Kamerstuk 31700-19

Vaststelling begroting van het gemeentefonds voor het jaar 2009

Dossier: Vaststelling begroting van het gemeentefonds voor het jaar 2009


77,3 %
22,7 %

SGP

PvdD

CU

GL

D66

SP

CDA

PvdA

Verdonk

VVD

PVV


nr. 19
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2009

Inleiding

In het Algemeen overleg van 30 juni 2009 met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is het onderwerp meerjarenramingen gemeentebegrotingen aan de orde geweest. Aanleiding hiervoor zijn de vragen die bij de gemeenten zijn gerezen over dat onderwerp nu er pm-ramingen voor de voor de accressen in de jaren 2012 en verder zijn opgenomen in de meicirculaire Gemeentefonds 2009. Onderstaand geef ik u mijn opvatting over dat onderwerp. Ik heb deze afgestemd met de VNG en met de provinciale toezichthouders.

Los van akkoord

Expliciet wordt gesteld dat het accres voor de jaren 2012 en verder geen onderdeel uitgemaakt heeft van de aanvullende afspraken tussen de fondsbeheerders en de koepels.

In de aanvullende afspraken is wèl opgenomen dat de fondsbeheerders en de koepels de normeringssystematiek (inclusief de incidentele afwijking) in gezamenlijkheid zullen evalueren, zoals gebruikelijk in aanloop naar een nieuwe kabinetsperiode. Deze evaluatie zal in 2010 aanvangen. Uitgangspunt is dat de normeringssystematiek tijdens de volgende kabinetsperiode wordt gecontinueerd, maar de beslissing daarover wordt door het komende kabinet genomen, in overleg met de koepels.

Over de situatie voor 2012 en verder is op dit moment vrijwel niets te zeggen

In principe zou het mogelijk zijn om de «gebruikelijke» normeringssystematiek1 door te rekenen over de jaren 2012 en verder, op basis van de Netto Gecorrigeerde Rijksuitgaven uit de Voorjaarsnota. Echter, het beeld dat dan zou ontstaan zou een verkeerd signaal afgeven en zou daardoor verkeerde verwachtingen kunnen wekken. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de volgende factoren:

• Het huidge economisch beeld is uitermate onzeker, met name de lange termijn (de periode 2012 en verder) is extreem slecht te voorspellen (dit is de reden waarom het kabinet de verhouding tussen stimuleren en ombuigen in 2011 afhankelijk heeft gemaakt van de economische groei);

• In 2011 zullen er verkiezingen plaatsvinden en zal er een nieuw kabinet aantreden, dit kan en zal nogal wat betekenen voor de rijksfinanciën en de financiën van de medeoverheden;

• Gegeven het verslechterde Nederlandse EMU-saldo is het zeer wel denkbaar dat het Rijk geconfronteerd wordt met een omvangrijke ombuigingsopgave op de netto rijksuitgaven, welke op dit moment nog niet ingevuld is;

• In 2010 zal er in samenwerking met de koepels een evaluatie aanvangen van de normeringssystematiek en er kan niet vooruitgelopen worden op deze evaluatie; en

• Eind 2009 zal de Wet op de tekortnormering gepresenteerd worden. Ook de medeoverheden hebben hier een aandeel in en dit kan een effect hebben op het saldo in de komende jaren.

Bovenstaande heersende onzekerheden zorgen voor een uitermate beweeglijk beeld voor de jaren 2012 en verder. De fondsbeheerders konden (en wilden) daardoor geen concrete afspraken maken over het accres in deze periode. Daarbij zijn de fondsbeheerders terughoudend en voorzichtig in het geven van ramingen, signalen en/of verwachtingen voor de lange termijn.

Behoedzaamheid en bandbreedte

Gegeven de uitermate onzekere periode die te wachten staat wordt gemeenten geadviseerd behoedzaamheid te betrachten bij het opstellen van de meerjarige gemeentelijke begrotingen.

Gegeven de bovenstaande onzekerheden zijn twee scenario’s te schetsen, die zouden kunnen gelden als een voorlopige hanteerbare bandbreedte, waaraan overigens op geen enkele wijze rechten kunnen worden ontleend door gemeenten of provincies.

• Scenario A: een reëel accres van nul in de jaren 2012 en verder. In dit scenario wordt er gecompenseerd voor de inflatie en het nominale accres bevat dus enkel loon- en prijscompensatie. Er is geen sprake van reële groei. Dit scenario is in wezen het doortrekken van het accres uit de gemaakte afspraken voor 2010 en 2011.

• Scenario B: een nominaal accres van nul in de jaren 2012 en verder. In dit scenario wordt er geen accres uitgedeeld. Er is sprake van een reële krimp ter grootte van de inflatie. Ook somberder scenario’s dan dit scenario kunnen echter bewaarheid worden.

Bezuinigingstaakstelling

Gegeven de beschreven onzekerheden en geschetste bandbreedte wordt gemeenten geadviseerd om bij het opstellen van de begroting 2010 en de meerjarenraming (zeer) behoedzame uitgangspunten te hanteren aangaande het accres voor de jaren 2012 en verder.

Wanneer de begroting 2010 sluitend is volgt repressief toezicht, ook indien de meerjarenbegroting voor de jaren 2011, 2012 en 2013 niet sluit. Van repressief toezicht is ook sprake wanneer een tekort ontstaat door versnelling van investeringen. Daarover zijn in het aanvullende akkoord tenslotte afspraken gemaakt. De meerjarenbegroting kan eventueel sluitend worden gemaakt met een taakstellende/richtinggevende bezuiniging. Deze taakstelling moet dan volgend jaar wel invulling krijgen naar de dan geldende inzichten. Bij begroting 2011 moet er derhalve weer zicht zijn op een sluitende meerjarenbegroting. In geval de begroting 2010 niet sluit geldt preventief toezicht, tenzij de meerjarenbegroting reëel in evenwicht is (reëel, dat wil zeggen niet met een taakstellende/richtinggevende bezuiniging in evenwicht gebracht).

Risicoparagraaf opnemen

De gemeenten wordt nadrukkelijk geadviseerd om in de begroting een paragraaf op te nemen met een uitleg over de gehanteerde meerjarige uitgangspunten. In deze paragraaf kan aandacht geschonken worden aan en uitleg gegeven worden over het toepassen van de scenario’s uit de bandbreedte in de meerjarige begroting van de betreffende gemeente. Ook kan in deze paragraaf enerzijds aandacht geschonken worden aan de opgenomen bezuinigingstaakstelling in relatie tot de actuele (financiële) situatie van de betreffende gemeente, anderzijds kan in deze paragraaf aandacht geschonken worden aan de geldende begrotingsrisico’s en hoe wordt opgetreden indien deze risico’s zich zouden manifesteren. Deze paragraaf is belangrijk voor (het inzicht van) de toezichthouder. Dit neemt niet weg dat gemeenten verantwoordelijk zijn en blijven voor een verantwoorde begroting.

Tot slot

Samenvattend kan gesteld worden dat de fondsbeheerders tot nu toe geen expliciete afspraken hebben gemaakt over het accres in 2012 en verder, maar zoals blijkt uit bovenstaand hebben de fondsbeheerders hier goede redenen voor. De fondsbeheerders en de koepels zullen de komende zomermaanden in dialoog blijven over dit onderwerp en bij het Bestuurlijk overleg financiële verhouding (Bofv) van september 2009 zal wederom worden gesproken over de dan geldende inzichten met betrekking tot de economische situatie, de stand van de rijksfinanciën en de accressen over de jaren 2012 en verder.

Mede namens de minister van Financiën, De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten