Kamerstuk 21501-939

Verslag van een algemeen overleg

De Landbouw- en Visserijraad op 27 en 28 juni 2016

Gepubliceerd: 26 augustus 2016
Indiener(s): Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA)
Onderwerpen: europese zaken internationaal landbouw organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-32-939.html
ID: 21501-939

Nr. 939 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 26 augustus 2016

De vaste commissie voor Economische Zaken en de vaste commissie voor Europese Zaken hebben op 22 juni 2016 overleg gevoerd met de heer Van Dam, Staatssecretaris van Economische Zaken, over:

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 18 juni 2016 inzake geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 27 & 28 juni 2016 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 927);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 25 mei 2016 inzake verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 17 mei 2016 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 922);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 7 juni 2016 inzake verslag van de informele Landbouwraad van 29 tot en met 31 mei 2016 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 926);

  • de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu d.d. 4 april 2016 inzake overzicht EU-markttoelatingsaanvragen genetisch gemodificeerde organismen (Kamerstuk 27 428, nr. 328);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 10 juni 2016 inzake bespiegeling over de gerealiseerde verlaging van de regeldruk in de landbouw, de vermindering die nog in de pijplijn zit en een bespiegeling over de Europese regeldruk (Kamerstuk 29 515, nr. 387);

  • de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 3 juni 2016 met antwoorden op de overige vragen van de commissie over de Landbouw- en Visserijraad van 17 mei 2016 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 925).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Vermeij

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Azmani

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Franke

Voorzitter: Vermeij

Griffier: De Vos

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Remco Bosma, Dik-Faber, Van Gerven, Geurts, Koşer Kaya, Leenders, Vermeij, Visser en Wassenberg,

en de heer Van Dam, Staatssecretaris van Economische Zaken.

Aanvang 11.02 uur.

De voorzitter:

Ik open het algemeen overleg ter voorbereiding op de Landbouw- en Visserijraad op 27 en 28 juni 2016. Er is een geannoteerde agenda en een verslag van de vorige keer. We hebben een spreektijd afgesproken van vijf minuten per fractie. De collega's van de VVD zijn met z'n tweeën, dus die verdelen de tijd. Ik sta twee interrupties per fractie toe.

De heer Remco Bosma (VVD):

Voorzitter. Zojuist is de petitie van het GroentenFruit Huis en de NFO (Nederlandse Fruittelers Organisatie) over de economische impact van de Russische boycot op de sector aangeboden. Is de nijpende situatie afdoende in beeld? Werkt het kabinet aan een afdoende oplossing? Heeft de handelsmissie van het kabinet al tot nieuwe afzetmarkten geleid?

De etiketten op biologische producten moeten informatie verschaffen en geen politieke ideologieën duiden. De VVD betwijfelt of er een strak kader is voor naleving, als de biologische status alleen wordt ingetrokken als opzettelijk misbruik of nalaten is bewezen, temeer omdat in de uitvoeringshandelingen rekening kan worden gehouden met regionale verschillen, evenwichten en lokale omstandigheden. We willen geen concurrentievervalsing. Wat is het resultaat van de onderhandelingen? Welke compromissen zijn gesloten? Kan de Staatssecretaris aangeven wat Nederland heeft binnengehaald op dit punt?

Het kabinetsstandpunt is dat de regels voor voedselverspilling en voedselverlies ook moeten gelden bij voedselverliezen bij oogst, transport en opslag. De VVD vraagt zich af wat daarvan de meerwaarde is. Verlies in de productieketen is directe inkomstenderving, dus is er een natuurlijke stimulans. Is het niet veel beter om de focus op «ten minste houdbaar tot»-aspecten (THT-aspecten) te leggen, zodat er minder verspilling aan de consumentenkant is? Waar vindt de meeste verspilling plaats en waar ligt het echte probleem? De VVD wil een focus in plaats van een breed scala aan ge- en verboden, die alleen maar leiden tot meer regeldruk bij bedrijven.

Tot slot het kwekersrecht. We zijn blij dat de Commissie eindelijk aan de slag gaat. Het duurde te lang. De interpretatieve verklaring van de Biotechrichtlijn moet de onduidelijkheid over patenten en planteigenschappen wegnemen. De vorige keer is hierover ook gesproken, maar wat is de stand van zaken? In hoeverre is de Staatssecretaris van mening dat via het door de branche bedachte International Licensing Platform (ILP) afdoende toegang tot biologisch materiaal mogelijk is?

Mevrouw Visser (VVD):

Voorzitter. Er staan veel onderwerpen op de agenda, soms ook neverending stories helaas. Dan doel ik vooral op de vereenvoudiging van het landbouwbeleid en de vergroeningsmaatregelen. De Staatssecretaris kent het standpunt van de VVD. Wij maken ons zorgen over de maatregelen die voorliggen, zoals de 5% van de akker die naar 7% moet. Daar hebben we al verschillende keren naar gevraagd, maar we zien het niet terug in de geannoteerde agenda. Wat wordt hierover nu besproken en op welke manier wordt de Kamer erbij betrokken? De maatregelen kunnen namelijk grote gevolgen hebben voor Nederland en daar maken wij ons grote zorgen over.

Hetzelfde geldt voor de marktsituatie en de marktmaatregelen. Dit is ook iets wat steeds weer terugkeert, waarvoor men de Commissie heeft gevraagd in juni met aanvullende maatregelen en financiering te komen. Wat gebeurt er en wat wordt besproken in de komende Raad? Wat is de inzet van de Staatssecretaris hierin? Er moeten nog maatregelen uit september worden geëvalueerd. Gebeurt dat tijdens deze Raad en wat betekent dat dan? Zoals de Staatssecretaris weet, meent de VVD dat het feit dat de prijzen onder druk staan, niet wordt opgelost met subsidiegeld. Er moet sprake zijn van een gelijk speelveld, vooral voor de kosten. Daaraan moet worden gewerkt; daarvoor moeten structurele oplossingen worden bedacht en gezocht. Hiervoor geldt dat in het kader van toezicht, inspectie en allerlei eisen die eraan worden gesteld, een stapje extra gezet kan worden vanuit Nederland. Hoe kan de Staatssecretaris ervoor zorgen dat we structurele oplossingen vinden en niet alleen op zoek gaan naar subsidiemaatregelen? Dat is uiteindelijk vestzak-broekzak en helpt de sector niet.

Glyfosaat is ook een terugkerend onderwerp. Wat is de stand van zaken en hoe gaat dit verder? Klopt het dat het College van Eurocommissarissen hierover op maandag 27 juni zal besluiten als het beroepscomité er niet uit komt? Hoe voorkomen we een dergelijk proces in de toekomst? De schoonheidsprijs verdient het in ieder geval niet.

Gisteren is het onderwerp «voortgang regeldruk» toegevoegd aan de agenda. In de brief van 28 april 2015, waarin het Actieplan Agrofoodsector wordt gepresenteerd, heeft de Staatssecretaris aangegeven dat hij van plan was om met het bedrijfsleven te scannen of een nieuwe inventarisatieronde van knelpunten wenselijk is. Die is voor de VVD absoluut wenselijk. Wordt de wet- en regelgeving die in het afgelopen jaar is ingezet, daarin meegenomen? Ik doel bijvoorbeeld op grondgebonden groei, maar ook op de sectoren tuinbouw en visserij. Daarvoor is verschillende nieuwe wet- en regelgeving van toepassing geworden.

We hebben al eerder gesproken over het opiniestuk van de Staatssecretaris. We zijn benieuwd hoe de andere lidstaten in deze discussie stonden. Hoe was het krachtenveld en krijgt de Kamer hierover een samenvatting?

Tot slot maken we ons zorgen over kleinschalige visserij in het Middellandse Zeegebied. Worden daar extra beschermingsmaatregelen genomen? Wat betekenen deze voor de Nederlandse visserij, ook in het kader van het gelijke speelveld?

De heer Leenders (PvdA):

Voorzitter. Er staan veel punten op de agenda. Ik begin echter meteen met een onderwerp dat niet op de agenda staat, omdat ik verwacht dat de Staatssecretaris daar helderheid over kan geven. Het betreft de Europese natuurwetten. Er zou een conferentie zijn over de evaluatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Die is uitgesteld omdat het daarvoor benodigde document niet op tijd beschikbaar is. Dat is erg spijtig, temeer omdat daarmee de onzekerheid over de Europese natuurwetten langer aanhoudt. Het is volstrekt duidelijk dat Europa geen herziening van de richtlijnen wil. Dit bleek uit de consultatie met 500.000 reacties uit lidstaten en het Europees Parlement, die zich uitspraken tegen herziening. Nu is het kennelijk wachten op het moment dat het werkdocument over de evaluatie uitkomt. Dit was toegezegd voor eind juni en daar zou de conferentie over gaan. Hoe staat het met de voortgang van de evaluatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn? Is er al duidelijkheid over de vraag in hoeverre de Europese Commissie meegaat in de wens van velen, onder wie een meerderheid van de Kamer en in ieder geval de PvdA, om de richtlijnen ongemoeid te laten en de verbeteringen te zoeken in de implementatie? Wanneer verwacht de Staatssecretaris dat dit werkdocument verschijnt? Wil hij er bij de Europese Commissie op aandringen dat het document zo snel mogelijk wordt gepubliceerd? Is de conferentie uitgesteld tot het moment van publicatie of is deze afgelast? Of hangt het ook af van de volgende voorzitter? Als de conferentie alsnog doorgaat op een later moment, wat is dan de rol van de Staatssecretaris en van lidstaat Nederland? Spreekt de Staatssecretaris zijn bevindingen door met zijn opvolger?

De eerste stappen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2020 zijn inmiddels genomen. Wij hebben veel waardering voor het werk van de Staatssecretaris en de rol die hij in het proces heeft gespeeld. Tijdens het vorige algemeen overleg hebben we oriënterend gesproken over de toekomst van het GLB. Na dat overleg heeft hij gesproken met zijn Europese collega's. Wil de Staatssecretaris, wellicht niet al te lang, verslag doen van die bijeenkomst en de belangrijkste uitkomsten? Dit is pas het begin van de discussie. De Staatssecretaris gaat in gesprek met de volgende voorzitter Slowakije om het vervolg te bespreken, dat hebben wij althans begrepen. Welke vervolgstappen zijn er in deze discussie? Hoe ziet de agenda voor het ontwikkelen van het nieuwe GLB er verder uit, voor zover dit nu duidelijk is?

Ik kom bij de toelating van laagrisicomiddelen. Een groep van experts heeft in opdracht van de Europese landbouwministers het afgelopen jaar gekeken naar de mogelijkheden om geïntegreerde gewasbescherming in de Europese Unie (EU) een bredere toepassing te geven. Onderdeel daarvan is de beschikbaarheid van middelen met een laag risico voor mens, milieu en dieren. De Europese experts vinden dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico moet worden versneld. Wat betekent dit voor de toelating van de laagrisicomiddelen? Wanneer kunnen we een herziening van de procedure tegemoetzien? Eerder is in de Kamer gevraagd om een voorrangspositie voor de toelating van biologische gewasbeschermingsmiddelen. Die gaan wat ons betreft nog voor op de laagrisicomiddelen in het kader van geïntegreerde gewasbescherming. Die middelen moeten veel sneller worden toegelaten tot de markt, om zo de geïntegreerde gewasbescherming te bevorderen. Wat kan de Staatssecretaris hiervan zeggen?

Mijn opmerkingen over glyfosaat lijken op die van collega Visser. De hernieuwde toelating levert problemen op in Europa. Er zijn verschillende stemmingen geweest waarbij steeds een gekwalificeerde meerderheid voor hernieuwde toelating ontbrak. Wat is de verwachting van de Staatssecretaris over deze toelating, als hij het speelveld tot nu toe overziet? Wat is het gevolg van het verlopen van de toelating van glyfosaat voor de Nederlandse landbouwsector? Welke indruk heeft de Staatssecretaris van de kans van slagen van schadeclaims van de industrie, nadat er democratische besluitvorming over de toelating heeft plaatsgevonden?

De heer Van Gerven (SP):

Voorzitter. Het is zelden zo spannend in de EU als nu, en dan heb ik het niet over de brexit maar over glyfosaat. Lobbyisten van de industrie maken overuren en eten geen dag meer thuis. Dat is slecht voor het huiselijk leven, maar ook voor de natuur en burgers van Europa. Glyfosaat Roundup is een gevaarlijk gif. Het is giftig voor het aquatisch milieu en bovendien is het door het kankerinstituut IARC van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) op de lijst stoffen gezet die waarschijnlijk kankerverwekkend zijn. Moeten wij de Europese bevolking en het milieu hieraan blootstellen? Mijn antwoord op deze vraag is «nee, en bij twijfel niet inhalen». Handel vanuit het voorzorgsprincipe. De Staatssecretaris is echter voor en heeft voor hernieuwde toelating gestemd. Wil hij zich hardmaken voor de bescherming van het milieu, de burgers en het voorzorgsprincipe, en niet alleen kijken naar de belangen van Monsanto? Kan de Staatssecretaris ook ingaan op het democratische of ondemocratische proces rondom glyfosaat? Dat deugt eigenlijk niet.

De ontbossing in het Amazoneregenwoud is slecht voor de natuur en leidt ook tot de ophoping van broeikasgassen. Er is 50 tot 150 miljard gemoeid met illegale houthandel en dat is vergelijkbaar met de omvang van de cocaïnehandel. Illegale handel beslaat naar schatting 25% van de houthandel. Uit een recent rapport van Global Witness blijkt dat in Brazilië maar liefst 50 actievoerders zijn vermoord in de strijd tegen illegale houtkap. Dit zijn allemaal redenen om de illegale kap en verkoop ferm te bestrijden. De EU Timber Regulation stelt bij de bestrijding van illegaal hout niet veel voor door gebrek aan handhaving. Eén Nederlands bedrijf heeft een proces-verbaal en een dwangsom gekregen. In andere Europese landen is nog nooit een dwangsom opgelegd. Wil de Staatssecretaris de kans die voorligt, grijpen en aansturen op scherpe Raadsconclusies en handhaving? Hoe zorgt hij voor waterdichte grenzen op dit punt?

De problemen in de varkens- en melkveehouderij kun je lezen als de kronieken van een aangekondigde crisis. Er is jarenlang gewaarschuwd tegen het afschaffen van de melkquotering, onder andere door de SP. Het is toch gebeurd, onder het mom van «vrije jongens willen geen overheidsbemoeienis». Nu is de aangekondigde crisis er en wordt de hand opgehouden bij diezelfde overheid. Dat is raar. Onze insteek is: geen steun zonder structurele maatregelen, dus productiebeheersing en verduurzaming. Voegt de Staatssecretaris zich bij de landen die pleiten voor productiebeheersing? Wil hij ten minste de plannen van de European Milk Board (EMB) steunen voor semiparticuliere productiebeheersing? Of gaat hij ondanks zijn spraakmakende interview volgens beproefd rechts recept én de productiebeheersing loslaten én bakken met subsidiegeld leveren? Waar moet het heen met de varkenshouderij? Ook hier is de tijd rijp voor productiebescherming en herstructurering. Geen herstructurering zoals die nu vorm dreigt te krijgen onder Rosenthal met grotere bedrijven, meer productie en meer bulk, maar sanering van verouderde en overlast gevende bedrijven, gericht op kwaliteit in plaats van kwantiteit, sturend op toegevoegde waarde en een betere verdeling van winst in de keten. Is de Staatssecretaris hiertoe bereid?

Over de laagrisicomiddelen heeft de PvdA al vragen gesteld. Daar sluit ik mij gemakshalve bij aan.

Zo'n 65.000 mensen uit 30 landen hebben een klacht ingediend bij het Europees Octrooibureau (EOB) vanwege de goedkeuring van een octrooiaanvraag van Syngenta op een tomaat. En terecht, de erfelijke eigenschappen van de tomaat zijn van niemand, en zeker niet van Syngenta. Kan de Staatssecretaris ons garanderen dat een interpretatieve verklaring van de bio-octrooirichtlijn echt voldoende is om aan het octrooieren van planten en hun eigenschappen een einde te maken? Welke juridische status heeft deze interpretatie? Zorgt de Staatssecretaris ervoor dat er geen barrières worden opgeworpen voor ontwikkelingslanden om biologische producten te exporteren naar Europa? Equivalentie of compliance, wat wil de Staatssecretaris? En wat is het compromis?

Tot slot Europese visserijschepen die de wateren van ontwikkelingslanden leeg vissen. Zet de Staatssecretaris erop in dat er alleen op surplusvis wordt gevist? Gaat hij voor een goede wetenschappelijke vaststelling van dat surplus en het voorzorgsbeginsel bij wetenschappelijke onduidelijkheid? Gaat hij voor bescherming van ecosystemen, optimale transparantie en financiering die echt ten goede komt aan de lokale bevolking? Wil hij pleiten voor het vrijhouden van de kustzones voor ontwikkelingslanden voor lokale visserij en daar dus geen Europese supertrawlers toelaten? Voor de kust van Kenia vindt traditionele tonijnvisserij plaats. Lokale vissers zijn hiervan afhankelijk voor hun broodwinning en voedsel. Hoe garandeert de Staatssecretaris dat Europese megatrawlers deze vissers het brood niet uit de mond stoten? Wordt er sowieso met de belangengroepen van deze Keniaanse vissers gesproken? Wil hij dit ter sprake brengen?

De heer Wassenberg (PvdD):

Voorzitter. Glyfosaat is al uitgebreid aan de orde geweest, dus daar hoef ik geen vragen over te stellen. Dat scheelt tijd.

De heer Van Gerven eindigde met de visserij. Daar begin ik mee. Door overbevissing lopen visvangsten in Europese zeeën al jarenlang terug. Als gevolg daarvan wijkt de Europese visserij uit naar elders. Europese vissers plunderen – sorry, ik kan hier geen ander woord voor bedenken – met subsidie van de EU visgebieden buiten Europa, zoals voor de kust van Afrika. Ook daar zijn de vispopulaties inmiddels ernstig overbevist. Dat heeft effect op de mariene ecologie, maar ook op de lokale samenlevingen. Die worden ontwricht omdat lokale vissers niets meer te vangen hebben. Het wegvangen van visbestanden buiten de EU ten koste van lokale gemeenschappen is ontoelaatbaar. Het voorstel van de Europese Commissie voor het beheren van de externe vloot is in ieder geval een stap in de goede richting. Het is een eerste stap, maar voor de PvdD is deze zeker niet voldoende. We maken ons vooral zorgen over het wegvallen van artikel 5.1, dat schepen die ernstige schepen overtredingen hebben begaan, toegang weigert tot niet-Europese wateren. Het minste wat we zouden mogen verwachten, is dat vissers die willens en wetens regels overtreden, geen toegang krijgen tot die niet-Europese wateren. Is de Staatssecretaris het met mij eens dat de verklaring van goed vissersgedrag, laat ik het zo maar noemen, een voorwaarde zou moeten zijn in elke visserijovereenkomst, zeker in de partnerschapovereenkomsten inzake duurzame visserij waarvoor de EU jaarlijks 145 miljoen betaalt? Is de Staatssecretaris bereid om zich in te spannen om artikel 5.1 te laten terugplaatsen?

De Europese Commissie heeft de wettelijke verplichting om de volksgezondheid en de gezondheid van planten en dieren te beschermen tegen hormoonverstorende stoffen. Dat moest al vanaf 2013 met criteria die zijn gebaseerd op gevaren, gevaren voor hormonale systemen, groei, ontwikkeling, morfologie en reproductie van de mens. Vooral ongeboren baby's blijken namelijk erg kwetsbaar te zijn voor die hormoonverstoorders. Een heel kleine verandering kan al desastreuze gevolgen hebben voor hun ontwikkeling. Het betreft in het bijzonder de balans tussen androgenen en oestrogenen. Die kan ernstig verstoord worden en dat heeft grote gevolgen voor het zich ontwikkelende kind. Nu, drie jaar te laat, komt de Europese Commissie met criteria die op risico's voor groepen zijn gebaseerd, in plaats van op gevaren. Daarmee overtreedt de Commissie opnieuw de wet, die immers voorschrijft dat er in 2013 op gevaren gebaseerde criteria zouden moeten zijn. In het voorstel van de Commissie vallen de zeer schadelijke effecten van de hormoonverstoorders op de ongeboren kinderen weg tegen de minder grote risico's voor ouderen, die minder kwetsbaar zijn. De risico's voor kwetsbare groepen worden zo weggestreept als andere groepen minder kwetsbaar blijken zijn. De gevaren worden op deze manier gecamoufleerd, maar ze zijn er nog steeds. In de implementing act verzwakt de Europese Commissie de basiswetgeving. Bovendien heeft de Commissie de hormoonverstoorderdefinitie van de WGO aangepast. Tijdens de Milieuraad van afgelopen maandag hebben Frankrijk, Zweden, België, Luxemburg en Denemarken naar verluidt in harde bewoordingen afstand genomen van het voorstel van de Europese Commissie. Waarom heeft Nederland zich daar niet bij aangesloten? Wat heeft Nederland wel gezegd? Is de Staatssecretaris bereid om aan de Commissie duidelijk te maken dat dit voorstel zo snel mogelijk vervangen moet worden door een voorstel dat is gebaseerd op criteria die de volksgezondheid en de gezondheid van het milieu wel beschermen en gebaseerd zijn op gevaren en niet op economische motieven?

Dan een punt dat niet op de agenda staat, maar wel belangrijk is. In 2015 bleek dat we door de nationale en Europese fosfaatplafonds zijn geschoten. Afgelopen week meldde het Europese Milieuagentschap (EEA) dat Nederland in 2014 het ammoniakplafond met maar liefst 6 miljoen kilo heeft overschreden. De Europese Commissie heeft inmiddels nieuwe emissieplafonds voorgesteld, waarin ook normen staan voor fijnstof en methaan. Kan de Staatssecretaris uitleggen wat deze nieuwe voorstellen inhouden? Als we nu niets doen, kunnen we ervan uitgaan dat er aanvullende methaan-, fijnstof-, stikstofoxide- en ammoniakregels komen. De PvdD ziet meer in een integraal beleid gebaseerd op grondgebondenheid, weidegang en agro-ecologie. Veel regelgeving kan dan worden vereenvoudigd of zelfs worden afgeschaft, zonder dat aan de doelen of uitstootcijfers geknutseld hoeft te worden. Is de Staatssecretaris bereid om zich hiervoor als voorzitter in te zetten en ook het Nederlandse beleid hierop aan te passen?

Een laatste klein puntje, een heel eenvoudige vraag. Op 17 mei ontving de Staatssecretaris in Brussel 600.000 handtekeningen van Compassion in World Farming tegen de huisvesting van konijnen in draadgazen kooien. Wil de Staatssecretaris gehoor geven aan deze breed ondersteunde petitie en zich inzetten om een einde te maken aan de kooihuisvesting voor konijnen?

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. De Staatssecretaris sprak specifieke LNV-ambities uit toen hij net begon. Daaronder waren de vereenvoudiging van het GLB, een betere kwaliteit van de regelgeving, het bevorderen van innovatieverduurzaming, een betere marktsituatie, het tegengaan van voedselverspilling en de behandeling van de fitnesscheck. Overigens is dit laatste onderwerp naar de herfst verschoven. Ik ben benieuwd waarom dat zo is. Mooie persberichten kan hij hierover maken, maar wat merken we er straks echt van? Hij moet de mooie ambities die hij heeft neergelegd, meetbaar maken. Waar heeft het massawerk toe geleid voor de vereenvoudiging en hervorming van het GLB? Welke vereenvoudigingen of hervormingen voor echte vergroening kunnen we bij de tussentijdse herziening in 2018 verwachten? Ik was maandag bij een boer in Veendam, met een akkerbouwbedrijf en melkveehouderij. De regels staan elkaar in de weg en hij komt er niet uit. Hoe zit het met de kwaliteit en verbetering van de regelgeving? Never waste a good crisis, maar voor de marktsituatie gaat het alleen over het afhouden van onzalige ideeën als de herinvoering van het melkquotum of het aanpassen van de interventieprijs. «Do no harm» is de leidraad, en niet «do good». Dat is wel jammer.

Ik begin met de voedselverspilling. In Nederland wordt jaarlijks bijna 40% van al het consumeerbare voedsel weggegooid. Dat is 3 miljoen ton ter waarde van 5 miljard euro. Dat is bijna een derde van de wereldwijde verspilling, 1,3 miljard ton ter waarde van 900 miljard euro. Dit heeft enorme gevolgen voor de voedselzekerheid, maar ook voor de gezondheid en de verspilling van grondstoffen als water. Die grondstoffen zijn eindig. In Nederland is het vernietigen van voedsel momenteel aantrekkelijker dan het doneren ervan aan de voedselbank, omdat supermarkten juridisch aansprakelijk gesteld worden voor eventuele gezondheidsklachten of schade. Tegelijkertijd is het aantal personen dat afhankelijk is van de voedselbank groter geworden. Waarom wordt daar niets aan gedaan, in de zin dat we zorgen dat supermarkten gemakkelijker hun producten kunnen schenken? Minder voedsel vernietigen is duurzaam en sociaal. Het is jammer als bedrijven daarin door wetgeving worden tegengehouden. In Italië en Amerika is hier al werk van gemaakt. Waarom ook niet in Nederland? In de Europese Raadsconclusies in het afvalplan, toch een Europees plan, worden goede stappen voorgesteld om voedselverspilling uit alle hoeken, landbouw, vervoer, supermarkten, consumenten, te verminderen. Waarom volgt Europa het voorbeeld van Italië niet? Hoe wordt de informatie richting de consument verbeterd? Het meeste voedsel wordt verspild door consumenten. We kunnen dit verbeteren door bijvoorbeeld heel simpel een verbetering van de THT-datum op de verpakkingen na te streven. Hoe kunnen we dit sneller bewerkstelligen?

Ik stap over naar de gebrekkige besluitvorming. We zien in de EU vaak besluiteloosheid op LNV-terrein, bijvoorbeeld rond glyfosaat en gmo's (genetically modified organisms). Het vinden van de vereiste zestien lidstaten en 65% bevolking voor het ene of het andere standpunt blijkt heel lastig. Dat is logisch, want het zijn gevoelige onderwerpen, maar er moet wel werk van worden gemaakt. Waarom stokt dit proces? Kan de Staatssecretaris zijn voorzitterschap gebruiken om een doorbraak te forceren?

Sowieso is het heel vreemd dat LNV het enige terrein is dat deels buiten Coreper staat, het Comité van Permanente Vertegenwoordigers. Waarom is landbouw hiervan uitgezonderd en visserij bijvoorbeeld niet? Mijn collega sprak daar net al over. Europa sluit allerlei overeenkomsten met Afrikaanse landen, om deze vervolgens niet af te dwingen en te controleren. Dat is toch een vreemde zaak? Waarom is dat niet onder Coreper gebracht en is er een aparte LNV-commissie?

Ik heb nog één ander punt. Daarop kom ik in tweede termijn terug.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. We spreken over de laatste Landbouwraad onder Nederlands voorzitterschap. Ik ben heel blij dat een onderwerp dat we allemaal belangrijk vinden prominent op de agenda staat, namelijk voedselverspilling. Zoals de Staatssecretaris weet, heeft de aanpak van voedselverspilling mijn warme belangstelling. Vorig jaar nog is mijn initiatiefnota in de Kamer besproken en zijn stappen gezet om mooie initiatieven in onze samenleving meer ruimte te geven, bijvoorbeeld het fiscaal vriendelijk doneren aan voedselbanken. In reactie op het betoog van D66 wil ik memoreren dat er ook stappen zijn gezet waarbij de aansprakelijkheid is overgenomen door voedselbanken. Zij zijn nu collectief verzekerd. Dit is een belangrijke stap om voedselverspilling tegen te gaan. Tegelijkertijd is er nog veel te winnen. De voedselverspilling in Nederland is de afgelopen jaren nauwelijks afgenomen, ondanks de doelstellingen die we al vanaf 2009 hebben. De ChristenUnie ziet dan ook graag dat de Europese aanpak een nieuwe impuls geeft, maar dan moeten we wel met concrete maatregelen komen. Het is nu nog te vaag. We moeten niet blijven steken in definitiekwesties, maar vaart maken met de aanpassing van de datumaanduiding op producten. Hoe staat het daarmee? Het is goed dat er ook wordt gekeken naar voedselverliezen, maar hoe voorkomen we dat de verbreding van de doelstelling leidt tot verwatering? Zet de Staatssecretaris zich ook in voor maatregelen binnen de keten? Kijkt hij niet alleen naar de voedselverliezen en de consument, maar ook naar alles wat er in de keten gebeurt? In Nederland hadden we een doelstelling tot 2015. Daarna is het stil geworden. Ik ben benieuwd waar we nu staan. Wanneer stuurt de Staatssecretaris de Monitor Voedselverspilling over 2015 naar de Kamer? Is hij bereid om de Europese doelstellingen te vertalen naar Nederlandse doelstellingen voor 2020 en 2025?

De marktsituatie blijft zorgelijk voor de melkveehouderij, de varkenshouderij en de groente- en fruitsector. Er zijn extra middelen beschikbaar gesteld, maar deze worden nog maar voor twee derde benut. Hoe komt dat? Hoe zit het met de besteding van middelen in Nederland? Sommige landen pleiten voor Europese opkoopregelingen en soms zelfs voor nationale steun. Dit lijkt ons niet de goede route. We moeten vasthouden aan een Europees gelijk speelveld. De Staatssecretaris wil dat vraag en aanbod sneller bij elkaar komen. Dat is belangrijk en dan hebben we het over structurele oplossingen. Wil de Staatssecretaris het helemaal aan de markt overlaten of zijn voor hem bepaalde maatregelen wel bespreekbaar? Ik denk er bijvoorbeeld aan om een aanvraag in te dienen bij de Europese Commissie om artikel 222 open te stellen, om afzetorganisaties en de groente- en fruitsector meer armslag te geven om hun marktpositie te versterken. Ik hoor hierop graag een reactie van de Staatssecretaris.

Een andere maatregel die de positie van boeren kan versterken, is de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid. Kan de Staatssecretaris melden wat de gesprekken met de Europese Commissie hierover hebben opgeleverd? Ik weet dat de groente- en fruitsector naarstig op zoek is naar nieuwe afzetmarkten, maar laten we 17 miljoen potentiële afzetkanalen niet over het hoofd zien, 17 miljoen Nederlanders die dagelijks te weinig groente en fruit eten. Is de Staatssecretaris bereid om met de Minister van VWS een campagne op te starten die is gericht op meer consumptie van groente en fruit van eigen bodem? Dat is goed voor onze boeren en tuinders en goed voor onze volksgezondheid.

De Staatssecretaris heeft eind mei met zijn Europese collega's van gedachten gewisseld over de toekomst van het GLB. Wat de ChristenUnie betreft richt het GLB zich na 2020 op regionalisering van de voedselproductie. Dan hebben we het bijvoorbeeld over de uienproductie, om de import vanuit derde landen te verminderen. Bij de begrotingsbehandeling is hierover de motie-Dik-Faber/Geurts aangenomen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe hij deze motie betrekt bij de verdere uitwerking van zijn agenda?

Binnenkort loopt de toelating van het middel glyfosaat af. Andere woordvoerders hebben daarover ook gesproken. Nog altijd is er geen akkoord over een verlenging van de toelatingstermijn. Klopt het dat de Europese Commissie maandag een besluit neemt als er vrijdag geen meerderheid is in het beroepscomité? Vindt de Staatssecretaris het wenselijk dat een niet-democratisch orgaan de knoop kan doorhakken als er zo veel weerstand is tegen verlenging? Wat zijn de gevolgen als de toelating niet wordt verlengd? In het verlengde hiervan: welke mogelijkheden biedt het implementatieplan over duurzame gewasbescherming als alternatief voor glyfosaat? Het doel is om de komende anderhalf jaar de beschikbaarheid van laagrisicomiddelen te vergroten. Kost dit niet veel meer tijd? Ik heb weleens een termijn van zeven jaar horen noemen. Wanneer verwacht de Staatssecretaris dat de eerste middelen kunnen worden toegelaten?

Over het kwekersrecht heb ik een korte vraag. Verwacht de Staatssecretaris dat met de interpretatieve verklaring van de biotechrichtlijn alles kan worden opgelost of is er meer nodig?

Mijn laatste punt is de export van gehygiëniseerde mest naar Duitsland. Nederlandse exporteurs lopen in Nedersaksen tegen een muur van onwil aan, omdat de Duitse deelstaat weigert om verwerkte mest conform Europese regelgeving te zien als dierlijk bijproduct in plaats van afval. Wil de Staatssecretaris zijn Duitse collega opbellen en de zaak oplossen?

Mijn allerlaatste zin gaat over de weersproblemen. Het weer wordt nu wel heel extreem. Staat dit op de Europese agenda en wat kan de Staatssecretaris betekenen in deze discussie?

De voorzitter:

De weersproblemen, om maar met een klein issue te eindigen. Stop de regen!

De heer Geurts (CDA):

Voorzitter. De familie- en gezinsbedrijven zijn van groot belang voor de Nederlandse economie en ons landschap. Het CDA maakt zich grote zorgen over de vele boerengezinnen die gebukt gaan onder de aanhoudende slechte prijzen. Er wordt stille armoede geleden. In bijvoorbeeld de fruitteelt, varkenshouderij en melkveehouderij is het vet van de botten. Dit is een structureel probleem waarvoor oplossingen gezocht moeten worden. Met onze zusterpartijen in andere Europese landen hebben we als EVP (Europese Volkspartij) een aantal ideeën bij elkaar gebracht. Een aantal hiervan is recentelijk in EVP-verband in een actieplan gelanceerd. Nu vraag ik de Staatssecretaris niet om in te gaan op het gehele plan, want dat doen we de rest van het jaar wel, maar wel om een reactie op een bepaald punt. Heel prominent zien we in alle Europese landen de macht van de retail naar boven komen. Die moet doorbroken worden. Hoe ziet de Staatssecretaris dit? Zouden we afspraken kunnen maken over het verkopen van producten van onze boeren als merkproducten? Zojuist namen we een pamflet van de fruittelers in ontvangst. Voor mij staat vast dat voor de fruitteelt nieuwe markten gevonden moeten worden nu de Russische boycot aanhoudt. Komt er meer inzet van het ministerie, maar ook van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), voor export van onze mooie appels en peren? In het gesprek met de fruittelers werd naar voren gebracht dat er geen regeling moet komen die alleen Europese lidstaten verder helpt. Hoe ziet de Staatssecretaris dit? Gaat hij zich hiertegen verzetten?

Er is crisisgeld. Er is 30 miljoen aan Europees geld naar Nederland gestuurd. Is dit geld al aangekomen op het boerenerf? Worden er gesprekken gevoerd over collectieve leningen voor de agrarische sector tussen het Rijk, de Europese Investeringsbank (EIB) en de landbouwsector? Dat brengt mij bij het nieuwe pakket om de crisis te verlichten. Hoe denkt de Staatssecretaris over de ondersteuning van vrijwillige productiebeperking in de melkveehouderij? Pleit hij voor nationale enveloppen voor vrijwillige beperking, zodat de Fransen, Duitsers en Polen niet alles opeisen?

In de praktijk blijkt dat de jongeboerenregeling niet oplevert wat ervan werd verwacht. Het CDA wil een goede, op Nederland toegesneden regeling voor directe top-up betalingen voor jonge boeren. Nu worden jonge boeren uitgesloten die al langer dan vijf jaar in de maatschap zitten. Dat is in de Nederlandse situatie onrechtvaardig, omdat opvolgers in ons land jong in de maatschap stappen en pas als ze een jaar of 30 zijn het bedrijf overnemen. Is de Staatssecretaris bereid om dit op te nemen met Eurocommissaris Hogan, zodat er zo snel mogelijk een wijzigingsvoorstel komt dat toegesneden is op de Nederlandse situatie?

Ons land is de afgelopen weken zwaar getroffen door wateroverlast. Het gewas van verschillende kwekers heeft zo lang onder water gestaan, dat er voor grote schade wordt gevreesd. Het is goed dat de Staatssecretaris binnenkort het getroffen gebied gaat bezoeken. Als ik het goed begrepen heb, doet hij dat volgende week. De huidige brede weersverzekering dekt niet alle schade. Er zijn hoge kosten en er is een flinke drempel in de weersverzekering. Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om de gevolgen voor de getroffenen te verlichten? Komt er een evaluatie van de brede weersverzekering?

Het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) komt slecht van de grond. De provincies leken er lang over te doen om met regelingen te komen, maar mij bekruipt het gevoel dat er bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geen schot in zit. Het gevolg is dat er geld dreigt te blijven liggen dat bestemd is voor het boerenerf. Drie zaken zijn nodig om het POP van de grond te krijgen, zodat de Staatssecretaris aan Brussel voortgang kan rapporteren: meer regie vanuit het POP-bureau voor de regelingen, onderbouwing en beheersbaarheid van de kosten die in rekening worden gebracht door de RVO en een werkende ICT en voldoende bemensing bij de RVO. Is de Staatssecretaris bereid om hier werk van te maken en hierover voor het zomerreces te rapporteren aan de Kamer?

De Staatssecretaris schrijft in een brief op vragen van collega Wassenberg dat gevonden dode vissen zeer waarschijnlijk de schuld zijn van de beroepsvisserij. Nu schrijft de Staatssecretaris dat het toch anders zit. Iedereen kan fouten maken, maar het toegeven daarvan is geen verkeerde eigenschap. Waarom maakt de Staatssecretaris geen excuses aan de beroepsvisserij? Verder hebben we begrepen dat de Staatssecretaris heeft meegevaren op een paar kotters. Wat vond hij daarvan? Is zijn beeld van de aanlandingsplicht veranderd?

Over het transport van mest door Nedersaksen zijn door de ChristenUnie al vragen gesteld. Daar sluit ik mij bij aan. De Staatssecretaris heeft gezegd dat hij de Europese Commissie om duidelijkheid heeft gevraagd, maar dat is alweer een paar maanden geleden. Ik hoor hierover graag een update.

Het Nederlandse voorzitterschap zit er bijna op. Vooraf gaf het kabinet aan in te zetten op innovatie, concurrentiekracht en vereenvoudiging. Wat is hiervan volgens de Staatssecretaris bereikt?

De voorzitter:

Ik dank de Kamer voor de inbreng in eerste termijn.

De vergadering wordt van 11.40 uur tot 11.56 uur geschorst.

De voorzitter:

De Staatssecretaris zit klaar om al uw vragen te beantwoorden. Ik sta twee interrupties per fractie toe, mits kort en krachtig geformuleerd. Ik zie daar streng op toe, want dan redden we het binnen de tijd. Ik moet zelf naar een ander overleg om 13.00 uur en heb de heer Geurts bereid gevonden om het laatste halfuur voor zijn rekening te nemen.

Staatssecretaris Van Dam:

Voorzitter. Ik hoop dat ik met de veelheid aan vragen alle antwoorden ga geven, maar u trekt waarschijnlijk wel aan de bel als dit niet het geval is. Het is de laatste Landbouw- en Visserijraad onder Nederlands voorzitterschap. Het is überhaupt de laatste Raad onder Nederlands voorzitterschap. Dat kan ook niet anders, want er zijn na deze Landbouw- en Visserijraad nog maar twee dagen van het Nederlands voorzitterschap over. Daarmee komt er een einde aan een boeiende periode. Een periode waarin je in het midden zit van de Europese besluitvorming, wat soms meer mogelijkheden geeft maar soms ook minder. We hebben dat eerder met elkaar gewisseld, toen de Kamer vroeg waarom ik mij op bepaalde onderwerpen niet steviger opstelde. Het voorzitterschap vergt soms dat je probeert om de verschillende geluiden in de Raad bij elkaar te brengen en dat maakt het lastiger om het Nederlandse standpunt met grote trom uit te dragen. Tegelijkertijd kunnen we terugkijken op een voorzitterschap waarbij we veel van de vooraf gestelde ambities hebben kunnen realiseren. Veel van die onderwerpen komen langs in dit algemeen overleg. Terugkijkend denk ik dat we gedurende deze zes maanden het meeste van wat we van plan waren, hebben kunnen realiseren. Dat is een enorme klus geweest, zeker ook voor alle mensen op het departement. We mogen de huid niet verkopen voordat de beer geschoten is. We kijken dus pas terug na deze Landbouw- en Visserijraad, want we hebben nog een paar ingewikkelde hobbels tijdens de Raad te nemen. Voorzichtig aan kijken we met de nodige tevredenheid terug.

Ook voor deze Raad staat de marktsituatie op de agenda – het is een terugkerend patroon tijdens het gehele voorzitterschap – omdat op drie markten Europese producenten last hebben van lage prijzen. Deels komt dat door het wegvallen van de Russische markt door de Russische boycot. De Kamer en ik hebben daarover een van de prettigste petities van de afgelopen maanden aangeboden gekregen. Die staat hier voor me en ik adviseer de commissie van harte om er gretig gebruik van te maken. De aanleiding is natuurlijk minder prettig; de fruittelers hebben behoorlijk veel last gehad van het feit dat de Russische markt is dichtgegaan. Zij vertelden net buiten de zaal dat zij ongeveer een vijfde van hun omzet op de Russische markt haalden. Die is weggevallen. We moeten realistisch zijn dat die markt niet van vandaag op morgen weer opengaat. Alles heeft natuurlijk te maken met de politieke situatie, de politieke spanningen tussen de EU en Rusland, in het bijzonder over de activiteiten van Rusland in Oekraïne. Zoals de Kamer heeft kunnen lezen, is er ook deze week weer in Europees verband over gesproken.

Er is een aantal dingen in gang gezet vanaf het moment dat de boycot tot stand kwam. Ten eerste is er in Europees verband een pakket aan bijzondere maatregelen genomen voor steun aan producenten van groente en fruit. Die gingen met name over interventie, dus het van de markt halen van aanbod. Nederlandse telers hebben daar weinig gebruik van gemaakt. Het is natuurlijk altijd zoeken naar de reden daarvoor. De een zal zeggen dat de prijzen aan de lage kant waren en de ander dat er nieuwe markten zijn aangeboord. Voor Nederland is maar ongeveer 12% van de mogelijkheden gebruikt voor het uit de markt nemen van appels en peren en slechts 3% voor het uit de markt nemen van tomaten en paprika's. Nederlandse producenten hebben internationaal een sterke positie, dus zowel mijn voorganger als ik hebben volop ingezet op het uitbuiten, het benutten, van die positie door internationaal nieuwe markten te openen. Een voorbeeld daarvan is Vietnam. Dat is ook opengegaan door inspanningen van onze kant. De heer Bosma vroeg wat de resultaten van de handelsmissies zijn. We zijn nog bezig met Zuid-Afrika. Die handelsmissie heb ik zelf in november vorig jaar bijgewoond. Het openen van een nieuwe markt heeft best wat voeten in de aarde, want de gesprekken daarover lopen nog steeds. We zijn optimistisch dat het uiteindelijk gaat lukken omdat er in Zuid-Afrika een behoefte is aan fruit in het seizoen waarin men het zelf niet kan telen, maar we krijgen zo'n markt niet van de ene op de andere dag open. Dat vergt de nodige inspanning.

De heer Geurts vroeg of er wel voldoende inzet is vanuit EZ dan wel de NVWA om de exportmogelijkheden te ondersteunen. De capaciteit daarvoor is de afgelopen jaren niet minder geworden en men heeft niet de ervaring dat dossiers blijven liggen. De capaciteit is voldoende om de inzet op het vergroten van de exportmogelijkheden aan te kunnen en te ondersteunen.

Andere afzetmogelijkheden liggen gewoon op onze binnenlandse markt. Ik geloof dat mevrouw Dik-Faber dat ook zei. Het zou voor iedereen goed zijn, niet alleen voor de telers maar ook voor de consument en voor kinderen, om wat meer fruit en groente te eten. Daar zijn we druk mee bezig. Een van de leden vroeg of ik daarin kan optrekken met VWS. Ik bekijk samen met de Staatssecretaris van VWS, die over preventie gaat, op welke manier we langs verschillende sporen de consumptie van groente en fruit kunnen stimuleren. We bekijken ook samen met de telersorganisaties of we een deel van het geld voor gemeenschappelijke marktordening (GMO) – dat is weer ander Europees subsidiegeld voor de tuinbouw – kunnen inzetten voor de promotie van de consumptie van groente en fruit. Ik verwacht er dit najaar concrete voorstellen voor. Ik verwacht ook na de zomer nadere voorstellen te kunnen presenteren over de wijze waarop we de consumptie van groente en fruit bij kinderen gaan stimuleren. Na afloop van het komend schooljaar gaat de nieuwe periode van het EU-schoolfruitprogramma in. Dit wordt uitgebreid en de inzet is om daar extra activiteiten aan te koppelen. Nationaal proberen we de consumptie van groente en fruit aan te jagen en te stimuleren. Dat is zeker in het belang van ons aller gezondheid. Ik geloof dat ik mij het doen van de volgende aanwijzing wel mag permitteren: eet meer fruit, dat is goed voor iedereen en we helpen er ook nog eens de Nederlandse telers een klein beetje extra mee.

Er staan meer marktmaatregelen op de agenda. Er wordt volop gesproken over de zuivelmarkt en de markt voor varkensvlees. Het positieve nieuws is dat op beide markten de prijzen iets lijken aan te trekken. Er is echter, zoals ik eerder heb gezegd, geen sprake van een tijdelijk probleem. Er is zeker op de markt voor varkensvlees sprake van een structureel probleem omdat er structureel meer productie dan vraag is. Weliswaar zien we internationaal de afzetmogelijkheden iets vergroten, maar de grote vraag is hoe duurzaam dit is en of dit een antwoord biedt op de problemen waarmee de Europese producenten zitten. Daarvoor loopt vanuit de Nederlandse sector het traject-Rosenthal. Ik verwacht op korte termijn, waarschijnlijk nog deze week, de Kamer te kunnen informeren over wat daaruit komt en op welke manier dit vanuit het departement ondersteund kan worden.

In de Raad hebben we afgesproken dat in de komende Raad besproken wordt wat het effect is van het pakket dat in maart is neergelegd en of er meer moet gebeuren. De maatregelen van maart hebben vooral ingezet op de vrijwillige beperking van de productie, in het bijzonder in de zuivel. Daar is beperkt gebruik van gemaakt. We hebben eerder besproken dat er ruimte was voor lidstaten om dit te ondersteunen, omdat het staatssteunkader iets is opgerekt. Daar is tot nu toe ook nauwelijks gebruik van gemaakt. De afspraak met de Europese Commissie was dat er, gelet op de structurele problematiek, vanuit de Commissie een nieuw pakket aan maatregelen zou worden gepresenteerd. Enkele leden vroegen naar mijn inzet; ook ik vind dat het gelet op het structurele karakter van de problematiek gerechtvaardigd is dat de Commissie vanuit haar budgetten een inspanning doet om de lidstaten te helpen om de structurele problematiek van een structureel antwoord te voorzien. Ik heb eerder gezegd dat als er extra geld op tafel komt, mijn inzet is om dat te gebruiken voor herstructurering dan wel voor structurele reductie van de productie.

De Commissie heeft recentelijk aangegeven nog niet de middelen te hebben gevonden om in deze Raad tot een voorstel te komen. Dat vind ik zeer spijtig en met mij vindt een grote meerderheid van de lidstaten dat. Ik denk dat we daar maandag een stevig gesprek over hebben in de Raad. Mijn streven is om te komen tot gezamenlijke Raadsconclusies waarin we aangeven wat we van de Europese Commissie op korte termijn verwachten, zodat we in de Raad van juli daadwerkelijk over een pakket concrete maatregelen kunnen spreken. Mevrouw Visser en mevrouw Dik-Faber vroegen in dit kader wanneer de evaluatie van het steunpakket van afgelopen september en maart plaatsvindt. De Commissie zal maandag informatie geven over de besteding van de middelen van afgelopen september. Er was afgelopen maandag ruim 250 miljoen besteed, maar de verwachting is dat voor het eind van de maand, dan loopt de deadline ongeveer af, de middelen volledig zijn benut. Er zijn lidstaten die de middelen vrij snel hebben verdeeld onder de producenten in een sector. Dat leidt tot een vrij beperkt steunbedrag per boer. De heer Geurts vroeg of de middelen die Nederland heeft toegekend gekregen op het boerenerf zijn geland. Nee – volgens mij weet hij dat – want we hebben in Nederland afspraken gemaakt met de producentenorganisaties NZO (Nederlandse Zuivel Organisatie) en de POV (Producenten Organisatie Varkenshouderij) over de manier waarop we de middelen inzetten. Nederland wil dat deze middelen worden benut voor de structurele versterking van zowel de zuiversector als de varkenssector. Er zijn met beide organisaties afspraken gemaakt over de manier waarop dat geld wordt besteed. Het geld is inmiddels bij beide producentorganisaties beland, want het moest daar voor 30 juni a.s. zijn. De NZO keert volgens mij in het najaar uit op basis van de afspraken. De POV benut het geld ter ondersteuning van het traject dat is uitgezet door de commissie-Rosenthal en besteedt het aan herstructurering, versterking van de mestverwerkingscapaciteit en de totstandkoming van een kwaliteitssysteem in de varkensketen.

De heer Geurts pleitte voor nationale enveloppen. We zijn nog in gesprek, ook binnen de Raad, over de manier waarop een extra steunpakket vorm moet krijgen. Daarover verschillen vanzelfsprekend de opvattingen. Ook is per lidstaat verschillend welke sector de grootste zorg is. In sommige lidstaten beperken de zorgen zich tot de zuivelsector en bij andere zijn de problemen groter in de varkensvleesketen. Meer zuidelijke lidstaten hebben juist meer zorgen over de groente- en fruitsector. In de Raadsconclusies zullen we de verschillende sectoren adresseren. We streven naar overeenstemming over het idee dat een aanvullend pakket in de Raad van juli ingezet moet worden voor structurele verbeteringen in de sectoren en dat we maatregelen moeten nemen die daadwerkelijk tot effect leiden, zodat we over een jaar niet met dezelfde soort situatie zitten. Er is gekeken naar vrijwillige productiebeperking, maar ik zei al dat die maar beperkt resultaat heeft gehad. Als men vrijwillige productiebeperking alleen voorziet van een tijdelijke eenmalige compensatie, dan heeft deze een kortdurend effect. We zijn juist op zoek naar een structureel effect. Daar zal het gesprek op maandag in de Raad over gaan en hopelijk mogen we in de Raad van juli voorstellen verwachten van de Europese Commissie. Ik ga ervan uit dat de Raad daar maandag dringend om verzoekt.

De heer Wassenberg (PvdD):

De Staatssecretaris zegt dat het geld verdeeld gaat worden in een steunpakket voor de varkenssector, mestverwerking en kwaliteitsversterking en hij had het ook over vrijwillige productiebeperking. Is dat laatste een van de criteria voor steun? Een van de structurele problemen is de overproductie, dus ik kan mij voorstellen dat vrijwillige productiebeperking een van de voorwaarden is. Is daar sprake van of staat het daar los van?

Staatssecretaris Van Dam:

Dat wat ik net meldde, ging over de manier waarop wij de 30 miljoen van het afgelopen najaar hebben besteed. Nu gaat het over de aanvullende maatregelen die hopelijk voortkomen uit de Raad van juli. Die moeten wat mij betreft leiden tot structurele verbeteringen. Dat betekent ook een structurele reductie van productieniveaus. De analyse van de Raad is, en die wordt gedeeld, dat we te maken hebben met een structureel probleem en een structurele overproductie in de zuivelsector en met name in de varkensvleessector. De verwachting voor de zuivelsector is dat naar verloop van tijd de markt verder aantrekt en er internationaal meer mogelijkheden komen. Ook daarvoor geldt dat het effect van de lage prijzen vooral een toename van productie is geweest. Het leidt tot een soort spiraal naar de bodem. De verschillende lidstaten zijn al tijden op zoek naar mogelijkheden om het tij op een duurzame manier te keren, zodat we niet over drie maanden hoeven te constateren dat we Europees belastinggeld hebben uitgegeven, maar daarmee het probleem niet verminderd hebben.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik herken dat de lage prijzen leiden tot productieverhoging en dat we in een spiraal terechtkomen die we willen doorbreken. Het Europees GLB biedt de sector met artikel 222 een handvat om afspraken te maken terwijl het mededingingsrecht dit toestaat. In Nederland kennen we de Beleidsregel mededinging en duurzaamheid die, als we die Europees uitrollen, handvatten biedt aan de sector om de handen ineen te slaan en te komen tot een sterkere positie. Neemt de Staatssecretaris die zaken mee in zijn overleg, opdat die in juli terugkomen op de agenda?

Staatssecretaris Van Dam:

Afgelopen maart hebben we artikel 222 in werking gesteld. We hebben de producenten de mogelijkheid geboden om afspraken te maken om hun productie te beperken. Ik gaf al aan dat daar nauwelijks gebruik van is gemaakt. Het is niet per se in het belang van producenten om hun productie te verlagen. De reflex van veel producenten was om bij een lage prijs het inkomen op peil te houden door meer te produceren. Daarom hebben we gezocht naar producenten op collectief niveau, bijvoorbeeld op coöperatieniveau, en kunnen coöperaties afspraken maken om de productie te reduceren. Die mogelijkheid is er en het is aan de markt om daar gebruik van te maken en om onderling te bekijken hoe men voor compensatie kan zorgen als die nodig is. Een van de bespreekpunten is natuurlijk dat een en ander niet echt van de grond komt, terwijl het in ieders belang is dat dit wel gebeurt. Een van de issues op de agenda van maandag wordt de vraag op welke manier we met een aanvullend pakket kunnen ondersteunen dat deze beweging daadwerkelijk gemaakt wordt. De Beleidsregel mededinging en duurzaamheid kan de Kamer verwachten. Deze is primair de verantwoordelijkheid van de Minister, maar we zijn er druk mee bezig. Ik verwacht dat die op niet al te lange termijn bij de Kamer ligt.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Nog even over artikel 222. Het lijkt me inderdaad goed als we grondig analyseren waarom daar zo weinig gebruik van wordt gemaakt. Er is zelfs een pleidooi vanuit de sector om het artikel in werking te laten treden. Kennelijk is er veel onbekendheid en weet men niet dat men er gebruik van kan maken. Ik geef dit mee aan de Staatssecretaris voor zijn overleg.

Staatssecretaris Van Dam:

Het kan best dat er wel eens iets aan de aandacht van de sectororganisaties ontsnapt, maar het feit dat deze mogelijkheid in het pakket van maart is gecreëerd, is volgens mij niemand ontgaan. Hierover is Europabreed in de zuivelsector gesproken. Het heeft echter nog niet geleid tot het beoogde effect. Ik ben er eigenlijk zeker van dat iedereen ervan op de hoogte is.

Ik kom bij de overige vragen over het GLB. Op de agenda staat ook deel 2 van de vereenvoudigingsdiscussie. De Commissie zal voorstellen presenteren over de vereenvoudiging van de vergroeningsmaatregelen. We weten echter nog niet wat de Commissie precies gaat presenteren. We verwachten dit eind deze week te vernemen. De Eurocommissaris zal in ieder geval de resultaten presenteren van de consultatie die begin dit jaar is gehouden. Ik heb de Kamer mijn inbreng toegestuurd. De verwachting is overigens dat in de Raad alleen een presentatie plaatsvindt en dat de nadere uitwerking en invulling daarvan terugkomen op volgende Raden en nog een aantal keren besproken worden. Het onderwerp komt regelmatig terug op de agenda en dan kan mevrouw Visser zien of er naast over vereenvoudiging ook gesproken wordt over de 7% vergroening waar zij zich herhaaldelijk zorgen over maakt.

Mevrouw Koşer Kaya vroeg waartoe alle discussie over vereenvoudiging tot nu toe heeft geleid en wat de Nederlandse inzet is. In het verslag van de vorige Raad kan zij lezen wat de Commissie aan algemene vereenvoudigingsmaatregelen op tafel heeft gelegd. Deze Raad presenteert de Commissie wat de consultatie over de vereenvoudiging van de vergroening heeft opgeleverd. Daarover wordt dus in de tweede helft van dit jaar uitgebreid verder gesproken. In het verslag van de komende Raad zal de Kamer teruglezen wat het resultaat van die inspanningen is geweest. In komende AO's spreken we nog over komende Landbouw- en Visserijraden, in dat geval onder Slowaaks voorzitterschap, en over de Nederlandse inzet in de verdere discussie.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik betwijfel of ik mijn twee interrupties hieraan moet wijden. Het is heel fijn dat er een follow-up komt, maar ik wil graag weten wat de concrete inzet van de Staatssecretaris is.

Staatssecretaris Van Dam:

Die heb ik de Kamer in februari toegestuurd en toen hebben we die besproken. In Nederland was er de afgelopen week de nodige ophef over de breedte van akkerranden. Er waren namelijk akkerranden afgekeurd die breder waren dan 20 meter. Hierop gaven mensen herhaaldelijk de reactie dat dit absurd is. Dat is het ook, maar het is een gevolg van een van de Europese regels. Dit is een voorbeeld van onze inzet: we hebben tegen Brussel gezegd dat het vrij bizar is om de regels zo op te stellen dat een akkerrand 20 meter moet zijn en wordt afgekeurd als die 22 meter is, als de inzet is om zo veel mogelijk vergroening te realiseren. Dit is een van de meest sprekende voorbeelden van Europese regelgeving die we kunnen vereenvoudigen en die misschien nog wel meer kan opleveren.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Toevallig kwam deze discussie ook voorbij bij die boer in Veendam. Hij liet mij zien wat voor gevolgen die regel voor hem had. Ik ben het helemaal met de Staatssecretaris eens, maar het gaat niet alleen om dat stuk. Die brief ken ik ook. De verfijning van de invulling heb ik echter nog niet gezien.

Staatssecretaris Van Dam:

Dat klopt. Ik zei zojuist dat de Eurocommissaris in de Raad van maandag presenteert hoe hij ertegen aankijkt en wat de consultatie heeft opgeleverd. Daarin hebben we een aantal van dit soort voorbeelden aangedragen. In het verslag van de Raad van maandag krijgt de Kamer te zien op welke manier de Eurocommissaris een en ander invult. Vervolgens keert het later dit jaar terug op de agenda waarna we kunnen bespreken of het voldoet aan de Nederlandse inzet of dat verdere aanscherping nodig is.

De heer Leenders en mevrouw Visser vroegen hoe de informele Landbouwraad van eind mei is verlopen, hoe de discussie ging en wat andere lidstaten vonden. De Kamer weet dat ik niet van alle 27 collega's vertel wat zij hebben ingebracht. De Kamer kan dit lezen in het verslag. In algemene zin was het de start van de discussie over de volgende GLB-periode. Tijdens zo'n start is iedereen aftastend en verschillen de standpunten op een aantal onderdelen. Er was echter een bemoedigende overeenstemming over de inzet op verdere verduurzaming van het GLB en over het belang om de inzet vanuit de landbouw ten behoeve van klimaatverandering vanuit het GLB sterker te ondersteunen. Ook was er volledige overeenstemming over het idee dat innovatie een belangrijk onderdeel moet uitmaken van het toekomstig GLB. Er is uitvoerig gesproken over het belang om de positie van de boer in de keten verder te versterken, over het feit dat het GLB betere instrumenten nodig heeft om dit te kunnen realiseren en over het feit dat ook betere instrumenten nodig zijn om een beter antwoord te geven op marktsituaties zoals die waarmee we nu te kampen hebben. De discussiepunten die we op de agenda hebben gezet, zijn ook daadwerkelijk de onderwerpen waarover de komende twee, tweeënhalf jaar verder wordt gesproken. Ik zal met de twee opvolgende voorzitters, Slowakije en Malta, bekijken op welke wijze zij deze discussie verder kunnen brengen, want dit was de kick-off van het debat. Ik verwacht dat we de komende tijd zo nu en dan met elkaar spreken en dat naarmate de tijd vordert het gesprek over de volgende GLB-periode intensiever zal worden. Het zal een ingewikkeld debat worden. Het zal ook oplopen met het debat over het MFK (Meerjarig Financieel Kader), het EU-budget en de inzet en de verdeling daarvan over de verschillende doelen. Het is bemoedigend dat er een zekere overeenstemming was over de vraag wat de hoofdissues in de gesprekken de komende twee jaar moeten zijn.

De heer Geurts vroeg naar de jongeboerenregeling, die wat hem betreft nu niet het gewenste effect heeft. We hebben het daarover eerder gehad. Ik neem de problemen die in Nederland tot ongewenste beperkingen leiden mee in de discussie over de verdere vereenvoudiging.

Ik wil de stap maken naar de visserij.

Mevrouw Visser (VVD):

Ik heb even gewacht met mijn interruptie, omdat de Staatssecretaris het gehele landbouwpakket in een keer besprak. Ik worstel een beetje. De Staatssecretaris schuift namelijk veel dingen op de langere baan; de komende twee jaar, de komende tweeënhalf jaar, in juli. We hebben nu een probleem. Nederland is geen kleine Calimero maar de tweede exporteur ter wereld wat betreft land- en tuinbouw. Wat is de concrete inzet van de Staatssecretaris op al die punten, de marktsituatie, het GLB? Het constateren en het delen van de analyse is prima, maar de vraag is wat we concreet gaan doen. Als de Staatssecretaris nu al weet dat hij in juli tot besluitvorming gaat komen, moet hij een beeld hebben van de Nederlandse inzet en de vraag waar de moeilijkheden en bezwaren zitten. Ik heb daarnaar gevraagd, maar vooral een procesantwoord en geen inhoudelijk antwoord gekregen. Kan hij inhoudelijk op de vraag reageren?

Staatssecretaris Van Dam:

Ik ben van mening dat ik dat heb gedaan, maar ik wil dat best nog een keer doen. Het pakket maatregelen dat in maart is ingezet en dat de producenten de mogelijkheid geeft om tot actie over te gaan, leidt tot onvoldoende resultaat en maakt dat er een goede grond is om te komen tot een aanvullend pakket met financiën vanuit de Europese Commissie. Dat betekent een nieuw steunpakket, maar een dat gericht moet zijn op structurele verbeteringen, dus op herstructurering dan wel structurele reductie van de productieniveaus. Ik wil nadrukkelijk niet dat het geld alleen wordt ingezet voor een tijdelijke verlichting. Het is niet te legitimeren dat we daarvoor belastinggeld inzetten. Daarnaast wil ik niet dat het pakket maatregelen het gelijke speelveld binnen de EU verstoort doordat lidstaten bijvoorbeeld de gelegenheid krijgen om steun toe te kennen aan hun bedrijven en dit leidt tot een betere marktpositie voor die individuele bedrijven. Dit was ook een voorwaarde voor het pakket zoals het in maart op tafel is gelegd; staatssteun kan alleen ingezet worden als die leidt tot een reductie van de productieniveaus. Daarmee versterkt men niet de eigen marktpositie maar de positie van de gehele Europese markt en daarom vind ik dat te billijken. Dat is wel een rode lijn; het gelijk speelveld is een van de belangrijkste elementen van het GLB.

Mevrouw Visser (VVD):

Wij onderschrijven dat. Daarom willen wij graag actie en niet afwachten wat anderen gaan doen. Lidstaten als België en Duitsland zijn ondertussen wel bezig met nationale plannen. Wij maken ons zorgen om onze eigen positie. Wij hebben zelf ook wat stappen te zetten in onze eigen wet- en regelgeving om ervoor te zorgen dat de kostprijs in Nederland, die hoger ligt dan in vergelijkbare lidstaten, naar beneden kan worden gebracht. Hoe gaat de Staatssecretaris zich in Europa inzetten voor het gelijke speelveld? Hoe zorgt hij ervoor dat Nederland concurrerend blijft? Waarop kan de Staatssecretaris op korte termijn inzetten?

Staatssecretaris Van Dam:

Ik zei al dat ik de Kamer later deze week informeer over het rapport van de commissie-Rosenthal en mijn reactie daarop. Daarbij zal het vanzelfsprekend gaan over de concurrentiepositie van de varkenssector, ook binnen Europa. Mevrouw Visser zei dat de kostprijs in Nederland wordt verhoogd door vooral Nederlandse wet- en regelgeving. Ik geef mee dat een van de belangrijkste elementen daarin de milieuregelgeving is, die te maken heeft met een hoog productieniveau in een dichtbevolkt land. Dan heb je bijna automatisch te maken met veel strengere milieuregels waarvan ik denk dat ook mevrouw Visser die niet wil loslaten. Dit staat los van het feit dat een deel is gebaseerd op Europese regelgeving. De mestproblematiek heeft alles te maken met de Europese kaders waarbinnen die moet vallen. Ik deel de zorgen van mevrouw Visser over de pakketten die landen zelf maken. We kijken bijvoorbeeld kritisch naar de inhoud van het Duitse pakket, omdat het moet passen binnen de afspraken die we in maart hebben gemaakt. We houden elkaar aan die afspraken. De verklaringen van Polen, Duitsland en Frankrijk wijzen overigens niet in de richting van verstoring van het gelijk speelveld. Men vindt elkaar in een gezamenlijke richting die het gelijk speelveld blijft respecteren en waarbij men de Europese Commissie vraagt om een sterkere inzet en een nieuw financieel pakket.

De heer Geurts (CDA):

Ik heb vragen gesteld over twee elementen, maar nog geen antwoord gekregen. Ik heb een element uit het actieplan van de EVP gelicht, de macht van de retail, en gevraagd of de Staatssecretaris bereid is mee te werken aan het aanbieden van producten van onze boeren als merkproduct. Daarnaast heb ik gevraagd of er gesprekken over de collectieve lening tussen het Rijk, de EIB en de landbouwsector plaatsvinden.

Staatssecretaris Van Dam:

Voor de macht van de retail hebben we iemand in Europa die de heer Geurts vanuit zijn partij goed kent: de heer Veerman die een taskforce leidt die kijkt naar de gehele voedselketen. De heer Veerman zal maandag in de Raad een presentatie geven met daarin een tussenstand van zijn werk. Ik vermoed dat alle leden Boerderij lezen. Daarin stond een mooi interview met de heer Veerman die al een beetje een voorproefje gaf van wat hij maandag gaat presenteren. Ik was bijzonder onder de indruk; een aantal van de vragen die de heer Geurts aan de orde stelt, komen in dat interview terug. Het is typisch iets wat je nationaal moeizaam kunt regelen. We zagen dit ook bij initiatieven vanuit de Nederlandse sector om duurzaamheidsafspraken te maken, waarvoor men vervolgens vanuit de ACM (Autoriteit Consument & Markt) nul op het rekest kreeg omdat de ACM alles moet toetsen aan de Europese mededingingsregels.

Een van de vragen op het bordje van de taskforce van de heer Veerman is of er binnen de regels meer ruimte gemaakt kan worden voor samenwerking tussen producenten. Dingen die sowieso kunnen, zijn coöperaties en producentenorganisaties. Die passen prima binnen het Europees kader. Ik ben altijd bereid om initiatieven te steunen van producenten om gezamenlijk aan marketing te doen of om gezamenlijk met een merk op de markt te komen, omdat daarin de belangrijkste kansen voor Nederlandse producenten liggen, namelijk meer samenwerken om de markt te benaderen. Een van de sporen in de strategie voor de GMO groenten en fruit is het versterken van de afzetkanalen en de marktbenadering waarvoor Europees geld ingezet kan worden. De Kamer weet dat het geld voor de GMO groenten en fruit in het verleden in veel sterkere mater voor andere doelen werd ingezet, namelijk voor efficiencymaatregelen.

De heer Geurts (CDA):

We wachten de uitkomst van de presentatie van de heer Veerman af. Ik snap dat we daar eerst eens goed naar kijken. Ik wil naar aanleiding van een interruptie van mevrouw Visser toetsen of ik iets goed gehoord heb. De fruitteeltsector heeft vanmorgen aangegeven geen regeling op prijs te stellen die alleen de Oost-Europese landen verder helpt. Heb ik goed begrepen dat de Staatssecretaris niet zal instemmen met regelingen die – laat ik het heel plat zeggen – slecht zijn voor de fruitteeltsector in Nederland?

Staatssecretaris Van Dam:

Regelingen die slecht zijn voor de Nederlandse sector lijken me sowieso niet verstandig. Mij is geen concreet voorstel bekend. Gelijk speelveld geldt ook hier en betekent dat men niet een deel van Europa ondersteunt en een ander deel niet. We moeten allemaal gebruik kunnen maken van gelijke mogelijkheden.

Ik ben bij het tweede blokje aangeland, over de visserij. Mevrouw Visser vroeg naar de discussie over de visserij in de Middellandse Zee. Het is goed dat er stappen worden gezet en dat ook de niet-EU-landen rond de Middellandse Zee daarbij worden betrokken. Dit is een belangrijke stap naar verduurzaming en die is daar ongelofelijk hard nodig. De Noordzee hebben we best goed op orde, maar de situatie van de Middellandse Zee is behoorlijk anders. De maatregelen rond de Middellandse Zee hebben overigens voor Nederlandse vissers geen gevolgen omdat Nederland er geen belangen heeft. Die liggen echt bij de Zuid-Europese lidstaten. Het zou goed zijn als men daar stappen zet zoals wij die al gezet hebben, namelijk vissen op basis van op duurzaamheid gebaseerde quota zoals we dat hier voor het overgrote deel ook doen.

Er zijn vragen gesteld over vissen buiten de Europese wateren. De heer Van Gerven vroeg naar het leegvissen van wateren in ontwikkelingslanden. De heer Wassenberg noemde het «het plunderen» van zeeën buiten de EU. De toon is gezet. We hebben er een paar keer eerder over gediscussieerd. Het concrete voorbeeld van Kenia staat op de agenda. We weten dat daar ruimte is voor tonijnvisserij, die niet door de lokale vissers wordt benut. Ik weet één ding zeker: als de EU een afspraak maakt met Kenia, is de inzet van de EU om de visserij op een duurzame wijze uit te voeren en om niet meer te vangen dan het bestand aankan. Ik durf mijn hand niet in het vuur te steken voor heel veel andere grote landen of machtsblokken in de wereld. Als die een dergelijke overeenkomst met Kenia zouden sluiten, dan weet ik niet of die daar dezelfde voorwaarden aan verbinden als wij. De kracht van de externe overeenkomsten is dat je afspraken kunt maken met een land als Kenia. Een aantal leden heeft zorgen over de vraag of de lokale vissers dan nog genoeg te vangen hebben. Dat is altijd de basis voor zo'n overeenkomst. De overeenkomst gaat alleen uit van het surplus, van datgene wat nog op duurzame wijze gevangen kan worden en wat door de lokale vissers niet gevangen wordt. Omdat het gaat om Keniaans water, is het gerechtvaardigd dat we goede afspraken met Kenia maken en dat een deel van de opbrengst in dat land terechtkomt. Het is daarbij van belang om te weten dat dergelijke visserij buiten de kustzone plaatsvindt en niet dicht op de kust, waar over het algemeen de lokale vissers het actiefst zijn.

De heer Wassenberg vroeg of je vissers die een keer over de schreef zijn gegaan, moet uitsluiten, het zogeheten clean record. Dat was een onderdeel van de afspraken, maar het stond al in de controleverordening. Daarin wordt geëist dat vissers niet zijn betrapt op illegale praktijken en geen misbruik hebben gemaakt van omvlaggen.

De heer Geurts vroeg naar de beantwoording van vragen van de heer Wassenberg over het feit dat ergens een behoorlijke hoeveelheid schol was aangespoeld. Hij zei dat in de antwoorden de suggestie lag dat dit te maken heeft met het overboord zetten van te veel gevangen schol door de professionele visserij. Vrij snel na de beantwoording werd duidelijk dat er ook een andere verklaring aan de orde kan zijn, namelijk het feit dat dit was gedaan door de recreatieve visserij. Het is bijzonder spijtig dat professionele vissers hieraan aanstoot genomen hebben. Dat was niet nodig omdat het een mogelijke verklaring was voor wat is aangetroffen. Daarnaast stond er duidelijk in de beantwoording dat het niet zeker was op welke manier dit tot stand was gekomen en dat als er sprake is geweest van het overboord zetten van overschot, dit conform de bestaande regels is. Het gaat om de discussie over de aanlandplicht.

De heer Geurts vroeg mij hoe het mij afgelopen maandag is bevallen. Zeer goed, ondanks de behoorlijk wilde zee. Ik heb op twee schepen meegevaren. Eerst op de MDV 1, gebouwd met behulp van subsidie en een ongelofelijk duurzaam vissersschip. We hebben de volgende generatie kotters mogen ervaren. Ze zijn fluisterstil, je hoort ze bijna niet varen, maar het belangrijkste is dat ze op veel duurzamere wijze vis vangen. Ze verbruiken negen keer minder brandstof per kilo vis die gevangen wordt. Dit is én beter voor het milieu én beter voor de vissers die gebruik kunnen maken van zo'n belangrijke innovatie. Later op de middag hebben we gekeken bij de reguliere kottervisserij, maar dan bij die die gebruikmaakt van pulstechniek. Ik heb kunnen zien wat voor grote uitdaging het wordt voor de vissers als ze straks alles moeten aanlanden. Die discussie hebben we in het najaar gevoerd, maar dat het een uitdaging wordt, is duidelijk.

Er is een aantal vragen gesteld over voedselverspilling. De heer Bosma vroeg of de inzet op verspilling bij de producent wel nuttig is en of het niet meer over de consument moet gaan. Allebei zijn van belang. De Commissie zet zelf in op de voedselverspillingskant aan het eind van de keten, maar wij denken dat het ook van belang is om te kijken naar de voedselverliezen bij de oogst, het transport en de opslag. Daar is internationaal het meeste te realiseren. De discussie moet worden verbreed naar landbouwbeleid en voedselzekerheid maar ook naar ontwikkelingssamenwerking. Nederlanders hebben het een en ander te bieden, zeker wat betreft de logistieke keten. Dit kan er zeker in ontwikkelingslanden voor zorgen dat er veel minder voedsel verloren gaat en meer voedsel vers bij de consument aankomt. Het is ongelofelijk zonde om te zien hoeveel oogst er verloren gaat doordat die niet tijdig gekoeld of niet goed getransporteerd kan worden. We moeten juist de blik op beide kanten richten.

Mevrouw Dik-Faber vroeg of Nederland de ambitie van de EU wil overnemen. Tot nu toe hadden we eigen doelstellingen, maar het belangrijkste zijn de Sustainable Development Goals (SDG's) voor voedselverspilling. Die hebben we overgenomen. De ambitie is gelijk aan die van de EU. Het belangrijkste is om in te zetten op alle plekken waar winst te behalen valt en te onderzoeken op welke manier die winst gerealiseerd kan worden. Het is goed dat dit onderwerp op de agenda van de Raad staat.

Mevrouw Dik-Faber vroeg daarbij naar concrete maatregelen, zoals de aanpassing van de datumvoorschriften. Concrete maatregelen zijn er in de vorm van campagnes. Bijvoorbeeld de campagne van SIRE, die mensen stimuleert om vaker kliekjesdag te houden, om voedsel dat de ene dag niet opgaat, op een andere dag te gebruiken. Het is soms een kwestie van bewustwording. Veel mensen hebben de neiging om alles weg te gooien. Er is een campagne van het Voedingscentrum, er zijn websites vanuit de overheid en het bedrijfsleven met advies voor bedrijven, bijvoorbeeld het No Waste Network. EZ participeert in REFRESH, een EU-onderzoeksproject. Ook vanuit de topsectoren Agri & food en Tuinbouw en uitgangsmaterialen is er inzet via calls voor innovatieprojecten. In 2015 is bijvoorbeeld CARVE gestart, waarbij modellen worden uitgewerkt voor het verder stroomlijnen van de voedselketen en waarbij EZ in de stuurgroep zit. De Monitor Voedselverspilling 2015 komt deze zomer naar de Tweede Kamer. Ons commitment ligt bij Sustainable Development Goal 12.3, dat uitgaat van 50% minder voedselverspilling in 2030.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Het zijn prachtige woorden van de Staatssecretaris, maar ze zijn te weinig concreet. De Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties en de Europese doelen zijn fijn, maar we hebben ook een opgave in Nederland. Er komt een Monitor Voedselverspilling, maar vertaal nu eens de internationale en Europese doelen naar een doelstelling voor Nederland. Durf het eens aan om te zeggen: in 2020 willen we zo veel en in 2025 zo veel. Dan zetten we echt druk op de ketel. De Staatssecretaris heeft het over de datumaanduiding. In Nederland praten we daar al heel lang over en er gebeurt veel te weinig. Ook in Europa zijn stappen te zetten omdat er een Europese lijst van producten is waarop je helemaal geen datum hoeft te zetten. Staatssecretaris Dijkstra zette daar haar schouders onder, maar deze Staatssecretaris hoor ik daar niet over. Ik wil concreet weten wat de Staatssecretaris in Nederland doet en welke ambities hij vanuit Nederland op de Europese kaart zet.

Staatssecretaris Van Dam:

Misschien is het geëigende moment daarvoor als de Kamer de Monitor heeft. Die komt na het zomerreces. Dan kunnen we er een keer verder over spreken, heeft de Kamer een concreet beeld en kan ik de Nederlandse inzet aangeven. De Kamer krijgt er een brief bij. Ik zal bekijken waar verdere verscherping mogelijk is. Het lijkt mij het beste dat we er een keer apart over verder spreken. Vandaag gaat het over wat er op de agenda van de Raad staat en over het feit dat het onderwerp binnen de EU hoog op de agenda blijft staan. Op de agenda staan Raadsconclusies die de Nederlandse inzet bevestigen, ook die in Europa.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Het is prima om er na de zomer verder over te spreken, met alle plezier. Wat mij betreft plannen we een apart algemeen overleg over dit onderwerp, want het gaat mij enorm aan het hart dat we zo veel voedsel verspillen. Vanuit Europa wordt ingezet op verspilling door de consument en wordt gekeken naar de voedselverliezen in ontwikkelingslanden. Dat is allebei goed, maar we missen wat er in de keten gebeurt. We zijn echt afhankelijk van Europa om te komen tot een lijst producten waar geen datum op hoeft te staan. We kunnen in Europees verband bekijken op welke producten we een datum of «best before» zetten. Dat zijn Europese trajecten en die mis ik in het verhaal. Wil de Staatssecretaris daarop reageren?

Staatssecretaris Van Dam:

Onze inzet, ook ten aanzien van de Raadsconclusies, is om ervoor te zorgen dat de focus van de Commissie sterker komt te liggen op de gehele keten en niet alleen op het eind van de keten. Dit ziet de Kamer terug in de geannoteerde agenda. Mevrouw Dik-Faber zegt terecht dat het om een Europese lijst moet gaan. Hierbij is relevant dat we daar op Europees niveau goede afspraken over maken. Mijn inzet is dezelfde als die van mevrouw Dik-Faber. Daar waar er geen noodzaak is om met houdbaarheidsdata te werken, moet je dat niet doen. Het geeft namelijk aan consumenten een prikkel om een product weg te gooien, terwijl het nog goed is. We zetten in op de mogelijkheden voor het maken van afspraken in Europa. Tegelijkertijd gaan de producten uit Nederland de grens over, dus dit zijn geen dingen die je nationaal kunt regelen. Ook dit soort dingen verstoort het gelijke speelveld in Europa.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

De Staatssecretaris zegt bij elk onderwerp dat we er over een paar maanden op terugkomen om het specifieker te maken en het concreter invulling te geven. Dat ben ik niet van hem gewend. Dat is jammer. Als je het over voedselverspilling hebt, heb je het over miljarden op Europees niveau en over miljoenen op Nederlands niveau. Met dat geld kunnen we veel beter andere dingen doen. Een heel simpele vraag: het is toch niet ingewikkeld om het voorbeeld van Italië te volgen? Waarom is de inzet van Nederland niet om dat op Europees niveau te doen? Waarom moet er een datum op bonen of linzen gezet worden? Het debat hierover hebben we vorig jaar gevoerd. We zijn een jaar verder en een simpele datumaanduiding krijgen we niet voor elkaar. Ten eerste: schrap data op dit soort producten. Ten tweede: zet erop «kwaliteit gegarandeerd tot». Dat zijn mooie Nederlandse woorden die iedereen begrijpt. Waarom is dat niet mogelijk?

Staatssecretaris Van Dam:

Ten eerste is mijn inzet dezelfde, zoals ik net tegen mevrouw Dik-Faber zei: data die niet nodig zijn, moeten niet worden opgenomen. Ten tweede is het van belang om er Europese afspraken over te maken. Mevrouw Koşer Kaya is een van de ferventste voorstanders van Europese samenwerking. Het maken van afspraken gaat niet vanzelf. Als wij iets vinden, betekent dit niet dat 27 lidstaten kritiekloos volgen. Was het maar zo. Maar misschien is dat zelfs niet altijd verstandig. Het feit dat we het onderwerp op de agenda hebben gezet en Raadsconclusies trekken, is al een heel belangrijke stap. Dit maakt dat er door 28 lidstaten wordt onderkend dat het een belangrijk onderwerp is en dat ze ambitieus moeten zijn. Ik deel het ongeduld van mevrouw Koşer Kaya; ik wil ook dat het op meer fronten wat sneller gaat. Zij zei in generieke zin dat ik vandaag een paar keer als antwoord geef dat iets over een paar maanden terugkomt. Zo werkt het soms nu eenmaal. Het liefst had ik gehad dat er in de Raad van juni een concreet voorstel van de Europese Commissie zou liggen, waarin wordt ingegaan op de marktsituatie en een nieuw pakket maatregelen wordt gepresenteerd. Dat hadden we ook verwacht, maar het is er niet. Dat betekent dat het onderwerp volgende maand terugkomt. Ik hoop dat de Raad de druk bij de Europese Commissie neerlegt om ervoor te zorgen dat het voorstel er over een maand wel is. De Europese Commissie had toegezegd om tijdig te komen met een evaluatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn, op basis waarvan wij een conferentie zouden organiseren. De Europese Commissie liet op het laatste moment weten dat die evaluatie er niet tijdig zou zijn. Dan kan mevrouw Koşer Kaya mij verwijten dat ik zeg dat iets later terugkomt, maar de Europese Commissie had haar werk op tijd af moeten hebben.

De voorzitter:

Ik ga u even onderbreken. Ik wil graag dat de Staatssecretaris zijn beantwoording afmaakt. Er ligt nog een berg antwoorden, de Kamer wil een tweede termijn en we hebben tot 13.30 uur. Om 13.10 uur moet de Staatssecretaris echt klaar zijn met zijn termijn, willen we überhaupt nog aan een tweede termijn toekomen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Europa is mij lief, zeker. Ik ben echter de eerste die dingen die niet goed gaan, aan de kaak stelt, juist omdat Europa mij lief is. Het gaat op dit punt om een discussie die al jaren gevoerd wordt en waarin geen stappen worden gemaakt. Dan ben ik terecht van mening dat de Staatssecretaris er wat harder aan mag trekken. Het gaat om concrete voorbeelden over voedsel. Ik verwacht dat de Staatssecretaris deze meeneemt en er vol op inzet dat er besluiten in Europa genomen worden.

Staatssecretaris Van Dam:

Zeker. Daarom zei ik dat we soms onze zegeningen moeten tellen. Dat het onderwerp nu op de agenda van de Raad staat, komt doordat we er als voorzitter prioriteit aan hebben gegeven en er belang aan hebben gehecht. Het feit dat dit kan en dat we tot conclusies kunnen komen, laat zien dat er bij de andere lidstaten steeds meer besef is dat het een belangrijk onderwerp is. Dit betekent niet dat we meteen op alle onderdelen daarvan tot afspraken kunnen komen. Het gaat stap voor stap. Mijn inzet is dezelfde en als we de Monitor aan de Kamer toesturen, laat ik die vergezeld gaan van een begeleidende brief waarin ik aangeef wat de Nederlandse mogelijkheden en de gepleegde inzet zijn.

Ik heb twee blokjes overige. Ik behandel eerst de onderwerpen die wel en daarna de onderwerpen die niet op de agenda van de Raad staan.

Op de agenda van de Raad staat een terugkoppeling van de conferentie over patent- en kwekersrecht. De heer Bosma vroeg om meer informatie. Ik stuur vandaag nog het verslag van de conferentie plus een aantal studies die eerder zijn toegezegd aan de Kamer. Het belangrijkste resultaat van de conferentie is dat de Europese Commissie heeft toegezegd nog voor het einde van het jaar te komen met een interpretatieve verklaring van de Biotechrichtlijn over de octrooieerbaarheid van plantgerelateerde uitvindingen. Ik heb al eerder gezegd dat ik liever verder was gegaan. Dat zou niet alleen in het Nederlandse maar in ons aller belang zijn, als het gaat om voedselzekerheid in de toekomst. Er zouden geen patenten moeten kunnen worden verleend op eigenschappen die langs natuurlijke weg tot stand komen. Of ze al dan niet een handje geholpen worden door de mens, maakt niet uit, maar natuurlijke eigenschappen hoor je niet te kunnen monopoliseren en te octrooieren. Dat kan nu wel. De hoop en verwachting zijn dat de verklaring van de Europese Commissie daarover helderheid verschaft.

De heer Van Gerven vroeg naar de tomaat. Een tomaat die natuurlijke eigenschappen bezit, zou niet geoctrooieerd moeten worden. De hoop en verwachting zijn dat de Europese Commissie dit in haar verklaring duidelijk zal maken. De heer Van Gerven vroeg om een garantie. Die kan ik niet geven, want we wachten op hetgeen de Europese Commissie precies opschrijft. Het gaat in dit soort gevallen om de details. Het is een interpretatie van de regelgeving en die moet vervolgens gevolgd worden door het Europees Octrooibureau, maar ook door de rechter als er dispuut over ontstaat. De interpretatie moet vrij secuur uitsluiten wat we willen dat wordt uitgesloten.

Op de conferentie is een aantal andere resultaten geboekt, bijvoorbeeld op het terrein van transparantie van octrooiaanvragen en over toegang tot biologisch materiaal. Dat is goed als je gebruik moet kunnen maken van beschermd materiaal om eventuele volgende verbeteringsstappen te zetten. Er is ook gesproken over een verbeterde samenwerking tussen het Europees Octrooibureau en de kwekersrechtbureaus. Daarmee heeft de conferentie voor ons het maximaal haalbare resultaat opgeleverd. Ook hierbij zijn we weer afhankelijk van datgene waartoe de andere lidstaten en de Europese Commissie bereid zijn. Er was overduidelijk geen bereidheid om de Biotechrichtlijn aan te passen. Een interpretatieve verklaring is het hoogst haalbare, maar voor ons kan die een doorbraak betekenen voor de zaken waarop we zitten te wachten. Ik houd een slag om de arm, want we moeten de verklaring eerst hebben en daarin kunnen lezen dat die het regelt zoals we willen.

De heer Van Gerven vroeg naar de vlechtregelgeving, de ontbossing. Nederland vindt dat snelle en volledige implementatie van de EU-Houtverordening moet plaatsvinden. Er is een aantal problemen, zoals de heer Van Gerven aanstipte. Daarom is het van belang dat er stevige Raadsconclusies worden getrokken. We hebben dit geagendeerd. De Raadsconclusies zijn niet alleen stevig, maar worden breed gesteund. Dat is van belang. De te verwachten Raadsconclusies zijn een onderschrijving van de goede richting en van het snel en volledig implementeren van de EU-Houtverordening. Daarbij geldt dat handhaving door alle lidstaten van het grootste belang is om te voorkomen dat hout dat niet aan de regels voldoet, de Europese markt op komt. Dat is de inzet in de Raadsconclusies.

De heer Leenders vroeg naar gewasbescherming en de toelating van laagrisicomiddelen. Op de agenda van de Raad staat een serie actiepunten die ervoor moet zorgen dat die laagrisicomiddelen gemakkelijker en sneller op de markt komen. We hebben eerder met elkaar besproken dat we de gewasbescherming willen vergroenen. Tegelijkertijd lopen veel bedrijven ertegenaan dat de groene middelen die ze willen gebruiken niet zijn toegelaten en dat de toelatingsprocedures soms lang en duur zijn. Dat maakt het veel moeilijker om die groene middelen daadwerkelijk op de markt te krijgen. Er zitten bij de actiepunten een aantal maatregelen die moeten leiden tot versnelling. Ik hoop op brede steun, ook voor de uitvoering van het duurzame gewasbeschermingsplan van de expert group in de Raad. In dat plan wordt aan de Commissie gevraagd om de wijziging van de verordening op het terrein van laagrisicomiddelen te versnellen. Het plan kent ook een aantal voorstellen om de procedures binnen de huidige kaders te versnellen. Die dingen kunnen lidstaten nu al oppakken. Er zijn geen wettelijke beperkingen om voorrang te geven aan biologische middelen. Het Ctgb (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) bespreekt met de industrie de mogelijkheden. We zijn ook in gesprek met de industrie, zowel met de producenten van groene gewasbeschermingsmiddelen als met het Ctgb en de boeren, om te bekijken of we via een aantal pilots in Nederland kunnen experimenteren met een versnelde introductie van laagrisicomiddelen. Langs al die verschillende sporen loopt de inzet, zoals de heer Leenders die ook verwoordde.

De heer Wassenberg vroeg naar de discussie over hormoonverstorende stoffen. De Commissie heeft voorstellen gedaan waarbij zij uitgaat van het gevaar dat de stoffen kunnen opleveren. De voorgestelde criteria zullen gevolgen hebben voor de beoordeling van verschillende stoffen. Daaronder zijn gewasbeschermingsmiddelen, maar het gaat niet alleen daarom. Dit betekent dat een reactie van het kabinet binnen het kabinet moet worden afgestemd. We hebben het Ctgb om advies gevraagd voor de reactie op dit Commissievoorstel. Het kabinet zal een gezamenlijke reactie voorbereiden en de Kamer langs de gebruikelijke weg informeren met een BNC-fiche.

Ik kom op de onderwerpen die niet op de agenda van de Raad staan. Glyfosaat is een terugkerend onderwerp. Er zal naar verwachting de komende dagen besluitvorming over plaatsvinden. De procedure is als volgt: de Europese Commissie legt vrijdag het voorstel om goedkeuring te verlengen voor tot het moment dat het rapport van het European Chemicals Agency (ECHA) verschijnt. Dat moet helderheid bieden over de classificatie van glyfosaat en over de beoordeling van de kankerverwekkendheid, waarover onduidelijkheid en discussie bestaan. Die verlenging kreeg in het SCoPAFF (Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed), het reguliere comité, geen gekwalificeerde meerderheid. Nu wordt de verlenging geagendeerd in het beroepscomité. Als daar een gekwalificeerde meerderheid voor het voorstel van de Commissie is, zal de Commissie het uitvoeren en overnemen. Als die gekwalificeerde meerderheid er niet is, kan de Commissie bepleiten dat zij moet handelen omdat de lidstaten het niet eens zijn. Dan kan de Commissie een besluit nemen en kan het beroepscomité dat alleen tegenhouden bij unanimiteit. Dit zijn de gebruikelijke procedures zoals die vastliggen in het Europees Verdrag. De Kamerleden die vroegen of de procedures niet anders kunnen, moeten het proces aangaan om het Europees Verdrag te wijzigen. Dat is een nogal omvangrijk proces. Dit zijn de afgesproken procedures om in situaties zoals deze tot besluitvorming te kunnen komen.

De heer Leenders vroeg wat de gevolgen zijn voor de landbouw. Ik heb eerder gezegd dat ik de discussie over glyfosaat en zeker de zorgen als gevolg van het eerdere signaal van organisaties zoals de WGO begrijp. Er is echter nog steeds geen helderheid over de vraag of glyfosaat beoordeeld dient te worden als kankerverwekkend of niet, en of dat per definitie zo is of dat bijvoorbeeld bij een bepaalde manier van gebruik de risico's gemitigeerd kunnen worden. Alle deskundigen die de toelating hebben beoordeeld, zowel de Duitsers als ons eigen Ctgb en RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), hebben gezegd dat ze op basis van het onderzoek dat er ligt en alles wat ze daarin meegenomen hebben, de overtuiging hebben dat er bij juist gebruik geen onaanvaardbare risico's zijn voor de menselijke gezondheid dan wel voor het milieu. Ze hebben dus allemaal geadviseerd om het middel weer toe te laten tot de Europese markt voor de normale periode van vijftien jaar. Naar aanleiding van de Kamermotie heb ik destijds gezegd dat er een heroverwegingsmoment moet komen op het moment dat het ECHA met het rapport komt, omdat daarin opnieuw de kankerverwekkendheid van het middel wordt beoordeeld. De Commissie stelt dit de facto ook voor. Zij verlengt de huidige toelating met ongeveer een jaar totdat het ECHA-rapport uitkomt. Dat betekent dat er dan een nieuwe afweging moet worden gemaakt.

Mevrouw Koşer Kaya heeft de indruk dat de besluitvorming over landbouw binnen de EU vaak stokt. Ik deel die indruk niet en heb dit de afgelopen maanden niet ervaren. Het is een vrij specifiek onderwerp dat een groot belang heeft binnen de EU. Het is eigenlijk volledig geharmoniseerd en van communautaire aard. Daarom is van oudsher een ander gremium ingesteld dan het Coreper, namelijk het Speciaal Comité voor de Landbouw (SCL), waarin overigens dezelfde lidstaten zitten die soms echter worden vertegenwoordigd door andere mensen. Ik denk niet dat de besluitvorming hier heel anders door wordt. Het voordeel is dat de specialisten bij elkaar aan tafel zitten. Dat maakt besluitvorming soms weer wat gemakkelijker. Het is een met het Coreper vergelijkbaar comité.

De heer Leenders vroeg hoe het zit met de conferentie over de Vogel- en Habitatrichtlijn. Ik heb al kort gezegd dat de Commissie haar evaluatie tijdig af zou hebben om de conferentie te kunnen organiseren. We hebben bericht gekregen dat de Commissie om wat voor reden dan ook niet in staat is om de evaluatie tijdig af te hebben. Dit heeft ons genoodzaakt om de conferentie uit te stellen. Dat was voor ons natuurlijk buitengewoon vervelend, maar ook hier geldt dat we geen ijzer met handen kunnen breken. Als de Commissie de evaluatie niet heeft, hebben we ook niets om te bespreken op de conferentie. De heer Leenders vroeg ook wat de positie van de Commissie is ten aanzien van het in stand houden van de richtlijn, wat veel lidstaten, waaronder wijzelf, willen. We weten nog niet hoe de Commissie daarin staat, omdat zij haar positie nog kenbaar moet maken. We weten ook nog niet wanneer de evaluatie wel verschijnt. We wachten het af. Ik zal met de Slowaken overleggen over de manier waarop we verdergaan met de organisatie van de conferentie, maar dat heeft pas zin als bekend is wanneer het document wordt gepubliceerd en wat erin staat.

Mevrouw Visser vroeg naar de brief over de regeldruk die op de agenda van dit AO staat en of daarin recente wetgeving kan worden meegenomen. Dit is het geval. We starten vandaag de nieuwe ronde van de inventarisatie van de regeldruk. Ik heb althans gisteren mijn handtekening gezet onder de brief die naar het bedrijfsleven gaat, dus die zal op zeer korte termijn de deur uitgaan. Als het bedrijfsleven voorbeelden inbrengt van recente regelgeving, kunnen die worden meegenomen.

De heer Wassenberg vroeg naar de petitie over konijnen en of ik me ga inzetten voor een verbod op kooihuisvesting. Ook hiervoor geldt dat het belangrijkste is om te bezien wat haalbaar is binnen de EU. Er is nu geen dierenwelzijnsregelgeving voor konijnen vanuit de EU. Die moet er wel komen. Dat is de belangrijkste eerste stap om te realiseren. Gelet op het speelveld binnen de EU lijkt een verbod op kooihuisvesting niet haalbaar en is een inzet daarop niet heel zinvol. Het belangrijkste is om ervoor te zorgen dat er goede regelgeving komt en dat het belang van dierenwelzijn daarin centraal staat. Zoals de heer Wassenberg weet, heb ik in het Europees Parlement aan de Eurogroup for Animals aangegeven dat ik voorstander ben van de totstandkoming van die regelgeving.

Mevrouw Dik-Faber en de heer Geurts vroegen naar de discussie met Niedersachsen over gehygiëniseerde mest. Het dispuut gaat erover of de Afvalstoffenverordening van toepassing is of de Verordening dierlijke bijproducten. Niedersachsen vindt dat de Afvalstoffenverordening en wij vinden dat de Verordening dierlijke bijproducten van toepassing is. Dit is aan de Europese Commissie voorgelegd en die heeft aangegeven de Nederlandse lijn te steunen. We hebben dit onder de aandacht van Duitsland en Niedersachsen gebracht. Ik verwacht dat Niedersachsen zich naar de verklaring van de Europese Commissie zal gedragen en dat de problemen worden opgelost. Zo niet, dan zullen we daarover verder het gesprek met onze oosterburen voeren.

Mevrouw Dik-Faber vroeg of de problemen door extreem weer op de agenda staan. Die zijn niet geagendeerd, noch door Nederland noch door andere lidstaten. Er stonden vanochtend plaatjes in de krant waarop is afgebeeld waar de meeste regen in Nederland is gevallen. Met name in Noord-Limburg en Oost-Brabant zijn de problemen zeer groot. Ik vind het gepast om daar zelf een kijkje te nemen en de getroffen boeren daarmee een hart onder de riem te steken. Er werd gevraagd of de brede weersverzekering wordt geëvalueerd. Dat is het geval en op basis daarvan bekijken we of die naar behoren functioneert. De verzekering dekt niet alle schade, maar kan mogelijk in dit soort situaties behulpzaam zijn. Andere instrumenten om getroffen boeren in dit soort situaties te ondersteunen, hebben we niet. De klap voor individuele bedrijven kan behoorlijk groot zijn als men de gehele oogst verloren ziet gaan, wat op dit moment bij een aantal bedrijven gebeurt doordat gepote bollen of aardappels volledig onder water staan en we de komende dagen ook nog eens te maken krijgen met hoge temperaturen. We ondersteunen de brede weersverzekering en er is een premiesubsidie voor boeren om zich te verzekeren.

De heer Geurts vroeg naar de inzet van RVO op het Plattelandsontwikkelingsprogramma en de knelpunten in de uitvoering. Er is overleg met het IPO (Interprovinciaal Overleg) en de komende tijd zal een werkgroep van IPO en RVO de knelpunten in beeld brengen en zoeken naar mogelijke oplossingen. Ik verwacht binnen een paar weken een rapportage hierover. De regie ligt bij de regiegroep-POP, maar het lijkt mij het beste dat de provincies en de RVO bij elkaar gaan zitten en verkennen wat de problemen zijn en hoe die kunnen worden opgelost.

Er waren vragen over de biologische landbouw. Die ben ik vergeten te beantwoorden bij het blokje van onderwerpen die wel op de agenda staan. De afgelopen maanden hebben we vol ingezet op een poging om te komen tot afronding van de onderhandelingen tussen Raad, Commissie en Parlement over de Verordening biologische landbouw. We zijn heel ver gekomen. Het is een behoorlijk intensief traject geweest. Zeven trilogen zijn er gehouden. Om een indruk te geven: onder Luxemburgs voorzitterschap waren dat er twee, de eerste. We zijn zeer dichtbij. Een overeenstemming is zeker haalbaar, maar we stuiten op een aantal discussiepunten, met name aan de kant van het Parlement. Op de belangrijkste inhoudelijke verschilpunten is overeenstemming bereikt, bijvoorbeeld over de discussie over het residugehalte. Er is op dit punt nog discussie met de Commissie, maar Parlement en Raad zijn het erover eens dat de biologische landbouw niet het slachtoffer mag worden van residuen die van andere bedrijven afkomstig zijn. Dit is een belangrijk inhoudelijk punt voor de biologische sector. Op tal van inhoudelijke punten hebben we overeenstemming kunnen bereiken.

Het belangrijkste punt dat openligt, is de discussie over de structuur van de verordening tussen het Parlement aan de ene kant en de Commissie en de Raad aan de andere kant. Het gaat daarbij voornamelijk over de vraag of allerlei gedetailleerde productievoorschriften moeten worden opgenomen in de bijlage van de verordening of dat die kunnen worden afgewikkeld op basis van delegated acts, gedelegeerde bepalingen, en op een later moment en in onderliggende regelgeving kunnen worden afgehandeld. Als je iets dergelijks in de verordening opneemt, betekent dit dat als er ook maar iets verandert in de productiemogelijkheden, je de gehele verordening moet wijzigen. We zijn daar niet voor, maar het Parlement houdt er vooralsnog aan vast. Dit is de belangrijkste hobbel die nog genomen moet worden. Ik had graag gezien dat we ook deze onderhandeling hadden kunnen afronden en ik hoop dat dit over niet al te lange tijd alsnog gebeurt. Het vergt een stap van de kant van het Parlement.

Ten aanzien van certificering is de inzet van de Raad dat het level playing field ook moet gelden voor wat op het certificaat staat. Dit betekent dat het helder moet zijn dat een van de voorwaarden binnen Europa is dat de biologische landbouw niet beconcurreerd mag worden door biologische landbouw van elders op de wereld die op basis van andere voorwaarden kan produceren. Het is helaas aan de Slowaken om dit goed af te ronden. Ik zeg «helaas» omdat wij dit graag zelf hadden gedaan. Ik hoop dat het binnen redelijk afzienbare termijn kan worden afgerond.

Voorzitter: Geurts

De voorzitter:

We gaan over naar de tweede termijn van de Kamer. Ik merk op dat de heer Van Gerven de vergadering heeft verlaten vanwege bezigheden elders. Ik stel voor om een minuut spreektijd per fractie te hanteren.

De heer Remco Bosma (VVD):

Voorzitter. Mijn vraag over het ILP staat nog open. Ik concludeer dat de inzet voor voedselverspilling vooral gaat over de kennisuitwisseling met ontwikkelingslanden. Wat is de juridische status van de interpretatieve verklaring?

Mevrouw Visser (VVD):

Voorzitter. Ik ben blij dat de Staatssecretaris aangeeft dat de aanlandplicht een uitdaging is. Ik ben benieuwd naar de uitvoering van de moties die zijn aangenomen in maart. Daarin werd verzocht om een handhavingsrapportage aan de Kamer te sturen, zodat de Kamer kan bekijken hoe de aanlandplicht in de praktijk uitwerkt.

Ik denk dat de Staatssecretaris bij de VVD-fractie de behoefte heeft gevoeld aan meer urgentie voor het landbouwbeleid vanuit de land- en tuinbouwsector. We zien kansen genoeg. We roepen de Staatssecretaris op om het proces niet af te wachten, maar de lead te nemen en ervoor te zorgen dat we de koppositie vasthouden. Dit is een oproep en een aanmoediging voor de Staatssecretaris.

De heer Leenders (PvdA):

Voorzitter. Ik kom terug op de reden voor het uitstel van het staff working document voor de fitnesscheck. Dat is vreemd. De fitnesscheck zelf lag er al in januari. Het proces zou al afgerond zijn, dus het is wel gek dat de Staatssecretaris het niet weet, maar ik geloof hem op zijn blauwe ogen. Als er iets naar buiten komt in de wandelgangen of anderszins, kan hij dan de Kamer daarvan op de hoogte stellen? Misschien wil hij dat toezeggen.

Wij hebben nog niet zo lang geleden een interessante bijeenkomst met de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW) gehad over laagrisicomiddelen en biologische gewasbescherming. Wij komen daarop terug tijdens het plenaire debat over deze materie, waar we al een tijdje op wachten. Voor dit moment zijn de vragen over het Europese aspect voor mij voldoende beantwoord. Dank daarvoor.

De heer Wassenberg (PvdD):

Voorzitter. Dank voor de antwoorden. Op sommige onderdelen van de antwoorden moet ik nog even kauwen. Over de hormoonverstorende stoffen zei de Staatssecretaris dat het BNC-fiche naar de Kamer wordt gestuurd. Heel binnenkort, over twee weken, begint het reces. Is het mogelijk dat er alvast een eerste appreciatie van het voorstel naar de Kamer wordt gestuurd?

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. Helaas zijn veel onderwerpen weer naar een ander moment verschoven omdat ze op dit moment niet concreet genoeg gemaakt kunnen worden of omdat de inzet richting Europa niet concreet genoeg is, aldus de Staatssecretaris. Ik heb twee vragen. De eerste gaat over de overbevissing aan de Afrikaanse kust. Europa maakt de overeenkomsten met de Afrikaanse landen maar mag de controle niet uitoefenen. Dat is een vreemde zaak. Kan de Staatssecretaris daarop reageren? Ik wil toch dat daar werk van wordt gemaakt.

De tweede vraag gaat over Coreper. Ik begrijp de antwoorden van de Staatssecretaris wel. Die procedure is ooit, heel lang geleden, verzonnen. Landbouw en natuur zijn er uitgehaald. We kunnen toch goed naar de voor- en nadelen kijken om te bekijken of we wel op deze manier moeten doorgaan? Een derde van het budget gaat naar landbouw, maar er is totaal geen verbinding met de andere onderwerpen. Wil de Staatssecretaris die voor- en nadelen even scherp neerzetten?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik wil veel concreter weten wat de Staatssecretaris tegen voedselverspilling gaat doen. Ik heb de behoefte om daar een motie over in te dienen. Wanneer komt het concrete plan over de promotie van het eten van groente en fruit naar de Kamer? Er was even verwarring over artikel 222. Het is inderdaad opengesteld voor de zuivelsector, maar wil de Staatssecretaris het ook openzetten voor de groente- en fruitsector? Hij verwacht dat Duitsland zich gaat houden aan de Europese uitspraak over mest. Wil hij de Kamer op de hoogte houden? Wil hij de brede weersverzekering klimaatbestendig maken?

Mijn vraag over het GLB na 2020 is blijven liggen. Wil de Staatssecretaris de aangenomen motie-Dik-Faber/Geurts over de regionalisering van de voedselproductie daarin meenemen?

De voorzitter:

Het CDA ziet af van zijn termijn. Het woord is aan de Staatssecretaris en het is een uitdaging om de beantwoording binnen acht minuten te doen.

Staatssecretaris Van Dam:

Voorzitter. Het is mij niet gelukt om al de vragen van mevrouw Dik-Faber op te schrijven. Ik hoop dat ik zo nog een briefje toegeschoven krijg. Dat krijg je met die korte spreektijden.

De heer Bosma vroeg naar de voedselverspilling en de ontwikkelingslanden. In ontwikkelingslanden gaat het inderdaad om de inzet van kennis om voedselverliezen in met name de oogstfase te voorkomen. Er gaat overigens ook veel mis na de oogstfase, omdat er geen goede faciliteiten zijn om de oogst vers te houden. In de EU is de inzet gericht op het tegengaan van voedselverspilling in de keten en bij de consument, omdat hier juist de landbouw en de logistieke kant vrij goed georganiseerd zijn. Dat is een belangrijk verschil.

De heer Bosma vroeg naar het ILP. Dit is een vrijwillig initiatief uit de groentesector waarmee de eerste ervaringen positief zijn. Veel bedrijven zijn erbij aangesloten, maar nog niet alle. Hopelijk is dit op termijn wel het geval. Het kan een zeer goede aanvulling op het kwekers- en patentrecht zijn.

Mevrouw Visser vroeg naar de aanlandplicht. Ik zei dat die een uitdaging is en dat is conform de inzet. Dat was ook de inzet van mijn voorganger, die steeds heeft aangegeven dat we de rek en ruimte binnen de aanlandplicht zoeken. De doelstelling is om selectiever te vissen en om vissers te stimuleren om dat te doen. Het aanlanden van vis die niet op de markt te brengen is, is voor de visser alleen maar een kostenpost. Ik heb maandag niet alleen meegevaren met vissers, maar ook het Visserij-Innovatiecentrum in Stellendam bezocht waar tests worden gedaan met nieuwe netten die selectiever vissen mogelijk maken. Van dit soort innovaties moet de sector het hebben. Ik hoop dat een en ander gerealiseerd wordt en dat het doel dat met de aanlandplicht beoogd wordt, daadwerkelijk wordt bereikt. Dat neemt niet weg dat aan vissers geen onredelijke eisen gesteld moeten worden. We zoeken de rek en ruimte in de aanlandplicht om te bekijken of de invoering ervan op een gefaseerde manier kan plaatsvinden, waardoor de vissers op een redelijke manier de aanlandplicht kunnen implementeren.

Mevrouw Visser vroeg mij de lead te nemen in de discussie over de marktsituatie. Ik heb de afgelopen drie, vier maanden niet veel anders gedaan. Dit was het hoofdonderwerp gedurende het voorzitterschap. Het is niet voor niets dat steeds is gezegd dat in juni de evaluatie van het pakket en voorstellen voor aanvullingen van de Commissie op de agenda zouden staan. Ik had dat ook verwacht. Het feit dat die er niet liggen, is ook voor mij een teleurstelling. Ook hierbij geldt dat de Raad afhankelijk is van de Commissie. Ik zet erop in om aanstaande maandag Raadsconclusies aan te nemen die de Commissie met een duidelijke opdracht op pad sturen. Dit is niet alleen de inzet als voorzitter, maar ook die vanuit het Nederlandse standpunt.

De heer Leenders vroeg nog een keer naar de conferentie over de Vogel- en Habitatrichtlijn. We zijn afhankelijk van het einddocument van de Commissie. Daarin staat de positie van de Commissie en de evaluatie die we op de conferentie moeten bespreken. Er kan allerlei voorwerk gedaan zijn, maar het einddocument zal er echt moeten zijn voordat we het met elkaar kunnen bespreken. Anders hebben we formeel gezien een lege agenda. De heer Leenders vroeg of we de Kamer kunnen informeren zodra het document er is. Uiteraard. Overigens kan de Kamer het dan ook zelf lezen, want dan zal het door de Commissie gepubliceerd worden. De Kamer wordt geïnformeerd over het vervolg van dit traject.

De heer Wassenberg vroeg naar de hormoonverstorende stoffen en of we daarover een voorlopige appreciatie kunnen geven. Ik geloof maar in één soort appreciatie, namelijk die waarin we zeggen wat we ervan vinden. Ik heb begrip voor de voorzorgsbenadering die de Commissie kiest, maar we zullen het voorstel van de Commissie goed moeten bestuderen en binnen het kabinet moeten afstemmen wat we er precies van vinden. Ik verwacht de Kamer voor 1 augustus a.s. het BNC-fiche te kunnen toesturen waarin de Kamer geïnformeerd wordt over het standpunt van het kabinet. Hetzelfde is overigens toegezegd door Staatssecretaris Dijksma.

Mevrouw Koşer Kaya vroeg waarom de EU niet mag controleren op overbevissing in Afrikaanse wateren. Zij kent het antwoord, want wij hebben hier bij herhaling over gediscussieerd. De EU controleert vanuit Europa op het voldoen aan de voorwaarden, maar het is natuurlijk aan landen zelf om in hun eigen wateren te controleren of visserij op een fatsoenlijke manier wordt uitgevoerd. Ten opzichte van de landen waarmee de EU overeenkomsten afsluit, getuigt het niet van een gelijkwaardige benadering als je er op voorhand van uitgaat dat zij niet in staat zijn om die controle uit te voeren. Vanzelfsprekend wordt er met landen waarmee overeenkomsten worden gesloten, gesproken over de manier waarop die controle wordt uitgevoerd.

Dan de discussie over Coreper versus het SCL. Ik heb daarmee tot nu toe geen problemen ervaren. Ik vond de argumenten van mevrouw Koşer Kaya dat het wel een probleem is, niet erg overtuigend en de reden waarom we daar op stel en sprong een issue van moeten maken ook niet. Ik ben niet van plan om die discussie binnen de EU aan te zwengelen.

Mevrouw Dik-Faber kondigde aan te komen met een motie over voedselverspilling. Ik suggereerde in de eerste termijn dat het het beste is om er met elkaar uitvoeriger over te spreken. De laatste keer dat we dat hebben gedaan, was bij de begrotingsbehandeling in november. Het doet recht aan het onderwerp als we dit doen op basis van de Monitor Voedselverspilling en de begeleidende brief die deze zomer naar de Kamer komen. Dat geeft de mogelijkheid om er inhoudelijk op in te gaan. De Raadsconclusies zoals die nu geagendeerd staan, voldoen niet helemaal aan de agenda van mevrouw Dik-Faber, die gaat over wat we kunnen afspreken binnen Europa. Het is belangrijk dat we het nu op de agenda hebben en dat het belang ervan onderschreven wordt. Een aantal van haar opmerkingen ging over nationale acties die we kunnen ondernemen. Laten we er op een ander moment verder over spreken.

Mevrouw Dik-Faber vroeg of artikel 222 ook gebruikt kan worden voor de groente- en fruitsector. Tot nu toe is het gesprek alleen gegaan over de zuivelsector. In het maartpakket stond ook een aparte benadering voor de varkensvleessector. Ik weet niet of er in de fruitsector gezamenlijk productiebeperkende afspraken gemaakt kunnen worden. De meeste fruitbomen geven gewoon een x-aantal jaren achtereen vrucht. Dat is een heel ander verhaal dan in de zuivelsector, waar een boer enigszins kan sturen op de hoeveelheid melk die koeien geven. In de varkensvleessector is er ook een mogelijkheid voor een zekere sturing van de productieomvang. Dat is in de fruitsector een stuk ingewikkelder. Bij de groente, de tuinbouw, zullen er meer mogelijkheden liggen, maar ik weet niet of dit het antwoord is op de problematiek die men ervaart. Er is tot nu toe door andere lidstaten niet gevraagd om het artikel ook op die sectoren toe te passen.

Mevrouw Dik-Faber vraagt naar de regionalisering van het GLB. Ik neem dat punt graag mee. Het kan zeker een van de onderwerpen zijn die aan de orde moeten komen bij de vormgeving van het toekomstige GLB.

De brede weersverzekering gaat ervan uit dat marktpartijen verzekeren. Vanuit Europese middelen geven we een subsidie op de premie om ervoor te zorgen dat de verzekering daadwerkelijk van de grond komt. We gaan evalueren wat dit tot nu toe heeft opgeleverd. Mevrouw Dik-Faber kan ervan uitgaan dat als marktpartijen erop rekenen dat door klimaatverandering dit soort omstandigheden vaker zal voorkomen, zij daar zelf in de vormgeving van de verzekering rekening mee houden. Dat hoeft overigens niet positief te zijn voor de hoeveelheid premie die wordt gevraagd. De Kamer krijgt een evaluatie van de brede weersverzekering en dan spreken we er verder over.

De voorzitter:

We gaan over naar de toezeggingen.

  • De Kamer ontvangt deze week een brief over de uitkomsten van de commissie-Rosenthal.

  • De Kamer ontvangt deze zomer de Monitor Voedselverspilling met een kabinetsreactie over de Nederlandse mogelijkheden.

  • Voor 1 augustus 2016 ontvangt de Kamer het BNC-fiche over de mededeling over hormoonverstorende stoffen.

Mevrouw Dik-Faber heeft een VAO aangevraagd. Ik neem aan dat de behandeling niet meer voor de Raad hoeft, maar volgende week of de week daarop kan plaatsvinden?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik wil graag een motie indienen ten behoeve van de agenda van de Raad.

De voorzitter:

Dan brengt u mij in verlegenheid, want bij de uitnodiging stond dat dit afgelopen dinsdag had moeten plaatsvinden. Is het hoognodig of kunnen we een VAO plannen op het moment dat de Voorzitter dat juist acht? Anders moet er nog deze week over de motie gestemd worden.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik wil de orde niet verstoren. Als er afspraken zijn gemaakt die ik gemist heb, moet ik dat voor mijn rekening nemen. Ik heb niet eerder een VAO aangekondigd. Ik had verwacht dat behandeling morgen nog zou lukken, maar als dit niet het geval is, zal ik het moeten ophouden.

De voorzitter:

We gaan het even bekijken met de Voorzitter, maar dit zijn de informele afspraken. Als het niet lukt, komt het VAO na de Landbouw- en Visserijraad. De Staatssecretaris heeft nog even het woord gevraagd.

Staatssecretaris Van Dam:

Dit is een bijzonder moment voor degene die naast mij zit. Het is de laatste keer dat, tenzij de Kamer nog even heel snel wat inplant ...

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Die kans wil hij niet missen.

Staatssecretaris Van Dam:

Een VAO is iets anders. Het is in elk geval de laatste keer dat het gaat over de Landbouwraad. Velen van u weten dat de heer Hoogeveen, de directeur-generaal die naast mij zit, niet alleen mij de afgelopen maanden zeer heeft ondersteund – het was nog een behoorlijke klus om twee maanden voor aanvang te helpen om het voorzitterschap in goede banen te leiden – maar ook veel van mijn voorgangers. Hij is niet alleen zeer betrokken bij het Europees landbouwbeleid maar heeft dat de afgelopen jaren als lid van het SCL – jammer dat mevrouw Koşer Kaya er niet meer is – mede mogen vormgeven. Ik wil dit bijzondere moment niet voorbij laten gaan en ik wil memoreren dat dit de laatste keer is dat hij een bewindspersoon in de Kamer op deze stoel heeft mogen ondersteunen. De Kamer ziet vaak maar een deel, maar bewindspersonen zouden zonder de mensen die naast hen zitten, niet in staat zijn om alle vragen zodanig te beantwoorden dat de Kamer tevreden is. Ik heb de afgelopen maanden met zeer veel genoegen de heer Hoogeveen naast mij gehad en ik ben hem zeer dankbaar voor alle hulp. Ik denk dat ik als oud-Kamerlid mag zeggen dat ook de Kamerleden, zeker de woordvoerders op dit vlak, enige dank zullen voelen omdat ook zij al die jaren van goede antwoorden zijn voorzien, waardoor de Kamer vaak een goed debat met de bewindspersoon heeft kunnen voeren. Dus vanuit deze positie heel veel dank.

De voorzitter:

Namens deze commissie dank ik de heer Hoogeveen en sluit ik de vergadering.

Sluiting 13.35 uur.