Kamerstuk 32123-100

Herkomst kolen NL energiecentrales

Dossier: Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Gepubliceerd: 15 september 2010
Indiener(s): Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA)
Onderwerpen: economie handel ondernemen
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/32123/kst-26485-100?resultIndex=129&sorttype=1&sortorder=4
ID: 32123-100

24,0 %
76,0 %

Verdonk

VVD

SP

PvdD

SGP

PvdA

GL

PVV

D66

CDA

CU


Nr. 100 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 september 2010

Op 29 juni 2010 heeft uw Kamer tijdens het mondelinge vragenuur de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) vragen gesteld naar aanleiding van berichtgeving van Netwerk en een bericht in de Volkskrant over een aantal Nederlandse energiebedrijven die kolen aanschaffen bij bedrijven in Colombia die betrokken zouden zijn bij ernstige schendingen van mensenrechten.

Hierbij bied ik u mede namens de minister van VROM de aan u tijdens het vragenuur van 29 juni 2010 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 92, blz. 7594–7597) toegezegde informatie aan. Dit betreft een nadere toelichting op het kabinetsbeleid maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en de invulling daarvan in dit specifieke geval.

Daarnaast ga ik in op de vragen van:

  • Het lid Jansen (SP) over een overzicht van de voortgang van de onderhandelingen over «non trade concerns en handel» in de WTO;

  • Het lid Koopmans (CDA) over de uitkomsten van het door Clingendael uitgevoerde onderzoek naar de productieomstandigheden van uranium.

  • Het lid Van der Ham (D66) over opname van MVO-vereisten bij het verstrekken van subsidies voor CO2-opslag en

  • Het lid Samsom (PvdA) over de uitvoering van de motie Vendrik

  • (Kamerstuk 32 123 XIII, nr. 38) over de invoering van een CO2-norm voor energiecentrales;

1. Maatschappelijk verantwoord ondernemen/MVO

In een aantal Kamerbrieven (Kamerstuk 26 485 nr. 53 en nr. 62) heb ik u aangegeven dat ik van ieder bedrijf verwacht dat het maatschappelijk verantwoord onderneemt. Dit geldt voor zowel de activiteiten in Nederland als voor de internationale activiteiten. Bedrijven dienen zich in ieder geval te houden aan de wetgeving van het land waar zij hun activiteiten uitoefenen. MVO gaat in veel gevallen echter verder dan bestaande wet- en regelgeving. Ik verwacht daarom van bedrijven dat zij zich houden aan het normatieve kader van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen.

Hoever de verantwoordelijkheid van een individuele onderneming kan reiken, is uiteengezet in het werk van professor John Ruggie, Speciaal Vertegenwoordiger van de VN op het gebied van Bedrijfsleven en Mensenrechten. Het door hem ontwikkelde «Protect, Respect en Remedy» raamwerk geeft een visie op de verantwoordelijkheden van overheid en bedrijfsleven ten aanzien van bescherming van mensenrechten. Hoewel overheden de primaire plicht hebben om mensenrechten te beschermen, hebben bedrijven de verantwoordelijkheid de mensenrechten van alle mensen op wie zij impact hebben te respecteren in de landen waar zij actief zijn. Ik deel deze visie.

Een onderneming heeft dus tot taak om de ethische, sociale en milieuaspecten van haar activiteiten na te gaan en op basis daarvan verantwoorde keuzes te maken ten aanzien van haar doen en laten. Verantwoording vindt plaats in dialoog met belanghebbenden. Daartoe dienen bedrijven de nodige transparantie te betrachten. Hoe zij dit doen, is aan hen. Een door Uw Kamer geopperde – al dan niet sectoraal – opgezette website is daarbij één van de mogelijkheden.

Het opnemen van MVO in de bedrijfsvoering is niet altijd eenvoudig. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is maatwerk; de meest efficiënte oplossingen kunnen worden gevonden wanneer bedrijven zelf invulling geven aan hun verantwoordelijkheid.

In de loop der jaren zijn er, grotendeels in samenwerking met overheden en maatschappelijke organisaties, hulpmiddelen voor deze invulling ontwikkeld zoals Global Compact, het Global Reporting Initiative, de «Voluntary Principles on Security and Human Rights», ISO 26 000 en methodieken voor het doen van «due diligence» op het vlak van milieu en mensenrechten, zoals de OESO «Risk Awareness Tool for Multinational Enterprises in Weak Governance Zones».

Het generiek voorschrijven van de toepassing van één van de genoemde hulpmiddelen past niet bij de aard en het contextgebonden karakter van MVO. Het kabinet heeft daarom in zijn brief over ketenverantwoordelijkheid (TK stuk 26 485 nr. 62) aangegeven het initiatief van de sociale partners in de SER om zelf invulling te geven aan ketenverantwoordelijkheid (Internationaal MVO initiatief) een goede zaak te vinden. Dit initiatief zal in 2012 worden geëvalueerd.

Waar nodig en mogelijk is de Nederlandse overheid bereid om initiatieven van het bedrijfsleven te ondersteunen. Zo werkt de Nederlandse ambassade in Bogotá aan projecten gericht op implementatie van de «Voluntary Principles on Security and Human Rights» met als inzet te komen tot opname van de bestaande «code of conduct» in contractsvoorwaarden tussen afnemers en leveranciers van delfstoffen.

Voor het door de Kamer in het vragenuur aangekaarte vraagstuk betekent dit dat ik het betrokken Nederlandse bedrijfsleven in gesprekken, waar nodig, blijf wijzen op hun verantwoordelijkheden op het terrein van MVO. Daarnaast bestaan er mijns inziens ook nog andere mogelijkheden voor betrokken private partijen om het bedrijfsleven aan te spreken op hun verantwoordelijkheden, zo niet rechtstreeks dan wel via een melding bij het door de overheid ingestelde Nationaal Contactpunt voor de OESO Richtlijnen (NCP).

Op grond van bijgevoegde aan mij gerichte brief van 1 september 2010 van EnergieNed ga ik er vanuit dat de elektriciteitsbedrijven en de betrokken maatschappelijke organisaties het pad hebben gevonden tot een constructieve dialoog over verantwoorde winning van en handel in steenkool.

Een van de eerste onderwerpen van deze dialoog is het verbeteren van de transparantie van de herkomst van de gebruikte kolen, zo hebben de electriciteitsbedrijven mij in aanvulling op hun schrijven laten weten.

Hiermee hoop ik tevens antwoord te hebben gegeven op de vragen van lid Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) over transparantie over de herkomst van kolen.1

2. Antwoord op vragen

Voortgang «non trade concerns/NTCs» in de WTO

Het lid Jansen (SP) heeft gevraagd om een overzicht van de voortgang van de onderhandelingen over de «non trade concerns en handel» in de WTO. Uw Kamer heeft op 6 mei 2009 de kabinetsvisie «non-trade concerns/NTCs» en handelsbeleid: verduurzaming van productiemethoden en – processen wereldwijd ontvangen (TK 26 485 nr. 68). Daarin heeft het kabinet een driesporenbeleid uiteengezet voor de aanpak van duurzaamheidsvraagstukken in relatie tot handel. Hieruit komt naar voren dat de aanpak van NTCs maatwerk vereist en dat een «one size fits all» benadering niet mogelijk is.

In de WTO wordt in verschillende fora over NTCs gesproken. In de huidige WTO Doha ronde is onvoldoende draagvlak voor bespreking van NTCs in WTO-kader. Nederland blijft zich echter inzetten om NTC’s een plek te geven op de WTO-agenda.

Ook buiten de WTO zet het kabinet zich in, veelal samen met de Europese Unie, om «non-trade concerns» in handelsrelaties met andere landen te adresseren. Zo worden in alle vrijhandels- en associatieakkoorden – inclusief de Economic Partnership Agreements (EPAs) met ACS-landen – afspraken gemaakt over duurzame ontwikkeling. Nederland zet zich in voor opname van een sterk duurzaamheidshoofdstuk in deze akkoorden, waarin partijen zich committeren aan afspraken over onder andere arbeidsrechten en milieu. De verdragspartijen maken hierbij ook afspraken om milieu- en arbeidsstandaarden niet te verlagen ten behoeve van het aantrekken van handel en investeringen, om een «race to the bottom» te vermijden. Het kabinet vindt het daarnaast van groot belang dat ook het maatschappelijk middenveld in de betrokken landen kan meepraten over de naleving van de afspraken.

De EU geeft verder unilateraal via het Algemeen Preferentieel Systeem (APS) extra preferenties aan ontwikkelingslanden die zich inzetten voor implementatie en naleving van verdragen op terrein van mensenrechten, arbeidsrechten, milieubescherming en goed bestuur.

Onderzoek productieomstandigheden uraniumwinning

Het lid Koopmans (CDA) vroeg naar de uitkomsten van het door Clingendael uitgevoerde onderzoek naar de productieomstandigheden van uranium.

In 2006 heeft VROM een aantal studies laten uitvoeren naar de verschillende veiligheid- en milieuaspecten in de verschillende fasen van het splijtstofcyclus. CIEP (Clingendael International Energy Programme) heeft een studie uitgevoerd naar uraniumwinning. De resultaten van de studie zijn opgenomen in een rapport dat specifiek ingaat op de mogelijke milieu- en gezondheidsproblemen bij uraniumwinning en op het aspect voorzieningszekerheid. In de studie zijn geen sociale aspecten van uraniumwinning onderzocht.

Uit het rapport kan worden geconcludeerd dat milieubelasting gerelateerd aan de winning en verwerking van uranium mede bepaald wordt door de toegepaste vorm van uraniumwinning, en gedomineerd wordt door het beheer van de tailings en van de mijn, tijdens de exploitatie en na de sluiting van de mijn. De belasting van het milieu houdt voornamelijk verband met de radonemissies naar de lucht en emissies van zware metalen naar water en bodem.

Vanwege verschillen in management van tailings en mijnen valt in de praktijk een enorme spreiding in de aan mijnbouw en extractie van uranium gerelateerde milieubelasting te constateren. Niet goed beheerde tailingreservoirs hebben een risico om een aanzienlijke hoeveelheid radioactiviteit te emitteren. In principe is het mogelijk de milieubelasting te minimaliseren tot een niveau van natuurlijke emissies van radon uit de bodem door een goede afdichting van de reservoirs.

Er bestaan ook verschillen in de milieueffecten als gevolg van de verschillende vormen van mijnbouw: dagbouw, ondergrondse mijnbouw en oplossingmijnbouw. Bij oplossingsmijnbouw met een goede nazorg, na beëindiging van de activiteit zijn de milieueffecten en daarmee de gezondheidseffecten het kleinst.

De stralingbelasting die de mijnwerknemers ondervinden hangt af van de wijze van winning en kan sterk variëren tussen de verschillende mijnen. Uit de gerapporteerde gemeten jaarlijkse doses blijkt dat de werknemers een hoge jaarlijkse individuele dosis ondervinden, die echter beneden de jaarlimiet voor blootgestelde werkers blijft. Overzichten van de doses worden door de Nuclear Energy Agency (NEA) gepubliceerd.

Conclusie van het rapport is dat er verschillende vormen van uraniumwinning zijn die tot verschillende milieuverontreinigingen leiden. In het rapport wordt verder opgemerkt dat uraniumwinning buiten Nederland plaatsvindt, waardoor de milieu- en gezondheidseffecten hiervan elders optreden. EPZ publiceert op haar website waar de uranium die voor de kerncentrale in Borssele gebruikt wordt, gewonnen wordt. De laatste jaren is vaak gebruik gemaakt van uranium uit Kazachstan. Deze mijn beschikt over het ISO 14 001 milieuzorgsysteem.

MVO-vereisten bij CO2-opslag

Het lid Van der Ham (D66) vroeg naar de mogelijkheid om MVO-vereisten te koppelen aan het verstrekken van subsidie voor CO2-opslag.

Het kabinet stimuleert MVO en CO2-opslag. In deze brief is aangegeven hoe het kabinet MVO stimuleert. Ik zie geen meerwaarde in aanvullende MVO-vereisten bij het verlenen van subsidies aan projecten voor CO2-opslag in Nederland. Ik vind dat niet het geijkte middel om MVO bij deze projecten te stimuleren. Bij het realiseren van deze projecten wordt al veel nadruk gelegd op veiligheidsaspecten, milieu, dialoog met stakeholders etc. Een directe koppeling via de subsidievereisten vind ik dan ook ongewenst.

Uitvoering motie Vendrik, 32 123 XIII nr. 38)

Het lid Samsom (PvdA) heeft gevraagd naar de uitvoering van de motie van het lid Vendrik c.s. over de een CO2-norm voor energiecentrales.Ik wijs u erop dat de leden Van Gent, Samsom en Wiegman-Van Meppelen Scheppink tijdens de behandeling van het wetsvoorstel «Kolenbelasting» een amendement (TK 31 362 nr 11) hebben ingediend dat in de invoering van een CO2-norm voorziet. Het kabinet heeft een schriftelijke reactie daarop – en daarmee ook op de motie Vendrik – toegezegd. Het kabinet is thans in afwachting van de reactie van de initiatiefnemers op het advies van de Raad van State terzake waarna het kabinet met haar reactie zal komen.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven