Kamerstuk 31700-144

Vaststelling begroting Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2009

Dossier: Vaststelling begroting Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2009


nr. 144
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 juni 2009

Tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer van 4 december 2008 (kamerstuk 31 700 VI, nr. 93) over mijn brief van 10 oktober 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VI, nr. 9) inzake de toepassing van snelrecht en supersnelrecht, heb ik u een evaluatie toegezegd van de (super)snelrechtvoorzieningen in het kader van de jaarwisseling 2008/2009. Met deze brief doe ik deze toezegging gestand.

Ik baseer mij daarbij in hoofdzaak op de resultaten van:

1. een in opdracht van de Raad voor de rechtspraak door de rechtbanken van de vier grote arrondissementen uitgevoerde evaluatie van de toepassing van supersnelrecht rond de jaarwisseling;

2. een in opdracht van het College van procureurs-generaal uitgevoerde evaluatie van de toepassing van supersnelrecht en snelrecht rond de jaarwisseling in alle arrondissementen.

De bijbehorende rapporten en aanbiedingsbrieven zijn als bijlage bij deze brief gevoegd.1

Voor het complete beeld van de incidenten (feiten en cijfers) die zich rond de jaarwisseling hebben voorgedaan verwijs ik naar de brief die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 3 februari jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VII, nr. 59), mede namens mijn ambtgenote van VROM en mij, aan uw Kamer heeft verzonden.

Overzicht aantal aangebrachte zaken en afdoeningswijze

In het bijgevoegde rapport van het College van procureurs-generaal Jaarwisseling 2008–2009, Overzicht van aangebrachte feiten en afdoening – stand van zaken op 22 januari 2009, College van procureurs-generaal, januari 2009 is een overzicht opgenomen van het aantal aan de jaarwisseling gerelateerde zaken dat bij het OM is aangebracht en de afdoeningswijze. Van de 639 bij het OM aangebrachte zaken zijn uiteindelijk 33 zaken via een supersnelrechtzitting afgedaan, 94 zaken zijn op een gewone snelrechtzitting behandeld. Voor lichtere vergrijpen zijn transacties aangeboden (83) en is een aantal verdachten in het kader van«Aanhouden en Uitreiken» met een dagvaarding heengezonden (41). In 71 gevallen zijn deze zaken in januari afgedaan op een zgn. AU-themazitting. In 12 zaken een zogenaamde Taakstraf OM-zitting georganiseerd. Voor het overige verwijs ik u naar bovengenoemd overzicht.

Ik hecht eraan naast het (super)snelrecht ook andere toegepaste afdoeningsmodaliteiten te noemen, omdat -zoals ik ook destijds al heb aangegeven in mijn brief van 10 oktober 2008- ik de (super)snelrechtprocedure nadrukkelijk zie als een van de instrumenten binnen het totale palet aan interventiemogelijkheden. Ook andere instrumenten dragen in die visie bij aan het gewenste lik-op-stuk-beleid.

Conclusies Raad voor de rechtspraak en College van procureurs-generaal op basis van uitkomsten evaluaties

Zowel de Raad als het College concludeert in algemene zin dat de toepassing van supersnelrecht en snelrecht in het kader van de afgelopen jaarwisseling goed is verlopen en dat beide voorzieningen toegevoegde waarde hebben1, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Belangrijkste voorwaarde is dat het moet gaan om (bewijstechnisch) eenvoudige zaken.

De Raad onderschrijft de conclusie uit het evaluatierapport dat binnen de huidige wettelijke kaders supersnelrecht toegevoegde waarde heeft, mits de voor rechtspraak cruciale zorgvuldige afweging niet lijdt onder de snelle behandeling. Voor een succesvolle toepassing wordt gewezen op het belang van een goede voorbereiding van alle betrokken partijen en een zorgvuldige selectie van zaken. De Raad ziet geen aanleiding de supersnelrechtprocedure standaard bij alle rechtbanken in te voeren. Het aanbod van geschikte zaken is daarvoor in de meeste arrondissementen te klein. De Raad acht het wel zinvol lokaal protocollen op te stellen voor de toepassing van supersnelrecht en afhankelijk van lokale omstandigheden te laten bepalen in welke gevallen dit protocol wordt toegepast. De Raad adviseert ten slotte om zaken waarin zich benadeelden hebben gevoegd uit te sluiten van het supersnelrecht, tenzij deze vorderingen van zeer eenvoudige aard zijn of zonneklaar zich lenen voor toewijzing.

Het College geeft aan naar aanleiding van twee evaluatierapporten2 alle arrondissementsparketten te zullen verzoeken een basisvoorziening te treffen voor de toepassing van snelrecht en supersnelrecht. De structurele inzet van beide instrumenten wordt afhankelijk gesteld van de behoefte en noodzaak op lokaal niveau. Over de inzet in het kader van evenementen (anders dan de jaarwisseling) zal door de regionale driehoek in samenspraak met de rechtspraak van geval tot geval een afweging moeten worden gemaakt.

Voor de komende jaarwisseling doet het College de toezegging dat snelrecht in alle arrondissementen zal worden toegepast en dat de inzet van supersnelrecht door de arrondissementale partners nadrukkelijk in overweging moet worden genomen.

De evaluatierapporten bevatten een groot aantal aanbevelingen die met name zien op de voorbereiding en uitvoering van de (super)snelrechtvoorzieningen. Zo wordt gewezen op het belang van structurele inbedding van het snelrecht in de eigen organisatie, een goede samenwerking en het maken van afspraken met de ketenpartners, het vooraf opstellen van een draaiboek, de tijdige aankondiging van toepassing van supersnelrecht in het kader van evenementen en de komende jaarwisseling. De «menukaart snelrecht» is door praktisch alle parketten gehanteerd als leidraad voor de inzet van het (super)snelrecht tijdens de jaarwisseling en als een goed handvat ervaren. Het College kondigt aan de menukaart aan te passen c.q. aan te vullen aan de hand van de verzamelde best practices.

Voor meer gedetailleerde informatie verwijs ik naar de bijgevoegde rapportages.

Reactie

De evaluaties van de Raad en het College geven een compleet beeld van de wijze waarop de toepassing van het supersnelrecht en snelrecht in het kader van de afgelopen jaarwisseling is verlopen. Ik ben de parketten en rechtbanken daarbij erkentelijk voor de geleverde extra inspanningen om alle gegevens daarvoor aan te leveren.

De uitkomsten van de evaluaties tonen naar mijn mening aan dat de toepassing van snelrecht en supersnelrecht toegevoegde waarde heeft en een duidelijk signaal afgeeft richting zowel de samenleving als de daders en slachtoffers dat bepaald gedrag niet wordt getolereerd. Ze bevestigen tegelijkertijd dat aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan wil sprake zijn van een effectieve en efficiënte toepassing van (super)snelrecht.

Voor wat betreft de aantallen en het type zaken dat via supersnelrecht en snelrecht zijn afgedaan, zijn verschillen tussen de arrondissementen te signaleren. Deze kunnen in belangrijke mate worden toegeschreven aan het feit dat in een aantal arrondissementen nog weinig ervaring was opgedaan met de inzet van (super)snelrecht.

De gedane aanbevelingen dragen direct bij aan de verbetering en verbreding van de toepassing van het (super)snelrecht. Ze zijn immers afkomstig van direct betrokkenen uit de praktijk. Rechtbanken en parketten die tot dusverre nog weinig ervaring hebben opgedaan met het instrument kunnen er dus nadrukkelijk hun voordeel mee doen.

De uitkomsten betekenen dat ook de komende jaarwisseling voorzieningen voor snelrecht en supersnelrecht beschikbaar zullen zijn; snelrecht in alle arrondissementen, terwijl de inzet van supersnelrecht in ieder geval in de vier grote arrondissementen wederom zal plaatsvinden. Daarnaast zal in andere arrondissementen worden beoordeeld of afdoening van zaken via supersnelrecht wenselijk en mogelijk is. Aan de hand van de ervaringen van de afgelopen jaarwisseling kan tijdig met de voorbereiding daarvan worden aangevangen.

Hoewel de jaarwisseling een op zichzelf staand evenement is, lenen de uitkomsten zich nadrukkelijk ook voor de toepassing van snelrecht en supersnelrecht in algemene zin en bij andere evenementen. Ik acht het met het oog daarop van belang dat alle rechtbanken en parketten hun organisatie erop inrichten dat ook buiten de jaarwisseling snelrecht en supersnelrecht kan worden toegepast in die gevallen waarin dat mogelijk en aangewezen is. Uit de evaluaties komt naar voren dat inbedding van de voorzieningen in de eigen organisatie een belangrijke voorwaarde is voor een effectieve en efficiënte toepassing van het instrument. Ik onderschrijf dan ook de aankondiging van het College om alle arrondissementsparketten te verzoeken een basisvoorziening te treffen voor de toepassing van snelrecht en supersnelrecht.

