Kamerstuk 21501-618

Verslag van een algemeen overleg

Raad voor Economische en Financiƫle Zaken; Verslag van een Algemeen Overleg


21 501-07
Raad voor Economische en Financiële Zaken

nr. 618
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 augustus 2008

De vaste commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Financiën2 hebben op 3 juli 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Timmermans van Buitenlandse Zaken over:

– het verslag van de Ecofinraad (Begrotingsraad) d.d. 23 november 2007 (21501-07, nr. 589);

– de agenda van de Ecofinraad (Begrotingsraad) d.d. 17 juli 2008 (21501-07).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer De Nerée tot Babberich (CDA) zegt te hebben vernomen dat de overschotten op de landbouwbegroting zullen worden aangewend voor ontwikkelingssamenwerking. De CDA-fractie is daar op tegen. Als inderdaad geld over is, dient dat terug te vloeien naar de lidstaten. Wil de staatssecretaris zich op dit punt krachtig opstellen? De heer De Nerée verwijst vervolgens naar het gestelde in de geannoteerde agenda over de health check. Die check zou gevolgen kunnen hebben voor de begroting voor 2009. Over die health check zijn afspraken gemaakt die tot 2013 gelden. Aan die afspraken wil zijn fractie vasthouden.

Hij merkt vervolgens op dat het aantal agentschappen van de EU tot het noodzakelijke aantal beperkt moet blijven. Wil de staatssecretaris de Kamer een overzicht toesturen van de verschillende agentschappen met vermelding van de bijbehorende kosten voor dit jaar en vorig jaar? Terecht kiest het kabinet voor het uitgangspunt dat bij overheveling van taken van de Commissie naar een agentschap, de Commissie de daardoor vrijvallende posten niet mag herbezetten.

Terecht streeft de Nederlandse regering naar verlaging van het totaal aan vastleggingen en betalingen bij de verschillende categorieën van de EU-begroting, zodat er binnen de verschillende categorieën ruimte blijft om te reageren bij onvoorziene omstandigheden. Het belang van het hanteren van een ruime marge geldt met name voor het extern beleid. Juist bij extern beleid is de kans groot dat men met onvoorziene omstandigheden wordt geconfronteerd.

De heer De Nerée verwijst vervolgens naar het gestelde bij categorie 1a. Daar worden verschillende programma’s vermeld waaronder de nuttige programma’s Levenlang leren en Erasmus Mundes. Niet duidelijk is hoeveel geld van de verschillende programma’s naar Nederland zou kunnen vloeien. Hoeveel denkt Nederland bijvoorbeeld te ontvangen van het budget voor het 7de kaderprogramma Onderzoek? Is niet het gevaar groot dat het onderzoek op grond van dit kaderprogramma een prijsopdrijvend effect heeft vanwege het feit dat slechts een beperkt aantal onderzoekers de specifieke studies kan doen die hieruit voortvloeien?

Voor de uitvoering van categorie 1a van de begroting zullen twee nieuwe agentschappen worden opgericht. Waar zullen die worden gevestigd? Dat er naar enkele agentschappen in Nederland iets meer geld gaat dan naar de andere, heeft de goedkeuring van de CDA-fractie.

Kan het werk dat de EU voor burgerschap wil doen (categorie 3b) niet beter door de nationale lidstaten zelf worden uitgevoerd? Wat houdt het werk aan burgerschap door de EU precies in? Voor een van de agentschappen die met deze categorie wordt gefinancierd, stijgen de kosten met 15%. Is dat niet veel? De heer De Nerée vraagt tot slot wat de impact is van het Ierse nee op het EU-begrotingsbeleid. Heeft de staatssecretaris enig inzicht in de geheime agenda van de Franse president Sarkozy?

Mevrouw Gesthuizen (SP) steunt ook het idee van het kabinet om in te zetten op een verlaging van het totaal aan vastleggingen en betalingen tot een noodzakelijk doch realistisch niveau. De Financiële Perspectieven moeten als uitgavenplafonds en niet als uitgavendoelstellingen worden gezien. Kan de staatssecretaris aangeven welke bedragen niet realistisch zouden zijn? Wat is de opstelling van de andere lidstaten? Zien zij de Financiële Perspectieven ook als een uitgavenplafond? Als percentage van het EU-BNI bedragen de vastleggingen 1,04%. Dat percentage moet zeker niet hoger worden, eerder lager. Denkt de staatssecretaris dat het ooit nog zal lukken om dit percentage lager dan 1 te krijgen?

Een van de sterkste lastenstijgingen doet zich voor bij categorie 5. Vanwege de uitbreiding van de EU willen waarschijnlijk alle instellingen een hoger budget voor personeel en bijbehorende kantoorruimte, maar men moet in aanmerking nemen dat Europa al een bolwerk van bureaucratie is. Het is dan ook zeer onwenselijk om het budget voor administratieve uitgaven nog eens met 5% te verhogen. Daarom is de inzet van de Nederlandse regering terecht: de EU moet streven naar beperking van de administratieve uitgaven. Beter is het om die met 5% te verminderen. Ook lidstaten proberen immers hun aantal ambtenaren en administratieve uitgaven te beperken. Wat is de opvatting van de staatssecretaris op dit punt? In lijn met het voorgaande steunt de SP-fractie ook de inzet van het kabinet voor de agentschappen.

Ook bij categorie 3a, vrijheid, veiligheid en recht, doet zich een sterke stijging voor, een stijging van maar liefst 15%. Wat is de oorzaak daarvan? Is de toename van migratie zodanig dat het budget voor solidariteit en migratiestromen met bijna 17% moet worden verhoogd of loopt men met deze stijging vooruit op de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon?

Bij categorie 4, extern beleid, doet zich eveneens een zorgelijke stijging voor. Het budget voor ontwikkelingssamenwerking stijgt namelijk met 5%. Nog steeds bestaan en ontstaan er allerlei tussenlagen en die brengen het grote risico met zich mee dat er nieuwe eisen aan overheden worden gesteld. Het is beter om het budget voor ontwikkelingshulp geleidelijk op te nemen in de begroting van de VN voor multilaterale hulp. Dit heeft als bijkomend voordeel dat de bedragen voor daadwerkelijke armoedebestrijding en het behalen van de millenniumdoelstellingen kunnen worden verhoogd. Thans wordt te veel van het budget van de EU voor ontwikkelingssamenwerking besteed aan bureaucratie en aan het verdedigen van de belangen van de EU, zoals het indammen van de migratie uit Afrika, het bestrijden van terrorisme en het bevorderen van de handel. Voor het stabiliteitsinstrument wordt zelfs 43% meer uitgegeven. Dit instrument wordt onder andere ingezet voor postconflictsituaties, met andere woorden, voor het opzetten van militaire EU-missies. Wordt naast de missie naar Tsjaad aan meer missies gedacht? Dat zou de stijging van 43% kunnen verklaren.

Betekent het gestelde in de geannoteerde agenda dat het Europese Parlement meer geld wil uittrekken voor het Structuur- en cohesiefonds, het extern beleid en de administratieve uitgaven? Dat zou de SP niet terecht vinden. Zijn er eventueel meer onderwerpen waarvoor het Europees Parlement meer geld wil uittrekken?

De heer Blom (PvdA) sluit zich aan bij de vragen die door de vorige woordvoerders zijn gesteld. Hij steunt het verzoek van de heer De Nerée om overschotten op de landbouwbegroting van de EU terug te laten vloeien naar de lidstaten en wil dat erop wordt toegezien dat die middelen inderdaad terugkomen bij de verschillende lidstaten.

De heer Blom vraagt zich voorts af of voor de agentschappen voldoende democratische controle geldt. Hoe efficiënt zijn die? Wil de staatssecretaris bevorderen dat de Europese Rekenkamer het functioneren van de agentschappen onderzoekt?

Voor onvoorziene uitgaven bij de categorie Extern beleid zijn relatief weinig middelen uitgetrokken. Juist bij extern beleid is de post Onvoorzien belangrijk. Bij extern beleid kan men namelijk te maken krijgen met natuurrampen en dan moet hulp met de post Onvoorziene worden gefinancierd. Wil de staatssecretaris voor een ruimere marge bij die post zorgen?

De heer Blom is ook van mening dat de stijging van de administratieve lasten van de EU haaks staat op het nationale beleid. Daarom moet het kabinet er in Europa op aandringen dat in plaats van een stijging van de administratieve lasten gezocht wordt naar een daling daarvan. De doelstelling die in Nederland geldt, zou ook in de EU kunnen gelden.

De heer Weekers (VVD) merkt op dat de uitlatingen van de Franse president over het beleid van de Europese Centrale Bank hem met enige zorg vervullen. President Sarkozy zou volgens berichten in de internationale media vinden dat de ECB zich niet alleen moet inzetten voor beteugeling van de inflatie, maar ook voor economische groei. De voorstellen van president Sarkozy houden dus in het veranderen van de focus van de ECB. Wat is het standpunt van de staatssecretaris op dit punt? Wil hij een diffuus beleid van de ECB eventueel en marge van de Ecofinraad veroordelen? Overigens kreeg de Franse president voor zijn voorstellen steun van de Duitse minister van Financiën. Dat maakt des temeer duidelijk dat er het gevaar is dat de ECB voor een andere focus kiest terwijl die bank er juist alles aan moet doen om de inflatie te beteugelen. Ook de uitspraak van de Franse president om de euro te devalueren is zorgelijk.

President Sarkozy wil verder de mogelijkheid bespreken om voor Europa met een vorm van protectionisme te werken. Protectionisme zou vooral nadelig zijn voor Nederland. Nederland dankt zijn economische welvaart aan de open economie in Europa. Kennelijk worden ideeën voor protectionisme door Duitsland gesteund en dat zou weer duiden op een As Berlijn–Parijs. Vindt de staatssecretaris dit ook een volstrekt verkeerde ontwikkeling? Wil hij hiervan krachtig afstand nemen en daarbij bondgenoten zoeken? In aanmerking moet worden genomen dat ook commissaris Mandelson zich in zijn werk bij de WTO gehinderd voelt door het optreden van Sarkozy.

De heer Weekers wijst er voorts op dat met de uitslag van het Ierse referendum uitvoering van het Verdrag van Lissabon onzeker is geworden. Wat betekent de ontstane situatie voor de begroting van de EU voor 2009 en volgende jaren? Zal er door het Ierse nee minder geld nodig zijn, omdat de Unie minder taken zal hebben dan was voorzien? Of is juist meer geld nodig doordat niet die efficiency kan worden bereikt die met het Verdrag van Lissabon was beoogd?

De heer Weekers gaat vervolgens in op het gestelde in de geannoteerde agenda van de Begrotingsraad en zegt waardering te hebben voor de inzet van het kabinet om te streven naar een uitermate restrictief begrotingsbeleid. Hij acht het van belang dat er op de verschillende posten wordt gezorgd voor een zo laag mogelijk plafond met inachtneming van een ruime marge voor onvoorzien beleid. Dat voorkomt dat later met overheveling van gelden van het ene budget naar het andere in de nodige middelen moet worden voorzien. Het door de regering voorgestelde beleid is overigens een voortzetting van het beleid dat door de vorige staatssecretaris voor Europese Zaken en de vorige minister van Financiën werd gevoerd.

De heer Weekers sluit zich aan bij de opmerkingen van de heer De Nerée op het punt van de agentschappen. Ook hierbij moet Nederland kiezen voor een terughoudend beleid. In het stuk ontbreekt de principiële vraag over de noodzaak van het werken met agentschappen. Zouden sommige taken ook door de Commissie kunnen worden gedaan? Het lijkt er nu op dat elke lidstaat via een agentschap wil profiteren van de EU en een instelling van de EU in het eigen land probeert te realiseren.

Dezelfde vraag geldt voor de structuurfondsen, de socialecohesiefondsen enzovoorts. Zorgen die fondsen niet voor het rondpompen van geld? Eerst draagt een lidstaat namelijk geld af aan de EU en vervolgens moeten de regio’s programma’s laten opstellen om daarmee steun van Brussel te krijgen. Zou het niet beter zijn om de nationale lidstaten rechtstreeks de programma’s te laten uitvoeren? Dit vergt wederzijds vertrouwen, maar dat geldt ook bij de inrichting van de rechtsstelsels. De ene lidstaat beschouwt het rechtsstelsel van de andere lidstaat als valide en erkent het vonnis van het andere land. Ook bij de verdeling van de gelden voor sociale fondsen zou men op die manier tewerk kunnen gaan. Men zou dus niet een regio, maar een land voor een aantal jaren een budget voor de ontwikkeling van bepaalde gebieden kunnen toekennen zonder dat elke regio apart veel administratie moet doen. Het desbetreffende land moet dan wel voor de besteding van het ontvangen budget verantwoording afleggen, maar uiteindelijk is dan veel minder bureaucratie nodig.

Volgens de geannoteerde agenda is de discussie over de GLB health check nog niet afgerond. Wanneer zal dat wel het geval zijn? Is het mogelijk om het voeren van deze discussie te bespoedigen, zodat wordt voorkomen dat pas een Commissie in nieuwe samenstelling zich hierover zal uitspreken en invoering van de health check op de lange baan wordt geschoven?

De heer Weekers wijst erop dat de health check en landschapsontwikkeling niet mogen leiden tot inkomenssteun. Dat zou haaks staan op het streven naar een meer vrijere wereldhandel en het goedkoper maken van voedsel. Inkomenssteun hoort bovendien niet thuis bij landbouwbeleid, maar bij sociaal beleid en dat wordt door de nationale lidstaten gevoerd. Ook bij de discussie over de health check moet op dit aspect worden gelet om te voorkomen dat men ook hierbij geld gaat rondpompen.

Bij categorie 1a, concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid, wordt met een aantal aandachtspunten diverse programma’s van de Lissabonstrategie aangegeven. Voor de zogenaamde TEN’s (Trans-Europese Netwerken) zijn voor de periode 2007–2013 30 prioritaire projecten geselecteerd. Behoort het werk aan de IJzeren Rijn ook tot die 30 projecten? Zo neen, ziet de staatssecretaris dan mogelijkheden om dat project wel tot die projecten te laten behoren? Bij dit project zijn namelijk drie lidstaten betrokken.

Sommige programma’s van de Lissabonstrategie worden ook via de Europese Investeringsbank gefinancierd, zoals het Progress programma voor werkgelegenheid en het programma voor sociale solidariteit. Daarnaast doet de EIB (Europese Investeringsbank) en de Europese Commissie aan ontwikkelingssamenwerking. De vraag rijst dan wie zich waarmee bezighoudt. Het lijkt erop dat veel instellingen, agentschappen en investeringsbanken zich met dezelfde onderwerpen bezighouden. Wordt het subsidiariteitsbeginsel wel voldoende in acht genomen?

Voor de pensioenen van de ambtenaren van de diverse instellingen is een stijging van 7,6% voorzien. Wordt de mogelijkheid overwogen om geleidelijk over te gaan tot een kapitaaldekkend stelsel?

Antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris merkt in reactie op de opmerkingen van de heren De Nerée en Weekers over het Franse voorzitterschap op dat hij het met president Sarkozy eens is dat het beeld dat de Europese burger van Europa heeft, bijstelling behoeft. Te veel leeft nu het idee dat Europa een bedreiging vormt voor hun zekerheden. Om dat idee weg te nemen zullen de Europese leiders moeten aantonen dat Europa de kansen van globalisering weet te benutten en de bedreigingen ervan weet te voorkomen. Echter, tegelijk moet men in aanmerking nemen dat de Franse aanpak traditioneel verschilt van de Nederlandse. Frankrijk tendeert naar protectionisme, terwijl Nederland meer voor de vrije markt kiest. Ter illustratie moge de aanpak van de voedselcrisis dienen. Feit is dat er wereldwijd voldoende areaal en technische kennis is om meer voedsel te produceren, maar benutting van die extra capaciteit kan gehinderd worden door protectionistische maatregelen. In dat licht is er veel aan gelegen dat de Doha-ronde een succes wordt.

Overigens is gebleken dat de Franse president niet altijd wil vasthouden aan eigen standpunten, maar bereid is om compromissen te sluiten en om te werken aan een uitkomst die voor iedereen acceptabel is. Bovendien geldt dat veel lidstaten in de verschillende Europese gremia voor de Nederlandse lijn kiezen en Nederland zal die ook tijdens het Franse voorzitterschap nadrukkelijk uitdragen.

In dat licht moeten ook de voorstellen van de Franse president over het beleid van de ECB worden beoordeeld. De ECB is een zelfstandige bank die als hoofdtaak heeft het bevorderen van prijsstabiliteit. Voor prijsstabiliteit is beteugeling van de inflatie nodig en het beleid van bankpresident Trichet lijkt daarop gericht. Niettemin zal minister Bos het gevoelen van de Kamer op dit punt kenbaar worden gemaakt.

De staatssecretaris erkent dat de Europese Commissie wellicht met het voorstel komt om de middelen die niet gebruikt zijn voor landbouwsubsidies aan te wenden voor ontwikkelingssamenwerking. Om twee redenen zal de Nederlandse regering zich daartegen verzetten. De eerste is gelegen in het feit dat de Nederlandse regering niet geld van de ene begrotingscategorie wil overhevelen naar de andere. De tweede is dat het gebruiken van de middelen van de landbouwbegroting voor ontwikkelingssamenwerking lidstaten een argument verschaft om zich niet te houden aan de millenniumdoelstelling. Die verplicht hen om hun bijdrage voor ontwikkelingssamenwerking te verhogen tot 0,7% BNP. De lidstaten zouden ten onrechte kunnen verwijzen naar de extra inzet voor OS via de landbouwbegroting.

De staatssecretaris zegt voorts dat de Nederlandse regering wil vasthouden aan de afspraken die voor de GLB health check zijn gemaakt. Die afspraken gelden tot 2013. Dat laat onverlet de mogelijkheid om herstructurering van de landbouw te bespreken. De beperkingen van de totale EU-begroting kan namelijk de noodzaak van herprioritering met zich meebrengen en in dat licht kan het budget voor landbouw niet buiten beschouwing blijven. Herstructurering van de landbouw ligt zelfs voor de hand, niet alleen vanwege de noodzaak om efficiënter en duurzamer te produceren, maar ook om te kunnen inspelen op de veranderde internationale situatie. Een voorbeeld van verouderd beleid zijn de regels voor melkquota. Die quota zijn ingesteld omdat er te veel melk was, maar wereldwijd neemt de vraag naar melk toe. Het zou mogelijk moeten zijn om op die gestegen vraag te reageren.

De staatssecretaris wijst erop dat de veranderde internationale situatie soms ook gevolgen heeft voor de opstelling van de lidstaten. Een voorbeeld daarvan is het werken met biofuels. Minder goed landbouwareaal is bruikbaar voor het verbouwen van koolzaad. Koolzaad vormt de grondstof voor de brandstofindustrie en het verbouwen ervan wordt ondersteund met EU-subsidie, hetgeen een lidstaat ertoe kan brengen minder bereidheid te tonen voor een ander landbouwbeleid, een landbouwbeleid zonder subsidies en protectionisme. Nederland zal zich echter terughoudend blijven opstellen bij het verstrekken van subsidies en het handhaven van protectionisme. Daarnaast zal het streven naar een ruime marge bij de landbouwbegroting, omdat dat bij de huidige spanningen op de voedselmarkt stabiliserend werkt.

De staatssecretaris merkt voorts op dat Nederland zich met een oordeel over de agentschappen wil baseren op het externe, onafhankelijke onderzoek dat de Commissie laat uitvoeren. Bij dat onderzoek wordt de fundamentele vraag betrokken of het werk van de agentschappen beter door de reguliere diensten van de Commissie kan worden verricht. Deze vraag is ook belangrijk voor het Europese Parlement. Voor het werk dat door een reguliere dienst van de Commissie wordt verricht, kan namelijk een commissaris ter verantwoording worden geroepen, maar een hoofd van een agentschap heeft geen verantwoordingsplicht tegenover het Europese Parlement.

Mocht uit het onderzoek blijken dat de taken van agentschappen beter bij de reguliere Commissiediensten kunnen worden ondergebracht, dan zal Nederland zich voor het werken met Commissiediensten inzetten. Een reden om met agentschappen te werken zou kunnen zijn dat vanwege de efficiëntie van agentschappen minder ambtenaren nodig zijn. Uiteraard mag het werken met een agentschap netto nooit meer ambtenaren vergen dan het werken met een reguliere Commissiedienst. Het overzicht van de agentschappen is ter plaatse overhandigd aan de Kamer.

Er wordt thans gewerkt aan de oprichting van twee nieuwe agentschappen, een voor telecom en een voor energie. Er is een passage opgenomen in de conclusies van de laatste Europese Raad waarin staat dat nieuwe agentschappen bij voorkeur in nieuwe lidstaten worden gevestigd. Nederland is daar niet in alle gevallen voorstander van, omdat eigenlijk het uitgangspunt zou moeten zijn dat een agentschap wordt gevestigd op de meest geschikte plek. Om die reden zou het verstandig zijn om het Galileo-uitvoeringsagentschap in Noordwijk te vestigen, vanwege de aanwezige kennis bij reeds bestaande vestigingen van ESA daar.

Categorie 3b kent twee agentschappen waarvoor de uitgaven stijgen met 15%. Dit zijn twee jonge agentschappen die zich met een grotere uitdaging geconfronteerd zien dan was voorzien. Het ene agentschap bevindt zich in Italië en houdt zich bezig met voedselveiligheid. Het andere bevindt zich in Stockholm en houdt zich bezig met de preventie en controle van ziekten.

De staatssecretaris zegt voorts het met de leden eens te zijn dat een ruime begrotingsmarge bij de verschillende categorieën gewenst is en dat de noodzaak daarvan zich vooral doet gevoelen bij extern beleid. Ter illustratie noemt hij de verschillende missies van de EU die onverwacht voor extra kosten kunnen zorgen en de mogelijkheid dat de EU in gebieden met veel spanningen, zoals het Midden-Oosten, een taak zou kunnen krijgen die veel perspectief biedt voor de regio. Als die mogelijkheid zich voordoet, moet men in de benodigde middelen kunnen voorzien. Voor het gebruik van de marge is wel altijd een apart besluit nodig, zodat de lidstaten de controle houden over de aanwending van die middelen.

De door de Commissie geraamde betalingen dalen met de begroting voor 2009 tot 117 mld.: 0,9% van het EU-BNI. Uiteraard is het niet zeker dat ook in komende jaren het percentage onder de 1 blijft, maar Nederland zet zich daar wel voor in. Handhaving van een percentage van ongeveer 1 dwingt de EU namelijk tot het stellen van prioriteiten en het betrachten van begrotingsdiscipline.

De staatssecretaris zegt voorts naar aanleiding van de opmerkingen over categorie 1a van mening te zijn dat de kaderprogramma’s Onderzoek voor Nederland financieel gunstig zijn. Bovendien hebben kaderprogramma’s het nuttige neveneffect van het creëren van netwerken. Die netwerken zij wellicht belangrijker dan de directe onderzoeksresultaten, want die zorgen op kennisgebied voor concurrentiekracht.

De staatssecretaris erkent dat Nederland voordeel kan hebben bij reactivering van de IJzeren Rijn. Het historische tracé zal echter wijziging en aanpassing behoeven. De minister van VW zal binnenkort een brief naar de Tweede Kamer sturen over de EU-bijdrage aan de IJzeren Rijn.

De staatssecretaris zegt voorts eveneens van mening te zijn dat categorie 3b, burgerschap, zich bij uitstek leent voor de subsidiariteitstoets. BNC-fiches van Commissievoorstellen zullen ter beoordeling naar de Kamer worden gestuurd, zodat de Kamer kan controleren of inderdaad recht wordt gedaan aan het beginsel van subsidiariteit.

De staatssecretaris zegt niet de conclusie te delen dat Europa een bolwerk van bureaucratie is, maar hij is het wel eens met de leden dat de Commissie op het punt van de administratieve lasten de dezelfde doelstelling moet hebben als de lidstaten. Dat betekent dat ook de Commissie en de instellingen moeten streven naar meer efficiëntie, zodat met minder of het hetzelfde aantal ambtenaren dezelfde taken kunnen worden verricht. Nederland is het dus niet eens met verhoging van het budget van de Commissie en het zal zich inzetten voor beperking van de administratieve uitgaven voor de instellingen.

Voor pensioenen van ambtenaren van diverse instellingen is een stijging van 7,6% voorzien. Nederland heeft samen met een aantal, voornamelijk nieuwe, lidstaten de Commissie gevraagd om een overzicht te maken van de pensioenproblematiek op langere termijn. De Commissie heeft toegezegd een eerste aanzet te zullen maken en op basis daarvan kan de discussie over oplossing van de pensioenproblematiek worden voortgezet.

De stijging van het budget voor categorie 3a vloeit voort uit het Verdrag van Lissabon, het Verdrag van Nice en het Haags Programma. Nederland is van mening dat veilige Europese grenzen en een passend migratiebeleid onder de huidige omstandigheden zeer belangrijk zijn. Het steunt dan ook de Europese ambitie om op dit terrein meer te doen. Voor de Europese aanpak wil Nederland de benodigde middelen beschikbaar stellen en het steunt dan ook de uitbreiding van de begroting voor deze categorie. In overleg met de minister van Justitie zal nog worden bekeken of de middelen voor Frontex voldoende zijn om de doelstelling van dit agentschap te kunnen realiseren.

De staatssecretaris reageert vervolgens op een opmerking van mevrouw Gesthuizen over de Europese ontwikkelingssamenwerking en merkt op dat die samenwerking van andere aard is dan de ontwikkelingssamenwerking van de VN. De landen waarvoor de EU een speciale inspanning levert, zijn vaak landen die voorheen koloniën van de Europese lidstaten waren en waarvoor de lidstaten een grote verantwoordelijkheid voelen. Met die landen zijn verdragsrechtelijke afspraken gemaakt en wordt de samenwerking gekenmerkt door een langjarige traditie. De desbetreffende landen hechten ook zelf aan samenwerking met de EU, omdat die voordelen biedt ten opzichte van de hulp die zij in VN-verband zouden ontvangen. Zij hebben bijvoorbeeld vaak met hun producten vrije toegang tot de Europese markt.

Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de kwaliteit van de Europese ontwikkelingssamenwerking door meer ervaring op dit gebied is toegenomen. Dit wordt erkend door Nederlandse MFO’s (medefinancieringsorganisaties) die aanvankelijk kritisch stonden tegenover de Europese ontwikkelingssamenwerking. Een ander argument om de Europese ontwikkelingssamenwerking te handhaven is gelegen in het feit dat lidstaten die zelf geen traditie hebben met ontwikkelingssamenwerking via Europese participatie ervaring op doen en in de gelegenheid worden gesteld een bijdrage te leveren aan de millenniumgoals. Niettemin zal onderzocht worden of de kritiek terecht is dat veel EU-ontwikkelingsgeld verloren gaat aan bureaucratie. De Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.

Dat te veel geld gaat naar gebieden die niet meer tot de armsten van de wereld behoren, is een misverstand. Er gaat juist veel geld naar landen in Afrika, het Caribische Gebied en de Stille Oceaan. De hulp die deze landen ontvangen komt echter beschikbaar via een apart fonds, het EOF (Europees Ontwikkelingsfonds), en niet via de normale begroting. Juist de zogenaamde ACS-landen zijn vaak voormalige koloniën en zij hebben van de landen buiten de EU de meeste mogelijkheden om hun producten op de Europese markt aan te bieden.

De staatssecretaris wijst er tot slot op dat met het Verdrag van Lissabon een meer efficiënte en transparante wijze van samenwerken was voorzien. In die zin is dan ook het Ierse nee nadelig voor de EU, maar dat wil niet zeggen dat er daardoor meer geld nodig is. Met het Verdrag van Lissabon waren namelijk ook meer taken voorzien.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Blok

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Waalkens

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Vente


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Atsma (CDA), Van Bommel (SP), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Waalkens (PvdA), voorzitter, Van Baalen (VVD), Ormel (CDA), Spies (CDA), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Jonker (CDA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Boekestijn (VVD), Pechtold (D66), Ten Broeke (VVD), Peters (GroenLinks), Gill’ard (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD) en Wieg-man-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie).

Plv. leden: Jager (CDA), De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), Vos (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Haverkamp (CDA), Van Gennip (CDA), Lempens (SP), Schermers (CDA), Knops (CDA), Jacobi (PvdA), Samsom (PvdA), Kuiken (PvdA), Teeven (VVD), Roemer (SP), Wilders (PVV), Nicolaï (VVD), Van der Ham (D66), Van der Burg (VVD), Duyvendak (GroenLinks), Boelhouwer (PvdA), Van Leeuwen (SP), Ouwehand (PvdD) en Voordewind (ChristenUnie).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Vendrik (GroenLinks), Blok (VVD), voorzitter, Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Weekers (VVD), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Kalma (PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (ChristenUnie), Van der Burg (VVD), Tony van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Heerts (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Tang (PvdA), Vos (PvdA) en Bashir (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Halsema (GroenLinks), Remkes (VVD), Jonker (CDA), Aptroot (VVD), Jan de Vries (CDA), Van Hijum (CDA), Mastwijk (CDA), De Krom (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Van der Veen (PvdA), Smilde (CDA), Anker (ChristenUnie), Nicolaï (VVD), De Roon (PVV), Van Dam (PvdA), Smeets (PvdA), Karabulut (SP), Thieme (PvdD), Heijnen (PvdA), Roefs (PvdA) en Van Gerven (SP).