staatsinrichting alleen. De heer Bisschop sprak zelf ook over een attitude. Het gaat ook om een houding, om kritische reflectie. Dat is ook een van de kwalificatiedoelen van het mbo. Je moet kunnen nadenken over de informatie die tot je komt, wat je daar zelf van vindt, hoe je betrouwbare informatie opzoekt en hoe je met anderen je eigen opvattingen deelt. Kortom: dat hoort daar allemaal bij. Dus gaat het, zoals de heer Rog zei, om het onderstrepen van het belang van burgerschap. Dat willen wij ook uitdragen in onze brief. Het moet worden toegevoegd waar het nodig is, maar niet verstikkend zijn. Burgerschap is dus een kernopdracht, maar scholen en docenten moeten wel de ruimte krijgen om hun eigen professionele houding in te brengen. Zij moeten de ruimte krijgen om ervoor te zorgen dat het onderwijs bijdraagt aan betrokken burgerschap. Dat is geen individuele kwestie. Het is dus ook geen individueel lespakket dat je kunt afvinken. Het raakt aan de kernopdracht van het onderwijs: het gaat niet alleen om kwalificatie maar ook om persoonsvorming en, zo benadruk ik: socialisatie. Het gaat immers ook om de vraag in hoeverre je bepaalde normen en waarden met elkaar deelt, in hoeverre je in staat bent om je in een ander te verplaatsen. Dat is een belangrijke taak van het onderwijs, maar het vereist ook samenwerking met anderen, bijvoorbeeld met maatschappelijke, sportieve en culturele organisaties. Een groot deel van de burgerschapsvorming vindt ook buiten het onderwijs plaats.

Dat gezegd hebbende, zal ik de vragen over het mbo beantwoorden. De heer Van Meenen vroeg of het burgerschapsonderwijs in het mbo niet te vrijblijvend is. De heer Rog heeft daarover eerder een motie ingediend. Ik wil toch even het misverstand wegnemen dat het burgerschapsonderwijs in het mbo vrijblijvend zou zijn, omdat het anders is georganiseerd dan in het vo. Luid en duidelijk: burgerschapsonderwijs is wettelijk verplicht op het mbo. Het mbo kent een drievoudige kwalificering: opleiding voor de arbeidsmarkt, voor vervolgonderwijs en voor volwaardig burgerschap. Burgerschap is dus een heel belangrijk onderdeel van het curriculum. De wet beschrijft de opdracht om de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de deelnemers te bevorderen en bij te dragen tot het maatschappelijk functioneren. Burgerschap maakt dus integraal deel uit van de opleiding. Scholen moeten burgerschap opnemen in het onderwijsprogramma. De inspectie gaat ook na of dat gebeurt. De kwalificatie-eisen voor burgerschap kunnen dus ook niet zo gespecificeerd en handelingsgericht worden aangegeven als de kwalificatie-eisen voor het beroep.

Een beheersverplichting past niet goed bij het specifieke karakter van burgerschap. Want dat zou uitvoeringsproblemen in de examinering opleveren, maar belangrijker nog is dat het daardoor weer beperkt zou worden tot weetjes en dat het aspect van attitude en houding en persoonsvorming of socialisatie weer losgelaten zou worden. Om die reden is dat idee bij de herziening en vernieuwing van de kwalificatie-eisen in 2012 bewust losgelaten en is de resultaatsverplichting vervangen door een inspanningsverplichting voor studenten. De Kamer heeft daarmee ingestemd.

Laat ik duidelijk maken dat een inspanningsverplichting niet vrijblijvend is. Met de vernieuwing in 2012 hebben we vier dimensies voor burgerschap benoemd: een politiek-juridische, een sociaal-maatschappelijke, een economische en een gezondheidsdimensie. Daaraan ligt een duidelijke structuur ten grondslag die scholen helpt bij het formuleren van leerdoelen en het plaatsen van burgerschapsthema's in het curriculum. De vormgeving daarvan is wel degelijk veeleisend. Laat ik een voorbeeld geven van de manier waarop burgerschap bij een zorgopleiding wordt gegeven. Tijdens de lessen gaat het om persoonlijke verzorging en wordt de relatie gelegd met vitaal burgerschap. Daarbij gaat het over respectvol en integer omgaan met elkaar en met verschillen tussen de cliënten. In de beroepspraktijkvoorbereiding gaat het erom hoe studenten worden voorbereid op hun rol als stagiair en werknemer; het wordt dus gekoppeld aan de beroepsopleiding. Een inspanningsverplichting wil niet zeggen dat je alleen maar bij de lessen hoeft te zijn. Je moet ook bewijsstukken aanleveren, je krijgt opdrachten en bouwt een portfolio op. Het is zeker geen afvinklijstje. Ik hoop dat de Kamer mij daarin steunt. Ik hoor verschillende leden ook zeggen dat het belangrijk is om ruimte te laten voor de professionele houding van docenten en, in het mbo, de koppeling aan het beroep. Er vinden dus wel degelijk beoordelingsgesprekken plaats. In het voorbeeld dat ik net gaf, vindt er drie keer per jaar een beoordelingsgesprek plaats: wat heb je nu gedaan, kun je daar zelf op reflecteren, hoe staat het met je portfolio? Als dat onvoldoende is, neemt de school daar geen genoegen mee en moet een student wel degelijk wat meer doen. De inspectie moet daarop toezien.

De heer Van Meenen (D66):

De Minister wijst er terecht op dat het voeren van dat moeilijke gesprek soms nog moeilijk is. Wij vinden allemaal dat wij achter de docenten moeten staan. In dat verband mogen we ook wel kijken naar de rol van de schoolleiding. Staat die er voldoende achter? Als de inspectie constateert dat het voeren van zo'n gesprek over lastige thema's moeilijk is en als blijkt dat dat niet voor één docent geldt maar dat het symptomatisch is, dan zegt dat misschien iets over de leiding. Is de Minister bereid om daarop door te vragen, en om zo nodig op te treden? Die bevoegdheid heeft ze volgens mij namelijk.

Minister Bussemaker:

Ja, die bevoegdheid heb ik via de inspectie. Dat geldt voor de hele thematiek. Dat geldt ook voor seksuele diversiteit. Stel dat er op een avond iets vreselijks gebeurt, en al je leerlingen de volgende dag op school komen. Dan moet je in staat zijn om moeilijke gesprekken te voeren en met moeilijke situaties om te gaan. Het is mijn vaste overtuiging dat het enorm helpt en bepalend is als een school een visie heeft. Het maakt niet uit welke visie, als er maar een heldere visie is die de schoolleiding uitdraagt; en als docenten maar weten hoe zij zich tot die visie en de schoolleiding moeten verhouden. Er moet dus een gezamenlijk kader zijn om te kunnen handelen. Er moet een kader zijn op grond waarvan men kan bepalen of men wel het goede met elkaar doet. Als dat niet zo is, dan moet dat ook besproken worden en zal dat bij de inspectie naar voren komen. Eerlijk gezegd wil ik dat niet alleen in repressieve vorm, maar ook in preventieve en meer constructieve vorm doen. Daarom kondig ik in de brief een burgerschapsagenda aan, die ik samen met de scholen en dus samen met het mbo zal opbouwen. Dat betekent dat ik de schoolleiders uit het mbo aan boord heb.

Mevrouw Siderius (SP):

De Minister zegt: als het portfolio onvoldoende is, moet een leerling of student zich verbeteren. Uit de brief van de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer begrijp ik echter dat dat bij een combinatiecijfer heel vaak niet nodig is. Een leerling die een 7 voor CKV en een 7 voor het profielwerkstuk haalt, heeft voldoende aan een 4 voor maatschappijleer. Op het mbo hoeven studenten voor het vak loopbaan en burgerschap helemaal geen resultaat te behalen. Het is een inspanningsverplichting, dus als je wat laat zien ben je oké, maar je hoeft geen voldoende te behalen. Dat zou misschien wel helpen, want nu blijven leerlingen en studenten toch zeggen: we doen het er even bij, en flansen een portfolio in elkaar als we er geen zin in hebben. Het zou beter zijn als zij er een serieus cijfer voor zouden krijgen, want dat werkt toch anders in het brein van pubers en studenten.

Minister Bussemaker:

Dat is net het punt dat ik probeerde te maken. Het is niet vrijblijvend, in de trant van «ik flans wat in elkaar». Als dat het geval was, zou er een probleem zijn. Het gaat erom, dat je een en ander niet alleen wilt richten op de kwantitatieve normering, in de trant van «hoe haal ik een 7», maar dat je het vanuit de inhoud en de meer vormende kant wilt benadrukken. Het gaat erom dat studenten ook zelf nadenken: wat moet ik leren, hoe moet ik in mijn werk met ethische problemen omgaan en hoe moet ik met maatschappelijke spanningen omgaan? Dat is de kern van het burgerschapsonderwijs in het mbo. U verwees naar een voorbeeld uit het vo. Ik stel vast dat de docenten burgerschap vaak niet de docenten maatschappijleer zijn. Ik respecteer de brief van de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer (NVLM), maar ik stel vast dat ik in het mbo vooral te maken heb met de docenten burgerschap, die een andere achtergrond en een andere training hebben. Ik weet ook niet of ik het wenselijk zou vinden dat het allemaal maatschappijleraren zouden worden, want als je niet uitkijkt, wordt het weer een vak apart, dat wordt losgekoppeld van de beroepspraktijk.

Mevrouw Siderius (SP):

Ik denk dat er over de inhoud niet zozeer een meningsverschil is. Burgerschap is ook: het gesprek aangaan over actuele thema's. Als er vandaag iets gebeurt, bespreek je dat morgen in de klas. Het lastige van burgerschap is dat het soms heel moeilijk te vatten is. Er zit echter wel een andere component aan. Ik zeg niet dat het voor alle studenten of leerlingen geldt, maar wij weten natuurlijk ook wel een beetje hoe bruin werkt op die leeftijd; als er geen cijfer voor wordt gegeven, is het toch minder relevant. Volgens mij kan het dus wel helpen om daaraan bij te dragen en het is denk ik en-en.

Minister Bussemaker:

Het probleem is dit. Als je er een cijfer aan wilt koppelen, moet je daarvoor een basis leveren. Dan moet ik naar het College voor Toetsen en Examens om te bezien hoe dat cijfer wordt vastgesteld. Ik kan mij eerlijk gezegd echt niet voorstellen dat mevrouw Siderius zou willen wat wij dan krijgen. Dan krijgen wij namelijk te maken met de vraag: wat moet je precies weten en wat kun je afvinken? Studenten moeten wel degelijk streng worden gecontroleerd. Met de burgerschapsagenda wil ik stimuleren, in lijn met het rapport van de inspectie, om verder te professionaliseren. Natuurlijk zie ik ook dat er ruimte is voor verbetering, maar ik denk dat het niet helpt om daar een cijfer aan te koppelen, maar wel een strenge toets. Heb je een portfolio en heb je de goede dingen gedaan?

De heer Rog heeft moties ingediend over bevoegd en bekwaam. Het mbo werkt anders dan het vo. In het mbo is er geen sprake van een bevoegdheid van docenten voor een bepaald vak of vakgebied. Er is sprake van bekwaamheidseisen. Dat houdt in dat een docent in het mbo moet voldoen aan de bekwaamheidseisen voor het lerarenberoep of dat hij of zij een diploma van een eerste- of tweedegraadslerarenopleiding moet hebben dan wel een pedagogisch getuigschrift. Het is belangrijk dat de mbo-docenten, door de relatie met het beroepenveld, die relatie met de beroepspraktijk hebben. Dat heb ik de Kamer ook horen zeggen. Wij hebben veel zij-instromers. Wij hebben mensen die vanuit de praktijk aan het onderwijs vormgeven. Wij hebben vooral veel docenten die in multidisciplinaire teams werken en als team onderwijs geven. Afhankelijk van de manier waarop die teams het onderwijsprogramma uitwerken, verdelen zij de verschillende onderwijstaken. Mbo-docenten zijn dus breed inzetbaar. Dat is niet zonder reden; het heeft te maken met de inrichting van het mbo. Als je het vergelijkt met het vo, dan zie je dat er geen sprake is van een onder- of bovenbouw, noch van een vakkenstructuur zoals in het vo. Wij hebben vaker gemerkt dat de inspanningsverplichting soms wat verwarring kan scheppen, maar ik vind dat die om die reden echt wel past bij het mbo, ook vanuit dat werken in teams.

Ik vind dat docenten zich goed toegerust moeten voelen. Zij moeten meer geholpen worden om scholing op maat te krijgen, aangepast aan de context en de behoefte van de docent. Dat is heel belangrijk in het mbo. Dat is ook waar docenten in het mbo om vragen, zo blijkt uit het onderzoek van KBA en ResearchNed waaraan wij refereren in de brief. Ik kom daar zo nog op terug.

Veel burgerschapsthema's vragen om heel specifieke expertise, waarvoor ervaringsdeskundigen nodig zijn. Denk aan voorlichting over sparen, schulden of een gezonde leefstijl. Scholen moeten ruimte hebben om die expertise binnen te halen. Dat doe je niet met een bevoegde maatschappijleerdocent. Ook op dit punt geldt: er is de ruimte en de noodzaak voor verdere verbetering in het mbo, maar ik wil dat vooral op zo'n manier doen dat ik aansluit bij de kenmerken van het mbo. Het gaat erom dat de docenten de leiding nemen, zoals ik ook de heer Rog, de heer Bisschop en de heer Van Meenen hoorde zeggen. Dat zijn de professionals die het moeten doen. Ik heb daarvoor verschillende initiatieven genomen. Met de professionalisering van het netwerk burgerschap mbo heb ik een extra impuls gegeven aan de deskundigheidsbevordering van docenten en van onderwijsteams. Het netwerk stimuleert kennisdeling en biedt goede voorbeelden en lesmethoden. Dit jaar krijgt het delen van onderwijsmaterialen en -middelen door de scholen een extra impuls. Er komt bijvoorbeeld een inspiratiebox met praktische voorbeelden, ontsloten op de website van het netwerk burgerschap. Scholen en docenten kunnen terecht bij de Stichting School & Veiligheid voor trainingen en advies voor het voeren van het moeilijke gesprek in de klas. Ik noem ook andere dingen die wij gaandeweg doen. Een belangrijk aspect in het mbo is de professionalisering van docenten. Het nascholingsaanbod dat aansluit op de behoefte van zittende docenten zal worden bezien, aansluitend aan de handreiking kritische denkvaardigheden. Ik voer op dit moment gesprekken met de MBO Raad over de verbinding met het lerarenregister.

Ik juich zeer toe dat de eerste practor – geen lector, maar een practor, de mbo-variant van de hbo-lector – op het gebied van burgerschap in het mbo is geïnstalleerd bij roc Noorderpoort. Die gaat een bijdrage leveren aan een betere positie van het burgerschapsonderwijs in het mbo. Dat is een antwoord op de eerder ingediende motie van de heer Rog. Het practoraat gaat in kaart brengen hoe het burgerschapsonderwijs er in het mbo uitziet, wat de resultaten daarvan zijn en wat de kenmerken zijn van effectieve scholen op het terrein van burgerschap. Kortom: wie doen het goed, waarom gaat het daar goed en wat kunnen anderen daarvan leren? Ook is de pedagogische professionalisering van docenten een speerpunt van dit practoraat. Dat gaan wij allemaal bespreken met het netwerk burgerschap. Misschien is het goed om ook nog aan te geven dat het meer dan 400 actieve docenten betreft. Het is dus echt een heel substantiële groep van 63 mbo-scholen. Daar zitten dus echt de kennis, de kunde en de kritische massa om beweging in de verbetering van burgerschapsonderwijs te krijgen.

Om meer duidelijkheid te creëren over de nodige competenties en vaardigheden ga ik met de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer, het practoraat burgerschap en het netwerk burgerschap aansluiting zoeken bij de met het door de MBO Raad ontwikkelde competentieprofiel voor mbo-docenten. Dat is een manier om binnen het raamwerk van het mbo de competenties te verbeteren, zonder alleen terug te vallen het kopiëren van de wijze waarop het in het vo gaat.

Dan kom ik nu op de lerarenopleidingen.

De heer Rog (CDA):

Ik zat al de hele tijd op het puntje van mijn stoel. De Minister zegt allemaal zinnige dingen. Ik steun haar in het netwerk burgerschap. Ik deel haar warme woorden over het practoraat burgerschap. Heel mooi, maar ik wil toch even inzoomen op het aspect van de bevoegdheid van de leraren in het mbo. Straks gaan wij hier mogelijk weg terwijl er een impliciete keuze is gemaakt, die niet de mijne zou zijn. Daar wil ik toch even helderheid over hebben. In de motie die ik samen met de heer Mohandis heb ingediend, heb ik gevraagd: ga nu eens in gesprek met al die mensen die de Minister noemt over de manier waarop docenten in het mbo optimaal zijn voorbereid en ondersteund om die lessen burgerschap te geven. In de brief schrijft de Minister dat een verplichte bevoegdheid voor mbo-docenten onwenselijk wordt geacht. Zij refereert aan het rapport van KBA en ResearchNed. Heeft de Minister nu al de keuze gemaakt om niet voor een bevoegdheid te kiezen? Dat zou een keuze zijn die ik niet zou willen maken. Kan zij toelichten hoe het kan dat in het rapport van KBA en ResearchNed vooral de beleidsmedewerkers en de bestuurders zeggen: die docenten hoeven niet bevoegd te zijn? Dit terwijl de leraren daar zelf juist vaak wel behoefte aan hebben. Daar zou ik graag duidelijkheid over willen hebben, omdat ik de Minister geen carte blanche wil geven voor het schrappen van de bevoegdheidseisen of het niet-introduceren daarvan.

Minister Bussemaker:

Ik zie het zo dat de docenten aangeven dat ze behoefte hebben aan professionalisering, en dus aan meer kennis en kennis- en praktijkontwikkeling. Ik heb dat ook competentievorming genoemd. Maar in de structuur van het mbo laat zich dit niet vertalen in een bevoegdheid, omdat wij daar werken met bekwaamheidseisen en niet met bevoegdheidseisen. Wij werken daar niet met de aparte vakkenstructuur, die wij in het vo wel kennen. Er wordt veel meer in onderwijsteams gewerkt. De formele structuur is een andere, maar de opdracht is dezelfde. Maar ik wil die met het netwerk, het practoraat en de competentieprofielen ontwikkelen op een manier die past bij het mbo. Wij zouden in het mbo iets atypisch gaan doen als wij opeens voor deze docenten een bevoegdheidseis zouden stellen.

De heer Rog (CDA):

Maar zouden die handelingsverlegenheid en die behoefte aan scholing niet juist worden opgelost door het stellen van heldere bevoegdheidseisen? De Minister geeft aan dat het niet in de huidige structuur past en dat is waar. De vraag is echter, of wij niet alsnog daarvoor de keuze zouden moeten maken. Ik zou het wel op prijs stellen als wij die organisaties waarmee de Minister spreekt, nadrukkelijk de mogelijkheid gunnen om te pleiten voor een bevoegdheidsstructuur. Ik weet dat dit in ieder geval bij de NVLM een langgekoesterde wens is. Ik vraag mij af of wij nu niet een pad afsnijden dat wellicht een oplossing zou kunnen bieden voor het probleem dat wij met elkaar constateren.

Minister Bussemaker:

Ik wil wel toezeggen dat ik met het netwerk waarnaar ik zojuist verwees, met de MBO Raad, de nieuwe practoren burgerschap en de docenten, wil bezien of hieraan behoefte is. Ik zeg er wel bij dat de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer, een zeer gerespecteerde organisatie, vooral de leraren maatschappijleer op het vo betreft. Dat zijn niet vanzelfsprekend de docenten burgerschap op het mbo. Ik heb zojuist naar het netwerk verwezen, waarbij meer dan 400 actieve docenten burgerschap in het mbo betrokken zijn. Op grond van het onderzoek weten wij ongeveer waar zij behoefte aan hebben. Ik wil weten of een formele bevoegdheidseis een oplossing is. Op grond van alles wat ik weet, denk ik dat het ze alleen maar verder van huis brengt. Wij denken misschien dat wij met een formele eis iets verbeteren, terwijl dat in de praktijk misschien helemaal niet behulpzaam is om de handelingsverlegenheid en de deskundigheidsbevordering te ontwikkelen. Ik wil dat echt samen doen met de docenten, want ik wil dat zij het gevoel krijgen dat wij hen helpen om beter toegerust voor de klas te staan.

De voorzitter:

De Minister hervat haar beantwoording.

Minister Bussemaker:

Dan kom ik nu toe aan de lerarenopleidingen. Er is terecht opgemerkt dat, als wij het burgerschapsonderwijs beter willen vormgeven in het p.o., het vo en het mbo, dit begint bij de lerarenopleidingen. Daarom stimuleer ik dat er aandacht is voor burgerschap en bildung in de lerarenopleidingen. Nog dit voorjaar, om precies te zijn op 3 april, organiseer ik een landelijke meet-up met de lerarenopleidingen en Margalith Kleijwegt. Daarmee bouw ik voort op de hoorzitting die de Kamer heeft georganiseerd. Ik hoop echt dat wij daar tot concrete vervolgstappen kunnen komen. Daar zal ook de vraag centraal staan welke rol de lerarenopleidingen kunnen spelen in het voorbereiden van docenten op burgerschapsonderwijs en in het tegengaan van gescheiden werelden. Ik constateer gelukkig ook dat lerarenopleidingen niet bij nul beginnen. Ik heb de afgelopen jaren veel goede voorbeelden gezien, zoals de doorlopende leerlijn normatieve professionalisering van de Hogeschool Utrecht. De Marnix Academie heeft een competentie gericht op inspiratie en normatief handelen toegevoegd aan het curriculum. Wij hebben met lerarenopleidingen verschillende voorlopersgroepen ingesteld. Een daarvan gaat over bildung. die heeft al veel aandacht voor dit thema gegenereerd. Die is flink uitgebreid en dat betekent dat veel lerarenopleidingen hier meer aan doen. Zo zijn er twee succesvolle conferenties georganiseerd. In april 2017 vindt de derde plaats. Dan staat de vraag centraal hoe bildung binnen en buiten het curriculum verder kan worden vormgegeven.

Wij hebben ook geïnvesteerd in de ontwikkeling van de methodiek «dialoog als burgerschapsinstrument». Met die methodiek kunnen lerarenopleidingen hun studenten voorbereiden op het voeren van het moeilijke gesprek in de klas. Daar beginnen wij mee. Natuurlijk moeten we leraren bijscholen als dat nodig is, maar je zou wensen dat alle leraren die straks van de lerarenopleidingen komen, er in ieder geval op getraind en aan gewend zijn om een moeilijk gesprek met hun leerlingen te voeren. Enkele opleidingen zijn al bezig met de implementatie van de genoemde methodiek.