Met de Raad voor de rechtspraak was al eerder overeengekomen dat bij alle rechtbanken de mogelijkheid zou worden gecreëerd om daarvoor geschikte zaken via snelrecht af te doen en dat in geval van (te verwachten) grootschalige openbare ordeverstoringen, evenementen e.d. alle rechtbanken supersnelrecht kunnen toepassen.

Over de structurele inzet van (super)snelrecht en de inzet in het kader van evenementen (anders dan de jaarwisseling) zal in de regionale driehoek in afstemming met de Rechtspraak een afweging moeten worden gemaakt afhankelijk van de lokale en regionale behoefte en noodzaak.

Verhouding supersnelrecht-snelrecht

Zowel in de evaluatie van de rechtbanken als die van de parketten worden enkele kanttekeningen geplaatst met het oog op de toegevoegde waarde van het supersnelrecht boven het «gewone» snelrecht. Beide evaluaties bevestigen de vooraf gestelde voorwaarde dat uitsluitend zaken die (bewijstechnisch) eenvoudig van aard zijn zich lenen voor afdoening via supersnelrecht. Het aanbod van zaken dat aan die voorwaarde voldoet blijkt in de praktijk gering. Een deel van de parketten is daarom kritisch over de geboekte resultaten afgezet tegen de geleverde inspanningen. Om supersnelrecht mogelijk te maken moet immers worden geïnvesteerd in extra inzet van medewerkers, versnelling van het primaire proces, extra zittingscapaciteit, extra faciliteiten om voeging van slachtoffers mogelijk te maken, enzovoort. Vermeden moet worden dat door de korte termijn waarbinnen de zaak moet worden aangebracht, onzorgvuldigheden optreden. Daarnaast blijkt uit de reacties dat sommige zaken waarin sprake is van geweld tegen publieke ambtsdragers, zich minder goed lenen voor een supersnelle afdoening. Uitzondering hierop vormen de zaken aangaande openlijke geweldpleging tegen politiemensen, die bewijstechnisch (op basis van een ambtshalve door de politieagent opgemaakt proces verbaal) eenvoudiger zijn.

Wat mij betreft gaat het er hier niet om een keuze te maken voor de ene afdoeningsmodaliteit boven de andere. Indien in de praktijk blijkt dat een zaak niet binnen drie dagen op een zorgvuldige wijze kan worden aangebracht ter terechtzitting dan dient te worden ingezet op een zo snel mogelijke afdoening nadien. Ook in geval van afdoening via de gewone snelrechtprocedure (afdoening binnen maximaal 17 dagen) is nog steeds sprake van een snelle afdoening waarbij de dader snel lik-op-stuk krijgt en daarmee een krachtig signaal dat bepaald gedrag niet wordt getolereerd. Voorwaarde daarvoor is wel dat er een grond voor voorlopige hechtenis is.

Op basis van de verzamelde best practices ontstaat steeds meer duidelijkheid met betrekking tot de vraag welke zaken zich lenen voor afdoening via supersnelrecht en welke via gewoon snelrecht, maar ook welke werkwijze daarvoor door de verschillende betrokken partijen moet worden gevolgd. Met name voor dat laatste aspect zal gelden dat naarmate men meer ervaring heeft opgedaan met de snelle afdoeningswijze, men steeds minder moeite zal hebben zaken binnen een dergelijk korte termijn op zorgvuldige wijze aan te brengen.

Het College kondigt aan de menukaart, die aangeeft welke typen zaken in aanmerking komen voor snelrecht en supersnelrecht, op dit punt te zullen verduidelijken.

Deze inrichting zorgt naar mijn mening voor een evenwichtige positionering van het (super)snelrecht binnen het totale palet aan interventiemogelijkheden en komt tegelijkertijd tegemoet aan de breed gedragen maatschappelijke wens van een snelle reactie op strafbaar gedrag.

Een aantal punten verdient nog specifieke aandacht:

Eventuele verruiming gronden voorlopige hechtenis

Tijdens het algemeen overleg met uw Kamer van 4 december jl. is door een aantal leden een verruiming van de wettelijke gronden voor voorlopige hechtenis ten behoeve van de toepassing van het snelrecht bepleit.

Ik heb daarop aangegeven dat verruiming van de wettelijke gronden enkel en alleen met het oog op een snelle afdoening niet nodig lijkt.

Hoewel het College in zijn aanbiedingsbrief bij de evaluatie zijn wens tot aanpassing van de regeling van de voorlopige hechtenis herhaalt, blijkt uit de meegezonden evaluatie niet van zodanige knelpunten die met behulp van een wetswijziging zouden kunnen worden opgeheven.

In zijn aanbiedingsbrief bij de evaluatie stelt het College dat «uit de evaluatie is gebleken dat in sommige gevallen terughoudendheid bestond met betrekking tot het toepassen van snelrecht, omdat de grond voor voortzetting van de inverzekeringstelling ontbrak». Nu deze terughoudendheid kennelijk niet breed dan wel landelijk wordt gedeeld ligt voor de hand dat eerst met behulp van voorlichting of nader overleg wordt gepoogd deze terughoudendheid weg te nemen, dan aanstonds een wijziging van de wet te bevorderen.

Binnenkort zal ik in het kader van mijn brief inzake het voorstel «om veroordeelde pedofielen in afwachting van de behandeling van het hoger beroep of beroep in cassatie in voorlopige hechtenis te houden», nader ingaan op de uitgangspunten van de regeling van de voorlopige hechtenis.

Mogelijkheden voor het slachtoffer om zich te voegen in het kader van (super)snelrecht

Zoals hierboven aangegeven adviseert de Raad voor de rechtspraak om zaken waarin zich benadeelden hebben gevoegd, uit te sluiten van supersnelrecht, tenzij deze vorderingen van zeer eenvoudige aard zijn of zich zonneklaar zonder diepgaand onderzoek lenen voor toewijzing.

Door het lid Teeven (VVD) is tijdens voornoemd algemeen overleg gevraagd naar de mogelijkheid om een regeling te ontwerpen voor een aparte slachtofferzitting waarin reeds (via (super)snelrecht) afgedane strafzaken gezamenlijk worden aangebracht ten behoeve van de schadevergoedingsclaims van het eventuele slachtoffer. Dit om te voorkomen dat de complexiteit van de claim van het slachtoffer een beletsel is voor de toepassing van (super)snelrecht.

Overigens is het voor slachtoffers ook mogelijk hun claim te splitsen in een eenvoudig en een meer ingewikkeld deel. Het eenvoudige deel kan dan via het strafrecht worden verhaald. Voor ingewikkelde schades en vragen over aansprakelijkheid is men aangewezen op het civiele recht.

Tijdens het algemeen overleg van 11 februari jl. inzake het project Slachtoffers centraal, heb ik met uw Kamer onder meer gesproken over de vormgeving van het nieuwe (arrondissementale) slachtofferloket, waar politie, OM en Slachtofferhulp Nederland samenwerken ter ondersteuning van het slachtoffer in het strafproces. Deze ondersteuning ziet onder andere op de mogelijkheid voor het slachtoffer om zich te voegen in het strafproces met een schadevergoedingsclaim.

Naar het voorbeeld van het reeds bestaande slachtofferloket bij het parket Den Haag zijn de nieuwe slachtofferloketten in de vorm van een pilot gestart in Utrecht, Breda en Maastricht. Uit de eerste resultaten in Utrecht blijkt dat slachtoffers met de hulp van het loket beter en sneller in staat zijn zich te voegen in het strafproces. Voor eenvoudig vast te stellen schade geldt dat zelfs de drie dagen-termijn voor supersnelrecht geen belemmering hoeft te zijn.

Daarnaast is een nieuw schadeformulier ontwikkeld dat het huidige voegingsformulier en het aanvraagformulier van het Schadefonds Geweldsmisdrijven vervangt. Dit formulier zal eerst in de vernieuwde slachtofferloketten van de pilot worden getest.

Er zijn ten slotte richtlijnen voor het OM en oriëntatiepunten voor de rechtspraak in ontwikkeling die naar verwachting eind 2009 gereed zijn, ten behoeve van een snelle bepaling van de (hoogte van de) schade. Daarin zijn ter uniformering uitgangspunten voor materiële en immateriële schade opgenomen. Deze kunnen worden gebruikt bij de schatting van het schadebedrag indien uit de gegevens op het voegingsformulier niet de precieze omvang van de schade kan worden vastgesteld. Dit voorkomt dat vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ik hecht eraan allereerst uitvoering te geven aan dit recent in gang gezette beleid. Intussen zal in overleg met het OM worden nagegaan hoe waar nodig gesplitste afdoening van schadeclaims kan worden gerealiseerd.

De staatssecretaris van Justitie,

N. Albayrak