Kamerstuk 21501-473

Verslag van een algemeen overleg

Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 15 maart 2011, inzake Landbouw- en Visserijraad

Gepubliceerd: 6 april 2011
Indiener(s): Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA)
Onderwerpen: europese zaken internationaal landbouw organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-32-473.html
ID: 21501-473

Nr. 473 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 april 2011

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 heeft op 15 maart 2011 overleg gevoerd met staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over:

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 11 maart 2011 over de geannoteerde agenda Landbouwraad 17 maart 2011 (21 501-32, nr. 442);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 7 maart 2011 met het verslag Landbouwraad d.d. 21 februari 2011 (21 501-32, nr. 440);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 21 februari 2011 over de Toekomst gemeenschappelijk landbouwbeleid (28 625, nr. 115);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 16 februari 2011 met een reactie op het artikel in Elsevier van 22 januari 2011 inzake het Nederlandse bedrijf dat verdacht is in het dioxineschandaal m.b.t. dioxine in diervoeders (26 991, nr. 310);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 8 maart 2011 met antwoorden op vragen van de commissie over de vormgeving van het toekomstig gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) (28 625, nr. 117).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Van der Ham

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Franke

Voorzitter: Jansen

Griffier: Schüssel

Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Dijkgraaf, Dikkers, Van Gerven, Grashoff, Jacobi, Jansen, Koopmans, Ouwehand, Snijder-Hazelhoff, Van Veldhoven en Wiegman-van Meppelen Scheppink,

en staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik open de vergadering van de commissie Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over de Landbouw- en Visserijraad. Ik heet de staatssecretaris en zijn ambtenaren welkom, evenals de leden en de belangstellenden op de tribune. Ik stel voor in eerste termijn een spreektijd aan te houden van vijf minuten. De PvdA-fractie, die twee woordvoerders heeft, kan de spreektijd onderling verdelen. Ik sta in eerste termijn maximaal twee interrupties per spreker toe.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Ik heb een punt van orde. Ik dien u te melden dat op het allerlaatste moment aan de agenda van de Raad een punt is toegevoegd, te weten de evaluatie van het Europese dierenwelzijnsbeleid. Daar hebben wij nog geen stukken van, maar ik moet melden dat het is toegevoegd.

De voorzitter: Dat is zeer correct.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Laat ik beginnen met te zeggen dat de VVD voor de toekomst een sterk GLB belangrijk vindt. Wij zijn nu op het snijvlak aanbeland voor het uitstippelen van een nieuw beleid dat strekt van 2013 tot 2020. Voor ons is belangrijk dat de overgang naar het nieuwe beleid geleidelijk wordt afgebouwd richting 2020, wanneer een geheel nieuw beleid zal gelden. De weg van de geleidelijkheid dus. Hoe ziet de staatssecretaris dit traject? Hoe staan de andere lidstaten daarin? Dit laatste is heel belangrijk om te weten, aangezien wij een van de spelers zijn.

Ik ga in op de diverse pijlers. Voor de VVD-fractie is de eerste pijler de belangrijkste pijler. Dat is zeker niet nieuw. Een sterke eerste pijler is wat ons betreft de inzet. Laat ik dan ook maar direct met de deur in huis vallen. In de eerste pijler hoort wat ons betreft een basispremie. Uit Brussel krijgen wij signalen dat het merendeel van de lidstaten daarvoor kiest of daar deels al voor heeft gekozen. De eerste pijler biedt mogelijkheden voor een aantal top-ups. Met die top-ups boven op de basispremie kan een deel van de ambities die Brussel heeft met het nieuwe GLB verwezenlijkt worden. Ik zou graag zien dat die top-ups voor de akkerbouw, voor de veehouderij maar bijvoorbeeld ook voor de veenkoloniën worden ingezet. Met die top-ups kunnen we heel goed inspelen op de vergroening die Brussel wil en die wij ook willen, dus op de weg naar verduurzaming. We moeten er wel met elkaar over nadenken hoe we die top-ups zien. Ik noemde al de akkerbouw en veehouderij, maar ik denk ook aan een top-up voor koeien in de wei. Dat zou heel mooi aansluiten bij de ambitie van vergroening en zeker bij de ambitie van verduurzaming.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Mevrouw Snijder zoekt de toekomst van het GLB in de top-ups. Ik heb het afgelopen jaar de VVD nooit anders gehoord dan dat alle nationale toppen eraf moeten en wel per omgaande. Vindt zij het nu niet heel inconsequent van zichzelf dat zij nu heel erg op de top-up gaat zitten en dat zij het in een keer als een deus ex machina verkoopt? Mevrouw Snijder, u moet wel een beetje oppassen met uw beeldvorming!

De voorzitter: Mevrouw Jacobi, u mag via de voorzitter spreken.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik denk dat de woorden een verkeerd beeld geven. We willen werken aan de basispremie, maar we willen ook voor een aantal diensten gaan betalen. Dat noem ik even de top-ups. Dus dat is een topje op een basispremie. Ik zie mevrouw Jacobi lachen. Dus ik ga ervan uit dat zij mij begrijpt. Het gaat om het betalen voor een aantal diensten die bijdragen aan de verduurzaming in het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Onze boodschap is dat we er goed over na moeten denken wat voor extra beloningen wij zouden willen geven. Het is namelijk mogelijk dat wij andere zaken willen belonen dan bijvoorbeeld Frankrijk. Zijn daar mogelijkheden toe? Hoe ziet de staatssecretaris deze extra's boven op de basispremie in het kader van de vergroening?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Het pleidooi van de VVD verbaast mij toch wel ernstig. De VVD is toch de partij van het level playing field? Ik kan naar geen AO gaan of de VVD maakt het punt van het belang van het level playing field. Nu hoor ik de VVD ervoor pleiten dat de Nederlandse overheid boerenondernemers op een andere manier moet kunnen bevoordelen dan de Franse overheid. Ik kan mij uit het debat over de Q-koorts herinneren dat geitenhouders klaagden dat zij hun melk niet meer kwijt konden omdat de Fransen een bepaalde stimuleringsmaatregel hadden ingevoerd met het gevolg dat de Franse geitenmelkprijs veel lager was dan die van de Nederlanders, waardoor ze uit de markt geprijsd werden. Daar pleit mevrouw Snijder voor als zij deze weg opgaat.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Laat helder zijn dat Brussel het beleid van basispremies voorstaat. Als ik het goed begrijp, wil D66 ondernemers absoluut niet betalen voor een aantal extra diensten die zij verlenen. Dat is wel het beleid dat in Brussel nu voorligt. Dan moeten wij nagaan waar wij onze ondernemers, onze agrariërs, extra voor willen belonen. Daar heb ik het nu over. Daar gaat ook de discussie over. Wij zijn ervoor om een basispremie te geven en boeren voor een aantal zaken, waar het gaat om verduurzaming of vergroening – een van de lagen die ook in het GLB zitten – te betalen. Dat is mogelijk.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Mevrouw Snijder-Hazelhoff heeft D66 vanaf het begin van deze discussie horen zeggen: we moeten boeren gericht belonen wanneer zij boven de wettelijk gestelde eisen uitgaan. Dat zal ik vandaag herhalen. Ik snap niet waar mevrouw Snijder het vandaan haalt dat D66 dat niet zou willen. Mevrouw Snijder, u ontwijkt mijn vraag. Zet de VVD nu in op het verstoren van het level playing field? Dat hoor ik u namelijk zeggen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Nee, dat hoort u mij absoluut niet zeggen. Ik zeg alleen dat wij er wel over na moeten denken om in het kader van vergroening of verduurzaming de koe in de wei te vergoeden. Dat zou bijvoorbeeld voor Frankrijk of Duitsland wel eens helemaal niet nodig hoeven te zijn. Dus wij moeten er zelf over nadenken welke zaken wij willen vergoeden, overigens wel onder de noemer van het GLB. Dan is er sprake van een level playing field met de kaders die wij daarvoor schetsen in het GLB. Ik ben dan ook heel benieuwd welke mogelijkheden wij hebben. Hebben wij überhaupt ruimte om bijvoorbeeld voor de koe in de wei een extra betaling te doen? Het zou best kunnen dat dit binnen de randvoorwaarden helemaal niet kan. Daar heb ik op dit moment geen zicht op. Dat vraag ik dus aan de staatssecretaris.

De voorzitter: Mevrouw Van Veldhoven, gezien de acht aanwezige partijen lukt het niet om u nog een keer te laten interrumperen. Sorry daarvoor. Mevrouw Snijder vervolgt haar betoog.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik denk dat ik duidelijk heb gemaakt dat mijn fractie voor een basispremie is en dat voor een aantal extra zaken betaald moet worden. Dan kijk ik op pagina 4 van de brief van de staatssecretaris. Hij stelt: ik streef naar een vergroening van de basisbetaling. Hoe moet ik dat zien in het kader van het verhaal dat ik naar voren heb gebracht?

De vorige keer zei de staatssecretaris dat hij heel fors wilde inzetten op de eerste pijler. Nu zien wij de krantenkop «Staatssecretaris Bleker wenst meer inzet op de tweede pijler». Het lijkt mij goed om van de staatssecretaris te horen wat hij daarmee bedoelt. Wat ons betreft is de tweede pijler ook gericht op de primaire sector. Dat hebben we altijd gezegd. Naar ons gevoel blijven As 1 en As 2 belangrijk. Hoe staat het met As 3 en As 4? Wat ons betreft zouden die naar achteren kunnen worden geschoven. Ook is belangrijk dat wij horen welke ruimte er is. Als de staatssecretaris meer in wil zetten op de tweede pijler moeten er meer middelen komen voor cofinanciering.

Ik heb een vraag over de less favorite areas. Dat wordt een discussiepunt. Gaat Nederland meer van deze areas aanwijzen of moeten wij constateren dat heel Nederland een less favorite area is? Afgezet tegen andere lidstaten moeten we signaleren dat de verschillen tussen onze regio's niet zo groot zijn in vergelijking met alle mogelijkheden die bijvoorbeeld in Polen in het grootschalig landbouwgebied aanwezig zijn. Daar krijg ik graag duidelijkheid over.

De voorzitter: Mevrouw Snijder, kunt u afronden?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Op pagina 5 schrijft de staatssecretaris dat tweedepijlermiddelen breed ingezet kunnen worden voor natuurbeheer. Ik denk dat de staatssecretaris dan eigenlijk bedoelt «alleen voor agrarisch natuurbeheer». Dat is voor de VVD-fractie belangrijk. Laat het vooral agrarisch gerelateerd zijn, zowel bij eerstepijler- maar vooral bij tweedepijlermiddelen.

De voorzitter: Voordat ik het woord geef aan de heer Grashoff geef ik de staatssecretaris de gelegenheid om naar aanleiding van een vraag van mevrouw Van Veldhoven te verduidelijken met welke status het punt Evaluatie dierenwelzijn geagendeerd is voor de Landbouwraad. Is dat bekend?

Staatssecretaris Bleker: Jazeker. Dat is geagendeerd onder het punt «diversen». Of u daar blij van wordt, weet ik niet, maar zo is het wel.

De voorzitter: Dat lijkt mij geen al te zware status, maar dat is een interpretatie mijnerzijds.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Is besluitvorming zonder discussie voorzien of is het een startpunt van de discussie? Is dit ter informatie? Gaat de voorzitter iets presenteren?

Staatssecretaris Bleker: Uw voorlaatste taxatie is het geval. Het is ter informatie en als startpunt, maar niet voor meningsvorming, standpuntbepaling of besluitvorming.

De voorzitter: Geweldig, dat is opgehelderd. Ik geef het woord aan de heer Grashoff.

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. We hebben van de zijde van de staatssecretaris een document gekregen dat zo veel specifieker en diepgaander ingaat op de vormgeving van het GLB dat het nu mogelijk wordt om daar een goed debat over te voeren. Daarvoor mijn complimenten. Ik vind ook dat de staatssecretaris zorgvuldig is ingegaan op de vraagstellingen van de kant van de commissie. Dit betekent dat wij het debat in ieder geval op een concreter en beter inhoudelijk niveau zouden moeten kunnen tillen. Dat is bij het GLB al vrij snel een wat instrumenteel niveau. Dat hangt logischerwijs samen met de aard van het onderwerp.

De GroenLinks-fractie deelt de opvatting dat de vergroening zowel in de eerste als in de tweede pijler zou moeten zitten. Wij delen ook de opvatting dat beide pijlers moeten blijven bestaan. Zonder precies op de kwantiteit in te gaan als het om het budget gaat, gaan wij ervan uit dat het budget krimpt. Dat lijkt ons redelijk om twee redenen. Of het totaalbudget krimpt of de lidstaten zullen de verdeling van de middelen, met name van de eerstepijlergelden, proberen recht te trekken die nu vrij fors neerslaat in Nederland. Dat vinden we logisch en ook acceptabel. Wat ons betreft blijft de eerste pijler de grootste en blijft het daarmee van groot belang om die te vergroenen.

Wij kunnen een heel eind meegaan in de gedachtegang daarover die de staatssecretaris schetst, zij het dat daar een aantal kanttekeningen bij geplaatst moet worden. De staatssecretaris doet onder meer de suggestie van een puntensysteem. Het aardige daarvan is dat het een goede mogelijkheid biedt om iets te doen wat voor ondernemers interessant is, wat beter bij hen past en om daaruit te winkelen. Maar aan dat winkelen zit nu juist een risico, want geld inzetten voor bepaalde maatschappelijke doelen of groenblauwe diensten is op plek A veel effectiever dan op plek B. Het betekent dat een dergelijk puntensysteem gedifferentieerd zou moeten worden naar gebieden. Het geld zou dan niet plat over Nederland verdeeld moeten worden, maar juist moeten gaan naar de gebieden waarvoor dat van belang is. Een voorbeeld. Als het voor Natura 2000-landbouwgebieden extra van belang is om naar extensivering te gaan, zouden daaraan meer punten toegekend moeten worden dan wanneer het in de Flevopolder gebeurt. Sowieso zouden misschien aan een dergelijk aspect niet of nauwelijks punten toegekend moeten worden. Op die manier zou een puntensysteem, mits heel goed in de verf gezet, wel degelijk kunnen bijdragen aan het sturen van het geld naar gebieden waar de effectiviteit het grootst is. Dat vinden wij heel belangrijk. Het platslaan over Nederland, daar zouden we eigenlijk van af willen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): U zegt dat u helemaal niet in bent voor platslaan. De GroenLinks-fractie zegt hiermee in feite dat zij een basispremie zoals een aantal lidstaten invoert helemaal niet wenselijk vindt. U neemt dan afscheid van het level playing field. Dan wilt u alles apart regelen, wat heel veel administratieve lastendruk met zich brengt waarschijnlijk.

De heer Grashoff (GroenLinks): Er zitten drie elementen in uw vraag. Het eerste betreft het volgende onderdeel van mijn verhaal. Ook wij vinden dat een stukje van de eerste pijler de titel basispremie zou mogen hebben, zij het dat ook aan die basispremie voorwaarden worden verbonden. Dat is in de sfeer van cross compliance. Je zou kunnen zeggen dat zaken die in de sfeer van vergroening en maatschappelijke diensten voor heel Europa interessant zijn, op Europees niveau in termen van cross compliance zouden moeten worden geregeld. Hoe je precies de balans legt tussen basispremie en puntensysteem, waarvan wij een combinatie bepleiten, is een vraagstuk van nadere uitwerking. Overigens is het naar onze mening niet zo dat het level playing field op Europees niveau weg is. Het stelsel blijft namelijk onderdeel van de eerste pijler. Het moet dus in de eerste pijler blijven gaan om generiek Europees beleid. Dat betekent dat je op Europees niveau moet bekijken hoe een dergelijk puntensysteem vorm kan krijgen. Is er een modus te vinden voor alle lidstaten die het level playing field in voldoende mate honoreert, maar waarmee het geld toch binnen kaders van de Europese Unie op effectieve wijze over de regio's in verschillende lidstaten wordt verdeeld? Het lijkt mij heel goed mogelijk om dit uit te werken. Hoe kijkt de staatssecretaris daartegenaan? Dus een modificering van het puntensysteem, meer gedifferentieerd maar wel op Europees niveau binnen de eerste pijler.

De voorzitter: De heer Grashoff vervolgt zijn betoog.

De heer Grashoff (GroenLinks): Wat ons betreft wordt de tweede pijler wel versterkt. Dat betekent dat het relatieve verschil tussen de eerste en de tweede pijler – in Nederland is dat extreem: 5% tweede pijler, 95% eerste pijler – er iets anders uit gaat zien. Wij delen de conclusie van de staatssecretaris dat de plattelandsvraagstukken die voor Nederland gelden misschien wel heel anders zijn voor andere Europese landen, maar daarom niet minder serieus. Sterker nog, juist het feit dat wij in een verstedelijkt land leven waar toch een groot belang aan landbouw wordt gehecht en aan de combinatie landbouw en natuur, vereist dat de tweede pijler serieus wordt genomen. Wat ons betreft moet de tweede pijler dus wel degelijk versterkt worden en boven het zakgeldniveau van 45 mln. uitstijgen, zeker naar een verdrievoudiging, om deze pijler serieus body te geven. Dat betekent natuurlijk ook een claim op cofinanciering. So be it. Die discussie zullen we met elkaar aan moeten gaan, maar dan zet je in de sfeer van bredere plattelandsontwikkeling, overigens ook vergroend, een degelijker pakket neer.

De voorzitter: Mijnheer Grashoff, wilt u afronden?

De heer Grashoff (GroenLinks): Over de eerste pijler nog het volgende. Wij pleiten er sterk voor dat de staatssecretaris het aspect van de nadelige gebieden benadrukt in de onderhandeling. Ook Nederland heeft nadelige gebieden die binnen de eerste pijler voor specifieke top-ups in aanmerking zouden moeten komen. In elk geval vinden wij dat dit voor het veenweidegebied het geval zou moeten zijn. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris daarop in wil gaan. Ik zou graag zien dat innovatie binnen de eerste pijler een plek krijgt. Ik weet dat de discussie hierover ook op Europees niveau serieus speelt. Ik verzoek de staatssecretaris dat van harte te steunen. Als wij het hebben over innovatie in de eerste pijler zou het overigens wel om duurzame innovatie moeten gaan. Dat betekent niet innovatie gericht op de schaalvergroting om de schaalvergroting, maar innovatie gericht op het ontwikkelen van duurzame stalconcepten, op terugwinning van stikstoffosfaten uit mest, energiewinning et cetera. Allemaal van dat soort echt fundamentele innovaties die binnen de eerste pijler tot stand zouden moeten komen.

Wij pleiten er sterk voor om binnen de tweede pijler op enigerlei wijze vorm te geven aan een bijdrage aan de bedrijfsovername voor jonge boeren. Wat ons betreft liever met een premie dan met een garantieregeling. Wij vinden de vergrijzing een serieus punt. Ook denken wij aan een investeringsbijdrage voor het versterken van multifunctionaliteit. Dus echt een verbreding naar andere sectoren.

Voorzitter. Mag ik nog één opmerking maken?

De voorzitter: U bent ver over uw tijd heen. Dat vind ik eerlijk gezegd met het oog op de andere collega's een beetje over the top. U kunt nog gebruikmaken van uw recht om twee interrupties te plegen. Maar ik zie dat mevrouw Ouwehand u een vraag wil stellen. Zij helpt u.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb een vraag aan de heer Grashoff. Ik meen mij te herinneren dat GroenLinks toen de verschillende opties werden gepresenteerd door de commissie voorstander was van optie 3, die voluit voor vergroening gaat. Nu hoor ik GroenLinks pleiten voor behoud van de eerste pijler. Dat is een verandering van standpunt. Wat is er gebeurd?

De heer Grashoff (GroenLinks): U begrijpt mij niet goed of u wilt dat misschien niet. Ik heb bij herhaling gezegd dat wij gaan voor de vergroening van de eerste én van de tweede pijler. Wij blijven dus volledig gaan voor vergroening.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Die woorden horen wij normaal gesproken van het kabinet, maar het is natuurlijk een fabeltje dat je met de eerste pijler hard gaat vergroenen. Dat is destijds ook gebleken uit de opties. Kiest GroenLinks nu voor een hervorming naar een compleet duurzame landbouw of blijft GroenLinks vasthouden – u hebt het zojuist al betoogd – aan een groot budget met alleen krimp als het kan, inkomenssteun en hier en daar een luchtwasser of een heggetje? Daar komt het natuurlijk in de praktijk op neer.

De heer Grashoff (GroenLinks): Nee, daar komt het niet op neer in de praktijk en u moet niet zeggen dat dit mijn opvatting is. Het is duidelijk dat die indeling in drie opties, die in eerste instantie naar voren komen is gekomen, helemaal niet betekent dat er alleen maar te kiezen valt uit de drie voorgeschotelde opties, maar dat het uiteindelijk kan worden vormgegeven uit verschillende elementen van die drie opties. Vandaar dat wij wat sterker uitwerken hoe wij het zouden willen zien. Dat is 100% vergoeding, duidelijke en harde groene eisen aan welke basispremie dan ook en zeker aan de top-ups die daarbij horen. Voor de tweede pijler geldt dat ook, maar daarvoor ligt het sowieso wat meer voor de hand. U hoort mij ook pleiten voor een versterking van de tweede pijler. Dus het gaat absoluut om drastische vergroening.

De heer Koopmans (CDA): Sinds afgelopen woensdag is er enige opwinding in het land omdat de heer Grashoff al een vooraankondiging van het VAO heeft gedaan. Ik heb zijn bijdrage net gehoord en ik vraag mij af waar dat VAO morgen over zou kunnen gaan.

De voorzitter: Mijnheer Grashoff, licht eens een tipje van de sluier op.

De heer Grashoff (GroenLinks): Mag dat nog even wachten tot na de reactie van de staatssecretaris?

De voorzitter: U gaat over uw eigen antwoorden.

De heer Koopmans (CDA): Dat begrijp ik, maar dan begrijp ik helemaal niet meer waarom er vorige week een vooraankondiging werd gedaan.

De heer Grashoff (GroenLinks): Dat u het nu niet begrijpt is niet zo heel erg, als u het straks aan het eind van de vergadering maar begrijpt. Als u het dan nog niet begrijpt, ga ik me zorgen maken.

De heer Koopmans (CDA): We zullen het er maar niet te lang over hebben. U wist vorige week al dat het van belang was om een vooraankondiging te doen. Dan is het interessant voor ons – en kan ik er in mijn bijdrage rekening mee houden – om te weten waar dat grote gebaar over gaat.

De heer Grashoff (GroenLinks): Of er sprake is van een groot gebaar en of u dat ook vindt, gaan we meemaken. Het zou natuurlijk kunnen dat ik met moties kom die u zo fantastisch vindt, dat u die zou willen steunen. Dat zou ik natuurlijk fantastisch vinden. Dan is het misschien zelfs een iets minder groot gebaar, maar wel een gebaar waar een meerderheid voor te vinden is. Je weet het maar nooit. Nogmaals, ik vind het goed gebruik om eerst de reactie van de staatssecretaris af te wachten. U weet dat ik niet anders kon doen dan een vooraankondiging gezien de enorm krappe tijd tussen vandaag en de Landbouwraad. Gezien onze procedures kon ik niet anders doen dan dit aankondigen. Dat begrijpt u, denk ik.

De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Grashoff. Ik wijs de collega's erop dat als we in dit tempo doorgaan, de staatssecretaris straks een halfuurtje heeft voor de beantwoording. Dat zal hij helemaal niet erg vinden, denk ik zomaar.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Hoewel we met veel doelen uit de kabinetsinzet kunnen instemmen, is de indruk van de fractie van de ChristenUnie dat het kabinet wel heel veel verwacht van de markt. De landbouwsector is geen normale economische sector. Voedselzekerheid kan niet zonder meer aan de markt worden overgelaten. Dat geldt ook voor de inkomens van boeren en voor de bescherming van milieu en biodiversiteit. Deze fundamentele belangen voor Nederlandse, Europese en mondiale landbouw worden niet zomaar gewaarborgd door een verregaande liberalisering.

De afgelopen jaren zijn wij regelmatig geconfronteerd met de effecten van voedseltekorten. Er heerst blijvende onrust over voedselvoorziening en prijzen. De staatssecretaris stelt wel heel gemakkelijk dat de Europese voedselvoorziening tot 2020 bestand is tegen calamiteiten. Daarbij wordt verwezen naar de eventuele mogelijkheid tot productie- en areaalverhoging. Graag hoor ik van de staatssecretaris hoe hij zich dit voorstelt. Ook wil ik graag weten tegen welke prijs dat moet gebeuren als de noodzaak er is. Komt dierenwelzijn dan onder druk te staan, of de natuur? Hoe zit het na 2020? Voedselzekerheid is meer dan voedselproducten. Het gaat ook om duurzaam beheer van productiemiddelen en waarborging van veilige en verantwoorde productieprocessen. Dit zijn allerlei factoren die in een verregaande geliberaliseerde markt niet automatisch gewaarborgd worden.

De ChristenUnie is voorstander van meer regionale zelfvoorziening, en dan niet alleen vanuit een oogpunt van voedselzekerheid maar ook vanuit ecologische overwegingen en ook met het oog op de positie van ontwikkelingslanden. De Europese afhankelijkheid van bijvoorbeeld geïmporteerde veevoergrondstoffen is wat de ChristenUnie betreft onwenselijk. Graag hoor ik van de staatssecretaris welke mogelijkheden er binnen de Europese grenzen zijn voor veevoerproductie.

De stokpaardjes van dit kabinet, innovatie, concurrentievermogen en verduurzaming, lijken vooral gebaseerd te zijn op een verwachting van een markt. Heeft de staatssecretaris concrete plannen? Als het antwoord is dat het uit de markt moet komen, is dat voor de ChristenUnie onvoldoende. De ChristenUnie is natuurlijk geen tegenstander van marktwerking, maar zolang er geen concrete marktinstrumenten zijn die de diverse functies van de landbouw waarborgen, is het wat de ChristenUnie betreft onverantwoord om de basispremie los te laten.

Wij zijn positief over de intentie van de staatssecretaris om de basisbetaling te vergroenen. Een meer doelgericht, versimpeld en controleerbaar systeem van randvoorwaarden acht de ChristenUnie wenselijk, maar het moet wel een basisbetaling blijven voor alle boeren. Dat het landbouwbudget evenrediger verdeeld moet worden over meer lidstaten is begrijpelijk. De ChristenUnie steunt ook de overgang naar een basispremie op basis van hectaren. Het is daarbij wel van groot belang dat er een goede overgangsregeling wordt getroffen. Ook moet er in de herverdeling rekening worden gehouden met de veel hogere grondprijzen in Nederland. Kan de staatssecretaris hier meer duidelijkheid over geven? Wordt beoogd om met de inzet voor gedifferentieerde betalingen te kunnen voorzien in een overgangsregeling? Graag een reactie.

De marktconforme beloning van maatschappelijke diensten is iets wat de ChristenUnie steunt, maar als de middelen hiervoor uit de eerste pijler komen, mag dit niet ten koste gaan van de basisbetaling. Kan de staatssecretaris dit toezeggen? Juist wat dit betreft wil de ChristenUnie dat wordt ingezet op meer en betere marktwerking, namelijk de doorrekening van maatschappelijke diensten in consumentenprijzen. Dit hangt ook nauw samen met de positie van de boer in de productieketen. De ChristenUnie ziet graag dat deze positie versterkt wordt. Onlangs heb ik met collega Jacobi een motie ingediend waarin werd verwezen naar de belemmerende werking van het mededingingsbeleid voor partijen die middels collectieve afspraken duurzame productie willen bevorderen. Daarin zat een duidelijke opdracht voor deze staatssecretaris om daar nationaal mee aan de slag te gaan. De motie is ook aangenomen. Wil de staatssecretaris zich inzetten om deze problematiek ook op Europees niveau te adresseren?

Dan een opmerking over de melkquota; een voorbeeld van een overgangssituatie waar meer valt te behalen, vindt de ChristenUnie tot 2015. Terwijl Nederlandse boeren hun productie moeten beperken om het quotum niet te overschrijden, wordt het quotum in sommige andere lidstaten niet volgemolken. Is de staatssecretaris bereid om zich in te spannen om dit overgebleven quotum aan Nederland te laten toekomen?

Tot slot. Op de agenda staat ook «Toelating van drie genetisch gemodificeerde variëteiten». Dit is een discussie die steeds terugkomt. Ik ken de reactie van de Nederlandse regering, namelijk: volgens het huidige afwegingskader kun je moeilijk nee zeggen. De staatssecretaris kent ook de wens van de ChristenUnie om tot een beter afwegingskader te komen. Ik ken ook de inzet en de ontwikkelingen die inmiddels gaande zijn. Voor dit moment vraag ik de staatssecretaris wat hij gaat doen om een ggo-vrije keten te kunnen waarborgen en wat hij gaat doen om de ggo's die nu toegelaten worden, te laten traceren binnen de Europese voedselketen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Mevrouw Wiegman snijdt een belangrijk punt aan, namelijk dat zij graag wil dat de kosten meer worden doorberekend in de prijzen. Vaker wordt gesteld dat de prijs die we betalen niet de werkelijke kosten vertegenwoordigt, ook niet de werkelijke milieukosten, zeker bij vlees. Ik vind het mooi dat mevrouw Wiegman dit punt aansnijdt, maar ik vraag me af hoe zij dit denkt te kunnen realiseren vanuit Nederland. Daarnaast heb ik een meer principiële vraag. Als het mogelijk zou zijn om via de prijs die een consument betaalt die boer een fatsoenlijk inkomen te geven, dan is dat hele gemeenschappelijke landbouwbeleid, dat in feite ook door de consumenten wordt betaald maar dan via de belastingcenten, toch niet meer nodig?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Eigenlijk staan wij het ideaalbeeld dat mevrouw Van Veldhoven schetst voor. Wij zeggen daarbij wel: let op wat je op dit moment doet; laat basispremies niet te snel los als dit soort zaken nog niet goed in de markt verankerd zijn. Zolang dit nog niet goed is geborgd, moet niet verder worden gegaan met marktwerking. De inzet van de ChristenUnie is om dit beter te borgen in de markt, maar zolang dat niet het geval is de basispremie stevig overeind te houden.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Is de ChristenUnie wel van mening dat dit gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat is vastgelegd tot 2020, wel een prikkel die kant uit zou moeten geven?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Mevrouw Van Veldhoven stelt deze aanvullende vraag omdat mijn antwoord kennelijk niet voldoende is. Ik weet niet precies wat zij bij mij wil uitlokken. Volgens mij is ons standpunt heel duidelijk. Wij zien het liefst dat deze maatschappelijke waarde beter verankerd is in een markt. Zolang dat niet het geval is, moeten we een stevige basispremie overeind houden. Wij zien dat als een risico van de verdergaande liberalisering, die voorgesteld wordt zonder dit te waarborgen. Ik denk zeker dat er stappen te maken zijn om dit voor elkaar te krijgen. Daar zal de inzet van Nederland op gericht moeten zijn.

De voorzitter: Dan is nu het woord aan mevrouw Van Veldhoven.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. Onze stip op de horizon – ik heb het al een aantal keren gezegd – is: kies voor een zelfstandig opererende land- en tuinbouw. Boeren zijn ondernemers en die moeten niet structureel gesubsidieerd worden. Daarom willen we de pure subsidie op het boer zijn oftewel de directe inkomenssteun afbouwen. Een flinke halvering in 2020 naar 18 mld. Dit moet één partij in ieder geval bekend in de oren klinken, al is Han ten Broeke geen landbouwwoordvoerder. Geld uit het GLB willen we wel inzetten om ondernemers te belonen die zich extra inspannen voor natuur, milieu of dierenwelzijn. Maar dat kan ook met minder geld. Als wij deze omschakeling nu niet inzetten, zijn we weer tien jaar verder en betalen we in de tussentijd letterlijk de rekening en schuiven we de kosten door naar een volgende generatie.

Omschakeling biedt toekomstperspectieven voor een duurzame en diervriendelijke landbouw. Ook bijvoorbeeld bij een halvering van het GLB blijft in 2020 per jaar 20 mld. over om te besteden aan groenblauwe diensten en aan innovatie. Het PBL heeft mooie voorstellen gedaan voor groenblauwe diensten die dan vergoed zouden kunnen worden. Waarom zouden we dit doen met Europees geld? Omdat dit relateert aan de Europese doelstellingen. Ik noem de Kaderrichtlijn Water, Natura 2000, de Vogel- en Habitatrichtlijn, luchtkwaliteit. Allemaal Europese afspraken over waar we heen willen met de groene leefomgeving. Daardoor verankeren we dat gemeenschappelijk landbouwbeleid ook in de brede Europese agenda.

Dan de brief van de staatssecretaris. Eerst een procedureel punt daarover.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb een vraag over het verhaal dat u net schetste. Onderkent de D66-fractie helemaal niet dat de Europese boer, met name de Nederlandse boer, onder een aantal veel hogere standaarden produceert dan de rest van de wereld, en mag daar dan helemaal niets tegenover staan? Dat zegt u eigenlijk.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Is de VVD ermee bekend dat 80% van alle productie intra-Europese handel is en wij dus helemaal niet te maken hebben met die andere standaarden die buiten Europa gelden?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Is het de D66-fractie ook bekend dat wij wel onder hogere standaarden produceren, maar dat wij de rest van de wereld niet tegen kunnen houden? Dat dilemma hebben wij de afgelopen week in allerlei debatten ook gezien.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Nogmaals, als ik concurreer met mijn buurman en wij hanteren beiden dezelfde standaarden, hebben wij een level playing field. Dat is van belang voor de boeren in Europa. Aangezien zij 80% van hun productie binnen de Europese markt afzetten, moeten wij zorgen voor een level playing field binnen Europa. Dan moeten wij niet naar een in zeer grote mate zelfstandige invulling van dat landbouwgeld op nationale basis, want dan verstoor je juist dat level playing field waaraan de VVD zo zegt te hechten. De VVD zei ook ooit eens te hechten aan een kleinere Europese begroting en aan een halvering van het gemeenschappelijk landbouwbudget, maar daar hoor ik ook niets van terug.

De voorzitter: Dit is een beetje uitlokking. Ik geef mevrouw Snijder de gelegenheid om een laatste conclusie te trekken.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Eén ding is voor ons in elk geval wel belangrijk: voedselzekerheid en het behoud van onze boeren in het landschap staan echt voorop. Het D66-verhaal is wel heel erg kort door de bocht. Mevrouw Van Veldhoven wil een enorme versnelling inzetten, waarbij ik mij afvraag of dat wel de goede route is. Wat het eindpunt betreft heeft zij misschien gelijk, maar de weg ernaartoe neemt zij wel met heel grote passen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Dit is dan ook uitlokking. Ik heb continu gezegd dat wij deze richting in moeten en dat wij dat voorzichtig moeten doen. Zelfs de staatssecretaris schrijft in zijn brief dat wij voor de voedselzekerheid niet per se het gemeenschappelijk landbouwbeleid nodig hebben, omdat de markt dat ook wel regelt. Dat punt van de voedselzekerheid staat voor iedereen voorop. Daar hoeft helemaal geen discussie over te bestaan, maar dat betekent niet dat we niet aan de gang kunnen met een hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

De heer Dijkgraaf (SGP): Het is misschien aardig om op te merken dat voedselzekerheid 100 jaar geleden het argument bij uitstek was om in te grijpen in deze markt en dat het niet uitgesloten is dat het in de toekomst weer gebeurt. Mijn vraag is een andere. Waar je je spullen verkoopt, doet niet ter zake voor de vraag met welke landen je een level playing field hebt. Daarvoor is bepalend waar de prijs wordt bepaald. 100% van de spullen gaat van Nederland naar België, van België naar Frankrijk, van Frankrijk naar Spanje, van Spanje naar Amerika en van Amerika naar Mexico. Landen van de hele wereld concurreren met elkaar. Daardoor wordt die wereldmarktprijs bepaald. Niet de stromen zijn bepalend. Is mevrouw Van Veldhoven dat met mij eens?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Is de heer Dijkgraaf het dan met mij eens dat op een zeker moment transportkosten een rol gaan spelen in een dergelijke verschuiving? Bovendien hebben wij altijd gezegd dat wij het prima vinden dat in het kader van de WTO aandacht besteed wordt aan de non-tradeconcerns. Dat ligt alleen heel lastig in de WTO. Als wij op dit moment 80% van onze export binnen Europa afzetten, zal dat niet in één keer wijzigen doordat er twee cent verschil is met de wereldprijs.

De heer Dijkgraaf (SGP): Dat is nu juist het punt niet. Het verbaast mij dat de fractie van D66 dat niet ziet, met name omdat zij een goed, diervriendelijk welzijnsbeleid en duurzaamheidsbeleid voorstaat. Als wij in Europa grote vleestransporten vanuit Argentinië krijgen, dat onder veel lagere eisen produceert, hebben wij gewoon een probleem; dan kunnen wij hier niet duurzaam produceren, dus zouden wij er juist naar moeten streven om dat gelijk te trekken. Als het niet gelijk is en wij stellen hogere eisen, moeten wij daar een vergoeding voor geven.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Recent heb ik gelezen dat de staatssecretaris zich terecht inzet voor verduurzaming, ook in de landen waar grootschalig vlees geproduceerd wordt, wanneer dat vlees naar Europa komt. Daar sta ik echt achter. Ik vind het heel belangrijk om de standaarden die wij hanteren voor dierenwelzijn en ons perspectief op duurzaamheid in landen waarmee wij handeldrijven onder de aandacht te brengen. Dat doen wij niet alleen bij de handel in vlees, maar ook bij de handel in soja en in hout. Daarnaast is er ook het vraagstuk wat de Europese consument wil eten. Wil de Europese consument die plofkip eten, die onder erbarmelijke omstandigheden is opgegroeid, of legbatterijeieren? In Europees verband is afgesproken om de legbatterijen af te schaffen. Dat is niet omdat de legbatterijen er in de rest van de wereld uitliggen, maar gewoon omdat wij dat in Europa niet meer willen. Dat is ook een keuze die wij hebben. Je mag als Europa op sommige punten gewoon zeggen: hier zetten wij graag de standaard. Je moet er natuurlijk voor oppassen dat je niet mijlenver vooruit gaat lopen, maar ik heb het gevoel dat wij hier heel veel kunnen doen. Ik vind dat het geld beschikbaar moet worden gesteld aan boeren die boven de wettelijke eisen uitgaan, die echt willen vergroenen en verduurzamen. Dus een deel van de onrendabele top haal je daarmee eraf, maar je gaat niet naar een soort basissalaris voor iedereen die boer is.

De voorzitter: Mevrouw Van Veldhoven vervolgt haar betoog. Nee, ik zie dat de heer Grashoff nog een vraag heeft.

De heer Grashoff (GroenLinks): Dat mag ook aan het eind van het betoog van mevrouw Van Veldhoven. Dat is misschien handiger.

De voorzitter: Laten we dat maar doen. Dat lijkt me verstandig.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik heb een procedureel punt naar aanleiding van de brief van de staatssecretaris. Vandaag, 15 maart, bereidt dit parlement met hem de Europese Raad voor. Morgen is er een VAO en zijn extra stemmingen ingelast om de positie van de Nederlandse regering in het overleg mede richting te geven. Op 11 maart stuurde de staatssecretaris ons de geannoteerde agenda met, bijna weggemoffeld in de bijlage, een position paper over de vereenvoudiging die hij namens 23 landen gaat verdedigen. Wanneer heeft deze commissie de gelegenheid gehad om over dat position paper te spreken? Als het Raadssecretariaat al op 3 maart in staat is om de steun van 20 landen te noteren, heeft dit document ruim daarvoor al gecirculeerd. Dan is de staatssecretaris dus ruim in staat geweest om de Kamer te informeren over dit gedetailleerde voorstel. Ik hoor dan ook graag waarom hij dat niet heeft gedaan.

Een ander procedureel punt betreft de A-punten op de Raad. A-punten zijn onderwerpen waarover in Coreper – tussen de ambassadeurs – overeenstemming is bereikt. Deze komen dus niet meer aan de orde in het AO ter voorbereiding van de Raad. Vaak betreft het technische zaken, maar visserijovereenkomsten zijn wel degelijk een politiek punt. De staatssecretaris accepteert dat zelf. Daarom verzoek ik de staatssecretaris om in het vervolg standaard een brief te sturen over de A-punten, zodat de Kamer kan besluiten of het echt A-punten zijn. Dit is natuurlijk een breder punt dan alleen de Landbouwraad. Ik heb daarover een motie in voorbereiding.

Dan terug naar de inhoud. D66 is een groot voorstander van vermindering van administratieve lasten. De staatssecretaris doet daar een aantal common-sensevoorstellen voor. Prima! Maar de problemen ontstaan natuurlijk bij het aangeven van de grens. Wie bepaalt wat nog een laag foutenpercentage is? Wat is een pakkans waarvan nog een regulerende werking uitgaat? En vooral: is de staatssecretaris ook echt bereid om de boetes op het niet-nakomen van wettelijke verplichtingen dan ook sterk te verhogen?

Ten aanzien van de flexibiliteit en discretie van de lidstaten het volgende. Het hele idee van een Europees in plaats van een nationaal landbouwbeleid was om oneerlijke concurrentie tussen de lidstaten te voorkomen. Als lidstaten weer eens in grote mate zelf mogen beslissen waar het geld heen gaat, of er specifieke top-ups gegeven kunnen worden, vraag ik mij af of we het nog wel over Europees beleid hebben.

Dan de handicap regions. Ik zie een aantal van mijn collega's bij de gedachte hieraan al liefdevol denken aan bijvoorbeeld een veenweidegebied in de buurt. Ik geef daarom een wake-upcall aan de staatssecretaris. Vindt de staatssecretaris echt dat dergelijke veel minder geschikte gebieden moeten produceren voor de wereldmarkt? Moeten we daar nu op inzetten? Met het geld dat nodig is om zes boeren in zo'n gebied in de lucht te houden, kan de staatssecretaris waarschijnlijk een heleboel stallen diervriendelijker maken.

Kortom, de staatssecretaris vraagt in feite een grote carte blanche van Brussel en ook van de Kamer om het geld naar eigen inzicht te besteden, zonder daarbij serieus aan te geven welke criteria hij hanteert voor een effectieve besteding van die gelden en betrokkenheid van de Kamer bij verdere behandeling. Maar goed, er zijn ook lichtpuntjes. Wij zijn het met elkaar eens dat het GLB sterk vergroend en verblauwd moet worden en ook dat boeren niet voor elke tak beloond hoeven te worden. Een deel hoort er ook gewoon bij. Voor natuur ligt er al een motie. Ik heb bij staatssecretaris Atsma ook een motie ingediend voor verdere financiering van milieumaatregelen. Wat is volgens de staatssecretaris een logische termijn om de generieke directe betalingen aan landbouwers uit te faseren, zoals hij schrijft? Ik ben verheugd dat de staatssecretaris inzet op versterking van het innovatievermogen en ik herinner hem er graag aan dat hij daarmee meteen kan beginnen. Boter bij de vis, in de volgende Voorjaarsnota volledige uitputting van artikel 68.

Ten slotte nog het volgende. Wij hebben nu een aantal keren gesproken over het budget van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dat drukt zwaar op de EU-begroting, waar wij als nettobetaler maar weinig van terugzien. Dus kortom, beloon de boeren die willen vernieuwen met de 20 mld. die overblijft, stimuleer biologisch telen of de bouw van diervriendelijke stallen. Boeren blijven belangrijk, alleen krijgen zij van het kabinet wat ons betreft nu niet de juiste prikkel.

De heer Grashoff (GroenLinks): Evenals u willen wij boeren minder subsidieafhankelijk maken. Op het moment dat je dat doet, komt de discussie naar voren of er voor de producten wel een faire prijs betaald wordt. Een veelgehoorde analyse is dat dit niet het geval is. Dat speelt niet alleen op de wereldmarkt, maar ook binnen Europa, omdat in de voedselketen de inkooporganisaties en de verwerkende industrie een zeer zware machtspositie innemen. Hierbij speelt het vraagstuk van marktmacht van boeren, die blijkbaar niet vanzelf tot stand komt. Herkent u dat probleem? Vindt u dat we daar iets aan moeten doen? Zou dat onderdeel moeten zijn van het GLB?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik herken absoluut het probleem. Voor een echte liberaal is het natuurlijk altijd lastig om te zeggen dat ingegrepen moet worden in wat in feite vrijemarktwerking is. Ik ben daar echt voorzichtig in, maar ik vind inderdaad dat hier een situatie lijkt te zijn ontstaan die de verkeerde prikkels geeft aan de ontwikkeling van de markt. Ik ben daar terughoudend in, maar ik vind dat we daarnaar moeten kijken, want de situatie is wel heel onevenwichtig geworden, met uiteindelijk slechte resultaten voor ons allemaal.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Mevrouw Van Veldhoven waarschuwt voor onevenwichtigheid. Zij zou die graag willen bestrijden. In haar betoog gebruikt zij woorden als «effectief» en «doelmatig». Als dat de begrippen zijn om een en ander voor elkaar te krijgen en de marktwerking toch sterk te laten overheersen, vraag ik mij af of dit niet ten koste gaat van allerlei heel belangrijke waarden waar wij de landbouw ook hard voor nodig hebben. Denk alleen maar aan zoiets als landschapsbeheer; daar hebben we boeren hard voor nodig, ook al zitten ze misschien niet altijd op de meest effectieve en doelmatige plekken. Wil mevrouw Van Veldhoven dat bewaren voor Nederland?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik vind het heel fijn dat ik de gelegenheid krijg om dit nog even toe te lichten. Het gaat mij erom dat de 20 mld. die ter beschikking staat, doelmatig en effectief wordt ingezet om de waarden waar we met elkaar graag belastinggeld aan willen spenderen op een goede en efficiënte manier in stand te kunnen houden. Dan is het mogelijk om vanuit het landschapsperspectief in een kwetsbaar gebied een aantal partijen dat landschap te laten beheren. Maar dat is iets anders dan te zeggen: we laten de tien boeren blijven die daar nu zitten, en we zorgen ervoor dat ze zo veel subsidie krijgen dat ze kunnen produceren voor de wereldmarkt. Ik vraag me af of het doelmatig is om dat te willen. Dat kunnen ze nooit, roept mevrouw Snijder al. Dat ben ik met haar eens. In feite wordt nu gesuggereerd dat we boeren in de kwetsbare gebieden zo veel top-up geven dat ze met al die subsidie – op elke aardappel drie kwartjes subsidie! – vast wel kunnen concurreren op de wereldmarkt. Dat vind ik geen doelmatige besteding van dat geld. Dan zet ik dat belastinggeld liever doelmatig in voor het landschapsbeheer of voor een aantal groenblauwe diensten waar we met elkaar aan hechten.

De voorzitter: De antwoorden mogen best iets korter.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Nu wordt een heel sterk contrast neergezet, met de vraag of we allemaal wel moeten produceren voor de wereldmarkt. Is mevrouw Van Veldhoven bereid om het gemeenschappelijk landbouwbeleid in te zetten voor een meer regionale voedselzekerheid?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Bij regionale voedselzekerheid moeten we niet te klein denken. Ik zie Europa toch wel als regio in de wereld waarop we die voedselzekerheid willen realiseren. Ik ben het met de staatssecretaris eens dat op dit moment voor het realiseren van die voedselzekerheid het mechanisme van de directe inkomenssteun niet per se noodzakelijk is. Dat neemt echter niet weg dat het een ontzettend belangrijk aspect is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb een korte vraag waarop waarschijnlijk een heel erg lang antwoord gaat volgen. Dus excuus daarvoor. Ik heb mij de afgelopen weken ook afgevraagd welke hervorming D66 nu precies voor zich ziet met het landbouwbeleid. Ik heb moties gezien waarin de eerste pijler expliciet werd genoemd. Dat heeft mij verbaasd. Ik vraag mij af hoe D66 dat ziet. Als we niet inzetten op een radicale hervorming, blijft het met de opties die nu door D66 naar voren worden gebracht, net zoals ik zojuist bij GroenLinks duidelijk probeerde te maken, business as usual, met hier en daar een vergroening. Ik zie niet, gelet op de grote uitdagingen in de landbouw, hoe we dan naar een natuurvriendelijke landbouw toe kunnen, die klimaatbestendig is, met biodiversiteit en noem alles maar op.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik zou willen dat de staatssecretaris het met u eens was dat een halvering van het landbouwbudget en het op termijn vervangen van de directe inkomenssteun door gerichte betalingen business as usual is. Dan maken we een hele stap. Het grote verschil tussen de eerste en de tweede pijler is natuurlijk het punt van de cofinanciering. Kijkende naar de begroting die deze regering op tafel heeft gelegd voor de komende vier jaar zie ik heel weinig geld in de tweede pijler om echt een stap te kunnen maken via cofinanciering naar een groener en diervriendelijker landbouw. Juist door gebruik te maken van het geld uit de eerste pijler en dat veel meer in te zetten voor vergroening en voor diervriendelijkheid en voor het milieu hebben we een kans om de komende jaren op dat terrein iets te doen. Dus ik zou de vraag om willen draaien: hoe denkt de Partij voor de Dieren als het aankomt op cofinanciering de komende jaren nog iets te kunnen doen?

De voorzitter: Daar mag mevrouw Ouwehand in haar eigen termijn antwoord op geven. Heeft mevrouw Ouwehand nog een vervolgvraag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee, ik wil nog wel even toevoegen dat D66 stond voor een halvering van het budget. Daar blijft mevrouw Van Veldhoven bij. Dat noem ik niet «business as usual».

De voorzitter: Dat was geen nieuwe vraag.

De heer Dijkgraaf (SGP): Voorzitter. Ik moet zeggen dat de discussie tot nu toe mij brengt tot de constatering dat boeren aan drie dingen een gruwelijke hekel hebben. Het eerste is ongelijke regels. Als er ongelijke regels zijn, concurreer je op ongelijke voet en dan heb je een probleem. Ik heb een vraag op dat punt aan de staatssecretaris met betrekking tot Mercosur, een van de gebieden waar grote hoeveelheden producten vandaan komen die concurreren met onze boeren. De staatssecretaris heeft gezegd dat hij dit punt wil agenderen. Ik vraag hem of hij een stap verder wil gaan: is hij bereid daarbij de boodschap uit te dragen dat de landbouwministers in de Europese Unie zich krachtig uit moeten spreken voor het opnemen van bijvoorbeeld de dierenwelzijnsaspecten in een handelsovereenkomst? Op het punt van het organiseren van markten en het creëren van gelijke spelregels moeten wij met elkaar constateren dat het, na zo veel jaar gemeenschappelijk landbouwbeleid, uiterst lastig is. We komen wel ergens maar het is lastig om voor elkaar te krijgen en dan is de boer de dupe.

Het tweede waar de boer een hekel aan heeft, zijn belastingen. Wie betaalt er nu graag belastingen? Een enkele filantroop misschien, maar de meeste mensen niet. Boeren ook niet.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): De PvdA wel.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ja, de PvdA wel. Aan de linkerzijde zijn er mensen die heel graag meer belasting betalen. Ik heb nog wel een mooi voorstel. Mijn vraag op dit punt aan de staatssecretaris heeft betrekking op de rode diesel. In het Financieele Dagblad stonden uitgelekte plannen waaruit bleek dat de Europese Commissie hervorming van de energiebelastingen zou bepleiten. Is de staatssecretaris bereid om dat met kracht tegen te gaan? In het regeerakkoord is dat ook netjes opgenomen, ondanks een slip of the tongue van een van de partijen in het proces daarnaartoe. Ik neem aan dat een duidelijke Kamermeerderheid vindt dat dit nog steeds moet gebeuren.

Het derde waar een boer een hekel aan heeft, zijn subsidies. Er wordt hier gedaan alsof een boer graag subsidie wil. Volgens mij wil een boer helemaal niet graag subsidie. Hij wil graag met eerlijk werken zijn brood verdienen en via een eerlijke prijs terugverdienen wat hij investeert. Maar door die ongelijke regels heeft de boer wel een probleem, omdat het nog niet goed geregeld is en klanten nog niet bereid zijn om een eerlijke prijs te betalen en goedkope producten van elders kopen die aan minder regels moeten voldoen. Dan krijgen we de discussie over de subsidies. Ook wij zijn niet voor subsidies, maar wij vinden het wel volstrekt noodzakelijk dat ze er zijn zolang de regels ongelijk zijn. De staatssecretaris stelt voor om de huidige directe betalingen te vervangen door doelgerichte betalingen voor het leveren van maatschappelijke prestaties. Daarnaast wil hij de vergroening laten plaatsvinden via een puntensysteem. In mijn optiek spoort dat niet met elkaar. Ik vind het niet duidelijk. Het eerste gaat een stuk verder dan het tweede. Graag duidelijkheid op dat punt.

Ook voor ons is het cruciaal dat er een basispremie komt. Om de druk nog wat op te voeren: Karen Gerbrands van de PVV-fractie kan hier niet zijn vanwege andere verplichtingen, maar ook de PVV is het hiermee eens. Er is dus een duidelijke Kamermeerderheid voor een stevige basispremie.

De heer Koopmans (CDA): Maakt u zich geen zorgen, staatssecretaris. Verstandige woorden, mijnheer Dijkgraaf!

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik ken mijn broeders en zusters.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Wat wilt u daarmee zeggen?

De heer Dijkgraaf (SGP): Dat consistentie van beleid toch wel prettig is, omdat je dan op dingen kunt rekenen. Graag krijg ik een toezegging van de staatssecretaris om stevig in te zetten op een basispremie.

Hoe moet je dan aan het vervolg vormgeven? Daarbij is belangrijk dat er minder administratieve lasten komen. Wij zijn niet tegen vergroening, maar dan wel graag boven op de basispremie binnen de tweede en vooral binnen de eerste pijler, een vrijwillige groene premie. Je moet er niet aan denken dat een puntensysteem zou leiden tot alle mogelijke administratieve lasten, tot een enorme rompslomp, waardoor de boer de subsidie zo ongeveer kwijt is aan de boekhouding die hij erop na moet houden. Daar schieten we niets mee op. Zou gedacht kunnen worden aan een systeem als de goed functionerende maatlat duurzame veehouderij?

Dan een volgend punt.

De voorzitter: Dat is hopelijk uw laatste punt.

De heer Dijkgraaf (SGP): Dat is inderdaad mijn op een na laatste punt, maar ik zal het kort houden. Ik wil het hebben over concurrentiekracht en innovatie. Dat vraagt ook om flexibiliteit. Een jonge boer heeft in een bepaalde situatie misschien meer aan een garantstelling dan aan een premie. Is het mogelijk om die flexibiliteit in het systeem in te bouwen?