Samenwerkingsorganisaties van lerarenopleidingen, LOBO, ADEF en ICL, hebben al aangegeven enthousiast te zijn voor het ontwikkelen van een burgerschapsagenda. Zij werken daar graag aan mee. Samen met de lerarenopleidingen gaan wij bezien wat er nog meer moet gebeuren en hoe wij dat in een professioneel verband van lerarenopleiders kunnen vormgeven.

De heer Rog wees op het belang van bijscholing, specifiek voor mbo-docenten. Ik heb al het nodige gezegd over de mbo-agenda. Het is ook belangrijk dat de lerarenopleidingen daarin hun rol spelen. In het kader van de burgerschapsagenda zal ik daarover met hen in gesprek gaan.

Tot slot kom ik te spreken over seksualiteit en seksuele diversiteit. Vele woordvoerders, mevrouw Ypma, de heer Van Meenen, mevrouw Siderius en mevrouw Straus, hebben daarover opmerkingen gemaakt. Misschien is het goed om u deelgenoot te maken van het algemeen overleg dat ik eind oktober heb gevoerd, maar toen met de woordvoerders voor emancipatie. Toen stond het inspectierapport ook op de agenda. Wij constateerden dat deze thema's in alle onderwijssectoren hun plek in het onderwijsaanbod hebben verworven. Wij moeten misschien ook bedenken dat de kerndoelen op het gebied van seksuele diversiteit nog maar een paar jaar geleden zijn ingevoerd. Het kost tijd om dit bij iedereen goed tussen de oren te krijgen en materiaal te ontwikkelen. Ik constateer dat de inspectie zegt dat het redelijk goed gaat, maar ook dat er nog wel verbetering nodig en mogelijk is. Gelukkig gebeurt er al veel, bijvoorbeeld op het gebied van lerarenopleidingen, lesmateriaal, gay straight alliances en specifieke projecten, bijvoorbeeld in het mbo. Ik heb daarvoor heel breed draagvlak bemerkt. Daarmee is het nog niet op alle scholen en in alle klassen helemaal fantastisch geregeld, maar het gaat wel de goede kant op.

De heer Van Meenen had het over lhbti-acceptatie op scholen. Ik constateer, ook uit de onderzoeken die ik krijg als Minister van emancipatie, dat de veiligheid en de sociale acceptatie binnen scholen nog altijd toeneemt. Dat is ook de conclusie van het inspectierapport «Omgaan met seksualiteit en seksuele diversiteit». Terecht zien veel scholen voorlichting over respectvolle omgang met seksualiteit, weerbaarheid en seksuele diversiteit als onderdeel van het bieden van een veilige omgeving. Velen van u hebben het gezegd: een school moet een veilige omgeving zijn. Dat geldt niet alleen voor pesten, maar ook voor je seksuele geaardheid, in een tijd dat jongeren daarmee bezig zijn en kunnen ontdekken wat hen bezighoudt en wat hun geaardheid is. Misschien zetten zij ook de eerste stappen in seksuele relaties of krijgen zij te maken met seksueel overschrijdend gedrag, al dan niet in nieuwe vormen via social media. Dan is het ontzettend belangrijk dat in een veilige omgeving ook deze thema's worden meegenomen. Die veilige omgeving is een kernwaarde om in den brede goed onderwijs te kunnen geven.

Met iedereen zeg ik: seksuele diversiteit gaat over veel meer dan over een techniek of over een les biologie. Het gaat over weerbaarheid, over de vraag, zoals mevrouw Straus zei, hoe je grenzen stelt, waar je eigen grenzen liggen, hoe meisjes leren omgaan met weerbaarheid. Ook noem ik het feit dat nog zo veel jongeren te maken krijgen met ongewenst gedrag. Hoe bereiden we ze daarop voor? Daarin spelen natuurlijk ook de ouders een rol. Wij kunnen niet alles bij het onderwijs leggen. Nogmaals, de inspectie geeft aan dat er ruimte is voor verbetering.

In antwoord op de vraag van de heer Van Meenen over burgerschap en hoe om te gaan met het lastige gesprek, zei ik zojuist al dat voor seksuele diversiteit hetzelfde geldt. Wat heb je nodig? Welnu: een schoolleiding die sociale veiligheid, burgerschap en het omgaan met seksualiteit en seksuele diversiteit heeft uitgewerkt in een visie van de school. Die visie moet geen dood document zijn, maar gekend worden. Verder is een schoolklimaat nodig waar aandacht is voor omgangsvormen en waar leerlingen en ouders weten bij wie zij terechtkunnen, alsmede een open en veilig klimaat op school. Als zich een incident voordoet, moet men weten wat men moet doen. Verder is van belang dat sociale vaardigheden worden aangeleerd.

Wat doen wij dan? Tegen mevrouw Ypma zeg ik: juist op dit onderdeel ondersteunen we scholen en docenten met handreikingen. Wij stellen lesmateriaal beschikbaar. Tegen mevrouw Ypma en de heer Van Meenen zeg ik dat wij ook in de lerarenopleidingen aandacht besteden aan sociale veiligheid, waaronder seksualiteit en seksuele diversiteit. Leraren spelen een belangrijke rol bij het creëren van sociale veiligheid en het bespreekbaar maken van seksualiteit en seksuele diversiteit. Tegen mevrouw Ypma zeg ik dat het juist in het mbo ontzettend belangrijk is om expliciet aandacht te besteden aan seksuele weerbaarheid en aan seksuele diversiteit en genderdiversiteit. Dat gebeurt daar dus ook. Tijdens het AO Emancipatie in oktober 2016 heb ik de Kamer al gemeld dat ik de ontwikkelingen op al deze punten op de voet zal blijven volgen. Wij monitoren daarom zowel in het funderend onderwijs als in het mbo en in de maatschappij in het algemeen iedere twee jaar hoe het staat met de veiligheid en de sociale acceptatie van deze groep, met name als het gaat om lhbt. Bij de invoering van de kerndoelonderdelen en het opnemen van seksuele diversiteit in het kwalificatiedossier loopbaan en burgerschap is geconstateerd dat dit zeker heeft bijgedragen aan verbetering, zeg ik tegen mevrouw Siderius. Nu willen wij bezien hoe wij de volgende stap, die aandacht, structureel en solide kunnen verankeren in de scholen. Nogmaals, dat doen we met lesmateriaal en met bijscholing. Wij blijven dat monitoren. Wij doen het ook met de lerarenopleidingen en met de Stichting School en Veiligheid, de pabo's, de tweedegraadslerarenopleidingen en diverse professionals en deskundigen uit het veld, met wie wij de richtlijn competentieprofiel sociale veiligheid opstellen. Mevrouw Siderius vroeg daarnaar, als het gaat om handelingsverlegenheid. Dit kan een belangrijke manier zijn om die de verkleinen. Bij de herijking van de generieke kennisbasis voor de pabo's en de tweedegraadslerarenopleidingen worden kennis en vaardigheden op het gebied van sociale veiligheid, sociale zelfredzaamheid en seksuele diversiteit expliciet meegenomen. Voor de tweedegraadslerarenopleidingen vindt de implementatie in 2017 en 2018 plaats. Voor de pabo's een jaar later. Kortom, ik kom terug op mijn eerste opmerking over seksuele diversiteit: er is verbetering zichtbaar – ik denk dat het kerndoel en het kwalificatiedossier seksuele diversiteit daar echt aan hebben bijgedragen – maar er zijn nog verbeterpunten. Daar zijn wij mee aan de slag en wij zullen de komende tijd blijven monitoren.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Het is een helder betoog van de Minister, maar ik blijf mij hierover zorgen maken, niet alleen vanwege het grensoverschrijdend gedrag en niet alleen vanwege het feit dat nog een kwart van de lesbische en homoseksuele leerlingen maandelijks met pesten te maken heeft, maar vooral vanwege de social media. In gesprekken met ouders merk ik dat zij zich zorgen maken over de social media en over de manier waarop je daarmee moet omgaan. Hoe kunnen wij dat nog structureler onder de aandacht brengen? Dan heb ik het niet alleen over negatieve, maar ook over het positieve aspect. Seksualiteit kan ook iets heel moois zijn, als je je wens en je grenzen kunt aangeven. Daar moet je op jonge leeftijd al mee beginnen en er moet minimaal tot en met het mbo aandacht aan besteed worden. Daarom daag ik de Minister uit: hoe kunnen wij dat structurele en het positieve hiervan nog meer verankeren in het onderwijs?

Minister Bussemaker:

Ook mijn vraag was precies: hoe kunnen wij de volgende stap nu structureel en solide verankeren in de scholen? Het begint bij de lerarenopleidingen. Wij moeten ervoor zorgen dat docenten daar al met dat competentieprofiel aan de slag gaan. Het betekent ook dat wij bijscholen waar dat nodig is. Wij nemen kennis en vaardigheden op dit gebied, net als bij burgerschap, mee in de opleiding, bij bijscholing en in de visie die scholen zelf ontwikkelen. Als het specifiek om social media gaat, gaat het natuurlijk ook wel om het bewustzijn van het gebruik daarvan. Ik ga nu weer even terug naar het kwalificatiedossier burgerschap. Daarin zit kritische reflectie, waaronder ook wordt verstaan: waar haal je je informatie vandaan? Geloof je alles wat op internet voorbijkomt? Dat is algemener gericht, maar het is natuurlijk ook van belang voor seksuele diversiteit. Hoe ga je om met privacy? Wat laat je eigenlijk aan mensen zien? Ben je je ervan bewust wat anderen met beelden kunnen doen? Dat is een opdracht waarvan ik hoop dat er buiten de school veel over wordt geleerd. Ik denk dat leerlingen daarover veel van elkaar kunnen leren. Het is wel in een heel nieuw hoofdstuk in het onderwijscurriculum, van basisschool tot universiteit. Het gaat om de vraag hoe je betrouwbare kennis zoekt, maar ook om de vraag hoe je omgaat met je eigen kennis. Er zitten natuurlijk fantastische mogelijkheden aan de openheid op internet, maar er zitten ook bedreigingen aan en je moet weten hoe je daarmee omgaat.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Dit is een heel goed antwoord, maar ik hoop dat de Minister het met mij eens dat we ervoor moeten waken dat er niet alleen aan incidenten aandacht wordt besteed, maar dat er structureel aandacht aan de kwestie wordt besteed. Het heeft immers zulke onuitwisbare gevolgen als er via social media wordt gepest en ook seksueel getinte plaatjes worden verspreid. Het is belangrijk dat dit niet alleen op school gebeurt, maar juist dat ook de ouders erbij worden betrokken. Ik ben voorstander van een jaarlijkse campagneweek, of een ander alternatief, zodat je er de ouders en het onderwijs samen bewust van maakt en beide ondersteunt om de jeugd daarin verder op te voeden.

Minister Bussemaker:

Ik ben het daar helemaal mee eens. Er zijn ook wel initiatieven, zoals de Week van de Lentekriebels, die volgens mij vooral op het p.o. is gericht. Verder noem ik de gay straight alliances en Paarse Vrijdag. Dat zijn allemaal manieren om hier aandacht aan te geven. wat mij betreft blijven wij dat ook vooral doen.

De heer Van Meenen (D66):

De Minister zegt de goede dingen. Er moet in de lerarenopleiding aandacht zijn voor seksuele vorming en seksuele weerbaarheid et cetera. In mijn bijdrage heb ik willen verkennen waar de ruimte van scholen ligt om daaraan een eigen invulling te geven. Dit is echt iets anders dan een lerarenopleiding wiskunde. Daarbij zijn er weinig verschillende morele of religieuze opvattingen. Maar op dit vlak zijn die er wel. Ik heb iets laten zien van wat er in mijn ogen bijvoorbeeld op de Hogeschool Ede gebeurt. Dat gaat dan nog om de opleiding van leraren, maar vervolgens vertaalt zich dat in: hoe geven wij ons onderwijs op school vorm? Mijn vraag aan de Minister is: kan zij aangeven hoe ver de vrijheid van scholen gaat om daaraan een eigen invulling te geven?

Minister Bussemaker:

Daarover heb ik vorig jaar een heel uitgebreid debat gehad met de woordvoerders emancipatie. Het gaat om de vrijheid van onderwijs. Het zit in de kerndoelen, dus je moet er aandacht aan besteden. Maar de manier waarop je dat doet en de manier waarop dat aansluit bij de belevingswereld van je leerlingen en je studenten, zal voor een gereformeerde school anders zijn dan voor een openbare school. Dat is een groot goed in het Nederlandse onderwijs. Maar iedereen moet aandacht besteden aan seksuele diversiteit.

De heer Van Meenen (D66):

Natuurlijk. Ik heb ook gewezen op de meerwaarde van die diversiteit, maar als op een bepaalde school wordt gezegd «wij gaan aandacht besteden aan seksuele diversiteit, namelijk door te zeggen dat dit fout en slecht en kwaad is», dan heeft die school er aandacht aan besteed, maar ik neem niet aan dat dit de bedoeling van het kerndoel is. Daarom nogmaals mijn vraag: waar ligt die grens? Kijkt de inspectie daar überhaupt naar, of is dit de vinkcultuur, in de trant van: er is aandacht voor seksuele diversiteit, maar wij kijken niet wat dit verder inhoudt? Of wel? Maar dan moet je er ook een kader bij hebben op basis waarvan je oordeelt.

Minister Bussemaker:

Dat lijkt mij niet wenselijk. Als Minister van emancipatie heb ik lesmateriaal laten ontwikkelen, bijvoorbeeld door het COC. Vorig jaar heb ik met de Kamer een gesprek gehad over Hart van Homo's. Dat ging ook over lesmateriaal. Ik wil dat gesprek niet oprakelen, maar het past allemaal binnen de algemene noemer van vrijheid van onderwijs, waarbinnen je zegt: hoe gaat een school daarmee om? De inspectie kijkt of men aandacht besteedt aan het kerndoel. In het kerndoel en het kwalificatiedossier staat dat er aandacht besteed moet worden aan seksuele diversiteit en aan wat dat ongeveer betekent. Ik heb de precieze zinsnede nu niet bij de hand, maar die is zo op te zoeken. Ik vind het niet heel raar dat we scholen de ruimte geven om dat op een andere manier te doen. U had zojuist een interruptiedebatje met de heer Bisschop en u hebt misschien kritiek op de manier waarop het gaat op scholen waar hij vaker komt, maar omgekeerd zou je ook niet willen dat iemand anders zou voorschrijven hoe het moet gaan op de scholen waartoe u zich aangetrokken voelt. Die ruimte geven wij, en het is aan de scholen om zelf te bepalen welk lesmateriaal zij gebruiken, maar dat hoef ik hier niet uit te leggen.

De heer Van Meenen (D66):

Om te voorkomen dat er misverstanden ontstaan: ik wil niets voorschrijven. Ik wil alleen weten hoever die vrijheid gaat. Blijkbaar onbeperkt, als er maar aandacht is voor het onderwerp. Het tegengestelde is waar, hoor ik van de heer Rog.

Minister Bussemaker:

We hebben toch niet voor niets de inspectie een onderzoek laten doen? We hebben de inspectie gevraagd om te bezien hoe scholen omgaan met seksualiteit en seksuele diversiteit. Daaruit kwam naar voren dat er het nodige is gebeurd de afgelopen tijd en dat deze thema's in alle sectoren hun plek in het onderwijsaanbod hebben verworven. Het ging de inspectie niet om het wegschrijven van homoseksualiteit of lhbti of wat dan ook. Het ging heel nadrukkelijk over de vormgeving van het kwalificatiedossier en het kerndoel, te weten omgaan met seksualiteit en seksuele diversiteit. Lees het inspectierapport: er staat in dat scholen er aandacht aan besteden en dat zij dit ook inhoudelijk goed vormgeven. Maar er is nog wel het nodige te doen om het lesaanbod te verbeteren. Ik denk dit losstaat van levensbeschouwing. De inspectie constateert dat er op veel scholen nog iets kan worden verbeterd.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik wil hier nog even op doorgaan. De Minister vertelt een heleboel dingen die zij allemaal gaat doen om te stimuleren dat het in het mbo nog beter wordt. Dat vind ik in principe prima, maar wat is het doel dat wij daarmee willen bereiken? Wat is uiteindelijk hetgeen waarvan de Minister over twee jaar zegt: hiermee ben ik tevreden? Ik heb de brief van de Minister erbij gezocht. Wij hebben de monitor sociale veiligheid in het mbo. Die wordt onder bijna 500.000 studenten afgenomen. Daar komt een aantal percentages uit waarvan ik denk: wij zouden onszelf best een aantal doelstellingen mogen opleggen om het beter te maken. Slechts de helft van de leerlingen die homo of biseksueel zijn, durft daarvoor uit te komen binnen de context van de school. Dat vind ik een laag percentage. Dat zou ik heel graag omhoog willen krijgen. Het is jammer dat de Minister vertelt dat er sprake is van een inspanningsverplichting, maar dat zij niet voor zichzelf een doel stelt, in de trant van: als het nu zo veel is, ben ik tevreden met de inspanningen die wij hebben gepleegd. Dat is echt een schakel die ik vind ontbreken in dit verhaal.

Minister Bussemaker:

Ik heb aangegeven dat ik ernaar wil streven dat de aandacht hiervoor structureel en solide wordt verankerd in de scholen. Dit betekent dat ik stappen voorwaarts wil zetten. Wat de sociale acceptatie betreft hebben wij in de emancipatiebrief aangegeven dat wij willen dat deze substantieel omhooggaat. Het gaat echter niet alleen om de sociale veiligheid, maar ook om de vraag of leraren kunnen omgaan met incidenten. Zijn jongens en meisjes genoeg in staat om hun grenzen te trekken? Ik weet niet of je dat altijd kwantitatief moet benoemen. Ik wil ervoor zorgen dat alle leraren straks zeggen: wij weten hoe wij hiermee moeten omgaan en het is verankerd in het curriculum. In ieder geval moet de sociale veiligheid op dit onderdeel verder toenemen.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik vind dat eigenlijk toch een te abstracte doelstelling van de Minister. Zij zegt: ik kan er geen kwantitatieve doelstelling aan koppelen, maar dit is een kwalitatieve doelstelling, die zich in tevredenheid, in kwantitatieve zin uitdrukt. Ik denk dat het prima kan. Ik denk dat je prima aan 500.000 studenten kunt vragen: wat wordt er op jouw school gedaan op dit punt en ben je daar tevreden over? Ik denk dat dit helemaal niet zo moeilijk hoeft te zijn. Als je dat doet, kunnen onze opvolgers over twee jaar tenminste ook bezien of al die inspanningen tot iets hebben geleid. Of zitten wij dan over twee jaar hier weer te praten over allerlei leuke dingen, terwijl wij er eigenlijk niets mee zijn opgeschoten?

Minister Bussemaker:

Dan is er misschien een misverstand. Ik heb al aangegeven dat ik over twee jaar weer ga monitoren. Dat heb ik in het debat in oktober ook met de Kamer besproken. Ik wil echter nu een en ander verankeren en ervoor zorgen dat het structureel en solide in het programma wordt opgenomen. Ik vind het niet verantwoord om nu te zeggen hoeveel procent van de leerlingen zich op dit punt veilig zou moeten voelen. Het gaat namelijk ook over andere thema's als het gaat om een veilige schoolomgeving. Vanzelfsprekend wil ik wel bezien of wij over twee jaar echt verbetering signaleren.

Mevrouw Straus (VVD):

Als je over twee jaar wilt kunnen concluderen of er verbetering is, moet je nu wel een nulmeting hebben. Is het zo dat wat de Minister hier schetst, haar nulmeting is? Of is het zo dat wij over twee jaar pas gaan beginnen met meten of het inderdaad verdergaat? Dat betekent dat er nog één ding ontbreekt in het actieplan van de Minister, namelijk het toewerken naar een situatie waarin je die nulmeting kunt doen, die dan daadwerkelijk de basis is om te volgen in de navolgende jaren dat je daadwerkelijk vooruitgang boekt.

Minister Bussemaker:

Wat mij betreft is het rapport van de inspectie de nulmeting. Na de invoering van de kerndoelen is dit het eerste rapport daarover. Dat is dus de nulmeting en over twee jaar gaan wij bezien hoe het staat ten opzichte van het inspectierapport.

De heer Bisschop (SGP):

Nog even over dat thema seksuele diversiteit. In het interruptiedebatje met collega Van Meenen van zojuist leek een beetje de suggestie te ontstaan alsof er geen enkel kader is en alsof er bij het leven kan worden gefreewheeld. Is de Minister het met mij eens dat het spreken over seksualiteit in het kader van de kerndoelen altijd is gerelateerd aan respectvol omgaan met elkaar? Ik noem ook het leren omgaan met verschillen. Biedt dat op een natuurlijke manier het kader waarbinnen over dat thema dient te worden gesproken? Heb ik dat goed geïnterpreteerd?

Minister Bussemaker:

Ja.

De voorzitter:

Dan stel ik voor dat we doorgaan naar de beantwoording door de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Misschien mag ik beginnen met het bedanken van de commissie voor de afgelopen jaren. Wij waren het lang niet altijd met elkaar eens. Daarom hebben wij het politieke debat en zijn er verschillende politieke partijen. Wat ik wel heel erg waardeerde was dat wij altijd een discussie konden voeren op basis van inhoud en dat er ruimte was om elkaar te overtuigen. Dat leidt dan soms tot verrassingen. Ik richt mij even in het bijzonder tot mevrouw Siderius en mevrouw Straus. U hebt beiden aangegeven na de verkiezingen te vertrekken. Ik was het met mevrouw Straus misschien vaker eens, omdat wij van dezelfde politieke partij zijn. Ondanks dat feit vond ik het leuk om te zien dat mevrouw Siderius af en toe met ideeën kwam waarvan ik dacht: daar kun je echt heel wat mee. Ik noem het recht op maatwerk. Dat was echt iets wat uit de koker van mevrouw Siderius kwam. Dan zie je dat je politieke tegenstellingen kunt overbruggen. Ik denk dat van iedereen, maar ook van mevrouw Siderius en van mevrouw Straus in het bijzonder de betrokkenheid bij onderwerpen als passend onderwijs een aantal keren heel nadrukkelijk aan de orde kwam. Daar wil ik hen voor bedanken.

Ik begin met burgerschap. De inspectie heeft een kritisch en in mijn ogen op een aantal punten ook wel zorgwekkend rapport geschreven. We vinden met zijn allen burgerschap een belangrijke taak van scholen, zeker in de context van vandaag. Kijk naar wat er allemaal gebeurt in de wereld; dat komt ook de klaslokalen binnen. Het boekje van Margalith Kleijwegt is een aantal keren aangehaald. Neem de discussie rond Zwarte Piet. Soms worden leerlingen neergezet als racist en andere weer als landverraders. Neem de gebeurtenissen rond aanslagen of de grote toestroom van vluchtelingen. Dat zijn zaken die een enorme discussie en emotie losmaken in de klas. Het is niet niks als je daar als leraar voor staat. Juist in die context is het belangrijk dat wij onze leerlingen leren wat het betekent om burger te zijn van dit land. Ik vind dat de overheid niet al te huiverig moeten zijn om te benadrukken wat het betekent om in Nederland te leven. Wij moeten benadrukken dat het een mooi land is. Wij moeten benadrukken wat wij met elkaar delen. Het gaat erom dat wij kinderen onze kernwaarden meegeven, de waarden van de democratische rechtsstaat. De Minister sprak daar net ook over. Dan heb je het over zaken als vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van geloof en het recht op zelfbeschikking.

