Gepubliceerd: 10 december 2012
Indiener(s): Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Maxime Verhagen (CDA)
Onderwerpen: hoger onderwijs onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33356-6.html
ID: 33356-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 10 december 2012

De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van het verslag van het voorbereidend onderzoek door de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De regering is de leden van de VVD-fractie, PvdA-fractie, SP-fractie, CDA-fractie en D66-fractie erkentelijk voor hun inbreng. Het doet de regering genoegen dat deze leden van de SP-fractie, CDA-fractie en D66-fractie zich volledig in het voorstel kunnen vinden en derhalve geen nadere vagen of inbreng hebben. Ook de leden van de VVD-fractie en de PvdA-fractie hebben, respectievelijk, met instemming en belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Deze laatste twee fracties hebben nog enkele vragen of opmerkingen.

In deze nota naar aanleiding van het verslag wordt, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, ingegaan op de vragen en opmerkingen in het verslag. Daarbij is de indeling van het verslag als uitgangspunt genomen.

1. Inleiding

Achtergrond en context

De leden van de VVD-fractie stellen dat het voor studenten van het grootste belang is dat zij kunnen vertrouwen op objectieve, feitelijk juiste informatie. Het kiezen van een studie is in de ogen van deze leden een belangrijke afweging voor de student, die daarbij moet kunnen vertrouwen op eerlijke en volledige informatie over onder andere het arbeidsmarktperspectief van een studie. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering van mening is dat de huidige vier aanbieders van de opleiding omgangskunde hun voorlichtingsmateriaal nu voldoende hebben aangepast aan de werkelijke baankansen die deze opleiding biedt. De leden van de VVD-fractie vragen dit specifiek voor de opleiding omgangskunde aan de NHL1. Zij vermelden op hun website: «Na uw studie beschikt u over een lesbevoegdheid voor omgangskunde (ook wel aangeduid als tweedegraads bevoegdheid). U kunt hiermee lesgeven in met name het mbo en de volwasseneducatie.»2 Bovendien vermeldt de NHL dat de werkgelegenheid voor docenten momenteel goed is.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering met de leden van mening is dat deze voorlichting onvoldoende aansluit op de in het convenant gemaakte afspraken over eerlijke voorlichting, en dat deze zin onvoldoende duidelijk maakt dat voor toekomstige studenten omgangskunde (die buiten deze overgangsregeling vallen) er alleen een bevoegdheid is als het vak omgangskunde als zodanig op het rooster staat en dat dit maar op een klein aantal scholen het geval is.

Deze leden vragen voorts of de regering met hen van mening is dat de teksten op de site van Hogeschool Leiden, Hogeschool Utrecht en Fontys een eerlijker beeld schetsen en of de regering bereid is de NHL hier op aan te spreken?

De regering heeft geconstateerd dat de vier hogescholen de voorlichting met betrekking tot de bevoegdheid die verbonden is aan de opleiding omgangskunde hebben aangescherpt.

Geen van de hogescholen maakt nog melding van een bevoegdheid voor tien vakken in het praktijkonderwijs of het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo).

Het vak omgangskunde wordt, weliswaar met verschillende benamingen, in het mbo in diverse sectoren gegeven. In het voortgezet onderwijs komt het vak echter niet of nauwelijks voor. In een aantal gevallen werd door de hogescholen in het voorlichtingsmateriaal vermeld dat de opleiding leidt tot een tweedegraads bevoegdheid omgangskunde en daarnaast dat het tweedegraads gebied naast het mbo ook het vmbo en de eerste drie leerjaren van havo/vwo omvat. Dit is formeel correct, maar hierbij werd niet in alle gevallen vermeld dat in de praktijk het vak omgangskunde nauwelijks bestaat in het voortgezet onderwijs en dat afgestudeerden van de lerarenopleiding omgangskunde daarom vrijwel alleen in het mbo aan de slag kunnen als leraar omgangskunde.

De regering is met de leden van de VVD-fractie van mening dat deze teksten onvoldoende aansloten bij de gemaakte afspraken. De regering heeft de hogescholen hier een aantal malen op aangesproken en zij hebben hun voorlichtingsmateriaal op dit punt gecontroleerd en aangepast. Ook de website van de NHL Hogeschool is inmiddels op dit punt aangepast.

Wat betreft de werkgelegenheid heeft de regering geen indicaties dat de tekst op de website van de NHL een verkeerd beeld geeft over het algemene arbeidsperspectief van afgestudeerden aan die opleiding. De studentenpopulatie van de lerarenopleiding omgangskunde van de NHL Hogeschool wijkt af van die van de andere drie hogescholen. De opleiding van de NHL Hogeschool kent alleen studenten die de opleiding in deeltijd of als kopopleiding doen. De ervaring van de hogeschool is dat studenten die de opleiding bij hen doen vaak al een baan hebben (meestal in het mbo). Deze studenten doen de opleiding veelal om daarmee een bevoegdheid te halen zodat ze een vaste aanstelling kunnen krijgen. Ook de studenten die nog geen baan hebben, vinden deze volgens de hogeschool over het algemeen vrij snel na de studie.

De regering is wel van mening dat in zijn algemeenheid de voorlichting van hogescholen over het arbeidsperspectief van afgestudeerden nog verder verbeterd kan en moet worden.

In dit kader biedt de regering daarom ook ondersteuning aan het pilotproject van een aantal hogescholen voor de ontwikkeling van een Studiebijsluiter waarin ook aandacht is voor het arbeidsperspectief. De regering geeft hiermee invulling aan de motie van het Lid Lucas over de voorlichting aan studenten (Kamerstukken II 2011/12, 31 288, nr. 245). Dit project moet uiterlijk in 2014 leiden tot een landelijke invoering van de Studiebijsluiter.

De leden van de VVD-fractie vinden dat er een verschil is tussen de Hogeschool Utrecht en de andere drie hogescholen qua verantwoordelijkheid. Voor de andere drie hogescholen is de uitzonderingspositie die de Hogeschool Utrecht tot 2006 had er überhaupt niet geweest en zij hebben dus zeker hun studenten foutief voorgelicht over de bekwaamheid waartoe de opleiding zou leiden. De leden vragen of de regering deze drie hogescholen hier op heeft aangesproken.

De regering heeft alle betrokken hogescholen aangesproken op hun verantwoordelijkheid om goede voorlichting te geven. De Hogeschool Utrecht heeft inderdaad een iets andere uitgangspositie en dit is in de gesprekken met de hogescholen ook als zodanig benoemd, maar ook voor deze hogeschool geldt dat de voorlichting vanaf 2006 niet in lijn was met de daadwerkelijke benoembaarheid die aan het getuigschrift van de lerarenopleiding omgangskunde was verbonden.

Bovendien is het resultaat voor de studenten van de vier hogescholen hetzelfde; zij zijn allen met verkeerde arbeidsperspectieven aan de opleiding begonnen. Bij het zoeken van een oplossing voor de studenten en alumni aan de opleidingen omgangskunde is daarom geen onderscheid gemaakt tussen de Hogeschool Utrecht en de andere drie hogescholen.

De leden van de VVD-fractie hebben voorts een vraag over de HBO Bachelor Lerarenopleiding omgangskunde die door de private aanbieder NCOI3 wordt aangeboden. Zij vragen of deze opleiding nieuw is, en of hier ook studenten zijn die al aan de opleiding begonnen zijn of hem al afgerond hebben, die in de veronderstelling waren dat deze opleiding hen een bredere bevoegdheid zou geven. Zo ja, waarom is deze opleiding dan niet bij het convenant betrokken, zo vragen de leden.

NCOI is sinds het collegejaar 2012/2013 begonnen met een lerarenopleiding omgangskunde. De opleiding die NCOI verzorgt is een particuliere opleiding die op dit moment niet geaccrediteerd is. NCOI heeft in mei van dit jaar een aanvraag voor accreditatie ingediend bij de Nederlands-Vlaamse Accrediatie Organisatie (NVAO). Het traject voor accreditatie van deze opleiding loopt op dit moment nog. In dit collegejaar volgen drie studenten de opleiding bij NCOI.

Omdat de opleiding nieuw is, speelt de problematiek met de brede bevoegdheid voor het praktijkonderwijs en het lwoo niet bij de opleiding van NCOI. Zij zijn om deze reden dan ook niet betrokken bij het convenant dat in maart 2012 is gesloten tussen de toenmalige staatssecretaris van onderwijs en de vier andere hogescholen.

Dit neemt niet weg dat ook NCOI correcte voorlichting moet geven. Ook op de website van NCOI was een algemene tekst opgenomen over de tweedegraads bevoegdheid waarbij niet expliciet was vermeld dat het vak omgangskunde in de praktijk vrijwel alleen bestaat op het mbo. De regering heeft NCOI hierop aangesproken en NCOI heeft de formulering op haar website inmiddels aangepast.

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke manier de instellingen die studenten verkeerd hebben voorgelicht de consequenties daarvan ondervinden. Alleen de kosten voor bijscholing dragen lijkt een lichte «straf» voor de situatie waarin de studenten zich nu bevinden, aldus de leden.

De regeling richt zich niet op de hogescholen, maar is bedoeld om een oplossing te bieden voor de betrokken studenten. De commotie die is ontstaan rond de bevoegdheid heeft wel gevolgen voor de betrokken hogescholen en deze gevolgen beperken zich niet tot het kosteloos aanbieden van de aanvullende leergang. De hogescholen die de opleiding omgangskunde verzorgen hebben sinds dit collegejaar alle vier te maken gehad met een flinke daling van de instroom voor deze opleiding (-30% tot -60%). Dit heeft voor de betrokken opleidingen flinke organisatorische en personele consequenties.

Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie of er voldoende vraag is naar afgestudeerde omgangskundigen in het praktijkonderwijs. Of, zo vragen deze leden, worden zij hier blij gemaakt met een baan waarop zij vrijwel geen kans maken.

Leraren omgangskunde worden niet alleen aangesteld in het praktijkonderwijs of voor onderwijs aan lwoo-geïndiceerde leerlingen. Ook heeft niet ieder student aan de opleiding omgangskunde de ambitie om in dit specifieke onderwijsgebied werkzaam te zijn. Leraren omgangskunde kunnen als leraar worden ingezet in het mbo, maar zijn daarnaast door hun brede bekwaamheid ook inzetbaar voor allerlei andere functies in het onderwijs en daarbuiten, zoals decaan, coach of opleidingscöordinator.

Het Landelijk Platform Praktijkonderwijs heeft aangegeven dat afgestudeerden die de aanvullende leergang voor het praktijkonderwijs en het lwoo hebben gevolgd, een waardevolle aanvulling zijn voor het praktijkonderwijs. Uit onderzoek van het platform blijkt bovendien dat 35% van de scholen voor praktijkonderwijs nu al gemiddeld 2,4 omgangskundigen in dienst heeft. Een deel van de leraren omgangskunde zal naar verwachting dan ook een baan vinden in het praktijkonderwijs. Een ander deel zal een baan vinden in het leerweg ondersteunend onderwijs, als leraar in het mbo of in een andere functie.

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat in de brief van de staatssecretaris van 8 februari 2012, is gesteld dat hogescholen een oplossing moeten vinden die recht doet aan de verwachtingen die (...) bij de student zijn gewekt. De leden van de PvdA-fractie vragen of dit betekent dat er naast de nu voorgestelde aanvullende scholing meer gedaan moet worden en zo ja, wat dan.

De hogescholen hebben in het algemeen een verantwoordelijkheid om studenten correct voor te lichten over de opleiding. Dit geldt onder andere voor het arbeidsperspectief en de aan de opleiding verbonden bevoegdheid. Als de voorlichting aantoonbaar niet correct is geweest, heeft de hogeschool ook de verantwoordelijkheid om in overleg met de student een oplossing te zoeken voor mogelijke nadeel dat de student hiervan ondervindt. Gezien de grote schaal en lange duur van de verkeerde voorlichting is door middel van het convenant een algemene oplossing gecreëerd. Hiermee wordt alsnog de mogelijkheid aan studenten en alumni geboden om de bevoegdheid te verwerven die in de voorlichting was vermeld. Met de afspraken in het convenant wordt in zijn algemeenheid recht gedaan aan de verwachting die bij deze groep studenten is gewekt, terwijl tegelijkertijd recht wordt gedaan aan de vereiste kwaliteit van leraren.

Voor zover deze oplossing in individuele gevallen evident niet voldoet, verwacht de regering dat de hogescholen in overleg met de betrokken student of alumni een oplossing zoeken die recht doet aan de belangen van beide partijen.

2. Inhoud van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom in het aanvullende lespakket voor de overgangsregeling gekozen is alleen voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs een bevoegdheid te verstrekken. De studenten omgangskunde die tussen 2006 en dit studiejaar aan de studie zijn begonnen was immers een nog bredere bevoegdheid beloofd (te weten ook de bevoegdheid om les te geven aan de havo en vwo brugklassen).

De regering heeft onderzoek gedaan naar de voorlichting van de hogescholen. In het voorlichtingsmateriaal van de vier betrokken hogescholen is tot en met 2011 consequent melding gemaakt van een bevoegdheid voor tien vakken in het praktijkonderwijs en het leerweg ondersteunend onderwijs (lwoo). In het convenant is aangesloten bij deze in de voorlichting genoemde bevoegdheid. Er is geen voorlichtingsmateriaal aangetroffen waarin staat dat afgestudeerden als leraar kunnen worden benoemd voor een breed pakket van vakken in havo of vwo brugklassen. In dit kader is het goed te weten dat er ook tot 2006 geen brede bevoegdheid bestond voor leraren omgangskunde voor het lesgeven in een tiental vakken aan de onderbouw havo/vwo.

De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze de betreffende studenten zijn geïnformeerd over de mogelijkheid die hen geboden wordt om een aanvullende leergang te volgen op kosten van de hogeschool en dat zij hier tot 31 augustus 2016 de tijd voor hebben.

De wijze waarop verschillende hogescholen hun studenten en alumni hebben benaderd, verschilt per hogeschool. Alle vier de hogescholen hebben al hun alumni benaderd via brieven of e-mail. In een aantal gevallen zijn alumni die op deze wijze niet bereikt werden, ook nog telefonisch benaderd. Zittende studenten zijn per e-mail, brief of mondeling benaderd. Daarnaast zijn er door de hogescholen informatiebijeenkomsten en spreekuren georganiseerd.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker