Kamerstuk 21501-471

Verslag van een algemeen overleg

De Nederlandse inzet voor de Europese sociale top op 17 november 2017

Gepubliceerd: 1 december 2017
Indiener(s): Halbe Zijlstra (minister buitenlandse zaken) (VVD)
Onderwerpen: europese zaken internationaal organisatie en beleid sociale zekerheid werk zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-31-471.html
ID: 21501-471

Nr. 471 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 1 december 2017

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de vaste commissie voor Europese Zaken en de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben op 16 november 2017 overleg gevoerd met de heer Koolmees, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over:

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 13 november 2017 inzake sociale top in Göteborg op 17 november 2017 (Kamerstuk 21 501-31, nr. 462).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Rog

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Azmani

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Tellegen

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Esmeijer

Voorzitter: Nijkerken-de Haan

Griffier: Haveman-Schüssel

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Gijs van Dijk, Jasper van Dijk, De Graaf, Pieter Heerma, Nijkerken-de Haan, Özdil, Van Weyenberg en Wiersma,

en de heer Koolmees, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Aanvang 14.00 uur.

De voorzitter:

Dames en heren, het is 14.00 uur en wij hebben een algemeen overleg van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wij gaan vandaag spreken over de Nederlandse inzet voor de Europese sociale top op 17 november aanstaande. Op de agenda staat een brief over dit onderwerp van de regering. Er staat een spreektijd van maximaal vier minuten per fractie, maar als het korter kan, ben ik daar voorstander van. Ik kijk even naar de leden. Voor u staat een bordje met de naam «Gijs van Dijk», maar dat klopt niet helemaal, meneer Heerma!

De heer Pieter Heerma (CDA):

Nee, ik heb geen overstap gemaakt en ook geen naamsverandering ondergaan! Gegeven het feit dat er twee uur voor dit AO staat en we hier vanmiddag mogelijk ook een VAO en stemmingen over hebben en dat iedereen daarvoor in huis is, zou ik willen opteren, als collega's het daarmee eens zijn, dat we maximaal drie minuten doen. Anders gaan we het volgens mij gewoon onszelf moeilijk maken qua tijd. Ik weet niet of daar bezwaren tegen zijn, maar dat stel ik voor.

De voorzitter:

Meneer van Dijk, SP.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Jasper van Dijk; let maar op, dat zult u vanzelf merken!

De voorzitter:

Daarom zei ik er «SP» achteraan!

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vond het voorstel van de voorzitter uitstekend: vier minuten.

De voorzitter:

Oké, dan gaan we het in vier minuten doen. Mensen die sneller kunnen: heel graag. Misschien is het, gelet op het aangekondigde VAO, wel handig als in tweede termijn partijen die met een motie willen komen, daar wat meer context omheen kunnen geven. Dat helpt misschien de andere collega's ook alvast bij het nadenken over wat ze met die motie willen doen. Maar dat is mijn verzoek aan u. Het is aan u om te kijken hoe u daarmee om wenst te gaan. Gelet op de tijd, zou ik zeggen: laten we snel beginnen. Ik geef de heer Gijs van Dijk het woord.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Een Europese Unie die niet synoniem is met internationale bedreigingen maar daar juist een antwoord op biedt omdat je alleen met internationale samenwerking echte oplossingen kunt bieden voor globalisering en het verdwijnen van grenzen voor de opwarming van de aarde, vluchtelingenstromen en de internationale dreiging van geweld. Kortom, een Europese Unie die werkt voor mensen, dat is wat de Partij van de Arbeid wil. We zijn dan ook ongelofelijk blij met het akkoord over de herziening van de Detacheringsrichtlijn, dat vrijdag in Zweden wordt bekrachtigd. Sociale dumping aanpakken is essentieel voor Nederlandse en buitenlandse werknemers en voor de Europese Unie als geheel. Ook deze regering zei dat dit een belangrijke eerste stap is om te komen tot gelijk loon voor gelijk werk, maar ik vraag de Minister wat de volgende stap wordt. Het gevecht tegen sociale dumping is nog niet voorbij. Naast betere handhaving van bestaande afspraken, waarnaar in de brieven ook wordt verwezen en waar wij erg voor zijn, is er nog wel meer nodig.

Allereerst: het premieshoppen moet stoppen. Zeker zijn van je baan betekent ook dat concurrentie op loonkosten moet worden tegengegaan. Alleen zo komen we tot een sociale en eerlijke Europese arbeidsmarkt, gelijk loon, gelijk werk en gelijke loonkosten. Is de Minister bereid om de coalitie van de eerlijke Detacheringsrichtlijn weer bij elkaar te brengen, wellicht in Den Haag, en samen met Frankrijk, Duitsland, Zweden, België, Luxemburg en Oostenrijk afspraken te maken om sociale dumping en premieshoppen een halt toe te roepen? Graag een reactie. Op dit punt overweeg ik een motie.

Ten tweede: de beloning van de vrachtwagenchauffeur. In die sector is veel uitbuiting. De vrachtwagenchauffeurs hebben helaas geen direct voordeel van de herziening van de Detacheringsrichtlijn: zij zijn uitgezonderd. Maar zij slapen soms maandenlang in hun cabine tegen een maandloon onder ons minimumloon. Welke stappen wil de Minister nemen om beter op te komen voor vrachtwagenchauffeurs? En wil de Minister in navolging van België en Duitsland strenger gaan handhaven op de rusttijden van internationale vrachtwagenchauffeurs?

Ten slotte staat naast de arbeidsmarkt ook onderwijs op de agenda. Wij willen graag, zeker voor mensen die werken in de grensregio, betere wederzijdse erkenning van diploma's, behaalde studiepunten als de studie onverhoopt eerder is afgebroken en betere erkenning van periodes in het buitenland. Graag krijgen wij de toezegging van de Minister dat het kabinet zich hier hard voor gaat maken.

De heer Pieter Heerma (CDA):

We hebben dit spoed-AO als gevolg van een verzoek dat de heer Van Dijk deze week tijdens de regeling heeft gedaan. Nogmaals dank voor het feit dat dit, om de plenaire agenda te ontlasten, in een AO kon. Hij haalde in zijn inbreng een aantal onderwerpen aan. Mijn eerste vraag is of de indruk van de fractie van de Partij van de Arbeid is dat nu, bij deze top, besluitvorming aan de orde is waardoor de vragen die hier gesteld worden, niet ingebracht konden worden in het AO dat volgens mij al gepland stond voor 30 november. Mijn indruk is dat dat daar prima had gekund. Specifiek over de handhaving rondom de soms erbarmelijke situaties met de truckchauffeurs, waarvoor diverse fracties ook in de afgelopen periode aandacht hebben gevraagd, is volgens mij in een van de laatste debatten voor de verkiezingen door oud-collega Paul Ulenbelt een motie van de SP ingediend. Die motie is volgens mij breed ondersteund en breed ondertekend; misschien is zij zelfs Kamerbreed aangenomen. Vraagt de heer Van Dijk naar de uitvoering van die motie of vraagt hij daar nog iets bovenop?

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Op iedere top in Europa – dit is een informele sociale top, waar de afspraken worden getekend – wordt met elkaar gesproken. De heer Heerma verwijst terecht naar de afgelopen tijd, waarin Nederland zich in Europees verband al heel hard heeft gemaakt voor het gelijke speelveld en tegen sociale dumping. Dat is van ongelofelijk belang. We hebben te maken met een nieuw kabinet. Wat wij graag zouden willen zien – daartoe roepen wij eigenlijk op in mijn eerste punt, het maken van de volgende stap tegen premieshoppen, waarover ook vaak is gesproken in de Kamer – is dat dit kabinet nu alvast uitspreekt dat dit ook voor dit kabinet van ongelofelijk belang is en dat het kabinet ook bereid is om de urgentie van het probleem, dat we los van handhaving ook verder zullen moeten aanpakken, te erkennen en dat het daarmee aan de slag gaat, want er wordt morgen via de Minister-President al gesproken met regeringsleiders. Dat gebeurt niet alleen morgen, maar ook de komende maanden.

De voorzitter:

U was klaar met uw eerste termijn. Dan ga ik verder met de heer Heerma.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dank u, voorzitter. Wat mij betreft welkom aan de nieuwe Minister, met wie anderen misschien al debatten hebben gevoerd, maar voor mij is dit de eerste keer. Alleen dat al is een goede reden om bij dit ingelaste spoed-AO aanwezig te zijn.

De heer Van Dijk gaf al aan dat er de afgelopen jaren vanuit het Nederlandse parlement, in ieder geval wat betreft de oppositie en deels wat betreft de coalitie, vrij stevig is ingezet op aanpassing van de Detacheringsrichtlijn. Dat is een goede zaak. Het resultaat is mooi. De situatie is in die zin een beetje apart dat we hier over een top waar de premier naartoe gaat, praten met de Minister van Sociale Zaken aan de hand van een brief die is gestuurd door de Minister van Buitenlandse Zaken. Ik zal niet herhalen wat mijn collega van D66 nu buiten de microfoon zei en wat iets zegt over de verhoudingen. De brief van de Minister van Buitenlandse Zaken gaat vrij expliciet in op het belang van handhaving en op het belang van een grensoverschrijdende opzet van die handhaving, van samenwerking en ook van best practices. De discussie daarover hebben we ook al eerder gehad. De vraag aan de Minister daarbij is: komt daarover bij deze top iets van besluitvorming aan de orde? Zo niet, komt die dan wel aan de orde op 7 december, waar we op 30 november dus een AO over hebben? Wat wordt de inzet van Nederland daarbij? Welke concrete acties kunnen we op het punt van die handhaving verwachten?

In navolging van de heer Van Dijk noem ik ook de erbarmelijke situatie op de trucks. Volgens mij is daarover een vrijwel Kamerbreed ondertekende motie aangenomen van de heer Ulenbelt. Ik heb het idee dat de vragen van de heer Van Dijk in het verlengde daarvan liggen. Hoe staat het met de aanpak en de handhaving op dat vlak?

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Meneer Heerma, dank u wel. Dat was mooi binnen de tijd. Nog even mijn excuus: ik wilde zo graag snel van start gaan dat ik niemand welkom heb geheten. Dat doe ik dus bij dezen alsnog, want dat was echt een grote omissie mijnerzijds. Welkom allemaal. We gaan heel snel verder. Ik geef het woord graag aan de heer De Graaf.

De heer De Graaf (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik ben hier ter vervanging van mijn grieperige collega De Jong. Ik zal mijn best doen om heel snel voor te dragen wat wij samengesteld hebben.

Eurofielen spreken graag over «Europa» als het om de Europese Unie gaat. Laten we het debat in de komende kabinetsperiode zuiver houden en laten we voortaan spreken over «de Europese Unie». Dat lijkt me een mooie afspraak. Ik kan de Minister alleen vragen of hij voor die periode bereid is om zich eraan te houden om over «de Europese Unie» te spreken in plaats van over «Europa». Dat is de eerste vraag.

EU-bemoeienis kost Nederland alleen maar geld en zeggenschap, terwijl we hier gewoon slim genoeg zijn om zelf te beslissen wat we willen. Een soeverein Nederland met zijn eigen identiteit, dat is wat ons betreft het beste Nederland. Laat ik meteen een voorbeeld noemen van slecht EU-beleid dat ons wordt opgelegd. Onlangs nog bleek dat pensioenuitvoerders met extra kosten worden opgezadeld omdat ze vanaf 2019 alle gewezen deelnemers, de zogenoemde slapers, jaarlijks moeten informeren in plaats van eens in de vijf jaar. Dat is een vijfvoudige verzwaring van de administratieve lasten, terwijl we het zelf in Nederland gewoon prima hadden geregeld. Wie herinnert zich nog 2015, de Wet pensioencommunicatie? Het was gewoon op orde en we hadden ook met z'n allen, Kamerbreed, geconstateerd dat de aanpassing van de informatie-eisen te duur zou zijn. Het ging om pensioengeld. Dat moet je vooral gebruiken voor uitkering van pensioenen en daar moet je dus zorgzaam mee omspringen. Wij willen geen bemoeienis uit Brussel. Dat is bekend van de PVV. Hierin staan we vrijwel alleen. De PVV-motie om voorstellen en richtlijnen uit Brussel op het gebied van de sociale zekerheid niet te implementeren, is door deze Kamer – volgens mij op 21 juni van dit jaar – met grote meerderheid verworpen. Die stemmingsuitslag betekende dat ondanks alle mooie praatjes over minder Europese bemoeienis bijna iedereen in deze Kamer voor meer EU-regels is. Er waren maar twee partijen voor die motie. Vrijwel de gehele Kamer zet de deur open naar EU-pensioenen en naar een meer EU-brede arbeidsmarkt, zelfs naar EU-onderwijsinitiatieven, zodat alle kinderen straks tot identiteitsloze, politiek correcte, kritiekloze EU-onderdaantjes kunnen worden omgevormd. Meer Brussel, minder Nederland, ook in de hoofden van de kinderen, dat is de ultieme D66-droom in uitvoering.

De reden waarom we hier met z'n allen een AO hebben ingepland, is de Nederlandse inzet voor vrijdag. We zien op de rol in het EU-werkprogramma een aantal voorstellen staan: een EU-inspectie SZW, maar ook een EU-bsn-nummer. Te griezelig voor woorden, doodeng! Onze gegevens van alle mensen in Nederland komen straks in Brussel te liggen. Doodeng! Wij willen eigenlijk maar één ding van de Minister horen: dat Nederland hier niet aan mee gaat doen. Is hij bereid om dit in elk EU-overleg luid en duidelijk voor het voetlicht te brengen?

Wij vinden de EU een groot asociaal nivelleringsproject dat uiteindelijk, op lange termijn, zal leiden tot het wegvallen van de middenklasse, zodat er straks EU-breed een kleine elitaire rijke kliek overblijft en een hele grote groep mensen van wie de vrijheid, de soevereiniteit en de welvaart zijn afgenomen. Dat is een enge situatie; zie de Franse Revolutie. Het is dus tijd om voor Nederland te kiezen en de deur richting Brussel een keertje heel hard in het gezicht van de Timmermansen van deze wereld dicht te smijten. Gaat de Minister dit doen of gaat hij de komende twee jaar verder om met de kleinst mogelijke meerderheid van 76 zetels, misschien kritiekloze juichzetels, EU-voorstellen door de Kamer te loodsen? Graag een helder antwoord.

Ik rond af. Er kan wat ons betreft komende vrijdag bij de top maar één inzet zijn: dat wij Brussel oproepen zich niet met onze sociale zekerheid en ons arbeidsmarktbeleid te bemoeien en zich niet meer met Nederland te bemoeien. Wij hebben Brussel niet nodig. Brussel heeft ons alleen maar nodig voor de centjes. We kunnen het prima zelf.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer De Graaf.

Minister Koolmees:

Daar zat geen woord Spaans bij.

De voorzitter:

Ik wou ook zeggen: nu even ademhalen. Meneer Gijs van Dijk heeft een vraag.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dit is een terugkerend debat tussen in ieder geval de Partij van de Arbeid en de PVV. Er is sprake van een enorme concurrentie op arbeidskosten tussen verschillende landen in de Europese Unie. Ik vraag de heer De Graaf of hij dat ook ziet. Via afspraken in Europees verband wordt daar een einde – of zo veel mogelijk een einde – aan gemaakt, waardoor gewone, normale hardwerkende mensen niet meer als concurrenten tegenover elkaar staan maar weer collega's kunnen zijn. Dat is toch iets wat ook de PVV zou moeten steunen, omdat zij zegt dat zij zich voortdurend inzet voor hardwerkende mensen in Nederland?

De heer De Graaf (PVV):

Dat kunnen al die 27 landen – nu zijn het er 27,5 – prima zelf regelen binnen hun eigen grenzen. Wij hoeven ons daar niet om te bekommeren. Er is geen internationale afgedwongen solidariteit nodig met iemand in Griekenland en het is dus niet nodig om over de loonkosten daar te gaan. Daar hebben wij als Nederlanders helemaal niets over te zeggen. Wij moeten dat hier binnen onze grenzen op soevereine basis gewoon zelf regelen. Landen kunnen best onderling met elkaar concurreren. Dat ging vroeger ook hartstikke goed en dat heeft ertoe geleid dat we het in Nederland eigenlijk hartstikke goed hadden. Sinds die EU en vooral ook de euro zijn intrede hebben gedaan, zie je dat in Nederland eigenlijk de basis onder onze soevereiniteit en welvaart aan het wegvallen is en dat we een transferunie zijn geworden naar Zuid-Europa, naar de landen die het niet goed geregeld hebben. Wij willen daar een einde aan en wij willen daar niet mee doorgaan. We zien toch dat het misgaat? Dan moeten we stoppen.

De voorzitter:

Meneer Van Dijk, kort.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

De Nederlandse vrachtwagenchauffeurs roepen om goede Europese afspraken. De bouwvakkers in Nederland vragen om stevige Europese afspraken, zodat de enorme concurrentie die nu in sommige sectoren gaande is vanwege verschillen in loonkosten tussen landen, stopt. Zij vragen om Europese afspraken. Wat is dan de boodschap van de PVV aan al die hardwerkende bouwvakkers en vrachtwagenchauffeurs?

De heer De Graaf (PVV):

Dat zij de dupe zijn van die open grenzen en dat de arbeidsmigratiestromen die op gang gekomen zijn dankzij die open grenzen, in hun nadeel werken. Ik begrijp best dat ze nu oproepen tot die Europese afspraken, want ze kunnen geen kant meer op. Dat is de schuld van onder andere de PvdA. Wij zeggen: laten we teruggaan naar de oude situatie, waarin er gewoon concurrentie tussen landen plaats kan vinden en niet meer de ongebreidelde arbeidsmigratie, die tot een nivelleringsverhaal leidt, want er zijn op de Europese wegen Filipijnse vrachtwagenchauffeurs actief die voor € 2,50 per uur werken en die achter het stuur zitten te slapen met een kleine onkostenvergoeding voor één keer in de week een gehaktbal. Dat gun ik die mensen niet en dat gun ik Nederlandse vrachtwagenchauffeurs ook niet, maar als we zo doorgaan, wordt de Nederlandse vrachtwagenchauffeur vanzelf een werkende Filipijn.

De voorzitter:

Ik geef het woord graag aan de heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dank u, voorzitter. Ik hoorde de heer De Graaf in zijn betoog ook afgeven op de Franse Revolutie. Dat vond ik interessant. Ik dacht: wil hij dan weer terug naar de tijd daarvoor, de tijd van de Zonnekoning? Wellicht krijgen we daar nog een keer een toelichting op.

De heer De Graaf (PVV):

Voorzitter, ik voel mij uitgedaagd.

De voorzitter:

Een persoonlijk feit.

De heer De Graaf (PVV):

Nou, geen persoonlijk feit.

De voorzitter:

Dan geef ik u niet het woord.

De heer De Graaf (PVV):

De SP denkt dat wij terug willen naar Vichy en dergelijke en naar terreur. Dat moet ik natuurlijk ontkrachten, want dat is natuurlijk totale onzin. Ik geef in mijn betoog alleen maar aan dat als de middenklasse dreigt te verdwijnen – dat hebben we ook gezien bij de Russische Revolutie, waar de heer Van Dijk meer een fan van is en die nu 100 jaar bestaat en maar 130 miljoen doden heeft gekost.

De voorzitter:

Meneer De Graaf, kort.

De heer De Graaf (PVV):

Dat is een hele gevaarlijke situatie.

De voorzitter:

Ik geloof dat we gewoon verdergaan met de heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nou ja, er komt nogal wat boven tafel natuurlijk! Er wordt me nogal wat toegeworpen. De heer De Graaf had het over de Franse Revolutie. Hij zei: «verschrikkelijk». Dat suggereert toch dat we terug moeten naar die dictatuur van de Zonnekoning en de elite die daar aan de macht was? Fijn dat we dat ook weer weten.

De voorzitter:

Meneer Van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik zal aanvangen met mijn betoog. Dat is wat u wilt, nietwaar?

De voorzitter:

Ja, graag.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Op de sociale top morgen in Göteborg zal de pijler van de sociale rechten worden ondertekend door de voorzitters van de Europese instellingen. Wat de SP betreft is die sociale pijler niet nodig. Het zou beter zijn als de EU zou toetreden tot het Europees Sociaal Handvest. De sociale pijler is een afzwakking hiervan. Waar de ondertekenaars van het Europees Sociaal Handvest zich verplichten te werken aan een steeds hoger niveau van sociale zekerheid, klinkt de sociale pijler van de EU een stuk minder ambitieus. Zo wordt er geen gratis basis- en middelbaar onderwijs als recht geformuleerd, maar betaalbare en goede opvang en onderwijs voor jonge kinderen. Waar het Handvest de sociale en economische rechten van werknemers vooropstelt, lijkt er in de nieuwe sociale pijler veel meer begrip voor werkgeverswensen, zoals flexibilisering. Ook mogen werkloosheidsuitkeringen volgens de sociale pijler geen negatieve prikkel vormen voor terugkeer op de arbeidsmarkt. Graag een reactie op mijn pleidooi om het Europees Sociaal Handvest te ondertekenen. Ik vroeg daar op 12 oktober al om in een debat, maar daar is toen geen reactie op gekomen van uw voorganger. Dit is dus een extra kans om dat te doen.

Ik verwijs ook naar het uitstekende artikel van Maurice Limmen, de voorzitter van de CNV en partijgenoot van de heer Heerma, dat vandaag in het Algemeen Dagblad staat. Daarin staat: werknemer schiet niks op met sociaal beleid EU. De sociale pijler is het zoveelste Europese vergezicht waar werknemers in de praktijk straks niks aan hebben. Limmen noemt een aantal gevaren op, zoals arbeidsmigratie. De vrachtwagenchauffeurs komen voorbij evenals de Detacheringsrichtlijn. Graag een reactie daarop.

Voorzitter. Het is nog onduidelijk hoe het Europees Sociaal Handvest en de sociale pijler naast elkaar zullen bestaan. Kan de Minister aangeven hoe dat zal zijn, mocht de EU toetreden tot de sociale pijler? Is het niet vanzelfsprekend dat de uitgangspunten van het Sociaal Handvest leidend moeten zijn bij de sociale pijler? Alle EU-lidstaten hebben dat Handvest immers ondertekend. Goede informatievoorziening is belangrijk. Kan de Kamer op de hoogte gehouden worden van de discussie over de sociale pijler, onder meer door de samenvatting van de top zo snel mogelijk naar de Kamer te sturen?

Voorzitter. De vakbonden hebben in de context van de top van morgen een aantal eisen op tafel gelegd. Zo zou onder meer het Europees semester een sociaal gezicht moeten krijgen, zodat er niet langer eenzijdig neoliberale bezuinigingen worden opgelegd aan landen. Ze pleiten ook voor het opnemen van een socialevooruitgangsclausule in het EU-verdrag. Ik vind dat positief. Vindt de Minister dat ook?

Voorzitter. De Minister schrijft in zijn brief zeer terecht: zonder handhaving blijven alle wetten papier. Als ik u was, zou ik gewoon knikken, want dit is een briljante quote. Oh, dat was de brief van Zijlstra. Excuus, excuus. Dat had ik kunnen weten. Dit soort inzichten komen alleen van Halbe Zijlstra! Zonder handhaving blijven wetten papier. Ik verwijs u – en daar was u wel bij – naar het vragenuurtje, want dit gaat natuurlijk over arbeidsmigratie, ellendige toestanden onder Poolse werknemers, bijvoorbeeld, in Nederland. Ik ben van de week in het Westland geweest: uitbuiting, verdringing en oneerlijke concurrentie. Een heel pijnlijke illustratie is het cv-kastje. De thermostaat in de behuizing van die Poolse mensen zit achter slot en grendel en staat op 18°C. Het wordt nu wat kouder. Als iemand die cv hoger wil zetten, krijgen alle bewoners € 50 boete. Dit telt op tot € 800. Dit is toch achterlijk? Gaan we daar snel een eind aan maken, vraag ik de Minister.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Jasper van Dijk. Ik geef graag het woord aan de heer Özdil.

De heer Özdil (GroenLinks):

Dank u, voorzitter. Ik wil hier nogmaals benadrukken dat ook GroenLinks altijd heeft gepleit voor een Europa dat werkt voor mensen en niet alleen voor de interne markt, voor een sociaal Europa dus. Morgen is de sociale top voor eerlijke banen en groei. Ik wil de Minister namens mijn fractie de volgende punten voorleggen, waar de premier zich morgen wat ons betreft sterk voor dient te maken.

Ook wij zijn blij met de Detacheringsrichtlijn, maar de Minister van Buitenlandse Zaken geeft in zijn brief aan dat er nog veel winst te behalen valt in de handhaving. De aandacht moet nu uitgaan naar het versterken van de toepassing van deze regels, want zonder handhaving blijven wetgeving, afspraken en akkoorden alleen maar bestaan op papier, zo schrijft de Minister. Daar heeft hij helemaal gelijk in. De illegale constructies verdwijnen immers niet zonder voldoende inspectie en handhaving. Mijn vraag is of de Minister het dus met mij eens is dat deze inspectie ook op Europees niveau moet plaatsvinden. Zo ja, gaat de premier morgen pleiten voor een Europese autoriteit?

Ten tweede, voorzitter. Op 26 april jongstleden presenteerde de Europese Commissie de eerste discussienotitie met als doel een politiek debat dat gaat leiden tot maatregelen voor de sociale dimensie van Europa. In de memo wordt als optie voorgelegd dat de EU-landen gezamenlijk de sociale dimensie van Europa versterken, dat wil zeggen dat er Europabreed wettelijke minimumnormen komen en dat de sociale rechten van alle mensen in de EU geharmoniseerd worden. Is de Minister het met mij eens dat de verdringing van Nederlandse werknemers, de uitbuiting van buitenlandse werknemers en oneerlijke concurrentie over grenzen heen gestopt moet worden? Zo ja, is de Minister het met mij eens dat Europese minimumnormen en Europabrede harmonisatie noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken? En, zo ja, wil de Minister hier toezeggen dat de premier morgen gaat zeggen dat wat Nederland betreft het versterken van de sociale dimensie in Europa wenselijk is? Hier overweeg ik een motie over in te dienen.

Tot slot. Mijn collega Gijs van Dijk gaf net al aan dat onderwijs morgen op de sociale top ook op het programma staat. Ik lees dat de premier gaat inzetten op «onderwijs en kennis als bron van economische groei». Voor GroenLinks is zo'n beperkte inzet op onderwijs onwenselijk. Onderwijs is geen product. Het is niet alleen waardevol als het centen oplevert. Echt onderwijs gaat wat ons betreft over het stimuleren van de intrinsieke creativiteit en interesses van kinderen, leerlingen en studenten, zodat ze zich ontwikkelen tot zelfstandige burgers. Dat is juist de waarde van onderwijs en kennis. Ik vraag de Minister of hij erkent dat onderwijs en kennis op zichzelf van waarde zijn. Ik vraag hem ook of de premier bereid is om morgen namens Nederland in te zetten op onderwijs en kennis als bron van persoonlijke groei en ontwikkeling. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Özdil. Ik geef graag het woord aan de heer Wiersma.

De heer Özdil (GroenLinks):

Daar overweeg ik ook een motie over. Sorry.

De voorzitter:

Fijn dat u dat alvast even aangeeft. Dan kunnen uw collega's daarover nadenken. Meneer Wiersma.

De heer Wiersma (VVD):

Dank u, voorzitter. Dit had ik niet willen missen! Wij hebben een formele Raad in december staan en een AO daarover op 30 november. In het vorige AO is al afgesproken om het verslag van deze informele top daaraan toe te voegen. Dat lijkt mij een goed moment. Ik zal mij beperken tot wat er echt tijdens deze top besproken wordt en daarbij zal ik me zelfs beperken tot de arbeidsmarkt. Want een heel groot deel van de top gaat ook nog eens over iets wat minstens zo belangrijk is, namelijk onderwijs. Maar bij de OJCS-Raad is er al gelegenheid geweest om daar input voor te geven. Daar was de PvdA overigens niet bij, maar dat heb ik haar al vergeven, want zij hecht uiteraard ook aan dit thema.

Specifiek hierover: de sociale pijler staat hier op de agenda. In het verleden hebben we een inzet van het vorige kabinet daarop gezien. Ik wil even voor de zekerheid checken of die inzet ook door deze Minister kan worden bevestigd. Er zitten namelijk een aantal punten in waarvan Nederland heeft gezegd: daar zouden we in Europa nog wel even naar moeten kijken, want dat is heel gedetailleerd weergegeven. Principe 4 ging bijvoorbeeld onder andere over het voorschrijven van specifieke vormen van trainingen en de jeugdgarantie. Nederland heeft daarvan gezegd dat dat wel heel gedetailleerd vormgegeven is. Is het gelukt om dat ook in de uiteindelijke tekst veranderd te krijgen? Het zit hem ook in principe 12. Dat gaat eigenlijk over ondernemers en zzp'ers en hun adequate oudedagsvoorziening. Daarvan hebben we gezegd: daar zou toch in ieder geval onze eigen sociale zekerheid leidend in moeten zijn? We hadden erg veel moeite met principe 15, waarin het recht van werknemers en zelfstandigen op een pensioen en een adequaat inkomen wordt gegarandeerd. Dat hebben we in Nederland anders geregeld. Graag krijg ik dus de bevestiging dat Nederland dit punt in ieder geval heeft gemarkeerd.

Voor de VVD is het belangrijk dat de discussie over de sociale dimensie zich richt op het bevorderen van een competitieve interne markt, waar we concurreren op kwaliteit van dienstverlening, productiviteit en innovatie, maar niet op prijs en dus niet op social dumping. Landen moeten daarin wel gericht zijn op het verbeteren van hun eigen concurrentiepositie, op groei en ook moeten landen zich geroepen voelen tot hervormingen. Op dat vlak zou je de spanning met de sociale pijler moeten bekijken. Het is aan lidstaten om hun eigen sociale model vorm te geven. Graag krijg ik een bevestiging van de Minister daarop.

Over handhaving zijn een aantal terechte vragen gesteld. Minister Zijlstra zegt dat natuurlijk heel mooi: zonder handhaving blijven wetten papier. Er wordt ook gewezen op waar er nog praktische belemmeringen zijn en op verschillen tussen privacy en gegevensuitwisseling. Het is onduidelijk wie welke competentie heeft. Dus hoe gaan we het aanpakken? Dat is een belangrijk punt.

Tot slot maak ik ook voor het volgende van deze gelegenheid gebruik. In de afgelopen AO's voor de formele Raad is ook weleens gesproken over het woonlandbeginsel. Dat hebben wij opgenomen in het regeerakkoord. Een aantal landen, waaronder ook Duitsland en Denemarken, willen hier graag mee verder. Het is nog best een toer om dat voor elkaar te krijgen. Het zou mooi zijn als de Minister kan toezeggen dat hij dit in ieder geval met deze landen wil oppakken. Dank u wel.

De voorzitter:

Mijnheer Gijs van Dijk heeft nog een vraag aan u.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

De heer Wiersma zegt volgens mij terecht dat we sociale dumping in Europa moeten aanpakken. Ik gaf in mijn inbreng aan dat het premieshoppen een van de problemen is die er nog steeds zijn. Bedrijven kunnen tussen verschillende landen shoppen om te bekijken waar ze de laagste premie betalen. Is de heer Wiersma ook van mening dat Nederland dat als volgende stap zou moeten inzetten met de coalitie van de Detacheringsrichtlijn?

De heer Wiersma (VVD):

De volgende stap die wij zien, is nu vooral die richtlijn realiseren en handhaven. Wij hebben de handhavingsrichtlijn niet voor niks en hebben nu ook deze Detacheringsrichtlijn. Ik denk dat het best een klus wordt om hier in onderling overleg een akkoord op te krijgen. Laten wij deze eerste stap nou maar zetten en dan de volgende stappen bekijken.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dat is een heel procesmatig antwoord. Ik vraag eigenlijk aan de heer Wiersma en aan de VVD: als je er inhoudelijk naar kijkt en je uitspreekt voor een gelijk speelveld en eerlijke concurrentie, dan zou je toch ook dat premieshoppen moeten aanpakken. Is de heer Wiersma het daarmee eens?

De heer Wiersma (VVD):

Ik blijf bij wat ik daarover zei. Er spelen bij «gelijk werk, gelijk loon» nog wel meer elementen, ook de termijn waaronder je in een bepaald land nog socialezekerheidspremies afdraagt. De coördinatieverordening speelt hierin ook een rol. Ik denk dat we die nog moeten bekijken in het licht van de veranderde Detacheringsrichtlijn. Volgens mij zitten daar nog enkele consequenties aan vast. Volgens mij moeten wij dat eerst even zichtbaar maken om de volgende stap te kunnen bedenken.

De voorzitter:

Ik geef graag het woord aan de heer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank u wel, voorzitter. Volgens mij spreken we vandaag over een onderwerp waarbij sprake is van een grote mate van continuïteit in de inzet van het vorige en het nieuwe kabinet. Op sommige onderwerpen worden de bakens bewust fors verzet. Hier is het, denk ik, vooral een kwestie van blijven doorgaan met het in Europa hoog op de agenda houden van aandacht voor de sociale dimensie. Het gaat in het bijzonder om de handhaving van regels. Veel collega's zeiden dat al. Het zal geen verrassing zijn dat ik wat dat betreft buitengewoon verheugd ben dat de Arbeidsinspectie in Nederland dankzij het regeerakkoord bijna 250 extra mensen in dienst kan nemen, juist om op te treden als de spelregels rondom het minimumloon – dat speelt ook vaak bij grensoverschrijdende arbeid – niet worden gehandhaafd. Die capaciteit zou ik overigens deels ook graag benutten voor de aanpak van arbeidsdiscriminatie, maar dat even terzijde in dit algemeen overleg.

Voorzitter. Als je daarnaar kijkt, heeft D66 in het verleden vaak aangedrongen op meer samenwerking tussen de arbeidsinspecties. Nu is er inmiddels een soort platform tegen zwartwerk. Dat is nog door de vorige Minister in een Europese Raad besproken. Nu lees ik in het werkprogramma van de Europese Commissie dat men plannen heeft voor een Europese arbeidsautoriteit. Mijn vraag aan de Minister is: kan hij iets meer zeggen over wat dat nou wordt? Wat mij betreft is het echt noodzakelijk dat de samenwerking tussen de arbeidsinspecties fors wordt geïntensiveerd, tot en met een Europese autoriteit, dus tot een soort Europese arbeidsinspectie aan toe. Ik zie de heer Özdil.

De voorzitter:

Mijnheer Van Weyenberg, de heer Özdil wil u inderdaad een vraag stellen.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik ben heel blij dat collega Van Weyenberg, net als wij, een Europese autoriteit of inspectie belangrijk vindt. Mijn vraag is dan ook of hij het eens is met mijn verzoek dat de premier morgen daarvoor gaat pleiten.

De heer Van Weyenberg (D66):

Sterker nog, dat is de teneur die ik uit de brief heb gehaald. Ik denk dat dat gaat gebeuren, maar u bent daar nog niet gerustgesteld over. Dat maakt mij natuurlijk ook weer ongerust. Dus dan stel ik die vraag met u. Ik ga daarvan uit. Mijn fractie dringt daar al langer op aan. Ik weet dat dat ook geldt voor GroenLinks. Ik denk overigens dat daar in deze Kamer, zonder misschien van de heer De Graaf van de PVV, brede steun voor is. Net zo goed als het, denk ik, ook belangrijk is dat we de handhaving verder aanpakken. Over de procedures rond de A1-verklaringen lees ik ook in de brief. Daar heeft de heer Gijs van Dijk het volgens mij ook over als hij spreekt over premieshoppen. Het gaat volgens mij primair om gerotzooi met A1-verklaringen. Dat is allemaal techniek. Je kunt eigenlijk een soort concurrentievoordeel halen door te shoppen met werknemers op een manier waarbij niet gelijk loon voor gelijk werk geldt en waarbij gewoon niet sprake is van een tijdelijke detachering, maar van constructen. Volgens mij is deze Kamer in heel grote meerderheid ervoor om dit aan te pakken. En zo heb ik de brief ook gelezen, zeg ik via u, voorzitter, tegen collega Gijs van Dijk. Ik ga ervan uit dat het kabinet daar dus ook met kracht voor gaat pleiten.

Dan kom ik op twee punten die misschien toch wat breder zijn. Er staat op de agenda ook het debat over onderwijs en cultuur. Ik ben het geheel met de collega van GroenLinks eens dat onderwijs belangrijk is voor de persoonlijke ontwikkeling en groei en daarmee ook voor economische groei. Dat vind ik nou net zo mooi aan onderwijs. Het is voor allebei goed. Ik zie daar totaal geen tegenstelling, eerder het omgekeerde: dit versterkt elkaar. Nou wordt er ook gesproken over het Erasmusprogramma, de uitwisseling. Ik ga ervan uit dat het kabinet niet alleen pleit voor behoud van het Erasmusprogramma, maar ook voor uitbreiding. Want dat is nou echt een vorm van uitwisseling die bijdraagt aan de persoonlijke groei van leerlingen en studenten. Ik zie alweer collega Özdil.

De voorzitter:

U let heel goed op, mijnheer Van Weyenberg.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik ben weer heel blij dat collega Van Weyenberg ook onderschrijft dat onderwijs een inherente waarde heeft en van daaruit ook economische groei kan veroorzaken. Mijn vraag aan hem is of hij mijn verzoek steunt dat de premier morgen ook gaat pleiten voor onderwijs als inherente waarde. Is de heer Van Weyenberg het met mij eens dat alleen pleiten voor onderwijs als bron voor economische groei veel te beperkt is?

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik ben het volstrekt met de heer Özdil eens, maar de vraag is natuurlijk waar de discussie exact over gaat. Ik ben het ook met hem eens dat we klimaatverandering moeten aanpakken, maar ik zou de premier niet willen vragen om dat in het debat over de Detacheringsrichtlijn in te brengen. Ik zit dus een beetje te zoeken naar de aard van de bijeenkomst. Als die vooral gaat over het benutten van economische kansen, snap ik dat je aangeeft dat onderwijs een belangrijke factor is die niet vergeten mag worden. Dat is de heer Özdil met mij eens. Als het een breder debat is over de waarde van onderwijs, ga ik ervan uit dat... Dus ik ben het volstrekt met de heer Özdil eens, maar het hangt er net even van af wat nou de exacte aard van deze bespreking is.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik ben nu weer in de war gebracht door de heer Van Weyenberg. Net zei hij dat hij het met mij eens is dat onderwijs een inherente waarde heeft als bron voor persoonlijke groei en dat daaruit economische groei kan komen. Zelfs als hij suggereert dat de top van morgen alleen over economische groei gaat, wat niet zo is, zou hij mijn verzoek moeten ondersteunen. Want vanuit de persoonlijke ontwikkeling komt economische groei. Dat zei hij net zelf. Wat is zijn antwoord daarop?

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik ben altijd op zoek naar overeenstemming, maar ik heb nu de indruk dat we met een heel klein schaartje op zoek zijn of er mogelijk toch nog ergens een millimeter zit tussen de opvatting van de heer Özdil en mij. Volgens mij is dat hier echt niet zo. Volgens mij is het allebei. Mijn punt was meer dat ik het op heel veel andere punten ook eens ben met de heer Özdil en gewoon niet weet wat het exacte doel van die bijeenkomst is. Als het gaat over onderwijs in den brede, ben ik het volstrekt met de heer Özdil eens. Het onderwijs is bijna voor alles een oplossing.

Voorzitter, volgens mij was ik aan het afronden. De heer Heerma begon met de vraag wie er brieven had geschreven. Laat ik de Minister ermee feliciteren dat hij nu al, na ik geloof drie weken, zowel de portefeuille van de premier als de Minister van Buitenlandse Zaken mee behandelt. Dat lijkt mij een snelle groei.

De voorzitter:

Dit was de eerste termijn van de Kamer. Ik heb begrepen dat de Minister graag vijf minuutjes wil hebben om zijn antwoorden even voor te bereiden.

De vergadering wordt van 14.36 uur tot 14.40 uur geschorst.

De voorzitter:

Heren, ik krijg net het signaal – tamtatatam – dat de Minister klaar is voor de beantwoording.

Minister Koolmees:

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik begin met uit te spreken dat ik ontzettend blij ben dat ik welkom ben in deze warme commissie. Een aantal leden heb ik al gesproken in de plenaire zaal de afgelopen weken. Maar dit is de eerste keer dat ik een commissievergadering heb. Ik kijk uit naar de samenwerking. Zoals de heer Van Weyenberg omschreef, denk ik dat er een grote continuïteit zit in de lijn van de afgelopen jaren en die van het nieuwe kabinet. Ik denk dat dat ook goed is, omdat daarmee een agenda wordt neergezet die voor langere termijn kan worden uitgelegd. Ik kom nog persoonlijk kennismaken met u allemaal binnenkort; reserveer maar wat ruimte in uw agenda voor mij! Ik kijk uit naar een goede en prettige samenwerking in deze commissie. Volgens mij gaat dat lukken. Het is wel een mannenbolwerk, zie ik. Dat wat betreft de diversiteit, mijnheer Özdil.

Ik heb een paar blokken voorbereid. Ik ga proberen u antwoord te geven. Ik moet zeggen dat dit AO mij enigszins overviel, omdat ik morgen niet in Göteborg ben. De Minister-President is in Göteborg om namens Nederland bij de informele top te verschijnen. Daarnaast heb ik ook niet de brief geschreven; dat was inderdaad mijn collega Zijlstra. Ik zal wel de complimenten overbrengen van de heer Jasper van Dijk, de heer Wiersma en de heer Heerma. Zij zeiden dat het een nette brief was van de nieuwe Minister van Buitenlandse Zaken.

Ik begin bij wat de top nu eigenlijk inhoudt. Op uitnodiging van de Zweedse premier is er een informele sociale top in Göteborg. Ik zag trouwens al dat mevrouw Jongerius actief was op Twitter. Zij is dus ook aanwezig. Daar zijn niet alleen regeringsleiders, maar ook vakbonden en sociale organisaties. Het is een informele top, dus er worden geen besluiten genomen. Ik denk dat dit wel heel belangrijk is voor dit algemene overleg. Er worden ook geen formele conclusies geformuleerd. Sterker nog, het is zo openbaar dat er een webcast is. U kunt morgen dus inloggen en de hele sociale top volgen, volgens mij met uitzondering van het lunchprogramma. Dat is achter gesloten deuren.

De voorzitter:

Mag ik u even onderbreken? De heer De Graaf heeft een vraag voor u.

De heer De Graaf (PVV):

Dank voor de eerste antwoorden van de Minister. Ik snap dat we het lunchprogramma niet mogen volgen, want dan zien we natuurlijk met zijn allen de grote nebukadnezars vol met champagne. Dat is niet zo'n prettig beeld. Misschien is het beter dat we mensen ook alleen maar voor de lunch zien en niet meer daarna. We weten hoe dat gaat met Juncker. De vraag die ik daarbij heb, is de volgende. Als dat allemaal zo openbaar is, als er geen besluiten worden genomen en als er geen geschreven verslag komt, zoals ik van de week in de regeling van werkzaamheden al zei, wat zijn dan die drie handtekeningen van Juncker, Tajani en Ratas waard? Wat is de status daarvan?

Minister Koolmees:

Ik laat even alle inleidende opmerkingen over Europa van de heer De Graaf passeren. Daar komen we straks op terug. U krijgt volgende week wel degelijk een schriftelijk verslag van de top voor het AO op 30 november en voor de Europese bijeenkomst op 7 december. Over dat verslag gaan we het dus nog uitgebreid hebben. Wat morgen wel gebeurt, is dat de drie voorzitters van de EU-instellingen, van de Raad, van de Commissie en van het Parlement, de pijler van het sociale recht ondertekenen. Dat is natuurlijk wel degelijk een formeel moment, aangezien er formele handtekeningen worden gezet. Maar de top in zichzelf bevat geen conclusies. En de pijler van het sociale recht heeft een aantal keren op uw agenda gestaan bij mijn voorganger. Ik geloof dat dit op 23 oktober ook nog besproken is met Minister Asscher. Dus de ondertekening is wel een formeel moment. Maar ook daarover gaan we op 30 november verder praten in een AO.

De heer De Graaf (PVV):

Dan wordt er dus iets ondertekend, maar wat is de status van die drie handtekeningen? Wat betekent dat nou? We kennen het adagium van de EU. Dat heeft Juncker zelf een keer gezegd: we beslissen iets en over vijf of tien jaar gaan de veranderingen in en als er niemand protesteert, omdat de mensen toch niet weten waar we mee bezig zijn – want daar zijn ze te dom voor – dan zijn die veranderingen daar. Passen die handtekeningen dan in dat adagium? Of hebben ze toch een andere status?

Minister Koolmees:

Jazeker, want het is eigenlijk een politieke verklaring dat de lidstaten van de Europese Unie die sociale pijler met z'n allen belangrijk vinden. Ik denk ook dat dit op breed draagvlak kan rekenen in het Nederlandse parlement. Zo bleek tijdens de discussie de afgelopen tijd over de Detacheringsrichtlijn dat daar breed draagvlak voor is, maar ook met de erkenning dat sociaal beleid in de kern een verantwoordelijkheid is van de lidstaten. Maar je zit wel met grensoverschrijdende onderwerpen zoals de Detacheringsrichtlijn, gelijk loon voor gelijk werk en arbeidsuitbuiting, die allemaal breed op de agenda staan, en terecht, in verschillende landen van de Europese Unie. Voor bijvoorbeeld de handhaving moet een extra inzet worden gepleegd om ervoor te zorgen dat Europa sociaal blijft. Ik kom hier straks nog op terug. Dus ja, het is een politieke ondertekening en de verantwoordelijkheid ligt bij de lidstaten, maar het is wel belangrijk dat wij een stap zetten om die afspraken te handhaven en daarmee ook inderdaad dat sociale Europa dichterbij te brengen.

Ik heb al gezegd dat het verslag eraan komt. Wij hebben op 30 november een algemeen overleg voor de voorbereiding van de Europese Sociale Raad van 7 december. Het is nog even wennen aan de afkortingen, want er zijn Engelse en Nederlandse afkortingen en daardoor ben ik af en toe in verwarring. Daar komen we dus op terug en dan hoop ik u allemaal weer te spreken over de meer concrete agenda.

Wat gaat de Minister-President morgen inbrengen tijdens de sociale top? Minister Zijlstra heeft een uitgebreide brief gestuurd met de kern van de inbreng. De kernboodschap van de mp is het belang benadrukken van verdere stappen naar een diepere en eerlijke interne markt. De Minister-President zal uitdragen dat wij een Europa nodig hebben dat beschermt. Daarvoor is het noodzakelijk dat de sociale dimensie van Europa versterkt wordt. Dat is ook gelijk mijn antwoord op de vraag van de heer Özdil. Daarmee is voor mij de motie op dit moment ook niet nodig. De vraag die hij heeft gesteld, is onderdeel van de inbreng van de Minister-President morgen in Göteborg.

De lijn is natuurlijk dat iedereen van de interne markt moet kunnen profiteren, maar tegelijkertijd ook dat oneerlijke concurrentie wordt tegengegaan. Nogmaals, dat kan op breed draagvlak rekenen, ook in Nederland. Uitgangspunt is gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plek. Wij hebben lange discussies gevoerd over de Detacheringsrichtlijn. Wij zijn er nog niet en ook in het debat over de regeringsverklaring is daarover een discussie gevoerd tussen meneer Asscher en de Minister-President. De Minister-President heeft toen uitgesproken dat wij de komende jaren voortgaan op deze weg om dit principe nader uit te werken. Daar komen nog heel veel discussies terug. Er werd net bijvoorbeeld gevraagd naar de vrachtwagenchauffeurs. Op dit moment is er een schriftelijk overleg met de collega van IenW en mijzelf. Sterker nog, ik weet dat de antwoorden vanavond in mijn tas zitten. Die komen zo snel mogelijk naar u toe, maar ook dan is het goed om die antwoorden te betrekken bij het algemeen overleg op 30 november.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dank voor deze toelichting. Volgens mij duurt deze discussie tussen uw ambtsvoorgangers al wat langer. Ik zei het net verkeerd. Het gaat om een motie die door mevrouw Karabulut bij de laatste begroting is ingediend, maar het is een onderwerp waar de heer Ulenbelt heel lang mee bezig is geweest. De Minister verwijst naar het AO van 30 november en hij zegt tegelijkertijd dat hij niet precies weet wanneer de antwoorden naar de Kamer gaan. Kan hij toezeggen dat wij die sowieso in alle gevallen voor de begrotingsbehandeling krijgen zodat wij het desnoods bij de begrotingsbehandeling kunnen hernemen? Daar is het vorig jaar uitgebreid aan de orde geweest.

Minister Koolmees:

Het lastige hier is dat de lead bij mijn collega, de Minister van IenW, ligt. Zij onderhandelt namelijk in de Transportraad over het mobility package. Mijn inschatting op dit moment is dat het kan en dat wij het tijdens de begrotingsbehandeling kunnen bespreken, aangezien de antwoorden nu al in mijn tas zitten. Ik ga er dus van uit dat het kan. Als het niet kan, laat ik het u even weten.

De voorzitter:

Is dit voldoende, mijnheer Heerma?

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dat laatste vind ik belangrijk. De discussie over de vraag wie in kabinetstermen in lead is, is ook bekend. Tegelijkertijd heeft deze commissie voor de verkiezingen, volgens mij Kamerbreed, ook in de ondertekening, uitgesproken dat zij daar iets mee wil. Het is aan de Kamer, even los van de bewindspersoon. Die verantwoordelijkheid heeft deze commissie genomen.

Minister Koolmees:

Dat klopt. Het kabinet spreekt sowieso met één mond. Dus daar hoef ik niet eens aan te wennen.

De voorzitter:

De heer Van Weyenberg heeft nog een vraag.

De heer Van Weyenberg (D66):

Als die brief in de tas ligt, ga ik de kans om daar nu nog wat invloed op uit te oefenen natuurlijk niet laten lopen. Toen wij hier vorige keer over spraken, vond ik één ding wonderlijk. De heer Ulenbelt was toen naar een truckstop geweest en ik was daar nog een keer geweest met de heer Heerma. Toen wij vroegen naar handhaving van de bestaande spelregels – want er gebeurden echt louche zaken op die truckparkeerplaatsen – was het antwoord: «ja, ik kan die inspecteurs niet in de bosjes laten liggen». Volgens mij citeer ik nu letterlijk uit de brief die wij toen kregen. Dat vond ik hetzelfde als een Minister van Veiligheid die zegt dat de cipier nu eenmaal niet elke dag de deur van de gevangenis kan bewaken. Ik begrijp dat je niet bij elke casus de hele dag op elke parkeerplaats in de bosjes kunt liggen, maar ik mag er toch wel van uitgaan dat, ook met extra capaciteit van de inspectiediensten, wanneer men aanleiding heeft te veronderstellen dat ergens iets niet deugt, men in individuele gevallen wel een keer in de bosjes gaat liggen. Dit was een wat lange aanloop, sorry voorzitter, maar dit is ook wat context voor deze nieuwe Minister. Ik ga er dus ook wel van uit dat de inspectie daar waar zij een indicatie heeft dat er dingen misgaan, als het moet ook in de bosjes gaat liggen. Die bevestiging krijg ik graag, het liefst nu maar anders in de antwoorden die blijkbaar morgenochtend de tas van de Minister weer verlaten.

Minister Koolmees:

Dat laatste moet nog maar blijken. Ik noteer het punt en kom er straks nog even op terug. Het punt is in ieder geval helder en ik zal ook zo naar die antwoorden kijken. Ik ken de hele achtergrond van deze discussie niet. Ik zal me daar nog even in verdiepen. Het staat ook niet op de agenda van de informele top. Ik heb me er ook niet op voorbereid. Toevallig heb ik er vanmorgen iets van gezien. Daarom weet ik dit, maar ik kom er later op terug.

De voorzitter:

Meneer Gijs van...., sorry mijnheer Van Weyenberg, u heeft gelijk, u mag nog even reageren.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat snap ik, dit overleg kwam wat last minute. Ik zie dit graag tegemoet, waarbij ik de Minister overigens een bezoek aan zo'n parkeerplaats kan aanraden in de wetenschap dat hij al meer dan genoeg te doen heeft. Oprecht, ik kwam daar geschrokken vandaan en ik weet dat ik niet het enige lid van deze commissie ben.

Minister Koolmees:

Dank voor uw tip.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

De realiteit op een parkeerplaats nu heeft niks met een normale samenleving zoals Nederland te maken. Ik begrijp dat daarover nu een hele discussie in Venlo is. Die realiteit is niet best. Ik heb even een aanvulling op de heer Van Weyenberg. Ik heb de luxe ook in de commissie voor I&W te zitten; dat is de luxe van een kleine fractie. Ik merk dat de breed ondersteunde motie over die handhaving vanuit Sociale Zaken wordt onderschreven, maar mevrouw Schultz gaf aan: «ik kan eigenlijk niet handhaven». De Kamer roept op tot handhaving terwijl een ander ministerie zegt dat dit niet gaat lukken. Het lijkt mij handig als de Minister in overleg met dat andere departement daar specifiek aandacht aan besteedt.

Minister Koolmees:

Ook dank voor deze tip. Ik ga mij hier in verdiepen. Er zijn twee inspecties, de ILT en de Inspectie SZW, die samen verantwoordelijk zijn voor de handhaving; dat heb ik al begrepen. Ik zal hier naar kijken, maar ik kan daar op dit moment geen uitspraak over doen omdat ik niet in de materie zit.

De voorzitter:

De heer Jasper van Dijk heeft ook nog een vraag en ik vraag u daarna de Minister de gelegenheid te geven om verder te gaan met de beantwoording.

De heer Jasper van Dijk (SP):

We zijn nog maar net begonnen! Ik wilde slechts ter ondersteuning van dit debat, opdat iedereen het goed kan volgen, de motie noemen, alleen al voor de administratie. Het is de motie op stuk nr. 27 (34 550, ingediend op 7 december 2016. Die is toen inderdaad breed aangenomen; dat was bij de begroting Sociale Zaken. Ik begrijp dat er een overlap is met Infrastructuur, vanzelfsprekend, maar het was bij de begroting Sociale Zaken en het lijkt mij terecht dat deze commissie voor dat debat op 30 november wat informatie krijgt over deze belangrijke motie over het handhaven op de weekendrust in de vrachtauto.

Minister Koolmees:

We zullen het meenemen in de voorbereiding van het AO. Nogmaals, het mobility package ligt in de Transportraad bij de collega van IenW. Ik heb net al tegen de heer Heerma gezegd dat ik echt probeer om dit sowieso voor de begroting in de Kamer te hebben. Als dat niet lukt, om wat voor reden dan ook, wat ik niet kan overzien, dan zal ik een signaal geven, maar ik ga ervan uit dat dit moet lukken en dat wij dat debat verder kunnen voeren.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Koolmees:

De heer Jasper van Dijk en de heer De Graaf hebben gevraagd: wat vindt u nou eigenlijk van de sociale pijler? Is dit een Europese verantwoordelijkheid of is het een nationale verantwoordelijkheid? Ik sta positief tegenover de sociale pijler, want die kan een leidraad vormen voor effectief sociaal en arbeidsmarktbeleid en ook voor de uitwisseling van best practices tussen lidstaten. Ik denk dat we daar toch wel veel kunnen leren van elkaar, ook in Europa, en daarmee dus ook een bijdrage kunnen leveren aan convergentie. Dat is een belangrijk aandachtspunt en dat was het ook de afgelopen jaren. Ik heb in mijn vorige functie als financieel woordvoerder flink wat debatten gevoerd over de economische convergentie in Europa, dus waar het gaat over schuldenproblematiek. De arbeidsmarkt is daar natuurlijk een heel belangrijk onderdeel van en ook een sociaal onderdeel daarvan. Dit biedt ook de gelegenheid om goed te onderzoeken welke onderdelen van het sociale EU-acquis in aanmerking komen voor herziening, omdat het toch ook een agenda geeft – de twintig pijlers, de twintig uitspraken – hoe je een stap verder zou kunnen komen op al die terreinen. Tegelijkertijd, dat heb ik net ook al gezegd, moeten we niet vergeten dat sociaal beleid in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten is en dat ook blijft. De principes moeten lidstaten dus ook voldoende ruimte geven om zelf een invulling te geven aan de richting die is toegespitst op de lokale of nationale situatie. Die kan natuurlijk ook verschillen tussen lidstaten en ook daar moeten we oog voor houden.

Aangezien een effectief arbeidsmarkt- en sociaal beleid van belang is voor alle EU-lidstaten, vind ik het ook van belang dat dit niet alleen maar voor bijvoorbeeld de eurozonelanden geldt, maar ook voor de niet-eurozonelanden. Daarmee kun je breder een agenda neerleggen voor heel Europa. Sorry, zeg ik bijna Europa; ik bedoel de Europese Unie, meneer De Graaf. Het is van belang dat wij aansluiten bij de bestaande instrumenten maar ook bij het bestaande Europese semester en bij die open methode van coördinatie.

De heer Jasper van Dijk heeft nog een vraag gesteld over het Europees Handvest in relatie tot de pijler. Eerlijk gezegd kan ik u dit antwoord nu niet geven. Daar kom ik op terug in het AO van 30 november. Ik wil mij daar even in gaan verdiepen. Ook de ondersteuning kan die relatie niet een-twee-drie leggen. Als u het goed vindt, kom ik daar 30 november op terug, maar dan ben ik er wel op voorbereid en voor gewaarschuwd dat u die vraag gaat stellen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dank voor die toezegging. Het is natuurlijk wel zo dat u – niet u in persoon, maar u als de Nederlandse regering – in Göteborg aanwezig bent om te spreken over die sociale pijler. De kern van mijn betoog was nu juist: kijk nu eens goed naar dat Sociaal Handvest, want dat is namelijk beter dan die sociale pijler. Op 30 november zijn wij daarmee eigenlijk te laat. Dus ik overweeg een motie op dit punt om u aan te moedigen om wat sneller dat prachtige Europese Sociaal Handvest tot u te nemen.

Minister Koolmees:

Het Sociaal Handvest ga ik zeker tot mij nemen, zeker na deze oproep van de heer Jasper van Dijk. Het punt is natuurlijk dat morgen de sociale pijler op de agenda staat waarover natuurlijk al heel lang is gesproken. Dit vindt zijn oorsprong in april van dit jaar. Ook in deze commissie is hierover gesproken met mijn voorganger, ook nog op 23 oktober. Dat ligt nu klaar ter ondertekening, na heel veel overleg, afstemming en draagvlak zoeken. Het eerste onderdeel van het betoog van de heer Jasper van Dijk neem ik graag ter harte. Ik zal het Sociaal Handvest goed bestuderen. Het tweede deel vind ik wat ingewikkeld, gegeven ook de agenda van de informele top die morgen begint en die al maanden in voorbereiding en afstemming is.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Maar het Sociaal Handvest is al decennia oud, dus in die zin kan ik ook zeggen dat we al jaren wachten tot dat wat meer handen en voeten krijgt. Laten wij even kijken hoe het straks loopt bij het VAO.

Minister Koolmees:

Dat gaan we doen. Maar het Sociaal Handvest staat morgen niet op de agenda.

Wij gaan door. De heer Wiersma heeft ook een vraag gesteld over de sociale pijler, met name over wat er is gedaan met de bezwaren van Nederland tegen de tekst. Hij heeft expliciet aandacht gevraagd voor de principes 4, 12 en 15. In mijn eigen voorbereiding en in de brief ben ik ingegaan op 4 en 15. Ik had 12 niet scherp, maar 12 is inderdaad ook meegenomen. Wij hebben van de Commissie voldoende garanties gekregen dat de tekst van deze principes niet voorschrijvend moet worden gelezen en dat de Nederlandse praktijk dus binnen die principes past. Ook in de Raad is er extra tekst aan de pijler toegevoegd die de nationale bevoegdheid benadrukt. Zoals ik net al zei, het is een politieke overeenstemming die een richting en algemene principes aangeeft, maar de verantwoordelijk ligt natuurlijk primair bij de lidstaten. Daarmee geeft het ook de ruimte aan de lidstaten om dit in te vullen. Alle lidstaten doen dat op hun eigen manier en wij doen dat ook in ons eigen regeerakkoord.

De heer Van Dijk heeft nog een vraag gesteld over...

De voorzitter:

Een ogenblikje, ik zie nog een vraag van de heer Wiersma.

De heer Wiersma (VVD):

Een klein puntje. U zou nog bij punt 15 over de pensioenen aangeven of de financiële houdbaarheid ook daaraan kan worden toegevoegd, dat die ook van belang is voor de lidstaten.

Minister Koolmees:

Ik ga even wachten op een antwoord van mijn ondersteuning. Ja, ik hoor dat dit een onderdeel is van de uitgangspunten die hier achter vandaan komen. Het zit goed.

De heer Van Dijk heeft gevraagd of het kabinet zich wil inspannen voor de erkenning van diploma's en de kwalificaties in grensregio's. Dat is een belangrijke vraag. Ja. Dat is antwoord één. Twee: dit gebeurt natuurlijk al in de samenwerking met Duitsland en Vlaanderen. Ik weet uit betrouwbare bron dat ook een passage in het regeerakkoord staat over bijvoorbeeld NoordRijn-Westfalen, Vlaanderen en de grensregio's. Het is wel ingewikkeld om dit via de Europese Unie te regelen, omdat je dan een grote lappendeken krijgt van allerlei verschillende regelingen. Het is verstandiger is om aan te sluiten bij de grensregio's waar de meeste problematiek is. In Göteborg wordt ook gesproken over diploma's van het voortgezet onderwijs. Voor Nederland blijft de subsidiariteit vooropstaan. De EU heeft op dit terrein geen bevoegdheden. Dus, ja, de grensregio's en de problemen met de wederzijdse erkenning, dat soort onderwerpen, staan al op de agenda en zijn ook opgenomen in het regeerakkoord. Er zitten wel wat haken en ogen aan in de praktijk om dit EU-breed te regelen.

De heer Özdil en de heer Van Weyenberg spraken over het onderwijs. Dat zijn natuurlijk woorden die mij uit het hart gegrepen zijn: onderwijs niet alleen als economische groei maar ook als intrinsieke waarde. Ik zou het zelfs nog breder willen trekken. Ik denk dat de arbeidsmarkt niet alleen maar gaat over geld verdienen, maar ook over ontplooiing, het grijpen van kansen, zelfbeschikking, emancipatie en zo kan ik een tijdje doorgaan. Ik heb wel geleerd dat ik in deze commissie goed op mijn woorden moet letten. De heer Özdil heeft vorige keer de vraag gesteld over «cliënten en mensen». De heer De Graaf heeft aandacht gevraagd voor «Europa en de Europese Unie» en «intrinsieke waarde». Ik ga daar op oefenen, maar ik ben het zeer met de heer Özdil eens en ook met de heer Van Weyenberg.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik ben blij met het antwoord van de Minister, maar mijn vraag was of hij bereid is om aan de premier te vragen of hij morgen namens Nederland de inzet op onderwijs en kennis als bron van persoonlijke groei en ontwikkeling gaat bepleiten in plaats van alleen maar economische groei.

Minister Koolmees:

Ja. Dat zit ook in de tekst van de mp en volgens mij ook in de brief; daar spreekt het ook uit. Dus het antwoord is ja. Het wordt nu een semantische kwestie. Ja, de Minister-President gaat hier morgen over spreken. In de brief wordt gesproken over persoonlijke ontwikkeling, een kritische geest, burgerschap et cetera in brede zin. De mp zal die dubbele inzet ook uitspreken. Dan staat er: zie bijlage, en die heeft u ook gekregen.

De heer Van Weyenberg sprak over het Erasmus-programma. Ja, dat is een belangrijk punt. In het regeerakkoord wordt gesproken over internationale afstemming. Nederland heeft daar goede ervaringen mee. De mp zal inderdaad voor versterking pleiten, maar dit is een informele bespreking. Er zijn dus geen beslispunten en er worden ook geen beslissingen genomen. Er wordt wel een verslag gemaakt en dat krijgt u op 30 november. Bovendien hebben wij natuurlijk in Nederland een net begrotings- en besluitvormingstraject. Ik kan er niet op vooruitlopen of het aan de orde komt, dat komt later. Maar de Minister-President zal morgen tijdens de informele top in Göteborg voor versterking pleiten. Daarmee hoop ik... Nee jammer, hij heeft toch een vraag.

De heer Van Weyenberg (D66):

Een vraag is een kans hè, geen bedreiging! Ik zou dan graag terugzien in het verslag – ik begrijp dat dit altijd terughoudend is gelet op individuele landen en zo – wat nu een beetje de sfeer is. Het is heel goed om zelf zo'n uitwisseling te kunnen doen. Ik denk dat dat intrinsiek ontwikkelt, om de heer Özdil te citeren. Maar ik vind het heel belangrijk, want dit is een concreet punt waardoor mensen ook de meerwaarde van de Europese Unie kunnen ervaren. Ik gok zomaar dat hier mensen in de zaal zitten die dit programma hebben gebruikt. Ik ben dus nieuwsgierig naar het krachtenveld en ik zou daar graag iets in de brief over terugvinden, ook als het gaat om de Europese begroting, want dit zijn wat mij betreft dingen waaraan Europees geld beter kan worden besteed dan aan sommige andere dingen waar het nu naartoe gaat.

Minister Koolmees:

Wat wij kunnen melden, zullen wij melden in het verslag. Ja, dus.

Ik ga verder met het blokje handhaving. Meerdere fracties hebben hier aandacht voor gevraagd en dat is terecht. Dit is een heel belangrijk punt en het staat ook in de brief van collega Zijlstra. Ik vind het een goede passage; verschillende woordvoerders hebben die geciteerd en terecht, naar mijn mening. Veel sociale fraude heeft natuurlijk ook een grensoverschrijdende component zoals ontduiking van belastingen, premies, onderbetaling, ontwijking van arbeidsvoorwaarden, het werken met uitkeringsgerechtigden. Dat maakt die grensoverschrijdende samenwerking, zeker bij de handhaving, zo ontzettend belangrijk. Op zich bestaat er een goed Europees kader voor fraudebestrijding en er zijn bilateraal ook flink wat afspraken over die samenwerking gemaakt. De inspectiediensten werken vaak al nauw samen om grensoverschrijdende fraude en schijnconstructies aan te pakken. Het Europese kader en de bilaterale overeenkomsten zijn daarbij behulpzaam. In de Benelux wordt bijvoorbeeld samengewerkt tussen de inspectiediensten. Nederland en België hebben de afgelopen jaren diverse gezamenlijke controles uitgevoerd en daarmee schijnconstructies zichtbaar gemaakt en grensoverschrijdende fraudeurs aangepakt.

Naast deze goede voorbeelden zien wij in de praktijk ook heel veel praktische belemmeringen en blokkades die bijvoorbeeld samenhangen met verschillende privacyregimes, databestanden die niet kunnen worden uitgewisseld of die niet op elkaar kunnen worden aangesloten en competentieverschillen. Dit leidt in de praktijk tot praktische belemmeringen in de samenwerking. SZW zal de komende periode hard werken aan het wegnemen van deze belemmeringen en het versterken van de internationale samenwerking. De heer Van Weyenberg gaf terecht aan dat het regeerakkoord hier veel prioriteit aan heeft gegeven door 50 miljoen beschikbaar te stellen voor versterking van de Inspectie SZW. Ik heb vorige week of twee weken geleden in het mondelinge vragenuurtje in antwoord op vragen van Jasper van Dijk ook al gezegd dat wij, en met name de Staatssecretaris, mevrouw Van Ark, tijdens de begrotingsbehandeling zullen terugkomen op de vraag hoe wij verdergaan met het Inspectie Control Framework. Hoe gaan wij de komende jaren die 50 miljoen inzetten om deze punten te handhaven? Ik weet dat in het Inspectie Control Framework al een aantal prioriteiten is gesteld voor het aanpakken van uitbuiting, extra aandacht voor uitzendbureaus en dat soort aspecten.

D66 en de PVV hebben een vraag gesteld over het voorstel van de Europese Commissie voor de oprichting van een Europese arbeidsautoriteit. Ik denk dat de insteek van de PVV net iets anders was dan die van D66, maar dat is «mijn ragfijne politieke gevoel», om de Minister-President te citeren. Het is lastig. Ja, wij zijn als kabinet groot voorstander van effectieve samenwerking, zeker als het gaat om het misbruik op sociaal gebied. Er zijn de afgelopen jaren heel veel acties in gang gezet en akkoorden bereikt, en er zijn goede voorbeelden in de praktijk om het regelgevend kader voor de handhaving te verbeteren. Er is een handhavingsrichtlijn aangenomen, de herziening van de Detacheringsrichtlijn is goed op streek en er is vorig jaar nog een Platform zwart werk opgericht. We zijn op de goede weg. Er ligt nu dus een idee voor een Europese arbeidsautoriteit, maar er is nog geen concreet voorstel. Dat maakt het ingewikkeld voor mij om erop te reageren, want voordat je het weet zit je in een soort principiële discussie en dat vind ik altijd wat ingewikkeld. Op sommige onderwerpen is het namelijk heel verstandig om meer Europees samen te werken. Dat doet het regeerakkoord ook als het gaat om het klimaat en migratie, maar andere onderwerpen zijn echt een nationale bevoegdheid. Hier liggen grensoverschrijdende uitdagingen. Wat het voorstel precies wordt, weten we niet. De Commissie moet ermee komen, maar het zijn in de kern natuurlijk wel initiatieven waar wij positief tegenover staan, omdat het een onderwerp betreft dat ook in Nederland veel politieke aandacht heeft.

We moeten wel goed kijken hoe dit initiatief zich verhoudt tot al lopende Europese initiatieven. Voor je weet krijg je een lappendeken of dingen die tegen elkaar in werken. Het gaat dus over heldere doelstellingen, effectief instrumentarium, de toegevoegde waarde en een passend niveau van governance. Ik zal actief navraag doen bij de Commissie waar zij mee bezig zijn en wat het punt is dat zij willen uitwerken. Pas dan kan ik een definitief oordeel, of überhaupt een eerste oordeel geven.

De PVV, de heer De Graaf, vroeg ook hoe ik sta tegenover het voornemen van de Commissie om een sociaal verzekeringsnummer te ontwikkelen. Hiervoor geldt precies hetzelfde: er is nog geen concreet voorstel. Ik weet nog niet precies wat hierachter zit. In principe vind ik het een goed idee dat wordt bekeken wat de mogelijkheden zijn om instrumenten te ontwikkelen om de mogelijkheden voor koppeling van persoonsgegevens te vergroten om fraude te voorkomen. Dat vraagt natuurlijk om waarborgen van privacy en het moet zorgvuldig gebeuren, maar in de kern staan wij daar positief tegenover. Of dat nu een apart sociaalverzekeringsnummer moet zijn of dat we bijvoorbeeld wederzijds gebruikmaken van elkaars nummers – ik denk dat het woord daarvoor «datacompabiliteit» is – of een verwijssysteem tussen nummersystemen; dit zijn allemaal vragen die moeten worden uitgewerkt en bekeken. Ik kan daar nu niet op vooruitlopen, maar ook hiervoor geldt dat ik zal navragen bij de Commissie waar zij aan denken en wat het tijdpad is en het schema. Ik hoop dat ik daar volgende keer op terug kan komen en anders de keer daarop.

Dat was blokje twee over handhaving. Dan ga ik snel door naar mijn derde blokje. Dat gaat over premieshoppen en een aantal daaraan gerelateerde onderwerpen. De heer Van Dijk heeft gevraagd of de Minister een einde gaat maken aan het socialezekerheidspremieshoppen. Dat klinkt heel makkelijk.

De voorzitter:

Ik vraag u of u, als u «meneer Van Dijk» zegt, Jasper of Gijs van Dijk bedoelt. Dit voor het verslag.

Minister Koolmees:

De heer Gijs van Dijk van de Partij van de Arbeid heeft een vraag gesteld over premieshoppen. Dat is een ingewikkelde kwestie en ook een vergaande maatregel; het is heel verstrekkend. Als je kijkt naar de discussie die wij de afgelopen jaren hebben gevoerd over de Detacheringsrichtlijn die over dezelfde arbeidsvoorwaarden gaat, is dit onderwerp misschien nog wel veel ingewikkelder want het gaat over socialezekerheids- en premiestelsels. Je hebt hier ook gewoon te maken met lidstaten die zelf verantwoordelijk zijn voor het beleid en voor hun socialezekerheidssystemen die heel verschillend zijn. Voor je weet krijg je een heel verbrokkelde socialezekerheidsopbouw, wat ook weer leidt tot sociaal ongewenste situaties. Vergeet ook niet dat, ik geef een voorbeeld, 100.000 Nederlanders in andere EU-landen gedetacheerd zijn. Als je het premieshoppen zou aanpakken, wat betekent dat je een verdergaande harmonisatie van socialezekerheidsregelingen nodig hebt, blijven zij zitten met een verbrokkelde opbouw, rechten, handhaving. Dit is dus een vraag waar heel veel achter vandaan komt. Het is een interessante vraag, maar er moet veel langer over worden nagedacht, ook over de consequenties, ook over de vraag wat dit betekent voor het Nederlandse socialezekerheidsstelsel bijvoorbeeld. Ik vind het dus te vroeg om zomaar op een achternamiddag bij een informele top te zeggen: dat gaan wij eens even uitwerken. Echt niet, wij moeten daar beter over nadenken. Ik wil wel toezeggen dat ik erin ga duiken en me erin ga verdiepen. Wij komen er dan later op terug, maar dit heeft meer consequenties dan zomaar beantwoord zouden kunnen worden.

De voorzitter:

De heer Gijs van Dijk wil u daar dan toch iets over meegeven.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Ik weet niet of de Minister en ik elkaar helemaal goed begrijpen. Het gaat mij om bedrijven die misbruik maken door het shoppen in premiestelsels via de A1-regeling. Daar is toen ook over gesproken en volgens mij zijn we het daar ook over eens. Er zijn nog steeds bedrijven die op zo'n manier premieshoppen. Mijn eerste termijn was niet bedoeld om te komen tot harmonisatie van de sociale zekerheid in Europa, absoluut niet. Dit even ter verduidelijking: het gaat mij om de situaties waarin bedrijven misbruik maken van de mogelijkheden.

Minister Koolmees:

Dan kom ik terug op het vorige blokje over handhaving. Als het gaat om misbruik en fraude, is het een kwestie van handhaving en de inspecties erop afsturen, maar het feit dat er 28 lidstaten zijn en verschillende socialezekerheidsstelsels en verschillende premies en rechtenopbouw leidt in de praktijk natuurlijk tot verschillen. Voordat ik een heel groot ding ga schetsen, wat niet de bedoeling van de heer Gijs van Dijk is, wijs ik erop dat het punt over handhaven en het bestrijden van misbruik en uitbuiting in het antwoord van net zit. Daar hoort dit ook bij. Een verdere interpretatie kan ik op dit moment niet overzien.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik wil een poging wagen, zoals ik net ook al geprobeerd heb over de truckchauffeurs. Ook hier hebben wij het wederom over een onderwerp, handhaving en misbruik, waarbij de coalitie en de oppositie in de vorige periode best vaak gezamenlijk zijn opgetreden om stappen te zetten. De inzet van de Detacheringsrichtlijn hangt daar bijvoorbeeld ook mee samen. De Minister heeft het over «niet op een achternamiddag». Wij hebben ook al verwezen naar het feit dat wij 30 november een AO hebben en dat er een formele Raad is op 7 december. Zullen tijdens deze informele sociale top besluiten worden genomen op het punt waar de heer Van Dijk het over heeft, zal er iets gebeuren? Stel dat wij op 30 november tijdens dat AO iets zouden doen en dat zouden meegeven aan een Minister ten behoeve van die top van 7 december, hebben wij dan een boot gemist of zou dat dan prima kunnen?

Minister Koolmees:

Nee, dan hebben we geen boot gemist. Dat kan prima. Morgen is de informele top; geen conclusies. Dat betekent inderdaad dat er op 7 december weer een reguliere Raad is en daar kan dit aan de orde komen.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Maar komen dit soort vraagstukken, waar de heer Gijs van Dijk terecht naar vraagt, aan de orde op die top van 7 december?

Minister Koolmees:

Niet zo specifiek. Natuurlijk wel als het gaat om de handhavingskwesties of de bredere aanval tegen uitbuiting of fraude, maar dit specifieke punt staat morgen niet op de agenda van de informele top.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Indien de Kamer dat zou willen, zou de regering daar op 7 december iets over kunnen inbrengen.

Minister Koolmees:

Zeker, ja.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik wil even aanhaken op dit treintje. In de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken staat al dat er in het verleden al maatregelen zijn genomen over de aanscherping van de procedures rond die A1-verklaring. Dat is waar de heer Gijs van Dijk primair op doelt. Daarvan willen we nu de handhaving versterken. Ik kijk even met een schuin oog naar de heren Gijs van Dijk en Heerma of het dan ook niet behulpzaam zou zijn dat wij, voorafgaand aan het volgende overleg over de formele Raad Sociale Zaken, een brief zouden kunnen ontvangen, hetzij separaat hetzij als onderdeel van de geannoteerde agenda. Daar zou dan iets preciezer in kunnen staan wat er de afgelopen jaren al is gebeurd rond de A1-verklaring. Worden er nog knelpunten in de regels gezien en welke mogelijkheden of zorgen zijn er nog over een eventueel tekort in de handhaving? Dan kunnen we dat even wat knippen en dan hebben we misschien nog iets meer vaste grond onder de voeten voor deze volgens mij gedeelde zoektocht. Het gaat dan niet om harmonisatie, want dat wil helemaal niemand. Het gaat om bedrijven die via trucs profiteren van het feit dat de controle op die A1-formulieren buitengewoon moeizaam is. Dat komt mede doordat het volgens mij nog niet zo goed is geregeld tussen de verschillende instanties, zoals de Sociale Verzekeringsbank in Nederland. Volgens mij is daar nog winst te boeken. We zouden dan misschien eventueel zelfs wel een voorstel, maar in ieder geval een analyse kunnen krijgen. Dat verzoek zou ik aan de Minister willen doen.

Minister Koolmees:

Dat zeg ik graag toe. Het is een belangrijk onderwerp en het is goed om daar goed voorbereid met elkaar over te praten.

Volgens mij ben ik bijna aan het einde. Over de weg- en transportsector heb ik het al gehad. Ik heb de heer Heerma daarover al een toezegging gedaan: hopelijk voor 30 november, maar sowieso voor de begrotingsbehandeling, kom ik erop terug als het niet lukt. Ik zie dat de heer Heerma... Sorry, ik moet zorgvuldiger zijn; ik ga nu te snel. Ik weet niet wanneer het op de agenda van de Transportraad staat. Daar loopt een schriftelijk overleg en dat komt snel uw kant op. Ik ga proberen – ik verwacht dat dat lukt – om het voor de begrotingsbehandeling naar u toe te sturen. Als het anders wordt, meld ik u dat.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik heb hier een iets ander gevoel bij dan wat de heer Jasper van Dijk zojuist geuit heeft. Mijn fractie vindt het belangrijker dat we nog voor de begrotingsbehandeling duidelijkheid krijgen over de motie over de positie van die truckstops die is ingediend en breed is aangenomen dan dat het per se voor 30 november zou moeten. Ik hoor de Minister daarop inzetten, maar dat vind ik het allerbelangrijkste.

Minister Koolmees:

Helder. Dan neem ik het ook op die manier mee.

De heer Wiersma heeft nog gevraagd naar de indexering van bijvoorbeeld de kinderbijslag. Dat is eigenlijk de discussie over het woonlandbeginsel in de EU en de afspraak uit het regeerakkoord. Ik kan u melden dat er vandaag in Brussel een raadswerkgroep is, waar dit punt in aansluiting met een aantal andere landen door Nederland is ingebracht. Uit mijn hoofd gezegd zijn dat Duitsland, Denemarken, Oostenrijk en Ierland. De vraag is overigens of deze samenstelling zo blijft. Er is weinig draagvlak voor in de rest van Europa. Nederland heeft het vandaag dus ingebracht in de raadswerkgroep, conform het regeerakkoord. Er is dus vooralsnog geen meerderheid voor, maar ik probeer u wel binnenkort, misschien al bij de begrotingsbehandeling, nader te informeren over hoe het hiermee staat en wat het krachtenveld is. Ik denk ook dat... Nee, improviseren ga ik niet doen. Daar kom ik dus op terug, maar dit is de stand van zaken op dit moment.

Tot slot, de laatste vraag. Dat is een vraag van de heer De Graaf over de EU-bemoeienis met pensioenen. Ik denk dat het belangrijk is om te zeggen dat Europa... Sorry, haha! Ga ik bijna zelf de fout in! De Europese Unie! Zullen we een stroppenpot gaan maken? Elke keer dat ik het fout zeg, doe ik er een dropje in, of zo.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Steun daarvoor!

Minister Koolmees:

Leuk, meneer Heerma!

De Europese Unie bemoeit zich niet met de inhoud van de pensioenregelingen. Wel zijn er in het kader van de pensioenfondsenrichtlijn, IORP, waarover in de Kamer de afgelopen jaren regelmatig debat is geweest, regels gesteld voor het informeren van pensioengerechtigden. Ik heb vorige week ook een debat gehad met uw collega Léon de Jong over de kleine pensioentjes. Er komt trouwens nog een brief uw kant op om daar volgende week over te stemmen. In die brief staat ook een reactie op een ander punt. De richtlijn maakt geen onderscheid tussen slapers en actieve deelnemers. Het gaat over informatievoorziening. Jaarlijks hoort die informatie te worden ontvangen. Hoe we dat gaan doen, komt aan de orde bij de implementatie van de IORP. Ik zeg uit mijn hoofd dat dat op 13 of 19 januari 2019 is. Ik heb het precies gezegd in het vorige debat. Dus de heer De Jong weet het.

Dat was het, voorzitter. Dankjewel.

De voorzitter:

Dank u wel, Minister. Wij gaan door met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik heb een zeer uitgebreide beantwoording gehoord van de Minister. Ik heb best veel toezeggingen gehoord en ik denk dat de commissie daar heel blij mee is. Ik wil u graag in overweging geven om in uw tweede termijn even na te denken over de noodzaak om vandaag een VAO en stemmingen te houden. Ik geef u dat gewoon in overweging. Ik zeg er verder niks over, maar ik heb al heel veel toezeggingen gehoord op dit punt. Ik stel voor de tijd te halveren en dat betekent maximaal twee minuten per fractie.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank, voorzitter. Ook dank aan de Minister voor de antwoorden. Ik zou zeggen: ga zo door. In mijn eerste inbreng heb ik ook naar voren gebracht dat het echt van essentieel belang is – dat hoor ik deze Minister ook zeggen – dat dit kabinet eigenlijk het beleid voortzet, namelijk het beleid in Europa voor een sociaal Europa, dat niet alleen goede afspraken maakt over gelijk loon en gelijk werk. Volgens onze fractie kan Europa daar in de toekomst nog verdere stappen in maken.

Ik ben dus ook blij met de brief over hoe het zit met de A1-verklaring en het mogelijk ontduiken van premies. Daarover ging mijn pleidooi over premieshoppen, dus niet in het algeheel, voor alle duidelijkheid; we hadden dat net al even bij de hand. Ik ben dus blij met die opstelling en dat is ook goed voor het AO van 30 november. In mijn eerste termijn heb ik gezegd dat ik overwoog om daarover een motie in te dienen. Dat doe ik dan niet, want daarover is er een toezegging.

Het tweede punt ging over de handhaving met betrekking tot de vrachtwagenchauffeurs. Volgens mij hebben we daar ook het nodige over gewisseld. Het is van essentieel belang. Ga dit weekend eens kijken op de parkeerplaatsen, met name in de grensregio's, en je weet niet wat je ziet. Ik heb van de Minister gehoord dat we daar voor de begroting weer snel en actief over gaan praten. Ik dank de Minister daarvoor. Wordt vervolgd, zou ik zeggen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan meneer Heerma.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik wil graag aansluiten bij deze twee punten die door de heer Gijs van Dijk van de PvdA zijn ingebracht. Het is volgens mij heel goed om bij de begrotingsbehandeling terug te komen op de situatie bij de truckstops en de uitvoering van de motie van de SP-fractie. Ik kan ook aansluiten bij het door meerdere fracties geuite advies om daar een keer te gaan kijken, want dat is een ontnuchterende ervaring. Voor wat betreft de handhaving rondom de A1-verklaring, is het goed als we daar 30 november op terug kunnen komen, naar aanleiding van de toegezegde brief na de vraag van de heer Van Weyenberg. Ik denk dat het heel goed is om daar nu geen moties over in te dienen.

Ik zal het de Minister besparen en mezelf bedwingen om een motie in te gaan dienen over het bedrag wat hij in zo'n stroppenpot, die hij zojuist geopperd heeft, zou moeten stoppen.

De voorzitter:

Wees voorzichtig wat u over drop zegt, want ik vind het heerlijk!

U was daarmee aan het einde, meneer Heerma? Ik hoor u «ja» zeggen. Dan meneer De Graaf.

De heer De Graaf (PVV):

Voorzitter. Gelukkig is mijn collega Teun van Dijck hier niet aanwezig om mijn collega Léon de Jong te vervangen, want dan zou het helemaal een ratjetoe zijn geworden met iedereen hier die «Van Dijk» heet, ook al schrijf je de achternaam van mijn collega met «ck». Ik zal volgende keer vragen of hij kan komen!

Voorzitter. Dank voor de heldere beantwoording van de Minister. Ik heb er een paar dingen uitgehaald. Allereerst vond ik het echt leuk – leuk inderdaad, want sommige dingen kunnen ook leuk zijn in de politiek – om te zien dat de Minister echt onwijs zijn best deed om inderdaad Europese Unie te zeggen. Dat klinkt misschien wat kinderachtig, maar zo bedoel ik het niet. Europa is nog steeds een continent, maar het gaat echt om die Unie, om de bestuurlijke eenheid waar we over praten. Dat is belangrijk, ook om eerlijk te zijn tegenover al die kiezers in Nederland en ook tegenover al die scholieren die dit soort dingen tot zich krijgen: dat zij niet leren dat het Europa is, maar de Europese Unie.

Het belangrijkste punt dat ik graag wil benoemen, is toch, ondanks de helderheid, een stukje mist. De Minister zegt namelijk aan de ene kant «het sociale Europa dichterbij brengen», maar het blijft een aangelegenheid van de lidstaten. Of hij zegt «een bijdrage leveren aan de convergentie» en wederom blijft het een aangelegenheid van de lidstaten. Daar zit frictie tussen, want we weten niet waar we heen gaan. Dat is precies mijn punt geweest als het gaat om die handtekening. Waar staat die nou precies voor? Daar kwam een helder antwoord op, maar ik wil een voorbeeld bij het vorige geven. Als het gaat om het EU-bsn-nummer, zegt de Minister: «Er is nog geen voorstel. Het gaat erom instrumenten te ontwikkelen. We weten niet waar het heengaat: of het een EU-bsn-nummer wordt of het gebruiken van elkaars nummers, oftewel datacomptabiliteit.» Die politieke handtekening die morgen gezet gaat worden is dus een mist creërende handtekening. Dat wilde ik duidelijk maken. Ik vind het belangrijk genoeg om daar straks toch een motie over in te dienen. Dat was het.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer De Graaf. Dan meneer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Als het gaat om de weekendrust voor de truckers – dat is de motie-Karabulut cum suis – zie ik de brief graag tegemoet. Het is mij ook opgevallen dat het twee ministeries zijn, wat tot verwarring leidt. Ook binnen de partijen zijn er twee woordvoerders, tenzij je het beide doet; dat is eigenlijk het allerbeste. Het zou geweldig zijn als dat opgelost kan worden, want we willen natuurlijk allemaal voorkomen dat die truckers hierdoor tussen wal en schip vallen.

Dan de ondertekening van het Sociaal Handvest. Dat is mijn vurige wens. De Minister zegt: geef mij even de tijd om dat te bestuderen. Daarom had ik bedacht dat het VAO van tafel kan, mits de Minister dan toezegt dat hij over drie weken zegt: «Geweldig handvest! Gaan we doen!» Maar nu zegt De Graaf dat hij een motie wil indienen, dus dan wordt het VAO gehandhaafd. Dan kan ik ook alsnog een motie indienen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Jasper van Dijk. Dan meneer Özdil.

De heer Özdil (GroenLinks):

Dank u, voorzitter. Ook namens GroenLinks veel dank aan de collega's en aan de Minister voor zijn heldere antwoorden en voor de toezeggingen. Dat smaakt naar meer, zou ik zeggen.

Ik heb één vervolgvraag om alle misverstanden te voorkomen over de toezegging die de Minister deed naar aanleiding van mijn vraag over onze inzet voor de versterking van de sociale dimensie van Europa. In de discussienotitie van de Europese Commissie worden er drie opties voorgelegd om die sociale dimensie te versterken. De derde optie is het verdiepen van de sociale dimensie. Ik vroeg daarnaar en dan gaat het om Europese minimumnormen en Europa-brede harmonisatie. Begrijp ik goed dat de Minister heeft toegezegd dat de premier morgen voor die derde optie, namelijk het verdiepen van de sociale dimensie, gaat pleiten? Ik hoor een «nee». Dan blijf ik mijn motie op dit punt overwegen.

De voorzitter:

Meneer Wiersma.

De heer Wiersma (VVD):

Ik hoorde inderdaad ook een «nee», want anders hadden wij waarschijnlijk een motie ingediend. Zo is het ook weer.

Dank voor de heldere antwoorden. Ik heb verder geen grote toevoeging. Ik zal wel zeer binnenkort een bezoek brengen aan een parkeerplaats met chauffeurs en ik nodig de Minister van harte uit om dat samen te doen. Ik ben heel blij met de toezegging betreffende het woonlandbeginsel. Het zal inderdaad een pittige rit worden om dat voor elkaar te boksen, maar we kunnen er in ieder geval vanuit Nederland een belangrijke voortrekkersrol in spelen. Ik ben blij dat we dat doen. Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan meneer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Ik snap collega Wiersma wel: het regeerakkoord bevat tal van terreinen waarop we meer Europees gaan doen, maar op het terrein van de sociale zekerheid staat er ook heel expliciet in dat de eigen verantwoordelijkheid voor het stelsel blijft. Ook dan kun je meer dingen doen in de Detacheringsrichtlijn, zoals in de handhaving. Daar zijn we het volgens mij buitengewoon over eens. Ik vind het overigens goed om te zien dat we hier – ik weet dat de heer De Graaf een andere opvatting heeft dan ik over de Europese Unie en misschien zelfs over Europa – op dit punt eensgezind optrekken. Ik zie uit naar die blijvende constructieve samenwerking, ook al wisselen soms, gedurende de jaren, de oppositie- en coalitierollen tussen sommigen van de woordvoerders. Ik ben blij met de toezeggingen en ik zie uit naar de brieven over de A1-formulieren, waar ik en zeker ook de heer Gijs van Dijk en anderen aandacht voor vroegen. Ik hoor ook graag terug hoe het krachtenveld nu is rond het Erasmusprogramma, want dat is van grote waarde voor de ontwikkeling van onze jongeren, denk ik. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik geef de Minister direct het woord.

Minister Koolmees:

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik ga de woordvoerders een voor een aflopen. Ik vond het van mijn kant ook een heel prettig AO. Ik hoop dat we het de komende jaren zo voort kunnen zetten. Het zal vast af en toe wat meer gaan schuren dan vandaag, maar laten we in ieder geval een poging doen.

Aan de heer Gijs van Dijk doe ik graag de toezegging over de A1-brief, om het zo maar eens kort samen te vatten. Goed dat we daar een inhoudelijke discussie over gaan voeren. Mijn excuus dat er een misverstand leek te ontstaan over mijn brede interpretatie van eigenlijk de motie die de heer Özdil straks gaat indienen. O, hij overweegt het nog! Wordt vervolgd dus. Ik zie uit naar het vervolg. Ook over de handhaving, een thema dat terecht door heel veel fracties naar voren wordt gebracht, gaan we komende jaren veel praten.

De heer Heerma vroeg naar de begrotingsbehandeling en de transportsector. Daar hebben we het over gehad. Hij adviseerde om te gaan kijken. De heer Wiersma bood ook al aan om samen te gaan kijken. Ik ga eens kijken of dat lukt in de agenda, maar ik heb deze tip nu van vier van uw leden gekregen, dus ik ga het zeker doen.

De stroppenpot: ik had het niet over geld, meneer Heerma. Ik had het over drop, dus misschien... Nou ja, laat maar, ik hou mijn mond! U komt toch niet met een motie? Dank u wel!

De heer De Graaf heeft gewoon gelijk dat het over de Europese Unie gaat. Ik ga dus mijn best doen de komende tijd om netjes te blijven formuleren. Daar sta ik niet om bekend. Ik kan af en toe wat kort door de bocht formuleren. Maar mensen of cliënten, Europa of de Europese Unie – ik ga mijn best doen!

De heer De Graaf meende mist waar te nemen. Dat ben ik niet met hem eens. Ik denk dat de sociale pijler, de gedachte die daarachter zit maar ook de nationale verantwoordelijkheid die daar expliciet in wordt benoemd, echt een combinatie is van hoe we van elkaar kunnen leren. Gezien wat er de afgelopen jaren gebeurd is, bijvoorbeeld ten aanzien van de heel hoge werkloosheid in Zuid-Europa en de heel hoge jeugdwerkloosheid in Europa, en de verschillen tussen de lidstaten, die echt gigantisch zijn, is het gewoon een goed punt dat we daar van elkaar gaan leren. Het is een politieke handtekening onder twintig principes die in de sociale pijler van belang zijn, waar echt heel verschillend invulling aan wordt gegeven op lidstaatniveau. Daarmee zijn de principes van de sociale pijler echt van een ander abstractieniveau dan bijvoorbeeld het sofinummer. Dat is een technisch voorstel waarvan wij hebben gehoord dat het leeft maar waar we nog geen concreet voorstel voor hebben. Dat maakt het ook moeilijk voor mij om daarop te reageren. Soms kan zo'n instrument namelijk hartstikke handig zijn, als de sociale verzekeringsbanken van deze wereld of de inspecties SZW goed met elkaar kunnen samenwerken. Dat is alleen maar winst voor alle lidstaten. Voor je het weet gaat het een heel andere kant op en denkt Nederland: nee, dat vinden wij geen goed idee. Dan trekken we aan de rem. We weten het niet en daarom vind ik het te vroeg om daar nu een uitspraak over te doen. Maar zo moet u wel de sociale pijler lezen. Het zijn algemene principes en een richting waar het naartoe gaat, maar de verantwoordelijkheid ligt bij de lidstaten.

De heer Van Dijk...

De voorzitter:

Welke meneer Van Dijk?

Minister Koolmees:

Excuus, de heer Jasper van Dijk van de Socialistische Partij! Ik heb hem toegezegd dat ik het Sociaal Handvest ga lezen. Ik gaf een vinger en de heer Jasper van Dijk nam de hele hand. «Prachtig, gaan we doen», dat was niet mijn uitspraak. Ik ga het lezen en we komen erop terug, ook bij het AO van 30 november, op wat nou de relatie is tussen de sociale pijler en het Sociaal Handvest. Ik weet niet of ik het voor 30 november helemaal gelezen heb. Is het een dik stuk? Nee? Nou, dan ga ik het lezen!

De heer Özdil. In april was er inderdaad een discussiepaper, een white paper, van de Europese Unie over de verschillende scenario's voor Europa. De sociale pijler die nu wordt getekend is echt iets anders dan variant 3 in die verkenning. Ja, het gaat over versterking, samenwerking, van elkaar leren, benchmarking, maar, zoals ook in het regeerakkoord staat, de lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor dit beleidsterrein. Dat is een heel bewuste keuze, die in lijn is met het Nederlandse regeerakkoord en ook met het beleid van de afgelopen jaren. Het is volgens mij ook een lijn die in deze Kamer op heel brede steun kan rekenen. Ik geef in overweging of de motie op dit moment moet worden ingediend, ook gegeven het informele karakter van de top van morgen. Maar ik ben natuurlijk altijd bereid om in uw Kamer te verschijnen om een motie te becommentariëren.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik waardeer de woorden van de Minister, maar als het zo informeel is, waarom dan niet ook optie 3 openlaten morgen?

Minister Koolmees:

Informeel betekent niet dat er niet al maanden over dit onderwerp gesproken is en dat er geen sprake is van een convergentie van standpunten in Europa. Omdat er natuurlijk al heel veel langer over gesproken is, kunnen de vertegenwoordigers van de Raad, het Parlement en de Commissie dat morgen ondertekenen.

De heer Wiersma dank ik voor de uitnodiging. We gaan kijken of het lukt. Ik ga in ieder geval op korte termijn met u spreken. Misschien kan dat op een truckterrein aan de grens!

Over het woonlandbeginsel heb ik gezegd wat ik heb gezegd. Nederland heeft dat punt vandaag ingebracht. De eerlijkheid en het verwachtingsmanagement gebieden wel te zeggen dat de krachtsverhouding in Europa echt anders is, om het maar eufemistisch te zeggen. Maar daar komen we op terug.

De heer Van Weyenberg. Het punt van de handhaving is terecht, de A1-brief komt eraan en tot slot: op het Erasmusprogramma – ik kijk ook even naar de ambtelijke vertegenwoordiging van het Ministerie van OCW – komen we terug in het verslag.

Daarmee ben ik aan het einde gekomen van mijn beantwoording en geef ik het woord aan de voorzitter. O, dat mag ik helemaal niet!

De voorzitter:

Minister, dank u wel voor deze wederom uitgebreide beantwoording. Ik kijk even rond. Ik heb een viertal toezeggingen genoteerd. Voor de verslaglegging is het wel zo volledig als ik die dan ook even uitspreek. Ik hoor dan graag of het klopt wat wij hier opschrijven.

  • De beantwoording van het schriftelijk overleg bij de commissie I&W over de transportsector komt voor de begrotingsbehandeling SZW naar de Kamer. Als dat onverhoopt niet mocht lukken, informeert de Minister de commissie daarover.

  • De Kamer ontvangt het verslag van het kabinet van de sociale top voor 30 november, zodat het betrokken kan worden bij het AO Raad Sociaal beleid.

  • De Minister stuurt voor het AO op 30 november ter voorbereiding op de Raad Sociaal beleid een brede analyse aan de Kamer over de A1-verklaring.

  • De Minister informeert de Kamer voor de begrotingsbehandeling SZW over de stand van zaken inzake het woonlandbeginsel.

Ik zie voorzichtig geknik.

Minister Koolmees:

Wat ik vandaag heb gemeld over dat laatste punt, is eigenlijk de stand van zaken. Ik denk dat daar niks mee gebeurt voor de begrotingsbehandeling. Ik wil daar graag bij de begroting zelf op terugkomen, maar in een aparte brief ga ik herhalen wat ik nu gezegd heb. Dat lijkt me dus niet nodig. We kunnen het ook meenemen in de geannoteerde agenda voor de top van 7 december.

De voorzitter:

Dan noteren we het op die manier: het wordt meegenomen in de geannoteerde agenda.

Voordat ik afrond, zie ik nog een vraag van de heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Misschien is het me ontgaan, maar is ook genoteerd dat de Minister het Sociaal Handvest gaat lezen en dan zal zeggen bij het debat hoe dat zich verhoudt tot de sociale pijler? Dat was een toezegging.

De voorzitter:

Ik zie dat meneer Heerma ook nog iets wil vragen en daarna ga ik er iets over zeggen.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Nee, ik zou graag willen opmerken dat de toezeggingen die wij in deze commissie aan het einde vaststellen, punten zijn waarop de Minister of de Staatssecretaris toegezegd heeft schriftelijk terug te komen. Dus mondelinge toezeggingen om iets te gaan doen, worden niet op deze manier vastgelegd.

De heer Jasper van Dijk (SP):

En dan? Dan verdwijnen ze?

Minister Koolmees:

Om de heer Jasper van Dijk van de SP gerust te stellen: ik ga het lezen en ik ga ook nadenken over hoe het zich verhoudt tot de sociale pijler. Daar komen we dan vast op terug bij het AO op 30 november.

De voorzitter:

Dank u wel voor die toevoeging.

Ik concludeer dat het vooraangekondigde VAO van vandaag doorgang zal vinden, met als eerste spreker het lid De Graaf van de PVV. Daarna zullen we ook stemmen.

Dan rest mij alle aanwezigen te danken voor hun inbreng en de beantwoording, en alle kijkers thuis, die dit vanzelfsprekend gevolgd hebben, want het was een interessante bijeenkomst vanmiddag. Dank u wel.

Sluiting 15.39 uur.