Onze samenleving is gebouwd op die principes. Wij hebben één Nederlandse Grondwet, die ons allen beschermt en die maakt dat Nederland een van de mooiste landen is om in te wonen: vrij en welvarend. Tegelijkertijd moeten wij al die verworvenheden niet voor vanzelfsprekend aannemen. Die vergen onderhoud, en het onderwijs kan ertoe bijdragen dat wij de kennis daarover, de verbondenheid daarmee en trots daarop kunnen overdragen aan jongere generaties.

Op basis van het onderzoek van de inspectie moeten we constateren dat wij sinds de invoering van de burgerschapsopdracht ruim tien jaar terug voor het primair en voortgezet onderwijs weliswaar verschillende keren over burgerschap hebben gesproken, maar dat de resultaten in de scholen nog onvoldoende zijn. Als je heel kritisch kijkt naar wat de inspectie zegt, dan vind ik dat de heer Bisschop wel een punt heeft. De inspectie zegt namelijk: vrijwel alle scholen voldoen aan de wet, maar toch voldoet wat er gemiddeld genomen op scholen gebeurt nog onvoldoende aan wat wij maatschappelijk aan verwachtingen hebben op het gebied van burgerschap. Dat heeft ermee te maken dat de wet zo globaal en zo miniem is ingevuld, dat je het wel heel erg bont moet maken om er niet aan te kunnen voldoen. Eigenlijk vragen wij aan scholen: je moet iets doen met burgerschap, punt. Zonder dat wij aangeven wat wij daarmee bedoelen. Ik vind het vervelend als de indruk is ontstaan dat wij nu tegen scholen of leerkrachten zeggen: jullie doen het allemaal fout. Op sommige scholen gebeuren er echt fantastische dingen, maar structureel, als je het breed bekijkt, is er gemiddeld genomen ruimte voor verbetering. Dat blijkt ook uit internationaal vergelijkend onderzoek. Kinderen in Nederland blijven zowel wat betreft kennis als kunde wat achter ten opzichte van veel leeftijdsgenoten in de landen om hen heen.

Ik ben echter veel kritischer op onszelf. Zijn wij zelf als wetgever duidelijk genoeg geweest over wat wij onder burgerschap verstaan? Ik denk dat het antwoord daarop nee is. Dit betekent dat wij daar eens kritisch naar zouden moeten kijken. Dat is ook een van de aanbevelingen die de inspectie doet.

De wet bevat een aantal deugdelijkheidseisen. Dat zijn de kaders die de wetgever voor scholen stelt. Burgerschap is er daar een van, maar zoals ik al aangaf: het is zeer globaal. Het is de taak van de overheid om te beschrijven wat de samenleving mag verwachten van het onderwijs. Dat stond al in de memorie van toelichting bij de wet van 2006. Wij kunnen ons afvragen of wij dat voldoende hebben gedaan. Het nieuwe onderzoek van de inspectie laat zien dat de vrijheid om burgerschap zelf in te vullen voor heel veel scholen voelt als een leegte. Daarmee is het heel vrijblijvend of scholen er iets fantastisch mee doen of dat het vrij dun wordt ingevuld. Alle goede voorbeelden ten spijt – die zijn er gelukkig ook – maakt dit dat het voor scholen niet gemakkelijk is om invulling te geen aan de bredere gedachte en aan de verwachtingen die wij hier vaak politiek uitspreken. Daarom moeten we niet alleen wat doen aan het curriculum. Ik zal daar straks wat meer over zeggen. Daar hebben wij echt de leraren voor nodig. Wij kunnen putten uit de goede voorbeelden van de scholen waar het al fantastisch gaat. Het vraagt ook om een verduidelijking van de wettelijke opdracht. Dat burgerschap nu al een plek in de wet heeft, laat zien dat het breder is dan alleen de inhoud van het curriculum. Ik zie twee hoofdredenen om naast de herziening van het curriculum de burgerschapsbepaling in de wet te verduidelijken. Burgerschap is niet alleen te vatten in kerndoelen en in eindtermen die vervolgens effect hebben op de lesstof. Het gaat ook om de schoolcultuur: hoe ga je op een school met elkaar om? Het gaat ook om de houding van docenten en de schoolleiding ten opzichte van hun leerlingen.

Daarnaast is het zo dat de wettelijke eisen een aanknopingspunt kunnen vormen voor het toezicht. De inspectie geeft zelf duidelijk aan dat de deugdelijkheidseisen niet voldoen. Dat geldt niet alleen voor scholen, maar deze eisen geven ook de inspectie weinig handvatten om iets te kunnen zeggen over het niveau van het burgerschapsonderwijs op scholen.

Dat is een van de redenen waarom wij hebben aangegeven dat wij de wettelijke opdracht willen verduidelijken. Daar zitten twee elementen in. Aan de ene kant is dat de verduidelijking van de burgerschapsbepaling. Scholen moeten in ieder geval aandacht besteden aan de waarden van onze democratische rechtsstaat. Dat is een van de elementen die wij heel nadrukkelijk naar voren willen laten komen in het burgerschapsonderwijs. De inspectie schrijft dat dit in de praktijk van het onderwijs zou kunnen betekenen dat scholen in ieder geval actief werken aan de bevordering van de vrijheid van meningsuiting, de gelijkwaardigheid van mensen, het begrip voor anderen, verdraagzaamheid, autonomie, afwijzing van onverdraagzaamheid en afwijzing van discriminatie. Leerlingen kunnen hierover meer kennis opdoen. Dat ben ik helemaal met de heer Bisschop eens. Het gaat ook om kennis van onze democratische rechtsstaat. Maar het gaat in mijn ogen om meer dan kennis. Het gaat ook over de vraag hoe je een en ander in de praktijk handen en voeten geeft. Zo'n invulling geeft aan scholen richting en vormt een basis voor toezicht.

Ik wil in de wet laten opnemen dat het onderwijs de kennis van en het respect voor de grondrechten en de democratische rechtsstaat moet bevorderen gedurende de hele schoolloopbaan van de leerling. Dat kan concreet worden gemaakt met een verwijzing naar de Grondwet en het benoemen van een aantal domeinen, die ook de inspectie noemt: sociale en maatschappelijke competenties, kritische meningsvorming en een gedeelde nationale identiteit.

Dat alles laat onverlet dat er altijd voldoende ruimte moet zijn om vanuit de eigen identiteit van scholen hierop voort te bouwen. Ook dat is onze onderwijstraditie. Naast de verduidelijking van de wettelijke opdracht wil ik scholen helpen om hun dagelijkse visie op burgerschap te vertalen naar de dagelijkse praktijk. Daarbij is het niet de bedoeling om een soort blauwdruk op te leggen voor goed burgerschapsonderwijs. Het is juist mooi dat er in Nederland wat te kiezen valt.

De heer Bisschop vroeg hoe het er precies zou moeten uitzien als wij dit gaan expliciteren. Het gaat mij nadrukkelijk om een ondergrens. Als je de burgerschapsopdracht als deugdelijkheidseis in de wet aanscherpt, moet dat gedaan worden langs lijnen die breed worden gedragen en niet langs smalle politieke lijnen. Als wij het hebben over kernwaarden, dan zijn die ook breed gedragen. Ik geloof daarom dat het ankerpunt van de Grondwet, waarin in hoofdstuk 1 heel veel van de vrijheden beschreven staan, maar waarin ook de werking van onze democratische rechtsstaat aan de orde komt, een heel goed baken is.

Los van de deugdelijkheidseisen is het goed om samen met leraren na te gaan hoe je burgerschap een goede plek geeft in het curriculum. Ik denk dat wij daar zeer binnenkort over komen te spreken. Weliswaar niet meer voor de verkiezingen, maar ik vermoed vlak daarna. In de hele discussie over het curriculum is al verschillende keren aangegeven dat burgerschap daarin een prominente plek moet innemen, naast andere thema's die beter kunnen worden uitgewerkt. De reden waarom wij daar in onze brief niet inhoudelijk een voorschot op willen nemen is dat ik het belangrijk vind dat wij dat samen met leerkrachten doen. Mevrouw Ypma vroeg daarnaar. Wij kunnen in de deugdelijkheidseis de burgerschapsopdracht best iets duidelijker maken. Dan is het ook logisch dat het curriculum in het verlengde daarvan ligt. Wat kun je verwachten dat kinderen kunnen en kennen als zij klaar zijn met de basisschool? Wat verwacht je dat ze meekrijgen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs? Daarvoor hebben wij die leraren aan boord nodig. Het kan wat meer worden uitgewerkt en het kan op onderdelen wat specifieker worden gemaakt. Maar we hebben hen daar echt bij nodig.

Ik ben daarbij heel blij om te zien – dat geldt misschien wat meer voor het voortgezet onderwijs dan voor het basisonderwijs – dat de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer enthousiast is over een aantal voorstellen die wij in de brief doen. De vereniging heeft zelf al aangegeven, heel snel met dat curriculum aan de slag te willen. Wat daarbij kan helpen, is het aanboren van goede voorbeelden die er nu al op de scholen zijn. Mevrouw Straus vroeg daarnaar. Ik wil niet al te veel vooruitlopen op de bredere discussie over de vraag hoe wij die curriculumherziening gaan vormgeven. Ik denk dat wij daar binnenkort nog fundamenteler over komen te spreken. Een van de ideeën daarbij is juist dat je, als je daaraan gaat werken met leerkrachten, ook kijkt naar de scholen die al op een onderdeel als burgerschap vooruitlopen, waar leerkrachten al heel veel kennis en kunde hebben en er al heel veel goede ervaringen mee hebben opgedaan. laten wij eens bezien of zij een prominente rol kunnen spelen in de verdere uitwerking. Het worden «leerlabs» genoemd. Je kunt het ook een andere naam geven, maar het is een van de manieren waarop wij denken dat het een plek kan krijgen.

Mevrouw Siderius vroeg wat dan bijvoorbeeld de plek is van een vak als maatschappijleer in het voortgezet onderwijs. En of je burgerschap een plek zou moeten geven binnen filosofie. Ik denk dat burgerschap op heel veel plekken kan terugkomen. Sterker nog, ik denk dat burgerschap niet alleen een kwestie is van het curriculum, maar iets van de school als geheel. Vandaar ook de burgerschapsopdracht. Het gaat ook om wat je meegeeft bij geschiedenis of bij bijvoorbeeld Nederlands. Ik vind ook dat taal een onderdeel is van burgerschap en van wie wij zijn. Wat je meegeeft bij een vak als maatschappijleer krijgt zeker een plek in de verdere curriculumontwikkeling.

Daarbij wil ik niet vooruitlopen op de discussie over de vraag hoe zwaar dat vervolgens moet meewegen in het examen. Met de vakorganisaties en met de scholenorganisaties hebben wij afgesproken om, voordat wij gaan morrelen aan examens, eerst eens even te bezien wat wij aan lesstof vragen. Dan kunnen de examens daarop volgen. Wij hebben in Nederland een beetje de traditie dat wij examens maken en daarop ons curriculum afstemmen. Juist over die volgorde is er heel veel ontevredenheid bij scholen. Als maatschappijleer een steviger plek krijgt, kan ik mij voorstellen dat dit doorwerkt in de examens. Maar ik vind dat je die discussie moet voeren vanuit het curriculum en vanuit de inhoud. Ik ben het wel met mevrouw Siderius eens dat je ook nu al van scholen mag vragen dat lessen maatschappijleer bevoegd worden gegeven. Ik vind het vak maatschappijleer op sommige scholen nog een beetje het ondergeschoven kindje. Er wordt nog weleens gemakkelijk gezegd dat dit ook wel kan worden gegeven door een leraar die het er even bij doet. Ik vind dat maatschappijleer een vak is. Wij zijn heel hard bezig om het onbevoegd lesgeven terug te dringen. Als je kijkt naar de onbevoegdheidscijfers, zie je dat er een structureel knelpunt is rond de traditionele tekortvakken. Scholen vinden het soms gewoon echt lastig om een goede docent wiskunde of natuurkunde te vinden. Zij worden echter nog overtroefd door leraren maatschappijleer. Maatschappijleer staat bovenaan als het gaat om de vakken die onbevoegd worden gegeven. Ik vind eigenlijk dat scholen daarvoor niet een goed excuus hebben, want het aanbod van docenten maatschappijleer schiet in mijn ogen niet tekort. In de aanloop naar het terugdringen van het onbevoegd lesgeven doen wij een aantal dingen om de goede kant op te bewegen. Ik noem in dat verband het register.

De heer Bisschop had het over de kenniscomponent, de harde component. Die zal zeker onderdeel vormen van een en ander, maar ik vind juist de waarden, de zachte component, belangrijk. Ook die moet je overdragen. Dan gaat het ook om het reflecteren op en om het internaliseren van bepaalde waarden, het ontwikkelen van een moreel kompas, en niet alleen om de kenniscomponent.

De heer Van Meenen vroeg of scholen in de organisatie van het aanbieden van hun onderwijs wat meer kunnen doen aan ontmoeting. Je zou het binnen een brede scholengemeenschap zo kunnen organiseren dat je bij vieringen op school of bij niet-cognitieve vakken als lichamelijke oefening of drama, verschillende schoolsoorten bijeenbrengt. Ik denk dat dit een heel goed voorbeeld is en ik wil best bezien of wij dit actief onder de aandacht kunnen brengen. Ik vind het wel ingewikkeld om dit voor te schrijven. Scholen zijn daar nu vrij in. Ik zie overigens dat sommige scholen het al doen. Ik ben vaak erg enthousiast over dat soort initiatieven.

De heer Van Meenen (D66):

Voordat daar weer misverstanden over ontstaan: ik ben ook niet van het voorschrijven; helemaal niet. Maar er zijn inderdaad goede voorbeelden. Ik weet dat het ministerie in staat is om soms dingen te propageren, in plaats van voor te schrijven. Dat is dus eigenlijk mijn punt: stimuleren, en bezien of goede voorbeelden goed kunnen worden verspreid.

Staatssecretaris Dekker:

Ik neem dat mee. Wij hoeven daarvoor niet een heel apart traject op te zetten.

Mevrouw Ypma vroeg heel nadrukkelijk wanneer deze discussie wat oplevert. Ik zou er heel erg voor zijn om, ook als dit kabinet straks demissionair is, vaart te maken met het aanpassen van de burgerschapsopdracht. Afhankelijk van de duur van de demissionaire periode zal een volgend kabinet daarvoor waarschijnlijk een wetsvoorstel indienen. De curriculumherziening hangt natuurlijk af van het debat dat wij na de verkiezingen voeren. Als ik een beetje door mijn oogharen kijk, dan zeg ik dat in het schooljaar 2018/2019 de burgerschapsopdracht kan worden aangescherpt. Het curriculum heeft wellicht iets meer doorlooptijd nodig, omdat daarvoor het proces met die leraren zo belangrijk is. Vooralsnog wordt gekoerst op 2020. Ondertussen zitten wij natuurlijk niet stil, want ook binnen het huidige curriculum en binnen de huidige opdracht kun je al heel veel doen, al is dat op basis van vrijwilligheid.

Dan wil ik een paar woorden wijden aan dyslexie. Ik ben het helemaal met mevrouw Ypma eens die zich de verontwaardiging van ouders kan voorstellen die twee weken geleden het AD opensloegen. Ik weet niet of de onderzoekster het zo heeft bedoeld. Ik zag haar later die avond aansluiten bij een televisieprogramma. Toen was het al een stuk genuanceerder. Ik denk dat wij moeten erkennen dat dyslexie geen fabeltje is, maar gewoon bestaat. Tegelijkertijd maak ik mij ernstig zorgen als ik kijk naar de percentages op sommige scholen en naar de cijfers overall. Op basis van de wetenschap wordt gezegd dat het aantal gevallen waarin sprake zou kunnen zijn van dyslexie varieert tussen 4% en 10%. Op sommige scholen ligt dat percentage vele malen hoger. Dat baart mij zorgen. Vooral de stijging die je daarin ziet kan ik slecht verklaren. Dat is een van de redenen waarom wij hebben gezegd dat wij daar wat dieper in moeten duiken. Wij moeten niet alleen maar de vraag onder ogen zien hoe het staat met het aantal verklaringen, maar wij moeten ook bezien hoe wij de grote variatie tussen scholen en de grote regionale variatie precies kunnen verklaren. Dat onderzoek loopt en tegen de zomer hopen wij dat te kunnen afronden. Dat biedt houvast om vervolgstappen te zetten richting scholen en richting ouders en vooral richting degenen die de verklaring afgeven. Een aantal woordvoerders hebben gevraagd wat je kunt doen om op te treden tegen dyslexieverklaringen die misschien wel heel gemakkelijk worden afgegeven. Dat is in de zorg in die zin gereguleerd dat het nu gz-psychologen en orthopedagogen zijn die de verklaring mogen afgeven. Zij hebben zich georganiseerd als beroepsgroep. Zo werkt het in de zorgsector. Ik vind dat de beroepsgroep zelf kritischer moet zijn op de vraag hoe het in de eigen sector gebeurt. In het geval van dit soort geregistreerde beroepen moet gewoon worden gezegd: als er psychologen of orthopedagogen zijn die dit te gemakkelijk doen, hebben zij een groot probleem. Dan kunnen wij ook optreden. Die richtlijnen zijn op dit moment te algemeen. Het betekent dat de IGZ niet kan optreden en dat de beroepsgroep zelf niet kan optreden. Dat is de reden waarom wij, samen met VWS, het gesprek met de beroepsgroep voeren, om te bezien of een en ander kan worden aangescherpt. Ik zou daarvan zelf een groot voorstander zijn.

Mevrouw Siderius (SP):

Ik denk dat we het erover eens zijn dat dit echt opgelost moet worden. Aanscherpen klinkt natuurlijk fantastisch, maar de vraag is: is de Staatssecretaris bereid om een soort keurmerk in te stellen of om een bepaalde onafhankelijke organisatie de mogelijkheid te geven om die verklaringen af te geven? Ik vraag dat ook in het kader van de Jeugdwet. Het gaat erom dat een sociaal wijkteam, een ouder of een school die de jeugdhulp voor dyslexie vergoed wil krijgen uit de Jeugdwet, met een verklaring moet komen die is ondertekend door iemand die dat keurmerk, of wat dan ook, heeft. Volgens mij is dat de beste manier om het lek te dichten, ook als je kijkt naar de manier waarop gemeenten met de bezuinigingen op de jeugdhulp moeten omgaan. Het geld blijft niet rollen; laten wij het maar even zo zeggen.

Staatssecretaris Dekker:

Ja, ik ben daar in principe wel voor, maar ik weet niet of het een door de overheid afgegeven keurmerk moet zijn. In deze sector stelt de beroepsgroep hoge eisen aan zichzelf. Dat is op andere plekken in de zorg ook op die manier geregeld. Er is sprake van geregistreerde beroepen en een beroepscode. Als je bent aangesloten en geregistreerd, moet je aan bepaalde standaarden voldoen. Ik vind dat de standaarden van de beroepsgroep voor het afgeven van de verklaringen te laag liggen. Dat is precies de reden waarom wij met de beroepsgroep om de tafel zitten en zeggen: het is toch ook in strijd met jullie beroepseer als je ziet hoe gemakkelijk dit gebeurt? Het strookt totaal niet meer met de aantallen leerlingen die je op basis van wetenschappelijk onderzoek zou mogen verwachten. Ik ben zelf hoopvol dat wij met de beroepsgroep om de tafel kunnen gaan zitten om die richtlijn «op te hogen». Dat betekent dat de deskundigen onderling strenger worden. Het betekent ook dat dit houvast biedt aan de inspectie om in te grijpen bij degenen die zich er niet aan houden. Dat is net een iets andere variant dan het keurmerk waar mevrouw Siderius om vraagt. Ik ga uit van een grote mate van zelfregulering, die wel beter en strenger kan dan op dit moment het geval is.

Mevrouw Siderius (SP):

Ik begrijp dat die richtlijnen voor psychologen strenger moeten. Maar hoe kan het dan dat er nog steeds bureautjes zijn waar je niet eens een test hoeft te doen om zo'n verklaring te krijgen? Die kunnen dus blijkbaar gewoon bestaan naast de serieuze bureaus. Ik wil dat daar een einde aan komt. Het moet niet zo zijn dat je als leek kunt zeggen: je hoeft geen test te doen. Of zoals in het artikel in de Volkskrant stond: als je wat d's en t's omdraait heb je je verklarinkje wel binnen en krijg je gewoon extra tijd. Dat kan gewoon niet. Ik ga ervan uit dat geregistreerde psychologen en orthopedagogen ook nog wel een beetje beroepstrots hebben en zich hiervoor niet laten lenen. Het gaat mij om de industrie die ernaast bestaat. Wat gaat de Staatssecretaris daaraan doen?

Staatssecretaris Dekker:

Laat ik een misverstand wegnemen: dyslexieverklaringen mogen alleen worden afgegeven door geregistreerde gz-psychologen en orthopedagogen op post-masterniveau. Dat is niet een gecertificeerde, maar wel geregistreerde beroepsgroep. Het is dus niet zo dat een remedial teacher of u en ik, als wij morgen een andere baan zoeken, maar even dyslexieverklaringen kunnen afgeven. Het zijn in ieder geval op papier mensen die daarvoor gestudeerd en geleerd hebben. Ik heb ook een groot vertrouwen in hen. Toch zie ik het misgaan. Ik sluit helemaal niet uit dat er ook beunhazen tussen zitten. Ik wil dat die worden aangepakt, maar in de systematiek en de sturingsfilosofie zoals wij die in de zorg kennen, ligt er een heel grote rol voor de beroepsgroep zelf. Dat is de reden waarom wij met de beroepsgroep aan tafel zitten en zeggen: stel nu betere richtlijnen op voor de manier waarop je indiceert en vaststelt of een leerling dyslexie heeft, dan wel dat er sprake is van taalachterstand. Ook voor de behandeling en voor de manier waarop je daarmee in de klas omgaat, maakt het uit of het het een of het ander is. Dan stel je niet alleen een indicatie, maar kun je ook een advies geven aan de school en aan ouders over wat zij zouden kunnen doen om samen met hun kinderen goed te oefenen. Ik geloof dat de heer Van Meenen daar een vraag over stelde. Dyslexie is iets wat voor een deel met oefenen en hulp kan worden ondervangen. Hoe eerder je erbij bent, hoe beter het is. Het is echter wel een vak en ik wil dat er een goede, deskundige indicatie wordt gesteld. Ik zie nu op basis van cijfers dat de aantallen gevallen waarin dit gebeurt, niet stroken met de aantallen waarover wij het in Nederland gemiddeld genomen zouden moeten hebben. Daarover zijn ook psychologen het eens.

De voorzitter:

De Staatssecretaris hervat de beantwoording.

Staatssecretaris Dekker:

De heer Van Meenen vroeg of we willen kijken naar de onderwijsmethodes. Hij heeft dat onderwerp zelf een aantal jaren geleden aangezwengeld. Ik geloof dat hij daarover een motie heeft ingediend, die toen is aangenomen. SLO heeft toen een onderzoek uitgevoerd naar de invloed van lesmethoden op het voorkomen van dyslexie en dyscalculie. Uit dat onderzoek bleek dat lesmethoden dyslexie niet zozeer kunnen voorkomen. De best voorspellende factor ligt in de kennis en kunde van leerkrachten. Het gaat dan om oefenen en goed taalonderwijs. Ook is het van belang om ervoor te zorgen dat kinderen geen taalachterstanden oplopen. Verder noem ik een goede behandeling van kinderen die wel dyslexie hebben. In de brief van 20 december hebben wij aangegeven dat het daarom belangrijk is dat er faciliteiten en ondersteuning op school beschikbaar zijn. De onderzoekers gaven twee weken geleden aan dat er soms ook didactische oorzaken zijn voor de toename van het aantal dyslexieverklaringen. Ik zal het met hen opnemen om te bezien of wij daar lessen uit kunnen trekken.

De heer Rog stelde een vraag over leerlingen met een normale intelligentie die dyslexie hebben binnen het passend onderwijs. Zij zouden geen ondersteuning krijgen omdat zij te slim zouden zijn. In het AO Passend onderwijs van 29 juni jongstleden hebben wij met elkaar gesproken over hoogbegaafde leerlingen met dyslexie. Deze kinderen kunnen op de basisschool dyslexie vaak nog lange tijd verbergen, omdat zij het eigenlijk compenseren. Dat is doodzonde, want ook van deze leerlingen weten wij: hoe eerder je erbij bent, hoe beter je het kunt aanpakken. Met het Informatiepunt Onderwijs en Talentontwikkeling informeren wij scholen extra over de vraag hoe je bij deze kinderen dyslexie in een vroegtijdige fase kunt detecteren. Daarbij schakelen we ook de hulp van Cito in. Er is tegenwoordig ook op basis van testjes en toetsjes al veel meer mogelijk om geautomatiseerd dyslexie te herkennen. Daar zijn fantastisch mooie programma's voor beschikbaar. Je ziet dan dat er structureel dezelfde foutjes worden gemaakt, die niet onmiddellijk opvallen als een leerkracht iets nakijkt. Op basis van het analyseren van grote hoeveelheden data komen die foutjes er plotseling wel uit. Naast het goed voorlichten van goede leerkrachten in het basisonderwijs is dat een andere route die wij inslaan, om te bezien of wij dyslexie eerder kunnen detecteren.

De heer Rog vroeg ook naar de beschikbaarheid van leermiddelen. Ik ken de brief van Balans niet. Ik zal met Balans om de tafel gaan zitten om te bezien wat er precies speelt. Ik weet wel dat Dedicon heel veel leermiddelen heeft gedigitaliseerd. Deze leermiddelen zijn goed beschikbaar voor scholen en vinden daar gretig aftrek.

De heer Van Meenen vroeg naar de Sint Maartenschool. Ik ben daar vorige week langs geweest. Mijn ambtenaren zijn daar al eerder langs geweest. De Sint Maartenschool is een speciale school voor leerlingen met meervoudige beperkingen en leerlingen die langdurig ziek zijn. Zelf was ik onder de indruk van die school, ook omdat het weer net een andere school is dan veel andere scholen. Kinderen die naar een tyltylschool gaan hebben vaak een zware behandeling nodig. Dit soort kinderen zat ook op deze school, maar er was sprake van een soort wisselende populatie. Er waren ook kinderen die lang in het reguliere onderwijs hadden gezeten, daar vastliepen, maar wellicht op termijn weer terug zouden kunnen. Het is goed om daar een gesprek te hebben gehad. Tegelijkertijd is het een school die in een ingrijpende overgangssituatie zit. In antwoord op vragen die de heer Roemer heeft gesteld, ben ik vanochtend vrij uitvoerig schriftelijk op een en ander ingegaan. Wij zijn bij deze school betrokken en daar zal een aantal dingen veranderen. Ik ben het er helemaal mee eens dat de kinderen daarvan niet de dupe mogen worden en niet tussen wal en schip mogen vallen. Wij zijn druk bezig om goede zorg, goed onderwijs en de betaling daarvan aan elkaar te koppelen. Ik heb er goed vertrouwen in dat wij, als iedereen een stapje extra zet, erin zullen slagen om voor alle kinderen in goed passend onderwijs en in goede passende zorg te voorzien.

De heer Rog (CDA):

Ik heb nog een vraag over die dyslexieverklaring. De Staatssecretaris zegt dat niet zomaar iedereen die verklaring mag afgeven en dat er dus wel degelijk minimale standaarden zijn. Bij mijn weten is er echter niet een vaste vorm van toetsing of een gevalideerde methode die een professional moet toepassen om wel of niet tot zo'n verklaring te komen. Is de Staatssecretaris het met mij eens dat die er wel zou moeten komen en is hij bereid om toe te zeggen dat hij daaraan gaat werken?

Staatssecretaris Dekker:

Dat moeten we altijd samen doen met de verstrekker van de verklaring. De beroepsgroep heeft overigens erkend dat het afgeven van verklaringen ook wel aanpassing behoeft en dat men eigenlijk meer van een soort diagnostiek zou kunnen uitgaan. Daarbij zou je een aantal stappen kunnen volgen. Zij zijn de experts en zouden dus in mijn ogen moeten aangeven welke stappen zouden moeten worden gezet om zo valide en betrouwbaar mogelijk een goede indicatie voor deze kinderen te kunnen geven. Maar dat het iets minder gemakkelijk en vrijblijvend moet zijn dan nu het geval is, is wat mij betreft wel evident.

De heer Rog (CDA):

Ik ben blij dat de Staatssecretaris dat ook zo ziet. Wat mij betreft voorkomen wij een motie op dit punt als de Staatssecretaris toezegt aan de beroepsgroep te vragen om te komen tot zo'n format en de Kamer daarover binnen een redelijke termijn te informeren. Dan kan het gewoon worden geregeld. Ik ben het met de Staatssecretaris eens dat het belangrijker is dat de beroepsgroep daar zelf toe komt dan dat wij dit hier precies voorschrijven. Zij zijn immers de professionals.

Staatssecretaris Dekker:

Dat wil ik graag toezeggen. Misschien is het sowieso goed dat ik persoonlijk met de vertegenwoordigers van de beroepsgroep om de tafel ga zitten, om met hen duidelijke afspraken te maken over de vraag hoe zo'n traject eruit kan zien. Ik vind het zorgelijk. Het opstellen van zo'n richtlijn kost tijd, maar moet in mijn ogen geen eeuwigheid duren. Mevrouw Siderius gaf al aan dat ook gemeenten in de knel raken en met dit soort verklaringen worden geconfronteerd. Ouders zeggen: mijn kind heeft een verklaring en dus wil ik graag extra ondersteuning hebben. Ik deel dus de urgentie. Ik zal het gesprek aangaan en ik zal de Kamer voor de zomer laten weten wat daarvan de uitkomst is.

De voorzitter:

Mevrouw Siderius heeft een vraag die niet is beantwoord.

Mevrouw Siderius (SP):

Die vraag betreft het artikel van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap. UWV vergoedt ondersteuning bij dyslexie niet aan scholen. Ik weet niet of de Staatssecretaris dit precies op het netvlies heeft, maar ik zou daar nog graag antwoord op willen hebben.

De voorzitter:

U refereert aan de brief van Balans die de Staatssecretaris heeft gekregen via mevrouw Ypma?

Mevrouw Siderius (SP):

Ja, maar ik heb het uitgelegd, en de vraag is natuurlijk: gaat de Staatssecretaris iets doen?

De voorzitter:

Het gaat erom dat wij helder hebben waarover het gaat. Het woord is aan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Dekker:

Ik ken de brief niet in detail. Ik moet er echt even in duiken. Ik zeg in ieder geval toe dat ik het gesprek met Balans zal aangaan. Wat ik kan doen, is schriftelijk rapporteren over wat er precies speelt en wat wij daaraan kunnen doen.

De heer Van Meenen (D66):

Nog even over de Sint Maartenschool. Ik dank de Staatssecretaris voor zijn betekenisvolle woorden dat hij ervoor zal zorgen dat de leerlingen niet tussen wal en schip zullen raken. Ik waardeer wat hij doet om een en ander lokaal tot een oplossing te brengen. Ik vraag hem of hij de Kamer actief kan informeren over de voortgang. Dit is wel een dossier dat niet pas over drie of vier maanden bij ons kan terugkomen. Als het hier moet terugkomen, dan moet het ook snel.

Staatssecretaris Dekker:

Ja, dat kan ik wel doen. Ik moet even bezien wat daarvoor een geëigend moment is. Wij hebben hulp aangeboden. De school heeft gezegd: laat ons nu eerst even een goed plan maken. Dat moet de school doen met het samenwerkingsverband en een aantal van de grote gemeenten waar deze kinderen wonen, ook omdat gemeenten en zorgverzekeraars voor een deel aan de lat staan om het zorgdeel te bekostigen. Als er een geëigend moment is waarop ik een tussenstand kan geven, zal ik de Kamer daarover schriftelijk informeren.

De voorzitter:

Prima. Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de beantwoording van de Staatssecretaris in de eerste termijn. Ik stel vast dat er behoefte is aan een korte tweede termijn.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Voorzitter. Als bevoegde docenten maatschappijleer dragen de heer Rog en ik eraan bij dat er te weinig docenten maatschappijleer zijn. Ook mevrouw Wolbert is bevoegd, trouwens. Ik ben het zeer eens met de opmerkingen die de Staatssecretaris daarover heeft gemaakt. Ik wil het kabinet hartelijk danken voor de brede beantwoording. Ik denk dat het goed is dat de burgerschapsopdracht verder gaat en dat daarin tempo wordt gemaakt. Er is echt behoefte aan vanuit het veld. Ook de inspectie constateert dat en roept de overheid op om duidelijkheid te scheppen over wat de samenleving van scholen verwacht. Ik denk dat het goed is dat wij dat ook doen. Dat geldt ook voor de seksuele diversiteit en de seksuele vorming. De Minister is daarop uitgebreid ingegaan. Ik ben het zeer met haar eens. Ik maak mij hier nog steeds ernstig zorgen over. Ik hoop echt dat dit nog meer structureel in het onderwijs aan de orde komt, waarbij aandacht wordt besteed aan kennis over je lichaam, over gevoelens, over je mening, over autonomie en normen en waarden. Ook moet aandacht worden besteed aan wensen en aan het stellen van grenzen. Dat is essentieel voor de komende generatie, waarbij de sociale media zeker aan de orde moeten komen.

Tot slot ga ik in op dyslexie. Het is goed dat wij voor de zomer dat onderzoek krijgen toegestuurd en dat wij een duidelijke beantwoording krijgen van de vraag over de post-master. Het gaat erom dat men geregistreerd moet zijn. Dat is echt een vooruitgang.

Dan rest mij nu om de Minister en Staatssecretaris zeer te bedanken voor de samenwerking in de afgelopen periode. Ik kijk uit naar de samenwerking in de komende periode.

De heer Bisschop (SGP):

In welk verband dan ook.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Als Tweede Kamerlid natuurlijk, als collega van u mijnheer Bisschop.

De heer Bisschop (SGP):

Daar zie ik ook naar uit.

Voorzitter. Ik dank de Staatssecretaris en de Minister voor de beantwoording. Ik sluit mij graag aan bij de waarderende woorden van collega's voor de beide bewindspersonen, voor de doorgaans prettige wijze waarop wij van gedachten konden wisselen en af en toe zaken konden doen. Ik heb dat zeer gewaardeerd.

Ten aanzien van de burgerschapsvorming blijven we de vinger aan de pols houden. Ik ben goeddeels gerustgesteld door de woorden van de zijde van het kabinet. Ik vind het wel een aangelegen punt dat er, behalve dat er een speelveld en kaders en spelregels zijn, ook ruimte blijft voor de eigen invulling. Ik heb beide bewindspersonen nadrukkelijk horen onderstrepen dat die ruimte er blijft. Er is natuurlijk altijd sprake van een morele afweging en van keuzes die mensen maken. Daarin verschillen wij nu eenmaal. Daarvoor hebben wij democratie. Diversiteit is van belang, mits daarmee wordt omgegaan binnen de kaders van respect en gelijkwaardigheid.

Dank dus voor de beantwoording; ik heb geen aanvullende vragen.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Ik wil slechts mijn dank uitspreken aan de bewindspersonen voor bijna vierenhalf jaar van mooie samenwerking. Het waren soms roerige tijden, maar hoewel wij het soms flink oneens waren met elkaar, heb ik altijd gevoeld dat iedereen hier aan tafel, inclusief de bewindspersonen, altijd het beste voor het onderwijs en voor onze kinderen hebben gewild. Wij denken daar nu eenmaal verschillend over. Dat geeft helemaal niet, want de politiek bestaat om dat soort verschillen van mening op een fatsoenlijke manier met elkaar te bespreken. Dat hebben wij hier volgens mij altijd gedaan. Wij hebben de inhoudelijke verschillen van mening ver weg kunnen houden van de persoonlijke relaties. Dat is buitengewoon prettig en daar wordt uiteindelijk iedereen alleen maar beter van. Zelfs de inspecteur-generaal van het basisonderwijs zegt op Twitter dat wij de beste onderwijscommissie «ever» zijn. Hij kan het weten. Dat beschouw ik als een groot compliment. Ik weet niet of hij dat in opdracht van de Staatssecretaris zegt, maar hoe dan ook, mijn dank. Het ga u allen goed, waar dan ook. Velen zullen wij hier weer terugzien, hoop ik.

Mevrouw Siderius (SP):

Voorzitter. Ik heb toch nog een vraag over dyslexie. Het onderzoek komt voor de zomer, maar ik vind het belangrijk dat er voor de zomer ook een beslissing wordt genomen over de vraag hoe wij nu verder gaan. Ik heb het dan ook over de kwestie-UWV en de ondersteuning bij dyslexie. Het gaat erom dat het in het nieuwe schooljaar nog goed kan worden geregeld. Dan kunnen wij vanaf dat schooljaar hopelijk het aantal verklaringen een beetje indammen, maar ook ervoor zorgen dat kinderen de juiste ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. Is dat mogelijk? Ik zal er zelf niet meer bij betrokken zijn, maar het zou fijn zijn als dit zou kunnen.

Ik kan niet heen om de mooie woorden van de heer Van Meenen. Dank voor de samenwerking en veel succes allemaal.

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. Ook mijn dank voor de bewindspersonen en de ambtelijke ondersteuning is groot. Zij proberen altijd weer heel veel vragen van ons van een goed antwoord te voorzien. Ik heb het in ieder geval met heel veel plezier gedaan. De onderwijswereld is een fantastisch mooie en interessante sector, waar veel veranderingen aan de orde zijn. Wat mij betreft zijn het allemaal veranderingen ten goede. Wij zijn echt bezig met het onderwijs voor de kinderen van morgen. Dat vind ik heel belangrijk.

Ik heb nog twee punten naar aanleiding van het algemeen overleg van vandaag. Het eerste betreft de invulling van het burgerschap. De Staatssecretaris gaf al aan dat hij daaraan prioriteit wil geven. Ik vraag hem, om dat nog een keer te bevestigen. Wat ons betreft moeten wij dat echt voortvarend oppakken. Als ik de verkiezingsprogramma's van de verschillende partijen hier aan tafel zie, lijkt het mij dat daar brede steun voor kan zijn. Ik denk dat wij niet over een jaar nog steeds in dezelfde discussie moeten zitten over de nadere vormgeving.

Hetzelfde geldt voor sociale veiligheid en seksuele vorming. Daarover hebben wij het gehad met de Minister. Ik geef haar het voordeel van de twijfel dat zij de nulmeting van de inspectie als basis gebruikt en dat wij, als onze opvolgers hier over twee jaar over praten, echt vooruitgang hebben geboekt en dat het ook hardgemaakt kan worden.

Seksueel grensoverschrijdend gedrag zit nu niet echt als indicator in het beoordelen van sociale veiligheid op scholen door de inspectie. Wat mij betreft moet het wel echt onderdeel daarvan zijn. Het gaat niet alleen om pesten, om incidenten en aangiftes. Het gaat ook over dit soort zaken. Die moeten niet onder de pet worden gehouden en niet worden gebagatelliseerd. Deze zaken moeten bespreekbaar worden gemaakt op school. Dat is een belangrijk onderdeel van sociale veiligheid.

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Ik heb in de eerste termijn mijn waarderende woorden uitgesproken over de samenwerking met de bewindslieden. Hun beantwoording in eerste termijn geeft mij geen aanleiding om daarop terug te komen.

Ik heb slechts één vraag, en die is gericht aan de Minister. Zij heeft op mijn vraag over de bevoegdheid in het mbo geantwoord dat zij deze kwestie onderwerp van gesprek zal maken in het netwerk burgerschap. Mijn vraag is: kan ik dit waarderen als een toezegging, waarop de Minister schriftelijk bij de Kamer zal terugkomen? Dat zou ik prettig vinden. Het voorkomt dat ik ineens een spelbreker zou moeten zijn door een VAO aan te vragen. Dat lijkt mij buitengewoon onwenselijk. Ik ga er maar even vanuit dat het antwoord van de Minister bevestigend zal zijn.

Daarmee heb ik mijn tweede termijn gehad. Ik wil graag ook de voorzitter en de griffier bedanken voor hun werk voor deze commissie in de afgelopen vier jaar.

De voorzitter:

Dat hebben we met liefde gedaan, zeg ik maar even namens ons beiden.

Minister Bussemaker:

Voorzitter. Mij rest een antwoord te geven op de vraag van mevrouw Straus over seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat is onderdeel van de sociale veiligheid. Het gebeurt nu al. De inspectie ziet daarop toe. Een school is veilig als de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen niet door gedrag van anderen wordt aangetast. Dat betekent dat seksueel grensoverschrijdend gedrag daar niet in past. Het kan misschien altijd nog beter, maar de inspectie ziet erop toe.

In antwoord op de vraag van de heer Rog over de bevoegdheid zeg ik dat ik dit onderwerp inderdaad ga bepreken met het netwerk burgerschap in het mbo. Ik zeg toe dat ik de Kamer zal berichten over wat daaruit komt. Ik wil het zelfs nog wel breder trekken en de Kamer toezeggen dat ik haar op de hoogte houd van de vorderingen van het netwerk burgerschap mbo. Daarin zal ik deze vraag meenemen. Ik verbreed het dus iets en zeg toe de Kamer te zullen informeren over de stappen die wij daarin zetten.

Ik dank nogmaals de leden van de commissie, de voorzitter en de griffier. Ik zeg erbij dat ik hoop dat ik een deel van u ook na de verkiezingen gewoon terugzie. Wat ons betreft zijn er heel veel zaken die nog steeds best urgent zijn en waarvan het naar mijn idee jammer en ook niet nodig zou zijn als die heel lang stil zouden liggen. Ik weet dat mevrouw Siderius en mevrouw Straus in ieder geval niet terugkomen, maar van anderen hoop ik dat wij elkaar weer zien.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Bij die laatste woorden sluit ik me graag aan.

Mevrouw Siderius stelde een vraag over dyslexie. Ik kan in ieder geval voor de zomer het gesprek aangaan over de kwestie rond de brief van Balans en UWV die zij aankaartte. Het hangt af van de vraag wat er precies speelt op welke termijn wij een oplossing kunnen vinden en of er daadwerkelijk van een probleem sprake is. Wat ik in ieder geval kan doen, is de Kamer daarover voor de zomer informeren. Ook zal ik de Kamer informeren over het gesprek dat ik met de beroepsgroep zal hebben over het opstellen van duidelijkere richtlijnen. Mocht de nieuwe Kamer daaraan behoefte hebben, dan is er voor de zomer gelegenheid om daarover door te praten.

Mevrouw Straus vroeg of we prioriteit blijven geven aan de volgende stappen rondom burgerschap. Ik zie dit als een belangrijk AO, waardoor in ieder geval wij het gevoel hebben dat er brede steun is om nu heel snel aan de slag te gaan met de aanscherping en de verduidelijking van de wettelijke burgerschapsopdracht. Dat gaan we dus in gang zetten. Wat het curriculum betreft weet ik dat heel veel school- en onderwijsorganisaties in de startblokken staan. Ik hoop op groen licht zodra de Kamer eind maart, begin april komt te spreken over het hele proces van curriculumherziening. Wat mij betreft zetten we er dan ook tempo achter.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Hiermee zijn we gekomen aan het einde van dit algemeen overleg. De toezeggingen luiden als volgt.

  • Het onderzoek naar de variatie tussen scholen en regio's met betrekking tot de verschillende percentages leerlingen met dyslexie komt rond de zomer naar de Kamer.

  • De Minister zal de Kamer informeren over de voortgang van de activiteiten van het netwerk burgerschap en over de richtlijnen rond de bevoegdheid.

  • De Staatssecretaris zal de Kamer voor de zomer informeren over de inzet van digitale leermiddelen.

  • De Staatssecretaris zal de Kamer voor de zomer informeren over de uitkomsten van het gesprek met de pedagogen en psychologen over de beroepsstandaarden en richtlijnen rond de diagnose van dyslexie en de dyslexieverklaringen die daarop gebaseerd zijn.

Zijn er leden die iets missen?

De heer Van Meenen (D66):

Ik mis de toezegging van de Staatssecretaris om de Kamer op het daartoe gelegen moment te informeren over de voortgang bij de Sint Maartenschool.

De voorzitter:

Ja, de Sint Maartenschool.

Mevrouw Siderius (SP):

Ik heb nog een vraag over de WOOZ in relatie tot artikel 5.2e. Dat artikel gaat over de onderwijsondersteuning bij het UWV en zal in het gesprek met Balans blijkbaar aan de orde komen. Wij krijgen er graag voor de zomer duidelijkheid over of dat artikel wel of niet geschrapt wordt.

De voorzitter:

Dat betreft het stuk over de leermiddelen. Daarmee hebben we alle toezeggingen netjes op een rij.

Ik dank de commissie voor haar inbreng en voor de discussie. Ook dank ik de bewindspersonen en de ambtelijke ondersteuning voor hun bijdrage in dit algemeen overleg, en de mensen op de publieke tribune voor hun belangstelling.

Sluiting 12.52 uur.