Kamerstuk 21501-404

Verslag van een algemeen overleg

De Informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 19 en 20 april 2016

Gepubliceerd: 25 mei 2016
Indiener(s): Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA)
Onderwerpen: europese zaken internationaal organisatie en beleid sociale zekerheid werk zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-31-404.html
ID: 21501-404

Nr. 404 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 25 mei 2016

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 13 april 2016 overleg gevoerd met de heer Asscher, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President, over:

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 4 april 2016 inzake de geannoteerde Agenda Informele Raad WSBVC, onderdeel Werkgelegenheid en Sociaal Beleid op 19 en 20 april Amsterdam (Kamerstuk 21 501-31, nr. 399);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 21 maart 2016 inzake het verslag van de Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken, onderdeel Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, van 7 maart 2016 (Kamerstuk 21 501-31, nr. 396);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 16 maart 2016 inzake aanbieding afschrift beantwoording EC consultatie: evaluatie van het Europees Sociaal Fonds 2007–2013 (Kamerstuk 26 642, nr. 136);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 29 maart 2016 inzake aanbieding afschrift van de beantwoording op de Europese Commissie consultatie: richtlijn Schriftelijke Verklaring 91/533/EEG (Kamerstuk 22 112, nr. 2106).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

De griffier van de commissie, Post

Voorzitter: Van der Burg

Griffier: Post

Aanwezig zijn vier leden der Kamer, te weten: Van der Burg, Kerstens, Schut-Welkzijn en Ulenbelt,

en de heer Asscher, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Vice-Minister-President.

Aanvang 11.32 uur.

De voorzitter:

Dames en heren, welkom. Ik heet ook de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zijn staf wederom van harte welkom, evenals de Kamerleden die dit debat gaan voeren. Welkom ook aan de mensen die dit algemeen overleg volgen. Wij beginnen snel, en wel met de inbreng van de heer Ulenbelt in eerste termijn.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. Tijdens de Informele Raad van 19 en 20 april in Amsterdam komt er ook een informeel politiek debat over arbeidsmobiliteit en detachering. Wij hebben hier vanochtend al gesproken over detachering. Er wordt gezegd dat arbeidsmobiliteit een essentieel onderdeel van de Europese integratie is, maar als we goed om ons heen kijken, moeten we toch echt de omgekeerde conclusie trekken: de manier waarop arbeidsmobiliteit de afgelopen jaren heeft gewerkt, heeft juist geleid tot desintegratie. De hele discussie in Engeland over een brexit was onder andere een reactie op het openstellen van de grenzen voor mensen uit Oost-Europa. Er zijn in Engeland inmiddels dorpen waar meer Polen dan Engelsen wonen en dat doet iets met een samenleving. Dat zien ze daar in de omgeving ook.

Hetzelfde geldt voor een deel ook voor Nederland. Kijk maar eens op de parkeerplaatsen. Kijk naar de Eemshaven, we hadden het daar ook al over. Kijk naar wat dat doet in Groningen. In het dorpje Waterhuizen werken meer Roemenen op de scheepswerven dan Nederlanders. Dat zijn allemaal gevolgen van die arbeidsmobiliteit en die dragen bij aan desintegratie. Ik zou aan de Minister willen vragen om de zorg die daarover in Nederland leeft, naar voren te brengen. Hij zal ongetwijfeld ook vragen krijgen over het Oekraïnereferendum en dat soort dingen.

Er wordt ook gesproken over een sociale pijler. Ik ben mij daar eens even in gaan verdiepen en kwam ook de vijf-presidentenbrief uit 2014 tegen. Dat is de route. Daar valt heel veel over te zeggen, maar wat ik eruit afleid, is dat die sociale pijler alleen maar wordt ingesteld om de EMU te redden. Die sociale pijler heeft eigenlijk niets met sociaal beleid te maken; hij heeft er alleen mee te maken dat Europa moet blijven geloven in de euro en in de Europese Monetaire Unie. En dat terwijl steeds meer economen zeggen: dat ding is failliet of het gaat binnenkort failliet; de euro is niet te hanteren, de Europese Monetaire Unie is niet te handhaven. Ik ben benieuwd wat de Minister daarover gaat zeggen.

Ik heb op dat punt een concreet voorstel. Ik vraag me af waarom die sociale pijler alleen voor de eurozone geldt. Als je samenwerking en een sociaal Europa wilt, dan moet dat toch gelden voor de hele Europese Unie? Mijn voorstel aan de Minister is om in die Informele Raad naar voren te brengen dat Europa, de Europese Unie zich als zodanig aansluit bij het Europees Sociaal Handvest. Dan zijn in één klap een hoop sociale minima ook op Europees vlak geregeld, en hoeft die sociale pijler helemaal niet verder uitgewerkt te worden. Als Europa zich aansluit bij het Europees Sociaal Handvest opgesteld door de Raad van Europa indertijd, lossen wij volgens mij een hele hoop problemen op. Ik ben benieuwd wat de Minister daarvan vindt.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Voorzitter. In deze Informele Raad worden workshops gehouden als onderdeel van de consultatie over de sociale pijler. Nederland is de organisator, maar geeft in de geannoteerde agenda aan, alleen te willen luisteren naar de bijdragen van de lidstaten aan de consultatie. Wat verwacht de Minister zelf van deze workshops en van de ontwikkeling van de sociale pijler? Er zal toch wel een doel ten grondslag liggen aan de organisatie van deze workshops?

Het zal de Minister niet verbazen dat de VVD dit proces kritisch volgt. Wij zijn tegen die sociale pijler onder de EU of een sociale dimensie van de euro. Wij zijn van mening dat sociale zekerheid subsidiair bij de lidstaten zelf ligt. Dat hebben we eerder ook al gewisseld. De VVD wil graag dat de Kamer schriftelijk op de hoogte wordt gehouden van de uitkomst van deze consultatie. In de stukken zat ook een consultatie over de richtlijn schriftelijke verklaring. Die is dan waarschijnlijk onderdeel van de handhaving van de Detacheringsrichtlijn. Daarover willen wij graag wat meer duidelijkheid. De vraag is wat hierop de vervolgstappen zijn.

Ten slotte. In het VAO over de Raad WSB van maart jongstleden heeft de VVD een motie ingediend, die ook is aangenomen, om het woonlandbeginsel toe te passen in de EU naar aanleiding van het brexit-pakket. Hoe is dat streven van de Nederlandse regering gevallen bij de andere lidstaten? Hebben die zich hier ook hard voor gemaakt? Wat zijn de vervolgstappen daarin, mocht het – wat ik hoop – niet tot een brexit komen?

De heer Kerstens (PvdA):

Voorzitter. In het vorige algemeen overleg, dat net hiervoor plaatsvond, hebben wij uitgebreid gesproken over de aangekondigde herziening van de Detacheringsrichtlijn. Ik wou dat hier niet nog een keer gaan doen en volsta met de verwijzing naar mijn bijdrage van daarnet. Ik hou het kortheidshalve bij de opmerking dat de komende Raad, zij het een informele, voor mij toch een van de momenten is om onze inbreng over het voetlicht te brengen. «Over het voetlicht brengen» klinkt wat eigenaardig bij een informele raad, maar we willen in ieder geval toch even voelen hoe het er voorstaat. Het lijkt mij een goed begin van een officieel onderhandelingstraject om deze gelegenheid te baat te nemen om te kijken hoe de paarden lopen, zeker ook als je de positie van voorzitter vervult. Ik ga er trouwens van uit dat de Minister dat toch al zou doen.

Ik heb ook een paar opmerkingen over die sociale pijler. Ik ben – uiteraard, zou ik zeggen – een groot voorstander van een eerlijke arbeidsmarkt en een eerlijk socialezekerheidsstelsel. Het is goed om te lezen dat dit ook voor de Commissie geldt, want die citeerde ik net met deze termen. Ik vind het wel wat eigenaardig dat, zoals we net hebben geconstateerd, de eigen regelgeving van de Commissie niet altijd bijdraagt aan zo'n eerlijke arbeidsmarkt en aan een eerlijk socialezekerheidsstelsel. Sterker nog, de regelgeving van de Commissie lijkt soms die eerlijke arbeidsmarkt en dat eerlijke socialezekerheidsstelsel zelfs verder weg te brengen, denk aan de Detacheringsrichtlijn en de coördinatieverordening sociale verzekeringen. Net als de heer Ulenbelt vraag ik mij af waarom we die sociale pijler niet over de hele EU laten uitstrekken, in plaats van alleen over de landen die gebruikmaken van de euro.

Dan nog twee korte opmerkingen. De eerste betreft het ESF. We hebben een mooie vragenlijst gezien, die ingevuld is namens Nederland in het kader van de evaluatie van het Europees Sociaal Fonds over de afgelopen jaren. Ik zag op vrij neutrale plekken kruisjes staan, maar ik zag dat ook het kabinet vrij negatief is over de hele administratieve rompslomp die komt kijken bij het aanvragen van subsidies op basis van het Europees Sociaal Fonds, de verantwoording, de auditing en dergelijke. Is dat alleen maar een gevoel, of gaat de Minister daar ook iets mee doen?

We willen in de komende jaren honderden miljoenen aan ESF-gelden in Nederland besteden aan afspraken die een inclusieve arbeidsmarkt dichterbij moeten brengen, wat vooral mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt zou moeten helpen. Ik heb toch het gevoel dat er af en toe wat huiverig wordt gereageerd, bijvoorbeeld door de arbeidsmarktregio's, als het gaat om het aanvragen van die subsidie, juist omdat het allemaal zo ingewikkeld is. De vraag is: gaan die kruisjes die Nederland heeft gezet op die punten nog leiden tot een vervolgactie, en zo ja, welke?

Die vraag heb ik ook als het gaat om het laatste punt dat ik nog even wil aanstippen, betere afstemming van onderwijs en arbeidsmarkt. Dat heet daar de Vaardighedenagenda. Welk vervolg wordt daaraan gegeven en welke rol gaat Nederland zelf spelen op het gebied van het over en weer erkennen van diploma's, werkervaring en dergelijke? Wij weten immers allemaal dat er kansen liggen over de grens, soms vlak over de grens, en alles wat we kunnen doen om die kansen te vergroten, moeten we niet nalaten.

Het allerlaatste punt dat mij nog te binnen schiet, is de vraag of de Minister namens Nederland bij de Informele Raad ook nog een beetje gaat trekken aan iets wat een ander speerpunt op sociaal terrein is tijdens ons voorzitterschap, namelijk kankerverwekkende stoffen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn wij hiermee aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. Wij gaan eens kijken of wij met dit debat om 12.00 uur klaar kunnen zijn. De Minister heeft enkele minuten nodig om de antwoorden voor te bereiden. Wij schorsen even en gaan dan luisteren naar zijn beantwoording.

De vergadering wordt van 11.41 uur tot 11.45 uur geschorst.

Minister Asscher:

Voorzitter. Wij debatteren hier over Europa tot er geen Kamerlid meer over is. Zo komt het ongeveer over vandaag.

De SP-fractie zegt: het is allemaal leuk, die zegeningen van de interne markt, maar er zijn toch ook zorgen. Dat is ook zo, en die zorgen vertolk ik ook. De interne markt heeft heel veel goeds gebracht. Ik noem welvaart en extra werkgelegenheid, maar er moet balans zijn, en dat is ook waar ik mij voor inzet. Ik denk dat de andere lidstaten hebben gezien dat die zorgen ook in Nederland zichtbaar zijn. Dat is ook de reden waarom ik mij heb ingezet voor de Handhavingsrichtlijn. Het is de reden dat ik mij bezighoud met de Detacheringsrichtlijn, dat ik me sterk maak voor het platform zwartwerk en dat ik de Wet aanpak schijnconstructies aan uw Kamer heb voorgelegd. Dat zijn allemaal voorbeelden van hoe we met die zorg proberen om te gaan.

De VVD vraagt of er een relatie is tussen de Detacheringsrichtlijn en de richtlijn schriftelijke verklaring. Nee, daar is geen relatie tussen. 28 maart heb ik een consultatie van de Commissie met als onderwerp de richtlijn schriftelijke verklaring beantwoord. Die gaat over de verplichting van de werkgever om de werknemer te informeren over voorwaarden die op zijn of haar arbeidsovereenkomst van toepassing zijn. Die verplichting bestaat in Nederland al sinds 1988 en is met de implementatie van de richtlijn in 1994 uitgebreid naar flexibele arbeidsrelaties. Daaronder vallen ook andere flexibele arbeidsverhoudingen die zien op het aannemen van werk of het verrichten van enkele diensten, zolang die met een arbeidsovereenkomst gelijkgesteld kunnen worden. In de beantwoording is aangegeven dat het ter bescherming van de werknemers en uit oogpunt van transparantie op de arbeidsmarkt belangrijk is dat werkgevers hun werknemers informeren over dit soort wezenlijke elementen van hun arbeidsverhouding. Verder is aangegeven dat de informatieplicht die wij in Nederland hebben, in de praktijk toereikend is en ook goed werkt. Er zijn geen signalen dat dit knelpunten oplevert of dat er als gevolg van die verplichting in Nederland een merkbare administratieve verzwaring is opgetreden voor werkgevers. Er is ook geen enkele aanleiding om het beleid aan te vullen of aan te passen. In Nederland is het dus al bijna 30 jaar normaal dat je de werknemer informeert. Ook daarvoor, nog voordat het verplicht werd, deed men dat in Nederland al.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Ik heb nog een heel klein punt. Ik vroeg mij even af in welk kader dit nu voorligt. Wij doen het in Nederland al goed. Ik ben daar ook niet tegen, maar ik kan even niet plaatsen in welk kader we dit nu doen.

Minister Asscher:

U moet het zien als het onderhoud dat hoort bij Europees recht. Om de zoveel tijd wordt er geëvalueerd. Dan komt er een consultatie over hoe dingen werken in de praktijk. De lidstaten geven antwoord en vervolgens haalt de Commissie het net op en zegt: we zien dat de regelgeving in de meeste landen toereikend is zoals die er nu is. Wij evalueren in Nederland ook meestal na vijf jaar onze wetten op hun effecten.

Gevraagd is wat wij moeten verwachten van die sociale pijler. 8 maart heeft de Commissie een mededeling uitgebracht over de oprichting van de Europese Pijler van Sociale Rechten. Die zou volgens de Commissie moeten bestaan uit een aantal principes die bijdragen aan een goed functionerende en eerlijke arbeidsmarkt en een dito socialezekerheidsstelsel. Het initiatief is in eerste instantie gericht op de eurozone, maar ook niet-eurozonelanden kunnen zich erbij aansluiten. Doel is het creëren van een referentiekader dat meer inzicht geeft in de prestaties van lidstaten op het gebied van werkgelegenheid en op het sociale terrein. Aan de hand daarvan kunnen hervormingen op nationaal niveau verder gestimuleerd worden, wat zou moeten leiden tot opwaartse sociale convergentie tussen lidstaten op sociaal terrein.

Die mededeling vormt de start van een breed consultatieproces over die sociale pijler. De Commissie wil onder andere nationale, regionale en lokale overheden, sociale partners en het maatschappelijk middenveld consulteren. Dat proces loopt tot eind van dit jaar en op basis daarvan zal de Commissie volgend jaar met een voorstel komen. Tijdens de Informele Raad zullen lidstaten voor het eerst van gedachten wisselen over die sociale pijler. De uitkomsten kunnen dan als input worden gebruikt bij het formuleren van de Nederlandse reactie. Het kabinet zal die reactie conform het verzoek van de Kamer ook aan de Kamer aanbieden.

Wat willen wij daar dan mee? Dat is nog een beetje onduidelijk. Ik denk dat de gedachtegang positief is: je wilt streven naar opwaartse sociale convergentie. Daar is het om bedoeld. Je wilt geen neerwaartse sociale convergentie. Het is dus the race to the bottom versus the race to the top. Tegelijk lijkt het mij goed dat de lidstaten zelf bevoegd en competent zijn om de sociale zekerheid en het arbeidsrecht et cetera in te richten. Er is ook geen aanleiding om te denken dat de Commissie daarvan zou willen afwijken. De vraag is nu dus hoe men dat vorm wil geven.

Ik vind het positief dat er bij het nadenken over de hervormingen die nodig zijn om aan de budgettaire vereisten te kunnen voldoen, ook rekening wordt gehouden met de sociale effecten daarvan. Wat doet dat met de arbeidsmarkt? We bevinden ons nog echt in het beginstadium van de gedachtevorming en Nederland heeft ook nog wel een aantal vragen aan de Commissie, in de trant van: wat beogen jullie hier nu mee? De doelen zijn dusdanig dat er bijna niemand tegen kan zijn, maar de weg daarnaartoe is heel belangrijk, omdat we én zeer hechten aan autonomie voor de lidstaten, én zeer hechten aan een effectief eurosysteem. Als we het hier in Nederland netjes doen, willen we vervolgens ook niet moeten toekijken hoe anderen het niet netjes doen. Hopelijk hebben we daar na de Informele Raad wat meer zicht op.

Hoe gaat het verder met de Vaardighedenagenda? Daar zijn twee debatten over gevoerd, één in de Sociale Raad en één in de Onderwijsraad. In juni krijgen we een presentatie van de Europese Commissie over hoe men daarmee verder wil gaan. Ik vind het een ontzettend belangrijk onderwerp. Als je kijkt naar de bedreigingen voor de arbeidsmarkt in Nederland, maar ook in Europa als geheel, dan weet je dat je hier wat mee moet, de lidstaten voorop. Het is ook echt een Europees element. Dat kwam ook goed tot uitdrukking in de twee debatten in de Onderwijsraad en in de Sociale Raad. Ik hoop dat dit leidt tot een goede agenda.

De Partij van de Arbeid refereert aan de rompslomp rond de ESF-subsidies. Zeker, die eisen en verplichtingen zijn echt excessief. Het is een enorm gedoe aan paperassen, formulieren en bureaucratie et cetera. Het is een heel strak systeem met eerstelijns-, tweedelijns- en derdelijnscontroles. Dat is een stuk zwaarder dan bij serieuze nationale subsidies. Wij benoemen dat voortdurend, maar ik heb desondanks niet het gevoel dat het snel gaat verbeteren. Het blijft een «frappez, frappez toujours»-onderwerp, maar ik heb geen aanknopingspuntjes om te denken dat we dat snel kunnen verbeteren.

Tot slot de vraag van de SP over het Europees Sociaal Handvest. Ik moet even uitzoeken wat dat zou betekenen en of dat wel of niet een optie is. Ik wil daarop terugkomen in het verslag van de Informele Raad. Daarmee beantwoord ik ook direct de vervolgvraag wanneer de Kamer daar dan meer over hoort.

De heer Kerstens (PvdA):

Ik heb nog een kleine vraag over het ESF. Misschien overvraag ik de Minister wel, maar toch. Heeft de Minister bij benadering zicht op hoeveel geld er aan mogelijke subsidies op de plank blijft liggen, omdat Nederlandse partners vanwege de rompslomp afzien van het indienen van aanvragen? Is daarvan een begin van een indicatie te geven? Zo ja, zou die een keer aan de Kamer geleverd kunnen worden, zodat wij ons een beter beeld kunnen vormen?

Minister Asscher:

Ik snap de vraag, maar ik denk dat die heel moeilijk te beantwoorden is. Het is moeilijk om erachter te komen wie de website bekijkt en denkt: ik kom hier nooit meer terug. Ik snap de vraag, maar ik denk dat het heel moeilijk uit te vinden is, in alle eerlijkheid. Het is evident dat het nu zo ingewikkeld is dat je, als het even kan, er omheen loopt. Aan de andere kant benutten we het ESF wel degelijk voor goede doelen in Nederland, voor belangrijke arbeidsmarktdoelen ook. Ik noem de jeugdwerkloosheid, participatie, mensen met een beperking aan het werk. Ik weet niet precies wie er nu allemaal vanwege de rompslomp afziet.

De heer Kerstens (PvdA):

Het zal echt niet zo zijn dat Nederland in die enquête het kruisje zet bij «excessief» waar het gaat om de administratieve belasting, omdat degene die op het ministerie het formulier invult, dat vindt. Dat komt natuurlijk voort uit signalen. Ik krijg ze zelf ook in het land. Het zou misschien wel handig zijn om eens een klein onderzoekje – onderzoekje is een groot woord – te doen om te bezien of daar wat meer informatie over te verkrijgen is, bijvoorbeeld vanuit de 35 arbeidsmarktregio's. Die zouden immers in het kader van de Participatiewet heel erg bezig moeten zijn om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan de slag te helpen. Daar is heel veel geld voor vrijgemaakt voor de komende jaren, juist vanuit het ESF.

Minister Asscher:

Laat ik toezeggen dat dit een onderwerp is dat bij ons op de radar blijft staan. Als zich mogelijkheden voordoen om dat te vergemakkelijken, zullen we dat doen. Ook als ik meer concreets in handen krijg over wat de effecten daarvan zijn, zal ik dat met de Kamer delen. Zo beluister ik ook de wens van de Partij van de Arbeid, maar ik kan dat nu niet nader specificeren.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Ik had gevraagd naar de motie die in maart jongstleden is aangenomen, met het oog op de vorige Raad WSB en de inzet van het kabinet dienaangaande.

Minister Asscher:

Sorry, die vraag was gesteld en die ben ik vergeten te beantwoorden. Ik heb in het debat gezegd dat ik daarmee na het brexit-referendum en na het voorzitterschap aan de slag wil gaan. Als je dat daarvoor doet, ga je interfereren in dat kwetsbare en fragiele proces. Om die reden ben ik daarover tot nu toe niet in gesprek gegaan met andere lidstaten. Je weet niet precies wat een poging daartoe voor gevolgen heeft. Het is ook echt een kabinetsbrede afspraak dat we alles doen om te vermijden dat we in de brexit-referendumdiscussie terechtkomen. Dat moeten de Britten zelf weten. Het is lastig genoeg. Laten we hopen dat ze voor «remain» stemmen. Dan kan ik daarna aan de slag met die wens van de Kamer.

Mevrouw Schut-Welkzijn (VVD):

Maar gewoon voor intern gebruik in Nederland: is het de Minister bekend of andere lidstaten een dergelijke wens ook hebben?

Minister Asscher:

Dat is mij op dit moment niet bekend.

De voorzitter:

Volgens mij heeft de heer Ulenbelt ook nog één vraag, en daarna hebben we geen tweede termijn meer nodig. Is dat de goede conclusie? Dat is het geval, zie ik.

De heer Ulenbelt (SP):

Ik vind de Minister een beetje vaag over wat die sociale pijler nu inhoudt. Wat ik erover lees, is dat die bedoeld is ter versterking van de Europese Monetaire Unie. VNO-NCW zegt ook: dit is bedoeld voor de EMU. De Minister zegt nu: daar kunnen andere landen zich bij aansluiten, maar als je een sociaal Europa wilt, dan doe je dat toch niet alleen voor de eurozone? Dan doe je dat toch voor heel Europa? Volgens mij worden wij ergens ingeluisd waar we heel veel spijt van krijgen. Het wordt verkocht als sociaal opwaartse convergentie, maar ondertussen zijn de lonen in het zuiden van Europa verder gedaald, terwijl de prijzen er harder zijn gestegen. Dat zei Knot net ergens anders in dit gebouw. De jeugdwerkloosheid is giga. Kan de Minister dat niet gewoon even kraken op de Nederlandse manier, de manier waarop we ook met referenda rond Europa omgaan? Laat ik het zo maar samenvatten.

Minister Asscher:

Het laatste zinnetje brengt mij wel weer in verwarring. Volgens mij is er later vandaag in dit gebouw ook nog een gesprek tussen de Kamer en de regering over de vraag wat dat allemaal betekent. Ik blijf daar dan nu ook buiten, met uw welnemen, mijnheer Ulenbelt.

Het is ook nog een beetje vaag. Dat is natuurlijk het eerlijke antwoord. De Commissie wil er iets mee. Dat vind ik op zich goed, juist vanwege de problemen die de heer Ulenbelt aanstipt. De afgelopen jaren hebben we gezien dat er niet overal sprake is van sociale verbeteringen, zeker niet als je de voorbeelden in ogenschouw neemt die de heer Ulenbelt noemt. Toch is het voor Nederland wel heel belangrijk dat er geen ongelijke snelheden komen in Europa – Nederland moet zich wel aan de budgettaire regels houden en anderen niet – en dat het niet leidt tot aantasting van je nationale bevoegdheden rond sociale zekerheid en arbeidsmarkt. Wij zijn dus ook heel benieuwd wat het dan wel zou moeten zijn.

Op zichzelf lijkt het mij heel logisch dat je een aantal principes vastlegt en dat je in Europa sociale vooruitgang als een van de maatstaven neemt voor het bekijken en toetsen van je beleid. Dat is ook de discussie die we in het vorige algemene overleg hadden. Je wilt niet alleen een diepere interne markt, maar ook een eerlijkere interne markt. Dat geldt ook bijvoorbeeld voor de arbeidsmobiliteit. Echter, de smaak van de pudding moet je wel proeven. Ook hier gaat het weer om de vraag wat men er uiteindelijk mee wil. Ik kan het nu niet beter maken: dit is een eerste heel open suggestie van de Commissie en die richt zich inderdaad in de eerste plaats op de eurozone. Daar kwam ook de wens vandaan om iets te doen aan de achterstand in sociaal gehalte. Ik ben helemaal niet voor sociale eurogroep-achtige constructies. Ik denk dat je alle 28 lidstaten moet betrekken bij dit beleid, maar daar wordt door lidstaten heel verschillend over gedacht. Er zijn ook lidstaten die denken: nee, je moet daar juist in euroverband veel meer aan doen. Dat is best een gevoelig gespreksonderwerp.

Waarom doet Nederland dat dan? Het is gewoon je taak als voorzitter. Dat was nog een vraag van mevrouw Schut, van: goh, je organiseert dat nu, maar waarom doe je dat? Als voorzitter heb je ook de taak om gelegenheid te bieden om te praten over de onderwerpen die de Commissie agendeert. Dat wil het Europese staatsrecht en daarom moeten wij dit faciliteren. Voor Nederland is de hoofdprioriteit de Decent Work Agenda, een fatsoenlijke Europese arbeidsmarkt. Daar draagt de discussie over detachering direct aan bij, zwartwerk idem dito en A1 ook. Er moet nog blijken wat het uiteindelijk zou kunnen opleveren.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn wij aan het eind van dit algemeen overleg gekomen. Alvorens ik dat sluit, ga ik nog de toezegging doornemen die gedaan is. Het is er eentje.

– De vraag over het Europees Sociaal Handvest van het lid Ulenbelt zal beantwoord worden bij het verslag van de Informele Raad.

Wanneer is dat ongeveer?

Minister Asscher:

Over twee weken.

De voorzitter:

Over twee weken. Ik zie dat de leden daarmee akkoord zijn. Dan dank ik de Minister en zijn staf, ik dank onze Kamerleden en alle mensen die dit overleg gevolgd hebben.

Sluiting 12.00 uur.