En tot slot, voorzitter, ik maak mij wel zorgen om die ontwikkeling van de prijsstabiliteit. Juist als wij meer naar de markt brengen is er een groot risico op prijsinstabiliteit. Dat is niet prettig. Dat is in geen enkele markt prettig, maar in deze zeker ook niet. Zouden we dan toch niet de concept-Raadsconclusies meer moeten volgen om de bestaande marktmaatregelen als vangnet in stand te houden? Ik proef dat de staatssecretaris misschien wat dat betreft nog wel een stap verder wil gaan dan Europa. Als ik het mis heb, hoor ik het graag. Ik heb graag dingen mis op dit soort punten. Graag krijg ik een antwoord van de staatssecretaris.

De voorzitter: Dank u wel. Ik begrijp dat de dames Jacobi en Dikkers hun spreektijd fiftyfifty verdelen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik wil maar beginnen, het spits afbijten. Eerst wil ik memoreren dat wij hier sinds de zomer op z'n minst voor de derde keer over het gemeenschappelijk landbouwbeleid spreken. We zijn eigenlijk gewoon bezig met een herhaling van zetten en volgens mij vindt iedereen dat hier, als hij eerlijk is. Misschien worden nu wat extra nuances aangebracht, maar ik zie weinig ontwikkeling in deze discussie, om de positie van Nederland scherper te krijgen en een goede koers te varen. Het debat zit in die pijlers. Ik begreep uit de hoorzitting dat er best wel wat beweging tussen de eerste en de tweede kan komen; meer vergroening, verduurzaming van de landbouw, de klimaat- en milieudoelstellingen. Ik wil de staatssecretaris vragen of dit wel vorm kan krijgen binnen de L&V-Raad, al dan niet een paar deuren verderop. Hij kan volgens mij goed onderhandelen en dat is hoopvol. Hij kan voor ons duidelijker maken hoe zaken zo zijn te organiseren dat plattelandsontwikkelingen en dergelijke ook voor ons land aantrekkelijk gaan worden. Ik vrees namelijk dat wij in de tweede pijler behoorlijk bij onszelf op de koffie gaan komen. Ik wil dat graag duidelijk hebben. Misschien moeten we maar van de pijlers af en met een heel doelgericht functionerend systeem gaan werken. Kan de staatssecretaris daar duidelijkheid over verschaffen, en wel zodanig dat we verderkomen in deze discussie? Volgens mij is hier voldoende over gezegd. Ons standpunt is niet veranderd en dat ga ik niet herhalen.

Ik wil het met de staatssecretaris over een aantal dagelijkse dingen hebben. Zo zijn we nog steeds bezig met de generieke betaling. In oktober zijn we begonnen met de toeslagrechten. De staatssecretaris heeft toegezegd dat in maart 70% zal zijn betaald. Wordt dat gehaald en wanneer wordt het laatste dan uitbetaald? De tijdsspanne wordt wat kort zo.

De voorzitter: Ik hoor net dat er morgen een VSO is over dit onderwerp.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik wil toch wel graag een antwoord; dat zou kunnen helpen bij het VSO. Ik ben nog niet door mijn tijd.

De voorzitter: Jawel, u bent de tijd van uw collega aan het opmaken.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Dat mag van mijn collega. Ik wil heel snel verdergaan over het etiket voor dioxines in veevoeders. De staatssecretaris heeft gereageerd op de vragen. Ik vind dat dit niet kan, dat het een slechte zaak is dat stromen nog steeds door elkaar lopen. Graag een reactie daarop.

Wij zijn nog steeds grote tegenstander van het toelaten van diermeel in veevoer. In Europa doen zich allerlei excessen voor, zeker op plaatsen waar men niet zo streng in de leer is.

Verder heb ik een vraag over de bonussen. Ik heb de vorige keer aan de staatssecretaris gevraagd om in Europa te overleggen over hoe die toch mogelijk zijn. Ik begrijp dat men klaar is om de bonussystematiek toe te passen, waardoor gewetensbezwaarden niet te zwaar gestraft worden. Kan dat?

Nog een vraag over het PlattelandsParlement, dat zowel bij het ministerie van ELI als dat van BZK de kous op de kop heeft gekregen. Het wordt niet gefinancierd en dat vind ik een schande. Om de twee jaar is er zo'n PlattelandsParlement en dat werkt hartstikke goed. Het heeft € 123 800 nodig. Ik hoor graag een toezegging.

De voorzitter: Ik heb goede zin: mevrouw Dikkers krijgt nog twee minuten van me.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Voorzitter, dank u wel. Ik ben heel verheugd dat ik weer met de staatssecretaris kan spreken over het GLB. De antwoorden op de schriftelijke vragen hebben mij namelijk niet geheel gerustgesteld over de vraag of de staatssecretaris de belangen van de boeren in de ontwikkelingslanden wel voldoende op zijn netvlies heeft. De staatssecretaris stelt over de coherentie van het beleid dat op de handelsverstoring, een indicatie van coherentie, de WTO-meetlat van toepassing is en dat onze inkomenssteun, binnen de WTO-regels, helemaal niet handelsverstorend werkt. Ik zal even citeren: «Toeslagen aan boeren blijken verstorend te zijn voor voedselprijzen op de wereldmarkt. Boeren in de EU en in de VS kunnen door de toeslagen doorgaan met produceren, ook al is die productie eigenlijk verliesgevend.» Het zijn niet mijn woorden, maar woorden uit een CDA-publicatie, het rapport Ontwikkelen doen we samen. Ik zie dat de staatssecretaris hiervan afstand neemt, met spijt in het hart. Graag een reactie van de staatssecretaris: geldt dat rapport niet meer, waarom heeft hij dat niet in beleid omgezet?

Staatssecretaris Bleker: Het is het enige rapport waarvan ik afstand heb genomen.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Buitengewoon onverstandig. In het vorige debat zegde de staatssecretaris toe om nog eens te kijken naar de uitvoering van de motie-Dikkers/Ferrier. Ik ben erg benieuwd naar hoe het daarmee staat. Heeft hij ernaar gekeken? Wat vond hij ervan? Hoe gaat hij dit omzetten in beleid? Tot mijn spijt is hij hierop in zijn beantwoording van de vragen niet teruggekomen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. In aanvulling op wat mevrouw Jacobi net zei over het GLB: wij praten daar al veel langer over dan sinds de zomer. In dat licht wil ik de journalist van het Agrarisch Dagblad, Stef Severt, memoreren. Dit zal een van de laatste AO's zijn die hij zal verslaan. Hij heeft de hele discussie over het GLB meegekregen. Veel dank aan hem, dat er verslag wordt gedaan van de landbouwdebatten. Morgen of donderdag drinken we wel een borrel.

We praten dus al lang over dat GLB. De inzet van de Partij voor de Dieren is altijd geweest dat het landbouwbeleid radicaal moet worden hervormd, wat ook betekent dat er afstand wordt genomen van die pijlers. Het geld moet worden gebruikt om boeren te helpen bij de hervorming, dus niet voor doorgaan met de landbouw die wij nu kennen en proberen die te vergroenen; daar geloven wij helemaal niet in. Een voorbeeld van hoe die vergroening tot nu toe ging: als we die heg financieren, zien we die lelijke stal niet meer in het landschap en dan heeft men een bijdrage geleverd, een maatschappelijke dienst. Maar zo gaan we dat natuurlijk niet doen, we gaan geen zonnepaneeltje op een megastal financieren. Ik weet niet wie gisteren bij de expertmeeting in de Eerste Kamer aanwezig was, maar onze senator vroeg aan LTO wie de maatregelen met betrekking tot de ammoniakdepositie moet gaan betalen. LTO antwoordde: wij willen best wel wat doen voor de natuur, hoor, maar we zijn geen filantroop. Ik houd niet van die weg. Voorbeelden als de stalaanpassing of de luchtwasser, die voor de natuur nodig is als je de veestapel niet wilt laten krimpen, zullen uit dit geld worden betaald; dat hebben we allemaal kunnen zien. Iedereen die denkt dat je met voortgaan op de oude voet de landbouw zodanig kunt hervormen dat je én het klimaat kunt sparen, én de biodiversiteit, én boeren een eerlijke toekomst kunt bieden, heeft er óf onvoldoende van begrepen, óf is erg naïef. Ik laat dit voor rekening van degenen die deze keuzes maken.

Onze inzet is altijd duidelijk geweest. Ik hoorde hem later ook nog verwoord in de rondetafelgesprekken, hij zit in de genoemde optie drie: wij moeten naar een landbouw die toekomstbestendig is, op alle vlakken, integraal en duurzaam; alle stappen die daarvoor in de tussentijd worden gezet en die dat in de weg zitten, moet je niet willen financieren. Wij missen bij iedereen de kwantitatieve component: we krijgen de veehouderij niet duurzaam als we blijven vasthouden aan de huidige hoeveelheid dieren. Zolang dat niet in het beleid zit, kan de Partij voor de Dieren deze hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid niet steunen.

Ik wil een aantal punten in de agenda langslopen. Ik ben zeer, zeer geschrokken van de verlenging van het visserijakkoord met Marokko. Dat is omstreden. Het internationale recht, mensenrechten, worden geschonden. Het hing om Nederland en wij hebben ingestemd met verlenging van een jaar! Ik ben daar echt heel boos over. Gedane zaken nemen geen keer, maar ik wil graag van de staatssecretaris horen waarom hij daarvoor heeft gekozen. Hij weet wat de problemen zijn. Ook de Europese Commissie heeft gezegd dat dit onvoldoende bijdraagt aan de millenniumdoelstellingen en dat we er echt anders naar moeten kijken. Toch heeft Nederland ingestemd. Nu geldt een periode van een jaar, waarin opnieuw kan worden onderhandeld. Ik krijg graag een brief van de staatssecretaris, waarin de inzet van Nederland in de onderhandelingen duidelijk wordt gemaakt, zodat de Kamer hierover een uitspraak kan doen. Dat geldt natuurlijk ook voor Mauretanië; daar zijn wij echt niet over te spreken. En al helemaal niet over de toelatingen die nu op de agenda staan met betrekking tot gentech. Kom nou, gentech-katoen gaan we toch niet toelaten in Europa? We weten dat de Indiase katoenboeren in heel grote problemen zitten vanwege dergelijke katoen. Dit staat gewoon op de lijst. Graag een toezegging van de staatssecretaris dat hij dit niet gaat steunen.

Nu de evaluatie van het Actieplan dierenwelzijn. Wij hebben regelmatig gevraagd hoe dat gaat lopen in Europa. Het staat nu ineens op de agenda en dat is hartstikke goed. Graag krijg ik op korte termijn van de staatssecretaris een brief over zijn inzet. We kunnen natuurlijk alle brieven die eerder zijn verschenen, over de Nota dierenwelzijn et cetera, en alle maatregelen daarin waarvoor Nederland zich zou willen inzetten, bij elkaar optellen, maar dit is een nieuw kabinet. Graag krijg ik een verzamelbrief, alstublieft met wat meer ambitie.

Terug naar de visserij. Ik heb uit de media begrepen dat er is gesproken over een beëindiging van de bijvangsten; ik meen dat dit een voorstel was van de Eurocommissaris. Heb ik goed begrepen dat Nederland niet heeft ingebracht dat er een aangenomen motie van de Kamer ligt die een verbod op bijvangsten wil? Kan de staatssecretaris daarover duidelijkheid verschaffen?

Ik heb in de agenda ook gezien dat over de legkippen is gesproken. Dank voor de inzet voor de historische motie van de leden Ouwehand en Koopmans, waarin Nederland zegt om maatregelen te treffen om de export van afgeschreven kooien te voorkomen. Ik maak mij wel zorgen over de aanhoudende berichten dat in Nederland ook de richtlijn niet wordt gehaald. Graag de toezegging van de staatssecretaris dat hij dat niet zal laten gebeuren.

Wat het diermeel betreft, sluit ik mij aan bij de Partij van de Arbeid.

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Ik wil eerst stilstaan bij de visserijakkoorden. De SP was onaangenaam verrast om te lezen dat de onderhandelingen in het Coreper als hamerstuk zijn afgedaan en dat alles ambtelijk is afgehandeld, en dat terwijl wij hier iedere keer uitgebreid bij stilstaan. Ik vind dat heel merkwaardig. We hebben hierover een motie in voorbereiding, omdat wij vinden dat dit niet ambtelijk kan worden afgedaan. De politiek hoort daarover te gaan, als er tenminste een politiek meningsverschil over is. Ook inhoudelijk is er het nodige aan de hand. De Europese vissers vissen de zeeën leeg, daar bij de Sahara, en er wordt geld gegeven aan corrupte regimes. Wij denken dat dit niet de oplossing is en dat wij het geld beter kunnen besteden. Graag een reactie van de staatssecretaris hierop.

Over het gemeenschappelijk landbouwbeleid het volgende. Wij willen hom of kuit van de staatssecretaris over de landbouwsubsidiemiljonairs. Er zijn 1212 mensen miljonair geworden door de Europese landbouwsubsidies. Dat waren niet alleen de grote boeren, maar ook Rum Martinique, Schiphol, koningin Elisabeth en ook nog een biljartclub uit Denemarken. In september zei de staatssecretaris dat dit eigenlijk wel vreemd was en dat hij ernaar zou kijken. In februari zei hij dat hij er niks aan zou gaan doen. Vindt de staatssecretaris het niet erg vreemd dat ons dure belastinggeld daaraan wordt uitgegeven, dat Jan met de pet feitelijk mag betalen voor koningin Elisabeth? Volgens mij komt zoiets niet voor in het vocabulaire van de staatssecretaris. Graag een reactie daarop.

Nu de positie van de ontwikkelingslanden. Wij zouden graag een soort impact assessment willen: wat betekent de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de ontwikkelingslanden?

Nu de extreme prijsfluctuaties van voedsel. Die zijn slecht voor de boeren, voor bedrijven en ook voor de burgers. Over een aantal maatregelen voor de aanpak van extreem hoge prijzen, speculatie en verplichte bijmenging van biobrandstoffen komen wij nog te spreken. Wij concluderen dat de inzet van het kabinet en de staatssecretaris voor meer liberalisering en de opvatting dat de markt dit zal oplossen, niet zullen werken en dat we daarmee veel meer subsidie nodig zullen hebben dan de 42 mld. van nu. De SP wil voorstellen om de mogelijkheden te onderzoeken van Europa als een soort regio van autonome voedselproductie. Natuurlijk moet je dit afspreken in Europees verband, maar ook in WTO-verband. Via importheffingen zou een zodanige prijs kunnen worden bewerkstelligd, dat boeren kostendekkend kunnen produceren, ongeacht de wereldprijzen. Zo zouden we dat hele subsidieverhaal ook veel minder nodig hebben. Zo kan tevens een kostendekkende prijs worden bewerkstelligd, wat iedereen eigenlijk ook het beste vindt. Zouden we niet een vierde scenario kunnen ontwikkelen, een scenario van de regionale zelfvoorziening?

Nu het dioxineschandaal. Ik vind dat de staatssecretaris daar nogal technocratisch naar kijkt, getuige zijn brief van 16 februari. Die vettenhandel in Duitsland was nogal ontransparant en een enigszins ongure business, maar hoe zit het in Nederland? Is dit hier wel op orde en is het toezicht van de Voedsel- en Waren Autoriteit wel voldoende, gezien haar gebrekkige capaciteit? Is de staatssecretaris bereid om de sterktes en zwaktes in het Nederlandse systeem onafhankelijk te laten toetsen op de mogelijkheid dat zoiets ook hier zou kunnen gebeuren?

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. Ik hoor de heer Van Gerven pleiten voor importheffingen. Hoe ziet hij die, in relatie tot de belangen van ontwikkelingslanden? Die hebben heel veel belang bij toegang tot de Europese markt.

De heer Van Gerven (SP): Als we van Europa een soort autonoom voedselvoorzieningsgebied maken, heeft dat invloed op de import van allerlei producten, ook uit ontwikkelingslanden. Maar als je gebieden in de wereld benoemt die zelfvoorzienend moeten worden, houdt dat in dat bepaalde importstromen worden afgeremd. Dat heeft gevolgen voor ontwikkelingslanden. Wij vinden dat je die in kaart moet brengen. Wij hebben namelijk ook gepleit voor een impact assessment bij de vormgeving van het gemeenschappelijk landbouwbeleid: wat betekent dit voor de ontwikkelingslanden? Wij denken toch dat er een zekere regulering moet komen om een kostendekkende prijs te bewerkstelligen. Als je de markt zijn werk wilt laten doen, zal de prijs niet kostendekkend zijn. Wij stellen namelijk eisen aan dierenwelzijn, en allerlei milieueisen. Andere landen doen dat niet. In andere landen is de arbeidskracht ook goedkoper. Uitgaande van kostendekkendheid, kunnen wij daar nooit tegen concurreren. Je zult daarvoor toch iets aan de grenzen moeten doen. We kennen het voorbeeld van Canada; Canada is niet Europa, dus het is niet zomaar over te planten, maar wij denken dat het op die manier kan, zonder de torenhoge subsidies die je op termijn toch niet overeind kunt houden.

De heer Grashoff (GroenLinks): Hier maak ik mij toch wel zorgen over. Volgens mij zeggen alle analyses dat de kleine hoeveelheid geld voor ontwikkelingssamenwerking by far niet opweegt tegen een echt goede handelsrelatie met ontwikkelingslanden, zodat men daar ook daadwerkelijk zijn geld kan verdienen. Dit lijkt mij volstrekt desastreus en in strijd met elk principe van ontwikkelingssamenwerking.

De heer Van Gerven (SP): Ik zou dat graag uitgezocht willen zien, want ik ben daar niet zo van overtuigd. Ik ga uit van het principe – en ik spreek nu over Europa – dat gebieden zo veel mogelijk zelfvoorzienend moeten zijn. Wij produceren nu al voor 80% of meer voor de eigen regio. Ik vind dat een goede zaak. Op wereldschaal zouden wij dat voor alle regio's moeten afspreken. Wij zouden dan goed de impact daarvan moeten bekijken, voor allerlei landen en gebieden. Ik denk dat dit uiteindelijk het beste zal zijn. Als wij het systeem helemaal vrijlaten, betekent dit dat er altijd subsidies bij zullen moeten. Ik denk dat zo'n systeem niet houdbaar zal blijken.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Hier zit een bezorgd Kamerlid: bezorgd, omdat de CDA-fractie hier al een aantal keer heeft gepleit voor behoud van het budget en, met zo min mogelijk papier, via de eerste pijler zo veel mogelijk geld op de keukentafel van de boer terecht laten komen. In de brief van de staatssecretaris van begin maart wordt dit alles gedeeltelijk verlaten. Daarover is de CDA-fractie zeer bezorgd. Het algemene budget vergt natuurlijk nog een heel debat in de Raad en ook in de Algemene Raad; we zullen de uitkomst wel zien. Veel belangrijker is het dat de staatssecretaris in zijn brief van 8 maart laat weten dat hij bij vergroenen niet denkt aan invulling via cross compliance. Hij kiest niet voor cross compliance, omdat dit zich beperkt tot wettelijke voorschriften en het alleen achteraf kan worden gecontroleerd. Ik denk dat het onmogelijk is, en dus geen goed idee, om de hele eerste pijler te vergroenen. Dat staat in die brief, maar het is niet de bedoeling van de Kamer geweest. De Kamer heeft twee moties aangenomen: in de motie-De Mos/Koopmans staat duidelijk dat het budget moet blijven; in de motie-Van Veldhoven/Koopmans staat dat natuurbeheer ook onder de eerste pijler zou moeten kunnen vallen, maar niet dat de hele eerste pijler natuurbeheer moet zijn. Dat is dus absoluut niet onze bedoeling, maar dat lezen wij wel in de brief van de staatssecretaris. Wij vragen de staatssecretaris om scherper te blijven bij de voorstellen van de Europese Commissie. Wij twijfelen ook heel erg aan de systemen die de staatssecretaris voorstelt. Ik ben even hard tegen de staatssecretaris, maar het is niet anders. Staatssecretaris, het lukt uw dienst nog niet eens om die toeslagen fatsoenlijk uit te betalen. Ziet u het al voor zich, dat wij heel Nederland met puntensystemen gaan bedienen, gaan indelen in regio's? Ik wil dit dus niet, maar áls je het al zou willen, denk ik dat uw diensten het niet kunnen. Daarom moeten we dit ook niet doen. We moeten dit niet doen omdat wij het niet willen, maar ook omdat het helemaal geen goed idee is om dit te doen. Een heel logische redenering, mevrouw Van Veldhoven!

De heer Dijkgraaf (SGP): Voorzitter, graag een minuut extra tijd voor de heer Koopmans!

De heer Koopmans (CDA): We moeten dit dus echt niet doen.

De CDA-fractie kiest ervoor om die eerste pijler zo stevig mogelijk te houden. Daarbij moeten algemene regels gelden voor Europa, waarin vergroening een rol speelt; dat vinden wij belangrijk. Die regels moeten dan wel voor heel Europa gelden, dus niet in delen van Nederland een beetje zus en een beetje zo, want dan gaat onze concurrentiekracht grote risico's lopen. De staatssecretaris is daarover in het begin van zijn brief heel stevig. We moeten voorkomen dat we over een tijdje hier weer over gaan praten, omdat de uitwerking niet goed is en ook – en laat ik hierin heel eerlijk zijn – in strijd met het regeerakkoord, waarin staat: nationale koppen lusten wij niet, die moeten we zelfs actief opsporen en verwijderen. Nieuw beleid moeten we niet gaan maken. Wij vragen de staatssecretaris dus om een stuk terug te nemen van hetgeen staat op pagina 4 van zijn brief. Wij steunen hem zeker als hij in algemene zin in Europa gaat pleiten voor vergroening, maar hij moet het voor Nederland niet te specifiek maken. Wij vinden dat ook omdat de Nederlandse landbouw op dit gebied al heel strenge eisen kent.

Wij willen de warme woorden van de staatssecretaris over de jongeboerenregeling onderschrijven, maar vragen wel: hoe komt hier de boter bij de vis? De oude regelingen die wij hiervoor in Nederland onder enthousiaste leiding van de heer Van der Vlies hebben geïntroduceerd, zouden moeten kunnen worden doorgezet.

Over Mercosur het volgende. Wij zijn niet helemaal tevreden over de brief van de staatssecretaris. Ik heb nog eens nagelezen wat de voorganger van de staatssecretaris, minister Verburg, vorig jaar juni zei. Ik geef de staatssecretaris in overweging om dat ook nog even te doen. De tekst van de minister van destijds eindigt, in antwoord op vragen van de heer Atsma, met: eerst de Doharonde afmaken en pas daarna verdergaan met het Vrijhandelsakkoord tussen Mercosur en de Europese Unie, in de zin van een besluit of overeenkomst. Dat is een betere tekst. Wij vragen de staatssecretaris met klem om de Europese Commissie hiervoor het mandaat te geven, zoals destijds door minister Verburg is geformuleerd, en niet verder. En wat gaat dat betekenen? Wij doen in Nederland een beetje ingewikkeld over megastallen, maar als dit akkoord werkelijkheid zal worden, stimuleren we gigastallen in Zuid-Amerika.

Mevrouw Jacobi sprak al over het PlattelandsParlement. Ik ben hier eigenlijk heel simpel in: € 125 000, dus waar hebben we het over? Dat kunnen we toezeggen, of via een tussentijdse suppletoire begroting regelen, maar we kunnen ook een amendementje indienen. De Kamer heeft dit al vaak genoeg gezegd. Ik vraag de staatssecretaris om hierover vandaag duidelijkheid te geven.

Mijn slotopmerking. De Europese Commissie is aan het nadenken over de emissiehandel voor veehouderij. Wij zijn daartegen.

De voorzitter: De staatssecretaris heeft gevraagd om vijf minuten schorsing. Daarna zetten wij dit debat voort.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Ik zal mijn antwoord in zes blokken verdelen: het gemeenschappelijk landbouwbeleid, internationale handelsverdragen, de visserij, de melkquota, ggo en overige onderwerpen. Dat valt dus mee.

In een vorig algemeen overleg zeiden sommige leden dat zij contact hadden gehad met DG-functionarissen in Europa, die hadden medegedeeld dat de pap eigenlijk al gestort was. In de kranten van vanavond staat dat uit kringen rond de heer Cioloş het signaal is gekomen dat de Commissie waarschijnlijk eind dit jaar met voorstellen komt, onder het Deense voorzitterschap. Wij moeten er ook van uitgaan dat men waarschijnlijk onder het Deense voorzitterschap, in de eerste helft van 2012, tot conclusies komt. De Raadsconclusies zullen donderdag heel globaal zijn, of het blijven voorzittersconclusies. Met het beeld dat de pap al gestort is en dat men in de Kamer een beetje zit na te kakelen, doet de Kamer zichzelf geweldig onrecht aan. Verder wordt de mate van concreetheid waarmee de Kamer vanavond kan spreken, in de Europese Raad nog lang niet bereikt: daar gaat het nog om veel globalere uitgangspunten.

Voorts hebben verschillende leden gesproken over de markt van de voedselproductie; die kunnen we niet een pure marktgelegenheid laten zijn en dat is ook niet het geval. Op Europees niveau worden hoge eisen gesteld aan het product en het proces van de voedselproductie, vanuit allerlei maatschappelijke belangen: milieu, dierenwelzijn enzovoort. Verder blijft het vangnet van markt- en prijsinterventiemaatregelen; dat staat ook helemaal niet ter discussie en is een tweede correctie op de markt. In feite zijn de directe betalingen aan producenten ook een correctie op de markt, omdat de producenten hierdoor minder afhankelijk zijn van prijsschommelingen. Er zijn dus meerdere manieren. Je zou kunnen zeggen dat de voedselproductie in Europa plaatsvindt op basis van het principe van sociale marktordening, waarbij dat sociale ook duurzaamheidsaspecten behelst.

Daarnaast heb ik al gezegd dat wij, samen met de Fransen en anderen, het initiatief ondersteunen om nog eens goed te kijken naar de prijsvorming: is er sprake van een faire prijsvorming, zitten er institutionele of speculatie-elementen in die het ontstaan van een faire prijs voor producenten of consumenten kunnen verstoren? Ik heb ook gezegd dat ik nog zal bekijken of, en in welke mate, de generieke mededingingsbepalingen in Nederland een eerlijke prijsvorming in de gehele keten mogelijk belemmeren. Hiermee wil ik aangeven dat u te maken heeft met een regering en staatssecretaris die helemaal niet met één soort vlag door Nederland en Europa heen lopen, met daarop: voor de werking van de voedselmarkt is alles wat liberaler is, beter. Dat is ook mijn reactie op wat men de «sambavarkens» heeft genoemd. Je kunt wel in verregaande mate markttoegang realiseren, op allerlei terreinen, maar je moet goed bekijken wat dit voor de stabiliteit van de voedselproductie en de agrarische sector in Europa betekent. Het kan niet zo zijn dat de agrarische en voedselsector in Europa altijd de partij is die op het concessieblok moet, als er zaken moeten worden binnengehaald in de verhoudingen met Brazilië en andere landen. Daarover zijn er ambtelijke contacten met de collega-landen in Europa, waar dat gevoelen ook bestaat. Toegang voor andere landen tot ons gebied kan niet alleen komen van de Europese landbouwmarkt; dit moet in evenwicht, binnen de totale belangenafweging.

Ook met het oog op de internationale verhoudingen moet je rekening houden met de specifieke situatie van voedselproductie. En dat is echt wat anders dan ICT-producten of tandenborstels.

Tot zover mijn algemene vertrekpunt, ik ga nu naar de pijlers. Onze regering streeft ernaar om het landbouwbudget in de periode 2013–2020 nominaal in stand te houden; dat zal dus nominaal op niveau moeten blijven. Wij vinden dat een herverdeling tussen West-Europese staten, ook Nederland, en nieuwe lidstaten, de Oost-Europese landen, verdedigbaar is, maar wel in redelijkheid. Ik heb dat ook in de Landbouwraad gezegd. We moeten rekening houden met de situatie van nu, bijvoorbeeld met de verschillende kostenniveaus van de diverse producenten: kostenfactoren als grond, arbeid en andere die van belang zijn, waardoor niet van een gelijke verdeling per inwoner kan worden gesproken. Het moet dus wel in redelijkheid en met mate. Wij knokken voor een nominale continuering van het budget en een beperkte herverdeling tussen de landen in Europa, die rekening houdt met aspecten van kostenniveau. Nederland zit nu om en nabij 1 mld. Mevrouw Van Veldhoven moet niet denken dat wij zouden kunnen leven met een halvering daarvan in de komende jaren; bij lange na niet, het moet echt om een beperkte verschuiving gaan.

Nu het systeem. Wat is bepalend voor een level playing field? Daarvoor is bepalend dat er in ieder geval gemeenschappelijke Europese minimumstandaarden zijn, maar ook dat iedereen vrij de markt op kan; dus dat niet alleen de Duitsers en Nederlanders vrij de markt van Rusland op kunnen, maar dat alle Europese landen daar vrij de markt op kunnen, zonder beperkingen. Het gaat dus om een vrije markttoegang en een basisniveau van normen en regels voor proces en product. En als er geld beschikbaar is voor de Nederlandse agrarische sector – wat mij betreft honderden miljoenen – hoe kan dan het geld het slimst worden besteed in het belang van de sector en in het belang van Nederland? Mijn stelling is: je moet niet het boeren van nu stimuleren en belonen, maar het boeren zoals je dat in 2020 zou willen. Dan heb je namelijk in 2020 een voorsprong op die landen die dat niet hebben gedaan. Dat is concurrentiekracht versterken. Het kan dus zijn dat je uit de eerste en tweede pijler gelden beschikbaar stelt, maar alleen onder de voorwaarde van extra investeringen in innovatie, in duurzaamheid, in milieuvriendelijkheid, in natuurproductie, waardoor men zaken realiseert en extra prestaties levert, die onze sector in 2020 in een sterkere positie brengen dan landen die de gelden gewoon verdelen per hectare. Dat is dus puur en alleen om de concurrentiekracht te verbeteren en er in 2020 nóg beter voor te staan dan nu. De Nederlandse agrarische sector is namelijk nooit sterk geworden door het gemiddelde van Europa te hanteren; onze agrarische sector is zo sterk geworden omdat hij juist meer en een hoger niveau wilde bereiken dan het gemiddelde in Europa. Wat mij betreft moet dat zo blijven en moet dat ook met het Europese geld gebeuren.

De voorzitter: Ik kan vanaf nu nog één interruptie per lid toestaan; die moet u dus strategisch inzetten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): In 2020, hoeveel dieren staan er dan in Nederland? Als het aan de staatssecretaris ligt en hij het toekomstperspectief gaat financieren: hoeveel verlies aan biodiversiteit mag het gevolg zijn van de landbouw die we dan hebben?

Staatssecretaris Bleker: Dat hoeveel maakt niet zo bar veel uit. Maar ik hoop dat de dieren die in 2020 in de wei, in de stal of waar dan ook staan, er letterlijk glanzender, gezonder en beter bijstaan dan gemiddeld in Europa. Dat moet je stimuleren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): En het biodiversiteitsverlies? Je kunt de veehouderij namelijk niet los zien van het verlies aan natuur, evenmin als de huidige akkerbouw met zijn bestrijdingsmiddelen. Kunt u wat helderheid geven over wat we gaan financieren?

Staatssecretaris Bleker: Daarop komen wij in een latere fase, maar de opdracht is: wij zorgen ervoor dat wij in 2020 koploper zijn op het terrein van milieu, duurzaamheid en energie, en dat wij op de punten waarop wij nu koploper zijn, de afstand en onze voorsprong hebben vergroot. Ik zeg dit ook tegen de boeren in de zaal: de boeren die achterover willen hangen en willen blijven boeren zoals in 2013, moeten dus niet al te veel centen krijgen, want dat gaat ten koste van de boeren, van de jonge gasten, die wel vooruit willen. Ik zal u zeggen dat ik voor die benadering heel veel support krijg, ook van de jonge generatie boeren. Alleen maar geld krijgen om je in staat te stellen om de boer te blijven die je nu bent, dat is maatschappelijk onverantwoord met je centen omgaan, maar ook erg slecht voor de agrarische sector. Ik ben het geheel eens met de heer Koopmans dat het wel simpel moet. Ik ben er nog niet uit of het systeem dat we nu globaal hebben opgezet, voldoende simpel is, maar het is wel de toets.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Dank aan de staatssecretaris voor dit echt inspirerende verhaal, dat vind ik echt. Hij zet nu voor het eerst een toekomstvisie neer en is bereid om die in Brussel te verdedigen. Ik deel die toekomstvisie van de staatssecretaris in hoge mate. Ik vraag hem dan ook om niet te wachten tot 2013 met het inzetten van deze lijn. Wij hebben nu al, onder artikel 68, de mogelijkheid om 10% van het budget in te zetten voor wat de staatssecretaris zegt: de boeren te belonen die inzetten op de toekomst. Ik vraag de staatssecretaris om de toezegging dat hij zo snel mogelijk, in de Voorjaarsnota, die 10% in Nederland gaat benutten.

Staatssecretaris Bleker: Ik kan u zeggen dat ik, in overleg met de sector, met een voorstel hiervoor zal komen.

De heer Van Gerven (SP): De staatssecretaris zegt dat er voldoende budget naar de Nederlandse boeren moet, maar gaat vervolgens voluit voor concurrentie en productievermeerdering. In de afgelopen tijd zagen we het grote probleem van de enorme prijsschommelingen en het feit dat er geen kostendekkende prijs wordt gerealiseerd in Europees verband, waarvoor we vooral produceren. In mijn eerste termijn en al eerder pleitte ik ervoor dat de staatssecretaris in contact treedt met organisaties als de Dutch Dairymen Board, de Nederlandse melkveehoudersbond, die allerlei voorstellen hebben gedaan voor een eerlijke prijs. Ik vraag de staatssecretaris nu weer om dat te gaan doen. En is hij daadwerkelijk van plan om daarvoor het instrument in te zetten dat ik in eerste termijn bepleitte, namelijk die vierde weg van prijs- en volumeregulering?

Staatssecretaris Bleker: Die vierde weg ga ik niet op, om de redenen die de heer Grashoff in de discussie met u schetste. We moeten die weg absoluut niet op; die is slecht voor Europa, slecht voor de rest van de wereld en zeker ook voor de zich ontwikkelende landen. Europa importeert nu ongeveer evenveel als het exporteert; dat is ongeveer in balans. Het systeem waaraan u denkt, is een soort zelfvoorziening op Europees niveau. Dat is mondiaal geen goede zaak. Als je dat zou doen, isoleer je Europa niet alleen op het agrarische terrein, dat van de agrifood. Denkt u dat zoiets zonder repercussies zal blijven voor de andere internationale handelsstromen? Zo komen mogelijkerwijs ook nog heel andere belangen van Europa in het gedrang. Die weg moeten wij dus echt niet op.

De heer Van Gerven (SP): De staatssecretaris is niet ingegaan op mijn vraag of hij daarover in overleg wil. En nog het volgende: ik heb mij misschien wat ongelukkig uitgedrukt over de importheffing. Het gaat de SP erom dat men met zijn voedselvoorziening, op Europees niveau maar ook elders, vooral zelfvoorzienend wordt. Het leidt namelijk nergens toe als wij, bijvoorbeeld, van alles uit Brazilië importeren en daarnaartoe brengen. En het is ook niet zinvol dat wij onze kippenboutjes dumpen in Senegal; ontwikkelingslanden hebben daar ook niets aan. Brazilië is natuurlijk iets heel anders dan Afrika, we kunnen niet alles over één kam scheren, maar ik vraag de staatssecretaris toch om daar wat meer bij stil te staan. Ik denk dat regulerend optreden van belang is voor duurzaamheid en voor de ontwikkeling van een eerlijke prijs. Het gaat niet om het principe, maar om wat wij uiteindelijk allemáál willen. Je moet dit niet alleen Europees willen regelen; als dit op wereldschaal wordt afgesproken, in WTO-verband, kan het wel.

Staatssecretaris Bleker: Wij hebben, op initiatief van Frankrijk, een begin gemaakt met kijken naar faire prijsvorming, naar het huidige prijsvormingsmechanisme in de voedselmarkt. Laten we de conclusies van dit gemeenschappelijke onderzoek afwachten, voordat we allerlei verdere stappen zetten.

Ik ga verder met de pijlers. Wij zijn in de eerste plaats voor een heel sterke, omvangrijke eerste pijler, die leidt tot directe betalingen aan ondernemers, in activa voor personen die agrarische activiteiten op hectares verrichten. Als koningin Elizabeth dat doet, valt zij daar ook onder; als zij dat niet doet, wat mij betreft niet. Schiphol valt er in ieder geval niet onder, want dat verricht geen agrarische activiteiten. Ik ben dus voor een grote, sterke eerste pijler. Ik was vrijdagavond op een grote boerenbijeenkomst. Men zei daar: wij willen af van het begrip «inkomenssteun» en van het begrip «subsidie». Men zei daar niet dat men bezwaar had tegen belasting betalen. Men zei daar dat we andere begrippen moeten hebben: we moeten het gaan hebben over een «basispremie» en over «prestatietoelagen"; je benoemt een beperkt aantal zeer overzichtelijke prestaties, waarmee een toelage valt te verdienen. Ik vond dat men mij interessante begrippen aanreikte. Het is onze inzet om in Europa bij de invulling van het GLB de ruimte te krijgen om als nationale lidstaat die toelage als het ware te kunnen definiëren, dus dat wijzelf de ruimte krijgen om die toelage gericht te gebruiken op basis van onze uitgangssituatie en de kracht van onze sector. Daar hoort innovatie bij. De idee dat de eerste pijler alleen maar natuur is, klopt niet; die eerste pijler betreft innovatie, concurrentiekrachtversterking, duurzaamheid, duurzame stallen, energie en natuurproductie. Wij vinden dat dit allemaal kan passen in die eerste pijler. Deze gedachtewisseling sterkt mij om de Nederlandse inzet te richten op het creëren van nationale vrijheidsgraden in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, met gerichte en eenvoudig uitvoerbare betalingen aan ondernemers uit de eerste pijler.

De heer Grashoff (GroenLinks): De staatssecretaris wil nu de landbouw van over 20 jaar stimuleren. Dat heeft te maken met innovatie en verduurzaming. Dit vergt natuurlijk dat je een beeld hebt van de op termijn meest toekomstvaste en kansrijke ontwikkelingen in de landbouw. Er zijn nu twee trends te herkennen. De eerste is een toenemende grootschaligheid en monofunctionaliteit, met allerlei technische middelen om de milieu-impact daarvan binnen de perken te houden. De andere is die van de multifunctionele landbouw, met meer binding met de regio, met concurrentie op kwaliteit in plaats van op kwantiteit. Daarbij hoort ook innovatie. Ik vraag de staatssecretaris: voor welke van de twee gaat hij?

Staatssecretaris Bleker: Ik vind dit geen rol voor de overheid. Ik vind dat de overheid de verschillende scenario's moet faciliteren en stimuleren die tegelijkertijd in de agrarische sector zullen worden gevolgd door verschillende groepen ondernemers, en volgens mij allemaal zullen leiden tot een versterkte positie over tien jaar. Wat we niet moeten doen, is geld geven aan ondernemers die alleen maar boer willen blijven en zich niet verder willen ontwikkelen en vernieuwen. Ik vind niet dat de overheid op de stoel van de ondernemer moet gaan zitten, of ondernemers moet wijzen welke kant zij op moeten gaan en welke niet. Overigens ben ik het met de heer Grashoff eens dat het een verder vraagpunt is of de keuze voor een bepaalde prestatietoelage alleen maar aan de individuele boer of ondernemer is, of dat dit ook nog te maken heeft met gebiedskenmerken. Ik wil daar twee dingen over zeggen. Er zijn extra prestaties die alleen maar zin hebben als ze op een samenhangende manier in een bepaald gebied worden geleverd. Bijvoorbeeld op het terrein van de natuur of water: als ieder voor zich het doet, leidt dat niet tot een verbetering van het ecologische systeem. Je zult daarvoor dus op het regionale niveau een autoriteit moeten hebben, die bepaalt wie wat doet en op welke plek. Pas als je je daaraan conformeert, ben je – om het maar eens als agrarisch ondernemer uit te drukken – «koopman geworden». Ik denk daarbij overigens niet aan de overheid, dus niet aan provincie, gemeente of Den Haag, maar veel meer aan regionale coöperaties van agrarische ondernemers. Ik hoop echt dat we die figuur terug kunnen krijgen, dat regionale coöperaties van agrarische ondernemers het hoe, wat en wanneer en wie bepalen bij, bijvoorbeeld, natuurproductie. Als particulieren daaraan meedoen, krijgen ze als het ware een ticket, een rechtstreekse betaling aan hun bedrijf.

De heer Grashoff (GroenLinks): De staatssecretaris pakt er een extra element bij, dat niet in mijn oorspronkelijke vraag zat. Ik ben wel met hem eens dat je zo'n gebiedsgerichte sturing moet hebben. Die zie ik trouwens wel meer in de zin van samenwerkingsverbanden, dus met overheden en natuurorganisaties, in plaats van sec coöperaties. Dat kan heel goed, er zijn heel goede voorbeelden van samenwerkingsverbanden die in de laatste jaren goed op gang zijn gekomen.

Toch wil ik nog iets zeggen over dat op de stoel van de ondernemer gaan zitten. Natuurlijk gaat de overheid niet bepalen welke keuze de ondernemer moet maken, maar de overheid dient wel de keuze te maken welke ontwikkelingen zij wil stimuleren en welke niet. Dat doet zij vanuit een algemeen maatschappelijk perspectief op wat zij het beste vindt, voor de samenleving als geheel, wat daarvoor optimaal zou zijn qua maatschappelijke kosten en baten. Ik wil de staatssecretaris uitdagen om toch te kiezen voor de multifunctionele landbouw, en niet voor die zeer grootschalige monofunctionele landbouw. En als hij alle voors en tegens van beide opties naast elkaar zou leggen, zou hij het zomaar met mij eens kunnen zijn!

Staatssecretaris Bleker: Dat zou kunnen, maar voor een dergelijke discussie is het nu veel te vroeg. Ik denk dat het nu moet gaan om het creëren van het systeem, waarin men die vrijheid heeft om die keuze te maken.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik vraag de staatssecretaris hoeveel ruimte er nog zit in de eerste en tweede pijler. De inzet van de staatssecretaris spreekt mij zeer aan en ik wil daarvoor mijn waardering uitspreken. Mij gaat het er vooral om waarop wij nog invloed kunnen uitoefenen, waar wij nog beweging kunnen creëren. Als de staatssecretaris de jonge boeren, de groene boeren, de verduurzaming goed wil stimuleren, die beweging in gang wil zetten, waar zouden wij dan verstandig aan doen? Ik ben helemaal voor coöperaties. Kunnen wij nog van die pijlers af, naar een systeem dat effectiever is? Hoe kijkt de staatssecretaris daartegen aan?

Staatssecretaris Bleker: Dat er een eerste en een tweede pijler zijn, is een gegeven. Met name die tweede pijler hoeft niet de pijler te zijn zoals hij nu is. Zo wordt in Europa gediscussieerd over de vraag of daar in de toekomst die cofinancieringsverplichting wel in moet, en in deze omvang. Ik vind overigens dat Nederland een groter aandeel zou moeten krijgen in het geld van de tweede pijler, want er is nu wel sprake van een erge onbalans. Om geld binnen te halen, moeten we daarin dus meer doen. Het zou een stuk helpen als de cofinancieringsverplichting beperkter zou zijn. Ik zie dat die tweedepijlergelden vooral ook zijn gericht op de stimulering van de agrarische economie, wat vaak weer directe gevolgen heeft voor de leefbaarheid op het platteland. Ik ben dus niet meer zo gecharmeerd van het subsidiëren van het zoveelste fietspad of het zoveelste strijkijzer- of kinderwagenmuseum; het moet geld zijn dat echt naar de agrarische ondernemer gaat, maar dan wel voor een deel voor maatschappelijke prestaties. Dat is mijn gedachte. Daarin is nog wel ruimte, dat is nog niet uitgekristalliseerd. En ook hoe het binnen de pijler gaat, is nog niet helemaal beklonken.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Kunt u iets meer vertellen?

Staatssecretaris Bleker: Nee. Er zijn ook heel verschillende belangen. Polen heeft een andere positie dan Duitsland, Nederland, Zweden of Frankrijk. De komende weken wordt wel duidelijker hoe dat gaat. Het enige wat ik doe, is goed luisteren welke kant wij op willen. Ik probeer dus ruimte te creëren in dat systeem, niet meer dan dat. De vraag blijft altijd hoeveel ruimte wij houden en krijgen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik ben tevreden.

De heer Koopmans (CDA): Begrijp ik goed dat de staatssecretaris zegt dat de middelen in de eerste pijler voor het overgrote deel in een basispremie terechtkomen en voor een deel worden gebruikt voor een prestatietoelage, waarbij elementen als verduurzaming en innovatiekracht een rol spelen? Begrijp ik het zo goed? Laat ik het anders zeggen: als ik het zo begrijp, zijn wij het eens.

Staatssecretaris Bleker: Ik denk niet dat wij het op dit moment daarover al eens zijn. Als wij zeggen dat de eerste pijler een omvangrijke pijler is en tot directe betalingen moet leiden, betekent dat ook dat de eerste pijler zo veel mogelijk moet bijdragen aan het doel om in 2020 nog meer koploper te zijn dan nu. Ik zal het maar heel simpel zeggen: als wij het overgrote deel van die eerste pijler rechttoe, rechtaan als basispremie verstrekken, zal de stimulerende kracht, het versterken van de concurrentiekracht en dergelijke, in het gedrang komen. Het valt mij heel erg op dat ik vooral van jonge ondernemers in groten getale de oproep krijg om ervoor te zorgen dat het geld hen vooruitbrengt en hen niet houdt op het niveau waarop zij nu zitten. Er moet een sterke stimulans van uitgaan. Er zijn er zelfs die tegen mij zeggen dat je eigenlijk helemaal niet voor een basispremie in aanmerking zou mogen komen als je alleen maar blijft doen wat je nu doet en je netjes aan de regels houdt. Dat is één; het moet stimulerend zijn.

De heer Koopmans (CDA): Dat gaat bijna uit van een gevoel alsof de Nederlandse landbouw al niet voorop zou lopen. Dat is al zo. Het grote risico van de aanpak van de staatssecretaris is dat mensen 2020 niet eens halen. Voor een deel van de bedrijven in Nederland is het overleven. De basispremie speelt daarbij een rol. Namens de CDA-fractie zeg ik nog een keer dat het overgrote deel of het grote deel naar een basispremie moet gaan en dat een deel kan worden gebruikt voor prestaties. Dat moet vooral op innovatie worden gericht en niet alleen in natuur worden gestopt. Dat brengt echt de sector niet verder.

Staatssecretaris Bleker: Er wordt nu een beetje een karikatuur van gemaakt met «dat moet niet alleen in natuur worden gestopt». De eerste pijler is ook bedoeld voor echte, harde economische, technologische innovatie en energie. Als het overgrote deel van de eerste pijler, die ook nog het grootste budget vormt, in een basispremie wordt gestopt zonder nadere prestatietoelage, komt de ontwikkeling in de richting van groene energie, innovatie en duurzaamheid onvoldoende op gang. Dat wil ik niet.

De heer Koopmans (CDA): Mensen moeten nu al aan zeventien richtlijnen voldoen. Het mogen er straks best negentien worden, maar wij moeten niet een soort van maatlat creëren waarlangs mensen nooit meer kunnen voldoen.

Staatssecretaris Bleker: Nee hoor, het worden heldere prestaties. Het is een beperkt aantal, misschien een stuk of vier, vijf, dat heel goed gemarkeerd is. Wij gaan dus niet ingewikkelde dingen maken.

Misschien mag ik er nog iets aan toevoegen. Het idee dat het in overwegende mate in natuurdoelen zou zitten is echt een versimpeling. Mevrouw Snijder zegt dat het niet moet gaan naar natuurbeheer door bijvoorbeeld natuurorganisaties. Nee, bij natuurprestaties gaat het om toelagen voor prestaties die de ondernemer op zijn agrarisch grondgebied levert, en niet om beheer door grote natuurorganisaties of wat dan ook.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Nog even over die eerste pijler. Als ik het goed heb begrepen en zoals ik de discussie in Europa hoor, beslaat die eerste pijler toch een heel breed spectrum. Daarin zit ook inkomensbetaling naar aanleiding van cross compliance, ook voor de komende jaren. Daarin zit ook een groene laag. Daarin zitten ook die eventueel moeilijke gebieden, waarover ik de staatssecretaris aansprak. Daarin zit eventueel ook nog artikel 68. Er zit dus een aantal componenten in. Als ik de staatssecretaris hoor zeggen – evenals de heer Koopmans proef ik dat er bijna in – dat wij afscheid moeten nemen van het uitbetalen van een basispremie voor veel zaken waaraan de agrarische sector nu moet voldoen, vind ik dat heel vreemd. De eerste pijler biedt namelijk naar mijn gevoel veel meer ruimte om betalingen te doen voor iets extra's. Daarin zit echter ook de basispremie. Als je praat over verduurzaming, gaat het dan alleen over energie of ook over biodiversiteit? In het vorige debat heeft de staatssecretaris verwezen naar de veenkoloniën. Daarvan zei hij dat de boeren eigenlijk allemaal natuur moeten doen. Je zou ook kunnen denken aan het uit productie halen van een deel van de hectares om de biodiversiteit te verbeteren. Dus wisseling van hectares, wisseling van producten. Naar mijn mening zijn er veel meer mogelijkheden. Kijken wij daar ook naar? Die basispremie dient er echter wel te komen.

Staatssecretaris Bleker: Nee, maar die heb ik ook benoemd. De basispremie is onderdeel van de eerste pijler. Waar ik voor waarschuw en waarvoor ik met name de heer Koopmans waarschuw, is dat die basispremie het overgrote deel van de eerste pijler gaat opsouperen. Dan stimuleer je namelijk de boeren volgens de standaarden van nu en stimuleer je niet concurrentiekracht, innovatie en dergelijke. Wij kunnen nu een heel dispuut houden wat het overgrote deel is of wat een substantieel deel is. Het wordt duidelijker op het moment dat wij in een volgende fase kunnen aangeven wat de Kamer vraagt, namelijk wat wij voor de akkerbouw, de melkveehouderij, de kalversector, de extensieve melkveehouderij en de intensieve melkveehouderij doen en voor welke prestaties die extra premies beschikbaar komen. Dan kun je ook een afweging maken hoe belangrijk je dat vindt, welk deel van het budget in de eerste pijler daarvoor beschikbaar zou moeten zijn en welk deel beschikbaar is voor de basispremie. Dat lijkt mij het goede moment om de discussie af te wikkelen. Het gaat inderdaad over een breed spectrum.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik vroeg in de eerste termijn niet voor niets hoe de staatssecretaris het gehele traject ziet. Het traject loopt van 2013 tot 2020. Als ik de staatssecretaris zo hoor, wil hij dat wij heel scherp nu al op de basispremie inleveren. Je kunt dat echter ook in stappen doen. Hoe ziet de staatssecretaris dat traject? Ik ben heel benieuwd om te horen of hij ook ziet dat het in stappen gaat, want zo kijken wij daar wel tegen aan.

Staatssecretaris Bleker: Wij bekijken op een gegeven moment wat de situatie is tot 2013, wat de situatie zou zijn als het eindbeeld in 2020 is gerealiseerd, met dat toelagesysteem, en waar de grote knelpunten zitten. Daarover kan ik zeggen dat de grote knelpunten zitten bij de kalversector, de aardappelzetmeel en de intensieve veehouderijbedrijven, vooral in het Brabantse en Gelderse gebied. Daar zouden wel eens de verliezers kunnen zitten, gezien het systeem en de historische grondslagen waarop het is gebaseerd.

Ik wil met de sector bekijken wat redelijk is in de zin van afbouw en geleidelijkheid. Dat doe ik ook met LTO, wij hebben al een eerste verkenning gedaan. Het behoeft geen geleidelijkheid voor iedereen te zijn. Het kan geleidelijkheid zijn, kijkend waar de effecten het meest ingrijpend zijn in de inkomenspositie van de sectoren. Dan heb je het over de sectoren en de gebieden die ik heb genoemd. Wij zijn daarmee al een stapje op weg. Aan de ene kant krijg ik vanuit de sector de oproep om rekening te houden met de geleidelijkheid. Aan de andere kant heeft men er ook begrip voor dat het relatief weinig effect kan sorteren als je het over de gehele linie heel geleidelijk doet. Bijvoorbeeld in Duitsland heeft men heel snel de omslag gemaakt. Of dat hier kan weet ik niet, maar dat is de aanpak.

De heer Dijkgraaf (SGP): Het antwoord van de staatssecretaris verbaast mij eerlijk gezegd een beetje. Natuurlijk gaat het om de maatvoering. Laten wij echter wel vaststellen dat de Nederlandse land- en tuinbouw momenteel een koppositie in de wereld heeft. Die is ontstaan onder het systeem van een basispremie. Als wij nu constateren dat wij ver achterlopen omdat wij een achterhaald systeem hebben en dat wij dus moeten prikkelen, zou ik de staatssecretaris kunnen begrijpen. Maar nee, ik zie de land- en tuinbouwsector als een sector die vooroploopt omdat hij ook intern die prikkels heeft en drommels goed snapt dat je moet investeren. Wat doe je bijvoorbeeld met de boer of tuinder die een jaar geleden zwaar geïnvesteerd heeft of met de boer die in 2018 moet beslissen over investeringen? Die krabt zich wel twee keer achter de oren, want hij weet dat hij nog twee jaar subsidie krijgt en dat er daarna een nieuwe staatssecretaris of minister kan zitten die zegt dat het oude technologie is en dat alleen nog nieuwe technologie wordt beloond. De kern van mijn vraag is dat een investeerder kijkt naar de looptijd van zijn investering en of hij die terug kan verdienen.

Staatssecretaris Bleker: Al dit soort complicaties zijn er, maar die zijn pas duidelijk en het is pas duidelijk hoe die opgelost kunnen worden als het systeem waarover wij nu in algemene zin spreken, op tafel komt. Wij gaan nu al heel ver in onze bespreking hier, als ik het vergelijk met wat in de Europese Raad gebeurt. Laten wij het dan even stap voor stap doen. De signalen dat het niet contraproductief moet werken, niet demotiverend moet werken en geen administratieve rompslomp moet worden, zijn relevante signalen. Ik bespeur echter ook breed in de Kamer dat het geld primair, voor een belangrijk deel, ingezet moet worden om vaart te maken met de ontwikkelingen die de sector ook zelf wil. Dat moet op een verantwoorde manier gebeuren. Op de overgangsregeling kom ik nog terug.

Ik heb er ook nog een ander argument bij en dan kijk ik even naar de heer Koopmans. De beste manier om de periode 2013–2020 historisch gezien tot de laatste periode van het Europese gemeenschappelijk landbouwbeleid te maken, is naar mijn vaste overtuiging niet ingewikkeld doen en iedereen een vaste premie. Dat lijkt heel interessant, maar dat is het einde van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. In feite zitten het Verenigd Koninkrijk en een aantal andere landen erop te wachten dat wij dit met elkaar doen, dat wij een simpel, niet stimulerend, niet concurrentiekrachtgericht en niet innovatiegericht systeem maken en dan wordt op enig moment gevraagd: zie hier, waarom deze ondernemers wel en andere ondernemers niet? Dus ook voor het Europese politieke en maatschappelijke draagvlak – ik bemerk dat ook in het Europees Parlement; het is medewetgeving, dus wij hebben ook met het Europees Parlement van doen – zul je stappen moeten zetten die innovatie, duurzaamheid enzovoorts stimuleren. Dat is ook in het belang van de toekomst van de agrarische sector, want na 2020 moet er ook nog een gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn.

De heer Dijkgraaf (SGP): Is de staatssecretaris het dan wel met mij eens dat de grote vraag de maatvoering is? Ik bemerk dat nog steeds een Kamermeerderheid zegt dat zij niet ervan overtuigd is dat er geen stevige basispremie moet zijn. Wij kunnen dan praten over de vraag wat stevig is, of dat 78% of 83% is. Ik noem maar wat, het kunnen ook heel andere percentages zijn. Wij hebben echter wel het gevoel dat het stevig moet zijn. Is de staatssecretaris het ook met mij eens dat de historische situatie in Nederland bewijst dat je én zo'n systeem kunt hebben én koploper kunt zijn in de wereld?

Staatssecretaris Bleker: Bewijzen uit het verleden kunnen ook heel pijnlijk zijn. Er wordt wel gezegd dat de glastuinbouw de meest innoverende is in de Nederlandse agrarische sector. Daarin wordt niet met basispremies gewerkt. Laten wij dus oppassen met dat soort redeneringen. Wij mogen dankbaar zijn dat het systeem is geweest zoals het nu is. Nu gaat het erom het toekomstgericht en ook houdbaar voor de toekomst te maken. Die oproep doe ik ook aan de heer Dijkgraaf. Wij kunnen wel zeggen dat wij 80% of 90% van de eerste pijler in een basispremie willen, wat interessant lijkt, maar daarmee breng je naar mijn overtuiging de houdbaarheid van het systeem na 2020 meer in gevaar dan met een andere systematiek. Daarbij zeg ik nogmaals dat de basispremie een wezenlijk onderdeel van het systeem behoort te zijn.

De voorzitter: Mevrouw Wiegman is de laatste die nog een interruptie mag maken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Daar maak ik dankbaar gebruik van. Ik wil even terug naar de toekomst. Het is interessant om te zeggen dat wij in 2020 koploper willen zijn. Dan moet daar wel in één adem achteraan gezegd worden: in 2030 duurzame productie. Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris voorstelt om nog even de tijd en de ruimte te nemen die er is om niet te veel te focussen op één keuze, op één scenario. Ik heb er wel behoefte aan dat de staatssecretaris voor een eerstvolgend overleg komt met wat scenario's, een uitwerking daarvan en de betekenis ervan. De vraag die de staatssecretaris stelde, was een heel interessante: voor welke prestaties welke premies? Uiteindelijk gaat het wel om die keuze in die faciliterende rol. Focussen wij op de grote bedrijven of vinden wij dat de kleinschalige, multifunctionele landbouw veel beter bij Nederland past en dat wij daarop moeten focussen? Het is goed om dat in beeld te hebben, vooral in de richting van de ondernemers. De ondernemers zitten te springen om die focus, zodat zij weten welke stappen zij moeten zetten om klaar te zijn voor de toekomst.

Staatssecretaris Bleker: Ik begrijp de gretigheid en nieuwsgierigheid van de Kamer. Gun ons echter twee dingen. Het eerste is – ik luister goed naar de nuances en kanttekeningen die hier naar voren worden gebracht – dat ik vanuit dit vertrekpunt de onderhandelingen probeer te voeren in het Europese verband. Het tweede is dat ik op het moment dat er duidelijkheid is of de kaders die worden afgesproken de ruimte bieden voor wat wij willen, met een uitwerking kom die tegemoetkomt aan het verzoek van mevrouw Wiegman en anderen, en die duidelijkheid geeft waar het systeem in concreto op kan uitdraaien. Dat is niet iets wat wij even voor de zomer doen. Ik heb al gezegd dat Commissaris Cioloş waarschijnlijk pas in oktober of november met de stukken komt. Ik kan wel preluderen op een bepaald systeem en daaraan onze Nederlandse invulling geven, maar ik moet wel een reële inschatting kunnen maken dat het systeem ook die vrijheid gaat bieden. Ik ben bereid om dat te doen, maar wel in die volgorde.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik moet nog even nadenken wat voor toezegging ik precies krijg. Het moet toch heel goed mogelijk zijn, gezien de huidige onzekerheid, om verschillende scenario's uit te werken en om dan klaar te zijn. Collega Van Veldhoven wees al terecht op de status van het position paper dat wij op dit moment krijgen. De ChristenUnie zit er niet op te wachten dat er op het allerlaatste moment een compleet position paper ligt van «dit is het, dit heb ik al bedongen met verschillende lidstaten en het is een kwestie van slikken of stikken». Ik wil heel nadrukkelijk worden meegenomen in de precieze afwegingen die nog gemaakt moeten worden.

Staatssecretaris Bleker: Dat gaat wat mij betreft ook gebeuren.

De voorzitter: De staatssecretaris heeft nog vijf blokjes te gaan, die hij naar ik aanneem staccato gaat doen.

Staatssecretaris Bleker: Ik zal het heel compact doen.

De cofinanciering in de tweede pijler is nog een discussiepunt.

Over de gebieden met beperkingen is het laatste woord bepaald nog niet gesproken. Er wordt nu ook gesproken over de nationale landschappen. Een nadere analyse wijst uit dat dit niet het goede begrip is. Je moet echt kijken of er evident in bepaalde gebieden geboerd wordt met fysieke beperkingen die met de structuur van het landschap en de structuur van de bodem van doen hebben. Het moeten evidente beperkingen zijn, die tot extra kosten in de bedrijfsvoering leiden. Dan moet je bekijken of daarvoor compensatie nodig is. De gelden zijn dus niet bedoeld om nationale landschappen in stand te houden, maar om het mogelijk te maken dat een agrarisch activiteit plaatsvindt in gebieden waar die fysieke en andersoortige beperkingen spelen.

Mevrouw Van Veldhoven zei: wij zetten de omschakeling in om het Europese budget te halveren. Wij zetten de omschakeling in om het budget te continueren, niet alleen tot 2020 maar ook daarna. Dat is een wat andere inzet.

De heer Grashoff sprak over de jonge boeren, of het kan uit de tweede pijler en mogelijkerwijs uit de eerste pijler. Ik vind het wel een belangrijk punt. Meerderen van u hebben erover gesproken. Het kan of door de garantieregeling of op een andere manier zoals indertijd door de heer Van der Vlies is geïntroduceerd. Wij willen nog eens goed bekijken wat de komende periode de meest effectieve manier is. Dat er een extra stimulans moet komen voor de jonge boeren of boerinnen die overnemen, is duidelijk.

Wat artikel 68 betreft gaan wij in overleg met de sector om een groter budget te benutten voor de artikel 68-procedure.

De rode diesel is in het regeerakkoord aan de orde geweest. Daar komen wij niet op terug, daar staan wij voor.

Het vangnet van de interventiemaatregelen blijft gewoon bestaan.

Het totale systeem heb ik nu wel voldoende besproken, waar het gaat om het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ik wil nu naar de vrijhandelsakkoorden. De heer Koopmans citeerde mijn ambtsvoorganger die, zoals u mogelijkerwijs weet, een ongeluk heeft gehad en ernstig geblesseerd in het ziekenhuis ligt vanwege een val van haar paard. Dat is hartstikke vervelend. Wij steunen de onderhandelingen van Mercosur. De volgorde die indertijd door minister Verburg is benoemd, is niet de volgorde geworden die internationaal is afgesproken. Het zijn parallelle projecten en eigenlijk wordt het succes, ook internationaal gezien, van Mercosur van belang geacht om vervolgens het gehele WTO-traject in gang te zetten. Zo is het geworden. Wij zeggen – en daarin staan wij niet alleen – dat het allemaal prima is, maar dat het niet zo kan zijn dat de agrifoodsector en de agrifoodmarkt in Europa als het ware altijd op het offerblok komen te liggen. Wij zullen dat ook bespreken in de Landbouwraad. Ik denk dat de heer Cioloş en de heer De Gucht, maar met name de heer Cioloş, er goede nota van nemen dat er op het punt van het agrarisch vlak en de toegang van andere werelddelen tot onze markt grenzen zijn aan het doen van concessies ten behoeve van andere belangen, van andere vrijhandelsbelangen van Europa. Wij geven aan dat men die grenzen wel een beetje in de gaten moet houden. Die boodschap gaan wij donderdag afgeven in de Landbouwraad. En als ik het zo hoor, is dat ook met steun van de Kamer. Wij hebben eerder een discussie gevoerd, onder anderen met mevrouw Dikkers, over importheffingen en dergelijke beperkingen. Voor de echt arme landen is Europa gewoon toegankelijk voor agrarische producten.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Ik heb nog geen antwoord gekregen op mijn vraag over inkomenssteun, die marktverstorend is, het CDA-rapport en waarom de staatssecretaris nog niet heeft gereageerd op de motie-Ferrier/Dikkers.

Staatssecretaris Bleker: Mevrouw Dikkers heeft bij de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken in december 2010 met mevrouw Ferrier in een motie gevraagd om een mondialiseringsvisie coherentie voor duurzame ontwikkeling. Staatssecretaris Knapen is daarmee doende. Ik heb mij in de brief van 8 maart beperkt tot de vragen die de Kamer mij had gesteld. Dat waren er 54. Ik ben niet op de motie ingegaan, omdat die onder de hoede van staatssecretaris Knapen is. Er was geen vraag die betrekking had op de motie die zij met mevrouw Ferrier heeft gediend. Mevrouw Dikkers krijgt over de motie een antwoord van mijn collega Knapen. Ik zal er bij hem op aandringen dat dit antwoord spoedig komt.

Mevrouw Dikkers en de heer van Gerven hebben gesproken over een impactanalyse. ik denk wel dat wij op enig moment in de Landbouwraad in de beraadslagingen over het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten zeggen: allemaal prima, maar laten wij even kijken of wij een goed overzicht hebben wat mondiaal de gevolgen zijn voor bijvoorbeeld ontwikkelingslanden of in ontwikkeling zijnde landen. Ik ben er voorstander van om dat punt op een gegeven moment wel even te markeren, om je af te vragen wat het zou kunnen betekenen. Ik weet niet of het een heel zware impactanalyse moet worden, maar er moet een moment van reflectie zijn wat dit mondiaal betekent voor de armere landen.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Wij zien dan graag een brief tegemoet.

Staatssecretaris Bleker: Laten wij het zo doen: ik zet mij ervoor in om in de Europese Landbouwraad tegen de heer Cioloş en de collega's te zeggen dat er een moment moet komen waarop dat gebeurt. Ik hoop dat dit lukt en dat wij daarover een rapportage van de Commissie, van de heer Cioloş, krijgen. Op het moment dat die er is, wordt die met een begeleidende brief van mij naar de Kamer gestuurd.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Daar ben ik wat aarzelend over.

De voorzitter: Ik stel voor dat u dit punt bewaart tot de tweede termijn, als wij daar überhaupt nog tijd voor hebben. Wij zitten heel erg in een tijdklem.

Staatssecretaris Bleker: Ik kom vervolgens bij de visserij. Er is nu sprake van een verlenging, maar bij nieuwe arrangementen met landen als Marokko en Mauretanië zullen wij de Kamer tijdiger informeren over de voornemens en de positie van Nederland.

Nederland heeft het voorstel van de Commissie voor een discard ban, dus een verbod op bijvangsten, nadrukkelijk gesteund. Dit overigens niet met expliciete vermelding van de motie-Ouwehand, maar als dat op prijs wordt gesteld, willen wij nog wel een keer tot uiting brengen dat die steun ook daarmee te maken had. Wij hebben dat verbod expliciet gesteund.

Over de melkquota hebben wij eerder gesproken. Overdracht van onbenutte quota tussen lidstaten is sympathiek, maar gewoon niet realistisch. Men weet dat wij op allerlei manieren mogelijkheden zoeken, maar dat zal uitermate moeilijk worden.

Wat de ggo's betreft kunnen wij vanuit de overheid of overheden geen ggo-vrije ketens garanderen. Dat is aan de markt, dat is een kwestie van vraag- en aanbod. Wel wordt de keuzevrijheid gegarandeerd via etikettering van ggo-producten. Tracering is dus wel mogelijk en vindt ook plaats.

Mevrouw Ouwehand vroeg naar het niet steunen van toelating van drie ggo's. De boeren elders zouden daarvan de dupe zijn. Op de agenda staat de toelating van die ggo's binnen de EU. Deze zijn buiten de EU reeds toegelaten. Die voorstellen voor toelating zijn gebaseerd op de gangbare criteria. Daar was mevrouw Ouwehand al bang voor. Volgende maand sturen mijn collega Atsma en ik een studie naar de Kamer over duurzaamheid en ggo's in relatie tot ontwikkelingslanden. Die toezegging is eerder gedaan. Mevrouw Wiegman heeft daar indertijd ook om gevraagd.

Ik kom ten slotte bij overige onderwerpen. Hoe zit het met de uitbetaling van de toeslagrechten? Goed nieuws: het is 74%. U kijkt niet blij. De taakstelling was 70%, het is nu 74%. Is het allemaal goed? Nee. De afspraak die wij op dit punt hebben gemaakt, kunnen wij echter realiseren.

De Commissie zal op basis van het EU-actieplan 2006–2010 met een nieuwe EU-strategie voor het dierenwelzijn komen voor de periode 2011–2015. Zodra wij de stukken hebben die in de Landbouwraad aan de orde komen, zullen die hier natuurlijk ook besproken worden.

Nederland zal per 1 januari 2012 voldoen aan de eisen voor de huisvesting van legkippen. Wij gaan ook handhaven. De kwestie van ongewenste huisvestingsmiddelen hebben wij op verzoek van mevrouw Ouwehand en de heer Koopmans aangekaart in Brussel. De Commissie beraadt zich nu nog op maatregelen om de uitfasering in Europa goed te laten verlopen.

Ik ben meerdere keren naar het PlattelandsParlement geweest. Ik doe mijn best om het op te lossen.

De voorzitter: Kan de staatssecretaris iets concreter worden?

Staatssecretaris Bleker: Volgens mij gaat het om € 123 000. Ik zal een weg vinden om dat voor elkaar te krijgen.

Wat de oormerkweigeraars betreft zijn wij in gesprek met de Commissie over verruiming van de mogelijkheden. Zodra wij daarover duidelijkheid hebben of resultaten hebben, zullen wij die melden.

Diermeel verwerken in voer voor pluimvee en varkens moeten wij beslist niet willen. De Partij van de Arbeid en de Partij voor de Dieren spraken daarover. Nederland heeft het verzoek van Polen daartoe gesteund onder de voorwaarde dat een en ander stapsgewijs gebeurt, op een goede wetenschappelijke basis en op grond van analytische tests. Er zijn goede vorderingen gemaakt met de controlemogelijkheden. Wij rapporteren de Kamer in een later verband over de concrete voortgang en de uitkomsten.

De heer Van Gerven sprak over de vetten, onder andere naar aanleiding van het dioxineschandaal in Duitsland. Wij hebben in Europees verband gepleit voor scheiding van technische vetten en niet-technische vetten; niet twee vetsporen op een verwerkingsbedrijf. Dat zullen wij niet alleen bepleiten in het buitenland, dat zullen wij ook voor zover nodig in Nederland regelen. Daarnaast is er frequent toezicht. Daarover heb ik de Kamer indertijd ook geïnformeerd in een aparte brief over het toezicht.

Voorzitter. Dit was het.

De voorzitter: Ik wil eerst controleren of de leden die in eerste termijn hebben aangegeven dat zij een VAO willen aanvragen, dat nog steeds willen. In dat geval heb ik de vraag of de Kamer nu de tweede termijn wil doen of dat dit gecombineerd kan worden met het VAO.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Er zijn nog twee vragen van mij niet beantwoord door de staatssecretaris. Wanneer stelt u voor dat wij die behandelen?

De voorzitter: Ik zou mij kunnen voorstellen dat wij nog een rondje houden om de open eindjes te dichten, dat wij het vanavond daarbij laten en dat wij de rest in het VAO doen.

De heer Grashoff (GroenLinks): Ik handhaaf mijn verzoek om een VAO. En de heer Koopmans is daar blij mee. Ik voelde aan het begin van deze vergadering al aan dat dit zo zou zijn. Voor een deel zal het gaan om uitspraken waarover ik hoopgevende opmerkingen van de staatssecretaris heb gehoord, waarvan ik het wel van belang vind dat zij tot uitspraken van de Kamer leiden ter ondersteuning. Voor een deel zitten wij op een andere lijn en zal ik toch proberen dat politieke statement morgen te maken.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik denk dat wij allemaal kort nog iets mogen zeggen. Als ik morgen geen moties indien, word ik geacht niet het woord te voeren in de plenaire zaal.

De voorzitter: In dat geval geven wij iedereen nog een minuut per persoon.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Het is even de vraag of ik een motie moet indienen. De staatssecretaris zei dat hij de boeren heeft gehoord. Volgens mij heb ik dat ook uitgesproken. Hij zei dat hij vrijdag een zaal met boeren had gehoord. Het kwam neer op een basispremie en betalen voor de extra's, verduurzaming, vergroening of hoe dan ook. Daarachter zit wel een traject van 2013 naar 2020. Het hoeft niet stante pede, maar ik wil graag dat de staatssecretaris ons in een volgend overleg kan schetsen hoe hij dat traject ziet. Dat is essentieel.

Heb ik de staatssecretaris verder horen zeggen dat in de tweede pijler het plattelandsbeleid, toch een beetje de As 3 en As 4, wat minder belangrijk wordt dan betalen voor maatschappelijke diensten? Zo ja, dan vindt hij ons op zijn weg.

Dat zijn voor mij nu even de belangrijkste conclusies.

Op de toeslagrechten, uitbetalingen c.q. perceelsregistratie komt de VVD morgen terug.

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Ik wil nog even stilstaan bij de prijsschommelingen. Ik heb de staatssecretaris gevraagd of hij in overleg wil treden met een aantal organisaties, zoals de Nederlandse melkveehouders, de vakbond en andere, over de prijsschommelingen en of hij eventueel in overleg wil treden met wetenschappers hoe je die prijsschommelingen kunt indammen. Dat vraagstuk is nog niet opgelost. Dat wordt ook niet opgelost met het verhaal dat de staatssecretaris tot nu toe gehouden heeft.

Over het Coreper en de vissen zegt de staatssecretaris dat hij ons tijdiger gaat informeren. De bedoeling is echter dat hij het standpunt dat wij hier ontwikkelen, daar inbrengt. Dat is wel iets anders. Dus graag nog een reactie daarop.

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. De staatssecretaris zegt dat hij aan marktordening doet, maar dat hij het laat bij wat wij nu hebben. Dat gaat mijn fractie niet ver genoeg. Ik overweeg morgen moties in te dienen om de marktmacht van boeren te verstevigen. Ik doe ook een suggestie voor onderzoek naar extra instrumenten, met name zelfordening in de markt, voor het tegengaan van die prijsschommelingen. Met de heer Van Gerven maak ik mij daarover zorgen, maar ik wil niet de weg van importbeperking op.

Voor de exportsubsidies willen wij tot een snellere afbouw komen dan tot nu toe is aangegeven. Wij vinden het nog steeds behoorlijke bedragen, zeker voor de melkproducten.

Wij zullen de staatssecretaris morgen graag een ondersteunende motie meegeven over het versterken van de tweede pijler.

Ten slotte zal ik toch een poging doen om de Kamer een uitspraak te ontlokken over het richting geven aan de toekomstige landbouw in de zin van de multifunctionele landbouw.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Allereerst dank aan de staatssecretaris voor de antwoorden. Het sprak mij erg aan dat hij regelmatig sprak over de boeren van morgen. Dat is de titel van een publicatie van het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie. Die ging ook over het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het was dus een enorm gevoel van herkenning.

De staatssecretaris sprak over faire prijsvorming en een gemeenschappelijk onderzoek dat loopt. Ik hoor graag van hem wanneer dat onderzoek is afgerond en wanneer de uitkomsten bekend zijn.

Wat ook is blijven hangen, is de vraag wanneer je eigenlijk boer bent. De staatssecretaris vertelde dat er ook een subsidie mogelijk zou moeten zijn als koningin Elizabeth allerlei leuke dingen doet die ook goed zijn. Ik mis dan toch het gevoel van focus. Het blijft leuk als koningin Elizabeth leuke dingen doet, maar het lijkt mij dat dit toch niet vanuit landbouwbudgetten moet worden betaald.

De vraag wat de staatssecretaris voor ogen heeft te doen om minder afhankelijk te zijn van geïmporteerd veevoer staat nog open. Ik denk dan aan de grote sojastromen vanuit Zuid-Amerika en de mogelijkheden die er zijn en die gecreëerd zullen moeten worden in het gemeenschappelijk landbouwbeleid om meer veevoer op Europese bodem te telen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor zijn visie om tussen nu en 2020 te werken aan een echte hervorming van het GLB in het belang van iedereen, ook in het belang van de Nederlandse boeren. Natuurlijk moet dat stapsgewijs en zorgvuldig gebeuren.

Wat het onderscheid tussen basispremie en gerichte beloningen betreft verschillen wij over het eerste nog wat mening, maar bij het tweede vindt de staatssecretaris het van belang dat er de vrijheid is om aan te sluiten bij de nationale situatie en wat mij betreft ook vooral bij de affiniteit van de individuele ondernemer. Dat is wat anders dan volledige vrijheid die kan leiden tot concurrentieverstoring op EU-niveau. Is de staatssecretaris het met mij eens dat in zo'n soort model wel criteria nodig zijn voor wanneer je een bepaalde beloning beschikbaar mag stellen en de hoogte ervan, waarbij het aan lidstaten zelf is om te bepalen welke mix zij ter beschikking stellen, zodat wij weten hoe groot de blokjes zijn en wanneer ze mogen worden uitgedeeld?

Twee vragen zijn niet beantwoord. Ten eerste de vraag over het position paper. De staatssecretaris zegt dat in Brussel nog niet zo technisch wordt gesproken als hier. Het position paper van de staatssecretaris is echter wel degelijk heel erg gedetailleerd. Waarom heeft hij dat niet eerder voorgelegd aan de Kamer? Ten tweede de vraag over de visserij. Gedane zaken nemen geen keer, maar is de staatssecretaris het met mij eens dat het verstandig zou zijn om de Kamer op voorhand te informeren over de A-punten en niet in het verslag na afloop van de Raad, zodat zij zelf kan bepalen of iets een politiek punt is?

De heer Dijkgraaf (SGP): Voorzitter. Het belangrijkste punt waarover ik mij na dit overleg zorgen blijf maken, is de terugverdientijd van investeringen. De maatvoering is wel het punt. Op zich ben ik er niet tegen dat wij een behoorlijk groot deel van het geld in innovatie stoppen, mits dan maar gewaarborgd is dat de investeringen die in het verleden en voor de toekomst zijn gedaan, terugverdiend worden. Anders ontstaat een standstill in de hele organisatie. Dan zul je wel een piek zien rond 2013 en 2014, maar dan zal het daarna heel snel naar beneden gaan. Boeren weten dan namelijk dat zij het voor de komende jaren niet meer kunnen terugverdienen, omdat in 2020 of daaromtrent de spelregels opnieuw worden veranderd.

Nog een feitelijke vraag over de prijsstabiliteit en de marktmaatregelen. Heb ik de staatssecretaris goed beluisterd als ik zeg dat Nederland het concept-Raadsbesluit dat bij de EU ligt, gewoon onderschrijft als het gaat om het behoud van maatregelen om de prijsstabiliteit te waarborgen?

Mevrouw Dikkers (PvdA): Voorzitter. Ik heb van de staatssecretaris de toezegging gekregen dat er in Europees verband wordt gesproken over de effecten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op ontwikkelingslanden. Wil hij nogmaals knikken zodat ik weet dat dit zo is? Wij horen graag de komende vergadering na deze vergadering het resultaat van dat gesprek. Kan hij ook toezeggen dat hij daarover gaat rapporteren aan de Kamer in een brief, op schrift? Dat zou heel fijn zijn.

Wij zijn blij met de toezegging over het PlattelandsParlement. Wij verzoeken de staatssecretaris om een brief aan het PlattelandsParlement en een afschrift aan de Kamer.

Wij zetten ten slotte hard in op dioxine en diermeel. Dit namens mijn collega Jacobi.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik wil drie brieven. Wat de visserijakkoorden betreft heb ik gevraagd naar de inzet bij het nieuwe akkoord met Marokko. Ik wil dat de staatssecretaris toezegt dat hij geen onomkeerbare stappen zet totdat de Kamer erover heeft gesproken. Ik ben echt wel boos over de afspraken met Mauretanië en Marokko. Ik ben daar niet blij mee.

Ik heb gevraagd naar de Nederlandse inzet voor een nieuw Actieplan dierenwelzijn. Het lijkt mij echt niet zo moeilijk voor de staatssecretaris om dit in een briefje naar de Kamer te sturen.

Ik ben in eerste termijn vergeten te vragen naar de Nederlandse inzet met betrekking tot de non-tradeconcerns met het oog op Mercosur. Ook daarover krijg ik graag een brief. Wat vragen wij van Zuid-Amerika en wat honoreren we?

Ten slotte zal ik een motie indienen over de ggo's en, als ik geen toezegging krijg over de brieven, ook over de brieven. Maar dat lijkt mij een beetje flauw.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de antwoorden. Ik ben net bezorgd begonnen. Ik ben nu ietsje minder bezorgd. Dat «minder bezorgd» kan alleen zo blijven als de staatssecretaris op de volgende vraag een duidelijk antwoord geeft. De brief die hij heeft liggen, is na dit overleg wel anders. Het standpunt van het kabinet dat net is geformuleerd, is toch anders dan wat in de brief staat. Als het antwoord nee is, moet dat morgen nog eens goed worden vastgelegd in een motie. Wij hebben namelijk de brief, met name pagina 4, echt anders gelezen.

Bij Mercosur gaat het mij iets te gemakkelijk. Omdat er in de Doharonde geen tempo is gemaakt, wordt via de bilaterale onderhandelingen met Mercosur een soort van sprong gemaakt. Dat willen wij niet. Wij vragen het kabinet om aan de Europese Commissie helder te laten weten dat het een keiharde randvoorwaarde is dat de Nederlandse en de Europese veehouderij niet het slachtoffer worden. Dat gaat verder dan de formulering die de staatssecretaris net gebruikte. Hij zei dat zij niet elke keer op het hakblok kunnen worden gelegd. Wij zeggen dat zij nu, in deze onderhandelingen, niet op het hakblok moeten komen te liggen.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Tegen mevrouw Snijder zeg ik dat de periode 2013–2020 inderdaad een overgangstraject is, ook op het moment dat wij de feiten en effecten van een eventueel nieuw systeem kennen.

In de tweede pijler zwaarder inzetten op de maatschappelijke prestaties vanuit de landbouwsector, dat is juist.

De heer Van Gerven maakte nog een opmerking over de prijsvorming. Volgende week vrijdag is er een door mijn ministerie georganiseerd seminar over de prijsvorming. Daarbij zijn verschillende organisaties betrokken. U krijgt een verslag van de uitkomsten van dat seminar. Ik hoor vragen of men erheen mag. Ja, zegt de directeur-generaal. Dan is het dus goed.

Dat wij de Kamer tijdiger informeren over onze plannen voor Marokko, Mauretanië en andere partijen, doen wij niet om haar te informeren over het reeds ingenomen standpunt. Wij zullen de Kamer tijdiger informeren over de voorbereiding, zodat wij de gevoelens kunnen meenemen bij het bepalen van het standpunt in de Landbouw- en Visserijraad.

En dan koningin Elizabeth. De heer Cioloş is bezig – wij hebben daarover een aparte discussie gehad in de Landbouwraad – met een scherpere formulering dat de gelden naar hectares gaan waarop agrarische productie plaatsvindt. Dat is nog best lastig, want wat is precies «agrarische productie»? Verschillende landen denken daar verschillend over. Dat criterium wordt nu verder uitgewerkt. Ik ben het er overigens mee eens. Ik vind het voor de legitimiteit van het landbouwbeleid fnuikend wanneer er miljoenen naar hectares gaan waarvan je met goed fatsoen niet kunt zeggen dat het iets met voedsel of dergelijke productie te maken heeft. Nu acht ik koningin Elizabeth in staat tot een schitterende, goede schapenhouderij op al die hectares, maar uiteindelijk gaat het erom dat het tot agrarische activiteit leidt.

Mevrouw Van Veldhoven sprak over de criteria. Wij willen aan de ene kant enige vrijheid om prestatietoelagen te kunnen geven, gelet op de uitgangssituatie van de agrarische sector en de omstandigheden waaronder de agrarische sector in Nederland produceert. Dat zal natuurlijk wel binnen de Europese kaders gebeuren, wij hebben daarin niet helemaal de vrije hand. Dit ook om het level playing field enzovoorts te realiseren.

Ik heb al gezegd, dit tegen mevrouw Dikkers, dat wij aan de orde zullen stellen dat op een goed moment, als de contouren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zich duidelijker dan nu hebben afgetekend, op Europese schaal ook wordt gekeken naar de effecten voor ontwikkelingslanden. Dat is niet volgende week en dat is ook niet volgende maand, dat zal waarschijnlijk de tweede helft van dit jaar zijn omdat wij dan een duidelijker beeld hebben van de richting waarin het gemeenschappelijk landbouwbeleid zich gaat ontwikkelen. Dan is het pas relevant en mogelijk om die toets te doen.

Mevrouw Ouwehand vraagt om drie brieven. Ik zeg nog eens: laten wij even stoppen met brieven schrijven. Het Actieplan dierenwelzijn komt namelijk regulier op de agenda als de evaluatie van de Commissie er is en de Commissie met een nieuw actieplan voor een nieuwe periode komt. Dat lijkt mij dan veel nuttiger. Waarom zouden wij nu ingewikkelde brieven schrijven als daarover toch al stukken komen?

Hetzelfde geldt voor Marokko. Op een gegeven moment komt dit regulier op de agenda en dan informeren wij de Kamer over wat wij van plan zijn te doen.

De non-tradeconcerns zijn eerder in de Kamer aan de orde geweest. Wij handelen conform de afspraken die toen zijn gemaakt.

Wat Mercosur en WTO betreft hebben wij in beide fora dezelfde inzet. Laat ik daarover duidelijk zijn: bij die inzet spelen de belangen van de hele Nederlandse economie, offensief en defensief, een rol. Het zal in een goede afweging van die verschillende belangen, offensief en defensief, van de sectoren van de Nederlandse economie moeten gebeuren. In de Landbouwraad zullen wij een soort van voorwaarschuwing geven, in de zin van «pas op, beste vrienden in Europa, en let op dat in dat totaal de belangen van de agrarische sector, agrifood, in Europa goed behartigd worden». Als je dat zegt, geef je ook aan dat je groeiende twijfel hebt over de mate waarin die belangen op een verantwoorde manier worden beschermd en afgewogen. Die stap gaat al veel verder dan ooit is gebeurd. Ik las het ook vandaag in het Agrarisch Dagblad. Het leek bijna een breuk met het standpunt van eerdere kabinetten, omdat daarin altijd liberalisering in de volle breedte van de economische activiteiten is bepleit. Hier hebben wij echt iets van «jongens pas op, er zijn ook grenzen op dit onderdeel».

Dan is het de vraag of de heer Koopmans bezorgd, half bezorgd of onbezorgd dit overleg uitgaat. Ik kan alleen zeggen dat de brief die wij hebben geschreven, op een aantal punten al heel concreet is geworden. Op een aantal punten moet die nog aanzienlijk verduidelijkt worden. De discussie die wij nu hebben gevoerd, betekent inderdaad dat mijn standpunt, mijn voornemen en mijn voorstellen zoals verwoord in de brief, niet meer dezelfde zijn als toen wij begonnen met het debat. Er is dus een evolutie. Er zijn nuances, er zijn kanttekeningen. Die neem ik mee. Ik neem die ook serieus mee, anders heeft het geen zin om hierover met elkaar indringend te spreken. Ik heb begrepen dat de heer Koopmans heel goed kan meegaan in het stimulerende gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar dat de basispremie voor hem essentieel is en dat het voor hem essentieel is dat het allemaal ook een beetje uitvoerbaar wordt en dat de overheid niet op de stoel van de ondernemer gaat zitten.

De ambities die door de heer Grashoff in het stuk werden onderkend en onderstreept, blijven, maar wel binnen de context die wij nu formuleren. Het is ook mijn ambitie om tot een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid te komen dat niet alleen maatschappelijk draagvlak in de sector heeft, maar dat ook een breed draagvlak in de politiek kan verwerven. Daar doe ik ook mijn best voor. Ik word wel een beetje vrolijk van de benadering van de heer Grashoff, die positief en op een aantal punten kritisch is. Misschien lukt het dan wel om meer partijen mee te krijgen dan alleen de twee coalitiepartijen en eventueel de PVV, de SGP en andere, en lukt het ook om GroenLinks, de Partij van de Arbeid en D66 mee te krijgen. Dat zou uniek zijn. Het is ook mijn inzet om dat te doen. Als de heer Koopmans daarover bezorgd wordt, dat de regering probeert om brede steun in de Kamer …

De heer Koopmans (CDA): Ik heb de woorden van mevrouw Van Veldhoven gehoord. Dat is echt niet met dat antwoord aan elkaar te knopen.

Staatssecretaris Bleker: Als de heer Koopmans bezorgd wordt dat dit krachtige minderheidskabinet probeert om brede steun voor zoiets ingrijpends als het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de Kamer te krijgen, begrijp ik hem niet meer.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik heb, even interpreterend, geen antwoord gekregen waarom het position paper niet van tevoren aan het parlement is voorgelegd. Ik interpreteer de toezegging van de staatssecretaris om ons eerder te informeren dan maar als een licht excuus dat dit misschien ook wel had kunnen worden voorgelegd.

De voorzitter: Misschien kan ik beter de toezeggingen voorlezen. Dan kunnen de leden beluisteren of die goed verwerkt zijn.

  • Als de casussen in Europa voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid duidelijk zijn, zal de staatssecretaris de Kamer in het najaar van 2011 informeren over de uitwerking van de verschillende scenario's.

  • De staatssecretaris zal wanneer er een rapportage bij de Europese Commissie ligt over de mondialiseringseffecten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, deze inclusief een beleidsreactie op de ontwikkelingslanden naar de Kamer sturen, waarschijnlijk de tweede helft van 2011.

  • De staatssecretaris zal de Kamer voortaan tijdiger informeren over de visserijakkoorden en de inzet van Nederland hierbij.

  • De staatssecretaris zal de Kamer informeren hoe hij de € 123 000 voor het PlattelandsParlement gaat financieren.

  • De volgende maand zal de staatssecretaris samen met staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu de studie over duurzaamheid en ggo's in relatie tot ontwikkelingslanden aan de Kamer sturen.

  • De staatssecretaris zal de uitkomsten van het seminar prijsvorming van volgende week vrijdag naar de Kamer sturen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Heb ik de toezegging om op artikel 68 met een brief te komen, gemist?

De voorzitter: Ja. Er komt een brief. Mocht die vergeten zijn, dan wordt die alsnog toegevoegd.